|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
65e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/708 VAN DE COMMISSIE
van 5 mei 2022
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stoffen 2,5-dichloorbenzoëzuurmethylester, azijnzuur, aclonifen, aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumfosfide, aluminiumsilicaat, beflubutamide, benthiavalicarb, boscalid, calciumcarbide, captan, cymoxanil, dimethomorf, dodemorf, ethefon, ethyleen, extract van theeboom, vetdestillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, fluoxastrobin, flurochloridone, folpet, formetanaat, gibberellinezuur, gibberellinen, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, magnesiumfosfide, metam, metamitron, metazachloor, metribuzin, milbemectine, fenmedifam, pirimifos-methyl, plantaardige oliën/kruidnagelolie, plantaardige oliën/raapzaadolie, plantaardige oliën/groenemuntolie, propamocarb, proquinazid, prothioconazool, pyrethrinen, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet, S-metolachloor, onvertakte vlinderferomonen, sulcotrione, tebuconazool en ureum
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 17, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (2) zijn de werkzame stoffen opgenomen die geacht worden te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009, terwijl deel B van die bijlage de werkzame stoffen vermeldt die krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 zijn goedgekeurd. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/745 van de Commissie (3) is de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stof flurochloridone verlengd tot en met 31 mei 2022. Bij die verordening is ook de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen beflubutamide, benthiavalicarb, boscalid, captan, dimethomorf, ethefon, fluoxastrobin, folpet, formetanaat, metazachloor, metribuzin, milbemectin, fenmedifam, pirimifos-methyl, propamocarb, prothioconazool en S-metolachloor verlengd tot en met 31 juli 2022, en die voor de werkzame stoffen aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumsilicaat, cymoxanil, extract van theeboom, vetdestillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, gibberellinezuur, gibberellinen, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, plantaardige oliën/raapzaadolie, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of plantaardige oorsprong/schapenvet, onvertakte vlinderferomonen, tebuconazool en ureum tot en met 31 augustus 2022. Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/195 van de Commissie (4) is de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stof aclonifen verlengd tot en met 31 juli 2022 en voor de werkzame stoffen 2,5-dichloorbenzoëzuurmethylester, azijnzuur, aluminiumfosfide, calciumcarbide, dodemorf, ethyleen, magnesiumfosfide, metamitron, plantaardige oliën/kruidnagelolie, plantaardige oliën/groenemuntolie, pyrethrinen en sulcotrione tot en met 31 augustus 2022. Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2069 van de Commissie (5) is de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stof proquinazid verlengd tot en met 31 juli 2022. |
|
(3) |
De goedkeuring van de werkzame stof metam verstrijkt overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 359/2012 van de Commissie op 30 juni 2022 (6). |
|
(4) |
De aanvragen voor de verlenging van de goedkeuring van die werkzame stoffen zijn ingediend in overeenstemming met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (7). Hoewel Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 is ingetrokken bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740 van de Commissie (8), blijven de in die verordening vastgestelde bepalingen betreffende de verlenging van de goedkeuring van die werkzame stoffen van toepassing overeenkomstig artikel 17 van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740. |
|
(5) |
Aangezien de beoordeling van die werkzame stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen. Daarom moet de geldigheidsduur van de goedkeuring worden verlengd om de nodige tijd te bieden om de beoordeling af te ronden. |
|
(6) |
Voorts moet ook de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stoffen aluminiumammoniumsulfaat, cymoxanil, dimethomorf, ethefon, fluoxastrobin, folpet, formetanaat, gibberellinezuur, gibberellinen, metribuzin, milbemectin, fenmedifam, pirimifos-methyl, propamocarb, prothioconazool en S-metolachloor worden verlengd om de nodige tijd te bieden om een beoordeling van de hormoonontregelende eigenschappen van die stoffen overeenkomstig de in de artikelen 13 en 14 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 neergelegde procedure uit te voeren. |
|
(7) |
In gevallen waarin de Commissie bij verordening bepaalt dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof niet wordt verlengd omdat niet aan de criteria voor goedkeuring is voldaan, zal zij de vervaldatum vaststellen op dezelfde datum als vóór deze verordening of, indien dat later is, op de datum van inwerkingtreding van de verordening waarbij wordt bepaald dat de goedkeuring van de werkzame stof niet wordt verlengd. In gevallen waarin de Commissie bij verordening bepaalt dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof wordt verlengd, zal zij, wanneer dit aangewezen is, trachten de vroegst mogelijke toepassingsdatum vast te stellen. |
|
(8) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 mei 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/745 van de Commissie van 6 mei 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumsilicaat, beflubutamide, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, calciumcarbonaat, captan, kooldioxide, cymoxanil, dimethomorf, ethefon, extract van theeboom, famoxadone, vetdestillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, flumioxazine, fluoxastrobin, flurochloridone, folpet, formetanaat, gibberellinezuur, gibberellinen, heptamaloxyloglucan, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, metazachloor, metribuzin, milbemectin, Paecilomyces lilacinus stam 251, fenmedifam, fosmet, pirimifos-methyl, plantaardige oliën/raapzaadolie, kaliumwaterstofcarbonaat, propamocarb, prothioconazool, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet, S-metolachloor, onvertakte vlinderferomonen, tebuconazool en ureum (PB L 160 van 7.5.2021, blz. 89).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/195 van de Commissie van 3 februari 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode van verscheidene werkzame stoffen die zijn opgenomen in deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 (verlengingsprogramma AIR IV) (PB L 31 van 4.2.2017, blz. 21).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2069 van de Commissie van 13 november 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen flonicamid (IKI-220), metalaxyl, penoxsulam en proquinazid (PB L 295 van 14.11.2017, blz. 51).
(6) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 359/2012 van de Commissie van 25 april 2012 tot goedkeuring van de werkzame stof metam overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB L 114 van 26.4.2012, blz. 1).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740 van de Commissie van 20 november 2020 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (PB L 392 van 23.11.2020, blz. 20).
BIJLAGE
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
Deel A wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2. |
In deel B, rij 22 (Metam), zesde kolom (Geldigheidsduur), wordt de datum vervangen door “30 juni 2023”. |
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/6 |
VERORDENING (EU) 2022/709 VAN DE COMMISSIE
van 6 mei 2022
tot weigering van een toelating voor een gezondheidsclaim voor voedingsmiddelen die over de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen gaat
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (1), en met name artikel 17, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1924/2006 zijn gezondheidsclaims voor levensmiddelen verboden, tenzij de Commissie daarvoor overeenkomstig die verordening een vergunning heeft verleend en zij zijn opgenomen in een lijst van toegestane claims. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalt tevens dat aanvragen om verlening van een vergunning voor een gezondheidsclaim door exploitanten van levensmiddelenbedrijven aan de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat kunnen worden toegezonden. De bevoegde nationale autoriteit moet geldige aanvragen doorsturen naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). |
|
(3) |
Na ontvangst moet de EFSA de andere lidstaten en de Commissie onverwijld van een aanvraag in kennis stellen en een advies over de desbetreffende gezondheidsclaim uitbrengen. |
|
(4) |
De Commissie moet bij haar besluit over de verlening van een vergunning voor de gezondheidsclaim rekening houden met het advies van de EFSA. |
|
(5) |
Na een aanvraag van H.J. Heinz Supply Chain Europe BV, die werd ingediend overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA advies uitbrengen over een gezondheidsclaim die betrekking had op Nutrimune en de afweer tegen ziekteverwekkers door het immuunsysteem in het maagdarmkanaal en de bovenste luchtwegen (vraag EFSA-Q-2018-00727). De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: “Nutrimune ondersteunt het immuunsysteem in de afweer tegen ziekteverwekkers in de bovenste luchtwegen en het maagdarmkanaal van jonge kinderen”. |
|
(6) |
Op maandag 15 april 2019 hebben de Commissie en de lidstaten het wetenschappelijk advies van de EFSA ontvangen (2), waarin werd geconcludeerd dat het wetenschappelijk bewijs op grond van de ingediende gegevens niet toereikend is om een oorzakelijk verband vast te stellen tussen de consumptie van Nutrimune, een met Lactobacillus paracasei CBA L74 gefermenteerde gepasteuriseerde magere koemelk, en de afweer tegen ziekteverwekkers door het immuunsysteem in het maagdarmkanaal en de bovenste luchtwegen van jonge kinderen. De claim mag bijgevolg niet worden toegestaan, aangezien hij niet voldoet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1924/2006. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage bij deze verordening vermelde gezondheidsclaim wordt niet opgenomen in de EU-lijst van toegestane claims zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1924/2006.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 mei 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.
(2) EFSA Journal 2019; 17(4):5656.
BIJLAGE
Afgewezen gezondheidsclaim
|
Aanvraag - toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006 |
Nutriënt, stof, levensmiddel of levensmiddelen-categorie |
Claim |
Referentie EFSA-advies |
|
Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt b), inzake de ontwikkeling en gezondheid van kinderen |
Nutrimune (een met Lactobacillus paracasei CBA L74 gefermenteerde gepasteuriseerde magere koemelk) |
Nutrimune ondersteunt het immuunsysteem in de afweer tegen ziekteverwekkers in de bovenste luchtwegen en het maagdarmkanaal van jonge kinderen. |
Q-2018-00727 |
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/9 |
VERORDENING (EU) 2022/710 VAN DE COMMISSIE
van 6 mei 2022
tot weigering van een vergunning voor een gezondheidsclaim voor levensmiddelen die over ziekterisicobeperking gaat
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien op Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (1), en met name artikel 17, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1924/2006 zijn gezondheidsclaims voor levensmiddelen verboden, tenzij de Commissie daarvoor overeenkomstig die verordening een vergunning heeft verleend en zij zijn opgenomen in de lijst van toegestane claims van de Unie. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalt tevens dat aanvragen om verlening van een vergunning voor een gezondheidsclaim door exploitanten van levensmiddelenbedrijven aan de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat kunnen worden toegezonden. De bevoegde nationale autoriteit moet geldige aanvragen doorsturen naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). |
|
(3) |
Na ontvangst moet de EFSA de andere lidstaten en de Commissie onverwijld van een aanvraag in kennis stellen en een advies over de desbetreffende gezondheidsclaim uitbrengen. |
|
(4) |
De Commissie moet bij haar besluit over de verlening van een vergunning voor gezondheidsclaims rekening houden met het advies van de EFSA. |
|
(5) |
Naar aanleiding van een aanvraag van Anxiofit Ltd, die werd ingediend overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA een advies uitbrengen over de wetenschappelijke onderbouwing van een gezondheidsclaim met betrekking tot Anxiofit-1 en de verlaging van subklinische en milde angst (Vraag nr. EFSA-Q-2020-00032). De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: “Het is aangetoond dat Anxiofit-1 verbetering brengt bij subklinische en milde angst. Subklinische en milde angst zijn risicofactoren bij de ontwikkeling van angststoornissen en depressie.”. |
|
(6) |
De Commissie, de lidstaten en de aanvrager hebben het wetenschappelijk advies (2) over deze claim van de EFSA ontvangen, waarin op grond van de verstrekte gegevens is geconcludeerd dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs was om een oorzakelijk verband tussen het gebruik van Anxiofit-1 en de verlaging van subklinische en milde angst vast te stellen. Aangezien de gezondheidsclaim niet voldoet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1924/2006 voor opname in de lijst van toegestane claims van de Unie, mag deze niet worden toegestaan. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage bij deze verordening opgenomen gezondheidsclaim wordt niet in de lijst van toegestane claims van de Unie zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 opgenomen.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 mei 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.
