ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 243

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
9 juli 2021


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet)

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1120 van de Commissie van 8 juli 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1121 van de Commissie van 8 juli 2021 tot nadere vaststelling van de details van de door de lidstaten in te dienen statistische gegevens over controles van de veiligheid en conformiteit van producten die de markt van de Unie binnenkomen ( 1 )

37

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1122 van de Commissie van 8 juli 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 waarbij de Norwegian Interbank Offered Rate wordt toegevoegd aan en de London Interbank Offered Rate wordt verwijderd van de lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks die op grond van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad is vastgesteld ( 1 )

39

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1123 van de Commissie van 8 juli 2021 tot opschorting van de handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika die bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 zijn ingesteld naar aanleiding van de uitspraak in een handelsgeschil in het kader van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie

43

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2021/1124 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 7 juli 2021 tot benoeming van twee rechters en twee advocaten-generaal bij het Hof van Justitie

45

 

*

Besluit (EU) 2021/1125 van de Commissie van 8 juli 2021 tot weigering het aan een recept onderworpen geneesmiddel Zinc-D-gluconate op te nemen in de lijst van geneesmiddelen waarop de in artikel 54, punt o), van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad bedoelde veiligheidskenmerken niet worden aangebracht ( 1 )

47

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1126 van de Commissie van 8 juli 2021 houdende vaststelling van de gelijkwaardigheid van de door Zwitserland afgegeven COVID-19-certificaten aan de overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad afgegeven certificaten ( 1 )

49

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/1


VERORDENING (EU) 2021/1119 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 30 juni 2021

tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De existentiële dreiging van de klimaatverandering vereist meer ambitie en meer klimaatactie van de Unie en de lidstaten. De Unie verplicht zich ertoe haar inspanningen ter bestrijding van de klimaatverandering op te voeren en resultaten te boeken met betrekking tot de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, die gesloten is in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”) (4), aangestuurd door de principes van deze overeenkomst en op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke kennis, in de context van de temperatuurdoelstelling op lange termijn van de Overeenkomst van Parijs.

(2)

De Commissie heeft in haar mededeling van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (de “Europese Green Deal”) een nieuwe groeistrategie uitgezet die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving, met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. De Europese Green Deal moet ook het natuurlijk kapitaal van de Unie beschermen, behouden en verbeteren, en de gezondheid en het welzijn van de burgers beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en effecten. Deze transitie moet bovendien rechtvaardig en inclusief zijn: niemand mag achterblijven.

(3)

Het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) van 2018 over de gevolgen van de opwarming van de aarde met 1,5 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus en daarmee verband houdende mondiale broeikasgasemissietrajecten biedt, in de context van een krachtigere mondiale respons op de bedreiging van de klimaatverandering, duurzame ontwikkeling en de inspanningen voor het uitbannen van armoede, een sterke wetenschappelijke basis voor het aanpakken van de klimaatverandering en illustreert de noodzaak om de klimaatactie snel op te voeren en de transitie naar een klimaatneutrale economie voort te zetten. In dat verslag wordt bevestigd dat de emissie van broeikasgassen dringend moet worden verminderd en dat de klimaatopwarming tot 1,5 °C moet worden beperkt, met name om de kans op extreme weersomstandigheden en het bereiken van een kantelpunt te verkleinen. In zijn Global Assessment Report on Biodiversity and Ecosystem Services van 2019 heeft Intergouvernementeel Platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) aangetoond dat de biodiversiteit er wereldwijd op achteruitgaat, waarbij klimaatverandering de op twee na belangrijkste oorzaak van het verlies van biodiversiteit is.

(4)

Een vaste langetermijndoelstelling is van cruciaal belang om bij te dragen tot de economische en maatschappelijke transformatie, hoogwaardige werkgelegenheid, duurzame groei en de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, en om op rechtvaardige, sociaal evenwichtige, billijke en kosteneffectieve wijze de temperatuurdoelstelling voor de lange termijn van de Overeenkomst van Parijs te realiseren.

(5)

Het is nodig de toenemende klimaatgerelateerde risico’s voor de gezondheid aan te pakken, onder meer de frequentere en intensere hittegolven, bosbranden en overstromingen, de bedreigingen voor de voedsel- en waterveiligheid en voor de zekerheid van de voedsel- en watervoorziening, en de opkomst en verspreiding van infectieziekten. Zoals aangekondigd in haar mededeling van 24 februari 2021 met als titel “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” heeft de Commissie een Europese waarnemingspost voor klimaat en gezondheid opgericht in het kader van het Europees platform voor de aanpassing aan de klimaatverandering Climate-Adapt, om de bedreigingen voor de gezondheid als gevolg van de klimaatverandering beter te begrijpen, erop te anticiperen en ze tot een minimum terug te dringen.

(6)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die worden erkend door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 37, waar voorgeschreven wordt dat een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu moeten worden geïntegreerd in het beleid van de Unie overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

(7)

Klimaatactie moet een kans bieden aan alle sectoren van de economie in de Unie om te helpen hun leidinggevende positie op het gebied van mondiale innovatie veilig te stellen. Door het regelgevingskader van de Unie en de inspanningen die worden geleverd door de industrie is het mogelijk economische groei los te koppelen van broeikasgasemissies. Zo is de uitstoot van broeikasgassen door de Unie tussen 1990 en 2019 met 24 %verminderd, terwijl de economie in dezelfde periode met 60 % is gegroeid. Zonder afbreuk te doen aan bindende wetgeving en andere initiatieven die op Unieniveau worden vastgesteld, moeten alle sectoren van de economie, met inbegrip van energie, industrie, transport, verwarming en koeling en gebouwen, landbouw, afval en landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw, en ongeacht of deze sectoren vallen onder het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (“EU-ETS”), een rol spelen en mee bijdragen aan de verwezenlijking van klimaatneutraliteit binnen de Unie uiterlijk in 2050. Om de betrokkenheid van alle economische actoren te vergroten moet de Commissie sectorspecifieke klimaatdialogen en partnerschappen vergemakkelijken, door de essentiële belanghebbenden op inclusieve en representatieve wijze samen te brengen, om de sectoren aan te moedigen zelf indicatieve vrijwillige routekaarten te ontwerpen en hun transitie naar de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 te plannen. Dergelijke routekaarten kunnen een waardevolle bijdrage leveren als hulp aan de sectoren bij de planning van de nodige investeringen voor de transitie naar een klimaatneutrale economie en kunnen ook dienen ter versterking van de sectorale betrokkenheid voor het nastreven van klimaatneutrale oplossingen. Dergelijke routekaarten kunnen ook een aanvulling vormen op bestaande initiatieven, zoals de Europese alliantie voor batterijen en de Europese alliantie voor schone waterstof, die industriële samenwerking in het kader van de transitie naar klimaatneutraliteit ondersteunen.

(8)

De Overeenkomst van Parijs omvat met name in artikel 2, lid 1, punt a), een temperatuurdoelstelling op lange termijn en heeft als doel de wereldwijde reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken door het vermogen te vergroten tot aanpassing aan de nadelige gevolgen van de klimaatverandering als bepaald in artikel 2, lid 1, punt b), van de overeenkomst, en door geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme en klimaatveerkrachtige ontwikkeling als bepaald in artikel 2, lid 1, punt c), van de overeenkomst. Als algemeen kader voor de bijdrage van de Unie aan de Overeenkomst van Parijs moet deze verordening ervoor zorgen dat zowel de Unie als de lidstaten bijdragen aan de wereldwijde reactie op de klimaatverandering als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs.

(9)

Met de klimaatactie van de Unie en de lidstaten moet ernaar worden gestreefd de mensheid, de planeet, het welzijn, de welvaart, de economie, de gezondheid, de voedselsystemen, de integriteit van ecosystemen en de biodiversiteit te beschermen tegen de dreiging van de klimaatverandering, in het kader van de Agenda 2030 van de Verenigde Naties voor duurzame ontwikkeling en met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; het klimaatbeleid heeft eveneens tot doel de welvaart te maximaliseren binnen de grenzen van onze planeet en de veerkracht te vergroten en de kwetsbaarheid van de samenleving voor de klimaatverandering verminderen. Tegen deze achtergrond moeten de acties van de Unie en de lidstaten gestuurd worden door het voorzorgsbeginsel en het beginsel “de vervuiler betaalt”, die zijn vastgesteld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en moeten zij ook rekening houden met het beginsel van “energie-efficiëntie eerst” en het “niet schaden”-principe van de Europese Green Deal.

(10)

Alle economische sectoren waarvoor emissies of verwijderingen van broeikasgassen zijn geregeld in het recht van de Unie moeten bijdragen aan de verwezenlijking van klimaatneutraliteit.

(11)

Aangezien energieproductie en -consumptie van belang zijn voor het niveau van broeikasgasemissies, is het essentieel om te zorgen voor een transitie naar een veilig, duurzaam, betaalbaar en zeker energiesysteem, dat steunt op de invoering van hernieuwbare energiebronnen, een goed functionerende interne energiemarkt en een verbetering van de energie-efficiëntie, terwijl de energiearmoede wordt teruggedrongen. Ook de digitale transformatie, technologische innovatie en onderzoek en ontwikkeling zijn belangrijke drijfveren voor de verwezenlijking van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit.

(12)

De Unie beschikt over een regelgevingskader voor de verwezenlijking van de broeikasgasemissiereductiedoelstelling voor 2030 die is overeengekomen in 2014, vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst van Parijs. Dat kader bestaat onder meer uit Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (5), waarbij het EU-ETS is ingesteld, Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (6), waarbij nationale broeikasgasemissiereductiedoelen voor 2030 zijn ingevoerd, en Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (7), krachtens welke de lidstaten verplicht zijn de broeikasgasemissies en -verwijderingen in de sector van het landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw met elkaar in evenwicht brengen.

(13)

Het EU-ETS is een hoeksteen van het klimaatbeleid van de Unie en vormt het centrale instrument ervan om broeikasgasemissies op kosteneffectieve wijze te verminderen.

(14)

De Commissie heeft in haar mededeling van 28 november 2018 getiteld “Een schone planeet voor iedereen — Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie” een visie gepresenteerd om uiterlijk in 2050 de netto broeikasgasemissies in de Unie tot nul te herleiden via een sociaal rechtvaardige en kostenefficiënte transitie.

(15)

De Unie streeft met het pakket “Schone energie voor alle Europeanen” van 30 november 2016 naar een ambitieuze decarbonisatieagenda, met name door een robuuste energie-unie tot stand te brengen, met inbegrip van de 2030-doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie en de inzet van hernieuwbare energie in de Richtlijnen 2012/27/EU (8) en (EU) 2018/2001 (9) van het Europees Parlement en de Raad, en door de relevante wetgeving te versterken, waaronder Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad (10).

(16)

De Unie is wereldwijd koploper in de transitie naar klimaatneutraliteit, en zij is vastbesloten te helpen bij het verhogen van de ambitie op mondiaal niveau en het wereldwijde optreden tegen de klimaatverandering te versterken, met gebruikmaking van alle instrumenten waarover zij beschikt, met inbegrip van klimaatdiplomatie.

(17)

De Unie moet haar klimaatactie en internationaal leiderschap inzake klimaat ook na 2050 voortzetten om de mensheid en de planeet te beschermen tegen de dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering, met het oog op de verwezenlijking van de in de Overeenkomst van Parijs vastgestelde temperatuurdoelstelling op lange termijn en overeenkomstig de wetenschappelijke beoordelingen van de IPCC, het IPBES en de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering, alsmede de beoordelingen van andere internationale organen.

(18)

Het risico van koolstoflekkage blijft bestaan bij de internationale partners die niet dezelfde normen inzake klimaatbescherming hanteren als de Unie. De Commissie wil daarom een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie aan de grens voorstellen voor specifieke sectoren, om dit risico te verminderen op een manier die verenigbaar is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie. Voorts is het belangrijk effectieve beleidsstimulansen te handhaven ter ondersteuning van technologische oplossingen en innovaties die de transitie naar een concurrerende klimaatneutrale economie van de Unie mogelijk maken, waarbij tegelijk gezorgd wordt voor investeringszekerheid.

(19)

Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal gepleit voor de noodzakelijke transitie naar een klimaatneutrale samenleving uiterlijk in 2050, heeft gevraagd hiervan een Europees succesverhaal te maken, en heeft in zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu een noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu afgekondigd. Het Parlement heeft de Unie er ook herhaaldelijk toe opgeroepen haar klimaatdoelstelling voor 2030 aan te scherpen en de aangescherpte doelstelling op te nemen in deze verordening. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 12 december 2019 zijn goedkeuring gehecht aan de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale Unie te verwezenlijken, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en heeft daarbij erkend dat een gunstig kader tot stand moet worden gebracht dat ten goede komt aan alle lidstaten en dat adequate instrumenten, stimulansen, steun en investeringen omvat om een kostenefficiënte, rechtvaardige en tevens sociaal evenwichtige en billijke transitie waarborgen, waarbij voor het startpunt rekening moet worden gehouden met de verschillende nationale omstandigheden. De Europese Raad heeft ook opgemerkt dat voor de transitie aanzienlijke publieke en particuliere investeringen nodig zullen zijn. Op 6 maart 2020 heeft de Unie haar langetermijnstrategie voor een op lage uitstoot van broeikasgassen gebaseerde ontwikkeling en, op 17 december 2020, haar nationaal bepaalde bijdrage ingediend bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), na de goedkeuring ervan door de Raad.

(20)

De Unie moet ernaar streven om uiterlijk in 2050 de antropogene emissies per bron en de verwijderingen per put van broeikasgassen in de hele economie van de Unie met elkaar in evenwicht te brengen en, in voorkomend geval, daarna tot negatieve emissies te komen. Deze doelstelling moet emissies en verwijderingen van broeikasgassen in de hele Unie omvatten die in het Unierecht geregeld zijn. Het moet mogelijk zijn dergelijke emissies en verwijderingen aan te pakken in de context van de evaluatie van de toepasselijke klimaat- en energiewetgeving. Ook natuurlijke en technologische oplossingen kunnen worden aangemerkt als put, zoals vermeld in de broeikasgasinventarissen van de Unie bij het UNFCCC. Oplossingen die gebaseerd zijn op koolstofafvang en -opslag (carbon capture and storage — CCS) en koolstofafvang en -gebruik (carbon capture and use — CCU), kunnen een rol spelen bij de decarbonisatie, met name voor de mitigatie van procesemissies in de industrie, voor de lidstaten die deze technologie kiezen. De doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie tot stand te brengen, moet door de lidstaten gezamenlijk nagestreefd worden, en de lidstaten, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie moeten de nodige maatregelen nemen om de verwezenlijking ervan mogelijk te maken. De maatregelen op Unieniveau zullen een belangrijk deel uitmaken van de vereiste maatregelen om het doel te verwezenlijken.

(21)

In zijn conclusies van 8 en 9 maart 2007 en van 23 en 24 oktober 2014 heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan respectievelijk de broeikasgasemissiereductiedoelstelling van de Unie voor 2020 en het beleidskader voor klimaat en energie voor 2030. De bepalingen van deze verordening betreffende de vaststelling van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 laten de rol van de Europese Raad, zoals vastgelegd in de Verdragen, onverlet bij het bepalen van de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten van de Unie voor de ontwikkeling van het klimaatbeleid van de Unie.

(22)

Koolstofputten spelen een essentiële rol in de transitie naar klimaatneutraliteit in de Unie, en met name de landbouw-, de bosbouw- en de landgebruiksector leveren in deze context een belangrijke bijdrage. Als aangekondigd in haar mededeling van 20 mei 2020 getiteld “Een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem” zal de Commissie in het komende initiatief inzake koolstoflandbouw een nieuw groen bedrijfsmodel bevorderen om landbeheerders te belonen voor broeikasgasemissiereducties en koolstofverwijderingen. Voorts heeft de Commissie zichzelf er in haar mededeling van 11 maart 2020 getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie — Voor een schoner en concurrerender Europa” toe verplicht een regelgevingskader te ontwikkelen voor de certificering van de verwijdering van koolstof op basis van robuuste en transparante koolstofboekhouding om de echtheid van de verwijderingen van koolstof te monitoren en te verifiëren, waarbij ervoor wordt gezorgd dat er geen negatieve gevolgen zijn voor het milieu, met name voor de biodiversiteit, voor de volksgezondheid of voor sociale of economische doelstellingen.

(23)

Herstel van ecosystemen zou ertoe bijdragen dat natuurlijke koolstofputten worden behouden, beheerd en verbeterd en zou de biodiversiteit bevorderen waardoor de klimaatverandering wordt bestreden. Voorts draagt de drievoudige rol van bossen, namelijk als koolstofputten, -opslag en -vervanging, bij aan de vermindering van broeikasgassen in de atmosfeer, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat bossen blijven groeien en vele andere diensten bieden.

