ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 31

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

64e jaargang
29 januari 2021


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2021/90 van de Raad van 28 januari 2021 tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

1

 

*

Verordening (EU) 2021/91 van de Raad van 28 januari 2021 tot vaststelling, voor de jaren 2021 en 2022, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen

20

 

*

Verordening (EU) 2021/92 van de Raad van 28 januari 2021 tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn

31

 

*

Verordening (EU) 2021/93 van de Commissie van 25 januari 2021 tot vaststelling van een sluiting van de visserij op haring in de wateren van de Unie, wateren van de Faeröer, Noorse wateren en internationale wateren van 1 en 2 voor vaartuigen die de vlag van Polen voeren

193

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/94 van de Commissie van 27 januari 2021 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

196

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/95 van de Commissie van 28 januari 2021 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/592 inzake tijdelijke buitengewone maatregelen waarbij wordt afgeweken van enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad om de marktverstoring in de sector groenten en fruit en de wijnsector als gevolg van de COVID-19-pandemie en de daarmee samenhangende maatregelen te verhelpen

198

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/96 van de Commissie van 28 januari 2021 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van 3′-sialyllactosenatriumzout als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie ( 1 )

201

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/97 van de Commissie van 28 januari 2021 tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) 2015/640 voor wat de invoering van nieuwe aanvullende luchtwaardigheidsvoorschriften betreft

208

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/98 van de Commissie van 28 januari 2021 tot niet-goedkeuring van esbiothrin als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden van de productsoort 18 ( 1 )

214

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

29.1.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 31/1


VERORDENING (EU) 2021/90 VAN DE RAAD

van 28 januari 2021

tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 43, lid 3, van het Verdrag is bepaald dat de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen dient vast te stellen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

(2)

Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, met inbegrip van, waar relevant, verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

(3)

De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen, inclusief, waar passend, bepaalde voorwaarden die daar functioneel verband mee houden. Overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen de vangstmogelijkheden te worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 2, lid 2, van die verordening vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). In artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat de vangstmogelijkheden aan de lidstaten moeten worden toegewezen op een manier die de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van iedere lidstaat voor elk visbestand of elke visserij waarborgt.

(4)

In artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat de vangstmogelijkheden voor bestanden die onder specifieke meerjarenplannen vallen, vastgesteld dienen te worden in overeenstemming met de in die plannen vervatte voorschriften.

(5)

Het meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad (2) en is in werking getreden op 16 juli 2019. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening moeten de vangstmogelijkheden voor de in artikel 1 van die verordening genoemde bestanden worden vastgesteld om een visserijsterfte te bereiken waarmee de maximale duurzame opbrengst (MDO) geleidelijk toenemend uiterlijk in 2020 indien mogelijk, en in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2025, kan worden gehaald. De vangstmogelijkheden moeten worden uitgedrukt als maximaal toegestane visserijinspanning en moeten worden bepaald overeenkomstig de in artikel 7 van die verordening vastgestelde visserijinspanningsregeling.

(6)

Om de MDO-doelstellingen voor de visbestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee te halen, heeft het WTECV geconcludeerd dat snel moet worden opgetreden en dat de visserijsterfte moet worden teruggedrongen. Voor 2021 moet de maximaal toegestane visserijinspanning bijgevolg met 7,5 % worden verlaagd ten opzichte van het referentieniveau, die in mindering moet worden gebracht op de maximaal toegestane visserijinspanning die voor 2020 is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad (3).

(7)

Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (General Fisheries Commission for the Mediterranean, “GFCM”) Aanbeveling GFCM/42/2018/1 betreffende een meerjarenplan tot vaststelling van beheersmaatregelen voor Europese aal (Anguilla anguilla) in de Middellandse Zee (geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM) aangenomen. Die maatregelen omvatten vangst- of inspanningsbeperkingen en een jaarlijkse sluitingsperiode van drie opeenvolgende maanden die door iedere lidstaat moet worden bepaald in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen van Verordening (EG) nr. 1100/2007 van de Raad (4), het nationale beheersplan of de nationale beheersplannen voor aal en de temporele migratiepatronen van aal in de lidstaat. Indien vóór de inwerkingtreding van die aanbeveling nationale beheersplannen zijn opgesteld die hebben geleid tot een vermindering van de visserijinspanning of vangstbeperkingen van ten minste 30 %, mogen de reeds vastgestelde en uitgevoerde vangst- of visserijinspanningsbeperkingen niet worden overschreden. De sluiting moet gelden voor alle mariene wateren van de Middellandse Zee en voor brakke wateren zoals estuaria, kustlagunes en overgangswateren, overeenkomstig die aanbeveling. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(8)

Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de GFCM eveneens Aanbeveling GFCM/42/2018/8 inzake verdere noodmaatregelen voor 2019-2021 voor kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee (geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM) aangenomen. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet. De maximale vangstbeperkingen gelden slechts voor één jaar en laten eventuele toekomstige andere maatregelen en eventuele toewijzingsregelingen tussen lidstaten onverlet.