(2) EFSA Journal 2020;18(10):6264.
BIJLAGE
Afgewezen gezondheidsclaim
|
Aanvraag — toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006 |
Nutriënt, stof, levensmiddel of levensmiddelencategorie |
Claim |
Referentie EFSA-advies |
|
Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 14, lid 1, punt a), inzake ziekterisicobeperking |
Anxiofit-1, een voedselingrediënt met een hydroalcoholisch droog wortelextract van Echinacea angustifolia dat is gestandaardiseerd voor het specifieke alkamidenprofiel |
Het is aangetoond dat Anxiofit-1 verbetering brengt bij subklinische en milde angst. Subklinische en milde angst zijn risicofactoren bij de ontwikkeling van angststoornissen en depressie. |
EFSA-Q-2020-00032 |
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/12 |
VERORDENING (EU) 2022/711 VAN DE COMMISSIE
van 6 mei 2022
tot weigering van een vergunning voor bepaalde gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (1), en met name artikel 18, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1924/2006 zijn gezondheidsclaims voor levensmiddelen verboden, tenzij de Commissie daarvoor overeenkomstig die verordening een vergunning heeft verleend en zij zijn opgenomen in een lijst van toegestane claims. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalt tevens dat aanvragen om verlening van een vergunning voor een gezondheidsclaim door exploitanten van levensmiddelenbedrijven aan de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat kunnen worden toegezonden. De bevoegde nationale autoriteit moet geldige aanvragen doorsturen naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) voor een wetenschappelijke beoordeling, en ter informatie naar de Commissie en de lidstaten. |
|
(3) |
De EFSA moet een advies over de desbetreffende gezondheidsclaim uitbrengen. |
|
(4) |
De Commissie moet bij haar besluit over de verlening van een vergunning voor gezondheidsclaims rekening houden met het advies van de EFSA. |
|
(5) |
Naar aanleiding van een aanvraag van analyze & realize GmbH, die is ingediend overeenkomstig artikel 13, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA advies uitbrengen over een gezondheidsclaim betreffende GlycoLite™ en het verliezen van lichaamsgewicht (Vraag nr. EFSA-Q-2018-00611). De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: “GlycoLite™ helpt lichaamsgewicht te verliezen.”. |
|
(6) |
De Commissie, de lidstaten en de aanvrager hebben het wetenschappelijk advies (2) over die claim van de EFSA ontvangen, waarin werd geconcludeerd dat er op grond van de overgelegde gegevens onvoldoende bewijs is om een oorzakelijk verband vast te stellen tussen de consumptie van een waterige extract van witte bonen (Phaseolus vulgaris L.) dat is gestandaardiseerd voor zijn α-amylaseremmende werking in-vitro (GlycoLiteTM), en vermindering van het lichaamsgewicht wanneer er een energiebeperkt dieet is opgelegd of wanneer er onbeperkt gegeten mag worden. Aangezien de gezondheidsclaim niet voldoet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1924/2006 voor opname in de EU-lijst van toegestane claims, mag deze niet worden toegestaan. |
|
(7) |
Naar aanleiding van een aanvraag van BioGaia AB, die werd ingediend overeenkomstig artikel 13, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA advies uitbrengen over een gezondheidsclaim die betrekking had op orodispergeerbare tabletten met een combinatie van Lactobacillus reuteri DSM 17938 en Lactobacillus reuteri ATCC PTA 5289 en normaal functioneren van het tandvlees (Vraag nr. EFSA-Q-2019-00383). De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: “Tabletten met Lactobacillus reuteri DSM 17938 en Lactobacillus reuteri ATCC PTA 5289 ondersteunen het normaal functioneren van het tandvlees.”. |
|
(8) |
De Commissie, de lidstaten en de aanvrager hebben het wetenschappelijk advies (3) over die claim van de EFSA ontvangen, waarin werd geconcludeerd dat er op grond van de overgelegde gegevens onvoldoende bewijs is om een oorzakelijk verband vast te stellen tussen de consumptie van orodispergeerbare tabletten met een combinatie van Lactobacillus reuteri DSM 17938 en Lactobacillus reuteri ATCC PTA 5289 en het normaal functioneren van het tandvlees. Aangezien de gezondheidsclaim niet voldoet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 1924/2006 voor opname in de EU-lijst van toegestane claims, mag deze niet worden toegestaan. |
|
(9) |
Bij de vaststelling van deze verordening is rekening gehouden met de opmerkingen van analyze & realize GmbH die de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 heeft ontvangen. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage bij deze verordening opgenomen gezondheidsclaims worden niet opgenomen in de EU-lijst van toegestane claims zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1924/2006.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 mei 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.
(2) EFSA Journal 2019;17(6):5715.
(3) EFSA Journal 2020;18(3):6004.
BIJLAGE
Afgewezen gezondheidsclaims
|
Aanvraag — Toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006 |
Nutriënt, stof, levensmiddel of levensmiddelencategorie |
Claim |
Referentie EFSA-advies |
|
Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 13, lid 5, die is gebaseerd op nieuw wetenschappelijk bewijs en/of die een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhoudt |
GlycoLiteTM — een door eigendomsrechten beschermd gestandaardiseerd waterig extract van witte bonen (Phaseolus vulgaris L.) |
GlycoLite™ helpt lichaamsgewicht te verliezen. |
Q-2018-00611 |
|
Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 13, lid 5, die is gebaseerd op nieuw wetenschappelijk bewijs en/of die een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhoudt |
Tabletten met twee Lactobacillus reuteri-stammen: Lactobacillus reuteri DSM 17938 en Lactobacillus reuteri ATCC PTA 5289, in ongeveer gelijke hoeveelheden van elke stam (1 × 108 kve/tablet van elke bacteriestam) |
Tabletten met Lactobacillus reuteri DSM 17938 en Lactobacillus reuteri ATCC PTA 5289 ondersteunen het normaal functioneren van het tandvlees. |
Q-2019-00383 |
BESLUITEN
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/15 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/712 VAN DE COMMISSIE
van 27 april 2022
inzake het verzoek tot registratie van het Europees burgerinitiatief “End The Slaughter Age” op grond van Verordening (EU) 2019/788 van het Europees Parlement en de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 2753)
(Alleen de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/788 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende het Europees burgerinitiatief (1), en met name artikel 6, leden 2 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 3 maart 2022 is bij de Commissie een verzoek tot registratie van het Europees burgerinitiatief “End The Slaughter Age” (Nooit meer slachten) ingediend. |
|
(2) |
De doelstellingen van het initiatief zijn als volgt door de organisatoren geformuleerd: “a) niet langer landbouwsubsidies verstrekken voor veehouderij, en ethische en ecologische alternatieven, zoals celkweek en plantaardige eiwitten, daarvoor voortaan wel in aanmerking laten komen; b) de productie en verkoop van op gewassen gebaseerde of cellulaire landbouwproducten stimuleren”. |
|
(3) |
Een aanvullend document bevat nadere bijzonderheden over het onderwerp, de doelstellingen en de achtergrond van het initiatief en vermeldt de precieze redenen waarom het initiatief zou moeten worden gesteund. De organisatoren stellen dat duizenden mensen die werkzaam zijn in de slachtsector en de vleesverwerkende industrie onder verschrikkelijke en vaak illegale arbeidsomstandigheden moeten werken. Aangezien dierenwelzijn een belangrijk punt van zorg is voor de Unie, is het niet langer moreel of juridisch gerechtvaardigd om dieren te slachten. Voorts voeren zij aan dat de intensivering van de niet-duurzame landbouw en de toenemende vraag naar dierlijke eiwitten twee belangrijke factoren zijn die bijdragen tot het risico van zoönosen. Tegelijkertijd vergt de traditionele veehouderij veel energie, neemt zij veel ruimte in en is zij een belangrijke bron van broeikasgasemissies. De organisatoren stellen dat een verschuiving van landbouwsubsidies van de veeteeltsector naar ecologische alternatieven, zoals celkweek en teelt op basis van plantaardige eiwitten, op basis van het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt, gerechtvaardigd is. Om de productie en verkoop van duurzame alternatieven te stimuleren, stellen zij bijvoorbeeld voor plantaardige alternatieven niet langer zwaarder te belasten dan dierlijke producten. |
|
(4) |
Wat de eerste doelstelling van het initiatief betreft, te weten de verschuiving van landbouwsubsidies van de veeteeltsector naar ecologische alternatieven, is de Commissie bevoegd om voorstellen voor rechtshandelingen in te dienen op grond van artikel 43, lid 2, VWEU, om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven, voor zover deze subsidies betrekking hebben op in bijlage I bij het VWEU opgenomen producten. |
|
(5) |
Wat de tweede doelstelling van het initiatief betreft, te weten de invoering van subsidies of soortgelijke stimulansen voor de productie en verkoop van op gewassen gebaseerde of cellulaire landbouwproducten, is de Commissie bevoegd om voorstellen voor rechtshandelingen in te dienen op grond van artikel 43, lid 2, VWEU, voor zover het om de in bijlage I bij het VWEU vermelde producten gaat. Daarnaast heeft de Commissie, voor zover het initiatief ook betrekking heeft op andere soorten stimulansen die verder gaan dan landbouwsubsidies, de bevoegdheid om voorstellen voor rechtshandelingen in te dienen op grond van artikel 114, VWEU, voor zover deze tot doel hebben de werking van de interne markt te verbeteren. |
|
(6) |
Geen van de onderdelen van het initiatief valt derhalve duidelijk buiten het kader van de bevoegdheden van de Commissie om een voorstel in te dienen voor een rechtshandeling van de Unie ter uitvoering van de Verdragen. |
|
(7) |
Deze conclusie doet geen afbreuk aan de beoordeling of in dit geval voldaan is aan de concrete feitelijke en materiële voorwaarden voor optreden van de Commissie, met inbegrip van naleving van het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel en de verenigbaarheid met de grondrechten. |
|
(8) |
De groep organisatoren heeft het nodige bewijs verstrekt dat zij aan de vereisten van artikel 5, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2019/788 voldoet en heeft de contactpersonen aangewezen overeenkomstig artikel 5, lid 3, eerste alinea, van die verordening. |
|
(9) |
Het initiatief is niet kennelijk beledigend, lichtzinnig of ergerlijk en druist niet kennelijk in tegen de waarden van de Unie zoals die in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgelegd, noch tegen de rechten die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
(10) |
Het initiatief “End The Slaughter Age” moet daarom worden geregistreerd. |
|
(11) |
De conclusie dat aan de voorwaarden voor registratie krachtens artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) 2019/788 is voldaan, impliceert geenszins dat de Commissie de feitelijke juistheid van de inhoud van het initiatief bevestigt; deze is de uitsluitende verantwoordelijkheid van de groep organisatoren van het initiatief. De inhoud van het initiatief geeft alleen de standpunten weer van de groep organisatoren en kan in geen geval worden opgevat als een weergave van de standpunten van de Commissie, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het Europees burgerinitiatief “End The Slaughter Age” wordt geregistreerd.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de groep organisatoren van het burgerinitiatief “End The Slaughter Age”, vertegenwoordigd door de heer Filippo BORSELLINO en de heer Darryl GRIMA, die als contactpersonen optreden.
