ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 163

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
10 mei 2021


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/753 van de Raad van 6 mei 2021 waarbij Malta wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 287 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/279

1

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/754 van de Commissie van 4 mei 2021 betreffende de verlenging van de door de Estse Gezondheidsraad genomen maatregel om het op de markt aanbieden en het gebruik van het biocide Biobor JF toe te staan overeenkomstig artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 3032)

3

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/755 van de Commissie van 6 mei 2021 tot aanwijzing van een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor herkauwers en paardachtigen overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 3009)  ( 1 )

5

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

BESLUITEN

10.5.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 163/1


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/753 VAN DE RAAD

van 6 mei 2021

waarbij Malta wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 287 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/279

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1), en met name artikel 395, lid 1, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 287, punt 13), van Richtlijn 2006/112/EG kan Malta vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (“btw”) verlenen aan drie categorieën belastingplichtigen, namelijk diegenen met een jaaromzet van niet meer dan 37 000 EUR wanneer de economische activiteit voornamelijk bestaat uit goederenleveringen, diegenen met een jaaromzet van niet meer dan 24 300 EUR wanneer de economische activiteit voornamelijk bestaat uit diensten met een lage toegevoegde waarde (hoge inputs), en diegenen met een jaaromzet van niet meer dan 14 600 EUR in andere gevallen, namelijk diensten met een hoge toegevoegde waarde (lage inputs).

(2)

Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/279 van de Raad (2) werd Malta gemachtigd om tot en met 31 december 2024 een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 287, punt 13), van Richtlijn 2006/112/EG, teneinde belastingplichtigen van wie de economische activiteit voornamelijk bestaat uit dienstverlening met een hoge toegevoegde waarde (lage inputs) en de jaaromzet niet hoger is dan 20 000 EUR, van de btw vrij te stellen.

(3)

Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 20 oktober 2020, heeft Malta verzocht om machtiging tot toepassing, tot en met 31 december 2024, van een maatregel die afwijkt van artikel 287, punt 13), van Richtlijn 2006/112/EG, zodat het belastingplichtigen van wie de economische activiteit voornamelijk bestaat uit dienstverlening met een lage toegevoegde waarde (hoge inputs) of uit dienstverlening met een hoge toegevoegde waarde (lage inputs) en van wie de jaaromzet niet hoger is dan 30 000 EUR, van de btw kan vrijstellen (“de derogatiemaatregel”). De Commissie heeft nadere informatie over het verzoek gevraagd, die haar bij brief, ingekomen op 9 november 2020, is verstrekt.

(4)

Overeenkomstig artikel 395, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2006/112/EG heeft de Commissie het verzoek van Malta bij brief van 17 december 2020 aan de andere lidstaten toegezonden. Bij brief van 18 december 2020 heeft de Commissie Malta meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

(5)

Aangezien de verhoogde drempel naar verwachting zal leiden tot lagere btw-verplichtingen en dus tot lagere administratieve lasten en nalevingskosten voor kleine ondernemingen, en tot een eenvoudigere belastinginning voor de belastingautoriteiten, en aangezien het effect op de totale btw-inkomsten die Malta in het stadium van het eindverbruik int, verwaarloosbaar is, moet Malta worden gemachtigd de derogatiemaatregel toe te passen.

(6)

De derogatiemaatregel zal geen negatieve gevolgen hebben voor de eigen middelen van de Unie uit de btw omdat Malta een compensatieberekening zal verrichten overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad (3).

(7)

De machtiging tot toepassing van de derogatiemaatregel moet in de tijd beperkt worden. De periode moet lang genoeg zijn om te kunnen evalueren of de drempel doeltreffend en passend is. Bovendien wordt artikel 287 van Richtlijn 2006/112/EG bij Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad (4), die voorziet in eenvoudigere btw-regels voor kleine ondernemingen, geschrapt met ingang van 1 januari 2025. Het is daarom passend Malta te machtigen de derogatiemaatregel toe te passen tot en met 31 december 2024.

(8)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/279 moet daarom worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 287, punt 13), van Richtlijn 2006/112/EG wordt Malta gemachtigd om belastingplichtigen van wie de economische activiteit voornamelijk bestaat uit dienstverlening met een lage toegevoegde waarde (hoge inputs) of uit dienstverlening met een hoge toegevoegde waarde (lage inputs) en van wie de jaaromzet niet hoger is dan 30 000 EUR, van de btw vrij te stellen.

Artikel 2

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/279 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit wordt van kracht op de datum van de kennisgeving ervan.

Het is van toepassing tot en met 31 december 2024.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de Republiek Malta.

Gedaan te Brussel, 6 mei 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/279 van de Raad van 20 februari 2018 waarbij Malta wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 287 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 54 van 24.2.2018, blz. 14).

(3)  Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 155 van 7.6.1989, blz. 9).

(4)  Richtlijn (EU) 2020/285 van de Raad van 18 februari 2020 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen en Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en uitwisseling van inlichtingen voor doeleinden van toezicht op de juiste uitvoering van de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen (PB L 62 van 2.3.2020, blz. 13).