(9)

Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/42/2018/3 inzake een meerjarig beheersplan voor duurzame trawlvisserij op rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in de Levantijnse zee (geografische deelgebieden 24 tot en met 27 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(10)

Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/42/2018/4 inzake een meerjarig beheersplan voor duurzame trawlvisserij op rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in de Ionische Zee (geografische deelgebieden 19, 20 en 21 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(11)

Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/6 inzake beheersmaatregelen voor duurzame trawlvisserij op rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in het Kanaal van Sicilië (geografische deelgebieden 12 tot en met 16 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(12)

Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/5 inzake een meerjarig beheersplan voor duurzame demersale visserij in de Adriatische Zee (geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM) aangenomen, waarbij een visserijinspanningsregeling en een vlootcapaciteitsmaximum voor bepaalde demersale bestanden is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(13)

Rekening houdend met de specifieke kenmerken van de Sloveense vloot en de marginale impact ervan op de bestanden van kleine pelagische en demersale soorten, is het wenselijk de bestaande visserijpatronen aan te houden en de Sloveense vloot toegang te verlenen tot een minimumhoeveelheid kleine pelagische soorten en minimale inspanningsbeperkingen voor demersale bestanden vast te stellen voor die vloot.

(14)

Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/4 inzake een beheersplan voor de duurzame exploitatie van rood koraal (Corallium rubrum) in de Middellandse Zee (geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal vismachtigingen en oogstbeperkingen voor rood koraal zijn ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(15)

Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/2 inzake een beheersplan voor de duurzame exploitatie van zeebrasem (Pagellus bogaraveo) in de Zee van Alborán (geografische deelgebieden 1 tot en met 3 van de GFCM) aangenomen, waarbij een vangst- en een inspanningsbeperking zijn ingevoerd op basis van het gemiddelde niveau dat in de periode 2010-2015 was toegestaan en werd gerealiseerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(16)

Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/1 inzake een reeks beheersmaatregelen voor het gebruik van verankerde visaantrekkende voorzieningen in de visserij op goudmakreel (Coryphaena hippurus) in de Middellandse Zee (geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen die vissen op goudmakreel is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(17)

Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/3 tot wijziging van Aanbeveling GFCM/41/2017/4 inzake een meerjarig beheersplan voor de tarbotvisserij in de Zwarte Zee (geografisch deelgebied 29 van de GFCM) aangenomen. Bij die aanbeveling zijn een geactualiseerde regionale totale toegestane vangst (Total Allowable Catch, TAC) en een regeling voor de toewijzing van quota voor tarbot ingevoerd, evenals verdere instandhoudingsmaatregelen voor dat bestand, met name een sluitingsperiode van twee maanden en een beperking tot 180 visdagen per jaar. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(18)

Overeenkomstig het door de GFCM verstrekte wetenschappelijk advies is het noodzakelijk het huidige niveau van visserijsterfte te handhaven om de duurzaamheid van het sprotbestand in de Zwarte Zee te waarborgen. Het is derhalve wenselijk om voor dat bestand opnieuw een autonoom quotum te bepalen.

(19)

De vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van de biologische en sociaal-economische aspecten, waarbij een gelijke behandeling van de verschillende visserijsectoren moet worden gegarandeerd, en in het licht van de standpunten die tijdens de raadpleging van de belanghebbenden naar voren zijn gebracht.

(20)

Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (5) zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's ingevoerd, waaronder de flexibiliteitsbepalingen van de artikelen 3 en 4 van die verordening voor voorzorgs- en analytische TAC's. Uit hoofde van artikel 2 van die verordening dient de Raad bij de vaststelling van de TAC's te bepalen voor welke bestanden artikel 3 of 4 niet van toepassing is gelet op met name de biologische situatie van de bestanden. Meer recent is de jaarflexibiliteit bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingevoerd voor alle bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting geldt. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven, een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB en tot een verslechtering van de biologische toestand van de bestanden zou leiden, moet derhalve worden bepaald dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen van toepassing zijn op analytische TAC's wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(21)

De bij deze verordening voor Unievissersvaartuigen vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (6), en met name de artikelen 33 en 34 van die verordening betreffende de registratie van de vangsten en de visserijinspanning, respectievelijk de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden. Derhalve dient te worden gepreciseerd welke codes de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens over aanlandingen van onder deze verordening vallende bestanden indienen bij de Commissie.

(22)

Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen en om het inkomen van de vissers van de Unie veilig te stellen, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021. Gezien de urgentie dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden.

(23)

De vangstmogelijkheden moeten in volledige overeenstemming met het Unierecht worden gebruikt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden voor 2021 de vangstmogelijkheden vastgesteld voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op Unievissersvaartuigen die de volgende visbestanden exploiteren:

a)

Europese aal (Anguilla anguilla), rood koraal (Corallium rubrum) en goudmakreel (Coryphaena hippurus) in de Middellandse Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder b);

b)

blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea), heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus) en zeebarbeel (Mullus barbatus) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder c);

c)

ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus) in de Adriatische Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder d);

d)

heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus), tong (Solea solea), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) en zeebarbeel (Mullus barbatus) in de Adriatische Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder d);

e)

rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in het Kanaal van Sicilië, zoals omschreven in artikel 4, onder e), in de Ionische Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder f), en in de Levantijnse zee, zoals omschreven in artikel 4, onder g);

f)

zeebrasem (Pagellus bogaraveo) in de Zee van Alborán, zoals omschreven in artikel 4, onder h);

g)

sprot (Sprattus sprattus) en tarbot (Scophthalmus maximus) in de Zwarte Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder i).

