ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 274

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
30 juli 2021


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2021/1229 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juli 2021 betreffende de leenfaciliteit voor de publieke sector uit hoofde van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie

1

 

*

Verordening (EU) 2021/1230 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juli 2021 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Unie (codificatie) ( 1 )

20

 

*

Verordening (EU) 2021/1231 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juli 2021 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/833 tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan

32

 

*

Verordening (EU) 2021/1232 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juli 2021 betreffende een tijdelijke afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2002/58/EG ten aanzien van het gebruik van technologieën door aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten voor de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens ten behoeve van de bestrijding van online seksueel misbruik van kinderen ( 1 )

41

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2021/1233 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juli 2021 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/2397 wat betreft de overgangsmaatregelen voor de erkenning van certificaten van derde landen ( 1 )

52

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2021/1234 van de Raad van 13 juli 2021 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Thailand op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 met betrekking tot de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

55

 

*

Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Thailand op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994, met betrekking tot de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

57

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 274/1


VERORDENING (EU) 2021/1229 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 juli 2021

betreffende de leenfaciliteit voor de publieke sector uit hoofde van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 175, derde alinea, en artikel 322, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 11 december 2019 heeft de Commissie een mededeling met de titel “The European Green Deal” (de Europese Green Deal) aangenomen met een routekaart voor een nieuwe groeistrategie voor Europa en met ambitieuze doelstellingen om de klimaatverandering tegen te gaan en het milieu te beschermen. In lijn met de doelstelling om de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 als vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (4) te verwezenlijken, en uiterlijk in 2050 op een doeltreffende en sociaal rechtvaardige wijze een klimaatneutrale Unie tot stand te brengen, is in de Europese Green Deal een mechanisme voor een rechtvaardige transitie aangekondigd om te voorzien in middelen voor het aangaan van de uitdaging van het transitieproces naar de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 en naar de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken zonder iemand aan zijn lot over te laten. De kwetsbaarste regio’s en mensen zijn het meest blootgesteld aan de schadelijke effecten van klimaatverandering en milieuaantasting. De transitie naar een klimaatneutrale economie schept nieuwe economische kansen en kan potentieel veel nieuwe banen opleveren, met name in gebieden die momenteel afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen. Ook kan de transitie bijdragen tot grotere energiezekerheid en veerkracht. De transitie kan op korte termijn sociale en economische echter kosten met zich meebrengen in gebieden die een zwaar decarbonisatieproces doormaken terwijl ze al verzwakt zijn door de ontwrichtende economische en sociale gevolgen van de COVID-19-crisis.

(2)

Om de transitie in goede banen te kunnen leiden, zijn er aanzienlijke structurele veranderingen nodig op zowel nationaal als regionaal niveau. Om te kunnen slagen, moet de transitie de ongelijkheid verminderen, netto werkgelegenheid met nieuwe hoogwaardige banen opleveren, voor iedereen eerlijk en sociaal aanvaardbaar zijn, en tegelijkertijd het concurrentievermogen versterken. In dat verband is het van cruciaal belang dat de gebieden die het meest getroffen worden door de transitie, met name mijngebieden, ondersteund kunnen worden bij het diversifiëren en revitaliseren van hun lokale economie, en dat de getroffen werknemers duurzame werkgelegenheidskansen wordt geboden.

(3)

Op 14 januari 2020 heeft de Commissie een mededeling met de titel “Sustainable Europe Investment Plan — European Green Deal Investment Plan” (Investeringsplan voor een duurzaam Europa — Investeringsplan voor de Europese Green Deal) aangenomen, waarbij zij een mechanisme voor een rechtvaardige transitie voorstelt, vooral gericht op de regio’s en sectoren die het zwaarst door de transitie worden getroffen vanwege hun afhankelijkheid van fossiele brandstoffen als steenkool, turf en schalieolie, of hun afhankelijkheid van broeikasgasintensieve industriële processen, en die minder in staat zijn de noodzakelijke investeringen op te brengen. Ook in de conclusies van de Europese Raad van 21 juli 2020 staat dat er een mechanisme voor een rechtvaardige transitie moet worden ingericht. Het mechanisme voor een rechtvaardige transitie bestaat uit drie onderdelen: een onder gedeeld beheer uitgevoerd fonds voor een rechtvaardige transitie (Joint Transition Fund — “JTF”), een specifieke regeling voor een rechtvaardige transitie uit hoofde van InvestEU, en een leenfaciliteit voor de publieke sector voor het aantrekken van extra investeringen voor de betrokken regio’s. Uit die drie onderdelen krijgen die regio’s aanvullende steun ter bevordering van de transitie naar een klimaatneutrale economie tegen 2050.

(4)

Met het oog op een betere programmering en uitvoering van het JTF moeten territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie worden vastgesteld, waarin de belangrijkste stappen en het tijdschema van het transitieproces worden beschreven en de gebieden worden vastgesteld die het zwaarst door de transitie naar een klimaatneutrale economie worden getroffen en die over minder capaciteit beschikken om de uitdagingen van de transitie aan te gaan. De territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie worden samen met de betrokken lokale en regionale autoriteiten opgesteld, en alle relevante partners worden erbij betrokken, overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (5). Zij kunnen, samen met de bijbehorende door het JTF ondersteunde programma’s, overeenkomstig artikel 24 van die verordening worden gewijzigd ter opname van nieuwe gebieden die ernstig door de transitie zullen worden getroffen, op een wijze die bij de oorspronkelijke vaststelling ervan niet was voorzien.

(5)

Er moet een leenfaciliteit voor de publieke sector (de “faciliteit”) worden vastgesteld. Zij vormt het derde onderdeel van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, dat gericht is op de ondersteuning van investeringen door entiteiten uit de publieke sector, gezien de sleutelrol die de overheid speelt bij het aanpakken van marktfalen. Deze investeringen moeten voldoen aan de ontwikkelingsbehoeften die het gevolg zijn van de uitdagingen voor de transitie die zijn omschreven in de door de Commissie goedgekeurde territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie. De uit hoofde van de faciliteit te ondersteunen activiteiten moeten consistent zijn met en een aanvulling vormen op de activiteiten die door de twee andere onderdelen van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie worden ondersteund. Teneinde de looptijd van de faciliteit gelijk te laten lopen met het meerjarig financieel kader van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 (het “MFK 2021-2027”) dat is vastgesteld bij Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (6), dient de faciliteit te worden ingesteld voor een looptijd van zeven jaar.

(6)

Ter versterking van de cohesie en de economische diversificatie van de door de transitie getroffen gebieden moet de faciliteit een breed scala aan duurzame investeringen bedienen, op voorwaarde dat dergelijke investeringen bijdragen aan de ontwikkelingsbehoeften van deze gebieden als gevolg van de transitie naar de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030, zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119 en aan de klimaatneutraliteit in de Unie in uiterlijk 2050, zoals beschreven in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie. Om de faciliteit doeltreffender te maken, moet zij steun kunnen verlenen aan subsidiabele projecten waarbij reeds vóór de indiening van de aanvraag door de begunstigden bij de faciliteit met de uitvoering is begonnen. De faciliteit moet geen investeringen ondersteunen die betrekking hebben op activiteiten die zijn uitgesloten op grond van artikel 9 van Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (7), maar zou wel investeringen kunnen ondersteunen in hernieuwbare energie, groene en duurzame mobiliteit met inbegrip van de bevordering van groene waterstof, efficiënte stadsverwarmingsnetten, openbaar onderzoek, digitalisering, milieu-infrastructuur voor slim afval- en waterbeheer, en zou maatregelen kunnen ondersteunen op gebied van duurzame energie, energie-efficiëntie en integratie, waaronder renovatie en transformatie van gebouwen, stedelijke vernieuwing en regeneratie, transitie naar een circulaire economie, verbetering en sanering van bodems en ecosystemen, uitgaande van het beginsel dat de vervuiler betaalt, biodiversiteit, alsmede bijscholing en omscholing, opleidingen en sociale infrastructuur, met inbegrip van zorginstellingen en sociale huisvesting.

(7)

Bij de infrastructurele ontwikkelingen zou het tevens om grensoverschrijdende projecten en oplossingen kunnen gaan die voor een grotere bestendigheid zorgen tegen milieurampen, met name die welke door de klimaatverandering verergerd zijn. De voorkeur moet uitgaan naar een omvattende benadering van investeringen, met name voor gebieden met grote transitiebehoeften. Ook investeringen in andere sectoren kunnen worden ondersteund als ze stroken met de goedgekeurde territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie. De faciliteit moet pogen door middel van ondersteuning van investeringen die onvoldoende inkomstenstromen genereren om hun investeringskosten te dekken, entiteiten uit de publieke sector de noodzakelijke extra middelen te geven om de territoriale, sociale, economische en milieu-uitdagingen die het gevolg zullen zijn van de aanpassing aan de transitie aan te pakken. Om in beeld te krijgen welke investeringen voor de faciliteit in aanmerking komen en een groot positief milieueffect hebben, onder meer met betrekking tot biodiversiteit, moet de Commissie bij het evalueren van de faciliteit rekening houden met de EU-taxonomie voor ecologisch duurzame economische activiteiten. Alle financieringspartners moeten voor de benodigde transparantie met betrekking tot duurzame projecten in voorkomend geval de EU-taxonomie voor ecologisch duurzame economische activiteiten gebruiken, met inbegrip van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”.

(8)

Tijdens het hele traject van voorbereiding, evaluatie, uitvoering en monitoring van voor subsidie uit de faciliteit in aanmerking komende projecten, moet in voorkomend geval worden toegezien op eerbiediging van de grondrechten en naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gendergelijkheid in het bijzonder. Evenzo moeten begunstigden en de Commissie tijdens de uitvoering van de faciliteit tevens elke vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie voorkomen. De doelstellingen van de faciliteit moeten worden nagestreefd in overeenstemming met de duurzameontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties, de Europese pijler van sociale rechten, het beginsel dat de vervuiler betaalt, de Overeenkomst van Parijs die is vastgesteld binnen het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (8) (de “Overeenkomst van Parijs”) en het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”.

(9)

De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Die regels zijn vastgelegd in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9) (het “Financieel Reglement”) en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirect beheer, financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties, financiële bijstand en de vergoeding van externe deskundigen, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde regels omvatten tevens een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de begroting van de Unie.

(10)

De faciliteit moet steun verlenen in de vorm van door de Unie verstrekte subsidies in combinatie met door een financiële partner overeenkomstig zijn regels, beleid en procedures verstrekte leningen. De door de Commissie in direct beheer uitgevoerde financiële middelen voor de subsidiecomponent moeten de vorm van niet aan de kosten gekoppelde financiering aannemen overeenkomstig artikel 125 van het Financieel Reglement. Die vorm van financiering moet de gangmakers van projecten ertoe aanzetten te participeren in de faciliteit en de doelstellingen daarvan te helpen verwezenlijken op een manier die in verhouding tot de grootte van de lening efficiënt te noemen is. De Europese Investeringsbank (EIB) moet voor de leningcomponent zorgen. Het moet mogelijk zijn de faciliteit te verruimen om andere financiële partners in staat te stellen de leningcomponent te verstrekken, ingeval er extra middelen voor de subsidiecomponent beschikbaar komen of correcte uitvoering van de faciliteit een dergelijke verruiming vereist. In dergelijke gevallen moet de Commissie de lidstaten en het Europees Parlement in kennis stellen van het voornemen de faciliteit uit te breiden en moet deze aanvullende financieringspartners selecteren op het criterium of ze in staat zijn de doelstellingen van de faciliteit te verwezenlijken, hun eigen middelen bij te dragen en de nodige geografische dekking te bieden.

(11)

Er moeten administratieve overeenkomsten tussen de Commissie en de financieringspartners worden gesloten. Die overeenkomsten moeten de uitvoeringsregelingen voor de evaluatie en monitoring van projecten bevatten, alsmede de respectieve rechten en plichten van elke partij bij de overeenkomst, waaronder gedetailleerde audit-, rapporterings- en communicatiebepalingen. De communicatieregelingen moeten met name de verplichting bevatten over elk afzonderlijk project dat, en elke individuele lening die, steun krijgt uit de faciliteit informatie te publiceren.

(12)

Door te voorzien in de investeringsbehoeften die voortvloeien uit de transitie naar een klimaatneutrale economie van de gebieden die het zwaarst getroffen zijn, moet de faciliteit een cruciale bijdrage leveren aan de integratie van klimaatactie. Daarom zullen middelen uit de subsidiecomponent van de faciliteit in dezelfde mate tot de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen bijdragen als het JTF.

(13)

250 000 000 EUR van de subsidiecomponent van de faciliteit moet uit de begroting van de Unie gefinancierd worden overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 en moet, tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure, voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (10).

(14)

275 000 000 EUR van de subsidiecomponent van de faciliteit moet worden gefinancierd door terugbetalingen die voortvloeien uit de financieringsinstrumenten die zijn ingesteld uit hoofde van de in bijlage I bij deze verordening vermelde programma’s. Deze ontvangsten zijn afkomstig van afgesloten programma’s die los staan van de faciliteit, en moeten beschouwd worden als externe bestemmingsontvangsten in afwijking van artikel 21, lid 3, punt f), van het Financieel Reglement op grond van artikel 322, lid 1, VWEU.

(15)

1 000 000 000 EUR van de subsidiecomponent van de faciliteit moet worden gefinancierd uit het verwachte overschot van de voorziening voor de EU-garantie, die is opgericht bij Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad (11). Daarom moet worden afgeweken van artikel 213, lid 4, punt a), van het Financieel Reglement — op grond waarvan alle overschotten van voorzieningen voor een begrotingsgarantie moeten worden teruggestort in de begroting — teneinde dat overschot aan de faciliteit te kunnen toewijzen. Die bestemmingsontvangsten moeten worden beschouwd als externe bestemmingsontvangsten in afwijking van artikel 21, lid 3, punt f), van het Financieel Reglement op grond van artikel 322, lid 1, VWEU.

(16)

Overeenkomstig artikel 12, lid 4, punt c), van het Financieel Reglement zouden de kredieten die overeenkomen met externe bestemmingsontvangsten, automatisch naar het vervolgprogramma of de vervolgactie kunnen worden overgedragen. Die bepaling maakt het mogelijk de meerjarenplanning van bestemmingsontvangsten af te stemmen op het uitvoeringstraject van de door de faciliteit gefinancierde projecten.

(17)

Voorts moeten middelen worden uitgetrokken voor adviesdiensten ter bevordering van zowel de voorbereiding, ontwikkeling en uitvoering van subsidiabele projecten, en de vroege voorbereiding van projecten voorafgaand aan de indiening van de aanvraag door de begunstigde bij de faciliteit. Een deel van die middelen moet worden besteed aan de ondersteuning van de eigen capaciteit van de begunstigden om de duurzaamheid van subsidiabele projecten te waarborgen.

(18)

Opdat alle lidstaten van de subsidiecomponent kunnen profiteren, moet worden voorzien in een mechanisme voor de toewijzing van de in een eerste fase nationale percentages, zoals vervat in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/1056. Om die doelstelling te verenigen met de noodzaak het economisch effect van de faciliteit en de uitvoering ervan te optimaliseren, mogen dergelijke nationale percentages echter niet voor de periode na 31 december 2025 worden toegewezen. Daarna moeten de resterende beschikbare middelen voor de subsidiecomponent worden verstrekt zonder vooraf toegewezen nationaal percentage via concurrentie op Unieniveau, te paren aan een stabiel investeringsklimaat en een op behoeften en regionale convergentie gerichte aanpak.

(19)

De subsidiabiliteits- en toekenningscriteria moeten worden vastgesteld in het werkprogramma en de oproep tot het indienen van voorstellen. Bij die subsidiabiliteits- en toekenningscriteria moet rekening worden gehouden met de relevantie van het project in het licht van de in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie beschreven ontwikkelingsbehoeften, met de algemene doelstelling de regionale en territoriale convergentie te bevorderen, en met het belang van de subsidiecomponent voor de levensvatbaarheid van het project. Daarnaast moeten de werkprogramma’s toekenningscriteria voorschrijven voor gevallen waarin onvoldoende middelen zijn om subsidiabele projecten te kunnen ondersteunen. De prioriteit moet uitgaan naar projecten in minder ontwikkelde regio’s, naar projecten die rechtstreeks bijdragen aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie en naar projecten die worden gepromoot door entiteiten uit de publieke sector die decarbonisatieplannen volgens deze overeenkomstige rangorde van criteria hebben vastgesteld, indien van toepassing. De steun van de Unie uit hoofde van de faciliteit mag dus uitsluitend worden verstrekt aan lidstaten met ten minste één goedgekeurd territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie. Ook bij het werkprogramma en de oproepen tot het indienen van voorstellen moet rekening worden gehouden met de door de lidstaten ingediende territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie, zodat de verschillende onderdelen van het mechanisme onderling samenhangend zijn. Opdat de faciliteit zo veel mogelijk effect sorteert, mogen de individuele projecten die uit hoofde van de faciliteit worden ondersteund geen steun uit andere Unieprogramma’s ontvangen behalve met betrekking tot de voorbereiding van projecten. Concrete acties bestaande uit identificeerbare afzonderlijke projecten mogen echter wel door verschillende Unieprogramma’s worden gesteund, overeenkomstig de toepasselijke subsidiabiliteitsregels.

(20)

Om de steun van de Unie zo doeltreffend mogelijk te maken en te voorkomen dat potentiële steun en investeringen uit alternatieve bronnen worden vervangen, mag steun uit de faciliteit uitsluitend verleend worden aan projecten die onvoldoende inkomstenstromen genereren om hun investeringskosten te dekken. Die inkomsten zijn inkomsten, anders dan overdrachten uit de begroting, die rechtstreeks door de activiteiten van het project worden gegenereerd, zoals verkopen, vergoedingen en tolgelden, of incrementele besparingen als gevolg van de opwaardering van bestaande activa.

(21)

Aangezien de subsidiecomponent rekening moet houden met de uiteenlopende ontwikkelingsbehoeften van de regio’s in de lidstaten, moet deze steun worden aangepast ten voordele van de minder ontwikkelde regio’s. Omdat entiteiten uit de publieke sector in minder ontwikkelde regio’s in het algemeen over minder investeringsruimte beschikken, moeten de subsidiepercentages die op leningen aan dergelijke entiteiten van toepassing zijn, verhoudingsgewijs hoger zijn.

(22)

Voor de doeltreffende uitvoering van de faciliteit kan het noodzakelijk zijn advies te verlenen bij de voorbereiding, de ontwikkeling en de uitvoering van projecten. Dergelijk advies moet worden verleend via de InvestEU-advieshub voor subsidiabele projecten en de voorbereiding van projecten vóór indiening van de aanvraag, met bijzondere aandacht voor begunstigden met minder bestuurlijke capaciteit of in minder ontwikkelde regio’s. Het moet ook mogelijk zijn dergelijke steun uit hoofde van andere Unieprogramma’s te verlenen.

(23)

Ter meting van de doeltreffendheid van de faciliteit, te weten haar vermogen de doelstellingen te verwezenlijken, en ten behoeve van de voorbereiding van mogelijke verlenging na 2027, moet de Commissie een tussentijdse en een eindevaluatie uitvoeren, met inbegrip van een beoordeling van de mogelijkheid om bepalingen inzake gendereffectbeoordeling vast te stellen, in voorkomend geval, en moet de Commissie de evaluatieverslagen bij het Europees Parlement en de Raad indienen. Op grond van de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (12) moet de faciliteit worden geëvalueerd op basis van overeenkomstig specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, waarbij administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, en overregulering moeten worden vermeden.

(24)

Om de uitvoering te bespoedigen en ervoor te zorgen dat de middelen tijdig worden gebruikt, moet deze verordening de in de subsidieovereenkomsten op te nemen specifieke waarborgen vaststellen. Daarom moet de Commissie, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, de steun van de Unie kunnen verminderen of beëindigen in gevallen waarin bij de uitvoering van het project geen noemenswaardige vorderingen worden gemaakt. Het Financieel Reglement is op de faciliteit van toepassing. Het moet, ten behoeve van een samenhangende uitvoering van de financieringsprogramma’s van de Unie, van toepassing zijn op de subsidiecomponent en de uit de faciliteit verstrekte middelen voor adviesverlening.

(25)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13) en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 (14), (Euratom, EG) nr. 2185/96 (15) en (EU) 2017/1939 (16) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met evenredige maatregelen, onder meer op het gebied van preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen en, voor zover van toepassing, met administratieve sancties. Met name heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheid administratieve onderzoeken instellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad. Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 bevoegd tot het onderzoeken en gevolgen van strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (17), onderzoeken en vervolgen. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement volledig meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, het EOM, en ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële middelen van de Unie, gelijkwaardige rechten verlenen.

(26)

Teneinde bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te kunnen wijzigen, moet de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de kernprestatie-indicatoren voor het monitoren van de uitvoering en de voortgang van de faciliteit. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(27)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot werkprogramma’s en de voorwaarden en procedures voor de selectie van andere financiële partners dan de EIB. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (18).