(24)

Wetenschappelijke expertise en het beste beschikbare, actuele bewijs zijn, samen met informatie over de klimaatverandering die zowel feitelijk als transparant is, een absolute vereiste en moeten de basis vormen van de klimaatactie en inspanningen van de Unie om klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 te realiseren. Er moet een Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering worden opgericht (de “adviesraad”) om als referentie te dienen inzake wetenschappelijke kennis met betrekking tot de klimaatverandering op grond van zijn onafhankelijkheid en wetenschappelijke en technische expertise. De adviesraad moet de werkzaamheden aanvullen van het Europees Milieuagentschap (EMA), waarbij het bij de uitoefening van zijn taken onafhankelijk optreedt. Bij zijn opdracht moet overlapping met de opdracht van het IPCC op internationaal niveau worden vermeden. Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad (11) moet daarom worden gewijzigd om de adviesraad op te richten. Nationale adviesorganen voor het klimaat kunnen een belangrijke rol spelen bij, onder meer, het verstrekken van deskundig wetenschappelijk advies met betrekking tot het klimaatbeleid aan de bevoegde nationale instanties, overeenkomstig de voorschriften van de betrokken lidstaat in de lidstaten waar deze bestaan. De lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, worden daarom opgeroepen een nationaal adviesorgaan voor het klimaat op te richten.

(25)

Voor de transitie naar klimaatneutraliteit zijn veranderingen in het gehele beleidsspectrum en een collectieve inspanning van alle sectoren van de economie en de samenleving vereist, zoals benadrukt in de Europese Green Deal. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 12 december 2019 verklaard dat alle relevante wetgeving en beleidsinstrumenten van de Unie moeten stroken met en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit, en dat een gelijk speelveld verzekerd moet zijn; ook heeft de Raad de Commissie verzocht om na te gaan of daarvoor een aanpassing van de bestaande regels vereist is.

(26)

Zoals aangekondigd in de Europese Green Deal heeft de Commissie een beoordeling gemaakt van de broeikasgasemissiereductiedoelen van de Unie voor 2030, in haar mededeling van 17 september 2020 met als titel “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal”. De Commissie deed dit op basis van een uitgebreide effectbeoordeling en rekening houdend met haar analyse van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (12) bij haar zijn ingediend. In het licht van de doelstelling van klimaatneutraliteit voor 2050 moeten de broeikasgasemissies uiterlijk in 2030 worden verminderd en de broeikasgasverwijderingen worden verbeterd, zodat de netto broeikasgasemissies, dat wil zeggen emissies na aftrek van de verwijderingen, in de hele economie, op het niveau van de Unie uiterlijk in 2030 ten minste 55 % minder zijn dan de niveaus in 1990. De Europese Raad heeft die doelstelling in zijn conclusies van 10 en 11 december 2020 onderschreven. Hij heeft tevens initiële richtsnoeren gegeven voor de uitvoering ervan. Deze nieuwe klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 is een vervolgdoelstelling voor de toepassing van artikel 2, punt 11, van Verordening (EU) 2018/1999 en vervangt derhalve de in dat punt vastgelegde Uniebrede doelstelling voor broeikasgasemissies voor 2030. Daarnaast moet de Commissie uiterlijk op 30 juni 2021 beoordelen hoe de Uniewetgeving ter uitvoering van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 gewijzigd zou moeten worden om dergelijke netto-emissiereducties te verwezenlijken. Met het oog hierop heeft de Commissie een herziening aangekondigd van de desbetreffende klimaat- en energiewetgeving, die zal worden vastgesteld in een pakket dat onder andere betrekking heeft op hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie, landgebruik, energiebelasting, CO2-emissieprestatienormen voor lichte bedrijfsvoertuigen, een verdeling van de inspanningen en het EU ETS.

De Commissie is voornemens de effecten te beoordelen van de invoering van bijkomende maatregelen van de Unie die een aanvulling kunnen vormen op bestaande maatregelen, zoals marktgebaseerde maatregelen die een sterk solidariteitsmechanisme omvatten.

(27)

Volgens de beoordelingen van de Commissie resulteren de bestaande toezeggingen op grond van artikel 4 van Verordening (EU) 2018/841 in een netto-koolstofput van 225 miljoen ton CO2-equivalent in 2030. Om ervoor te zorgen dat voldoende mitigatie-inspanningen worden geleverd tot 2030 is het passend de bijdrage van de nettoverwijderingen aan de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 te beperken tot dat niveau. Dit laat de evaluatie van de desbetreffende wetgeving van de Unie om de verwezenlijking van de doelstelling mogelijk te maken onverlet.

(28)

De uitgaven in het kader van de begroting van de Unie en het bij Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad (13) vastgestelde herstelinstrument voor de Europese Unie dragen bij aan de realisatie van klimaatdoelstellingen, door minstens 30 % van het totale bedrag van de uitgaven te bestemmen voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen, op basis van een effectieve methodologie en in overeenstemming met de sectorale wetgeving.

(29)

In het licht van de doelstelling om klimaatneutraliteit te verwezenlijken uiterlijk in 2050 en gezien de internationale verplichtingen op grond van de Overeenkomst van Parijs moeten voortdurende inspanningen worden geleverd om de uitfasering te garanderen van energiesubsidies die onverenigbaar zijn met deze doelstelling, met name voor fossiele brandstoffen, zonder dat dit gevolgen mag hebben voor de inspanningen voor het terugdringen van de energiearmoede.

(30)

Om te zorgen voor vertrouwen en voorspelbaarheid voor alle economische actoren, met inbegrip van ondernemingen, werknemers, investeerders en consumenten, om te zorgen voor een geleidelijke reductie in de tijd van de broeikasgasemissies en om te waarborgen dat de transitie naar klimaatneutraliteit onomkeerbaar is, moet de Commissie, als nodig, uiterlijk zes maanden na de eerste wereldwijde evaluatie (“global stocktake”) in het kader van de Overeenkomst van Parijs een tussentijdse klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 voorstellen. De Commissie kan voorstellen doen om de tussentijdse doelstelling te herzien, rekening houdend met de conclusies van de beoordelingen van de vooruitgang en de maatregelen van de Unie en van nationale maatregelen, alsook met de conclusies van de “global stocktake” en van internationale ontwikkelingen, onder meer inzake gemeenschappelijke termijnen voor nationaal bepaalde bijdragen. De Commissie moet bij het opstellen van haar wetgevingsvoorstel voor de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040, als een instrument voor het vergroten van de transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van het klimaatbeleid van de Unie, de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie voor de periode 2030-2050 publiceren, gedefinieerd als het indicatieve totale volume aan nettobroeikasgasemissies die naar verwachting in die periode zullen worden uitgestoten zonder de verbintenissen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs in gevaar te brengen, alsook de methodologie die aan die indicatieve begroting ten grondslag ligt.

(31)

Aanpassing is een essentieel onderdeel van het mondiale antwoord op lange termijn op de klimaatverandering. De negatieve effecten van de klimaatverandering kunnen mogelijk het aanpassingsvermogen van de lidstaten te boven gaan. De lidstaten en de Unie moeten daarom hun aanpassingsvermogen vergroten, hun veerkracht versterken en hun kwetsbaarheid voor de klimaatverandering verminderen, zoals bepaald in artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs, en de gemeenschappelijke baten met andere beleidsinstrumenten en wetgeving maximaliseren. De Commissie moet een Uniestrategie inzake aanpassing aan de klimaatverandering vaststellen die strookt met de Overeenkomst van Parijs. De lidstaten moeten alomvattende nationale aanpassingsstrategieën en -plannen vaststellen die gebaseerd zijn op degelijke klimaatveranderings- en kwetsbaarheidsanalyses, voortgangsbeoordelingen en -indicatoren, en met het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs als leidraad. De Unie moet streven naar een gunstig regelgevingsklimaat voor het nationale beleid en de nationale maatregelen van de lidstaten voor aanpassing aan klimaatverandering. Het verbeteren van de klimaatveerkracht en van het adaptatievermogen voor klimaatverandering vereist gedeelde inspanningen van alle sectoren van de economie en de samenleving, alsmede beleidscoherentie en consistentie in alle relevante wetgeving en beleidsmaatregelen.

(32)

De ecosystemen, mensen en economieën in alle regio’s van de Unie zullen het hoofd moeten bieden aan ernstige gevolgen van de klimaatverandering, zoals extreme hitte, overstromingen, droogte, waterschaarste, zeespiegelstijging, smeltende gletsjers, bosbranden, windworp en landbouwverliezen. Recente extreme gebeurtenissen hebben al aanzienlijke gevolgen gehad voor ecosystemen, en hebben de capaciteit inzake koolstofvastlegging en -opslag van bossen en landbouwgrond aangetast. Een verbetering van het adaptatievermogen en van de veerkracht, rekening houdend met de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, helpt om de gevolgen van de klimaatverandering tot een minimum te beperken, om de onvermijdelijke gevolgen ervan op sociaal evenwichtige wijze aan te pakken en om de levensomstandigheden in de getroffen gebieden te verbeteren. Een vroegtijdige voorbereiding op dergelijke gevolgen is kosteneffectief en kan ook aanzienlijke nevenvoordelen opleveren voor de ecosystemen, de gezondheid en de economie. Met name “building with nature” oplossingen kunnen de mitigatie van en de adaptatie aan de klimaatverandering en de bescherming van de biodiversiteit ten goede komen.

(33)

In de relevante programma’s die zijn ingesteld in het kader van het meerjarig financieel kader is voorzien in de screening van projecten om ervoor te zorgen dat zij bestand zijn tegen de mogelijke nadelige gevolgen van klimaatverandering door middel van een beoordeling van de kwetsbaarheid in verband met het klimaat en het klimaatrisico, onder meer door middel van relevante aanpassingsmaatregelen, en zij de kosten van de broeikasgasemissies en de positieve effecten van de maatregelen ter mitigatie van de klimaatverandering integreren in de kosten-batenanalyse. Dit draagt bij aan de integratie van de aan de klimaatverandering gerelateerde risico’s, alsook aan de beoordelingen van de kwetsbaarheid voor en de aanpassing aan de klimaatverandering in de investerings- en planningsbesluiten die worden genomen in het kader van de begroting van de Unie.

(34)

Bij het nemen van de relevante maatregelen op nationaal en Unieniveau om de doelstelling inzake klimaatneutraliteit te verwezenlijken, moeten de lidstaten, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie onder andere rekening houden met: de mate waarin de transitie naar klimaatneutraliteit bijdraagt aan de volksgezondheid, de milieukwaliteit, het welzijn van de burgers, de welvaart van de samenleving, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen van de economie; de energietransitie, een grotere energiezekerheid en het aanpakken van energiearmoede; voedselzekerheid en -betaalbaarheid; de ontwikkeling van duurzame en slimme mobiliteit en transportsystemen; een rechtvaardige verdeling en solidariteit tussen de lidstaten, in het licht van hun economische draagkracht, nationale omstandigheden, zoals de specifieke kenmerken van eilanden, en de noodzaak van convergentie in de loop van de tijd; de noodzaak van een billijke en sociaal rechtvaardige transitie door middel van passende onderwijs- en opleidingsprogramma’s; het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, in het bijzonder de conclusies van de IPCC; de noodzaak om bij het nemen van beslissingen over investeringen en planning rekening te houden met de risico’s in verband met de klimaatverandering; kosteneffectiviteit en technologische neutraliteit bij het verlagen van de broeikasgasemissies en het verbeteren van de verwijdering van broeikasgassen en bij het vergroten van de veerkracht; en vooruitgang op het gebied van milieu-integriteit en ambitieniveau.

(35)

Zoals aangegeven in de Europese Green Deal, heeft de Commissie op 9 december 2020 een mededeling vastgesteld met als titel “Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit — Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst”. De strategie bevat een routekaart voor een duurzame en slimme toekomst voor het Europees vervoer, met een actieplan om uiterlijk in 2050 de emissies van de vervoerssector met 90 % te verminderen.

(36)

Om ervoor te zorgen dat de Unie en de lidstaten op koers blijven om de doelstelling inzake klimaatneutraliteit te verwezenlijken en vooruitgang te boeken op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering, moet de Commissie regelmatig de vooruitgang beoordelen, voortbouwend op informatie als beschreven in deze verordening, met inbegrip van in het kader van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende en gerapporteerde gegevens. Om een tijdige voorbereiding van de in artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs bedoelde “global stocktake” mogelijk te maken, moeten de conclusies van deze beoordeling vanaf 2023 om de vijf jaar uiterlijk op 30 september worden bekendgemaakt. Dit houdt in dat de verslagen uit hoofde van artikel 29, lid 5, en artikel 35 van die verordening en, in de toepasselijke jaren, de desbetreffende verslagen uit hoofde van artikel 29, lid 1, en artikel 32 tegelijk met de conclusies van die beoordeling aan het Europees Parlement en de Raad moeten worden voorgelegd. Indien de collectieve vooruitgang van de lidstaten met betrekking tot klimaatneutraliteit of aanpassing aan de klimaatverandering onvoldoende is, of dat maatregelen van de Unie niet stroken met de doelstelling inzake klimaatneutraliteit of ontoereikend zijn om het vermogen tot aanpassing te vergroten, de veerkracht te versterken of de kwetsbaarheid te verminderen, moet de Commissie de nodige maatregelen overeenkomstig de Verdragen nemen. De Commissie moet ook regelmatig de relevante nationale maatregelen beoordelen, en aanbevelingen doen indien zij vaststelt dat maatregelen van een lidstaat niet stroken met de doelstelling inzake klimaatneutraliteit of ontoereikend zijn om het vermogen tot aanpassing te vergroten, de veerkracht te versterken en de kwetsbaarheid voor de klimaatverandering te verminderen.

(37)

De Commissie moet zorgen voor een solide en objectieve beoordeling op basis van de meest actuele wetenschappelijke, technische en sociaal-economische conclusies, waarin een pluriforme, onafhankelijke expertise is vertegenwoordigd, en moet haar beoordeling baseren op relevante informatie, met inbegrip van door de lidstaten ingediende en gerapporteerde gegevens, verslagen van het EMA, de adviesraad en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie, het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de laatste verslagen van de IPCC, het IPBES en andere internationale organen, evenals de aardobservatiegegevens verstrekt in het kader van het Europees programma voor aardobservatie Copernicus. De Commissie moet haar beoordelingen verder baseren op een indicatief, lineair traject dat, indien vastgesteld, de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en 2040 koppelt aan de doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit en dient als indicatief instrument voor het ramen en evalueren van de collectieve vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit van de Unie. Het indicatieve lineaire traject doet geen afbreuk aan een eventueel besluit om een klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 vast te stellen. Aangezien de Commissie zich er zelf toe verbonden heeft na te gaan hoe de EU-taxonomie in het kader van de Europese Green Deal door de publieke sector kan worden gebruikt, moet deze beoordeling informatie omvatten over ecologisch duurzame beleggingen, door de Unie of door lidstaten, die strookt met Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (14), zodra deze informatie beschikbaar is. De Commissie moet waar mogelijk gebruikmaken van Europese en globale statistieken en gegevens, en moet voorzien in toetsing door deskundigen. Voor zover dit passend is en in overeenstemming is met zijn jaarlijks werkprogramma, moet het EMA de Commissie bijstaan.

(38)

Aangezien burgers en gemeenschappen een belangrijke rol spelen in het aansturen van de transitie naar klimaatneutraliteit, moet een krachtig publiekelijk en maatschappelijk engagement voor klimaatactie worden aangemoedigd en bevorderd op alle niveaus, waaronder op nationaal, regionaal en lokaal niveau in een inclusief en toegankelijk proces. De Commissie moet daarom met alle geledingen van de samenleving in gesprek gaan, met inbegrip van belanghebbenden die verschillende sectoren van de economie vertegenwoordigen, teneinde iedereen de mogelijkheid en de gelegenheid te geven om actie te ondernemen met het oog op een klimaatneutrale en klimaatbestendige samenleving, onder meer door het Europees klimaatpact te lanceren.

(39)

In lijn met de inspanningen van de Commissie met betrekking tot de beginselen van beter wetgeven, moet worden gestreefd naar samenhang in de instrumenten van de Unie voor broeikasgasemissiereductie. Het systeem om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit te meten en om de samenhang van de daartoe genomen maatregelen te beoordelen, moet voortbouwen op en stroken met het in Verordening (EU) 2018/1999 vastgelegde governancekader, waarbij rekening moet worden gehouden met alle vijf de dimensies van de energie-unie. Met name het systeem van regelmatige rapportering en de volgorde van de beoordelingen en maatregelen van de Commissie op basis van die rapportering, moeten afgestemd worden op de in Verordening (EU) 2018/1999 vastgelegde vereisten voor de lidstaten om informatie te verstrekken en verslagen in te dienen. Verordening (EU) 2018/1999 moet derhalve worden gewijzigd om de doelstelling inzake klimaatneutraliteit in de betreffende bepalingen op te nemen.

