|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
65e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
RICHTLIJNEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
RICHTLIJNEN
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/1 |
RICHTLIJN (EU) 2022/542 VAN DE RAAD
van 5 april 2022
tot wijziging van Richtlijnen 2006/112/EG en (EU) 2020/285 wat de btw-tarieven betreft
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De regels voor de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (3) zijn bedoeld om de werking van de interne markt te beschermen en verstoring van mededinging te voorkomen. Deze regels zijn meer dan twee decennia geleden opgesteld en berusten op het oorsprongsbeginsel. De Commissie heeft in haar mededelingen van 7 april 2016 over een actieplan betreffende de btw — Naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU — Tijd om knopen door te hakken, en van 4 oktober 2017 over de follow-up van het actieplan betreffende de btw — Naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU — Tijd om in actie te komen, haar voornemen aangekondigd om die regels aan te passen en te voorzien in een definitief btw-stelsel voor de grensoverschrijdende business-to-business-handel in goederen tussen de lidstaten dat berust op belastingheffing in de lidstaat van bestemming. |
|
(2) |
In een stelsel waarin goederenleveringen en diensten worden belast in de lidstaat van bestemming, hebben de leveranciers er niet veel baat bij om in een lidstaat met een lager btw-tarief te zijn gevestigd. Grotere verschillen in de btw-tarieven zouden in een dergelijk stelsel niet leiden tot een verstoring van de mededinging of van de werking van de interne markt. In die situatie zou het dus zinvol zijn om de lidstaten meer ruimte te bieden bij de vaststelling van de tarieven. |
|
(3) |
Met goederen en diensten die voor verlaagde tarieven in aanmerking komen moet het belang van de eindverbruiker worden beoogd en moeten doelstellingen van algemeen belang worden nagestreefd. Om onnodige complexiteit en de daarmee gepaard gaande kostenstijgingen voor het bedrijfsleven, met name in het handelsverkeer binnen de Unie, te voorkomen, zijn, zodra de lidstaten dergelijke goederen en diensten met dat doel selecteren, de verlaagde tarieven normaal gesproken in de gehele handelsketen van toepassing. |
|
(4) |
Het juridisch kader voor de toepassing van verlaagde tarieven moet algemeen gezien coherent zijn met ander beleid van de Unie, zoals Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad (4) en de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal. Teneinde de lidstaten in staat te stellen verlaagde tarieven toe te passen om de veerkracht van hun gezondheidszorgstelsels te versterken, is het zinvol de reikwijdte uit te breiden van de goederen en diensten die essentieel worden geacht om de verstrekking van gezondheidszorg te ondersteunen en handicaps te verlichten en te boven te komen. Voorts moeten lidstaten de mogelijkheid krijgen om bij te dragen tot een klimaatneutrale en groene economie door verlaagde tarieven toe te passen op milieuvriendelijke handelingen en tegelijkertijd de geleidelijke afschaffing van de bestaande preferentiële behandeling van milieuschadelijke handelingen voor te bereiden. |
|
(5) |
Alle lidstaten moeten gelijk worden behandeld en moeten daarom dezelfde mogelijkheden krijgen om verlaagde tarieven toe te passen, die evenwel een uitzondering op het normale tarief moeten blijven. Zo'n gelijke behandeling kan worden bereikt door alle lidstaten de mogelijkheid te bieden om, binnen bepaalde grenzen, op de in aanmerking komende goederen en diensten maximaal twee verlaagde tarieven van minimaal 5 % toe te passen, een verlaagd tarief dat onder het minimum van 5 % ligt en een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting. |
|
(6) |
Rekening houdend met de noodzaak om de proliferatie van verlaagde tarieven om budgettaire redenen te voorkomen, en met het beginsel van gelijke behandeling, moet het de lidstaten worden toegestaan verlaagde tarieven die niet lager zijn dan het minimum van 5 % toe te passen op goederenleveringen of diensten die vallen onder maximaal 24 punten in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG. Om dezelfde redenen staat het de lidstaten vrij een verlaagd tarief dat lager ligt dan het minimum van 5 % en een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting toe te passen, maar slechts op goederenleveringen of diensten die vallen onder maximaal zeven punten in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG, gekozen uit de goederenleveringen of diensten die worden geacht te voorzien in basisbehoeften, namelijk die welke verband houden met de levering van levensmiddelen, water, geneesmiddelen, farmaceutische producten, gezondheids- en hygiëneproducten, vervoer van personen en bepaalde culturele producten (boeken, kranten en tijdschriften), of uit andere in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG opgenomen goederenleveringen en diensten waarop andere lidstaten verlaagde tarieven die lager liggen dan het minimum van 5 % of vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting toepassen, voor zover zij de toepasselijke termijnen eerbiedigen. De lidstaten die reeds dergelijke verlaagde tarieven of vrijstellingen toepassen, moeten de nodige tijd krijgen om zich aan deze beperkingen aan te passen. |
|
(7) |
Het is zinvol zonnepanelen in die lijst van zeven punten op te nemen conform de milieutoezeggingen van de Unie inzake decarbonisatie en de Europese Green Deal, alsook de lidstaten de mogelijkheid te bieden het gebruik van hernieuwbare energiebronnen ook door middel van verlaagde btw-tarieven te bevorderen. Om de transitie naar het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te ondersteunen en de zelfvoorziening van de Unie op energiegebied te bevorderen, moeten de lidstaten de toegang van eindverbruikers tot groene energiebronnen kunnen verbeteren. |
|
(8) |
Wanneer een lidstaat voor een van die opties kiest, moet dat worden beschouwd als een maatregel die past in de logica van het systeem van btw-tarieven en die om duidelijk omschreven redenen van maatschappelijk belang en ten behoeve van de eindverbruiker of in het algemeen belang wordt genomen. |
|
(9) |
Naast algemene regels inzake btw-tarieven zijn er een aantal bestaande afwijkingen die bepaalde lidstaten de mogelijkheid bieden lagere tarieven toe te passen. Die lagere tarieven zijn gerechtvaardigd op grond van specifieke geografische kenmerken of van redenen van maatschappelijk belang ten behoeve van de eindverbruiker of in het algemeen belang. Zulke lagere tarieven kunnen voor andere lidstaten relevant zijn. In overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling is het derhalve zinvol om alle lidstaten de optie te geven om onder dezelfde voorwaarden lagere tarieven toe te passen op dezelfde goederen en diensten als die waarop in andere lidstaten lagere tarieven worden toegepast. Om aan het maximum van zeven punten te voldoen, moeten de lidstaten die op 1 januari 2021 dergelijke lagere tarieven toepasten op goederenleveringen en diensten die vallen onder meer dan zeven punten in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG, uiterlijk op 1 januari 2032 of, indien dit eerder is, op het tijdstip van invoering van de definitieve regeling, de toepassing van verlaagde tarieven die lager liggen dan het minimum van 5 % en het verlenen van vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting beperken tot goederenleveringen en diensten die vallen onder zeven punten in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG. Deze wijzigingen doen geen afbreuk aan de in bijlage X bij Richtlijn 2006/112/EG vastgelegde regelingen voor afwijkingen betreffende de toepassing van vrijstellingen zonder recht op aftrek van voorbelasting. |
|
(10) |
Voorts staat een aantal andere afwijkingen bepaalde lidstaten momenteel toe om verlaagde tarieven die niet lager liggen dan 12 % toe te passen op goederen en diensten die niet in de lijst in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG zijn opgenomen. Aangezien het niveau van die verlaagde tarieven in de buurt van het normale tarief ligt, en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling, is het zinvol alle lidstaten de optie te geven om onder dezelfde voorwaarden verlaagde tarieven die niet lager liggen dan 12 % toe te passen op dezelfde goederen en diensten als die waarop in andere lidstaten verlaagde tarieven die niet lager liggen dan 12 % worden toegepast. |
|
(11) |
Andere lidstaten moeten verlaagde tarieven kunnen toepassen die niet lager liggen dan 12 % op niet in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG opgenomen goederenleveringen en diensten, en verlaagde tarieven die lager liggen dan 5 % en vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting wat betreft goederenleveringen en diensten die vallen onder andere punten dan de punten 1) tot en met 6) en punt 10 quater) van bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG, voor zover zij de in deze richtlijn vastgelegde btw-tariefstructuur en de overeenkomstige voorwaarden die werden toegepast door de lidstaten die op 1 januari 2021 verlaagde tarieven of vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting hadden, naleven. Bij deze andere lidstaten dienen lidstaten te zijn begrepen die momenteel verlaagde tarieven en vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting toepassen en die andere dan de momenteel door hen toegepaste verlaagde tarieven die niet lager liggen dan 12 % op niet in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG opgenomen goederenleveringen en diensten, verlaagde tarieven die lager liggen dan 5 % of vrijstellingen met het recht op aftrek van voorbelasting op andere goederenleveringen en diensten als welke zij momenteel toepassen, zouden willen toepassen. |
|
(12) |
Lidstaten die op 1 januari 2021 op basis van afwijkingen verlaagde tarieven toepasten of vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting verleenden, moeten het btw-comité in kennis stellen van de belangrijkste bepalingen en voorwaarden betreffende de afwijkingen die op 1 januari 2021 in hun nationale wetgeving van toepassing waren en waartoe andere lidstaten toegang zullen krijgen. Met het oog op rechtszekerheid en gelijke toegang tot deze afwijkingen voor alle lidstaten en op basis van de informatie die door de betrokken lidstaten binnen de vastgestelde termijn is verstrekt, moet de Commissie onmiddellijk na ontvangst van die informatie een verslag met een volledige lijst van de goederen en diensten waarop die verlaagde tarieven of vrijstellingen van toepassing zijn, opstellen en aan alle lidstaten toezenden. Naleving door de lidstaten van de termijn voor de kennisgeving van dergelijke informatie is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat alle lidstaten op gelijke wijze toegang hebben tot afwijkingen. |
|
(13) |
Op basis van de door de Commissie toegezonden informatie moeten de lidstaten verlaagde tarieven en vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting kunnen toepassen op de goederenleveringen en diensten waarop andere lidstaten dergelijke tarieven en vrijstellingen toepassen, mits de verlaagde tarieven en vrijstellingen worden toegepast onder dezelfde voorwaarden als in lidstaten die deze tarieven en vrijstellingen reeds toepassen. Om voor deze opties te kunnen kiezen, moeten de lidstaten nadere regels vaststellen en de tekst ervan aan het btw-comité toezenden. Op basis van die communicatie moet de Commissie bij de Raad een verslag indienen met een volledige lijst van goederen en diensten waarop de lidstaten verlaagde tarieven en vrijstellingen met recht op aftrek van voorbelasting toepassen. |
|
(14) |
Aangezien de lijst van goederen en diensten die in aanmerking komen voor verlaagde tarieven moet worden gemoderniseerd en geactualiseerd, moet Richtlijn 2006/112/EG worden gewijzigd om de toepassing van verlaagde tarieven voor specifieke doelstellingen van sociaal beleid mogelijk te maken, om te zorgen voor duidelijkheid en om rekening te houden met het neutraliteitsbeginsel, met name door te zorgen voor de gelijke behandeling, wat btw-tarieven betreft, van het huren of leasen en het leveren van bepaalde goederen. |
|
(15) |
Om de lidstaten de mogelijkheid te bieden de overgang naar het gebruik van milieuvriendelijke verwarmingssystemen te ondersteunen en in overeenstemming met de milieuverbintenissen van de Unie inzake decarbonisatie, moet in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG voorts worden voorzien in de mogelijkheid voor de lidstaten om een verlaagd tarief toe te passen op de levering en installatie van zeer efficiënte emissiearme verwarmingssystemen die voldoen aan de criteria van de milieuwetgeving. |
|
(16) |
Digitalisering speelt een sleutelrol bij het creëren van waarde en het bevorderen van het concurrentievermogen. De index van de digitale economie en samenleving meet en rangschikt de digitale prestaties van de lidstaten op basis van vooraf bepaalde indicatoren, die aanzienlijke verschillen in de digitale ontwikkeling laten zien. Om een einde te maken aan de slechte dekking van internettoegangsdiensten en om de ontwikkeling ervan te bevorderen, moeten de lidstaten op zulke diensten een verlaagd tarief kunnen toepassen. De toepassing van een verlaagd tarief op internettoegangsdiensten moet worden afgestemd op de doelstellingen van het nationale digitaliseringsbeleid en bijgevolg een beperkte draagwijdte hebben. Overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad (5) voorzien internettoegangsdiensten in connectiviteit, maar hebben zij geen betrekking op de inhoud die via het internet wordt aangeboden. |
|
(17) |
Met het oog op de digitale transformatie van de economie moeten de lidstaten voorts gelivestreamde activiteiten, met inbegrip van evenementen, op dezelfde manier kunnen behandelen als die welke voor verlaagde tarieven in aanmerking komen wanneer ze fysiek worden bijgewoond. |
|
(18) |
Om de belastingheffing in de lidstaat van verbruik te waarborgen, moeten alle diensten die langs elektronische weg aan een afnemer kunnen worden verstrekt, belastbaar zijn op de plaats waar de afnemer is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft. Daarom moeten de regels betreffende de plaats van de dienst in verband met dergelijke activiteiten worden gewijzigd. |
|
(19) |
Met het oog op rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat in het geval van organisaties die als liefdadige instellingen zijn erkend, bij de beoordeling van de vereisten voor de toepassing van een verlaagd tarief rekening moet worden gehouden met de algemene activiteit en doelstellingen van de organisatie als geheel, onafhankelijk van de uiteindelijke begunstigde van de goederenlevering of van de diensten. |
|
(20) |
Voorts moet Richtlijn 2006/112/EG worden gewijzigd teneinde de toepassing van verlaagde tarieven in een beperkt aantal specifieke situaties mogelijk te maken om redenen van maatschappelijk belang, ten behoeve van de eindverbruiker of om een doelstelling van algemeen belang na te streven. Daarom wordt de lijst van goederen en diensten die in aanmerking komen voor verlaagde tarieven in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG uitgebreid met een beperkt aantal van dergelijke bestaande afwijkingen. |
|
(21) |
De COVID-19-pandemie heeft aangetoond dat Richtlijn 2006/112/EG moet worden aangepast om het juridisch kader gereed te maken om toekomstige crises aan te pakken zodat de lidstaten snel kunnen reageren op uitzonderlijke omstandigheden zoals pandemieën, humanitaire crises en natuurrampen. Daartoe moeten de lidstaten die van de Commissie toestemming hebben gekregen om een vrijstelling van btw toe te passen op goederen die ten behoeve van slachtoffers van rampen zijn ingevoerd, onder dezelfde voorwaarden een vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting kunnen toepassen op de intracommunautaire verwervingen en de binnenlandse leveringen van die goederen en van diensten in verband met die goederen aan de in aanmerking komende instanties, zodat zij slachtoffers van rampen kunnen helpen. Indien niet langer aan de voorwaarden voor vrijstelling wordt voldaan, moeten dergelijke goederenleveringen en diensten aan btw zijn onderworpen. |
|
(22) |
Daar de hoofddoelstellingen van deze richtlijn, namelijk het actualiseren van de lijst van goederen en diensten die in aanmerking komen voor verlaagde tarieven en het vaststellen van basisbepalingen om te waarborgen dat de lidstaten op gelijke wijze verlaagde tarieven kunnen toepassen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de bestaande beperkingen beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om dit doel te verwezenlijken. |
|
(23) |
Richtlijn 2006/112/EG is gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad (6). Gezien de verschillende structuur van de btw-tarieven in deze richtlijn moeten de verwijzingen in Richtlijn (EU) 2020/285 worden gewijzigd. |
|
(24) |
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (7) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om, indien gerechtvaardigd, de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd. |
|
(25) |
Richtlijnen 2006/112/EG en (EU) 2020/285 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen in Richtlijn 2006/112/EG
Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan artikel 53 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Dit artikel is niet van toepassing op het verlenen van toegang tot de in de eerste alinea bedoelde evenementen indien de aanwezigheid virtueel is.”. |
|
2) |
Aan lid 1 van artikel 54 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Indien de diensten en de daarmee samenhangende diensten betrekking hebben op activiteiten die worden gestreamd of anderszins virtueel ter beschikking worden gesteld, is de plaats van de dienst evenwel de plaats waar de niet-belastingplichtige is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.”. |
|
3) |
In artikel 59 bis wordt de inleidende zin vervangen door: “Teneinde dubbele heffing of niet-heffing van de belasting alsmede verstoring van de mededinging te voorkomen, kunnen de lidstaten met betrekking tot diensten waarvan de plaats van verrichting valt onder de artikelen 44 en 45, artikel 54, lid 1, tweede alinea, en de artikelen 56, 58 en 59:”. |
|
4) |
In artikel 81 wordt de eerste alinea vervangen door: “De lidstaten die op 1 januari 1993 geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid uit hoofde van artikel 98 een verlaagd tarief toe te passen, kunnen, wanneer zij gebruikmaken van de in artikel 89 bedoelde mogelijkheid, bepalen dat de maatstaf van heffing voor de in bijlage III, punt 26), bedoelde leveringen van kunstvoorwerpen gelijk is aan een gedeelte van het overeenkomstig de artikelen 73, 74, 76, 78 en 79 vastgestelde bedrag.”. |
|
5) |
Artikel 94 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Artikel 98 wordt vervangen door: “Artikel 98 1. De lidstaten kunnen maximaal twee verlaagde tarieven toepassen. De verlaagde tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 5 % en zijn uitsluitend van toepassing op goederenleveringen en diensten die zijn vermeld in bijlage III. De lidstaten kunnen de verlaagde tarieven toepassen op goederenleveringen en diensten die vallen onder maximaal 24 punten in bijlage III. 2. De lidstaten kunnen, naast de twee verlaagde tarieven bedoeld in lid 1 van dit artikel, een verlaagd tarief dat lager is dan het minimum van 5 % en een vrijstelling met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw toepassen op goederenleveringen en diensten die vallen onder maximaal zeven punten in bijlage III. Het verlaagde tarief dat lager is dan het minimum van 5 % en de vrijstelling met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw mogen alleen worden toegepast op goederenleveringen en diensten die vallen onder de volgende punten in bijlage III:
Voor de toepassing van punt b) van de tweede alinea van dit lid worden de in artikel 105 bis, lid 1, tweede alinea, bedoelde handelingen met betrekking tot huisvesting geacht onder bijlage III, punt 10), te vallen. De lidstaten die op 1 januari 2021 verlaagde tarieven die lager zijn dan het minimum van 5 % toepasten of vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw verleenden op goederenleveringen en diensten die vallen onder meer dan zeven punten in bijlage III, beperken de toepassing van die verlaagde tarieven of het verlenen van die vrijstellingen teneinde uiterlijk op 1 januari 2032 of, als dat eerder is, bij de invoering van de in artikel 402 bedoelde definitieve regeling aan de eerste alinea van dit lid te voldoen. Het staat de lidstaten vrij te bepalen op welke goederenleveringen of diensten zij die verlaagde tarieven zullen blijven toepassen of voor welke zij die vrijstellingen zullen blijven verlenen. 3. De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde verlaagde tarieven en vrijstellingen zijn niet van toepassing op langs elektronische weg verrichte diensten, behalve op die welke zijn vermeld in bijlage III, punten 6), 7), 8) en 13. 4. Ingeval lidstaten de verlaagde tarieven en vrijstellingen van deze richtlijn toepassen, mogen zij, voor de vaststelling van de juiste omschrijving van de betrokken categorie, de gecombineerde nomenclatuur of de aan activiteiten gekoppelde statistische productenclassificatie, of beide, gebruiken.”. |
|
7) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 98 bis De in artikel 98, leden 1 en 2, bedoelde verlaagde tarieven en vrijstellingen zijn niet van toepassing op leveringen van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten waarop de bijzondere regelingen van titel XII, hoofdstuk 4, worden toegepast.”. |
|
8) |
Artikel 99 wordt geschrapt. |
|
9) |
Artikel 100 wordt vervangen door: “Artikel 100 De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2028, en daarna om de vijf jaar, bij de Raad een verslag in over het toepassingsgebied van bijlage III, met daarbij, indien nodig, passende voorstellen.”. |
|
10) |
Artikel 101 wordt geschrapt. |
|
11) |
In hoofdstuk 2 van titel VIII wordt de volgende afdeling ingevoegd: “
Artikel 101 bis 1. Indien de Commissie een lidstaat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van Richtlijn 2009/132/EG van de Raad (*1) toestemming heeft verleend om een vrijstelling toe te passen op voor slachtoffers van rampen ingevoerde goederen, kan die lidstaat onder dezelfde voorwaarden een vrijstelling met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw toekennen voor de intracommunautaire verwerving en levering van die goederen en voor de diensten in verband met die goederen, met inbegrip van verhuurdiensten. 2. Een lidstaat die de in lid 1 bedoelde maatregel wil toepassen, stelt het btw-comité daarvan in kennis. 3. Ingeval goederen of diensten die verworven zijn door organisaties waaraan de in lid 1 bedoelde vrijstelling is verleend, gebruikt worden voor andere dan de in titel VIII, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2009/132/EG genoemde doeleinden, wordt het gebruik van die goederen of diensten onderworpen aan btw onder de voorwaarden die gelden op het tijdstip waarop de voorwaarden voor de vrijstelling niet langer vervuld zijn. (*1) Richtlijn 2009/132/EG van de Raad van 19 oktober 2009 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 143, punten b) en c), van Richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen (PB L 292 van 10.11.2009, blz. 5).”." |
|
12) |
De artikelen 102 en 103 worden geschrapt. |
|
13) |
Artikel 104 wordt vervangen door: “Artikel 104 1. Oostenrijk mag in de gemeenten Jungholz en Mittelberg (Kleines Walsertal) een tweede normaal tarief toepassen dat lager ligt dan het overeenkomstige tarief dat in de rest van Oostenrijk wordt toegepast, maar dat niet minder dan 15 % mag bedragen. 2. Griekenland mag tarieven die tot 30 % lager liggen dan de overeenkomstige tarieven op het Griekse vasteland, toepassen in de departementen Lesbos, Chios, Samos, de Dodekanesos en de Cycladen, en op de eilanden Thassos, de noordelijke Sporaden, Samothraki en Skiros. 3. Portugal mag op de handelingen in de autonome gebieden van de Azoren en Madeira en op de rechtstreekse invoer in deze gebieden lagere tarieven toepassen dan die welke op het vasteland gelden. 4. Portugal mag een van de twee in artikel 98, lid 1, bedoelde verlaagde tarieven toepassen voor de tolheffing op bruggen rond Lissabon.”. |
|
14) |
Artikelen 104 bis en 105 worden geschrapt. |
|
15) |
De volgende artikelen worden ingevoegd: “Artikel 105 bis 1. Lidstaten die, overeenkomstig het Unierecht, op 1 januari 2021 verlaagde tarieven die lager liggen dan het in artikel 98, lid 1, vastgelegde minimum toepasten of vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw verleenden op de leveringen van goederen of diensten die in andere punten dan punten 1) tot en met 6) en 10 quater) van bijlage III worden vermeld, mogen onverminderd lid 4 van dit artikel deze verlaagde tarieven blijven toepassen of deze vrijstellingen blijven verlenen overeenkomstig artikel 98, lid 2. Lidstaten die, overeenkomstig het Unierecht, op 1 januari 2021 verlaagde tarieven die lager liggen dan het in artikel 98, lid 1, vastgelegde minimum toepasten op handelingen met betrekking tot huisvesting die niet kaderen in het sociaal beleid, mogen deze verlaagde tarieven overeenkomstig artikel 98, lid 2, blijven toepassen. De lidstaten stellen het btw-comité uiterlijk op 7 juli 2022 in kennis van de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht en de voorwaarden voor de toepassing van de verlaagde tarieven en vrijstellingen met betrekking tot artikel 98, lid 2, tweede alinea, punt b). Onverminderd lid 4 van dit artikel kunnen andere lidstaten overeenkomstig artikel 98, lid 2, eerste alinea, verlaagde tarieven onder het minimum van Artikel 98, lid 1, of vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw toepassen op dezelfde goederenleveringen of diensten als die bedoeld in de eerste en tweede alinea van dit lid en onder dezelfde voorwaarden als die welke op 1 januari 2021 golden in de in de eerste en tweede alinea van dit lid bedoelde lidstaten. 2. Lidstaten die, overeenkomstig het Unierecht, op 1 januari 2021 verlaagde tarieven van minder dan 12 %, met inbegrip van verlaagde tarieven die lager liggen dan het in artikel 98, lid 1, vastgelegde minimum, toepasten of die vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw verleenden op andere goederenleveringen of diensten dan die welke zijn vermeld in bijlage III, mogen overeenkomstig artikel 98, leden 1 en 2, en onverminderd lid 4 van dit artikel, deze verlaagde tarieven blijven toepassen of deze vrijstellingen blijven verlenen tot 1 januari 2032 of, als dat eerder is, tot de vaststelling van de in artikel 402 bedoelde definitieve regeling. 3. Lidstaten die, overeenkomstig het Unierecht, op 1 januari 2021 verlaagde tarieven van niet minder dan 12 % toepasten op andere goederenleveringen of diensten dan die vermeld in bijlage III, mogen overeenkomstig artikel 98, lid 1, eerste alinea, en onverminderd lid 4 van dit artikel, deze tarieven blijven toepassen. De lidstaten delen het btw-comité uiterlijk op 7 juli 2022 de tekst mee van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht en voorwaarden voor de toepassing van de verlaagde tarieven als bedoeld in de eerste alinea van dit lid. Onverminderd lid 4 van dit artikel kunnen andere lidstaten overeenkomstig artikel 98, lid 1, eerste alinea, verlaagde tarieven van niet minder dan 12 % toepassen op dezelfde goederenleveringen of diensten als welke zijn vermeld in de eerste alinea van dit lid en onder dezelfde voorwaarden als die welke op 1 januari 2021 golden in de in de eerste alinea van dit lid bedoelde lidstaten. 4. In afwijking van de leden 1, 2 en 3 worden de verlaagde tarieven of vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw voor fossiele brandstoffen, andere goederen met een vergelijkbaar effect op broeikasgasemissies, zoals turf, en hout dat als brandhout wordt gebruikt, uiterlijk op 1 januari 2030 niet meer toegepast. De verlaagde tarieven of vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw voor chemische bestrijdingsmiddelen en chemische meststoffen worden uiterlijk op 1 januari 2032 niet meer toegepast. 5. De lidstaten die overeenkomstig lid 1, vierde alinea van dit artikel, overeenkomstig lid 3, derde alinea, van dit artikel of overeenkomstig artikel 105 ter verlaagde tarieven die niet lager zijn dan 12 %, verlaagde tarieven die lager liggen dan het in artikel 98, lid 1, vastgelegde minimum of vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw wensen toe te passen, stellen uiterlijk op 7 oktober 2023 de nadere bepalingen voor de uitoefening van deze keuzemogelijkheden vast. Zij delen het btw-comité de tekst van de belangrijkste bepalingen van de door hen vastgestelde nationale wetgeving mee. 6. Uiterlijk op 1 juli 2025 dient de Commissie, op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens, bij de Raad een verslag in met een complete lijst van goederen en diensten als bedoeld in de leden 1 en 3 van dit artikel en in artikel 105 ter, waarop de verlaagde tarieven, met inbegrip van de verlaagde tarieven die lager liggen dan het in artikel 98, lid 1, vastgelegde minimum, of de vrijstellingen met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw in de lidstaten worden toegepast. Artikel 105 ter Lidstaten die, overeenkomstig het Unierecht, op 1 januari 2021 verlaagde tarieven die niet lager zijn dan het minimum van 5 % toepasten op handelingen in verband met buiten het kader van sociaal beleid verstrekte huisvesting, mogen overeenkomstig artikel 98, lid 1, eerste alinea, die verlaagde tarieven blijven toepassen. In dergelijke gevallen mogen de op zulke handelingen toe te passen verlaagde tarieven met ingang van 1 januari 2042 niet lager zijn dan 12 %. De lidstaten delen het btw-comité uiterlijk op 7 juli 2022 de tekst mee van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht en voorwaarden voor de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde verlaagde tarieven. Andere lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 98, lid 1, eerste alinea, een verlaagd tarief van niet minder dan 12 % toepassen op de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde handelingen onder dezelfde voorwaarden als die welke op 1 januari 2021 golden in de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde lidstaten. Voor de toepassing van artikel 98, lid 1, derde alinea, worden de in dit artikel bedoelde handelingen geacht onder bijlage III, punt 10), te vallen.”. |
|
16) |
In titel VIII wordt hoofdstuk 4 geschrapt. |
|
17) |
De artikelen 123, 125, 128 en 129 worden geschrapt. |
|
18) |
In artikel 221 wordt lid 3 vervangen door: “3. De lidstaten kunnen de belastingplichtige ontheffing verlenen van de in artikel 220, lid 1, of in artikel 220 bis vastgelegde factureringsplicht voor de op hun grondgebied verrichte goederenleveringen of diensten die, al dan niet met recht op aftrek van de in het voorgaande stadium betaalde btw, overeenkomstig artikel 98, lid 2, de artikelen 105 bis en 132, artikel 135, lid 1, punten h) tot en met l), de artikelen 136, 371, 375, 376 en 377, artikel 378, lid 2, artikel 379, lid 2, en de artikelen 380 tot en met 390 quater, vrijgesteld zijn.”. |
|
19) |
In artikel 288, eerste alinea, wordt punt 2 vervangen door:
|
|
20) |
In artikel 316 wordt lid 1 vervangen door: “1. Indien geen verlaagd tarief is toegepast op de betrokken kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die aan een belastingplichtige wederverkoper worden geleverd of door hem worden ingevoerd, verlenen de lidstaten belastingplichtige wederverkopers het recht te kiezen voor toepassing van de winstmargeregeling op de volgende handelingen:
|
|
21) |
In artikel 387 wordt punt c) geschrapt. |
|
22) |
In bijlage III wordt de titel vervangen door: “Lijst van goederenleveringen en diensten waarop de verlaagde tarieven en de vrijstelling met recht op aftrek van de btw bedoeld in artikel 98 worden toegepast”. |
|
23) |
Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn. |
Artikel 2
Wijzigingen in Richtlijn (EU) 2020/285
In artikel 1 van Richtlijn (EU) 2020/285, wordt punt 15) vervangen door:
|
“15) |
artikel 288 wordt vervangen door: “Artikel 288 1. De jaaromzet die als maatstaf dient voor de toepassing van de in artikel 284 bepaalde vrijstelling, wordt gevormd door de volgende bedragen, de btw niet inbegrepen:
2. De overdracht van materiële of immateriële investeringsgoederen van de belastingplichtige wordt niet in aanmerking genomen voor het berekenen van de in lid 1 bedoelde omzet.”;”. |
Artikel 3
Omzetting
1. De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2024 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast en maken ze bekend om aan artikel 1, punten 1), 2), 5), 7), 12) wat betreft de schrapping van artikel 103 van Richtlijn 2006/112/EG, en punt 20), en artikel 2 te voldoen.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2025.
De lidstaten kunnen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot bijlage III, punten 7) en 13), met betrekking tot de toegang tot de livestreaming van evenementen of bezoeken die onder die punten vallen, en punt 26), van Richtlijn 2006/112/EG, die in de bijlage bij deze richtlijn worden vermeld, vanaf 1 januari 2025 toepassen.
2. De lidstaten delen de Commissie onmiddellijk de tekst van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
3. Wanneer de lidstaten de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 4
Herziening
Op basis van een beoordeling van de vraag of toekomstbestendige oplossingen die zijn aangepast aan het digitale tijdperk en in overeenstemming zijn met de doelstelling van een op het bestemmingsbeginsel gebaseerd btw-stelsel mogelijk zijn, dient de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in tot wijziging van de relevante bepalingen van deze richtlijn die betrekking hebben op de winstmargeregeling van titel XII, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2006/112/EG.
Artikel 5
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 6
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Luxemburg, 5 april 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
B. LE MAIRE
(1) Advies van 9 maart 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB C 283 van 10.8.2018, blz. 35.
(3) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
(4) Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 1).
(5) Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en retailtarieven voor gereguleerde communicaties binnen de EU en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG en Verordening (EU) nr. 531/2012 (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).
(6) Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen (PB L 62 van 2.3.2020, blz. 13).
BIJLAGE
Bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De punten 3) tot en met 8) worden vervangen door:
|
|
2) |
De punten 10) en 10 bis) worden vervangen door:
|
|
3) |
Het volgende punt wordt ingevoegd:
|
|
4) |
Punt 11) wordt vervangen door:
|
|
5) |
Het volgende punt wordt ingevoegd:
|
|
6) |
Punt 13) wordt vervangen door:
|
|
7) |
Punt 14) wordt geschrapt. |
|
8) |
Punt 15) wordt vervangen door:
|
|
9) |
Punten 18) en 19) worden vervangen door:
|
|
10) |
Punt 21) wordt vervangen door:
|
|
11) |
De volgende punten worden toegevoegd:
(*1) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herziening) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82)." (*2) Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft (PB L 193 van 21.7.2015, blz. 100)." (*3) Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie van 24 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp betreft voor toestellen voor lokale ruimteverwarming die vaste brandstoffen gebruiken (PB L 193 van 21.7.2015, blz. 1)." (*4) Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).”." |
(*1) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herziening) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(*2) Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de eisen inzake ecologisch ontwerp voor verwarmingsketels voor vaste brandstoffen betreft (PB L 193 van 21.7.2015, blz. 100).
(*3) Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie van 24 april 2015 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp betreft voor toestellen voor lokale ruimteverwarming die vaste brandstoffen gebruiken (PB L 193 van 21.7.2015, blz. 1).
(*4) Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).”.”
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/13 |
RICHTLIJN (EU) 2022/543 VAN DE RAAD
van 5 april 2022
tot wijziging van Richtlijnen 2008/118/EG en (EU) 2020/262 betreffende taxfreeshops in de Franse terminal van de Kanaaltunnel
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (3) kunnen de lidstaten vrijstelling van de betaling van accijns verlenen voor accijnsgoederen die zijn geleverd door taxfreeshops op luchthavens en havens van de Unie aan reizigers die naar een derdelandsgebied reizen. |
|
(2) |
De vaste Kanaalverbinding is een spoorverbinding die bestaat uit twee tunnels, onder het Kanaal tussen Coquelles (Pas-de-Calais, Frankrijk) en Folkestone (Kent, Verenigd Koninkrijk). Aan beide zijden is een bijbehorende diensttunnel en een terminalzone om de toegang tot en de uitgang uit de tunnels te controleren. Door deze infrastuctuur heeft zij de kenmerken van een zeeverbinding tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, met grenscontroles aan de twee toegangsterminals. De zeeverbinding en de vaste Kanaalverbinding maken een overtocht over het Kanaal onder dezelfde voorwaarden mogelijk. |
|
(3) |
De Franse terminal van de vaste Kanaalverbinding in Coquelles moet daarom worden beschouwd als gelijkwaardig aan een haven voor de toepassing van artikel 14 van Richtlijn 2008/118/EG. |
|
(4) |
Vanwege de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, die tot de opening van taxfreeshops in de havens van Calais en Duinkerke en in de terminal van het Verenigd Koninkrijk van de vaste Kanaalverbinding in Folkestone heeft geleid, is het passend de opening van taxfreeshops in de Franse terminal van de vaste Kanaalverbinding in Coquelles toe te staan. |
|
(5) |
Aangezien passagiers die de vaste Kanaalverbinding gebruiken, deze niet kunnen verlaten voordat zij hun bestemming bereiken, zullen het risico op niet-naleving van de accijnsregels en de belastingvrijstellingen bij invoer en bijgevolg de controlelast voor de douaneautoriteiten beperkt zijn. Om fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen, moet Frankrijk evenwel de maatregelen nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de belastingvrijstelling in de taxfreeshops van de Franse terminal van de vaste Kanaalverbinding in Coquelles correct wordt toegepast. |
|
(6) |
Aangezien Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad (4) Richtlijn 2008/118/EG met ingang van 13 februari 2023 intrekt en vervangt, moet ook de overeenkomstige bepaling in Richtlijn (EU) 2020/262 worden gewijzigd. |
|
(7) |
Richtlijnen 2008/118/EG en (EU) 2020/262 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Richtlijn 2008/118/EG
Artikel 14 van Richtlijn 2008/118/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende lid wordt ingevoegd: “1 bis. De in lid 1 bedoelde vrijstelling geldt ook voor accijnsgoederen die door taxfreeshops in de Franse terminal van de Kanaaltunnel in Coquelles zijn geleverd aan passagiers die in het bezit zijn van een geldig vervoersbewijs voor een reis naar het Verenigd Koninkrijk via de vaste Kanaalverbinding.”. |
|
2) |
Lid 3 wordt vervangen door: “3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te garanderen dat de in de leden 1, 1 bis en 2 genoemde vrijstellingen zodanig worden toegepast dat elke vorm van fraude, ontwijking of misbruik wordt voorkomen.”. |
Artikel 2
Wijziging van Richtlijn (EU) 2020/262
Artikel 13 van Richtlijn (EU) 2020/262 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende lid wordt ingevoegd: “1 bis. De in lid 1 bedoelde vrijstelling geldt ook voor accijnsgoederen die door taxfreeshops in de Franse terminal van de Kanaaltunnel in Coquelles zijn geleverd aan passagiers die in het bezit zijn van een geldig vervoersbewijs voor een reis naar het Verenigd Koninkrijk via de vaste Kanaalverbinding.”. |
|
2) |
Lid 3 wordt vervangen door: “3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te garanderen dat de in de leden 1, 1 bis en 2 genoemde vrijstellingen zodanig worden toegepast dat elke vorm van fraude, ontwijking of misbruik wordt voorkomen.”. |
Artikel 3
Omzetting
1. Wanneer een lidstaat besluit de in artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde vrijstelling overeenkomstig artikel 1 van deze richtlijn of de in artikel 13, lid 1, van Richtlijn (EU) 2020/262 bedoelde vrijstelling overeenkomstig artikel 2 van deze richtlijn toe te passen, en de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststelt om uitvoering te geven aan deze richtlijn, stelt hij de Commissie onverwijld in kennis van krachtens deze richtlijn genomen maatregelen.