(28)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het begunstigen van de gebieden die de meest negatieve gevolgen ondervinden van de transitie naar klimaatneutraliteit het meest voelbaar zijn overheidsinvesteringen aan te trekken om de ontstane ontwikkelingsbehoeften door middel van het bevorderen van overheidsinvesteringen te lenigen, niet voldoende door de lidstaten alleen kan worden verwezenlijkt, ten gevolge van de moeilijkheden die entiteiten uit de publieke sector hebben om investeringen te ondersteunen die onvoldoende inkomstenstromen genereren om hun investeringskosten te dekken, maar vanwege de behoefte aan een coherent uitvoeringskader onder direct beheer, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening wordt de leenfaciliteit voor de publieke sector (de “faciliteit") voor de duur van het MFK 2021-2027 vastgesteld ter ondersteuning van entiteiten uit de publieke sector door subsidies uit de begroting van de Unie te combineren met door de financiële partners verstrekte leningen, worden de doelstellingen van de faciliteit bepaald. In de verordening worden regels vast gelegd voor de subsidiecomponent van de faciliteit, waarbij met name de begroting ervan, de vorm van de door de Unie verleende steun en de bepalingen inzake subsidiabiliteit worden bestreken.

De faciliteit verleent steun aan gebieden in de Unie die met ernstige sociale, economische en milieu-uitdagingen worden geconfronteerd als gevolg van de transitie naar de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 en de doelstelling van klimaatneutraliteit in de Unie in 2050.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)

“administratieve overeenkomst”: een rechtsinstrument tot vaststelling van het kader voor samenwerking tussen de Commissie en een financiële partner waarin de respectieve taken en verantwoordelijkheden ter uitvoering van de faciliteit overeenkomstig deze verordening worden vastgesteld;

(2)

“begunstigde”: een juridische entiteit die in een lidstaat is gevestigd als publiekrechtelijke instelling of als privaatrechtelijke instelling met een openbaredienstverleningstaak en waarmee de Commissie uit hoofde van de faciliteit een subsidieovereenkomst heeft gesloten;

(3)

“financiële partners”: de EIB, andere internationale financiële instellingen, nationale stimuleringsbanken en financiële instellingen, met inbegrip van particuliere financiële instellingen, waarmee de Commissie een administratieve overeenkomst ondertekent om binnen de faciliteit samen te werken;

(4)

“project”: elke actie die door de Commissie is aangemerkt als subsidiabel door de Unie uit hoofde van de faciliteit, en die gericht is op de verwezenlijking van een ondeelbare taak van nauwkeurig omschreven economische en technische aard met een vooraf vastgesteld doel nastreeft en waarvoor een termijn voor het uitvoeren en voltooien ervan is vastgesteld;

(5)

“territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie”: een plan dat overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2021/1056 is opgesteld en door de Commissie is goedgekeurd;

(6)

“lening”: een lening die door financiële partners aan een begunstigde wordt verstrekt om een aantal vooraf vast te stellen projecten uit hoofde van de faciliteit te financieren.

(7)

“minder ontwikkelde regio”: een minder ontwikkelde regio zoals bedoeld in artikel 108, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1060.

Artikel 3

Doelstellingen

1.   De algemene doelstelling van de faciliteit is het aanpakken van grote sociale, economische, en milieu-uitdagingen die voortvloeien uit de transitie naar de streefdoelen van de Unie voor 2030 inzake klimaat en energie en de doelstelling om uiterlijk in 2050 tot een klimaatneutrale economie in de Unie te komen, zoals bepaald in Verordening (EU) 2021/1119, ten behoeve van de gebieden in de Unie die in de door de lidstaten territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie zijn aangewezen.

2.   De specifieke doelstelling van de faciliteit is overheidsinvesteringen ter leniging van de ontwikkelingsbehoeften van de in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie aangewezen regio’s te verhogen door de financiering te vergemakkelijken van projecten die onvoldoende inkomstenstromen genereren om hun investeringskosten te dekken, teneinde te voorkomen dat potentiële steun en investeringen uit alternatieve bronnen worden vervangen.

3.   Bij het streven naar de in lid 2 bedoelde specifieke doelstelling beoogt deze verordening er ook voor te zorgen dat, waar nodig, advies wordt verleend bij de voorbereiding, de ontwikkeling en de uitvoering van subsidiabele projecten, waaronder steun voor de voorbereiding van projecten voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor de faciliteit. Dat advies wordt verleend overeenkomstig de regels en uitvoeringsmethoden voor de bij artikel 25 van Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (19) opgerichte InvestEU-advieshub.

Artikel 4

Horizontale beginselen

1.   Tijdens het hele traject van voorbereiding, evaluatie, uitvoering en monitoring van subsidiabele projecten wordt in voorkomend geval toegezien op eerbiediging van de grondrechten en naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name wat betreft gendergelijkheid.

2.   De begunstigden en de Commissie voorkomen tijdens de uitvoering van de faciliteit elke vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van subsidiabele projecten wordt, indien van toepassing, met name rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een handicap.

3.   De doelstellingen van de faciliteit worden nagestreefd in overeenstemming met de duurzameontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties, de Europese pijler van sociale rechten, het beginsel dat de vervuiler betaalt, de Overeenkomst van Parijs en het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”.

Artikel 5

Begroting

1.   Behoudens de extra middelen die in de begroting van de Unie voor de periode 2021-2027 worden toegewezen, wordt de subsidiecomponent van de faciliteit gefinancierd uit:

a)

middelen uit de begroting van de Unie ten bedrage van 250 000 000 EUR in lopende prijzen, en

b)

de in lid 2 bedoelde bestemmingsontvangsten tot een maximumbedrag van 1 275 000 000 EUR in lopende prijzen.

2.   De in lid 1, punt b), bedoelde bestemmingsontvangsten zijn afkomstig van terugbetalingen uit de bij de in bijlage I bij deze verordening vermelde programma’s vastgestelde financieringsinstrumenten tot een maximumbedrag van 275 000 000 EUR, en van het overschot van de voorziening voor de bij Verordening (EU) 2015/1017 ingestelde EU-garantie tot een maximumbedrag van 1 000 000 000 EUR.

3.   De in lid 1 bedoelde middelen en bestemmingsontvangsten kunnen worden aangevuld met financiële bijdragen van de lidstaten, van derde landen en van andere organen dan die welke op grond van het VWEU of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie zijn opgericht. Die financiële bijdragen vormen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

4.   In afwijking van artikel 21, lid 3, punt f), van het Financieel Reglement vormen middelen die afkomstig zijn van de in lid 2 van dit artikel bedoelde terugbetalingen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement. In afwijking van artikel 213, lid 4, punt a), van het Financieel Reglement vormen de middelen die afkomstig zijn van het in lid 2 van dit artikel bedoelde overschot van de voorziening voor de EU-garantie, externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

5.   Een bedrag van maximaal 2 % van de in lid 1 bedoelde middelen kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de uitvoering van de faciliteit, zoals voorbereidende activiteiten en activiteiten op het gebied van monitoring, controle, audit en evaluatie — waaronder met betrekking tot collectieve informatietechnologiesystemen —, evenals voor administratieve uitgaven en vergoedingen van de financiële partners.

6.   Maximaal 35 000 000 EUR van de in lid 1 bedoelde middelen is bestemd voor in artikel 3, lid 3, bedoelde activiteiten; ten minste 10 000 000 EUR daarvan dient ter ondersteuning van de bestuurlijke capaciteit van begunstigen, met name in de minder ontwikkelde regio’s.

7.   Budgettaire vastleggingen voor maatregelen waarvan de uitvoering meer dan één begrotingsjaar beslaat, mogen gespreid over verscheidene jaren in jaarlijkse tranches worden uitgesplitst.

HOOFDSTUK II

STEUN VAN DE UNIE

Artikel 6

Vorm van door de Unie verleende steun en uitvoeringsmethode

1.   De steun van de Unie uit de faciliteit wordt verleend in de vorm van subsidies overeenkomstig titel VIII van het Financieel Reglement.

2.   De steun van de Unie uit hoofde van de faciliteit wordt in direct beheer uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement.

Artikel 7

Beschikbaarheid van middelen

1.   De in artikel 5, leden 1 en 3, bedoelde middelen worden, na aftrek van een voorziening voor de in artikel 5, lid 5, bedoelde technische en administratieve uitgaven, gebruikt voor de financiering van projecten overeenkomstig de leden 2 en 3.

2.   Voor subsidies die worden toegekend op grond van uiterlijk op 31 december 2025 bekendgemaakte oproepen tot het indienen van voorstellen, mag de steun van de Unie die is toegekend aan subsidiabele projecten in een lidstaat niet meer bedragen dan de nationale percentages die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/1056.

3.   Voor subsidies die worden toegekend op grond van met ingang van 1 januari 2026 bekendgemaakte oproepen tot het indienen van voorstellen, wordt de steun van de Unie voor subsidiabele projecten verleend zonder een vooraf toegewezen nationaal percentage en op concurrerende basis op het niveau van de Unie, totdat de resterende middelen zijn opgebruikt. Bij de toekenning van dergelijke subsidies wordt rekening gehouden met de noodzaak de voorspelbaarheid van de investeringen en de bevordering van regionale convergentie te waarborgen, met bijzondere aandacht voor minder ontwikkelde regio’s, overeenkomstig de in artikel 14, lid 2, bepaalde toekenningscriteria.

Artikel 8

Administratieve overeenkomsten met financiële partners

Voorafgaand aan de uitvoering van de faciliteit met een financiële partner ondertekenen de Commissie en de financiële partner een administratieve overeenkomst. In de overeenkomst worden de respectieve rechten en plichten van elke partij bij de overeenkomst vastgesteld, onder meer regelingen op het gebied van audit en communicatie, met inbegrip van met name de verplichting om informatie over elk door middel van de faciliteit gefinancierd project en het toepassingsgebied van de leningen te publiceren.

HOOFDSTUK III

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 9

Subsidiabele projecten

1.   Enkel projecten die tot de in artikel 3 bepaalde doelstellingen bijdragen en die aan alle volgende voorwaarden voldoen, komen in aanmerking voor steun van de Unie uit hoofde van de faciliteit:

a)

de projecten hebben een meetbaar effect en omvatten in voorkomend geval outputindicatoren bij het aangaan van ernstige sociale, economische en milieu-uitdagingen die voortvloeien uit de transitie naar de streefdoelen van de Unie voor 2030 inzake klimaat en energie en de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te verwezenlijken, en komen ten goede aan in een territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie aangewezen gebieden, zelfs als de projecten niet in die gebieden uitgevoerd worden;

b)

de projecten ontvangen geen steun uit andere programma’s van de Unie;

c)

de projecten ontvangen een lening van een financiële partner uit hoofde van de faciliteit, en

d)

de projecten genereren onvoldoende inkomstenstromen om hun investeringskosten te dekken, teneinde te voorkomen dat potentiële steun en investeringen uit alternatieve bronnen worden vervangen.

2.   In afwijking van lid 1, punt b), kunnen projecten die uit hoofde van de faciliteit steun van de Unie ontvangen, ook advies en technische ondersteuning uit andere programma’s van de Unie krijgen voor de voorbereiding, ontwikkeling en uitvoering ervan.

3.   De faciliteit ondersteunt geen activiteiten die zijn uitgesloten op grond van artikel 9 van Verordening (EU) 2021/1056.

Artikel 10

In aanmerking komende personen en entiteiten

Niettegenstaande de criteria van artikel 197 van het Financieel Reglement komen alleen juridische entiteiten die in een lidstaat zijn gevestigd als publiekrechtelijke instelling of als privaatrechtelijke instelling met een openbare dienstverleningstaak, in aanmerking om zich als potentiële begunstigde uit hoofde van deze verordening aan te melden.

HOOFDSTUK IV

SUBSIDIES

Artikel 11

Subsidies

1.   Subsidies hebben de vorm van niet aan kosten gekoppelde financiering overeenkomstig artikel 125, lid 1, punt a), van het Financieel Reglement.

2.   De subsidie bedraagt niet meer dan 15 % van de door de financiële partner uit hoofde van de faciliteit verstrekte lening. Voor projecten in gebieden in minder ontwikkelde regio’s, bedraagt de subsidie niet meer dan 25 % van de door de financiële partner uit hoofde van de faciliteit verstrekte lening.

3.   Betalingen van een toegekende subsidie kunnen worden gesplitst in een aantal tranches die gekoppeld zijn aan in de subsidieovereenkomst vastgestelde voortgang bij de uitvoering.

Artikel 12

Verlaging of beëindiging van subsidies

1.   Naast de in artikel 131, lid 4, van het Financieel Reglement genoemde redenen kan de Commissie, na raadpleging van de financiële partner, het bedrag van de subsidie verminderen of de subsidieovereenkomst beëindigen, als binnen twee jaar na de datum van ondertekening van de subsidieovereenkomst het economisch meest belangrijke overeenkomst voor leveringen, werken of diensten niet is ondertekend, wanneer de subsidieovereenkomst in de sluiting van een dergelijke overeenkomst voorziet.

2.   Indien de steun van de Unie met leningen wordt gecombineerd of indien niet in een overeenkomst voor leveringen, werken of diensten is voorzien, is lid 1 niet van toepassing.

In dergelijke gevallen kan de Commissie, na raadpleging van de financiële partner, het bedrag van de subsidie verminderen of de subsidieovereenkomst beëindigen en daarbij betaalde bedragen terugvorderen overeenkomstig de in de subsidieovereenkomst vastgestelde voorwaarden.

HOOFDSTUK V

ADVIESDIENSTEN

Artikel 13

Adviesdiensten

1.   Advies uit hoofde van deze verordening wordt in indirect beheer verleend overeenkomstig de regels en uitvoeringsmethoden voor de InvestEU-advieshub.

2.   Activiteiten die nodig zijn om de voorbereiding, de ontwikkeling en de uitvoering van projecten te ondersteunen, komen in aanmerking voor advies en worden gefinancierd overeenkomstig artikel 5, lid 6.

HOOFDSTUK VI

PROGRAMMERING, MONITORING, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 14

Werkprogramma’s

1.   De faciliteit wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma’s die overeenkomstig artikel 110 van het Financieel Reglement worden opgesteld.

2.   De werkprogramma’s bevatten toekenningscriteria die van toepassing zijn wanneer de totale gevraagde subsidie voor subsidiabele projecten de beschikbare middelen overtreft. Deze criteria houden, waar van toepassing, in dat voorrang wordt gegeven aan:

a)

projecten die worden gepromoot door begunstigden in minder ontwikkelde regio’s;

b)

projecten die rechtstreeks bijdragen aan de verwezenlijking van de streefdoelen van de Unie voor 2030 inzake klimaat en energie en de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie, en

c)

projecten die worden gepromoot door begunstigden die decarbonisatieplannen hebben vastgesteld.

3.   De werkprogramma’s worden door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 20 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 15

Selectie van andere financiële partners dan de EIB

1.   De Commissie bepaalt de voorwaarden en procedures voor de selectie van andere financiële partners dan de EIB door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 20 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De voorwaarden voor de selectie van andere financiële partners dan de EIB weerspiegelen de doelstellingen van de faciliteit.

3.   Bij de selectie van financiële partners houdt de Commissie met name rekening met de capaciteit van potentiële financieringspartners om:

a)

hun kredietverleningsbeleid af te stemmen op de milieu- en sociale normen van de Unie, de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2030, en de doelstelling uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken;

b)

voldoende eigen middelen bij te dragen zodat de subsidie van de Unie maximaal effect sorteert;

c)

ervoor te zorgen dat de faciliteit de nodige geografische dekking heeft en de financiering van kleinere afzonderlijke projecten mogelijk te maken;

d)

de vereisten van artikel 155, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement met betrekking tot witwassen, terrorismefinanciering, belastingontwijking, belastingfraude, belastingontduikingen niet-coöperatieve jurisdicties nauwgezet uit te voeren;

e)

te zorgen voor transparantie en adequate zichtbaarheid met betrekking tot elk door de faciliteit gefinancierd project;

4.   De Commissie maakt de lijst van de overeenkomstig dit artikel geselecteerde financieringspartners bekend.

Artikel 16

Monitoring en verslaglegging

1.   In bijlage II worden de kernprestatie-indicatoren vastgesteld voor de monitoring van de uitvoering van de faciliteit en haar voortgang bij de verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde doelstellingen.

2.   Het prestatieverslagleggingssysteem zorgt ervoor dat gegevens met betrekking tot de in lid 1 bedoelde indicatoren doeltreffend, efficiënt en tijdig worden verzameld. Begunstigden en financiële partners verstrekken de Commissie de gegevens met betrekking tot die indicatoren overeenkomstig de subsidieovereenkomst respectievelijk de administratieve overeenkomst.

3.   Uiterlijk op 31 oktober van elk kalenderjaar, met ingang van 2022, brengt de Commissie verslag uit over de uitvoering van de faciliteit. Dat verslag bevat informatie over de mate waarin aan de doelstellingen, voorwaarden en prestatie-indicatoren van de faciliteit is voldaan.

4.   Indien uit het in artikel 17, lid 2, bedoelde tussentijdse evaluatieverslag blijkt dat de in bijlage II bepaalde indicatoren geen behoorlijke beoordeling van de faciliteit mogelijk maken, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in bijlage II bepaalde kernprestatie-indicatoren te wijzigen.

Artikel 17

Evaluatie

1.   Evaluaties van de uitvoering van de faciliteit en van het vermogen van de faciliteit om de in artikel 3 bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, worden tijdig uitgevoerd zodat passende maatregelen kunnen worden genomen.

2.   Een tussentijdse evaluatie wordt uiterlijk op 30 juni 2025 uitgevoerd en een verslag van die tussentijdse evaluatie wordt bij het Europees Parlement en de Raad ingediend. Met de tussentijdse evaluatie wordt met name beoordeeld:

a)

in welke mate de uit hoofde van de faciliteit verleende steun van de Unie de behoeften heeft helpen lenigen van gebieden die de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie uitvoeren;

b)

hoe met de in artikel 4 bedoelde horizontale beginselen is rekening gehouden;

c)

of het nodig is een gendereffectbeoordeling uit te voeren;

d)

of de in artikel 9 vastgestelde subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn toegepast en hoe de zichtbaarheidsverplichtingen zijn toegepast;

e)

in welke mate, rekening houdend met de in Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (20) vastgestelde toepasselijke screeningcriteria, op basis van de door de faciliteit ondersteunde projecten, de faciliteit aan de milieudoelstellingen van artikel 9 van die verordening heeft bijgedragen.

Het tussentijds evaluatieverslag kan vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel, waarbij met name rekening wordt gehouden met eventuele aanpassingen van de subsidiabiliteitsvoorwaarden.

3.   Aan het einde van de uitvoeringsperiode en uiterlijk op 31 december 2031 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een eindevaluatieverslag over de resultaten en de langetermijneffecten van de faciliteit in, waarin ook de in lid 2 omschreven zaken worden beoordeeld.

Artikel 18

Audits

1.   Audits van het gebruik van de uit hoofde van de faciliteit verleende steun van de Unie door personen of entiteiten, met inbegrip van andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van artikel 127 van het Financieel Reglement.

2.   Begunstigden en financiële partners verstrekken de Commissie en de aangewezen controleurs overeenkomstig hun subsidieovereenkomsten respectievelijk administratieve overeenkomsten alle beschikbare documenten die zij nodig hebben om hun audittaken uit te voeren.

3.   De externe audit van de overeenkomstig deze verordening ondernomen activiteiten met betrekking tot het gebruik van de uit hoofde van de faciliteit verleende steun van de Unie wordt uitgevoerd door de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287 VWEU. Overeenkomstig artikel 287, lid 3, VWEU, krijgt de Rekenkamer daartoe, op haar verzoek, toegang tot alle documenten en informatie die nodig zijn voor de uitvoering van haar audittaken, met inbegrip van alle informatie over de evaluaties van aanvragen en de resultaten daarvan.

Artikel 19

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 16, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 16, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 16, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 20

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 115, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 ingestelde comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 21

Informatie, communicatie en zichtbaarheid

1.   Begunstigden en financiële partners zorgen voor de zichtbaarheid van de uit de faciliteit verleende steun van de Unie, met name wanneer zij de projecten en de projectresultaten promoten, door gerichte informatie te verstrekken aan tal van doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek.

2.   De Commissie zorgt voor informatie en communicatie met betrekking tot de faciliteit, de gefinancierde projecten en de resultaten van die projecten. Dit houdt met name in dat de lidstaten in kennis worden gesteld van het voornemen van de Commissie om de faciliteit open te stellen voor andere financiële partners dan de EIB en dat de lidstaten op de hoogte worden gebracht van de uitgegane oproepen tot het indienen van voorstellen die bekend zijn gemaakt, alsmede dat de technische en administratieve ondersteuning die aan de begunstigden wordt verleend onder de aandacht wordt gebracht. De aan de faciliteit toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bepaalde doelstellingen. De Commissie maakt de lijst van uit hoofde van de faciliteit gefinancierde projecten bekend en werkt deze regelmatig bij.