(40)

Klimaatverandering is per definitie een grensoverschrijdende uitdaging en een gecoördineerd optreden op het niveau van de Unie is bijgevolg nodig om de nationale beleidsinstrumenten effectief aan te vullen en te versterken. Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de totstandbrenging van klimaatneutraliteit in de Unie uiterlijk in 2050, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

In deze verordening wordt een kader vastgesteld voor de onomkeerbare en geleidelijke reductie van antropogene broeikasgasemissies per bron, en de verbetering van verwijderingen per put van broeikasgassen, die in het Unierecht worden geregeld.

Deze verordening bevat een bindende doelstelling inzake klimaatneutraliteit in de Unie uiterlijk in 2050 met het oog op het halen van de temperatuurdoelstelling op lange termijn die is vastgesteld in artikel 2, lid 1, punt a), van de Overeenkomst van Parijs, en biedt een kader om vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de in artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs vastgestelde mondiale doelstelling inzake aanpassing aan de klimaatverandering. Deze verordening bevat ook een bindende klimaatdoelstelling op Unieniveau voor de nettoreductie van broeikasgasemissies in de Unie voor 2030.

Deze verordening is van toepassing op antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van de in deel 2 van bijlage V bij Verordening (EU) 2018/1999 vermelde broeikasgassen.

Artikel 2

Doelstelling inzake klimaatneutraliteit

1.   De in het Unierecht geregelde emissies en verwijderingen van broeikasgassen in de hele Unie zijn uiterlijk in 2050 binnen de Unie in evenwicht, zodat de netto-uitstoot tegen die datum tot nul kan worden herleid, en de Unie streeft daarna naar negatieve emissies.

2.   De relevante instellingen van de Unie en de lidstaten nemen de nodige maatregelen, respectievelijk op het niveau van de Unie en op nationaal niveau, om de collectieve verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken, rekening houdend met het belang van het bevorderen van zowel rechtvaardigheid en solidariteit tussen de lidstaten als kosteneffectiviteit bij het verwezenlijken van deze doelstelling.

Artikel 3

Wetenschappelijk advies over klimaatverandering

1.   De Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering die is opgericht uit hoofde van artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 401/2009 (de “adviesraad”), dient als referentie voor de Unie met betrekking tot wetenschappelijke kennis over klimaatverandering op grond van zijn onafhankelijkheid en wetenschappelijke en technische deskundigheid.

2.   De taken van de adviesraad omvatten:

a)

het in overweging nemen van de meest recente wetenschappelijke conclusies in de IPCC-verslagen en wetenschappelijke klimaatgegevens, met name met betrekking tot informatie die relevant is voor de Unie;

b)

het verstrekken van wetenschappelijk advies en het uitbrengen van verslagen over bestaande en voorgestelde maatregelen van de Unie, klimaatdoelstellingen en indicatieve begrotingen voor broeikasgassen, en de samenhang daarvan met de doelstellingen van deze verordening en de internationale verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs;

c)

het bijdragen aan de uitwisseling van onafhankelijke wetenschappelijke kennis op het gebied van modellering, monitoring, veelbelovend onderzoek en innovatie die bijdraagt aan het reduceren van emissies of het verbeteren van verwijderingen;

d)

het in kaart brengen van de acties en kansen die nodig zijn om de klimaatdoelstellingen van de Unie met succes te verwezenlijken;

e)

het vergroten van het bewustzijn over klimaatverandering en de gevolgen ervan, en het stimuleren van de dialoog en samenwerking tussen wetenschappelijke instanties binnen de Unie, ter aanvulling van bestaande werkzaamheden en inspanningen.

3.   De adviesraad laat zich bij zijn werkzaamheden leiden door het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de meest recente verslagen van de IPCC, het IPBES en andere internationale organen. De raad volgt een volledig transparant proces en maakt zijn verslagen openbaar. Hij kan in voorkomende gevallen rekening houden met de werkzaamheden van de nationale klimaatadviesorganen bedoeld in lid 4.

4.   In het kader van de versterking van de rol van de wetenschap op het gebied van het klimaatbeleid wordt elke lidstaat opgeroepen een nationaal klimaatadviesorgaan op te richten dat verantwoordelijk is voor het verstrekken van deskundig wetenschappelijk advies over klimaatbeleid aan de bevoegde nationale autoriteiten zoals voorgeschreven door de betreffende lidstaat. Wanneer een lidstaat besluit een dergelijk adviesorgaan op te richten, stelt hij het EMA daarvan in kennis.

Artikel 4

Tussentijdse klimaatdoelstellingen van de Unie

1.   Om de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit te bewerkstelligen, is de bindende klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 een reductie binnen de Unie van netto-broeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) van ten minste 55 % in 2030 ten opzichte van de niveaus van 1990.

Bij de verwezenlijking van de in de eerste alinea bedoelde doelstelling geven de betrokken instellingen van de Unie en de lidstaten prioriteit aan snelle en voorspelbare emissiereducties en verbeteren zij tegelijkertijd verwijderingen per natuurlijke put.

Om ervoor te zorgen dat tot 2030 voldoende mitigatie-inspanningen worden geleverd, wordt, voor de toepassing van deze verordening en onverminderd de in lid 2 bedoelde evaluatie van Uniewetgeving, de bijdrage van nettoverwijderingen aan de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 beperkt tot 225 miljoen ton CO2-equivalent. Om de koolstofputten van de Unie uit te breiden in overeenstemming met de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, streeft de Unie ernaar in 2030 een hoger volume nettokoolstofputten te bereiken.

2.   Uiterlijk op 30 juni 2021 evalueert de Commissie relevante Uniewetgeving om de verwezenlijking van de in lid 1 van dit artikel vastgestelde doelstelling en de in artikel 2, lid 1, genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken en neemt zij de nodige maatregelen in overweging, waaronder de vaststelling van wetgevingsvoorstellen, overeenkomstig de Verdragen.

In het kader van de in de eerste alinea bedoelde evaluatie en toekomstige evaluaties beoordeelt de Commissie met name of er op grond van het Unierecht passende instrumenten en stimulansen beschikbaar zijn om de vereiste investeringen in te zetten en stelt zij waar nodig maatregelen voor.

Na vaststelling van de wetgevingsvoorstellen door de Commissie houdt de Commissie toezicht op de wetgevingsprocedures voor de verschillende voorstellen en kan zij aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de vraag of de verwachte uitkomst van deze wetgevingsprocedures, samen in overweging genomen, de in lid 1 genoemde doelstelling zou verwezenlijken. Indien de verwachte uitkomst geen resultaat zou opleveren dat in overeenstemming is met de in lid 1 genoemde doelstelling, kan de Commissie de nodige maatregelen nemen, waaronder de vaststelling van wetgevingsvoorstellen, in overeenstemming met de Verdragen.

3.   Met het oog op de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van deze verordening genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit wordt voor de hele Unie een klimaatdoelstelling voor 2040 vastgesteld. Daartoe stelt de Commissie uiterlijk zes maanden na de eerste “global stocktake” bedoeld in artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs, indien passend, op basis van een gedetailleerde effectbeoordeling een wetgevingsvoorstel vast tot wijziging van deze verordening om de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 op te nemen, rekening houdend met de conclusies van de in de artikelen 6 en 7 van deze verordening bedoelde beoordelingen en de resultaten van de algemene inventarisatie.

4.   Bij het doen van haar wetgevingsvoorstel voor de in lid 3 bedoelde klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 publiceert de Commissie tegelijkertijd in een afzonderlijk verslag de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie voor de periode 2030-2050, gedefinieerd als het indicatieve totale volume van de nettobroeikasgasemissies (uitgedrukt als CO2-equivalent en met afzonderlijke informatie over emissies en verwijderingen) die naar verwachting in die periode zullen worden uitgestoten zonder de verbintenissen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs in gevaar te brengen. De geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie is gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en houdt rekening met het advies van de adviesraad en, indien vastgesteld, met de relevante Uniewetgeving ter realisatie van de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030. De Commissie maakt ook de methodologie die ten grondslag ligt aan de geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie bekend.

5.   Wanneer de Commissie overeenkomstig lid 3 de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 voorstelt, houdt zij rekening met het volgende:

a)

het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de meest recente rapporten van de IPCC en de adviesraad;

b)

de sociale, economische en milieueffecten, met inbegrip van de kosten van het uitblijven van maatregelen;

c)

de noodzaak van een billijke en sociaal rechtvaardige transitie voor iedereen;

d)

kosteneffectiviteit en economische efficiëntie;

e)

concurrentievermogen van de economie van de Unie, in het bijzonder dat van kleine en middelgrote bedrijven en sectoren die het sterkst zijn blootgesteld aan koolstoflekkage;

f)

beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën;

g)

energie-efficiëntie en het beginsel “energie-efficiëntie eerst”, betaalbaarheid van energie en voorzieningszekerheid;

h)

rechtvaardigheid en solidariteit tussen en binnen de lidstaten;

i)

de noodzaak om de ecologische doeltreffendheid voor het milieu en de vooruitgang in de loop van de tijd te waarborgen;

j)

de noodzaak om natuurlijke putten op lange termijn in stand te houden, te beheren en te verbeteren en de biodiversiteit te beschermen en te herstellen;

k)

investeringsbehoeften en -kansen;

l)

de internationale ontwikkelingen en inspanningen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de uiteindelijke doelstelling van het UNFCCC;

m)

bestaande informatie over de in lid 4 bedoelde geraamde indicatieve broeikasgasbegroting van de Unie voor de periode 2030-2050.

6.   Binnen zes maanden na de in artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs bedoelde tweede “global stocktake” kan de Commissie voorstellen de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 te herzien overeenkomstig artikel 11 van deze verordening.

7.   De bepalingen van dit artikel worden voortdurend geëvalueerd in het licht van de internationale ontwikkelingen en de inspanningen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, onder meer met betrekking tot het resultaat van internationale besprekingen over gemeenschappelijke termijnen voor nationaal vastgestelde bijdragen.

Artikel 5

Aanpassing aan de klimaatverandering

1.   De desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor, klimaatverandering, overeenkomstig artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs.

2.   De Commissie stelt een strategie van de Unie voor aanpassing aan de klimaatverandering vast die strookt met de Overeenkomst van Parijs en evalueert deze strategie regelmatig in het kader van de in artikel 6, lid 2, punt b), van deze verordening bedoelde evaluatie.

3.   De desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen er ook voor dat de beleidsmaatregelen inzake aanpassing in de Unie en de lidstaten coherent zijn, elkaar ondersteunen, nevenvoordelen opleveren voor sectoraal beleid en streven naar een betere, coherent doorgevoerde integratie van aanpassing aan de klimaatverandering in alle beleidsterreinen, met inbegrip van, waar passend, relevante sociaal-economische en ecologische beleidsmaatregelen en -acties, evenals in het extern optreden van de Unie. De maatregelen richten zich vooral op de meest kwetsbare en getroffen bevolkingsgroepen en sectoren en identificeren tekortkomingen op dit vlak in overleg met het maatschappelijk middenveld.

4.   De lidstaten stellen nationale aanpassingsstrategieën en plannen vast en voeren deze uit, waarbij zij rekening houden met de in lid 2 van dit artikel bedoelde strategie van de Unie voor aanpassing aan de klimaatverandering, op basis van robuuste analyses met betrekking tot klimaatverandering en kwetsbaarheid, voortgangsbeoordelingen en indicatoren, en met als leidraad het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs. De lidstaten houden in hun nationale aanpassingsstrategieën rekening met de bijzondere kwetsbaarheid van de relevante sectoren, waaronder landbouw, en van water- en voedselsystemen, alsook met voedselzekerheid, en zij bevorderen op de natuur gebaseerde oplossingen en op ecosystemen gebaseerde aanpassing. De lidstaten werken de strategieën regelmatig bij en nemen de desbetreffende geactualiseerde informatie op in de verslagen die op grond van artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1999 moeten worden ingediend.

5.   Uiterlijk op 30 juli 2022 stelt de Commissie richtsnoeren vast met gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de vaststelling, classificatie en het voorzichtig beheer van materiële fysieke klimaatrisico’s bij de planning, ontwikkeling, uitvoering en monitoring van projecten en programma’s voor projecten.

Artikel 6

Beoordeling van de vooruitgang en maatregelen van de Unie

1.   Uiterlijk op 30 september 2023, en vervolgens om de vijf jaar, beoordeelt de Commissie, samen met de in artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) 2018/1999 voorziene beoordeling:

a)

de collectieve vooruitgang van de lidstaten bij de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van deze verordening bedoelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit;

b)

de collectieve vooruitgang van alle lidstaten op het gebied van aanpassing als bedoeld in artikel 5 van deze verordening.

De Commissie legt de conclusies van die beoordeling, samen met het verslag over de stand van de energie-unie dat overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1999 in het betreffende kalenderjaar is opgesteld, voor aan het Europees Parlement en de Raad.

2.   Uiterlijk op 30 september 2023, en vervolgens om de vijf jaar, evalueert de Commissie:

a)

de mate waarin de maatregelen van de Unie stroken met de in artikel 2, lid 1, bedoelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit;

b)

de mate waarin de maatregelen van de Unie stroken met het waarborgen dat vooruitgang wordt geboekt op het gebied van aanpassing als bedoeld in artikel 5.

3.   Indien de Commissie op basis van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde beoordelingen tot de conclusie komt dat de maatregelen van de Unie niet stroken met de in artikel 2, lid 1, bedoelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit, of niet stroken met het waarborgen van de in artikel 5 bedoelde vooruitgang op het gebied van aanpassing, of dat te weinig vooruitgang wordt geboekt op weg naar die doelstelling inzake klimaatneutraliteit of aanpassing als bedoeld in artikel 5, neemt zij de nodige maatregelen overeenkomstig de Verdragen.

4.   De Commissie beoordeelt, voordat zij worden vastgesteld, of eventuele ontwerpmaatregelen of -wetgevingsvoorstellen, waaronder begrotingsvoorstellen, stroken met de in artikel 2, lid 1, bedoelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit en de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en 2040, neemt die beoordeling op in een eventuele effectbeoordeling bij deze maatregelen of voorstellen, en maakt het resultaat van die beoordeling op het moment van de vaststelling openbaar. De Commissie beoordeelt ook of deze ontwerpmaatregelen of wetgevingsvoorstellen, waaronder begrotingsvoorstellen, stroken met het waarborgen van de vooruitgang op het gebied van aanpassing als bedoeld in artikel 5. Bij het opstellen van haar ontwerpmaatregelen en wetgevingsvoorstellen streeft de Commissie ernaar deze af te stemmen op de doelstellingen van deze verordening. Indien er geen sprake is van afstemming, motiveert de Commissie de redenen in het kader van de in dit lid genoemde overeenstemmingsbeoordeling.

Artikel 7

Beoordeling van nationale maatregelen

1.   Uiterlijk op 30 september 2023, en vervolgens om de vijf jaar, beoordeelt de Commissie:

a)

de mate waarin de nationale maatregelen die, op basis van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de nationale langetermijnstrategieën en de tweejaarlijkse voortgangsverslagen die zijn ingediend overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1999, als relevant zijn aangemerkt voor de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van de onderhavige verordening vastgelegde doelstelling inzake klimaatneutraliteit, stroken met die doelstelling;

b)

de mate waarin de relevante nationale maatregelen stroken met het waarborgen dat vooruitgang wordt geboekt op het gebied van aanpassing als bedoeld in artikel 5, rekening houdend met de in artikel 5, lid 4, bedoelde nationale aanpassingsstrategieën.

De Commissie legt de conclusies van die beoordeling, samen met het verslag over de stand van de energie-unie dat overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1999 in het betreffende kalenderjaar is opgesteld, voor aan het Europees Parlement en de Raad.

2.   Indien de Commissie, met inachtneming van de overeenkomstig artikel 6, lid 1, beoordeelde collectieve vooruitgang, vaststelt dat de maatregelen van een lidstaat niet stroken met de in artikel 2, lid 1 bedoelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit of niet in voldoende mate stroken met het waarborgen dat de in artikel 5 bedoelde vooruitgang op het gebied van aanpassing wordt geboekt, kan zij aanbevelingen aan die lidstaat doen. De Commissie maakt dergelijke aanbevelingen openbaar.

3.   Indien overeenkomstig lid 2 aanbevelingen worden uitgebracht, zijn de volgende beginselen van toepassing:

a)

de betrokken lidstaat meldt de Commissie uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanbevelingen hoe hij voornemens is terdege rekening te houden met de aanbevelingen in een geest van solidariteit tussen de lidstaten en de Unie en tussen de lidstaten onderling;

b)

nadat de in dit lid, punt a), bedoelde melding is ingediend, zet de betreffende lidstaat in zijn volgende overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag, dat is opgesteld in het jaar volgend op het jaar dat de aanbevelingen werden gedaan, uiteen hoe hij terdege rekening heeft gehouden met de aanbevelingen; Indien de betrokken lidstaat besluit geen gevolg te geven aan de aanbevelingen of een aanzienlijk deel daarvan, deelt deze lidstaat de motieven daarvoor aan de Commissie mede;

c)

de aanbevelingen zijn complementair met de meest recente landspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van het Europees Semester.

