ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 107

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
26 maart 2021


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2021/522 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (EU4Health-programma) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014 ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017

30

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 107/1


VERORDENING (EU) 2021/522 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 maart 2021

tot vaststelling van een actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (“EU4Health-programma”) voor de periode 2021-2027, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 282/2014

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 168, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) heeft de Unie onder meer tot doel het welzijn van haar volkeren te bevorderen.

(2)

Overeenkomstig de artikelen 9 en 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid worden verzekerd.

(3)

Artikel 168 VWEU bepaalt dat de Unie het nationale gezondheidsbeleid moet aanvullen en ondersteunen, samenwerking tussen lidstaten moet aanmoedigen en de coördinatie tussen hun programma’s moet bevorderen, en de verantwoordelijkheden van de lidstaten met betrekking tot de bepaling van hun gezondheidsbeleid en de organisatie, het beheer en de verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging ten volle moet eerbiedigen.

(4)

Om te voldoen aan de vereisten van artikel 168 VWEU werden er in het kader van vorige Unieactieprogramma’s op het gebied van volksgezondheid acties ondernomen, met name die waarin is voorzien in de Besluiten nr. 1786/2002/EG (4) en nr. 1350/2007/EG (5) van het Europees Parlement en de Raad en in Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(5)

Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de uitbraak van het nieuwe coronavirus (COVID-19) uitgeroepen tot een wereldwijde pandemie. Die pandemie heeft een ongekende wereldwijde gezondheidscrisis veroorzaakt met ernstige sociaal-economische gevolgen en menselijk leed, die vooral mensen met chronische aandoeningen treffen. Het personeel in de gezondheidszorg, dat van essentieel belang is geweest tijdens de COVID-19-crisis, is bovendien blootgesteld aan grote gezondheidsrisico’s.

(6)

Hoewel de lidstaten verantwoordelijk zijn voor hun gezondheidsbeleid, moeten zij de volksgezondheid beschermen in een geest van Europese solidariteit, zoals gevraagd in de mededeling van de Commissie van 13 maart 2020 over een gecoördineerde economische respons op de uitbraak van COVID-19. De ervaring met de aanhoudende COVID-19-crisis heeft de noodzaak aangetoond voor voortgezette acties op Unieniveau om de samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten te ondersteunen. Die samenwerking moet de paraatheid voor, de preventie en de beheersing van grensoverschrijdende verspreiding van ernstige menselijke infecties en ziekten verbeteren, om zo ook andere ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid te bestrijden en de gezondheid en het welzijn van alle mensen in de Unie te verbeteren. Paraatheid is van cruciaal belang voor het vergroten van de veerkracht bij toekomstige bedreigingen. In dat verband moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om op vrijwillige basis stresstests uit te voeren om de paraatheid en veerkracht te verbeteren.

(7)

Bijgevolg is het passend dat een nieuw en versterkt actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid, dat het “EU4Health-programma” (“het programma”) zal heten, voor de periode 2021-2027 wordt vastgesteld. Overeenkomstig de doelstellingen van het optreden van de Unie en de Uniebevoegdheden op het gebied van de volksgezondheid moet het programma de nadruk leggen op acties waarbij medewerking en samenwerking op Unieniveau voordelen en efficiëntiewinsten opleveren en op acties die gevolgen hebben voor de interne markt.

(8)

Het programma moet een instrument zijn ter bevordering van acties op gebieden waar er een aantoonbare meerwaarde van de Unie is. Dergelijke acties moeten onder meer betrekking hebben op het versterken van de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten, het ondersteunen van netwerken voor kennisuitwisseling of onderling leren, het aanpakken van grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid om de risico's en de gevolgen van zulke bedreigingen te beperken, het aanpakken van bepaalde aangelegenheden met betrekking tot de interne markt waarvoor de Unie Uniebrede hoogwaardige oplossingen kan verwezenlijken, waarbij het innovatiepotentieel op gezondheidsgebied wordt ontsloten, en de efficiëntie wordt vergroot door dubbel werk te voorkomen en door het gebruik van financiële middelen te optimaliseren. Het programma moet ook steun verlenen aan capaciteitsopbouwacties om strategische planning, de toegang tot financiering uit meerdere bronnen, en de capaciteit om in acties van het programma te investeren en die uit te voeren, te versterken. In dat verband moet het programma voorzien in landenspecifieke bijstand op maat aan de lidstaten of groepen lidstaten met de grootste behoeften.

(9)

Bij deze verordening worden de financiële middelen voor het programma vastgesteld; dat bedrag vormt voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag in de zin van punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (7). Die financiële middelen bedragen in totaal 500 000 000 EUR in prijzen van 2018 in overeenstemming met de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 22 december 2020 over aanvullende middelen voor specifieke programma's en de aanpassing van basishandelingen (8).

(10)

Om ervoor te zorgen dat het programma evenwichtig en doelgericht is, moeten in deze verordening minimum- en maximumpercentages van de totale begroting worden vastgesteld voor bepaalde actiegebieden, teneinde richtsnoeren te bieden voor de toewijzing van middelen in verband met de uitvoering van het programma.

(11)

Gezien de ernst van grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid moet het programma gecoördineerde volksgezondheidsmaatregelen op Unieniveau ondersteunen om de verschillende aspecten van dergelijke bedreigingen aan te pakken. Teneinde de capaciteit in de Unie te versterken om zich voor te bereiden op, te reageren op en om te gaan met alle toekomstige gezondheidscrises, moet het programma steun verlenen aan de acties die worden ondernomen in het kader van de mechanismen en structuren die zijn vastgesteld uit hoofde van Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (9) en andere relevante mechanismen en structuren als bedoeld in de mededeling van de Commissie van 11 november 2020 getiteld “Bouwen aan een Europese gezondheidsunie: de veerkracht van de EU bij grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid versterken”, met inbegrip van acties die gericht zijn op de versterking van de paraatheidsplanning en responscapaciteit op nationaal en Unieniveau, versterking van de rol van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), en de oprichting van een autoriteit voor respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied. Zulke acties kunnen bestaan uit capaciteitsopbouw voor respons op gezondheidscrises, met vaccinatie en immunisatie verband houdende preventieve maatregelen, versterkte bewakingsprogramma’s, het verstrekken van gezondheidsinformatie, en platforms voor de uitwisseling van goede praktijken. In dat verband moet het programma, overeenkomstig de “één-gezondheid”-benadering- en de “gezondheid in alle beleidssectoren”-benadering, Uniebrede en sectoroverschrijdende crisispreventie, paraatheid en bewaking, en de beheer- en responscapaciteiten van actoren op het niveau van de Unie en de lidstaten bevorderen, met inbegrip van noodplanning en paraatheidsoefeningen. Het programma moet het opzetten faciliteren van een geïntegreerd en sectoroverschrijdend risicocommunicatiekader voor alle fasen van een gezondheidscrisis, zijnde preventie, paraatheid en respons.

(12)

Teneinde de capaciteit in de Unie ter preventie van, voorbereiding op, respons op en beheer van gezondheidscrises te versterken, moet het programma steun verlenen aan acties die worden ondernomen in het kader van de mechanismen en structuren die zijn vastgesteld uit hoofde van de relevante Uniewetgeving. Die steun kan bestaan uit capaciteitsopbouw op het gebied van gezondheidscrisisrespons, met inbegrip van noodplanning en paraatheid, preventieve maatregelen zoals die welke verband houden met vaccinatie en immunisatie, versterkte bewakingsprogramma’s en verbeterde coördinatie en samenwerking.

(13)

In de context van publieke gezondheidscrises kunnen de uitvoering van klinische proeven en de evaluatie van gezondheidstechnologie bijdragen tot het versnellen van de ontwikkeling en identificatie van effectieve medische beschermingsmaatregelen. Bijgevolg moet het voor het programma mogelijk zijn om acties op die gebieden te ondersteunen.

(14)

Om mensen in kwetsbare situaties, waaronder mensen met een psychische aandoening en mensen die lijden onder of het meest getroffen worden door overdraagbare of niet-overdraagbare ziekten of chronische aandoeningen, te beschermen, moet het programma ook acties bevorderen die gericht zijn op de aanpak en preventie van indirecte effecten van de gezondheidscrises op mensen die tot dergelijke kwetsbare groepen behoren, alsook acties die de geestelijke gezondheid verbeteren.

(15)

De COVID-19-crisis heeft tal van uitdagingen blootgelegd, waaronder de afhankelijkheid van de Unie van derde landen wat betreft het waarborgen van de aanvoer van grondstoffen, werkzame farmaceutische bestanddelen, geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen die tijdens gezondheidscrises, met name tijdens pandemieën, in de Unie nodig zijn. Het programma moet dan ook steun verlenen aan acties die de productie, de aankoop en het beheer van crisisrelevante producten binnen de Unie bevorderen, om het risico van tekorten te beperken, met inachtneming van het aanvullend karakter ten opzichte van andere Unie-instrumenten.

(16)

Om de gevolgen van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid voor de volksgezondheid tot een minimum te beperken, moeten in het kader van het programma acties kunnen worden ondersteund die de interoperabiliteit van de gezondheidsstelsels van de lidstaten verbeteren door middel van samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken en door het aantal gezamenlijke acties te verhogen. Die acties moeten ervoor zorgen dat de lidstaten kunnen reageren op noodsituaties op gezondheidsgebied, met inbegrip van uitvoering van noodplanning, paraatheidsoefeningen, bijscholing van zorgverleners en volksgezondheidswerkers, alsmede de instelling, in overeenstemming met nationale strategieën, van mechanismen voor de efficiënte monitoring en distributie of toewijzing op basis van behoeften van goederen en diensten die nodig zijn in tijden van crisis.

(17)

De informatieverstrekking aan personen speelt een belangrijke rol bij de preventie van en respons op ziekten. Het programma moet daarom communicatieactiviteiten ondersteunen die gericht zijn op het grote publiek of specifieke groepen mensen of beroepsbeoefenaren, ter bevordering van ziektepreventie en een gezonde levensstijl, ter bestrijding van onjuiste informatie en desinformatie met betrekking tot de preventie, de oorzaak en de behandeling van ziekten, ter bestrijding van terughoudendheid tegenover vaccins en ter ondersteuning van inspanningen om altruïstisch gedrag, zoals orgaan- en bloeddonaties, te versterken, op een wijze die de nationale campagnes ter zake aanvult.

(18)

Het programma kan in synergie met andere Unieprogramma’s, zoals het programma Digitaal Europa dat werd opgericht bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Beschikking (EU) 2015/2240, Horizon Europa - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie dat werd vastgesteld bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Horizon Europa - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (“Horizon Europa”), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) dat werd opgericht bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) dat werd ingesteld bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het InvestEU-programma dat werd vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (10), en de herstel- en veerkrachtfaciliteit die werd ingesteld bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (11), acties ondersteunen die de digitale transformatie van gezondheidsdiensten bevorderen en de interoperabiliteit van zulke diensten vergroten, met inbegrip van de ontwikkeling van een Europese ruimte voor gezondheidsgegevens.

(19)

Gezondheid is een investering, en dat concept moet centraal staan in het programma. Mensen langer gezond en actief houden en hen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid door hun gezondheidsalfabetisme te vergroten, zal positieve effecten hebben op de gezondheid, op de ongelijkheid en onbillijkheid op gezondheidsgebied, op de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, op de levenskwaliteit, op de gezondheid van werknemers, op de productiviteit, op het concurrentievermogen en op de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale gezondheidszorgstelsels en nationale begrotingen doen afnemen. Het programma moet ook steun bieden voor acties om de ongelijkheid met betrekking tot de beschikbaarheid van gezondheidszorg, met name in plattelands- en afgelegen gebieden, waaronder de ultraperifere regio’s, te verminderen, met het oog op de verwezenlijking van inclusieve groei. De Commissie is vastbesloten de lidstaten te helpen met het verwezenlijken van de in de VN-resolutie van 25 september 2015 met als titel “Onze wereld veranderen: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling” (“de VN-agenda 2030”) vastgestelde duurzameontwikkelingsdoelstellingen, in het bijzonder duurzameontwikkelingsdoelstelling 3 “Verzeker een goede gezondheid en promoot welzijn voor alle leeftijden”. Het programma moet derhalve bijdragen aan de acties om die doelstellingen te verwezenlijken.

(20)

Niet-overdraagbare ziekten zijn vaak het resultaat van een combinatie van genetische, fysiologische, milieu- en gedragsfactoren. Niet-overdraagbare ziekten, zoals hart- en vaatziekten, kanker, psychische aandoeningen, neurologische aandoeningen, chronische ademhalingsziekten en diabetes, zijn belangrijke oorzaken van handicaps, gezondheidsproblemen, uittreding om gezondheidsredenen en voortijdig overlijden in de Unie en hebben aanzienlijke maatschappelijke en economische gevolgen. Om het effect van niet-overdraagbare ziekten op personen en de maatschappij in de Unie te verminderen en met het oog op de verwezenlijking van duurzameontwikkelingsdoelstelling 3 van de VN-agenda 2030, met name maar niet uitsluitend streefcijfer 3.4 van die doelstelling, namelijk het terugdringen met een derde van voortijdige sterfte als gevolg van niet-overdraagbare ziekten tegen 2030, is een geïntegreerde respons die gericht is op gezondheidsbevordering en ziektepreventie in de relevante sectoren, van essentieel belang.

(21)

Bijgevolg moet het programma gezondheidsbevordering en ziektepreventie ondersteunen en de geestelijke gezondheid verbeteren gedurende het hele leven van een persoon door risicofactoren en gezondheidsbepalende factoren aan te pakken, hetgeen ook zou bijdragen tot de verwezenlijking van duurzameontwikkelingsdoelstelling 3 van de VN-agenda 2030. Ook om die reden moet het programma bijdragen aan de doelstellingen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (“de Europese Green Deal”).

(22)

Het programma moet acties ter vermindering en voorkoming van alcoholgerelateerde schade blijven ondersteunen, met bijzondere nadruk op de bescherming van jongeren.

(23)

Chronische aandoeningen vormen een aanzienlijke last in de Unie. Algemeen wordt erkend dat preventie en vroegtijdige opsporing belangrijk zijn in dat verband. Het programma moet acties op die gebieden ondersteunen en de ontwikkeling van specifieke Unierichtsnoeren voor preventie en ziektebeheer ondersteunen en zodoende gericht zijn op het verminderen van de lasten van de lidstaten door samen te werken aan een beter en effectiever beheer van chronische aandoeningen. Demografische veranderingen, met name de vergrijzing van de samenleving, vormen een uitdaging voor de duurzaamheid van gezondheidszorgstelsels. Leeftijdsgerelateerde ziekten en aandoeningen, zoals dementie, en leeftijdsgerelateerde handicaps vergen specifieke aandacht.

(24)

Kanker is de tweede doodsoorzaak in de lidstaten na hart- en vaatziekten. Kanker is ook een van de niet-overdraagbare ziekten die gemeenschappelijke risicofactoren met andere niet-overdraagbare ziekten hebben en een meerderheid van de burgers zou dan ook baat hebben bij de preventie en beheersing van die factoren. Slechte voeding, gebrek aan lichaamsbeweging, obesitas, tabaksgebruik en schadelijk alcoholgebruik zijn eveneens risicofactoren voor andere chronische aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, en kankerbestrijdingsprogramma’s moeten daarom worden uitgevoerd in de context van een geïntegreerde benadering van preventie van chronische aandoeningen. De relevante maatregelen in het “Europees kankerbestrijdingsplan”, dat vervat ligt in de mededeling van de Commissie van 3 februari 2021, moeten baat hebben bij het programma en bij de missie van Horizon Europa inzake kanker, en moeten bijdragen aan de bevordering van een geïntegreerde aanpak die preventie, screening, vroegtijdige diagnose, monitoring, behandeling en zorg omvat, alsmede de verbetering van de levenskwaliteit van patiënten en overlevenden.

(25)

Het moet mogelijk zijn studies naar de invloed van gender op de kenmerken van ziekten te ondersteunen om bij te dragen tot een verbetering van de kennis en het onderwijs op dat gebied en zo de preventie, diagnose, monitoring en behandeling te versterken.

(26)

Het programma moet in synergie en complementariteit met andere beleidsmaatregelen, programma’s en fondsen van de Unie werken, zoals het programma Digitaal Europa, Horizon Europa, de rescEU-reserve uit hoofde van het Uniemechanisme voor civiele bescherming dat werd ingesteld bij Besluit (EU) 2019/420 van het Europees Parlement en de Raad (12) (“de rescEU-reserve”), het instrument voor noodhulp dat werd ingesteld bij Verordening (EU) 2016/369 van de Raad (13), het ESF+, waar het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie deel van uitmaakt, ook wat betreft de synergieën met betrekking tot een betere bescherming van de gezondheid en de veiligheid van miljoenen werknemers in de Unie, het InvestEU-programma, het programma voor de interne markt dat werd vastgesteld bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma voor de interne markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, het gebied van planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, en Europese statistieken (programma voor de interne markt), en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014 en (EU) nr. 652/2014, het EFRO, de herstel- en veerkrachtfaciliteit, Erasmus+ dat werd vastgesteld bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs en opleiding, jeugd en sport, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013, het programma “Europees Solidariteitskorps” dat werd vastgesteld bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma “Europees Solidariteitskorps” en tot intrekking van Verordeningen (EU) 2018/1475 en (EU) nr. 375/2014,

en Unie-instrumenten voor extern optreden, zoals het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking dat werd vastgesteld bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking – Europa als wereldspeler, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad, en het instrument voor pretoetredingssteun III dat werd vastgesteld bij een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III). Waar passend moeten gemeenschappelijke regels worden vastgesteld met het oog op het zorgen voor consistentie en complementariteit tussen de beleidsmaatregelen, programma's en fondsen van de Unie, terwijl wordt gewaarborgd dat de specifieke kenmerken van die beleidsmaatregelen worden geëerbiedigd, en met het oog op het in overeenstemming brengen met de strategische vereisten van die beleidsmaatregelen, programma's en fondsen, zoals de randvoorwaarden van het EFRO en het ESF+. De Commissie en de lidstaten moeten er bij het opstellen van de in deze verordening vastgestelde jaarlijkse werkprogramma’s voor zorgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met dergelijke synergieën en complementariteit.

(27)

De Commissie moet de lidstaten via de bij deze verordening op te richten EU4Health-stuurgroep raadplegen over de prioriteiten en strategische oriëntaties van het programma, teneinde te zorgen voor samenhang en complementariteit tussen het programma en andere beleidslijnen, instrumenten en acties van de Unie, alsmede over de uitvoering van het programma.

(28)

Het programma moet bijdragen tot de vorming van de reserve van essentiële crisisrelevante producten in synergie en complementariteit met de rescEU-reserve, met de uit hoofde van Verordening (EU) 2016/369 ingestelde noodhulp, met de herstel- en veerkrachtfaciliteit en met andere beleidsmaatregelen, programma’s en fondsen van de Unie, en waar nodig op Unieniveau de nationale bevoorrading aanvullen.

(29)

Gezien de toenemende vraag naar gezondheidszorg worden de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten geconfronteerd met uitdagingen op het gebied van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen. Om te zorgen voor een betere bescherming van de volksgezondheid en om de veiligheid en empowerment van patiënten in de Unie te waarborgen, is het van essentieel belang dat patiënten en gezondheidszorgstelsels toegang hebben tot duurzame, efficiënte, billijke, betaalbare en hoogwaardige geneesmiddelen, ook in de grensoverschrijdende context, en dat zij ten volle van die geneesmiddelen kunnen gebruikmaken op basis van transparante, consistente en patiëntgerichte medische informatie.

(30)

Gezien de toenemende vraag naar gezondheidszorg moet het programma onder meer de ontwikkeling ondersteunen van een Uniesysteem voor de monitoring, verslaglegging en melding van tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen teneinde versnippering van de interne markt te voorkomen en te zorgen voor een grotere beschikbaarheid en betere betaalbaarheid van die geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, terwijl de mate waarin hun toeleveringsketens van derde landen afhangen, beperkt wordt. Het programma moet bijgevolg de productie van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen binnen de Unie aanmoedigen. Om tegemoet te komen aan onvervulde medische behoeften moet het programma met name steun verlenen voor het genereren van klinisch en empirisch bewijsmateriaal om de ontwikkeling, de vergunningverlening, beoordeling en toegankelijkheid van doeltreffende geneesmiddelen te kunnen versnellen, met inbegrip van generieke en biosimilaire geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en behandelingen, moet het programma onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot nieuwe geneesmiddelen bevorderen, met bijzondere aandacht voor antimicrobiële stoffen en vaccins om respectievelijk antimicrobiële resistentie en door vaccinatie te voorkomen ziekten aan te pakken, moet het programma stimulansen bieden om de productiecapaciteit voor antimicrobiële stoffen, gepersonaliseerde behandeling en vaccinatie te bevorderen, en moet het programma de digitale transformatie van gezondheidsproducten en platforms voor het monitoren en verzamelen van informatie over geneesmiddelen bevorderen. Het programma moet ook de besluitvorming betreffende geneesmiddelen verbeteren door de toegang tot en de analyse van praktijkgegevens uit de gezondheidszorg mogelijk te maken. Voorts moet het programma ervoor zorgen dat onderzoeksresultaten optimaal worden benut en moet het programma de acceptatie, opschaling en invoering van gezondheidsinnovaties in gezondheidszorgstelsels en in de klinische praktijk faciliteren.

(31)

Aangezien de optimale verstrekking en het optimale gebruik van geneesmiddelen, en met name van antimicrobiële stoffen, voordelen opleveren voor personen en gezondheidsstelsels, moet het programma het verstandig en efficiënt gebruik ervan bevorderen overeenkomstig de één-gezondheidsbenadering en in overeenstemming met het “Europees “één gezondheid”-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR)” zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017, en in overeenstemming met de “strategische aanpak van de Europese Unie van geneesmiddelen in het milieu” zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 11 maart 2019. Het programma moet ook maatregelen bevorderen om de beoordeling en het passende beheer van de milieurisico’s die verband houden met de productie, het gebruik en de verwijdering van geneesmiddelen te versterken.

(32)

De gezondheidswetgeving van de Unie heeft een onmiddellijke impact op de volksgezondheid, op het leven van mensen, op de doeltreffendheid en de veerkracht van gezondheidszorgstelsels en op de goede werking van de interne markt. Het regelgevingskader voor medische producten en technologieën, waaronder geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en stoffen van menselijke oorsprong, en de regelgevingskaders voor tabak, patiëntenrechten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg en ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid zijn essentieel voor de bescherming van de gezondheid in de Unie. Het programma moet derhalve de ontwikkeling, uitvoering en handhaving van het gezondheidsbeleid van de Unie ondersteunen en, in samenwerking met relevante organen zoals het EMA en het ECDC, hoogwaardige, vergelijkbare en betrouwbare gegevens verstrekken, met inbegrip van praktijkgegevens uit de gezondheidszorg, met het oog op het ondersteunen van beleidsvorming en monitoring, alsook voor het formuleren van doelstellingen en het ontwikkelen van instrumenten voor het meten van vooruitgang.

(33)

De Europese referentienetwerken (ERN’s), die op grond van Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (14) werden opgericht, zijn virtuele netwerken van zorgaanbieders van over heel Europa. Zij beogen een discussie op gang te brengen over complexe of zeldzame ziekten en aandoeningen waarvoor zeer gespecialiseerde behandelingen en een concentratie van kennis en middelen nodig zijn. Aangezien de ERN’s de toegang tot een diagnose en de verstrekking van hoogwaardige gezondheidszorg voor patiënten met zeldzame aandoeningen kunnen verbeteren en een centrale rol kunnen spelen op het gebied van medische opleiding, onderzoek en verspreiding van informatie, moet het programma bijdragen aan de opschaling van het netwerken via de ERN’s en andere transnationale netwerken.

(34)

De ERN’s en grensoverschrijdende samenwerking bij de verstrekking van gezondheidszorg aan patiënten die zich tussen lidstaten verplaatsen, zijn voorbeelden van gebieden waarop is gebleken dat geïntegreerde werkzaamheden tussen de lidstaten een sterke toegevoegde waarde hebben, alsook een groot potentieel om de efficiëntie van de gezondheidszorgstelsels en dus de gezondheid in het algemeen te verbeteren. Samenwerking op het gebied van evaluaties van gezondheidstechnologie is een ander gebied dat een toegevoegde waarde voor de lidstaten oplevert. Het programma moet dan ook activiteiten ondersteunen die geïntegreerde en duurzaam gecoördineerde werkzaamheden mogelijk maken, en aldus de uitvoering bevorderen van beste praktijken die gericht zijn op het op de meest doeltreffende wijze verdelen van de beschikbare middelen onder de betrokken bevolking en gebieden, teneinde het effect ervan zo groot mogelijk te maken.

(35)

Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (15) (het “Financieel Reglement”) is op dit programma van toepassing. Het Financieel Reglement voorziet in regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, waaronder regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirect beheer, financiële instrumenten, begrotingsgaranties, financiële steun en de vergoeding van externe deskundigen.

(36)

De financieringsvormen en uitvoeringsmethoden uit hoofde van deze verordening moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de betrokken acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Bij die keuze moet rekening worden gehouden met het gebruik van vaste bedragen, forfaitaire financiering en schalen van eenheidskosten, alsook met het gebruik van financiering die niet gekoppeld is aan in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement bedoelde kosten. De technische en financiële verslagleggingsvereisten voor de begunstigden moeten van dien aard zijn dat zij ervoor zorgen dat de toepasselijke financiële bepalingen worden nageleefd en de administratieve lasten tot een minimum worden beperkt.

(37)

Om de toegevoegde waarde en de impact van geheel of gedeeltelijk uit de Uniebegroting gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gestreefd naar synergieën, met name tussen het programma en andere Unieprogramma’s, waaronder die onder gedeeld beheer. Om die synergieën zo groot mogelijk te maken en dubbel werk te voorkomen, moet worden voorzien in passende mechanismen, met inbegrip van cumulatieve financiering van een actie uit het programma en uit een ander Unieprogramma, voor zover die cumulatieve financiering de totale subsidiabele kosten van de actie niet overschrijdt. Daartoe moet deze verordening voorzien in passende regels, met name betreffende de mogelijkheid om dezelfde kosten of uitgaven pro rata te laten financieren uit hoofde van het programma en uit hoofde van een ander Unieprogramma, teneinde te zorgen voor gedetailleerde en transparante verslaglegging.

(38)

Gezien de specifieke aard van de doelstellingen en acties in het kader van het programma, zullen de respectieve bevoegde autoriteiten van de lidstaten in sommige gevallen het best geplaatst zijn om met het programma verband houdende acties uit te voeren. Die autoriteiten, die door de lidstaten zijn aangewezen, moeten daarom voor de toepassing van artikel 195 van het Financieel Reglement worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten bijgevolg aan die autoriteiten worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen. Investeringen uit hoofde van het programma moeten worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met de lidstaten.

(39)

Uit hoofde van artikel 193, lid 2, van het Financieel Reglement kan een subsidie worden toegekend voor reeds begonnen acties op voorwaarde dat de aanvrager kan aantonen dat het noodzakelijk was met de actie te beginnen vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst. Vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten zijn echter geen subsidiabele kosten, tenzij in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen. Ter voorkoming van elke verstoring van de Uniesteun die de belangen van de Unie zou kunnen schaden, moet het mogelijk zijn om in het financieringsbesluit te voorzien in subsidiabiliteit van activiteiten en kosten vanaf het begin van het begrotingsjaar 2021, voor een beperkte periode aan het begin van het meerjarig financieel kader 2021-2027, en alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen, zelfs indien die activiteiten zijn uitgevoerd en die kosten zijn gemaakt vóór de indiening van de subsidieaanvraag.

(40)

ERN’s worden door de bestuursraad van lidstaten van de ERN’s goedgekeurd op basis van de goedkeuringsprocedure die is uiteengezet in Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie (16). ERN’s moeten daarom voor de toepassing van artikel 195 van het Financieel Reglement worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten derhalve aan de ERN’s worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen. Er moeten ook rechtstreekse subsidies worden toegekend aan andere entiteiten die overeenkomstig de Unieregels zijn aangewezen, bijvoorbeeld referentielaboratoria en -centra, excellentiecentra en transnationale netwerken.

(41)

Gezien de gezamenlijk overeengekomen waarden van solidariteit in verband met een billijke en universele dekking van de gezondheidszorg als basis voor het Uniebeleid op dit gebied en het feit dat de Unie een centrale rol moet spelen bij het bespoedigen van de vooruitgang, coördinatie en samenwerking bij de aanpak van de wereldwijde uitdagingen op gezondheidsgebied, zoals uiteengezet in de conclusies van de Raad van 10 mei 2010 over de rol van de EU ten aanzien van de volksgezondheid in de wereld, en uitgedrukt in de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN-agenda 2030, moet het programma de Uniesteun versterken aan internationale en mondiale gezondheidsinitiatieven, met name aan initiatieven van de WHO, om de gezondheid te verbeteren, de ongelijkheid op gezondheidsgebied aan te pakken en de bescherming tegen wereldwijde bedreigingen van de gezondheid te versterken.

(42)

Om de doeltreffendheid en doelmatigheid van acties op Unieniveau en op internationaal niveau te maximaliseren, moet bij de uitvoering van het programma samenwerking worden ontwikkeld met relevante internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en de Wereldbank, alsook met de Raad van Europa en met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Om de impact te vergroten, moet ook worden gestreefd naar synergieën met de nationale organisaties van de lidstaten die actief zijn op het gebied van mondiale gezondheid. Overeenkomstig Besluit 2013/755/EU van de Raad (17) moeten in overzeese landen en gebieden gevestigde personen en entiteiten (LGO’s) in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van het programma, met inachtneming van de voorschriften en doelstellingen van het programma en met inachtneming van eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee de desbetreffende LGO’s banden hebben.

(43)

De uitvoering van het programma moet worden ondersteund door uitgebreide outreach-activiteiten om ervoor te zorgen dat de standpunten en behoeften van het maatschappelijk middenveld naar behoren worden vertegenwoordigd en in aanmerking worden genomen. Hiertoe moet de Commissie eenmaal per jaar over de prioriteiten en strategische oriëntaties van het programma en over de via haar acties aan te pakken behoeften feedback vragen aan relevante belanghebbenden, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en patiëntenverenigingen, academici en organisaties van gezondheidswerkers. Elk jaar moet de Commissie ook, voor het einde van de voorbereidende werkzaamheden voor de werkprogramma’s, het Europees Parlement informeren over de voortgang op het gebied van die voorbereidende werkzaamheden en over de resultaten van haar voorlichtingsactiviteiten ten aanzien van de belanghebbenden.

(44)

Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen deelnemen aan Unieprogramma’s in het uit hoofde van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (18) vastgestelde samenwerkingskader, dat voorziet in de uitvoering van dergelijke programma’s op basis van een uit hoofde van die overeenkomst vastgesteld besluit. Deze verordening moet voorzien in een specifieke bepaling die aan het programma deelnemende derde landen verplicht om de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer de nodige rechten en de vereiste toegang te verlenen zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(45)

Samenwerking met derde landen op het gebied van uitwisseling van kennis en beste praktijken moet worden versterkt om de paraatheid en responscapaciteit van gezondheidsstelsels te verbeteren.

(46)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (19) en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 (20), (Euratom, EG) nr. 2185/96 (21) en (EU) 2017/1939 (22) van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met evenredige maatregelen, onder meer op het gebied van preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, op het gebied van terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen en, voor zover van toepassing, op het gebied van administratieve sancties. In het bijzonder heeft OLAF, overeenkomstig Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013, de bevoegdheid om administratieve onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onrechtmatige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939, kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, zoals voorzien in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (23).

(47)

Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en, ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, aan het EOM, en ze moeten ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie, gelijkwaardige rechten verlenen.

(48)

Door het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde horizontale financiële voorschriften zijn op deze verordening van toepassing. Die regels zijn vastgelegd in het Financieel Reglement en voorzien met name in de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen, indirecte uitvoering, financiële instrumenten, begrotingsgaranties, financiële bijstand en de vergoeding van externe deskundigen, alsook in de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels omvatten ook een algemeen conditionaliteitsstelsel ter bescherming van de Uniebegroting.

(49)

Dit programma weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering vastgestelde Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN-agenda 2030 uit te voeren, en moet ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefdoel van ten minste 30 % van de totale uitgaven uit de Uniebegroting en uit het bij Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad (24) vastgestelde herstelinstrument voor de Europese Unie voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt bereikt. Het programma moet activiteiten ondersteunen die in overeenstemming zijn met de normen en prioriteiten van de Unie op het gebied van klimaat en milieu en het niet-schadenbeginsel van de Europese Green Deal. Bij de voorbereiding en de uitvoering van het programma moeten relevante acties worden vastgesteld en bij de tussentijdse evaluatie moeten die opnieuw worden beoordeeld.

(50)

Overeenkomstig artikel 8 VWEU streeft de Europese Unie er bij elk optreden naar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen. Bij het voorbereiden, uitvoeren en monitoren van het programma moeten gendergelijkheid, alsmede rechten en gelijke kansen voor eenieder en de mainstreaming van die doelstellingen in aanmerking worden genomen en worden bevorderd.

(51)

De beleidsdoelstellingen van het programma moeten ook kunnen worden nagestreefd aan de hand van financiële instrumenten en begrotingsgaranties in het kader van het InvestEU-fonds waarin wordt voorzien door het InvestEU-programma. Financiële steun moet worden gebruikt om marktfalen en suboptimale investeringssituaties op evenredige wijze aan te pakken. Door het programma gefinancierde acties mogen private financiering niet overlappen of verdringen en mogen de concurrentie op de interne markt niet verstoren. In het algemeen moeten acties een duidelijke toegevoegde waarde voor de Unie hebben.

(52)

De uitvoering van het programma moet van dien aard zijn dat de verantwoordelijkheden van de lidstaten inzake de bepaling van hun gezondheidsbeleid en inzake de organisatie en de verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging worden geëerbiedigd. Er moet worden gezorgd voor een sterke betrokkenheid van de lidstaten bij het beheer en de uitvoering van het programma.

(53)

Gezien de aard en de potentiële omvang van grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid, kunnen de doelstellingen om mensen in de Unie tegen dergelijke bedreigingen te beschermen en de gezondheidscrisispreventie en -paraatheid te verhogen, niet voldoende door de lidstaten alleen worden verwezenlijkt. Overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel kunnen ook acties op Unieniveau worden ondernomen om de lidstaten te ondersteunen bij het streven naar een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, om de beschikbaarheid, duurzaamheid, aanvaardbaarheid, toegankelijkheid, veiligheid en betaalbaarheid in de Unie van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en crisisrelevante producten en diensten te verbeteren, om innovatie te ondersteunen, om geïntegreerde en gecoördineerde werkzaamheden en de uitvoering van beste praktijken onder de lidstaten en hun regio’s te ondersteunen, en om de ongelijkheid en onbillijkheid in de hele Unie op het gebied van de toegang tot gezondheidszorg zodanig aan te pakken dat er efficiëntiewinsten en meerwaarde-effecten ontstaan die niet kunnen worden gegenereerd door acties op nationaal niveau, met inachtneming van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten op de onder het programma vallende gebieden. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(54)

Teneinde eventuele aanpassingen die voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het programma vereist zijn, mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot evaluatie, wijziging en aanvulling van de in bijlage II bij deze verordening vermelde indicatoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (25). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(55)

De lidstaten en de deelnemende landen hebben nationale knooppunten aangewezen die de Commissie helpen om het derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 282/2014 uit te dragen en waar relevant verspreiding te geven aan de resultaten ervan en aan de beschikbare informatie over de impact ervan in de lidstaten en de deelnemende landen. Gelet op het belang van dergelijke activiteiten, is het passend dergelijke activiteiten met het oog op de voortzetting ervan in het kader van het programma te ondersteunen.

(56)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen betreffende de vaststelling van jaarlijkse werkprogramma’s overeenkomstig de in deze verordening opgenomen criteria, betreffende de goedkeuring van bepaalde subsidiabele acties en betreffende de vaststelling van regels inzake de technische en administratieve regelingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de acties van het programma, en inzake uniforme modellen voor de verzameling van de gegevens die nodig zijn voor het toezicht op de uitvoering van het programma. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (26). Voor de vaststelling van die uitvoeringshandelingen moet de onderzoeksprocedure worden toegepast, aangezien zij betrekking hebben op een programma met aanzienlijke gevolgen.

(57)

De waarde en het effect van het programma moeten regelmatig en nauwgezet worden gemonitord en geëvalueerd. Bij de evaluatie moet de nadruk liggen op de doelstellingen van het programma en moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het langer zou kunnen duren dan de looptijd van het programma om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken. Daartoe moet tussentijds en aan het einde van het programma een evaluatieverslag worden opgesteld om de uitvoering van de prioriteiten van het programma te beoordelen.

(58)

Aangezien het derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) is afgelopen, is Verordening (EU) nr. 282/2014 komen te vervallen en moet zij worden ingetrokken.

(59)

Om ervoor te zorgen dat de steun op gezondheidsgebied ononderbroken doorloopt en de uitvoering van start kan gaan vanaf het begin van het meerjarig financieel kader 2021-2027, moet deze verordening met spoed in werking treden, en met terugwerkende kracht van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het EU4Health-programma (“het programma”) vastgesteld voor de periode van het meerjarig financieel kader 2021-2027. De looptijd van het programma is afgestemd op de duur van het meerjarig financieel kader.