Gedaan te Brussel, 27 april 2022.
Voor de Commissie
Věra JOUROVÁ
Vicevoorzitter
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/17 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/713 VAN DE COMMISSIE
van 4 mei 2022
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 wat betreft geharmoniseerde normen voor toestellen voor verwarming van vloeistoffen, batterijlaadtoestellen, doorstroomverwarmers voor vloeistoffen, accumulatorkachels, toiletten, multifunctionele douchecellen, huidbestralingstoestellen met ultraviolette en infraroodstraling en ander elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 10, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Volgens artikel 12 van Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad (2) wordt elektrisch materiaal dat in overeenstemming is met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, geacht in overeenstemming te zijn met de in artikel 3 van die richtlijn bedoelde en in bijlage I bij die richtlijn vastgestelde veiligheidsdoeleinden die door die geharmoniseerde normen of delen daarvan worden bestreken. |
|
(2) |
Bij brief M/511 van 8 november 2012 heeft de Commissie het Europees Comité voor normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI) verzocht om de eerste volledige lijst van de titels van geharmoniseerde normen op te stellen en geharmoniseerde normen op te stellen, te herzien en te vervolledigen voor elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, ter ondersteuning van Richtlijn 2014/35/EU. De in artikel 3 van Richtlijn 2014/35/EU bedoelde en in bijlage I bij die richtlijn vastgestelde veiligheidsdoeleinden zijn ongewijzigd gebleven sinds het verzoek aan het CEN, het Cenelec en het ETSI. |
|
(3) |
Op basis van verzoek M/511 hebben het CEN en het Cenelec de volgende geharmoniseerde normen en wijzigingen daarvan opgesteld: EN 50689:2021 voor laserproducten voor consumenten, EN IEC 61010-2-011:2021 en EN IEC 61010-2-011:2021/A11:2021 voor koelinstallaties, EN IEC 61347-2-14:2018 en EN IEC 61347-2-14:2018/A11:2021 voor DC en/of AC gevoede elektronische voorschakelapparaten van fluorescente inductielampen. |
|
(4) |
Op basis van verzoek M/511 hebben het CEN en het Cenelec de volgende geharmoniseerde normen, waarvan de referentienummers zijn bekendgemaakt bij Mededeling 2016/C 249/03 van de Commissie (3), herzien en gewijzigd: EN 60320-1:2001, zoals gewijzigd bij EN 60320-1:2001/A1:2007, voor toestelstopcontacten voor huishoudelijk gebruik; EN 60335-2-25:2012, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-25:2012/A1:2015 en EN 60335-2-25:2012/A2:2016, voor magnetronovens; EN 60335-2-41:2003, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-41:2003/A1:2004 en EN 60335-2-41:2003/A2:2010, voor pompen; EN 60335-2-96:2002, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-96:2002/A1:2004 en EN 60335-2-96:2002/A2:2009, voor flexibele verwarmingsplaatelementen voor ruimteverwarmingssystemen; EN 60974-8:2009 voor gasconsoles voor lassen en systemen voor plasmasnijden; EN 61010-2-032:2012 voor in de hand vast te houden stroomklemmen; EN 61010-2-033:2012 voor in de hand vast te houden multimeters voor huishoudelijk en professioneel gebruik; EN 61010-2-040:2005 voor sterilisatoren en desinfecterende wasmachines; EN 61914:2016 voor kabelzadels; EN 62031:2008, zoals gewijzigd bij EN 62031:2008/A1:2013 en EN 62031:2008/A2:2015, voor LED-modules voor algemene verlichting. Dit heeft geleid tot de vaststelling van de volgende geharmoniseerde normen en wijzigingen: EN IEC 60320-1:2021; EN IEC 60335-2-25:2021; EN IEC 60335-2-25:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-41:2021; EN IEC 60335-2-41:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-96:2021; EN IEC 60335-2-96:2021/A11:2021; EN IEC 60974-8:2021; EN IEC 61010-2-032:2021; EN IEC 61010-2-032:2021/A11:2021; EN IEC 61010-2-033:2021; EN IEC 61010-2-033:2021/A11:2021; EN IEC 61010-2-040:2021; EN IEC 61914:2021; EN IEC 62031:2020, en EN IEC 62031:2020/A11:2021. |
|
(5) |
Op basis van verzoek M/511 hebben het CEN en het Cenelec de volgende geharmoniseerde normen, waarvan de referentienummers zijn bekendgemaakt bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 van de Commissie (4), herzien en gewijzigd: EN 61010-2-091:2012, zoals gerectificeerd bij EN 61010-2-091:2012/AC:2013, voor kasten met röntgensystemen; EN 60335-2-105:2005, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-105:2005/A11:2010, EN 60335-2-105:2005/A1:2008 en EN 60335-2-105:2005/A2:2020, voor multifunctionele douchecellen; EN 60335-2-84:2003, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-84:2003/A1:2008 en EN 60335-2-84:2003/A2:2019, voor toiletten; EN 60335-2-29:2004, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-29:2004/A11:2018 en EN 60335-2-29:2004/A2:2010, voor batterijlaadtoestellen. Dit heeft geleid tot de vaststelling van de volgende geharmoniseerde normen en wijzigingen: EN IEC 61010-2-091:2021; EN IEC 61010-2-091:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-105:2021; EN IEC 60335-2-105:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-105:2021/A1:2021; EN IEC 60335-2-84:2021; EN IEC 60335-2-84:2021/A11:2021; EN 60335-2-29:2021; EN 60335-2-29:2021/A1:2021. |
|
(6) |
Op basis van verzoek M/511 hebben het CEN en het Cenelec de volgende geharmoniseerde normen gewijzigd, waarvan de referentienummers zijn bekendgemaakt bij Mededeling 2016/C 249/03 van de Commissie: EN 60335-2-54:2008, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-54:2008/A11:2012/AC:2015, EN 60335-2-54:2008/A11:2012 en EN 60335-2-54:2008/A1:2015, voor oppervlakreinigingstoestellen; EN 61009-1:2012, zoals gewijzigd bij EN 61009-1:2012/A1:2014, EN 61009-1:2012/A11:2015 en EN 61009-1:2012/A2:2014, voor aardlekschakelaars. Dit heeft geleid tot de vaststelling van de volgende gewijzigde geharmoniseerde normen: EN 60335-2-54:2008/A12:2021; EN 60335-2-54:2008/A2:2021; en EN 61009-1:2012/A13:2021. |
|
(7) |
Op basis van verzoek M/511 hebben het CEN en het Cenelec ook de volgende geharmoniseerde normen, waarvan de referentienummers zijn bekendgemaakt bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956, gewijzigd en gecorrigeerd: EN 60335-2-15:2016, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-15:2016/A11:2018, voor toestellen voor verwarming van vloeistoffen; EN 60335-2-35:2016, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-35:2016/A1:2019, voor doorstroomverwarmers voor vloeistoffen; EN 60335-2-61:2003, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-61:2003/A1:2005, EN 60335-2-61:2003/A2:2008 en EN 60335-2-61:2003/A11:2019, voor accumulatorkachels; EN 60335-2-27:2013, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-27:2013/A1:2020 en EN 60335-2-27:2013/A2:2020, voor huidbestralingstoestellen met ultraviolette en infraroodstraling; EN 60335-2-21:2021 voor boilers. Dit heeft geleid tot de vaststelling van de volgende gewijzigde en gerectificeerde geharmoniseerde normen: EN 60335-2-15:2016/A12:2021; EN 60335-2-15:2016/A1:2021; EN 60335-2-15:2016/A2:2021; EN 60335-2-35:2016/A2:2021; EN 60335-2-61:2003/A12:2021; EN 60335-2-27:2013/AC:2021-11, en EN 60335-2-21:2021/A1:2021. |
|
(8) |
Samen met het CEN en het Cenelec heeft de Commissie onderzocht of die geharmoniseerde normen en de wijzigingen en correcties daarvan voldoen aan verzoek M/511. |
|
(9) |
De geharmoniseerde normen EN 50689:2021; EN IEC 61010-2-011:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 61010-2-011:2021/A11:2021; EN IEC 61347-2-14:2018, zoals gewijzigd bij EN IEC 61347-2-14:2018/A11:2021; EN IEC 60320-1:2021; EN IEC 60335-2-25:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-25:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-41:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-41:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-96:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-96:2021/A11:2021; EN IEC 60974-8:2021; EN IEC 61010-2-032:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 61010-2-032:2021/A11:2021; EN IEC 61010-2-033:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 61010-2-033:2021/A11:2021; EN IEC 61010-2-040:2021; EN IEC 61010-2-091:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 61010-2-091:2021/A11:2021; EN IEC 61914:2021; EN IEC 62031:2020, zoals gewijzigd bij EN IEC 62031:2020/A11:2021; EN IEC 60335-2-105:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-105:2021/A11:2021 en EN IEC 60335-2-105:2021/A1:2021; EN IEC 60335-2-84:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-84:2021/A11:2021; EN 60335-2-29:2021, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-29:2021/A1:2021; EN 60335-2-54:2008, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-54:2008/A11:2012/AC:2015, EN 60335-2-54:2008/A11:2012, en EN 60335-2-54:2008/A1:2015, EN 60335-2-54:2008/A12:2021, en EN 60335-2-54:2008/A2:2021; EN 61009-1:2012, zoals gewijzigd bij EN 61009-1:2012/A1:2014, EN 61009-1:2012/A11:2015, EN 61009-1:2012/A2:2014 en EN 61009-1:2012/A13:2021; EN 60335-2-15:2016, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-15:2016/A11:2018, EN 60335-2-15:2016/A12:2021, EN 60335-2-15:2016/A1:2021 en EN 60335-2-15:2016/A2:2021; EN 60335-2-35:2016, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-35:2016/A1:2019 en EN 60335-2-35:2016/A2:2021; EN 60335-2-61:2003, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-61:2003/A1:2005, EN 60335-2-61:2003/A2:2008 en EN 60335-2-61:2003/A11:2019, en EN 60335-2-61:2003/A12:2021; EN 60335-2-27:2013, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-27:2013/A1:2020 en EN 60335-2-27:2013/A2:2020, en gerectificeerd bij EN 60335-2-27:2013/AC:2021-11; en EN 60335-2-21:2021, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-21:2021/A1:2021, voldoen aan de in Richtlijn 2014/35/EU vastgestelde veiligheidsdoeleinden die zij beogen te bestrijken. Daarom is het passend de referentienummers van die normen en van de wijzigingen en correcties daarvan bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(10) |
In bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 worden de referentienummers vermeld van geharmoniseerde normen die een vermoeden van conformiteit met Richtlijn 2014/35/EU vestigen. Om ervoor te zorgen dat de referentienummers van de geharmoniseerde normen die ter ondersteuning van Richtlijn 2014/35/EU zijn opgesteld, in één handeling worden vermeld, moeten de referentienummers van die normen in die bijlage worden opgenomen. |
|
(11) |
Daarom moeten de referentienummers van de volgende geharmoniseerde normen, samen met de referentienummers van eventuele wijzigende of corrigerende normen daarvan, die in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geschrapt: EN 60320-1:2001; EN 60335-2-25:2012; EN 60335-2-41:2003; EN 60335-2-96:2002; EN 60974-8:2009; EN 61010-2-032:2012; EN 61010-2-033:2012; EN 61010-2-040:2005; EN 61914:2016; EN 62031:2008; EN 60335-2-54:2008; EN 61009-1:2012. |
|
(12) |
Daarnaast moet het referentienummer van de geharmoniseerde norm EN 61851-22:2002, zoals bekendgemaakt in de mededeling van de Commissie (2016/C 249/03), worden geschrapt, aangezien in de herziene norm EN IEC 61851-1:2019, die is toegevoegd aan bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956, de tekst van norm EN 61851-22:2002 integraal is opgenomen. |
|
(13) |
Bijlage II bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 bevat een lijst van de referentienummers van de ter ondersteuning van Richtlijn 2014/35/EU opgestelde geharmoniseerde normen die uit de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie zijn geschrapt. Daarom is het passend de referentienummers van de geschrapte normen in die bijlage op te nemen. |
|
(14) |
Ook de referentienummers van de volgende geharmoniseerde normen: EN 61010-2-091:2012; EN 60335-2-105:2005; EN 60335-2-84:2003; EN 60335-2-29:2004; EN 60335-2-15:2016; EN 60335-2-35:2016; EN 60335-2-61:2003; EN 60335-2-27:2013; en EN 60335-2-21:2021 moeten samen met de referentienummers van eventuele wijzigende of corrigerende normen daarvan die in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geschrapt uit de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, aangezien ze zijn gecorrigeerd of gewijzigd. Het is daarom passend die referentienummers uit bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 te schrappen. |
|
(15) |
Aangezien het referentienummer van de geharmoniseerde norm EN 61010-2-091:2012 zoals gerectificeerd bij EN 61010-2-091:2012/AC:2013 in bijlage IB bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 is bekendgemaakt, moeten die verwijzingen echter uit die bijlage worden geschrapt. |
|
(16) |
Om fabrikanten voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden op de toepassing van de geharmoniseerde normen EN IEC 60320-1:2021; EN IEC 60335-2-25:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-25:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-41:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-41:2021/A11:2021; EN IEC 60335-2-96:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-96:2021/A11:2021; EN IEC 60974-8:2021; EN IEC 61010-2-032:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 61010-2-032:2021/A11:2021; EN IEC 61010-2-033:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 61010-2-033:2021/A11:2021; EN IEC 61010-2-040:2021; EN IEC 61010-2-091:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 61010-2-091:2021/A11:2021; EN IEC 61914:2021; EN IEC 62031:2020, zoals gewijzigd bij EN IEC 62031:2020/A11:2021; EN IEC 60335-2-105:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-105:2021/A11:2021 en EN IEC 60335-2-105:2021/A1:2021; EN IEC 60335-2-84:2021, zoals gewijzigd bij EN IEC 60335-2-84:2021/A11:2021; EN 60335-2-29:2021, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-29:2021/A1:2021; EN 60335-2-54:2008, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-54:2008/A11:2012/AC:2015, EN 60335-2-54:2008/A11:2012, EN 60335-2-54:2008/A1:2015, EN 60335-2-54:2008/A12:2021 en EN 60335-2-54:2008/A2:2021; EN 61009-1:2012, zoals gewijzigd bij EN 61009-1:2012/A1:2014, EN 61009-1:2012/A11:2015, EN 61009-1:2012/A2:2014 en EN 61009-1:2012/A13:2021; EN 60335-2-15:2016, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-15:2016/A11:2018, EN 60335-2-15:2016/A12:2021, EN 60335-2-15:2016/A1:2021 en EN 60335-2-15:2016/A2:2021; EN 60335-2-35:2016, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-35:2016/A1:2019 en EN 60335-2-35:2016/A2:2021; EN 60335-2-61:2003, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-61:2003/A1:2005, EN 60335-2-61:2003/A2:2008, EN 60335-2-61:2003/A11:2019 en EN 60335-2-61:2003/A12:2021; EN 60335-2-27:2013, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-27:2013/A1:2020, EN 60335-2-27:2013/A2:2020, en EN 60335-2-27:2013/AC:2021-11, en EN 60335-2-21:2021, zoals gewijzigd bij EN 60335-2-21:2021/A1:2021, moet de intrekking van de referentienummers van de volgende geharmoniseerde normen, samen met de referentienummers van eventuele wijzigende of corrigerende normen, worden uitgesteld: EN 60320-1:2001; EN 60335-2-25:2012; EN 60335-2-41:2003; EN 60335-2-96:2002; EN 60974-8:2009; EN 61010-2-032:2012; EN 61010-2-033:2012; EN 61010-2-040:2005; EN 61914:2016; EN 62031:2008; EN 60335-2-54:2008; EN 61009-1:2012; EN 61851-22:2002; EN 61010-2-091:2012; EN 60335-2-105:2005; EN 60335-2-84:2003; EN 60335-2-29:2004; EN 60335-2-15:2016; EN 60335-2-35:2016; EN 60335-2-61:2003; EN 60335-2-27:2013, en EN 60335-2-21:2021. |
|
(17) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(18) |
Het voldoen aan een geharmoniseerde norm vestigt een vermoeden van conformiteit met de overeenstemmende essentiële eisen, met inbegrip van de veiligheidsdoeleinden, die in de harmonisatiewetgeving van de Unie zijn opgenomen, vanaf de datum van bekendmaking van het referentienummer van die norm in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dit besluit moet derhalve in werking treden op de datum van de bekendmaking ervan, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij dit besluit. |
|
b) |
Bijlage IB wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij dit besluit. |
|
c) |
Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij dit besluit. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punt b), is van toepassing met ingang van 10 november 2023.
Punt 1) van bijlage I met betrekking tot de rijen 4, 7, 34, 39, 41, 68 en 96 is van toepassing met ingang van 10 november 2023.
Punt 1) van bijlage I met betrekking tot rij 76 is van toepassing met ingang van 10 november 2022.
Gedaan te Brussel, 4 mei 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12.
(2) Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 357).
(3) Mededeling van de Commissie (2016/C 249/03) in het kader van de uitvoering van Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB C 249 van 8.7.2016, blz. 62).
(4) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 van de Commissie van 26 november 2019 betreffende de ter ondersteuning van Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad opgestelde geharmoniseerde normen voor elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB L 306 van 27.11.2019, blz. 26).
BIJLAGE I
|
1) |
In bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 worden de rijen 4, 7, 34, 39, 41, 68, 76 en 96 geschrapt. |
|
2) |
In bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 worden de volgende rijen toegevoegd, achtereenvolgens:
|
|
3) |
In bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 worden de volgende rijen toegevoegd:
|
BIJLAGE II
In bijlage IB bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 wordt rij 30 geschrapt.