Artikel 8

Gemeenschappelijke bepalingen inzake beoordeling door de Commissie

1.   De Commissie baseert haar eerste en tweede beoordeling bedoeld in de artikelen 6 en 7 op een indicatief, lineair traject, waarin het pad wordt uitgestippeld voor de vermindering van de netto-emissies op het niveau van de Unie, en dat de in artikel 4, lid 1, bedoelde klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030, de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040, wanneer die is vastgesteld, en de in artikel 2, lid 1, bepaalde doelstelling inzake klimaatneutraliteit aan elkaar koppelt.

2.   Na de in lid 1 bedoelde eerste en tweede beoordeling, baseert de Commissie elke daaropvolgende beoordeling op een indicatief, lineair traject dat de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040, wanneer die is vastgesteld, en de in artikel 2, lid 1, bepaalde doelstelling inzake klimaatneutraliteit aan elkaar koppelt.

3.   Naast de in artikel 7, lid 1, punt a), bedoelde nationale maatregelen, baseert de Commissie haar in de artikelen 6 en 7 bedoelde beoordelingen op ten minste het volgende:

a)

informatie die in het kader van Verordening (EU) 2018/1999 is ingediend en gerapporteerd;

b)

verslagen van het EMA, de adviesraad en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie;

c)

Europese en mondiale statistieken en gegevens, met inbegrip van statistieken en gegevens van het Europees programma voor aardobservatie Copernicus, gegevens over gerapporteerde en verwachte verliezen ten gevolge van negatieve effecten van klimaatverandering en ramingen van de kosten die verbonden zijn aan niet of te laat handelen, voor zover beschikbaar;

d)

het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de meest recente rapporten van de IPCC, het IPBES en andere internationale organen, en

e)

eventuele aanvullende informatie over ecologisch duurzame beleggingen door de Unie of de lidstaten, met inbegrip van, indien beschikbaar, beleggingen die stroken met Verordening (EU) 2020/852.

4.   Het EMA staat de Commissie bij de voorbereiding van de in de artikelen 6 en 7 bedoelde beoordelingen bij, in overeenstemming met zijn jaarlijks werkprogramma.

Artikel 9

Participatie van het publiek

1.   De Commissie gaat met alle geledingen van de samenleving in gesprek, teneinde iedereen de mogelijkheid en de gelegenheid te geven om actie te ondernemen met het oog op een billijke en sociaal rechtvaardige transitie naar een klimaatneutrale en klimaatbestendige samenleving. De Commissie bevordert een inclusief en toegankelijk proces op alle niveaus, ook op nationaal, regionaal en lokaal niveau en in samenwerking met maatschappelijke organisaties, de academische wereld, het bedrijfsleven, burgers en het maatschappelijk middenveld, om effectieve werkmethoden uit te wisselen en acties in kaart te brengen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de onderhavige verordening. De Commissie kan ook voortbouwen op de openbare raadplegingen en op de door de lidstaten overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van Verordening (EU) 2018/1999 opgezette klimaat- en energiedialogen op verschillende niveaus.

2.   De Commissie maakt gebruik van alle passende instrumenten, waaronder het Europees klimaatpact, om met burgers, maatschappelijke organisaties en belanghebbenden in gesprek te gaan en om de dialoog en de verspreiding van wetenschappelijk onderbouwde informatie over klimaatverandering en de maatschappelijke en gendergelijkheidsaspecten daarvan te bevorderen.

Artikel 10

Sectorale routekaarten

De Commissie gaat in gesprek met economische sectoren binnen de Unie die ervoor kiezen vrijwillige indicatieve routekaarten op te stellen met het oog op de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit. De Commissie houdt toezicht op de ontwikkeling van die routekaarten. Zij zet zich in om de dialoog op het niveau van de Unie evenals de uitwisseling van optimale praktijken tussen relevante belanghebbenden te bevorderen.

Artikel 11

Evaluatie

Binnen zes maanden na elke “global stocktake” bedoeld in artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad, samen met de conclusies van de beoordelingen bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de onderhavige verordening, een verslag in over de werking van deze verordening, waarin zij rekening houdt met:

a)

het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de meest recente rapporten van de IPCC en de adviesraad;

b)

de internationale ontwikkelingen en de inspanningen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

Bij het verslag van de Commissie kunnen, in voorkomend geval, voorstellen tot wijziging van de onderhavige verordening worden gevoegd.

Artikel 12

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 401/2009

Verordening (EG) nr. 401/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 10 bis

1.   Er wordt een Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering (“adviesraad”) opgericht.

2.   De adviesraad bestaat uit 15 vooraanstaande wetenschappelijke deskundigen uit een breed scala aan relevante disciplines. De leden van de adviesraad moeten aan de criteria van lid 3 voldoen. Niet meer dan twee leden van de adviesraad mogen de nationaliteit van eenzelfde lidstaat bezitten. De onafhankelijkheid van de leden van de adviesraad moet boven iedere twijfel verheven zijn.

3.   De raad van bestuur wijst de leden van de adviesraad aan voor een periode van vier jaar, die eenmaal kan worden verlengd na een open, eerlijke en transparante selectieprocedure. Bij de selectie van de leden van de adviesraad streeft de raad van bestuur naar variatie in wetenschappelijke en sectorale deskundigheid, evenals naar genderevenwicht en geografisch evenwicht. De selectie berust op de volgende criteria:

a)

wetenschappelijke excellentie;

b)

ervaring met het verrichten van wetenschappelijke beoordelingen en met het verlenen van wetenschappelijk advies op de expertisegebieden;

c)

grote deskundigheid op het gebied van klimaat- en milieuwetenschappen of andere wetenschappelijke gebieden die relevant zijn voor de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie;

d)

beroepservaring in een interdisciplinaire omgeving in een internationale context.

4.   De leden van de adviesraad worden op persoonlijke titel benoemd en geven hun standpunten volledig onafhankelijk van de lidstaten en de instellingen van de Unie. De adviesraad kiest zijn voorzitter uit zijn leden voor een periode van vier jaar en stelt zijn reglement van orde vast.

5.   De adviesraad vult de werkzaamheden van het Agentschap aan en treedt bij de uitoefening van zijn taken onafhankelijk op. De adviesraad stelt onafhankelijk zijn jaarlijks werkprogramma op en raadpleegt daarbij de raad van bestuur. De voorzitter van de adviesraad brengt de raad van bestuur en de uitvoerend directeur op de hoogte van dat programma en de uitvoering ervan.”.

2)

Aan artikel 11 wordt het volgende lid toegevoegd:

“5.   De begroting van het Agentschap omvat ook de uitgaven in verband met de adviesraad.”.

Artikel 13

Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/1999

Verordening (EU) 2018/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, lid 1, wordt punt a) vervangen door:

“a)

uitvoering te geven aan strategieën en maatregelen die ontworpen zijn om de doelstellingen en streefcijfers van de energie-unie en de verbintenissen op lange termijn van de Unie inzake broeikasgasemissies stroken met de Overeenkomst van Parijs te bereiken, met name de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (*1) vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit en, voor de eerste tienjarige periode van 2021 tot en met 2030, met name de streefcijfers voor energie en klimaat van de Unie voor 2030;

(*1)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).”."

2)

In artikel 2 wordt punt 7 vervangen door:

“7)

“prognoses”: voorspellingen van antropogene broeikasgasemissies per bron en verwijderingen per put of ontwikkelingen van het energiesysteem, waaronder ten minste kwantitatieve ramingen voor een reeks van zes komende jaren eindigend op 0 of 5 onmiddellijk volgend op het rapporteringsjaar;”.

3)

In artikel 3, lid 2, wordt punt f) vervangen door:

“f)

een beoordeling van de effecten van de geplande beleidslijnen en maatregelen om de in punt b) van dit lid bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, waarbij ook wordt nagegaan of ze stroken met de doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit, als vastgelegd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119, met de langetermijndoelstellingen inzake broeikasgasemissiereductie in het kader van de Overeenkomst van Parijs en met de in artikel 15 van deze verordening bedoelde langetermijnstrategieën;”.

4)

Aan artikel 8, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:

“e)

de wijze waarop bestaande beleidslijnen en maatregelen en geplande beleidslijnen en maatregelen bijdragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit.”.

5)

Artikel 11 wordt vervangen door:

“Artikel 11

Klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus

Elke lidstaat zet overeenkomstig nationale regels een klimaat- en energiedialoog op verschillende niveaus op, waarin lokale overheden, maatschappelijke organisaties, de bedrijfswereld, investeerders en andere betrokken partijen en het brede publiek actief kunnen participeren en de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit en de verschillende mogelijke scenario’s, ook op lange termijn, voor het energie- en klimaatbeleid kunnen bespreken, en de vooruitgang kunnen beoordelen, tenzij de lidstaat al een structuur heeft ingevoerd die datzelfde doel heeft. De geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen kunnen in het kader van deze dialoog worden besproken.”.

6)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Uiterlijk op 1 januari 2020, daarna uiterlijk op 1 januari 2029 en daarna om de tien jaar stellen de lidstaten elk een langetermijnstrategie op, met een perspectief van dertig jaar en stroken met de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit, en dienen zij deze bij de Commissie in. De lidstaten actualiseren deze strategieën waar nodig om de vijf jaar.”;

b)

in lid 3 wordt punt c) vervangen door:

“c)

de verwezenlijking van de broeikasgasemissiebeperkingen op lange termijn en de verbetering van verwijderingen per put in alle sectoren overeenkomstig de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit om, in het kader van de volgens de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change — IPCC) noodzakelijk geachte broeikasgasemissiereducties en verbetering van verwijderingen per put, de broeikasgasemissies van de Unie op kosteneffectieve wijze te verminderen en de verwijderingen per put te verbeteren met het oog op de temperatuurdoelstellingen op lange termijn van de Overeenkomst van Parijs, teneinde in de Unie een evenwicht te verwezenlijken tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, en — waar mogelijk — daarna tot negatieve emissies te komen;”.

7)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a)

informatie over de geboekte vooruitgang bij het behalen van de doelstellingen waaronder de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit, de streefcijfers en bijdragen die zijn uiteengezet in het geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan, en over de geboekte vooruitgang bij de financiering en tenuitvoerlegging van de beleidslijnen en maatregelen die nodig waren om ze te behalen, met inbegrip van een beoordeling van daadwerkelijk gebeurde investeringen ten opzichte van initieel geplande investeringen;”;

b)

in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:

“De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, punt b), bedoelde Comité voor de energie-unie, uitvoeringshandelingen vast waarin de structuur, het formaat, de technische details en het proces voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel vermelde informatie zijn uiteengezet, met inbegrip van een methode voor de rapportage over de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen, op grond van artikel 25, punt d).”.

8)

In artikel 29, lid 1, wordt punt b) vervangen door:

“b)

de vooruitgang die elke lidstaat maakt bij het bereiken van zijn doelstellingen waaronder de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit, streefcijfers en bijdragen en bij de uitvoering van de beleidslijnen en maatregelen die zijn uiteengezet in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan;”.

9)

Artikel 45 wordt vervangen door:

“Artikel 45

Evaluatie

Binnen zes maanden na elke “global stocktake” in het kader van artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van deze verordening, de bijdrage ervan tot de governance van de energie-unie, de bijdrage ervan aan de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de voortgang op weg naar het verwezenlijken van de streefcijfers voor klimaat en energie voor 2030, en de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit, aanvullende doelstellingen van de energie-unie en de overeenstemming van de in deze verordening vervatte plannings-, rapporterings- en monitoringbepalingen met andere wetgeving van de Unie of toekomstige besluiten met betrekking tot het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs. De verslagen van de Commissie kunnen, indien nodig, vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen.”.

10)

Bijlage I, deel 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in afdeling A, punt 3.1.1, wordt punt i vervangen door:

“i.

Beleidsinitiatieven en maatregelen ter verwezenlijking van de op grond van Verordening (EU) 2018/842 vastgestelde doelstellingen, als bedoeld in punt 2.1.1 van deze afdeling en beleidsinitiatieven en maatregelen voor de naleving van Verordening (EU) 2018/841, voor alle belangrijke emissiesectoren en sectoren waar de verwijdering moet worden verbeterd, in het licht van de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit”;

b)

aan afdeling B wordt het volgende punt toegevoegd:

“5.5.

De bijdrage van geplande beleidslijnen en maatregelen tot de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit”.

11)

In bijlage VI, punt c), wordt punt viii) vervangen door:

“viii)

een beoordeling van de mate waarin het beleidsinitiatief of de maatregel bijdraagt tot de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit en tot de verwezenlijking van de in artikel 15 van deze verordening bedoelde langetermijnstrategie;”.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

J.P. MATOS FERNANDES


(1)  PB C 364 van 28.10.2020, blz. 143, en PB C 10 van 11.1.2021, blz. 69.

(2)  PB C 324 van 1.10.2020, blz. 58.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 24 juni 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 juni 2021.

(4)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(5)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(6)  Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26).

(7)  Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(9)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(10)  Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

(11)  Verordening (EG) nr. 401/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (PB L 126 van 21.5.2009, blz. 13).

(12)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 23).

(14)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1120 VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2021

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (1), en met name artikel 30,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 1005/2008 zijn de procedures vastgesteld voor de identificatie van de vissersvaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (“IOO-visserij”) bedrijven, alsook de procedures voor het vaststellen van een Unielijst van zulke vaartuigen (“de Unielijst”). In artikel 37 van die verordening zijn de maatregelen vastgesteld die moeten worden genomen tegen vissersvaartuigen die in die lijst zijn opgenomen.

(2)

De Unielijst is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 468/2010 van de Commissie (2) en vervolgens gewijzigd bij de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 724/2011 (3), (EU) nr. 1234/2012 (4), (EU) nr. 672/2013 (5), (EU) nr. 137/2014 (6), (EU) 2015/1296 (7), (EU) 2016/1852 (8), (EU) 2017/2178 (9), (EU) 2018/1883 (10) en (EU) 2020/269 (11).

(3)

Overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 moeten de vissersvaartuigen die op de door de regionale organisaties voor visserijbeheer vastgestelde lijsten van IOO-vaartuigen staan, in de Unielijst worden opgenomen.

(4)

Alle regionale organisaties voor visserijbeheer voorzien, overeenkomstig hun respectieve regels, in de vaststelling en de geregelde bijwerking van lijsten van IOO-vaartuigen (12).

(5)

Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 werkt de Commissie de Unielijst bij zodra zij van de regionale organisaties voor visserijbeheer de lijsten heeft ontvangen van de vissersvaartuigen waarvan wordt aangenomen dat zij bij IOO-visserij zijn betrokken, en van de vissersvaartuigen waarvoor een dergelijke betrokkenheid is bevestigd. Aangezien de Commissie nieuwe lijsten van de regionale organisaties voor visserijbeheer heeft ontvangen, moet de Unielijst nu worden bijgewerkt.

(6)

Aangezien eenzelfde vaartuig onder verschillende namen en/of vlaggen kan zijn vermeld, afhankelijk van het tijdstip waarop het in de lijsten van de regionale organisaties voor visserijbeheer is opgenomen, moeten in de bijgewerkte Unielijst de verschillende namen en/of vlaggen worden vermeld zoals die door de desbetreffende regionale organisaties voor visserijbeheer zijn vastgesteld.

(7)

Het vaartuig “Bellator” (13), dat momenteel op de Unielijst staat, is van de door de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) opgestelde lijst geschrapt, overeenkomstig instandhoudings- en beheersmaatregel (CMM) 04-2020 van die regionale organisatie voor visserijbeheer. Aangezien het besluit is genomen door de betrokken regionale organisatie voor visserijbeheer overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008, moet dit vaartuig dienovereenkomstig van de Unielijst worden geschrapt, hoewel het nog niet is geschrapt van de lijsten van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa), de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) en de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC).

(8)

Het vaartuig “Uthaiwan/Wisdom Sea reefer” (14), dat momenteel op de Unielijst staat, is van de door de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) opgestelde lijst geschrapt, overeenkomstig resolutie 18/03 van die regionale organisatie voor visserijbeheer. Aangezien het besluit is genomen door de betrokken regionale organisatie voor visserijbeheer overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008, moet dit vaartuig dienovereenkomstig van de Unielijst worden geschrapt, hoewel het nog niet is geschrapt van de lijst van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa).

(9)

Het vaartuig “Nefelin” (15) is van de door de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) opgestelde lijst geschrapt overeenkomstig Aanbeveling GFCM/33/209/8 van die regionale organisatie voor visserijbeheer. Bijgevolg moet dit vaartuig niet in de Unielijst worden opgenomen, hoewel het nog niet is geschrapt van de lijsten die door de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) en de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) zijn opgesteld.

(10)

Het in overweging 9 genoemde vaartuig was niet opgenomen in de Unielijst zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1883, aangezien de door de betrokken regionale organisatie voor visserijbeheer opgestelde lijst van vissersvaartuigen waarvan wordt aangenomen dat zij bij IOO-visserij zijn betrokken, en van de vissersvaartuigen waarvoor een dergelijke betrokkenheid is bevestigd, door de Commissie pas na de vaststelling van die verordening werd ontvangen.