2.   Deze verordening is tevens van toepassing op de recreatievisserij wanneer in de toepasselijke bepalingen uitdrukkelijk naar die visserij wordt verwezen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Daarnaast gelden de volgende definities:

a)

“internationale wateren”: wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van een staat vallen;

b)

“recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de levende aquatische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden;

c)

“totale toegestane vangst” (TAC):

i)

in visserijen die vallen onder de in artikel 15, leden 4 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting: de hoeveelheid vis die jaarlijks van elk bestand mag worden aangeland;

ii)

in de overige visserijen: de hoeveelheid vis die van elk bestand mag worden gevangen over een periode van een jaar;

d)

“quotum”: een aan de Unie of een lidstaat toegewezen aandeel van de TAC;

e)

“autonoom quotum van de Unie”: vangstbeperking die bij gebrek aan een overeengekomen TAC autonoom aan Unievissersvaartuigen wordt toegewezen;

f)

“analytisch quotum”: een autonoom quotum van de Unie waarvoor een analytische evaluatie beschikbaar is;

g)

“analytische evaluatie”: een kwantitatieve evaluatie van trends voor een bepaald bestand, op basis van gegevens over de biologie en de exploitatie van dat bestand die blijkens wetenschappelijke toetsing van toereikende kwaliteit zijn om de basis te vormen voor wetenschappelijke adviezen over opties voor toekomstige vangsten;

h)

“visaantrekkende voorziening”: op zee drijvende verankerde uitrusting waarmee wordt beoogd vis aan te trekken.

Artikel 4

Visserijzones

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende afbakening van visserijzones:

a)

voor de geografische deelgebieden van de GFCM: de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7) omschreven gebieden;

b)

voor de Middellandse Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

c)

voor het westelijke deel van de Middellandse Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

d)

voor de Adriatische Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

e)

voor het Kanaal van Sicilië: de wateren in de geografische deelgebieden 12, 13, 14, 15 en 16 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

f)

voor de Ionische Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 19, 20 en 21 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

g)

voor de Levantijnse zee: de wateren in de geografische deelgebieden 24, 25, 26 en 27 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

h)

voor de Zee van Alborán: de wateren in de geografische deelgebieden 1, 2 en 3 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

i)

voor de Zwarte Zee: de wateren in geografisch deelgebied 29 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011.

TITEL II

VANGSTMOGELIJKHEDEN

HOOFDSTUK I

Middellandse Zee

Artikel 5

Europese aal

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij Europese aal (Anguilla anguilla) wordt gevangen, met name gerichte, incidentele en recreatievisserij, in alle mariene wateren van de Middellandse Zee, met inbegrip van zoet water en brak overgangswater zoals lagunes en estuaria.

2.   Het is voor Unievissersvaartuigen verboden op Europese aal te vissen in wateren van de Unie en internationale wateren van de Middellandse Zee gedurende een periode van drie opeenvolgende maanden die door iedere lidstaat wordt bepaald. De sluitingsperiode van de visserij is in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen van Verordening (EG) nr. 1100/2007, met de nationale beheersplannen en met de temporele migratiepatronen van Europese aal in de betrokken lidstaten. De lidstaten brengen de Commissie uiterlijk één maand vóór het begin van de sluitingsperiode en in geen geval later dan 31 januari 2021 op de hoogte van de gekozen periode.

3.   De lidstaten mogen de maximumniveaus van de vangsten of de visserijinspanning voor Europese aal die zijn vastgesteld en uitgevoerd door middel van hun overeenkomstig de artikelen 2 en 4 van Verordening (EG) nr. 1100/2007 vastgestelde nationale beheersplannen, niet overschrijden.

Artikel 6

Rood koraal

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij rood koraal (Corallium rubrum) wordt geoogst, namelijk de gerichte en recreatievisserij in de Middellandse Zee.

2.   Voor gerichte visserij mogen het maximumaantal vismachtigingen en de maximale oogst uit bestanden van rood koraal door Unievissersvaartuigen en tijdens oogstactiviteiten van de Unie de in bijlage I vastgestelde niveaus niet overschrijden.

3.   Het is voor Unievissersvaartuigen die onder lid 2 vallen, verboden rood koraal op zee over te laden.

4.   Voor recreatievisserij nemen de lidstaten de nodige maatregelen om het oogsten, aan boord houden, overladen en aanlanden van rood koraal te verbieden.

Artikel 7

Goudmakreel

1.   Dit artikel is van toepassing op alle commerciële activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij visaantrekkende voorzieningen worden gebruikt voor de vangst van goudmakreel (Coryphaena hippurus) in de internationale wateren van de Middellandse Zee.

2.   Het maximumaantal Unievissersvaartuigen dat op goudmakreel mag vissen, is vastgesteld in bijlage II.

HOOFDSTUK II

Westelijk deel van de Middellandse Zee

Artikel 8

Demersale bestanden

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1022 genoemde demersale bestanden worden bevist in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

2.   De maximaal toegestane visserijinspanning is vastgesteld in bijlage III bij deze verordening. De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning in overeenstemming met artikel 9 van Verordening (EU) 2019/1022.