Deze verordening bevat ook de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021 tot en met 2027, de vormen van Uniefinanciering en de regels voor de verstrekking van die financiering.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“geassocieerd land”: een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie waardoor het overeenkomstig artikel 6 aan het programma mag deelnemen;

2)

“blendingverrichtingen”: door de Uniebegroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten op grond van artikel 2, punt 6), van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de Uniebegroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van ontwikkelingsinstellingen of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en commerciële investeerders;

3)

“gezondheidscrisis”: een crisis die of een ernstig incident dat voortvloeit uit een bedreiging van menselijke, dierlijke, plantaardige, voedselgerelateerde, biologische, chemische, ecologische of onbekende oorsprong, een volksgezondheidsdimensie heeft en dringende maatregelen van de autoriteiten vereist;

4)

“crisisrelevante producten”: producten, instrumenten en stoffen die in de context van een gezondheidscrisis noodzakelijk zijn om een ziekte en de gevolgen daarvan te voorkomen, te diagnosticeren of te behandelen, of voor de monitoring en epidemiologische bewaking van ziekten en infecties, met inbegrip van maar niet beperkt tot geneesmiddelen, zoals vaccins en tussenproducten daarvan, werkzame farmaceutische bestanddelen en grondstoffen, alsook medische hulpmiddelen en ziekenhuisuitrusting en medische apparatuur, zoals beademingsapparaten, beschermende kleding en beschermingsmiddelen, diagnostische materialen en instrumenten, persoonlijke beschermingsmiddelen, ontsmettingsmiddelen en tussenproducten daarvan, en de grondstoffen die nodig zijn voor de productie ervan;

5)

“één-gezondheidsbenadering”: een multisectorale benadering waarbij wordt erkend dat de menselijke gezondheid verbonden is met de diergezondheid en het milieu, en dat maatregelen voor het bestrijden van bedreigingen van de gezondheid met die drie dimensies rekening moeten houden;

6)

“Europese referentienetwerken” (ERN’s): de in artikel 12 van Richtlijn 2011/24/EU bedoelde netwerken;

7)

“juridische entiteit”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht uit hoofde van, en als dusdanig wordt erkend in, het nationale, Unie- of internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 197, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement;

8)

“derde land”: een land dat geen lidstaat is van de Europese Unie;

9)

“ernstige grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid”: een levensbedreigend of anderszins ernstig gevaar voor de gezondheid van biologische, chemische, ecologische of onbekende oorsprong dat de nationale grenzen van de lidstaten overschrijdt of een belangrijk risico daarop inhoudt, en dat coördinatie op het niveau van de Unie kan vereisen om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen;

10)

“gezondheid in alle beleidssectoren”: een benadering van de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en herziening van overheidsbeleid, ongeacht de sector, waarbij rekening wordt gehouden met de gezondheidsimplicaties van besluiten en ernaar wordt gestreefd synergie-effecten tot stand te brengen en schadelijke gezondheidseffecten van een dergelijk beleid te voorkomen, teneinde de volksgezondheid en de gelijkheid op het gebied van gezondheid te vergroten;

11)

“gezondheidsdeterminanten”: een reeks factoren die van invloed zijn op de gezondheidsstatus van een persoon, zoals gedragsgerelateerde, biologische, sociaal-economische en ecologische factoren;

12)

“noodhulp”: een op behoeften toegesneden spoedrespons die de respons van de getroffen lidstaten aanvult en die gericht is op het redden van levens, het voorkomen en verlichten van menselijk leed en het behouden van de menselijke waardigheid wanneer de noodzaak daartoe zich voordoet als gevolg van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid.

Artikel 3

Algemene doelstellingen

Met het programma wordt een meerwaarde voor de Unie tot stand gebracht en worden de beleidsmaatregelen van de lidstaten aangevuld, teneinde de menselijke gezondheid overal in de Unie te verbeteren en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid in alle beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie te waarborgen. Met het programma worden de volgende algemene doelstellingen nagestreefd, indien van toepassing overeenkomstig de één-gezondheidsbenadering:

a)

de gezondheid in de Unie verbeteren en bevorderen door de last van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten te verkleinen, door de gezondheidsbevordering en ziektepreventie te ondersteunen, ongelijkheden op gezondheidsgebied te verkleinen, gezonde levensstijlen te bevorderen en de toegang tot gezondheidszorg te bevorderen;

b)

mensen in de Unie beschermen tegen ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en het responsvermogen van gezondheidszorgstelsels versterken en zorgen voor coördinatie tussen de lidstaten om met ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid om te gaan;

c)

de beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid in de Unie van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, alsook van crisisrelevante producten, verbeteren, en innovatie met betrekking tot dergelijke producten ondersteunen;

d)

de gezondheidszorgstelsels versterken door hun veerkracht en hulpbronnenefficiëntie te verbeteren, in het bijzonder door:

i)

geïntegreerd en gecoördineerd werk tussen de lidstaten te ondersteunen;

ii)

de toepassing van beste praktijken en gegevensuitwisseling te bevorderen;

iii)

het zorgpersoneel te versterken;

iv)

de gevolgen van demografische uitdagingen aan te pakken, en

v)

de digitale transformatie te doen vooruitgaan.

Artikel 4

Specifieke doelstellingen

De in artikel 3 bedoelde algemene doelstellingen worden nagestreefd door middel van de volgende specifieke doelstellingen, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid in alle beleidsmaatregelen en activiteiten van de Unie te waarborgen, indien van toepassing overeenkomstig de één-gezondheidsbenadering:

a)

in synergie met andere relevante acties van de Unie, acties ondersteunen die gericht zijn op ziektepreventie, gezondheidsbevordering en het aanpakken van gezondheidsdeterminanten, onder meer door het verkleinen van de gezondheidsschade als gevolg van illegaal drugsgebruik en verslaving, acties ondersteunen die gericht zijn op het aanpakken van ongelijkheden op gezondheidsgebied, op het verbeteren van het gezondheidsalfabetisme, op het verbeteren van de rechten van patiënten en de veiligheid van patiënten, de kwaliteit van de zorg en grensoverschrijdende gezondheidszorg, en acties ondersteunen die gericht zijn op het verbeteren van het toezicht op en de diagnose en de behandeling van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, met name kanker en kinderkanker, alsook acties ondersteunen die gericht zijn op het verbeteren van de geestelijke gezondheid, met bijzondere aandacht voor nieuwe zorgmodellen en de uitdagingen van langetermijnzorg, ter vergroting van de veerkracht van de gezondheidsstelsels in de Unie;

b)

de capaciteit van de Unie voor de preventie van, de paraatheid voor en de snelle respons op ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid versterken in overeenstemming met de relevante Uniewetgeving, het beheer van gezondheidscrises verbeteren, in het bijzonder door middel van het coördineren, verstrekken en inzetten van noodcapaciteit voor de gezondheidszorg, en het ondersteunen van het verzamelen van gegevens, informatie-uitwisseling, bewaking, de coördinatie van de vrijwillige stresstests van de nationale gezondheidszorgstelsels en de ontwikkeling van normen voor hoogwaardige gezondheidszorg op nationaal niveau;

c)

acties ondersteunen om de beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en crisisrelevante producten te vergroten door duurzame productie- en toeleveringsketens en innovatie in de Unie te bevorderen, en tegelijkertijd het verstandige en doeltreffende gebruik van geneesmiddelen, in het bijzonder antimicrobiële middelen, te ondersteunen, en acties ondersteunen die de ontwikkeling ondersteunen van geneesmiddelen die minder schadelijk zijn voor het milieu, alsook de milieuvriendelijke productie en verwijdering van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen;

d)

in synergie met andere instrumenten, programma’s en fondsen van de Unie, onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten, en in nauwe samenwerking met de relevante organen van de Unie, waar nodig acties ondersteunen ter aanvulling op Unieniveau van nationale voorraden van essentiële crisisrelevante producten;

e)

in synergie met andere instrumenten, programma’s en fondsen van de Unie, onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten en in nauwe samenwerking met het ECDC, een structuur in het leven roepen en opleiding organiseren voor een reserve van medisch, zorg- en ondersteunend personeel dat door de lidstaten vrijwillig ter beschikking wordt gesteld voor mobilisatie in het geval van een gezondheidscrisis;

f)

het gebruik en hergebruik van gezondheidsdata versterken voor het aanbieden van gezondheidszorg en voor onderzoek en innovatie, het gebruik van digitale hulpmiddelen en diensten bevorderen, alsook de digitale transformatie van gezondheidszorgstelsels, onder meer door de totstandbrenging van een Europese ruimte van gezondheidsgegevens te ondersteunen;

g)

de toegang tot hoogwaardige, patiëntgerichte en resultaatgerichte gezondheidszorg en gerelateerde zorgdiensten bevorderen, teneinde universele gezondheidszorg te bereiken;

h)

de ontwikkeling, uitvoering en handhaving, en, indien noodzakelijk, de herziening van Uniewetgeving op het gebied van gezondheid ondersteunen, de verstrekking van geldige, betrouwbare en vergelijkbare hoogwaardige gegevens ondersteunen voor empirisch onderbouwde beleidsvorming en monitoring, en het gebruik van effectbeoordelingen op het gebied van gezondheid voor andere relevante beleidsmaatregelen van de Unie aanmoedigen;

i)

geïntegreerde werkzaamheden van de lidstaten, en met name werkzaamheden van hun gezondheidszorgstelsels, ondersteunen, met inbegrip van de toepassing van preventiepraktijken met een grote impact, werkzaamheden op het gebied van evaluaties van gezondheidstechnologie ondersteunen, en netwerken versterken en bevorderen door middel van de ERN’s en andere transnationale netwerken, ook in verband met andere ziekten dan zeldzame ziekten, teneinde de dekking van patiënten te vergroten en de respons op weinig voorkomende en complexe overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten te verbeteren;

j)

wereldwijde toezeggingen en gezondheidsinitiatieven ondersteunen door de ondersteuning door de Unie van acties van internationale organisaties, in het bijzonder acties van de WHO, te versterken, en door samenwerking met derde landen te bevorderen.

Artikel 5

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 2 446 000 000 EUR in lopende prijzen.

2.   Als gevolg van de programmaspecifieke aanpassing als voorzien in artikel 5 van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (27) wordt het in lid 1 van dit artikel bedoelde bedrag verhoogd met een aanvullende toewijzing van 2 900 000 000 EUR in prijzen van 2018 zoals vermeld in bijlage II bij die verordening.

3.   De in de leden 1 en 2 genoemde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van institutionele informatietechnologiesystemen.

4.   De verdeling van de in de leden 1 en 2 genoemde bedragen geschiedt als volgt:

a)

ten minste 20 % van de bedragen wordt gereserveerd voor maatregelen op de gebieden gezondheidsbevordering en ziektepreventie, zoals bedoeld in artikel 4, onder a);

b)

ten hoogste 12,5 % van de bedragen wordt gereserveerd voor aanbestedingen ter aanvulling op Unieniveau van nationale voorraden van essentiële crisisrelevante producten zoals bedoeld in artikel 4, onder d);

c)

ten hoogste 12,5 % van de bedragen wordt gereserveerd voor het ondersteunen van wereldwijde toezeggingen en gezondheidsinitiatieven zoals bedoeld in artikel 4, onder j);

d)

ten hoogste 8 % van de bedragen wordt gereserveerd voor het dekken van administratieve uitgaven zoals bedoeld in lid 3.

5.   Kredieten die verband houden met activiteiten uit hoofde van artikel 9, lid 1, onder c), van deze verordening, worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 3, onder a), en artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

6.   Vastleggingen in de begroting die zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekken, mogen door middel van jaartranches over verschillende jaren worden gespreid.

7.   Overeenkomstig artikel 193, lid 2, tweede alinea, onder a), van het Financieel Reglement kunnen uit hoofde van deze verordening ondersteunde activiteiten en hun onderliggende kosten voor een beperkte periode in naar behoren gemotiveerde gevallen, vanaf 1 januari 2021 als subsidiabel worden beschouwd, zelfs indien die activiteiten uitgevoerd zijn en die kosten gemaakt zijn vóór de indiening van de subsidieaanvraag.

8.   Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 31 december 2027 kredieten ter dekking van de in lid 3 bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 6

Met het programma geassocieerde derde landen

1.   Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)

leden van de Europese Vrijhandelsassociatie die lid zijn van de Europese Economische Ruimte, in overeenstemming met de in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte vastgestelde voorwaarden;

b)

toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma’s van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)

landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma’s van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)

andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan een programma van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

i)

een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan het programma van de Unie deelneemt;

ii)

de voorwaarden voor deelname aan het programma van de Unie bevat, waaronder de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma’s en de administratieve kosten ervan;

iii)

het derde land geen besluitvormingsbevoegdheid verleent ten aanzien van het programma van de Unie;

iv)

de rechten van de Unie om een goed financieel beheer te garanderen en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.

2.   De in punt d), ii), van lid 1 bedoelde bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

Hoofdstuk II

Financiering

Artikel 7

Uitvoering en vormen van Uniefinanciering

1.   Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen zoals bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.   In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen, met name in de vorm van subsidies, prijzen en aanbestedingen.

3.   Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kunnen het risico dekken dat is verbonden aan de invordering van door de ontvangers verschuldigde middelen en kunnen worden beschouwd als een afdoende garantie uit hoofde van het Financieel Reglement. De Commissie stelt specifieke regels vast voor de werking van het mechanisme.

4.   Indien de Commissie acties op het gebied van noodhulp uitvoert door een beroep te doen op een niet-gouvernementele organisatie, wordt geacht te zijn voldaan aan de criteria voor financiële en operationele capaciteit indien op grond van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad (28) een kader-partnerschapsovereenkomst is gesloten tussen die organisatie en de Commissie.

Artikel 8

Subsidies

1.   Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.

2.   Subsidies kunnen worden gebruikt in combinatie met financiering van de Europese Investeringsbank, van nationale stimuleringsbanken of van andere ontwikkelingsbanken of openbare financiële instellingen alsmede in combinatie met financiering van particuliere financiële instellingen en van investeerders uit de overheids- of de privésector, al dan niet via publiek-publieke of publiek-private partnerschappen.

3.   Door de Unie betaalde subsidies mogen niet meer bedragen dan 60 % van de subsidiabele kosten voor een actie met betrekking tot een doelstelling van het programma of voor het functioneren van een niet-gouvernementele instantie. In gevallen van uitzonderlijk nut kan de bijdrage van de Unie tot 80 % van de subsidiabele kosten worden verhoogd. Acties met een duidelijke meerwaarde voor de Unie worden onder meer geacht van uitzonderlijk nut te zijn indien:

a)

ten minste 30 % van de middelen voor de voorgestelde actie bestemd is voor lidstaten met een bni per inwoner van minder dan 90 % van het gemiddelde van de Unie, of

b)

instanties uit ten minste 14 lidstaten die aan het programma deelnemen, aan de actie deelnemen, waarvan ten minste vier lidstaten met een bni per inwoner van minder dan 90 % van het gemiddelde van de Unie.

4.   In het geval van de in artikel 13, leden 6 en 7, bedoelde rechtstreekse subsidies kunnen dergelijke subsidies tot 100 % van de subsidiabele kosten bedragen.

Artikel 9

Aanbestedingen in noodsituaties op het gebied van gezondheid

1.   In gevallen waarin de noodsituatie of ontwikkeling van een ernstige grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid is gemeld uit hoofde van artikel 9 van Besluit nr. 1082/2013/EU, of wanneer een noodsituatie voor de volksgezondheid is erkend uit hoofde van artikel 12 van dat besluit, kan aanbesteding uit hoofde van deze verordening een van de volgende vormen aannemen:

a)

een gezamenlijke aanbesteding met de lidstaten zoals bedoeld in artikel 165, lid 2, van het Financieel Reglement, waarbij de lidstaten de gezamenlijk verworven capaciteiten volledig kunnen aankopen, huren of leasen;

b)

een aanbesteding door de Commissie namens de lidstaten op basis van een overeenkomst tussen de Commissie en de lidstaten;

c)

een aanbesteding door de Commissie die optreedt als groothandelaar, waarbij benodigdheden en diensten worden aangekocht, opgeslagen, en doorverkocht of gedoneerd, met inbegrip van verhuur, ten behoeve van de lidstaten of door de Commissie geselecteerde partnerorganisaties.

2.   Bij gebruikmaking van de in lid 1, onder b), bedoelde aanbestedingsprocedure worden de daaruit voortvloeiende contracten op een van de volgende manieren gesloten:

a)

door de Commissie, wanneer de diensten of goederen aan de lidstaten of aan de door de Commissie geselecteerde partnerorganisaties moeten worden geleverd;

b)

door de deelnemende lidstaten, wanneer zij de capaciteit waarvoor de Commissie namens hen een aanbesteding heeft gedaan, rechtstreeks moeten verwerven, huren of leasen.

3.   Bij gebruikmaking van de in lid 1, onder b) en c), bedoelde aanbestedingsprocedure voldoet de Commissie voor haar eigen aanbestedingen aan de voorschriften van het Financieel Reglement.

Artikel 10

Blendingverrichtingen

Blendingverrichtingen in het kader van het programma vinden plaats in overeenstemming met Verordening (EU) 2021/523 en titel X van het Financieel Reglement.

Artikel 11

Cumulatieve financiering

1.   Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken.

2.   De voorschriften van het relevante programma van de Unie zijn van toepassing op de overeenkomstige bijdrage aan de actie.

3.   De cumulatieve financiering mag niet hoger zijn dan de totale subsidiabele kosten van de actie. De steun uit de verschillende programma’s van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor de steun zijn vastgesteld.

Hoofdstuk III

Acties

Artikel 12

In aanmerking komende acties

Alleen acties die de in de artikelen 3 en 4 genoemde doelstellingen verwezenlijken, in het bijzonder de in bijlage I vermelde acties, komen voor financiering in aanmerking.

Artikel 13

In aanmerking komende juridische entiteiten

1.   Om voor financiering in aanmerking te komen, moeten juridische entiteiten, behalve aan de in artikel 197 van het Financieel Reglement vastgestelde criteria, aan de volgende criteria voldoen:

a)

gevestigd zijn:

i)

in een lidstaat of in een met een lidstaat verbonden overzees land of gebied;

ii)

in een met het programma geassocieerd derde land, of

iii)

in een derde land dat in het overeenkomstig artikel 17 vastgestelde jaarlijks werkprogramma (“jaarlijks werkprogramma”) is opgenomen onder de in de leden 2 en 3 gespecificeerde voorwaarden, of

b)

een uit hoofde van het Unierecht opgerichte juridische entiteit of een internationale organisatie zijn.

2.   Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land kunnen in uitzonderlijke gevallen voor deelname aan het programma in aanmerking komen voor zover die deelname noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie. De beoordeling van die noodzaak moet naar behoren tot uitdrukking komen in het financieringsbesluit.

3.   Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land dragen de kosten van hun deelname.

4.   Natuurlijke personen komen niet in aanmerking voor subsidies uit hoofde van het programma.

5.   In het kader van het programma kunnen rechtstreekse subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om acties te financieren indien dergelijke subsidies naar behoren zijn onderbouwd en een duidelijke meerwaarde van de Unie hebben waarin uitdrukkelijk is voorzien in de jaarlijkse werkprogramma’s en indien zij worden medegefinancierd door de voor gezondheid bevoegde autoriteiten in de lidstaten of de met het programma geassocieerde derde landen, door relevante internationale gezondheidsorganisaties of door overheidsinstanties of niet-gouvernementele organen die daartoe door die bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd, ongeacht of die instanties of organen individueel dan wel als netwerk optreden.

6.   In het kader van het programma worden rechtstreekse subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen toegekend aan ERN’s. Rechtstreekse subsidies kunnen ook worden toegekend aan andere transnationale netwerken die overeenkomstig het Unierecht zijn vastgesteld.

7.   In het kader van het programma kunnen rechtstreekse subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om acties van de WHO te financieren wanneer financiële steun nodig is voor de uitvoering van een of meer van de specifieke doelstellingen van het programma die een meerwaarde voor de Unie hebben waarin uitdrukkelijk is voorzien in de jaarlijkse werkprogramma’s.

8.   In het kader van het programma kunnen rechtstreekse subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om het functioneren van niet-gouvernementele organen te financieren wanneer financiële steun nodig is voor de uitvoering van een of meer van de specifieke doelstellingen van het programma die een meerwaarde voor de Unie hebben waarin uitdrukkelijk is voorzien in de jaarlijkse werkprogramma’s, op voorwaarde dat die organen aan elk van de volgende criteria voldoen:

a)

zij zijn organen zonder winstoogmerk, die losstaan van het bedrijfsleven, de handel en het zakenleven en ook geen andere strijdige belangen hebben;

b)

zij zijn actief op het gebied van de volksgezondheid, streven minstens een van de specifieke doelstellingen van het programma na en spelen een effectieve rol op het niveau van de Unie;

c)

zij zijn actief op het niveau van de Unie en in minstens de helft van de lidstaten, met een evenwichtige geografische spreiding over de Unie.

De Commissie brengt de beoordeling van de vraag of aan die criteria wordt voldaan naar behoren tot uitdrukking in het financieringsbesluit.

Artikel 14

Subsidiabele kosten

1.   Met inachtneming van artikel 186 en artikel 193, lid 2, onder a), van het Financieel Reglement zijn kosten die vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag zijn gemaakt, subsidiabel met betrekking tot acties:

a)

ter uitvoering van de in artikel 3, onder b), van deze verordening genoemde doelstelling, of

b)

ter uitvoering van andere doelstellingen dan die in onder a) van dit lid, in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde acties en activiteiten.

2.   De uit hoofde van lid 1, onder a), subsidiabele kosten die verband houden met maatregelen met betrekking tot het vermoedelijk voorkomen van gevallen van een ziekte die tot een grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid zou kunnen leiden, zijn subsidiabel vanaf de datum waarop het vermoedelijk voorkomen van die ziekte aan de Commissie is gemeld, op voorwaarde dat het voorkomen of de aanwezigheid van die ziekte vervolgens wordt bevestigd.

3.   In uitzonderlijke gevallen, tijdens een gezondheidscrisis als gevolg van een ernstige grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid zoals gedefinieerd in artikel 3, onder g), van Besluit nr. 1082/2013/EU, kunnen kosten die zijn gemaakt door entiteiten die zijn gevestigd in niet-geassocieerde landen als subsidiabel worden beschouwd, als die kosten naar behoren gerechtvaardigd zijn om de verspreiding van het risico voor de bescherming van de gezondheid van mensen in de Unie tegen te gaan.

Hoofdstuk IV

Governance

Artikel 15

Gezamenlijke uitvoering van het beleid

1.   Er wordt een EU4Health-stuurgroep opgericht.

2.   De leden van de EU4Health-stuurgroep zijn de Commissie en de lidstaten. Elke lidstaat benoemt één lid en één plaatsvervangend lid in de EU4Health-stuurgroep. De Commissie verzorgt het secretariaat van de EU4Health-stuurgroep.

3.   De Commissie raadpleegt de EU4Health-stuurgroep:

a)

over de voorbereidende werkzaamheden van de Commissie voor de jaarlijkse werkprogramma’s;

b)

elk jaar, ten minste zes maanden vóór de presentatie van het ontwerp van het jaarlijkse werkprogramma aan het in artikel 23, lid 1, bedoelde comité, over de prioriteiten en de strategische oriëntatie van het jaarlijkse werkprogramma.

4.   De EU4Health-stuurgroep:

a)

zet zich in voor het waarborgen van consistentie en complementariteit tussen het gezondheidsbeleid van de lidstaten alsook tussen het programma en andere maatregelen, instrumenten en acties van de Unie, waaronder die met relevantie voor de agentschappen van de Unie;

b)

zorgt voor follow-up van de uitvoering van het programma en stelt op basis van beoordelingen alle eventueel noodzakelijke aanpassingen voor;

c)

stelt zijn reglement vast, dat voorschriften bevat die erop gericht zijn te waarborgen dat de stuurgroep ten minste drie keer per jaar, indien passend in persoon, bijeenkomt, hetgeen de lidstaten in staat stelt regelmatig en op transparante wijze van gedachten te wisselen.

Artikel 16

Raadpleging van belanghebbenden en informatie van het Europees Parlement

1.   De Commissie raadpleegt belanghebbenden, met inbegrip van vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en patiëntenorganisaties, teneinde hun standpunten in te winnen over:

a)

de prioriteiten en de strategische oriëntatie van het jaarlijkse werkprogramma;

b)

de behoeften die met het jaarlijks werkprogramma moeten worden aangepakt en de met het jaarlijks werkprogramma behaalde resultaten.

2.   Voor de toepassing van lid 1 organiseert de Commissie de raadpleging en de inlichting van belanghebbenden ten minste eens per jaar, in de zes maanden vóór de presentatie van het ontwerpwerkprogramma aan het in artikel 23, lid 1, bedoelde comité.

3.   De Commissie kan te allen tijde de standpunten inwinnen van relevante gedecentraliseerde agentschappen en van onafhankelijke deskundigen op het gebied van gezondheid over technische of wetenschappelijke aspecten die relevantie hebben voor de uitvoering van het programma.

4.   De Commissie doet het Europees Parlement elk jaar, vóór de laatste bijeenkomst van de EU4Health-stuurgroep, de resultaten toekomen van de activiteiten van de EU4Health-stuurgroep en de raadpleging van de in de leden 1 en 2 bedoelde belanghebbenden.

Artikel 17

Uitvoering van het programma

1.   De Commissie voert het programma uit door jaarlijkse werkprogramma’s vast te stellen overeenkomstig het Financieel Reglement.

2.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het volgende vast:

a)

de jaarlijkse werkprogramma’s, die met name ingaan op:

i)

de uit te voeren acties, met inbegrip van de indicatieve toewijzing van de financiële middelen;

ii)

het totale voor blendingverrichtingen gereserveerde bedrag;

iii)

de in aanmerking komende acties die onder artikel 7, leden 3 en 4, vallen;

iv)

de in aanmerking komende acties van juridische entiteiten zoals bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b);

v)

de in aanmerking komende acties van juridische entiteiten van een niet met het programma geassocieerd maar in het jaarlijks werkprogramma genoemd derde land, onder de in artikel 13, leden 2 en 3, vastgestelde voorwaarden;

b)

de besluiten tot goedkeuring van acties ten bedrage van 20 000 000 EUR of meer;

c)

regels die voorzien in:

i)

de technische en administratieve regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de acties van het programma;

ii)

uniforme modellen voor de verzameling van de gegevens die nodig zijn voor de monitoring van de uitvoering van het programma.

3.   Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 18

Gegevensbescherming

Bij het beheer en de uitvoering van het programma zorgen de Commissie en de lidstaten ervoor dat alle toepasselijke rechtsbepalingen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens in acht worden genomen en dat, waar nodig, mechanismen worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat die gegevens vertrouwelijk en veilig blijven.

Hoofdstuk V

Toezicht, evaluatie en controle

Artikel 19

Monitoring en verslaglegging

1.   Bijlage II bevat indicatoren voor de verslaglegging over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in de artikelen 3 en 4 genoemde algemene en specifieke doelstellingen.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage II waar nodig te wijzigen met betrekking tot de indicatoren.

3.   Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe neemt de Commissie uitvoeringshandelingen aan tot vaststelling van evenredige verslagleggingsvereisten voor de ontvangers van middelen van de Unie en, waar passend, voor de lidstaten.

Artikel 20

Evaluatie

1.   De in artikel 34, lid 3, van het Financieel Reglement bedoelde evaluaties worden door de Commissie tijdig verricht, zodat zij in het besluitvormingsproces kunnen worden verwerkt.

2.   De Commissie legt uiterlijk op 31 december 2024 een tussentijdse evaluatie van het programma voor. Die tussentijdse evaluatie vormt de basis voor een eventuele aanpassing van de uitvoering van het programma.

3.   Aan het einde van het programma en uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 bedoelde periode, legt de Commissie een eindevaluatie voor.

4.   De Commissie maakt de conclusies van de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie samen met haar opmerkingen openbaar en deelt ze mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.

Artikel 21

Audits

Audits inzake het gebruik van Uniebijdragen, waaronder audits die worden uitgevoerd door andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de in artikel 127 van het Financieel Reglement bedoelde algemene zekerheid.

Artikel 22

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Wanneer een derde land aan het programma deelneemt door middel van een besluit dat is vastgesteld op grond van een internationale overeenkomst of op basis van een ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang zodat de bevoegde ordonnateur, OLAF en de Rekenkamer hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten die rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, zoals voorzien in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

Artikel 23

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het EU4Health-programmacomité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien het comité geen advies uitbrengt, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 24

Coherentie en complementariteit met andere beleidsmaatregelen, instrumenten en acties van de Unie

De Commissie en de lidstaten zorgen, onder meer via hun gemeenschappelijke werkzaamheden in de EU4Health-stuurgroep, voor de globale coherentie, synergie en complementariteit tussen het programma en andere beleidsmaatregelen, instrumenten en acties van de Unie, waaronder die welke relevant zijn voor de agentschappen van de Unie.

Artikel 25

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 19, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van zeven jaar vanaf 26 maart 2021.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 19, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Hoofdstuk VI

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 26

Informatie, communicatie en publiciteit

1.   De ontvangers van Uniefinanciering erkennen de oorsprong van die financiering en geven zichtbaarheid aan de Uniefinanciering, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en proportionele wijze te informeren.

2.   De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma, de op grond van het programma ondernomen acties en de resultaten ervan.

3.   De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover die prioriteiten verband houden met de in artikel 3 en 4 genoemde doelstellingen.

Artikel 27

Intrekking

Verordening (EU) nr. 282/2014 wordt met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken, onverminderd artikel 28 van deze verordening.

Artikel 28

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van acties die geïnitieerd zijn op grond van Verordening (EU) nr. 282/2014, die op die acties van toepassing blijft tot zij worden afgesloten.

2.   De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de technische- en administratieve bijstandskosten dekken die noodzakelijk zijn om de overgang te waarborgen tussen de uit hoofde van Verordening (EU) nr. 282/2014 vastgestelde maatregelen en dit programma.

Artikel 29

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A.P. ZACARIAS


(1)  PB C 429 van 11.12.2020, blz. 251.

(2)  PB C 440 van 18.12.2020, blz. 131.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 9 maart 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 17 maart 2021.

(4)  Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008) (PB L 271 van 9.10 2002, blz. 1).

(5)  Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013) (PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3).

(6)  Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).

(7)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.

(8)  PB C 444 I van 22.12.2020, blz. 1.

(9)  Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (zie blz. 30 van dit Publicatieblad).

(11)  Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).

(12)  Besluit (EU) 2019/420 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2019 tot wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 77I van 20.3.2019, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) 2016/369 van de Raad van 15 maart 2016 betreffende de verstrekking van noodhulp binnen de Unie (PB L 70 van 16.3.2016, blz. 1).

(14)  Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

(15)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(16)  Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken (PB L 147 van 17.5.2014, blz. 79).

(17)  Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (LGO-besluit) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).

(18)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(19)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(20)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(21)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(22)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(23)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(24)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 23).

(25)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(26)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(27)  Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433I van 22.12.2020, blz. 11).

(28)  Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1).


BIJLAGE I

LIJST VAN MOGELIJKE IN AANMERKING KOMENDE ACTIES ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 12

1.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder a), vastgestelde doelstelling

a)

ondersteuning van de vaststelling en uitvoering van programma’s om de lidstaten te helpen en ondersteuning van de acties van de lidstaten ter verbetering van de gezondheidsbevordering en ziektepreventie;

b)

ondersteuning van de uitvoering en verdere ontwikkeling van onderzoeken, studies, verzameling van vergelijkbare gegevens en statistieken, indien relevant ook uitgesplitst volgens gender en leeftijdscategorie, methodologieën, classificaties, microsimulaties, proefstudies, indicatoren, kennisbemiddeling en benchmarkproeven;

c)

ondersteuning van de acties van de lidstaten om gezonde en veilige stads-, werk- en schoolomgevingen te creëren, om gezonde levenskeuzes mogelijk te maken en om gezonde voedingspatronen en regelmatige fysieke activiteit te bevorderen, rekening houdend met de behoeften van kwetsbare groepen in elk stadium van hun leven, teneinde levenslange gezondheid te bevorderen;

d)

ondersteuning van de lidstaten bij het nemen van effectieve maatregelen tegen overdraagbare ziekten en bij de preventie, bewaking, diagnose en behandeling van dergelijke ziekten;

e)

ondersteuning van de acties van de lidstaten op het gebied van ziektepreventie en gezondheidsbevordering gedurende het hele leven van een persoon, door het aanpakken van risicofactoren voor de gezondheid, zoals obesitas, ongezonde voeding en gebrek aan lichaamsbeweging;

f)

ondersteuning van acties ter bevordering van de geestelijke gezondheid;

g)

ondersteuning van acties ter aanvulling van maatregelen van de lidstaten ter vermindering van gezondheidsschade als gevolg van illegaal drugsgebruik en drugsverslaving, met inbegrip van voorlichting en preventie;

h)

ondersteuning van de uitvoering van beleid en acties om ongelijkheden en onbillijkheden met betrekking tot de toegang tot gezondheidszorg te beperken;

i)

ondersteuning van acties ter bevordering van gezondheidsalfabetisme;

j)

ondersteuning van de bevordering en uitvoering van de aanbevelingen van de Europese code tegen kanker en ondersteuning van de herziening van de huidige versie van die code;

k)

acties ter ondersteuning van de invoering van kankerregisters in alle lidstaten;

l)

stimulering van de samenwerking tussen de bevoegde nationale instanties van de deelnemende lidstaten met het oog op de ondersteuning van de oprichting van een virtueel Europees netwerk van excellentie, met als doel het onderzoek naar alle vormen van kanker, inclusief kanker bij kinderen, te versterken, en de verzameling en uitwisseling van klinische gegevens, en de omzetting van onderzoeksresultaten in de dagelijkse zorg en behandeling van kankerpatiënten te stimuleren;

m)

ondersteuning van acties ter verbetering van de kwaliteit van kankerzorg, onder meer met betrekking tot preventie, screening, vroegtijdige diagnose, monitoring en behandeling, ondersteunende en palliatieve zorg, in het kader van een integratieve en patiëntgerichte aanpak, en ondersteuning van het opzetten van kwaliteitsbewakingsregelingen voor kankercentra en andere centra die kankerpatiënten behandelen, inclusief centra die kinderkanker behandelen;

n)

ondersteuning van de vaststelling van kwaliteitsbewakingsregelingen voor kankercentra en andere centra die kankerpatiënten behandelen;

o)

ondersteuning van mechanismen voor specialismeoverschrijdende capaciteitsopbouw en voortdurende bijscholing, in het bijzonder op het gebied van kankerzorg;

p)

acties ter bevordering van de levenskwaliteit van ex-kankerpatiënten en mantelzorgers, zoals het aanbieden van psychologische steun, pijnbestrijding en gezondheidsgerelateerde aspecten van de re-integratie op de arbeidsmarkt;

q)

versterking van de samenwerking op het gebied van patiëntenrechten, patiëntveiligheid en kwaliteit van de zorg;

r)

ondersteuning van acties ten aanzien van epidemiologisch toezicht en bijdrage tot de beoordeling van factoren die de gezondheid van mensen beïnvloeden of bepalen;

s)

ondersteuning, in synergie met andere programma’s, van acties om de geografische spreiding van het zorgpersoneel te verbeteren en van acties om “medische woestijnen” te vermijden, onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten;

t)

ondersteuning van de ontwikkeling van richtsnoeren om overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten te voorkomen en te beheren, en van instrumenten en netwerken voor de uitwisseling van beste praktijken op dat gebied;

u)

ondersteuning van de acties van de lidstaten om gezondheidsbepalende factoren aan te pakken, waaronder alcoholgerelateerde schade en tabaksgebruik;

v)

ondersteuning van instrumenten en platforms om bewijsmateriaal uit de praktijk te vergaren over de veiligheid, effectiviteit en impact van vaccins na gebruik;

w)

ondersteuning van initiatieven ter verbetering van de vaccinatiegraad in de lidstaten;

x)

communicatieactiviteiten gericht aan het publiek en belanghebbenden om de acties van de Unie op de in deze bijlage genoemde gebieden te bevorderen;

y)

bewustmakingscampagnes en communicatieactiviteiten voor het grote publiek en voor specifieke doelgroepen met als doel de preventie en het aanpakken van de terughoudendheid tegenover vaccins, misleidende informatie en desinformatie met betrekking tot het voorkomen, de oorzaken en de behandeling van ziekten, op een manier die een aanvulling vormt op nationale campagnes en communicatieactiviteiten over die kwesties;

z)

communicatieactiviteiten gericht aan het publiek over gezondheidsrisico’s en gezondheidsbepalende factoren;

z bis)

ondersteuning van acties om het risico op in de gezondheidszorg opgelopen infecties te verminderen.