Artikel 22

Overgangsbepalingen

Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 5, lid 5, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. LOGAR


(1)  PB C 373 van 4.11.2020, blz. 1.

(2)  PB C 429 van 11.12.2020, blz. 240.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 24 juni 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 12 juli 2021.

(4)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159).

(6)  Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11).

(7)  Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1).

(8)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(9)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(10)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.

(11)  Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).

(12)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(13)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(14)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(15)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(16)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(17)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(18)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(19)  Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30).

(20)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).


BIJLAGE I

Financieringsinstrumenten waarvan de terugbetalingen voor de faciliteit kunnen worden gebruikt

A.   Eigenvermogensinstrumenten:

Europese Technologiefaciliteit (ETF98): Besluit 98/347/EG van de Raad van 19 mei 1998 betreffende maatregelen voor financiële bijstand aan innoverende en werkgelegenheidscheppende kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) — Het groei- en werkgelegenheidsinitiatief (PB L 155 van 29.5.1998, blz. 43);

TTP: Besluit van de Commissie tot vaststelling van een aanvullend financieringsbesluit betreffende de financiering van acties van de activiteit “Interne goederenmarkt en sectoraal beleid” van het directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie voor 2007 en tot vaststelling van het kaderbesluit betreffende de financiering van de voorbereidende actie “De Europese Unie speelt zijn rol in een geglobaliseerde wereld” en van vier proefprojecten “Erasmus voor jonge ondernemers”, “Maatregelen ter bevordering van samenwerking en partnerschappen tussen micro-, kleine en middelgrote ondernemingen”, “Technologie-overdracht” en “Europese topbestemmingen” van het directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie voor 2007 (C(2007) 531);

Europese Technologiefaciliteit (ETF01): Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) (2001-2005) (PB L 333 van 29.12.2000, blz. 84);

Faciliteit voor snelgroeiende, innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen (GIF): Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) (PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15);

Connecting Europe Facility: Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EU) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1);

Eigenvermogensfaciliteit voor groei van Cosme (Cosme-EFG): Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme) (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1639/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 33);

InnovFin-eigenvermogensfaciliteit

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104);

Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van “Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81);

Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van “Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van de Besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965);

Programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) — Investeringen in capaciteitsopbouw: Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (“EaSI”) en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238).

B.   Garantie-instrumenten:

Garantiefaciliteit voor kmo’s “98 (SMEG98): Besluit 98/347/EG van de Raad van 19 mei 1998 betreffende maatregelen voor financiële bijstand aan innoverende en werkgelegenheidscheppende kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) — Het groei- en werkgelegenheidsinitiatief (PB L 155 van 29.5.1998, blz. 43);

Garantiefaciliteit voor kmo’s “01 (SMEG01): Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) (2001-2005) (PB L 333 van 29.12.2000, blz. 84);

Garantiefaciliteit voor kmo’s “07 (SMEG07): Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) (PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15);

Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit — Garantie (EPMF-G): Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 87 van 7.4.2010, blz. 1);

Instrumenten voor risicodeling:

Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) Verklaringen van de Commissie (PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1);

Beschikking 2006/971/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma Samenwerking tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (PB L 400 van 30.12.2006, blz. 86);

Beschikking 2006/974/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma Capaciteiten tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (PB L 400 van 30.12.2006, blz. 299);

EaSI-garantie: Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238);

Leninggarantiefaciliteit van Cosme (Cosme-LGF): Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme) (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1639/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 33);

InnovFin Debt:

Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van “Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81);

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104);

Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van “Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van de Besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965);

Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren (CCS GF): Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221);

Garantiefaciliteit voor studentenleningen (SLGF): Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van “Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50);

Particuliere financiering van energie-efficiëntie (PF4EE): Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).

C.   Instrumenten voor risicodeling:

InnovFin:

Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van “Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81);

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104);

Schuldinstrument van de Connecting Europe Facility (CEF DI): Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EU) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129);

Faciliteit voor de financiering van natuurlijk kapitaal (NCFF): Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).

D.   Specifieke investeringsinstrumenten:

Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit — Fonds commun de placements — Fonds d'investissements spécialisés (EPMF FCP-FIS): Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 87 van 7.4.2010, blz. 1);

Marguerite:

Verordening (EG) nr. 680/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie (PB L 162 van 22.6.2007, blz. 1);

Besluit van de Commissie van 25 februari 2010 over de deelname van de Europese Unie aan het Europees Fonds 2020 voor energie, klimaatverandering en infrastructuur (het Margueritefonds) (C(2010) 941);

Europees Fonds voor energie-efficiëntie (EEEF): Verordening (EU) nr. 1233/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 663/2009 tot vaststelling van een programma om het economische herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (PB L 346 van 30.12.2010, blz. 5).


BIJLAGE II

Kernprestatie-indicatoren (1)

1.   

Omvang van de toegekende subsidies

2.   

Omvang van de ondertekende leningen

2.1.

Afzonderlijke leningen

2.2.

Kredietregelingen

3.   

Totale gemobiliseerde investeringen, als volgt verdeeld:

3.1.

Aangetrokken bedrag aan particuliere financiering

3.2.

Aangetrokken bedrag aan publieke financiering

4.   

Aantal ondersteunde projecten, uitgesplitst naar:

4.1.

Land

4.2.

NUTS 2-regio

4.3.

In het kader van een rechtvaardige transitie ondersteund gebied

5.   

Aantal uit de faciliteit gefinancierde projecten

6.   

Aantal projecten per sector

6.1.

Vervoer

6.2.

Sociale infrastructuur

6.3.

Openbare nutsvoorzieningen (water, afvalwater, stadsverwarming, energie, afvalbeheer)

6.4.

Rechtstreekse steun voor het faciliteren van de transitie naar klimaatneutraliteit (hernieuwbare energie, decarbonisatie, energie-efficiëntie)

6.5.

Milieudoelstellingen

6.6.

Stedelijke infrastructuur en huisvesting

6.7.

Overige

7.   

Vermindering van broeikasgasemissies, in voorkomend geval

8.   

Banencreatie, in voorkomend geval


(1)  Alle indicatoren moeten waar relevant naar regio worden uitgesplitst. Alle persoonsgegevens moeten waar relevant naar geslacht worden uitgesplitst.


30.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 274/20


VERORDENING (EU) 2021/1230 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 juli 2021

betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Unie

(codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (5). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)

Ter bevordering van de goede werking van de interne markt en van het grensoverschrijdende handelsverkeer binnen de Unie is het van essentieel belang dat de kosten van grensoverschrijdende betalingen in euro en die van overeenkomstige binnenlandse betalingen in een lidstaat gelijk zijn.

(3)

Het is niet aangewezen het beginsel van gelijke kosten toe te passen op betaalinstrumenten die hoofdzakelijk of uitsluitend in papiervorm bestaan, zoals cheques, omdat dergelijke instrumenten, alleen al vanwege hun aard, niet even efficiënt kunnen worden verwerkt als elektronische betalingen.

(4)

Het beginsel van gelijke kosten moet gelden voor in papiervorm of in contanten geïnitieerde of afgewerkte betalingen die in de loop van de betalingsuitvoeringsketen elektronisch worden verwerkt, uitgezonderd cheques, en voor alle kosten die direct en indirect verband houden met een betalingstransactie, met inbegrip van kosten verbonden aan een overeenkomst. Indirecte kosten omvatten kosten voor het instellen van een doorlopende betalingsopdracht of vergoedingen voor het gebruik van een betaalkaart of krediet- of debetkaart, die gelijk zouden moeten zijn voor binnenlandse en grensoverschrijdende betalingstransacties in de Unie.

(5)

Ter voorkoming van de versnippering van de betaalmarkten is het aangewezen het beginsel van gelijke kosten toe te passen. Te dien einde dient voor elke categorie grensoverschrijdende betalingstransactie een binnenlandse betaling te worden geïdentificeerd met dezelfde kenmerken of vrijwel dezelfde kenmerken als de grensoverschrijdende betaling. Om na te gaan of een binnenlandse betaling overeenkomt met een grensoverschrijdende betaling, dient het mogelijk te zijn om onder meer van de volgende criteria gebruik te maken: het voor de initiatie, uitvoering en voltooiing van de betaling gekozen kanaal, de mate van automatisering, de eventuele betalingsgarantie, de status van de klant en de relatie met de betalingsdienstaanbieder of het gebruikte betalingsinstrument, als omschreven in artikel 4, punt 14, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (6). Die criteria dienen niet als uitputtend te worden beschouwd.

(6)

De bevoegde autoriteiten moeten, voor zover zij zulks nodig achten, richtsnoeren uitvaardigen voor het vaststellen van overeenkomstige betalingen. De Commissie, waar nodig bijgestaan door het bij artikel 85, lid 1, van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) ingestelde Comité voor betalingen, dient een passende sturing te verschaffen en de bevoegde autoriteiten bij te staan.

(7)

Om de werking van de interne markt te vergemakkelijken en op het vlak van grensoverschrijdende betalingen in euro ongelijkheden tussen betalingsdienstgebruikers in de lidstaten binnen en buiten de eurozone te vermijden, moet ervoor worden gezorgd dat de kosten van grensoverschrijdende betalingen in euro binnen de Unie worden gelijkgetrokken met de kosten van overeenkomstige binnenlandse betalingen in de nationale valuta van de lidstaat waar de betalingsdienstaanbieder van de betalingsdienstgebruiker zich bevindt. Een betalingsdienstaanbieder wordt geacht zich te bevinden in de lidstaat waar hij zijn diensten aan de betalingsdienstgebruiker aanbiedt.

(8)

Valutawisselkosten zijn significante kosten van grensoverschrijdende betalingen wanneer in de lidstaat van de betaler en de lidstaat van de begunstigde andere valuta’s worden gebruikt. Artikel 45 van Richtlijn (EU) 2015/2366 bepaalt dat de kosten en de gebruikte wisselkoers transparant moeten zijn, artikel 52, punt 3, van die richtlijn bevat informatievereisten met betrekking tot betalingstransacties die onder een raamovereenkomst vallen, en in artikel 59, lid 2, van die richtlijn zijn informatievereisten neergelegd voor partijen die valutawisseldiensten aanbieden aan een geldautomaat of bij het verkooppunt. Het is noodzakelijk om te voorzien in extra maatregelen teneinde consumenten te beschermen tegen buitensporige kosten voor valutawisseldiensten en ervoor te zorgen dat consumenten de informatie krijgen die zij nodig hebben om de beste valutawisseloptie te kiezen.

(9)

De uit te voeren maatregelen moeten passend, adequaat en kosteneffectief zijn. Tegelijkertijd moet de verstrekte informatie in situaties waarin de betaler aan een geldautomaat of bij het verkooppunt met verschillende valutawisselopties wordt geconfronteerd, vergelijking mogelijk maken zodat de betaler een geïnformeerde keuze kan maken.

(10)

Om vergelijkbaarheid te bewerkstelligen, moeten de valutawisselkosten voor alle op kaarten gebaseerde betalingen op dezelfde wijze worden uitgedrukt, namelijk als in procent uitgedrukte marges op de recentste beschikbare referentiewisselkoersen van de Europese Centrale Bank (ECB). Bij omrekening tussen twee andere valuta’s dan de euro kan het nodig zijn om een marge te baseren op een koers die is afgeleid van twee ECB-koersen.

(11)

Overeenkomstig de in Richtlijn (EU) 2015/2366 vastgestelde algemene informatievereisten met betrekking tot valutawisselkosten moeten aanbieders van valutawisseldiensten informatie over hun valutawisselkosten meedelen voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd. Partijen die valutawisseldiensten aanbieden aan een geldautomaat of bij het verkooppunt, moeten op duidelijke en toegankelijke wijze informatie verstrekken over hun kosten voor dergelijke diensten, bijvoorbeeld door hun kosten aan het loket of digitaal op de terminal aan te geven, of op het scherm in het geval van onlineaankopen. Naast de in artikel 59, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366 bedoelde informatie moeten die partijen, voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd, expliciete informatie verstrekken over het aan de begunstigde te betalen bedrag in de door de begunstigde gebruikte valuta en het totale door de betaler te betalen bedrag in de valuta van de rekening van de betaler. Het bedrag dat moet worden betaald in de door de begunstigde gebruikte valuta moet de prijs van de te kopen goederen of diensten weergeven en kan worden aangegeven aan de kassa in plaats van op de betaalterminal. De door de begunstigde gebruikte valuta is over het algemeen de lokale valuta, maar kan volgens het beginsel van contractuele vrijheid in sommige gevallen een andere valuta van de Unie zijn. Het totale bedrag dat de betaler in de valuta van de rekening van de betaler moet betalen, moet bestaan uit de prijs van de goederen of diensten en de valutawisselkosten. Voorts moeten beide bedragen worden gedocumenteerd op het ontvangstbewijs of op een andere duurzame drager.

(12)

Met betrekking tot artikel 59, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366 moet de betaler, wanneer aan een geldautomaat of bij het verkooppunt een valutawisseldienst wordt aangeboden, de mogelijkheid hebben om die dienst te weigeren en in plaats daarvan te betalen in de valuta die de begunstigde gebruikt.

(13)

Om betalers in staat te stellen de kosten van valutawisselopties aan een geldautomaat of bij het verkooppunt te vergelijken, moeten de betalingsdienstaanbieders van de betalers niet alleen volledig vergelijkbare informatie over de toepasselijke valutawisselkosten in de voorwaarden van hun raamovereenkomst opnemen, maar moeten zij die informatie ook op begrijpelijke en toegankelijke wijze openbaar maken op een algemeen beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk elektronisch platform, in het bijzonder op hun klantenwebsites, hun thuisbankieren-websites en hun mobiele bankapps. Dit zou de ontwikkeling van vergelijkingswebsites mogelijk maken, zodat het voor consumenten gemakkelijker wordt om prijzen te vergelijken wanneer zij in het buitenland reizen of winkelen. Voorts moeten betalingsdienstaanbieders betalers aan de toepasselijke valutawisselkosten herinneren wanneer een op een kaart gebaseerde betaling in een andere valuta wordt verricht, met behulp van algemeen beschikbare en gemakkelijk toegankelijke elektronische communicatiekanalen zoals sms-berichten, e-mails of pushmeldingen via de mobiele bankapp van de betaler. Betalingsdienstaanbieders moeten met betalingsdienstgebruikers overeenkomen via welk elektronisch communicatiekanaal zij de informatie over valutawisselkosten zullen verstrekken, rekening houdend met het meest doeltreffende kanaal om de betaler te bereiken. Betalingsdienstaanbieders moeten ook gehoor geven aan verzoeken van betalingsdienstgebruikers om de elektronische berichten met informatie over de valutawisselkosten niet te ontvangen.

(14)

Periodieke herinneringen zijn aangewezen in situaties waarin de betaler voor langere tijd in het buitenland verblijft, bijvoorbeeld wanneer de betaler in het buitenland gedetacheerd is of studeert of wanneer de betaler regelmatig een kaart gebruikt voor onlineaankopen in de lokale valuta. Een verplichting om dergelijke herinneringen te verstrekken zou ervoor zorgen dat de betaler geïnformeerd is wanneer hij verschillende valutawisselopties overweegt.

(15)

Het is van belang de uitvoering van grensoverschrijdende betalingen door betalingsdienstaanbieders te vergemakkelijken. In dat verband dient normalisering te worden gestimuleerd, met name wat het gebruik van het internationale identificatienummer van een betaalrekening (IBAN) en de bedrijfsidentificatiecode (BIC) betreft. Het is bijgevolg dienstig dat betalingsdienstaanbieders betalingsdienstgebruikers met betrekking tot de betreffende rekening het IBAN en de BIC verstrekken.

(16)

Teneinde de continue, tijdelijke en efficiënte verstrekking van betalingsbalansstatistieken te garanderen in het kader van de gemeenschappelijke eurobetalingsruimte (Single Euro Payments Area — SEPA), is het wenselijk erop toe te zien dat het voor diverse betaalinstrumenten mogelijk blijft direct beschikbare betalingsgegevens, zoals IBAN, BIC en transactiebedrag, of geaggregeerde basisgegevens over betalingen te vergaren, mits het vergaringsproces de verwerking van automatische betalingen niet verstoort en volledig kan worden geautomatiseerd. Deze verordening doet geen afbreuk aan rapportageverplichtingen voor andere beleidsdoeleinden, zoals voor het voorkomen van het witwassen van geld of van de financiering van terrorisme, of voor fiscale doeleinden.

(17)

De bevoegde autoriteiten moeten de nodige bevoegdheden krijgen om hun controletaken efficiënt uit te voeren en alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat betalingsdienstaanbieders deze verordening naleven.

(18)

Om ervoor te zorgen dat verhaal mogelijk is bij een onjuiste toepassing van deze verordening, dienen de lidstaten adequate en efficiënte klachten- en verhaalprocedures vast te stellen voor de beslechting van geschillen tussen de betalingsdienstgebruiker en zijn betalingsdienstaanbieder. Van belang is ook dat bevoegde autoriteiten en organen voor buitengerechtelijke klachten- en verhaalprocedures worden aangewezen.

(19)

Het is van essentieel belang ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten en organen voor buitengerechtelijke klachten- en verhaalprocedures binnen de Unie actief met elkaar samenwerken met het oog op een vlotte en spoedige beslechting van grensoverschrijdende geschillen uit hoofde van deze verordening. Het zou mogelijk moeten zijn dat een dergelijke samenwerking de vorm aanneemt van een uitwisseling van informatie over de wetgeving of de juridische praktijk in hun rechtsgebied en, waar passend, van de overdracht van klachten- en verhaalprocedures.

(20)

De lidstaten moeten in hun nationaal recht in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voorzien ter bestraffing van de niet-naleving van deze verordening.

(21)

Uitbreiding van de toepassing van deze verordening tot andere valuta’s dan de euro zou duidelijke voordelen met zich brengen, vooral wat het aantal bestreken betalingen betreft. Om lidstaten die de euro niet als hun nationale valuta hebben in staat te stellen de toepassing van deze verordening tot grensoverschrijdende betalingen in hun valuta uit te breiden, dient een kennisgevingsprocedure te worden vastgesteld.

(22)

De Commissie moet bij het Europees Parlement, de Raad, de ECB en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag indienen over de toepassing van de regel dat de kosten van grensoverschrijdende betalingen in euro gelijk moeten zijn aan die van binnenlandse transacties in nationale valuta en over de effectiviteit van de in deze verordening vastgestelde informatievereisten met betrekking tot valutawissel. De Commissie moet ook verdere mogelijkheden om de regel van gelijke kosten uit te breiden tot alle valuta’s van de Unie en de transparantie en vergelijkbaarheid van valutawisselkosten aanvullend te verbeteren — en de technische haalbaarheid van die mogelijkheden — analyseren, en zij moet de mogelijkheid onderzoeken tot deactivering of activering van de optie om valutawissel door andere partijen dan de betalingsdienstaanbieder van de betaler te aanvaarden.

(23)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en werkingssfeer

1.   In deze verordening zijn regels vastgelegd betreffende grensoverschrijdende betalingen en de transparantie van valutawisselkosten binnen de Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing op grensoverschrijdende betalingen, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn (EU) 2015/2366, in euro of in de nationale valuta van de lidstaten die overeenkomstig artikel 13 van deze verordening kennis hebben gegeven van hun besluit de toepassing van de verordening tot hun nationale valuta uit te breiden.