Artikel 9

Toezending van gegevens

De lidstaten registreren de visserijinspanningsgegevens en sturen die door aan de Commissie overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2019/1022.

Wanneer de lidstaten visserijinspanningsgegevens overeenkomstig dit artikel bij de Commissie indienen, gebruiken zij de in bijlage III vermelde codes van de visserijinspanningsgroepen.

HOOFDSTUK III

Adriatische Zee

Artikel 10

Kleine pelagische bestanden

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij sardine (Sardina pilchardus) en ansjovis (Engraulis encrasicolus) worden gevangen in de Adriatische Zee.

2.   Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage IV vastgestelde niveaus niet overschrijden.

3.   Het aantal visdagen voor Unievissersvaartuigen die vissen op sardine en ansjovis in de Adriatische Zee, bedraagt niet meer dan 180 per jaar. Tijdens dat totaal van 180 visdagen mag ten hoogste 144 visdagen op sardine en ten hoogste 144 visdagen op ansjovis worden gevist.

4.   Het maximumaantal Unievissersvaartuigen dat op kleine pelagische bestanden mag vissen, is vastgesteld in bijlage IV.

Artikel 11

Demersale bestanden

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus), tong (Solea solea), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) en zeebarbeel (Mullus barbatus) worden gevangen in de Adriatische Zee.

2.   De maximaal toegestane visserijinspanning en het vlootcapaciteitsmaximum voor demersale bestanden die onder dit artikel vallen, zijn vastgesteld in bijlage IV.

3.   De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 12

Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis indienen bij de Commissie, gebruiken zij daarvoor de in bijlage IV vermelde bestandscodes.

HOOFDSTUK IV

Ionische Zee, Levantijnse zee en Kanaal van Sicilië

Artikel 13

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) worden gevangen in de Ionische Zee, de Levantijnse zee en het Kanaal van Sicilië.

2.   Het maximumaantal bodemtrawlers dat op demersale bestanden mag vissen, is vastgesteld in bijlage V.

HOOFDSTUK V

Zee van Alborán

Artikel 14

1.   Dit artikel is van toepassing op commerciële visserij met beuglijnen en handlijnen van Unievissersvaartuigen waarbij zeebrasem (Pagellus bogaraveo) wordt gevangen in de Zee van Alborán.

2.   Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage VI vastgestelde niveaus niet overschrijden.

HOOFDSTUK VI

Zwarte Zee

Artikel 15

Verdeling van de vangstmogelijkheden voor sprot

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij sprot (Sprattus sprattus) wordt gevangen in de Zwarte Zee.

2.   Het autonoom quotum van de Unie voor sprot, de verdeling van dat quotum over de lidstaten en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden, zijn opgenomen in bijlage VII.

Artikel 16

Verdeling van de vangstmogelijkheden voor tarbot

1.   Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van Unievissersvaartuigen en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij tarbot (Scophthalmus maximus) wordt gevangen in de Zwarte Zee.

2.   De TAC voor tarbot die in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee van toepassing is, en de verdeling van die TAC over de lidstaten en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden, zijn opgenomen in bijlage VII.

Artikel 17

Beheer van de visserijinspanning voor tarbot

Het aantal visdagen voor Unievissersvaartuigen die binnen de werkingssfeer van artikel 16 op tarbot mogen vissen, bedraagt, ongeacht de lengte over alles van de vaartuigen, niet meer dan 180 per jaar.

Artikel 18

Sluitingsperiode voor tarbot

Het is voor Unievissersvaartuigen verboden om in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee van 15 april tot en met 15 juni visserijactiviteiten te verrichten, met inbegrip van het overladen, aan boord houden, aanlanden en voor eerste verkoop aanbieden van tarbot.

Artikel 19

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden in de Zwarte Zee

1.   De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van deze verordening over de lidstaten verdeeld onverminderd:

a)

uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009, en

c)

verlagingen op grond van de artikelen 105 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.   De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit als vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 20

Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee gevangen sprot en tarbot indienen bij de Commissie, gebruiken zij daarvoor de in bijlage VII vermelde bestandscodes.

TITEL III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 januari 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

A.P. ZACARIAS


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(2)  Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 14).

(4)  Verordening (EG) nr. 1100/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het bestand van Europese aal (PB L 248 van 22.9.2007, blz. 17).

(5)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).

(6)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008 en (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44).


BIJLAGE I

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN HET KADER VAN HET MEERJARIG GFCM-BEHEERSPLAN VOOR ROOD KORAAL IN DE MIDDELLANDSE ZEE

De tabellen in deze bijlage bevatten het maximumaantal vismachtigingen en de maximale oogst van rood koraal in de Middellandse Zee.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (GDG's).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Corallium rubrum

COL

Rood koraal


Tabel 1

Maximumaantal vismachtigingen (1)

Lidstaat

Rood koraal

COL

Griekenland

12

Spanje

0 (*1)

Frankrijk

32

Kroatië

28

Italië

40


Tabel 2

Maximumniveau van de geoogste hoeveelheden (in ton levend gewicht)

Soort:

Rood koraal

Corallium rubrum

Gebied:

wateren van de Unie in de Middellandse Zee - GDG's 1-27

COL/GF1-27

Griekenland

 

1,844

 

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Spanje

 

0

 (*2)

Frankrijk

 

1,400

 

Kroatië

 

1,226

 

Italië

 

1,378

 

Unie

 

5,848

 

TAC

Niet relevant/niet overeengekomen

 


(1)  Het aantal vaartuigen en/of duikers, of paren van één duiker en één vaartuig, dat rood koraal mag oogsten.