2.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder b), vastgestelde doelstelling

a)

versterking van de kritieke gezondheidsinfrastructuur om gezondheidscrises het hoofd te bieden, door ondersteuning van het opzetten van instrumenten voor bewaking, voorspelling, preventie en beheer van uitbraken;

b)

ondersteuning van acties om in de hele Unie de preventie van en de paraatheid voor gezondheidscrises, en de beheercapaciteit en responscapaciteit van actoren op Unie- en nationaal niveau, te vergroten, met inbegrip van vrijwillige stresstests, noodplanning, paraatheidsoefeningen, en ondersteuning van de ontwikkeling van gezondheidsnormen op nationaal niveau, mechanismen voor de efficiënte coördinatie van paraatheid en respons en de coördinatie van die acties op Unieniveau;

c)

ondersteuning van het opzetten van een geïntegreerd, sectoroverschrijdend kader voor risicocommunicatie dat alle fasen van een gezondheidscrisis, zijnde preventie, paraatheid, respons en herstel, bestrijkt;

d)

ondersteuning van preventieve acties om kwetsbare groepen tegen bedreigingen van de gezondheid te beschermen en acties om de respons op en het beheer van gezondheidscrises aan de behoeften van die kwetsbare groepen aan te passen, zoals acties om elementaire zorg voor patiënten met chronische of zeldzame ziekten veilig te stellen;

e)

ondersteuning van acties om de indirecte gevolgen aan te pakken en te beheersen die gezondheidscrises hebben voor de gezondheid, en met name gevolgen voor de geestelijke gezondheid, van patiënten met kanker of chronische ziekten en andere personen in kwetsbare situaties, zoals personen met een verslaving, hiv/aids, hepatitis of tuberculose;

f)

ondersteuning, in synergie met andere programma’s, van opleidings- en onderwijsprogramma’s voor de bijscholing van zorgpersoneel en gezondheidswerkers, en programma’s voor de tijdelijke uitwisseling van personeel, met name ter verbetering van hun digitale vaardigheden;

g)

ondersteuning van de oprichting en coördinatie van referentielaboratoria van de Unie, referentiecentra van de Unie, en excellentiecentra;

h)

auditing van de paraatheids- en responsregelingen van de lidstaten, bijvoorbeeld met betrekking tot gezondheidscrisisbeheer, antimicrobiële resistentie en vaccinatie;

i)

communicatie gericht aan het publiek in de context van risicobeheer en gezondheidscrisisparaatheid;

j)

ondersteuning van de opwaartse convergentie van de prestaties van nationale stelsels door middel van de ontwikkeling van gezondheidsindicatoren, analyse en kennisbemiddeling en het organiseren van vrijwillige stresstests van nationale gezondheidszorgstelsels;

k)

ondersteuning van het onderzoek naar en de risicobeoordeling en het risicobeheer van het verband tussen diergezondheid, milieufactoren en ziekten bij de mens, ook tijdens gezondheidscrises.

3.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder c), vastgestelde doelstelling

a)

ondersteuning van acties om de laboratoriumcapaciteit en de productie, het onderzoek, de ontwikkeling en de uitrol van gezondheidsproducten en crisisrelevante nicheproducten binnen de Unie te versterken;

b)

ondersteuning van acties en interoperabele IT-instrumenten om tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te monitoren, te voorkomen, te beheren en te melden, en tegelijkertijd de betaalbaarheid van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen te vergroten;

c)

ondersteuning, in synergie met andere programma’s, van klinische proeven om de ontwikkeling van, de handelsvergunning voor en de toegang tot innovatieve, veilige en doeltreffende geneesmiddelen en vaccins te versnellen;

d)

ondersteuning van acties ter aanmoediging van de ontwikkeling van innovatieve geneesmiddelen en vaccins, met als doel aan de groeiende uitdagingen op het gebied van de gezondheidszorg en de behoeften van patiënten te voldoen, en om de ontwikkeling van commercieel minder interessante producten zoals antimicrobiële middelen aan te moedigen;

e)

ondersteuning van acties ter bevordering van de milieuvriendelijke productie en verwijdering van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen en van acties ter ondersteuning van de ontwikkeling van geneesmiddelen die minder schadelijk zijn voor het milieu;

f)

ondersteuning van acties om het verstandig en efficiënt gebruik van geneesmiddelen, en met name van antimicrobiële middelen, te bevorderen;

g)

ondersteuning van acties die gericht zijn op het stimuleren van de toename van de productie van essentiële actieve farmaceutische ingrediënten en geneesmiddelen in de Unie, onder meer door diversificatie van de toeleveringsketen van actieve farmaceutische ingrediënten en generieke geneesmiddelen binnen de Unie om de afhankelijkheid van de lidstaten van bepaalde derde landen te verminderen;

h)

ondersteuning van acties ter verbetering van de beschikbaarheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen;

i)

ondersteuning van acties ter bevordering van innovatie op het gebied van de herbestemming, herformulering en combinatie van geneesmiddelen die niet onder een octrooi vallen, in synergie met andere programma’s;

j)

acties om de beoordeling van de milieurisico’s van geneesmiddelen te versterken;

k)

ondersteuning van de oprichting en inwerkingneming van een mechanisme voor sectoroverschrijdende coördinatie, conform de één-gezondheidsbenadering.

4.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder d), vastgestelde doelstelling

a)

monitoring van informatie over nationale activiteiten betreffende het aanleggen van voorraden van essentiële crisisrelevante producten, om na te gaan of er behoefte is aan extra voorraden op het niveau van de Unie;

b)

waarborging van een coherent beheer van de voorraden van essentiële crisisrelevante producten op het niveau van de Unie, op een manier die een aanvulling vormt op andere instrumenten, programma’s en fondsen van de Unie en in nauwe samenwerking met de bevoegde organen van de Unie;

c)

ondersteuning van acties voor de aankoop en levering van essentiële crisisrelevante producten die bijdragen aan de betaalbaarheid van die producten, op een manier die een aanvulling vormt op de voorraadvorming van de lidstaten.

5.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder e), vastgestelde doelstelling

ondersteuning van acties ter voorbereiding van het mobiliseren en opleiden op het niveau van de Unie van een reserve van medisch, zorg- en ondersteunend personeel, waarop in geval van een gezondheidscrisis een beroep kan worden gedaan, in nauwe samenwerking met het ECDC, in synergie met de andere instrumenten van de Unie, en met volledige inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten; bevordering van de uitwisseling van beste praktijken tussen reeds bestaande nationale reserves van medisch, zorg- en ondersteunend personeel.

6.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder f), vastgestelde doelstelling

a)

ondersteuning van een Uniekader en de respectieve interoperabele digitale instrumenten voor de samenwerking tussen de lidstaten en de samenwerking in netwerken, waaronder die welke nodig zijn voor samenwerking op het gebied van evaluaties van gezondheidstechnologie;

b)

ondersteuning voor de uitrol, de exploitatie en het onderhoud van voldragen, veilige en interoperabele digitale-diensteninfrastructuur en gegevenskwaliteitsbewakingsprocessen voor de uitwisseling, het gebruik en het hergebruik van en de toegang tot gegevens; ondersteuning voor grensoverschrijdende networking, onder meer door middel van het gebruik van interoperabele elektronische patiëntendossiers, registers en andere databanken; ontwikkeling van passende bestuursstructuren en interoperabele gezondheidsinformatiesystemen;

c)

ondersteuning voor de digitale transformatie van de gezondheidszorg en gezondheidszorgstelsels, onder meer door middel van benchmarking en capaciteitsopbouw, voor het gebruik van innovatieve instrumenten en technologieën zoals artificiële intelligentie, en ondersteuning voor de digitale bijscholing van gezondheidswerkers;

d)

ondersteuning van het optimale gebruik van telegeneeskunde en telegezondheidszorg, onder meer door middel van satellietcommunicatie voor afgelegen gebieden, stimulering van digitale organisatie-innovatie in gezondheidszorgvoorzieningen, en bevordering van digitale instrumenten voor empowerment van burgers en patiëntgerichte zorg;

e)

ondersteuning van de ontwikkeling, het gebruik en het onderhoud van databanken en digitale instrumenten alsook van hun interoperabiliteit, inclusief reeds bestaande projecten, waar passend met andere detectietechnologieën, zoals ruimtegebaseerde technologieën en artificiële intelligentie;

f)

ondersteuning van acties om burgers betere toegang tot en controle over hun gezondheidsgegevens te geven;

g)

ondersteuning van de uitrol en interoperabiliteit van digitale instrumenten en infrastructuren binnen en tussen de lidstaten en met de instellingen, agentschappen en organen van de Unie;

h)

ondersteuning van voorbereidende activiteiten en projecten voor de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens;

i)

acties om e-gezondheid te ondersteunen, zoals de transitie naar telegeneeskunde en het thuis toedienen van geneesmiddelen;

j)

ondersteuning van de invoering van het interoperabele elektronische patiëntendossier, conform het Europese uitwisselingsformaat voor elektronische patiëntendossiers, met als doel het gebruik van e-gezondheid en de duurzaamheid en weerbaarheid van gezondheidszorgstelsels te vergroten.

7.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder g), vastgestelde doelstelling

a)

acties ter verbetering van de toegang tot gezondheidsdiensten, -faciliteiten en -zorg voor mensen met een handicap;

b)

ondersteuning van de versterking van de eerstelijnszorg en versterking van de integratie van de zorg, met het oog op het verstrekken van universele gezondheidszorg en gelijke toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg;

c)

ondersteuning van de acties van de lidstaten ter bevordering van de toegang tot diensten op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en ondersteuning van geïntegreerde en intersectionele benaderingen van preventie, diagnose, behandeling en zorg.

8.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder h), vastgestelde doelstelling

a)

ondersteuning van de oprichting en exploitatie van een infrastructuur voor gezondheidsinformatie en -kennis;

b)

ondersteuning van de uitvoering, handhaving en monitoring van de gezondheidswetgeving en -acties van de Unie, en verlening van technische ondersteuning voor de uitvoering van wettelijke voorschriften;

c)

ondersteuning van studies, analyses, de gezondheidseffectbeoordeling van andere beleidsmaatregelen van de Unie en het verstrekken van wetenschappelijk advies ter ondersteuning van empirisch onderbouwde beleidsvorming;

d)

ondersteuning van deskundigengroepen en -panels die advies, gegevens en informatie verstrekken om de ontwikkeling en uitvoering van gezondheidsbeleidsmaatregelen te ondersteunen, inclusief follow-upevaluaties van de uitvoering van gezondheidsbeleidsmaatregelen;

e)

ondersteuning van nationale contact- en steunpunten bij het verlenen van richtsnoeren, informatie en bijstand met betrekking tot de bevordering en uitvoering van de gezondheidswetgeving van de Unie en het programma;

f)

waar passend, audits en beoordelingen overeenkomstig de Uniewetgeving;

g)

ondersteuning van de uitvoering en verdere uitbouw van het beleid en de wetgeving van de Unie ter bestrijding van tabaksgebruik;

h)

ondersteuning van nationale stelsels ten aanzien van de uitvoering van wetgeving inzake stoffen van menselijke oorsprong en ten aanzien van de bevordering van de duurzame en veilige aanvoer van die stoffen door middel van netwerkactiviteiten;

i)

ondersteuning voor de lidstaten om de administratieve capaciteit van hun gezondheidszorgstelsels te versterken door middel van samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken;

j)

ondersteuning van acties voor kennisoverdracht en van samenwerking op Unieniveau om bij te dragen aan nationale hervormingsprocessen ter verbetering van de doeltreffendheid, toegankelijkheid, duurzaamheid en veerkracht van gezondheidsstelsels, waarbij wordt gezorgd voor een koppeling met de beschikbare Uniefinanciering;

k)

ondersteuning van de opbouw van capaciteit voor het investeren in en uitvoeren van hervormingen van gezondheidszorgstelsels, met inbegrip van strategische planning en financiering uit meerdere bronnen.

9.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder i), vastgestelde doelstelling

a)

ondersteuning van de overdracht tussen, aanpassing aan en uitrol in de lidstaten van beste praktijken en innovatieve oplossingen met een bevestigde toegevoegde waarde op Unieniveau, en met name verlening van bijstand op maat voor de lidstaten of groepen lidstaten met de grootste behoeften, door middel van financiering van specifieke projecten, zoals twinning, advies van deskundigen en collegiale ondersteuning;

b)

ondersteuning van grensoverschrijdende samenwerking en partnerschappen, onder meer in grensoverschrijdende regio’s, om innovatieve oplossingen over te dragen en op te schalen;

c)

versterking van sectoroverschrijdende samenwerking en coördinatie;

d)

ondersteuning van de werking van ERN’s en de oprichting en exploitatie van nieuwe transnationale netwerken zoals vastgesteld in de gezondheidswetgeving van de Unie, en ondersteuning van de acties van de lidstaten om de activiteiten van dergelijke netwerken af te stemmen op de werking van de nationale gezondheidszorgstelsels;

e)

verdere ondersteuning van de uitrol van ERN’s in de lidstaten en bevordering van de versterking van die netwerken, onder meer door continue beoordeling, monitoring, evaluatie en verbetering;

f)

ondersteuning van de oprichting van nieuwe ERN’s voor zeldzame, complexe en weinig voorkomende ziekten, waar nodig, en ondersteuning van de samenwerking tussen ERN’s met als doel tegemoet te komen aan de multisystemische behoeften die voortvloeien uit weinig voorkomende en zeldzame ziekten en met als doel diagonale interactie tussen verschillende specialiteiten en disciplines te faciliteren;

g)

ondersteuning van de lidstaten bij de verbetering en verdere ontwikkeling en toepassing van ERN-registers;

h)

raadpleging van belanghebbenden.

10.   

Acties die beantwoorden aan de in artikel 4, onder j), vastgestelde doelstelling

a)

ondersteuning van acties die bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het programma van de WHO, die de leidende en coördinerende instantie voor gezondheid binnen de Verenigde Naties vormt;

b)

ondersteuning van de samenwerking tussen de instellingen van de Unie, agentschappen van de Unie en internationale organisaties en netwerken, en ondersteuning van de bijdrage van de Unie aan mondiale initiatieven;

c)

ondersteuning van de samenwerking met derde landen op gebieden die onder het programma vallen;

d)

ondersteuning van acties ter bevordering van de convergentie van de internationale regelgeving inzake geneesmiddelen en medische hulpmiddelen.


BIJLAGE II

INDICATOREN VOOR DE EVALUATIE VAN HET PROGRAMMA

Programma-indicatoren:

1.

Paraatheids- en responsplanningen van de Unie en de lidstaten voor ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid

2.

Toegang tot centraal goedgekeurde geneesmiddelen, bijvoorbeeld het aantal bestaande en het aantal nieuwe goedkeuringen voor weesgeneesmiddelen, geneesmiddelen voor geavanceerde therapie, geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik of vaccins, voor onvervulde behoeften

3.

Aantal acties die bijdragen aan de vermindering van vermijdbare sterfte op het gebied van niet-overdraagbare ziekten en risicofactoren

4.

Aantal lidstaten dat beste praktijken hanteert betreffende gezondheidsbevordering en ziektepreventie en ongelijkheden op gezondheidsgebied aanpakt

5.

Aantal lidstaten dat deelneemt aan de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens

6.

Aantal lidstaten met een verbeterde paraatheids- en responsplanning

7.

Vaccinatiedekking naar leeftijd voor dankzij vaccinatie te voorkomen ziekten zoals de mazelen, griep, het HPV en COVID-19

8.

EU-laboratoriumcapaciteitsindex (EULabCap)

9.

Gestandaardiseerd netto-overlevingscijfer na vijf jaar voor kinderkanker, volgens vorm van de kanker, leeftijd en gender van de patiënt en lidstaat (voor zover die gegevens beschikbaar zijn)

10.

Dekking van screeningprogramma’s voor borstkanker, baarmoederhalskanker en colorectale kanker, volgens vorm van de kanker, doelgroep en lidstaat

11.

Percentage van de bevolking dat is opgenomen in kankerregisters en aantal lidstaten dat gegevens rapporteert over het stadium van baarmoederhalskanker, borstkanker, colorectale kanker en kinderkanker bij de diagnose

12.

Aantal acties met betrekking tot de prevalentie van ernstige chronische ziekten per lidstaat, volgens ziekte, gender en leeftijd

13.

Aantal acties betreffende de prevalentie van tabaksgebruik volgens leeftijd, indien mogelijk uitgesplitst naar gender

14.

Aantal acties betreffende de prevalentie van schadelijke alcoholconsumptie, indien mogelijk uitgesplitst naar gender en leeftijd

15.

Aantal geneesmiddelentekorten in de lidstaten volgens meldingen via het SPOC-netwerk

16.

Aantal acties voor het vergroten van de veiligheid en continuïteit van de mondiale toeleveringsketens en voor het aanpakken van de afhankelijkheid van invoer uit derde landen voor de productie van essentiële actieve farmaceutische ingrediënten en geneesmiddelen in de Unie

17.

Aantal audits uitgevoerd in de Unie en in derde landen om de toepassing van goede productiepraktijken en goede klinische praktijken te waarborgen (controle door de Unie)

18.

Antimicrobiële consumptie voor systemisch gebruik (ATC-code J01) per lidstaat

19.

Aantal bij ERN’s betrokken zorgafdelingen en aantal door de leden van ERN’s gediagnosticeerde en behandelde patiënten

20.

Aantal gezamenlijk opgestelde verslagen over de evaluatie van gezondheidstechnologie

21.

Aantal gezondheidseffectbeoordelingen van het beleid van de Unie

22.

Aantal acties betreffende de bestrijding van overdraagbare ziekten

23.

Aantal acties betreffende milieurisicofactoren voor de gezondheid


26.3.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 107/30


VERORDENING (EU) 2021/523 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 maart 2021

tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 173 en artikel 175, derde alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De COVID-19-pandemie veroorzaakt een grote schok voor de mondiale economie en de economie van de Unie, en heeft grote sociale en economische gevolgen voor de verschillende lidstaten en regio’s. De economische activiteit in de Unie liepen als gevolg van de vereiste beperkende maatregelen fors terug. De verwachting is dat het bbp van de Unie in 2020 met ongeveer 7,4 % zal krimpen, veel sterker dan tijdens de financiële crisis in 2009. De investeringsactiviteit is aanzienlijk gedaald. Voor kwetsbare punten, zoals de al te sterke afhankelijkheid van niet-gediversifieerde externe bevoorradingsbronnen en een gebrek aan kritieke infrastructuur, moet een oplossing komen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) met inbegrip van micro-ondernemingen, bijvoorbeeld door de strategische waardeketens te diversifiëren en te versterken, opdat de noodrespons van de Unie maar ook de veerkracht van de hele economie kan worden verbeterd, terwijl de economie toch blijft openstaan voor concurrentie en handel in overeenstemming met de Unieregels. Zelfs vóór de pandemie, toen het volume investeringen als percentages van het bbp in de Unie zich bleken te herstellen, bleven zij onder het niveau dat in een krachtig herstel mocht worden verwacht en waren zij ontoereikend om de jarenlange onderinvesteringen na de crisis van 2009 te compenseren. Belangrijker is dat de huidige investeringsniveaus en -prognoses niet de behoeften aan structurele investeringen van de Unie dekken voor een nieuwe start en voor het behoud van de groei op de lange termijn, rekening houdend met de technologische veranderingen en het mondiale concurrentievermogen, onder meer wat betreft innovatie, vaardigheden, infrastructuur, kmo’s en de noodzaak om belangrijke maatschappelijke uitdagingen zoals duurzaamheid of vergrijzing aan te gaan. Met het oog op de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie en de ondersteuning van een snel, duurzaam, inclusief, blijvend en gezond economisch herstel is steun dan ook noodzakelijk om tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties aan te pakken en de investeringskloof in specifieke sectoren te dichten.

(2)

Uit evaluaties is gebleken dat de verscheidenheid aan financieringsinstrumenten die binnen het meerjarig financieel kader 2014-2020 zijn gecreëerd, heeft geleid tot overlappingen wat hun toepassingsgebied betreft. Deze verscheidenheid heeft ook tot complexiteit geleid voor intermediairs en eindontvangers, die met verschillende subsidiabiliteits- en rapportageregels werden geconfronteerd. Het ontbreken van verenigbare regels heeft ook het combineren van verschillende fondsen van de Unie belemmerd, hoewel dergelijke combinaties gunstig zouden zijn geweest om projecten te ondersteunen die verschillende soorten financiering nodig hadden. Daarom moet voortbouwend op de ervaringen met het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat in het kader van het investeringsplan voor Europa is opgericht, één enkel fonds, het InvestEU-fonds, worden opgericht om de steun aan de eindontvangers efficiënter te laten verlopen door de aangeboden financiering te groeperen en te vereenvoudigen onder één enkele begrotingsgarantieregeling, waardoor de impact van de steun van de Unie wordt vergroot en de uit de begroting van de Unie te betalen kosten worden verminderd.

(3)

De afgelopen jaren heeft de Unie ambitieuze strategieën aangenomen om de interne markt te voltooien en duurzame en inclusieve groei en banen te stimuleren. Dergelijke strategieënzijn onder meer “Europa 2020 - een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” van 3 maart 2010, het “Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktenunie” van 30 september 2015, “Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie” van 2 december 2015, “Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit” van 20 juli 2016, de “Ruimtestrategie voor Europa” van 26 oktober 2016, het pakket “Schone energie voor alle Europeanen” van 30 november 2016, het “Europees defensieactieplan” van 30 november 2016, de “Oprichting van het Europees Defensiefonds” van 7 juni 2017, de “Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten” van 13 december 2017, “Een nieuwe Europese agenda voor cultuur” van 22 mei 2018, de “Europese Green Deal” van 11 december 2019, het “Investeringsplan voor de Europese Green Deal” van 14 januari 2020, “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities” van 14 januari 2020, de strategie “De digitale toekomst van Europa vormgeven”, de “Europese Datastrategie” en het witboek “over kunstmatige intelligentie - een Europese benadering op basis van excellentie en vertrouwen” van 19 februari 2020, “Een nieuwe industriestrategie voor Europa” van 10 maart 2020 en de “Kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa” van 10 maart 2020. Het InvestEU-fonds moet de synergieën tussen deze wederzijds versterkende strategieën benutten en versterken door steun te verlenen voor investeringen en toegang tot financiering. Daarnaast heeft de Unie Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (3) vastgesteld.

(4)

Op het niveau van de Unie vormt het Europees Semester voor de coördinatie van het economisch beleid het kader om de nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en de uitvoering ervan te monitoren. De lidstaten ontwikkelen, in voorkomend geval in samenwerking met lokale en regionale autoriteiten, hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Deze strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma’s worden gepresenteerd om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen of Uniefinanciering, of met beide, moeten worden ondersteund. Voorts moeten deze strategieën op samenhangende wijze gebruikmaken van Uniefinanciering en de toegevoegde waarde maximaliseren van de financiële steun die met name uit de Europese structuur- en investeringsfondsen, de faciliteit voor herstel en veerkracht ingesteld bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (4) en het InvestEU-programma wordt verleend.

(5)

Het InvestEU-fonds dient bij te dragen aan een sterker concurrentievermogen en een grotere sociaaleconomische convergentie en cohesie van de Unie, onder meer op het gebied van innovatie en digitalisering, aan het efficiënte gebruik van hulpbronnen volgens de beginselen van de circulaire economie, aan de duurzaamheid en inclusiviteit van de economische groei van de Unie en aan de sociale veerkracht en integratie van de kapitaalmarkten van de Unie, onder meer via oplossingen om de versnippering van die markten tegen te gaan en de financieringsbronnen voor ondernemingen in de Unie te diversifiëren. Daartoe moet het InvestEU-fonds projecten ondersteunen die technisch en economisch levensvatbaar zijn door een kader te bieden voor het gebruik van schuld-, risicodelings- en eigenvermogens- en quasi-eigenvermogensinstrumenten die worden gedekt door een garantie uit de begroting van de Unie en, naargelang van het geval, door financiële bijdragen van uitvoerende partners. Het InvestEU-fonds moet vraaggestuurd zijn en moet er tegelijkertijd op gericht zijn strategische voordelen op lange termijn te leveren met betrekking tot essentiële terreinen van het beleid van de Unie die anders niet of onvoldoende zouden worden gefinancierd, zodat wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie. Steun uit het InvestEU-fonds moet een breed scala aan sectoren en regio’s bestrijken, maar moet buitensporige sectorale of geografische concentratie vermijden en toegang tot financiering bieden voor projecten met partnerentiteiten in talrijke regio’s over de gehele Unie, met inbegrip van projecten die de ontwikkeling van netwerken, clusters en digitale-innovatiehubs bevorderen.

(6)

De culturele en de creatieve sector zijn belangrijke en snelgroeiende sectoren in de Unie, die een belangrijke rol kunnen spelen bij het garanderen van een duurzaam herstel en zowel economische als culturele waarde uit intellectuele eigendom en individuele creativiteit genereren. De beperkingen op sociale contacten die tijdens de COVID-19-crisis werden ingevoerd, hebben echter aanzienlijke negatieve economische effecten teweeggebracht in deze sectoren. Voorts hebben kmo’s en organisaties uit deze sectoren vanwege de immateriële aard van hun activa beperkte toegang tot particuliere financiering, die onontbeerlijk is om op internationaal niveau te kunnen investeren, doorgroeien en concurreren. Het InvestEU-programma moet de toegang tot financiering voor kmo’s en organisaties uit die sectoren blijven bevorderen. De culturele en creatieve sector, de audiovisuele sector en de mediasector zijn essentieel voor de vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit en voor de opbouw van democratische en hechte samenlevingen in het digitale tijdperk, en zijn een intrinsiek onderdeel van onze soevereiniteit en autonomie. Investeringen in die sectoren zouden bepalend zijn voor hun concurrentievermogen en capaciteit om op lange termijn hoogwaardige inhoud te kunnen produceren en te verspreiden voor een breed publiek over de nationale grenzen heen.

(7)

Om duurzame en inclusieve groei, investeringen en werkgelegenheid te bevorderen, en aldus bij te dragen aan een beter welzijn, een eerlijkere inkomensverdeling en meer economische, sociale en territoriale samenhang in de Unie, moet het InvestEU-fonds steun verlenen voor investeringen in materiële en immateriële activa, waaronder cultureel erfgoed. De door InvestEU gefinancierde projecten moeten voldoen aan de milieu- en sociale normen van de Unie, met inbegrip van normen inzake arbeidsrechten. Steun uit het InvestEU-fonds moet een aanvulling vormen op steun van de Unie die wordt verleend via subsidies.

(8)

De Unie heeft haar goedkeuring gehecht aan de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (“Agenda 2030”), de duurzameontwikkelingsdoelen van die Agenda (duurzameontwikkelingsdoelen ) en de Overeenkomst van Parijs die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (5) (“Overeenkomst van Parijs”) alsook het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030. Om deze doelstellingen te bereiken alsmede de doelstellingen die bepaald zijn in het milieubeleid van de Unie, moeten de maatregelen voor duurzame ontwikkeling aanzienlijk worden uitgebreid. Daarom moeten de beginselen van duurzame ontwikkeling een prominente plaats innemen bij de vormgeving van het InvestEU-fonds.

(9)

Het InvestEU-programma moet bijdragen tot de opbouw van een duurzaam financieel stelsel in de Unie dat de heroriëntering van particulier kapitaal naar duurzame investeringen ondersteunt overeenkomstig de doelstellingen die zijn geformuleerd in de mededeling van de Commissie van 8 maart 2018 getiteld "Actieplan: duurzame groei financieren" en de mededeling van de Commissie van 14 januari 2020 over het investeringsplan voor de Europese Green Deal.

(10)

Om uitdrukking te geven aan het belang van de strijd tegen klimaatverandering die strookt met de toezeggingen van de Unie voor de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de toezegging om de duurzameontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties te verwezenlijken, evenals de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken en de nieuwe klimaatstreefdoelen van de Unie voor 2030, moeten maatregelen uit hoofde van deze verordening bijdragen tot de verwezenlijking van het streefdoel om 30 % van alle MFK-uitgaven aan de integratie van klimaatdoelstellingen te besteden en tot de ambitie dat 7,5 % van de uitgaven uit de begroting in 2024 de biodiversiteit ondersteunt en 10 % in 2026 en 2027, waarbij rekening moet worden gehouden met de bestaande overlappingen tussen de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen. Bij maatregelen uit hoofde van het InvestEU-programma zal naar verwachting ten minste 30 % van de totale financiële middelen van het InvestEU-programma aan de realisatie van klimaatdoelstellingen bijdragen.

(11)

De bijdrage van het InvestEU-fonds aan de verwezenlijking van het klimaatstreefdoel zal worden gevolgd aan de hand van het klimaatvolgsysteem van de Unie dat door de Commissie in samenwerking met potentiële uitvoerende partners moet worden ontwikkeld, waarbij op passende wijze gebruik zal worden gemaakt van de criteria die bij Verordening (EU) 2020/852 zijn vastgesteld om te bepalen of een economische activiteit duurzaam is uit milieuoogpunt. Het InvestEU-programma moet ook bijdragen tot de uitvoering van andere aspecten van de duurzameontwikkelingsdoelen.

(12)

Volgens het Global Risks Report 2018 van het World Economic Forum hebben vijf van de tien meest kritieke risico’s die de wereldeconomie bedreigen, betrekking op het milieu. Dergelijke risico’s zijn onder meer lucht-, bodem-, binnenwateren- en oceaanverontreiniging, extreme weersomstandigheden, biodiversiteitsverlies en falende mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering. Milieubeginselen zijn sterk verankerd in de Verdragen en in tal van beleidsdomeinen van de Unie. Daarom moet de integratie van milieudoelstellingen worden bevorderd in de verrichtingen met betrekking tot het InvestEU-fonds. Milieubescherming en de preventie en het beheer van daarmee samenhangende risico’s moeten worden geïntegreerd in de voorbereiding en de uitvoering van investeringen. De Unie moet ook haar uitgaven met betrekking tot biodiversiteit en beheer van luchtverontreiniging traceren om te voldoen aan de rapportageverplichtingen krachtens het Verdrag inzake biologische diversiteit (6) en Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad (7). Investeringen op basis van doelstellingen inzake ecologische duurzaamheid moeten daarom worden getraceerd met behulp van gemeenschappelijke methoden die coherent zijn met die welke zijn ontwikkeld in het kader van andere Unieprogramma’s die van toepassing zijn op klimaat, biodiversiteit en beheer van luchtverontreiniging, opdat de individuele en gecombineerde effecten van investeringen op de voornaamste bestanddelen van het natuurlijke kapitaal, namelijk lucht, water, land en biodiversiteit, kunnen worden beoordeeld.

(13)

Investeringsprojecten waarvoor, met name op het gebied van infrastructuur, substantiële steun van de Unie wordt verleend, moeten door de uitvoerende partner worden gescreend om na te gaan of deze gevolgen hebben voor het milieu, het klimaat of de maatschappij. Investeringsprojecten die dergelijke gevolgen hebben, moeten worden onderworpen aan een duurzaamheidstoets in overeenstemming met richtsnoeren die de Commissie in nauwe samenwerking met potentiële uitvoerende partners in het kader van het InvestEU-programma moet ontwikkelen. In deze richtsnoeren moet een passend gebruik worden gemaakt van de criteria die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2020/852 om te bepalen of een economische activiteit ecologisch duurzaam is, met inbegrip van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, en coherent is met de richtsnoeren die voor andere Unieprogramma’s zijn ontwikkeld. Dergelijke richtsnoeren moeten, conform het evenredigheidsbeginsel, passende bepalingen omvatten om onnodige administratieve lasten te voorkomen, en projecten die een bepaalde, in de richtsnoeren vast te stellen omvang niet overschrijden, moeten worden uitgesloten van de duurzaamheidstoets. Indien een uitvoerende partner concludeert dat er geen duurzaamheidstoets hoeft te worden verricht, moet hij hiervoor een motivering verstrekken aan het voor het InvestEU-fonds ingestelde investeringscomité (het “investeringscomité”). Verrichtingen die niet stroken met de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen, mogen niet in aanmerking komen voor steun uit hoofde van deze verordening.

(14)

De lage investeringspercentages voor infrastructuur in de Unie tijdens de financiële crisis en opnieuw tijdens de COVID-19-crisis hebben het vermogen van de Unie om duurzame groei te stimuleren, de inspanningen op het gebied van klimaatneutraliteit en het concurrentievermogen en convergentie van de Unie, en het scheppen van banen ondermijnd. Hierdoor ontstaat ook het risico dat onevenwichtigheden en verschillen en ongelijkheden binnen en tussen de lidstaten worden geconsolideerd, wat gevolgen heeft voor de langetermijnontwikkeling op Unie-, nationaal of regionaal niveau. Om de duurzaamheidsdoelstellingen van de Unie, waaronder de verbintenissen van de Unie met betrekking tot de duurzameontwikkelingsdoelen, en de energie- en klimaatstreefdoelen voor 2030 te halen, zijn forse investeringen in de infrastructuur van de Unie van fundamenteel belang, met name met betrekking tot interconnectie en energie-efficiëntie en met het oog op de invoering van een interne Europese vervoersruimte. De steun uit het InvestEU-fonds moet dan ook gericht zijn op investeringen in vervoer, energie, met inbegrip van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie en andere veilige en duurzame emissiearme energiebronnen, milieu-infrastructuur, infrastructuur voor klimaatactie en maritieme en digitale infrastructuur, met inbegrip van snelle en supersnelle breedbandverbindingen in de gehele Unie, om de digitale transformatie van de economie van de Unie in een stroomversnelling te brengen. In het InvestEU-programma moet prioriteit worden gegeven aan gebieden waar onvoldoende wordt geïnvesteerd en die bijkomende investeringen nodig hebben. Om het effect en de toegevoegde waarde van de financieringssteun van de Unie te maximaliseren, is het aangewezen een gestroomlijnd investeringsproces te bevorderen dat zorgt voor zichtbaarheid van de projectenpijplijn en maximale synergie tussen de betrokken Unieprogramma’s tot stand brengt op gebieden als vervoer, energie en digitalisering.

Gelet op bedreigingen op het vlak van veiligheid en beveiliging moeten investeringsprojecten waarvoor steun van de Unie wordt verstrekt, maatregelen inhouden inzake bestendigheid van de infrastructuur, onder meer het onderhoud en de veiligheid van de infrastructuur, en moet rekening worden gehouden met de beginselen inzake bescherming van burgers in de publieke ruimte. Een en ander moet een aanvulling vormen op de inspanningen van andere fondsen van de Unie, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, waarmee steun wordt verleend voor veiligheidscomponenten van investeringen in de publieke ruimte, vervoer, energie en andere kritieke infrastructuur.

(15)

In voorkomend geval moet het InvestEU-programma bijdragen tot de doelstellingen van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (8) en Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (9), alsmede energie-efficiëntie in investeringsbesluiten stimuleren.

(16)

Echte multimodaliteit is een kans om een efficiënt en milieuvriendelijk vervoersnetwerk tot stand te brengen dat het potentieel van alle vervoersmiddelen maximaal benut en onderlinge synergie creëert. Het InvestEU-programma moet worden ingezet ter ondersteuning van investeringen in multimodale vervoersknooppunten, die – ondanks hun aanzienlijk economisch potentieel en hun aanmerkelijke businesscases – een groot risico voor particuliere investeerders inhouden. Het InvestEU-programma moet ook bijdragen tot de ontwikkeling en invoering van intelligente vervoerssystemen (Intelligent Transport Systems - "ITS"). Het InvestEU-programma moet een stimulans geven aan het ontwerp en de toepassing van technologieën die de veiligheid van voertuigen en weginfrastructuur helpen verbeteren.

(17)

Het InvestEU-programma moet een bijdrage leveren tot het beleid van de Unie met betrekking tot zeeën en oceanen, via de ontwikkeling van projecten en ondernemingen op het gebied van de blauwe economie, en tot de beginselen inzake duurzame financiering van deze blauwe economie. Dit kan maatregelen inhouden op het gebied van maritiem ondernemerschap en de maritieme sector, een innoverende en concurrerende maritieme sector, alsmede hernieuwbare mariene energie en de circulaire economie.

(18)

Hoewel het totale investeringsniveau in de Unie vóór de COVID-19-crisis toenam, waren investeringen in activiteiten met een hoger risico, zoals onderzoek en innovatie, nog steeds ontoereikend. Er wordt nu verwacht dat dergelijke investeringen zwaar zullen lijden onder de crisis. Onderzoek en innovatie zijn essentieel om de crisis te boven te komen, om de veerkracht van de Unie ten aanzien van toekomstige uitdagingen te versterken en om de technologieën te ontwikkelen die nodig zijn om het beleid en de doelstellingen van de Unie te verwezenlijken. Het InvestEU-fonds moet bijdragen tot de verwezenlijking van het algemene streefdoel om ten minste 3 % van het bbp van de Unie te investeren in onderzoek en innovatie. Om dat streefdoel te verwezenlijken, moeten de lidstaten en de particuliere sector van hun kant meer investeren in onderzoek, ontwikkeling en innovatie teneinde onderinvesteringen in onderzoek en innovatie te voorkomen, die schadelijk zijn voor het industriële en economische concurrentievermogen van de Unie en voor de levenskwaliteit van haar burgers. Het InvestEU-fonds moet passende financiële producten aanbieden voor de verschillende stadia van de innovatiecyclus en een breed scala van belanghebbenden, met name om de opschaling en de uitrol van oplossingen op commerciële schaal in de Unie mogelijk te maken. Het doel is dergelijke oplossingen concurrerend te maken op de wereldmarkten en excellentie van de Unie op het gebied van duurzame technologieën op mondiaal niveau te bevorderen, in synergie met Horizon Europa dat moet vastgesteld worden door een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, waarbij de regels voor deelname eraan en verspreiding ervan vastgesteld worden, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (de “verordening Horizon Europa”) en met betrokkenheid van de Europese Innovatieraad. In dat opzicht moet de ervaring die is opgedaan met de in het kader van Horizon 2020 ingevoerde financieringsinstrumenten, zoals InnovFin – EU-financiering voor innovatieve ondernemingen, die innoverende ondernemingen gemakkelijker en sneller toegang tot financiering verlenen, een stevige basis vormen voor deze gerichte steun.