2. Wanneer de lidstaat die maatregelen aanneemt, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Luxemburg, 5 april 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
B. LE MAIRE
(1) Advies van 9 maart 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Advies van 23 februari 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(3) Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12).
(4) Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (PB L 58 van 27.2.2020, blz. 4).
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/16 |
BESLUIT (EU) 2022/544 VAN DE RAAD
van 4 april 2022
betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Moldavië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, punten b) en d), en artikel 79, lid 2, punt c), in samenhang met artikel 218, lid 6, punt a),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig Besluit (EU) 2022/449 van de Raad (2) is de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Moldavië (de “overeenkomst”) op 17 maart 2022 ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later datum. |
|
(2) |
Artikel 73, lid 3, van Verordening (EU) 2019/1896 (3) bepaalt dat als de omstandigheden vereisen dat grensbeheerteams van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden ingezet in een derde land waar de teamleden uitvoerende bevoegdheden zullen uitoefenen, tussen de Unie en het desbetreffende derde land op grond van artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een statusovereenkomst moet worden gesloten. |
|
(3) |
Dit besluit vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (4); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit besluit is noch bindend voor, noch van toepassing op dit land. |
|
(4) |
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Aangezien dit besluit voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over dit besluit of het dit in zijn interne recht zal omzetten. |
|
(5) |
De overeenkomst moet worden goedgekeurd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië inzake operationele activiteiten die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Moldavië uitvoert (de “overeenkomst”), wordt namens de Unie goedgekeurd (5).
Artikel 2
De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 22, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van vaststelling ervan.
Gedaan te Luxemburg, 4 april 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
R. BACHELOT-NARQUIN
(1) Goedkeuring van 24 maart 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Besluit (EU) 2022/449 van de Raad van 17 maart 2022 inzake de ondertekening namens de Unie en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië over operationele activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap in de Republiek Moldavië (PB L 91 van 18.3.2022, blz. 1).
(3) Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624 (PB L 295 van 14.11.2019, blz. 1).
(4) Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).
(5) De tekst van de overeenkomst is bekendgemaakt in PB L 91 van 18.3.2022, blz. 4.
VERORDENINGEN
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/18 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/545 VAN DE COMMISSIE
van 26 januari 2022
tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad met uitvoeringsbepalingen voor de specifieke testprocedures en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de gegevensrecorder voor incidenten betreft en voor de typegoedkeuring van die systemen als technische eenheden en tot wijziging van bijlage II bij die verordening
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (1), en met name artikel 4, lid 6, en artikel 6, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) 2019/2144 bevat de algemene verplichting dat motorvoertuigen moeten worden uitgerust met bepaalde geavanceerde voertuigsystemen. Bijlage II bij die verordening moet een lijst bevatten van voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de gegevensrecorders voor incidenten betreft en voor de typegoedkeuring van dergelijke systemen als technische eenheden. Die voorschriften moeten worden aangevuld door gedetailleerde geharmoniseerde regels inzake de specifieke testprocedures en technische voorschriften voor een dergelijke typegoedkeuring vast te stellen. |
|
(2) |
De in deze verordening vastgestelde technische voorschriften en testprocedures hebben betrekking op de motorvoertuigcategorieën M1 en N1, overeenkomstig de toepasselijke data voor weigering van de verlening van EU-typegoedkeuring met betrekking tot die categorieën motorvoertuigen, zoals die in Verordening (EU) 2019/2144 zijn vastgesteld. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 3, punt 13, van Verordening (EU) 2019/2144 is de gegevensrecorder voor incidenten een systeem dat uitsluitend tot doel heeft kritische botsinggerelateerde parameters en informatie kort vóór, tijdens en onmiddellijk na een botsing te registreren en op te slaan teneinde accuratere, diepgaande ongevalsgegevens te verkrijgen die de lidstaten in staat stellen om de verkeersveiligheid te analyseren en de doeltreffendheid van de genomen specifieke maatregelen te evalueren. |
|
(4) |
Op de testprocedures en gedetailleerde technische voorschriften voor de typegoedkeuring van voertuigtypen met betrekking tot gegevensrecorders voor incidenten zijn de bepalingen van VN-Reglement nr. 160 (2) van toepassing. Dat VN-reglement moet daarom worden toegevoegd aan de lijst van toepasselijke voorschriften zoals bedoeld in artikel 4, lid 5, en artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) 2019/2144. |
|
(5) |
VN-Reglement nr. 160 bevat de voorschriften inzake de door gegevensrecorders voor incidenten te registreren gegevenselementen, het formaat van die gegevens, de voorschriften voor de vastlegging, registratie en opslag aan boord van gegevens, alsook voorschriften inzake de prestaties op het gebied van crashtests en overlevingsvermogen. |
|
(6) |
Alle technische voorschriften van wijzigingenreeks 01 van VN-Reglement nr. 160 (3) zijn van toepassing met ingang van de in bijlage II bij Verordening (EU) 2019/2144 gespecificeerde data, onverminderd de internationale verplichtingen van de Unie. |
|
(7) |
Om te waarborgen dat voertuigfabrikanten passende maatregelen nemen om te zorgen voor de bescherming van de gegevens van de gegevensrecorder voor incidenten tegen manipulatie en voor de beschikbaarheid van die gegevens via de gestandaardiseerde interface, en om de anonimisering van die gegevens mogelijk te maken, moeten die voorschriften worden aangevuld met verdere voorschriften inzake het opvragen van gegevens, de privacy en de beveiliging van gegevens. |
|
(8) |
Om te waarborgen dat de door de gegevensrecorders geregistreerde gegevens geanonimiseerd blijven, moeten de fabrikanten worden verplicht passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat die gegevens samen met informatie over een natuurlijke persoon worden gemeld of opgevraagd. |
|
(9) |
Totdat er, door middel van een gedelegeerde handeling van de Commissie, gestandaardiseerde communicatieprotocollen voor de toegang tot en het opvragen van voorvalgegevens zijn ingevoerd, moeten voertuigfabrikanten ertoe worden verplicht informatie te verstrekken aan relevante partijen over hoe zij toegang kunnen krijgen tot de gegevens in de gegevensrecorder voor incidenten en die kunnen opvragen en interpreteren. |
|
(10) |
De correcte operationele status van de gegevensrecorder voor incidenten, alsook de correcte functionaliteit en integriteit van de software ervan, moeten worden gecontroleerd door middel van periodieke technische controles van voertuigen. |
|
(11) |
De tabel met de lijst van voorschriften in bijlage II bij Verordening (EU) 2019/2144 bevat geen verwijzing naar regelgevingshandelingen met betrekking tot gegevensrecorders voor incidenten. Het is daarom nodig in die bijlage een verwijzing naar deze verordening en naar VN-Reglement nr. 160 op te nemen. |
|
(12) |
De lijst van de in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) 2019/2144 bedoelde VN-reglementen in bijlage I bij die verordening moet worden gewijzigd om daarin een verwijzing op te nemen naar wijzigingenreeks 01 van VN-Reglement nr. 160. |
|
(13) |
Verordening (EU) 2019/2144 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(14) |
Er is een nauw verband met de bepalingen van deze verordening, aangezien deze regels bevatten met betrekking tot de technische voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de gegevensrecorder voor incidenten betreft en voor de typegoedkeuring van gegevensrecorders voor incidenten als technische eenheid. De in deze verordening opgenomen regels maken het nodig in bijlage II bij Verordening (EU) 2019/2144 de verwijzing naar dit reglement, VN-Reglement nr. 160 en wijzigingenreeks 01 van VN/ECE-Reglement nr. 160 toe te voegen. Het is daarom passend die bepalingen in één enkele gedelegeerde verordening vast te stellen. |
|
(15) |
Aangezien de voorschriften van Verordening (EU) 2019/2144 met betrekking tot gegevensrecorders voor incidenten voor voertuigen van de categorieën M1 en N1 met ingang van 6 juli 2022 van toepassing moeten zijn, moet deze verordening vanaf dezelfde datum van toepassing zijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op de voertuigcategorieën M1 en N1, zoals omschreven in artikel 4 van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad (4).
Artikel 2
Toepasselijke technische voorschriften
1. Het EDR-systeem van een voertuig moet voldoen aan de technische voorschriften van:
|
a) |
VN-Reglement nr. 160, en |
|
b) |
de artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening. |
2. Voor de typegoedkeuring van een gegevensrecorder voor incidenten als technische eenheid moet de technische eenheid voldoen aan dezelfde voorschriften als die van punt 5.3, inleidende alinea, en de punten 5.3.3, 5.3.4, 5.3.5 en 5.5 van VN-Reglement nr. 160.
3. Wanneer het motorvoertuig is uitgerust met een gegevensrecorder voor incidenten waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid is verleend, moeten het voertuig en de gegevensrecorder voor incidenten voldoen aan de in lid 1 bedoelde technische voorschriften. Wat punt 5 van VN-Reglement nr. 160 betreft, moeten zij echter voldoen aan de voorschriften van de punten 5.1, 5.2, 5.3.1, 5.3.2 en 5.4 van dat reglement.
Artikel 3
Gegevensbeveiliging
1. De botsinggerelateerde gegevens die de gegevensrecorder voor incidenten registreert en opslaat, moeten tegen manipulatie worden beschermd door te voldoen aan de desbetreffende technische voorschriften en overgangsbepalingen van VN-Reglement nr. 155 (5), of van de oorspronkelijke wijzigingenreeks of een latere wijzigingenreeks daarvan.
2. Software-updates van de gegevensrecorder voor incidenten worden beschermd om binnen de grenzen van het redelijke te voorkomen dat deze worden gemanipuleerd en om ongeldige updates binnen de grenzen van het redelijke te voorkomen.
Artikel 4
Opvragen van gegevens
1. De door de gegevensrecorders voor incidenten geregistreerde botsingsgegevens worden beschikbaar gesteld voor opvraging via de seriële gegevenspoort op de gestandaardiseerde connector voor gegevensverbinding zoals bedoeld in punt 2.9 van bijlage X bij Verordening (EU) 2018/858. Wanneer de seriële gegevenspoort na een botsing niet meer functioneert, zijn de gegevens opvraagbaar via een directe verbinding met de gegevensrecorder voor incidenten.
2. De voertuigfabrikant verstrekt aan de typegoedkeuringsinstantie en, op verzoek van een typegoedkeuringsinstantie, aan elke geïnteresseerde fabrikant of reparateur van onderdelen of diagnose- of testapparatuur informatie over hoe toegang tot de voorvalgegevens kan worden verkregen en hoe die kunnen worden opgevraagd en geïnterpreteerd.
3. Voertuigen en de gegevensrecorders voor incidenten daarvan worden zodanig ontworpen dat een tool voor het opvragen van gegevens voorvalmeldingen kan opstellen die de volgende gegevenselementen bevatten:
|
a) |
elk van de verplichte gegevenselementen, zoals voorgeschreven door VN-Reglement nr. 160; |
|
b) |
het precieze voertuigtype, de precieze variant en de precieze uitvoering (met inbegrip van de gemonteerde systemen voor actieve veiligheid en ongevalpreventie) van het voertuig waarin de gegevensrecorder voor incidenten is ondergebracht. |
De in punt b) bedoelde gegevens zijn ook beschikbaar na afloop van de crashtest zoals bedoeld in punt 5.4.3 van VN-Reglement nr. 160.
4. De door de gegevensrecorder voor incidenten geregistreerde gegevens mogen niet beschikbaar zijn voor opvraging via interfaces die toegankelijk zijn zonder dat het voertuig moet worden ontgrendeld of gereedschap moet worden gebruikt, of via voertuiginterfaces voor draadloze verbindingen.
5. De gegevens van de gegevensrecorder voor incidenten die overeenkomstig lid 1 beschikbaar worden gesteld:
|
a) |
zijn beschikbaar in een machineleesbaar formaat; |
|
b) |
mogen geen informatie bevatten die het mogelijk maakt die gegevens te relateren aan een natuurlijke persoon, noch samen met dergelijke informatie beschikbaar worden gesteld. |
Artikel 5
Bepalingen inzake technische controles
Met het oog op periodieke technische controles van voertuigen moet het mogelijk zijn om de volgende kenmerken van het EDR-systeem te verifiëren:
|
1) |
de correcte bedrijfsstatus, door middel van een visuele waarneming van de status van het storingswaarschuwingssignaal na activering van de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig en een controle van de lamp. Wanneer het storingswaarschuwingssignaal wordt weergegeven in een gemeenschappelijke ruimte (het gedeelte waarop twee of meer informatiefuncties/-symbolen mogen worden weergegeven, maar niet tegelijkertijd), moet eerst worden gecontroleerd of de gemeenschappelijke ruimte vóór de controle van de status van het storingswaarschuwingssignaal functioneel is; |
|
2) |
de correcte functionaliteit en de integriteit van de software, door middel van een elektronische voertuiginterface, zoals vastgesteld in paragraaf I, punt 14, van bijlage III bij Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad (6), indien de technische kenmerken van het voertuig dat mogelijk maken en de benodigde gegevens beschikbaar worden gesteld. De fabrikanten moeten ervoor zorgen dat de technische informatie voor het gebruik van de elektronische voertuiginterface beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/621 van de Commissie (7). |
Artikel 6
Tijdelijke bepalingen voor goedkeuringen krachtens VN-Reglement nr. 160
1. Met ingang van 6 juli 2022 weigeren de nationale autoriteiten, om redenen die verband houden met gegevensrecorders voor incidenten, om EU-typegoedkeuring of nationale typegoedkeuring te verlenen voor nieuwe voertuigtypen die niet aan deze verordening en aan de technische voorschriften van wijzigingenreeks 01 van VN/ECE-Reglement nr. 160 voldoen. De nationale autoriteiten aanvaarden tot en met 1 juli 2024 echter goedkeuringen krachtens VN-Reglement nr. 160 die buiten de EU zijn verleend als alternatief voor een goedkeuring krachtens wijzigingenreeks 01 van VN-Reglement nr. 160, met het oog op het verlenen van een EU-goedkeuring krachtens deze verordening.
2. Met ingang van 6 juli 2024 verbieden de nationale autoriteiten, om redenen die verband houden met gegevensrecorders voor incidenten de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen indien die voertuigen niet voldoen aan deze verordening en aan de technische voorschriften van wijzigingenreeks 01 van VN-Reglement nr. 160, aangezien de conformiteitscertificaten van dergelijke voertuigen niet langer geldig zijn. De nationale autoriteiten aanvaarden tot en met 1 juli 2026 echter goedkeuringen krachtens VN-Reglement nr. 160 die buiten de EU zijn verleend als alternatief voor een goedkeuring krachtens wijzigingenreeks 01 van VN-Reglement nr. 160, met het oog op de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen van dergelijke voertuigen overeenkomstig de artikelen 48, 49 en 50 van Verordening (EU) 2018/858.
Artikel 7
Wijziging van Verordening (EU) 2019/2144
De bijlagen I en II bij Verordening (EU) 2019/2144 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 8
Inwerkingtreding en datum van toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 6 juli 2022.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 26 januari 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 325 van 16.12.2019, blz. 1.
(2) VN-Reglement nr. 160 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot de gegevensrecorder voor incidenten (PB L 221 van 21.6.2021, blz. 15); VN-Reglement nr. 160 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot de gegevensrecorder voor incidenten [2021/1215] — Wijzigingenreeks 01 (PB L 265 van 26.7.2021, blz. 3).
(3) VN-Reglement nr. 160 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot de gegevensrecorder voor incidenten [2021/1215] — Wijzigingenreeks 01 (PB L 265 van 26.7.2021, blz. 3).
(4) Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en de goedkeuring van en het markttoezicht op systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).
(5) VN-Reglement nr. 155 — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen met betrekking tot cyberbeveiliging en het beheersysteem voor cyberbeveiliging [2021/387] (PB L 82 van 9.3.2021, blz. 30).
(6) Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 51).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/621 van de Commissie van 17 april 2019 inzake de technische informatie die nodig is voor de technische controle van de te controleren punten, het gebruik van de aanbevolen controlemethoden, en de vaststelling van gedetailleerde regels inzake het gegevensformaat en de procedures om toegang te krijgen tot de relevante technische informatie (PB L 108 van 23.4.2019, blz. 5).
BIJLAGE
Wijziging van Verordening (EU) 2019/2144
Bijlage I bij Verordening (EU) 2019/2144 wordt als volgt gewijzigd:
|
“160 |
Gegevensrecorder voor incidenten (EDR) |
Wijzigingenreeks 01 |
M1, N1” |
In bijlage II, deel E, wordt de rij voor voorschrift E5 vervangen door:
|
Onderwerp |
Regelgeving |
Aanvullende specifieke technische bepalingen |
M1 |
M2 |
M3 |
N1 |
N2 |
N3 |
O1 |
O2 |
O3 |
O4 |
STU |
Onderdeel |
|
“E5 Gegevensrecorder voor incidenten |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/545 (*1) VN-Reglement nr. 160 |
|
B |
D |
D |
B |
D |
D |
|
|
|
|
B |
|
(*1) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/545 van de Commissie van 26 januari 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad met uitvoeringsbepalingen voor de specifieke testprocedures en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de gegevensrecorder voor incidenten betreft en voor de typegoedkeuring van die systemen als technische eenheden en tot wijziging van bijlage II bij die verordening (PB L 107 van 5.4.2022, blz. 18)”
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/24 |
VERORDENING (EU) 2022/546 VAN DE COMMISSIE
van 31 maart 2022
tot vaststelling van een tijdelijke sluiting van de visserij op roodbaarzen in gebied NAFO 3M voor vaartuigen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2022/109 van de Raad (2) zijn quota voor 2022 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit de door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van roodbaarzen in gebied NAFO 3M door vaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in een lidstaat van de Europese Unie, het betrokken tussentijdse quotum dat voor de periode vóór 1 juli 2022 is toegewezen, is opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de gerichte visserij op dat bestand worden verboden tot en met 30 juni 2022, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het vangstquotum dat voor de periode 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 aan de lidstaten van de Europese Unie is toegewezen voor het roodbaarzenbestand in gebied NAFO 3M, wordt met ingang van de in de bijlage bij deze verordening vastgestelde datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De gerichte visserij op het in artikel 1 vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in de bijlage bij deze verordening vastgestelde datum tot en met 30 juni 2022.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 31 maart 2022.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Virginijus SINKEVIČIUS
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2022/109 van de Raad van 27 januari 2022 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 21 van 31.1.2022, blz. 1).
BIJLAGE
|
Nr. |
01/TQ109 |
|
Lidstaat |
Europese Unie (alle lidstaten) |
|
Bestand |
RED/N3M. |
|
Soort |
Roodbaarzen (Sebastes spp.) |
|
Gebied |
NAFO 3M |
|
Periode van sluiting |
25 maart 2022 om 24.00 uur UTC tot en met 30 juni 2022 |
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/27 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/547 VAN DE COMMISSIE
van 5 april 2022
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op superabsorberende polymeren van oorsprong uit de Republiek Korea
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1), en met name artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 18 februari 2021 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (“de basisverordening”) een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van superabsorberende polymeren (“SAP” of “het onderzochte product”) van oorsprong uit de Republiek Korea (“het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht van de European Superabsorbent Polymer Coalition (“ESPC” of “de klager”). De klacht werd ingediend namens twee producenten in de Unie die samen 65 % van de totale productie in de Unie van superabsorberende polymeren vertegenwoordigden, in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
1.2.1. Onderzoek naar het belang van de Unie in de klacht
|
(3) |
Nadat het onderzoek was geopend voerde de coalitie van gebruikers (3) aan dat in de klacht geen rekening werd gehouden met de belangen van importeurs en gebruikers doordat werd geconcludeerd dat het wegens een inbreuk op artikel 21 van de basisverordening in het belang van de Unie was om een antidumpingonderzoek te openen naar de invoer van SAP van oorsprong uit de Republiek Korea. |
|
(4) |
De medewerkende producent-exporteur, LG Chem Ltd. (“LG Chem”), voerde soortgelijke argumenten aan. |
|
(5) |
De Commissie brengt in herinnering dat de inleiding van een procedure overeenkomstig artikel 5, leden 2 en 9, van de basisverordening gerechtvaardigd is indien de klacht voldoende bewijsmateriaal bevat ten aanzien van dumping, schade en het oorzakelijke verband tussen de beweerde invoer met dumping en de gestelde schade. De klager is op grond van die bepalingen niet verplicht een analyse van het belang van de Unie op te nemen in de klacht. Bijgevolg vertoonde de klacht op dit punt geen tekortkomingen. |
|
(6) |
In dit verband heeft de Commissie de juistheid en de toereikendheid van het ingediende bewijsmateriaal beoordeeld en vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om het onderhavige onderzoek te openen, overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de basisverordening. |
|
(7) |
De argumenten werden derhalve afgewezen. |
1.2.2. Kunstmatige verhoging van de dumping- en de prijsonderbiedingsmarge in de klacht
|
(8) |
LG Chem stelde dat de klager de dumping- en de onderbiedingsmarges in de klacht kunstmatig had verhoogd door SAP te beschouwen als een homogeen product. In dit kader herhaalde LG Chem grotendeels de opmerkingen over de productomschrijving, die aan de orde komen in punt 2.3. |
|
(9) |
LG Chem bracht verder naar voren dat de uitvoerprijs in de klacht onjuist was berekend. Volgens de bron die in de klacht is gebruikt voor de berekening van de uitvoerprijs (de Koreaanse dienst voor handelsstatistieken) had de uitvoerprijs 13 % tot 18 % hoger moeten zijn dan de door de klager ingediende prijs. De Commissie heeft het bij de klacht ingediende bewijsmateriaal inzake de uitvoerprijs derhalve ten onrechte aanvaard. |
|
(10) |
In de klachtenfase volstaat het om dumping- en prijsonderbiedingsmarges te vermelden op basis van de informatie waarover de klager redelijkerwijs beschikt en voor het product als geheel. Het feit dat het onderzochte product volgens LG Chem niet homogeen is, betekent niet dat de door de klagers gemaakte vergelijking ondeugdelijk is met het oog op de inleiding van de procedure. Het is aan de Commissie om in haar onderzoek na te gaan of een verzoek om een uitvoeriger analyse gerechtvaardigd is. |
|
(11) |
De Commissie merkte ten aanzien van de in de klacht gebruikte uitvoerprijs op dat hogere prijzen waar LG Chem op wijst in document 8 van de klacht in feite de totale uitvoer onder GS-code 3906 90 90 omvatten, met inbegrip van andere producten dan het betrokken product, terwijl de voor de schatting van de dumping in punt 46 van de klacht gebruikte uitvoerprijzen alleen het betrokken product omvatten, dat eruit werd gefilterd met behulp van een aanvullend extractieverzoek in het systeem van de Koreaanse dienst voor handelsstatistieken (4). |
|
(12) |
De Commissie wees het argument van LG Chem dan ook af. |
1.2.3. Handelsstadium
|
(13) |
LG Chem stelde ook dat de klager de uitvoerprijs niet heeft gecorrigeerd voor verschillen in handelsstadium, aangezien haar uitvoer naar de markt van de Unie doorgaans verloopt via een verbonden onderneming. Bijgevolg was zowel de dumping- als de prijsonderbiedingsmarge in de klacht kunstmatig opgedreven. |
|
(14) |
De Commissie herinnert eraan dat de klager alleen de vervoerskosten in mindering heeft gebracht op de uitvoerprijzen. Dit is zonder meer een voorzichtige benadering, aangezien een correctie van de uitvoerprijzen krachtens artikel 2, lid 9, of een bijkomende aftrek van de verkoopcommissies van verbonden handelaren die betrokken zijn bij de invoer van de goederen, de uitvoerprijs alleen maar zou verlagen en de dumpingmarge zou verhogen. Bovendien blijkt uit de niet-vertrouwelijke versie van de klacht dat ook zonder aftrek van de vervoerskosten nog sprake zou zijn van aanzienlijke dumping. Wat betreft de prijsonderbiedingsmarge die te hoog zou zijn oordeelde de Commissie dat een uitvoerprijs op basis van de invoerstatistieken bewijsmateriaal is waar de klagers bij de inleiding van de procedure redelijkerwijs over konden beschikken om prijsonderbieding aan te tonen. Bovendien zijn er twee andere producenten-exporteurs in de Republiek Korea die rechtstreeks op de markt van de Unie verkopen en verkoopt LG Chem zelf ook rechtstreeks een deel van haar uitvoer. LG Chem heeft in ieder geval niet aangetoond dat de keuze voor een andere uitvoerprijs zou leiden tot een aanzienlijke verlaging van de in de klacht vermelde prijsonderbieding van [10 % tot 30 %]. |
|
(15) |
Dit argument werd derhalve afgewezen. |
1.2.4. De openbare versie van de klacht biedt geen inzicht in de informatie over prijsonderbieding
|
(16) |
LG Chem bracht naar voren dat het bewijsmateriaal in de openbare versie van de klacht waarmee de neerwaartse druk van de invoer uit Zuid-Korea op de prijzen wordt aangetoond, d.w.z. de marktonderzoeksrapporten, geen goed inzicht in de informatie over prijsonderbieding bood. |
|
(17) |
Ten eerste wees de Commissie erop dat de niet-vertrouwelijke versie van de klacht bedoeld is om een bruikbare samenvatting te geven van de informatie in de vertrouwelijke versie. Wanneer wordt onderzocht of de samenvatting bruikbaar is, moet rekening worden gehouden met alle informatie die in de niet-vertrouwelijke versie is opgenomen over een bepaald onderwerp. De Commissie merkte ten aanzien van de beweringen inzake prijsonderbieding en prijsbederf door Koreaanse exporteurs op dat in punt 5.3 van de niet-vertrouwelijke versie van de klacht een uitgebreide samenvatting wordt gegeven van de prijsvergelijkingen die ten grondslag liggen aan die beweringen, ondersteund door bruikbare samenvattingen van de belangrijkste informatie in de documenten 5-1 tot en met 5-3-3 bij de klacht. De Commissie was van mening dat de beschrijving in de hoofdtekst van de klacht en de in de genoemde bijlagen samengevatte gegevens voldoende inzicht verschaffen in de beweringen inzake prijsdruk. De marktrapporten worden in de klacht aangehaald om de juistheid van de beweringen te bevestigen. Bovendien was de Commissie van mening dat de marktonderzoeksrapporten over in Europa ingevoerd SAP een uitvoerige analyse bevatten van de potentiële strategieën van de marktdeelnemers. Het louter delen van een samenvatting van de inhoud zou al nadelige gevolgen hebben voor de dienstverlener die de vertrouwelijke informatie heeft verzameld. |
|
(18) |
Er zij op gewezen dat artikel 19 van de basisverordening en artikel 6, lid 5, van de WTO-antidumpingovereenkomst (5) de bescherming toestaan van vertrouwelijke informatie in omstandigheden waarin de bekendmaking ervan een concurrent aanzienlijke mededingingsvoordelen zou geven of degene die de informatie heeft verstrekt of degene van wie degene die de informatie heeft verstrekt de informatie heeft verkregen, ernstig zou benadelen. |
|
(19) |
De informatie die in de vertrouwelijke versie van de klacht is verstrekt, valt binnen deze categorieën. Bovendien heeft de klager de inhoud van de vertrouwelijke onderdelen van de klacht op toereikende wijze samengevat. |
|
(20) |
Derhalve werd dit argument afgewezen. |
1.2.5. Agressieve prijsstelling van Aziatische invoer in het Verre Oosten in 2019
|
(21) |
LG Chem heeft ten aanzien van de neerwaartse druk op de prijzen in 2019 opmerkingen gemaakt over document 5-3-1-C bij de klacht, waarin in vage termen wordt verwezen naar “agressieve prijs van Aziatische invoer uit het Verre Oosten”. LG Chem voerde aan dat de formulering evengoed zou kunnen slaan op invoer uit Japan of de VRC. |
|
(22) |
De Commissie is het ermee eens dat de formulering “invoer uit het Verre Oosten” niet uitsluitend betrekking heeft op invoer uit de Republiek Korea. De formulering heeft evenwel duidelijk ook betrekking op invoer uit Zuid-Korea. Hoewel dat document op zich niet specifiek betrekking heeft op prijsdruk vanuit de Republiek Korea, dient het ter ondersteuning van het andere bewijsmateriaal dat is verstrekt in verband met de invoer uit de Republiek Korea. |
|
(23) |
Daarom werd het argument dat dat bewijsmateriaal de klacht niet ondersteunde, verworpen. |
1.2.6. Ongerechtvaardigde nagestreefde winst in de klacht
|
(24) |
Ten aanzien van het prijsbederf bracht LG Chem naar voren dat de in de klacht gebruikte nagestreefde winst van 10 % niet onderbouwd is. |
|
(25) |
In de eerste plaats bracht de Commissie in herinnering dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte waaruit bleek dat de prijs van de invoer uit de Republiek Korea de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onderbood, met [10 % tot 30 %]. Dit is op zich al voldoende bewijs voor het effect van de invoer met dumping op de prijzen in de Unie. Dit blijkt duidelijk uit artikel 3, lid 3, van de basisverordening, waarin prijsonderbieding en neerwaartse druk op de prijzen worden genoemd als mogelijke alternatieve effecten van de invoer met dumping op de prijzen in de Unie. De bewering in de klacht dat de prijzen met [30 % tot 60 %] werden gedrukt, was bijgevolg niet nodig om in voldoende mate te bewijzen dat de prijzen van de invoer van SAP uit de Republiek Korea schade veroorzaken. De Commissie is bij haar onderzoek naar prijsbederf in geen geval gebonden aan de door de klager gekozen nagestreefde winst. In artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening is bepaald dat de nagestreefde winstmarge niet lager is dan 6 %. Zelfs indien de nagestreefde winst wordt gecorrigeerd tot 6 % levert de berekening van de klager nog steeds een hoge prijsbederfmarge op. Het doet derhalve niet ter zake dat de klager de gekozen nagestreefde winst van 10 % niet heeft onderbouwd. |
|
(26) |
De Commissie heeft het argument dat de klacht een gebrek vertoonde wegens niet-onderbouwing van de gekozen nagestreefde winst, dan ook afgewezen. |
1.2.7. In de klacht opgenomen investeringsgegevens mogen niet vertrouwelijk worden behandeld
|
(27) |
LG Chem voerde aan dat de klagers geen reden hebben om de in de klacht vermelde investeringen vertrouwelijk te behandelen. |
|
(28) |
Zoals reeds opgemerkt in overweging 18 staan artikel 19 van de basisverordening en artikel 6, lid 5, van de WTO-antidumpingovereenkomst de bescherming toe van vertrouwelijke informatie in omstandigheden waarin de bekendmaking ervan een concurrent aanzienlijke mededingingsvoordelen zou geven. |
|
(29) |
De informatie die in de vertrouwelijke versie van de klacht is verstrekt, valt binnen deze categorie. Bovendien geeft de klager in de openbare versie met een bandbreedte aan hoe de investeringsindex zich in het OT heeft ontwikkeld ten opzichte van 2017. Daaruit blijkt dat de investeringen in de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn gedaald, en dat volstaat voor het begrip van die schade-indicator. De desbetreffende ontwikkelingen worden weergegeven in tabel 10. |
|
(30) |
De Commissie heeft het argument dat uitvoerige investeringsgegevens moesten worden opgenomen in de openbare versie van de klacht, dan ook afgewezen. |
1.2.8. Bewijsmateriaal voor het oorzakelijk verband met de invoer uit Zuid-Korea
|
(31) |
LG Chem voerde aan dat in de klacht niet wordt aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de beweerde invoer met dumping uit de Republiek Korea en de schade voor de bedrijfstak van de Unie, hetgeen in strijd is met artikel 3, lid 6, van de basisverordening. Volgens LG Chem beweerde de bedrijfstak van de Unie enkel dat “de invoer met dumping uit Korea de verkoopprijzen in de EU onder druk zette (…) waardoor de SAP-bedrijfstak in de EU gedwongen werd de prijzen te verlagen, met enorme verliezen als gevolg”. |
|
(32) |
In tegenstelling tot wat LG Chem beweert, heeft de klager voldoende bewijsmateriaal verstrekt om een oorzakelijk verband tussen de invoer uit het betrokken land en de schade aan te tonen. De analyse van de schade-indicatoren door de klager laat zien dat de stijging van de laaggeprijsde invoer uit Zuid-Korea samenviel met de achteruitgang van de prestaties van de bedrijfstak van de Unie, en bijgevolg dat de Zuid-Koreaanse invoer op de markt van de Unie een neerwaartse druk op de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie uitoefende. |
|
(33) |
Derhalve werd dit argument afgewezen. |
1.3. Registratie van de invoer, niet-instelling van voorlopige maatregelen en vervolg van de procedure
|
(34) |
Op 17 september 2021 stelde de Commissie overeenkomstig artikel 19 bis, lid 2, van de basisverordening de lidstaten en alle belanghebbenden in kennis van haar voornemen geen voorlopige rechten in te stellen op de invoer van superabsorberende polymeren van oorsprong uit de Republiek Korea en het onderzoek voort te zetten. |
|
(35) |
Aangezien geen voorlopige antidumpingmaatregelen werden ingesteld, heeft de Commissie de invoer niet geregistreerd overeenkomstig artikel 14, lid 5 bis, van de basisverordening. De Commissie heeft vervolgens alle gegevens verzameld en gecontroleerd die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. |
|
(36) |
Nadat de Commissie had aangegeven niet voornemens te zijn voorlopige maatregelen in te stellen, hebben hoorzittingen plaatsgevonden met de twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie — BASF Antwerpen NV (“BASF”) en Nippon Shokubai Europe NV (BE) (“Nippon Shokubai Europe” of “NSE”), een bekende producent in de Unie — Evonik Operations GmbH (“Evonik”), en de producent-exporteur LG Chem, waarbij deze partijen opmerkingen maakten over het niet-instellen van voorlopige maatregelen. De partijen hebben hun presentaties en na de hoorzittingen gemaakte aanvullende opmerkingen toegevoegd aan het dossier. |
1.4. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(37) |
Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (“het onderzoektijdvak” of “OT”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2017 tot het eind van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
1.5. Belanghebbenden
|
(38) |
In het bericht van inleiding werden de belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de klager, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs alsmede de autoriteiten van de Republiek Korea en de haar bekende betrokken importeurs, handelaren en gebruikers alsook de haar bekende verenigingen specifiek op de hoogte gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken. |
|
(39) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. Er hebben hoorzittingen plaatsgevonden met één in de steekproef opgenomen producent in de Unie (BASF), een bekende producent in de Unie (Evonik), de medewerkende producent-exporteur LG Chem, en twee bekende gebruikers in de Unie — Procter & Gamble International Operations SA (“P&G”) en FATER SpA (“Fater”). |
1.6. Steekproeven
|
(40) |
In het bericht van inleiding deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening. |
1.6.1. Steekproef van producenten in de Unie
|
(41) |