BIJLAGE III
In bijlage II bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1956 worden de volgende rijen toegevoegd:
|
Nr. |
Referentienummer van de norm |
Datum van schrapping |
|
“105. |
EN 60320-1:2001 Toestelstopcontacten voor huishoudelijk en dergelijk algemeen gebruik — Deel 1: Algemene eisen EN 60320-1:2001/A1:2007 |
10 november 2023 |
|
106. |
EN 60335-2-25:2012 Huishoudelijke en soortgelijke elektrische toestellen — Veiligheid — Deel 2-25: Bijzondere eisen voor magnetronovens, combimagnetrons inbegrepen EN 60335-2-25:2012/A1:2015 EN 60335-2-25:2012/A2:2016 |
10 november 2023 |
|
107. |
EN 60335-2-41:2003 Huishoudelijke en soortgelijke elektrische toestellen — Veiligheid — Deel 2-41: Bijzondere eisen voor pompen EN 60335-2-41:2003/A1:2004 EN 60335-2-41:2003/A2:2010 |
10 november 2023 |
|
108. |
EN 60335-2-96:2002 Huishoudelijke en soortgelijke elektrische toestellen — Veiligheid — Deel 2-96: Bijzondere eisen voor flexibele verwarmingsplaatelementen voor ruimteverwarmingssystemen EN 60335-2-96:2002/A1:2004 EN 60335-2-96:2002/A2:2009 |
10 november 2023 |
|
109. |
EN 60974-8:2009 Uitrusting voor booglassen — Deel 8: Gasconsoles voor lassen en systemen voor plasmasnijden |
10 november 2023 |
|
110. |
EN 61010-2-032:2012 Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik — Deel 2-032: Bijzondere eisen voor in de hand vast te houden stroomklemmen voor elektrisch meten en beproeven |
10 november 2023 |
|
111. |
EN 61010-2-033:2012 Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik — Deel 2-033: Bijzondere eisen voor in de hand vast te houden multimeters en andere meters, voor huishoudelijk en professioneel gebruik, geschikt voor het meten van netspanning |
10 november 2023 |
|
112. |
EN 61010-2-040:2005 Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik — Deel 2-040: Bijzondere eisen voor sterilisatoren en desinfecterende wasmachines gebruikt voor de behandeling van medische benodigdheden |
10 november 2023 |
|
113. |
EN 61914:2016 Kabelzadels voor elektrische installaties |
10 november 2023 |
|
114. |
EN 62031:2008 Ledmodules voor algemene verlichting — Veiligheidseisen EN 62031:2008/A1:2013 EN 62031:2008/A2:2015 |
10 november 2023 |
|
115. |
EN 60335-2-54:2008 Huishoudelijke en soortgelijke elektrische toestellen — Veiligheid — Deel 2-54: Bijzondere eisen voor oppervlakreinigingstoestellen die werken met vloeistoffen of stoom EN 60335-2-54:2008/A11:2012/AC:2015 EN 60335-2-54:2008/A11:2012 EN 60335-2-54:2008/A1:2015 |
10 november 2023 |
|
116. |
EN 61009-1:2012 Aardlekschakelaars met ingebouwde overstroombeveiliging voor huishoudelijk en soortgelijk gebruik (RCBO’s) — Deel 1: Algemene voorschriften EN 61009-1:2012/A1:2014 EN 61009-1:2012/A11:2015 EN 61009-1:2012/A2:2014 |
10 november 2023 |
|
117. |
EN 61851-22:2002 Laden via een geleidende verbinding van elektrische voertuigen — Deel 22: AC laadstation voor elektrische voertuigen |
10 november 2023” |
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/28 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/714 VAN DE COMMISSIE
van 5 mei 2022
tot verlening van een afwijking waarbij België, Bulgarije, Cyprus, Litouwen, Nederland en Finland wordt toegestaan andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken te gebruiken voor de uitwisseling en opslag van informatie voor het Invoercontrolesysteem 2 met betrekking tot goederen in postzendingen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 2760)
(Slechts de teksten in de Bulgaarse, de Griekse, de Franse, de Litouwse, de Nederlandse, de Finse en de Zweedse taal zijn authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 6, lid 4, in samenhang met artikel 8, lid 2,
Na raadpleging van het Comité douanewetboek,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 vereist dat alle uitwisselingen van informatie tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de door de douanewetgeving vereiste opslag van die informatie, geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken. |
|
(2) |
Artikel 6, lid 4, van Verordening (EU) nr. 952/2013 voorziet in de vaststelling van besluiten in uitzonderlijke gevallen om een of meer lidstaten toe te staan af te wijken van het gebruik van elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor de uitwisseling en opslag van informatie indien een dergelijke afwijking gerechtvaardigd wordt door de specifieke situatie in de verzoekende lidstaat en wordt toegestaan voor een bepaalde periode. |
|
(3) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie (2) stelt het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (“het werkprogramma”) vast. Het werkprogramma bevat een lijst van de te ontwikkelen elektronische systemen en de data waarop die systemen naar verwachting operationeel zullen worden. Het werkprogramma specificeert de implementatie en de uitroldata van het Invoercontrolesysteem 2 (“ICS2”) overeenkomstig artikel 6, lid 1, en de artikelen 16, 46, 47 en 127 tot en met 132 van Verordening (EU) nr. 952/2013. |
|
(4) |
Overeenkomstig het werkprogramma moesten de lidstaten per 15 maart 2021 klaar zijn voor de uitrol van ICS2 om summiere aangiften bij binnenbrengen van postaanbieders en koeriersdiensten voor door de lucht vervoerde goederen te verzamelen, en moesten zij marktdeelnemers de mogelijkheid bieden verbinding te leggen met het systeem en summiere aangiften bij binnenbrengen uiterlijk op 1 oktober 2021 via dat systeem in te dienen. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 127 van Verordening (EU) nr. 952/2013 en artikel 183, lid 1, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (3) moeten in de Unie gevestigde postaanbieders vanaf 1 oktober 2021 summiere aangiften bij binnenbrengen indienen door gebruik te maken van ICS2. |
|
(6) |
Postaanbieders in de Unie die post ontvangen van postaanbieders van buiten de Unie, zijn voor de tijdige verzameling en uitwisseling van voorafgaande elektronische gegevens afhankelijk van die aanbieders om aan de verplichtingen uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 te voldoen. Postaanbieders uit bepaalde derde landen zijn technisch echter nog niet klaar om te voldoen aan de vereisten voor het verzamelen en de internationale uitwisseling van voorafgaande elektronische gegevens die op hen van toepassing zijn in het kader van het Wereldpostverdrag. Daarom kunnen zij elektronische gegevens nog steeds niet geheel of gedeeltelijk vastleggen en deze dus niet aan de in de Unie gevestigde postaanbieders meedelen. Postaanbieders in de Unie zouden in plaats daarvan de voor douaneaangiftedoeleinden verzamelde gegevens kunnen hergebruiken en die gegevens via een geautomatiseerd proces aan ICS2 kunnen doorgeven. Niet alle postaanbieders in de Unie hebben echter een dergelijk geautomatiseerd proces van hergebruik ingesteld. |
|
(7) |
Als gevolg van het ontbreken van voorafgaande elektronische gegevens, bestaande uit doorgaans in het douaneformulier opgenomen informatie met betrekking tot de aangifte vóór aankomst of vóór het laden, van bepaalde in derde landen gevestigde postaanbieders, zijn in de Unie gevestigde postaanbieders verplicht handmatig de gegevens in ICS2 in te vullen op het moment van de fysieke aankomst van postzendingen wanneer zij geen geautomatiseerd proces hebben ingesteld om de gegevens die worden verzameld voor douaneaangiftedoeleinden te hergebruiken en door te geven aan ICS2, overeenkomstig artikel 139, lid 5, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Wanneer een dergelijk handmatig proces betrekking heeft op een groot deel van de postzendingen, kan het de internationale posttoeleveringsketen aanzienlijk verstoren. |
|
(8) |
Ondanks de verplichting om de gegevens van de summiere aangifte bij binnenbrengen vanaf 1 oktober 2021 voor alle postzendingen elektronisch in te dienen, bedroeg (volgens de informatie die de douaneautoriteiten van België, Bulgarije, Cyprus, Litouwen, Nederland en Finland hebben ontvangen) het volume van de postzendingen waarvoor geen voorafgaande elektronische gegevens beschikbaar zijn om summiere aangiften bij binnenbrengen via ICS2 in te dienen, in deze lidstaten meer dan 15 % van het totale aantal postzendingen dat in de maand voorafgaand aan de datum van toepassing van dit besluit is ontvangen. Dit zorgt voor verstoringen en knelpunten in de goederenstroom die per post in die lidstaten aankomt, ondanks de voortdurende inspanningen van deze lidstaten om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen met betrekking tot de elektronische uitwisseling van ICS2-gerelateerde gegevens. |
|
(9) |
Deze uitzonderlijke omstandigheden, veroorzaakt door het gebrek aan technische paraatheid van de systemen van postaanbieders van buiten de Unie, rechtvaardigen de verzoeken om een afwijking overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013, die zijn ingediend door Bulgarije, Cyprus en Litouwen op 21 december 2021, door Nederland op 23 december 2021, door België op 5 januari 2022 en door Finland op 14 januari 2022. Dergelijke afwijkingen moeten die lidstaten toestaan tijdelijk andere middelen dan de elektronische gegevensverwerkingstechnieken te gebruiken voor de uitwisseling en opslag van informatie met betrekking tot goederen in postzendingen waarvoor de postaanbieders van buiten de Unie geen voorafgaande elektronische gegevens aan de postaanbieders in de Unie meedelen en waarvoor de postaanbieders in de Unie de gegevens van de douaneaangiften niet kunnen hergebruiken voor het indienen van summiere aangiften bij binnenbrengen via ICS2. |
|
(10) |
Bij de uitvoering van dit besluit moeten de douaneautoriteiten van België, Bulgarije, Cyprus, Litouwen, Nederland en Finland de Commissie binnen één maand na de kennisgeving van het besluit in kennis stellen van de vooruitgang die hun respectieve postaanbieders hebben geboekt bij het verstrekken van de gegevens van summiere aangiften bij binnenbrengen voor postzendingen via ICS2. |
|
(11) |
Aangezien de verplichting om de gegevens van de summiere aangifte bij binnenbrengen elektronisch in te dienen voor alle postzendingen op 1 oktober 2021 in werking is getreden, moet dit besluit met terugwerkende kracht worden toegepast vanaf die datum en tot en met 30 juni 2022, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In afwijking van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 kunnen de douaneautoriteiten van België, Bulgarije, Cyprus, Litouwen, Nederland en Finland hun postaanbieders toestaan summiere aangiften bij binnenbrengen voor goederen in postzendingen in te dienen met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor de uitwisseling en opslag van informatie, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
voor deze goederen zijn geen voorafgaande elektronische gegevens verstrekt door een postaanbieder die buiten het douanegebied van de Unie is gevestigd en internationale diensten verricht die onder het Wereldpostverdrag vallen; |
|
b) |
het volume van de betreffende postzendingen bedroeg meer dan 15 % van het totale aantal postzendingen dat in de maand voorafgaand aan de datum van toepassing van dit besluit is ontvangen; |
|
c) |
wanneer de betrokken lidstaat het gebruik van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken als hierboven bedoeld toestaat, beschikt de nationale postaanbieder nog niet over de technische capaciteit om de voor de douaneaangifte voor het vrije verkeer verzamelde gegevens te hergebruiken en aan het invoercontrolesysteem (“ICS2”) mee te delen. |
Artikel 2
De douaneautoriteiten van België, Bulgarije, Cyprus, Litouwen, Nederland en Finland stellen de Commissie binnen één maand na de datum van kennisgeving van dit besluit in kennis van de vooruitgang die is geboekt door hun nationale postaanbieders vanaf de datum van toepassing van dit besluit om aan de douaneautoriteiten gegevens voor summiere aangiften bij binnenbrengen te verstrekken voor goederen in postzendingen door gebruik te maken van ICS2.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Republiek Cyprus, de Republiek Litouwen, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Finland.
Het is van toepassing van 1 oktober 2021 tot en met 30 juni 2022.
Gedaan te Brussel, 5 mei 2022.