(19)

Toerisme, met inbegrip van de horecasector, is een heel belangrijk onderdeel van de economie van de Unie en deze sector maakt een bijzonder zware krimp door ten gevolge van de COVID-19-pandemie. Deze krimp is vooral nadelig voor kmo’s en familiebedrijven en heeft massale werkloosheid veroorzaakt. Het InvestEU-programma moet bijdragen tot een versterking van het herstel, het concurrentievermogen op lange termijn en de duurzaamheid van deze sector alsook de waardeketens ervan, door verrichtingen ter bevordering van duurzaam, innovatief en digitaal toerisme te ondersteunen, waaronder innovatieve maatregelen om de voetafdruk van de sector voor klimaat en milieu terug te dringen.

(20)

Er moeten dringend zware inspanningen worden geleverd om te investeren in digitale transformatie, deze te stimuleren en de voordelen ervan ten goede te laten komen aan alle burgers en bedrijven in de Unie. Tegenover het sterke beleidskader van de strategie voor een digitale eengemaakte markt moeten nu investeringen met een soortgelijke ambitie komen te staan, onder meer in artificiële intelligentie in overeenstemming met het programma Digitaal Europa dat moet vastgesteld worden door een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240.

(21)

Kmo’s vertegenwoordigen meer dan 99 % van de bedrijven in de Unie en hebben een aanzienlijke en cruciale economische waarde. Bij de toegang tot financiering komen zij echter voor moeilijkheden te staan omdat het risico in hun geval hoog wordt ingeschat en zij onvoldoende onderpand hebben. Kmo’s en ondernemingen in de sociale economie staan voor bijkomende uitdagingen omdat zij concurrerend moeten blijven door in te zetten op digitalisering, internationalisering, transformatie volgens de logica van een circulaire economie, alsmede op innovatie en bij- en nascholing van hun personeel. Kmo’s zijn bijzonder zwaar door de COVID-19-crisis getroffen. Voorts beschikken kmo’s en ondernemingen in de sociale economie over een beperkter aantal financieringsbronnen dan grotere ondernemingen omdat zij gewoonlijk geen obligaties uitgeven en slechts beperkte toegang hebben tot effectenbeurzen of grote institutionele beleggers. Innoverende oplossingen zoals de mogelijkheid voor werknemers om een bedrijf over te nemen of er een aandeel in te nemen komen ook steeds vaker voor bij kmo’s en ondernemingen in de sociale economie. De toegang tot financiering is zelfs moeilijker voor kmo’s waarvan de activiteiten op immateriële activa zijn gericht. Kmo’s in de Unie zijn in hoge mate afhankelijk van banken en van schuldfinanciering in de vorm van rekening-courantkredieten, bankleningen of leasing. Om beter in staat te zijn hun oprichting, groei, innovatie en duurzame ontwikkeling te financieren, concurrentieel te zijn en economische schokken op te vangen om de economie en het financiële stelsel veerkrachtiger te maken in tijden van economische neergang, en om in staat te blijven werkgelegenheid en sociaal welzijn te creëren, moeten kmo’s die met de bovengenoemde uitdagingen worden geconfronteerd, worden ondersteund door de toegang tot financiering vlotter te maken en meer gediversifieerde financieringsbronnen ter beschikking te stellen. Deze verordening vormt ook een aanvulling op de initiatieven die reeds zijn genomen in het kader van de kapitaalmarktenunie.

Het InvestEU-fonds moet daarom voortbouwen op succesvolle Unieprogramma’s zoals het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme), steun verlenen aan digitale start-ups en innovatieve kmo’s om hun concurrentievermogen te helpen vergroten en hen in staat te stellen door te groeien, gedurende de gehele levenscyclus van een onderneming voorzien in werkkapitaal en investeringen, voorzien in financiering voor leasingtransacties, alsmede de gelegenheid bieden om te focussen op specifieke, meer gerichte financiële producten. Het moet ook maximale slagkracht verlenen aan publieke/particuliere financieringsvehikels, zoals het fonds voor beursintroducties van kmo’s, dat tot doel heeft kmo’s te ondersteunen door meer particulier en publiek eigen vermogen te kanaliseren.

(22)

Zoals aangegeven in de discussienota van de Commissie van 26 april 2017 over de sociale dimensie van Europa, de mededeling over de Europese pijler van sociale rechten, het kader van de Unie voor het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de mededeling “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities” van 14 januari 2020, is het opbouwen van een inclusievere en rechtvaardige Unie een topprioriteit van de Unie om ongelijkheid te bestrijden en het beleid inzake sociale inclusie in Europa te bevorderen. Ongelijkheid van kansen heeft met name invloed op de toegang tot onderwijs, opleiding, cultuur, werkgelegenheid, gezondheidszorg en sociale diensten. Investeringen in de sociale economie waar vaardigheden en menselijk kapitaal van belang zijn, alsmede in integratie van kwetsbare bevolkingsgroepen in de samenleving, kunnen de economische kansen vergroten, vooral als de investeringen worden gecoördineerd op het niveau van de Unie. De COVID-19-crisis heeft een grote behoefte aan investeringen in sociale infrastructuur aan het licht gebracht. Het InvestEU-fonds moet worden gebruikt om investeringen in onderwijs en opleiding te ondersteunen, met inbegrip van bij- en nascholing van werknemers, onder meer in regio’s die afhankelijk zijn van een koolstofintensieve economie en die door de structurele overgang naar een koolstofarme economie worden getroffen. Het moet worden gebruikt voor de ondersteuning van projecten met positieve sociale effecten en voor de versterking van de sociale inclusie door bij te dragen tot meer werkgelegenheid in alle regio’s, met name voor ongeschoolden en langdurig werklozen, alsmede door de situatie te verbeteren wat betreft gendergelijkheid, gelijke kansen, non-discriminatie, toegankelijkheid, solidariteit tussen generaties, de gezondheidssector en sociale diensten, sociale huisvesting, dakloosheid, digitale inclusiviteit, gemeenschapsontwikkeling, de rol en de plaats van jongeren in de samenleving en van kwetsbare mensen, waaronder onderdanen van derde landen. Het InvestEU-programma moet ook ondersteuning bieden aan Europese cultuur en creativiteit met een maatschappelijk doel.

(23)

Zowel vanuit maatschappelijk als economisch oogpunt heeft de COVID-19-crisis bijzonder grote gevolgen voor vrouwen gehad. Tegen deze achtergrond moet het InvestEU-programma bijdragen tot de verwezenlijking van het beleid van de Unie inzake gelijkheid van vrouwen en mannen, onder meer door de digitale genderkloof aan te pakken en de creativiteit en het ondernemerspotentieel van vrouwen te helpen bevorderen.

(24)

Om de negatieve effecten te trotseren van ingrijpende transformaties van samenlevingen in de Unie en van de arbeidsmarkt in het komende decennium, moet worden geïnvesteerd in menselijk kapitaal, sociale infrastructuur, microfinanciering, ethische financiering en financiering van sociale ondernemingen, en nieuwe bedrijfsmodellen voor de sociale economie, waaronder investeringen met sociale effecten en aanbesteding van contracten met sociale resultaten. Het InvestEU-programma moet het zich ontwikkelende socialemarktecosysteem versterken om het aanbod van en de toegang tot financiering voor micro- en sociale ondernemingen en instellingen voor maatschappelijke solidariteit te vergroten, en aldus tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben. In het verslag van de taskforce op hoog niveau inzake investeringen in sociale infrastructuur in Europa van januari 2018, dat de titel “Boosting Investment in Social Infrastructure in Europe” draagt, is vastgesteld dat er voor de periode 2018-2030 een totale investeringskloof van ten minste 1,5 biljoen EUR bestaat met betrekking tot sociale infrastructuur en diensten, onder meer op het gebied van onderwijs, opleiding, gezondheid en huisvesting. Deze investeringen vereisen ondersteuning, ook op het niveau van de Unie. Bijgevolg moeten de collectieve kracht van publiek, commercieel en filantropisch kapitaal, alsook de steun van stichtingen en van alternatieve soorten kapitaalverstrekkers, zoals ethische, sociale en duurzame actoren, worden aangewend om de ontwikkeling van de waardeketen van de sociale markt en van een veerkrachtigere Unie te ondersteunen.

(25)

In de economische crisis ten gevolge van de COVID-19-pandemie verloopt de allocatie van de middelen door de markt niet volledig efficiënt en worden de particuliere investeringsstromen aanzienlijk verstoord door de risicoperceptie. In die omstandigheden is het sleutelaspect van InvestEU – economisch levensvatbare projecten minder risicovol maken zodat particuliere financiering kan worden aangetrokken – bijzonder waardevol, onder meer om het risico op asymmetrisch herstel tegen te gaan. Het InvestEU-programma moet ondernemingen tijdens de herstelfase cruciale steun kunnen verlenen, met inbegrip van kapitaalsteun voor kmo’s die door de COVID-19-crisis zijn getroffen en die eind 2019 nog niet in moeilijkheden verkeerden in termen van staatssteun, en er tegelijkertijd voor zorgen dat investeerders sterk gefocust blijven op de beleidsprioriteiten van de Unie voor de middellange tot lange termijn, zoals de Europese Green Deal, het investeringsplan voor de Europese Green Deal, de strategie voor het vormgeven van de digitale toekomst van Europa, de nieuwe industriestrategie voor Europa en het sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities, waarbij rekening moet worden gehouden met het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”. Met het programma krijgen de Europese Investeringsbank Groep en nationale stimuleringsbanken en -instellingen, maar ook andere uitvoerende partners, aanzienlijk meer ruimte om risico’s te nemen ter ondersteuning van het economisch herstel.

(26)

Het sterk krimpen van het bbp van de EU als gevolg van de COVID-19-pandemie heeft onvermijdelijk ongunstige sociale effecten. Door de COVID-19-pandemie is duidelijk geworden dat strategische zwakke punten dringend en doeltreffend moeten worden aangepakt om te komen tot een betere noodrespons van de Unie en een sterkere weerbaarheid en duurzaamheid van de hele economie. Alleen een veerkrachtige, duurzame, inclusieve en geïntegreerde economie van de Unie kan de integriteit van de interne markt en het gelijke speelveld veiligstellen, ook ten behoeve van de zwaarste getroffen lidstaten en regio’s.

(27)

Het InvestEU-fonds moet in het kader van vier beleidsterreinen opereren, die de belangrijkste beleidsprioriteiten van de Unie weerspiegelen, namelijk duurzame infrastructuur, onderzoek, innovatie en digitalisering, kmo’s, en sociale investeringen en vaardigheden.

(28)

Hoewel het beleidsterrein kmo’s zich in de eerste plaats moet richten op kmo’s, moeten kleine midcapondernemingen eveneens in aanmerking komen voor steun in dit kader. Midcapondernemingen moeten steun kunnen krijgen in het kader van de andere drie beleidsterreinen.

(29)

Zoals uiteengezet in de Europese Green Deal en het investeringsplan voor de Europese Green Deal, moet er een mechanisme voor een rechtvaardige transitie worden opgezet om de sociale, economische en ecologische gevolgen aan te pakken van het verwezenlijken van de klimaatstreefdoel van de Unie voor 2030 en de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken. Dit mechanisme zou uit drie pijlers bestaan, zijnde een fonds voor een rechtvaardige transitie dat moet opgericht worden door een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (de “verordening inzake het Fonds voor een rechtvaardige transitie”) (pijler 1), een specifieke regeling voor een rechtvaardige transitie in het kader van het InvestEU-programma (pijler 2) en een leenfaciliteit voor de publieke sector die moet opgericht worden door een verordening van het Europees Parlement en de Raad over een leenfaciliteit voor de publieke sector uit hoofde van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie (de “verordening inzake een leenfaciliteit voor de publieke sector voor 2021-2027”) (pijler 3). Dat mechanisme moet vooral gericht zijn op de regio’s die de meeste gevolgen ondervinden van de transitie vanwege hun afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, waaronder steenkool, turf en olieschalie of broeikasgasintensieve industriële processen, en die minder capaciteit hebben om de noodzakelijke investeringen te financieren. De regeling voor een rechtvaardige transitie moet ook financieringssteun bieden om investeringen te genereren ten behoeve van rechtvaardigetransitiegebieden. De InvestEU-advieshub moet de desbetreffende gebieden de mogelijkheid verschaffen om technische bijstand te verkrijgen.

(30)

Ter uitvoering van pijler 2 van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie moet horizontaal op alle beleidsterreinen een specifieke regeling voor een rechtvaardige transitie in het kader van het InvestEU-programma worden ingevoerd, ter ondersteuning van aanvullende investeringen ten behoeve van de gebieden die zijn aangewezen in de overeenkomstig de verordening inzake het Fonds voor een rechtvaardige transitie vastgestelde territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie. Die regeling moet investeringen in een breed scala aan projecten mogelijk maken, overeenkomstig de subsidiabiliteitscriteria voor investeringen in het kader van het InvestEU-programma. Projecten in gebieden die zijn aangewezen in de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie, of projecten die de transitie in die gebieden ten goede komen, kunnen zelfs indien zij buiten die gebieden worden gerealiseerd voor de regeling in aanmerking komen, maar uitsluitend indien de financiering buiten de rechtvaardigetransitiegebieden essentieel is voor de transitie in die gebieden.

(31)

Het moet mogelijk zijn om binnen elk beleidsterrein strategische investeringen te ondersteunen, met inbegrip van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, met name met het oog op de groene en digitale transitie en de noodzaak het concurrentievermogen en de veerkracht te versterken, ondernemerschap en het scheppen van banen te bevorderen en strategische waardeketens te versterken.

(32)

Elk beleidsterrein moet uit twee compartimenten bestaan, namelijk een EU-compartiment en een lidstaatcompartiment. Het EU-compartiment moet tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties in de hele Unie of in een specifieke lidstaat op evenredige wijze aanpakken. Ondersteunde verrichtingen moeten een duidelijke toegevoegde waarde voor de Unie hebben. Het lidstaatcompartiment moet de lidstaten alsook de regionale autoriteiten via hun lidstaat de mogelijkheid bieden een deel van hun middelen uit de fondsen in gedeeld beheer bij te dragen voor de voorziening van de EU-garantie en de EU-garantie te gebruiken voor financierings- of investeringsverrichtingen zodat specifieke tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties op hun eigen grondgebied kunnen worden aangepakt, ook in kwetsbare en afgelegen gebieden zoals de ultraperifere gebieden van de Unie, zoals in de bijdrageovereenkomst moet worden vastgesteld, teneinde de doelstellingen van de fondsen in gedeeld beheer te verwezenlijken. Het lidstaatcompartiment moet de lidstaten ook de mogelijkheid bieden om andere aanvullende bedragen, waaronder die welke uit hoofde van Verordening (EU) 2021/241 worden beschikbaar gesteld, bij te dragen voor de voorziening van de EU-garantie en om de EU-garantie te gebruiken voor financierings- of investeringsverrichtingen voor in de bijdrageovereenkomst vastgestelde doeleinden, waaronder, in voorkomend geval, de toepassing van maatregelen als voorzien in een plan voor herstel en veerkracht. Dit zou onder meer kunnen leiden tot kapitaalsteun voor kmo’s die door de COVID-19-crisis zijn getroffen en die eind 2019 nog niet in moeilijkheden verkeerden in termen van staatssteun. Verrichtingen die uit hoofde van het InvestEU-fonds worden gesteund via EU- of lidstaatcompartimenten, mogen private financiering niet overlappen of verdringen en mogen de concurrentie op de interne markt niet verstoren.

(33)

Het lidstaatcompartiment moet specifiek zijn geconcipieerd om het gebruik mogelijk te maken van fondsen in gedeeld beheer of andere aanvullende bijdragen van de lidstaten, met inbegrip van die welke uit hoofde van Verordening (EU) 2020/241 worden beschikbaar gesteld, voor de voorziening van een door de Unie verleende garantie. De meerwaarde van de EU-garantie zou toenemen met de mogelijkheid om steun aan een bredere groep eindontvangers en projecten te bieden en te zorgen voor een diversificatie van de manieren om de doelstellingen van de fondsen in gedeeld beheer of de plannen voor herstel en veerkracht te verwezenlijken, terwijl tegelijkertijd een consistent risicobeheer van de voorwaardelijke verplichtingen wordt gewaarborgd door de uitvoering van de EU-garantie in indirect beheer. De Unie moet de financierings- en investeringsverrichtingen garanderen waarin de garantieovereenkomsten tussen de Commissie en de uitvoerende partners in het kader van het lidstaatcompartiment voorzien. De fondsen in gedeeld beheer of andere aanvullende bijdragen van de lidstaten, met inbegrip van die welke uit hoofde van Verordening (EU) 2021/241 worden beschikbaar gesteld, moeten voor de voorziening van de garantie zorgen, volgens een voorzieningspercentage dat, op basis van de aard van de verrichtingen en de daaruit voortvloeiende verwachte verliezen, door de Commissie wordt bepaald en in de bijdrageovereenkomst met de lidstaat wordt vastgesteld. De lidstaat zou de verliezen boven de verwachte verliezen dragen door een back-to-backgarantie aan de Unie te verlenen die moet blijven lopen zolang er binnen dat lidstaatcompartiment uitstaande financierings- en investeringsverrichtingen zijn. Dergelijke regelingen moeten worden gesloten in de vorm van één enkele bijdrageovereenkomst met elke lidstaat die vrijwillig voor deze optie kiest.

De bijdrageovereenkomst moet een of meer specifieke garantieovereenkomsten omvatten die in de betrokken lidstaat moeten worden uitgevoerd op basis van de regels van het InvestEU-fonds, alsook eventuele regionaal afgeschermde regelingen. De vaststelling van het voorzieningspercentage per geval vereist een afwijking van artikel 211, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (10) (het "Financieel Reglement"). Bij deze opzet is ook voorzien in één regeling voor door centraal beheerde fondsen of fondsen in gedeeld beheer ondersteunde begrotingsgaranties, hetgeen het combineren ervan zou worden vergemakkelijkt. De voorziening voor een EU-garantie met betrekking tot een lidstaatcompartiment dat wordt ondersteund door andere aanvullende bijdragen van de lidstaten, met inbegrip van die welke uit hoofde van Verordening (EU) 2021/241 worden beschikbaar gesteld, moet worden aangemerkt als een externe bestemmingsontvangst.

(34)

Er moet een partnerschap tussen de Commissie en de EIB-groep tot stand worden gebracht waarin de sterke punten van elke partner worden aangewend om te zorgen voor maximale beleidseffecten, een efficiënte uitvoering en een passend toezicht op het begrotings- en risicobeheer. Dit partnerschap moet een doeltreffende en inclusieve rechtstreekse toegang tot de EU-garantie bevorderen.

(35)

De door de Commissie vertegenwoordigde Unie moet de mogelijkheid hebben deel te nemen aan een kapitaalverhoging van het Europees Investeringsfonds (EIF) opdat het EIF de Europese economie en het herstel daarvan kan blijven ondersteunen. Het hoofddoel van de verhoging is het EIF in staat te stellen bij te dragen aan de uitvoering van het InvestEU-programma. De Unie zou haar totale aandeel in het EIF-kapitaal moeten kunnen behouden. In het meerjarig financieel kader voor 2021–2027 moeten voor dat doel toereikende financiële middelen worden uitgetrokken. Op 3 december 2020 heeft de raad van bestuur van het EIF besloten de aandeelhouders voor te stellen het maatschappelijk kapitaal van het EIF te verhogen door 1 250 000 000 EUR in geldmiddelen in te brengen in het EIF. De prijs van de nieuwe aandelen is gebaseerd op de tussen de aandeelhouders van het EIF overeengekomen intrinsiekewaardeformule en bestaat uit het gestorte gedeelte en het agio. Overeenkomstig artikel 7 van de statuten van het EIF moet voor elk ingeschreven aandeel 20 % van de nominale waarde worden gestort.

(36)

De Commissie moet, samen met de EIB-groep, de standpunten van andere potentiële uitvoerende partners verzamelen in verband met investeringsrichtsnoeren, het klimaatvolgsysteem, de richtsnoeren inzake duurzaamheidstoetsing en de gemeenschappelijke methoden, naargelang van het geval, teneinde inclusiviteit en operationaliteit te waarborgen totdat de bestuursorganen worden opgericht, waarna de medewerking van de uitvoerende partners moet worden geregeld in het kader van de adviesraad en het bestuur van het InvestEU-programma.

(37)

Het InvestEU-fonds moet openstaan voor bijdragen van derde landen die lid zijn van de Europese Vrijhandelsassociatie, toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen en andere landen, overeenkomstig de voorwaarden die tussen de Unie en die landen zijn overeengekomen, met name gezien de positieve gevolgen van een dergelijke openstelling voor de economieën van de lidstaten. Dit moet in voorkomend geval verdere samenwerking met de betrokken landen mogelijk maken, met name op het gebied van onderzoek en innovatie en kmo’s.

(38)

Deze verordening stelt de financiële middelen vast voor de andere maatregelen van het InvestEU-programma dan de voorziening van de EU-garantie, die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 18 van het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (11).

(39)

Voor de voorziening van 2 672 292 573 EUR in lopende prijzen van de EU-garantie moet worden bijgedragen met middelen uit de aanvullende toewijzing die overeenkomstig artikel 5 van en bijlage II bij Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad (12) wordt verstrekt, hetgeen overeenkomt met een bedrag van 1 000 000 000 EUR in prijzen van 2018. Uit dat bedrag moet een bedrag van 63 800 000 EUR in lopende prijzen van de totale toewijzing aan de InvestEU-advieshub van 430 000 000 EUR in lopende prijzen worden verstrekt.

(40)

De EU-garantie van 26 152 310 073 EUR in lopende prijzen voor het EU-compartiment zal naar verwachting meer dan 372 000 000 000 EUR aan extra investeringen in de hele Unie beschikbaar maken en moet indicatief over de beleidsterreinen worden verdeeld.

(41)

Op 18 april 2019 heeft de Commissie verklaard dat “onverminderd de bevoegdheden van de Raad met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact, eenmalige bijdragen van de lidstaten, ofwel van een lidstaat ofwel van nationale stimuleringsbanken die zijn ingedeeld bij de sector algemene overheid of die namens een lidstaat optreden, aan thematische of meerlandeninvesteringsplatformen, in principe moeten worden beschouwd als eenmalige maatregelen in de zin van artikel 5, lid 1, en artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad (13) en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (14). Daarnaast zal de Commissie onverminderd de bevoegdheden van de Raad met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact nagaan in welke mate voor het InvestEU-programma, als opvolger van het EFSI, kan worden voorzien in dezelfde behandeling als voor het EFSI in de context van de mededeling van de Commissie over flexibiliteit, als het gaat om eenmalige bijdragen van de lidstaten in contanten om een extra bedrag van de EU-garantie te financieren ten behoeve van het lidstaatcompartiment.”.

(42)

De EU-garantie die het InvestEU-fonds ondersteunt, moet indirect worden geïmplementeerd door de Commissie, die steunt op uitvoerende partners die in contact staan met financiële intermediairs, indien van toepassing, en eindontvangers. De selectie van de uitvoerende partners moet transparant verlopen en vrij zijn van belangenconflicten. De Commissie dient met elke uitvoerende partner een garantieovereenkomst voor de toewijzing van garantiecapaciteit uit het InvestEU-fonds te sluiten voor de ondersteuning van de financierings- en investeringsverrichtingen die aan de subsidiabiliteitscriteria van het InvestEU-fonds voldoen en bijdragen tot zijn doelstellingen. Het beheer van het aan de EU-garantie verbonden risico mag rechtstreekse toegang tot de EU-garantie door de uitvoerende partners niet belemmeren. Zodra de EU-garantie in het kader van het EU-compartiment aan de uitvoerende partners is verleend, moeten zij de volledige verantwoordelijkheid dragen voor het gehele investeringsproces en het zorgvuldigheidsonderzoek met betrekking tot de financierings- en investeringsverrichtingen. Het InvestEU-fonds moet projecten ondersteunen die doorgaans een hoger risicoprofiel hebben dan de projecten die door de normale verrichtingen van de uitvoerende partners worden ondersteund en die in de periode waarin de EU-garantie kon worden benut, zonder steun uit het InvestEU-fonds niet of niet in dezelfde mate door andere overheids- of particuliere bronnen hadden kunnen worden uitgevoerd.

(43)

Het InvestEU-fonds moet een bestuursstructuur krijgen waarvan de functie in verhouding moet staan tot het enige doel ervan, namelijk toezien op een passend gebruik van de EU-garantie, met inachtneming van de politieke onafhankelijkheid van investeringsbesluiten. Die bestuursstructuur dient te bestaan uit een adviesraad, een bestuur en een volledig onafhankelijk investeringscomité. Bij de algemene samenstelling van de bestuursstructuur moet naar genderevenwicht worden gestreefd. De bestuursstructuur mag de besluitvorming van de EIB-groep of andere uitvoerende partners niet aantasten of verstoren, en mag evenmin in de plaats komen van hun respectieve bestuursorganen.

(44)

Er dient een adviesraad te worden ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de uitvoerende partners, vertegenwoordigers van de lidstaten, één deskundige benoemd door het Europees Economisch en Sociaal Comité, en één deskundige benoemd door het Comité van de Regio’s, om informatie uit te wisselen en van gedachten te wisselen over de benutting van de financiële producten die in het kader van het InvestEU-fonds worden ingezet, en om veranderende behoeften en nieuwe producten, met inbegrip van specifieke territoriale marktkloven, te bespreken.

(45)

Om de adviesraad vanaf de start te kunnen samenstellen, dient de Commissie de vertegenwoordigers van de potentiële uitvoerende partners voor een tijdelijke periode van één jaar te benoemen. Daarna zouden uitvoerende partners met ondertekende garantieovereenkomsten deze taak op zich nemen.

(46)

Een bestuur bestaande uit vertegenwoordigers van de Commissie, vertegenwoordigers van uitvoerende partners en één deskundige zonder stemrecht benoemd door het Europees Parlement, moet de strategische en operationele richtsnoeren voor het InvestEU-fonds vaststellen.

(47)

De Commissie moet beoordelen in welke mate de door de uitvoerende partners ingediende investerings- en financieringsverrichtingen verenigbaar zijn met het volledige recht en beleid van de Unie. De besluiten over financierings- en investeringsverrichtingen moeten uiteindelijk door een uitvoerende partner worden genomen.

(48)

Een investeringscomité, bestaande uit onafhankelijke deskundigen, dient tot een besluit te komen over de verlening van steun uit hoofde van de EU-garantie voor financierings- en investeringsverrichtingen die aan de subsidiabiliteitscriteria van InvestEU-fonds voldoen, en dient aldus externe deskundigheid te leveren bij de beoordeling van investeringsprojecten. Het investeringscomité dient verschillende formaties te hebben om de verschillende beleidsterreinen en sectoren zo goed mogelijk te bestrijken.

(49)

Het investeringscomité moet worden bijgestaan door een onafhankelijk secretariaat dat door de Commissie wordt beheerd en verantwoording aflegt aan de voorzitter van het investeringscomité.

(50)

Bij de selectie van de uitvoerende partners voor de inzet van het InvestEU-fonds moet de Commissie rekening houden met hun capaciteit om de doelstellingen van het InvestEU-fonds te verwezenlijken en hun eigen middelen bij te dragen, teneinde een adequate geografische dekking en diversificatie te waarborgen, particuliere investeerders aan te trekken en te zorgen voor voldoende risicodiversificatie en oplossingen om tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties aan te pakken. Gezien de rol van de EIB-groep krachtens de Verdragen, haar capaciteit om in alle lidstaten actief te zijn en de ervaring die zij heeft opgedaan in het kader van de huidige financieringsinstrumenten en het EFSI, dient de EIB-groep een bevoorrechte uitvoeringspartner te blijven in het kader van het EU-compartiment van het InvestEU-fonds. Naast de EIB-groep moeten nationale stimuleringsbanken en -instellingen in staat zijn een aanvullend financieel productassortiment aan te bieden, aangezien hun ervaring en capaciteiten op nationaal en regionaal niveau gunstig kunnen zijn om een maximale impact van openbare middelen op het gehele grondgebied van de Unie te bereiken en om een billijk geografisch evenwicht tussen de projecten te waarborgen. Het InvestEU-programma moet zodanig worden uitgevoerd dat het een gelijk speelveld voor kleinere en jongere stimuleringsbanken en -instellingen bevordert. Voorts moeten andere internationale financiële instellingen uitvoerende partner kunnen worden, met name wanneer zij qua specifieke deskundigheid en ervaring in bepaalde lidstaten een concurrentievoordeel bieden en wanneer een meerderheid van de aandeelhouders ervan afkomstig is uit de Unie. Ook andere entiteiten die aan de criteria van het Financieel Reglement voldoen, moeten uitvoerende partner kunnen worden.

(51)

Ter bevordering van een betere geografische diversificatie kunnen investeringsplatformen worden opgericht om de inspanningen en de deskundigheid van uitvoerende partners te combineren met die van andere nationale stimuleringsbanken en -instellingen met beperkte ervaring in het gebruik van financieringsinstrumenten. Dergelijke structuren moeten worden aangemoedigd, onder andere met beschikbare steun uit de InvestEU-advieshub. Het verdient aanbeveling, om het gebruik van investeringsplatformen in de betrokken sectoren te bevorderen, mede-investeerders, openbare autoriteiten, deskundigen, onderwijs-, opleidings- en onderzoeksinstellingen, de betrokken sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, en andere relevante actoren op Unie-, nationaal en regionaal niveau samen te brengen.

(52)

De EU-garantie in het lidstaatcompartiment moet worden toegewezen aan elke uitvoerende partner die overeenkomstig artikel 62, lid 1, punt c), van het Financieel Reglement subsidiabel is, met inbegrip van nationale of regionale stimuleringsbanken of -instellingen, de EIB, het EIF en andere internationale financiële instellingen. Bij de selectie van de uitvoerende partners in het kader van het lidstaatcompartiment moet de Commissie rekening houden met de voorstellen van elke lidstaat, zoals weerspiegeld in de bijdrageovereenkomst. Overeenkomstig artikel 154 van het Financieel Reglement moet de Commissie de regels en procedures van de uitvoerende partner beoordelen om zich ervan te vergewissen dat deze een niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie biedt dat gelijkwaardig is aan het door de Commissie geboden niveau.

(53)

Financierings- en investeringsverrichtingen moeten uiteindelijk in eigen naam door een uitvoerende partner worden vastgesteld, overeenkomstig zijn interne regels, beleid en procedures worden uitgevoerd en in zijn eigen financiële staten administratief worden verwerkt of, indien van toepassing, in de opmerkingen bij de financiële staten worden bekendgemaakt. De Commissie dient dan ook uitsluitend verantwoording af te leggen over uit de EU-garantie voortvloeiende financiële verplichtingen en dient het maximumbedrag van de garantie bekend te maken, met inbegrip van alle relevante informatie betreffende de verstrekte garantie.

(54)

Indien van toepassing, dient het InvestEU-fonds een soepele, naadloze en efficiënte combinatie van subsidies of financieringsinstrumenten, of beide, mogelijk te maken die uit de begroting van de Unie of uit andere fondsen, zoals het EU-innovatiefonds voor regeling van de handel in emissierechten (ETS) (hierna “EU-ETS-innovatiefonds” genoemd), worden gefinancierd, met de EU-garantie in situaties waarin dit noodzakelijk is voor een optimale ondersteuning van investeringen om specifieke tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties aan te pakken.

(55)

Projecten die door uitvoerende partners worden ingediend voor steun in het kader van het InvestEU-programma, met inbegrip van het combineren van steun in het kader van het InvestEU-fonds met steun uit andere Unieprogramma’s, moeten in hun geheel ook in overeenstemming zijn met de doelstellingen en subsidiabiliteitscriteria van de andere desbetreffende Unieprogramma’s. Over het gebruik van de EU-garantie moet worden beslist in het kader van het InvestEU-programma.

(56)

De InvestEU-advieshub moet de ontwikkeling van een robuuste pijplijn van investeringsprojecten op elk beleidsterrein ondersteunen door middel van adviesinitiatieven die door de EIB-groep of andere adviespartners, of rechtstreeks door de Commissie, worden uitgevoerd. De InvestEU-advieshub moet geografische diversificatie bevorderen om tot de doelstellingen van de Unie inzake economische, sociale en territoriale cohesie bij te dragen en regionale verschillen te verminderen. De InvestEU-advieshub moet bijzondere aandacht besteden aan het samenvoegen van kleine projecten in grotere portefeuilles. De Commissie, de EIB-groep en de andere adviespartners moeten nauw samenwerken om te zorgen voor doeltreffendheid, synergie en een daadwerkelijke geografische dekking van de steun in de gehele Unie, rekening houdend met de deskundigheid en lokale capaciteit van lokale uitvoerende partners en van de Europese investeringsadvieshub opgericht in het kader van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad (15). De bevindingen in Speciaal verslag nr. 12/2020 van de Europese Rekenkamer, getiteld “De Europese investeringsadvieshub: opgericht om investeringen in de EU te stimuleren, maar impact blijft beperkt” (16), moeten zorgvuldig in overweging worden genomen om de doeltreffendheid en de impact van de InvestEU-advieshub zo groot mogelijk te maken. In het kader van de InvestEU-advieshub moet worden voorzien in een centraal contactpunt voor bijstand voor projectontwikkeling die in het kader van de InvestEU-advieshub wordt geboden aan openbare autoriteiten en projectontwikkelaars.

(57)

De InvestEU-advieshub moet door de Commissie worden opgericht met de EIB-groep als voornaamste partner en moet voortbouwen op de ervaring die is opgedaan via de Europese investeringsadvieshub. De Commissie moet verantwoordelijk zijn voor de aansturing van het beleid van de InvestEU-advieshub en voor het beheer van het centraal contactpunt. De EIB-groep dient adviesinitiatieven te verstrekken in het kader van de beleidsterreinen. Daarnaast dient de EIB-groep operationele diensten aan de Commissie te verlenen, onder meer door input te geven in verband met de strategische en beleidsrichtsnoeren met betrekking tot adviesinitiatieven, bestaande en komende adviesinitiatieven in kaart te brengen, de adviesbehoeften te beoordelen en de Commissie te adviseren over de beste methoden om te voldoen aan deze behoeften via bestaande of nieuwe adviesinitiatieven.

(58)

Om te zorgen voor een brede geografische spreiding van de adviesdiensten in de hele Unie en met succes gebruik te maken van de lokale kennis over het InvestEU-fonds, moet, rekening houdend met de bestaande steunregelingen en de aanwezigheid van lokale partners, indien nodig worden gezorgd voor een lokale aanwezigheid van de InvestEU-advieshub, zodat in de praktijk tastbare en proactieve maatwerkhulp kan worden geboden. Om op lokaal niveau gemakkelijker ondersteunend advies te kunnen verlenen en te zorgen voor doeltreffendheid, synergie en een daadwerkelijke geografische dekking van de steun in de gehele Unie, moet de InvestEU-advieshub samenwerken met nationale stimuleringsbanken en -instellingen en hun expertise benutten en toepassen.

(59)

De InvestEU-advieshub moet ondersteunend advies verlenen aan kleine projecten en projecten voor start-ups, in het bijzonder wanneer deze ernaar streven hun investeringen in onderzoek en innovatie te beschermen door het verkrijgen van intellectuele-eigendomsrechten zoals octrooien, rekening houdend met het bestaan van andere diensten die dit soort activiteiten kunnen verrichten, en in synergie hiermee.

(60)

In het kader van het InvestEU-fonds moet worden voorzien in steun voor projectontwikkeling en capaciteitsopbouw om de organisatorische capaciteiten en activiteiten inzake marktontwikkeling te ontplooien die nodig zijn om kwalitatief hoogwaardige projecten tot stand te brengen. Dergelijke steun moet ook gericht zijn op de financiële intermediairs die essentieel zijn om kmo’s vlottere toegang tot financiering te verschaffen en hen te helpen hun volledige potentieel te realiseren. Verder heeft adviesondersteuning tot doel de voorwaarden te scheppen om te komen tot een uitbreiding van het potentiële aantal subsidiabele ontvangers in zich ontwikkelende marktsegmenten, met name wanneer de geringe omvang van individuele projecten de transactiekosten op projectniveau aanzienlijk verhoogt, zoals voor het ecosysteem van de sociale financiering, met inbegrip van liefdadigheidsorganisaties, of voor de culturele en creatieve sector. De steun voor capaciteitsopbouw moet complementair en additioneel zijn ten opzichte van acties in het kader van andere Unieprogramma’s die specifieke beleidsterreinen bestrijken. Ook moeten inspanningen worden geleverd om de capaciteitsopbouw van potentiële projectontwikkelaars, met name lokale organisaties en autoriteiten, te ondersteunen.