In haar bericht van inleiding heeft de Commissie verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie had de steekproef samengesteld op basis van het productie- en verkoopvolume van het soortgelijke product en van de geografische locatie. Die steekproef bestond uit twee producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren goed voor meer dan 50 % van de geschatte productie en verkoop in de Unie in het onderzoektijdvak, leverden een goede geografische spreiding op en werden representatief geacht voor de bedrijfstak van de Unie. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Zij heeft geen opmerkingen ontvangen, en de steekproef is derhalve bevestigd. |
1.6.2. Steekproef van importeurs
|
(42) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie niet-verbonden importeurs de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken. |
|
(43) |
Een niet-verbonden importeur heeft de gevraagde informatie verstrekt. Gezien het geringe aantal reacties heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was en heeft zij de medewerkende importeur verzocht antwoorden op de vragenlijst in te sturen. |
1.6.3. Steekproef van producenten-exporteurs in de Republiek Korea
|
(44) |
Om te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in de Republiek Korea verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de Missie van de Republiek Korea bij de Europese Unie verzocht om, in voorkomend geval, andere producenten-exporteurs die zouden willen meewerken aan het onderzoek te identificeren en/of contact met hen op te nemen. |
|
(45) |
Een producent-exporteur uit het betrokken land heeft de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen, en bijgevolg werd een steekproef niet nodig geacht. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken
|
(46) |
De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de medewerkende producent-exporteur, de medewerkende niet-verbonden importeur en de twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Dezelfde vragenlijsten waren op de dag van de opening van het onderzoek ook online beschikbaar gesteld (6). |
|
(47) |
De Commissie heeft antwoorden op de vragenlijst ontvangen van de twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, een niet in de steekproef opgenomen producent in de Unie (macrovragenlijst), twee gebruikers en de medewerkende producent-exporteur. De enige niet-verbonden importeur die een antwoord heeft gegeven met betrekking tot de steekproef, heeft geen antwoorden op de vragenlijst ingediend. |
|
(48) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, de schade als gevolg hiervan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Wegens de uitbraak van de COVID-19-pandemie en de maatregelen die daarop werden genomen om de uitbraak het hoofd te bieden (“de COVID-19-mededeling”) (7) kon de Commissie geen controles ter plaatse uitvoeren bij de medewerkende en de in de steekproef opgenomen ondernemingen op grond van artikel 16 van de basisverordening. In plaats daarvan heeft de Commissie via videoconferenties kruislingse controles op afstand verricht van de door de volgende ondernemingen verstrekte informatie: |
Producenten in de Unie
|
— |
BASF Antwerpen N.V. (BE) |
|
— |
Nippon Shokubai Europe NV (BE) |
Gebruikers
|
— |
Onderneming B, waarvan de identiteit in het kader van het onderzoek vertrouwelijk zal blijven (8). |
Verbonden importeurs en handelaren
|
— |
LG Chem Europe GmbH (“LG Chem Europe”) |
Producenten-exporteurs in de Republiek Korea
|
— |
LG Chem, Ltd. |
1.8. Definitieve mededeling van feiten en overwegingen
|
(49) |
Op 24 januari 2022 heeft de Commissie alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op superabsorberende polymeren van oorsprong uit de Republiek Korea (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Daarnaast heeft de Commissie op 4 februari 2022 en 21 februari 2022 twee aanvullende definitieve mededelingen gestuurd. Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken over deze mededeling van de definitieve bevindingen en over de aanvullende definitieve mededelingen. De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van de producent-exporteur LG Chem, van de bedrijfstak van de Unie en van verschillende gebruikers. |
|
(50) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen werden de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord overeenkomstig punt 5.7 van het bericht van inleiding. Er vonden hoorzittingen plaats met LG Chem, met de Coalition for an Open and Competitive EU SAP Market (coalitie voor een open en concurrerende SAP-markt in de EU), en met Evonik. |
|
(51) |
Na het tweede aanvullende informatiedocument beoogde LG Chem dat de toekenning van een termijn van slechts één dag om opmerkingen te maken over wezenlijke wijzigingen in de bevindingen van de Commissie, een schending vormt van de recht van verdediging van LG Chem, temeer omdat de bron van de fout niet bekend was gemaakt. |
|
(52) |
De Commissie merkte op dat LG Chem niet heeft verzocht om een verlenging van de termijn voor het indienen van opmerkingen over het tweede aanvullende informatiedocument. Daarnaast werden aan LG Chem na het verstrijken van de oorspronkelijke termijn voor het indienen van opmerkingen twee hoorzittingen toegekend, waarin zij haar opmerkingen over de tweede aanvullende informatiedocument kon indienen. Tijdens de hoorzitting met de raadadviseur-auditeur na de tweede mededeling van de antidumpingrechten heeft de Commissie erop gewezen dat LG Chem in haar antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen opmerkingen heeft gemaakt over een discrepantie van de gegevens die zijn verstrekt in de klacht en in de mededeling van de definitieve bevindingen alsmede haar eigen marktonderzoek in haar antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen. De Commissie heeft de opmerkingen van LG Chem zorgvuldig geanalyseerd en de administratieve fout van niet-opneming van de gegevens van één onderneming in de macrogegevens hersteld, en is overgegaan tot de tweede aanvullende informatiedocument. |
|
(53) |
LG Chem voerde ook aan dat de openbaarmaking van de aanvullende gegevens heeft geleid tot een aanzienlijke wijziging ten opzichte van de eerder bekendgemaakte macrogegevens, aangezien niet alleen de waarden aanzienlijk zijn gewijzigd, maar ook de tendensen voor alle indicatoren een verbetering lieten zien. Voorts betoogde LG Chem dat zij als gevolg van het gebruik van bandbreedtes — doordat gegevens over één onderneming in het tweede aanvullende informatiedocument werden toegevoegd — geen redelijk inzicht kon krijgen in de herziene macro-economische indicatoren. |
|
(54) |
In het tweede aanvullende informatiedocument zijn de bekendgemaakte macro-gegevens gewijzigd, en veranderden daarom ook de marktaandelen van de bedrijfstak van de Unie en van de invoerende landen. LG Chem had in haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen voorafgaand aan het tweede aanvullende informatiedocument zelf om deze wijziging verzocht. Niet alleen wees LG Chem op de dimensies van de gegevens uit de klacht, maar verstrekte zelfs gegevens uit marktonderzoek, waaruit blijkt dat de waarden vergelijkbaar zijn met de in het tweede aanvullende informatiedocument vermelde bandbreedtes. Daarom is niet aannemelijk dat de gewijzigde gegevens niet reeds in het verweerschrift van LG Chem waren voorzien. |
|
(55) |
In een markt met slechts enkele fabrikanten voegen de extra gegevens van één fabrikant uiteraard een aanzienlijk bedrag toe aan de absolute bedragen, zoals LG Chem in haar eerste opmerkingen reeds had voorzien. De bewering dat dit tot betere tendensen voor alle indicatoren heeft geleid, is echter misleidend. De tendensen die uit alle indicatoren naar voren kwamen, gingen in dezelfde richting als de oorspronkelijk bekendgemaakte indicatoren. De totale productie-index bleef ongewijzigd, met slechts een minimale stijging voor het jaar 2018. De capaciteitsbenuttingsindex, de index van de totale verkoop, de index van de totale werkgelegenheid, de productiviteitsindex en de exportindex lieten dezelfde tendens zien, zij het niet van dezelfde omvang. Anders dan LG Chem beweert, lieten de tendensen geen verbetering zien, maar bleven zij dezelfde schade vertonen, ook al was de omvang van de verandering niet hetzelfde. |
|
(56) |
Bovendien verklaarde LG Chem in haar opmerkingen bij het tweede aanvullende informatiedocument dat de herziene cijfers over marktaandelen in feite het eerdere argument van LG Chem bevestigden dat de invoer uit Korea nooit ten koste van marktaandelen van de bedrijfstak van de Unie is gegaan. Uit dit argument blijkt dat de in het tweede aanvullende informatiedocument vermelde tendensen in het algemeen evenmin tot een wijziging van de beoordeling door LG Chem hebben geleid. Aangezien de analyse en de conclusies van de Commissie niet zijn gewijzigd, bleven alle argumenten die de partijen in antwoord op het algemene informatiedocument hadden aangevoerd, geldig. |
|
(57) |
Tot slot heeft het gebruik van bandbreedtes in de macrogegevens er niet toe geleid dat LG Chem de herziene macro-indicatoren niet kon begrijpen. Deze waren noodzakelijk om de vertrouwelijkheid te handhaven van de precieze verkoop en andere statistieken van de producent in de Unie van wie de statistieken bij de oorspronkelijke mededeling ten onrechte niet in aanmerking waren genomen. Niet alleen gaven de verstrekte indexen een duidelijk beeld van de ontwikkeling van de indicatoren, maar ook werden de bandbreedtes zo nauw vastgesteld dat een redelijk inzicht in de dimensies van elke indicator mogelijk was. De Commissie verwierp daarom het argument dat de korte termijn een schending van de recht van verdediging van LG Chem vormde. |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(58) |
Het betrokken product zijn “superabsorberende polymeren”, bestaande uit onregelmatige, ronde of geagglomereerde korrels, in poedervorm, wit van kleur en niet oplosbaar in water, die ontstaan bij de polymerisatie van monomeren met dwarsverbindingen waarbij verknoopte polymeernetwerken worden gevormd, met een groot vermogen om water en waterige vloeistoffen te absorberen en vast te houden, van oorsprong uit de Republiek Korea, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 3906 90 90 (Taric-code 3906909017) (“het betrokken product”). De GN-code en de Taric-code worden slechts ter informatie vermeld. |
|
(59) |
SAP worden vanwege hun uitzonderlijke absorptievermogen hoofdzakelijk gebruikt in sanitaire producten voor eenmalig gebruik, zoals babyluiers en incontinentieluiers voor volwassenen, alsook in andere hygiënetoepassingen, zoals artikelen voor de vrouwelijke hygiëne en zoogcompressen. SAP kunnen ook worden toegepast in de levensmiddelenindustrie, bijvoorbeeld als middel om producten te koelen of vers te houden, en in huishoudelijke producten, zoals verwarmingselementen voor eenmalig gebruik of omgevingsgeuren. Voorts kunnen SAP in de landbouw worden gebruikt voor waterretentie. Het gebruik van SAP in sanitaire producten voor eenmalig gebruik is echter veruit de voornaamste toepassing. |
2.2. Soortgelijk product
|
(60) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(61) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.3. Argumenten betreffende de productomschrijving
|
(62) |
Op basis van het bewijsmateriaal in de klacht heeft de Commissie het onderzochte product oorspronkelijk omschreven overeenkomstig de door de bedrijfstak van de Unie gegeven beschrijving en heeft zij een enkel productcontrolenummer (PCN) vermeld in de modelvragenlijsten. |
|
(63) |
Op 8 maart 2021 heeft de medewerkende producent-exporteur, LG Chem, opmerkingen ingediend waarbij zij aanvoerde dat SAP niet als een homogeen product konden worden beschouwd, aangezien verschillen in de fysische, technische en chemische kenmerken van invloed zijn op de gebruiksdoeleinden en de onderlinge uitwisselbaarheid, alsook op de productieprocessen en -kosten en verkoopprijzen van het onderzochte product. De coalitie van gebruikers maakte dezelfde opmerkingen met betrekking tot de gebruiksdoeleinden, de onderlinge uitwisselbaarheid, het productieproces en de distributiekanalen van het product. Om die argumenten te onderzoeken besloot de Commissie bijgewerkte informatie op een gedetailleerder PCN-niveau op te vragen bij de producent-exporteur en de producenten in de Unie (zie punt 2.3.5). |
2.3.1. Verzoek om uitsluiting van spec-in-producten
|
(64) |
Ten eerste verzocht LG Chem de zogeheten “spec-in”-producten van het onderzoek uit te sluiten, d.w.z. SAP-producten die specifiek worden afgestemd op de eisen en behoeften van afnemers, en voerde daarbij aan dat dergelijke productsoorten vanwege hun fysische, technische en chemische kenmerken niet onderling uitwisselbaar zijn met andere SAP-producten. |
|
(65) |
LG Chem voerde soortgelijke argumenten aan voor in samenwerking ontwikkelde SAP-producten, oftewel producten die gezamenlijk door LG Chem en een bepaalde afnemer zijn ontwikkeld om te voldoen aan de specifieke eisen van die afnemer. Bovenop de reeds genoemde kenmerken van spec-in-producten vertonen in samenwerking ontwikkelde producten nog meer verschillen, wat betreft distributiekanalen, productieproces en -kosten. Daarom heeft LG Chem verzocht om in samenwerking ontwikkelde SAP-producten buiten beschouwing te laten in het onderzoek. |
|
(66) |
LG Chem heeft ook verzocht specifieke distributiekanalen voor langetermijnaankopen en algemene toewijzingscontracten uit te sluiten van de omschrijving van het betrokken product, aangezien zij niet concurreren op de markt van de Unie. |
|
(67) |
LG Chem heeft echter niet aangevoerd dat spec-in-producten en in samenwerking ontwikkelde producten alleen door LG Chem kunnen worden geproduceerd en dat er geen concurrentie bestaat tussen verschillende leveranciers. Spec-in-producten en in samenwerking ontwikkelde producten worden daarentegen op verzoek van specifieke afnemers ook vervaardigd door producenten in de Unie (zie overwegingen 64 en 65). Bovendien concludeerde de Commissie dat ook de gebruikers van spec-in-SAP of in samenwerking ontwikkelde SAP een strategie met meerdere leveranciers toepassen met het oog op een stabiele bevoorrading, die verschillende leveranciers en productielocaties omvat, waaronder leveranciers in de Unie. Voorts heeft LG Chem niet verzocht om spec-in-producten of in samenwerking ontwikkelde producten te vermelden bij de kenmerken op PCN-niveau teneinde rekening te houden met de beweerde verschillen in productiekosten of prijzen. Bovendien heeft de Commissie geen bewijs voor dergelijke verschillen gevonden. |
|
(68) |
De Commissie heeft het verzoek om uitsluiting van “spec-in”-producten of in samenwerking ontwikkelde dan ook afgewezen. |
2.3.2. Verzoek om uitsluiting van geurbestrijdende SAP
|
(69) |
In de tweede plaats heeft LG Chem verzocht om de geurbestrijdende SAP-producten buiten beschouwing te laten in het onderzoek omdat zij qua technische en chemische kenmerken, productieproces, bijbehorende kosten en eindgebruik verschillen van de andere SAP-producten. Zij verklaarde dat de geurbestrijdende functie wordt verkregen door extra grondstoffen toe te voegen met een bepaalde chemische samenstelling, waardoor de prijs voor de eindafnemers hoger uitvalt. Op grond hiervan stelde de onderneming dat geurbestrijdingsproducten niet onderling uitwisselbaar zijn met andere SAP-producten. LG Chem merkte voorts op dat zij slechts in zeer beperkte mate geurbestrijdingsproducten uitvoert en dat de invoer van Zuid-Koreaanse geurbestrijdingsproducten dus geen schade kan hebben berokkend aan de producenten van geurbestrijdende SAP in de Unie. |
|
(70) |
De Commissie heeft verschillende leveringscontracten voor SAP ingezien waarin de afnemer kon kiezen tussen geurbestrijdende SAP en niet-geurbestrijdende SAP met dezelfde prijs. Hieruit blijkt dat beide soorten SAP rechtstreeks met elkaar concurreren, ondanks hun technische en chemische verschillen. |
|
(71) |
De Commissie heeft het verzoek om uitsluiting derhalve afgewezen. Evenwel heeft de Commissie, zoals aangegeven in punt 2.3.5, geurbestrijding opgenomen bij de kenmerken op PCN-niveau teneinde rekening te houden met mogelijke prijsverschillen als gevolg van de toevoeging van geurbestrijdingsmiddelen. |
2.3.3. Verzoek om uitsluiting van biologische SAP
|
(72) |
Ten derde heeft LG Chem verzocht om biologische SAP-producten (“bio-SAP”) uit te sluiten van het onderzoek, aangezien die chemisch verschillen van niet-biologische SAP-producten doordat biodiesel wordt gebruikt als grondstof in plaats van ruwe olie. LG Chem verklaarde voorts dat bio-SAP volgens een ander proces wordt geproduceerd en andere kosten met zich meebrengt dan niet-biologische SAP-producten, waardoor de prijs voor de eindafnemers hoger is. Op grond hiervan stelde de onderneming dat bio-SAP niet onderling uitwisselbaar is met andere SAP-producten. LG Chem merkte ook op dat Zuid-Koreaanse producenten geen biologische SAP-producten leveren aan de markt van de Unie en dat de invoer van Zuid-Koreaanse bio-SAP bijgevolg geen schade kan hebben berokkend aan de bedrijfstak van de Unie. LG Chem herhaalde deze opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(73) |
De klacht heeft zowel betrekking op biologische als niet-biologische SAP, aangezien de bedrijfstak van de Unie beide soorten maakt. Bovendien worden er vele soorten SAP geproduceerd die verschillen qua vorm en kenmerken. LG Chem heeft onvoldoende onderbouwd dat bio-SAP een afzonderlijke markt bedienen en niet concurreren met uit ruwe olie geproduceerde SAP. De Commissie heeft het verzoek om uitsluiting derhalve afgewezen. |
2.3.4. Verzoek om uitsluiting van industriële SAP
|
(74) |
Ten vierde verzocht LG Chem om de uitsluiting van industriële SAP-producten van het onderzoek en voerde daarbij aan dat SAP voor niet-hygiënische gebruiksdoeleinden niet mag worden gelijkgesteld aan SAP voor hygiënische doeleinden. De onderneming legde uit dat de twee categorieën andere fysische, chemische en technische kenmerken hebben aangezien SAP-producten voor industrieel gebruik gewoonlijk uit kleinere deeltjes bestaan. Op grond hiervan stelde de onderneming dat SAP voor hygiënische doeleinden niet onderling uitwisselbaar was met SAP voor industrieel gebruik. LG Chem merkte voorts op dat de invoer van industriële SAP-producten uit Zuid-Korea een nichemarkt is die ongeveer 1 % tot 3 % van de totale SAP-markt in de Unie vertegenwoordigt, en dat deze invoer de bedrijfstak van de Unie bijgevolg geen schade kan hebben berokkend. |
|
(75) |
De klacht heeft zowel betrekking op SAP voor hygiënisch als SAP voor industrieel gebruik, aangezien de bedrijfstak van de Unie beide soorten maakt. Hoewel de gebruiksdoeleinden verschillen, vertonen het productieproces en de algemene chemische en technische kenmerken veel overeenkomsten. Het is evenmin noodzakelijk dat alle productsoorten binnen een onderzoek direct met elkaar concurreren. Uit punt 2.3.5 blijkt dat de Commissie gehoor heeft gegeven aan het verzoek om onderscheid te maken tussen hygiënisch en industrieel gebruik door deze categorieën op te nemen in het PCN. |
2.3.5. Voorstellen voor uitsplitsing van het PCN
|
(76) |
LG Chem heeft op 12 maart 2021 opmerkingen ingediend, waarbij zij opnieuw aanvoerde dat het betrokken product niet homogeen was en zich verzette tegen de verklaring van de klager dat SAP worden gekenmerkt door hun functionele eigenschappen en niet door hun chemische samenstelling. In dit verband beklemtoonde LG Chem dat het gebruik van één PCN geen billijke vergelijking tussen verschillende soorten SAP-producten mogelijk zou maken, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, en stelde een uitsplitsing van de PCN’s voor. Daarin maakte zij een onderscheid tussen de SAP-producten op basis van de in het productieproces gebruikte grondstoffen, de vorm, het gemiddelde centrifugale retentievermogen (centrifugal retention capacity, “CRC”), additieven en extra functionaliteiten — waaronder schuimproducten, antiklontermiddelen, antiverkleuringsmiddelen en geurbestrijdingsmiddelen — en gebruiksdoeleinden. |
|
(77) |
Op 19 maart 2021 hebben de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, BASF en Nippon Shokubai Europe, opmerkingen ingediend in reactie op de opmerkingen van LG Chem. Ten eerste merkten zij op dat LG Chem haar opmerkingen over de productomschrijving na de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn had ingediend en dat deze derhalve buiten beschouwing moesten worden gelaten en moesten worden afgewezen. |
|
(78) |
Ten aanzien van de opmerkingen van LG Chem over de PCN-uitsplitsing in overweging 76 voerden de producenten in de Unie aan dat verschillende parameters van SAP inderdaad kunnen variëren al naargelang van de eisen en voorkeuren van afnemers, maar dat geen van die parameters relevanter was dan de andere parameters voor de differentiatie van de SAP-producten. Zij beweerden met name dat verschillen qua vorm, CRC, additieven en extra functionaliteiten niet in de weg stonden aan de vergelijkbaarheid van de producten en niet tot aanzienlijke prijsverschillen leidden, en staafden deze beweringen met bewijzen. |
|
(79) |
De producenten in de Unie waren het erover eens dat bij de differentiatie van SAP-producten op grond van het gebruik een onderscheid moet worden gemaakt tussen SAP voor hygiënische doeleinden en SAP voor niet-hygiënische doeleinden, aangezien het eindgebruik prijsverschillen met zich mee kan brengen. De bedrijfstak van de Unie verzette zich evenwel tegen het door LG Chem voorgestelde onderscheid in het marktsegment van de hygiëneproducten — d.w.z. verzorgingsproducten voor baby’s, voor volwassenen en voor de vrouwelijke hygiëne — en merkte op dat de SAP-producten voor hygiënische doeleinden onderling vergelijkbaar waren. Om deze redenen verzetten BASF en Nippon Shokubai Europe zich tegen de door LG Chem voorgestelde PCN-uitsplitsing en voerden zij aan dat één enkel PCN LG Chem niet zou beletten om een correctie uit hoofde van artikel 2, lid 10, van de basisverordening te vorderen. |
|
(80) |
Samenvattend verzetten de producenten in de Unie zich tegen het verzoek van LG Chem om de producten uit te splitsen zoals beschreven in punt 2.3.1 en stelden zij dat LG Chem had verzuimd wezenlijke verschillen aan te tonen tussen de SAP-producten waarvoor om uitsluiting werd verzocht enerzijds en andere SAP-producten anderzijds in termen van hun technische en fysische kenmerken, gebruiksdoeleinden, de perceptie van afnemers of de onderlinge uitwisselbaarheid. |
|
(81) |
Naar aanleiding van het verzoek om een gedifferentieerd PCN heeft de Commissie besloten meer gegevens te verzamelen met het oog op de analyse van het verzoek. |
|
(82) |
Op basis van het bewijsmateriaal in het dossier heeft de Commissie op 9 april 2021 een mededeling in het dossier gepubliceerd waarin zij alle belanghebbenden verzoekt gegevens in te dienen en opmerkingen te maken over een nieuwe PCN-uitsplitsing waarin rekening wordt gehouden met verschillen tussen SAP-producten in termen van de in het productieproces gebruikte grondstoffen, vorm, CRC, schuimproducten en niet-schuimproducten, antiklontermiddelen, antiverkleuringsmiddelen, geurbestrijdingsmiddelen en gebruiksdoeleinden. |
|
(83) |
De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, BASF en Nippon Shokubai Europe, en de producent in de Unie, Evonik, herhaalden hun argumenten tegen een PCN-uitsplitsing, die volgens hen willekeurig en selectief was en louter bedoeld was om het individuele belang van LG Chem in het onderzoek te ondersteunen. |
|
(84) |
Anderzijds waren twee gebruikers, FATER en P&G, ingenomen met het besluit om een nieuwe PCN-uitsplitsing vast te stellen. Beide gebruikers verzochten voorts om de toevoeging van nog een onderscheidend criterium: “T20 — dynamische absorptiesnelheid” in seconden, d.w.z. de snelheid waarmee het SAP onder druk vloeistoffen absorberen. De twee gebruikers lichtten in hun opmerkingen toe dat de T20-methode in het afgelopen decennium door P&G was ontwikkeld en aanzienlijk was verbeterd en momenteel door zowel P&G als FATER werd gebruikt in producten van de 8e generatie SAP, die waarschijnlijk in 2022 zouden worden opgevolgd door producten van de 9e generatie SAP. Daarom achtten de twee gebruikers de invoering van dit criterium van essentieel belang om deze producten en de prijzen ervan zo goed mogelijk te kunnen vergelijken met andere SAP-producten. |
|
(85) |
De Commissie was van oordeel dat de absorptiesnelheid een algemeen kenmerk is dat per SAP-soort verschilt. Wanneer een onderscheid zou worden gemaakt tussen alle soorten SAP, zou het evenwel onmogelijk zijn de prijzen te vergelijken. De Commissie heeft het verzoek om dit criterium in haar analyse op te nemen derhalve afgewezen. |
|
(86) |
Op 22 april 2021 heeft de Commissie, nadat zij alle opmerkingen van de belanghebbenden in overweging had genomen en uitgaande van het bewijsmateriaal in het dossier, besloten de in de mededeling in het dossier van 9 april 2021 voorgestelde PCN-uitsplitsing te wijzigen. Bij de definitieve PCN-uitsplitsing heeft zij rekening gehouden met verschillen tussen SAP-producten wat betreft de in het productieproces gebruikte grondstoffen, de vorm, de CRC, de geurbestrijding en de gebruiksdoeleinden, en bijgevolg werden de verschillen in verband met schuim- en niet-schuimproducten, antiklontering en antikleuring buiten beschouwing gelaten. De Commissie heeft de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de producent-exporteur verzocht de antwoorden op de vragenlijst die betrekking hadden op het productcontrolenummer, opnieuw in te dienen uitgaande van de definitieve PCN-uitsplitsing. |
|
(87) |
Na het besluit over de definitieve PCN-uitsplitsing heeft LG Chem op 27 mei 2021 aangevoerd dat de opmerkingen van belanghebbenden waarmee de wijziging van de definitieve PCN-uitsplitsing werd gerechtvaardigd, niet tijdig aan het niet-vertrouwelijke onderzoeksdossier waren toegevoegd, hetgeen in strijd is met artikel 6, lid 7, van de basisverordening. |
|
(88) |
De Commissie heeft LG Chem meer tijd gegeven om opmerkingen over die opmerkingen in te dienen. |
|
(89) |
LG Chem stelde voorts dat de gegevens van andere partijen in reactie op het gedetailleerde PCN geen redelijk begrip van de vertrouwelijk ingediende informatie mogelijk maakten. |
|
(90) |
De Commissie beschouwde de gegevens waarnaar LG Chem verwees als zeer vertrouwelijk, aangezien concurrenten met behulp van die gegevens inzicht konden krijgen in de bedrijfsstrategieën van de bedrijfstak van de Unie. De Commissie was van mening dat de niet-vertrouwelijke samenvattingen representatief waren voor de vertrouwelijk verstrekte gegevens en de andere belanghebbenden in staat stelden hun recht van verdediging naar behoren uit te oefenen. Het argument werd daarom afgewezen. |
2.3.6. Verzoek om uitsluiting van producten van de 8e en de 9e generatie SAP
|
(91) |
Twee gebruikers, FATER en P&G, hebben na de bekendmaking van de definitieve PCN-uitsplitsing verzocht om uitsluiting van de 8e en de 9e generatie SAP, omdat deze productsoorten vanwege bepaalde fysische, technische en chemische kenmerken niet onderling uitwisselbaar zouden zijn met andere SAP-productsoorten. Zoals beschreven in overweging 84, voerden de gebruikers aan dat de T20-methode een onderscheid maakt tussen producten van de 8e en de 9e generatie SAP enerzijds en alle andere SAP-producten op de markt van de Unie anderzijds. |
|
(92) |
De Commissie heeft de argumenten onderzocht en concludeerde dat alle SAP-producten in zekere mate verschillende technische of chemische kenmerken hadden. Uiteindelijk hebben ze hetzelfde gebruiksdoel en zijn ze onderling uitwisselbaar omdat ze nog steeds onder de definitie van het betrokken product in overweging 58 vallen. Kleine verschillen in de specificaties worden in aanmerking genomen in de aanvullende informatie op PCN-niveau. De T20-methode die voor de 8e en de 9e generatie SAP wordt gebruikt, is daarom geen reden om deze producten uit te sluiten van de productomschrijving van het onderzoek. De argumenten werden derhalve afgewezen. |
|
(93) |
In hun opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden P&G en Fater aan dat de Commissie de absorptiesnelheid onjuist heeft voorgesteld als een “algemeen kenmerk” dat voor alle SAP-producten verschilt. Zij merkten op dat de vijf descriptoren die in de definitieve PCN-uitsplitsing worden gebruikt, bijgevolg ook kunnen worden beschouwd als “algemene kenmerken” die in alle SAP-producten verschillen. P&G en Fater opperden daarom dat het gebruik van het T20-niveau als drempel in de PCN-uitsplitsing de Commissie in staat zou hebben gesteld tot een nauwkeurigere PCN-analyse te komen. |
|
(94) |
Voorts voerden zij aan dat de Commissie niet heeft aangetoond waarom de “T20-methode die voor de 8e en de 9e generatie SAP [werd] gebruikt” niet rechtvaardigde dat zij van de productomschrijving werden uitgesloten. Zij betoogden ook dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de aanvullende factoren die kenmerkend zijn voor de T20-methode, zoals het productieproces en de perceptie van de consument, noch met de verschillen in fysische, technische en chemische eigenschappen, door te concluderen dat alle SAP-producten “hetzelfde eindgebruik [hebben]en uitwisselbaar zijn” en dat “kleine verschillen in de specificaties [...] in aanmerking [worden] genomen in de aanvullende informatie op PCN-niveau”. |
|
(95) |
P&G en Fater beweerden ook dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het bewijsmateriaal dat werd verstrekt ter staving van het feit dat het productieproces voor de 8e en de 9e generatie SAP fundamenteel verschilt van dat van andere soorten SAP. |
|
(96) |
Tot slot voerden P&G en Fater aan dat de uitsluiting van producten van de 8e en de 9e generatie SAP van het toepassingsgebied van dit onderzoek in het belang van de Unie zou zijn, aangezien hierdoor nadelige gevolgen voor de prijzen van de luiers van P&G en Fater voor detailhandelaren zouden worden vermeden en terwijl de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van andere SAP-producten zouden kunnen blijven gelden. |
|
(97) |
Zoals aan de belanghebbenden is meegedeeld, heeft de Commissie geconcludeerd dat de technische verschillen op zich de uitsluiting niet rechtvaardigden (zie overweging 92). P&G en Fater betwistten niet dat de productie van dit soort SAP gebaseerd is op dezelfde grondstoffen als andere SAP en dat het gebruik in hygiëneproducten voor baby’s en volwassenen concurreert met andere SAP die in dezelfde soort producten wordt gebruikt. Bovendien wordt de uitsluiting niet gerechtvaardigd door het enkele feit dat specifieke gebruikers hun productie hebben afgestemd op een SAP met specifieke kenmerken. De Commissie verwierp derhalve het argument dat zij bij haar beoordeling met bepaalde factoren geen rekening had gehouden. Het belang van de Unie wordt verder behandeld in punt 6. |
2.3.7. Verzoek om uitsluiting van een product door Kimberly-Clark
|
(98) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Kimberly-Clark de Commissie verzocht een specifiek type SAP dat in zijn productieproces wordt gebruikt, van de productomschrijving uit te sluiten. |
|
(99) |
De Commissie constateerde dat Kimberly-Clark geen bewijsmateriaal aanvoerde om haar bewering betreffende verschillende technische kenmerken staven. Kimberly-Clark betwistte niet dat de deze specifieke soort SAP gebaseerd is op dezelfde grondstoffen als andere SAP en dat het concurreert met andere SAP die in dezelfde soort producten wordt gebruikt. Bovendien was de Commissie door de indiening van dit verzoek om uitsluiting in een zeer laat stadium van de procedure niet in staat om de bewering te verifiëren dat bepaalde producenten deze soort SAP niet zouden kunnen produceren. De Commissie heeft het verzoek om uitsluiting derhalve afgewezen. |
3. DUMPING
3.1. Normale waarde
|
(100) |
Voor de producenten-exporteurs in de Republiek Korea werd geen steekproef samengesteld. LG Chem was de enige medewerkende producent-exporteur van het betrokken product in de Republiek Korea. |
|
(101) |
Eerst onderzocht de Commissie of de totale hoeveelheden van de binnenlandse verkoop van LG Chem representatief waren in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als de totale hoeveelheid van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van zijn totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product. Op basis hiervan was de totale verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt door LG Chem representatief. |
|
(102) |
Vervolgens is de Commissie nagegaan welke op de binnenlandse markt door LG Chem verkochte productsoorten identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten en waarvan de binnenlandse verkoop representatief was. |
|
(103) |
Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop door LG Chem op de binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een productsoort die naar de Unie wordt uitgevoerd, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van de totale uitvoer van de identieke of vergelijkbare productsoort naar de Unie. |
|
(104) |
De Commissie stelde vast dat LG Chem vier productsoorten niet op de binnenlandse markt verkocht Voor deze productsoorten werd de normale waarde door berekening vastgesteld als uiteengezet in de overwegingen 111 en 112. |
|
(105) |
De verkoop van één productsoort vertegenwoordigde 4,3 % van het totale volume van de uitvoer van LG Chem naar de Unie en lag daarmee net onder de drempel van 5 %. Aangezien de verkoopprijs daarvan in overeenstemming was met de prijzen van vergelijkbare modellen die op de binnenlandse markt werden verkocht, achtte de Commissie deze soort representatief voor de betrokken markt. |
|
(106) |
Verder heeft de Commissie voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak bepaald om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. |
|
(107) |
De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(108) |
In dit geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het OT. |
|
(109) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten tijdens het OT indien:
|
|
(110) |
Uit de analyse van de binnenlandse verkoop bleek dat meer dan 80 % (9) van de totale binnenlandse verkoop van de productsoorten die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten, winstgevend waren en dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs hoger was dan de productiekosten. Dienovereenkomstig werd de normale waarde voor die productsoorten berekend als het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen tijdens het OT. |
|
(111) |
Voor de productsoorten waarvoor het soortgelijke product niet in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt werd verkocht, heeft de Commissie de normale waarde door berekening vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(112) |
Voor de vier productsoorten die in het geheel niet waren verkocht op de binnenlandse markt, werden de gewogen gemiddelde verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en de gewogen gemiddelde winst op alle transacties in het kader van normale handelstransacties op de binnenlandse markt in de normale waarde opgenomen. |
3.2. Uitvoerprijs
|
(113) |
De uitvoer van LG Chem naar de Unie vond rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers of onrechtstreeks via LG Chem Europe, een verbonden importeur in de Unie, plaats. |
|
(114) |
Voor de rechtstreekse verkoop van het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in de Unie was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(115) |
In haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte LG Chem de correctie die de Commissie had toegepast op de correctie voor kredietkosten voor haar rechtstreekse verkoop aan de Unie op basis van de rentevoet van 3 maanden in Korea en op basis van de valuta van de rekeningen van de onderneming (KRW). Volgens haar had de Commissie de LIBOR-rentevoet moeten gebruiken die LG Chem in haar antwoord op de vragenlijst heeft gebruikt, op basis van de factuurvaluta (EUR). |
|
(116) |
LG Chem voerde aan dat de vergoeding een afspiegeling moet zijn van de kosten op basis van de bij de verkoop overeengekomen betalingsvoorwaarden. Volgens haar zijn de overeengekomen betalingsvoorwaarden de valuta waarin de facturen luiden en had de Commissie derhalve de LIBOR-rentetarieven voor kortlopende leningen voor EUR moeten toepassen. |
|
(117) |
De Commissie deelde dit standpunt niet. Zoals ook in de vragenlijst is uiteengezet, heeft “krediet [...] betrekking op de kosten van de tijd die de koper krijgt gegeven om de goederen te betalen, d.w.z. overeengekomen in de betalingsvoorwaarden”. De overeengekomen voorwaarden zijn dus de dagen waarop de koper de factuur betaalt. De rentevoet moet de kosten weerspiegelen die de onderneming zou hebben betaald voor haar eigenkortlopende lening van hetzelfde factuurbedrag. Daarom moet zij worden gebaseerd op de KRW, de functionele valuta van de onderneming. |
|
(118) |
De uitvoerprijs voor verkopen via LG Chem Europe werd overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. In dit geval werden correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst. |