(*1)  Overeenkomstig het temporele verbod op het oogsten van rood koraal in de Spaanse wateren.

(*2)  Overeenkomstig het temporele verbod op het oogsten van rood koraal in de Spaanse wateren.


BIJLAGE II

VISSERIJINSPANNING VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN HET KADER VAN HET BEHEER VAN GOUDMAKREEL IN DE MIDDELLANDSE ZEE

De tabel in deze bijlage bevat het maximumaantal Unievissersvaartuigen dat op goudmakreel mag vissen in de internationale wateren van de Middellandse Zee.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de internationale wateren van de Middellandse Zee.

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Coryphaena hippurus

DOL

Goudmakreel

Maximumaantal vismachtigingen voor vaartuigen actief in internationale wateren

Lidstaat

Goudmakreel

DOL

Italië

797

Malta

130


BIJLAGE III

VISSERIJINSPANNING VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN HET KADER VAN HET BEHEER VAN DEMERSALE BESTANDEN IN HET WESTELIJKE DEEL VAN DE MIDDELLANDSE ZEE

De tabellen in deze bijlage bevatten de maximaal toegestane visserijinspanning (in visdagen) per bestandsgroep, zoals omschreven in artikel 1 van Verordening (EU) 2019/1022, en lengte over alles van de vaartuigen voor alle soorten trawls (*1) voor de visserij op demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

Alle in deze bijlage vastgestelde maximaal toegestane visserijinspanningen vallen onder de voorschriften van Verordening (EU) 2019/1022 en de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (GDG's).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Aristaeomorpha foliacea

ARS

Rode diepzeegarnaal

Aristeus antennatus

ARA

Blauwrode diepzeegarnaal

Merluccius merluccius

HKE

Heek

Mullus barbatus

MUT

Zeebarbeel

Nephrops norvegicus

NEP

Langoustine

Parapenaeus longirostris

DPS

Roze diepzeegarnaal

Maximaal toegestane visserijinspanning in visdagen

a)

Zee van Alborán, Balearen, Noord-Spanje en Golfe du Lion (GDG's 1-2-5-6-7)

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Zeebarbeel in GDG's 1, 5, 6 en 7; heek in GDG's 1, 5, 6 en 7; roze diepzeegarnaal in GDG's 1, 5 en 6; langoustine in GDG's 5 en 6

< 12 m

2 072

0

0

EFF1/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

22 260

0

0

EFF1/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

41 766

4 715

0

EFF1/MED1_TR3

≥ 24 m

14 710

5 737

0

EFF1/MED1_TR4

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Blauwrode diepzeegarnaal in GDG's 1, 5, 6 en 7

< 12 m

0

0

0

EFF2/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

1 044

0

0

EFF2/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

10 574

0

0

EFF2/MED1_TR3

≥ 24 m

8 488

0

0

EFF2/MED1_TR4

b)

Corsica, Ligurische Zee, Tyrreense Zee en Sardinië (GDG's 8-9-10-11)

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Zeebarbeel in GDG's 9, 10 en 11; heek in GDG's 9, 10 en 11; roze diepzeegarnaal in GDG's 9, 10 en 11; langoustine in GDG's 9 en 10

< 12 m

0

191

2 824

EFF1/MED2_TR1

≥ 12 m en < 18 m

0

764

42 487

EFF1/MED2_TR2

≥ 18 m en < 24 m

0

191

28 572

EFF1/MED2_TR3

≥ 24 m

0

191

3 813

EFF1/MED2_TR4

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Rode diepzeegarnaal in GDG's 9, 10 en 11

< 12 m

0

0

467

EFF2/MED2_TR1

≥ 12 m en < 18 m

0

0

3 447

EFF2/MED2_TR2

≥ 18 m en < 24 m

0

0

2 776

EFF2/MED2_TR3

≥ 24 m

0

0

371

EFF2/MED2_TR4


(*1)  TBB, OTB, PTB, TBN, TBS, TB, OTM, PTM, TMS, TM, OTT, OT, PT, TX, OTP en TSP.


BIJLAGE IV

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN DE ADRIATISCHE ZEE

De tabellen in deze bijlage bevatten de vangstmogelijkheden per bestands- of inspanningsgroep en, in voorkomend geval, de voorwaarden die daar functioneel verband mee houden, evenals het maximumaantal Unievissersvaartuigen dat op kleine pelagische bestanden mag vissen.

Alle in deze bijlage vastgestelde vangstmogelijkheden vallen onder de voorschriften van de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (GDG's).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Engraulis encrasicolus

ANE

Ansjovis

Merluccius merluccius

HKE

Heek

Mullus barbatus

MUT

Zeebarbeel

Nephrops norvegicus

NEP

Langoustine

Parapenaeus longirostris

DPS

Roze diepzeegarnaal

Sardina pilchardus

PIL

Sardine

Solea solea

SOL

Tong

1.