(11)

Verordening (EU) nr. 468/2010 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel B van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 468/2010 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 468/2010 van de Commissie van 28 mei 2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 131 van 29.5.2010, blz. 22).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 724/2011 van de Commissie van 25 juli 2011 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 194 van 26.7.2011, blz. 14).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1234/2012 van de Commissie van 19 december 2012 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 350 van 20.12.2012, blz. 38).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 672/2013 van de Commissie van 15 juli 2013 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 193 van 16.7.2013, blz. 6).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 137/2014 van de Commissie van 12 februari 2014 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 43 van 13.2.2014, blz. 47).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1296 van de Commissie van 28 juli 2015 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 199 van 29.7.2015, blz. 12).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1852 van de Commissie van 19 oktober 2016 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 284 van 20.10.2016, blz. 5).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2178 van de Commissie van 22 november 2017 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 307 van 23.11.2017, blz. 14).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1883 van de Commissie van 3 december 2018 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 30).

(11)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/269 van de Commissie van 26 februari 2020 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 468/2010 tot vaststelling van de EU-lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij bedrijven (PB L 56 van 27.2.2020, blz. 7).

(12)  Recentste versies: CCAMLR: lijst van IOO-vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen en lijst van IOO-vaartuigen van verdragsluitende partijen vastgesteld op de 39e jaarvergadering van 27-30 oktober 2020; CCSBT: lijst van IOO-vaartuigen vastgesteld tijdens de 27e jaarvergadering van de commissie van 12-16 oktober 2020, lijst bijgewerkt op 25 maart 2021; GFCM: IOO-lijst vastgesteld op de 43e zitting van de GFCM van 4-8 november 2019; IATTC: lijst van IOO-vaartuigen vastgesteld tijdens de 95e vergadering van de IATTC van 4 december 2020; Iccat: IOO-lijst 2020 vastgesteld tijdens de besprekingen van 2020 ter vervanging van de 22e bijzondere vergadering van de Iccat; IOTC: lijst van IOO-vaartuigen vastgesteld tijdens de 24e zitting van de IOTC van 2-6 november 2020, lijst bijgewerkt op 26 februari 2021; NAFO: IOO-lijst vastgesteld op de 42e jaarvergadering van de NAFO van 21-25 september 2020; NEAFC: “IUU B list” zoals vastgesteld op de 39e jaarvergadering van de NEAFC van 10-13 november 2020, lijst bijgewerkt in maart 2021; NPFC: IOO-lijst vastgesteld op de 5e vergadering van de commissie van 16-18 juli 2019; Seafo: lijst van IOO-vaartuigen 2020 vastgesteld op de 16e jaarvergadering van de commissie van 25-28 november 2019; Siofa: lijst van IOO-vaartuigen vastgesteld op de 7e bijeenkomst van de partijen van 17-20 november 2020; SPRFMO: lijst van IOO-vaartuigen 2021 vastgesteld op de 9e vergadering van de commissie van 26 januari tot 5 feburari 2021; WCPFC: lijst van IOO-vaartuigen 2020 vastgesteld op de 17e reguliere vergadering van de commissie van 7-15 december 2020.

(13)  IMO-identificatienummer: 9179359.

(14)  IMO-identificatienummer: 7637527.

(15)  IMO-identificatienummer: 7645237.


BIJLAGE

IMO  (1)-scheepsidentificatienummer / ROVB-referentie

Naam van het vaartuig  (2)

Vlaggenstaat of vlaggengebied  (2)

Opgenomen in de ROVB-lijst  (2)

417000878

ABISHAK PUTHA 3

Onbekend

CCSBT, Siofa

20150046 [Iccat]/1 [IOTC]

ABUNDANT 1 (vorige naam volgens Iccat: YI HONG 6; vorige naam volgens CCSBT en IOTC: YI HONG 06)

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC

20150042 [Iccat]/2 [IOTC]

ABUNDANT 12 (vorige naam volgens CCSBT, Iccat, IOTC: YI HONG 106)

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC

20150044 [Iccat]/3 [IOTC]

ABUNDANT 3 (vorige naam volgens CCSBT, Iccat, IOTC: YI HONG 16)

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC

20170013 [Iccat]/4 [IOTC]

ABUNDANT 6 (vorige naam volgens CCSBT, Iccat, IOTC: YI HONG 86)

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC

20150043 [Iccat]/5 [IOTC]

ABUNDANT 9 (vorige naam volgens CCSBT, Iccat, IOTC: YI HONG 116)

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC

20060010 [Iccat]/6 [IOTC]

ACROS No. 2

Onbekend (laatst bekende vlag: Honduras)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20060009 [Iccat]/7 [IOTC]

ACROS No. 3

Onbekend (laatst bekende vlag: Honduras)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20180003 [Iccat]/108 [IOTC]/K22/IS/2019[CCSBT]

AL WESAM 5 [volgens Iccat, NEAFC, Siofa], PROGRESO [volgens CCSBT, IOTC] (vorige namen volgens CCSBT, IOTC: AL WESAM 5, CHAINAVEE 54; vorige naam volgens Iccat, NEAFC, Siofa: CHAINAVEE 54)

Kameroen [volgens CCSBT, IOTC], onbekend [volgens Iccat, NEAFC, Siofa] (laatst bekende vlaggen volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa: Djibouti, Thailand)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

8[IOTC]

AL'AMIR MUHAMMAD

Egypte

GFCM, IOTC, NEAFC, Siofa

7306570/9[IOTC]/20200001[Iccat]

ALBORAN II (vorige naam volgens GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC en Seafo: WHITE ENTERPRISE)

Onbekend [volgens GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, SEAFO, Siofa] (laatst bekende vlaggen volgens GFCM, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa: Panama, Saint Kitts en Nevis; laatst bekende vlag volgens Iccat: Panama)

GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, NAFO, Seafo, Siofa

7036345/20190003 [Iccat]/10 [IOTC]

AMORINN (vorige namen: ICEBERG II, LOME, NOEMI)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, IOTC, Seafo en Siofa: Togo, Belize)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

20150001 [Iccat]/11 [IOTC]

ANEKA 228

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150002 [Iccat]/12 [IOTC]

ANEKA 228; KM.

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7236634/20190004 [Iccat]/13 [IOTC]

ANTONY (vorige namen: URGORA, ATLANTIC OJI MARU No. 33, OJI MARU No. 33)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR: Indonesië, Belize, Panama, Honduras, Venezuela; laatst bekende vlaggen volgens IOTC, NEAFC, Seafo en Siofa: Venezuela, Honduras, Panama, Belize, Indonesië)

CCAMLR, CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

7322897/20150024 [Iccat]/14 [IOTC]

ASIAN WARRIOR (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, NEAFC, Seafo en Siofa: KUNLUN, TAISHAN, CHANG BAI, HONGSHUI, HUANG HE 22, SIMA QIAN BARU 22, CORVUS, GALAXY, INA MAKA, BLACK MOON, RED MOON, EOLO, THULE, MAGNUS, DORITA; vorige naam volgens IOTC: DORITA)

Saint Vincent en de Grenadines [volgens CCAMLR, GFCM, NEAFC, Seafo en Siofa], Equatoriaal-Guinea [volgens CCSBT, Iccat, IOTC] (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR: Indonesië, Tanzania, Noord-Korea (DVRK), Panama, Sierra Leone, Noord-Korea (DVRK), Equatoriaal-Guinea, Saint Vincent en de Grenadines en Uruguay; laatst bekende vlag volgens Iccat: Saint Vincent en de Grenadines; laatst bekende vlaggen volgens Seafo en Siofa: Indonesië, Tanzania, Noord-Korea (DVRK), Panama, Sierra Leone, Equatoriaal-Guinea, Uruguay)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

9042001/20150047 [Iccat]/15 [IOTC]

ATLANTIC WIND (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, NEAFC, Seafo en Siofa: ZEMOUR 2, LUAMPA, YONGDING, JIANGFENG, CHENGDU, SHAANXI HENAN 33, XIONG NU BARU 33, DRACO I, LIBERTY, CHILBO SAN 33, HAMMER, SEO YANG No. 88, CARRAN; vorige naam volgens IOTC: CARRAN)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR: Tanzania, Equatoriaal-Guinea, Indonesië, Tanzania, Cambodja, Panama, Sierra Leone, Noord-Korea (DVRK), Togo, Republiek Korea, Uruguay; laatst bekende vlag volgens IOTC: Equatoriaal-Guinea; laatst bekende vlaggen volgens Seafo en Siofa: Tanzania, Equatoriaal-Guinea, Indonesië, Cambodja, Panama, Sierra Leone, Noord-Korea (DVRK), Togo, Uruguay)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

9037537/20190005 [Iccat]/16 [IOTC]

BAROON (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, Iccat, NEAFC, Seafo: LANA, ZEUS, TRITON I; vorige namen volgens IOTC: LANA, ZEUS, TRITON-1)

Tanzania (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, IOTC, NEAFC, Seafo en Siofa: Nigeria, Mongolië,Togo, Sierra Leone; laatst bekende vlaggen volgens Iccat: Mongolië, Nigeria, Sierra Leone, Togo)

CCSBT, CCAMLR, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

12290 [IATTC]/20110011 [Iccat]/18[IOTC]

BHASKARA No. 10

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC: Indonesië)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

12291 [IATTC]/20110012 [Iccat]/19[IOTC]

BHASKARA No. 9

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC: Indonesië)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20060001 [Iccat]/20 [IOTC]

BIGEYE

Onbekend

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20040005 [Iccat]/21 [IOTC]

BRAVO

Onbekend

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

9407 [IATTC]/20110013 [Iccat]/22[IOTC]

CAMELOT

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC: Belize)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

6622642/20190006 [Iccat]/23 [IOTC]

CHALLENGE (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, Iccat, NEAFC, Seafo: PERSEVERANCE, MILA; vorige namen volgens IOTC: MILA, ISLA, MONTANA CLARA, PERSEVERANCE)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR: Equatoriaal-Guinea, Verenigd Koninkrijk; laatst bekende vlaggen volgens IOTC, Seafo en Siofa: Panama, Equatoriaal-Guinea, Verenigd Koninkrijk)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

20150003 [Iccat]/20 [IOTC]/24[IOTC]

CHI TONG

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7825215/125 [IATTC]/20110014 [Iccat]/25[IOTC]/280020064[CCSBT/IATTC]

CHIA HAO No. 66 [volgens IATTC, IOTC, GFCM, NEAFC, Siofa], SAGE [volgens Iccat] (vorige naam volgens IOTC: CHI FUW No. 6, vorige namen volgens Iccat: CHIA HAO No. 66, CHI FUW No.6)

Onbekend [volgens CCSBT, GFCM, IATTC, IOTC, NEAFC, Siofa], Gambia [volgens Iccat] (laatst bekende vlag volgens CCSBT, IATTC, NEAFC: Belize; laatst bekende vlag volgens IOTC: Equatoriaal-Guinea; laatst bekende vlaggen volgens Iccat: Seychellen, Belize)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20190001 [Iccat]/65 [IOTC]/26[IOTC]

CHOTCHAINAVEE 35 (vorige naam volgens Siofa: CARRAN)

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Djibouti)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7330399/20190002 [Iccat]/28 [IOTC]

COBIJA (vorige namen volgens IOTC, NEAFC, Seafo: CAPE FLOWER; CAPE WRATH II; vorige namen volgens CCSBT en Iccat: CAPE FLOWER, CAPE WRATH; vorige namen volgens Siofa: CAPE WRATH II, Cape Flower)

Bolivia-op onwettige wijze/onbekend [volgens CCSBT], Bolivia-op onwettige wijze [volgens Seafo], onbekend [volgens Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa] (laatst bekende vlaggen volgens CCSBT, IOTC, Seafo: Bolivia, Sao Tomé en Principe, onbekend, Zuid-Afrika, Canada; laatst bekende vlag volgens NEAFC en Siofa: Bolivia; laatst bekende vlaggen volgens Iccat: Bolivia, Sao Tomé en Principe)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

20080001 [Iccat]/29 [IOTC]

DANIAA (vorige naam volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, Siofa: CARLOS)

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC: Guinee)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

6163 [IATTC]/20130005 [Iccat]/30[IOTC]/7742-PP[CCSBT/IATTC]

DRAGON III

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC: Cambodja)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

8604668/20200002 [Iccat]/31 [IOTC]

EROS DOS (vorige naam: FURABOLOS)

Onbekend (laatst bekende vlaggen: Panama, Seychellen)

GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa

20150004 [Iccat]/33 [IOTC]

FU HSIANG FA 18

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150005 [Iccat]/34 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 01

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150006 [Iccat]/35 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 02

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150007 [Iccat]/36 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 06

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150008 [Iccat]/37 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 08

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150009 [Iccat]/38 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 09

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150010 [Iccat]/39 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 11

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150011 [Iccat]/40 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 13

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150012 [Iccat]/41 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 17

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150013 [Iccat]/42 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 20

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150014 [Iccat]/43 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 21 [volgens CCSBT, Iccat, IOTC], FU HSIANG FA No. 21a [volgens Siofa]

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa

20130003 [Iccat]/32-44 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 21 [volgens CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC], FU HSIANG FA [volgens GFCM, IOTC, NEAFC, Siofa], FU HSIANG FA No. 21b [volgens Siofa]  (3)

Onbekend

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150015 [Iccat]/45 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 23

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150016 [Iccat]/46 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 26

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150017 [Iccat]/47 [IOTC]

FU HSIANG FA No. 30

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7355662/20130001 [Iccat]/M-01432 [WCPFC,CCSBT]/48[IOTC]

FU LIEN No. 1

Onbekend [volgens CCSBT, GFCM, Iccat, NEAFC, Siofa en WCPFC], Georgië [volgens IOTC] (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, NEAFC, de WCPFC: Georgië)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa, WCPFC

20130004 [Iccat]/49 [IOTC]

FULL RICH

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Belize)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20080005 [Iccat]/50 [IOTC]

GALA I (vorige namen: MANARA II, ROAGAN)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCSBT, Iccat: Libië, Isle of Man; laatst bekende vlag volgens IOTC, NEAFC: Libië)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

6591 [IATTC]/20130006 [Iccat]/51[IOTC]

GOIDAU RUEY No. 1 (vorige naam volgens CCSBT, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC: GOIDAU RUEY 1)

Onbekend (laatst bekende vlag: Panama)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7020126/20190007 [Iccat]/52 [IOTC]

GOOD HOPE (vorige naam volgens CCAMLR, CCSBT, GFCM, NEAFC, Seafo: TOTO; vorige namen volgens Iccat, IOTC, Siofa: TOTO, SEA RANGER V)

Nigeria

CCSBT, CCAMLR, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

6719419 [GFCM/NEAFC, Seafo, Siofa]/6714919 [NAFO]/53[IOTC]/20200003[Iccat]

GORILERO (vorige naam: GRAN SOL)

Onbekend (laatst bekende vlaggen: Sierra Leone, Panama)

GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa

2009003 [Iccat]/54 [IOTC]

GUNUAR MELYAN 21

Onbekend

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

13 [NPFC]/55[IOTC]

HAI DA 705

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

4000354/20200012 [Iccat]

HALELUYA

Onbekend (laatst bekende vlag volgens Iccat: Tanzania)

CCSBT, Iccat

7322926/20190009[Iccat]/57[IOTC]

HEAVY SEA (vorige namen: DUERO, JULIUS, KETA, SHERPA UNO)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, IOTC, Seafo en Siofa: Panama, Saint Kitts en Nevis, Belize)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

20150018 [Iccat]/58 [IOTC]

HOOM XIANG 101

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Maleisië)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150019 [Iccat]/59 [IOTC]

HOOM XIANG 103

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Maleisië)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150020 [Iccat]/60 [IOTC]

HOOM XIANG 105

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Maleisië)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20100004 [Iccat]/61 [IOTC]

HOOM XIANG II [volgens CCSBT, IOTC, Siofa], HOOM XIANG 11 [volgens GFCM, Iccat en NEAFC]

Onbekend (laatst bekende vlag: Maleisië)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7332218/62[IOTC]/20200004[Iccat]

IANNIS 1 [volgens NEAFC], IANNIS I [volgens GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, Seafo en Siofa] (vorige namen volgens GFCM en Siofa: MOANA MAR, CANOS DE MECA)

Onbekend (laatst bekende vlag: Panama)

GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa

6607666/20190008 [Iccat]/56 [IOTC]

JINZHANG [volgens CCAMLR, CCSBT, Iccat], HAI LUNG [volgens GFCM, IOTC, NEAFC, Seafo en Siofa] (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, Iccat: HAI LUNG, YELE, RAY, KILY, CONSTANT, TROPIC, ISLA GRACIOSA; vorige namen volgens GFCM, IOTC, Seafo: YELE, RAY, KILY, CONSTANT, TROPIC, ISLA GRACIOSA; vorige namen volgens NEAFC: RAY, KILLY, TROPIC, ISLA GRACIOSA, CONSTANT; vorige namen volgens Siofa: YELE, RAY, KILY, CONSTANT, TROPIC, ISLA GRACIOSA, CONSTANT)  (3)