10.5.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 163/3


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/754 VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2021

betreffende de verlenging van de door de Estse Gezondheidsraad genomen maatregel om het op de markt aanbieden en het gebruik van het biocide Biobor JF toe te staan overeenkomstig artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 3032)

(Slechts de tekst in de Estse taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 55, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 19 juni 2020 heeft de Estse Gezondheidsraad (“de bevoegde autoriteit”) overeenkomstig artikel 55, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 een besluit vastgesteld om het op de markt aanbieden en het gebruik door professionele gebruikers van het biocide Biobor JF tot en met 16 december 2020 toe te staan voor de antimicrobiële behandeling van brandstoftanks en brandstofsystemen van luchtvaartuigen (“de maatregel”). De bevoegde autoriteit heeft de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten overeenkomstig artikel 55, lid 1, tweede alinea, van die verordening ingelicht over de maatregel en de redenen daarvoor.

(2)

Volgens de door de bevoegde autoriteit verstrekte informatie was de maatregel noodzakelijk om de volksgezondheid te beschermen. Microbiologische verontreiniging van brandstoftanks en brandstofsystemen van luchtvaartuigen kan leiden tot storingen in de motor van het luchtvaartuig en de luchtwaardigheid ervan in gevaar brengen, waardoor de veiligheid van passagiers en bemanning in gevaar komt. De COVID-19-pandemie en de daaruit voortvloeiende beperkingen van het vliegverkeer hebben ertoe geleid dat talrijke luchtvaartuigen tijdelijk werden geparkeerd. De immobiliteit van luchtvaartuigen is een verzwarende factor voor de microbiologische verontreiniging.

(3)

Biobor JF bevat 2,2’-(1-methyltrimethyleendioxy)bis-(4-methyl-1,3,2-dioxaborinaan) (CAS-nummer 2665-13-6) en 2,2’-oxybis (4,4,6-trimethyl-1,3,2-dioxaborinaan) (CAS-nummer 14697-50-8); dit zijn werkzame stoffen voor gebruik in biociden van productsoort 6 als conserveermiddelen voor producten tijdens opslag zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012. Aangezien die werkzame stoffen niet zijn opgenomen in bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2), zijn zij niet opgenomen in het werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen in biociden als bedoeld in Verordening (EU) nr. 528/2012. Artikel 89 van die verordening is derhalve niet op die stoffen van toepassing en zij moeten worden beoordeeld en goedgekeurd voordat biociden die zij bevatten, ook op nationaal niveau, kunnen worden toegelaten.

(4)

Op 16 december 2020 heeft de Commissie een gemotiveerd verzoek van de bevoegde autoriteit ontvangen om de maatregel te verlengen overeenkomstig artikel 55, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012. Het gemotiveerd verzoek was gebaseerd op bezorgdheid over het feit dat microbiologische verontreiniging van brandstoftanks en brandstofsystemen van luchtvaartuigen de veiligheid van het luchtvervoer na 16 december 2020 nog steeds in gevaar kan brengen en op de bewering dat Biobor JF van cruciaal belang is om die microbiologische verontreiniging tegen te gaan.

(5)

Volgens de door de bevoegde autoriteit verstrekte informatie werd het enige alternatieve biocide dat door vliegtuig- en motorfabrikanten werd aanbevolen voor de behandeling van microbiologische verontreiniging (Kathon™ FP 1.5), in maart 2020 uit de handel genomen omdat ernstige gebreken in de werking van de motoren na de behandeling met dat product waren vastgesteld.

(6)

De mechanische behandeling van microbiologische verontreiniging van brandstoftanks en brandstofsystemen van luchtvaartuigen is niet altijd mogelijk en overeengekomen luchtvaartprocedures vereisen de behandeling met een biocide, zelfs wanneer mechanische reiniging mogelijk is. Bovendien zou mechanische reiniging de werknemers blootstellen aan giftige gassen en derhalve moeten worden vermeden.

(7)

Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, heeft de fabrikant van Biobor JF stappen ondernomen met het oog op de reguliere toelating van het product en zal naar verwachting binnen afzienbare tijd een aanvraag worden ingediend voor de goedkeuring van de werkzame stoffen die het bevat. De goedkeuring van de werkzame stoffen en de daaropvolgende toelating van het biocide zouden een permanente oplossing voor de toekomst zijn, maar het zal nog geruime tijd duren voordat die procedures kunnen worden afgerond.

(8)

De veiligheid van het luchtvervoer zou in gevaar kunnen worden gebracht wanneer de microbiologische verontreiniging van brandstoftanks en brandstofsystemen van luchtvaartuigen niet wordt bestreden, en dit gevaar kan niet adequaat worden beperkt door het gebruik van een ander biocide of met andere middelen. Het is derhalve passend de bevoegde autoriteit toe te staan de maatregel te verlengen.