Niettegenstaande de eerste alinea van dit lid, zijn de artikelen 4 en 5 van toepassing op alle binnenlandse en grensoverschrijdende betalingen die in euro of in een andere nationale valuta van een lidstaat dan de euro luiden en waarbij een valutawisseldienst wordt verricht.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op betalingen die betalingsdienstaanbieders voor eigen rekening of namens andere betalingsdienstaanbieders verrichten.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“grensoverschrijdende betaling”: een door een betaler, dan wel door of via een begunstigde geïnitieerde elektronisch verwerkte betalingstransactie, waarbij de betalingsdienstaanbieder van de betaler en de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde zich in verschillende lidstaten bevinden;

2)

“binnenlandse betaling”: een door een betaler, dan wel door of via een begunstigde geïnitieerde elektronisch verwerkte betalingstransactie, waarbij de betalingsdienstaanbieders van de betaler en de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde zich in dezelfde lidstaat bevinden;

3)

“betaler”: hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij, bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft;

4)

“begunstigde”: een natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde uiteindelijke ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;

5)

“betalingsdienstaanbieder”: een van de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/2366 bedoelde categorieën rechtspersonen en de in artikel 32 van die richtlijn bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de instellingen genoemd in artikel 2, lid 5, punten 2 tot en met 23, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (8) waaraan door een lidstaat ontheffing is verleend op grond van artikel 2, lid 5, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

6)

“betalingsdienstgebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide gebruikmaakt van een betalingsdienst;

7)

“betalingstransactie”: een door een betaler dan wel door of via een begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde bestaan;

8)

“betalingsopdracht”: een door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren;

9)

“kosten”: elk bedrag dat door een betalingsdienstaanbieder aan een betalingsdienstgebruiker in rekening wordt gebracht en direct of indirect verband houdt met een betalingstransactie, elk bedrag dat door een betalingsdienstaanbieder of een partij die overeenkomstig artikel 59, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366 valutawisseldiensten aanbiedt, aan een betalingsdienstgebruiker in rekening wordt gebracht voor een valutawisseldienst, of een combinatie daarvan;

10)

“geldmiddelen”: bankbiljetten en muntstukken, giraal geld en elektronisch geld als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad (9);

11)

“consument”: een natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen;

12)

“micro-onderneming”: een onderneming die op het tijdstip van sluiting van het betalingsdienstencontract een onderneming is als gedefinieerd in artikel 1 en artikel 2, leden 1 en 3, van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (10);

13)

“afwikkelingsvergoeding”: een vergoeding die voor elke automatische afschrijvingstransactie tussen de betalingsdienstaanbieders van de betaler en van de begunstigde wordt betaald;

14)

“automatische afschrijving”: een betalingsdienst voor debiteringen van de betaalrekening van een betaler, waarbij een betalingstransactie wordt geïnitieerd door de begunstigde op basis van de door de betaler aan de begunstigde, de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde of de eigen betalingsdienstaanbieder van de betaler verstrekte instemming;

15)

“systeem voor automatische afschrijving”: een gemeenschappelijke reeks regels, praktijken en standaarden die tussen betalingsdienstaanbieders is overeengekomen voor de uitvoering van automatische afschrijvingstransacties.

Artikel 3

Kosten van grensoverschrijdende betalingen en overeenkomstige binnenlandse betalingen

1.   De kosten die een betalingsdienstaanbieder aan een betalingsdienstgebruiker aanrekent voor grensoverschrijdende betalingen in euro, zijn dezelfde als de kosten die deze betalingsdienstaanbieder aanrekent voor overeenkomstige binnenlandse betalingen van dezelfde waarde in de nationale valuta van de lidstaat waar de betalingsdienstaanbieder van de betalingsdienstgebruiker zich bevindt.

2.   De kosten die een betalingsdienstaanbieder aan een betalingsdienstgebruiker aanrekent voor grensoverschrijdende betalingen in de nationale valuta van een lidstaat die kennis heeft gegeven van zijn besluit om de toepassing van deze verordening uit te breiden tot zijn nationale valuta overeenkomstig artikel 13, zijn dezelfde als de kosten die deze betalingsdienstaanbieder aan betalingsdienstgebruikers aanrekent voor overeenkomstige binnenlandse betalingen van dezelfde waarde en in dezelfde valuta.

3.   Voor de toepassing van lid 1 geeft een betalingsdienstaanbieder bij de beoordeling van het kostenpeil van een grensoverschrijdende betaling aan welke de overeenkomstige binnenlandse betaling is. De bevoegde autoriteiten vaardigen, voor zover zij zulks nodig achten, richtsnoeren uit voor het vaststellen van overeenkomstige binnenlandse betalingen. De bevoegde autoriteiten werken binnen het Comité voor betalingen, dat bij artikel 85, lid 1, van Richtlijn 2007/64/EG is ingesteld, actief samen om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren voor overeenkomstige binnenlandse betalingen coherent zijn.

4.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op valutawisselkosten.

Artikel 4

Valutawisselkosten bij op kaarten gebaseerde transacties

1.   Ten aanzien van de informatievereisten met betrekking tot valutawisselkosten en de toe te passen wisselkoers, als bepaald in artikel 45, lid 1, artikel 52, punt 3, en artikel 59, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366, drukken betalingsdienstaanbieders en partijen die valutawisseldiensten aanbieden aan een geldautomaat of bij het verkooppunt, als bedoeld in artikel 59, lid 2, van die richtlijn, de totale valutawisselkosten uit als een in procent uitgedrukte marge op de recentste beschikbare referentiewisselkoersen van de Europese Centrale Bank (ECB). Die marge wordt aan de betaler meegedeeld voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd.

2.   Betalingsdienstaanbieders maken de in lid 1 bedoelde marge ook op begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke wijze openbaar op een algemeen beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk elektronisch platform.

3.   Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt een partij die een valutawisseldienst aanbiedt aan een geldautomaat of bij het verkooppunt, de betaler de volgende informatie voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd:

a)

het aan de begunstigde te betalen bedrag in de door de begunstigde gebruikte valuta;

b)

het door de betaler te betalen bedrag in de valuta van de rekening van de betaler.

4.   Een partij die valutawisseldiensten aanbiedt aan een geldautomaat of bij het verkooppunt, vermeldt de in lid 1 bedoelde informatie duidelijk aan de geldautomaat of bij het verkooppunt. Voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd, stelt die partij de betaler ook in kennis van de mogelijkheid om in de door de begunstigde gebruikte valuta te betalen en de valutawissel vervolgens door de betalingsdienstaanbieder van de betaler te laten uitvoeren. De in de leden 1 en 3 bedoelde informatie wordt na het initiëren van de betalingstransactie ook op een duurzame drager aan de betaler ter beschikking gesteld.

5.   Voor elke betaalkaart die de betalingsdienstaanbieder van de betaler aan de betaler heeft verstrekt en die aan dezelfde rekening is gekoppeld, stuurt de betalingsdienstaanbieder van de betaler aan de betaler onverwijld nadat de betalingsdienstaanbieder van de betaler een betalingsopdracht voor een geldopname aan een geldautomaat of een betaling bij een verkooppunt ontvangt die luidt in een valuta van de Unie die verschilt van de valuta van de rekening van de betaler, een elektronisch bericht met de in lid 1 bedoelde informatie.

Niettegenstaande de eerste alinea wordt een dergelijk bericht eenmaal verzonden in elke maand waarin de betalingsdienstaanbieder van de betaler een in dezelfde valuta luidende betalingsopdracht van de betaler ontvangt.

6.   De betalingsdienstaanbieder komt met de betalingsdienstgebruiker overeen via welk algemeen beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk elektronisch communicatiekanaal of via welke algemeen beschikbare en gemakkelijk toegankelijke elektronische communicatiekanalen de betalingsdienstaanbieder het in lid 5 bedoelde bericht zal verzenden.

De betalingsdienstaanbieder biedt betalingsdienstgebruikers de mogelijkheid om af te zien van het ontvangen van de in lid 5 bedoelde elektronische berichten.

De betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker kunnen overeenkomen dat lid 5 en dit lid geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn indien de betalingsdienstgebruiker geen consument is.

7.   De in dit artikel bedoelde informatie wordt gratis en op neutrale en begrijpelijke wijze verstrekt.

Artikel 5

Valutawisselkosten bij overmakingen

1.   Wanneer de betalingsdienstaanbieder van de betaler een valutawisseldienst aanbiedt bij een overmaking als gedefinieerd in artikel 4, punt 24, van Richtlijn (EU) 2015/2366 die rechtstreeks online wordt geïnitieerd via de website of de mobiele bankapp van de betalingsdienstaanbieder, stelt de betalingsdienstaanbieder, ten aanzien van artikel 45, lid 1, en artikel 52, punt 3, van die richtlijn, de betaler voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd, op duidelijke, neutrale en begrijpelijke wijze in kennis van de geraamde kosten van de valutawisseldiensten die op de overmaking van toepassing zijn.

2.   Voordat een betalingstransactie wordt geïnitieerd, deelt de betalingsdienstaanbieder de betaler op duidelijke, neutrale en begrijpelijke wijze het geraamde totale bedrag van de overmaking in de valuta van de rekening van de betaler mee, met inbegrip van eventuele transactiekosten en eventuele valutawisselkosten. De betalingsdienstaanbieder deelt ook het geraamde aan de begunstigde over te maken bedrag mee in de door de begunstigde gebruikte valuta.

Artikel 6

Maatregelen ter vergemakkelijking van de automatisering van betalingen

1.   Waar van toepassing, deelt de betalingsdienstaanbieder de betalingsdienstgebruiker het internationale identificatienummer van de betaalrekening (IBAN) van de betalingsdienstgebruiker en de bedrijfsidentificatiecode (BIC) van de betalingsdienstaanbieder mee.

Waar van toepassing, vermeldt de betalingsdienstaanbieder voorts op rekeningoverzichten of in een bijlage daarbij, het IBAN van de betalingsdienstgebruiker en de BIC van de betalingsdienstaanbieder.

De overeenkomstig dit lid vereiste informatie wordt door de betalingsdienstaanbieder kosteloos aan de betalingsdienstgebruiker verstrekt.

2.   De betalingsdienstaanbieder mag extra kosten aanrekenen naast de overeenkomstig artikel 3, lid 1, aan de betalingsdienstgebruiker aangerekende kosten, wanneer die gebruiker de betalingsdienstaanbieder de opdracht geeft een grensoverschrijdende betaling uit te voeren zonder het IBAN mede te delen en, waar passend en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad (11), de betreffende BIC voor de betaalrekening in de andere lidstaat. Die extra kosten zijn passend en in overeenstemming met de reële kosten. Zij worden overeengekomen door de betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker. De betalingsdienstaanbieder stelt de betalingsdienstgebruiker in kennis van het bedrag van de extra kosten, ruimschoots voordat de betalingsdienstgebruiker door een dergelijke overeenkomst is gebonden.

3.   Wanneer zulks in het licht van de aard van de betrokken betalingstransactie passend is, verstrekt een leverancier van goederen en diensten die onder deze verordening vallende betalingen accepteert, bij elke facturering van goederen en diensten binnen de Unie aan zijn klanten zijn IBAN en de BIC van zijn betalingsdienstaanbieder.

Artikel 7

Rapportageverplichtingen in verband met de betalingsbalans

1.   De lidstaten leggen geen voor betalingsdienstaanbieders geldende, op betalingen gebaseerde nationale rapportageverplichtingen op voor betalingsbalansstatistieken met betrekking tot betalingstransacties van hun klanten.

2.   Onverminderd lid 1 mogen de lidstaten geaggregeerde gegevens of andere relevante, onmiddellijk beschikbare gegevens vergaren, mits dergelijke vergaring geen gevolgen heeft voor de “straight-through processing” van betalingen en volledig kan worden geautomatiseerd door betalingsdienstaanbieders.

Artikel 8

Bevoegde autoriteiten

De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor het doen naleven van deze verordening.

De lidstaten delen de Commissie onverwijld alle wijzigingen mee met betrekking tot de bevoegde autoriteiten waarvan zij overeenkomstig artikel 9, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 924/2009 in kennis was gesteld.

De lidstaten verlangen van de bevoegde autoriteiten dat zij daadwerkelijk toezien op de naleving van deze verordening en alle nodige maatregelen nemen om die naleving te waarborgen.

Artikel 9

Klachtenprocedures voor inbreuken op deze verordening

1.   De lidstaten stellen procedures vast die betalingsdienstgebruikers en andere belanghebbenden de mogelijkheid bieden bij de bevoegde autoriteiten klachten in te dienen met betrekking tot beweerde inbreuken van betalingsdienstaanbieders op deze verordening.

2.   In voorkomend geval en onverminderd het recht om overeenkomstig het nationale procesrecht een klacht aan een rechterlijke instantie voor te leggen, informeren de bevoegde autoriteiten iedere partij die een klacht heeft ingediend over de krachtens artikel 10 vastgestelde buitengerechtelijke klachten- en verhaalprocedures.

Artikel 10

Buitengerechtelijke klachten- en verhaalprocedures

1.   De lidstaten stellen adequate en effectieve buitengerechtelijke klachten- en verhaalprocedures vast voor de beslechting van geschillen tussen betalingsdienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders met betrekking tot uit deze verordening voortvloeiende rechten en plichten. Daartoe wijzen de lidstaten de verantwoordelijke organen aan.

2.   De lidstaten delen de Commissie onverwijld alle wijzigingen mee met betrekking tot de organen waarvan zij overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 924/2009 in kennis was gesteld.

3.   De lidstaten mogen bepalen dat dit artikel slechts van toepassing is op betalingsdienstgebruikers die consumenten of micro-ondernemingen zijn. In dat geval stellen de lidstaten de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 11

Grensoverschrijdende samenwerking

De in artikel 8 bedoelde bevoegde autoriteiten en de in artikel 10 bedoelde organen die verantwoordelijk zijn voor de buitengerechtelijke klachten- en verhaalprocedures van de verschillende lidstaten werken actief en vlot met elkaar samen bij de beslechting van grensoverschrijdende geschillen. De lidstaten zien erop toe dat dergelijke samenwerking plaatsvindt.

Artikel 12

Sancties

De lidstaten stellen voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten delen de Commissie onverwijld alle wijzigingen mee van de voorschriften en maatregelen waarvan zij overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 924/2009 in kennis was gesteld.

Artikel 13

Toepassing op andere valuta’s dan de euro

Een lidstaat die niet de euro als nationale valuta heeft en die besluit de toepassing van deze verordening tot zijn nationale valuta uit te breiden, stelt de Commissie hiervan in kennis.

Deze kennisgeving wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. De verruimde toepassing van deze verordening op de nationale valuta van de betrokken lidstaat treedt 14 dagen na die bekendmaking in werking.

Artikel 14

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 19 april 2022 legt de Commissie het Europees Parlement, de Raad, de ECB en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de toepassing en het effect van deze verordening voor, dat met name het volgende bevat:

a)

een evaluatie van de wijze waarop betalingsdienstaanbieders artikel 3 van deze verordening toepassen;

b)

een evaluatie van de ontwikkeling van de volumes en kosten voor binnenlandse en grensoverschrijdende betalingen in de nationale valuta van de lidstaten en in euro sinds de datum waarop Verordening (EU) 2019/518 van het Europees Parlement en de Raad (12) is vastgesteld, te weten 19 maart 2019;

c)

een evaluatie van het effect van artikel 3 van deze verordening op de ontwikkeling van de valutawisselkosten en andere kosten in verband met betalingsdiensten, zowel voor de betalers als voor de begunstigden;

d)

een evaluatie van het geraamde effect van een wijziging van artikel 3, lid 1, van deze verordening waarbij het toepassingsgebied zou worden uitgebreid tot de valuta’s van alle lidstaten;

e)

een evaluatie van de wijze waarop aanbieders van valutawisseldiensten de in de artikelen 4 en 5 van deze verordening en de nationale wetgeving tot uitvoering van artikel 45, lid 1, artikel 52, punt 3, en artikel 59, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366 vastgestelde informatievereisten toepassen en van de vraag of die voorschriften de transparantie van de valutawisselkosten hebben vergroot;

f)

een evaluatie van de vraag of en de mate waarin aanbieders van valutawisseldiensten problemen hebben ondervonden bij de praktische toepassing van de artikelen 4 en 5 van deze verordening en de nationale wetgeving tot uitvoering van artikel 45, lid 1, artikel 52, punt 3, en artikel 59, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/2366;

g)

een kosten-batenanalyse van de communicatiekanalen en -technologieën die worden gebruikt door of beschikbaar zijn voor aanbieders van valutawisseldiensten en die de transparantie van de valutawisselkosten verder kunnen verbeteren, met inbegrip van een evaluatie van de vraag of er bepaalde kanalen zijn die betalingsdienstaanbieders verplicht zouden moeten aanbieden voor het verzenden van de in artikel 4 bedoelde informatie; die analyse omvat ook een beoordeling van de technische haalbaarheid van het gelijktijdig meedelen van de in artikel 4, leden 1 en 3, van deze verordening bedoelde informatie, voordat de transactie wordt geïnitieerd, voor alle aan een geldautomaat of bij het verkooppunt beschikbare valutawisselopties;

h)

een kosten-batenanalyse van de invoering van de mogelijkheid voor betalers om de valutawisseloptie die een andere partij dan de betalingsdienstaanbieder van de betaler aan een geldautomaat of bij het verkooppunt aanbiedt, te blokkeren en hun voorkeuren op dat punt te wijzigen;

i)

een kosten-batenanalyse van de invoering van een verplichting voor de betalingsdienstaanbieder van de betaler om, wanneer hij bij een afzonderlijke betalingstransactie valutawisseldiensten aanbiedt, bij de clearing en afwikkeling van de transactie de wisselkoers toe te passen die gold op het tijdstip van het initiëren van de transactie.

2.   Het in lid 1 bedoelde verslag bestrijkt ten minste de periode van 15 december 2019 tot en met 19 oktober 2021. Bij de voorbereiding van het verslag mag de Commissie gebruikmaken van de gegevens die de lidstaten met betrekking tot lid 1 hebben verzameld en houdt zij rekening met de specifieke kenmerken van de verschillende betalingstransacties, waarbij zij met name een onderscheid maakt tussen transacties aan een geldautomaat en transacties bij het verkooppunt.

Artikel 15

Intrekking

Verordening (EG) nr. 924/2009 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. LOGAR


(1)  PB C 65 van 25.2.2021, blz. 4.

(2)  PB C 56 van 16.2.2021, blz. 43.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 juli 2021.

(4)  Verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11).

(5)  Zie bijlage I.

(6)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

(7)  Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG (PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(9)  Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).

(10)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(11)  Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22).

(12)  Verordening (EU) 2019/518 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 wat bepaalde kosten van grensoverschrijdende betalingen in de Unie en valutawisselkosten betreft (PB L 91 van 29.3.2019, blz. 36).


BIJLAGE I

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 924/2009

van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 266 van 9.10.2009, blz. 11)

 

Verordening (EU) nr. 260/2012

van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 94 van 30.3.2012, blz. 22)

(Uitsluitend wat betreft de verwijzingen in artikel 17 naar de artikelen 2, 3, 4, 5, 7 en 8)

Verordening (EU) 2019/518

van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 91 van 29.3.2019, blz. 36)

 


BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 924/2009

De onderhavige verordening

Artikel 1, leden 1, 2 en 3

Artikel 1, leden 1, 2 en 3

Artikel 1, lid 4

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 1 bis

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 4

Artikel 3 bis

Artikel 4

Artikel 3 ter

Artikel 5

Artikel 4, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 4, lid 3

Artikel 6, lid 2

Artikel 4, lid 4

Artikel 6, lid 3

Artikel 5

Artikel 7

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 9, eerste alinea

Artikel 8, eerste alinea

Artikel 9, tweede alinea

Artikel 8, tweede alinea

Artikel 9, derde alinea

Artikel 9, vierde alinea

Artikel 8, derde alinea

Artikel 10, lid 1, eerste alinea

Artikel 9, lid 1

Artikel 10, lid 1, tweede alinea

Artikel 10, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 11

Artikel 10

Artikel 12

Artikel 11

Artikel 13

Artikel 12

Artikel 14, lid 1

Artikel 13

Artikel 14, lid 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 16

Artikel 15

Artikel 17

Artikel 16

Bijlage I

Bijlage II


30.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 274/32


VERORDENING (EU) 2021/1231 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 juli 2021

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/833 tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Sinds de vaststelling van Verordening (EU) 2019/833 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) tijdens haar 41e en 42e jaarvergadering, in 2019 respectievelijk 2020, een aantal juridisch bindende besluiten voor de instandhouding van de onder haar bevoegdheid vallende visbestanden vastgesteld.

(2)

Deze besluiten zijn gericht tot de verdragsluitende partijen bij de NAFO, maar bevatten tevens verplichtingen voor exploitanten (bijvoorbeeld de kapitein van het vaartuig). Er zijn nieuwe instandhoudings- en handhavingsmaatregelen (conservation and enforcement measures — CEM) van de NAFO in werking getreden die bindend zijn voor alle verdragsluitende partijen bij de NAFO. Zij moeten in het Unierecht worden opgenomen voor zover het Unierecht er niet reeds in voorziet.

(3)

Verordening (EU) 2019/833 moet daarom worden aangepast om de NAFO-normen inzake maaswijdte toe te passen, de door de NAFO gebruikte definitie van “vissersvaartuig” in te voeren om de controle- en handhavingsautoriteiten van de Unie in staat te stellen in overeenstemming met de andere verdragsluitende partijen bij de NAFO te werken, en om de informatiestroom tussen de autoriteiten van de lidstaten, de Commissie en de uitvoerend secretaris van de NAFO te verbeteren.

(4)

Overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) 2019/473 van het Europees Parlement en de Raad (4) bestaat de opdracht van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EBVC) er onder meer in de operationele coördinatie van de visserijcontroles en -inspecties van de lidstaten voor de uitvoering van internationale controle- en inspectieprogramma’s zoals de gezamenlijke inspectie- en surveillanceregeling van de NAFO te organiseren, en de lidstaten bij te staan bij de verslaglegging over de visserijactiviteiten en de controles en inspecties aan de Commissie en aan derden. Het is derhalve passend het EBVC aan te stellen als het orgaan dat van de lidstaten informatie over controle en inspectie, zoals rapporten van inspecties op zee en kennisgevingen van de regeling van controlewaarnemers, ontvangt en aan de uitvoerend secretaris van de NAFO doorzendt.