|
(119) |
Ten aanzien van de gebruikte winstmarge stelde LG Chem Europe dat haar eigen winstmarge moest worden gebruikt, aangezien die volgens haar nauwkeurig en redelijk was. |
|
(120) |
De relatie tussen de twee ondernemingen was evenwel volledig bepalend voor de allocatiemethode, aangezien de prijs rechtstreeks door LG Chem werd toegewezen. Derhalve was de verrekenprijs niet een prijs die bij een onderhandeling met een onafhankelijke importeur zou zijn vastgesteld. De Commissie concludeerde dan ook dat de winstmarge van LG Chem Europe niet redelijk was. Krachtens artikel 2, lid 9, van de basisverordening wordt het passend geacht een redelijke winstmarge te gebruiken die losstaat van de werkelijke winst die voortvloeit uit de verrekenprijs, teneinde mogelijke verstorende gevolgen van de verrekenprijs te vermijden, overeenkomstig de vaste rechtspraak van de rechtbanken van de Unie. Daarom werd het argument afgewezen. |
|
(121) |
Aangezien er geen medewerkende niet-verbonden importeur was, besloot de Commissie de winstmarge te gebruiken die werd toegepast in een eerdere procedure met betrekking tot een ander chemisch product dat door een soortgelijke bedrijfstak werd vervaardigd en onder soortgelijke omstandigheden werd ingevoerd, d.w.z. de winstmarge van 6,89 % (10) die in het kader van het onderzoek naar bepaalde soorten polyvinylalcohol was vastgesteld. Volgens de Commissie is die winstmarge de meest objectieve basis die beschikbaar is om tot een bevredigende schatting van een marktconforme uitvoerprijs te komen. |
|
(122) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de onderneming haar argument en diende zij een berekening in om aan te tonen dat de kosten van de aankopen van LG Chem Europe bij LG Chem hoger waren dan de verkoopprijs van identieke PCN’s die rechtstreeks door LG Chem aan niet-verbonden afnemers in de Unie werden verkocht. Dit toont volgens de onderneming dan ook aan dat de winstmarge van LG Chem Europe was gebaseerd op de zakelijke aankoopkosten en derhalve moest worden gebruikt voor de correctie op grond van artikel 2, lid 9. |
|
(123) |
In haar berekening vergeleek LG Chem de prijs van LG Chem Europe (na aftrek van correcties, VAA-kosten en winst zoals vastgesteld in het polyvinylalcohol-onderzoek) met de rechtstreekse verkoop van LG Chem in de EU (na aftrek van correcties), en verstrekte zij dus geen bewijsmateriaal dat het argument weerlegt dat de winsttoerekening volledig het gevolg was van de associatie tussen de twee ondernemingen, zoals vastgesteld tijdens het onderzoek. Bovendien waren de prijzen af fabriek van LG Chem Europe plus de VAA-kosten en de winst die in het PVA-onderzoek werden vastgesteld gemiddeld [5 % – 8 %] hoger dan de prijzen af fabriek van de rechtstreekse verkoop van LG Chem. Volgens de Commissie is deze marge perfect in overeenstemming met de marge die een niet-verbonden importeur in rekening zou brengen. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(124) |
LG Chem betwistte ook het gebruik van de in het polyvinylalcohol-onderzoek vastgestelde winstmarge. De onderneming voerde aan dat die marge in een andere periode dan het huidige onderzoek was vastgesteld en dat er aanzienlijke verschillen waren in de distributie van SAP ten opzichte van polyvinylalcohol. Zij is van mening dat ten eerste de marktconditie voor polyvinylalcohol de winstmarge van importeurs in de chemische sector aanzienlijk heeft verlaagd in vergelijking met het OT van het huidige onderzoek, en dat ten tweede SAP een product is dat door de producent en de klant samen wordt ontwikkeld en dat gewoonlijk via langetermijncontracten wordt verkocht, terwijl polyvinylalcohol een basisproduct is dat op de spotmarkt wordt verkocht. |
|
(125) |
De Commissie acht de in het polyvinylalcohol-onderzoek vastgestelde winstmarge niet ongeschikt. Ten eerste is uit de door belanghebbenden verzamelde informatie gebleken dat de gemiddelde winstmarge van de importeurs in de gespecialiseerde chemische sector in 2020 varieerde van 10 % tot 15 %. Ten tweede is polyvinylalcohol, in tegenstelling tot hetgeen LG Chem beweert, ook een product dat vaak volgens de specificaties van de klanten wordt ontwikkeld en vaak wordt verkocht via langetermijncontracten, zoals bevestigd in het polyvinylalcohol-onderzoek. Ten derde bleek uit de verzamelde gegevens dat de winst van de medewerkende niet-verbonden importeurs in het polyvinylalcohol-onderzoek ook vóór het OT van het polyvinylalcohol-onderzoek in dezelfde orde van grootte bleef. Derhalve werd dit argument afgewezen. |
3.3. Verbintenisaanbod
|
(126) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen diende LG Chem, samen met LG Chem Europe, binnen de in artikel 8, lid 2, van de basisverordening vastgestelde termijn een aanbod voor een prijsverbintenis in. De onderneming bood twee aan indexering onderworpen gemiddelde minimuminvoerprijzen aan. |
|
(127) |
In een reeks bij de Commissie ingediende opmerkingen maakten de klagers en Evonik bezwaar tegen het aanbod van LG Chem om een aantal redenen, zoals het risico voor prijskruiscompensatie en het risico dat de minimuminvoerprijs een referentieprijs op de markt van de Unie zou kunnen worden en daardoor de mededinging zou kunnen beperken. Zij verzochten om afwijzing van het aanbod van LG Chem. |
|
(128) |
Voorts voerden de klagers en Evonik aan dat het feit dat de Republiek Korea bepaalde bepalingen van de IAO-verdragen niet naleeft, de productiekosten van het Koreaanse SAP kan verstoren en uiteindelijk van invloed kan zijn op elke prijsvergelijking tussen de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en de Koreaanse invoerprijzen. Zij verzochten de Commissie om bij dit onderzoek rekening te houden met een dergelijke verstoring, op zijn minst bij het onderzoek van een prijsverbintenis die door de producent-exporteur werd aangeboden. |
|
(129) |
De Commissie was van mening dat zij in het kader van dit onderzoek niet over voldoende bewijsmateriaal beschikte met betrekking tot de niet-naleving van bepaalde bepalingen van de IAO-verdragen om conclusies te trekken met betrekking tot verstoringen van de arbeidskosten. Hoe dan ook moest het aanbod van LG Chem om andere redenen worden afgewezen, zodat een beoordeling in dit verband niet nodig was. |
|
(130) |
Overeenkomstig artikel 8 van basisverordening moeten de aangeboden prijsverbintenissen toereikend zijn om de schadelijke gevolgen van dumping weg te nemen en mag de aanvaarding ervan geen moeilijkheden van praktische aard opleveren. De Commissie heeft het aanbod in het licht van deze criteria beoordeeld en is om de volgende redenen tot de conclusie gekomen dat aanvaarding ervan onpraktisch zou zijn en de schadelijke gevolgen van dumping niet zou wegnemen. |
|
(131) |
Ten eerste zijn de prijzen van het betrokken product en van de grondstoffen waarop de voorgestelde indexering was gebaseerd, volatiel. Gezien deze volatiliteit kan niet worden gegarandeerd dat een minimuminvoerprijs voldoende zal zijn om de schadelijke gevolgen van dumping tijdens de looptijd van de maatregelen weg te nemen. |
|
(132) |
Ten tweede voerde LG Chem tijdens het onderzoektijdvak verschillende productsoorten uit, met een prijsvariatie van [30 % – 40 %]. Een gewogen gemiddelde minimuminvoerprijs per categorie van het betrokken product zou resulteren in een minimuminvoerprijs die lager zou zijn dan de prijs zonder dumping voor sommige SAP-productsoorten, mede rekening houdend met de prijsvolatiliteit zoals hierboven uiteengezet. |
|
(133) |
Ten derde zijn de voorgestelde minimuminvoerprijzen geïndexeerd op basis van de twee belangrijkste grondstoffen voor de prijsformule van SAP, propyleen en bijtende soda. Bij de indexering wordt echter geen rekening gehouden met andere belangrijke factoren zoals energiekosten. |
|
(134) |
Ten vierde kunnen SAP-producttypen en PCN’s niet gemakkelijk van elkaar worden onderscheiden door een fysieke inspectie. Dit houdt een groot risico in dat duurdere productsoorten mogelijk ten onrechte worden aangegeven als goedkopere productsoorten. Dit maakt de verbintenis moeilijk controleerbaar en deze zou dus moeilijkheden van praktische aard opleveren in de zin van artikel 8 van de basisverordening. |
|
(135) |
Ten vijfde heeft LG Chem een mondiale structuur die bestaat uit verschillende verbonden ondernemingen, binnen en buiten de Unie, en verkoopt zij een groot aantal andere chemische producten aan mondiale afnemers in en buiten de Unie. SAP wordt vaak verkocht via mondiale toewijzingscontracten waarbij een klant die op verschillende locaties ter wereld is gevestigd, met LG Chem onderhandelt over volume en prijzen voor al zijn verbonden entiteiten. In deze omstandigheden zou het voor de Commissie onmogelijk zijn om doeltreffend toezicht te houden op deze transacties, aangezien zij buiten de Unie zouden plaatsvinden, waardoor LG Chem gemakkelijk prijzen in de Unie zou kunnen compenseren met prijzen buiten de Unie voor mondiale afnemers. Hierdoor alleen al zou het aanbod moeilijkheden van praktische aard opleveren. |
|
(136) |
De Commissie heeft de indiener van het verzoek een brief gestuurd waarin zij de redenen voor de afwijzing van het verbintenisaanbod uiteenzette. De indiener van het verzoek heeft daarover opmerkingen ingediend. Deze opmerkingen zijn in het dossier ter beschikking gesteld van de belanghebbenden. |
|
(137) |
In haar opmerkingen betwistte LG Chem de redenen die de Commissie had aangevoerd om haar verbintenis af te wijzen. Volgens LG Chem kon het voorgestelde indexeringsmechanisme de prijsvolatiliteit weergeven en ervoor zorgen dat de minimuminvoerprijs de dumpingmarge over de gehele duur van de maatregelen elimineerde. Wat de verschillende productsoorten betreft, voerde LG Chem aan dat de aanzienlijke prijsvariatie van de verschillende productsoorten werd veroorzaakt door één enkel PCN dat in beperkte hoeveelheden werd uitgevoerd, en bood zij aan haar aanbod te herzien op basis van de drie vereenvoudigde PCN’s die voor prijsonderbieding werden gebruikt. Voorts voerde zij aan dat er geen risico van kruiscompensatie tussen de verschillende productsoorten bestond, aangezien de verschillende kenmerken gemakkelijk door de douaneautoriteiten kunnen worden geverifieerd aan de hand van verkoopdocumenten en technische informatiebladen die LG Chem voor elke zending moet opstellen. Tot slot voerde LG Chem aan dat er geen risico van kruiscompensatie bestond via de langetermijn- en mondiale toewijzingscontracten en bood zij aan informatie te verstrekken over verkopen aan mondiale klanten binnen en buiten de EU om het risico te beperken. |
|
(138) |
De Commissie erkende dat de voorgestelde indexering ten minste een deel van de waargenomen prijsvolatiliteit kon weergeven. De voorgestelde minimuminvoerprijzen waren echter slechts gedeeltelijk gebaseerd op de prijsformule voor grondstoffen, terwijl het vaste deel, dat ongeveer 50 % van de prijs van SAP uitmaakt, was vastgesteld. Bovendien zou, ook met betrekking tot de verschillende productsoorten, de prijsvariatie van de overige negen PCN’s nog steeds ongeveer [15 % – 30 %] bedragen, zelfs indien geen rekening werd gehouden met het enkele PCN dat in beperkte hoeveelheden werd uitgevoerd. Wat het risico van kruiscompensatie betreft, zouden volgens de Commissie alleen de verkoopdocumenten het risico van onjuiste aangifte niet uitsluiten, aangezien de douaneautoriteiten zich alleen op deze aangiften zouden kunnen baseren. Ten slotte erkent de Commissie het aanbod van LG Chem om informatie over de verkopen te verstrekken aan mondiale afnemers. Volgens de Commissie zou dit het risico van kruiscompensatie echter niet beperken, aangezien de Commissie niet over de middelen zou beschikken om na te gaan of alle relevante informatie is verstrekt en het uiterst moeilijk zou zijn om de verbintenis van LG Chem na te leven. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(139) |
Voorts voerde LG Chem aan dat de door de Commissie aangevoerde redenen om haar prijsverbintenis af te wijzen niet in overeenstemming waren met de bevindingen van het algemene informatiedocument. De onderneming voerde het volgende aan: i) de Commissie erkende dat de prijs van het betrokken product volatiel was, maar dit strookte volgens haar niet met de bewering dat de Koreaanse invoer de prijzen van de bedrijfstak van de Unie had gedrukt, ii) LG Chem voerde tien verschillende productsoorten uit die konden worden geïdentificeerd aan de hand van factoren zoals de vorm van de productkorrels, de mate van porositeit, de bulkdichtheid en de deeltjesgrootteverdeling, in tegenstelling tot het algemene informatiedocument, waarin de Commissie de berekening van de prijsonderbieding en de schademarge heeft gebaseerd op een vereenvoudigd PCN, waarin alleen wordt gekeken naar de opname van geurbeheersing en het gebruik van het product (hygiënisch tegen industrieel), iii) in het algemene informatiedocument heeft de Commissie de SAP-prijsformule en de kosten van de producenten in de Unie niet aangemerkt als relevante factoren die de bedrijfstak van de Unie schade berokkenen, terwijl zij het aanbod van de verbintenis wel heeft afgewezen, iv) de Commissie heeft rekening gehouden met de relevantie van langetermijn- en globale toewijzingscontracten om het verbintenisaanbod van LG Chem af te wijzen, maar heeft het in het algemene informatiedocument niet in aanmerking genomen, met name wat betreft de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie en de gevolgen van de invoer uit Japan. |
|
(140) |
Deze argumenten moesten worden afgewezen. Ten eerste is het feit dat de prijzen als volatiel werden beschouwd, dat wil zeggen dat de prijzen fluctueren met de grondstofprijzen, reeds door de Commissie geanalyseerd. De gevolgen voor de winstgevendheid en de prijzen van de bedrijfstak van de Unie bleken verwaarloosbaar te zijn, zoals uiteengezet in de overwegingen 283 tot en met 288, aangezien de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de invoer met dumping uit Korea de prijzen niet in dezelfde mate kon verhogen als zijn productiekosten (zie ook overweging 249). In de tweede plaats heeft de Commissie de verschillende kenmerken van SAP onderzocht met betrekking tot het vermogen van douaneambtenaren om de verschillende productsoorten te onderscheiden en de uitvoerbaarheid van de voorgestelde verbintenis. Zoals uiteengezet in overweging 182, was de Commissie echter van mening dat het bij de berekening van de prijsonderbieding gebruikte vereenvoudigde PCN voldoende gedetailleerd was om rekening te houden met de kosten- en prijsinvloed van de belangrijkste kenmerken van SAP. In de derde plaats werden de globale toewijzingscontracten, net als in het vorige punt, relevant geacht omdat zij een bedreiging vormen voor het toezicht op en de afdwingbaarheid van de verbintenis vanwege het risico van kruiscompensatie. Bovendien heeft de Commissie de opmerkingen van LG Chem met betrekking tot het effect van de globale toewijzingscontracten op de gevolgen van de invoer uit Japan, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie en de wereldwijde prijsonderhandelingen geanalyseerd in de punten 5.2.3, 5.2.4 en 5.2.8. |
|
(141) |
Daarom achtte de Commissie de aangeboden verbintenis niet afdwingbaar en dus onuitvoerbaar in de zin van artikel 8 van de basisverordening en wees zij het aanbod derhalve af. |
3.4. Vergelijking
|
(142) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producent-exporteur vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(143) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening de normale waarde en/of de uitvoerprijs gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. De normale waarde werd gecorrigeerd voor vervoers-, verpakkings- en kredietkosten en kosten voor technische bijstand. De uitvoerprijs werd gecorrigeerd voor de kosten van lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, vervoer-, verzekerings- en verpakkingskosten, invoerheffingen en terugbetaling van rechten, kredietkosten, bankkosten en kosten voor technische bijstand, voor zover die redelijk en nauwkeurig werden bevonden en met bewijsmateriaal werden gestaafd. |
|
(144) |
LG Chem heeft om een correctie voor het verschil in handelsstadium verzocht voor de binnenlandse verkoop. De onderneming voerde aan dat niet alleen haar verbonden importeur LG Chem Europe de verkooptaken voor de uitvoer naar de Unie verricht, maar dat ook het verkoopteam op het hoofdkantoor van LG Chem in de Republiek Korea deze taken uitvoert. Aangezien de Commissie de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening heeft gecorrigeerd voor de VAA-kosten van de verbonden importeur, moet zij volgens LG Chem naar analogie ook de verkoopkosten van het verkoopteam in de Republiek Korea voor de binnenlandse verkoop in mindering brengen op de binnenlandse prijs. |
|
(145) |
Dit argument moest worden afgewezen. Ten eerste wordt de correctie uit hoofde van artikel 2, lid 9, van de basisverordening toegepast om een betrouwbare uitvoerprijs te berekenen die niet wordt beïnvloed door de relatie tussen de exporteur in het land van uitvoer en de verbonden importeur in de Unie. De correcties moeten betrekking hebben op alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten (en op de winst), voor zover die kosten gewoonlijk door een importeur worden gedragen. LG Chem heeft niet aangetoond dat de berekening van de uitvoerprijs krachtens artikel 2, lid 9, verder strekte dan vereist is uit hoofde van die bepaling. Het feit dat er verschillende regels gelden voor de vaststelling van de normale waarde en van de uitvoerprijs is op zich geen factor die van invloed is op de vergelijkbaarheid van de prijzen en aan de orde moet komen in een correctie als bedoeld in artikel 2, lid 10, van de basisverordening. LG Chem heeft niet aangetoond dat de in overweging 143 genoemde correcties uit hoofde van artikel 2, lid 10, niet volstaan om de uitvoerprijs op billijke wijze met de normale waarde te vergelijken, of dat zij op de binnenlandse markt aan andere soorten afnemers verkocht dan op de markt van de Unie. |
3.5. Dumpingmarge
|
(146) |
De Commissie heeft de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(147) |
Op basis hiervan bedraagt de definitieve gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de enige medewerkende producent-exporteur, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht), grens Unie, vóór inklaring, 13,4 %. |
|
(148) |
Voor alle andere producenten-exporteurs in de Republiek Korea heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens vastgesteld. Hiertoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. |
|
(149) |
Aangezien twee andere producenten in de Republiek Korea geen medewerking verleenden aan het onderzoek, beschouwde de Commissie de medewerking als gering. Bijgevolg achtte de Commissie het passend de residuele dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de hoogste dumpingmarge van een representatieve productsoort. |
|
(150) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
4. SCHADE
4.1. Definitie van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie
|
(151) |
Het soortgelijke product werd in het onderzoektijdvak vervaardigd door vijf producenten in de Unie. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(152) |
De totale productie in de Unie in het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 346 590 ton. De Commissie heeft dit cijfer vastgesteld op basis van alle beschikbare informatie over de bedrijfstak van de Unie, zoals de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de antidumpingvragenlijsten en het antwoord van een niet in de steekproef opgenomen producent in de Unie op de macrovragenlijst. Deze gegevens werden getoetst aan de cijfers in de klacht om de betrouwbaarheid en de volledigheid ervan te controleren. Zoals aangegeven in overweging 41 vertegenwoordigden de twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie meer dan 50 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie. |
4.2. Vaststelling van de relevante markt van de Unie
|
(153) |
De Commissie heeft geconstateerd dat de gehele productie van de producenten in de Unie bestemd was voor de vrije markt en derhalve rechtstreeks concurreerde met de invoer uit het betrokken land. Op die gronden heeft de Commissie alle economische indicatoren met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie in hun geheel onderzocht. |
4.3. Verbruik in de Unie
|
(154) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de antidumpingvragenlijst, de macrovragenlijst en de invoer op basis van de Eurostat-gegevens. |
|
(155) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 1 — Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(156) |
Tijdens de beoordelingsperiode bleef het totale verbruik op de vrije markt stabiel, met minimale schommelingen die duidelijk minder dan 1 % bedroegen. |
4.4. Invoer uit het betrokken land
4.4.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(157) |
De Commissie heeft het invoervolume op basis van de GN-code (11) vastgesteld met gegevens uit de Eurostat-databank en gecorrigeerd op basis van de in de klacht vermelde informatie van de Koreaanse dienst voor handelsstatistieken, teneinde de invoer van het betrokken product te selecteren. Die correctie was nodig doordat de Eurostat-gegevens op het niveau van de GN-code voor een deel betrekking hebben op andere producten, wat zou resulteren in vertekende hoeveelheden en prijzen. Geen van de belanghebbenden betwistte de correctie. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van het invoervolume van het betrokken land in vergelijking met het volume van het totale verbruik in de Unie in tabel 2. |
|
(158) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen verzocht LG Chem om aanvullende informatie over de methode die werd gebruikt om de invoervolumes en -waarden te bepalen, alsook om een bekendmaking van de gedetailleerde gegevensextractie uit TRASS. De Commissie heeft de volgende aanvullende informatie verstrekt: |
|
(159) |
Zoals uiteengezet in punt 18 van de klacht, is GN-code 3906 90 90 niet uitsluitend bestemd voor SAP. De klager heeft op basis van de TRASS-gegevens een raming verstrekt van het aandeel SAP in alle onder GN-code 3906 90 90 ingeklaard volume. Zoals blijkt uit de open versie van bijlage 5-1 “Invoer van SAP in de EU” bij de klacht, bedroeg het volume van de SAP-uitvoer naar de EU in de beoordelingsperiode 84 % van de totale invoer die is ingeklaard onder GN-code 3906 90 90. Uit de bijlage blijkt voorts dat deze informatie door de klager werd gebruikt om de Eurostat-gegevens aan te passen. |
|
(160) |
De Commissie gebruikte dezelfde methode als de klager, die passend werd bevonden en niet werd betwist, zoals vermeld in overweging 119 van het algemene informatiedocument van de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(161) |
De Commissie heeft verder verduidelijkt dat de TRASS database het mogelijk maakt de benaming van de producten te selecteren. Het volume en de waarde van de uitvoer van goederen uit Korea naar de EU onder GS-code 3906 90 90 werden dus gefilterd om alleen productbenamingen op te nemen die overeenstemmen met SAP. Er werden 15 producten geselecteerd. |
|
(162) |
TRASS staat echter alleen gegevensextractie toe wanneer gegevens van ten minste drie bedrijven beschikbaar zijn. Voor 2018 was dit niet het geval. Aangezien de verhouding tussen de SAP-uitvoer in TRASS en de Eurostat-gegevens onder GN-code 3906 90 90 voor de andere jaren stabiel was, heeft de Commissie voor 2018 een waarde berekend aan de hand van de gemiddelde verhouding van de andere jaren. |
|
(163) |
De onderliggende TRASS-data vallen onder auteursrechtelijke bescherming en kunnen niet door de Commissie worden bekendgemaakt, maar zijn beschikbaar voor aankoop. |
|
(164) |
De invoer uit het betrokken land ontwikkelde zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 2 — Invoervolume (ton) en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(165) |
De invoer uit de Republiek Korea steeg in de beoordelingsperiode van ongeveer 83 500 ton tot ongeveer 110 900 ton, wat neerkomt op een totale stijging van 33 % tussen 2017 en het OT. Die stijging was aanzienlijk groter dan de toename van het verbruik. |
|
(166) |
Het volume van de invoer uit de Republiek Korea steeg het hardst van 2018 op 2019 (+22 % op jaarbasis), waarna het met 3,5 % daalde tussen 2019 en het OT. |
|
(167) |
Hierdoor nam het marktaandeel van de invoer van Zuid-Koreaanse producten in de beoordelingsperiode toe van [12 % – 14 %] tot [16 % – 18 %], oftewel een stijging van 33 % tussen 2017 en het onderzoektijdvak. Er zij op gewezen dat zowel het invoervolume als het marktaandeel van de Republiek Korea tijdens de beoordelingsperiode over het algemeen een snelle stijging doormaakte. |
4.4.2. Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(168) |
De Commissie heeft de invoerprijzen vastgesteld op basis van Eurostat-gegevens en daarbij de in overweging 157 vermelde Taric-code gebruikt, gecorrigeerd met de gegevens van TRASS, zoals uitgelegd in de overwegingen 157 tot en met 162. |
|
(169) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen wees LG Chem erop dat de Eurostat-gegevens prijzen op cif-basis bevatten. De Commissie heeft hiermee rekening gehouden en aldus de fob-invoerprijzen van de TRASS-database in CIF omgezet door gebruik te maken van de verhouding FOB- tot CIF-waarde op basis van de gecontroleerde gegevens van LG Chem. De aangepaste cijfers zijn weergegeven in tabel 3. |
|
(170) |
De gemiddelde prijzen van de invoer uit het betrokken land ontwikkelden zich als volgt: Tabel 3 — Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(171) |
De gemiddelde prijzen van de invoer uit de Republiek Korea daalden in de beoordelingsperiode met 10 %, van 1 191 EUR/ton tot 1 074 EUR/ton. Deze prijzen bleven tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk onder de verkoopprijzen en de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, zoals blijkt uit tabel 7. |
|
(172) |
Prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van gegevens van de medewerkende producent-exporteur in het betrokken land en van gegevens over de binnenlandse verkoop die de bedrijfstak van de Unie voor het onderzoektijdvak heeft verstrekt. De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(173) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de theoretische omzet in het onderzoektijdvak van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. De gewogen gemiddelde prijsonderbieding bedroeg 14,7 %. |
|
(174) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat haar geen eigen gedetailleerde gegevens in bijlage 3b bij de mededeling van de definitieve bevindingen waren verstrekt en dat de orde van grootte van de bardbreedtes voor vertrouwelijke gegevens ontoereikend was. De Commissie erkende de opmerkingen van LG Chem. Daarom werd LG Chem haar eigen vertrouwelijke gegevens verstrekt en werden de bandbreedtes ingeperkt. Deze wijzigingen zijn opgenomen in de aanvullende gevoelige mededeling die op 8 februari 2022 aan LG Chem en aan de bedrijfstak van de Unie is verstrekt. |
|
(175) |
LG Chem voerde ook aan dat informatie op PCN-specifiek niveau openbaar moest worden gemaakt. Overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening kon de Commissie echter niet de verzochte gegevens per productsoort bekendmaken. In het onderhavige geval waren er immers slechts twee producenten in de Unie en drie PCN’s. Bij bekendmaking van informatie op een dergelijk gedetailleerd niveau zou het dan ook mogelijk zijn om rechtstreeks of in combinatie met marktonderzoeksgegevens vertrouwelijke verkoop- of productiegegevens van individuele producenten in de Unie te reconstrueren. LG Chem herhaalde haar argument na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(176) |
De Commissie kan geen gedetailleerde gegevens van slechts twee ondernemingen bekendmaken, aangezien dit het risico met zich meebrengt dat andere belanghebbenden vertrouwelijke gegevens van individuele producenten kunnen reconstrueren met behulp van marktonderzoek. Dit is een objectief risico op elke markt waar slechts enkele bekende producenten actief zijn op de markt, of betrokken zijn bij het onderzoek van de Commissie. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(177) |
LG Chem voerde voorts aan dat de cijfers die voor de prijsonderbieding en het prijsbederf zijn gebruikt, geen grondslag hebben in het verleden van het onderzoek en dat deze verschillen moeten worden verklaard. In detail heeft LG Chem vastgesteld dat zij de in bijlage 3b vermelde cif-uitvoerwaarde grens Unie, en de aan LG Chem meegedeelde gedetailleerde berekeningen van de prijsonderbieding en de schade niet exact in overeenstemming kon brengen met de cijfers in de verkooplijsten van LGC in de tabellen EUSALUR en RLSALUR. Ook LG Chem voerde aan dat de cif-waarde van de uitvoer, grens EU, zoals weergegeven in Koreaanse won in bijlage 2.1 bij de mededeling van de definitieve bevindingen, zou resulteren in een andere waarde in EUR dan die welke in bijlage 3b wordt gebruikt. |
|
(178) |
De Commissie verduidelijkte dat zij voor de omrekening van Koreaanse won in euro’s de cif-waarden van elke transactie heeft omgezet aan de hand van de respectieve maandelijkse wisselkoers van de ECB, terwijl LG Chem in haar opmerkingen heeft aangegeven de jaarlijkse wisselkoers van de ECB te hebben toegepast. Als gevolg van maandelijkse schommelingen in de hoeveelheden vertoonde de omrekening van LG Chem op basis van het jaartarief noodzakelijkerwijs verschillende waarden. De Commissie verwierp derhalve het argument dat de voor prijsonderbieding en prijsbederf gebruikte cijfers discrepanties met de gegevens in het dossier vertonen. |
|
(179) |
LG Chem betoogde ook dat de Commissie niet heeft uitgelegd hoe zij de berekende cif-waarde die voor prijsonderbieding werd gebruikt, heeft bepaald. |
|
(180) |
De Commissie heeft verduidelijkt dat de berekende cif-waarde voor de verkoop via LG Chem Europe werd berekend door van de nettofactuurwaarde de VAA-kosten en de winst af te trekken, zoals uiteengezet in de overwegingen 118 tot en met 125, en de correcties voor alle kosten na invoer. Bovendien wordt, anders dan LG Chem beweert, in bijlage 3a bij de mededeling van de definitieve bevindingen uitgelegd hoe de cif-prijs is vastgesteld met betrekking tot de correctie voor kosten na invoer. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(181) |
LG Chem voerde verder aan dat de Commissie een PCN heeft gebruikt om de prijzen van de invoer door LG Chem te vergelijken met de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, die te eenvoudig was en geen rekening hield met alle kenmerken die in de opmerkingen van LG Chem van 28 april 2021 waren vermeld, namelijk grondstof, vorm, CRC, geurbeheersing, schuimproducten, antiklontering, verkleuring en gebruik. Met name verschillen in CRC kunnen op zichzelf de prijsonderbiedingsmarge van 14,7 % verklaren. |
|
(182) |
De Commissie verwijst naar punt, waaruit blijkt dat de Commissie de gegevens in een gedetailleerde vorm heeft verzameld om het kosten- en prijseffect van de verschillende door LG Chem voorgestelde kenmerken, waaronder CRC, te kunnen analyseren. Deze gegevens, samen met de bij de gebruikers verzamelde en gecontroleerde informatie, bevestigden echter niet de vermeende kosten- en prijsinvloed van de kenmerken, behalve die welke door de Commissie werden toegepast. De Commissie verwierp daarom het argument dat een gedetailleerder PCN had moeten worden gebruikt. |
|
(183) |
LG Chem voerde tot slot aan dat de correctie van de werkelijke prijs die door LG Chem Europe in rekening werd gebracht met een theoretisch bedrag aan VAA-kosten en winst met het oog op prijsonderbieding, een kennelijke beoordelingsfout vormt en in strijd is met de artikelen 3, leden 2 en 3, van de basisverordening, aangezien voor een vergelijking van de prijsonderbieding de prijzen in hetzelfde handelsstadium moeten worden vergeleken overeenkomstig het Jindal-arrest (12). Het Gerecht van eerste aanleg heeft in het Hansol-arrest (13) bevestigd dat bij het vaststellen of sprake is van onderbieding de tussen een onderneming en de afnemers onderhandelde prijzen, en niet de prijzen in een tussenstadium, doorslaggevend kunnen zijn voor het besluit van de afnemer om het product te kopen. |
|
(184) |
Dit argument moest worden afgewezen. Ten eerste gaat artikel 3, lid 2, van de basisverordening over de gevolgen van de invoer met dumping die schade kan berokkenen aan de bedrijfstak van de Unie en niet over de wederverkoopprijs die een onderneming (verbonden importeur) in de Unie aan een andere afnemer berekent. |
|
(185) |
Ten tweede is, wat prijsonderbiedingsmarges betreft, in de basisverordening geen enkele specifieke methode voor dat concept opgenomen. De Commissie beschikt derhalve over een marge bij het beoordelen van deze schade-indicator. Zoals bepaald in artikel 3, lid 2, van de basisverordening, wordt die marge begrensd door het vereiste om de conclusies te baseren op positief bewijsmateriaal en om een objectief onderzoek uit te voeren. |
|
(186) |
Wanneer het gaat om de elementen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de prijsonderbieding (met name de prijs bij uitvoer), moet de Commissie het eerste punt aangeven waarop er concurrentie is (of kan zijn) met de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie. Dat punt is in feite de aankoopprijs van de eerste niet-verbonden importeur, omdat die onderneming in principe de keuze heeft om ofwel bij de bedrijfstak van de Unie, ofwel bij buitenlandse afnemers in te kopen. Daarentegen geven wederverkoopprijzen van verbonden importeurs geen beeld van het punt waarop echte concurrentie plaatsvindt. Dat is slechts het punt waarop de vaste verkoopstructuur van de exporteur probeert afnemers te vinden, maar dit is al na het punt waarop de beslissing tot invoer is genomen. Wanneer de producent-exporteur zijn systeem van verbonden ondernemingen eenmaal in de Unie heeft geïnstalleerd, staat voor die ondernemingen immers al vast dat hun producten uit het buitenland zullen komen. Derhalve moet als vergelijkingspunt het tijdstip onmiddellijk na overschrijding van de grens van de Unie door de goederen worden gekozen en niet een tijdstip in een later stadium in de distributieketen, bijvoorbeeld bij de verkoop aan de eindgebruiker. |
|
(187) |
Deze aanpak zorgt ook voor samenhang in gevallen waarin een producent-exporteur de goederen rechtstreeks aan een niet-verbonden afnemer (importeur of eindgebruiker) verkoopt, omdat in dit scenario per definitie geen wederverkoopprijzen zouden worden gebruikt. Een andere benadering zou leiden tot een onderscheid tussen producenten-exporteurs uitsluitend op basis van het verkoopkanaal dat ze gebruiken. |
|
(188) |
In dit geval moet de invoerprijs niet in aanmerking worden genomen omdat de producent-exporteur en de importeur verbonden zijn. Derhalve, teneinde een betrouwbare prijs bij invoer tegen marktconforme prijzen en voorwaarden vast te stellen, moet die prijs worden gereconstrueerd met de wederverkoopprijs van de verbonden importeur als uitgangspunt. Voor de uitvoering van deze reconstructie zijn de regels inzake de constructie van de exportprijs als bedoeld in artikel 2, lid 9, van de basisverordening pertinent, net zoals zij pertinent zijn voor de vaststelling van de exportprijs voor dumpingdoeleinden. Bij de toepassing van artikel 2, lid 9, van de basisverordening is het mogelijk om te komen tot een prijs die volledig vergelijkbaar is met de cif-prijs, grens Unie, die wordt gebruikt bij het onderzoek van verkopen aan niet-verbonden afnemers. |
|
(189) |
De Commissie merkte ook op dat deze aanpak door het Gerecht was bevestigd in het arrest Severstal (14). |
|
(190) |
Tot slot heeft LG Chem geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat er sprake is van een stelselmatig prijsverschil bij de verkoop aan distributeurs en de rechtstreekse verkoop aan gebruikers van soortgelijke productsoorten. De Commissie kon ook geen bewijs vinden van verschillen in prijsvorming tussen de verkoop aan distributeurs en de verkoop aan gebruikers aan de zijde van de bedrijfstak van de Unie. |
4.4.3. Bewering dat er in 2018 als gevolg van prijsstijgingen geen sprake was van prijsonderbieding
|
(191) |
Ten aanzien van de neerwaartse druk op de prijzen in 2018 stelde LG Chem dat zowel de prijzen van de invoer uit Zuid-Korea als die van de bedrijfstak van de Unie zijn gestegen ten opzichte van 2017. Bijgevolg kon er geen sprake zijn geweest van prijsonderbieding. |
|
(192) |
De invloed van de invoerprijzen op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie wordt echter onderzocht voor de beoordelingsperiode als geheel, d.w.z. tussen 2017 en het onderzoektijdvak. Waar de prijsontwikkeling wordt beoordeeld voor de gehele beoordelingsperiode, wordt de prijsonderbieding enkel voor het onderzoektijdvak (2020) berekend. Daarom doet de stijging van de Zuid-Koreaanse prijzen en van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie van 2017 op 2018 niet ter zake bij de berekening van de prijsonderbieding tijdens het OT in dit geval. Bovendien duidt dit loutere feit er niet op dat de invoer uit Zuid-Korea de prijzen van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode niet heeft onderboden, aangezien die conclusie alleen kan worden getrokken op basis van een gedetailleerde vergelijking tussen de werkelijke uitvoerprijs en de EU-prijzen. |