Voor de Commissie
Paolo GENTILONI
Lid van de Commissie
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (PB L 325 van 16.12.2019, blz. 168).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/31 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/715 VAN DE COMMISSIE
van 5 mei 2022
tot verlening van een afwijking waarbij Hongarije wordt toegestaan andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken te gebruiken voor de uitwisseling en opslag van informatie voor het Invoercontrolesysteem 2 met betrekking tot goederen in postzendingen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 2765)
(Slechts de tekst in de Hongaarse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 6, lid 4, in samenhang met artikel 8, lid 2,
Na raadpleging van het Comité douanewetboek,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 vereist dat alle uitwisselingen van informatie tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de door de douanewetgeving vereiste opslag van die informatie, geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken. |
|
(2) |
Artikel 6, lid 4, van Verordening (EU) nr. 952/2013 voorziet in de vaststelling van besluiten in uitzonderlijke gevallen om een of meer lidstaten toe te staan af te wijken van het gebruik van elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor de uitwisseling en opslag van informatie indien een dergelijke afwijking gerechtvaardigd wordt door de specifieke situatie in de verzoekende lidstaat en wordt toegestaan voor een bepaalde periode. |
|
(3) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie (2) stelt het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (“het werkprogramma”) vast. Het werkprogramma bevat een lijst van de te ontwikkelen elektronische systemen en de data waarop die systemen naar verwachting operationeel zullen worden. Het werkprogramma specificeert de implementatie en de uitroldata van het Invoercontrolesysteem 2 (“ICS2”) overeenkomstig artikel 6, lid 1, en de artikelen 16, 46, 47 en 127 tot en met 132 van Verordening (EU) nr. 952/2013. |
|
(4) |
Overeenkomstig het werkprogramma moesten de lidstaten per 15 maart 2021 klaar zijn voor de uitrol van release 1 van ICS2 om summiere aangiften bij binnenbrengen van postaanbieders en koeriersdiensten voor door de lucht vervoerde goederen te verzamelen, en moesten zij marktdeelnemers de mogelijkheid bieden verbinding te leggen met het systeem en summiere aangiften bij binnenbrengen uiterlijk op 1 oktober 2021 via dat systeem in te dienen. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 127 van Verordening (EU) nr. 952/2013 en artikel 183, lid 1, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (3) moeten in de Unie gevestigde postaanbieders vanaf 1 oktober 2021 summiere aangiften bij binnenbrengen indienen en de vereiste gegevens verstrekken aan de douaneautoriteiten van de betrokken lidstaten door gebruik te maken van ICS2. |
|
(6) |
De postaanbieder in Hongarije is technisch echter nog niet klaar om aan die eisen te voldoen. Als gevolg van een uitzonderlijke omstandigheid die werd veroorzaakt door het onvermogen van de geselecteerde contractant om de noodzakelijke elektronische oplossing te ontwikkelen, kon de Hongaarse postaanbieder niet binnen de termijn van 1 oktober 2021 verbinding leggen met ICS2. De postaanbieder heeft besloten een beroep te doen op een andere contractant om de verbinding te ontwikkelen en er worden momenteel technische werkzaamheden verricht. Bijgevolg is de postaanbieder nog steeds niet in staat gegevens van de summiere aangifte bij binnenbrengen door te geven aan het systeem met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken. |
|
(7) |
De uitzonderlijke omstandigheid die heeft geleid tot het gebrek aan technische paraatheid van de Hongaarse postaanbieder rechtvaardigt het verzoek om een afwijking overeenkomstig Verordening (EU) nr. 952/2013, dat op 21 december 2021 door de douaneautoriteit van Hongarije is ingediend. Een dergelijke afwijking moet Hongarije daarom tijdelijk toestaan andere middelen dan de elektronische gegevensverwerkingstechnieken te gebruiken voor de uitwisseling en opslag van informatie over goederen in postzendingen waarvoor die postaanbieder verplicht is een summiere aangifte bij binnenbrengen in te dienen. |
|
(8) |
Bij de uitvoering van dit besluit stelt de douaneautoriteit van Hongarije de Commissie in kennis van de verbinding van de door haar aangewezen postaanbieder met ICS2. |
|
(9) |
De duur van de afwijking moet worden gebaseerd op de stand van de ontwikkeling van het nationale postsysteem dat elektronische communicatie van ICS2-gegevens voor postzendingen aan de douanedienst mogelijk maakt en op het tijdschema voor de voltooiing ervan. |
|
(10) |
Aangezien de verplichting om de gegevens van de summiere aangifte bij binnenbrengen elektronisch in te dienen voor alle postzendingen op 1 oktober 2021 in werking is getreden, moet dit besluit met ingang van die datum van toepassing zijn, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In afwijking van artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 staat de douaneautoriteit van Hongarije haar nationale postaanbieder toe summiere aangiften bij binnenbrengen voor goederen in postzendingen in te dienen met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken voor de uitwisseling en opslag van informatie totdat de nationale postaanbieder de verbinding met het invoercontrolesysteem 2 (“ICS2”) heeft gelegd, of tot en met 30 april 2022, indien dit eerder is.
Artikel 2
De douaneautoriteit van Hongarije stelt de Commissie binnen één maand na de datum van kennisgeving van dit besluit in kennis van de verbinding met ICS2 van haar nationale postaanbieder voor het verstrekken van gegevens van summiere aangiften bij binnenbrengen voor goederen in postzendingen aan de douaneautoriteit.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot Hongarije.
Het is van toepassing van 1 oktober 2021 tot en met 30 april 2022.
Gedaan te Brussel, 5 mei 2022.
Voor de Commissie
Paolo GENTILONI
Lid van de Commissie
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van de Commissie van 13 december 2019 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (PB L 325 van 16.12.2019, blz. 168).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/33 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/716 VAN DE COMMISSIE
van 6 mei 2022
betreffende de goedkeuring van een slimme dieselverwarmer voor gebruik in personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen met een conventionele verbrandingsmotor of bepaalde vormen van hybride elektrische aandrijving als innoverende technologie overeenkomstig Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (1), en met name artikel 11, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De fabrikant Stellantis heeft op 7 juli 2021 een aanvraag ingediend voor de goedkeuring als innoverende technologie van een slimme dieselverwarmingstechnologie voor gebruik in personenauto’s (voertuigen van categorie M1) en lichte bedrijfsvoertuigen (voertuigen van categorie N1) met conventionele verbrandingsmotoren (interne verbrandingsmotoren) op diesel, en in niet-extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen (NOVC-HEV’s) van categorie M1 of N1 op diesel waarvoor overeenkomstig aanhangsel 2, punt 1.1.4, van subbijlage 8 bij bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (2) de ongecorrigeerde gemeten waarden voor brandstofverbruik en CO2-emissiewaarden mogen worden gebruikt (hierna “de aanvraag” genoemd). |
|
(2) |
De aanvraag is beoordeeld overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/631, de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 725/2011 (3) en (EU) nr. 427/2014 (4) van de Commissie en de technische richtsnoeren voor de voorbereiding van aanvragen voor de goedkeuring van innoverende technologieën overeenkomstig Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (versie van juli 2018) (5). Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) 2019/631 ging de aanvraag vergezeld van een verificatierapport van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie. |
|
(3) |
Diesel moet voor gebruik in voertuigen worden gefilterd om voor een hoogwaardig verbrandingsproces en goede bruikbaarheid van het voertuig te zorgen. Er is een intrinsieke specifieke lage temperatuur waarbij de zwaarste paraffinen in diesel beginnen neer te slaan en waskristallen beginnen te vormen die de filterelementen in het brandstofsysteem verstoppen, waardoor de motor niet start, er een ontstekingsfout optreedt of de motor tijdens het rijden vermogen verliest. Dieselvoertuigen zijn daarom uitgerust met een brandstofverwarmer die bij lage temperaturen wordt geactiveerd om dit verstoppingsproces te voorkomen. |
|
(4) |
Er is aangetoond dat de marktpenetratie van de eco-innovatieve technologie in 2019 niet meer dan 3 % bedroeg, hetgeen later is dan het referentiejaar als bedoeld in artikel 2, lid 2, punt a), van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 725/2011 en (EU) nr. 427/2014. Daarom is aan het criterium voor innovatievermogen voldaan. |
|
(5) |
Er is bevestigd dat de voordelen van de technologie niet onder de CO2-typegoedkeuringstest van type I vallen, aangezien de slimme dieselverwarmer niet wordt geactiveerd bij de temperatuur waarbij die test wordt uitgevoerd. |
|
(6) |
De basistechnologie waarmee de CO2-besparingen van de slimme dieselverwarmer moeten worden vergeleken, is een conventionele dieselverwarmer die in het filter is ingebouwd en bij een brandstoftemperatuur van minder dan +5 °C aangaat en bij een brandstoftemperatuur van meer dan +8 °C weer uitgaat op basis van het signaal van de temperatuursensor die in het dieselfilter is ingebouwd. Een dergelijke basisdieselverwarmer wordt alleen bij het overschrijden van een temperatuurgrens geactiveerd. De slimme dieselverwarmer wordt geactiveerd op basis van de paraffinebelasting van het filterpatroon, die naast de temperatuursensor wordt gemonitord door middel van een druksensor. Hierdoor wordt de tijd gedurende welke de brandstofverwarmer actief is, gereduceerd, hetgeen leidt tot minder energieverbruik en minder CO2-emissies. |
|
(7) |
De aanvrager heeft een methode verstrekt om te bepalen hoeveel CO2 met de slimme dieselverwarmer wordt bespaard. Om het energieverbruik van de basis- en eco-innoverende technologieën te bepalen, wordt een voertuig met de eco-innoverende technologie bij -20 °C en met gebruik van winterdiesel getest onder de grensomstandigheden als bedoeld in Verordening (EU) 2017/1151. Het voertuig moet worden uitgerust met een open elektronische regeleenheid (ECU) waarmee de signalen die de brandstofverwarmer zouden uitschakelen, kunnen worden afgelezen. Er is een gebruiksfactor bepaald, waarin het gemiddelde aandeel van het gebruik van de innoverende technologie onder reële omstandigheden wordt weerspiegeld en onder meer rekening is gehouden met de brandstofkwaliteit, de omgevingstemperatuur, de technische kenmerken van de onderdelen, verkeerstellingsgegevens en de verkoop van voertuigen in de lidstaten. |
|
(8) |
Gezien bovenstaande overwegingen moet de testmethode als passend worden beschouwd voor het bepalen van de CO2-besparingen als gevolg het gebruik van de betreffende innoverende technologie. Door die testmethode toe te passen, heeft de aanvrager ook aangetoond dat de minimale CO2-besparingsdrempel van 0,5 g CO2/km aantoonbaar is overschreden en statistisch significant is. |
|
(9) |
De fabrikanten moeten de mogelijkheid krijgen om bij een typegoedkeuringsinstantie een aanvraag in te dienen voor de certificering van CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de innoverende technologie voor zover aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden is voldaan. De fabrikanten moeten daarom ervoor zorgen dat de aanvraag voor certificering vergezeld gaat van een verificatierapport van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie waarin wordt bevestigd dat de innoverende technologie voldoet aan de voorwaarden van dit besluit en dat de besparingen overeenkomstig de in dit besluit uiteengezette testmethode zijn bepaald. |
|
(10) |
De typegoedkeuringsinstantie moet nauwkeurig nagaan of aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden voor het certificeren van de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van een innoverende technologie is voldaan. De typegoedkeuringsinstantie die een certificering verleent, moet ervoor zorgen dat alle elementen die zij voor de certificering in aanmerking heeft genomen in een testrapport zijn geregistreerd, dat dit testrapport samen met het verificatierapport wordt bewaard, en dat deze informatie op verzoek aan de Commissie ter beschikking wordt gesteld. |
|
(11) |
Om de algemene eco-innovatiecode vast te stellen die overeenkomstig de bijlagen I, VIII en IX bij Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad (6) in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumenten moet worden vermeld, moet aan de innoverende technologie een individuele code worden toegekend, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Innoverende technologie
De slimme dieselverwarmer wordt goedgekeurd als innoverende technologie in de zin van artikel 11 van Verordening (EU) 2019/631, mits:
|
a) |
die is gemonteerd in een voertuig van categorie M1 of N1 met een interne verbrandingsmotor op diesel of in een niet-extern oplaadbaar hybride elektrisch voertuig van categorie M1 of N1 op diesel waarvoor overeenkomstig aanhangsel 2, punt 1.1.4 van subbijlage 8 bij bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 de ongecorrigeerde gemeten waarden voor brandstofverbruik en CO2-emissiewaarden mogen worden gebruikt; |
|
b) |
die, indien die nodig is om verstopping van de filteronderdelen in het brandstofsysteem te voorkomen, ten vroegste automatisch aangaat bij het brandstofspecifieke troebelingspunt, door rekening te houden met zowel een temperatuurdrempel als de paraffinebelasting van het filterpatroon. |
Artikel 2
Aanvraag voor certificering van CO2-besparingen
1. Een fabrikant kan onder verwijzing naar dit besluit bij een typegoedkeuringsinstantie een aanvraag indienen voor certificering van de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de in artikel 1 bedoelde innoverende technologie.