(61)

Het InvestEU-portaal moet worden opgezet om te voorzien in een gemakkelijk toegankelijke en gebruikersvriendelijke projectdatabank ter bevordering van de zichtbaarheid van investeringsprojecten die financiering vragen, met een sterkere focus op het verstrekken aan de uitvoerende partners van een mogelijke pijplijn van investeringsprojecten die verenigbaar zijn met het recht en het beleid van de Unie.

(62)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad (17) en binnen de grenzen van de daarin toegewezen middelen moeten maatregelen voor herstel en weerbaarheid in het kader van het InvestEU-programma worden uitgevoerd om de ongekende gevolgen van de COVID-19-crisis aan te pakken. Dergelijke extra middelen moeten zodanig worden gebruikt dat de in Verordening (EU) 2020/2094 gestelde termijnen in acht worden genomen.

(63)

Op grond van de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (18) moet het InvestEU-programma worden geëvalueerd op basis van overeenkomstig specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, waarbij administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, en overregulering moeten worden vermeden. Die voorschriften moeten, waar passend, meetbare indicatoren omvatten als maatstaf om de effecten van het InvestEU-programma in de praktijk te evalueren.

(64)

Er moet een solide raamwerk voor monitoring op basis van output-, resultaat- en impactindicatoren worden geïmplementeerd om de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie te volgen. Om te zorgen voor verantwoording ten aanzien van de burgers van de Unie, moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad jaarlijks verslag uitbrengen over de voortgang, de effecten en de verrichtingen van het InvestEU-programma.

(65)

De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vaststellen, zijn van toepassing op deze verordening. Deze regels zijn vastgelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering, en voorzien in controle van de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde regels omvatten ook een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de begroting van de Unie.

(66)

Het Financieel Reglement is van toepassing op het InvestEU-programma. Het stelt regels vast voor de uitvoering van de begroting van de Unie, met inbegrip van de regels inzake begrotingsgaranties.

(67)

Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en Raad (19) en Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95 (20), (Euratom, EG) nr. 2185/96 (21) en (EU) 2017/1939 van de Raad (22) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, onder meer maatregelen met betrekking tot preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden, waaronder fraude, met betrekking tot terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of onjuist bestede financiële middelen en, waar passend, met betrekking tot het opleggen van administratieve sancties.. Met name heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013 de bevoegdheid administratieve onderzoeken uit te voeren, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 bevoegd over te gaan tot onderzoek en vervolging van strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad als bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (23).

Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement volledig meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, de Rekenkamer en, ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan nauwere samenwerking op grond van Verordening (EU) 2017/1939, het EOM, alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van financiële middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(68)

Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking die is ingesteld uit hoofde van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (24), waarin is bepaald dat de programma's worden uitgevoerd op basis van een uit hoofde van die overeenkomst vastgesteld besluit. Derde landen kunnen ook deelnemen op basis van andere rechtsinstrumenten. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen die derde landen verplicht om de verantwoordelijke ordonnateur, OLAF en de Rekenkamer de nodige rechten en toegang te verlenen zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(69)

Op grond van Besluit 2013/755/EU van de Raad (25) zijn in de landen of gebieden overzee (LGO’s) gevestigde personen en entiteiten subsidiabel overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het InvestEU-programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het betrokken land of gebied overzee banden heeft.

(70)

Teneinde de niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen met investeringsrichtsnoeren en een scorebord van indicatoren om een snelle en flexibele aanpassing van de prestatie-indicatoren te vergemakkelijken en om het voorzieningspercentage aan te passen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de opstelling van de investeringsrichtsnoeren voor de financierings- en investeringsverrichtingen in het kader van verschillende beleidsterreinen, en ten aanzien van het scorebord, de wijziging van bijlage III bij deze verordening om de indicatoren te herzien of aan te vullen, en de aanpassing van het voorzieningspercentage. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel moeten dergelijke investeringsrichtsnoeren passende bepalingen omvatten om onnodige administratieve lasten te voorkomen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(71)

Financierings- en investeringsverrichtingen die uitvoerende partners hebben ondertekend of zijn aangegaan in de periode vanaf 1 januari 2021 tot de ondertekening van hun respectieve garantieovereenkomsten, moeten in aanmerking komen voor de EU-garantie, mits deze verrichtingen in de garantieovereenkomst worden vermeld, zij bij de beleidscontrole goed zijn bevonden of een gunstig advies krijgen in het kader van de procedure van artikel 19 van Protocol nr. 5 betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU (de “statuten van de EIB”), en in beide gevallen door het investeringscomité worden goedgekeurd.

(72)

Om het gebruik van begrotingsmiddelen te optimaliseren, moet een combinatie van relevante portefeuilles van financieringsinstrumenten die zijn vastgesteld uit hoofde van het meerjarig financieel kader 2014-2020 en de EU-garantie in het kader van Verordening (EU) 2015/1017 met de EU-garantie uit hoofde van deze verordening mogelijk zijn. De verhoogde risicodragende capaciteit die door een dergelijke combinatie wordt gecreëerd, moet de doeltreffendheid van de EU-garantie uit hoofde van deze verordening vergroten en meer steun aan de eindontvangers mogelijk maken. De modaliteiten van de combinatie moeten worden vastgelegd in de garantieovereenkomst tussen de Commissie en de EIB of het EIF. De voorwaarden van de combinatie moeten in overeenstemming zijn met het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (26).

(73)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties in de hele Unie en in specifieke lidstaten aanpakken en voorzien in Uniebrede markttests van innovatieve financiële producten die zijn ontworpen om nieuwe of complexe tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, en van systemen om dergelijke producten te verspreiden, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(74)

Om ervoor te zorgen dat de steun voor het betrokken beleidsgebied ononderbroken doorloopt en dat de uitvoering van start kan gaan vanaf het begin van het meerjarig financieel kader 2021-2027, moet deze verordening met spoed in werking treden en moet zij met terugwerkende kracht van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het InvestEU-fonds ingesteld, dat voorziet in een EU-garantie ter ondersteuning van door de uitvoerende partners uitgevoerde financierings- en investeringsverrichtingen waarmee aan doelstellingen van het interne beleid van de Unie wordt bijgedragen.

Bij deze verordening wordt ook een mechanisme ingesteld om ondersteuning te bieden voor de ontwikkeling van voor investering in aanmerking komende projecten en de toegang tot financiering en om bijstand te verlenen voor daarmee samenhangende capaciteitsopbouw (de “InvestEU-advieshub”). Voorts wordt een databank opgezet om zichtbaarheid te verlenen aan projecten waarvoor projectontwikkelaars financiering zoeken, en om investeerders informatie te verstrekken over investeringskansen (het “InvestEU-portaal”).

In deze verordening worden de doelstellingen van het InvestEU-programma, de begroting daarvan en het bedrag voor de EU-garantie voor de periode 2021-2027, de vormen van Uniefinanciering alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgesteld.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“InvestEU-programma”: het InvestEU-fonds, de InvestEU-advieshub, het InvestEU-portaal en de blendingverrichtingen gezamenlijk;

2)

“EU-garantie”: een door de begroting van de Unie verstrekte, algemene, onherroepelijke, onvoorwaardelijke en afroepbare begrotingsgarantie op grond waarvan de begrotingsgaranties overeenkomstig artikel 219, lid 1, van het Financieel Reglement van kracht worden door de inwerkingtreding van individuele garantieovereenkomsten met uitvoerende partners;

3)

“beleidsterrein”: een aangewezen gebied voor ondersteuning door de EU-garantie als bepaald in artikel 8, lid 1;

4)

“compartiment”: een deel van de EU-garantie gedefinieerd op basis van de oorsprong van de middelen waardoor het wordt gedekt;

5)

“blendingverrichting”: een door de begroting van de Unie ondersteunde verrichting, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun, terugbetaalbare vormen van steun, of beide, uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, of van commerciële financiële instellingen en investeerders. Voor de toepassing van deze definitie mogen programma’s van de Unie die worden gefinancierd uit andere bronnen dan de begroting van de Unie, zoals het EU-ETS-innovatiefonds, worden gelijkgesteld met uit de begroting van de Unie gefinancierde programma’s van de Unie;

6)

“EIB-groep”: de EIB, haar filialen en andere lichamen die zijn opgericht overeenkomstig artikel 28, lid 1, van Protocol nr. 5 betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank, gehecht aan het VEU en het VWEU (de statuten van de EIB);

7)

“financiële bijdrage”: een bijdrage van een uitvoerende partner in de vorm van eigen risicodragende capaciteit die op gelijke voet met de EU-garantie wordt verstrekt, of in een andere vorm die een efficiënte uitvoering van het InvestEU-programma mogelijk maakt en tegelijkertijd een passende afstemming van belangen waarborgt;

8)

“bijdrageovereenkomst”: een rechtsinstrument waarin de Commissie en een of meer lidstaten de voorwaarden van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment specificeren, als bepaald in artikel 10;

9)

“financieel product”: een financieel mechanisme of een financiële regeling op grond waarvan de uitvoerende partner directe financiering of financiering via intermediairs aan eindontvangers verstrekt gebruikmakend van een van de in artikel 16 bedoelde soorten financiering;

10)

“financierings- en investeringsverrichtingen” of “financierings- of investeringsverrichtingen”: verrichtingen waarbij financiering aan eindontvangers op directe of indirecte wijze door middel van financiële producten wordt verstrekt, die door een uitvoerende partner in eigen naam worden uitgevoerd, die door de uitvoerende partner in overeenstemming met zijn interne regels, beleid en procedures worden verstrekt en die in de financiële staten van de uitvoerende partner worden verwerkt of, in voorkomend geval, in de opmerkingen bij die financiële staten worden vermeld;

11)

“fondsen in gedeeld beheer”: fondsen die voorzien in de mogelijkheid om een deel van die fondsen toe te wijzen aan de voorziening voor een onder het lidstaatcompartiment van het InvestEU-fonds vallende begrotingsgarantie, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds die ingesteld moeten worden door een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds voor de jaren 2021 tot en met 2027, het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) dat ingesteld moet worden door een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Sociaal Fonds Plus (de “ESF+-verordening voor 2021-2027”), het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur (EMFAF) dat ingesteld moet worden door een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 508/2014, en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) dat moet worden ingesteld door een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (de "verordening inzake strategische GLB-plannen");

12)

“garantieovereenkomst”: een rechtsinstrument waarin de Commissie en een uitvoerende partner de voorwaarden bepalen waaronder financierings- en investeringsverrichtingen met het oog op dekking door de EU-garantie worden voorgesteld, de EU-garantie voor die verrichtingen wordt verleend, en die verrichtingen in overeenstemming met deze verordening worden uitgevoerd;

13)

“uitvoerende partner”: een in aanmerking komende tegenpartij zoals een financiële instelling of een andere financiële intermediair waarmee de Commissie een garantieovereenkomst heeft gesloten;

14)

“belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang”: een project dat voldoet aan alle criteria die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang of een latere herziening van die mededeling;

15)

“adviesovereenkomst”: een rechtsinstrument waarin de Commissie en de adviespartner de voorwaarden voor de uitvoering van de InvestEU-advieshub specificeren;

16)

“adviesinitiatief”: technische bijstand en adviesdiensten die investeringen ondersteunen, met inbegrip van activiteiten voor capaciteitsopbouw, die worden uitgevoerd door adviespartners, door externe dienstverleners in opdracht van de Commissie, of door uitvoerende agentschappen;

17)

“adviespartner”: een in aanmerking komende tegenpartij zoals een financiële instelling of een andere entiteit waarmee de Commissie een adviesovereenkomst heeft gesloten met het oog op het uitvoeren van een of meer andere adviesinitiatieven dan de adviesinitiatieven die door externe dienstverleners in opdracht van de Commissie of door uitvoerende agentschappen worden uitgevoerd;

18)

“investeringsplatform”: een special purpose vehicle, een beheerde rekening, een contractuele regeling voor medefinanciering of risicodeling, of een met andere middelen ingestelde regeling, die entiteiten gebruiken om bij te dragen aan de financiering van een aantal investeringsprojecten, en waartoe kunnen behoren:

a)

een nationaal of subnationaal platform voor diverse investeringsprojecten op het grondgebied van een bepaalde lidstaat;

b)

een grensoverschrijdend, meerlanden-, regionaal of macroregionaal platform voor partners uit diverse lidstaten, regio’s of derde landen die geïnteresseerd zijn in investeringsprojecten in een bepaald geografisch gebied;

c)

een thematisch platform voor investeringsprojecten binnen een bepaalde sector;

19)

“microfinanciering”: microfinanciering als omschreven in de relevante bepalingen van de ESF+-verordening voor 2021-2027;

20)

“nationale stimuleringsbank of -instelling”: een juridische entiteit die beroepsmatig financiële activiteiten verricht en van een lidstaat of een entiteit van een lidstaat op centraal, regionaal of lokaal niveau de opdracht heeft gekregen om ontwikkelings- of stimuleringsactiviteiten te verrichten;

21)

“kleine en middelgrote onderneming” of “kmo”: een micro-, kleine of middelgrote onderneming in de zin van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (27);

22)

“kleine midcaponderneming”: een entiteit die geen kmo is en die maximaal 499 werknemers in dienst heeft;

23)

“sociale onderneming”: een sociale onderneming als omschreven in de relevante bepalingen van de ESF+-verordening voor 2021-2027;

Artikel 3

Doelstellingen van het InvestEU-programma

1.   De algemene doelstelling van het InvestEU-programma is de ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie door middel van financierings- en investeringsverrichtingen die bijdragen tot:

a)

het concurrentievermogen van de Unie, met inbegrip van onderzoek, innovatie en digitalisering;

b)

groei en werkgelegenheid in de economie van de Unie, de duurzaamheid van de economie van de Unie en de milieu- en klimaatdimensie ervan die de duurzameontwikkelingsdoelen, de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het scheppen van hoogwaardige banen helpen te verwezenlijken;

c)

de sociale veerkracht, de inclusiviteit en het innovatievermogen van de Unie;

d)

de bevordering van wetenschappelijke en technologische vooruitgang, en van cultuur, onderwijs en opleiding;

e)

de integratie van kapitaalmarkten van de Unie en de versterking van de interne markt, met inbegrip van oplossingen om de versnippering van kapitaalmarkten van de Unie aan te pakken, meer diversiteit in de financieringsbronnen voor ondernemingen in de Unie te brengen en duurzame financiering te bevorderen;

f)

het bevorderen van economische, sociale en territoriale samenhang, of

g)

het duurzame en inclusieve herstel van de economie van de Unie na de COVID-19-crisis, onder meer door kapitaalsteun te verlenen voor kmo’s die door de COVID-19-crisis zijn getroffen en die eind 2019 nog niet in moeilijkheden verkeerden in termen van staatssteun, door de instandhouding en versterking van bestaande strategische waardeketens van materiële of immateriële activa, door de ontwikkeling van nieuwe waardeketens, en door de handhaving en de versterking van activiteiten die voor de Unie van strategisch belang zijn, met inbegrip van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, wat betreft fysieke dan wel virtuele kritieke infrastructuur, transformerende technologieën, baanbrekende innovaties en inputs voor bedrijven en consumenten, en tot de ondersteuning van een duurzame transitie.

2.   De specifieke doelstellingen van het InvestEU-programma zijn:

a)

het ondersteunen van financierings- en investeringsverrichtingen met betrekking tot duurzame infrastructuur op de gebieden bedoeld in artikel 8, lid 1, punt a);

b)

het ondersteunen van financierings- en investeringsverrichtingen met betrekking tot onderzoek, innovatie en digitalisering, waaronder ondersteuning voor de opschaling van innovatieve bedrijven en de uitrol van technologieën op de markt, op de gebieden bedoeld in artikel 8, lid 1, punt b);

c)

het verbeteren van de toegang tot en de beschikbaarheid van financiering voor kmo’s en kleine midcapondernemingen en het vergroten van het mondiale concurrentievermogen van deze kmo’s;

d)

het verbeteren van de toegang tot en de beschikbaarheid van microfinanciering en financiering voor sociale ondernemingen, om financierings- en investeringsverrichtingen met betrekking tot sociale investeringen, competenties en vaardigheden te ondersteunen, en om markten voor sociale investeringen, op de gebieden bedoeld in artikel 8, lid 1, punt d), te ontwikkelen en te consolideren.

Artikel 4

Begroting en bedrag van de EU-garantie

1.   De EU-garantie ten behoeve van het EU-compartiment bedoeld in artikel 9, lid 1, punt a), bedraagt 26 152 310 073 EUR in lopende prijzen. Er wordt een voorzieningspercentage van 40 % ingesteld. Het in artikel 35, lid 3, eerste alinea, punt a), vermelde bedrag wordt ook in aanmerking genomen om bij te dragen aan de voorziening die uit dat voorzieningspercentage voortvloeit.

Een bijkomend bedrag van de EU-garantie kan worden verstrekt ten behoeve van het lidstaatcompartiment bedoeld in artikel 9, lid 1, punt b), van deze verordening, op voorwaarde dat de overeenstemmende bedragen door de lidstaten worden toegewezen op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor plattelandsontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa (de "verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027"), over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend en op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de aanwending van het Elfpo dat door middel van het InvestEU-programma wordt verleend.

Een bijkomend bedrag van de EU-garantie kan door de lidstaten ook in de vorm van contanten of een garantie worden verstrekt ten behoeve van het lidstaatcompartiment. Het in contanten verstrekte bedrag vormt een externe bestemmingsontvangst overeenkomstig de tweede zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

Tevens wordt de in de eerste alinea bedoelde EU-garantie verhoogd met de in artikel 5 van deze verordening bedoelde bijdragen van derde landen, door te zorgen voor een voorziening in de vorm van geldmiddelen, volledig conform artikel 218, lid 2, van het Financieel Reglement.

2.   Een bedrag van 14 825 000 000 EUR in lopende prijzen van het in lid 1, eerste alinea, van dit artikel vermelde bedrag wordt toegewezen voor verrichtingen tot uitvoering van de in artikel 1 van Verordening (EU) 2020/2094 bedoelde maatregelen voor de in artikel 3, lid 2, van deze verordening bedoelde doelstellingen.

Een bedrag van 11 327 310 073 EUR in lopende prijzen van het in lid 1, eerste alinea, van dit artikel vermelde bedrag wordt toegewezen voor de in artikel 3, lid 2, bedoelde doelstellingen.

De in de eerste alinea van dit lid vermelde bedragen zijn slechts beschikbaar vanaf de in artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2020/2094 bedoelde datum.

De indicatieve verdeling van de EU-garantie voor de toepassing van het EU-compartiment staat beschreven in bijlage I bij deze verordening. De Commissie kan zo nodig van de in bijlage I vermelde bedragen afwijken met maximaal 15 % voor elk van de in artikel 3, lid 2, punten a) tot en met d), bedoelde doelstellingen. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van dergelijke afwijkingen.

3.   De financiële middelen voor de uitvoering van de maatregelen waarin de hoofdstukken VI en VII voorzien, bedragen 430 000 000 EUR in lopende prijzen.

4.   Het in lid 3 vermelde bedrag kan ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor de uitvoering van het InvestEU-programma, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, waaronder voor bedrijfsinformatietechnologiesystemen.

Artikel 5

Met het InvestEU-fonds geassocieerde derde landen

Aan het in artikel 9, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde EU-compartiment van het InvestEU-fonds en voor elk van de in artikel 8, lid 1, van deze verordening vermelde beleidsterreinen kunnen de hieronder bedoelde derde landen bijdragen leveren met het oog op deelname aan bepaalde financiële producten uit hoofde van artikel 218, lid 2, van het Financieel Reglement:

a)

leden van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de EER, in overeenstemming met de in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte vastgestelde voorwaarden;

b)

toetredende staten, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma’s van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad of in soortgelijke overeenkomsten, en in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)

landen van het Europees nabuurschapsbeleid, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma’s van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad of in soortgelijke overeenkomsten en overeenkomstig de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)

andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma’s van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst:

i)

zorgt voor een billijk evenwicht tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma’s van de Unie deelneemt;

ii)

de voorwaarden voor deelname aan de programma’s, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma’s, en de administratieve kosten ervan vaststelt;

iii)

het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma van de Unie verleent;

iv)

de rechten van de Unie waarborgt om voor een goed financieel beheer te zorgen en de financiële belangen van de Unie te beschermen,.

De in het eerste lid, punt d), ii), van dit artikel bedoelde bijdragen vormen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

Artikel 6

Uitvoering en vormen van Uniefinanciering

1.   De EU-garantie wordt ten uitvoer gelegd in indirect beheer met organen bedoeld in artikel 62, lid 1, punt c), ii), punt c), iii), punt c), v) en punt c), vi), van het Financieel Reglement. Andere vormen van Uniefinanciering uit hoofde van deze verordening worden, zo vlot mogelijk, op een manier die efficiënte en coherente ondersteuning van het beleid van de Unie garandeert, in direct of indirect beheer overeenkomstig het Financieel Reglement ten uitvoer gelegd, met inbegrip van subsidies die overeenkomstig titel VIII van het Financieel Reglement ten uitvoer worden gelegd en blendingverrichtingen die overeenkomstig dit artikel ten uitvoer worden gelegd.

2.   Door de EU-garantie gedekte financierings- en investeringsverrichtingen die deel uitmaken van blendingverrichtingen waarbij steun uit hoofde van deze verordening wordt gecombineerd met steun uit hoofde van een of meer andere programma’s van de Unie of steun die door het EU-ETS-innovatiefonds wordt gedekt:

a)

zijn in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen en voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen overeenkomstig de regels van het programma van de Unie op grond waarvan de steun wordt toegekend;

b)

voldoen aan deze verordening.

3.   Blendingverrichtingen die een financieringsinstrument omvatten dat volledig door andere programma’s van de Unie of door het EU-ETS-innovatiefonds zonder het gebruik van de EU-garantie uit hoofde van deze verordening wordt gefinancierd, stroken met de beleidsdoelstellingen en voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen die zijn vastgesteld in de regels van het programma van de Unie op grond waarvan de steun wordt toegekend.

4.   Overeenkomstig lid 2, van dit artikel wordt over de niet-terugbetaalbare vormen van steun en financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie die deel uitmaken van de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde blendingverrichting, beslist volgens de regels van het desbetreffende programma van de Unie en worden deze in de blendingverrichting ten uitvoer gelegd in overeenstemming met deze verordening en titel X van het Financieel Reglement.

De rapportage met betrekking tot dergelijke blendingverrichtingen bestrijkt ook de wijze waarop zij stroken met de beleidsdoelstellingen en voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen die zijn vastgesteld in de regels van het programma van de Unie op grond waarvan de steun wordt toegekend, alsmede de wijze waarop zij deze verordening naleven.

Artikel 7

Combinatie van portefeuilles

1.   Steun uit hoofde van de EU-garantie op grond van deze verordening, steun van de Unie die wordt verleend via de financieringsinstrumenten die zijn ingesteld bij de programma’s in de programmeringsperiode 2014-2020 en steun van de Unie uit hoofde van de EU-garantie die bij Verordening (EU) 2015/1017 is ingesteld, kan worden gecombineerd in financiële producten die door de EIB of het EIF op grond van deze verordening moeten worden uitgevoerd.

2.   In afwijking van artikel 19, lid 2, en artikel 16, lid 1, tweede alinea, kan de EU-garantie uit hoofde van deze verordening ook in artikel 19, lid 2, bedoelde verliezen dekken op de gehele portefeuille van financierings- en investeringsverrichtingen die door de in lid 1 van dit artikel bedoelde financiële producten worden ondersteund.

Niettegenstaande de doelstellingen van de in lid 1 bedoelde financieringsinstrumenten kunnen de voorzieningen die zijn aangelegd om de financiële verplichtingen te dekken die voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde financieringsinstrumenten, worden gebruikt om verliezen te dekken op de gehele portefeuille van financierings- en investeringsverrichtingen die door de in lid 1 bedoelde financiële producten worden ondersteund.

3.   Verliezen, inkomsten en terugbetalingen die voortvloeien uit financiële producten als bedoeld in lid 1, alsmede mogelijke terugvorderingen worden evenredig toegerekend aan de financieringsinstrumenten en in dat lid bedoelde EU-garanties uit hoofde waarvan de gecombineerde steun van de Unie via dat financiële product wordt verleend.

4.   De voorwaarden van de in lid 1 van dit artikel bedoelde financiële producten, met inbegrip van de respectieve evenredige aandelen in verliezen, inkomsten, terugbetalingen en terugvorderingen, worden in de in artikel 17 bedoelde garantieovereenkomst vastgesteld.

HOOFDSTUK II

InvestEU-fonds

Artikel 8

Beleidsterreinen

1.   Het InvestEU-fonds verricht zijn activiteiten via de volgende vier beleidsterreinen, waarop tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties worden aangepakt binnen hun specifieke toepassingsgebied:

a)

een beleidsterrein duurzame infrastructuur, dat duurzame investeringen omvat op het gebied van vervoer, met inbegrip van multimodaal vervoer, verkeersveiligheid, onder meer in overeenstemming met de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 een einde te maken aan verkeersongevallen met doden en zwaargewonden, de renovatie en het onderhoud van spoor- en weginfrastructuur, energie, met name hernieuwbare energie, energie-efficiëntie overeenkomstig het energiekader voor 2030, renovatieprojecten gericht op het energiezuinig maken van gebouwen en de integratie van gebouwen in een verbonden energie-, opslag-, digitaal en vervoerssysteem, een grotere mate van interconnectie, digitale connectiviteit en toegang, ook in plattelandsgebieden, levering en verwerking van grondstoffen, ruimtevaart, oceanen, water, waaronder binnenwateren, afvalbeheer conform de afvalhiërarchie en de circulaire economie, natuur en andere milieu-infrastructuur, cultureel erfgoed, toerisme, uitrusting, mobiele activa en de uitrol van innovatieve technologieën die bijdragen aan de doelstellingen inzake ecologische of klimaatveerkracht of sociale duurzaamheid van de Unie en die voldoen aan de normen van de Unie inzake ecologische of sociale duurzaamheid;

b)

een beleidsterrein onderzoek, innovatie en digitalisering, dat activiteiten op het gebied van onderzoek, productontwikkeling en innovatie omvat, de overdracht van technologieën en onderzoeksresultaten aan de markt om marktaanjagers en samenwerking tussen ondernemingen te stimuleren, de demonstratie en invoering van innovatieve oplossingen, steun voor de opschaling van innovatieve ondernemingen en digitalisering van het bedrijfsleven in de Unie;

c)

een beleidsterrein kleine en middelgrote ondernemingen, dat toegang tot en de beschikbaarheid van financiering omvat, in de eerste plaats voor kleine en middelgrote ondernemingen, waaronder voor innovatieve kmo’s en kmo’s uit de culturele en creatieve sector, alsmede voor kleine midcapondernemingen;

d)

een beleidsterrein sociale investeringen en vaardigheden, dat microfinanciering, financiering voor sociale ondernemingen en sociale economie omvat, alsook maatregelen ter bevordering van gendergelijkheid, vaardigheden, educatie, opleiding en aanverwante diensten, sociale infrastructuur, met inbegrip van gezondheids- en onderwijsinfrastructuur en sociale woningen en studentenwoningen, sociale innovatie, gezondheidszorg en langdurige zorg, inclusie en toegankelijkheid, culturele en creatieve activiteiten met een maatschappelijk doel, en de integratie van kwetsbare personen, waaronder onderdanen van derde landen.

2.   Er wordt horizontaal op alle beleidsterreinen een regeling voor een rechtvaardige transitie ingevoerd. Die regeling omvat investeringen die gericht zijn op de sociale, economische en ecologische uitdagingen die voortvloeien uit het transitieproces naar de verwezenlijking van het klimaatstreefdoel van de Unie voor 2030 en van de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken, en die ten behoeve van gebieden zijn die zijn aangewezen in de overeenkomstig de relevante bepalingen van de verordening inzake het Fonds voor de rechtvaardige transitie door lidstaten opgestelde plannen voor een rechtvaardige transitie.

3.   Alle beleidsterreinen kunnen strategische investeringen met inbegrip van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang omvatten ter ondersteuning van eindontvangers waarvan de activiteiten van strategisch belang zijn voor de Unie, met name met het oog op de groene en digitale transitie, op sterkere veerkracht en op de versterking van de strategische waardeketens.

Met het oog op de bescherming van de veiligheid van de Unie en haar lidstaten worden, in het geval van strategische investeringen in de defensie- en ruimtevaartsectoren en in cyberbeveiliging, alsmede in specifieke soorten projecten met werkelijke en directe veiligheidsimplicaties in kritieke sectoren, beperkingen vastgesteld in de overeenkomstig lid 9 van dit artikel vastgestelde investeringsrichtsnoeren (“investeringsrichtsnoeren”) met betrekking tot eindontvangers die onder zeggenschap staan van een derde land of entiteiten uit een derde land en eindontvangers die hun uitvoerende bestuursstructuren buiten de Unie hebben. Deze beperkingen worden vastgesteld in overeenstemming met de beginselen betreffende subsidiabele entiteiten die zijn neergelegd in de relevante bepalingen van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1092, en in de relevante bepalingen van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013, (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU.

De investeringsrichtsnoeren bepalen, in het licht van toepasselijke overwegingen inzake openbare orde of veiligheid, alle noodzakelijke voorwaarden betreffende de zeggenschap over en de uitvoerende bestuursstructuren van eindontvangers voor andere gebieden, en betreffende de zeggenschap over intermediairs. Met inachtneming van die voorwaarden bepaalt het bestuur de nodige bijkomende voorwaarden.

4.   Wanneer een financierings- of investeringsverrichting die aan het investeringscomité wordt voorgesteld, betrekking heeft op meer dan één beleidsterrein, wordt deze toegewezen aan het beleidsterrein waarop haar hoofddoel of het hoofddoel van de meeste van haar subprojecten betrekking heeft, tenzij de investeringsrichtsnoeren anders bepalen.

5.   Financierings- en investeringsverrichtingen worden gescreend om na te gaan of zij een effect hebben op het milieu, het klimaat of de maatschappij. Indien die verrichtingen een dergelijk effect hebben, worden zij getoetst op hun duurzaamheid voor klimaat, milieu en maatschappij, met als doel nadelige gevolgen tot een minimum te beperken en zoveel mogelijk voordelen te genereren voor het milieu, het klimaat en de maatschappij. Met dat doel verstrekken projectontwikkelaars die om financiering verzoeken, passende informatie op basis van de in lid 6 bedoelde richtsnoeren. Projecten die een bepaalde omvang zoals vastgesteld in de richtsnoeren niet overschrijden, worden uitgesloten van de toetsing. Projecten die onverenigbaar zijn met de klimaatdoelstellingen, komen niet in aanmerking voor steun uit hoofde van deze verordening. Wanneer de uitvoerende partner concludeert dat er geen duurzaamheidstoets hoeft te worden verricht, verstrekt hij hiervoor een motivering aan het investeringscomité.

6.   De Commissie ontwikkelt richtsnoeren inzake duurzaamheid die het, in overeenstemming met de milieudoelstellingen en -normen en de sociale doelstellingen en normen van de Unie en met passende inachtneming van het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, mogelijk maken:

a)

wat adaptatie betreft, te zorgen voor veerkracht ten opzichte van potentiële ongunstige gevolgen van klimaatverandering door middel van een kwetsbaarheids- en risicobeoordeling, waaronder door middel van toepasselijke adaptatiemaatregelen, en wat mitigatie betreft, de kosten van broeikasgasemissies en de positieve effecten van mitigerende maatregelen in de kosten-batenanalyse op te nemen;

b)

rekenschap te geven van het totaaleffect van projecten op de voornaamste bestanddelen van natuurlijk kapitaal, namelijk lucht, water, bodem en biodiversiteit;

c)

het maatschappelijke effect van projecten in te schatten, onder meer op gendergelijkheid, op de sociale inclusie van bepaalde gebieden of bevolkingsgroepen en op de economische ontwikkeling van gebieden en sectoren die geconfronteerd worden met structurele uitdagingen zoals de noodzaak de economie koolstofvrij te maken;

d)

projecten aan te merken die onverenigbaar zijn met de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen;

e)

uitvoerende partners te begeleiden bij de in lid 5 voorziene screening.

7.   De uitvoerende partners verschaffen de nodige informatie voor het volgen van investeringen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake klimaat en milieu, op basis van door de Commissie te verstrekken richtsnoeren.

8.   De uitvoerende partners passen als streefcijfer toe dat ten minste 60 % van de investeringen uit hoofde van het beleidsterrein duurzame infrastructuur bijdraagt tot de doelstellingen van de Unie inzake klimaat en milieu.

De Commissie tracht er samen met de uitvoerende partners voor te zorgen dat het deel van de EU-garantie dat wordt gebruikt voor het beleidsterrein duurzame infrastructuur, zodanig wordt verdeeld dat een evenwicht tussen de verschillende in lid 1, punt a), vermelde gebieden wordt bereikt.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door de investeringsrichtsnoeren voor elk van de beleidsterreinen te bepalen. De investeringsrichtsnoeren bevatten tevens regelingen voor de uitvoering van de regeling voor een rechtvaardige transitie, als bedoeld in lid 2 van dit artikel. De investeringsrichtsnoeren worden in nauwe samenspraak met de EIB-groep en andere potentiële uitvoerende partners opgesteld.

10.   Voor strategische financierings- en investeringsverrichtingen in de defensie- en ruimtevaartsector en in cyberbeveiliging kunnen de investeringsrichtsnoeren beperkingen vaststellen met betrekking tot de overdracht van en het verlenen van licenties op intellectuele-eigendomsrechten op kritieke technologieën en technologieën die van belang zijn om de veiligheid van de Unie en haar lidstaten te vrijwaren, met inachtneming van de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van uitvoercontrole.

11.   De Commissie stelt de informatie over de toepassing en interpretatie van de investeringsrichtsnoeren ter beschikking van de uitvoerende partners, het investeringscomité en de adviespartners.

Artikel 9

Compartimenten

1.   De in artikel 8, lid 1, bedoelde beleidsterreinen bestaan uit een EU-compartiment en een lidstaatcompartiment. Die compartimenten pakken tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties als volgt aan:

a)

het EU-compartiment dient voor de aanpak van een van de volgende situaties:

i)

tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties met betrekking tot beleidsprioriteiten van de Unie,

ii)

tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties in de hele Unie of in specifieke lidstaten, of

iii)

tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties waarvoor innovatieve financiële oplossingen en marktstructuren moeten worden ontwikkeld, met name nieuwe of complexe tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties;

b)

het lidstaatcompartiment dient voor de aanpak van specifieke tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties in een of meer regio’s of lidstaten om de beleidsdoelstellingen van de bijdragende fondsen in gedeeld beheer of van het door een lidstaat op grond van artikel 4, lid 1, derde alinea, verstrekte aanvullende bedrag te verwezenlijken, met name versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang in de Unie door het verhelpen van onevenwichtigheden tussen de regio’s.

2.   De in lid 1 bedoelde compartimenten worden in voorkomend geval op complementaire wijze gebruikt ter ondersteuning van een bepaalde financierings- of investeringsverrichting, onder meer door steun van beide compartimenten te combineren.

Artikel 10

Specifieke bepalingen die van toepassing zijn op het lidstaatcompartiment

1.   Bedragen die door een lidstaat op vrijwillige basis zijn toegewezen op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend of op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de aanwending van het Elfpo dat door middel van het InvestEU-programma wordt verleend of bedragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, derde alinea, van deze verordening in contanten worden verstrekt, worden gebruikt voor de voorziening voor het gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment ter dekking van financierings- en investeringsverrichtingen in de betrokken lidstaat, of voor de eventuele bijdrage aan de InvestEU-advieshub. Die bedragen worden gebruikt om bij te dragen aan het bereiken van de beleidsdoelstellingen die nader zijn bepaald in de in partnerschapsovereenkomst bedoeld in de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de voorbereiding en indiening van de partnerschapsovereenkomst, in de programma’s of in het strategische GLB-plan dat aan het InvestEU-programma bijdraagt, om relevante maatregelen uit te voeren die zijn vastgesteld in het plan voor herstel en veerkracht dat is opgesteld uit hoofde van Verordening (EU) 2021/241 of, in andere gevallen, voor in de bijdrageovereenkomst vastgestelde doeleinden, afhankelijk van de oorsprong van het bijgedragen bedrag.

2.   Om het gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment in te stellen wordt een bijdrageovereenkomst gesloten tussen een lidstaat en de Commissie.

De vierde alinea van dit lid en lid 5 van dit artikel zijn niet van toepassing op het bijkomende bedrag waarin een lidstaat voorziet uit hoofde van artikel 4, lid 1, derde alinea.

De bepalingen van dit artikel betreffende bedragen die zijn toegewezen op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend of op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de aanwending van het Elfpo dat door middel van het InvestEU-programma wordt verleend, zijn niet van toepassing op een bijdrageovereenkomst betreffende een bijkomend bedrag dat door een lidstaat wordt verstrekt, als bedoeld in artikel 4, lid 1, derde alinea, van deze verordening.

De lidstaat en de Commissie sluiten een bijdrageovereenkomst of een wijziging daarvan binnen vier maanden na het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de partnerschapsovereenkomst op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de goedkeuring van de partnerschapsovereenkomst of het strategische GLB-plan uit hoofde van de verordening inzake strategische GLB-plannen, of gelijktijdig met het besluit van de Commissie tot wijziging van een programma overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend of een strategisch GLB-plan overeenkomstig de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de wijziging van het strategische GLB-plan.