|
(193) |
De prijsonderbiedingsmarge wordt immers gedefinieerd als het verschil tussen de werkelijke prijs van de bedrijfstak van de Unie en de lagere werkelijke prijs van de invoer uit het betrokken land. Het verschil tussen beide prijzen wordt, nadat de nodige correcties zijn toegepast, uitgedrukt als percentage van de prijs van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(194) |
De gemiddelde prijs van de invoer uit Zuid-Korea was in 2018 nog altijd lager dan de gemiddelde prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Hoewel de prijzen van de Zuid-Koreaanse bedrijfstak en de bedrijfstak van de Unie in die periode stegen, wijzen de statistieken dus uit dat ook in 2018 sprake was van prijsonderbieding. |
|
(195) |
Derhalve werd dit argument afgewezen. |
|
(196) |
Na de definitieve mededeling van feiten en overwegingen betoogde LG Chem dat zij nooit heeft beweerd dat er in 2018 geen prijsonderbieding had kunnen plaatsvinden. Deze uitlegging van de vordering van LG Chem had volgens LG Chem op behoorlijk bestuur hebben geschonden. |
|
(197) |
De Commissie heeft nota genomen van de verklaring van LG Chem dat zij niet heeft getracht dit argument te doen gelden. Aangezien LG Chem geen enkel argument heeft aangevoerd dat de Commissie niet had behandeld, was de Commissie niet van mening dat de Commissie het recht op behoorlijk bestuur had geschonden. |
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Algemene opmerkingen
|
(198) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(199) |
Zoals vermeld in overweging 41, is voor de vaststelling van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(200) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van gegevens die waren verstrekt door de in de steekproef opgenomen producenten en door de niet in de steekproef opgenomen producenten, en die waren getoetst aan de gegevens in de klacht. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. De gegevens hadden betrekking op de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(201) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van dumping in het verleden. Na de mededeling van de definitieve bevindingen wezen belanghebbenden op een aantal discrepanties in de macro-indicatoren voor productie en verkoop tussen de klacht en de mededeling van feiten en overwegingen. Na analyse heeft de Commissie deze argumenten aanvaard en de cijfers gecorrigeerd. De Commissie heeft de macro-economische cijfers bijgewerkt met de cijfers van één onderneming. Daarom werden de absolute waarden weergegeven als bandbreedtes om de vertrouwelijkheid te waarborgen. |
|
(202) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.5.2. Macro-economische indicatoren
4.5.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(203) |
De totale productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode ontwikkeld als volgt: Tabel 4 — Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(204) |
Het productievolume van de bedrijfstak van de Unie steeg tussen 2017 en 2019 met 5 procentpunten en daalde vervolgens tussen 2019 en het OT met 7 procentpunten. Het totale productievolume daalde tijdens de beoordelingsperiode met 2 %. |
|
(205) |
De productiecapaciteit is tijdens de beoordelingsperiode gestaag toegenomen, van [540 000 – 580 000] ton in 2017 tot [650 000 – 690 000] ton in 2019, en bleef in het onderzoektijdvak op dat niveau; de totale stijging bedroeg 17 %. De uitbreiding van de capaciteit van de SAP-bedrijfstak in de EU was het resultaat van een grote investering van een producent in de Unie in de beoordelingsperiode. |
|
(206) |
Uit tabel 4 blijkt dat de productiecapaciteit van de Unie tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk is gestegen, maar dat de bezettingsgraad in de Unie aanzienlijk is verslechterd, met een daling van [93 % – 95 %] in 2017 tot [78 % – 80 %] in het OT. Die ontwikkeling resulteerde in een totale daling van de bezettingsgraad in de Unie met 17 % tijdens de beoordelingsperiode. |
4.5.2.2. Daling van de bezettingsgraad veroorzaakt door toename van de capaciteit
|
(207) |
LG Chem verwees in haar opmerkingen over de gedaalde bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met name naar het investeringsproject van een producent in de Unie die de productiecapaciteit in 2018 verhoogde. Volgens LG Chem was de extra capaciteit nooit bedoeld om de markt van de Unie te bevoorraden, aangezien de bestaande capaciteit in 2017 al hoger lag dan de vraag op de markt van de Unie. Daarom kon de overcapaciteit van de producenten in de Unie niet zijn veroorzaakt door de invoer uit Zuid-Korea. |
|
(208) |
De Commissie was het ermee eens dat de daling van de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode, bij een relatief stabiel totaal productievolume, verband hield met de capaciteitsuitbreiding door de producenten in de Unie. Die extra capaciteit overschreed de vraag op de markt van de Unie evenwel niet, in tegenstelling tot wat LG Chem beweerde. In 2017 bedroeg de totale productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie slechts [86 % – 88 %] van het verbruik in de Unie. Na de stijging van de productiecapaciteit bleef deze in overeenstemming met het verbruik in de Unie, met slechts een overcapaciteit van [1 % – 2 %]. Het ontbreekt aldus aan bewijs waaruit blijkt dat de aanvullende capaciteit niet was bestemd voor de markt van de Unie. |
|
(209) |
Na de tweede aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de cijfers niet de conclusie staven dat de extra capaciteit van de bedrijfstak van de Unie die tijdens de beoordelingsperiode is opgebouwd, was bedoeld om de markt van de Unie te bedienen. |
|
(210) |
De Commissie is tot de conclusie gekomen dat de capaciteitsuitbreidingen slechts tot een minimale overcapaciteit leiden. Aangezien zowel de gebruikers als LG Chem in hun argumenten met betrekking tot het belang van de Unie erop hebben gewezen dat niet alle capaciteit automatisch is bedoeld voor de productie van elk type SAP, is de minimale overcapaciteit van [1 % – 2 %] geen aanwijzing dat deze niet voor de markt van de Unie is bestemd, maar veeleer om voldoende capaciteit te creëren voor een flexibele productie van verschillende soorten SAP om aan de vraag naar verschillende soorten SAP te voldoen. Bovendien bleef de werkelijke productie zelfs na de capaciteitstoename ruim onder het verbruik in de Unie. Daarom wijst de Commissie dit argument af. |
4.5.2.3. Capaciteit van Sumitomo Seika buiten beschouwing gelaten
|
(211) |
LG Chem stelde bovendien dat de in de klacht genoemde overcapaciteit van de bedrijfstak van de Unie te laag was ingeschat omdat geen rekening was gehouden met de productiecapaciteit van Sumitomo Seika, een producent in de Unie. LG Chem verzocht de Commissie op te helderen waarom zij de capaciteit en de schade-indicatoren van Sumitomo Seika buiten beschouwing had gelaten, aangezien die een verstorende invloed konden hebben op het in de klacht geschetste schadebeeld. |
|
(212) |
De Commissie bracht in herinnering dat de onderneming in kwestie niet aan het onderzoek heeft meegewerkt. Dit betekent evenwel niet dat de Commissie de capaciteiten en schade-indicatoren van de onderneming buiten beschouwing heeft gelaten, in tegenstelling tot wat LG Chem beweert. De Commissie heeft het door LG Chem aangedragen cijfer van 47 000 ton ook gebruikt in haar macrogegevens met betrekking tot de productiecapaciteit en heeft de overige schade-indicatoren van die onderneming geschat. |
|
(213) |
Dit argument werd derhalve afgewezen. |
4.5.2.4. Verkoopvolume en marktaandeel
|
(214) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 5 — Verkoopvolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(215) |
De totale verkoop op de markt van de Unie daalde tijdens de beoordelingsperiode met 11 % tussen 2017 en het eind van het OT. Tussen 2017 en 2018 steeg het totale volume van de verkoop aan de Unie met 4 %, om vervolgens gestaag te dalen tot het OT. De sterkste daling vond plaats tussen 2019 en het OT, toen het totale verkoopvolume op de markt van de Unie met 14 % daalde. |
|
(216) |
Ondanks het stabiele verbruik in de Unie, zoals weergegeven in tabel 1, daalde het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode gestaag, en bijgevolg daalde het marktaandeel tussen 2017 en het eind van het OT met 12 %. Ook wat de ontwikkeling van het verkoopvolume van de Unie betreft, daalde het marktaandeel het sterkst tussen 2019 en het eind van het OT (15 % op jaarbasis). |
|
(217) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de Commissie de ontwikkeling van de verkoopvolumes op de markt van de Unie niet los van de verkoop op de uitvoermarkten kan analyseren. De verkoop werd verlegd van de markt van de Unie naar uitvoermarkten in plaats van “verloren” te gaan. |
|
(218) |
De Commissie moet de ontwikkeling op de markt van de Unie noodzakelijkerwijs analyseren om vast te stellen of er sprake is van schade op de markt van de Unie. De stijging van de uitvoer is in deel 5.2.4 geanalyseerd om vast te stellen of dit een oorzaak van de geleden schade was. De Commissie verwierp daarom het argument dat zij de ontwikkeling afzonderlijk had geanalyseerd zonder rekening te houden met de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie. |
4.5.2.5. Groei
|
(219) |
Het verbruik in de Unie was tijdens de beoordelingsperiode stabiel, terwijl het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie daalde met 12 %. De bedrijfstak van de Unie verloor dus marktaandeel, in tegenstelling tot de invoer uit het betrokken land, waarvan het marktaandeel tijdens dezelfde periode aanzienlijk toenam. |
4.5.2.6. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(220) |
De werkgelegenheid en de productiviteit ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 6 — Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(221) |
De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie is tijdens de beoordelingsperiode gedaald. Dit leidde tot een vermindering van het aantal werknemers met 9 %, zonder rekening te houden met indirecte werkgelegenheid. |
|
(222) |
De productiviteit ontwikkelde zich in lijn met die van de productievolumes in de Unie, die tot 2019 stegen en vervolgens daalden tussen 2019 en het OT. De productiviteit nam tussen 2017 en 2019 met 15 % toe, alvorens te dalen nadat het productievolume was verminderd. De productiviteit steeg over het geheel genomen aldus met 8 %. De stijging houdt verband met het feit dat het aantal werknemers in de beoordelingsperiode gestaag en aanzienlijk daalde, terwijl de productievolumes tot 2019 stegen en vervolgens tijdens het OT daalden. Tussen 2019 en het eind van het OT daalde de productie echter sneller dan de werkgelegenheid als gevolg van de lagere verkoop, wat leidde tot een overeenkomstige daling van de productiviteit (-6 % van 2019 tot het OT). |
|
(223) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de werkgelegenheid als gevolg van modernisering daalde en dat dit niet de schade illustreert. Hoewel de investering van NSE naar verwachting 70 extra banen zal opleveren, zijn deze extra banen waarschijnlijk gecompenseerd door de technische aanpassing die door BASF is voltooid op haar locatie in Antwerpen in 2017, en door haar voornemen om een strategie voor de digitalisering van haar SAP-activiteiten te volgen. |
|
(224) |
Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de modernisering heeft bijgedragen tot de daling van de werkgelegenheid, zelfs zonder de daling van de werkgelegenheid, lieten andere indicatoren nog steeds duidelijke tekenen van schade zien. Bovendien zou de modernisering, als er geen sprake was van schade, naar verwachting tot een stijging van de productiviteit hebben geleid. Dat is niet gebeurd. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
4.5.2.7. Hoogte van dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(225) |
De dumpingmarge van LG Chem lag aanzienlijk boven het de-minimispeil. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren aanzienlijk, gezien het volume en de prijzen van de invoer uit het betrokken land. |
|
(226) |
Dit is het eerste antidumpingonderzoek ten aanzien van het betrokken product. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen. |
4.5.3. Micro-economische indicatoren
4.5.3.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(227) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 — Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(228) |
De verkoopprijzen op de markt van de Unie stegen eerst met 4 % in 2018. Vervolgens daalden zij met 1 % alvorens in het onderzoektijdvak met nog eens 17 % te dalen. De gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie daalde in de beoordelingsperiode aldus met 15 %. |
|
(229) |
De productiekosten per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten zijn in de beoordelingsperiode met 5 % toegenomen. Ze stegen met 21 % van 2017 op 2018. Vervolgens daalden ze met 3 % in 2019 en met nog eens 11 % in het OT, een ontwikkeling die te verklaren is door een plotselinge stijging van de grondstofprijzen in 2018, die daarna tot het OT daalden. |
|
(230) |
De gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn blijkens tabel 7 gedeeltelijk gecorrigeerd in verband met de schommelende productiekosten, zij het in een veel trager tempo. Bijgevolg lagen de verkoopprijzen tussen 2018 en het einde van het OT ruim onder de productiekosten per eenheid. |
|
(231) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de analyse van de invoer uit Korea inbreuk maakte op het recht van verweer van LG Chem, aangezien de bandbreedtes in tabel 7, met prijzen tussen 1 000 en 1 300 euro/ton tijdens het onderzoektijdvak (“OT”), d.w.z. 2020, buitensporig waren, en het prijsniveau van de invoer uit Korea eveneens boven, op een vergelijkbaar niveau of onder de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie kon liggen. |
|
(232) |
De in tabel 7 vermelde bandbreedtes vormen geen schending van het recht van verdediging van LG Chem. Aangezien de Commissie in overweging 171 heeft meegedeeld dat de Koreaanse prijzen aanzienlijk onder de prijzen van de bedrijfstak van de Unie bleven, was het voor LG Chem duidelijk dat de Koreaanse prijzen voor 2020 noch hoger waren dan, noch gelijk waren aan of zeer dicht lagen bij de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. De werkelijke prijs van de producent in de Unie is gevoelige bedrijfsinformatie en moet worden beschermd. Zelfs bij een geringere bandbreedte zou LG Chem echter nog steeds niet het werkelijke prijsverschil kunnen zien en de hoogte kunnen betwisten. Een andere bandbreedte zou dus niet hebben geleid tot een verbetering van het vermogen van LG Chem om opmerkingen te maken. Bovendien kon LG Chem op basis van de in tabel 7 vermelde bandbreedtes voor de productiekosten vaststellen dat de Koreaanse prijs duidelijk onder de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie lag. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
|
(233) |
LG Chem voerde verder aan dat tabel 7 alle producten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie omvat, met inbegrip van de producten Bio SAP en SAVIVA, die niet concurreren met de Koreaanse invoer. |
|
(234) |
Tabel 7 moet alle invoer van het betrokken product bevatten. Aangezien de Commissie het verzoek van LG Chem om BIO SAP en SAVIVA van de productomschrijving uit te sluiten heeft afgewezen (zie overweging 73), zijn deze producten terecht in de cijfers opgenomen. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
4.5.3.2. Loonkosten
|
(235) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 — Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||
|
(236) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer stegen met 7 % in 2018 en daalden vervolgens met 3,5 % in 2019, en met nog eens 1 % in het OT, en noteerden een algemene daling van 2 % tijdens de beoordelingsperiode. |
4.5.3.3. Voorraden
|
(237) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 — Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(238) |
De eindvoorraden slonken in 2018 met 8 %, waarna ze tussen 2018 en het einde van het onderzoektijdvak gestaag en aanzienlijk stegen. De eindvoorraden zijn in de beoordelingsperiode in totaal met 42 % gestegen. |
|
(239) |
Het totale verbruik in de Unie komt overeen met het verbruik op de vrije markt, zodat de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie te lijden had onder de rechtstreekse concurrentie van de invoer van oorsprong uit de Republiek Korea. De in tabel 9 weergegeven stijgende ontwikkeling van de eindvoorraden kan deels worden verklaard door de constante druk van de Zuid-Koreaanse invoer op de markt van de Unie in combinatie met de daling van de verkoop en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(240) |
De eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie daalden in 2018 met 13 % en stegen vervolgens zowel in 2019 als in het OT tot boven het niveau van 2017, waarbij de groei respectievelijk 5 % en 21 % bedroeg ten opzichte van 2017. |
4.5.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(241) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 — Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(242) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. |
|
(243) |
De verkoop van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers verslechterde van verliesgevend in 2017 naar sterk verliesgevend in 2018 en 2019 en was in het OT zelfs nog verliesgevender. Hoewel de winstgevendheid van 2018 op 2019 enigszins verbeterde, ging de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de beoordelingsperiode sterk achteruit en kwam meer dan zeven keer zo laag uit als in 2017. |
|
(244) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De trend van de nettokasstroom varieerde sterk tijdens de beoordelingsperiode, voornamelijk door gestegen productiekosten en een negatieve winstgevendheid. |
|
(245) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het nam tijdens de beoordelingsperiode af na een dalende trend die vergelijkbaar was met die van de winstgevendheid. Tijdens dezelfde periode verminderde de bedrijfstak van de Unie het niveau van zijn investeringen met 81 %, waarbij in 2018 een stijging werd genoteerd als gevolg van een grote investering door een producent in de Unie, zoals vermeld in overweging 205. Het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken werd evenwel aangetast door de verliezen die tijdens de beoordelingsperiode werden geleden, zoals blijkt uit de daling in investeringen. |
|
(246) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de Commissie rekening had moeten houden met het feit dat de twee in de steekproef opgenomen producenten verschillende tendensen op het gebied van winstgevendheid hadden moeten aantonen. LG Chem merkte op dat in 2017 alleen NSE verlies leed, terwijl BASF nog steeds winstgevend was en de winstgevendheid van NSE in de periode van 2018 tot het eind van het OT is verbeterd. |
|
(247) |
De Commissie heeft het schadebeeld van de bedrijfstak van de Unie geanalyseerd in zijn geheel, en niet op het niveau van de individuele producenten. Om een evenwichtig beeld te krijgen, heeft de Commissie gebruikgemaakt van een representatieve steekproef van de bedrijfstak van de Unie. Daarnaast heeft de Commissie echter ook onderzocht of individuele feiten zoals investeringen het schadebeeld vertekend hebben. Dergelijke factoren werden buiten de schadeanalyse gelaten voor zover zij geen deel uitmaakten van de normale bedrijfsvoering. To slot moeten niet alle ondernemingen die deel uitmaken van een steekproef dezelfde trend vertonen voor elke indicator. Het argument werd daarom van de hand gewezen. |
4.5.4. Conclusie over schade
|
(248) |
Alle voornaamste schade-indicatoren vertoonden tijdens de beoordelingsperiode een negatieve trend. Het productievolume van de bedrijfstak van de Unie daalde met ongeveer 2 % en zijn op de markt van de Unie verkochte hoeveelheid daalde met 11 %. Gezien het stabiele verbruik op de markt van de Unie leidde dit tot een daling van het marktaandeel op de markt van de Unie van [56 % – 58 %] in 2017 tot [49 % – 51 %] tijdens het OT, d.w.z. een daling van 7 % tijdens de beoordelingsperiode. |
|
(249) |
Tussen 2017 en het onderzoektijdvak steeg de invoer uit de Republiek Korea met 33 % en nam het marktaandeel ervan aanzienlijk toe, hoewel het verbruik in de markt van de Unie stabiel bleef. De invoer uit het betrokken land zorgde voor een aanzienlijke stijging van het marktaandeel ervan, van [12 % – 14 %] tot [16 % – 18 %]. Bovendien daalden de prijzen van de invoer uit Zuid-Korea tijdens de beoordelingsperiode met 10 % en waren zij voortdurend lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Tijdens het onderzoektijdvak onderboden de invoerprijzen van de medewerkende producent-exporteur de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met gemiddeld 14,7 %. De Commissie heeft voorts op basis van de ontwikkelingen in de tabellen 2, 3, 5 en 7 opgemerkt dat de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onder druk kwamen te staan door de invoer met dumping, ongeacht of er sprake was van prijsonderbieding. De bedrijfstak van de Unie was namelijk niet in staat de stijging van de productiekosten helemaal door te berekenen in de prijzen. |
|
(250) |
De gemiddelde prijzen van de bedrijfstak van de Unie daalden tijdens de beoordelingsperiode met 15 % en sinds 2018 lagen de gemiddelde verkoopprijzen op de markt van de Unie ver onder de overeenkomstige productiekosten per eenheid. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie daalde van [-2 % tot -7 %] in 2017 tot [-15 % tot -20 %] tijdens het OT. Bovendien stegen de eindvoorraden van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode in totaal met 42 % en vertegenwoordigden zij 25 % van de productie tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(251) |
Alleen de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie vertoonde tijdens de beoordelingsperiode een positieve trend. De productiecapaciteit steeg van [540 000 – 580 000] ton in 2017 tot [650 000 – 690 000] ton in het OT en steeg in totaal met 17 % (zie tabel 4). De capaciteitsuitbreiding vloeide voort uit een grote investering van een producent in de Unie in 2018, gelet op de zeer hoge bezettingsgraad in 2017 van ([93 % – 95 %]). De bezettingsgraad daalde tijdens de beoordelingsperiode evenwel met 17 %, van [93 % – 95 %] in 2017 tot [78 % – 80 %] in het OT. |
|
(252) |
Kortom, het verbruik op de markt van de Unie is stabiel gebleven, maar de bedrijfstak van de Unie slaagde er niet in zijn marktaandeel te behouden. De invoer uit de Republiek Korea was gedurende de hele beoordelingsperiode aanzienlijk en vond plaats tegen veel lagere prijzen dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Sinds 2018 dekten de prijzen waartegen de bedrijfstak van de Unie zijn producten verkocht niet langer de kosten en moest de bedrijfstak bijgevolg zijn verkoop en de prijzen aanzienlijk verlagen. |
|
(253) |
Rekening houdend met het bovenstaande kwam de Commissie tot de conclusie dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
|
(254) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de conclusie dat alle schade-indicatoren tijdens de beoordelingsperiode een negatieve trend vertoonden, eenzijdig was, aangezien er sprake was van een stabiele productie, een grotere capaciteit, een verlegging van een deel van de verkoop naar exportmarkten, aanzienlijke investeringen, de werkgelegenheid werd beïnvloed door modernisering, en de winstgevendheid slechts het gevolg was van de aanzienlijke investeringen in 2017-2018. Anders dan LG Chem beweert, heeft de Commissie elk van de factoren geanalyseerd en op de argumenten van LG Chem gereageerd. Het feit dat de Commissie het niet eens was met de argumenten van LG Chem maakte de analyse niet eenzijdig. Derhalve wees de Commissie het argument af. |
|
(255) |
Na het tweede aanvullende informatiedocument voerde LG Chem aan dat alle herziene indicatoren verbeterde tendensen vertoonden ten opzichte van de aanvankelijk bekendgemaakte indicatoren. Met name de cijfers over de verkoop en de werkgelegenheid vertoonden een aanzienlijk beperktere daling gedurende de gehele beoordelingsperiode en schragen niet langer de conclusie dat er sprake was van schade. |
|
(256) |
De Commissie heeft hierboven aangetoond dat voor elke in het tweede aanvullende informatiedocument vermelde indicator de cijfers de aanvankelijke beoordeling van het bestaan van schade door de Commissie ondersteunen of althans niet tegenspreken. De Commissie verwierp daarom het argument dat deze cijfers de conclusie inzake schade niet schragen. |
|
(257) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de coalitie voor een open en concurrerende SAP-markt (15) (“Coalitie H”) aan dat de prijzen voor SAP sinds het einde van het onderzoektijdvak zijn gestegen. Coalitie H voerde aan — en verstrekte hierbij bewijsmateriaal — dat de prijzen van SAP momenteel aanzienlijk hoger zijn dan de in het onderzoektijdvak geregistreerde prijzen doordat de vervoerskosten zijn toegenomen, en dat de Koreaanse prijzen zijn gestegen tot boven die van de producenten in de Unie. |
|
(258) |
De Commissie merkte op dat Coalitie H de analyse van de Commissie inzake SAP-prijzen tijdens de beoordelingsperiode niet betwistte. Deze argumenten betreffen een periode na de beoordelingsperiode en dragen daarom niet bij tot de analyse van deze periode. Bovendien wordt, zoals coalitie H zelf heeft verklaard, de prijsstijging na het OT veroorzaakt door hogere vervoersprijzen. Deze vervoersprijzen houden verband met de huidige situatie van de COVID-19-pandemie. Er kan niet worden bevestigd dat dit een verandering op lange termijn van de prijzen is en dat daardoor in de toekomst verdere schade kan worden uitgesloten. De Commissie was daarom van oordeel dat dit haar bevindingen met betrekking tot de tijdens het onderzoektijdvak vastgestelde schade niet kon wijzigen en verwierp het argument. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(259) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie tevens onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade had kunnen lijden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit het betrokken land, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Die factoren zijn: invoer uit derde landen, spec-in-contracten, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de COVID-19-pandemie, de prijsformule in contracten voor de levering van grondstoffen, de prijsformule in contracten voor de levering van SAP, de kosten van capaciteitsuitbreidingen en de O&O-kosten. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(260) |
De omvang van de invoer uit de Republiek Korea is (zoals blijkt uit tabel 2) van 2017 tot het onderzoektijdvak met 33 % gestegen, en bijgevolg steeg het marktaandeel van de Republiek Korea met 33 %, d.w.z. van [12 % – 14 %] tot [16 % – 18 %]. Dit ging ten koste van de bedrijfstak van de Unie. In diezelfde periode (zoals blijkt uit tabel 5) daalde de verkoop van de bedrijfstak van de Unie immers met 11 % en daalde het marktaandeel ervan op de markt in de Unie met 12 %. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie is gedaald van [56 % – 58 %] in 2017 tot [49 % – 51 %] in het OT. |
|
(261) |
De prijzen van de invoer met dumping daalden in de beoordelingsperiode met 10 % (zoals blijkt uit tabel 3). Parallel hieraan daalden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie tijdens dezelfde periode met 15 %. De Zuid-Koreaanse invoer, die in de beoordelingsperiode een steeds grotere plaats op de markt van de Unie innam, vond plaats tegen prijzen die voortdurend lager waren dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(262) |
De druk afkomstig van de invoer met dumping zorgde ook voor een aanzienlijke prijsdruk, zoals bleek uit het feit dat de bedrijfstak van de Unie er niet in slaagde de prijzen te doen stijgen in hetzelfde tempo als de kosten. Zoals blijkt uit tabel 7 stegen de productiekosten tijdens de beoordelingsperiode met 5 %, terwijl de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met 15 % daalden. Tijdens de beoordelingsperiode leidde dit onvermogen om de prijzen te verhogen tot een aanzienlijke daling van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, van [-2 % tot -7 %] tot [-15 % tot -20 %], wat duidelijk een onhoudbaar niveau is. |
|
(263) |
Tegelijkertijd steeg het volume van de invoer uit de Republiek Korea aanzienlijk, met 33 %, waarbij het marktaandeel met 33 % toenam, terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met 12 % daalde. Hoewel het verbruik op de markt van de Unie tussen 2017 en het OT stabiel bleef, bleef de invoer uit Zuid-Korea immers marktaandeel winnen ten nadele van de bedrijfstak van de Unie. In diezelfde periode daalden de prijzen van de invoer uit Zuid-Korea met 10 % (tabel 3), terwijl de prijzen van de bedrijfstak van de Unie sterker daalden, namelijk met 15 %, in tegenstelling tot de productiekosten, die met 5 % omhooggingen. Al in 2018 ondervond de bedrijfstak van de Unie dus aanmerkelijke schade veroorzaakt door de invoer met dumping. |
|
(264) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie door de invoer uit de Republiek Korea aanmerkelijke schade heeft geleden. Deze schade had gevolgen voor zowel volume als prijs. |
|
(265) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de beweringen over prijsdruk niet door feiten worden gestaafd, aangezien volgens recente berichten in de gespecialiseerde pers ten minste twee producenten in de Unie sterke prijsverhogingen voor SAP hebben doorgevoerd. |
|
(266) |
Deze berichten betreffen een periode na de beoordelingsperiode en hebben daarom niet bijgedragen tot de analyse van deze periode. Bovendien is het mogelijk dat dergelijke prijsstijgingen verband houden met meerdere factoren op korte termijn, waaronder leveringstekorten als gevolg van het internationale containertekort, zoals door Coalitie H werd benadrukt. De Commissie was daarom van mening dat dit haar bevindingen met betrekking tot de tijdens het onderzoektijdvak vastgestelde schade niet kon wijzigen en verwierp dit argument. |
|
(267) |
LG Chem voerde verder aan dat de meeste schade-indicatoren tussen 2019 en het eind van het OT begonnen te dalen, terwijl de invoer uit Korea slechts steeg in de periode van 2017 tot 2019, toen de bedrijfstak van de Unie geen schade leed. De verkoop en het marktaandeel daalden in het OT, toen de bedrijfstak van de Unie zich steeds meer op uitvoermarkten richtte, en toen de Japanse invoer toenam. |
|
(268) |
Dit argument van LG Chem is een combinatie van twee argumenten die eveneens afzonderlijk zijn ingediend. De Commissie gaat in punt 5.2.4 in op het argument dat de bedrijfstak van de Unie zich steeds meer op uitvoermarkten richtte, en in punt 5.2.3 op het argument dat de stijging van de Japanse invoer in het OT kan hebben bijgedragen aan de schade.LG Chem voerde voorts aan dat er geen verband bestaat tussen de ontwikkeling van het marktaandeel van de Koreaanse uitvoer en de ontwikkeling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, aangezien de bedrijfstak van de Unie het grootste marktaandeel verloor in het jaar 2020, toen ook de invoer uit Korea marktaandeel verloor. |
|
(269) |
Dit argument houdt nauw verband met het argument van LG Chem dat de Japanse invoer en niet de invoer uit Korea verantwoordelijk was voor het verlies van marktaandeel in 2020 en is besproken en verworpen in de overwegingen 299 tot en met 306. |
|
(270) |
LG Chem betoogde voorts dat de invoer uit Korea nooit gevolgen heeft gehad voor de investeringen, zoals blijkt uit de voortdurende ontwikkelingen van nieuwe producten door producenten in de Unie. |
|
(271) |
Hoewel de investeringen van de producenten in de Unie inderdaad zijn gestegen van 2017 tot 2019, daalden zij in het OT sterk door de prijsdruk als gevolg van de invoer uit Korea. LG Chem heeft het OT niet opgenomen in haar analyse van een voortdurende ontwikkeling van nieuwe producten. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
|
(272) |
In haar opmerkingen over de opening van het onderzoek verzocht LG Chem de Commissie na te gaan of de daling van de verkoop en van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie werd veroorzaakt door de invoer uit Japan, de wereldwijde toewijzing van spec-in-contracten en de investeringen in capaciteitsuitbreiding. LG Chem verwees daarbij naar de klacht, waarin de klagers beweerden dat de verkoop van de producenten in de Unie tot 2019 een vergelijkbare schommelende ontwikkeling doormaakte als het verbruik en dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie alleen tijdens het OT daalde ten opzichte van de trend van het verbruik in de Unie. LG Chem stelde dat de daling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie werd veroorzaakt door de sterke stijging van de invoer uit Japan en dat de geringe toename van de invoer uit de Republiek Korea verband hield met spec-in-contracten. |
|
(273) |
De Commissie heeft onderzocht of en in hoeverre deze factoren hebben bijgedragen tot de schade. |
5.2.1. Gestegen vraag naar spec-in-producten
|
(274) |
LG Chem stelde dat de toename van de uitvoer uit Zuid-Korea werd veroorzaakt door de gestegen vraag naar spec-in-producten, die werden ingekocht in Zuid-Korea. |
|
(275) |
Zowel producenten in de Unie als Zuid-Koreaanse producenten produceren en verkopen spec-in-producten in de Unie. De Commissie heeft niet geconstateerd dat de vraag naar spec-in-producten als zodanig is gestegen. Zij stelde evenwel een mondiale verschuiving tussen leveranciers vast, waarbij de Koreaanse producent mettertijd meer orders voor spec-in producten kreeg toegewezen. |
|
(276) |
Voorts heeft de Commissie gekeken naar de ontwikkeling van de gecontracteerde hoeveelheden die in de beoordelingsperiode zijn geleverd door de producenten in de Unie en geconstateerd dat er weliswaar verschuivingen waren in de volumes tussen de leveranciers in de Unie, maar dat de algemene veranderingen in de geleverde volumes tijdens de beoordelingsperiode niet van invloed waren op de ontwikkeling van de schade-indicatoren, en meer in het bijzonder de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel, tijdens de beoordelingsperiode. |
|
(277) |
Daarom concludeerde de Commissie dat deze factor niet bijdroeg tot de geconstateerde schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
|
(278) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat SAP geen basisproduct is, en dat de onderhandelingen daarom niet gebaseerd zijn op prijzen, maar op kwaliteit. De gebruikers hebben specifieke SAP-kwaliteiten nodig voor specifieke toepassingen. Er worden dus enkel contracten gesloten met de producenten die het best aan de behoeften van de afnemers kunnen voldoen. |
|
(279) |
De Commissie merkte op dat SAP-producenten normaal gesproken een breed scala aan kwaliteiten voor specifieke toepassingen kunnen produceren, en dat zowel de producenten in de Unie als de Koreaanse producenten deze spec-in-producten produceren. Dit blijkt ook uit het feit dat veel gebruikers — met name grote gebruikers — een meerpartijenstrategie toepassen. Hieruit blijkt dat er vaak niet slecht één SAP-producent is met een specifieke kwaliteit die het best aan de eisen van de afnemers voldoet, maar meerdere. Logischerwijs zullen gebruikers, als op winst gerichte ondernemingen, in dit geval de kenmerkende voordelen van een bepaald SAP dat door verschillende leveranciers wordt aangeboden, afwegen tegen de meest kostenefficiënte inkoop. Dit verschilt van een situatie waarin gebruikers door kwaliteits- of technische problemen niet de mogelijkheid hebben om de goedkoopste leverancier te kiezen. De Commissie verwierp daarom het argument dat de onderhandelingen niet op prijzen, maar uitsluitend op kwaliteit zouden zijn gebaseerd. |
5.2.2. Prijsformule in contracten voor de levering van grondstoffen
|
(280) |
De coalitie van gebruikers stelde dat de bedrijfstak van de Unie schade leed als gevolg van de prijsformule in de leveringscontracten en dat de instelling van antidumpingmaatregelen bijgevolg geen prijsdalingen voor de producenten in de Unie zou verhinderen. De coalitie voerde aan dat de SAP-prijzen van de bedrijfstak van de Unie worden geïndexeerd op basis van de grondstofprijzen en dus meeschommelen met die prijzen, ongeacht het volume van de invoer uit het betrokken land. |
|
(281) |
Verder bracht zowel de coalitie van gebruikers als LG Chem naar voren dat het prijsformuleringsmechanisme in de leveringscontracten voor de SAP-leveranciers volstond om een voldoende niveau van winstgevendheid te realiseren, aangezien de stijgingen en dalingen van de grondstofkosten automatisch werden doorberekend in de eindprijs van SAP-producten. |