(5)

De CEM-procedure voor verdragsluitende partijen om informatie naar de monitoring-, controle- en surveillancewebsite (“MCS-website”) van de NAFO door te zenden, bestaat er thans in de te verstrekken informatie aan de uitvoerend secretaris van de NAFO toe te zenden. Daarom moeten de desbetreffende bepalingen in Verordening (EU) 2019/833 die wijziging weerspiegelen en verduidelijken welke kanalen door de lidstaten moeten worden gebruikt om de relevante informatie door te zenden.

(6)

Tevens is het noodzakelijk de bepalingen van de CEM voor de bescherming van Groenlandse haai (Somniosus microcephalus) te introduceren, de bepalingen inzake charterovereenkomsten op die van de CEM af te stemmen en nader te bepalen dat de toestemming van de verdragsluitende havenstaat vereist is voor het inzetten van inspecteurs van een andere verdragsluitende partij.

(7)

Sommige bepalingen van de CEM zullen waarschijnlijk tijdens de jaarvergaderingen van de NAFO worden gewijzigd als gevolg van de invoering van nieuwe technische maatregelen met betrekking tot de wijzigende biomassa van de bestanden en de herziening van de gebiedsbeperkingen voor bodemvisserijactiviteiten. Daarom moet, teneinde de toekomstige wijzigingen van de CEM snel, vóór het begin van het visseizoen, in het recht van de Unie op te nemen, aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de regulering van maaswijdten, sorteerroosters en kettingen voor het bevestigen van de klossenpees (toggle chains) in de visserij op Noordse garnaal; en met betrekking tot gebiedsbeperkingen voor de bodemvisserijactiviteiten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (5). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(8)

Verordening (EU) 2019/833 moet derhalve worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2019/833

Verordening (EU) 2019/833 wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 6 wordt vervangen door:

“6.

“vissersvaartuig”: elk vaartuig van de Unie dat is uitgerust voor, bedoeld is voor, of betrokken is bij visserijactiviteiten, inclusief het verwerken of overladen van vis of dat andere werkzaamheden uitoefent met het oog op het beoefenen van of in verband met visserijactiviteiten, inclusief experimentele visserij;”;

b)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“31.

“MCS-website”: de monitoring-, controle- en surveillancewebsite van de NAFO, die informatie bevat die relevant is voor inspecties op zee en in de haven.”;

2)

artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   De lidstaten kunnen vissersvaartuigen die hun vlag voeren, toestemming geven te vissen op bestanden waarvoor aan de Unie geen quotum is toegewezen overeenkomstig de van kracht zijnde vangstmogelijkheden (het “overige”-quotum), indien een dergelijk quotum bestaat en er geen kennisgeving van sluiting is gedaan door de uitvoerend secretaris van de NAFO.”;

b)

in lid 3 wordt punt c) vervangen door:

“c)

hij stelt de Commissie en het EBVC ten minste 48 uur vóór elke binnenvaart, en na ten minste 48 uur afwezigheid uit het gereglementeerde gebied, in kennis van de Unievaartuigen die voornemens zijn om het “overige”-quotum te bevissen. Die kennisgeving gaat indien mogelijk vergezeld van een raming van de verwachte vangst. Wanneer de Commissie van oordeel is dat aan de in de CEM vastgestelde relevante voorwaarden is voldaan, stelt zij de uitvoerend secretaris van de NAFO daarvan in kennis.”;

3)

in artikel 6, lid 1, worden de punten d) en e) vervangen door:

“d)

sluit zijn gerichte visserij op roodbaars in sector 3M tussen 24:00 UTC van de dag waarop de geaccumuleerde gemelde vangst naar raming vijftig procent van de TAC voor roodbaars in sector 3M bereikt, zoals gemeld overeenkomstig lid 3, en 1 juli;

e)

sluit zijn gerichte visserij op roodbaars in sector 3M om 24:00 UTC op de dag waarop de geaccumuleerde gemelde vangst naar raming honderd procent van de TAC voor roodbaars in sector 3M bereikt, zoals gemeld overeenkomstig lid 3;”;

4)

in artikel 7, lid 2, worden de punten a) en b) vervangen door:

“a)

er is geen quotum aan de Unie toegewezen voor dat bestand in die sector, overeenkomstig de van kracht zijnde vangstmogelijkheden;

b)

er is een verbod op de visserij op dat specifieke bestand van kracht (moratorium), of”;

5)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 9 bis

Kabeljauw in sector 3M

1.   Onderstaande controlemaatregelen zijn van toepassing op vaartuigen met meer dan 1 250 kg aan kabeljauwvangsten uit sector 3M aan boord:

a)

voor de aanlanding of overlading van kabeljauwvangsten uit sector 3M maken vaartuigen alleen gebruik van aangewezen havens overeenkomstig artikel 39;

b)

ten minste 48 uur vóór zijn geraamde tijdstip van aankomst in de haven, stelt een vaartuig of zijn vertegenwoordiger de bevoegde havenautoriteit in kennis van zijn geraamde tijdstip van aankomst, de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden kabeljauwvangsten uit sector 3M, en informatie over de sector of sectoren waar de aan boord gehouden kabeljauwvangsten zijn gedaan;

c)

elke lidstaat inspecteert elke aanlanding of overlading van kabeljauwvangsten uit sector 3M in zijn havens en stelt een inspectieverslag op in het in bijlage IV.C bij de CEM voorgeschreven formaat (bedoeld in punt 9 van de bijlage bij deze verordening), en zendt het toe aan de uitvoerend secretaris van de NAFO met de Commissie en het EBVC in kopie, binnen 12 werkdagen vanaf de datum waarop de inspectie is voltooid. Dat rapport maakt melding van en bevat details over elke tijdens de haveninspectie geconstateerde inbreuk op deze verordening. Het verslag bevat alle relevante beschikbare informatie met betrekking tot tijdens de lopende reis van het geïnspecteerde vissersvaartuig op zee vastgestelde inbreuken.

2.   Elke lidstaat inspecteert vaartuigen met minder dan 1 250 kg aan kabeljauwvangsten uit sector 3M aan boord op basis van een risicobeoordeling.

3.   De Commissie of een door haar aangewezen orgaan zorgt ervoor dat de informatie als bedoeld in lid 1, punt c), onverwijld wordt toegezonden aan de uitvoerend secretaris van de NAFO, zodat deze op de MCS-website kan worden gepost.”;

6)

artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt c) wordt vervangen door:

“c)

elke lidstaat meldt aan de Commissie de naam van elke haven die hij aldus heeft aangewezen, die deze doorzendt aan de uitvoerend secretaris van de NAFO. Latere wijzigingen van de lijst worden uiterlijk 20 dagen voordat de wijziging van kracht wordt, toegezonden ter vervanging van de vorige lijst;”;

ii)

punt e) wordt vervangen door:

“e)

elke lidstaat inspecteert elke aanlanding van Groenlandse heilbot/zwarte heilbot in zijn havens en stelt een inspectieverslag op in het in bijlage IV.C bij de CEM voorgeschreven formaat, bedoeld in punt 9 van de bijlage bij deze verordening, en zendt het toe aan de uitvoerend secretaris van de NAFO met de Commissie en het EBVC in kopie, binnen 14 werkdagen vanaf de datum waarop de inspectie is voltooid. Het rapport maakt melding van en bevat details over elke tijdens de haveninspectie geconstateerde inbreuk op deze verordening. Het bevat alle relevante beschikbare informatie met betrekking tot tijdens de lopende reis van het geïnspecteerde vissersvaartuig op zee vastgestelde inbreuken.”;

b)

in lid 2, punt d), wordt punt i) vervangen door:

“i)

het geen bevestiging ontvangt binnen 72 uur na de kennisgeving die het overeenkomstig punt a) heeft verzonden, of”;

7)

aan artikel 12 worden de volgende leden toegevoegd:

“9.   Het is verboden een gerichte visserij op Groenlandse haai (Somniosus microcephalus) te bedrijven in het gereglementeerde gebied.

10.   Onder de vlag van een lidstaat varende vaartuigen verrichten alle redelijke inspanningen om incidentele vangst en sterfte tot een minimum te beperken en zetten Groenlandse haaien, indien levend, terug op een wijze die zo min mogelijk schade veroorzaakt.”;

8)

artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt de maaswijdte gemeten overeenkomstig bijlage III.A bij de CEM (bedoeld in punt 10 van de bijlage bij deze verordening).”;

b)

in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a)

40 mm voor garnalen, met inbegrip van Noordse garnaal (PRA);”;

9)

in artikel 14 wordt het volgende lid ingevoegd:

“3 bis.   Vissersvaartuigen die gericht trawlvissen op kabeljauw in sector 3M gebruiken sorteerroosters met een afstand van minstens 55 mm tussen de staven om de vangst van kleinere kabeljauwexemplaren te beperken. Het sorteerrooster wordt in het bovenste zijpaneel van de trawl voor de kuil geplaatst.”;

10)

artikel 18 wordt vervangen door:

“Artikel 18

Gebiedsbeperkingen voor bodemvisserijactiviteiten

1.   Tot en met 31 december 2021 verricht geen enkel vaartuig bodemvisserijactiviteiten in een van de gebieden die zijn geïllustreerd in figuur 3 van de CEM (bedoeld in punt 14 van de bijlage bij deze verordening), en die worden afgebakend door de coördinaten die zijn gespecificeerd in tabel 5 van de CEM (bedoeld in punt 15 van de bijlage bij deze verordening) met elkaar te verbinden in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1.

2.   Tot en met 31 december 2021 verricht geen enkel vaartuig bodemvisserijactiviteiten in het gebied van sector 3O dat is geïllustreerd in figuur 4 van de CEM (bedoeld in punt 16 van de bijlage bij deze verordening), en dat wordt afgebakend door de coördinaten die zijn gespecificeerd in tabel 6 van de CEM (bedoeld in punt 17 van de bijlage bij deze verordening) met elkaar te verbinden in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1.

3.   Tot en met 31 december 2021 verricht geen enkel vaartuig bodemvisserijactiviteiten in de gebieden 1-13 die zijn geïllustreerd in figuur 5 van de CEM (bedoeld in punt 18 van de bijlage bij deze verordening), en die worden afgebakend door de coördinaten die zijn gespecificeerd in tabel 7 van de CEM (bedoeld in punt 19 van de bijlage bij deze verordening) met elkaar te verbinden in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1.”;

11)

artikel 23 wordt vervangen door:

“Artikel 23

Charterovereenkomsten

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “charterende verdragsluitende partij” verstaan de verdragsluitende partij die houder is van een toewijzing als vermeld in bijlage I.A en bijlage I.B bij de CEM, of de lidstaat die houder is van een vangstmogelijkhedentoewijzing, en onder “verdragsluitende vlaggenstaat” de verdragsluitende partij of de lidstaat waar het gecharterde vaartuig is geregistreerd.

2.   De visserijtoewijzing van een charterende verdragsluitende partij kan geheel of gedeeltelijk worden geoogst met behulp van een gecharterd gemachtigd vaartuig (“gecharterd vaartuig”) dat onder de vlag van een andere verdragsluitende partij vaart, onder de volgende voorwaarden:

a)

de verdragsluitende vlaggenstaat heeft schriftelijk ingestemd met de charterovereenkomst;

b)

de charterovereenkomst is beperkt tot één vissersvaartuig per verdragsluitende vlaggenstaat per kalenderjaar;

c)

de duur van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst bedraagt cumulatief niet meer dan zes maanden per kalenderjaar, en

d)

het gecharterde vaartuig is geen vaartuig dat eerder is aangemerkt als een vaartuig dat IOO-visserij heeft bedreven.

3.   Alle door het gecharterde vaartuig overeenkomstig de charterovereenkomst gedane vangsten en bijvangsten worden toegerekend aan de charterende verdragsluitende partij.

4.   De verdragsluitende vlaggenstaat machtigt het gecharterde vaartuig niet om, wanneer het visserijactiviteiten verricht in het kader van de charterovereenkomst, de toewijzingen van de verdragsluitende vlaggenstaat te benutten of om tegelijk in het kader van een andere charterovereenkomst te vissen.

5.   Er vindt geen overlading op zee plaats zonder voorafgaande machtiging van de charterende verdragsluitende partij, die waarborgt dat de overlading plaatsvindt onder toezicht van een waarnemer aan boord.

6.   De verdragsluitende vlaggenstaat stelt de uitvoerend secretaris van de NAFO schriftelijk in kennis van zijn instemming met de charterovereenkomst voordat deze ingaat en verstrekt aan het gecharterde vaartuig een kopie van de door de uitvoerend secretaris van de NAFO afgegeven kennisgeving met de details van de chartering.

6 bis.   Wanneer het gecharterde vaartuig een vissersvaartuig van de Unie is, stelt de vlaggenlidstaat de Commissie schriftelijk in kennis voordat de charterovereenkomst ingaat. Wanneer de Commissie van oordeel is dat aan de in de CEM vastgestelde relevante voorwaarden is voldaan, stelt zij de uitvoerend secretaris van de NAFO in kennis van de instemming met de charterovereenkomst.

6 ter.   De charterende verdragsluitende partij verstrekt, vóór de datum waarop de charterovereenkomst van kracht wordt, de volgende informatie schriftelijk aan de uitvoerend secretaris van de NAFO en aan het gecharterde vaartuig, dat te allen tijde een kopie aan boord bewaart:

a)

de naam, het registratienummer van de vlaggenstaat, het IMO-nummer en de vlaggenstaat van het vaartuig;

b)

vorige naam/namen en vlaggenstaat/vlaggenstaten van het vaartuig, indien van toepassing;

c)

de naam en het adres van de eigenaar/eigenaren en exploitanten van het vaartuig;

d)

een kopie van de charterovereenkomst en van elke vismachtiging of visvergunning die de charterende verdragsluitende partij heeft afgegeven aan het gecharterde vaartuig, en

e)

de aan het vaartuig toegekende toewijzing.

6 quater.   Wanneer de charterende verdragsluitende partij de Unie is, stelt de charterende lidstaat de Commissie schriftelijk in kennis van de in lid 6 ter bedoelde informatie voordat de charterovereenkomst van kracht wordt. Wanneer de Commissie van oordeel is dat aan de in de CEM vastgestelde relevante voorwaarden is voldaan, zendt zij de informatie door aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.

7.   Wanneer het gecharterde vaartuig een vissersvaartuig van de Unie is, stelt de vlaggenlidstaat de Commissie onverwijld in kennis wanneer zich een van de volgende gebeurtenissen voordoet:

a)

begin van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst;

b)

opschorting van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst;

c)

hervatting van de visserijactiviteiten in het kader van een charterovereenkomst die is geschorst;

d)

einde van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst.

8.   De verdragsluitende vlaggenstaat houdt een afzonderlijk register bij van de vangst- en bijvangstgegevens van alle visserijactiviteiten overeenkomstig elke charterovereenkomst van een onder zijn vlag varend vaartuig en rapporteert ze aan de Commissie, die ze doorzendt aan de charterende verdragsluitende partij en aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.”;

12)

artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a)

nauwkeurig de vangst van elke trek/uitzetting per sector wordt geregistreerd;”;

b)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt b) wordt vervangen door:

“b)

de productie van elke soort en elk producttype per sector wordt geregistreerd;”;

ii)

punt d) wordt vervangen door:

“d)

bij elke inschrijving de in artikel 24 bedoelde gegevens worden geregistreerd, en”;

iii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“e)

stelt, wanneer productie heeft plaatsgevonden op de dag van een inspectie, de informatie over elke voor die dag verwerkte vangst op verzoek ter beschikking van een inspecteur.”;

c)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt c) wordt de eerste alinea vervangen door:

“c)

vangstaangifte (CAT): hoeveelheid aan boord gehouden en hoeveelheid teruggegooide vangst per soort voor de dag vóór de aangifte, per sector, met inbegrip van nulvangsten, dagelijks vóór 12:00 UTC verzonden, tenzij anderszins ingediend in een COX-aangifte; aan boord gehouden of teruggegooide nulvangsten van alle soorten worden gerapporteerd aan de hand van de drielettercode “MZZ” (mariene soort niet gespecificeerd) en de hoeveelheid “0” zoals in de volgende voorbeelden (//CA/MZZ 0//en//RJ/MZZ 0//);”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“Vangsten worden voor zover mogelijk gerapporteerd op soortniveau onder hun corresponderende drielettercode in bijlage I.C bij de CEM (bedoeld in punt 11 van de bijlage bij deze verordening) of, als deze niet is opgenomen in bijlage I.C bij de CEM, wordt gebruikgemaakt van de ASFIS-soortenlijst voor visserijstatistieken van de FAO (Aquatic Sciences and Fisheries Information System List of Species for Fishery Statistics). Het geraamde gewicht van per trek of uitzetting gevangen haaien wordt eveneens geregistreerd.”;

d)

aan lid 9 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Punt a) van de eerste alinea van dit lid is niet van toepassing indien alle vangsten zijn gerapporteerd overeenkomstig lid 6.”;

13)

artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 5 wordt het volgende punt toegevoegd:

“g)

zendt, elektronisch en onverwijld na de ontvangst ervan, het dagelijkse waarnemersverslag als bedoeld in lid 11, punt e), door aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   Iedere lidstaat deelt het volgende mee:

a)

uiterlijk 24 uur vóór de inzet van een waarnemer aan boord van een vissersvaartuig, de naam van het vissersvaartuig en de internationale radioroepnaam, evenals de naam en ID (indien van toepassing) van de betrokken waarnemer;

b)

binnen 20 dagen na de aankomst van het vaartuig in de haven, het waarnemersreisverslag als bedoeld in lid 11;

c)

uiterlijk op 15 februari van elk jaar voor het vorige kalenderjaar, een verslag over de naleving van de in dit artikel vastgestelde verplichtingen.”;

c)

lid 15 wordt vervangen door:

“15.   De informatie die de lidstaten dienen te verstrekken overeenkomstig lid 3, punten c) en d), lid 5, punt a), lid 6, punt c), en lid 7, wordt toegezonden aan het EBVC met de Commissie in kopie. Het EBVC zorgt ervoor dat deze informatie onverwijld wordt toegezonden aan de uitvoerend secretaris van de NAFO, zodat ze op de MCS-website kan worden gepost.”;

14)

artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Inspectie en surveillance worden verricht door inspecteurs die door de lidstaten, het EBVC en de Commissie zijn aangewezen. De lidstaat en de Commissie maken de inspecteurs bekend aan het EBVC via de regeling.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   Inspecteurs die een onderzoeksvaartuig bezoeken, noteren de status van het vaartuig, en beperken de inspectieprocedures tot die welke nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat de activiteiten van het vaartuig in overeenstemming zijn met zijn onderzoeksplan. Wanneer de inspecteurs redelijke gronden hebben om te vermoeden dat het vaartuig activiteiten verricht die niet met zijn onderzoeksplan in overeenstemming zijn, worden de Commissie en het EBVC onverwijld op de hoogte gebracht, en zijn de CEM onverkort van toepassing.”;

15)

artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a)

zij zendt het surveillancerapport door aan het EBVC, dat het onverwijld indient bij de uitvoerend secretaris van de NAFO voor doorzending aan de verdragsluitende vlaggenstaat van het vaartuig;”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   Elke lidstaat zendt het onderzoeksrapport toe aan het EBVC, dat het aan de uitvoerend secretaris van de NAFO en aan de Commissie toezendt.”;

16)

artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2, punt c), wordt punt ii) vervangen door:

“ii)

zij noteren samenvattingen alsook verschillen tussen de geregistreerde vangst en hun ramingen van de vangst aan boord in de passende rubrieken van het inspectierapport;”;

b)

in lid 3 wordt punt a) vervangen door:

“a)

zendt aan het EBVC het rapport van de inspectie op zee toe, indien mogelijk binnen twintig dagen na de inspectie, die het indient bij de uitvoerend secretaris van de NAFO;”;

17)

artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt g) vervangen door:

“g)

elke waarnemer aan boord in kennis stellen van de inbreuk.”;

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt punt a) vervangen door:

“a)

zendt binnen 24 uur na de vaststelling van de inbreuk aan de Commissie en het EBVC een schriftelijke kennisgeving van de door zijn inspecteurs gerapporteerde inbreuk door, die ze op hun beurt doorzenden aan de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende vlaggenstaat of de vlaggenlidstaat indien verschillend van de inspecterende lidstaat, en aan de uitvoerend secretaris van de NAFO. De schriftelijke kennisgeving omvat de informatie die is ingevuld in de rubriek betreffende inbreuken van het inspectierapport in bijlage IV.B bij de CEM (bedoeld in punt 41 van de bijlage bij deze verordening); vermeldt de relevante maatregelen en beschrijft in detail de grond voor het afgeven van de kennisgeving van de inbreuk, en het bewijs ter ondersteuning van de kennisgeving, en gaat waar mogelijk vergezeld van beelden van het vistuig, de vangst of ander bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde inbreuk;”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“Het EBVC dient het inspectierapport in bij de uitvoerend secretaris van de NAFO.”;

18)

artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

“a)

op het “overige”-quotum vissen zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie en het EBVC in strijd met artikel 5;”;

ii)

punt e) wordt vervangen door:

“e)

vissen in een gesloten gebied, in strijd met artikel 9, lid 5, of artikel 18;”;

iii)

punt g) wordt vervangen door:

“g)

een niet-toegestane maaswijdte of afstand tussen de roosterstaven gebruiken, in strijd met artikel 13 of 14;”;

iv)

punt k) wordt vervangen door:

“k)

geen berichten in verband met vangst verzenden, in strijd met artikel 12, lid 1, of artikel 25;”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Voor de toepassing van de leden 3 en 4 wordt onder “het onjuist registreren van vangsten” een verschil van ten minste tien ton of, indien dat meer is, twintig procent, verstaan tussen de ramingen van de inspecteurs van de verwerkte vangst aan boord, per soort of in totaal, en de in het productielogboek geregistreerde cijfers, berekend als een percentage van de cijfers in het productielogboek.”;

c)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   Voor zover de vlaggenlidstaat en, indien verschillend, de verdragsluitende vlaggenstaat, hiermee instemmen, mogen inspecteurs van een andere verdragsluitende partij of lidstaat deelnemen aan de volledige inspectie en opsomming van de vangst.”;

19)

artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

“1.   De havenlidstaat verstrekt aan de Commissie een lijst met aangewezen havens waartoe vissersvaartuigen toegang kan worden verleend met het oog op aanlanding, overlading en/of verlening van havendiensten, en waarborgt zo veel mogelijk dat elke aangewezen haven voldoende capaciteit heeft om inspecties te verrichten krachtens dit hoofdstuk. De Commissie stelt de uitvoerend secretaris van de NAFO in kennis van de lijst van aangewezen havens. Latere wijzigingen van de lijst worden uiterlijk vijftien dagen voordat de wijziging van kracht wordt, gepost ter vervanging van de vorige lijst.