(9)

Aangezien de maatregel sinds 16 december 2020 niet meer geldig is, moet dit besluit met terugwerkende kracht worden toegepast.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Estse Gezondheidsraad mag de maatregel om het op de markt aanbieden en het gebruik door professionele gebruikers van het biocide Biobor JF toe te staan voor de antimicrobiële behandeling van brandstoftanks en brandstofsystemen van luchtvaartuigen, verlengen tot en met 20 juni 2022.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Estse Gezondheidsraad.

Het is van toepassing met ingang van 17 december 2020.

Gedaan te Brussel, 4 mei 2021.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).


10.5.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 163/5


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/755 VAN DE COMMISSIE

van 6 mei 2021

tot aanwijzing van een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor herkauwers en paardachtigen overeenkomstig Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 3009)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (1), en met name artikel 95, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2017/625 bevat regels voor de uitvoering van officiële controles en andere officiële activiteiten, waaronder de selectie en aanwijzing van referentiecentra van de Europese Unie voor dierenwelzijn. Referentiecentra van de Europese Unie voor dierenwelzijn ondersteunen de horizontale activiteiten van de Commissie en de lidstaten op het gebied van dierenwelzijnsvoorschriften zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, punt f), van Verordening (EU) 2017/625.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/329 van de Commissie (2) is een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn aangewezen dat volgens zijn werkprogramma op varkens is gericht, en bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1685 van de Commissie (3) is een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor pluimvee en andere kleine landbouwhuisdieren aangewezen.

(3)

De Commissie heeft vervolgens overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EU) 2017/625 een openbare selectieprocedure uitgevoerd door een oproep te doen voor de selectie en aanwijzing van een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor herkauwers en paardachtigen.

(4)

Het voor de in overweging drie bedoelde selectieprocedure aangewezen evaluatie- en selectiecomité heeft geconcludeerd dat het consortium onder leiding van de Zweedse universiteit voor landbouwwetenschappen en het Zweeds centrum voor dierenwelzijn (Zweden) en verder bestaande uit de universiteit voor natuurlijke rijkdommen en biowetenschappen (Oostenrijk), het Ellinikos Georgikos Organismos-Dimitra/instituut voor diergeneeskundig onderzoek (Griekenland), het nationaal onderzoeksinstituut voor landbouw, levensmiddelen en het milieu (Frankrijk), University College Dublin (Ierland) en het Instituto Zooprofilattico Sperimentale dell’Abruzzo e del Molise “G. Caporale” (Italië) (het consortium) voldoet aan de vereisten van artikel 95, lid 3, van Verordening (EU) 2017/625 en de in artikel 96 van die verordening omschreven taken op zich moet nemen met betrekking tot herkauwers en paardachtigen.

(5)

Het consortium moet derhalve worden aangewezen als het referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor herkauwers en paardachtigen dat verantwoordelijk zal zijn voor ondersteunende taken die worden opgenomen in de jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s van de referentiecentra van de Europese Unie. Deze werkprogramma’s moeten worden opgesteld in overeenstemming met de doelstellingen en prioriteiten van de desbetreffende door de Commissie overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4) vastgestelde werkprogramma’s.

(6)

Krachtens artikel 95, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2017/625 moet de aanwijzing van een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn beperkt zijn in de tijd of regelmatig worden geëvalueerd. Derhalve moet de aanwijzing van het referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor herkauwers en paardachtigen om de vijf jaar worden geëvalueerd.

(7)

Het aangewezen referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor herkauwers en paardachtigen moet voldoende tijd krijgen om zijn werkprogramma voor de volgende begrotingsperiode op te stellen. Dit besluit moet derhalve met ingang van 1 juni 2021 van toepassing zijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het volgende consortium wordt aangewezen als het referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn dat verantwoordelijk is voor het ondersteunen van de horizontale activiteiten van de Commissie en de lidstaten op het gebied van welzijnsvoorschriften voor herkauwers en paardachtigen:

Naam: Consortium onder leiding van de Zweedse universiteit voor landbouwwetenschappen en het Zweeds centrum voor dierenwelzijn (Zweden) en verder bestaande uit de universiteit voor natuurlijke rijkdommen en biowetenschappen (Oostenrijk), het Ellinikos Georgikos Organismos-Dimitra/instituut voor diergeneeskundig onderzoek (Griekenland), het nationaal onderzoeksinstituut voor landbouw, levensmiddelen en het milieu (Frankrijk), University College Dublin (Ierland) en het Instituto Zooprofilattico Sperimentale dell’Abruzzo e del Molise “G. Caporale” (Italië)

Adres:

Postbus 7068

SE-750 07 Uppsala

ZWEDEN

2.   De aanwijzing wordt om de vijf jaar geëvalueerd, te rekenen vanaf de datum van toepassing van dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 juni 2021.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 6 mei 2021.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/329 van de Commissie van 5 maart 2018 tot aanwijzing van een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn (PB L 63 van 6.3.2018, blz. 13).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1685 van de Commissie van 4 oktober 2019 tot aanwijzing van een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn voor pluimvee en andere kleine landbouwhuisdieren (PB L 258 van 9.10.2019, blz. 11).

(4)  Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1).