|
(282) |
Derhalve konden de beweerde winstgevendheidsverliezen zoals beschreven in de klacht niet worden veroorzaakt door de daling van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie die volgde op de prijsverlagingen van de invoer uit Zuid-Korea, maar kwamen deze voort uit de stijging van de kosten van de productievoorzieningen van de producenten in de Unie. |
|
(283) |
De Commissie heeft onderzocht welke gevolgen de prijsformule heeft voor de winstgevendheid. Wereldwijd is het de norm dat verkoopcontracten voor SAP een looptijd van een of meerdere jaren hebben. In die contracten wordt de prijs van SAP voor een bepaalde maand vaak gekoppeld aan de prijs van de voornaamste grondstoffen in het voorafgaande kwartaal. Door de vertraagde doorwerking van de grondstofprijs valt de winstmarge in de betrokken maand hoger of lager uit. De marge wordt negatief beïnvloed wanneer de grondstofprijs in het vorige kwartaal lager was dan in de huidige maand. Hoewel negatieve effecten mettertijd over het algemeen kunnen worden gecompenseerd door positieve effecten, constateerde de Commissie een algemeen negatief effect voor het OT. Dat effect was evenwel zodanig klein dat het slechts een zeer klein deel van de verliezen van de bedrijfstak van de Unie kon verklaren. Daarom concludeerde de Commissie dat deze factor niet kon bijdragen tot de geconstateerde schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
|
(284) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat er geen sprake was van prijsverlaging of prijsdruk. LG Chem voerde aan dat de prijsformules voor SAP, die de ontwikkeling van de grondstofprijzen weerspiegelen, en niet de invoer uit Korea de neerwaartse tendens van de prijzen verklaren en derhalve een depressief of suppressief effect op de binnenlandse prijzen hadden. De Commissie werd daarom geconfronteerd met andere elementen dan de invoer die de aanzienlijke verlaging van of druk op de binnenlandse prijzen kunnen verklaren. Bovendien lieten de prijzen van de invoer uit Korea en de prijzen van de bedrijfstak van de Unie dezelfde tendensen zien. |
|
(285) |
De Commissie heeft er rekening mee gehouden dat de prijsformules voor SAP de prijsontwikkeling van de grondstofprijzen weerspiegelen. Deze formules zorgen ervoor dat de winsten van SAP-producenten in bestaande verkoopcontracten voor een bepaalde periode niet worden beïnvloed door stijgende grondstofprijzen. Indien de prijsformules de enige verklaring voor de neerwaartse trend van de prijzen waren, hadden zij voor de Europese producenten een stabielere winstmarge moeten opleveren en slechts een gering prijseffect veroorzaakt, zoals beschreven in overweging 283, omdat de prijzen gekoppeld zijn aan de grondstofprijzen van het voorgaande kwartaal. Deze prijsformules kunnen echter niet alleen verantwoordelijk zijn voor de prijsontwikkeling bij heronderhandelingen of nieuw onderhandelde contracten, in vergelijking met bestaande oudere contracten. |
|
(286) |
De Commissie heeft daarom naast de prijsontwikkelingen in verband met de grondstofprijzen ook de prijsschommelingen in de beoordelingsperiode geanalyseerd. Tijdens de beoordelingsperiode daalden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie sterker dan de grondstofprijzen. Deze extra daling van de verkoopprijzen heeft de schade veroorzaakt, aangezien deze extra daling niet winstneutraal was. Het feit dat de prijzen van de invoer uit Korea en de prijzen van de bedrijfstak van de Unie zich, bij verschillende tarieven, in dezelfde richting en hebben ontwikkeld, is niet in tegenspraak met het feit dat er, boven de winstneutrale tendens als gevolg van de grondstofprijzen, een overlappende tendens was. Daarom verwierp de Commissie het argument dat zij geen rekening heeft gehouden met een factor die de neerwaartse druk op de prijzen verklaart. |
|
(287) |
LG Chem voerde verder aan dat de daling van de binnenlandse prijzen niet het gevolg is van een daling van het vaste element in de SAP-verkoopcontracten, maar van het variabele element dat de prijswijzigingen van de grondstoffen C3 en NaOH weerspiegelt. LG Chem voerde aan dat het grootste deel van de prijsdaling van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie tussen 2017 en 2020 werd veroorzaakt door de C3- en NaOH-prijzen, die in dezelfde periode met 18 % daalden, terwijl het vasteprijselement volgens de berekeningen van LG Chem in dezelfde periode slechts met 12 % daalde. LG Chem voerde ook aan dat de winstgevendheid van de producenten in de Unie op de markt van de Unie correleert met de winstgevendheid op de uitvoermarkten van de producenten in de Unie, wat een nadere aanwijzing zou zijn dat externe elementen die van invloed zijn op de mondiale SAP-markten, namelijk de SAP-prijsformule en kostenbeperkingen, de oorzaak zijn. |
|
(288) |
Zoals hierboven vermeld, heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat veranderingen in grondstoffen van invloed zijn op de verkoopprijs. De prijsformules verbinden de verkoopprijs echter precies met het oog op het behoud van een stabiel winstniveau en het behoud van veranderingen in de grondstoffenneutraliteit met betrekking tot de winstmarge. Daarom zijn de veranderingen in het vaste bedrag van de prijsformule met betrekking tot nieuwe contracten of nieuwe onderhandelingen het element dat van invloed is op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie. Als alleen de door de grondstofprijzen veroorzaakte veranderingen zouden hebben plaatsgevonden, zou de winstgevendheid in de beoordelingsperiode stabieler zijn geweest. Hieruit blijkt dat de prijsdruk van de Koreaanse invoer op de onderhandelingen over het prijselement van het contract het gevolg is van de daling van de winstgevendheid en niet van de veranderende grondstofprijzen. Het feit dat de prijsdruk ook parallel op de uitvoermarkten plaatsvindt, is niet in tegenspraak met de analyse die met betrekking tot de markt van de Unie is verricht. Derhalve wees de Commissie het argument af. |
5.2.3. Invoer uit derde landen
|
(289) |
De invoer uit andere derde landen heeft zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 — Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(290) |
De invoer uit Japan daalde eerst, met 28 % van 2017 op 2018 en met 25 % van 2018 op 2019, om vervolgens aanzienlijk te stijgen in het OT, met 75 %. De invoer uit Japan werd verricht door een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, Nippon Shokubai Europe, die naast de eigen productie ook door haar moederbedrijf Nippon Shokubai Japan (“Nippon Shokubai”) geproduceerde SAP wederverkoopt. Tot 2019 voerde Nippon Shokubai een strategie waarbij zij de Japanse invoer verminderde ten faveure van haar Europese productie, wat terug te zien is in het hogere productievolume en investeringen, waardoor de Europese capaciteit in 2018 aanzienlijk steeg. Mettertijd vroegen echter steeds meer afnemers van Nippon Shokubai Europe om lagere prijzen als gevolg van de druk door de laaggeprijsde invoer uit Zuid-Korea. Bijgevolg heeft Nippon Shokubai haar strategie tijdens het OT aangepast. |
|
(291) |
Om te blijven concurreren met de invoer uit Zuid-Korea en het verkoopvolume in Europa niet te verliezen heeft Nippon Shokubai Europe de wederverkoop van in Japan geproduceerde SAP opgeschroefd. |
|
(292) |
Hoewel de prijzen van de Japanse en de Zuid-Koreaanse invoer over het algemeen een grotendeels vergelijkbare trend volgden (zoals die van de bedrijfstak van de Unie), is er een opmerkelijke uitzondering: de Zuid-Koreaanse invoerprijzen daalden in 2019 aanzienlijk, terwijl de Japanse prijzen nog stegen en de prijzen van de bedrijfstak van de Unie min of meer stabiel bleven. Deze situatie was onhoudbaar en zowel de Japanse bedrijfstak als die van de Unie was genoodzaakt te volgen en de prijzen aanzienlijk te verlagen tijdens het OT. |
|
(293) |
Ook de marktaandelen maakten een ontwikkeling van betekenis door. Over de gehele beoordelingsperiode nam het marktaandeel van de Republiek Korea met 4 procentpunten toe. Daarentegen daalde de invoer uit Japan eerst aanzienlijk in 2018 en 2019 om vervolgens pas in het OT te stijgen als gevolg van de prijsdruk van de invoer uit Zuid-Korea, waardoor de Europese productie onrendabel werd. Het volume van de invoer uit Japan was bijgevolg tijdens het OT groter dan aan het begin van het tijdvak van het onderzoek naar de schade, en het marktaandeel van Japan steeg tijdens het gehele schadetijdvak met 20 %. |
|
(294) |
Het dossier omvat geen bewijsmateriaal dat erop wijst dat de Japanse invoer onderhevig was aan dumping. Het effect van de Zuid-Koreaanse uitvoer in de beoordelingsperiode was bijgevolg — ongeacht of de invoer uit Japan heeft bijgedragen tot de schade van andere producenten in de Unie — aanzienlijk groter vanwege de lagere prijs en de grotere volumestijging in die periode. |
|
(295) |
Bovendien bleef de verkoop van zijn in Europa geproduceerde SAP verlieslijdend voor Nippon Shokubai Europe. |
|
(296) |
De invoer uit Turkije is in de beoordelingsperiode met 25 % gestegen. In die periode is het marktaandeel gestegen van [6 % – 8 %] tot [7 % – 9 %]. De gemiddelde prijs van die invoer ontwikkelde zich op dezelfde wijze als de prijs van de invoer uit de Republiek Korea, maar was tussen 2018 en het OT op een lager niveau vastgesteld. Tijdens het onderzoektijdvak onderbood de invoer uit Turkije de prijzen van de Zuid-Koreaanse bedrijfstak en die van de Unie met respectievelijk 3 % en 14 %. De Turkse invoer moet daarom worden beschouwd als een factor die heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(297) |
Aangezien het volume van die invoer steeds minder dan de helft van de invoer uit de Republiek Korea bedroeg, spreekt het vanzelf dat de invoer uit de Republiek Korea een belangrijkere oorzakelijke factor was. |
|
(298) |
In de beoordelingsperiode zijn het volume van invoer en het marktaandeel van de VS met 24 % gedaald. Parallel hieraan is de gemiddelde prijs ervan met 22 % gestegen. De invoer uit de VS kon derhalve niet hebben bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Unie in deze periode heeft geleden. |
|
(299) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen verzocht LG Chem om aanvullende informatie over de methode die werd gebruikt om de invoervolumes en -waarden uit Korea en Japan te bepalen. In de aanvullende mededeling van 8 februari 2022 heeft de Commissie verduidelijkt dat voor de invoer uit derde landen gebruik is gemaakt van invoergegevens van Eurostat op basis van GN-codes. Voor Japan werd de Eurostat-informatie voor GN-code 3906 90 90 met betrekking tot Japan gecontroleerd aan de hand van de vertrouwelijke informatie in het dossier. Zoals uiteengezet in overweging 195 van het algemene informatiedocument, gebeurde de invoer uit Japan door een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Aangezien de cijfers afkomstig zijn van één producent, zijn zij vertrouwelijk. Voor Korea heeft de Commissie aangepaste cijfers verstrekt, zoals besproken in de overwegingen 159 tot en met 163. |
|
(300) |
In reactie op de opmerking van LG Chem dat de voor de Japanse invoer vastgestelde bandbreedtes geen goede vergelijking met de Koreaanse invoer of de prijzen van de bedrijfstak van de Unie mogelijk maken, wees de Commissie op het feit dat de gegevens vertrouwelijk zijn en dat kleinere bandbreedtes de vertrouwelijkheid van de gegevens niet zouden waarborgen. |
|
(301) |
LG Chem betoogde ook dat de schade voornamelijk werd veroorzaakt door de invoer uit Japan. Ter ondersteuning van haar argument voerde LG Chem aan dat de Koreaanse invoer op zijn piek in 2019 de bedrijfstak van de Unie niet belette het vaste element van zijn prijs te verhogen. Het vaste element daalde pas in 2020, toen de invoer uit Korea afnam, maar de prijzen van de bedrijfstak van de Unie daalden meer om de daling van de prijzen van de invoer uit Japan te volgen. |
|
(302) |
Het argument van LG Chem wijst slechts op een geïsoleerde vergelijking van de jaren 2019 en 2020. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met het feit dat SAP-contracten gedurende ten minste een jaar regelmatig worden gesloten, maar ook als meerjarige contracten en dat de prijsonderhandelingen regelmatig plaatsvinden in het jaar voorafgaand aan het begin van het contract. Dit betekent dat over de prijzen voor contracten die in 2020 van start gingen, in 2019 was onderhandeld, en dat in 2018 reeds werd onderhandeld over meerjarencontracten die in 2019 van start gingen. |
|
(303) |
De invoer uit Japan was in 2018 echter met 28 % afgenomen, en in 2019 zelfs met 57 % ten opzichte van 2017. Ook het volume van de invoer uit Japan, zelfs aan de bovenzijde van het in tabel 11 weergegeven bereik, maakt in 2019 niet eens de helft uit van de invoer uit Korea in dezelfde periode. Uit een vergelijking van de invoer uit Japan in overweging 113 van de klacht voor de periode van juli 2019 tot en met juni 2020, [63 000 – 67 000 ton] met de invoer voor het gehele jaar 2020 zoals weergegeven in tabel 11, [105 000-115 000 ton], blijkt voorts dat de stijging van de Japanse invoer meestal pas in de tweede helft van 2020 plaatsvond. |
|
(304) |
Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat de toename van de Japanse invoer in 2020 gevolgen heeft gehad voor de prijsonderhandelingen voor de verkopen in 2020, maar het is logisch dat het eventuele bijkomende effect van de Japanse invoer van 2020 pas vanaf 2021 zal plaatsvinden. Het tegendeel is waar: zoals LG Chem ook toegeeft, is de invoer uit Korea in 2018 aanzienlijk toegenomen en bereikte deze, met een stijging van 38 %, zijn hoogtepunt in 2019, de twee jaar waarin de meeste prijsonderhandelingen voor 2020 plaatsvonden. Het feit dat de invoer uit Japan alleen in de tweede helft van 2020 aanzienlijk is toegenomen, toont aan dat deze invoer een reactie is op de prijsdruk die door de Koreaanse invoer wordt uitgeoefend, zoals vermeld in overweging 291. De Commissie heeft daarom het argument verworpen dat de toename van de invoer uit Japan in 2020 een oorzakelijke factor is van de neerwaartse druk op de prijzen in 2020 op de markt van de Unie. |
|
(305) |
LG Chem voerde verder aan dat de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie overeenkwamen met de prijzen van de invoer uit Japan en niet uit Korea. |
|
(306) |
LG Chem heeft geen correlatie tussen de prijzen van de producenten in de Unie en de Japanse invoerprijzen aangetoond. Tussen 2017 en 2018 stegen de prijzen van de producenten in de Unie en de prijzen van de invoer uit Korea met een vergelijkbaar percentage, terwijl de Japanse invoerprijzen slechts marginaal stegen. Tussen 2018 en 2019 stegen de prijzen van de invoer uit Japan duidelijk met 4 procentpunten, terwijl de prijzen van de producenten in de Unie daalden, evenals de prijzen van de invoer uit Korea. Pas vanaf 2019 tot het einde van het OT is er een duidelijke correlatie, wat erop wijst dat zowel de producenten in de Unie als de Japanse invoer in 2019 onder de prijsdruk stonden van de recordinvoer uit Korea. |
|
(307) |
LG Chem voerde ook aan dat NSE haar strategie niet heeft aangepast, aangezien zij de verkoop in de Unie in het OT stabiel hield, bovenop de aanzienlijke invoer uit Japan. Bovendien kunnen de leveranciers volgens LG Chem niet van de ene op de andere dag worden overgeschakeld als gevolg van een langdurig onboardingproces van de gebruikers. NSE voerde een afbraakstrategie op lange termijn uit om de markt van de Unie te bevoorraden vanuit zowel Japanse als EU-fabrieken, door de capaciteit in de Unie en de verkoop te vergroten ten nadele van andere producenten in de Unie. |
|
(308) |
De Commissie merkte op dat de invoer uit Japan, met inbegrip van de invoer van NSE, aanzienlijk is gedaald van 2017 tot 2019 en pas in het OT is gestegen. Hieruit blijkt dat er een aanpassing van de strategie heeft plaatsgevonden om de wederverkoop van Japanse invoer te vervangen door lokale productie in de EU. Alleen in reactie op de concurrentie van laaggeprijsde Koreaanse invoer nam de Japanse invoer eind 2020 toe. Dergelijke aanpassingen kunnen sneller plaatsvinden tussen dochterondernemingen van een multinationale groep, met een kortere aanpassingstijd aan de kant van de gebruiker. Dit komt ook overeen met het feit dat de invoer uit Japan daalde terwijl de productiecapaciteit in de Unie werd verhoogd. Derhalve wees de Commissie het argument af. |
|
(309) |
LG Chem voerde voorts aan dat de Commissie het marktaandeel van Japan waarschijnlijk onderschat door andere Japanse leveranciers, zoals Sumitomo Seika, niet in aanmerking te nemen. |
|
(310) |
De Commissie heeft de Eurostat-gegevens vergeleken met de beschikbare gegevens in het dossier, met inbegrip van de door de gebruikers verstrekte informatie. Het dossier bevatte geen aanwijzingen dat de invoer door andere Japanse leveranciers werd onderschat. Derhalve wees de Commissie het argument af. |
|
(311) |
Tot slot betoogde LG Chem dat de Commissie, voor zover de Turkse invoer de bedrijfstak van de Unie schade heeft berokkend, ervoor had moeten zorgen dat de schadelijke gevolgen van de invoer uit Turkije werden gescheiden, en niet aan de invoer uit Korea werden toegeschreven. |
|
(312) |
De Commissie merkte in de overwegingen 296 en 297 op dat de invoer uit Turkije in de beoordelingsperiode niet aanzienlijk is toegenomen en in absolute cijfers evenmin kan worden vergeleken met de invoer uit Korea. De Commissie heeft daarom het argument verworpen dat zij gevolgen van de invoer uit Turkije aan de Koreaanse invoer heeft toegeschreven. |
5.2.4. Uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(313) |
In haar opmerkingen inzake de opening van het onderzoek heeft LG Chem de Commissie verzocht na te gaan of de welbewuste focus van de bedrijfstak van de Unie op de uitvoer heeft bijgedragen tot de schade. |
|
(314) |
Het volume van de uitvoer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie heeft zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 12 — Uitvoerprestatie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(315) |
De gemiddelde prijs van die uitvoer nam eerst toe, met 23 % in 2018. Dat niveau daalde vervolgens in 2019, toen het 18 % hoger uitkwam dan in 2017, en daalde in het onderzoektijdvak verder tot een niveau onder dat van 2017 (-2 %). De gemiddelde prijs van die uitvoer was tijdens de gehele beoordelingsperiode lager dan die van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie, en bleef stabiel. Het uitvoervolume lag steeds onder het volume dat de bedrijfstak van de Unie realiseerde op de markt van de Unie, ook al nam het totale uitvoervolume tijdens de beoordelingsperiode met 45 % toe. |
|
(316) |
De uitvoerprijzen hielden tijdens de beoordelingsperiode meer gelijke tred met de ontwikkeling van de grondstofprijzen en stonden zodoende tijdens de beoordelingsperiode niet in dezelfde mate onder druk als de verkoopprijzen op de markt van de Unie (zie tabel 5). Bovendien hadden zij, gelet op de gestegen uitvoer, geen bijkomende negatieve effecten op de vaste prijs per geproduceerde eenheid. De Commissie concludeerde bijgevolg dat de uitvoerprestatie niet in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. |
|
(317) |
Gezien de reserveproductiecapaciteit waarover de producenten in de Unie in 2018 beschikten, zijn er evenmin aanwijzingen dat de producenten in de Unie doelbewust hun marktaandeel in de EU verkleinden ten gunste van verkoop buiten de EU. De reservecapaciteit zou de producenten in de Unie in staat hebben gesteld de verkoop buiten de EU te verhogen zonder marktaandeel te verliezen in de EU. |
|
(318) |
Daarom heeft de Commissie het argument dat de welbewuste focus van de bedrijfstak van de Unie op de uitvoer heeft bijgedragen tot de schade, verworpen. |
|
(319) |
In vervolg op de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de verkoop op de markt van de Unie niet verloren was gegaan voor de bedrijfstak van de Unie, maar dat zij de markt van de Unie verlegde naar uitvoermarkten. Voorts wees LG Chem erop dat de Commissie in een onderzoek van 2007 naar pentaerytritol heeft geoordeeld dat een lichte stijging van het uitvoervolume tegen verkoopprijzen die lager waren dan de gemiddelde verkoopprijzen op de markt van de Unie, een negatief effect had op de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(320) |
De Commissie merkte op dat de bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie in het OT slechts [78 % – 80 %] bedroeg. Dit bevestigt dat de bedrijfstak van de Unie de uitvoer ook had kunnen verhogen zonder minder op de markt van de Unie te verkopen. In tegenstelling tot het onderzoek naar pentaerytritol zoals beschreven in overweging 316, droeg de toegenomen uitvoer dus niet significant bij tot de aanmerkelijke schade. |
|
(321) |
Het argument werd daarom van de hand gewezen. |
5.2.5. COVID-19-pandemie
|
(322) |
LG Chem stelde ook dat de economische achteruitgang als gevolg van de COVID-19-pandemie in aanmerking moest worden genomen als factor die de bedrijfstak van de Unie mogelijk schade heeft berokkend vanaf medio 2019 tot en met 2020. De onderneming verzocht de Commissie te onderzoeken in hoeverre die factor heeft bijgedragen tot de schade van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(323) |
SAP worden voornamelijk gebruikt voor basisbehoeften op het gebied van hygiëne en ondervonden bijgevolg geen negatieve gevolgen van de COVID-19-pandemie. Begin 2020 leidde angst op de markt tot een stijging van de vraag naar hygiëneproducten en derhalve naar SAP. Die vraag stabiliseerde in de loop van het jaar. Tijdens de pandemie werd de productie evenmin op ingrijpende wijze stilgelegd. Er zijn geen andere negatieve effecten van de COVID-19-pandemie op de SAP-fabrikanten geconstateerd. Daarom heeft de Commissie het argument dat de COVID-19-pandemie heeft bijgedragen tot de schade verworpen. |
5.2.6. Schade als gevolg van de kosten van capaciteitsuitbreiding
|
(324) |
De coalitie van gebruikers en LG Chem brachten verder naar voren dat het verlies van de winstgevendheid dat de bedrijfstak van de Unie aanvoerde in de klacht, het gevolg kon zijn van buitengewone uitgaven in plaats van de normale bedrijfsvoering. Zij merken op dat de investeringen van de bedrijfstak van de Unie in capaciteitsuitbreidingen — zoals beschreven in overweging 205 — in dit verband een rol kunnen hebben gespeeld door de productiekosten op te drijven. |
|
(325) |
LG Chem voegde daaraan toe dat dergelijke buitengewone uitgaven ook verband kunnen houden met de investeringen van de bedrijfstak van de Unie in de ontwikkeling van nieuwe technologieën, die — net als de investeringen in de productiecapaciteit — hebben bijgedragen tot de stijging van de productiekosten. |
|
(326) |
De Commissie merkte op dat het tot de normale bedrijfsvoering van SAP-fabrikanten hoort om te investeren in nieuwe productiefaciliteiten, met name wanneer zij hun capaciteit bijna volledig benutten, wat het geval was aan het begin van de beoordelingsperiode. De capaciteitsuitbreiding was niet onredelijk groot, zeker gelet op de efficiëntievoordelen die een hogere capaciteit oplevert voor de productie. Bovendien verzocht de Commissie de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie eventuele buitengewone effecten van waardeverminderingen of buitengewone afschrijvingen van de schade-indicatoren uit te sluiten. |
|
(327) |
Daarom heeft de Commissie het argument dat de kosten van capaciteitsuitbreidingen hebben bijgedragen tot de schade, verworpen. |
5.2.7. Aanzienlijke O&O-kosten
|
(328) |
LG Chem voerde aan dat de producenten in de Unie hebben ingezet op de ontwikkeling van nieuwe materialen, waar aanzienlijke O&O-kosten mee gemoeid zijn die onvermijdelijk leiden tot een aanmerkelijke stijging van de kosten. |
|
(329) |
Het behoort tot de normale bedrijfsvoering van SAP-producenten om te investeren in de ontwikkeling van nieuwe soorten SAP. Ook LG Chem investeert op reguliere basis in de ontwikkeling van nieuwe soorten SAP en wees uitdrukkelijk op het belang van dergelijke investeringen in het kader van spec-in-SAP. Het feit dat met O&O kosten gemoeid zijn, valt derhalve onder de normale bedrijfsvoering. Bij de controle van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie kwamen geen onredelijk hoge O&O-kosten aan het licht. |
|
(330) |
Daarom heeft de Commissie het argument dat de O&O-kosten hebben bijgedragen tot de schade van de bedrijfstak van de Unie, verworpen. |
5.2.8. Mondiale prijsonderhandelingen
|
(331) |
Na de definitieve mededeling van feiten en overwegingen voerde LG Chem aan dat de prijzen met een klein aantal mondiale afnemers op mondiaal niveau worden vastgesteld, en niet op basis van individuele tendensen op de markt van de Unie. |
|
(332) |
Ten eerste werken niet alle SAP-gebruikers op mondiaal niveau, zoals wordt aangetoond door verschillende gebruikers die zich in de procedure kenbaar hebben gemaakt en hun volledige productie in de Unie hebben. LG Chem heeft in haar argument niet vermeld of onderbouwd op welk aandeel van de verkoop in de Unie het beginsel van mondiale prijsonderhandelingen van toepassing is. Ten tweede wordt bij deze prijsonderhandelingen — zelfs in gevallen waarin over prijzen op mondiaal niveau wordt onderhandeld — noodzakelijkerwijs rekening gehouden met het prijsniveau op de markt van de Unie. Geen enkele mondiale speler zal een hogere mondiale prijs betalen als een goedkoper aanbod op de markt van de Unie mogelijk is. Tegelijkertijd is een wereldwijd contract, waarin een leverancier toezegt aan de Unie te leveren tegen dumpingprijzen en schade veroorzakende prijzen, geen rechtvaardiging voor dergelijke dumping. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen. |
5.3. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(333) |
Een vergelijking van de invoersituatie met die van de bedrijfstak van de Unie aan het begin en het eind van de beoordelingsperiode laat duidelijk zien dat de invoer uit het betrokken land aanzienlijk steeg en dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie verslechterde. Meer bepaald verslechterde de situatie aanzienlijk in 2019 en 2020. De Zuid-Koreaanse prijzen daalden sterk in 2019, terwijl de prijzen van de bedrijfstak van de Unie (en Japan) stabiel bleven. Dit ging evenwel ten koste van hun verkoopvolume, aangezien de Republiek Korea haar verkoop aanzienlijk opschroefde. In reactie hierop volgde de bedrijfstak van de Unie de door de Republiek Korea in gang gezette prijsontwikkeling en stelde de verkoopprijzen in 2020 naar beneden bij, maar desondanks bleef het verkoopvolume op de markt sterk dalen. De invoer met dumping uit de Republiek Korea heeft de bedrijfstak van de Unie sinds 2017 aanmerkelijke schade berokkend door de grootschalige marktpenetratie die ten koste ging van de bedrijfstak van de Unie. Wat de prijzen betreft, zorgde het stijgende marktaandeel van de invoer voortdurend voor onderbieding van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, en voor aanzienlijke prijsdruk en verhindering van prijsverhogingen, in overeenstemming met de stijgingen van de grondstoffenkosten, die nochtans noodzakelijk waren voor de bedrijfstak van de Unie om een redelijk winstniveau te kunnen behalen. |
|
(334) |
Andere factoren, zoals dalingen van het verkoopvolume en verschuivingen in verband met spec-in-SAP of schommelingen van de grondstoffenprijzen, hebben niet bijgedragen tot de geconstateerde schade van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(335) |
De invoer uit Japan en die uit Turkije hadden op hun beurt een beperkt effect op de bedrijfstak. De invoer uit Turkije had een vergelijkbare prijs als de invoer uit Zuid-Korea, zij het tegen veel lagere volumes, en derhalve heeft die invoer het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de schade voor de bedrijfstak van de Unie niet afgezwakt, evenmin als de Japanse invoer dat heeft gedaan. Die invoer daalde tijdens de beoordelingsperiode en steeg alleen in het OT aanzienlijk. Evenwel bleef de invoer uit Japan gehandhaafd op een hoger prijsniveau dan de invoer uit Zuid-Korea. De invoer uit Zuid-Korea tegen veel lagere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Unie vormt de hoofdreden waarom de bedrijfstak van de Unie de verkoop zag dalen en zijn prijzen niet kon laten meestijgen met de productiekosten, wat grote verliezen op het gebied van winstgevendheid tot gevolg had. |
|
(336) |
Op basis van het voorgaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, werd veroorzaakt door de invoer met dumping uit het betrokken land en dat de andere factoren, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de aanmerkelijke schade niet hebben afgezwakt. |
|
(337) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Unie heeft toegebracht. De schade blijkt duidelijk uit de ontwikkeling van de productie, de bezettingsgraad, het verkoopvolume op de markt van de Unie, het marktaandeel, de werkgelegenheid, de gemiddelde verkoopprijs per eenheid op de markt van de Unie, de productiekosten, de eindvoorraden, de winstgevendheid en het rendement van investeringen, afgezet tegen de ontwikkeling van de volumes en prijzen van de invoer uit Zuid-Korea (zowel in absolute termen als in vergelijking met andere marktspelers). |
6. BELANG VAN DE UNIE
|
(338) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of duidelijk kon worden geconcludeerd dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen te nemen, ondanks de vaststelling van schade veroorzakende dumping. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie en gebruikers. Aangezien het product hoofdzakelijk direct aan de afnemers wordt verkocht, hebben geen niet-verbonden importeurs aan de procedure deelgenomen. |
6.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(339) |
De instelling van maatregelen zal de marktomstandigheden van de producenten in de Unie verbeteren; zij zullen daardoor hun concurrentiepositie op de markt kunnen verbeteren en het verloren verkoopvolume en marktaandeel kunnen terugwinnen. Aangezien de prijsdruk van oneerlijke invoer daarbij zal worden opgeheven, zal de bedrijfstak van de Unie in staat worden gesteld de verkoopprijzen te verhogen en een duurzame winstgevendheid te realiseren. |
|
(340) |
Het niet-instellen van maatregelen zou aanzienlijke negatieve effecten hebben op de bedrijfstak van de Unie, aangezien de invoer zou blijven toenemen en de prijzen in de Unie verder onder druk zou zetten. Dit zou leiden tot negatieve effecten voor de productie- en verkoopvolumes en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie. Dat zou weer een negatieve invloed hebben op de financiële indicatoren van de bedrijfstak van de Unie; in het bijzonder zou de reeds verliesgevende situatie nog worden verergerd, met alle negatieve gevolgen van dien voor de investeringen en de werkgelegenheid in de Unie. |
|
(341) |
Derhalve is de instelling van maatregelen duidelijk in het belang van de bedrijfstak van de Unie. |
6.2. Belang van de gebruikers
|
(342) |
In het kader van het onderzoek hebben verschillende gebruikers zich gemeld, maar slechts twee van hen hebben de vragenlijst ingevuld. Beide gebruikers produceerden voornamelijk gezondheidsproducten voor volwassenen. Hun antwoorden waren zeer onvolledig en slechts een van de ondernemingen gaf binnen de gestelde termijn gehoor aan het verzoek van de Commissie om aanvullende informatie te verstrekken, maar het antwoord was alsnog onvolledig. Derhalve kon de Commissie voor een van de gebruikers het effect van de antidumpingrechten niet beoordelen. Ondanks de onvolledige antwoorden op de vragenlijst is de Commissie er wel in geslaagd het effect van de maatregelen op de tweede gebruiker te ramen. Voor die onderneming waren SAP goed voor [5 % tot 15 %] van de productiekosten, zij het dat slechts ongeveer een derde van deze SAP was aangevoerd uit de Republiek Korea. De onderneming liet voorts zien dat meerjarencontracten met de volksgezondheidssector en verzekeringsmaatschappijen verhinderden dat extra productiekosten konden worden doorberekend voor belangrijke afzetmarkten. De onderneming toonde ook aan dat verschillende landen bezuinigingen doorvoerden in de gezondheidssector, waardoor de onderneming onder druk kwam te staan om de verkoopprijzen te verlagen. Ondanks deze problemen en in het bijzonder de bezuinigingen in de volksgezondheidssector die gevolgen hadden voor de verkoop van de gebruikers, boekte de onderneming een gezonde winst van [10 % tot 20 %]. De Commissie concludeerde derhalve dat maatregelen ten belope van 14,7 % op [5 % tot 15 %] van haar productiekosten konden worden geabsorbeerd of in elk geval aan de consument konden worden doorberekend. |
|
(343) |
Vier andere gebruikers — Procter & Gamble, FATER en Essity plus een coalitie van vier gebruikers — brachten hun argumenten naar voren tijdens hoorzittingen en in ingediende stukken. Alle gebruikers waren uitgesproken tegenstander van de maatregelen. |
|
(344) |
Procter & Gamble stelde dat toegang tot alle SAP-leveranciers, waaronder de Zuid-Koreaanse, van cruciaal belang was om een strategie met meerdere leveranciers te blijven voeren teneinde een stabiele bevoorrading te waarborgen, in het bijzonder voor spec-in-SAP, die niet door alle SAP-producenten kunnen worden geproduceerd. De producenten in de Unie hebben onvoldoende capaciteit om de vereiste hoeveelheden van de specifieke SAP van de 8e generatie die Procter & Gamble nodig heeft te produceren. Indien Procter & Gamble zou worden gedwongen andere SAP te gebruiken die niet voldoen aan de specificaties van SAP van de 8e generatie, zou de onderneming worden geconfronteerd met aanzienlijke kosten voor het aanpassen van de verpakking en het vervoer en zou dat een negatief milieueffect hebben doordat de hoeveelheid afval dan toeneemt. Bovendien vergt een verandering van SAP een aanpassingsprocedure die ten minste zes maanden in beslag zal nemen. |
|
(345) |
FATER bracht soortgelijke argumenten naar voren over de stabiliteit van de aanvoer en de ontoereikende productiecapaciteit voor SAP van de 8e en 9e generatie, en over de benodigde aanpassingsperiode van zes tot negen maanden. Volgens FATER zou de verplichting om andere soorten SAP te gebruiken negatieve gevolgen hebben voor de onderneming omdat dit zou leiden tot denormalisatie en het een zevencijferig bedrag in EUR aan extra kosten zou opleveren. |
|
(346) |
Een derde gebruiker voerde soortgelijke argumenten aan wat betreft de stabiliteit van de aanvoer, de aanpassingskosten bij verandering van SAP en de milieueffecten. |
|
(347) |
De coalitie van gebruikers en een andere gebruiker stelden dat de instelling van antidumpingmaatregelen, gelet op het risico dat een van de producenten in de Unie overweegt zijn SAP-activiteiten te verkopen, een duopolie zou versterken en de concurrentie op de markt van de Unie in gevaar zou brengen. |
|
(348) |
Ook de medewerkende producent-exporteur wees op het risico dat de antidumpingmaatregelen de eerlijke concurrentie op de markt van de Unie zouden kunnen ondermijnen. |
|
(349) |
Een andere SAP-gebruiker, Essity, bracht soortgelijke argumenten naar voren. Deze stelde dat de bedrijfstak van de Unie zonder concurrentiedruk nauwelijks zou worden aangespoord om de productie te diversifiëren en nieuwe oplossingen te ontwikkelen die tegemoetkomen aan de veranderende behoeften van de afnemers, waardoor Essity zou worden belemmerd in haar streven naar diversificatie en afhankelijk zou worden van slechts enkele producenten in de Unie. |
|
(350) |
De Commissie is van mening dat de coalitie van gebruikers onvoldoende bewijsmateriaal heeft aangeleverd om haar bewering te ondersteunen dat de markt van de Unie een duopolie zou worden indien de antidumpingrechten worden ingesteld. De coalitie vond niet dat de invoer met dumping en de daardoor veroorzaakte daling van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie niet leidt tot een groter risico dat een producent in de Unie de markt zou verlaten. |
|
(351) |
Uit de informatie die tijdens het onderzoek werd verzameld, kwam bovendien geen bewijs naar voren van mededingingverstorende praktijken door de bedrijfstak van de Unie. Integendeel, er werd specifiek bewijsmateriaal verzameld waaruit bleek dat de bedrijfstak in staat en bereid is om het betrokken product aan alle gebruikers te leveren. |
|
(352) |
De Commissie concludeerde dat de maatregelen zullen leiden tot hogere productiekosten voor de gebruikers en niet in het belang van de gebruikers zijn. Aangezien het beoogde bedrag van de rechten geen belemmerende werking zal hebben, gezien het feit dat SAP slechts [5 % tot 15 %] van de productiekosten van luiers voor volwassenen of voor baby’s uitmaken, heeft de Commissie geconcludeerd dat het belang van de gebruikers om rechtenvrij toegang te hebben tot alle SAP-leveranciers wereldwijd niet opweegt tegen het belang van de bedrijfstak van de Unie om te worden beschermd tegen invoer met dumping. |
|
(353) |