2.   De havenlidstaat stelt een minimumtermijn voor voorafgaande verzoeken vast. De termijn voor voorafgaande verzoeken is drie werkdagen vóór het geraamde tijdstip van aankomst. In overleg met de Commissie kan de havenlidstaat echter voorzieningen treffen voor een andere termijn voor voorafgaande verzoeken, rekening houdend met, onder meer, het producttype van de vangst en de afstand tussen de visgronden en zijn havens. De havenlidstaat verstrekt de informatie over de termijn voor voorafgaande verzoeken aan de Commissie, die de uitvoerend secretaris van de NAFO in kennis stelt.

3.   De havenlidstaat wijst de bevoegde autoriteit aan die fungeert als het contactpunt voor het ontvangen van verzoeken overeenkomstig artikel 41, het ontvangen van bevestigingen overeenkomstig artikel 40, lid 2, en het afgeven van machtigingen overeenkomstig lid 6 van dit artikel. De havenlidstaat verstrekt de naam en de contactinformatie van de bevoegde autoriteit aan de Commissie, die de uitvoerend secretaris van de NAFO in kennis stelt.”;

b)

de leden 8 en 9 worden vervangen door:

“8.   De havenlidstaat stelt de kapitein van het vaartuig onverwijld in kennis van zijn besluit om het binnenvaren van de haven toe te staan dan wel te weigeren, of indien het vaartuig zich in de haven bevindt, van zijn besluit om de aanlanding, overlading of ander gebruik van de haven toe te staan dan wel te weigeren. Indien het vaartuig de haven mag binnenvaren, stuurt de havenlidstaat aan de kapitein van het vaartuig een kopie terug van het formulier “Port State Control Prior Request Form” in bijlage II.L bij de CEM (bedoeld in punt 43 van de bijlage bij deze verordening), met deel C naar behoren ingevuld. Die kopie wordt ook toegezonden aan de uitvoerend secretaris van de NAFO met de Commissie en het EBVC in kopie. In geval van een weigering stelt de havenlidstaat de verdragsluitende partij bij de NAFO waarvan het vaartuig de vlag voert, daarvan in kennis.

9.   In geval van annulering van een voorafgaand verzoek als bedoeld in artikel 41, lid 2, verzendt de havenlidstaat een kopie van het geannuleerde formulier “Port State Control Prior Request Form” toe aan de uitvoerend secretaris van de NAFO met de Commissie en het EBVC in kopie.”;

c)

lid 17 wordt vervangen door:

“17.   De havenlidstaat zendt onverwijld een kopie van elk havenstaatcontrole-inspectierapport (Port State Control Inspection Report) toe aan de uitvoerend secretaris van de NAFO met de Commissie en het EBVC in kopie.”;

20)

artikel 45 wordt vervangen door:

“Artikel 45

Waarneming en inspectie van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen in het gereglementeerde gebied

Elke lidstaat of, indien passend, het EBVC, met een inspectie- en/of surveillanceaanwezigheid in het gereglementeerde gebied waarvoor machtiging is verleend in het kader van de gezamenlijke inspectie- en surveillanceregeling die een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij waarneemt dat visserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied verricht:

a)

zendt onverwijld de informatie aan de Commissie door met gebruikmaking van het formaat van het surveillancerapport dat is vastgesteld in bijlage IV.A bij de CEM (bedoeld in punt 38 van de bijlage bij deze verordening);

b)

tracht de kapitein van het vaartuig ervan in kennis te stellen dat wordt vermoed dat het vaartuig IOO-visserij bedrijft en dat deze informatie aan alle verdragsluitende partijen, ter zake relevante ROVB’s en de vlaggenstaat van het vaartuig zal worden meegedeeld;

c)

verzoekt in voorkomend geval de kapitein van het vaartuig om toestemming om aan boord van het vaartuig te gaan voor inspectie, en

d)

wanneer de kapitein van het vaartuig met inspectie instemt:

i)

zendt hij de bevindingen van de inspecteur onverwijld door aan de Commissie aan de hand van het inspectierapportformulier in bijlage IV.B bij de CEM (bedoeld in punt 41 van de bijlage bij deze verordening), en

ii)

verstrekt hij een kopie van het inspectierapport aan de kapitein van het vaartuig.”;

21)

aan artikel 50, lid 2, worden de volgende punten toegevoegd:

“i)

maaswijdten als bedoeld in artikel 13, lid 2;

j)

technische specificaties voor sorteerroosters en kettingen voor het bevestigen van de klossenpees (“toggle chains”) in de visserij op Noordse garnaal als bedoeld in artikel 14, lid 2, evenals technische specificaties voor sorteerroosters of netvoorzieningen als beschreven in artikel 14, lid 3 of lid 3 bis;

k)

gebieds- of periodebeperkingen voor bodemvisserijactiviteiten als beschreven in artikel 18.”;

22)

de bijlage wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 44 wordt vervangen door:

“44.

Bijlage IV.H bij de CEM over inspecties, genoemd in artikel 39, lid 11;”;

b)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“45.

Bijlage II.H bij de CEM betreffende de procedure voor het verlenen van toegang tot de MCS-website aan personen in de verdragsluitende partijen.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. LOGAR


(1)  PB C 429 van 11.12.2020, blz. 279.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 juli 2021.

(3)  Verordening (EU) 2019/833 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1627 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2115/2005 en (EG) nr. 1386/2007 van de Raad (PB L 141 van 28.5.2019, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2019/473 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende het Europees Bureau voor visserijcontrole (PB L 83 van 25.3.2019, blz. 18).

(5)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


30.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 274/41


VERORDENING (EU) 2021/1232 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 juli 2021

betreffende een tijdelijke afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2002/58/EG ten aanzien van het gebruik van technologieën door aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten voor de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens ten behoeve van de bestrijding van online seksueel misbruik van kinderen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16, lid 2, in samenhang met artikel 114, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn regels vastgesteld ter waarborging van het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens bij de uitwisseling van gegevens in de sector elektronische communicatie. Die richtlijn vormt een nadere specificatie van en aanvulling op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(2)

Richtlijn 2002/58/EG is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten. Tot 21 december 2020 gold de definitie van elektronische-communicatiedienst als bepaald in artikel 2, punt c), van Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad (5). Op die datum werd Richtlijn 2002/21/EG bij Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad (6) ingetrokken. De definitie van elektronische-communicatiedienst in artikel 2, punt 4, van Richtlijn (EU) 2018/1972 omvat nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van die richtlijn. Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, waartoe Voice over Internet Protocol, berichtendiensten en webgebaseerde e-maildiensten behoren, vallen derhalve sinds 21 december 2020 onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/58/EG.

(3)

In overeenstemming met artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) erkent de Unie de in het Handvest van de grondrechten van de Unie (het “Handvest”) vervatte rechten, vrijheden en beginselen. Artikel 7 van het Handvest beschermt het grondrecht van eenieder op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie, met inbegrip van het vertrouwelijke karakter van communicatie. Artikel 8 van het Handvest bevat het recht op bescherming van persoonsgegevens.

(4)

In artikel 3, lid 1, van het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind (VRK) en in artikel 24, lid 2, van het Handvest is bepaald dat bij alle handelingen met betrekking tot kinderen, ongeacht of deze door overheidsinstanties of particuliere instellingen worden verricht, het belang van het kind voorop moet staan. Artikel 3, lid 2, van het VRK en artikel 24, lid 1, van het Handvest voorzien bovendien in het recht van kinderen op een dergelijke bescherming en zorg die nodig zijn voor hun welzijn.

(5)

De bescherming van kinderen, zowel offline als online, is een van de prioriteiten van de Unie. Seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen vormen ernstige schendingen van de mensenrechten en grondrechten, met name van de rechten van kinderen om te worden beschermd tegen alle vormen van geweld, misbruik en verwaarlozing, mishandeling of uitbuiting, met inbegrip van seksueel misbruik, zoals bepaald in het VRK en het Handvest. De digitalisering heeft veel voordelen opgeleverd voor de samenleving en de economie, maar heeft ook nadelige gevolgen met zich meegebracht, waaronder een toename van online seksueel misbruik van kinderen. Op 24 juli 2020 heeft de Commissie een mededeling aangenomen met als titel “EU-strategie voor een doeltreffender bestrijding van seksueel misbruik van kinderen” (de “strategie”). De strategie is erop gericht op het niveau van de Unie een doeltreffende aanpak te bieden van misdrijven op het vlak van seksueel misbruik van kinderen.

(6)

Overeenkomstig Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) is deze verordening niet van toepassing op het beleid van de lidstaten betreffende seksuele activiteiten met onderlinge instemming waarbij kinderen betrokken kunnen zijn en die kunnen worden beschouwd als uiting van de normale ontdekking van de seksualiteit in de loop van de menselijke ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende culturele en juridische tradities en met nieuwe vormen van het aanknopen en onderhouden van betrekkingen tussen kinderen en adolescenten, ook via informatie- en communicatietechnologie.

(7)

Sommige aanbieders van bepaalde nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (“aanbieders”), zoals webmail en berichtendiensten, maken al gebruik van specifieke technologieën om op vrijwillige basis online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen en te melden aan rechtshandhavingsinstanties en organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen; dat doen zij door de inhoud, zoals beelden en tekst, of de verkeersgegevens van communicatie te scannen, waarbij zij in sommige gevallen gebruikmaken van historische gegevens. De technologie die voor die activiteiten wordt gebruikt, kan bestaan uit hashingtechnologie voor beelden en video’s en uit classificatoren en kunstmatige intelligentie voor het analyseren van tekst- of verkeersgegevens. Bij het gebruik van hashingtechnologie wordt onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen gemeld wanneer er een positieve treffer optreedt, wat betekent dat er in dat geval een overeenkomst wordt gevonden door een beeld of een video te vergelijken met een unieke, niet-omkeerbare digitale handtekening (“hash”) uit een databank met geverifieerd onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen, die wordt onderhouden door een organisatie die in het algemeen belang optreedt tegen seksueel misbruik van kinderen. Die aanbieders maken hiervan melding bij nationale hotlines voor het melden van onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen alsook bij — in de Unie of in derde landen gevestigde — organisaties die tot doel hebben kinderen te identificeren, seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen tegen te gaan, en victimisatie van kinderen te voorkomen. Dergelijke organisaties vallen mogelijk niet binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2016/679. Dergelijke vrijwillige activiteiten spelen gezamenlijk een waardevolle rol bij het identificeren en het redden van slachtoffers, wier grondrecht op menselijke waardigheid en op lichamelijke en geestelijke integriteit ernstig wordt geschonden. Dergelijke vrijwillige activiteiten zijn ook belangrijk bij het beperken van de verdere verspreiding van onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen, en dragen tevens bij tot de identificatie van en het onderzoek naar daders alsmede tot de preventie, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten in verband met seksueel misbruik van kinderen.

(8)

Hoewel hun doel legitiem is, vormen vrijwillige activiteiten van aanbieders om online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen en dit te melden, een inbreuk op het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het grondrecht op de bescherming van persoonsgegevens van alle gebruikers van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (“gebruikers”). Beperkingen van de uitoefening van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, met inbegrip van de vertrouwelijkheid van communicatie, kunnen niet louter worden gerechtvaardigd op grond van het feit dat de aanbieders bepaalde technologieën toepasten in een tijd waarin nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten niet onder de definitie van “elektronische-communicatiedienst” vielen. Dergelijke beperkingen zijn slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Krachtens artikel 52, lid 1, van het Handvest moeten dergelijke beperkingen bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van het recht op een privéleven en een familie- en gezinsleven en op bescherming van persoonsgegevens eerbiedigen, en moeten zij, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Indien deze beperkingen permanent een algemene en willekeurige monitoring en analyse van de communicatie van alle gebruikers omvatten, gaan zij in tegen het recht op de vertrouwelijkheid van communicatie.

(9)

Tot en met 20 december 2020 was alleen Verordening (EU) 2016/679 van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door aanbieders door middel van vrijwillige maatregelen die ertoe strekten online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen en dit te melden, en onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen te verwijderen uit hun diensten. Richtlijn (EU) 2018/1972, die tegen 20 december 2020 moest zijn omgezet, bracht aanbieders binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/58/EG. Om dergelijke vrijwillige maatregelen na 20 december 2020 te kunnen blijven gebruiken, moeten aanbieders voldoen aan de voorwaarden van deze verordening. Verordening (EU) 2016/679 blijft van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door middel van dergelijke vrijwillige maatregelen.

(10)

Richtlijn 2002/58/EG bevat geen specifieke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door aanbieders in verband met het aanbieden van elektronische-communicatiediensten met het oog op het opsporen van online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten en het melden ervan, alsook het verwijderen van onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen uit hun diensten. Overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Richtlijn 2002/58/EG kunnen de lidstaten echter wetgevingsmaatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de onder meer in de artikelen 5 en 6 van die richtlijn bedoelde rechten en plichten die betrekking hebben op de vertrouwelijkheid van communicatie en verkeersgegevens met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten in verband met seksueel misbruik van kinderen. Zonder dergelijke nationale wetgevingsmaatregelen en in afwachting van de vaststelling van een rechtskader voor de langere termijn om seksueel misbruik van kinderen op het niveau van de Unie aan te pakken, kunnen aanbieders zich niet langer baseren op Verordening (EU) 2016/679 om na 21 december 2020 vrijwillige maatregelen te gebruiken teneinde online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten te blijven opsporen en melden en onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen uit hun diensten te blijven verwijderen. Deze verordening voorziet niet in een rechtsgrondslag voor de verwerking van persoonsgegevens door aanbieders met als enig doel online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen en dit te melden en onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen te verwijderen uit hun diensten, maar voorziet in een afwijking van sommige bepalingen van Richtlijn 2002/58/EG. In deze verordening worden aanvullende waarborgen vastgesteld die door de aanbieders moeten worden geëerbiedigd als zij zich op deze verordening willen beroepen.

(11)

Verwerking van gegevens in het kader van deze verordening kan leiden tot de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in Verordening (EU) 2016/679. De verwerking van beelden en video’s met specifieke technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken, wordt beschouwd als de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens.

(12)

Deze verordening voorziet in een tijdelijke afwijking van artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2002/58/EG, die de vertrouwelijkheid van communicatie en verkeersgegevens beschermen. Het vrijwillige gebruik door aanbieders van technologieën voor de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens voor zover dat nodig is om online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen en te melden, en om onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen te verwijderen uit hun diensten, valt onder de afwijking waarin deze verordening voorziet, op voorwaarde dat een dergelijk gebruik voldoet aan de in deze verordening vastgelegde voorwaarden en derhalve onderworpen is aan de in Verordening (EU) 2016/679 vastgelegde waarborgen en voorwaarden.

(13)

Richtlijn 2002/58/EG is vastgesteld op basis van artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Bovendien hebben niet alle lidstaten overeenkomstig richtlijn 2002/58/EG wetgevingsmaatregelen genomen om de reikwijdte te beperken van de rechten en plichten met betrekking tot de vertrouwelijkheid van communicatie en verkeersgegevens als vastgesteld in die richtlijn, en brengt de vaststelling van dergelijke maatregelen een aanzienlijk risico van versnippering met zich mee, hetgeen waarschijnlijk negatieve gevolgen voor de interne markt zal hebben. Bijgevolg moet deze verordening worden gebaseerd op artikel 114 VWEU.

(14)

Aangezien gegevens die betrekking hebben op elektronische communicatie waarbij natuurlijke personen zijn betrokken, gewoonlijk als persoonsgegevens worden beschouwd, moet de verordening ook worden gebaseerd op artikel 16 VWEU, dat voorziet in een specifieke rechtsgrondslag voor de vaststelling van voorschriften betreffende de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en door de lidstaten bij de uitoefening van activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie vallen, alsmede voorschriften betreffende het vrij verkeer van die gegevens.

(15)

Verordening (EU) 2016/679 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met het aanbieden van elektronische-communicatiediensten door aanbieders met als enig doel online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen en te melden en onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen uit hun diensten te verwijderen, voor zover die verwerking onder het toepassingsgebied van de bij deze verordening vastgestelde afwijking valt.

(16)

De soorten technologieën die voor de doeleinden van deze verordening worden toegepast, moeten overeenkomstig de stand van de techniek in de sector zo min mogelijk inbreuk op de privacy maken. Die technologieën mogen niet worden gebruikt voor het systematisch filteren en scannen van tekst in communicatie, tenzij dit uitsluitend gebeurt om patronen op te sporen die kunnen wijzen op concrete redenen om online seksueel misbruik van kinderen te vermoeden, en zij mogen niet de mogelijkheid bieden de inhoud van de communicatie af te leiden. Bij het gebruik van technologie om het benaderen van kinderen te identificeren, moeten dergelijke concrete redenen om misbruik te vermoeden, gebaseerd zijn op objectief vastgestelde risicofactoren zoals leeftijdsverschillen en de waarschijnlijkheid dat bij de gescande communicatie een kind betrokken is.

(17)

Er moeten passende procedures en verhaalmechanismen in het leven worden geroepen zodat individuen klachten kunnen indienen bij aanbieders. Dergelijke procedures en mechanismen zijn met name relevant wanneer inhoud die geen online seksueel misbruik van kinderen vormt, is verwijderd of gemeld aan rechtshandhavingsinstanties of aan een organisatie die in het algemeen belang optreedt tegen seksueel misbruik van kinderen.

(18)

Om de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid zo veel mogelijk te waarborgen, moet de technologie die voor de toepassing van deze verordening wordt gebruikt, overeenkomstig de stand van de techniek in de sector, het aantal fouten en de foutverhoudingen (fout-positieve resultaten) zo veel mogelijk beperken en, indien nodig, eventuele fouten die zich toch voordoen onverwijld corrigeren.

(19)

De verwerkte inhoudelijke gegevens en verkeersgegevens en de persoonsgegevens die worden gegenereerd bij de uitvoering van de activiteiten die onder deze verordening vallen, alsook de periode gedurende welke de gegevens vervolgens worden bewaard in geval van de vaststelling van vermoedelijk online seksueel misbruik van kinderen, moeten worden beperkt tot wat strikt noodzakelijk is om deze activiteiten uit te voeren. Gegevens moeten onmiddellijk en onherroepelijk worden gewist zodra zij niet langer strikt noodzakelijk zijn voor een van de in deze verordening genoemde doeleinden, inclusief in gevallen waarin geen vermoedelijk online seksueel misbruik van kinderen is vastgesteld, en hoe dan ook niet later dan twaalf maanden na de datum waarop het vermoedelijk online seksueel misbruik van kinderen is vastgesteld. Dit mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om relevante inhoudelijke gegevens en verkeersgegevens op te slaan overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG. Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van wettelijke verplichtingen uit hoofde van het Unierecht of nationale recht betreffende het bewaren van gegevens die van toepassing zijn op aanbieders.