Twee of meer lidstaten kunnen een gezamenlijke bijdrageovereenkomst met de Commissie sluiten.

In afwijking van artikel 211, lid 1, van het Financieel Reglement wordt het voorzieningspercentage voor de EU-garantie in het lidstaatcompartiment vastgesteld op 40 % en kan het in elke bijdrageovereenkomst naar boven of naar beneden worden bijgesteld om rekening te houden met de risico’s die zijn verbonden aan de voor gebruik bestemde financiële producten.

3.   De bijdrageovereenkomst bevat ten minste de volgende elementen:

a)

het totale bedrag van het gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment dat aan de betrokken lidstaat toebehoort, het voorzieningspercentage daarvan, het bedrag van de bijdrage uit fondsen in gedeeld beheer of het overeenkomstig artikel 4, lid 1, derde alinea, verstrekte bedrag, de opbouwfase van de voorziening en het bedrag van de daaruit voortvloeiende voorwaardelijke verplichting, die met een door de betrokken lidstaat verstrekte back-to-backgarantie moet worden gedekt;

b)

de strategie van de lidstaat met betrekking tot de financiële producten en het minimale hefboomeffect daarvan, de geografische dekking, zo nodig met inbegrip van regionale dekking, de soorten projecten, de investeringsperiode en indien van toepassing, de categorieën eindontvangers en in aanmerking komende intermediairs;

c)

de potentiële overeenkomstig artikel 15, lid 1, vierde alinea, voorgestelde uitvoerende partner of partners en de verplichting voor de Commissie om de betrokken lidstaat te informeren over de geselecteerde uitvoerende partner of partners;

d)

alle bijdragen uit de fondsen in gedeeld beheer of in de vorm van overeenkomstig artikel 4, lid 1, derde alinea, verstrekte bedragen aan de InvestEU-advieshub;

e)

de verplichtingen om de lidstaat jaarverslagen te verstrekken, met inbegrip van de rapportage over de in de bijdrageovereenkomst vermelde relevante indicatoren inzake de beleidsdoelstellingen die in de partnerschapsovereenkomst, het programma, het strategische GLB-plan of de plannen voor herstel en veerkracht zijn vastgelegd;

f)

bepalingen over de vergoeding voor het gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment;

g)

elke mogelijke combinatie met middelen in het EU-compartiment in overeenstemming met artikel 9, lid 2, onder meer in een gelaagde structuur om een betere risicodekking te bereiken.

4.   De bijdrageovereenkomsten worden door de Commissie ten uitvoer gelegd door middel van overeenkomstig artikel 17 met de uitvoerende partners gesloten garantieovereenkomsten en van overeenkomstig artikel 25, lid 1, tweede alinea, met de adviespartners gesloten adviesovereenkomsten.

Indien binnen negen maanden na de sluiting van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst is gesloten, wordt de bijdrageovereenkomst in onderling overleg beëindigd of verlengd. Indien binnen negen maanden na de sluiting van de bijdrageovereenkomst het bedrag van een bijdrageovereenkomst niet volledig is vastgelegd door middel van een of meer garantieovereenkomsten, wordt dat bedrag dienovereenkomstig gewijzigd. Het niet-gebruikte bedrag van de voorziening dat toe te schrijven is aan bedragen die door de lidstaten zijn toegewezen op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend of op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de aanwending van het Elfpo dat door middel van het InvestEU-programma wordt verleend, wordt opnieuw gebruikt overeenkomstig die verordeningen. Het niet-gebruikte bedrag van de voorziening dat toe te schrijven is aan bedragen die door een lidstaat uit hoofde van artikel 4, lid 1, derde alinea, van deze verordening zijn toegewezen, wordt aan de lidstaat terugbetaald.

Indien een garantieovereenkomst niet naar behoren ten uitvoer is gelegd binnen de termijn die nader is bepaald in de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend of in de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de aanwending van het Elfpo dat door middel van het InvestEU-programma wordt verleend of, in het geval van een garantieovereenkomst die betrekking heeft op overeenkomstig artikel 4, lid 1, derde alinea, van deze verordening verstrekte bedragen, in de desbetreffende bijdrageovereenkomst, wordt de bijdrageovereenkomst gewijzigd. Het niet-gebruikte bedrag van de voorziening dat toe te schrijven is aan bedragen die door de lidstaten zijn toegewezen op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend of op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de aanwending van het Elfpo dat door middel van het InvestEU-programma wordt verleend, wordt opnieuw gebruikt overeenkomstig die verordeningen. Het niet-gebruikte bedrag van de voorziening dat toe te schrijven is aan bedragen die door een lidstaat uit hoofde van artikel 4, lid 1, derde alinea, van deze verordening zijn toegewezen, wordt aan de lidstaat terugbetaald.

5.   De volgende regels zijn van toepassing op de voorziening voor het gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment dat bij een bijdrageovereenkomst is ingesteld:

a)

na de in lid 3, punt a), van dit artikel bedoelde opbouwfase wordt elk jaarlijks overschot van voorzieningen, berekend door vergelijking tussen het bedrag van voorzieningen dat vereist is door het in de bijdrageovereenkomst vastgestelde voorzieningspercentage en het daadwerkelijke bedrag van de voorzieningen, opnieuw gebruikt op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake de gemeenschappelijke bepalingen voor 2021-2027 over de aanwending van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EMFZVA die door middel van het InvestEU-programma worden verleend en op grond van de bepalingen die zijn vastgelegd in de verordening inzake strategische GLB-plannen over de aanwending van het Elfpo dat door middel van het InvestEU-programma wordt verleend;

b)

in afwijking van artikel 213, lid 4, van het Financieel Reglement geeft de voorziening na de in lid 3, punt a), van dit artikel bedoelde opbouwfase geen aanleiding tot jaarlijkse aanvullingen tijdens de beschikbaarheidsperiode van dat gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment;

c)

de Commissie stelt de lidstaat onmiddellijk in kennis wanneer het niveau van de voorzieningen voor dat gedeelte van de EU-garantie, als gevolg van een beroep op dat gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment, onder 20 % van de initiële voorziening valt;

d)

indien het niveau van de voorzieningen voor dat gedeelte van de EU-garantie in het lidstaatcompartiment 10 % van de initiële voorziening bereikt, verstrekt de betrokken lidstaat aan het in artikel 212 van het Financieel Reglement bedoelde gemeenschappelijk voorzieningsfonds op verzoek van de Commissie maximaal 5 % van de initiële voorziening.

6.   Met betrekking tot in artikel 4, lid 1, derde alinea, bedoelde bedragen wordt het beheer van de jaarlijkse overschotten en aanvullingen na de opbouwfase vastgelegd in de bijdrageovereenkomst.

HOOFDSTUK III

Partnerschap tussen de Commissie en de EIB-Groep

Artikel 11

Reikwijdte van het partnerschap

1.   De Commissie en de EIB-groep brengen in het kader van deze verordening een partnerschap tot stand dat als doel heeft de uitvoering van het InvestEU-programma te ondersteunen en samenhang, inclusiviteit, additionaliteit en efficiënte uitrol te bevorderen. Overeenkomstig deze verordening en als nader gespecificeerd in de in lid 3 bedoelde overeenkomsten, gelden voor de EIB-groep de volgende bepalingen:

a)

de EIB-groep zorgt voor de uitvoering van het aandeel van de EU-garantie als gespecificeerd in artikel 13, lid 4;

b)

de EIB-groep ondersteunt de uitvoering van het EU-compartiment van het InvestEU-fonds en, waar van toepassing, het lidstaatcompartiment, met name door:

i)

samen met potentiële uitvoerende partners een bijdrage te leveren aan de investeringsrichtsnoeren overeenkomstig artikel 8, lid 9, aan het opstellen van het scorebord overeenkomstig artikel 22 en aan andere documenten waarin de operationele richtsnoeren van het InvestEU-fonds zijn opgenomen;

ii)

samen met de Commissie en potentiële uitvoerende partners de risicomethodiek en het systeem voor het in kaart brengen van de risico’s met betrekking tot de financierings- en investeringsverrichtingen van de uitvoerende partners vast te stellen, zodat deze verrichtingen kunnen worden beoordeeld op basis van een gemeenschappelijke beoordelingsschaal;

iii)

op verzoek van de Commissie en met instemming van de betrokken potentiële uitvoerende partner een beoordeling van de systemen van die potentiële uitvoerende partner uit te voeren en gericht technisch advies in verband met die systemen te verstrekken, indien en voor zover dit vereist is op basis van de conclusies van de audit van de pijlerbeoordeling met het oog op de uitvoering van de financiële producten als gepland door die potentiële uitvoerende partner;

iv)

een niet-bindend advies te verstrekken over de bankgerelateerde aspecten, met name het financiële risico en de financiële voorwaarden in verband met het aandeel van de EU-garantie dat aan een andere uitvoerende partner dan de EIB-groep zal worden toegewezen als vastgesteld in de garantieovereenkomst die met die uitvoerende partner wordt gesloten;

v)

simulaties en prognoses op te stellen van het financiële risico en de vergoeding van de samengevoegde portefeuille op basis van met de Commissie afgesproken hypothesen;

vi)

het financiële risico van de totale portefeuille te meten en financiële verslagen over de totale portefeuille te verstrekken, en

vii)

de in de in lid 3, punt b), van dit artikel bedoelde overeenkomst vermelde herstructurerings- en invorderingsdiensten te verstrekken aan de Commissie, op verzoek van de Commissie en met instemming van de uitvoerende partner, in overeenstemming met artikel 17, lid 2, punt g), indien de uitvoerende partner uit hoofde van de desbetreffende garantieovereenkomst niet langer verantwoordelijk is voor het verrichten van herstructurerings- en invorderingsactiviteiten;

c)

de EIB-groep kan capaciteitsopbouw als bedoeld in artikel 25, lid 2, punt h), bieden aan een nationale stimuleringsbank of -instelling en andere diensten, met betrekking tot de uitvoering van financiële producten die door de EU-garantie worden ondersteund, indien die nationale stimuleringsbank of -instelling daarom verzoekt;

d)

in verband met de InvestEU-advieshub:

i)

wordt aan de EIB-groep voor de in artikel 25 bedoelde adviesinitiatieven en de in punt ii) van dit punt bedoelde operationele taken een bedrag van maximaal 300 000 000 EUR toegekend uit de in artikel 4, lid 3, bedoelde financiële middelen;

ii)

verstrekt de EIB-groep advies aan de Commissie en verricht zij operationele taken die zijn vastgelegd in de in lid 3, punt c), bedoelde overeenkomst, door:

de Commissie ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling, de oprichting en de werking van de InvestEU-advieshub;

een beoordeling te geven van de verzoeken om ondersteunend advies die volgens de Commissie niet onder bestaande adviesinitiatieven vallen, met het oog op de onderbouwing van het toewijzingsbesluit van de Commissie met betrekking tot adviesverzoeken die langs het in artikel 25, lid 2, punt a), omschreven centrale contactpunt zijn ontvangen;

ondersteuning te bieden aan nationale stimuleringsbanken en -instellingen door, op hun verzoek, te zorgen voor de in artikel 25, lid 2, punt h), bedoelde capaciteitsopbouw, opdat zij hun adviescapaciteiten ontwikkelen met het oog op hun deelname aan adviesinitiatieven;

op verzoek van de Commissie en van een potentiële adviespartner, en met instemming van de EIB-groep, namens de Commissie een overeenkomst te sluiten met een adviespartner voor het uitvoeren van adviesinitiatieven.

De EIB-groep zorgt ervoor dat de uitvoering van de in punt d), ii), van de eerste alinea bedoelde taken volledig onafhankelijk verloopt van haar rol als adviespartner.

In voorkomend geval gaat de Commissie in gesprek met de uitvoerende partner op basis van de bevindingen van het in punt b), onder iv), van de eerste alinea bedoelde advies van de EIB-groep. De Commissie stelt de EIB-groep op de hoogte van het resultaat van haar besluitvorming.

2.   De bankgerelateerde informatie die overeenkomstig lid 1, eerste alinea, punt b), ii), punt b), iv), punt b), v), en punt b), vi), door de Commissie aan de EIB-groep wordt doorgegeven, is beperkt tot informatie die strikt noodzakelijk is om de EIB-groep in staat te stellen haar verplichtingen uit hoofde van die punten te vervullen. De Commissie omschrijft in nauwe samenspraak met de EIB-groep en potentiële uitvoerende partners de aard en de reikwijdte van die bankgerelateerde informatie, met inachtneming van de vereisten inzake het goede financiële beheer van de EU-garantie, de rechtmatige belangen van de uitvoerende partner ten aanzien van commercieel gevoelige informatie en de behoeften van de EIB-groep om te kunnen voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van die punten.

3.   De voorwaarden van het partnerschap worden vastgelegd in overeenkomsten, die het volgende omvatten:

a)

in verband met de toekenning en uitvoering van het aandeel van de EU-garantie als gespecificeerd in artikel 13, lid 4:

i)

een garantieovereenkomst tussen de Commissie en de EIB-groep, of

ii)

afzonderlijke garantieovereenkomsten tussen de Commissie en de EIB en haar filialen of andere lichamen die zijn opgericht overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de statuten van de EIB, naargelang het geval;

b)

een overeenkomst tussen de Commissie en de EIB-groep met betrekking tot lid 1, eerste alinea, punten b) en c);

c)

een overeenkomst tussen de Commissie en de EIB-groep met betrekking tot de InvestEU-advieshub;

d)

dienstenovereenkomsten tussen de EIB-groep en nationale stimuleringsbanken en -instellingen met betrekking tot capaciteitsopbouw en andere diensten verleend uit hoofde van lid 1, eerste alinea, punt c).

4.   Onverminderd artikel 18, lid 3, en artikel 25, lid 4, van deze verordening zijn de kosten die de EIB-groep maakt in het verrichten van de in lid 1, eerste alinea, punten b) en c), van dit artikel bedoelde taken in overeenstemming met de voorwaarden van de in lid 3, punt b), van dit artikel bedoelde overeenkomst, en kunnen deze kosten worden gedekt door de terugbetalingen of ontvangsten die aan de EU-garantie toe te schrijven zijn, of door de voorziening, in overeenstemming met artikel 211, leden 4 en 5, van het Financieel Reglement, of ten laste komen van de in artikel 4, lid 3, van deze verordening bedoelde financiële middelen, mits die kosten door de EIB-groep worden gemotiveerd en onder het totale maximumbedrag van 7 000 000 EUR blijven.

5.   De kosten die de EIB-groep maakt voor het verrichten van de in lid 1, de eerste alinea, punt d), ii), bedoelde operationele taken worden volledig gedekt en betaald aan de hand van het in lid 1, eerste alinea, punt d), i), bedoelde bedrag, mits die kosten door de EIB-groep worden gemotiveerd en onder het totale maximumbedrag van 10 000 000 EUR blijven.

Artikel 12

Belangenconflicten

1.   Binnen het kader van het in artikel 11 bedoelde partnerschap neemt de EIB-groep alle nodige maatregelen en voorzorgsmaatregelen om belangenconflicten met andere uitvoerende partners te vermijden, onder meer door een specifiek en onafhankelijk team samen te stellen voor de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, punt b), iii) tot met vi), bedoelde taken. Dat team houdt zich aan strikte vertrouwelijkheidsregels, die ook blijven gelden voor leden die het team hebben verlaten.

2.   De EIB-groep en andere uitvoerende partners stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke situatie die een belangenconflict vormt of tot een belangenconflict zou kunnen leiden. In geval van twijfel bepaalt de Commissie of er sprake is van een belangenconflict en stelt zij de EIB-groep van haar conclusies in kennis. Indien er sprake is van een belangenconflict, neemt de EIB-groep passende maatregelen. De EIB-groep stelt het bestuur in kennis van die maatregelen en de resultaten daarvan.

3.   De EIB-groep neemt de nodige voorzorgsmaatregelen om situaties te vermijden waarin bij de uitvoering van de InvestEU-advieshub een belangenconflict zou kunnen ontstaan, met name met betrekking tot haar operationele taken in haar rol ter ondersteuning van de Commissie als bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, punt d), ii). Indien er sprake is van een belangenconflict, neemt de EIB-groep passende maatregelen.

HOOFDSTUK IV

EU-garantie

Artikel 13

EU-garantie

1.   De EU-garantie wordt aan de uitvoerende partners verleend als een onherroepelijke, onvoorwaardelijke en afroepbare garantie in overeenstemming met artikel 219, lid 1, van het Financieel Reglement en wordt in indirect beheer overeenkomstig titel X van dat Reglement uitgevoerd.

2.   De vergoeding voor de EU-garantie wordt gekoppeld aan de kenmerken en het risicoprofiel van de financiële producten, rekening houdend met de aard van de onderliggende financierings- en investeringsverrichtingen en de verwezenlijking van de door de financiële producten beoogde beleidsdoelstellingen.

Wanneer dit naar behoren wordt gerechtvaardigd door de aard van de door het financiële product beoogde beleidsdoelstellingen en de noodzaak dat de financiële producten voor de beoogde eindontvangers betaalbaar zijn, kunnen de kosten van de aan de eindontvanger verstrekte financiering worden verminderd of kunnen de voorwaarden van die financiering worden verbeterd door de vergoeding voor de EU-garantie te verminderen of, indien nodig, door de door de uitvoerende partner gedragen en nog te betalen administratieve kosten uit de begroting van de Unie te dekken, met name:

a)

indien gespannen omstandigheden op de financiële markten de uitvoering van een financierings- of investeringsverrichting voor marktconforme prijzen zouden belemmeren, of

b)

indien dit noodzakelijk is voor het bevorderen van financierings- en investeringsverrichtingen in sectoren of op gebieden die te maken hebben met een aanzienlijke tekortkoming van de markt of suboptimale investeringssituatie of ter facilitering van de oprichting van investeringsplatformen.

De in de tweede alinea bedoelde vermindering van de vergoeding voor de EU-garantie of de dekking van de door de uitvoerende partner gedragen en nog te betalen administratieve kosten, kan alleen gedaan worden voor zover deze geen aanmerkelijke gevolgen heeft voor de voorziening van de EU-garantie.

De vermindering van de vergoeding voor de EU-garantie is volledig ten gunste van de eindontvangers.

3.   De in artikel 219, lid 4, van het Financieel Reglement vermelde voorwaarde geldt voor iedere uitvoerende partner op portefeuillebasis.

4.   Van de EU-garantie in het kader van het EU-compartiment als bedoeld in artikel 4, lid 1, eerste alinea, wordt 75 %, ten bedrage van 19 614 232 554 EUR, toegekend aan de EIB-groep. De EIB-groep levert een totale financiële bijdrage van 4 903 558 139 EUR. Die bijdrage wordt verstrekt op een wijze en in een vorm die bevorderlijk is voor de uitvoering van het InvestEU-fonds en de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 15, lid 2.

5.   De resterende 25 % van de EU-garantie in het kader van het EU-compartiment wordt toegekend aan andere uitvoerende partners, die ook een financiële bijdrage leveren waarvan het bedrag wordt vastgesteld in de garantieovereenkomsten.

6.   Er wordt alles in het werk gesteld om ervoor te zorgen dat aan het eind van de investeringsperiode een breed scala van sectoren en regio’s aan bod is gekomen en buitensporige sectorale of geografische concentratie is voorkomen. Daartoe worden onder meer stimulansen geboden voor kleinere of minder geavanceerde nationale stimuleringsbanken en -instellingen die een relatief voordeel hebben door hun lokale aanwezigheid, kennis en competenties op het gebied van investeringen. De Commissie ontwikkelt een coherente aanpak ter ondersteuning van deze inspanningen.

7.   De in artikel 4, lid 2, eerste alinea, van deze verordening, bedoelde ondersteuning met de EU-garantie wordt toegekend onder de in artikel 3, lid 6, van Verordening (EU) 2020/2094 vastgestelde voorwaarden. In alle andere gevallen kan ondersteuning met de EU-garantie voor onder deze verordening vallende financierings- en investeringsverrichtingen worden verleend voor een investeringsperiode die eindigt op 31 december 2027.

Contracten tussen de uitvoerende partner en de eindontvanger of de financiële intermediair of een andere entiteit als bedoeld in artikel 16, lid 1, punt a), in het kader van de in artikel 4, lid 2, eerste alinea, bedoelde EU-garantie worden uiterlijk één jaar na de goedkeuring van de desbetreffende financierings- of investeringsverrichting door de uitvoerende partner ondertekend. In alle andere gevallen worden contracten tussen de uitvoerende partner en de eindontvanger of de financiële intermediair of een andere entiteit bedoeld in artikel 16, lid 1, punt a), ondertekend uiterlijk op 31 december 2028.

Artikel 14

In aanmerking komende financierings- en investeringsverrichtingen

1.   Het InvestEU-fonds ondersteunt alleen financierings- en investeringsverrichtingen die:

a)

voldoen aan de voorwaarden van artikel 209, lid 2, punten a) tot en met e), van het Financieel Reglement, met name betreffende tekortkomingen van de markt, suboptimale investeringssituaties en additionaliteit als beschreven in artikel 209, lid 2, punten a) en b), van het Financieel Reglement en bijlage V bij onderhavige verordening, en, indien van toepassing, het maximaliseren van particuliere investeringen overeenkomstig artikel 209, lid 2, punt d), van het Financieel Reglement;

b)

bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van de Unie en binnen het toepassingsgebied vallen van de domeinen die in aanmerking komen voor financierings- en investeringsverrichtingen op het passende beleidsterrein in overeenstemming met bijlage II bij deze verordening;

c)

niet voorzien in financiële steun voor in bijlage V, deel B, bij deze verordening vermelde uitgesloten activiteiten, en

d)

stroken met de investeringsrichtsnoeren.

2.   Naast projecten die zich bevinden in de Unie, of in een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee als vermeld in bijlage II bij het VWEU, kan het InvestEU-fonds de volgende projecten en verrichtingen ondersteunen door middel van financierings- en investeringsverrichtingen:

a)

projecten waarbij entiteiten die zich in een of meer lidstaten bevinden of er gevestigd zijn, betrokken zijn, en die zich uitstrekken over een of meer derde landen, waaronder toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, landen die onder het toepassingsgebied van het Europees nabuurschapsbeleid vallen, leden van de EER of van de EVA, over landen en gebieden overzee als vermeld in bijlage II bij het VWEU, of over een geassocieerd derde land, ongeacht of er een partner is in die derde landen of overzeese landen of gebieden;

b)

financierings- en investeringsverrichtingen in derde landen als bedoeld in artikel 5 die aan een specifiek financieel product hebben bijgedragen.

3.   Het InvestEU-fonds kan financierings- en investeringsverrichtingen ondersteunen die financiering verstrekken aan eindontvangers die juridische entiteiten zijn die gevestigd zijn in een van de volgende landen of gebieden:

a)

een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee als vermeld in bijlage II bij het VWEU;

b)

een derde land dat met het InvestEU-programma geassocieerd is in overeenstemming met artikel 5;

c)

een derde land als bedoeld in lid 2, punt a), indien van toepassing;

d)

andere derde landen waar dat nodig is voor de financiering van een project in een land of gebied als bedoeld in de punten a), b) en c).

Artikel 15

Selectie van andere uitvoerende partners dan de EIB-groep

1.   De Commissie selecteert andere uitvoerende partners dan de EIB-groep overeenkomstig artikel 154 van het Financieel Reglement.

Uitvoerende partners kunnen een groep vormen. Een uitvoerende partner kan lid zijn van een of meer groepen.

Voor het EU-compartiment hebben de in aanmerking komende tegenpartijen hun interesse laten blijken in verband met het aandeel van de EU-garantie bedoeld in artikel 13, lid 5.

Voor het lidstaatcompartiment kan de betrokken lidstaat een of meer tegenpartijen als uitvoerende partners voorstellen uit die tegenpartijen die hun interesse hebben laten blijken. De betrokken lidstaat kan tevens de EIB-groep als uitvoerende partner voorstellen en kan op eigen kosten een overeenkomst met de EIB-groep sluiten voor het verrichten van de in artikel 11 opgesomde diensten.

Indien de betrokken lidstaat geen uitvoerende partner voorstelt, handelt de Commissie overeenkomstig de derde alinea van dit lid en selecteert zij als uitvoerende partners in aanmerking komende tegenpartijen die in staat zijn financierings- en investeringsverrichtingen te dekken in de betrokken geografische gebieden.

2.   Bij de selectie van uitvoerende partners zorgt de Commissie ervoor dat de portefeuille van financiële producten in het InvestEU-fonds strookt met de volgende doelstellingen:

a)

het maximaliseren van de dekking van de in artikel 3 vastgestelde doelstellingen;

b)

het maximaliseren van de impact van de EU-garantie door middel van de eigen middelen die door de uitvoerende partner worden toegezegd;

c)

het maximaliseren, waar mogelijk, van particuliere investeringen;

d)

het bevorderen van innovatieve financiële en risico-oplossingen om tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties aan te pakken;

e)

het tot stand brengen van geografische diversificatie via een trapsgewijze toewijzing van de EU-garantie, en het mogelijk maken van de financiering van kleinere projecten;

f)

voorzien in voldoende risicodiversificatie.

3.   Bij de selectie van uitvoerende partners houdt de Commissie ook rekening met:

a)

de mogelijke kosten en vergoedingen voor de begroting van de Unie;

b)

de capaciteit van de uitvoerende partner om de vereisten van artikel 155, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement met betrekking tot belastingontwijking, belastingfraude, belastingontduiking, witwassen, terrorismefinanciering en niet-coöperatieve rechtsgebieden grondig uit te voeren.

4.   Nationale stimuleringsbanken en -instellingen kunnen als uitvoerende partner worden geselecteerd, op voorwaarde dat zij voldoen aan de vereisten van dit artikel.

Artikel 16

In aanmerking komende soorten financiering

1.   De EU-garantie kan worden gebruikt ten behoeve van risicodekking voor de volgende soorten financiering die door uitvoerende partners worden verstrekt:

a)

leningen, garanties, tegengaranties, kapitaalmarktinstrumenten, andere vormen van financiering of kredietverbetering, waaronder achtergestelde schulden, of investeringen in eigen vermogen of quasi-eigen vermogen, die direct of indirect door financiële intermediairs, fondsen, investeringsplatformen of andere instrumenten worden verstrekt om aan eindontvangers te worden doorgegeven;

b)

financiering of garanties door een uitvoerende partner aan een andere financiële instelling om deze laatste in staat te stellen de in punt a) bedoelde financiering te verrichten.

Om door de EU-garantie te worden gedekt wordt de in de punten a) en b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde financiering verleend, verkregen of uitgegeven ten behoeve van de in artikel 14, lid 1, bedoelde financierings- en investeringsverrichtingen, indien de financiering door de uitvoerende partner was verleend conform een financieringsovereenkomst of -transactie die de uitvoerende partner heeft ondertekend of is aangegaan na de ondertekening van de garantieovereenkomst en die niet is verstreken of niet is geannuleerd.

2.   Financierings- en investeringsverrichtingen via fondsen of andere intermediaire structuren worden door de EU-garantie ondersteund overeenkomstig in de investeringsrichtsnoeren vast te leggen bepalingen, zelfs indien deze structuren een minderheid van hun geïnvesteerde bedragen investeren buiten de Unie en in de in artikel 14, lid 2, bedoelde derde landen, of een minderheid van hun geïnvesteerde bedragen investeren in activa die niet in aanmerking komen uit hoofde van deze verordening.

Artikel 17

Garantieovereenkomsten

1.   De Commissie sluit met iedere uitvoerende partner een garantieovereenkomst met betrekking tot de verlening van de EU-garantie ten belope van een door de Commissie vast te stellen bedrag.

Indien uitvoerende partners een groep vormen, wordt er één enkele garantieovereenkomst gesloten tussen de Commissie en iedere uitvoerende partner binnen de groep of met één uitvoerende partner namens de groep.

2.   De garantieovereenkomst bevat:

a)

het bedrag en de voorwaarden van de door de uitvoerende partner te verstrekken financiële bijdrage;

b)

de voorwaarden van de financiering of de garanties die door de uitvoerende partner aan een andere aan de uitvoering deelnemende juridische entiteit worden verstrekt, wanneer dat het geval is;

c)

nadere regels betreffende de verlening van de EU-garantie overeenkomstig artikel 19, waaronder de dekking van portefeuilles van specifieke soorten instrumenten en de verschillende gebeurtenissen die aanleiding geven tot een mogelijk beroep op de EU-garantie;

d)

de vergoeding voor het nemen van risico’s, te verdelen tussen de Unie en de uitvoerende partner in verhouding tot hun respectieve aandeel in het nemen van risico’s, of als verminderd in naar behoren gemotiveerde gevallen op grond van artikel 13, lid 2;

e)

de betalingsvoorwaarden;

f)

de verbintenis van de uitvoerende partner om de besluiten van de Commissie en het investeringscomité te aanvaarden met betrekking tot het gebruik van de EU-garantie ten behoeve van de voorgestelde financierings- of investeringsverrichting, onverminderd de beslissingen van de uitvoerende partner met betrekking tot de voorgestelde financierings- of investeringsverrichting zonder de EU-garantie;

g)

bepalingen en procedures met betrekking tot de invordering van schuldvorderingen die de uitvoerende partner wordt toevertrouwd;

h)

financiële en operationele rapportage en monitoring van de financierings- en investeringsverrichtingen onder de EU-garantie;

i)

essentiële prestatie-indicatoren, met name met betrekking tot het gebruik van de EU-garantie, de verwezenlijking van de in de artikelen 3, 8 en 14 vastgestelde doelstellingen en criteria, en het aantrekken van particulier kapitaal;

j)

indien van toepassing, bepalingen en procedures met betrekking tot blendingverrichtingen;

k)

andere toepasselijke bepalingen ter naleving van de vereisten van artikel 155, lid 2, en titel X van het Financieel Reglement;

l)

de beschikbaarheid van adequate mechanismen om tegemoet te komen aan mogelijke bezorgdheden van particuliere investeerders.

3.   De garantieovereenkomst bepaalt tevens dat de vergoeding die de Unie toekomt uit hoofde van onder deze verordening vallende financierings- en investeringsverrichtingen, wordt verminderd met betalingen als gevolg van een beroep op de EU-garantie.

4.   Voorts bepaalt de garantieovereenkomst dat aan de uitvoerende partner verschuldigde bedragen die met de EU-garantie verband houden, worden afgetrokken van het totale bedrag van de vergoedingen, de inkomsten en de terugbetalingen die de uitvoerende partner aan de Unie verschuldigd is uit hoofde van onder deze verordening vallende financierings- en investeringsverrichtingen. Indien dat bedrag niet toereikend is om het overeenkomstig artikel 18, lid 3, aan de uitvoerende partner verschuldigde bedrag te dekken, wordt het uitstaande bedrag opgenomen uit de voorziening voor de EU-garantie.

5.   Indien de garantieovereenkomst in het kader van het lidstaatcompartiment wordt gesloten, kan zij voorzien in participatie door vertegenwoordigers van de lidstaat of de regio’s die betrokken is/zijn bij de monitoring van de uitvoering van die garantieovereenkomst.

Artikel 18

Vereisten voor het gebruik van de EU-garantie

1.   De verlening van de EU-garantie is afhankelijk van de inwerkingtreding van de garantieovereenkomst met de desbetreffende uitvoerende partner.

2.   Financierings- en investeringsverrichtingen worden alleen door de EU-garantie gedekt indien zij aan de in deze verordening en in de desbetreffende investeringsrichtsnoeren vastgelegde criteria voldoen en indien het investeringscomité heeft geconcludeerd dat die verrichtingen voldoen aan de vereisten om door de EU-garantie te worden gedekt. Het blijft de verantwoordelijkheid van de uitvoerende partners om ervoor te zorgen dat de financierings- en investeringsverrichtingen voldoen aan deze verordening en de desbetreffende investeringsrichtsnoeren.

3.   Voor de uitvoering van financierings- en investeringsverrichtingen met de EU-garantie is de Commissie geen administratieve kosten of vergoedingen aan de uitvoerende partner verschuldigd, tenzij de uitvoerende partner op grond van de aard van de beleidsdoelstellingen die door het uit te voeren financiële product worden beoogd en de betaalbaarheid voor de beoogde eindontvangers of de soort financiering die wordt verleend, ten aanzien van de Commissie naar behoren kan motiveren dat er een uitzondering moet worden gemaakt. De dekking van dergelijke kosten door de begroting van de Unie wordt beperkt tot het bedrag dat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de desbetreffende financierings- en investeringsverrichtingen, en wordt slechts verleend in zoverre de kosten niet worden gedekt door ontvangsten van de uitvoerende partners uit de betrokken financierings- en investeringsverrichtingen. De vergoedingsregelingen worden vastgesteld in de garantieovereenkomst en voldoen aan artikel 17, lid 4, van deze verordening, en aan artikel 209, lid 2, punt g), van het Financieel Reglement.

4.   Bovendien mag de uitvoerende partner de EU-garantie gebruiken voor de dekking van het betreffende aandeel in de mogelijke invorderingskosten overeenkomstig artikel 17, lid 4, tenzij die kosten in mindering worden gebracht op de opbrengst van de invordering.

Artikel 19

Dekking en voorwaarden van de EU-garantie

1.   Vergoeding voor het nemen van risico’s wordt verdeeld tussen de Unie en een uitvoerende partner in verhouding tot hun respectieve aandeel in het nemen van risico’s met betrekking tot een portefeuille van financierings- en investeringsverrichtingen of, in voorkomend geval, met betrekking tot afzonderlijke financierings- en investeringsverrichtingen. De vergoeding voor de EU-garantie kan worden verminderd in naar behoren gemotiveerde gevallen bedoeld in artikel 13, lid 2.

De uitvoerende partner heeft op eigen risico passende blootstelling aan financierings- en investeringsverrichtingen die door de EU-garantie worden ondersteund, tenzij de beleidsdoelstellingen die door het uit te voeren financiële product worden beoogd uitzonderlijk van dien aard zijn dat de uitvoerende partner redelijkerwijs niet zijn eigen risicodragende capaciteit daaraan kan bijdragen.

2.   De EU-garantie dekt:

a)

voor de in artikel 16, lid 1, punt a), bedoelde schuldproducten:

i)

de hoofdsom en alle overeenkomstig de voorwaarden van de financieringsverrichtingen aan de uitvoerende partner verschuldigde maar niet door hem ontvangen rente en bedragen vóórafgaand aan de wanbetaling;

ii)

herstructureringsverliezen;

iii)

verliezen die voortvloeien uit schommelingen van andere valuta’s dan de euro op markten waarop de mogelijkheden tot langetermijnhedging beperkt zijn;

b)

voor de in artikel 16, lid 1, punt a), bedoelde investeringen in eigen vermogen of quasi-eigen vermogen: de geïnvesteerde bedragen en de eraan verbonden financieringskosten en verliezen die voortvloeien uit schommelingen van andere valuta’s dan de euro;

c)

voor financiering of garanties door een uitvoerende partner aan een andere financiële instelling overeenkomstig artikel 16, lid 1, punt b): de gebruikte bedragen en de eraan verbonden financieringskosten.

Voor de toepassing van punt a), i), van de eerste alinea worden met betrekking tot achtergestelde schuld een uitstel, een verlaging of een vereiste exit als wanbetaling beschouwd.

3.   Indien de Unie ten gevolge van een beroep op de EU-garantie een betaling aan de uitvoerende partner doet, treedt zij in de desbetreffende rechten van de uitvoerende partner met betrekking tot zijn financierings- of investeringsverrichtingen die door de EU-garantie worden gedekt, in zoverre die rechten blijven bestaan.

De uitvoerende partner gaat namens de Unie over tot invordering van schuldvorderingen voor de gesubrogeerde bedragen, en betaalt de Unie terug met de ingevorderde bedragen.

HOOFDSTUK V

Bestuur

Artikel 20

Adviesraad

1.   De Commissie en het uit hoofde van artikel 21 opgerichte bestuur worden geadviseerd door een adviesraad.

2.   De adviesraad streeft naar genderevenwicht en bestaat uit:

a)

één vertegenwoordiger van iedere uitvoerende partner;

b)

één vertegenwoordiger van elke lidstaat;

c)

één door het Europees Economisch en Sociaal Comité benoemde deskundige;

d)

één door het Comité van de Regio’s benoemde deskundige.

3.   De adviesraad wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. De vertegenwoordiger van de EIB-groep is de vicevoorzitter.

De adviesraad komt op gezette tijden, ten minste tweemaal per jaar, op verzoek van de voorzitter bijeen.

4.   De adviesraad:

a)

verleent advies aan de Commissie en het bestuur over het ontwerp van de op grond van deze verordening in te zetten financiële producten;

b)

verleent de Commissie en het bestuur advies over marktontwikkelingen, marktomstandigheden, tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties;

c)

houdt gedachtewisselingen over marktontwikkelingen en deelt beste praktijken.

5.   De Commissie benoemt na raadpleging van potentiële uitvoerende partners de eerste leden van de adviesraad die de andere uitvoerende partners dan de EIB-groep vertegenwoordigen. Hun aanstelling is beperkt tot één jaar.