2. De fabrikant zorgt ervoor dat de aanvraag tot certificering vergezeld gaat van een verificatierapport van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie waarin wordt bevestigd dat de technologie aan de voorwaarden van artikel 1, punten a) en b), voldoet.
3. Indien CO2-besparingen overeenkomstig artikel 3 zijn gecertificeerd, zorgt de fabrikant ervoor dat de gecertificeerde CO2-besparingen en de in artikel 4 bedoelde eco-innovatiecode worden opgenomen in het conformiteitscertificaat van de desbetreffende voertuigen.
Artikel 3
Certificering van CO2-besparingen
1. De typegoedkeuringsinstantie zorgt ervoor dat de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van de innoverende technologie volgens de in de bijlage beschreven methode worden vastgesteld.
2. De typegoedkeuringsinstantie registreert de gecertificeerde CO2-besparingen die zijn berekend overeenkomstig punt 7 van de bijlage, alsook de in artikel 4 bedoelde eco-innovatiecode in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumentatie.
3. De typegoedkeuringsinstantie registreert alle elementen die zij voor de certificering in aanmerking heeft genomen in een testrapport en bewaart dit testrapport samen met het in het in artikel 2, lid 2, bedoelde verificatierapport, en stelt deze informatie op verzoek aan de Commissie ter beschikking.
4. De typegoedkeuringsinstantie certificeert alleen CO2-besparingen door het gebruik van de innoverende technologie als zij van oordeel is dat de technologie in overeenstemming is met artikel 1, punten a) en b), en als de overeenkomstig punt 7 van de bijlage berekende CO2-besparingen minstens 0,5 g CO2/km bedragen, zoals bepaald in artikel 9, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 voor voertuigen van categorie M1, of zoals bepaald in artikel 9, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 voor voertuigen van categorie N1.
Artikel 4
Eco-innovatiecode
Aan de bij dit besluit goedgekeurde innoverende technologie wordt eco-innovatiecode 37 toegewezen.
Artikel 5
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 6 mei 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13.
(2) Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie, en van Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie van 25 juli 2011 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 194 van 26.7.2011, blz. 19).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 van de Commissie van 25 april 2014 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van lichte bedrijfsvoertuigen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 125 van 26.4.2014, blz. 57).
(5) https://circabc.europa.eu/sd/a/a19b42c8-8e87-4b24-a78b-9b70760f82a9/July%202018%20Technical%20Guidelines.pdf
(6) Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en de goedkeuring van en het markttoezicht op systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).
BIJLAGE
METHODE VOOR HET BEPALEN VAN DE CO2-BESPARINGEN VAN DE SLIMME DIESELVERWARMER
1. INLEIDING
In deze bijlage wordt de methode beschreven voor het bepalen van de CO2-emissiebesparingen als gevolg van het gebruik van een slimme dieselverwarmer in een voertuig dat aan de voorwaarden van artikel 1 voldoet.
Om die besparingen te bepalen, moeten de volgende elementen worden bepaald:
|
1) |
het energieverbruik van de basistechnologie; |
|
2) |
het energieverbruik van innoverende technologie; |
|
3) |
de CO2-besparingen; |
|
4) |
de onzekerheid van de CO2-besparingen. |
2. METHODE
De innoverende technologie moet worden aangestuurd door de elektronische regeleenheid (ECU) van het voertuig op basis van een temperatuursignaal en een druksignaal vanuit het brandstoffilter.
De basisbrandstofverwarmer wordt aangestuurd door de ECU van het voertuig, enkel op basis van een temperatuursignaal.
Om tegelijkertijd het energieverbruik van de basistechnologie en de eco-innoverende technologie te bepalen, wordt een voertuig dat met de innoverende technologie is uitgerust, getest zoals beschreven in de punten 2.1 en 2.2 hieronder. Voor die metingen wordt winterdiesel van de klassen 2 tot en met 4 overeenkomstig de EN 590-classificatie gebruikt.
2.1. Bepaling van het energieverbruik van de basistechnologie (Pbase)
Om het energieverbruik van de basisverwarmer te bepalen, wordt de dieselverwarmer gedurende de hele energieverbruikstest, als uitgelegd in de punten 1 tot en met 9 hieronder, ingeschakeld, en wordt de werking ervan niet beïnvloed door de filterdruksensor.
De fabrikant en de typegoedkeuringsinstantie spreken af welk instrument voor het uitlezen van de ECU wordt gebruikt en wat de meest geschikte software is voor de identificatie van het kalibratiecertificaat voor de drempelwaarde voor de druk.
De typegoedkeuringsinstantie of de aangewezen technische dienst ervan waarborgt dat de energieverbruikstest uit de volgende stappen bestaat:
|
1) |
kalibratie-uitlezing van de bij de productie in het eco-innoverende voertuig geïnstalleerde ECU; |
|
2) |
installatie van een open ECU in het voertuig, waarmee de drempelwaarde voor de filterdruksensor kan worden ingesteld; |
|
3) |
kalibratie-uitlezing van de open ECU; |
|
4) |
identificatie van het door de fabrikant gespecificeerde kalibratiecertificaat voor de drempelwaarde voor de druk met behulp van geschikte software; |
|
5) |
instelling van de drempelwaarde voor de druk in de verwarmer op 0 kPa om te waarborgen dat de brandstofverwarmer gedurende de hele test ingeschakeld is; |
|
6) |
verificatie en bevestiging dat het enige verschil tussen de instellingen van de bij de productie geïnstalleerde en de open ECU de kalibratie van de drempelwaarde voor de druk van de dieselverwarmer is; |
|
7) |
afkoeling van het voertuig, waarvan de tank voor ten minste 50 % is gevuld, totdat de klimaatkamer en de brandstoftemperatuur op -20 °C zijn gestabiliseerd; |
|
8) |
ten minste 30 seconden voordat de wereldwijd geharmoniseerde testcyclus voor lichte voertuigen (WLTC) wordt gestart: controleren of de verwarmer is ingeschakeld en beginnen met het meten en registreren van de accuspanning en de gloeistroom van de dieselverwarmer met een verzamelingsfrequentie van ten minste 100 Hz om de status van het voertuig vóór de WLTC te registreren; |
|
9) |
uitvoeren van een volledige WLTC terwijl de klimaatkamer en de brandstoftemperatuur op -20 °C zijn gestabiliseerd. |
De stappen 7 tot en met 9 moeten ten minste vijf keer worden herhaald.
Vóór uitvoering van de eerste WLTC verstrekt de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie de werkspanning (UPS) en de gloeistroom (IPS) van de druksensor van de slimme dieselverwarmer, op basis van de gegevens van de elektrische eigenschappen of de meetgegevens die door de leverancier van de sensor zijn verstrekt.
Voor elke uitgevoerde WLTC worden het energieverbruik van de dieselverwarmer gedurende de cyclus (
formule 1
formule 2
waarbij:
|
|
: |
energieverbruik van de dieselverwarming gedurende WLTC i [Wh]; |
|
Ubase(t) |
: |
accuspanning op tijdstip t [V]; |
|
Ibase(t) |
: |
gloeistroom van de dieselverwarmer op tijdstip t [A]; |
|
ts |
: |
starttijdstip van de WLTC, vanaf het begin van de spannings- en stroommetingen [s]; |
|
te |
: |
eindtijdstip van de WLTC, vanaf het begin van de spannings- en stroommetingen [s]; |
|
|
: |
energieverbruik van de basisdieselverwarming gedurende WLTC i [W]; |
|
UPS |
: |
voedingsspanning van de druksensor [V]; |
|
IPS |
: |
voedingsgloeistroomsterkte van de druksensor [A]. |
Het rekenkundig gemiddelde van het energieverbruik van de basisdieselverwarmer (
formule 3
2.2. Bepaling van het energieverbruik van de innoverende technologie (Peco)
Voor het begin van de WLTC als bedoeld in punt 2.1, stappen 8 en 9, verstrekt de fabrikant aan de typegoedkeuringsinstantie het druksignaal/de druksignalen van het filter van de verwarmer waarmee de ECU de slimme dieselverwarmer gedurende de WLTC zou moeten uitschakelen.
Met dat ECU-signaal bepaalt de typegoedkeuringsinstantie of de aangewezen technische dienst ervan voor elke overeenkomstig punt 2.1, stappen 8 en 9, uitgevoerde WLTC het vroegste tijdstip X [s] waarop de slimme dieselverwarmer zou worden uitgeschakeld.
Het energieverbruik van de innoverende technologie [Peco] wordt bepaald volgens formule 4:
formule 4
waarbij:
|
Peco |
: |
energieverbruik van de innoverende technologie [W]; |
|
|
: |
rekenkundig gemiddelde van het energieverbruik van de basistechnologie als bepaald overeenkomstig punt 2.1 [W]; |
|
|
: |
gemiddelde waarde van het vroegste tijdstip waarop de slimme dieselverwarmer zou worden uitgeschakeld, berekend over alle uitgevoerde WLTC’s [s]; |
|
UPS |
: |
voedingsspanning van de druksensor [V]; |
|
IPS |
: |
voedingsgloeistroomsterkte van de druksensor [A]. |
Indien de dieselverwarmer bij de start van elke WLTC standaard uit staat, is de waarde
3. BEREKENING VAN DE CO2-BESPARINGEN
De CO2-besparingen van de innoverende technologie (Peco) worden berekend volgens formule 5:
formule 5
waarbij:
|
CFD |
: |
omrekeningsfactor, voor diesel: 2 640 [gCO2/l]; |
|
|
: |
energieverbruik van de basistechnologie als bepaald overeenkomstig punt 2.1 [W]; |
|
Peco |
: |
energieverbruik van de innoverende technologie als bepaald overeenkomstig punt 2.2 [W]; |
|
UF |
: |
gebruiksfactor, te weten 0,2; |
|
v |
: |
gemiddelde rijsnelheid tijdens de WLTC, te weten 46,5 [km/h]; |
|
VPe_D |
: |
verbruik van effectief vermogen, voor diesel: 0,220 [l/kWh]; |
|
ηA |
: |
rendement van de alternator: te weten 0,67 (1). |
4. BEREKENING VAN DE ONZEKERHEID VAN DE CO2-BESPARINGEN
De onzekerheid van de CO2-besparingen wordt als volgt bepaald:
de standaarddeviatie van het energieverbruik van de basistechnologie (
formule 6
waarbij:
|
|
: |
energieverbruik van de basistechnologie als bepaald overeenkomstig punt 2.1 [W]; |
|
|
: |
energieverbruik van de basistechnologie tijdens WLTC i, als bepaald overeenkomstig punt 2.1 [W]; |
|
|
: |
standaarddeviatie van het energieverbruik van de basistechnologie [W]; |
|
n |
: |
aantal uitgevoerde WLTC’s om het energieverbruik van de basistechnologie te bepalen [-]. |
De onzekerheid van de CO2-besparingen (
formule 7
waarbij:
|
CFD |
: |
omrekeningsfactor, te weten 2 640 [g CO2/l]; |
|
|
: |
onzekerheid van de CO2-besparingen [g CO2/km]; |
|
|
: |
standaarddeviatie van het energieverbruik van de basistechnologie, als bepaald overeenkomstig formule 6 [W]; |
|
UF |
: |
gebruiksfactor, te weten 0,2; |
|
v |
: |
gemiddelde rijsnelheid tijdens de WLTC [km/h], te weten 46,5 km/h; |
|
VPe_D |
: |
verbruik van effectief vermogen, voor diesel: 0,220 [l/kWh]; |
|
ηA |
: |
rendement van de alternator: te weten 0,67 (2). |
5. Afronding
De volgens formule 5 berekende CO2-besparingen (
Elke waarde die wordt gebruikt voor de berekening van de CO2-besparingen kan niet-afgerond worden toegepast of moet worden afgerond op het minimumaantal decimalen dat toelaat dat de maximale totale impact (d.w.z. de gecombineerde impact van alle afgeronde waarden) op de besparingen lager is dan 0,25 g CO2/km.