(20)

Deze verordening belet een aanbieder die bij de rechtshandhavingsinstanties melding heeft gemaakt van online seksueel misbruik van kinderen, niet om van die autoriteiten een bewijs van ontvangst van de melding te vragen.

(21)

Met het oog op de transparantie en verantwoordingsplicht met betrekking tot de activiteiten die in het kader van de in deze verordening voorziene afwijking worden ondernomen, moeten de aanbieders uiterlijk op 3 februari 2022 en daarna elk jaar uiterlijk op 31 januari een verslag uitbrengen en bij de overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 aangewezen bevoegde toezichthoudende autoriteit (“toezichthoudende autoriteit”) en de Commissie indienen. Dat verslag moet betrekking hebben op de verwerking die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, met inbegrip van het type en de volumes van de verwerkte gegevens, de specifieke redenen voor de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, de redenen voor het doorgeven van persoonsgegevens naar landen buiten de Unie overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679, indien van toepassing, het aantal geconstateerde gevallen van online seksueel misbruik van kinderen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen en het benaderen van kinderen, het aantal gevallen waarin een gebruiker een klacht heeft ingediend bij het interne verhaalmechanisme of een voorziening in rechte heeft ingesteld en de uitkomst van dergelijke klachten en gerechtelijke procedures, het aantal fouten en de foutverhoudingen (fout-positieve resultaten) van de verschillende gebruikte technologieën, de maatregelen die zijn toegepast om het foutenpercentage te beperken, het bereikte foutenpercentage, het bewaringsbeleid, de toegepaste waarborgen inzake gegevensbescherming overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, en de namen van in het algemeen belang tegen seksueel misbruik van kinderen optredende organisaties waarmee uit hoofde van deze verordening gegevens zijn gedeeld.

(22)

Om de toezichthoudende autoriteiten bij te staan bij hun taken, moet de Commissie het Europees Comité voor gegevensbescherming verzoeken richtsnoeren uit te vaardigen inzake de naleving van Verordening (EU) 2016/679 bij verwerking die binnen het toepassingsgebied van de in deze verordening vastgestelde afwijking valt. Wanneer de toezichthoudende autoriteiten beoordelen of een bestaande of nieuwe technologie die moet worden gebruikt, in overeenstemming is met de stand van de techniek in de sector, zo min mogelijk inbreuk op de privacy maakt en wordt gebruikt op een toereikende rechtsgrondslag uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679, moeten deze richtsnoeren die toezichthoudende autoriteiten met name ondersteunen bij het verlenen van advies in het kader van de voorafgaande raadplegingsprocedure zoals uiteengezet in die verordening.

(23)

Deze verordening beperkt het recht op bescherming van de vertrouwelijkheid van communicatie en wijkt af van het krachtens Richtlijn (EU) 2018/1972 vastgestelde besluit dat voor nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten wat betreft privacy dezelfde regels gelden als voor alle andere elektronische-communicatiediensten, maar uitsluitend om online seksueel misbruik van kinderen op die diensten op te sporen en dit te melden aan rechtshandhavingsinstanties of organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen en om onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen te verwijderen uit die diensten. De toepassingsperiode van deze verordening mag daarom slechts lopen tot drie jaar na de datum van toepassing ervan, met als doel voldoende tijd te voorzien voor de vaststelling van een nieuw rechtskader voor de lange termijn. Indien het rechtskader voor de lange termijn vóór die datum wordt vastgesteld en in werking treedt, moet deze verordening bij dat rechtskader worden ingetrokken.

(24)

Met betrekking tot alle andere activiteiten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/58/EG vallen, moeten aanbieders onderworpen zijn aan de specifieke verplichtingen van die richtlijn en bijgevolg aan de monitoring- en onderzoeksbevoegdheden van de overeenkomstig die richtlijn aangewezen bevoegde instanties.

(25)

Eind-tot-eindversleuteling is een belangrijk instrument om de veiligheid en vertrouwelijkheid van communicatie van gebruikers te waarborgen, waaronder die van kinderen. Een eventuele verzwakking van de versleuteling zou kunnen worden misbruikt door kwaadwillige derden. Niets in deze verordening mag derhalve worden uitgelegd als een verbod op of een verzwakking van de eind-tot-eindversleuteling.

(26)

Het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, met inbegrip van de vertrouwelijkheid van communicatie, is een grondrecht dat wordt gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest. Dit recht is daarom ook een voorwaarde voor de veilige communicatie tussen slachtoffers van seksueel misbruik van kinderen en een volwassene die zij vertrouwen of organisaties die actief zijn in de strijd tegen seksueel misbruik van kinderen, en voor de communicatie tussen slachtoffers en hun advocaten.

(27)

Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de voorschriften inzake het beroepsgeheim in het nationale recht, zoals voorschriften inzake de bescherming van professionele communicatie tussen artsen en hun patiënten, journalisten en hun bronnen, of advocaten en hun cliënten. Met name de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaten en hun cliënten is essentieel voor een effectieve uitoefening van het recht van verweer, dat een cruciaal onderdeel vormt van het recht op een eerlijk proces. Deze verordening mag ook geen afbreuk doen aan de nationale voorschriften inzake registers van overheidsinstanties of organisaties die advies verstrekken aan personen in nood.

(28)

Aanbieders moeten de Commissie de namen meedelen van de organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen en waaraan zij uit hoofde van deze verordening melding maken van mogelijk online seksueel misbruik van kinderen. Hoewel het uitsluitend de verantwoordelijkheid is van als verwerkingsverantwoordelijke optredende aanbieders om te beoordelen met welke derde partijen zij uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679 persoonsgegevens kunnen delen, moet de Commissie transparantie waarborgen met betrekking tot de overdracht van mogelijke gevallen van online seksueel misbruik van kinderen door op haar website een lijst openbaar te maken van de aan de Commissie gemelde organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen. Die openbare lijst moet gemakkelijk toegankelijk zijn. Aanbieders moeten die lijst ook kunnen gebruiken voor het identificeren van relevante organisaties in de wereldwijde strijd tegen online seksueel misbruik van kinderen. Die lijst mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de aanbieders die als verwerkingsverantwoordelijke optreden uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679, onder meer wat betreft hun verplichting om bij het doorgeven van persoonsgegevens naar landen buiten de Unie hoofdstuk V van die Verordening na te leven, en hun verplichting om alle verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk IV van die verordening na te komen.

(29)

De statistieken die uit hoofde van deze verordening aan de lidstaten moeten worden verstrekt, zijn belangrijke indicatoren voor de evaluatie van beleidsmaatregelen, met inbegrip van wetgevingsmaatregelen. Daarnaast is het belangrijk de impact te erkennen van secundaire victimisatie, die niet volledig tot uiting komt in dergelijke statistieken maar die inherent is aan het delen van beelden en video’s van slachtoffers van seksueel kindermisbruik die mogelijk jaren hebben gecirculeerd.

(30)

Overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2016/679, en met name het vereiste voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat toezichthoudende autoriteiten over de nodige personele, technische en financiële middelen beschikken om hun taken en bevoegdheden doeltreffend te kunnen uitvoeren respectievelijk uitoefenen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de toezichthoudende autoriteiten over voldoende middelen beschikken voor de doeltreffende uitvoering van hun taken en uitoefening van hun bevoegdheden uit hoofde van deze verordening.

(31)

Wanneer een aanbieder voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening een gegevensbeschermingseffectbeoordeling heeft uitgevoerd en de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 heeft geraadpleegd met betrekking tot een technologie, mag die aanbieder uit hoofde van deze verordening niet worden verplicht een aanvullende gegevensbeschermingseffectbeoordeling of raadpleging uit te voeren, mits de toezichthoudende autoriteiten hebben aangegeven dat gegevensverwerking middels die technologie niet zou resulteren in een groot risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen of dat de verwerkingsverantwoordelijke maatregelen heeft genomen om dat risico te beperken.

(32)

Gebruikers moeten het recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte wanneer hun rechten zijn geschonden als gevolg van de verwerking van persoonsgegevens of andere gegevens met het oog op het opsporen van online seksueel misbruik van kinderen op nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en het melden ervan, alsook het verwijderen van onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen uit die diensten, bijvoorbeeld in gevallen waarin de inhoud of identiteit van een gebruiker is gemeld aan een organisatie die in het algemeen belang optreedt tegen seksueel misbruik van kinderen of aan rechtshandhavingsinstanties, of wanneer de inhoud van een gebruiker is verwijderd, de account van een gebruiker is geblokkeerd of een aan een gebruiker aangeboden dienst is opgeschort.

(33)

Overeenkomstig Richtlijn 2002/58/EG en het beginsel van minimale gegevensverwerking moet de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens beperkt worden tot inhoudelijke gegevens en bijbehorende verkeersgegevens, en voor zover dat strikt noodzakelijk is om het doel van deze verordening te verwezenlijken.

(34)

De afwijking waarin deze verordening voorziet, moet ook gelden voor de categorieën gegevens bedoeld in artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2002/58/EG, die van toepassing zijn op de verwerking van zowel persoonsgegevens als niet-persoonsgebonden gegevens die worden verwerkt in het kader van het aanbieden van een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst.

(35)

Deze verordening strekt ertoe tijdelijk af te wijken van sommige bepalingen van Richtlijn 2002/58/EG, zonder daarbij een versnippering van de interne markt te veroorzaken. Bovendien zouden nationale wetgevingsmaatregelen hoogstwaarschijnlijk niet op tijd in alle lidstaten worden vastgesteld. Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken. De verordening voorziet in een tijdelijke en strikt beperkte afwijking van de toepasselijkheid van artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2002/58/EG, met een reeks waarborgen om ervoor te zorgen dat de afwijking niet verder gaat dan wat nodig is om de gestelde doelstelling te bereiken.

(36)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (8) en heeft op 10 november 2020 een advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden tijdelijke en strikt beperkte voorschriften vastgesteld die een afwijking vormen van bepaalde verplichtingen van Richtlijn 2002/58/EG en waarvan het doel uitsluitend is aanbieders van bepaalde nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (“aanbieders”) in staat te stellen om onverminderd Verordening (EU) 2016/679 specifieke technologieën te gebruiken voor de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens voor zover dat strikt noodzakelijk is om online seksueel misbruik van kinderen op hun diensten op te sporen en te melden en om onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen uit hun diensten te verwijderen.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op het scannen van audiocommunicatie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst”: een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst in de zin van artikel 2, punt 7, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

2)

“onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen”:

a)

kinderpornografie in de zin van artikel 2, punt c), van Richtlijn 2011/93/EU;

b)

pornografische voorstelling in de zin van artikel 2, punt e), van Richtlijn 2011/93/EU;

3)

“het benaderen van kinderen”: iedere opzettelijke gedraging die een strafbaar feit oplevert krachtens artikel 6 van Richtlijn 2011/93/EU;

4)

“online seksueel misbruik van kinderen”: onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen en het benaderen van kinderen.

Artikel 3

Reikwijdte van de derogatie

1.   Artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2002/58/EG zijn niet van toepassing op de vertrouwelijkheid van communicatie die betrekking heeft op de verwerking, door aanbieders, van persoonsgegevens en andere gegevens in verband met het aanbieden van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, op voorwaarde dat:

a)

deze verwerking:

i)

strikt noodzakelijk is voor het gebruik van specifieke technologie met als enig doel onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen op te sporen, te verwijderen en te melden aan rechtshandhavingsinstanties en organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen, en het benaderen van kinderen op te sporen en te melden aan rechtshandhavingsinstanties of organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen;

ii)

evenredig is en zich beperkt tot technologieën die door aanbieders worden gebruikt voor het in punt i) uiteengezette doel:

iii)

beperkt blijft tot inhoudelijke gegevens en bijbehorende verkeersgegevens die strikt noodzakelijk zijn voor het in punt i) uiteengezette doel;

iv)

beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor het in punt i) uiteengezette doel;

b)

de technologieën die voor het in punt a), i), van dit lid uiteengezette doel worden gebruikt, in overeenstemming zijn met de stand van de techniek in de sector en zo min mogelijk inbreuk maken op de privacy, ook met betrekking tot het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen zoals vastgelegd in artikel 25 van Verordening (EU) 2016/679, en, voor zover ze worden gebruikt om communicatie met tekst te scannen, niet in staat zijn om de inhoud van de communicatie af te leiden maar uitsluitend patronen kunnen herkennen die kunnen wijzen op online seksueel misbruik van kinderen;

c)

voor elke specifieke technologie die voor het in punt a), i), van dit lid uiteengezette doel wordt gebruikt, een voorafgaande gegevensbeschermingseffectbeoordeling als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EU) 2016/679 en een procedure van voorafgaande raadpleging als bedoeld in artikel 36 van die verordening zijn uitgevoerd;

d)

met betrekking tot nieuwe technologie, dat wil zeggen technologie die wordt gebruikt voor de opsporing van onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen en die vóór 2 augustus 2021 door geen enkele aanbieder is gebruikt in verband met aan gebruikers van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (“gebruikers”) in de Unie verleende diensten, en met betrekking tot technologie die wordt gebruikt om het mogelijk benaderen van kinderen vast te stellen, brengt de aanbieder aan de bevoegde autoriteit verslag uit over de maatregelen die hij heeft genomen om te voldoen aan het schriftelijke advies dat de krachtens hoofdstuk VI, afdeling 1, van Verordening (EU) 2016/679 aangewezen bevoegde toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 36, lid 2, van die verordening heeft uitgebracht in de loop van de voorafgaande raadplegingsprocedure;

e)

de gebruikte technologieën op zich voldoende betrouwbaar zijn, in die zin dat het foutenpercentage met betrekking tot het opsporen van inhoud die seksueel online misbruik van kinderen omvat, zo veel mogelijk wordt beperkt, en dat, wanneer dergelijke incidentele fouten zich voordoen, de gevolgen ervan onverwijld worden gecorrigeerd;

f)

de technologieën die worden gebruikt om patronen van het mogelijk benaderen van kinderen op te sporen, beperkt zijn tot het gebruik van relevante kernindicatoren en objectief vastgestelde risicofactoren, zoals leeftijdsverschillen en de waarschijnlijkheid dat bij de gescande communicatie een kind betrokken is, onverminderd het recht op toetsing door mensen;

g)

de aanbieders:

i)

interne procedures hebben vastgesteld om misbruik van, ongeoorloofde toegang tot en ongeoorloofde doorgifte van persoonsgegevens en andere gegevens te voorkomen;

ii)

instaan voor menselijk toezicht op en waar nodig menselijke tussenkomst bij de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens aan de hand van technologieën die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

iii)

ervoor zorgen dat materiaal dat nog niet is geïdentificeerd als onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik of het benaderen van kinderen, niet zonder voorafgaande menselijke bevestiging wordt gemeld aan rechtshandhavingsinstanties of organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen;

iv)

passende procedures en verhaalmechanismen hebben ingesteld om ervoor te zorgen dat gebruikers binnen een redelijke termijn bij hen een klacht kunnen indienen om hun standpunt kenbaar te maken;

v)

de gebruikers op duidelijke, expliciete en begrijpelijke wijze inlichten over het feit dat zij zich overeenkomstig deze verordening hebben beroepen op de afwijking van artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2002/58/EG betreffende de vertrouwelijkheid van de communicatie van gebruikers, louter met het oog op het in punt a), i), van dit lid uiteengezette doel, de logica achter de maatregelen die zij in het kader van de afwijking hebben genomen, en de gevolgen ervan voor de vertrouwelijkheid van de communicatie van gebruikers, inclusief de mogelijkheid dat persoonsgegevens worden gedeeld met rechtshandhavingsinstanties en organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen;

vi)

wanneer de inhoud van de gebruikers is verwijderd, hun account is geblokkeerd of een aan hen aangeboden dienst is opgeschort, de betrokken gebruikers in kennis stellen van:

1)

de mogelijkheden om bij hen verhaal te zoeken;

2)

de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, en

3)

het recht om een voorziening in rechte in te stellen;

vii)

uiterlijk op 3 februari 2022 en daarna elk jaar uiterlijk op 31 januari een verslag publiceren over de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening en dit bij de bevoegde toezichthoudende autoriteit en de Commissie indienen, waarin ook de volgende informatie is opgenomen:

1)

het type en de volumes van de verwerkte gegevens;

2)

de specifieke reden voor de verwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679;

3)

de reden voor het doorgeven van persoonsgegevens naar landen buiten de Unie overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679, indien van toepassing;

4)

het aantal geconstateerde gevallen van online seksueel misbruik van kinderen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen en het benaderen van kinderen;

5)

het aantal gevallen waarin een gebruiker een klacht heeft ingediend bij het interne verhaalmechanisme of een gerechtelijke autoriteit en de uitkomst van dergelijke klachten;

6)

het aantal fouten en de foutverhoudingen (fout-positieve resultaten) van de verschillende gebruikte technologieën;

7)

de maatregelen die zijn toegepast om het foutenpercentage te beperken en het bereikte foutenpercentage;

8)

het bewaringsbeleid en de toegepaste waarborgen inzake gegevensbescherming overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en

9)

de namen van de in het algemeen belang tegen seksueel misbruik van kinderen optredende organisaties waarmee uit hoofde van deze verordening gegevens zijn gedeeld;

h)

wanneer een vermoeden van online seksueel misbruik van kinderen is vastgesteld, de inhoudelijke gegevens en bijbehorende verkeersgegevens die worden verwerkt voor het in punt a), i), uiteengezette doel, en de door een dergelijke verwerking gegenereerde persoonsgegevens op een veilige manier worden opgeslagen, enkel en alleen voor de volgende doeleinden:

i)

om het vermoede online seksueel misbruik van kinderen onverwijld te melden aan de bevoegde rechtshandhavingsinstanties en gerechtelijke autoriteiten of aan organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen;

ii)

om de account van de betrokken gebruiker te blokkeren of de dienstverlening aan de betrokken gebruiker op te schorten of te beëindigen;

iii)

om een unieke, niet-omkeerbare digitale handtekening (“hash”) te creëren van gegevens die op betrouwbare wijze zijn geïdentificeerd als onlinemateriaal betreffende seksueel misbruik van kinderen;

iv)

om de betrokken gebruiker in staat te stellen verhaal te zoeken bij de aanbieder, een administratieve toetsing aan te vragen of een voorziening in rechte in te stellen met betrekking tot kwesties die verband houden met het vermoede seksuele misbruik van kinderen, of

v)

om te reageren op verzoeken van bevoegde rechtshandhavingsinstanties en justitiële autoriteiten, overeenkomstig het toepasselijke recht, om verstrekking van de gegevens die zij nodig hebben voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van strafbare feiten als bedoeld in Richtlijn 2011/93/EU;

i)

de gegevens niet langer worden opgeslagen dan strikt noodzakelijk is voor het in punt h) genoemde relevante doel en in geen geval langer dan twaalf maanden na de datum waarop het vermoede online seksueel misbruik van kinderen is vastgesteld;

j)

elk gegrond en geverifieerd vermoeden van online seksueel misbruik van kinderen onmiddellijk wordt gemeld aan de bevoegde nationale rechtshandhavingsinstanties of aan organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen.

2.   De voorwaarde die is opgenomen in lid 1, punt c), geldt tot 3 april 2022 niet voor aanbieders die:

a)

vóór 2 augustus 2021 een specifieke technologie gebruikten voor het in lid 1, punt a), i), uiteengezette doel, zonder een voorafgaande raadplegingsprocedure met betrekking tot die technologie te hebben afgerond;

b)

een voorafgaande raadplegingsprocedure beginnen vóór 3 september 2021, en

c)

in verband met de in punt b) bedoelde voorafgaande raadplegingsprocedure naar behoren samenwerken met de bevoegde toezichthoudende autoriteit.

3.   De voorwaarde die is opgenomen in lid 1, punt d), geldt tot 3 april 2022 niet voor aanbieders die:

a)

vóór 2 augustus 2021 een in lid 1, punt d), bedoelde technologie gebruikten zonder een voorafgaande raadplegingsprocedure met betrekking tot die technologie te hebben afgerond;

b)

een procedure zoals bedoeld in lid 1, punt d), beginnen vóór 3 september 2021, en

c)

in verband met de in lid 1, punt d), bedoelde procedure naar behoren samenwerken met de bevoegde toezichthoudende autoriteit.

Artikel 4

Richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming

Uiterlijk 3 september 2021 en uit hoofde van artikel 70 van Verordening (EU) 2016/679 verzoekt de Commissie het Europees Comité voor gegevensbescherming richtsnoeren op te stellen om de toezichthoudende autoriteiten bij te staan bij de beoordeling of de verwerking die valt onder het toepassingsgebied van deze verordening, voor bestaande en nieuwe technologieën die worden gebruikt voor het in artikel 3, lid 1, punt a), i), van deze verordening uiteengezette doel, in overeenstemming is met Verordening (EU) 2016/679.