6.   Ten minste tweemaal per jaar worden er in een afzonderlijke formatie bijeenkomsten van vertegenwoordigers van de lidstaten gehouden die worden voorgezeten door de Commissie.

7.   De adviesraad en de in lid 6 bedoelde bijeenkomsten van vertegenwoordigers van de lidstaten kunnen aan het bestuur ter overweging aanbevelingen doen betreffende de uitvoering en werking van het InvestEU-programma.

8.   Uitvoerige notulen van de vergaderingen van de adviesraad worden zo snel mogelijk na goedkeuring ervan door de adviesraad bekendgemaakt.

De Commissie stelt de werkingsregels en -procedures voor de adviesraad vast en beheert het secretariaat van de adviesraad. De adviesraad krijgt toegang tot alle nodige documentatie en informatie om zijn taken te kunnen vervullen.

9.   De in de adviesraad vertegenwoordigde nationale stimuleringsbanken en -instellingen selecteren uit hun midden de vertegenwoordigers van de andere uitvoerende partners dan de EIB-groep in het krachtens van artikel 21, opgerichte bestuur. De nationale stimuleringsbanken en -instellingen streven naar het bereiken van een evenwichtige vertegenwoordiging in het bestuur qua omvang en geografische ligging. De geselecteerde vertegenwoordigers vertolken het overeengekomen gemeenschappelijke standpunt van alle andere uitvoerende partners dan de EIB-groep.

Artikel 21

Bestuur

1.   Er wordt een bestuur opgericht voor het InvestEU-programma (het “bestuur”). Dit bestuur bestaat uit vier vertegenwoordigers van de Commissie, drie vertegenwoordigers van de EIB-groep, twee vertegenwoordigers van de andere uitvoerende partners dan de EIB-groep en één door het Europees Parlement benoemde deskundige zonder stemrecht. De door het Europees Parlement benoemde deskundige zonder stemrecht vraagt of aanvaardt geen instructies van instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie, van enige regering van een lidstaat of van enige andere openbare of particuliere entiteit, en handelt in volledige onafhankelijkheid. Die deskundige verricht zijn of haar taken onpartijdig en in het belang van het InvestEU-programma.

De leden van het bestuur worden benoemd voor een termijn van vier jaar, die eenmaal kan worden verlengd, met uitzondering van de vertegenwoordigers van de andere uitvoerende partners dan de EIB-groep, die voor een termijn van twee jaar worden benoemd.

2.   Het bestuur selecteert een voorzitter uit de vertegenwoordigers van de Commissie voor een termijn van vier jaar, die eenmaal kan worden verlengd. De voorzitter brengt tweemaal per jaar verslag uit aan de vertegenwoordigers van de lidstaten in de adviesraad over de uitvoering en werking van het InvestEU-programma.

Uitvoerige notulen van de vergaderingen van het bestuur worden bekendgemaakt zodra zij zijn goedgekeurd door het bestuur.

3.   Het bestuur:

a)

verschaft strategische en operationele richtsnoeren voor de uitvoerende partners, met inbegrip van richtsnoeren over het ontwerp van financiële producten en andere operationele beleidskeuzes en procedures die noodzakelijk zijn voor de werking van het InvestEU-fonds;

b)

stelt het door de Commissie in samenwerking met de EIB-groep en de andere uitvoerende partners ontwikkelde kader voor de risicomethodiek vast;

c)

houdt toezicht op de uitvoering van het InvestEU-programma;

d)

wordt geraadpleegd over de shortlist van kandidaten voor het investeringscomité vóór hun selectie overeenkomstig artikel 24, lid 2, en formuleert in dat verband het standpunt van al zijn leden;

e)

stelt het reglement van orde van het secretariaat van het investeringscomité bedoeld in artikel 24, lid 4, vast;

f)

stelt de regels vast die van toepassing zijn op de verrichtingen met investeringsplatformen.

4.   Bij zijn besprekingen streeft het bestuur consensus na en houdt derhalve zoveel mogelijk rekening met de standpunten van alle leden. Indien de leden het niet met elkaar eens kunnen worden, neemt het bestuur zijn besluiten met gekwalificeerde meerderheid van de stemgerechtigde leden, hetgeen neerkomt op ten minste zeven stemmen.

Artikel 22

Scorebord

1.   Er wordt een scorebord van indicatoren (“het scorebord”) tot stand gebracht opdat het investeringscomité verzoeken om het gebruik van de EU-garantie voor door uitvoerende partners voorgestelde financierings- en investeringsverrichtingen op onafhankelijke, transparante en geharmoniseerde wijze kan beoordelen.

2.   De uitvoerende partners vullen het scorebord in voor de financierings- en investeringsverrichtingen die zij voorstellen.

3.   Het scorebord omvat de volgende elementen:

a)

een beschrijving van de voorgestelde financierings- of investeringsverrichting;

b)

hoe de voorgestelde financierings- of investeringsverrichting aan de EU-beleidsdoelstellingen bijdraagt;

c)

een beschrijving van de additionaliteit;

d)

een beschrijving van de tekortkoming van de markt of suboptimale investeringssituatie;

e)

de financiële en technische bijdrage van de uitvoerende partner;

f)

de impact van de investering;

g)

het financiële profiel van de financierings- of investeringsverrichting;

h)

aanvullende indicatoren.

4.   De Commissie is overeenkomstig artikel 34 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met bijkomende elementen voor het scorebord, met inbegrip van gedetailleerde regels voor de uitvoerende partners in verband met het gebruik van het scorebord.

Artikel 23

Beleidscontrole

1.   De Commissie verricht een controle om te bevestigen of de door de andere uitvoerende partners dan de EIB voorgestelde financierings- en investeringsverrichtingen voldoen aan het recht en het beleid van de Unie.

2.   De financierings- en investeringsverrichtingen van de EIB die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, worden niet gedekt door de EU-garantie indien de Commissie in het kader van de procedure van artikel 19 van de statuten van de EIB een ongunstig advies uitbrengt.

Artikel 24

Investeringscomité

1.   Er wordt een volledig onafhankelijk investeringscomité voor het InvestEU-fonds (“het investeringscomité”) ingesteld. Het investeringscomité:

a)

onderzoekt de voorstellen voor financierings- en investeringsverrichtingen die door uitvoerende partners met het oog op dekking door de EU-garantie worden ingediend en die bij de in artikel 23, lid 1, van deze verordening, bedoelde beleidscontrole goed zijn bevonden of die een gunstig advies hebben gekregen in het kader van de procedure van artikel 19 van de statuten van de EIB;

b)

gaat na of de in punt a) bedoelde voorstellen aan deze verordening en de desbetreffende investeringsrichtsnoeren voldoen, en

c)

controleert of de financierings- en investeringsverrichtingen die door de EU-garantie zouden worden ondersteund, aan alle relevante vereisten voldoen.

Bij het uitvoeren van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde taken, besteedt het investeringscomité bijzondere aandacht aan het in artikel 209, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement en in bijlage V bij deze verordening vastgestelde additionaliteitsvereisten, en aan het in artikel 209, lid 2, punt d), van het Financieel Reglement vastgestelde vereiste om particuliere investeringen aan te trekken.

2.   Het investeringscomité vergadert in vier verschillende formaties die overeenstemmen met de vier in artikel 8, lid 1, bedoelde beleidsterreinen.

Elke formatie van het investeringscomité bestaat uit zes bezoldigde externe deskundigen. De deskundigen worden geselecteerd en benoemd door de Commissie, op aanbeveling van het bestuur. De deskundigen worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar, die eenmaal kan worden verlengd. Hun bezoldiging is afkomstig uit de begroting van de Unie. De Commissie kan op aanbeveling van het bestuur besluiten de ambtstermijn van een zittend lid van het investeringscomité te verlengen zonder de in dit lid vastgelegde procedure te hoeven volgen.

De deskundigen beschikken over veel relevante marktervaring inzake projectstructurering en -financiering of financiering van kmo’s of grote ondernemingen.

Bij de samenstelling van het investeringscomité wordt ervoor gezorgd dat het beschikt over een ruime kennis van de sectoren die behoren tot de in artikel 8, lid 1, bedoelde beleidsterreinen, en een ruime kennis van de geografische markten in de Unie, en wordt ervoor gezorgd dat het investeringscomité in zijn geheel genderevenwichtig is.

Vier leden van het investeringscomité zijn permanente leden van elk van de vier formaties van het investeringscomité. Ten minste een van de permanente leden beschikt over deskundigheid op het gebied van duurzame investeringen. Bovendien heeft elk van de vier formaties twee deskundigen met ervaring op het gebied van investeringen in de sectoren die behoren tot het overeenkomstige beleidsterrein. Het bestuur wijst de leden van het investeringscomité aan de passende formatie of formaties toe. Het investeringscomité kiest een voorzitter uit zijn permanente leden.

3.   De leden van het investeringscomité voeren hun werkzaamheden voor dit comité onpartijdig en uitsluitend in het belang van het InvestEU-fonds uit. Zij vragen noch aanvaarden instructies van de uitvoerende partners, de instellingen van de Unie, de lidstaten of andere publieke of private organen.

De curricula vitae en belangenverklaringen van alle leden van het investeringscomité worden openbaar gemaakt en voortdurend geactualiseerd. Elk lid van het investeringscomité deelt de Commissie en het bestuur onverwijld alle informatie mee die nodig is om op continue basis de afwezigheid van belangenconflicten te bevestigen.

Het bestuur kan de Commissie aanbevelen dat zij een lid uit zijn functie ontheft als dat lid de in dit lid vastgelegde vereisten niet naleeft, of om andere naar behoren gemotiveerde redenen.

4.   Wanneer het investeringscomité overeenkomstig dit artikel handelt, wordt het bijgestaan door een secretariaat. Het secretariaat is onafhankelijk en legt verantwoording af aan de voorzitter van het investeringscomité. Het secretariaat valt bestuurlijk onder de Commissie. In het reglement van orde van het secretariaat wordt voorzien in vertrouwelijkheid van de uitwisseling van gegevens en documenten tussen de uitvoerende partners en de respectieve bestuursorganen. De EIB-groep kan haar voorstellen voor financierings- en investeringsverrichtingen rechtstreeks bij het investeringscomité indienen en stelt het secretariaat hiervan in kennis.

De door de uitvoerende partners te verstrekken documentatie omvat een gestandaardiseerd aanvraagformulier, het in artikel 22 bedoelde scorebord en eventuele andere documenten die het investeringscomité van belang acht, met name een beschrijving van de aard van de tekortkoming van de markt of suboptimale investeringssituatie en hoe de financierings- of investeringsverrichting die zal verhelpen, alsmede een betrouwbare beoordeling waaruit de additionaliteit van de financierings- of investeringsverrichting blijkt. Het secretariaat controleert of de door andere uitvoerende partners dan de EIB-groep verstrekte documentatie volledig is. Het investeringscomité kan de betrokken uitvoerende partner verzoeken om verduidelijkingen met betrekking tot een voorstel voor een investerings- of financieringsverrichting, onder meer door te vragen dat een vertegenwoordiger van de uitvoerende partner zelf aanwezig is wanneer bovengenoemde verrichting wordt besproken. Voor het toekennen van dekking door de EU-garantie aan een financierings- of investeringsverrichting zijn projectbeoordelingen door een uitvoerende partner niet bindend voor het investeringscomité.

Het investeringscomité gebruikt voor zijn beoordeling en controle van de voorgestelde financierings- en investeringsverrichtingen het in artikel 22 bedoelde scorebord.

5.   De conclusies van het investeringscomité worden bij gewone meerderheid van alle leden aangenomen, mits deze gewone meerderheid ten minste een van de niet-permanente leden van de formatie omvat voor het beleidsterrein waarop het voorstel betrekking heeft. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van het investeringscomité doorslaggevend.

De conclusies van het investeringscomité waarbij de dekking van de EU-garantie voor een financierings- of investeringsverrichting wordt goedgekeurd, worden openbaar toegankelijk gemaakt en bevatten de redenen voor de goedkeuring en informatie over de verrichting, met name een beschrijving ervan, de identiteit van de ontwikkelaars of financiële intermediairs, en de doelstellingen van de verrichting. In de conclusies wordt tevens verwezen naar de algemene beoordeling op basis van het scorebord.

Het desbetreffende scorebord wordt openbaar toegankelijk gemaakt na de ondertekening van de financierings- of investeringsverrichting of het subproject, indien van toepassing.

Informatie die op grond van de tweede en de derde alinea openbaar toegankelijk moet worden gemaakt, bevat geen commercieel gevoelige informatie of persoonsgegevens die op grond van de gegevensbeschermingsregels van de Unie niet openbaar mogen worden gemaakt. Commercieel gevoelige onderdelen van de conclusies van het investeringscomité worden door de Commissie op verzoek toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad, met inachtneming van strikte vertrouwelijkheidseisen.

Tweemaal per jaar dient het investeringscomité bij het Europees Parlement en de Raad een lijst in met alle conclusies van het investeringscomité in de voorafgaande zes maanden, evenals de openbaar gemaakte scoreborden die daarop betrekking hebben. Ook alle besluiten waarbij het gebruik van de EU-garantie wordt afgewezen, maken deel uit van deze lijst. Die besluiten nemen strikte vertrouwelijkheidseisen in acht.

De conclusies van het investeringscomité worden tijdig door het secretariaat van het investeringscomité beschikbaar gesteld aan de betrokken uitvoerende partner.

Het secretariaat van het investeringscomité neemt alle aan het investeringscomité verstrekte informatie met betrekking tot voorstellen voor financierings- en investeringsverrichtingen en de conclusies van het investeringscomité inzake die voorstellen in een centraal register op.

6.   Indien het investeringscomité wordt gevraagd zijn goedkeuring te hechten aan het gebruik van de EU-garantie voor een financierings- of investeringsverrichting die een faciliteit, programma of structuur met onderliggende subprojecten is, omvat die goedkeuring ook de onderliggende subprojecten, tenzij het investeringscomité besluit zich het recht voor te behouden die onderliggende subprojecten afzonderlijk goed te keuren. Het investeringscomité heeft niet het recht subprojecten met een omvang van minder dan 3 000 000 EUR afzonderlijk goed te keuren.

7.   Wanneer het dat noodzakelijk acht, kan het investeringscomité zich tot de Commissie wenden in verband met operationele kwesties over de toepassing of interpretatie van de investeringsrichtsnoeren.

HOOFDSTUK VI

InvestEU-advieshub

Artikel 25

InvestEU-advieshub

1.   De Commissie stelt de InvestEU-advieshub in. De InvestEU-advieshub verstrekt ondersteunend advies voor het in kaart brengen, voorbereiden, ontwikkelen, structureren, aanbesteden en uitvoeren van investeringsprojecten, en voor de versterking van de capaciteit van projectontwikkelaars en financiële intermediairs om financierings- en investeringsverrichtingen uit te voeren. Deze steun kan betrekking hebben op alle fasen van de levenscyclus van een project of financiering van een ondersteunde entiteit.

De Commissie sluit adviesovereenkomsten met de EIB-groep en andere potentiële adviespartners en belast hen met de verstrekking van het in de eerste alinea van dit lid bedoelde ondersteunend advies en met de verrichting van de in lid 2 bedoelde diensten. De Commissie kan ook adviesinitiatieven uitvoeren, onder meer door overeenkomsten te sluiten met externe dienstverleners. De Commissie stelt een centraal contactpunt voor de InvestEU-advieshub in en wijst de verzoeken om ondersteunend advies voor behandeling toe aan het geschikte adviesinitiatief. De Commissie, de EIB-groep en de andere adviespartners werken nauw samen om te zorgen voor doeltreffendheid, synergie en daadwerkelijke geografische dekking van de steun in de gehele Unie, en houden hierbij terdege rekening met de bestaande structuren en werkzaamheden.

Adviesinitiatieven zijn beschikbaar als onderdeel van elk in artikel 8, lid 1, bedoeld beleidsterrein en bestrijken sectoren binnen dat beleidsterrein. Bovendien zijn er adviesinitiatieven voorhanden in het kader van een sectoroverschrijdend onderdeel.

2.   De InvestEU-advieshub heeft met name de volgende taken:

a)

het instellen van een centraal contactpunt, beheerd en georganiseerd door de Commissie, voor projectontwikkelingsbijstand aan openbare autoriteiten en projectontwikkelaars in het kader van de InvestEU-advieshub;

b)

het verspreiden onder openbare autoriteiten en projectontwikkelaars van alle beschikbare aanvullende informatie over de investeringsrichtsnoeren, met inbegrip van informatie over de toepassing ervan of over door de Commissie verstrekte interpretatie;

c)

het bijstaan van projectontwikkelaars, waar nodig, bij de ontwikkeling van hun projecten zodat die voldoen aan de in de artikelen 3 en 8 vastgelegde doelstellingen en aan de in artikel 14 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen, en het vergemakkelijken van de ontwikkeling van onder meer belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang en aggregatoren voor kleine projecten, onder meer via investeringsplatformen als bedoeld in punt f) van dit lid, mits met die bijstand niet wordt vooruitgelopen op de conclusies van het investeringscomité over de dekking van die projecten door de EU-garantie;

d)

het ondersteunen van acties en het mobiliseren van lokale kennis om het gebruik van steun uit het InvestEU-fonds in de hele Unie te faciliteren, en het actief bijdragen, waar mogelijk, aan de doelstelling van de sectorale en geografische diversificatie van het InvestEU-fonds door uitvoerende partners te ondersteunen bij het creëren en ontwikkelen van potentiële financierings- en investeringsverrichtingen;

e)

het faciliteren van de oprichting van samenwerkingsplatformen voor collegiale uitwisselingen en de deling van gegevens, knowhow en beste praktijken ter ondersteuning van projectpijplijnen en sectorontwikkeling;

f)

het verstrekken van proactief ondersteunend advies met betrekking tot de oprichting van investeringsplatformen, waaronder grensoverschrijdende en macroregionale investeringsplatformen en investeringsplatformen waarop kleine en middelgrote projecten in een of meer lidstaten worden samengevoegd op basis van thema of regio;

g)

het ondersteunen van combinaties met subsidies of financieringsinstrumenten die uit de begroting van de Unie of andere bronnen worden gefinancierd, teneinde de synergie en de complementariteit tussen de instrumenten van de Unie te versterken en de hefboomwerking en het effect van het InvestEU-programma te maximaliseren;

h)

het ondersteunen van acties voor capaciteitsopbouw met als doel organisatiecapaciteit, -vaardigheden en -processen te ontwikkelen en de investeringsbereidheid van organisaties te verhogen, zodat openbare autoriteiten en projectontwikkelaars pijplijnen van investeringsprojecten kunnen aanleggen, financieringsmechanismen en investeringsplatformen kunnen ontwikkelen en projecten kunnen beheren, en financiële intermediairs financierings- en investeringsverrichtingen kunnen uitvoeren voor entiteiten die moeilijkheden bij het verkrijgen van financiering ondervinden, onder meer door steun te verlenen voor de ontwikkeling van risicobeoordelingscapaciteit of sectorspecifieke kennis;

i)

het verstrekken van ondersteunend advies aan start-ups, in het bijzonder wanneer deze hun investeringen in onderzoek en innovatie willen beschermen door intellectuele-eigendomsrechten zoals octrooien te verwerven.

3.   De InvestEU-advieshub is beschikbaar voor openbare en particuliere projectontwikkelaars, met inbegrip van kmo’s en start-ups, voor openbare autoriteiten, nationale stimuleringsbanken en -instellingen, en financiële en niet-financiële intermediairs.

4.   De Commissie sluit met elke adviespartner een adviesovereenkomst over de uitvoering van een of meer adviesinitiatieven. De InvestEU-advieshub kan vergoedingen voor de in lid 2 bedoelde diensten in rekening brengen om een deel van de kosten van de dienstverrichting te dekken, behalve voor diensten aan openbare projectontwikkelaars of instellingen zonder winstoogmerk, die kosteloos worden verricht wanneer dat gerechtvaardigd is. De vergoedingen die voor die in lid 2 bedoelde diensten aan kmo’s in rekening worden gebracht, bedragen maximaal een derde van de kosten van die dienstverrichting.

5.   Om de in lid 1 bedoelde werkzaamheden uit te voeren en het verlenen van ondersteunend advies te vergemakkelijken, bouwt de InvestEU-advieshub voort op de deskundigheid van de Commissie, de EIB-groep en de andere adviespartners.

6.   Elk adviesinitiatief omvat een regeling voor het delen van de kosten tussen de Commissie en de adviespartner, behalve wanneer de Commissie aanvaardt alle kosten van het adviesinitiatief op zich te nemen in een naar behoren gemotiveerd geval indien dit noodzakelijk is vanwege de specifieke kenmerken van het adviesinitiatief en een samenhangende en billijke behandeling van alle adviespartners gewaarborgd is.

7.   De InvestEU-advieshub is waar nodig lokaal aanwezig. Er wordt met name voorzien in een lokale aanwezigheid in lidstaten of regio’s die moeilijkheden ondervinden bij de ontwikkeling van projecten in het kader van het InvestEU-fonds. De InvestEU-advieshub biedt ondersteuning bij de overdracht van kennis aan regionale en lokale instanties teneinde regionale en lokale capaciteit en deskundigheid op te bouwen om het in lid 1 bedoelde ondersteunend advies te kunnen verstrekken, met inbegrip van steun voor het uitvoeren en bijstaan van kleine projecten.

8.   Om het in lid 1 bedoelde ondersteunend advies te verstrekken en het beter beschikbaar te kunnen stellen op lokaal niveau, werkt de InvestEU-advieshub waar mogelijk samen met nationale stimuleringsbanken en -instellingen en maakt hij gebruik van hun deskundigheid. In voorkomend geval worden in het kader van de InvestEU-advieshub samenwerkingsovereenkomsten met nationale stimuleringsbanken en -instellingen gesloten, met deelname van ten minste één nationale stimuleringsbank of -instelling per lidstaat.

9.   De uitvoerende partners adviseren, waar nodig, projectontwikkelaars die financiering aanvragen, met name voor kleine projecten, om de InvestEU-advieshub om steun voor hun projecten te verzoeken, zodat hun projecten in voorkomend geval beter kunnen worden voorbereid en er kan worden nagegaan of projecten kunnen worden gebundeld.

De uitvoerende partners en adviespartners brengen in voorkomend geval de projectontwikkelaars ook op de hoogte van de mogelijkheid hun projecten op het in artikel 26 bedoelde InvestEU-portaal te plaatsen.

HOOFDSTUK VII

InvestEU-portaal

Artikel 26

InvestEU-portaal

1.   De Commissie stelt het InvestEU-portaal in. Het InvestEU-portaal is een gemakkelijk toegankelijke en gebruiksvriendelijke projectdatabank die relevante informatie over elk project bevat.

2.   Het InvestEU-portaal biedt een kanaal voor projectontwikkelaars om hun projecten waarvoor zij financiering zoeken, zichtbaarheid te geven bij investeerders. De opname van projecten in het InvestEU-portaal heeft geen invloed op de besluiten betreffende de projecten die uiteindelijk worden geselecteerd voor ondersteuning uit hoofde van deze verordening of van enig ander Unie-instrument, of op besluiten voor publieke financiering. Alleen projecten die met het recht en het beleid van de Unie verenigbaar zijn, worden op het InvestEU-portaal geplaatst.

3.   De Commissie zendt projecten die met het recht en het beleid van de Unie verenigbaar zijn, toe aan de relevante uitvoerende partners. Indien er een adviesinitiatief bestaat, zendt de Commissie deze projecten eventueel ook toe aan de InvestEU-advieshub.

4.   De uitvoerende partners onderzoeken de projecten die binnen hun geografische reikwijdte en activiteitenbereik vallen.

HOOFDSTUK VIII

Verantwoordingsplicht, toezicht en verslaglegging, evaluatie en controle

Artikel 27

Verantwoordingsplicht

1.   Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad brengt de voorzitter van het bestuur aan de verzoekende instelling verslag uit over de prestaties van het InvestEU-fonds, onder meer door deel te nemen aan een hoorzitting in het Europees Parlement.

2.   De voorzitter van het bestuur antwoordt mondeling of schriftelijk op door het Europees Parlement of door de Raad aan het InvestEU-fonds gestelde vragen binnen vijf weken na ontvangst ervan.

Artikel 28

Toezicht en verslaglegging

1.   De indicatoren voor de verslaglegging over de voortgang van het InvestEU-programma bij de verwezenlijking van de in artikel 3 vastgelegde algemene en specifieke doelstellingen zijn opgenomen in bijlage III.

2.   Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het InvestEU-programma efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld, en dat die gegevens een passende monitoring van de risico- en garantieportefeuille mogelijk maken. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de uitvoerende partners, de adviespartners en andere ontvangers van financiële middelen van de Unie, naargelang het geval.

3.   De Commissie rapporteert over de uitvoering van het InvestEU-programma overeenkomstig de artikelen 241 en 250 van het Financieel Reglement. Overeenkomstig artikel 41, lid 5, van het Financieel Reglement wordt in het jaarverslag informatie verstrekt over de uitvoeringsgraad van het programma met betrekking tot de doelstellingen en prestatie-indicatoren ervan. Iedere uitvoerende partner verstrekt daartoe op jaarbasis de informatie, onder meer over de werking van de EU-garantie, die de Commissie nodig heeft om haar verslagleggingsverplichting te kunnen nakomen.

4.   Iedere uitvoerende partner dient om de zes maanden bij de Commissie een verslag in over de financierings- en investeringsverrichtingen die onder deze verordening vallen, uitgesplitst tussen EU-compartiment en lidstaatcompartiment, naargelang het geval. Iedere uitvoerende partner dient eveneens informatie over het lidstaatcompartiment in bij de lidstaat waarvan hij het compartiment ten uitvoer legt. Het verslag bevat een beoordeling van de naleving van de vereisten voor het gebruik van de EU-garantie en van de in bijlage III bij deze verordening vastgestelde essentiële prestatie-indicatoren. Het verslag bevat ook operationele, statistische, financiële en boekhoudkundige gegevens voor elke financierings- of investeringsverrichting en een raming van de verwachte kasstromen, op het niveau van de compartimenten, de beleidsterreinen en het InvestEU-fonds. Eenmaal per jaar wordt in het verslag van de EIB-groep, en in voorkomend geval van andere uitvoerende partners, ook informatie opgenomen over investeringsbelemmeringen die zich voordoen bij de uitvoering van financierings- en investeringsverrichtingen die onder deze verordening vallen. De verslagen bevatten de informatie die de uitvoerende partners moeten verstrekken op grond van artikel 155, lid 1, punt a), van het Financieel Reglement.

5.   Om ervoor te zorgen dat de voortgang van het InvestEU-programma bij de verwezenlijking van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage III te wijzigen ten aanzien van de indicatoren indien nodig en deze verordening aan te vullen met bepalingen betreffende de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader.

Artikel 29

Evaluatie

1.   Evaluaties van het InvestEU-programma worden zodanig verricht dat ze tijdig in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.   Uiterlijk op 30 september 2024 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een onafhankelijk tussentijds evaluatieverslag over het InvestEU-programma in, in het bijzonder over het gebruik van de EU-garantie, over de naleving van de verplichtingen van de EIB-groep uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, punten b) en c), de toewijzing van de EU-garantie waarin is voorzien in artikel 13, leden 4 en 5, de uitvoering van de InvestEU-advieshub, over de begrotingstoewijzing waarin is voorzien in artikel 11, lid 1, eerste alinea, punt d), i), en over artikel 8, lid 8. Met deze evaluatie wordt met name aangetoond hoe de deelname van de uitvoerende partners en adviespartners aan de uitvoering van het InvestEU-programma een rol heeft gespeeld bij het bereiken van de streefdoelen van het InvestEU-programma en de beleidsdoelstellingen van de EU, met name wat betreft de toegevoegde waarde en het geografisch en sectoraal evenwicht van de ondersteunde financierings- en investeringsverrichtingen. Deze evaluatie omvat ook een beoordeling van de toepassing van de duurzaamheidstoets uit hoofde van artikel 8, lid 5, en de focus op kmo’s die in het kader van het artikel 8, lid 1, punt c), bedoelde beleidsterrein kmo’s is bereikt.

3.   Aan het einde van de uitvoering van het InvestEU-programma, doch uiterlijk op 31 december 2031, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een onafhankelijk eindevaluatieverslag over het InvestEU-programma in, in het bijzonder over het gebruik van de EU-garantie.

4.   De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en aan het Comité van de Regio’s.

5.   De uitvoerende partners en de adviespartners dragen bij aan en verstrekken de Commissie de nodige informatie voor het verrichten van de in de leden 2 en 3 bedoelde evaluaties.

6.   Overeenkomstig artikel 211, lid 1, van het Financieel Reglement neemt de Commissie om de drie jaar in het in artikel 250 van het Financieel Reglement bedoelde jaarverslag een evaluatie van de toereikendheid van het in artikel 4, lid 1, van deze verordening vastgelegde voorzieningspercentage in het licht van het werkelijke risicoprofiel van de financierings- en investeringsverrichtingen die door de EU-garantie worden gedekt. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 34 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening door het in artikel 4, lid 1, van deze verordening vastgelegde voorzieningspercentage op basis van die evaluatie met ten hoogste 15 % aan te passen.

Artikel 30

Audits

Audits van het gebruik van de Uniefinanciering uitgevoerd door personen of entiteiten, daaronder begrepen door andere personen of entiteiten dan die welke door instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid op grond van artikel 127 van het Financieel Reglement.

Artikel 31

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Indien een derde land aan het InvestEU-programma deelneemt door middel van een op grond van een internationale overeenkomst of op basis van een ander rechtsinstrument vastgesteld besluit, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, OLAF en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten dergelijke rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, als bepaald Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013.

HOOFDSTUK IX

Transparantie en zichtbaarheid

Artikel 32

Informatie, communicatie en publiciteit

1.   Uitvoerende partners en adviespartners erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de Uniefinanciering, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, op samenhangende, doeltreffende en proportionele wijze te informeren.

Bij de toepassing van de vereisten van de eerste alinea op projecten in cyberbeveiliging en de defensie- en ruimtevaartsector worden vertrouwelijkheids- of geheimhoudingsverplichtingen in acht genomen.

2.   De uitvoerende partners en de adviespartners informeren de eindontvangers, met inbegrip van kmo’s, over het bestaan van steun uit hoofde van het InvestEU-programma, of verplichten andere financiële intermediairs om die eindontvangers over die steun te informeren, door die informatie duidelijk zichtbaar te maken in de relevante financieringsovereenkomst voor de verstrekking van steun uit hoofde van het InvestEU-programma, met name in het geval van kmo’s, om het programma op die manier zichtbaarder en bekender bij het publiek te maken.

3.   De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het InvestEU-programma, de op grond van dat programma ondernomen acties en de resultaten ervan. De aan het InvestEU-programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, in zoverre die prioriteiten verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

HOOFDSTUK X

Deelneming van de Europese Unie in de kapitaalverhoging van het Europees Investeringsfonds

Artikel 33

Deelneming in een kapitaalverhoging van het EIF

Naast haar deelneming in het kapitaal van het EIF op 3 december 2020 schrijft de Unie in op maximaal 853 aandelen in het EIF, elk met een nominale waarde van 1 000 000 EUR, zodat haar relatieve aandeel in het kapitaal op een niveau blijft dat gelijkwaardig is aan het niveau op 3 december 2020. De inschrijving op de aandelen en de betaling van maximaal 375 000 000 EUR voor het gestorte gedeelte van de aandelen en voor het agio worden verricht overeenkomstig voorwaarden die door de algemene vergadering van het EIF worden goedgekeurd en vóór 31 december 2021. Het resulterende niet-gestorte gedeelte van de aandelen waarop is ingeschreven en die zijn verkregen overeenkomstig dit lid, bedraagt niet meer dan 682 400 000 EUR.

HOOFDSTUK XI

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 34

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. Indien gedelegeerde handelingen betrekking hebben op activiteiten die door of met medewerking van de EIB-groep en andere uitvoerende partners worden uitgevoerd, pleegt de Commissie overleg met de EIB-groep en andere potentiële uitvoerende partners voordat die gedelegeerde handelingen worden voorbereid.

2.   De in artikel 8, lid 9, artikel 22 lid 4, artikel 28, lid 5, en artikel 29, lid 6, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden na die datum een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8, lid 9, artikel 22, lid 4, artikel 28, lid 5, en artikel 29, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 8, lid 9, artikel 22, lid 4, artikel 28, lid 5, en artikel 29, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 35

Overgangsbepalingen

1.   In afwijking van de eerste en de vierde alinea van artikel 209, lid 3, van het Financieel Reglement kunnen alle ontvangsten, terugbetalingen en invorderingen van financieringsinstrumenten die bij de in bijlage IV bij deze verordening genoemde programma’s zijn ingesteld, worden gebruikt voor de voorziening van de EU-garantie uit hoofde van deze verordening, rekening houdend met de relevante bepalingen betreffende de begroting die zijn vastgelegd in de verordening inzake de leenfaciliteit voor de overheidssector voor 2021-2027.

2.   In afwijking van artikel 213, lid 4, punt a), van het Financieel Reglement kunnen overschotten van voorzieningen voor de EU-garantie die bij Verordening (EU) 2015/1017 is ingesteld, worden gebruikt voor de voorziening van de EU-garantie uit hoofde van deze verordening, rekening houdend met de relevante bepalingen betreffende de begroting die zijn vastgelegd in de verordening inzake de leenfaciliteit voor de overheidssector voor 2021-2027.

3.   Het bedrag van 6 074 000 000 EUR in lopende prijzen bedoeld in artikel 2, lid 2, punt c), van Verordening (EU) 2020/2094 wordt gebruikt:

a)

voor de voorziening van de EU-garantie uit hoofde van deze verordening met een bedrag van 5 930 000 000 EUR in lopende prijzen, bovenop de in artikel 211, lid 4, eerste alinea, van het Financieel Reglement vermelde middelen;

b)

voor de uitvoering van de maatregelen waarin de hoofdstukken VI en VII van deze verordening voorzien en de maatregelen bedoeld in de tweede zin van artikel 1, lid 3, van Verordening (EU) 2020/2094, onder voorbehoud van artikel 3, leden 4 en 8, van die verordening, met een bedrag van 142 500 000 EUR in lopende prijzen.

Dit bedrag vormt een externe bestemmingsontvangst overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

4.   In afwijking van artikel 16, lid 1, tweede alinea, van deze verordening kunnen financierings- en investeringsverrichtingen die uitvoerende partners hebben ondertekend of zijn aangegaan in de periode van 1 januari 2021 tot de ondertekening van hun respectieve garantieovereenkomsten, door de EU-garantie worden gedekt, mits die verrichtingen in de garantieovereenkomst worden vermeld, zij bij de in artikel 23, lid 1, van deze verordening bedoelde beleidscontrole goed zijn bevonden of een gunstig advies krijgen in het kader van de procedure van artikel 19 van de statuten van de EIB, en in beide gevallen door het investeringscomité worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 24 van deze verordening.

Artikel 36

Wijziging van Verordening (EU) 2015/1017

Het volgende artikel wordt ingevoegd in Verordening (EU) 2015/1017:

“Artikel 11 bis

Combinatie van de EFSI-portefeuille met andere portefeuilles

In afwijking van artikel 11, lid 6, van deze verordening en artikel 10, lid 2, tweede alinea, van deze verordening kunnen met de EU-garantie in artikel 11, lid 6, van deze verordening bedoelde verliezen worden gedekt op de gehele portefeuille van financierings- en investeringsverrichtingen die door de in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement van de Raad (*1) bedoelde financiële producten worden ondersteund.

Artikel 37

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A.P. ZACARIAS


(1)  PB C 364 van 28.10.2020, blz. 139.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 9 maart 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 17 maart 2021.

(3)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(4)  Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).

(5)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(6)  PB L 309 van 13.12.1993, blz. 3.

(7)  Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).

(8)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(9)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(10)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(11)  PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.

(12)  Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11).

(13)  Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(15)  Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).

(16)  PB C 170 van 18.5.2020, blz. 22.

(17)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel na de COVID-19-crisis (PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 23).

(18)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(19)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(20)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(21)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(22)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(23)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(24)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(25)  Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie („LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).

(26)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(27)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).


BIJLAGE I

BEDRAGEN VAN DE EU-GARANTIE PER SPECIFIEKE DOELSTELLING

Voor financierings- en investeringsverrichtingen geldt overeenkomstig artikel 4, lid 2, vierde alinea, de volgende indicatieve verdeling:

a)

tot 9 887 682 891 EUR voor de in artikel 3, lid 2, punt a), bedoelde doelstellingen;

b)

tot 6 575 653 460 EUR voor de in artikel 3, lid 2, punt b), bedoelde doelstellingen;

c)

tot 6 906 732 440 EUR voor de in artikel 3, lid 2, punt c), bedoelde doelstellingen;

d)

tot 2 782 241 282 EUR voor de in artikel 3, lid 2, punt d), bedoelde doelstellingen.