Onbekend [volgens CCAMLR, GFCM, Iccat, IOTC, Seafo en Siofa], onbekend/Belize [volgens NEAFC] (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR: Sierra Leone, Belize, Equatoriaal-Guinea, Zuid-Afrika; laatst bekende vlag volgens NEAFC: Zuid-Afrika; laatst bekende vlag volgens Seafo: Belize; laatst bekende vlaggen volgens IOTC: Belize, Mongolië, Equatoriaal-Guinea, Zuid-Afrika, Belize)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

9505 [IATTC]/20130007 [Iccat]/63[IOTC]

JYI LIH 88

Onbekend

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150021 [Iccat]/64 [IOTC]

KIM SENG DENG 3

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7905443/20190010[Iccat]/65[IOTC]

KOOSHA 4 (vorige naam volgens Iccat, IOTC, Siofa: EGUZKIA)

Iran

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

20150022 [Iccat]/66 [IOTC]

KUANG HSING 127

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150023 [Iccat]/67 [IOTC]

KUANG HSING 196

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7325746/27-68[IOTC]/20200005[Iccat]

LABIKO [volgens GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC en Siofa], CLAUDE MOINIER [volgens IOTC], MAINE [volgens Seafo] (vorige naam volgens GFCM, NAFO en NEAFC: MAINE; vorige naam volgens IOTC: LABIKO; vorige namen volgens IOTC: MAINE, CLAUDE MONIER, CHEVALIER D'ASSAS; vorige namen volgens Seafo: CLAUDE MOINIER, LABIKO; vorige namen volgens Iccat: CLAUDE MOUNIER, MAINE)  (3)

Onbekend [volgens GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Siofa], Guinee [volgens IOTC, SEAFO] (laatst bekende vlag volgens GFCM, Iccat, NAFO, NEAFC, Siofa: Guinee; laatst bekende vlaggen volgens IOTC: Tanzania, Equatoriaal-Guinea, Indonesië, Cambodja, Panama, Sierra Leone, Noord-Korea (DVRK), Togo, Uruguay)

GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa

1 [NPFC]/69[IOTC]

LIAO YUAN YU 071

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

2 [NPFC]/70[IOTC]

LIAO YUAN YU 072

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

3 [NPFC]/71[IOTC]

LIAO YUAN YU 9

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

20060007 [Iccat]/72 [IOTC]

LILA No. 10

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC en Siofa: Panama)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7388267/20190011[Iccat]/73[IOTC]

LIMPOPO (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, NEAFC, Seafo: ROSS, ALOS, LENA, CAP GEORGE; vorige namen volgens IOTC: ROSS, ALOS, LENA, CAP GEORGE, CONBAROYA, TERCERO, LENA, ALOS, ROSS; vorige namen volgens Iccat: ROSS, ALOS, LENA, CAP GEORGE, CONBAROYA, TERCERO)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, IOTC, Seafo en Siofa: Togo, Ghana, Seychellen, Frankrijk; laatst bekende vlaggen volgens GFCM: Togo, Ghana, Seychellen)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

28 [NPFC]

LU RONG SHUI 158

Onbekend

NEAFC, NPFC, Siofa

14 [NPFC]/74[IOTC]

LU RONG YU 1189

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

24 [NPFC]/75[IOTC]

LU RONG YU 612

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

17 [NPFC]/76[IOTC]

LU RONG YUAN YU 101

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

18 [NPFC]77[IOTC]

LU RONG YUAN YU 102

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

19 [NPFC]78[IOTC]

LU RONG YUAN YU 103

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

20 [NPFC]/79[IOTC]

LU RONG YUAN YU 105

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

21 [NPFC]/80[IOTC]

LU RONG YUAN YU 106

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

22 [NPFC]/81[IOTC]

LU RONG YUAN YU 108

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

23 [NPFC]/82[IOTC]

LU RONG YUAN YU 109

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

25 [NPFC]/83[IOTC]

LU RONG YUAN YU 787

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

27 [NPFC]/84[IOTC]

LU RONG YUAN YU 797

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

26 [NPFC]/85[IOTC]

LU RONG YUAN YU YUN 958

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

20150025 [Iccat]/86 [IOTC]

MAAN YIH HSING

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20040007 [Iccat]/87 [IOTC]

MADURA 2

Onbekend

CCSBT, IOTC, GFCM, Iccat, NEAFC, Siofa

20040008 [Iccat]/88 [IOTC]

MADURA 3

Onbekend

CCSBT, IOTC, GFCM, Iccat, NEAFC, Siofa

20060002 [Iccat]/89 [IOTC]

MARIA

Onbekend

CCSBT, IOTC, GFCM, Iccat, NEAFC, Siofa

8529533/20200011 [Iccat]

MARIO 11

Senegal

CCSBT, Iccat

20180002 [Iccat]/90 [IOTC]/HSN5721[CCSBT]

MARWAN 1 (vorige namen volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa: AL WESAM 4, CHAICHANACHOKE 8)

Somalië [volgens CCSBT, IOTC, NEAFC, Siofa]; onbekend [volgens Iccat] (laatst bekende vlaggen volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Djibouti, Thailand)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20060005 [Iccat]/91 [IOTC]

MELILLA No. 101  (3)

Onbekend (laatst bekende vlag: Panama)

CCSBT, GFCM, IOTC, Iccat, NEAFC, Siofa

20060004 [Iccat]/92 [IOTC]

MELILLA No. 103  (3)

Onbekend (laatst bekende vlag: Panama)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7385174/93[IOTC]/20200006[Iccat]

MURTOSA

Onbekend (laatst bekende vlag volgens GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa: Togo)

GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa

14613 [IATTC]/M-00545, 20110003 [Iccat]/M-00545 [WCPFC, CCSBT]/95[IOTC]/C-00545(IATTC/IOTC)

NEPTUNE

Onbekend [volgens CCSBT, GFCM, Iccat, Siofa en WCPFC], Georgië [volgens IATTC, IOTC, NEAFC] (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, Siofa, de WCPFC: Georgië)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa, WCPFC

20160001 [Iccat]/96 [IOTC]

NEW BAI I No. 168 (vorige naam volgens Siofa: TAI YUAN No. 227; vorige naam volgens Iccat: SAMUDERA)

Onbekend [volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC], Liberia [volgens Siofa] (laatst bekende vlaggen volgens Iccat: Liberia, Indonesië)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

8808654/50628PE XT[CCSBT]

NIKA

Panama

CCAMLR, CCSBT, Siofa

20060008 [Iccat]/98 [IOTC]

No. 2 CHOYU

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC en Siofa: Honduras)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20060011 [Iccat]/99 [IOTC]

No. 3 CHOYU

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC en Siofa: Honduras)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

8808903/20190012 [Iccat]/100 [IOTC]

NORTHERN WARRIOR (vorige namen MILLENNIUM, SIP 3)

Angola (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, IOTC, Seafo en Siofa: Curaçao, Nederlandse Antillen, Zuid-Afrika, Belize, Marokko)

CCAMLR, CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

20040006 [Iccat]/101 [IOTC]

OCEAN DIAMOND

Onbekend

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7826233/20090001 [Iccat]/102-139[IOTC]

OCEAN LION [volgens IOTC, GFCM, NEAFC en Siofa]; XING HAI FEN [volgens Iccat, NEAFC]; XING HAI FENG [volgens CCSBT, IOTC, Siofa]; (vorige naam volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa: OCEAN LION)  (3)

Onbekend [volgens GFCM, IOTC, NEAFC, Siofa], Panama [volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa] (laatst bekende vlag: Equatoriaal-Guinea)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

8665193/20200010 [Iccat]

OCEAN STAR No. 2 (vorige naam volgens Iccat: WANG FA)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens Iccat: Vanuatu, Bolivia)

CCSBT, Iccat

11369 [IATTC]/20130008 [Iccat]/104[IOTC]

ORCA

Onbekend (laatst bekende vlag: Belize)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20060012 [Iccat]/105 [IOTC]

ORIENTE No. 7

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC en Siofa: Honduras)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

5062479/20190013 [Iccat]/106 [IOTC]

PERLON (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, Iccat, NEAFC, Seafo: CHERNE, BIGARO, HOKING, SARGO, LUGALPESCA; vorige namen volgens IOTC: CHERNE, SARGO, HOKING, BIGARO, UGALPESCAA; vorige namen volgens GFCM en Siofa: CHERNE, SARGO, HOKING, BIGARO, LUGALPESCA)

Onbekend (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, IOTC, Seafo en Siofa: Mongolië, Togo, Uruguay; laatst bekende vlaggen volgens GFCM: Uruguay, Mongolië, Togo)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

9319856/20150033 [Iccat]/107 [IOTC]

PESCACISNE 1/PESCACISNE 2 (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, NEAFC, Seafo en Siofa: ZEMOUR 1, KADEI, SONGHUA, YUNNAN, NIHEWAN, HUIQUAN, WUTAISHAN ANHUI 44, YANGZI HUA 44, TROSKY, PALOMA V; vorige naam volgens IOTC: PALOMA V)

Onbekend [volgens CCAMLR, GFCM, NEAFC, Seafo en Siofa], Mauritanië [volgens Iccat en IOTC] (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, Seafo en Siofa: Mauritanië, Equatoriaal-Guinea, Indonesië, Tanzania, Mongolië, Cambodja, Namibië, Uruguay; laatst bekende vlag volgens Iccat en IOTC: Equatoriaal-Guinea)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

95 [IATTC]/20130009 [Iccat]/109[IOTC]

REYMAR 6

Onbekend (laatst bekende vlag: Belize)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20130013[Iccat]/110 [IOTC]

SAMUDERA PASIFIK No. 18 (vorige namen volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC: KAWIL No. 03, LADY VI-T-III)

Indonesië

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150026 [Iccat]/111 [IOTC]

SAMUDERA PERKASA 11

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150027 [Iccat]/41 [IOTC]/112[IOTC]

SAMUDERA PERKASA 12 [volgens Iccat], SAMUDRA PERKASA 12 [volgens CCSBT, IOTC, Siofa]

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7424891/20190014 [Iccat]/113 [IOTC]

SEA URCHIN (vorige namen ALDABRA, OMOA I)

Gambia/staatloos [volgens CCAMLR, CCSBT], Gambia [volgens GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo en Siofa] (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, IOTC, Seafo en Siofa: Tanzania, Honduras)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

8692342 /20180004 [Iccat]/114[IOTC]HSB3852 [IOTC/CCSBT]

SEA VIEW [volgens Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa], SEAVIEW [volgens CCSBT] (vorige namen volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa: AL WESAM 2, CHAINAVEE 55)

Kameroen (laatst bekende vlaggen volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Djibouti, Thailand)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

8692354/20180005 [Iccat]/115[IOTC]/HSN5282 [IOTC/CCSBT]

SEA WIND (vorige namen volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa: AL WESAM 1, SUPPHERMNAVEE 21)

Kameroen (laatst bekende vlaggen volgens CCSBT, Iccat, IOTC en Siofa: Djibouti, Thailand)

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20080004 [Iccat]/116 [IOTC]

SHARON 1 (vorige namen volgens GFCM en Siofa: MANARA I, POSEIDON; vorige namen volgens CCSBT, Iccat en IOTC: MANARA 1, POSEIDON)

Onbekend (laatst bekende vlag volgens GFCM, IOTC en Siofa: Libië; laatst bekende vlaggen volgens CCSBT en Iccat: Libië, Verenigd Koninkrijk)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20170014 [Iccat]/117 [IOTC]

SHENG JI QUN 3

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150028 [Iccat]/118 [IOTC]

SHUEN SIANG

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20170015 [Iccat]/119 [IOTC]

SHUN LAI (vorige naam volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa: HSIN JYI WANG No. 6)

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150029 [Iccat]/120 [IOTC]

SIN SHUN FA 6

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150030 [Iccat]/121 [IOTC]

SIN SHUN FA 67

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150031 [Iccat]/122 [IOTC]

SIN SHUN FA 8

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150032 [Iccat]/123 [IOTC]

SIN SHUN FA 9

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20050001 [Iccat]/124 [IOTC]

SOUTHERN STAR 136 (vorige naam volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, Siofa: HSIANG CHANG)

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC en Siofa: Saint Vincent en de Grenadines)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150034 [Iccat]/125 [IOTC]

SRI FU FA 168

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150035 [Iccat]/126 [IOTC]

SRI FU FA 18

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150036 [Iccat]/127 [IOTC]

SRI FU FA 188

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150037 [Iccat]/128 [IOTC]

SRI FU FA 189

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150038 [Iccat]/129 [IOTC]

SRI FU FA 286

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150039 [Iccat]/130 [IOTC]

SRI FU FA 67

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150040 [Iccat]/131 [IOTC]

SRI FU FA 888

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

8514772/20190015 [Iccat]/132 [IOTC]

STS-50 (vorige namen volgens CCAMLR, CCSBT, Iccat, NEAFC, Seafo: AYDA, SEA BREEZE, ANDREY DOLGOV, STD No. 2, SUN TAI No. 2, SHINSEI MARU No. 2; vorige namen volgens IOTC en Siofa: AYDA, SEA BREEZ 1, ANDREY DOLGOV, STD No. 2, SUNTAI No.2, SUN TAI No. 2, SHINSEI MARU No. 2; vorige namen volgens GFCM: AYDA, SEA BREEZE, ANDREY DOLGOV, STD No. 2, SUNTAI No. 2, SUN TAI No. 2, SHINSEI MARU No. 2)

Togo [volgens CCAMLR, CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa], onbekend [volgens GFCM] (laatst bekende vlaggen volgens CCAMLR, Seafo: Cambodja, Republiek Korea, Filipijnen, Japan, Namibië, Japan; laatst bekende vlaggen volgens IOTC: Cambodja, Republiek Korea, Filipijnen, Japan, Namibië, Togo)

CCAMLR, CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Seafo, Siofa

7816472/103[IOTC]/20200008[Iccat]

SUMMER REFER [volgens GFCM, NEAFC, Siofa], OKAPI MARTA [volgens Iccat, IOTC, NEAFC]  (3)

Onbekend [volgens GFCM, NEAFC, Siofa], Belize [volgens Iccat, IOTC, NEAFC]

GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

9259070[NEAFC]/9405 [IATTC]/20130010 [Iccat]/133[IOTC]

TA FU 1

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC: Belize)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

13568 [IATTC]/20130011 [Iccat]/134[IOTC]/490810002[CCSBT/IATTC]

TCHING YE No. 6 (vorige naam volgens GFCM, Iccat, IOTC, Siofa: EL DIRIA I)

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, IATTC, IOTC, NEAFC, Siofa: Belize; laatst bekende vlaggen volgens Iccat: Belize, Costa Rica)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20150041 [Iccat]/135 [IOTC]

TIAN LUNG No.12

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

7321374/136[IOTC]/20200009[Iccat]

TRINITY (vorige namen volgens de NAFO: YUCUTAN BASIN, ENXEMBRE, FONTE NOVA, JAWHARA; vorige namen volgens Iccat, IOTC, NEAFC, SEAFO: ENXEMBRE, YUCUTAN BASIN, FONTENOVA, JAWHARA)

Onbekend (laatst bekende vlag volgens GFCM: Ghana; laatst bekende vlaggen volgens NAFO: Ghana, Panama; laatst bekende vlaggen volgens IOTC, NEAFC, Seafo en Siofa: Ghana, Panama, Marokko; laatst bekende vlaggen volgens Iccat: Turkije, Panama, Marokko)

GFCM, Iccat, IOTC, NAFO, NEAFC, Seafo, Siofa

8994295/129 [IATTC]/20130012 [Iccat]/137[IOTC]/280110095[CCSBT/IATTC]

WEN TENG No. 688/MAHKOIA ABADI No. 196 [volgens de GFCM, de IATTC en de Siofa], WEN TENG No. 688 [volgens CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC] (vorige naam volgens Iccat, IOTC: MAHKOIA ABADI No. 196)

Onbekend (laatst bekende vlag: Belize)

CCSBT, GFCM, IATTC, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

138 [IOTC]

XIN SHI JI 16 (vorige naam volgens IOTC, Siofa: HSINLONG No. 5 )

Fiji

IOTC, NEAFC, Siofa

20150045 [Iccat]/140 [IOTC]

YI HONG 3

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20130002 [Iccat]

YU FONG 168

Onbekend [volgens CCSBT, GFCM, Iccat, NEAFC, Siofa en WCPFC] (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, Siofa, de WCPFC: Taiwan)

CCSBT, GFCM, Iccat, NEAFC, Siofa, WCPFC

20150048 [Iccat]/141 [IOTC]

YU FONG 168

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC

2009002 [Iccat]/142 [IOTC]

YU MAAN WON

Onbekend (laatst bekende vlag volgens CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC en Siofa: Georgië)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

412356488[Siofa]/31 [NPFC]

YUANDA 6

Onbekend

NEAFC, NPFC, Siofa

412365486[Siofa]/32 [NPFC]

YUANDA 8

Onbekend

NEAFC, NPFC, Siofa

20170016 [Iccat]/143 [IOTC]

YUTUNA 3 (vorige naam volgens CCSBT, Iccat, IOTC, Siofa: HUNG SHENG No. 166)

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

20170017 [Iccat]/144 [IOTC]

YUTUNA No.1

Onbekend

CCSBT, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

15 [NPFC]/145[IOTC]

ZHE LING YU LENG 90055

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

16 [NPFC]/146[IOTC]

ZHE LING YU LENG 905

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

412123526[Siofa]/33 [NPFC]

ZHEXIANG YU 23029

Onbekend

NEAFC, NPFC, Siofa

7302548/2006003[Iccat]/97[IOTC]

ZHI MING [volgens CCSBT, Iccat, NEAFC], No. 101 GLORIA [volgens GFCM, IOTC, NEAFC, Siofa] (vorige namen volgens CCSBT, Iccat: GOLDEN LAKE, NO. 101 GLORIA; vorige naam volgens GFCM, IOTC, NEAFC, Siofa: GOLDEN LAKE)  (3)

Mongolië [volgens CCSBT, Iccat, NEAFC], onbekend [volgens GFCM, IOTC, NEAFC, Siofa] (laatst bekende vlag: Panama)

CCSBT, GFCM, Iccat, IOTC, NEAFC, Siofa

4 [NPFC]/147[IOTC]

ZHOU YU 651

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

5 [NPFC]/148[IOTC]

ZHOU YU 652

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

6 [NPFC]/149[IOTC]

ZHOU YU 653

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

7 [NPFC]/150[IOTC]

ZHOU YU 656

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

8 [NPFC]/151[IOTC]

ZHOU YU 657

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

9 [NPFC]/152[IOTC]

ZHOU YU 658

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

10 [NPFC]/153[IOTC]

ZHOU YU 659

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

11 [NPFC]/154[IOTC]

ZHOU YU 660

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

12 [NPFC]/155[IOTC]

ZHOU YU 661

Onbekend

IOTC, NEAFC, NPFC, Siofa

29 [NPFC]

ZHOU YU 808/Onbekend

Onbekend

NEAFC  (4), NPFC, Siofa

30 [NPFC]

ZHOU YU 809/Onbekend

Onbekend

NEAFC  (4), NPFC, Siofa


(1)  Internationale Maritieme Organisatie.