Artikel 5

Doeltreffende voorziening in rechte

Overeenkomstig artikel 79 van Verordening (EU) 2016/679 en artikel 15, lid 2, van Richtlijn 2002/58/EG hebben gebruikers het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wanneer zij van mening zijn dat hun rechten zijn geschonden als gevolg van de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens met het oog op het in artikel 3, lid 1, punt a), i), van deze verordening uiteengezette doel.

Artikel 6

Toezichthoudende autoriteiten

De overeenkomstig hoofdstuk VI, afdeling 1, van Verordening (EU) 2016/679 aangewezen toezichthoudende autoriteiten houden toezicht op de verwerking die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, overeenkomstig hun bevoegdheden uit hoofde van dat hoofdstuk.

Artikel 7

Openbare lijst van organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen

1.   Uiterlijk op 3 september 2021 bezorgen de aanbieders aan de Commissie een lijst met de namen van de in het algemeen belang tegen seksueel misbruik van kinderen optredende organisaties waaraan zij seksueel misbruik van kinderen melden op grond van deze verordening. De aanbieders stellen de Commissie op regelmatige basis op de hoogte van eventuele wijzigingen van die lijst.

2.   Uiterlijk op 3 oktober 2021 maakt de Commissie een lijst openbaar met de haar krachtens lid 1 meegedeelde namen van organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen. Die openbare lijst wordt door de Commissie geactualiseerd.

Artikel 8

Statistieken

1.   Uiterlijk op 3 augustus 2022 en daarna jaarlijks maken de lidstaten verslagen openbaar, die zij eveneens indienen bij de Commissie, met statistieken over elk van de volgende aspecten:

a)

het totaal aantal meldingen van opgespoord online seksueel misbruik van kinderen die door aanbieders en organisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen zijn gemaakt bij de bevoegde nationale rechtshandhavingsinstanties, waarbij (als dergelijke informatie beschikbaar is) een onderscheid wordt gemaakt tussen het absolute aantal gevallen en de gevallen die meermalen zijn gemeld en het type aanbieder op wiens dienst het online seksueel misbruik van kinderen is ontdekt;

b)

het aantal kinderen dat is geïdentificeerd via maatregelen uit hoofde van artikel 3, uitgesplitst naar geslacht;

c)

het aantal veroordeelde daders.

2.   De Commissie compileert de in lid 1 van dit artikel genoemde statistieken en houdt daarmee rekening bij de voorbereiding van het in artikel 9 genoemde uitvoeringsverslag.

Artikel 9

Uitvoeringsverslag

1.   Op basis van de verslagen die worden ingediend uit hoofde van artikel 3, lid 1, punt g), vii), en de statistieken die worden verstrekt uit hoofde van artikel 8, stelt de Commissie uiterlijk op 3 augustus 2023 een verslag op over de uitvoering van deze verordening, dient zij dit verslag in bij het Europees Parlement en de Raad en geeft zij het Parlement en de Raad hierbij toelichting.

2.   In het uitvoeringsverslag kijkt de Commissie met name naar:

a)

de voorwaarden voor de verwerking van persoonsgegevens en andere gegevens die zijn vermeld in artikel 3, lid 1, punt a), ii), en punten b), c) en d);

b)

de evenredigheid van de afwijking waarin deze verordening voorziet, met inbegrip van een beoordeling van de door de lidstaten uit hoofde van artikel 8 ingediende statistieken;

c)

ontwikkelingen in de technologische vooruitgang wat betreft de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, en de mate waarin die ontwikkelingen zorgen voor meer nauwkeurigheid en voor een vermindering van het aantal fouten en de foutverhoudingen (fout-positieve resultaten).

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing tot 3 augustus 2024.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. LOGAR


(1)  PB C 10 van 11.1.2021, blz. 63.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 6 juli 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 12 juli 2021.

(3)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

(4)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33).

(6)  Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36).

(7)  Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).


RICHTLIJNEN

30.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 274/52


RICHTLIJN (EU) 2021/1233 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 juli 2021

tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/2397 wat betreft de overgangsmaatregelen voor de erkenning van certificaten van derde landen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad (3) bevat overgangsmaatregelen om te waarborgen dat kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken die vóór het einde van de omzettingsperiode zijn afgegeven, geldig blijven, en om gekwalificeerde bemanningsleden een redelijke termijn te bieden om een kwalificatiecertificaat van de Unie of een ander als gelijkwaardig erkend certificaat aan te vragen. Afgezien van de in artikel 1, lid 5, van Richtlijn 96/50/EG van de Raad (4) vermelde Rijnschipperspatenten zijn die overgangsmaatregelen echter niet van toepassing op door derde landen afgegeven kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken die momenteel door de lidstaten worden erkend op grond van hun nationale voorschriften, of internationale overeenkomsten, die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2017/2397.

(2)

In artikel 10, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn (EU) 2017/2397 zijn de procedure en de voorwaarden vastgesteld voor de erkenning van door de autoriteiten van een derde land afgegeven certificaten, dienstboekjes of logboeken.

(3)

Aangezien de procedure voor de erkenning van documenten van derde landen gebaseerd is op de beoordeling van de certificeringssystemen in het verzoekende derde land, teneinde vast te stellen of de afgifte van de in het verzoek gespecificeerde certificaten, dienstboekjes of logboeken onderworpen is aan dezelfde vereisten als die welke in Richtlijn (EU) 2017/2397 zijn vastgesteld, is het onwaarschijnlijk dat de erkenningsprocedure vóór 17 januari 2022 wordt afgerond.

(4)

Om een soepele overgang te waarborgen naar het in artikel 10 van Richtlijn (EU) 2017/2397 bedoelde systeem voor de erkenning van documenten van derde landen, moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld waardoor derde landen de nodige tijd krijgen om hun vereisten in overeenstemming te brengen met die van de richtlijn, en de Commissie de gelegenheid heeft hun certificeringssystemen te beoordelen en zo nodig een uitvoeringshandeling vast te stellen op grond van artikel 10, lid 5, van die richtlijn. Die maatregelen zouden personen en marktdeelnemers die actief zijn in de binnenvaart ook rechtszekerheid bieden. In het licht van die doelstellingen moet de afsluitdatum voor documenten van derde landen die onder die overgangsmaatregelen vallen, worden vastgesteld aan de hand van de periode voor de omzetting van die richtlijn plus twee jaar.

(5)

Om samenhang te waarborgen met de overgangsmaatregelen die op grond van artikel 38 van Richtlijn (EU) 2017/2397 van toepassing zijn op de lidstaten, mogen de overgangsmaatregelen die van toepassing zijn op kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken die door derde landen zijn afgegeven en door de lidstaten worden erkend, niet van toepassing zijn na 17 januari 2032. Bovendien moet de erkenning van dergelijke kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken worden beperkt tot de binnenwateren van de Unie in de betrokken lidstaat.

(6)

Ter wille van de samenhang met de overgangsmaatregelen die van toepassing zijn op door de lidstaten afgegeven kwalificatiecertificaten, moet worden verduidelijkt dat, wat certificaten van derde landen betreft, de in artikel 10, lid 3, van Richtlijn (EU) 2017/2397 bedoelde eisen ook de in artikel 38, leden 1 en 3, van die richtlijn vastgestelde eisen voor de uitwisseling van bestaande certificaten omvatten.

(7)

Om vervoersondernemingen en werknemers in de binnenvaartsector juridische duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden, moet Richtlijn (EU) 2017/2397 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Overeenkomstig artikel 39, lid 4, van Richtlijn (EU) 2017/2397 zijn lidstaten waar de binnenvaart technisch niet mogelijk is, niet verplicht die richtlijn om te zetten. Die afwijking moet van overeenkomstige toepassing zijn op deze richtlijn.

(9)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vaststelling van overgangsmaatregelen voor de erkenning van certificaten van derde landen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(10)

Om de lidstaten in staat te stellen snel over te gaan tot omzetting van de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, moet zij in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn (EU) 2017/2397 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 10 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Onverminderd lid 2 van dit artikel zijn alle kwalificatiecertificaten, dienstboekjes of logboeken die zijn afgegeven overeenkomstig de nationale regelgeving van een derde land met daarin eisen die identiek zijn aan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld, met inbegrip van de eisen van artikel 38, leden 1 en 3, geldig op alle binnenwateren van de Unie, met inachtneming van de in de leden 4 en 5 van dit artikel vastgestelde procedure en voorwaarden.”.

2)

Aan artikel 38 wordt het volgende lid toegevoegd:

“7.   Tot en met 17 januari 2032 mogen de lidstaten kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken die vóór 18 januari 2024 door een derde land zijn afgegeven, blijven erkennen op basis van hun nationale voorschriften, of internationale overeenkomsten, die vóór 16 januari 2018 van toepassing waren. De erkenning is beperkt tot de binnenwateren op het grondgebied van de betrokken lidstaat.”.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 17 januari 2022 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

De in artikel 39, lid 4, van Richtlijn (EU) 2017/2397 vastgelegde afwijking is van overeenkomstige toepassing op de onderhavige richtlijn.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. LOGAR


(1)  PB C 220 van 9.6.2021, blz. 87.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 6 juli 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 juli 2021.

(3)  Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 53).

(4)  Richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 31).


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

30.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 274/55


BESLUIT (EU) 2021/1234 VAN DE RAAD

van 13 juli 2021

betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Thailand op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 met betrekking tot de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, punt a), i),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 15 juni 2018 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met het Koninkrijk Thailand over een overeenkomst met betrekking tot de wijziging van de concessies voor de in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

(2)

De onderhandelingen zijn afgesloten en op 7 januari 2021 vond de parafering plaats van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Thailand op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 met betrekking tot de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (“de overeenkomst”).

(3)

Overeenkomstig Besluit (EU) 2021/373 van de Raad (2) werd de overeenkomst ondertekend op 7 mei 2021.

(4)

De overeenkomst moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Thailand op grond van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) 1994 met betrekking tot de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie wordt namens de Unie goedgekeurd (3).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst, namens de Unie, de persoon aan die bevoegd is de in artikel 4, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving te verrichten (4).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

A. ŠIRCELJ


(1)  Goedkeuring verleend op 23 juni 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2021/373 van de Raad van 22 februari 2021 betreffende de ondertekening namens de Unie van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994, betreffende de wijziging van de concessies voor alle in EU-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (PB L 72 van 3.3.2021, blz. 1).

(3)  Zie bladzijde … van dit Publicatieblad.

(4)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.


30.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 274/57


OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN HET KONINKRIJK THAILAND OP GROND VAN ARTIKEL XXVIII VAN DE ALGEMENE OVEREENKOMST INZAKE TARIEVEN EN HANDEL (GATT) 1994, MET BETREKKING TOT DE WIJZIGING VAN DE CONCESSIES VOOR ALLE IN EU-LIJST CLXXV OPGENOMEN TARIEFCONTINGENTEN ALS GEVOLG VAN DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK UIT DE EUROPESE UNIE

DE EUROPESE UNIE, enerzijds,

en

EN HET KONINKRIJK THAILAND, anderzijds,

hierna gezamenlijk “de partijen” genoemd,

OVERWEGENDE dat de partijen de onderhandelingen uit hoofde van artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 met betrekking tot de wijziging van de concessies voor alle in EY-lijst CLXXV opgenomen tariefcontingenten als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, zoals meegedeeld aan de leden van de Wereldhandelsorganisatie (“WTO-leden”) in document G/SECRET/42/Add.2 succesvol hebben afgerond,

ZIJN ALS VOLGT OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doel

Deze overeenkomst heeft ten doel overeenstemming te bereiken over de verdeling van de hoeveelheden voor alle tariefcontingenten en de daaruit voortvloeiende kwantitatieve verbintenissen van de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk waarvoor het Koninkrijk Thailand uit hoofde van artikel XXVIII van de GATT 1994 onderhandelings- en raadplegingsrechten heeft, zoals gespecificeerd in de brief van de Europese Unie van 25 februari 2019.

Artikel 2

Beginsel en methodologie van de verdeling van de tariefcontingenten

Het Koninkrijk Thailand is het eens met het beginsel en de methode voor de verdeling van de kwantitatieve verbintenissen in de vorm van tariefcontingenten van de Europese Unie inclusief het Verenigd Koninkrijk, waarbij de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk een bepaalde hoeveelheid overneemt en het Verenigd Koninkrijk de resterende hoeveelheid.

Artikel 3

Tariefcontingenten van de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk

1.   De partijen zijn het eens over de in de laatste kolom van de bijlage bij deze overeenkomst vermelde hoeveelheid van bepaalde tariefcontingenten van de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk vanaf 1 januari 2021 of vanaf de datum waarop het Verenigd Koninkrijk niet meer onder lijst CLXXV van concessies en verbintenissen van de Europese Unie valt.

2.   Deze overeenkomst doet geen afbreuk aan onderhandelingen tussen de Europese Unie en andere WTO-leden met rechten uit hoofde van artikel XXVIII van de GATT 1994 met betrekking tot de betrokken tariefcontingenten erga omnes. De Europese Unie verbindt zich ertoe het Koninkrijk Thailand te raadplegen indien die onderhandelingen zouden leiden tot een wijziging van een in document G/SECRET/42/Add.2. vermeld aandeel.

3.   De bijlage bij deze overeenkomst vormt een integrerend deel van de overeenkomst

Artikel 4

Slotbepalingen

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag na de datum waarop de partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van hun interne procedures. Zij is van toepassing met ingang van die datum.

2.   Deze regeling vormt een overeenkomst tussen de partijen voor de toepassing van artikel XXVIII, lid 3, punten a) en b), van de GATT 1994.

3.   Deze overeenkomst wordt opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Съставено в Брюксел на седми май две хиляди двадесет и първа година.

Hecho en Bruselas, el siete de mayo de dos mil veintiuno.

V Bruselu dne sedmého května dva tisíce dvacet jedna.

Udfærdiget i Bruxelles den syvende maj to tusind og enogtyve.

Geschehen zu Brüssel am siebten Mai zweitausendeinundzwanzig.

Kahe tuhande kahekümne esimese aasta maikuu seitsmendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις εφτά Μαΐου δύο χιλιάδες είκοσι ένα.

Done at Brussels on the seventh day of May in the year two thousand and twenty one.

Fait à Bruxelles, le sept mai deux mille vingt et un.

Sastavljeno u Bruxellesu sedmog svibnja godine dvije tisuće dvadeset prve.

Fatto a Bruxelles, addì sette maggio duemilaventuno.

Briselē, divi tūkstoši divdesmit pirmā gada septītajā maijā.

Priimta du tūkstančiai dvidešimt pirmų metų gegužės septintą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-huszonegyedik év május havának hetedik napján.

Magħmul fi Brussell, fis-seba jum ta’ Mejju fis-sena elfejn u wieħed u għoxrin.

Gedaan te Brussel, zeven mei tweeduizend eenentwintig.

Sporządzono w Brukseli dnia siódmego maja roku dwa tysiące dwudziestego pierwszego.

Feito em Bruxelas, em sete de maio de dois mil e vinte e um.

Întocmit la Bruxelles la șapte mai două mii douăzeci și unu.

V Bruseli siedmeho mája dvetisícdvadsaťjeden.

V Bruslju, sedmega maja dva tisoč enaindvajset.

Tehty Brysselissä seitsemäntenä päivänä toukokuuta vuonna kaksituhattakaksikymmentäyksi.

Utfärdat i Bryssel den sjunde maj år tjugohundratjugoett.

Image 1


BIJLAGE

BIJLAGE: LIJST VAN EU-TARIEFCONTINGENTEN VOOR HET KONINKRIJK THAILAND NA DE TERUGTREKKING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK (VANAF 1 JANUARI 2021)

 

Nummer volgens EU-kennisgeving G/SECRET/42/Add.2

GS-code

Beschrijving

Huidige concessie in EU-lijst CLXXV (EU-28)

Land van levering

Definitieve concessie voor de EU(in ton)

1

029

0210 99 39

Gezouten vlees van pluimvee

92 610

Koninkrijk Thailand

81 968

2

052

0714 10 00

Maniokwortel

5 750 000

Koninkrijk Thailand

3 096 027

3

055

0714 20 90

Bataten (zoete aardappelen), andere dan voor menselijke consumptie

5 000

Andere dan China

4 985

4

074

1006 10

Padie

7

Erga omnes

5

5

075

1006 20

Gedopte (bruine) rijst of zilvervliesrijst

1 634

Erga omnes

1 416

6

076

1006 30

Halfwitte of volwitte rijst

63 000

Erga omnes

36 731

7

077

1006 30

Halfwitte of volwitte rijst

4 313

Koninkrijk Thailand

3 663

8

078

1006 30

Halfwitte of volwitte rijst

1 200

Koninkrijk Thailand

1 019

9

078

1006 30

Halfwitte of volwitte rijst

25 516

Erga omnes

22 442

10

079

1006 40 00

Breukrijst

1 000

Erga omnes

1 000

11

080

1006 40 00

Breukrijst

31 788

Erga omnes

26 581

12

081

1006 40 00

Breukrijst

100 000

Erga omnes

93 709

13

085

1108 14 00

Maniokzetmeel “cassave”

8 000

Erga omnes

6 632

14

086

1108 14 00

Maniokzetmeel “cassave”

2 000

Erga omnes

1 658

15

089

1602 32 11

Verwerkt vlees van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken, 57 of meer gewichtspercenten vlees of slachtafval, van pluimvee, bevattend

340

Andere dan Brazilië

236

16

090

1602 32 19

Gekookt of gebakken vlees van hanen of van kippen

160 033

Koninkrijk Thailand

53 866

17

091

1602 32 30

Verwerkt vlees van hanen of van kippen, 25 of meer doch minder dan 57 gewichtspercenten vlees of slachtafval, van pluimvee, bevattend

14 000

Koninkrijk Thailand

2 435

18

092

1602 32 90

Verwerkt vlees van hanen of van kippen, minder dan 25 gewichtspercenten vlees of slachtafval, van pluimvee, bevattend

2 100

Koninkrijk Thailand

1 940

19

093

1602 39 21

Verwerkt vlees van eenden, ganzen en parelhoenders, niet gekookt en niet gebakken, 57 of meer gewichtspercenten vlees of slachtafval, van pluimvee, bevattend

10

Koninkrijk Thailand

10

20

094

1602 39 29

Verwerkt vlees van eenden, ganzen en parelhoenders, gekookt of gebakken, 57 of meer gewichtspercenten vlees of slachtafval, van pluimvee, bevattend

13 500

Koninkrijk Thailand

8 572

21

095

1602 39 85

Verwerkt vlees van eenden, ganzen en parelhoenders, gekookt of gebakken, 25 of meer doch minder dan 57 gewichtspercenten vlees of slachtafval, van pluimvee, bevattend

600

Koninkrijk Thailand

300

22

096

1602 39 85

Verwerkt vlees van eenden, ganzen en parelhoenders, gekookt of gebakken, minder dan 25 gewichtspercenten vlees of slachtafval, van pluimvee, bevattend

600

Koninkrijk Thailand

278

23

105

1901 90 99

1904 30 00

1904 90 80

1905 90 20

Producten voor menselijke consumptie met granen

191

Erga omnes

191

24

106

1902 11 00

1902 19 10

1902 19 90

1902 20 91

1902 20 99

1902 30 10

1902 30 90

1902 40 10

1902 40 90

Deegwaren

532

Erga omnes

497

25

107

1905 90 10

1905 90 20

1905 90 30

1905 90 45

1905 90 55

1905 90 60

1905 90 90

Koekjes en biscuits

409

Erga omnes

409

26

005

0304 89 90

Vis van het geslacht Allocyttus en van de soort Pseudocyttus maculatus

200

Erga omnes

200

27

007

1604 20 50

Bereidingen en conserven van vis (andere dan geheel of in stukken): van sardines, van bonito (Sarda spp.), van makreel van de soorten Scomber scombrus en Scomber japonicus en van vis van de soort Orcynopsis unicolor

865

Erga omnes

631

28

008

1604 20 50

Bereidingen en conserven van vis (andere dan geheel of in stukken): van sardines, van bonito (Sarda spp.), van makreel van de soorten Scomber scombrus en Scomber japonicus en van vis van de soort Orcynopsis unicolor

1 410

Koninkrijk Thailand

423

29

009

1604 20 70

Bereidingen en conserven van vis (andere dan geheel of in stukken): van tonijn, van boniet en van andere vis van het geslacht Euthynnus

742

Erga omnes

742

30

010

1604 20 70

Bereidingen en conserven van vis (andere dan geheel of in stukken): van tonijn, van boniet en van andere vis van het geslacht Euthynnus

1 816

Koninkrijk Thailand

1 816

31

011

1605 21 10

Bereidingen en conserven van garnalen, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van ≤ 2 kg (niet slechts gerookt, niet in luchtdichte verpakkingen)

500

Erga omnes

474

 

 

1605 21 90

Bereidingen en conserven van garnalen, in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van > 2 kg (m.u.v. slechts gerookte en in luchtdichte verpakkingen)

 

 

 

 

 

1605 29 00

Bereidingen en conserven van garnalen, in luchtdichte verpakkingen (niet gerookt)