Kleine pelagische bestanden — GDG's 17 en 18

Maximumniveau van de vangsten (in ton levend gewicht)

Soort:

Kleine pelagische soorten (ansjovis en sardine)

Engraulis encrasicolus en Sardina pilchardus

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van de GFCM — GDG's 17 en 18

(SP1/GF1718)

Unie

96 625

 (1)  (2)

Maximumniveau van de vangsten

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

TAC

Niet relevant

Vlootcapaciteitsmaximum voor trawlers en ringzegenvaartuigen die actief op kleine pelagische bestanden vissen

Lidstaat

Vistuig

Aantal vaartuigen

kW

BT

Kroatië

PS

249

77 145,52

18 537,72

Italië

PTM-OTM-PS

685

134 556,7

25 852

Slovenië  (*1)

PS

4

433,7

38,5

2.

Demersale bestanden — GDG's 17 en 18

Maximaal toegestane visserijinspanning (in visdagen) voor soorten trawls voor de visserij op demersale bestanden in de GDG's 17 en 18 (Adriatische Zee)

Vistuigtype

Bestanden

Lidstaat

Visserijinspanning (visdagen)

Jaar 2021

Code visserijinspanningsgroep

Trawls (OTB)

Heek, roze diepzeegarnaal, langoustine, zeebarbeel

Kroatië,

GDG's 17-18

38 148

EFF/MED3_OTB

Italië,

GDG's 17-18

98 898

EFF/MED3_OTB

Slovenië,

GDG 17

 (*2)

EFF/MED3_OTB

Boomkorren (TBB)

Tong

Italië,

GDG 17

7 910

EFF/MED3_TBB

Vlootcapaciteitsmaximum voor bodemtrawlers en boomkorvaartuigen die op demersale bestanden mogen vissen

Lidstaat

Vistuig

Aantal vaartuigen

kW

BT

Kroatië

OTB

495

79 867,99

13 267,99

Italië

OTB-TBB

1 363

260 618,37

47 148

Slovenië  (*3)

OTB

11

1 813,00

168,67


(1)  Voor Slovenië zijn de hoeveelheden gebaseerd op de vangstniveaus van 2014, voor een totale hoeveelheid van maximaal 300 ton.

(2)  Beperkt tot Kroatië, Italië en Slovenië.

(*1)  De bepaling van punt 15 van GFCM/42/2018/8 is niet van toepassing op nationale vloten van minder dan tien ringzegenvaartuigen en/of pelagische trawlers die actief op kleine pelagische bestanden vissen. In dat geval mag de capaciteit van de actieve vloot, wat betreft het aantal vaartuigen en uitgedrukt in bruto ton (BT) en/of bruto registerton (BRT) en in kW, met niet meer dan 50 % toenemen.

(*2)  Vissersvaartuigen die de vlag van Slovenië voeren en in GDG 17 met OTB-vistuig werken, mogen de inspanningsbeperking van 3 000 visdagen per jaar niet overschrijden.

(*3)  De bepalingen van punt 9, onder c), en punt 28 van GFCM/43/2019/5 zijn niet van toepassing op nationale vloten die met OTB-vistuig en gedurende minder dan 1 000 dagen vissen tijdens de in punt 9, onder c), genoemde referentieperiode. De vangstcapaciteit van de actieve vloot die met OTB-vistuig vist, mag ten opzichte van de referentieperiode met niet meer dan 50 % toenemen.


BIJLAGE V

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN DE IONISCHE ZEE, DE LEVANTIJNSE ZEE EN HET KANAAL VAN SICILIË

De tabellen in deze bijlage bevatten het maximumaantal Unievissersvaartuigen dat demersale bestanden mag bevissen in de Ionische Zee, de Levantijnse zee en het Kanaal van Sicilië.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (GDG's).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Aristaeomorpha foliacea

ARS

Rode diepzeegarnaal

Aristeus antennatus

ARA

Blauwrode diepzeegarnaal

a)

Maximumaantal bodemtrawlers die in de Ionische Zee mogen vissen (GDG's 19-20-21)

Lidstaat

Rode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG's 19, 20 en 21

Blauwrode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG's 19, 20 en 21

Griekenland

263

263

Italië

410

410

Malta

15

15

b)

Maximumaantal bodemtrawlers die in de Levantijnse zee mogen vissen (GDG's 24-25-26-27)

Lidstaat

Rode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG's 24 tot en met 27

Blauwrode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG's 24 tot en met 27

Italië

80

80

Cyprus

6

6

c)

Maximumaantal bodemtrawlers die in het Kanaal van Sicilië mogen vissen (GDG's 12-13-14-15-16)

Lidstaat

Rode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG's 12 tot en met 16

Blauwrode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG's 12 tot en met 16

Spanje

2

2

Italië

320

320

Cyprus

1

1

Malta

15

15


BIJLAGE VI

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN DE ZEE VAN ALBORÁN

Maximumniveau van de vangsten met beuglijnen en handlijnen (in ton levend gewicht)

Soort:

zeebrasem

Pagellus bogaraveo

Gebied:

wateren van de Unie in de Zee van Alborán — GDG's 1, 2 en 3

SBR/GF1-3

Spanje

 

225

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Unie

 

225

TAC

Niet relevant/niet overeengekomen


BIJLAGE VII

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN DE ZWARTE ZEE

De tabellen in deze bijlage bevatten de TAC's en quota in ton levend gewicht per bestand en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden.