(2)  Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de websites van de regionale visserijorganisaties (ROVB’s).

(3)  Dit vaartuig is door bepaalde ROVB’s meermaals op de lijst geplaatst; daarom is alle informatie in dezelfde rij gekopieerd. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de websites van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s).

(4)  De NEAFC heeft één vaartuig met de naam “ONBEKEND” opgenomen in haar lijst van IOO-vaartuigen naar aanleiding van “cross-listing” met de lijst van de NPFC; het is echter onmogelijk te bepalen om welk vaartuig het gaat. Daarom wordt voor beide vaartuigen met de naam “ONBEKEND” verwezen naar NEAFC.


9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/37


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1121 VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2021

tot nadere vaststelling van de details van de door de lidstaten in te dienen statistische gegevens over controles van de veiligheid en conformiteit van producten die de markt van de Unie binnenkomen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (1), en met name artikel 25, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) 2019/1020 moeten de lidstaten de Commissie gedetailleerde statistische gegevens sturen over de controles die door de door overeenkomstig artikel 25, lid 1, van die verordening aangewezen autoriteiten zijn uitgevoerd op producten die de markt van de Unie binnenkomen en onder het Unierecht vallen. In Verordening (EU) 2019/1020 is met name bepaald dat de statistische gegevens het aantal controles van dergelijke producten op het vlak van productveiligheid en conformiteit moeten omvatten.

(2)

De details van deze statistische gegevens moeten nader worden vastgesteld.

(3)

Als een controle door de overeenkomstig artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1020 aangewezen autoriteiten ertoe heeft geleid dat de markttoezichtautoriteiten eisen dat een product overeenkomstig artikel 28, leden 1 en 2, van die verordening niet in het vrije verkeer wordt gebracht, moeten de statistische gegevens over het aantal controles worden aangevuld met meer gedetailleerde informatie over het betreffende product om de problemen en trends met betrekking tot de veiligheid en conformiteit van het product beter te begrijpen. De verstrekte statistische gegevens kunnen ook bijdragen tot een beter risicobeheer.

(4)

Hoewel de bij de Commissie ingediende statistische gegevens over controles alle controles op producten die de markt van de Unie binnenkomen moeten omvatten, moeten deze desondanks alleen de controles omvatten waarbij de aangewezen autoriteiten daadwerkelijk hebben opgetreden. Daarom mogen de statistische gegevens geen gegevens bevatten over controles die alleen door middel van elektronische gegevensverwerkingstechnieken zijn uitgevoerd.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 43 van Verordening (EU) 2019/1020 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) 2019/1020 in te dienen statistische gegevens bevatten de volgende details van de controles van producten die onder het Unierecht vallen met betrekking tot de veiligheid en conformiteit van het product:

a)

het totale aantal controles;

b)

het aantal controles dat heeft geleid tot een opschorting van het in het vrije verkeer brengen overeenkomstig artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) 2019/1020;

c)

voor iedere controle die ertoe heeft geleid dat de desbetreffende autoriteiten eisen dat de desbetreffende marktdeelnemers specifieke maatregelen nemen of ertoe heeft geleid dat de markttoezichtautoriteit overeenkomstig artikel 28, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2019/1020 eist dat een product niet in het vrije verkeer wordt gebracht:

i)

de datum waarop de douaneaangifte door de douaneautoriteiten is aanvaard;

ii)

een indicatie van het soort douaneaangifte in geval het een douaneaangifte met een beperkte gegevensset als bedoeld in de artikelen 143 bis en 144 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (2) betreft;

iii)

het land van oorsprong (gegevenselement 16 08 000 000) of, indien dat niet bekend is, het land van de exporteur (gegevenssubelement 13 01 018 020);

iv)

de code onderverdeling geharmoniseerd systeem (gegevenssubelement 18 09 056 000);

v)

indien beschikbaar, de code gecombineerde nomenclatuur (gegevenssubelement 18 09 057 000);

vi)

de aanvullende eenheden (gegevenselement 18 02 000 000) of, indien niet beschikbaar, de nettomassa (gegevenssubelement 18 01 000 000);

vii)

de vervoerswijze aan de grens (gegevenselement 19 03 000 000);

viii)

de belangrijkste categorie van de betreffende producten;

ix)

de belangrijkste Uniewetgeving waarop volgens de markttoezichtautoriteiten inbreuk wordt gemaakt;

x)

een indicatie of het product in het vrije verkeer kan worden gebracht als de desbetreffende marktdeelnemers de door de desbetreffende autoriteiten vereiste specifieke maatregelen nemen.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens omvatten de gegevens van alle controles, behalve controles die uitsluitend met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken zijn uitgevoerd.

3.   Indien een douaneaangifte producten omvat die onder twee of meer items in die douaneaangifte vallen, wordt de controle van elk van deze items voor de toepassing van lid 1 als een afzonderlijke controle beschouwd.

4.   Voor de toepassing van lid 1, punt c), iii) tot en met vii), van dit artikel komen de in te dienen gegevens overeen met de beschikbare informatie in de douaneaangifte onder het overeenkomstige gegevenselement van bijlage B bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446. Indien lidstaten echter overeenkomstig de artikelen 2, 143 bis en 144 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 of andere in die gedelegeerde verordening vastgestelde overgangsbepalingen afwijkende gegevensvereisten op de douaneaangifte toepassen, komen de in te dienen gegevens overeen met gelijkwaardige, in de douaneaangifte opgenomen informatie waarop die gegevensvereisten van toepassing zijn.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 16 juli 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).


9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/39


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1122 VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2021

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 waarbij de Norwegian Interbank Offered Rate wordt toegevoegd aan en de London Interbank Offered Rate wordt verwijderd van de lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks die op grond van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad is vastgesteld

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (1), en met name artikel 20, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Benchmarks kunnen als cruciaal worden erkend overeenkomstig artikel 20, lid 1, punt a), b) of c), van Verordening (EU) 2016/1011. In artikel 20, lid 1, punt b), wordt bepaald dat benchmarks, om als cruciale benchmarks te worden erkend, gebaseerd moeten zijn op inputgegevens door contribuanten die voor het merendeel in één lidstaat gevestigd zijn, en als cruciaal in die lidstaat moeten worden erkend. Op 11 augustus 2016 heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 van de Commissie (2) vastgesteld waarbij een lijst van cruciale benchmarks is opgesteld.

(2)

Verordening (EU) 2016/1011 is van toepassing in de Europese Economische Ruimte (EER) en is op 6 december 2019 in Noorse wetgeving omgezet.

(3)

Op 3 december 2020 heeft de Noorse bevoegde autoriteit, de Finanstilsynet, de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”) in kennis gesteld van haar voorstel om de Norwegian Interbank Offered Rate (“NIBOR”) als cruciale benchmark te erkennen, overeenkomstig artikel 20, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/1011, omdat de NIBOR van cruciaal belang is in Noorwegen en gebaseerd is op indieningen door contribuanten die alle in Noorwegen gevestigd zijn.

(4)

De NIBOR is een referentierente die gebaseerd is op een gemiddelde van de rentevoeten waartegen banken die op de Noorse geldmarkt actief zijn, bereid zijn ongedekte financiële middelen met verschillende looptijden aan elkaar te lenen. De NIBOR wordt dagelijks bepaald voor vijf verschillende looptijden: één week en één, twee, drie en zes maanden. Sinds 3 december 2020 nemen aan het NIBOR-panel zes banken deel, die alle in Noorwegen gevestigd zijn.

(5)

In haar aan de ESMA voorgelegde beoordeling concludeerde de Finanstilsynet dat de stopzetting van de NIBOR, of de aanbieding ervan op basis van inputgegevens die niet langer representatief zijn, of een panel van contribuanten dat niet langer representatief is, voor de onderliggende markt of economische realiteit, een significante negatieve impact zou kunnen hebben op de werking van de financiële markten in Noorwegen.

(6)

Uit de beoordeling van de Finanstilsynet blijkt dat de NIBOR als referentie wordt gebruikt bij leningen aan huishoudens en niet-financiële instellingen ten bedrage van ongeveer 418 miljard EUR, hetgeen overeenkomt met 94 % van het totaal van de in Noorwegen aan huishoudens en niet-financiële instellingen verstrekte leningen, en met 136 % van het bruto binnenlands product (bbp) van Noorwegen. Voorts wordt de NIBOR gebruikt als referentie voor de couponbetalingen van ongeveer 60 % van de totale nominale waarde van obligaties met variabele rente in Noorwegen, wat neerkomt op een totaal bedrag van ongeveer 130 miljard EUR. De Finanstilsynet toonde, op basis van gegevens van één enkele centrale tegenpartij, eveneens aan dat de NIBOR vanaf oktober 2020 als referentie wordt gebruikt in buiten de beurs verhandelde (OTC) rentederivaten voor een uitstaand notioneel bedrag van ten minste 1988 miljard EUR. Tot slot gaf de Finanstilsynet aan dat de NIBOR momenteel als referentie wordt gebruikt bij beleggingsfondsen met een totale intrinsieke waarde van 0,3 miljard EUR. De totale waarde van de financiële instrumenten en financiële contracten die de NIBOR als referentierente hebben, is dus ten minste acht keer hoger dan het bruto nationaal product van Noorwegen.

(7)

De conclusie van de beoordeling door de Finanstilsynet luidde dat de NIBOR van vitaal belang is voor de financiële stabiliteit en de marktintegriteit in Noorwegen en dat indien de NIBOR niet werd voortgezet of onbetrouwbaar was, dit een significante negatieve impact zou kunnen hebben op de werking van de financiële markten in Noorwegen en op bedrijven en consumenten, omdat deze wordt gebruikt voor leningen, kredietproducten voor consumenten, otc-rentederivaten en beleggingsfondsen.

(8)

Op 28 januari 2021 heeft de ESMA de Commissie haar advies gezonden waarin zij uiteenzette dat de beoordeling door de Finanstilsynet voldoet aan de vereisten van artikel 20, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 en dat de Finanstilsynet was gekomen met kwantitatieve gegevens ter onderbouwing van de argumenten voor de erkenning van de NIBOR als cruciale benchmark en een argumentatieve analyse waarin op de cruciale rol van de NIBOR in de Noorse economie werd gewezen.

(9)

Krachtens artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1011 moet de Commissie zorgen voor een tweejaarlijkse evaluatie van de lijst van door beheerders in de Unie aangeboden cruciale benchmarks. Op 31 januari 2020 heeft het Verenigd Koninkrijk de Unie verlaten. Benchmarks die worden aangeboden door een beheerder uit het Verenigd Koninkrijk kunnen daarom niet langer als cruciale benchmarks worden aangemerkt en moeten worden verwijderd uit de lijst van cruciale benchmarks in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368. De London Interbank Offered Rate (LIBOR), die op 19 december 2017 als een cruciale benchmark werd aangemerkt, moet daarom worden verwijderd van de lijst van cruciale benchmarks in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368.

(10)

Verordening (EU) 2016/1011 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/2175 van het Europees Parlement en de Raad (3), onder meer om de ESMA met ingang van 1 januari 2022 aan te wijzen als de bevoegde autoriteit voor beheerders van cruciale benchmarks als bedoeld in artikel 20, lid 1, punten a) en c), van Verordening (EU) 2016/1011. De bevoegdheid voor beheerders van cruciale benchmarks als bedoeld in artikel 20, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/1011 blijft echter berusten bij de desbetreffende nationale bevoegde autoriteit. Het is daarom passend om in de door de Commissie vastgestelde lijst van cruciale benchmarks een onderscheid te maken tussen de cruciale benchmarks als bedoeld in artikel 20, lid 1, punten a) en c), van Verordening (EU) 2016/1011 en die als bedoeld in artikel 20, lid 1, punt b), van die verordening.

(11)

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Gezien het cruciale belang van de NIBOR, het grootschalige gebruik ervan en de rol die hij speelt bij de toewijzing van kapitaal in Noorwegen, moet deze verordening met spoed in werking treden.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 van de Commissie van 11 augustus 2016 tot vaststelling van een lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 217 van 12.8.2016, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2019/2175 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), Verordening (EU) nr. 1094/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), Verordening (EU) nr. 1095/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), Verordening (EU) nr. 600/2014 betreffende markten in financiële instrumenten, Verordening (EU) 2016/1011 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en Verordening (EU) 2015/847 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie (PB L 334 van 27.12.2019, blz. 1).


BIJLAGE

“BIJLAGE

Lijst van cruciale benchmarks opgesteld op grond van artikel 20, lid 1, punten a) en c), van Verordening (EU) 2016/1011

Nr.

Benchmark

Beheerder

Plaats

1

Euro Interbank Offered Rate (EURIBOR®)

European Money Markets Institute (EMMI)

Brussel, België

2

Euro Overnight Index Average (EONIA®)

European Money Markets Institute (EMMI)

Brussel, België


Lijst van cruciale benchmarks opgesteld op grond van artikel 20, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2016/1011

Nr.

Benchmark

Beheerder

Plaats

1

Stockholm Interbank Offered Rate (STIBOR)

Zweedse vereniging van banken (Svenska Bankföreningen)

Stockholm, Zweden

2

Warsaw Interbank Offered Rate (WIBOR)

GPW Benchmarks S.A.

Warschau, Polen

5

Norwegian Interbank Offered Rate (NIBOR)

Norske Finansielle Referanser (NoRe)

Oslo, Noorwegen


9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/43


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1123 VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2021

tot opschorting van de handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika die bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 zijn ingesteld naar aanleiding van de uitspraak in een handelsgeschil in het kader van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 654/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (1), en met name artikel 7, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 7 november 2020 heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 (2) betreffende handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika (de Verenigde Staten) naar aanleiding van de uitspraak in een handelsgeschil in het kader van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vastgesteld, die voorziet in de toepassing van aanvullende douanerechten op de invoer in de Unie van een aantal producten van oorsprong uit de Verenigde Staten.

(2)

Luidens overweging 9 van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 is de Commissie voornemens de toepassing van de verordening op te schorten indien de Verenigde Staten de tegenmaatregelen tegen invoer van bepaalde producten uit de Europese Unie in verband met de WTO-geschillen over grote burgerluchtvaartuigen opschorten.

(3)

Nadat met de Verenigde Staten overeenstemming was bereikt over de wederzijdse opschorting van alle maatregelen voor een periode van vier maanden, heeft de Commissie op 9 maart 2021 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/425 (3) tot opschorting van de handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika die bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 zijn ingesteld naar aanleiding van de uitspraak in een handelsgeschil in het kader van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie, vastgesteld waarbij de toepassing van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 tot en met 10 juli 2021 werd opgeschort.