In hun opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen waren P&G en Fater het niet eens met de verklaring in overweging 351 met betrekking tot het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om aan elke gebruiker van het betrokken product te leveren. Zij voerden aan dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat is de gevraagde hoeveelheden van de 8e en de 9e generatie SAP te leveren, aangezien hij voor dit specifieke SAP-product onvoldoende productiecapaciteit heeft. |
|
(354) |
Coalitie H heeft in haar opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen soortgelijke argumenten naar voren gebracht. De coalitie was het ook niet eens met de conclusie van de Commissie over het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om aan elke gebruiker van het betrokken product te leveren. Zij voerde aan — en verstrekte hierbij bewijsmateriaal — dat SAP-gebruikers stelselmatig te maken kregen met verstoringen van de toeleveringsketen op de markt van de Unie en niet in staat waren de voor de productie nodige kwaliteit en kwantiteit SAP te waarborgen. De coalitie concludeerde dat de bedrijfstak van de Unie, gezien de bestaande verstoringen van de toeleveringsketen, het verlies aan concurrerende SAP-invoer van buiten de EU niet zou kunnen compenseren. |
|
(355) |
Het bewijsmateriaal dat P&G en Fater en Coalitie H hebben geleverd om een aanbodtekort aan te tonen, heeft voornamelijk betrekking op de periode na het OT, maar ook op het tweede en het derde kwartaal van het OT. Uit het in het OT verstrekte bewijsmateriaal blijkt dat de COVID-lockdown in de periode van maart tot en met juni 2020 een tijdelijk effect had op een van de Europese leveranciers. Uit de gegevens bleek echter ook dat dit een tijdelijke en uitzonderlijke situatie was, aangezien de leveringen na de lockdown snel waren hervat. Bovendien wezen de gegevens niet op dezelfde moeilijkheden voor de gehele bedrijfstak van de Unie. Integendeel, de gegevens lijken erop te wijzen dat het aanbodtekort van één producent in de Unie gedeeltelijk werd gecompenseerd door een groter aanbod van andere producenten in de Unie (in combinatie met invoer van buiten de EU). De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat er tijdens het OT onvoldoende bewijs was om te concluderen dat de bedrijfstak van de Unie onder normale zakelijke omstandigheden niet in staat zou zijn aan de betrokken gebruikers te leveren. |
|
(356) |
Al het resterende bewijsmateriaal had betrekking op de periode na het OT, die werd getroffen door verstoringen van de aanvoer uit het buitenland en het wereldwijde vervoerstekort als gevolg van de COVID-19-pandemie, waardoor de vraag naar Europees SAP toenam. Dit waren echter tijdelijke en niet structurele verschijnselen die naar verwachting zouden verdwijnen naarmate de toeleveringsketens zich aanpassen aan de gevolgen van de COVID-19-pandemie. Zoals verschillende gebruikers aanvoeren, kan de aanpassing aan een nieuwe leverancier immers vaak niet onmiddellijk plaatsvinden en worden leveringscontracten regelmatig gesloten voor een periode van ten minste één jaar. Deze structuur van langetermijncontracten biedt de bedrijfstak van de Unie enige tijd om zich aan te passen, met name gezien zijn bewezen vermogen om aanzienlijke investeringen te doen. Bovendien wees het door Coalitie H verstrekte bewijsmateriaal niet op belangrijke structurele problemen die van invloed zijn op het vermogen of de bereidheid van de Europese producenten om onder normale marktvoorwaarden te leveren. Zo werd in e-mails met betrekking tot Nippon Shokubai alleen gewezen op problemen in verband met de levering door haar Japanse fabriek, niet door de Europese fabriek. Al het bewijsmateriaal dat over BASF werd ingediend, had alleen betrekking op een onverwachte en tijdelijke kwestie die van invloed was op één SAP-graad. Ook het bewijs betreffende de andere twee Europese producenten heeft geen structurele leveringsproblemen aan het licht gebracht. |
|
(357) |
Wat P&G betreft, voerde de coalitie niet aan dat de producenten in de Unie niet in staat waren de 8e en de 9e generatie SAP te produceren, maar alleen dat de productiecapaciteit die momenteel aan dit SAP is aangepast en daaraan is gewijd, niet toereikend is om aan de vraag van P&G te voldoen. De bedrijfstak van de Unie heeft zich echter bereid getoond om tijdens het onderzoektijdvak te investeren, wat erop wijst dat de bestaande reservecapaciteit indien nodig kan worden aangepast of uitgebreid. De Commissie verwierp daarom het argument dat zij geen rekening had gehouden met het bewijsmateriaal dat was verstrekt door P&G, Fater en Coalitie H. |
|
(358) |
P&G en Fater voerden voorts aan dat de Commissie niet heeft aangetoond welk “specifiek bewijsmateriaal” was verzameld om te concluderen dat de bedrijfstak van de Unie in staat en bereid was om alle gebruikers van het betrokken product te beleveren, zoals vermeld in overweging 351. Soortgelijke argumenten werden door Coalitie H naar voren gebracht in hun opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen. |
|
(359) |
De Commissie verduidelijkt dat het specifieke verzamelde bewijsmateriaal betrekking heeft op reservecapaciteit, investeringen om zich aan te passen aan de behoeften van nieuwe klanten en de aanvaarding van nieuwe klanten. |
|
(360) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat de leveringssituatie sinds 2020 is gewijzigd, met inbegrip van de prijzen en de beschikbaarheid van SAP-leveranties in de Unie, waarmee zij de argumenten van P&G en andere gebruikers ondersteunde. LG Chem voert ook aan dat de SAP-prijs stijgt, aangezien de prijzen voor propyleen en bijtende sodaloog stijgen. De Commissie heeft er rekening mee gehouden dat gebruikers hebben aangetoond dat de COVID-19-pandemie en de daaruit voortvloeiende vervoerstekorten in het buitenland een tijdelijk tekort in het SAP-aanbod hebben veroorzaakt en tot hogere prijzen hebben geleid. De Commissie was echter van mening dat dit slechts een tijdelijke wijziging is (zie verdere overweging). Bovendien is het niet waarschijnlijk dat door de stijging van de SAP-prijzen als gevolg van stijgingen van de grondstoffen de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie op lange termijn zal verbeteren. De Commissie was derhalve van oordeel dat het belang van de Unie om maatregelen in te stellen om de vastgestelde schade veroorzakende dumping tegen te gaan, niet werd beïnvloed door de tijdelijke leveringstekorten. |
|
(361) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte Coalitie H de methode van de Commissie. De coalitie merkte met name op dat de conclusies over het belang van de Unie gebaseerd zijn op beperkte en onjuiste informatie die door de Commissie in overweging 342 als ontoereikend werd aangemerkt. |
|
(362) |
Coalitie H was het verder niet eens met de conclusie van de Commissie in overweging 352 dat SAP [5 % – 15 %] van de productiekosten van luiers voor volwassenen of baby’s uitmaakt. Zij voerde aan — en verstrekte hierbij bewijsmateriaal — dat de kosten van SAP tot [20 – 30 %] van de totale productiekosten vertegenwoordigden. |
|
(363) |
Zij betoogde ook dat de Commissie haar conclusie heeft gebaseerd op de door slechts één gebruiker verstrekte gegevens en derhalve geen rekening heeft gehouden met het bewijsmateriaal over de moeilijkheden om de extra lasten van de rechten op zijn afnemers af te wentelen. Met name werd opgemerkt dat SAP-gebruikers de prijsverhogingen doorgaans niet aan hun eigen klanten zouden kunnen doorberekenen om uiteenlopende redenen, zoals langetermijncontracten, felle concurrentie van buiten de EU en prijsgevoeligheid van klanten. |
|
(364) |
Aangezien de Commissie alle door belanghebbenden verstrekte documenten in aanmerking heeft genomen, heeft de Commissie haar beoordeling niet gebaseerd op beperkte en onjuiste informatie. Voor zover de belanghebbenden medewerking verleenden, heeft de Commissie de verstrekte informatie gecontroleerd. Dit omvatte het percentage SAP in de productiekosten voor hygiëneproducten voor baby’s en volwassenen. Daarom heeft de Commissie deze argumenten van Coalitie H verworpen. |
|
(365) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Kimberly-Clark aan dat de SAP-prijzen op de markt van de Unie grotendeels worden bepaald door de inflatie van de productiekosten en niet door de invoer uit Korea. Zij betoogde dat de SAP-prijzen het effect van de inflatie op de grondstoffen-, distributie-, arbeids- en energiekosten in 2021 hebben geabsorbeerd en de SAP-prijzen als gevolg daarvan stegen. Tot slot voerde Kimberly-Clark aan dat de antidumpingmaatregelen de tendens van prijsstijgingen voor zowel de downstreamgebruikers als de eindafnemers van producten met inbegrip van SAP, verder zouden versterken. |
|
(366) |
De Commissie antwoordde hierop dat Kimberly-Clark terecht opmerkte dat de SAP-producenten in de Unie de stijgingen van de productiekosten absorberen, aangezien zij niet in staat waren hun verkoopprijzen dienovereenkomstig te verhogen. Hieruit bleken echter alleen de prijsdruk op de markt en het feit dat de fabrikanten de gestegen productiekosten niet aan hun klanten konden doorberekenen. Derhalve wees de Commissie het argument af. |
|
(367) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen was Kimberly-Clark het ook niet eens met de conclusie van de Commissie dat de rechten geen buitensporig effect zullen hebben, aangezien SAP slechts [5 % – 15 %] van de productiekosten van luiers voor volwassenen of baby’s uitmaakt, zoals vermeld in overweging 352. Zij voerde aan dat deze berekeningsmethode geen rekening hield met het feit dat SAP geen fungibel basisproduct is. |
|
(368) |
In haar beoordeling heeft de Commissie verklaard dat er typen SAP met verschillende eigenschappen worden vervaardigd en dat gebruikers een specifiek type SAP kiezen dat het best bij hun product past. De technische verschillen op zichzelf rechtvaardigden echter niet de toevoeging van aanvullende PCN-categorieën. De Commissie had aanvankelijk gedetailleerdere gegevens verzameld en kwam tot de conclusie dat alleen een onderscheid naar gebruik en naar additieven voor geurbestrijding gerechtvaardigd was. Derhalve wees de Commissie het argument af. |
|
(369) |
Coalitie H voerde verder aan dat de Commissie de bezwaren van verschillende SAP-gebruikers met betrekking tot de instelling van rechten niet correct heeft beoordeeld, wat tot onjuiste conclusies over het belang van de Unie heeft geleid. De coalitie betoogde dat de Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de gebruikers richtsnoeren te verstrekken over de wijze waarop zij hun opmerkingen vollediger en nuttiger kunnen presenteren, en dat zij onvoldoende inspanningen heeft geleverd om met die gebruikers samen te werken zodat de uiteindelijk verzamelde informatie een goede beoordeling van het belang van de Unie mogelijk zou maken. Voorts voerde Coalitie H aan dat van haar leden slechts drie SAP-gebruikers een vragenlijst van de Commissie lijken te hebben ontvangen en dat de Commissie slechts gebruik heeft gemaakt van de informatie die in een van de twee antwoorden op de vragenlijst is verstrekt, en dat zij de argumenten die tijdens hoorzittingen en opmerkingen van ten minste acht andere SAP-gebruikers naar voren zijn gebracht, buiten beschouwing heeft gelaten. |
|
(370) |
De Commissie heeft het bericht van inleiding met de link naar de desbetreffende vragenlijst naar alle bekende gebruikers verzonden en heeft alle gebruikers die zich kenbaar hadden gemaakt, van de procedure op de hoogte gebracht. Bij de beoordeling is rekening gehouden met alle door de gebruikers verstrekte informatie. Voorts heeft de Commissie alle gebruikers die de vragenlijst van de gebruiker hadden beantwoord, benaderd om hun gegevens te controleren. Door middel van brieven met een verzoek om aanvullende gegevens werden richtsnoeren over de benodigde informatie verstrekt. De Commissie verwierp derhalve het argument dat zij in deze procedure onvoldoende rekening had gehouden met of onvoldoende bijstand had verleend aan gebruikers. |
6.3. Andere factoren
|
(371) |
Verschillende gebruikers hebben aangegeven dat een stijging van de productiekosten van gezondheidsproducten zal resulteren in stijgende consumentenprijzen van gezondheidsproducten. Voorts zou een beperking van de toegang tot SAP van de 8e en de 9e generatie kunnen resulteren in consumentenproducten van lagere kwaliteit. |
|
(372) |
De Commissie oordeelde dat de consumentenprijs van gezondheidsproducten zal stijgen als gevolg van de extra productiekosten die kunnen voortvloeien uit de maatregelen. De Commissie is evenwel van mening dat die stijging niet dusdanig is dat het belang van de consument bij toegang tot redelijk geprijsde gezondheidsproducten zou moeten prevaleren boven het belang van de bedrijfstak van de Unie om te worden beschermd tegen invoer met dumping. Voorts zouden de maatregelen de gebruikers niet verhinderen gezondheidsproducten te blijven produceren, met inbegrip van SAP van de 8e en de 9e generatie. |
|
(373) |
In haar opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen voerde Fater aan dat de Commissie de door Fater geuite bezorgdheid over het risico dat de antidumpingmaatregelen een weerslag kunnen hebben op de mogelijkheid voor de klanten om tegen een redelijke prijs gezondheidsproducten te kopen, niet heeft weggenomen. Zij herhaalde dat haar productie van medische hulpmiddelen afhankelijk is van de samenwerking met Koreaanse exporteurs en dat de maatregelen extra technisch werk en een nieuw ontwerp van zijn producten met zich mee zouden brengen, wat zou leiden tot een hogere prijs voor de eindafnemers. |
|
(374) |
De Commissie is in overweging 372 ingegaan op de potentiële kostenstijging voor consumenten van gezondheidsproducten, en heeft deze afgewogen tegen het belang van de bedrijfstak van de Unie bij beschermende maatregelen tegen invoer met dumping. Daarom heeft de Commissie het argument van Fater afgewezen. |
6.4. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(375) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen waren om aan te nemen dat het instellen van maatregelen ten aanzien van de invoer van SAP van oorsprong uit de Republiek Korea niet in het belang van de Unie zou zijn. |
7. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
|
(376) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie moeten definitieve maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
|
(377) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie beoordeeld of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de invoer met dumping op te heffen. |
7.1. Schade opheffend prijsniveau (schademarge)
|
(378) |
De Commissie heeft eerst de hoogte van het recht vastgesteld dat nodig is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen. In dit geval zou de schade worden weggenomen indien de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productiekosten te dekken, met inbegrip van de kosten die voortvloeien uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en uit de in bijlage I bis bij de basisverordening vermelde IAO-verdragen, en een redelijke winst te boeken (“nagestreefde winst”) door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, leden 2 quater en 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(379) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening, heeft de Commissie bij de vaststelling van de nagestreefde winst rekening gehouden met de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer uit het betrokken land en met de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Deze winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %. |
|
(380) |
De Commissie heeft een basiswinst vastgesteld die alle kosten onder normale mededingingsomstandigheden dekt. Tijdens de gehele beoordelingsperiode was de bedrijfstak van de Unie verlieslijdend. Aangezien die winstmarge lager was dan het bij artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening, vereiste percentage van 6 %, is die winstmarge vervangen door een percentage van 6 %. |
|
(381) |
Er zijn geen opmerkingen ontvangen waarin werd gesteld dat het niveau van investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode onder normale mededingingsvoorwaarden hoger zou zijn geweest. |
|
(382) |
Evenmin werden er opmerkingen ontvangen over de toekomstige kosten voortvloeiend uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, zal maken, overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening. |
|
(383) |
Op basis hiervan heeft de Commissie een geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product voor de bedrijfstak van de Unie berekend door een nagestreefde winstmarge van 6 % toe te passen op de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak en vervolgens per productsoort de correcties op grond van artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening toe te passen. |
|
(384) |
De Commissie heeft vervolgens het schade opheffende prijsniveau bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het betrokken land per productsoort, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vrije markt van de Unie werd verkocht. Als uit die vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. |
|
(385) |
Het schade opheffende prijsniveau voor “alle andere ondernemingen” wordt op dezelfde manier vastgesteld als de dumpingmarge voor de medewerkende onderneming.
|
|
(386) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde LG Chem aan dat bij de vaststelling van de schademarge dezelfde fout is gemaakt als bij de berekening van de prijsonderbieding, en dat de opmerkingen die zij over de prijsonderbieding heeft gemaakt, mutatis mutandis van toepassing zijn. Ook de schademarge moet worden aangepast aan de gevolgen van de andere door LG Chem aangevoerde factoren. |
|
(387) |
De Commissie verwees naar haar argumenten in de overwegingen 184 tot en met 188 en naar haar weerlegging van de argumenten van LG Chem over de gevolgen van de invoer uit andere landen, de SAP-prijsformule en de investeringen van de bedrijfstak van de Unie, zoals uiteengezet in de respectieve delen van de analyse van het oorzakelijk verband. Deze argumenten werden daarom ook met betrekking tot de vaststelling van de schademarge afgewezen. |
|
(388) |
In hun opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de klagers en Evonik aan dat de streefwinst van 6 % niet de winst was die de EU-producenten zonder oneerlijke handelspraktijken zouden behalen. Zij voerden met name aan dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de door de bedrijfstak van de Unie verstrekte informatie die hem in staat stelde dergelijke winst op een hoger niveau vast te stellen. Daarom verzochten zij de Commissie om de winstmarge te verhogen tot het gemiddelde van de streefwinst die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie redelijkerwijs onder normale concurrentievoorwaarden zouden kunnen behalen, namelijk [14 % – 19 %]. |
|
(389) |
Bovendien waren de klagers en Evonik het niet eens met de verklaring van de Commissie in overweging 382 en voerden zij aan dat in hun antwoorden op de vragenlijst voor producenten in de Unie en op de macrovragenlijst argumenten uit hoofde van artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening werden aangevoerd. Zij verzochten de Commissie om bij de berekening van de richtprijs rekening te houden met de toekomstige kosten en verstrekten een gewogen gemiddelde jaarlijkse kostenstijging per ton geproduceerde SAP als gevolg van de EU-emissierechten. De klager en Evonik hebben de Commissie daarom verzocht de richtprijs van de producenten in de Unie met [30 – 45] EUR per ton SAP te verhogen. |
|
(390) |
De Commissie kon de door de klagers en Evonik voorgestelde streefwinst in vergelijking met de beschikbare gegevens in het dossier niet bevestigen. De Commissie heeft rekening gehouden met de tijdens de beoordelingsperiode behaalde winsten, met inbegrip van correcties die moesten worden toegepast om normale mededingingsomstandigheden te bereiken. De aldus berekende winst kwam niet overeen met de door de bedrijfstak van de Unie geclaimde cijfers, zelfs niet aan het begin van de beoordelingsperiode, toen de Koreaanse invoer minder onder druk stond. |
|
(391) |
De Commissie was het ook niet eens met de verklaringen over de toekomstige kosten van emissierechten. De Commissie heeft inderdaad rekening gehouden met de toekomstige kosten die voortvloeien uit de EU-emissierechten, volgens de gecontroleerde informatie die door de in de steekproef opgenomen ondernemingen is verstrekt. Dit resulteerde in een verhoging van de richtprijs met [16 – 18] EUR per ton SAP. Deze argumenten werden derhalve afgewezen. |
8. DEFINITIEVE MAATREGELEN
|
(392) |
Op superabsorberende polymeren van oorsprong uit de Republiek Korea moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld. |
|
(393) |
De definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, moeten dan ook als volgt worden vastgesteld:
|
|
(394) |
Het bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrecht is gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek werd geconstateerd voor de ene medewerkende producent-exporteur. Dat recht is uitsluitend van toepassing op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land en vervaardigd door de genoemde juridische entiteit. Op het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen verbonden zijn, is het recht van toepassing dat voor “alle andere ondernemingen” geldt. Die invoer mag niet worden onderworpen aan het individuele antidumpingrecht. |
|
(395) |
Een onderneming die de naam wijzigt van de entiteit waarop het individuele antidumpingrecht van toepassing is, kan verzoeken om verdere toepassing van dat recht. Het verzoek moet worden gericht aan de Commissie. Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om het recht te genieten dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming geen invloed heeft op het recht om het recht te genieten dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(396) |
Wanneer de uitvoer van ondernemingen die van een lager individueel recht profiteren, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Daarbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is een individueel recht of individuele rechten in te trekken en in plaats daarvan het voor het gehele land geldende recht in te stellen. |
|
(397) |
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het voor alle andere ondernemingen vastgestelde antidumpingrecht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd. |
|
(398) |
In zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de bedrijfstak van de Unie aan dat er in Turkije geen SAP worden geproduceerd en dat daarom uit Turkije ingevoerde hoeveelheden SAP slechts van een andere oorsprong kunnen zijn. Zij verzochten om in de definitieve verordening een speciale monitoringclausule op te nemen om het risico van mogelijke ontwijking vauit Turkije tot een minimum te beperken. |
|
(399) |
De Commissie verduidelijkt dat speciale toezichtclausules normaliter alleen van toepassing zijn op de invoer uit het betrokken land. De Commissie heeft echter nota genomen van de opmerkingen van de partijen en zal, zoals altijd, waakzaam zijn om te handelen in overeenstemming met haar toezichtpraktijk met betrekking tot de geldende maatregelen. |
9. SLOTBEPALINGEN
|
(400) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (16) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(401) |
Het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht en een gewone meerderheid van zijn leden verzette zich tegen de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie. Overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Verordening (EU) nr. 182/2011 heeft de Commissie de ontwerpuitvoeringsverordening vervolgens opnieuw voorgelegd aan het comité van beroep (17). |
|
(402) |
Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 182/2011 heeft het comité van beroep geen advies uitgebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van superabsorberende polymeren (“SAP”), bestaande uit onregelmatige, ronde of geagglomereerde korrels, in poedervorm, wit van kleur en niet oplosbaar in water, die ontstaan bij de polymerisatie van monomeren met dwarsverbindingen waarbij verknoopte polymeernetwerken worden gevormd, met een groot vermogen om water en waterige vloeistoffen te absorberen en vast te houden, van oorsprong uit de Republiek Korea, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 3906 90 90 (Taric-code 3906909017).
2. De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, zijn als volgt:
|
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht ( %) |
Aanvullende Taric-code: |
|
LG Chem Ltd. |
13,4 % |
C766 |
|
Alle andere ondernemingen |
18,8 % |
C999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde onderneming, zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die luidt als volgt: “Ondergetekende verklaart dat de [hoeveelheid] [betrokken product] die naar de Europese Unie is uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door [naam en adres van de onderneming] [aanvullende Taric-code] in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor “alle andere ondernemingen” geldt.
4. Tenzij anders vermeld zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 april 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van superabsorberende polymeren van oorsprong uit de Republiek Korea (PB C 58 van 18.2.2021, blz. 73).
(3) In het kader van dit onderzoek heeft de Commissie de identiteit van de leden van de coalitie vertrouwelijk behandeld. De Commissie heeft bewijsmateriaal ontvangen waaruit blijkt dat de leden van de coalitie aanzienlijke nadelige gevolgen zouden ondervinden van de openbaarmaking van hun identiteit vanwege de dreiging van commerciële vergeldingsmaatregelen.
(4) De klager heeft de uitvoerprijs van SAP uit de Republiek Korea tijdens het OT berekend met gegevens van de Koreaanse dienst voor handelsstatistieken. Met behulp van deze dienst kon de uitvoer van SAP naar de Europese Unie op basis van een specifieke zoekopdracht worden gefilterd uit de producten die onder de goederencode 3906 90 90 waren opgegeven voor uitvoer.
(5) “Inlichtingen die vanwege hun aard vertrouwelijk zijn (bijvoorbeeld omdat bekendmaking ervan een concurrent aanmerkelijk zou bevoordelen of omdat bekendmaking ervan ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor de persoon die de informatie heeft verstrekt of voor de persoon van wie deze informatie is verkregen) of die door partijen bij een onderzoek als vertrouwelijk wordt verstrekt, worden, indien daarvoor geldige redenen worden opgegeven, als dusdanig door de autoriteiten behandeld. Dergelijke informatie kan niet worden bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van degene die ze heeft verstrekt.”.
(6) https://trade.ec.europa.eu/tdi/case_history.cfm?id=2516&init=2516
(7) Mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (PB C 86 van 16.3.2020, blz. 6).
(8) In het kader van dit onderzoek heeft de Commissie de identiteit van onderneming B vertrouwelijk behandeld. De Commissie heeft bewijs ontvangen waaruit blijkt dat openbaarmaking van haar identiteit aanzienlijke nadelige gevolgen voor onderneming B zou hebben wegens de dreiging van commerciële vergeldingsmaatregelen.
(9) Het exacte cijfer wordt niet verstrekt omdat dit bedrijfsspecifieke gegevens betreft.
(10) Overweging 352 van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 van de Commissie van 25 september 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 315 van 29.9.2020, blz. 1).
(11) GN-code 3906 90 90
(12) Arrest van 10 april 2019, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie, T-301/16, EU:T:234, punt 184.
(13) Arrest van 2 april 2020, Hansol Paper/Commissie, T-383/17, EU:T:2020:139, punten 196-203.
(14) Arrest van 22 september 2021, PAO Severstal v Commission, T-753/16, EU:T:2021:612, punt 272.
(15) In het kader van dit onderzoek heeft de Commissie de identiteit van de leden van Coalitie H vertrouwelijk behandeld. De Commissie heeft bewijsmateriaal ontvangen waaruit blijkt dat de leden van de coalitie aanzienlijke nadelige gevolgen zouden ondervinden van de openbaarmaking van hun identiteit vanwege de dreiging van commerciële vergeldingsmaatregelen.
(16) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(17) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
BESLUITEN
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/76 |
BESLUIT (EU) 2022/548 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 24 maart 2022
betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers naar aanleiding van een aanvraag van Frankrijk —EGF/2021/007 FR/Selecta
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1309/2013 (1), en met name artikel 15, lid 1,
Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (2), en met name punt 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) heeft tot doel solidariteit te betonen en fatsoenlijke en duurzame werkgelegenheid in de Unie te bevorderen door steun te verlenen aan ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van grote herstructureringen en hen te helpen zo snel mogelijk weer fatsoenlijk en duurzaam werk te vinden. |
|
(2) |
Zoals vastgesteld in artikel 8 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (3), mag het EFG een jaarlijks maximumbedrag van 186 000 000 EUR (in prijzen van 2018) niet overschrijden. |
|
(3) |
Op 12 oktober 2021 heeft Frankrijk een aanvraag ingediend om middelen uit het EFG beschikbaar te stellen voor gedwongen ontslagen bij Selecta in Frankrijk. Het betrokken land heeft overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Verordening (EU) 2021/691 aanvullende gegevens verstrekt. Die aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 van Verordening (EU) 2021/691 voor een financiële bijdrage uit het EFG. |
|
(4) |
Er moeten dan ook middelen uit het EFG beschikbaar worden gesteld om een financiële bijdrage van 4 074 296 EUR te leveren in het kader van de door Frankrijk ingediende aanvraag. |
|
(5) |
Om zo snel mogelijk middelen uit het EFG ter beschikking te stellen, moet dit besluit van toepassing zijn vanaf de datum waarop het wordt vastgesteld, |
HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Ten laste van de algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2022 wordt een bedrag van 4 074 296 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Het is van toepassing met ingang van 24 maart 2022.
Gedaan te Brussel, 24 maart 2022.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
C. BEAUNE
(1) PB L 153 van 3.5.2021, blz. 48.
(2) PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.
(3) Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11).
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/78 |
BESLUIT (EU) 2022/549 VAN DE RAAD
van 17 maart 2022
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen tijdens het tweede deel van de vierde vergadering van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Minamata inzake kwik in verband met de vaststelling van besluiten tot wijziging van de bijlagen A en B bij dat verdrag
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag van Minamata inzake kwik (het “verdrag”) is door de Unie bij Besluit (EU) 2017/939 van de Raad (1) gesloten en is op 16 augustus 2017 in werking getreden. |
|
(2) |
Ingevolge Besluit MC-1/1 betreffende het reglement van orde, dat de Conferentie van de partijen op de eerste vergadering heeft aangenomen, stellen de partijen bij het verdrag (de “partijen”) alles in het werk om over alle inhoudelijke kwesties bij consensus overeenstemming te bereiken. |
|
(3) |
Conform artikel 4, lid 8, en artikel 5, lid 10, van het verdrag moet de Conferentie van de partijen uiterlijk op 16 augustus 2022 de bijlagen A en B bij het verdrag toetsen en kunnen zij wijzigingen van deze bijlagen overwegen, op basis van voorstellen die door de partijen zijn ingediend conform artikel 4, lid 7, en artikel 5, lid 9, van het verdrag, informatie die door het secretariaat van het verdrag conform artikel 4, lid 4, en artikel 5, lid 4, van het verdrag ter beschikking is gesteld, en de beschikbaarheid voor de partijen van technisch en economisch haalbare kwikvrije alternatieven, daarbij rekening houdend met de risico's en de baten voor het milieu en de menselijke gezondheid. |
|
(4) |
Op 30 april 2021 heeft de Unie bij het secretariaat van het verdrag een voorstel tot wijziging van de bijlagen A en B bij het verdrag ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 7, en artikel 5, lid 9, van dat verdrag (2). Het voorstel van de Unie tot wijziging van bijlage A bij het verdrag heeft tot doel het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot extra kwikhoudende producten. Bij iedere uitbreiding horen een of meer data van uitfasering of kwikregulerende maatregelen. Het voorstel van de Unie tot wijziging van bijlage B bij het verdrag heeft tot doel een datum van uitfasering voor de productie van polyurethaan met kwikhoudende katalysatoren in te voeren. |
|
(5) |
Voorstellen tot wijziging van bijlage A bij het verdrag werden ook door de regio Afrika en gezamenlijk door Canada en Zwitserland ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 7, van dat verdrag. |
|
(6) |
De COP dient tijdens het tweede deel van haar vierde vergadering alleen rekening te houden met de door de partijen overeenkomstig artikel 4, lid 7, en artikel 5, lid 9, van het verdrag ingediende voorstellen tot wijziging van de bijlagen A en B bij het verdrag. |
|
(7) |
De Unie moet wijzigingen van de bijlagen A en B bij het verdrag steunen, voor zover deze in overeenstemming zijn met het door de Unie ingediende voorstel of met het Unie-acquis. |
|
(8) |
De Unie moet ook wijzigingen van bijlage A bij het verdrag met betrekking tot kwikhoudende producten steunen voor zover deze betrekking hebben op de uitfasering van kwikhoudende producten die noch door het Unierecht worden gereguleerd, noch in de Unie worden vervaardigd. Als hiernaar wordt verwezen in het voorstel van de regio Afrika, moet de Unie ook wijzigingen van bijlage A bij het verdrag steunen voor zover deze betrekking hebben op compacte fluorescentielampen, lineaire triband-fosforfluorescentielampen, fluorescentielampen met koude kathode en fluorescentielampen met externe elektrode die worden gebruikt in elektrische en elektronische apparatuur waarvoor de verzoeken om verlenging van de vrijstellingen voor het gebruik van kwik zijn afgewezen overeenkomstig Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (3). |
|
(9) |
Tijdens het tweede deel van de vierde vergadering van de Conferentie van de partijen, die van 21 tot en met 25 maart 2022 zal plaatsvinden, zullen de partijen zich beraden over de aanneming van een besluit tot wijziging van de bijlagen A en B bij het verdrag. |
|
(10) |
Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens het tweede deel van de vierde vergadering van de Conferentie van de partijen, aangezien het voorgestelde besluit, indien het wordt vastgesteld, rechtsgevolgen zal hebben, aangezien de partijen maatregelen zullen moeten nemen om het verdrag op nationaal of regionaal niveau, of op beide, uit te voeren, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens het tweede deel van de vierde vergadering van de Conferentie van de partijen bij het verdrag is dat de vaststelling van een besluit tot wijziging van de bijlagen A en B daarbij, wordt gesteund, hetgeen:
|
— |
in overeenstemming is met het voorstel van de Unie dat op 30 april 2021 bij het secretariaat van het verdrag is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 7, en artikel 5, lid 9, van het verdrag, of |
|
— |
in overeenstemming is met het acquis van de Unie, of |
|
— |
betrekking heeft op de uitfasering van kwikhoudende producten, die noch door het Unierecht worden gereguleerd, noch in de Unie worden vervaardigd, of |
|
— |
betrekking heeft op de categorieën kwikhoudende lampen waarnaar de regio Afrika in haar overeenkomstig artikel 4, lid 7, van het verdrag ingediende voorstel verwijst en waarvoor de verzoeken om verlenging van de vrijstellingen voor het gebruik van kwik overeenkomstig Richtlijn 2011/65/EU zijn afgewezen. |
Artikel 2
In het licht van de ontwikkelingen tijdens het tweede deel van de vierde vergadering van de Conferentie van partijen kunnen de vertegenwoordigers van de Unie, in overleg met de lidstaten, tijdens coördinatievergaderingen ter plaatse overeenkomen om zonder nader besluit van de Raad het in artikel 1 bedoelde standpunt te verfijnen.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 17 maart 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
B. POMPILI
(1) Besluit (EU) 2017/939 van de Raad van 11 mei 2017 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Verdrag van Minamata inzake kwik (PB L 142 van 2.6.2017, blz. 4).
(2) Besluit (EU) 2021/727 van de Raad van 29 april 2021 betreffende de indiening, namens de Europese Unie, van voorstellen tot wijziging van bijlagen A en B bij het Verdrag van Minamata inzake kwik, betreffende kwikhoudende producten en productieprocessen waarin kwik of kwikverbindingen worden gebruikt (PB L 155 van 5.5.2021, blz. 23).
(3) Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88).