6. CONTROLE AAN DE HAND VAN DE MINIMUMDREMPELWAARDE VOOR CO2-BESPARINGEN
De typegoedkeuringsinstantie zorgt ervoor dat elke voertuigversie met de innoverende technologie voldoet aan het criterium van de minimumdrempelwaarde zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014. Wanneer de typegoedkeuringsinstantie nagaat of aan het criterium van de minimumdrempelwaarde wordt voldaan, houdt zij, overeenkomstig formule 8, rekening met de in punt 3 bepaalde CO2-besparingen en de in punt 4 bepaalde onzekerheid.
formule 8
waarbij:
|
|
: |
de CO2-besparingen, zoals bepaald in punt 3 (formule 5) [g CO2/km]; |
|
MT |
: |
0,5 g CO2/km, zoals gespecificeerd in artikel 9, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 van de Commissie; |
|
|
: |
onzekerheid van de CO2-besparingen, zoals bepaald in punt 4 (formule 7) [g CO2/km]. |
7. CERTIFICERING VAN DE CO2-BESPARINGEN
De CO2-besparingen die door de typegoedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 11 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 moeten worden gecertificeerd (
De CO2-besparingen worden in het typegoedkeuringscertificaat geregistreerd voor elke voertuigversie met de slimme dieselverwarmer.
formule 9
waarbij:
|
|
: |
de CO2-besparingen die door de typegoedkeuringsinstantie moeten worden gecertificeerd [g CO2/km]; |
|
|
: |
de CO2-besparingen, zoals bepaald in punt 3 (formule 5) [g CO2/km]; |
|
|
: |
onzekerheid van de CO2-besparingen, zoals bepaald in punt 4 (formule 7) [g CO2/km] |
(1) Indien een efficiënte alternator van 12 V, motorgenerator van 12 V of motorgenerator van 48 V met 48 V/12 V-gelijkstroomomzetter wordt toegepast, die overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/174, (EU) 2020/1232, (EU) 2020/1167 of (EU) 2021/488 van de Commissie is goedgekeurd als eco-innovatie, gebruikt de typegoedkeuringsinstantie het overeenkomstig dat besluit bepaalde rendement van de alternator.
(2) Indien een efficiënte alternator van 12 V, motorgenerator van 12 V of motorgenerator van 48 V met 48 V/12 V-gelijkstroomomzetter wordt toegepast, die overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/174, (EU) 2020/1232, (EU) 2020/1167 of (EU) 2021/488 van de Commissie is goedgekeurd als eco-innovatie, gebruikt de typegoedkeuringsinstantie het overeenkomstig dat besluit bepaalde rendement.
|
10.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 133/42 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/717 VAN DE COMMISSIE
van 6 mei 2022
tot vaststelling van bepaalde tijdelijke noodmaatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest in Italië
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 3130)
(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 259, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Afrikaanse varkenspest is een infectieuze virale ziekte bij gehouden en in het wild levende varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de betrokken dierpopulatie en de rentabiliteit van de landbouw, waardoor de verplaatsingen van zendingen van die dieren en producten daarvan binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord. |
|
(2) |
Bij een uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens bestaat een ernstig risico op verspreiding van die ziekte naar andere in het wild levende varkens of naar inrichtingen van gehouden varkens. |
|
(3) |
Gedelegeerde Verordening 2020/687 van de Commissie (2) vormt een aanvulling op de regels voor de bestrijding van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2016/429 en gedefinieerd als ziekten van categorie A, B en C in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie (3). Meer bepaald wordt in de artikelen 63 tot en met 66 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 voorzien in bepaalde maatregelen die kunnen worden genomen bij officiële bevestiging van een uitbraak van een ziekte van categorie A bij wilde dieren, bijvoorbeeld van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens. In die bepalingen wordt met name voorzien in de vaststelling van een besmette zone en een verbod op de verplaatsing van wilde dieren van in de lijst opgenomen soorten en daarvan verkregen producten. |
|
(4) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie (4) zijn bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest vastgesteld. Meer bepaald is in artikel 3, punt b), van die uitvoeringsverordening voorzien in vaststelling van een besmette zone overeenkomstig artikel 63 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 in geval van een uitbraak van die ziekte bij in het wild levende varkens. Tevens is in artikel 6 van die uitvoeringsverordening bepaald dat het desbetreffende gebied als beperkingszone II in deel II van bijlage I bij die uitvoeringsverordening moet worden opgenomen, en dat de besmette zone die overeenkomstig artikel 63 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 is vastgesteld onverwijld moet worden aangepast zodat deze ten minste de beperkingszone II omvat. De bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 betreffen onder meer verbodsbepalingen inzake verplaatsingen van zendingen van in een beperkingszone II gehouden varkens en producten daarvan buiten die beperkingszones. |
|
(5) |
Italië heeft de Commissie in kennis gesteld van de actuele situatie op zijn grondgebied inzake Afrikaanse varkenspest naar aanleiding van een op 4 mei 2022 bevestigde uitbraak van die ziekte bij in het wild levende varkens in de gemeente Rome. De bevoegde autoriteit van die lidstaat moet derhalve overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 en Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 een besmette zone vaststellen. |
|
(6) |
Om te voorkomen dat de handel in de Unie onnodig wordt verstoord en dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moet de besmette zone voor Afrikaanse varkenspest in Italië in samenwerking met die lidstaat op het niveau van de Unie worden omschreven. |
|
(7) |
Om te voorkomen dat de Afrikaanse varkenspest zich verder verspreid in afwachting van de opname van het door de recente uitbraak getroffen gebied van Italië als beperkingszone II in deel II van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605, moeten de in die uitvoeringsverordening vervatte bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest, die van toepassing zijn op verplaatsingen van zendingen van in beperkingszone II gehouden varkens en producten daarvan buiten die beperkingszones, ook van toepassing zijn op de verplaatsing van dergelijke zendingen van de door Italië naar aanleiding van de recente uitbraak vastgestelde besmette zone, in aanvulling op de maatregelen van de artikelen 63 tot en met 66 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687. |
|
(8) |
Die besmette zone moet dienovereenkomstig worden opgenomen in de bijlage bij dit besluit, en moet worden onderworpen aan de bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 die gelden voor beperkingszone II. Vanwege deze nieuwe epidemiologische situatie met betrekking tot Afrikaanse varkenspest en het toegenomen rechtstreekse risico van verdere verspreiding van de ziekte, mogen verplaatsingen van zendingen van gehouden varkens en producten daarvan van de besmette zone naar andere lidstaten en derde landen overeenkomstig die uitvoeringsverordening echter niet worden toegestaan. Eveneens moet in dit besluit de duur van deze indeling in zones worden vastgesteld. |
|
(9) |
Om de risico’s als gevolg van de recente uitbraak van Afrikaanse varkenspest bij in het wild levende varkens in Italië te beperken, moet in dit besluit worden bepaald dat Italië verplaatsingen van zendingen van in de besmette zone gehouden varkens en producten daarvan naar andere lidstaten en derde landen tot de vervaldatum van dit besluit niet mag toestaan. |
|
(10) |
Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van Afrikaanse varkenspest betreft, is het belangrijk dat de in dit besluit vastgestelde maatregelen zo spoedig mogelijk van toepassing zijn. |
|
(11) |
In afwachting van het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, moet de besmette zone in Italië daarom onmiddellijk worden vastgesteld en opgenomen in de bijlage bij dit besluit, en moet de duur van die indeling in zones worden vastgesteld. |
|
(12) |
Dit besluit moet opnieuw worden bekeken tijdens de volgende vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Italië zorgt ervoor dat zijn bevoegde autoriteit onmiddellijk een besmette zone voor Afrikaanse varkenspest vaststelt overeenkomstig artikel 63 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 en artikel 3, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605, en dat deze zone ten minste de in de bijlage bij dit besluit vermelde gebieden omvat.
Artikel 2
Italië zorgt ervoor dat de bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 die gelden voor beperkingszone II van toepassing zijn in de als besmette zone in de bijlage bij dit besluit opgenomen gebieden, in aanvulling op de maatregelen van de artikelen 63 tot en met 66 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687.
Artikel 3
Italië zorgt ervoor dat de verplaatsing naar andere lidstaten en derde landen van zendingen varkens die worden gehouden in de als besmette zone in de bijlage opgenomen gebieden en producten daarvan, niet wordt toegestaan.
Artikel 4
Dit besluit is van toepassing tot en met 31 augustus 2022.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 6 mei 2022.
Voor de Commissie
Stella KYRIAKIDES
Lid van de Commissie
(1) PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 64).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie van 3 december 2018 betreffende de toepassing, op de categorieën in de lijst opgenomen ziekten, van bepaalde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten en tot vaststelling van een lijst van soorten en groepen soorten die een aanzienlijk risico vormen in verband met de verspreiding van die ziekten (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 21).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/605 van de Commissie van 7 april 2021 tot vaststelling van bijzondere maatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest (PB L 129 van 15.4.2021, blz. 1).
BIJLAGE
|
Als besmette zone in Italië afgebakende gebieden als bedoeld in artikel 1 |
Datum einde geldigheid |
||||||
|
Het als volgt begrensde gebied in de gemeente Rome:
|
31 augustus 2022 |