(4)

Op 15 juni 2021 hebben uitvoerend vicevoorzitter Valdis Dombrovskis en de Amerikaanse handelsgezant Katherine Tai overeenstemming bereikt over een samenwerkingskader voor grote burgerluchtvaartuigen, waarbij “elke partij voornemens is de toepassing van zijn tegenmaatregelen voor een periode van vijf jaar op te schorten”.

(5)

Artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 654/2014 luidt: “Indien aanpassingen nodig zijn in handelspolitieke maatregelen die krachtens deze verordening zijn vastgesteld, kan de Commissie, onder voorbehoud van artikel 4, leden 2 en 3, passende wijzigingen vaststellen overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 8, lid 2.”

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij Verordening (EU) 2015/1843 van het Europees Parlement en de Raad (4) ingestelde Comité inzake handelsbelemmeringen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De toepassing van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 wordt met ingang van 11 juli 2021 voor een periode van vijf jaar opgeschort. Behoudens eventuele verdere opschorting of wijziging, met inbegrip van eerdere hernieuwde instelling, zullen de douanerechten waarin Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 voorziet met ingang van 11 juli 2026 derhalve opnieuw van toepassing zijn.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking met ingang van 11 juli 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 189 van 27.6.2014, blz. 50, gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/1843 (PB L 272 van 16.10.2015, blz. 1) en Verordening (EU) 2021/167 (PB L 49 van 12.2.2021, blz. 1).

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 van de Commissie van 7 november 2020 betreffende handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van de uitspraak in een handelsgeschil in het kader van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie (PB L 373 van 9.11.2020, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/425 van de Commissie van 9 maart 2021 tot opschorting van de handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika die bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1646 zijn ingesteld naar aanleiding van de uitspraak in een handelsgeschil in het kader van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie (PB L 84 van 9.3.2021, blz. 16).

(4)  Verordening (EU) 2015/1843 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 tot vaststelling van procedures van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Unie ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (codificatie) (PB L 272 van 16.10.2015, blz. 1).


BESLUITEN

9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/45


BESLUIT (EU) 2021/1124 VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN

van 7 juli 2021

tot benoeming van twee rechters en twee advocaten-generaal bij het Hof van Justitie

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 253 en 255,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ambtstermijn van veertien rechters en zes advocaten-generaal bij het Hof van Justitie verstrijkt op 6 oktober 2021.

(2)

Er zijn benoemingen nodig om deze vacatures te vervullen voor de periode van 7 oktober 2021 tot en met 6 oktober 2027.

(3)

Mevrouw Küllike JÜRIMÄE is voorgedragen voor verlenging van haar ambtstermijn als rechter bij het Hof van Justitie.

(4)

De heer Manuel CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA is voorgedragen voor verlenging van zijn ambtstermijn als advocaat-generaal bij het Hof van Justitie.

(5)

Mevrouw Maria Lourdes ARASTEY SAHÚN is voorgedragen voor een eerste ambtstermijn als rechter bij het Hof van Justitie.

(6)

Mevrouw Tamara ĆAPETA is voorgedragen voor het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Justitie.

(7)

Het comité dat is ingesteld krachtens artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft een positief advies uitgebracht over de geschiktheid van die kandidaten voor de uitoefening van het ambt van rechter en advocaat-generaal bij het Hof van Justitie,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de periode van 7 oktober 2021 tot en met 6 oktober 2027 worden benoemd tot rechter bij het Hof van Justitie:

mevrouw Küllike JÜRIMÄE,

mevrouw Maria Lourdes ARASTEY SAHÚN.

Artikel 2

Voor de periode van 7 oktober 2021 tot en met 6 oktober 2027 worden benoemd tot advocaat-generaal bij het Hof van Justitie:

de heer Manuel CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA,

mevrouw Tamara ĆAPETA.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 7 juli 2021.

De voorzitter

I. JARC


9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/47


BESLUIT (EU) 2021/1125 VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2021

tot weigering het aan een recept onderworpen geneesmiddel Zinc-D-gluconate op te nemen in de lijst van geneesmiddelen waarop de in artikel 54, punt o), van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad bedoelde veiligheidskenmerken niet worden aangebracht

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (1), en met name artikel 54 bis, lid 4,

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 van de Commissie van 2 oktober 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van gedetailleerde regels voor de veiligheidskenmerken op de verpakking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 54 bis, lid 1, van Richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat op aan een recept onderworpen geneesmiddelen veiligheidskenmerken als bedoeld in artikel 54, punt o), van die richtlijn moeten worden aangebracht, tenzij deze geneesmiddelen in een lijst zijn opgenomen volgens de procedure ingevolge artikel 54 bis, lid 2, punt b), van die richtlijn. Bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 bevat een lijst van aan een recept onderworpen geneesmiddelen of productcategorieën waarop de veiligheidskenmerken niet worden aangebracht, op basis van het risico op vervalsing van geneesmiddelen of categorieën geneesmiddelen en het risico dat uit een dergelijke vervalsing voortvloeit. Het aan een recept onderworpen geneesmiddel Zinc-D-gluconate is niet in die lijst opgenomen.

(2)

Op 15 februari 2019 heeft de Duitse bevoegde autoriteit, overeenkomstig artikel 54 bis, lid 4, van Richtlijn 2001/83/EG en artikel 46, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161, de Commissie per e-mail meegedeeld dat zij inschat dat voor het aan een recept onderworpen geneesmiddel Zinc-D-gluconate overeenkomstig de criteria van artikel 54 bis, lid 2, punt b), van Richtlijn 2001/83/EG geen risico op vervalsing bestaat. De Duitse bevoegde autoriteit was van oordeel dat Zinc-D-gluconate daarom moet worden vrijgesteld van de verplichting dat de in artikel 54, punt o), van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde veiligheidskenmerken erop worden aangebracht.

(3)

Rekening houdend met de criteria opgenomen in artikel 54 bis, lid 2, punt b), van Richtlijn 2001/83/EG heeft de Commissie het risico op vervalsing van het betrokken geneesmiddel en het risico dat uit een dergelijke vervalsing voortvloeit, beoordeeld. Aangezien het geneesmiddel is toegelaten voor de behandeling van ernstige aandoeningen zoals de ziekte van Wilson en acrodermatitis enteropathica, heeft de Commissie met name de ernst van de te behandelen aandoeningen beoordeeld, als bedoeld in artikel 54 bis, lid 2, punt b), iv), van die richtlijn en vastgesteld dat de risico’s van vervalsing niet verwaarloosbaar waren. Er werd geoordeeld dat daarom niet aan de criteria was voldaan.

(4)

Het is daarom niet passend het geneesmiddel Zinc-D-gluconate in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 op te nemen en het mag niet worden vrijgesteld van de verplichting dat de in artikel 54, punt o), van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde veiligheidskenmerken erop worden aangebracht.

(5)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met de beoordeling van de deskundigengroep van de Europese Commissie voor de gedelegeerde handeling inzake veiligheidskenmerken voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het aan een recept onderworpen geneesmiddel Zinc-D-gluconate wordt niet opgenomen in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/161 en is niet vrijgesteld van de verplichting dat de in artikel 54, punt o), van Richtlijn 2001/83/EG bedoelde veiligheidskenmerken erop worden aangebracht.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.

(2)  PB L 32 van 9.2.2016, blz. 1.


9.7.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 243/49


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/1126 VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2021

houdende vaststelling van de gelijkwaardigheid van de door Zwitserland afgegeven COVID-19-certificaten aan de overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad afgegeven certificaten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren (1), en met name artikel 3, lid 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2021/953 wordt een kader vastgesteld voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat), teneinde de uitoefening van het recht van vrij verkeer door de houders van dergelijke certificaten tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren. Voorts helpt de verordening de geleidelijke en gecoördineerde opheffing door de lidstaten te faciliteren van de ingestelde beperkingen van het vrije verkeer, in overeenstemming met het Unierecht, teneinde de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken.

(2)

Burgers van de Unie en Zwitserse onderdanen genieten wederzijdse rechten van binnenkomst en verblijf op grond van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (2) (hierna de “overeenkomst over het vrije verkeer van personen” genoemd). Hoewel artikel 5, lid 1, van bijlage I bij de overeenkomst over het vrije verkeer van personen voorziet in de mogelijkheid om het vrije verkeer om redenen van volksgezondheid te beperken, bevat de overeenkomst geen mechanisme om er handelingen van de Unie in op te nemen. Zwitserland valt dus onder de machtigingsbepaling van artikel 3, lid 10, van Verordening (EU) 2021/953.

(3)

Op 4 juni 2021 heeft Zwitserland een besluit inzake COVID-19-certificaten (3) aangenomen (hierna “het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten” genoemd), dat de rechtsgrondslag vormt voor de afgifte van COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten.

(4)

Op 23 juni 2021 heeft Zwitserland de Commissie meegedeeld dat het alleen interoperabele vaccinatiecertificaten afgeeft voor COVID-19-vaccins die in Zwitserland zijn toegelaten. Momenteel gaat het onder meer om de COVID-19-vaccins Comirnaty, Moderna en Janssen, die overeenkomen met de in artikel 5, lid 5, eerste alinea, van Verordening (EU) 2021/953 bedoelde COVID-19-vaccins. Zwitserland heeft de Commissie voorts meegedeeld dat het een COVID-19-vaccinatiecertificaat afgeeft na de toediening van elke dosis en dat het duidelijk vermeldt of de vaccinatiecyclus al dan niet is voltooid.

(5)

Zwitserland heeft de Commissie ook meegedeeld dat het alleen interoperabele testcertificaten zal afgeven voor nucleïnezuuramplificatietests of voor snelle antigeentests die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke en bijgewerkte lijst van snelle COVID-19-antigeentests die door het bij artikel 17 van Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) opgerichte Gezondheidsbeveiligingscomité is goedgekeurd op basis van de aanbeveling van de Raad van 21 januari 2021 (5).

(6)

Voorts heeft Zwitserland de Commissie meegedeeld dat het ten vroegste elf dagen na een positieve test interoperabele herstelcertificaten afgeeft, die maximaal 180 dagen geldig zijn.

(7)

Zwitserland heeft de Commissie ook meegedeeld dat zijn systeem voor de afgifte van COVID-19-certificaten overeenkomstig het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten voldoet aan de technische specificaties van Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1073 van de Commissie (6).

(8)

Op 9 juni 2021 heeft de Commissie technische tests uitgevoerd waaruit bleek dat de COVID-19-certificaten die door Zwitserland overeenkomstig het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten worden afgegeven, door de lidstaten technisch kunnen worden geverifieerd met behulp van het vertrouwenskader dat op grond van Verordening (EU) 2021/953 is vastgesteld.

(9)

Op 23 juni 2021 heeft Zwitserland ook formele garanties geboden dat het de door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 afgegeven certificaten zal aanvaarden.

(10)

Met name heeft Zwitserland de Commissie meegedeeld dat het, wanneer het een vaccinatiebewijs aanvaardt om vrijstelling te verlenen van krachtens de overeenkomst over het vrije verkeer van personen ingestelde beperkingen van het vrije verkeer om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, onder dezelfde voorwaarden, ook vaccinatiecertificaten zal aanvaarden die door de lidstaten van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 zijn afgegeven voor een COVID-19-vaccin waarvoor op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (7) een vergunning voor het in de handel brengen is verleend. Zwitserland kan voor hetzelfde doel ook vaccinatiecertificaten aanvaarden die door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 zijn afgegeven voor een COVID-19-vaccin waarvoor de bevoegde autoriteit van een lidstaat op grond van Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) een vergunning voor het in de handel brengen heeft verleend, een COVID-19-vaccin waarvan de distributie tijdelijk is toegestaan op grond van artikel 5, lid 2, van die richtlijn, of een COVID-19-vaccin waarvoor de WHO-procedure voor noodtoelating is afgerond. Wanneer Zwitserland vaccinatiecertificaten voor een dergelijk COVID-19-vaccin aanvaardt, zal het, onder dezelfde voorwaarden, ook vaccinatiecertificaten aanvaarden die door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 zijn afgegeven voor hetzelfde COVID-19-vaccin.

(11)

Zwitserland heeft de Commissie voorts meegedeeld dat het, wanneer het een bewijs van een test op SARS-CoV-2-infectie verlangt om vrijstelling te verlenen van de krachtens de overeenkomst over het vrije verkeer van personen ingestelde beperkingen van het vrije verkeer om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van grensgemeenschappen, onder dezelfde voorwaarden ook testcertificaten zal aanvaarden die een negatief testresultaat vermelden en die door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 zijn afgegeven.

(12)

Zwitserland heeft de Commissie ook meegedeeld dat het, wanneer het een bewijs van herstel van een SARS-CoV-2-infectie aanvaardt om vrijstelling te verlenen van de krachtens de overeenkomst over het vrije verkeer van personen ingestelde beperkingen van het vrije verkeer om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, onder dezelfde voorwaarden ook herstelcertificaten zal aanvaarden die door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953 zijn afgegeven.

(13)

Tegelijkertijd is op 9 juni 2021 met een technische test aangetoond dat de door de lidstaten afgegeven digitale EU-COVID-certificaten door Zwitserland technisch kunnen worden geverifieerd met behulp van het vertrouwenskader dat op grond van Verordening (EU) 2021/953 is vastgesteld.

(14)

De elementen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling dat de door Zwitserland overeenkomstig het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten afgegeven COVID-19-certificaten moeten worden behandeld als gelijkwaardig aan die welke zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953, zijn dus voorhanden.

(15)

Daarom moeten de door Zwitserland overeenkomstig het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten afgegeven COVID-19-certificaten worden aanvaard onder de voorwaarden van artikel 5, lid 5, artikel 6, lid 5, en artikel 7, lid 8, van Verordening (EU) 2021/953. Wanneer de lidstaten een bewijs van vaccinatie, van herstel van een SARS-CoV-2-infectie of van een test op SARS-CoV-2-infectie aanvaarden om vrijstelling te verlenen van beperkingen van het vrije verkeer die zijn ingesteld om de verspreiding van SARS-CoV-2 in te dijken, aanvaarden zij derhalve ook, onder dezelfde voorwaarden, vaccinatiecertificaten voor een COVID-19-vaccin waarvoor op grond van Verordening (EG) nr. 726/2004 een vergunning voor het in de handel brengen is verleend, certificaten van herstel of testcertificaten die een negatief testresultaat vermelden, wanneer deze door Zwitserland overeenkomstig het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten zijn afgegeven. De lidstaten kunnen voor hetzelfde doel ook vaccinatiecertificaten aanvaarden die door Zwitserland overeenkomstig het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten zijn afgegeven voor een COVID-19-vaccin waarvoor de bevoegde Zwitserse autoriteit een vergunning voor het in de handel brengen heeft verleend, maar waarvoor geen vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 is verleend.

(16)

Ter bescherming van de belangen van de Unie, met name op het gebied van volksgezondheid, kan de Commissie gebruikmaken van haar bevoegdheden om dit besluit op te schorten of te beëindigen indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 10, van Verordening (EU) 2021/953.

(17)

Opdat dit besluit operationeel kan worden, moet Zwitserland worden aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-COVID-certificaten.

(18)

Aangezien Zwitserland zo snel mogelijk moet worden aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-COVID-certificaten, moet dit besluit in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(19)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 14 van Verordening (EU) 2021/953,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten die door Zwitserland zijn afgegeven overeenkomstig het Zwitserse besluit inzake COVID-19-certificaten worden behandeld als gelijkwaardig aan die welke zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EU) 2021/953.

Artikel 2

Zwitserland wordt aangesloten op het bij Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde vertrouwenskader voor digitale EU-COVID-certificaten.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 211 van 15.6.2021, blz. 1.

(2)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 6.

(3)  Verordnung vom 4. Juni 2021 über Zertifikate zum Nachweis einer Covid-19-Impfung, einer Covid-19-Genesung oder eines Covid-19-Testergebnisses (Covid-19-Verordnung Zertifikate), AS 2021 325/ Ordonnance du 4 juin 2021 sur les certificats attestant la vaccination contre le COVID-19, la guérison du COVID-19 ou la réalisation d’un test de dépistage du COVID-19 (Ordonnance COVID-19 certificats), RO 2021 325/Ordinanza del 4 giugno 2021 concernente i certificati attestanti l’avvenuta vaccinazione anti-COVID-19, la guarigione dalla COVID-19 o il risultato di un test COVID-19 (Ordinanza sui certificati COVID-19), RU 2021 325.

(4)  Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).

(5)  Aanbeveling van de Raad van 21 januari 2021 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het gebruik en de validering van snelle antigeentests en de wederzijdse erkenning van COVID-19-testresultaten in de EU (PB C 24 van 22.1.2021, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1073 van de Commissie van 28 juni 2021 tot vaststelling van technische specificaties en regels voor de uitvoering van het bij Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde vertrouwenskader voor het digitaal EU-COVID-certificaat (PB L 230 van 30.6.2021, blz. 32).

(7)  Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).