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/80 |
BESLUIT (EU) 2022/550 VAN DE RAAD
van 17 maart 2022
tot vaststelling van het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens het tweede gedeelte van de vierde vergadering van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Minamata inzake kwik, in verband met de goedkeuring van een besluit tot vaststelling van grenswaarden voor kwikafval in overeenstemming met artikel 11, lid 2, van dat verdrag
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag van Minamata inzake kwik (“het verdrag”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2017/939 (1) van de Raad en is op 16 augustus 2017 in werking getreden. |
|
(2) |
Overeenkomstig Besluit MC-1/1 betreffende het reglement van orde dat de Conferentie van de partijen bij het verdrag (de “Conferentie van de partijen”) op haar eerste vergadering heeft vastgesteld, moeten de partijen alles in het werk stellen om over alle inhoudelijke aangelegenheden bij consensus overeenstemming te bereiken. |
|
(3) |
De Conferentie van de partijen heeft tijdens haar derde vergadering op 25-29 november 2019 Besluit MC-3/5 aangenomen, waarbij drempels worden vastgesteld voor afval dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit kwik of kwikverbindingen, als bedoeld in artikel 11, lid 2, van het verdrag, en waarbij de groep van technische deskundigen, die door de Conferentie van de partijen tijdens haar tweede vergadering op 19-23 november 2018 is opgericht, wordt verplicht drempelwaarden te ontwikkelen voor met kwik of kwikverbindingen verontreinigd afval (“met kwik verontreinigd afval”), ook voor residuen uit de mijnbouw, met uitzondering van primaire kwikmijnbouw. |
|
(4) |
De Conferentie van de partijen zal naar verwachting tijdens het tweede gedeelte van haar vierde vergadering op 21-25 maart 2022 een besluit aannemen (“het voorgestelde besluit”) betreffende drempels voor met kwik verontreinigd afval, als bedoeld in artikel 11, lid 2, van het verdrag, dat bijgevolg het toepassingsgebied van artikel 11 van het verdrag voor dergelijk afval zal bepalen. Met kwik verontreinigd afval dat onder artikel 11, lid 2, van het verdrag zou vallen, moet worden onderworpen aan een milieuhygiënisch verantwoord beheer overeenkomstig artikel 11, lid 3, van het verdrag. |
|
(5) |
Het vaststellen van een namens de Unie op de Conferentie van de partijen in te nemen standpunt is nodig omdat dit voorgestelde besluit, indien goedgekeurd, rechtsgevolgen heeft, aangezien de partijen bij het verdrag maatregelen zullen moeten nemen om het verdrag op nationaal of regionaal niveau, of op beide niveaus, uit te voeren. |
|
(6) |
De Unie heeft in aanzienlijke mate bijgedragen aan het tot stand komen van de bepalingen inzake afvalstoffen van het verdrag en aan de tussentijdse werkzaamheden van de deskundigen die zijn gestart bij Besluit MC-3/5 en die aanleiding hebben gegeven tot het voorgestelde besluit. |
|
(7) |
Het acquis van de Unie vereist nu al dat al het in artikel 11, lid 2, van het verdrag bedoelde kwikafval, met inbegrip van met kwik verontreinigd afval, ongeacht het kwikgehalte, wordt beheerd zonder gevaar op te leveren voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu. |
|
(8) |
De Unie mag enkel steun verlenen aan de vaststelling door de Conferentie van de partijen van een besluit dat in overeenstemming is met het acquis van de Unie, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens het tweede gedeelte van de vierde vergadering van de Conferentie van de partijen bij het verdrag houdt in dat steun wordt gegeven aan de vaststelling van een besluit inzake grenswaarden voor met kwik verontreinigd afval dat in overeenstemming is met het acquis van de Unie.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 17 maart 2022.
Voor de Raad
De voorzitter
B. POMPILI
(1) Besluit (EU) 2017/939 van de Raad van 11 mei 2017 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Verdrag van Minamata inzake kwik (PB L 142 van 2.6.2017, blz. 4).
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/82 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/551 VAN DE COMMISSIE
van 4 april 2022
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/85 betreffende de gelijkwaardigheid van het regelgevingskader van de Verenigde Staten van Amerika voor centrale tegenpartijen, waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de U.S. Securities and Exchange Commission, aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 25, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/85 van de Commissie (2) bepaalt dat het juridische en toezichthoudende kader van de Verenigde Staten van Amerika (VS) voor centrale tegenpartijen (CTP’s) die onder toezicht van de U.S. Securities and Exchange Commission (SEC) staan en aan de regels die van toepassing zijn op gedekte clearingagentschappen moeten voldoen, en onder het versterkte kader van SEC-regel 17Ad-22(e) vallen (CTP’s die kwalificeren als gedekte clearingagentschappen), als gelijkwaardig aan de in Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte vereisten moet worden beschouwd indien de interne regels en procedures van die CTP specifieke risicobeheersmaatregelen bevatten die waarborgen dat de initiële margins worden berekend en geïnd op basis van de in artikel 1 van dat uitvoeringsbesluit vastgestelde parameters. |
|
(2) |
Bij de vaststelling van Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/85 heeft de Commissie echter niet beoordeeld of CTP’s die kwalificeren als gedekte clearingagentschappen, moeten voldoen aan de juridisch bindende vereisten die als gelijkwaardig aan de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte vereisten worden beschouwd ten aanzien van mortgage-backed securities die zijn uitgegeven of gegarandeerd door de overheidsgesponsorde agentschappen Federal National Mortgage Association (Fannie Mae), de Federal Home Loan Mortgage Corporation (Freddie Mac) of de Government National Mortgage Association (Ginnie Mae), die op To-Be-Announced-basis (TBA’s) worden verhandeld. In de Unie bestaan geen TBA’s. Dit zijn in essentie forward or delayed delivery-producten, en op grond van de regels en de uitleg van de Commodity Futures Trading Commission en de SEC zijn TBA’s uitgesloten van de definitie van “swap” en “security-based swap” (3). Bovendien vindt de handel in TBA’s plaats op zuiver bilaterale basis, en in mindere mate op inter-dealer broker platforms. Om het juridische en toezichthoudende kader van de VS met betrekking tot de centrale clearing van TBA’s als gelijkwaardig aan de vereisten van titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 aan te kunnen merken, moet het materiële resultaat van dat juridische en toezichthoudende kader gelijkwaardig zijn ten aanzien van de regelgevingsdoelstellingen die dat kader bereikt. Het doel van de gelijkwaardigheidstoetsing is daarom na te gaan of het juridische en toezichthoudende kader van de VS waarborgt dat CTP’s die TBA’s clearen, in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatformen niet blootstellen aan een hoger risiconiveau dan clearingleden en handelsplatformen zouden lopen door CTP’s die in de Unie een vergunning hebben gekregen, en of zij bijgevolg geen onaanvaardbare niveaus van systeemrisico in de Unie opleveren. |
|
(3) |
De primaire regels die van toepassing zijn op CTP’s die kwalificeren als gedekte clearingagentschappen zijn neergelegd in Section 3(a)(23) en Section 17A van de Securities Exchange Act van 1934 (Exchange Act), in Title VII en Title VIII van de Dodd-Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act van 2010 (de Dodd-Frank Act) en in de verordeningen die de U.S. Securities and Exchange Commission op grond daarvan heeft vastgesteld, en met name SEC Rule 17Ad-22 (primaire regels). Die primaire regels voorzien niet in een minimumliquidatieperiode om de initiële margins te berekenen of te innen. De margins voor TBA’s worden op basis van een liquidatieperiode van drie dagen berekend. Die periode van drie dagen houdt rekening met de hoge liquiditeit van de TBA-markt, de op één na grootste vastrentende markt in de VS, en is gebaseerd op een marginingmodel dat waarborgt dat margins de potentiële blootstellingen dekken die de CTP voorziet tot de hedging of liquidatie van de posities van een deelnemer in wanbetaling. In het marginmodel wordt teruggekeken naar een periode van de laatste tien jaar en, indien nodig, naar gespannen marktomstandigheden van vóór die periode, zodat perioden met gespannen marktomstandigheden zeker altijd in aanmerking worden genomen. De regels en de procedures om de margins van TBA’s te berekenen, volgen een benadering die gelijkaardig is aan de regels van titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012. Aan de hand van een beoordeling van de resultaten van die regels en procedures en hun geschiktheid om de risico’s voor in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatformen te mitigeren, kunnen die regels en procedures als gelijkwaardig aan de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte vereisten worden beschouwd, zoals vastgelegd in artikel 26, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 van de Commissie (4). Daarin is een minimale liquidatieperiode vastgesteld van twee werkdagen voor andere financiële instrumenten dan otc-derivaten, en van vijf werkdagen voor otc-derivaten, waarbij de margin doorgaans op nettobasis wordt geïnd. |
|
(4) |
Bovendien vereist artikel 28, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 dat een CTP ten minste een van de drie maatregelen ter beperking van de procyclische effecten toepast, om te waarborgen dat de initiële margins niet te laag dalen in stabiele economische omstandigheden noch zeer steil stijgen tijdens gespannen marktomstandigheden. Deze maatregelen resulteren in stabiele en conservatieve margins. De primaire regels voorzien niet in een dergelijke specifieke verplichting voor TBA’s. CTP’s die TBA’s clearen, beschikken echter over interne regels en procedures ter beperking van procyclische effecten. De bindende interne regels en procedures van CTP’s leiden dus tot inhoudelijke resultaten die gelijkwaardig zijn aan de effecten van de Unieregels ter beperking van procyclische effecten voor TBA’s. |
|
(5) |
Het juridische en toezichthoudende kader van de VS met betrekking tot TBA’s, dat van toepassing is op CTP’s die kwalificeren als gedekte clearingagentschappen, moet daarom gelijkwaardig aan de Unieregels worden geacht, mits de bindende interne regels en procedures van een CTP die TBA’s cleart en erkenning aanvraagt, aan bepaalde vereisten inzake risicobeheer voldoen. De CTP moet met name initiële margins berekenen en innen, op basis van een op nettobasis berekende liquidatieperiode van drie dagen met betrekking tot TBA’s. De CTP moet bovendien maatregelen ter beperking van procyclische effecten toepassen die wat stabiele en conservatieve margins betreft, gelijkwaardig zijn aan een van de drie in artikel 28, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 genoemde maatregelen met betrekking tot TBA’s. |
|
(6) |
De Commissie concludeert dat het juridische en toezichthoudende kader van de SEC voor TBA’s dat van toepassing is op CTP’s die kwalificeren als gedekte clearingagentschappen en dat de vereisten van de primaire regels en van de interne regels en procedures van CTP’s die kwalificeren als gedekte clearingagentschappen omvat, moet worden beschouwd als juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 neergelegde vereisten, zoals vastgelegd in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013, voor zover zij aan bepaalde normen voor risicobeheer voldoen. |
|
(7) |
Om voor erkenning door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) in aanmerking te komen, moeten CTP’s die TBA’s clearen, voldoen aan de regels die van toepassing zijn op CTP’s die kwalificeren als gedekte clearingagentschappen en aan de juridisch bindende vereisten die aan bepaalde normen voor risicobeheer voldoen. Overeenkomstig artikel 25, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet de ESMA verifiëren dat die normen voor risicobeheer deel uitmaken van de interne regels en procedures van elke CTP die TBA’s cleart en onder toezicht staat van de SEC, en in de Unie erkenning aanvraagt. De ESMA moet met name controleren dat de CTP een op nettobasis berekende liquidatieperiode van drie dagen toepast met betrekking tot TBA’s, en dat de CTP maatregelen ter beperking van procyclische effecten toepast die wat stabiele en conservatieve margins betreft, gelijkwaardig zijn aan ten minste een van de drie in artikel 28, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 genoemde maatregelen. |
|
(8) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/85 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
Om te waarborgen dat de ESMA onverwijld kan beginnen met de erkenningsprocedure voor CTP’s die TBA’s clearen, moet dit besluit met spoed in werking treden. |
|
(10) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 1 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/85 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt c) wordt vervangen door:
|
|
2) |
Het volgende punt d) wordt toegevoegd:
|
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 4 april 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/85 van de Commissie van 27 januari 2021 betreffende de gelijkwaardigheid van het regelgevingskader van de Verenigde Staten van Amerika voor centrale tegenpartijen, waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de U.S. Securities and Exchange Commission, aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 29 van 28.1.2021, blz. 27).
(3) U.S Federal Register, Vol. 77 No. 156, 13 augustus 2012, Part II Commodity Futures Trading Commission 17 CFR Part 1, Securities and Exchange Commission, 17 CFR Parts 230, 240 en 241 Further Definition of “Swap,” “Security-Based Swap,” and “Security-Based Swap Agreement”; Mixed Swaps; Security-Based Swap Agreement Recordkeeping; Final Rule.
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 153/2013 van de Commissie van 19 december 2012 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake vereisten voor centrale tegenpartijen (PB L 52 van 23.2.2013, blz. 41)
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/85 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2022/552 VAN DE COMMISSIE
van 4 april 2022
waarbij wordt bepaald dat nationale effectenbeurzen van de Verenigde Staten van Amerika die geregistreerd zijn bij de Securities and Exchange Commission, voldoen aan wettelijk bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van titel III van Richtlijn 2014/65/EU en onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 2 bis, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uit de definitie van “otc-derivaat” en “otc-derivatencontract” van artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) nr. 648/2012 volgt dat andere financiële instrumenten dan otc-derivaten, derivatencontracten zijn waarvan de uitvoering plaatsvindt op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (2) of op een markt van een derde land die als gelijkwaardig aan een gereglementeerde markt wordt beschouwd overeenkomstig artikel 2 bis van Verordening (EU) nr. 648/2012. Daarom worden derivatencontracten waarvan de uitvoering plaatsvindt op een markt van een derde land die als gelijkwaardig aan een gereglementeerde markt wordt beschouwd, voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 648/2012, aangemerkt als andere financiële instrumenten dan otc-derivaten. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 2 bis van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet een markt van een derde land gelijkwaardig worden geacht aan een gereglementeerde markt mits die markt voldoet aan juridisch bindende voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de in titel III van Richtlijn 2014/65/EU vastgelegde voorschriften, en in dat derde land doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving is onderworpen. Derhalve moet worden beoordeeld of nationale effectenbeurzen (“NSE”) die in de VS zijn geregistreerd zijn en onder toezicht staan van SEC, aan die voorschriften voldoen. |
|
(3) |
Deze gelijkwaardigheidsbeoordeling is beperkt tot de in de bijlage opgenomen NSE’s en omvat aldus derivaten die op die beurzen worden verhandeld en door de door de ESMA erkende CTP’s worden gecleard. |
|
(4) |
Section 3 (a)(1) van de Securities Exchange Act of 1934 (“de Exchange Act”) definieert een beurs of exchange als elke organisatie, vereniging of groep van personen die een marktplaats of faciliteiten vormt, in stand houdt of aanbiedt om kopers en verkopers van effecten bij elkaar te brengen of om anderszins met betrekking tot effecten de taken uit te oefenen die gewoonlijk door een effectenbeurs worden uitgeoefend. Overeenkomstig SEC Rule 3b-16 wordt een beurs verder gedefinieerd als een organisatie, vereniging of groep personen die de orders voor effecten van meerdere kopers en verkopers samenbrengt, en gebruikmaakt van gevestigde, niet-discretionaire methoden, hetzij door het verstrekken van een handelsfaciliteit, hetzij door regels vast te stellen, op grond waarvan dergelijke orders met elkaar in wisselwerking staan en de kopers en verkopers die dergelijke orders invoeren, instemmen met de handelsvoorwaarden. Dienovereenkomstig moet een beurs overeenkomstig niet-discretionaire regels een multilateraal systeem exploiteren. |
|
(5) |
Overeenkomstig Section 19(a)(1) van de Exchange Act moet een beurs bij de SEC als NSE zijn geregistreerd voordat zij haar activiteiten kan aanvangen. De SEC staat registratie toe als zij oordeelt dat aan de toepasselijke vereisten ten aanzien van de aanvrager is voldaan. De SEC moet een registratie weigeren als niet aan die voorschriften is voldaan. De Exchange Act vereist verder dat een beurs regelingen in werking heeft gesteld voor alle soorten handelingen en activiteiten die een aanvrager wenst te verrichten. Overeenkomstig de Exchange Act moet aan de oorspronkelijke registratievereisten blijven voldaan worden om als NSE geregistreerd te blijven. Geregistreerde NSE’s zijn dus verplicht om bij voortduring regels, gedragslijnen en procedures in stand te houden die verenigbaar zijn met hun wettelijke verplichtingen, en om de capaciteit te hebben om hun verplichtingen na te komen. |
|
(6) |
Verder bepaalt de Exchange Act dat NSE’s leden onpartijdige toegang moeten bieden tot hun markten en diensten. De toegangscriteria moeten transparant zijn en mogen niet onbillijk discriminerend worden toegepast. Geregistreerde NSE’s moeten dus over duidelijke en transparante regels beschikken voor de toelating van effecten tot de handel, zodat die effecten op een billijke, ordentelijke en efficiënte wijze kunnen worden verhandeld en vrij verhandelbaar zijn. Zowel de optie- als de aandelenbeurzen hebben noteringsnormen die onder toezicht van de SEC staan, overeenkomstig Section 19 en Rule 19b-4 van de Exchange Act. Volgens de SEC-regels en noteringsnormen moeten emittenten van de onderliggende effecten van beursgenoteerde opties tijdig informatie openbaar maken die van materieel belang is voor beleggers of waarschijnlijk een significant effect zal hebben op de koers van de effecten. Het is NSE’s niet toegestaan effecten te noteren van een emittent die niet aan de vereisten van het auditcomité conform de regels van de SEC voldoet. Een NSE kan geen onderliggende effecten van beursgenoteerde opties registreren waarvoor geen informatie over de effecten en de emittent publiek beschikbaar is. Overeenkomstig SEC Rule 9b-1 moeten de optiemarkten een informatiedocument over opties opstellen met bepaalde specifieke informatie over de kenmerken en de risico’s van op de beurs verhandelde opties. Broker-dealers moeten hun klanten dat informatiedocument over opties verstrekken, en het moet bij de SEC worden geregistreerd voordat het aan klanten kan wordt overhandigd. Voorts is de Options Clearing Corporation (“OCC”) de emittent van beursgenoteerde opties. De OCC is bij de SEC geregistreerd als clearing corporation en als self-regulatory organisation. De OCC moet voldoen aan Section 17A van de Exchange Act, op grond waarvan de regels van de OCC’s in het algemeen moeten zijn opgesteld om investeerders en het algemeen belang te beschermen. De regels van de OCC staan onder toezicht van de SEC, overeenkomstig Section 19 van de Exchange Act en SEC Rule 19b-4. Verder vallen wijzigingen die een OCC aan haar regels, activiteiten of procedures wil aanbrengen die van wezenlijk belang zijn voor de aard of het risiconiveau van de OCC, ook onder het toezicht van de SEC overeenkomstig Section 806(e) van de Dodd-Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act of 2010 en SEC Rule 19b-4. Krachtens SEC Rule 17Ad-22(c) moet de OCC jaarlijks een financiële controle publiceren. Verder bepaalt SEC Rule 17Ad-22(e)(23) dat een OCC beleidsmaatregelen en procedures moet handhaven die onder meer voorzien in de openbaarmaking van alle relevante regels en materiële procedures, met inbegrip van belangrijke aspecten van haar regels en procedures voor wanbetalingsbeheer, basisgegevens over transactievolume en -waarden, en een uitgebreide beschrijving van haar materiële regels, beleidsmaatregelen en procedures met betrekking tot haar wetgevend en operationeel kader voor governance en risicobeheer. De ordelijke handel in effecten op een NSE wordt gewaarborgd door de bevoegdheden van de SEC om de handel op te schorten en onder bepaalde omstandigheden noodbeschikkingen uit te vaardigen en het algemeen belang en beleggers te beschermen. Het Amerikaanse regelgevingskader omvat ook vereisten voor het tijdig verstrekken van informatie voor en na de handel aan marktdeelnemers. |
|
(7) |
Bij registratie bij de SEC wordt een NSE een self-regulatory organisation (“SRO”). Zelfregulering van marktintermediairs via een systeem van SRO’s is een van de kernelementen van het Amerikaanse regelgevingskader. SRO’s zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor het vaststellen van de regels op grond waarvan, en voor het monitoren van de wijze waarop hun leden activiteiten uitoefenen. In hun hoedanigheid van SRO monitoren en handhaven NSE’s de naleving door hun leden en door met hun leden verbonden personen van de Exchange Act, van de op grond ervan vastgestelde regels en voorschriften, en van hun eigen regels. In geval van niet-naleving van de regels van de NSE’s door de leden moeten de NSE’s optreden tegen alle mogelijke schendingen van de marktregels of de federale effectenwetten door hun leden. Zij zijn ook verplicht de SEC in kennis te stellen van significante inbreuken. |
|
(8) |
De juridisch bindende vereisten die van toepassing zijn op NSE’s waaraan in de VS een vergunning is verleend en die in het rechtskader voor de werking van NSE’s zijn opgenomen, leveren dus resultaten op die materieel gelijkwaardig zijn aan die van de vereisten neergelegd in titel III van Richtlijn 2014/65/EU op de volgende gebieden: vergunningsproces, definitievereisten, toegang tot de erkende beurs, organisatorische vereisten, toelating van financiële instrumenten tot de handel, opschorting en uitsluiting van instrumenten van de handel, monitoring van de naleving, en toegang tot clearing- en afwikkelingsregelingen. |
|
(9) |
De Commissie concludeert derhalve dat de juridisch bindende vereisten voor in de VS gevestigde NSE’s gelijkwaardig zijn aan de vereisten van titel III van Richtlijn 2014/65/EU. |
|
(10) |
Wat het effectieve toezicht betreft, vormen de Securities Act of 1933 (“Securities Act”) en de Exchange Act de belangrijkste primaire wetgevende handelingen die een wettelijk afdwingbaar regime instellen voor de handel in effecten in de VS. De Exchange Act verleent de SEC ruime bevoegdheid met betrekking tot alle aspecten van de effectensector, waaronder de bevoegdheid tot registratie en regulering van en toezicht op broker-dealers, transferagenten en clearingagentschappen alsook de SRO’s in de VS, waaronder nationale effectenbeurzen. |
|
(11) |
De Exchange Act identificeert bepaalde soorten gedragingen op de markten en verbiedt deze en verleent de SEC disciplinaire bevoegdheden ten aanzien van gereglementeerde entiteiten en daarmee verbonden personen. De Exchange Act verleent de SEC bovendien de bevoegdheid om periodieke rapportage van informatie door bedrijven met beursgenoteerde effecten verplicht te stellen. Zelfregulering van marktintermediairs via een systeem van SRO’s is een van de kernelementen van het Amerikaanse regelgevingskader. Op grond van het Amerikaanse kader zijn SRO’s, als regelgevers, in de eerste plaats verantwoordelijk voor het vaststellen en monitoren van de regels op grond waarvan hun leden activiteiten uitoefenen. |
|
(12) |
De Exchange Act schrijft voor dat alle geregistreerde NSE’s de naleving door hun leden en door met hun leden verbonden personen moeten kunnen handhaven van de Exchange Act, van de regels en reglementen vastgesteld op grond daarvan, en van hun eigen regels. In het kader van haar onafgebroken toezicht op NSE’s evalueert de SEC het vermogen van elke beurs om de leden en hun handelsactiviteiten te onderzoeken. Het is ook de taak van een NSE om alle mogelijke schendingen van de marktregels of de federale effectenwetten door haar leden aan te pakken en dergelijke potentiële schendingen aan de SEC te melden. |
|
(13) |
In het kader van hun taak om naleving door hun leden te handhaven, zijn NSE’s verantwoordelijk voor het onderzoeken en disciplinair bestraffen van inbreuken op de Exchange Act en de op grond ervan vastgestelde regels en voorschriften. De SEC kan ook, naar eigen goeddunken, inbreuken van de Exchange Act en de op grond ervan vastgestelde regels en voorschriften onderzoeken en vervolgen. De SRO-regels zijn eveneens aan evaluatie door de SEC onderworpen. Krachtens Section 19(h) van de Exchange Act kan de SEC sancties opleggen aan SRO’s die ongerechtvaardigd hebben verzuimd de naleving van een SRO-regel door een lid of een met een lid verbonden persoon te handhaven. |
|
(14) |
Overeenkomstig Section 21 van de Exchange Act kan de SEC een onderzoek naar schendingen van een SRO-regel instellen en sancties opleggen tegen SRO-leden die die regels overtreden. In het kader van haar onafgebroken toezicht op SRO’s evalueert de SEC het vermogen van NSE’s om toezicht te houden op hun leden en hun handelsactiviteiten. NSE’s moeten de SEC in kennis stellen van een wijziging van de regels. |
|
(15) |
Wat effectieve handhaving betreft, heeft de SEC een ruime bevoegdheid om feitelijke of potentiële schendingen van de Amerikaanse federale effectenwetten te onderzoeken, waaronder de Exchange Act en de op grond ervan vastgestelde regels. De SEC kan ingevolge haar toezichtbevoegdheden vastleggingen van gereguleerde entiteiten verkrijgen. Bovendien kan de SEC in het kader van haar dagvaardingsbevoegdheid de overlegging van documenten of getuigenissen opleggen aan personen of entiteiten overal in de Verenigde Staten. De SEC heeft de bevoegdheid om handhavend op te treden door civielrechtelijke zaken aan te spannen bij federale districtsrechtbanken of administratieve procedures in te stellen bij een bestuursrechter van de SEC wegens schendingen van de Amerikaanse federale effectenwetten, waaronder handel met voorkennis en marktmanipulatie. In civiele zaken kan de SEC vorderen dat betaling van onrechtmatig verkregen winsten, compensatoire rente of een civielrechtelijke geldstraf wordt opgelegd, dan wel dwangbevelen of andere aanvullende voorzieningen, zoals rekenschap van een beklaagde. |
|
(16) |
Bij administratieve acties kunnen de sancties bestaan uit berispingen, beperkingen van activiteiten of civielrechtelijke sancties, naast het terugbetalen van onrechtmatig verkregen winsten of uitsluitingen met betrekking tot natuurlijke personen, of de intrekking van de registratie van een entiteit. De SEC heeft de bevoegdheid om handhavend op te treden tegen een SRO wegens het niet of onvoldoende uitvoeren van de vereiste taken. Bovendien is de SEC bevoegd op ieder moment tijdens een onderzoek haar handhavingsmaatregelen met binnenlandse en internationale tegenhangers af te stemmen, met inbegrip van de doorverwijzing van een zaak naar het Amerikaanse Ministerie van Justitie voor strafvervolging of naar andere strafvorderings- of regelgevende instanties ter opvolging. Daarnaast is de SEC bevoegd om niet-openbare informatie te delen met binnenlandse en internationale tegenhangers. |
|
(17) |
Het Amerikaans wettelijk en toezichtskader waarborgt ook de transparantie en integriteit van de markt door marktmisbruik in de vorm van handel met voorwetenschap en marktmanipulatie te voorkomen. Het wettelijk en toezichtskader verbiedt gedragingen die de werking van de markten zouden kunnen verstoren, zoals marktmanipulatie en het doorgeven van onjuiste of misleidende informatie. Het wettelijk en toezichtskader machtigt bovendien de SEC om handhavend op te treden tegen dergelijke gedragingen. |
|
(18) |
De Commissie concludeert dat NSE’s doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving in de VS zijn onderworpen. |
|
(19) |
De in artikel 2 bis van Verordening (EU) nr. 648/2012 neergelegde voorwaarden worden bijgevolg geacht te zijn vervuld met betrekking tot NSE’s waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de SEC in de VS. |
|
(20) |
Dit besluit is gebaseerd op de op het moment van de vaststelling van dit besluit in de VS geldende juridisch bindende vereisten met betrekking tot NSE’s. In samenwerking met de ESMA zal de Commissie de toezicht- en handhavingsregelingen voor NSE’s en het vervullen van de voorwaarden op grond waarvan dit besluit is genomen, regelmatig blijven monitoren. |
|
(21) |
De regelmatige toetsing van de juridische en toezichthoudende regelingen van toepassing op NSE’s in de VS laat de mogelijkheid van de Commissie onverlet om op elk moment een specifieke toetsing te ondernemen indien relevante ontwikkelingen het noodzakelijk maken dat de Commissie de bij dit besluit verleende gelijkwaardigheid herbeoordeelt. Een dergelijke herbeoordeling kan tot de intrekking van dit besluit leiden. |
|
(22) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de toepassing van artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) nr. 648/2012 voldoen nationale effectenbeurzen van de Verenigde Staten van Amerika die geregistreerd zijn bij de Securities and Exchange Commission en in de bijlage zijn opgenomen, aan wettelijk bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten van titel III van Richtlijn 2014/65/EU en onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 4 april 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
BIJLAGE
Nationale effectenbeurzen die geregistreerd zijn bij de US Securities and Exchange Commission en worden beschouwd als gelijkwaardig aan gereglementeerde markten:
|
a) |
BOX Exchange LLC, |
|
b) |
Cboe BZX Exchange, Inc., |
|
c) |
Cboe C2 Exchange, Inc., |
|
d) |
Cboe EDGX Exchange, Inc., |
|
e) |
Cboe Exchange, Inc., |
|
f) |
Miami International Securities Exchange, LLC, |
|
g) |
MIAX Emerald, LLC, |
|
h) |
MIAX PEARL, LLC, |
|
i) |
Nasdaq GEMX, LLC, |
|
j) |
Nasdaq ISE, LLC, |
|
k) |
Nasdaq BX, Inc., |
|
l) |
Nasdaq MRX, LLC, |
|
m) |
Nasdaq PHLX, LLC, |
|
n) |
Nasdaq Options Market, LLC, |
|
o) |
NYSE American Options, LLC, and |
|
p) |
NYSE Arca, Inc. |
AANBEVELINGEN
|
6.4.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 107/90 |
AANBEVELING (EU) 2022/553 VAN DE COMMISSIE
van 5 april 2022
betreffende controle op de aanwezigheid van Alternaria-toxinen in levensmiddelen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Panel voor contaminanten in de voedselketen (Contam) van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in 2011 een wetenschappelijk advies uitgebracht over de risico’s voor de gezondheid van mens en dier van de aanwezigheid van Alternaria in levensmiddelen (1). |
|
(2) |
De EFSA heeft onlangs ook een wetenschappelijk verslag gepubliceerd over de beoordeling van de blootstelling van de Europese bevolking aan Alternaria-toxinen via de voeding (2). De EFSA heeft geconcludeerd dat de geschatte chronische blootstelling via de voeding aan de Alternaria-toxinen alternariol, alternariolmonomethylether en tenuazonzuur uit toxicologisch oogpunt zorgwekkend is, en dat er dus aanvullende gegevens over de toxiciteit nodig zijn. |
|
(3) |
De EFSA heeft aanbevolen meer gegevens te verzamelen over de aanwezigheid van Alternaria-toxinen in relevante levensmiddelen (waaronder fruit- en fruitproducten, tomaten en producten op basis van tomaten, en levensmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters). In de momenteel beschikbare gegevensreeksen worden veel gegevens als “onder de bepaalbaarheidsgrens” gerapporteerd omdat de gebruikte analysemethoden niet altijd voldoende gevoelig waren, dus heeft de EFSA ook aanbevolen gevoeligere analysemethoden te gebruiken om de onzekerheid over de blootstelling aan de verschillende Alternaria-toxinen te verminderen. |
|
(4) |
Goede landbouwpraktijken, goede opslag- en vervoersomstandigheden en goede productiepraktijken kunnen de aanwezigheid van Alternaria-toxinen in levensmiddelen verminderen of voorkomen. Er moet echter meer informatie worden verzameld over de factoren die tot een relatief hoog gehalte van Alternaria-toxinen in bepaalde levensmiddelen leiden om te kunnen vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen om de aanwezigheid van deze Alternaria-toxinen in deze levensmiddelen te voorkomen of te verminderen. |
|
(5) |
Om een richtsnoer te geven wanneer het passend zou zijn om vast te stellen welke factoren tot een relatief hoog of zelfs significant gehalte van Alternaria-toxinen in levensmiddelen leiden, moeten indicatieve waarden voor levensmiddelen worden vastgesteld op basis van de in de databank van de EFSA beschikbare gegevens. Er zijn alleen indicatieve gehalten vastgesteld voor de levensmiddelen waarvoor voldoende gegevens over de aanwezigheid beschikbaar zijn. |
|
(6) |
Daarom moeten aanbevelingen worden gedaan voor de controle op de aanwezigheid van Alternaria-toxinen in levensmiddelen en de identificatie van de factoren die in bepaalde levensmiddelen tot een hoog gehalte leiden, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
|
(1) |
De lidstaten moeten in nauwe samenwerking met de exploitanten van levensmiddelenbedrijven controleren op de aanwezigheid van de Alternaria-toxinen alternariol, alternariolmonomethylether en tenuazonzuur in levensmiddelen, met name in verwerkte producten op basis van tomaten, paprikapoeder, sesamzaad, zonnebloemzaad, zonnebloemolie, noten, gedroogde vijgen en voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters. Indien mogelijk moeten ook andere Alternaria-toxinen worden geanalyseerd en moeten de resultaten aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid worden gerapporteerd. |
|
(2) |
Om te waarborgen dat de monsters representatief zijn, moeten de lidstaten de desbetreffende bemonsteringsprocedures van Verordening (EG) nr. 401/2006 van de Commissie 23 februari 2006 (3) volgen. Voor verwerkte producten op basis van tomaten moet de bemonsteringsprocedure worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van punt H (vloeibare producten) of punt I (vaste producten) van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 401/2006. Indien de bemonsteringsprocedure die de exploitant van het levensmiddelenbedrijf toepast, afwijkt van de procedure van Verordening (EG) nr. 401/2006, moet deze voor de partij representatief blijven. |
|
(3) |
Om de aanwezigheid van alternariol en alternariolmonomethylether te bepalen, mag de bepaalbaarheidsgrens voor voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters niet hoger zijn dan 2 μg/kg en voor andere levensmiddelen niet hoger zijn dan 4 μg/kg, en mag de bepaalbaarheidsgrens voor het bepalen van de aanwezigheid van tenuazonzuur voor alle levensmiddelen niet hoger zijn dan 20 μg/kg. |
|
(4) |
De lidstaten moeten, met de actieve betrokkenheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven, onderzoek doen naar de factoren die ertoe leiden dat deze gehalten boven de indicatieve niveaus liggen, en naar de effecten van de verwerking op het gehalte van deze Alternaria-toxinen, zoals vermeld in de bijlage bij deze aanbeveling. |
|
(5) |
De lidstaten en exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten de EFSA uiterlijk op 30 juni van elk jaar de gegevens voor het voorgaande jaar verstrekken zodat deze in één databank kunnen worden opgenomen overeenkomstig de voorschriften van de richtsnoeren van de EFSA inzake standaardmonsterbeschrijving (Standard Sample Description, SSD) voor levensmiddelen en diervoeders en de aanvullende specifieke rapportagevereisten van de EFSA (4). |
Gedaan te Brussel, 5 april 2022.
Voor de Commissie
Stella KYRIAKIDES
Lid van de Commissie
(1) EFSA-panel voor contaminanten in de voedselketen (Contam), Scientific Opinion on the risks for animal and public health related to the presence of Alternaria toxins in feed and food, EFSA Journal 2011;9(10):2407, 97 blz., doi:10.2903/j.efsa.2011.2407, beschikbaar op: www.efsa.europa.eu/efsajournal
(2) EFSA, Arcella, D., Eskola, M. en Gómez Ruiz, J.A., 2016, Scientific report on the dietary exposure assessment to Alternaria toxins in the European population, EFSA Journal 2016;14(12):4654, 32 blz., doi:10.2903/j.efsa.2016.4654.
(3) Verordening (EG) nr. 401/2006 van de Commissie van 23 februari 2006 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op het mycotoxinegehalte in levensmiddelen (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 12).
(4) https://www.efsa.europa.eu/en/call/call-continuous-collection-chemical-contaminants-occurrence-data-0
BIJLAGE
Indicatief gehalte van alternariol, alternariolmonomethylether en tenuazonzuur in bepaalde levensmiddelen, op basis van de in de EFSA-databank beschikbare gegevens, waarboven onderzoek moet worden verricht naar de factoren die tot de aanwezigheid van Alternaria-toxinen leiden, of naar het effect van de verwerking van levensmiddelen. De indicatieve waarden zijn geen veiligheidsniveaus voor levensmiddelen.
|
Levensmiddel |
Alternariol (AOH) (μg/kg) |
Alternariolmonomethylether (AME) (μg/kg) |
Tenuazonzuur (TeA) (μg/kg) |
|
Verwerkte producten op basis van tomaten |
10 |
5 |
500 |
|
Paprikapoeder |
— |
— |
10 000 |
|
Sesamzaad |
30 |
30 |
100 |
|
Zonnebloemzaad |
30 |
30 |
1 000 |
|
Zonnebloemolie |
10 |
10 |
100 |
|
Noten |
— |
— |
100 |
|
Gedroogde vijgen |
— |
— |
1 000 |
|
Voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters |
2 |
2 |
500 |