BIJLAGE II

VOOR FINANCIERINGS- EN INVESTERINGSVERRICHTINGEN IN AANMERKING KOMENDE GEBIEDEN

Met de financierings- en investeringsverrichtingen kunnen onder meer strategische investeringen worden beoogd ter ondersteuning van eindontvangers waarvan de activiteiten van strategisch belang zijn voor de Unie, met name met het oog op de groene en digitale transitie, een sterkere veerkracht en de versterking van de strategische waardeketens. Zij kunnen onder meer op belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang gericht zijn. De financierings- en investeringsverrichtingen kunnen betrekking hebben op een of meer van de volgende gebieden:

1.

de ontwikkeling van de energiesector, overeenkomstig de prioriteiten van de energie-unie, met inbegrip van energievoorzieningszekerheid, transitie naar schone energie, en de verbintenissen die in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de Overeenkomst van Parijs zijn aangegaan, in het bijzonder door middel van:

a)

de uitbreiding van de opwekking, de levering of het gebruik van schone en duurzame hernieuwbare energie, alsook andere veilige en duurzame emissieloze en emissiearme energiebronnen en oplossingen;

b)

energie-efficiëntie en energiebesparing (met klemtoon op het verminderen van de vraag door middel van vraagzijdebeheer en de renovatie van gebouwen);

c)

het ontwikkelen, slimmer maken en moderniseren van duurzame energie-infrastructuur, met name opslagtechnologieën, interconnecties van de elektriciteitsnetten tussen lidstaten en slimme netten, zowel op transmissie- als distributieniveau;

d)

het ontwikkelen van innovatieve emissieloze en emissiearme verwarmingssystemen en warmte-krachtkoppeling;

e)

de productie en levering van duurzame synthetische brandstoffen uit hernieuwbare/koolstofneutrale bronnen en andere veilige en duurzame emissieloze en emissiearme bronnen, biobrandstoffen, biomassa en alternatieve brandstoffen, ook brandstoffen voor alle vervoerswijzen, in overeenstemming met de doelstellingen van Richtlijn (EU) 2018/2001;

f)

infrastructuur voor koolstofafvang en -opslag in industriële processen, bio-energie-installaties en productiefaciliteiten met het oog op de energietransitie, en

g)

kritieke infrastructuur, fysieke dan wel virtuele, daaronder begrepen als kritiek aangemerkte infrastructuurelementen, alsmede gronden en vastgoed die van vitaal belang zijn voor het gebruik van die kritieke infrastructuur, en de levering van goederen en diensten die van belang zijn om de kritieke infrastructuur te benutten en te onderhouden.

2.

de ontwikkeling van duurzame en veilige vervoersinfrastructuur en mobiliteitsoplossingen en uitrusting en innovatieve technologieën overeenkomstig de prioriteiten van de Unie op het gebied van vervoer en de verbintenissen die in de Overeenkomst van Parijs zijn aangegaan, in het bijzonder door middel van:

a)

projecten ter ondersteuning van de infrastructuur van het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T), met inbegrip van onderhoud en veiligheid van de infrastructuur, de stedelijke knooppunten van TEN-T, zee- en binnenhavens, luchthavens, multimodale terminals en hun verbinding met de TEN-T-netwerken, en de telematicatoepassingen bedoeld in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1);

b)

TEN-T-infrastructuurprojecten die het gebruik mogelijk maken van ten minste twee verschillende vervoerswijzen, met name multimodale vrachtterminals en knooppunten voor personenvervoer;

c)

slimme en duurzame projecten op het gebied van stedelijke mobiliteit die gericht zijn op stadsvervoermiddelen met lage emissie, met inbegrip van binnenvaart en innovatieve mobiliteitsoplossingen, niet-discriminerende toegankelijkheid, minder luchtvervuiling en lawaai, energieverbruik, netwerken van slimme steden, onderhoud, en meer veiligheid en minder ongevallen, ook voor fietsers en voetgangers;

d)

ondersteuning van de vernieuwing en modernisering van rollend materieel om emissiearme en emissieloze mobiliteitsoplossingen uit te rollen, met inbegrip van het gebruik van alternatieve brandstoffen in voertuigen van alle vervoerswijzen;

e)

spoorweginfrastructuur, overige spoorwegprojecten, binnenvaartinfrastructuur, massavervoersprojecten, zeehavens en maritieme snelwegen;

f)

infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor alle vervoerswijzen, waaronder elektrische laadpunten;

g)

andere slimme en duurzame mobiliteitsprojecten die gericht zijn op:

i)

verkeersveiligheid;

ii)

toegankelijkheid;

iii)

emissiereductie, of

iv)

de ontwikkeling en invoering van nieuwe vervoerstechnologieën en -diensten, bijvoorbeeld met betrekking tot geconnecteerde en autonome vervoerswijzen of geïntegreerde ticketing;

h)

projecten voor het onderhoud of de modernisering van bestaande vervoersinfrastructuur, met inbegrip van snelwegen op het TEN-T-netwerk indien dat nodig is om de verkeersveiligheid te versterken, onderhouden of te verbeteren, om ITS-diensten te ontwikkelen of de integriteit en normen van de infrastructuur te waarborgen of om te zorgen voor veilige parkeerterreinen en -voorzieningen, oplaad- en tankstations voor alternatieve brandstoffen, en

i)

kritieke infrastructuur, daaronder begrepen als kritiek aangemerkte infrastructuurelementen, alsmede gronden en vastgoed die van vitaal belang zijn voor het gebruik van die kritieke infrastructuur, en de levering van goederen en diensten die van belang zijn om de kritieke infrastructuur te benutten en te onderhouden.

3.

milieu en hulpbronnen, in het bijzonder met betrekking tot:

a)

water, met inbegrip van drinkwatervoorziening en -zuivering, en netwerkefficiëntie, vermindering van het aantal lekkages, infrastructuur voor de opvang en behandeling van afvalwater, kustinfrastructuur en andere watergerelateerde groene infrastructuur;

b)

infrastructuur voor afvalbeheer;

c)

projecten en ondernemingen op het gebied van milieubronnenbeheer en duurzame technologieën;

d)

verbetering en herstel van ecosystemen en de bijbehorende diensten, onder meer door versterking van de natuur en de biodiversiteit door middel van groene en blauwe infrastructuurprojecten;

e)

duurzame stads-, plattelands- en kustontwikkeling;

f)

maatregelen op het gebied van klimaatverandering, adaptatie aan en mitigatie van klimaatverandering, met inbegrip van vermindering van het risico op natuurrampen;

g)

projecten en ondernemingen die de circulaire economie uitvoeren door in de productie en de levenscyclus van producten aspecten van hulpbronnenefficiëntie te integreren, met inbegrip van de duurzame voorziening van primaire en secundaire grondstoffen;

h)

het koolstofarm maken van energie-intensieve industrieën en het substantieel verminderen van de emissies ervan, met inbegrip van de demonstratie van innovatieve lage-emissietechnologieën en de uitrol daarvan;

i)

het koolstofarm maken van de energieproductie- en -distributieketen door het gebruik van kolen en olie geleidelijk af te schaffen, en

j)

projecten die duurzaam cultureel erfgoed bevorderen.

4.

de ontwikkeling van infrastructuur voor digitale connectiviteit, fysieke dan wel virtuele, in het bijzonder door middel van projecten die de uitrol van digitale netwerken met zeer hoge capaciteit of 5G-connectiviteit ondersteunen of digitale connectiviteit en toegang, met name voor plattelandsgebieden en perifere regio’s, verbeteren.

5.

onderzoek, ontwikkeling en innovatie, in het bijzonder door middel van:

a)

onderzoeks- en innovatieprojecten die bijdragen aan de doelstellingen van Horizon Europa, met inbegrip van onderzoeksinfrastructuur en ondersteuning van de academische wereld;

b)

projecten van ondernemingen, met inbegrip van opleiding en de bevordering van het opzetten van clusters en bedrijfsnetwerken;

c)

demonstratieprojecten en -programma’s evenals de uitrol van de bijbehorende infrastructuur, technologieën en processen;

d)

samenwerkingsprojecten inzake onderzoek en innovatie tussen de academische wereld, organisaties voor onderzoek en innovatie en de industrie; publiek-private partnerschappen en maatschappelijke organisaties;

e)

kennis- en technologieoverdracht;

f)

onderzoek op het gebied van sleuteltechnologieën en de industriële toepassingen daarvan, met inbegrip van nieuwe en geavanceerde materialen, en

g)

nieuwe doeltreffende en toegankelijke gezondheidsproducten, met inbegrip van onderzoek, ontwikkeling, innovatie en vervaardiging van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, diagnostiek en medicinale producten voor geavanceerde therapie en nieuwe antimicrobiële stoffen, alsmede innovatieve ontwikkelingsprocessen waarbij het gebruik van dierproeven wordt vermeden.

6.

de ontwikkeling, uitrol en opschaling van digitale technologieën en diensten, met name digitale technologieën en diensten, met inbegrip van media, platforms voor onlinediensten en veilige digitale communicatie, die bijdragen aan de doelstellingen van het programma Digitaal Europa, in het bijzonder door middel van:

a)

artificiële intelligentie;

b)

kwantumtechnologie;

c)

infrastructuur voor cyberveiligheid en netwerkbescherming;

d)

het internet der dingen;

e)

blockchain- en andere “distributed ledger”-technologieën;

f)

geavanceerde digitale vaardigheden;

g)

robotica en automatisering;

h)

fotonica;

i)

andere geavanceerde digitale technologieën en diensten die bijdragen aan de digitalisering van de industrie van de Unie en de integratie van digitale technologieën, diensten en vaardigheden in de vervoersector van de Unie, en

j)

recycling- en productievoorzieningen voor de productie van onderdelen en apparatuur voor informatie- en communicatietechnologie in de Unie.

7.

financiële steun voor entiteiten met maximaal 499 werknemers, vooral voor kmo’s en kleine midcapondernemingen, in het bijzonder door middel van:

a)

het verstrekken van werkkapitaal en investeringen;

b)

het verstrekken van risicokapitaal van de zaai- tot de uitbreidingsfase met het oog op het verwerven van hun leiderschapspositie op technologisch gebied in innovatieve en duurzame sectoren, met inbegrip van het verbeteren van hun digitaliserings- en innovatiecapaciteit, en het waarborgen van hun mondiale concurrentievermogen;

c)

het verstrekken van financiering voor het verwerven van een onderneming door werknemers of voor een participatie in de eigendom van een onderneming door werknemers.

8.

de culturele en de creatieve sector, cultureel erfgoed, media, de audiovisuele sector, journalistiek en pers, met name door middel van de ontwikkeling van nieuwe technologieën, het gebruik van digitale technologieën en technologisch beheer van intellectuele-eigendomsrechten.

9.

toerisme.

10.

de sanering van industrieterreinen (met inbegrip van verontreinigde sites) en het herstel ervan met het oog op duurzaam gebruik.

11.

duurzame landbouw, bosbouw, visserij, aquacultuur en andere onderdelen van de ruimere duurzame bio-economie.

12.

sociale investeringen, met inbegrip van investeringen ter ondersteuning van de verwezenlijking van de Europese pijler van sociale rechten, in het bijzonder door middel van:

a)

microfinanciering, ethische financiering, financiering voor sociale ondernemingen en sociale economie;

b)

vraag naar en aanbod van vaardigheden;

c)

onderwijs, opleiding en aanverwante diensten, ook voor volwassenen;

d)

sociale infrastructuur, met name:

i)

onderwijs en opleiding met een inclusief karakter, met inbegrip van voor- en vroegschools onderwijs en opvang, en de bijbehorende onderwijsinfrastructuur en -faciliteiten, alternatieve kinderopvang, studentenwoningen en digitale uitrusting, die voor iedereen toegankelijk zijn;

ii)

betaalbare sociale huisvesting (2);

iii)

gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van klinieken, ziekenhuizen, eerstelijnszorg, thuiszorg en gemeenschapszorg;

e)

sociale innovatie, met inbegrip van innovatieve sociale oplossingen en regelingen om sociale effecten en resultaten op de in punten a) tot d) en f) tot j) bedoelde gebieden te bevorderen;

f)

culturele activiteiten met een maatschappelijk doel;

g)

maatregelen ter bevordering van gendergelijkheid;

h)

integratie van kwetsbare personen, waaronder onderdanen van derde landen;

i)

innovatieve gezondheidsoplossingen, waaronder e-gezondheid, gezondheidsdiensten en nieuwe zorgmodellen;

j)

inclusie van en toegankelijkheid voor personen met een handicap.

13.

de ontwikkeling van de defensie-industrie om bij te dragen aan de strategische autonomie van de Unie, in het bijzonder door middel van steun voor:

a)

de toeleveringsketen van de defensie-industrie van de Unie, in het bijzonder door middel van financiële steun voor kmo’s en midcaps;

b)

ondernemingen die deelnemen aan disruptieve-innovatieprojecten in de defensiesector en nauw daarmee samenhangende technologieën voor tweeërlei gebruik;

c)

de toeleveringsketen van de defensiesector bij deelname aan samenwerkingsprojecten voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van defensie, met inbegrip van die welke door het Europees Defensiefonds worden gesteund;

d)

infrastructuur voor onderzoek en opleiding op het gebied van defensie.

14.

ruimte, in het bijzonder met betrekking tot de ontwikkeling van de ruimtevaartsector volgens de doelstellingen van de Ruimtestrategie voor Europa om:

a)

de voordelen voor de samenleving en economie van de Unie zo groot mogelijk te maken;

b)

het concurrentievermogen van ruimtevaartsystemen en -technologieën te bevorderen, door in het bijzonder de kwetsbaarheid van de toeleveringsketens te verhelpen;

c)

ondernemerschap op het gebied van ruimtevaart, met inbegrip van downstreamontwikkeling, te ondersteunen;

d)

de autonomie van de Unie te bevorderen door een veilige en beveiligde toegang tot de ruimte, zowel civiel als militair.

15.

zeeën en oceanen, door projecten en ondernemingen op het gebied van de blauwe economie en de duurzame financieringsbeginselen voor de blauwe economie te ontwikkelen, met name via maritiem ondernemerschap en maritieme industrie, hernieuwbare mariene energie en circulaire economie.


(1)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

(2)  Betaalbare sociale huisvesting is huisvesting ten behoeve van kansarme personen of sociaal kansarme groepen, die als gevolg van solvabiliteitsbeperkingen te maken hebben met ernstige woningnood of niet in staat zijn huisvesting te verkrijgen aan marktvoorwaarden.


BIJLAGE III

ESSENTIËLE PRESTATIE- EN MONITORINGINDICATOREN

1.   

Volume van de door het InvestEU-fonds ondersteunde financiering (uitgesplitst naar beleidsterrein)

1.1

Volume van de ondertekende verrichtingen

1.2

Gemobiliseerde investeringen

1.3

Gemobiliseerd bedrag aan particuliere financiering

1.4

Bereikte hefboom- en multiplicatoreffecten

2.   

Geografische dekking van de door het InvestEU-fonds ondersteunde financiering (uitgesplitst naar beleidsterrein, land en regio op het niveau 2 van de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS))

2.1

Aantal landen (lidstaten en derde landen) met verrichtingen

2.2

Aantal regio’s met verrichtingen

2.3

Volume van de verrichtingen per land (lidstaat en derde land) en per regio

3.   

Effect van de door het InvestEU-fonds ondersteunde financiering

3.1

Aantal gecreëerde of ondersteunde banen

3.2

Investeringen ter ondersteuning van klimaatdoelstellingen, in voorkomend geval uitgesplitst naar beleidsterrein

3.3

Investeringen ter ondersteuning van digitalisering

3.4

Investeringen ter ondersteuning van industriële transitie

3.5

Investeringen ter ondersteuning van rechtvaardige transitie

3.6

Strategische investeringen

Aantal en volume van verrichtingen die bijdragen tot de verstrekking van kritieke infrastructuur

Aantal en volume van verrichtingen die bijdragen tot investeringen in cyberbeveiliging en de defensie- en ruimtevaartsector

4.   

Duurzame infrastructuur

4.1

Energie: Extra geïnstalleerde capaciteit voor de opwekking van hernieuwbare en andere veilige en duurzame emissieloze en emissiearme energie, uitgedrukt in megawatt (MW)

4.2

Energie: Aantal huishoudens, aantal openbare en commerciële gebouwen en terreinen met een verbeterde energieverbruiksclassificatie

4.3

Energie: Geraamde energiebesparing als gevolg van de projecten, uitgedrukt in kilowattuur (kWh)

4.4

Energie: Broeikasgasemissies die elk jaar worden beperkt/vermeden, uitgedrukt in ton CO2-equivalent

4.5

Energie: Volume van investeringen in het ontwikkelen, slimmer maken en moderniseren van duurzame energie-infrastructuur

4.6

Digitalisering: Extra huishoudens, ondernemingen of openbare gebouwen met een breedbandtoegang van ten minste 100 megabit per seconde die kan worden opgewaardeerd tot gigabitsnelheid, of aantal gecreëerde wifihotspots

4.7

Vervoer: Gemobiliseerde investeringen, met name in TEN-T-projecten

Aantal projecten voor grensoverschrijdende verbindingen en missing links (waaronder projecten in verband met stedelijke knooppunten, regionale grensoverschrijdende spoorwegverbindingen, multimodale platformen, zeehavens, binnenhavens, verbindingen met luchthavens en terminals voor overslag tussen weg- en spoorvervoer op het TEN-T-kernnetwerk en het uitgebreide TEN-T-netwerk)

Aantal projecten dat bijdraagt tot de digitalisering van het vervoer, met name door de uitrol van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS), het Rivierinformatiesysteem (RIS), het intelligent vervoerssysteem (ITS), het monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart (VTMIS)/elektronische maritieme diensten en het ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SESAR)

Aantal gecreëerde of gemoderniseerde bevoorradingspunten voor alternatieve brandstoffen

Aantal projecten dat bijdraagt tot de veiligheid van het vervoer

4.8

Milieu: Investeringen die bijdragen aan de uitvoering van plannen en programma’s die op grond van het acquis van de Unie op milieugebied met betrekking tot luchtkwaliteit, water, afval en natuur vereist zijn

5.   

Onderzoek, innovatie en digitalisering

5.1

Bijdrage aan de doelstelling dat 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) van de Unie in onderzoek, ontwikkeling en innovatie wordt geïnvesteerd

5.2

Aantal ondersteunde ondernemingen per grootte die onderzoeks- en innovatieprojecten verrichten

6.   

Kmo’s

6.1

Aantal ondersteunde ondernemingen per grootte (micro-, kleine, middelgrote en kleine midcapondernemingen)

6.2

Aantal ondersteunde ondernemingen per fase (start, groei/uitbreiding)

6.3

Aantal ondersteunde ondernemingen per lidstaat en regio op NUTS 2-niveau

6.4

Aantal ondersteunde ondernemingen naar sector per code van de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE)

6.5

Percentage van het investeringsvolume op het beleidsterrein kmo’s dat naar kmo’s is gegaan

7.   

Sociale investeringen en vaardigheden

7.1

Sociale infrastructuur: Capaciteit van en toegang tot de ondersteunde sociale infrastructuur per sector: huisvesting, onderwijs, gezondheid, andere

7.2

Microfinanciering en financiering voor sociale ondernemingen: Aantal ondersteunde ontvangers van microfinanciering en ondernemingen uit de sociale economie

7.3

Vaardigheden: Aantal personen dat nieuwe vaardigheden verwerft of vaardigheden laat valideren en certificeren: formele onderwijs- en opleidingskwalificatie

8.   

InvestEU-advieshub

8.1

Aantal verbintenissen tot verlening van adviessteun van de InvestEU-advieshub per sector en lidstaat


BIJLAGE IV

HET INVESTEU-PROGRAMMA – VOORGANGERINSTRUMENTEN

A.   

Eigenvermogensinstrumenten:

Europese Technologiefaciliteit (ETF98): Besluit 98/347/EG van de Raad van 19 mei 1998 betreffende maatregelen voor financiële bijstand aan innoverende en werkgelegenheid scheppende kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) - Het groei- en werkgelegenheidsinitiatief (PB L 155 van 29.5.1998, blz. 43).

Proefproject technologieoverdracht: Besluit van de Commissie tot vaststelling van een aanvullend financieringsbesluit betreffende de financiering van acties van de activiteit “Interne goederenmarkt en sectoraal beleid” van het directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie voor 2007 en tot vaststelling van het kaderbesluit betreffende de financiering van de voorbereidende actie “De Europese Unie speelt zijn rol in een geglobaliseerde wereld” en van vier proefprojecten “Erasmus voor jonge ondernemers”, “Maatregelen ter bevordering van samenwerking en partnerschappen tussen micro-, kleine en middelgrote ondernemingen”, “Technologieoverdracht” en “Europese topbestemmingen” van het directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie voor 2007.

Europese Technologiefaciliteit (ETF01): Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) (2001-2005) (PB L 333 van 29.12.2000, blz. 84).

Faciliteit voor snelgroeiende, innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen in het kader van het programma voor concurrentievermogen en innovatie (GIF - CIP): Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) (PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15).

Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility - CEF): Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).

Eigenvermogensfaciliteit voor groei van Cosme (Cosme-EFG): Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1639/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 33).

InnovFin Equity:

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104);

Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van “Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81);

Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van “Horizon 2020” - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965).

Programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) - Investeringen in capaciteitsopbouw: Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (“EaSI”) en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238).

B.   

Garantie-instrumenten:

Garantiefaciliteit voor kmo’s ’98 (SMEG98): Besluit 98/347/EG van de Raad van 19 mei 1998 betreffende maatregelen voor financiële bijstand aan innoverende en werkgelegenheid scheppende kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) – Het groei- en werkgelegenheidsinitiatief (PB L 155 van 29.5.1998, blz. 43).

Garantiefaciliteit voor kmo’s ’01 (SMEG01): Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) (2001-2005) (PB L 333 van 29.12.2000, blz. 84).

Garantiefaciliteit voor het mkb in het kader van het programma voor concurrentievermogen en innovatie ’07 (CIP SMEG07): Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) (PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15).

Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit – Garantie (EPMF-G): Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 87 van 7.4.2010, blz. 1).

Instrument voor risicodeling van de financieringsfaciliteit met risicodeling (RSI):

Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) Verklaringen van de Commissie (PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1);

Beschikking 2006/971/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma Samenwerking tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (PB L 400 van 30.12.2006, blz. 86);

Beschikking 2006/974/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifieke programma: Capaciteiten tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (PB L 400 van 30.12.2006, blz. 299).

EaSI-garantie-instrument: Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (“EaSI”) en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238).

Leninggarantiefaciliteit van Cosme (Cosme-LGF): Verordening (EU) nr. 1287/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1639/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 33).

InnovFin Debt:

Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van “Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81);

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104);

Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van “Horizon 2020” - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965).

Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector (CCS GF): Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221).

Garantiefaciliteit voor studentenleningen (SLGF): Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van “Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

Particuliere financiering van energie-efficiëntie (PF4EE): Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).

C.   

Instrumenten voor risicodeling:

Financieringsfaciliteit met risicodeling (RSFF): Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) Verklaringen van de Commissie (PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1).

InnovFin:

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104);

Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van “Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)” en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 81).

Schuldinstrument van de Connecting Europe Facility (CEF DI): Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

Faciliteit voor de financiering van natuurlijk kapitaal (NCFF): Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).

D.   

Specifieke investeringsinstrumenten:

Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit – Fonds commun de placement – Fonds d’investissement spécialisé (EPMF FCP-FIS): Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 87 van 7.4.2010, blz. 1).

Marguerite:

Verordening (EG) nr. 680/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie (PB L 162 van 22.6.2007, blz. 1);

Besluit C(2010)0941 van de Commissie van 25 februari 2010 over de deelname van de Europese Unie aan het Europees Fonds 2020 voor energie, klimaatverandering en infrastructuur (het Margueritefonds).

Europees Fonds voor energie-efficiëntie (EEEF): Verordening (EU) nr. 1233/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 663/2009 tot vaststelling van een programma om het economische herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (PB L 346 van 30.12.2010, blz. 5).


BIJLAGE V

TEKORTKOMINGEN VAN DE MARKT, SUBOPTIMALE INVESTERINGSSITUATIES, ADDITIONALITEIT EN UITGESLOTEN ACTIVITEITEN

A.   

Tekortkomingen van de markt, suboptimale investeringssituaties en additionaliteit

Overeenkomstig artikel 209 van het Financieel Reglement pakt de EU-garantie tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties aan (artikel 209, lid 2, punt a), van het Financieel Reglement) en bewerkstelligt zij additionaliteit door te voorkomen dat potentiële steun en investeringen uit andere overheids- of particuliere bronnen worden vervangen (artikel 209, lid 2, punt b) van het Financieel Reglement).

Om in overeenstemming te zijn met artikel 209, lid 2, punten a) en b), van het Financieel Reglement, voldoen de financierings- en investeringsverrichtingen die worden ondersteund door de EU-garantie aan de hieronder in de punten 1 en 2 vastgestelde vereisten:

1.

Tekortkomingen van de markt en suboptimale investeringssituaties

Teneinde tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, zoals bedoeld in artikel 209, lid 2, punt a), van het Financieel Reglement, omvatten de door de financierings- en investeringsverrichtingen beoogde investeringen een van volgende aspecten:

a)

publieke goederen die de exploitant of onderneming onvoldoende financiële voordelen opleveren (zoals onderwijs en vaardigheden, gezondheidszorg en toegankelijkheid, beveiliging en defensie, en infrastructuur die beschikbaar is zonder kosten of tegen verwaarloosbare kosten);

b)

externe factoren die de exploitant of onderneming in het algemeen niet kan internaliseren, zoals investeringen in onderzoek en ontwikkeling, energie-efficiëntie, bescherming van het klimaat of het milieu;

c)

informatieasymmetrie, met name in het geval van kmo’s en kleine midcapondernemingen, met inbegrip van hogere risiconiveaus voor startende bedrijven, bedrijven met voornamelijk immateriële activa of onvoldoende onderpand, of bedrijven die zich richten op activiteiten met een hoger risicogehalte;

d)

grensoverschrijdende infrastructuurprojecten en bijbehorende diensten of fondsen die op grensoverschrijdende basis investeren om de versnippering op de interne markt tegen te gaan en er een betere coördinatie tot stand te brengen;

e)

blootstelling in bepaalde sectoren, landen of regio’s aan risiconiveaus die hoger zijn dan particuliere financiële actoren kunnen of willen aanvaarden, ook als de investering niet of niet in dezelfde mate zou hebben plaatsgevonden vanwege de nieuwheid van een innovatie of onbeproefde technologie of de risico’s die eraan verbonden zijn;

f)

nieuwe of complexe tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties overeenkomstig artikel 9, lid 1, punt a), iii), van deze verordening.

2.

Additionaliteit

Financierings- en investeringsverrichtingen voldoen aan beide aspecten van additionaliteit als bedoeld in artikel 209, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement. Dit betekent dat de verrichtingen zonder steun uit het InvestEU-fonds niet of niet in dezelfde mate zouden zijn uitgevoerd door andere overheids- of particuliere bronnen. Voor de toepassing van deze verordening houdt dit in dat financierings- en investeringsverrichtingen moeten voldoen aan de volgende twee criteria:

1)

om te worden beschouwd als additioneel op de in artikel 209, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement bedoelde particuliere bronnen verstrekt het InvestEU-fonds steun voor financierings- en investeringsverrichtingen van de uitvoerende partners door gericht te zijn op investeringen die vanwege hun specifieke eigenschappen (publieke goederen, externe factoren, informatieasymmetrie, overwegingen in verband met sociaaleconomische cohesie, en andere) onvoldoende financieel rendement op marktniveau opleveren of als te riskant worden gezien (ten opzichte van de risiconiveaus die de desbetreffende particuliere entiteiten bereid zijn te aanvaarden). Gezien deze kenmerken is toegang tot marktfinanciering onder redelijke voorwaarden wat betreft prijsstelling, zekerheidsvereisten, soort financiering, looptijd van verstrekte financiering en andere voorwaarden, onmogelijk voor dergelijke financierings- en investeringsverrichtingen, en zouden deze helemaal niet of niet in dezelfde mate in de Unie plaatsvinden zonder overheidssteun;

2)

om te worden beschouwd als additioneel op de in artikel 209, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement bedoelde overheidsbronnen verstrekt het InvestEU-fonds alleen steun aan financierings- en investeringsverrichtingen waarvoor de volgende voorwaarden gelden:

a)

de financierings- en investeringsverrichtingen zouden zonder de steun uit het InvestEU-fonds niet of niet in dezelfde mate zijn uitgevoerd door de uitvoerende partner, en

b)

de financierings- en investeringsverrichtingen zouden in de Unie niet of niet in dezelfde mate zijn uitgevoerd in het kader van andere bestaande openbare instrumenten, zoals financieringsinstrumenten voor gedeeld beheer die op regionaal of nationaal niveau werken, hoewel het complementaire gebruik van het InvestEU-fonds en andere overheidsbronnen mogelijk moet zijn, met name wanneer toegevoegde waarde van de Unie kan worden bereikt en wanneer het gebruik van overheidsbronnen om beleidsdoelstellingen op een efficiënte manier te bereiken, kan worden geoptimaliseerd.

Om aan te tonen dat de financierings- en investeringsverrichtingen die door de EU-garantie worden ondersteund additioneel zijn ten opzichte van de bestaande markt- en andere overheidssteun, verstrekken de uitvoerende partners gegevens waarmee de aanwezigheid van ten minste een van de volgende kenmerken wordt aangetoond:

a)

steun via een positie die achtergesteld is ten opzichte van andere openbare of particuliere kredietverleners of binnen de financieringsstructuur;

b)

steun in eigen vermogen of quasi-eigen vermogen of via schuldvorderingen met een lange looptijd, prijsstelling, zekerheidsvereisten of andere voorwaarden die onvoldoende beschikbaar zijn op de markt of via andere overheidsbronnen;

c)

steun voor verrichtingen die een hoger risicoprofiel dragen dan het risico dat de uitvoerende partner gewoonlijk aanvaardt bij zijn gebruikelijke activiteiten, of steun aan uitvoerende partners als aanvulling op de eigen capaciteit van die partners om dergelijke verrichtingen te ondersteunen;

d)

participatie in mechanismen voor risicodeling die gericht zijn op beleidsterreinen die de uitvoerende partner blootstellen aan risiconiveaus die hoger liggen dan de niveaus die deze uitvoerende partner gewoonlijk aanvaardt of hoger dan particuliere financiële actoren kunnen aanvaarden of bereid zijn te aanvaarden;

e)

steun die extra openbare of particuliere financiering katalyseert of aantrekt en die een aanvulling vormt op andere particuliere en commerciële bronnen, met name van traditioneel risicomijdende categorieën beleggers of institutionele beleggers, als gevolg van het signaaleffect van de steun van het InvestEU-fonds wordt verstrekt;

f)

steun via financiële producten die in de beoogde landen of regio’s niet beschikbaar zijn of niet in voldoende mate worden aangeboden als gevolg van ontbrekende, onderontwikkelde of onvolledige markten.

Voor financierings- en investeringsverrichtingen via een intermediair, met name in het geval van steun voor kmo’s, wordt de additionaliteit gecontroleerd op het niveau van de intermediair in plaats van het niveau van de eindontvanger. Er wordt geacht sprake te zijn van additionaliteit wanneer via het InvestEU-fonds steun wordt verstrekt aan een financieel intermediair bij de totstandbrenging van een nieuwe portefeuille met een hoger risiconiveau of voor het vergroten van het volume aan activiteiten die reeds een groot risico met zich meebrengen in vergelijking met de risiconiveaus die particuliere en openbare financiële actoren momenteel kunnen aanvaarden of bereid zijn te aanvaarden in de beoogde landen of regio’s.

De EU-garantie wordt niet verleend ter ondersteuning van herfinancieringstransverrichtingen (zoals het vervangen van bestaande leningsovereenkomsten of andere vormen van financiële steun voor projecten die al gedeeltelijk of volledig hebben plaatsgevonden), behalve in specifieke uitzonderlijke en goed gemotiveerde omstandigheden waarin bewezen is dat de verrichting met ondersteuning van de EU-garantie een nieuwe investering zal genereren op een voor financierings- en investeringsverrichtingen in aanmerking komend beleidsterrein op grond van bijlage II ter waarde van een bedrag dat een aanvulling vormt op het gebruikelijke activiteitenvolume van de uitvoerende partner of financiële intermediair en ten minste gelijkwaardig is aan het bedrag van de verrichting die voldoet aan de in deze verordening vastgestelde subsidiabiliteitscriteria. Dergelijke herfinancieringsverrichtingen voldoen aan de vereisten als bepaald in afdeling A van deze bijlage met betrekking tot tekortkomingen van de markt, suboptimale investeringssituaties en additionaliteit.

B.   

Uitgesloten activiteiten

Het InvestEU-fonds verleent geen steun aan:

1)

activiteiten die een inperking van de individuele rechten en vrijheden of een schending van de mensenrechten vormen;

2)

activiteiten op het gebied van defensie die betrekking hebben op het gebruik, de ontwikkeling of de vervaardiging van producten en technologieën die uit hoofde van het toepasselijk internationaal recht verboden zijn;

3)

producten en activiteiten in verband met tabak (productie, distributie, verwerking en handel);

4)

activiteiten die van financiering zijn uitgesloten op grond van de relevante bepalingen van de verordening Horizon Europa: onderzoek naar het klonen van mensen voor voortplantingsdoeleinden; activiteiten bedoeld om het genetisch erfgoed van mensen te wijzigen waardoor dergelijke wijzigingen erfelijk zouden kunnen worden, en activiteiten voor de productie van menselijke embryo’s uitsluitend ten behoeve van onderzoek of het verkrijgen van stamcellen, onder meer via overdracht van de celkern van somatische cellen;

5)

activiteiten in verband met gokken (productie, constructie, distributie, verwerking, handel of software);

6)

mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en de daarmee verband houdende infrastructuur, diensten en media;

7)

activiteiten waarbij levende dieren worden gebruikt voor experimentele en wetenschappelijke doeleinden, voor zover naleving van de Europese Overeenkomst voor de bescherming van gewervelde dieren die worden gebruikt voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden (1) niet kan worden gewaarborgd;

8)

activiteiten in verband met vastgoedontwikkeling, zoals activiteiten die uitsluitend tot doel hebben bestaande gebouwen te renoveren en deze opnieuw te verhuren of te verkopen, en nieuwbouwprojecten; activiteiten in de vastgoedsector die verband houden met de specifieke doelstellingen van het InvestEU-programma als gespecificeerd in artikel 3, lid 2, en verband houden met de voor financierings- en investeringsverrichtingen in aanmerking komende beleidsterreinen op grond van bijlage II bij deze verordening, zoals investeringen in projecten op het gebied van energie-efficiëntie of sociale huisvesting, komen echter wel in aanmerking;

9)

financiële activiteiten zoals het aankopen of verhandelen van financieringsinstrumenten. Met name interventies gericht op een buy-out met het oog op de verkoop van waardevolle activa, of vervangingskapitaal met het oog op de verkoop van waardevolle activa, zijn uitgesloten;

10)

activiteiten die uit hoofde van het toepasselijk nationaal recht verboden zijn;

11)

de ontmanteling, exploitatie, aanpassing of bouw van kerncentrales;

12)

investeringen in verband met de ontginning of winning, verwerking, distributie, opslag of verbranding van vaste fossiele brandstoffen en olie en investeringen in verband met gaswinning. Deze uitsluiting geldt niet voor de volgende activiteiten:

a)

projecten waarvoor geen levensvatbare alternatieve technologie beschikbaar is;

b)

projecten in verband met preventie en beheersing van verontreiniging;

c)

projecten die zijn uitgerust met installaties voor koolstofafvang en -opslag of voor koolstofafvang en -gebruik; industriële of onderzoeksprojecten die tot een wezenlijke reductie van broeikasgasemissies leiden in vergelijking met de toepasselijke benchmark(s) van het EU-emissiehandelssysteem;

13)

investeringen in voorzieningen voor de verwijdering van afval op stortplaatsen. Deze uitsluiting geldt niet voor investeringen in:

a)

stortplaatsen die een bijkomend onderdeel zijn van een industrieel of ontginningsgerelateerd investeringsproject, indien is aangetoond dat een stortplaats de enige levensvatbare optie is voor de behandeling van het industrieel of ontginningsafval dat door de activiteit in kwestie wordt geproduceerd;

b)

bestaande stortplaatsen met het oog op de benutting van stortgas en ter bevordering van het recupereren van stortplaatsmaterialen en de herverwerking van ontginningsafval;

14)

investeringen in installaties voor mechanisch-biologische behandeling (MBT). Deze uitsluiting geldt niet voor investeringen voor het aanpassen van bestaande MBT-installaties met het oog op energieterugwinning of activiteiten voor het recycleren van gescheiden afval, zoals compostering of anaerobe vergisting;

15)

investeringen in verbrandingsovens voor de behandeling van afval. Deze uitsluiting geldt niet voor investeringen in:

a)

installaties die uitsluitend bedoeld zijn voor de behandeling van niet-recycleerbaar gevaarlijk afval;

b)

bestaande installaties indien de investering een grotere energie-efficiëntie, het afvangen van uitlaatgassen met het oog op opslag, of het gebruik of hergebruik van materialen uit verbrandingsresten beoogd, op voorwaarde dat dergelijke investeringen de afvalverwerkingscapaciteit van de installatie niet vergroten.

De uitvoerende partners blijven verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat de financierings- en investeringsverrichtingen, bij ondertekening van de desbetreffende overeenkomst, de in deze bijlage vastgestelde uitsluitingscriteria naleven, om tijdens de uitvoering van het project toe te zien op dergelijke naleving en om in voorkomend geval passende corrigerende maatregelen te nemen.


(1)  PB L 222 van 24.8.1999, blz. 31.