Alle in deze bijlage vastgestelde vangstmogelijkheden vallen onder de voorschriften van de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (GDG's).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Sprattus sprattus

SPR

Sprot

Scophthalmus maximus

TUR

Tarbot


Soort:

Sprot

Sprattus sprattus

Gebied:

wateren van de Unie in de Zwarte Zee — GDG 29

(SPR/F3742C)

Bulgarije

 

 

8 032,50

Analytisch quotum

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Roemenië

 

 

3 442,50

Unie

 

 

11 475

TAC

Niet relevant/niet overeengekomen


Soort:

Tarbot

Scophthalmus maximus

Gebied:

wateren van de Unie in de Zwarte Zee — GDG 29

(TUR/F3742C)

Bulgarije

75

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Roemenië

75

 

Unie

150

 (*1)

TAC

857

 


(*1)  Van 15 april tot en met 15 juni 2021 zijn visserijactiviteiten, met inbegrip van het overladen, aan boord houden, aanlanden en voor eerste verkoop aanbieden van vis, verboden.


29.1.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 31/20


VERORDENING (EU) 2021/91 VAN DE RAAD

van 28 januari 2021

tot vaststelling, voor de jaren 2021 en 2022, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 43, lid 3, van het Verdrag moet de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen.

(2)

Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld met inachtneming van het beschikbare wetenschappelijke, technische en economische advies, met inbegrip van, waar toepasselijk, de verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

(3)

De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen, inclusief bepaalde eventuele voorwaarden die daar functioneel verband mee houden. De vangstmogelijkheden moeten, met inachtneming van de in Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), op zodanige wijze over de lidstaten worden toegewezen dat elke lidstaat relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten per bestand of per visserij geniet.

(4)

De totale toegestane vangsten (“total allowable catches” — TAC’s) moeten worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), met inachtneming van de biologische en sociaal-economische aspecten en van de noodzaak een billijke behandeling van de visserijsectoren te garanderen, alsmede in het licht van de standpunten die worden ingenomen tijdens de raadpleging van de belanghebbenden, en met name de betrokken adviesraden.

(5)

Voor bestanden waarvoor onvoldoende gegevens of geen betrouwbare gegevens voorhanden zijn om ramingen van de omvang te kunnen maken, moeten de beheersmaatregelen en de TAC-niveaus worden vastgesteld volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en met inachtneming van bestandsspecifieke factoren, waaronder met name de beschikbare gegevens over de ontwikkelingen van de bestanden en overwegingen betreffende gemengde visserijen.

(6)

De TAC’s voor bestanden die onder specifieke meerjarenplannen vallen, moeten op grond van artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden vastgesteld overeenkomstig de in die plannen vervatte voorschriften. Het meerjarenplan voor de westelijke wateren is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/472 van het Europees Parlement en de Raad (2) en is in 2019 in werking getreden. Aangezien de FMDO-bandbreedtes niet kunnen worden bepaald voor onder deze verordening vallende bestanden die onder het toepassingsgebied van het meerjarenplan voor de westelijke wateren vallen, moeten de vangstmogelijkheden voor die bestanden worden vastgesteld in overeenstemming met de doelstellingen van dat plan en met inachtneming van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer wanneer er geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de moeilijkheid om alle bestanden tegelijkertijd op maximale duurzame opbrengst (MDO) te bevissen, met name in situaties waarin dat tot een vroegtijdige sluiting van de visserij leidt.

(7)

Indien voor een bepaald bestand een TAC aan één enkele lidstaat wordt toegewezen, dient deze lidstaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag te worden gemachtigd het niveau van deze TAC vast te stellen. Er moeten regelingen worden getroffen om te garanderen dat de betrokken lidstaat bij het vaststellen van dit TAC-niveau volledig in overeenstemming met de beginselen en voorschriften van het GVB handelt.

(8)

Voor bepaalde TAC’s zijn gedeelde quota beschikbaar voor lidstaten zonder toegewezen quotum; deze vallen onder de rubriek “Andere”. Lidstaten die gebruik hebben gemaakt van een dergelijk gedeeld quotum, kunnen later een eigen quotum krijgen, bijvoorbeeld door middel van een quotaruil. Bij het rapporteren van vangsten aan de Commissie in verband met dezelfde TAC, moeten de lidstaten onderscheid maken tussen de vangsten die op hun eigen quotum in mindering moeten worden gebracht, en de vangsten die op het gedeelde quotum in mindering moeten worden gebracht. Om dat onderscheid mogelijk te maken, moet een afzonderlijke rapporteringscode worden ingevoerd.

(9)

Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (3) zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s ingevoerd, waaronder flexibiliteitsbepalingen voor voorzorgs- en analytische TAC’s. Uit hoofde van die verordening bepaalt de Raad bij de vaststelling van de TAC’s voor welke bestanden de artikelen 3 en 4 van die verordening niet van toepassing zijn, gelet op met name de biologische situatie van de bestanden. In 2014 is bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een verdere jaarflexibiliteit ingevoerd voor alle bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting geldt. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven, een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB en tot een verslechtering in de biologische toestand van de bestanden zou leiden, moet worden bepaald dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen van toepassing mogen zijn op analytische TAC’s wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(10)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 is de aanlandingsverplichting sinds 1 januari 2019 volledig van toepassing en moeten alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, worden aangeland. In artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat, wanneer de aanlandingsverplichting voor een visbestand van toepassing is, de vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld met inachtneming van het feit dat vangstmogelijkheden niet meer worden vastgesteld als afspiegeling van de aanlanding maar als afspiegeling van de vangsten. Op basis van de gezamenlijke aanbevelingen van de lidstaten en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en artikel 13 van Verordening (EU) 2019/472 heeft de Commissie een aantal gedelegeerde verordeningen vastgesteld met nadere uitvoeringsbepalingen voor de aanlandingsverplichting in de vorm van specifieke teruggooiplannen.

(11)

Bij het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor bestanden van soorten die onder de aanlandingsverplichting vallen, moet rekening worden gehouden met het feit dat teruggooi van die soorten in principe niet langer toegestaan is. De vangstmogelijkheden moeten derhalve worden gebaseerd op de adviescijfers voor de totale vangsten (in plaats van de adviescijfers voor de gewenste vangsten), zoals verstrekt door de ICES. De hoeveelheden die, bij wijze van uitzondering op de aanlandingsverplichting, nog steeds mogen worden teruggegooid, moeten in mindering worden gebracht op die adviescijfers voor de totale vangsten.

(12)

Het vaststellen van de vangstmogelijkheden moet in overeenstemming zijn met de internationale overeenkomsten en beginselen, waaronder de overeenkomst van de Verenigde Naties van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (4), en met de gedetailleerde beheersbeginselen zoals vastgesteld in de in 2008 door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties vastgestelde internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, waarin met name wordt gesteld dat wetgevers voorzichtiger moeten zijn wanneer informatie onzeker, onbetrouwbaar of niet adequaat is. Het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie mag geen reden zijn om instandhoudings- en beheersmaatregelen uit te stellen of achterwege te laten.

(13)

Vangsten van zeebrasem (Pagellus bogaraveo) worden gedaan in de Cecaf-gebieden (Comité voor de visserij in het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan) en de GFCM (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee), die grenzen aan ICES-deelgebied 9. Aangezien de ICES-gegevens voor die aangrenzende gebieden onvolledig zijn, moet het toepassingsgebied van de TAC beperkt blijven tot ICES-deelgebied 9.

(14)

Aangezien nog geen overeenstemming is bereikt met het Verenigd Koninkrijk inzake TAC-niveaus voor het gezamenlijk beheer van grensoverschrijdende bestanden, en teneinde een passend regelgevingskader voor visserijactiviteiten van de Unie vast te stellen tot er besluiten over gezamenlijk beheer zijn genomen, moeten voor de eerste drie maanden van 2021 voorlopige vangstmogelijkheden worden vastgesteld. De niveaus van deze voorlopige vangstmogelijkheden mogen niet vooruitlopen op het resultaat van het overleg met de betrokken derde landen en mogen de mogelijkheid tot vaststelling van permanente TAC’s overeenkomstig het wetenschappelijk advies niet in gevaar brengen. Als algemene oriëntatie moeten deze niveaus derhalve overeenkomen met 25 % van het Unieaandeel van de voor 2020 vastgestelde vangstmogelijkheden. In geen geval mogen deze voorlopige vangstmogelijkheden de vaststelling van definitieve vangstmogelijkheden — in overeenstemming met internationale overeenkomsten, met name de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (5), die voorlopig van toepassing is vanaf 1 januari 2021, en de resultaten van raadplegingen, het rechtskader van de Unie en wetenschappelijk advies — in de weg staan.

(15)

De ICES heeft een nulvangst voor Atlantische slijmkop (Hoplostethus atlanticus) tot en met 2024 geadviseerd. Aangezien dit bestand uitgeput is en geen herstel vertoont, moet het bevissen, aan boord houden, overladen en aanlanden van deze soort verboden blijven. De ICES heeft erop gewezen dat sinds 2010 geen gerichte visserij van de Unie op die soort plaatsvindt in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan.

(16)

De ICES heeft geadviseerd de visserijsterfte bij diepzeehaaien tot een minimum te beperken. Diepzeehaaien zijn langlevende soorten met een klein voortplantingsvermogen en zijn overbevist geraakt. Vissen op dergelijke soorten moet derhalve verboden worden.

(17)

Om onderbrekingen in de visserijactiviteiten te vermijden en om het inkomen van de vissers in de Unie veilig te stellen, dient deze verordening met ingang van 1 januari 2021 van toepassing te zijn. Om de lidstaten in staat te stellen een tijdige toepassing van deze verordening te waarborgen, moet zij onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt voor 2021 en 2022 vastgesteld welke jaarlijkse vangstmogelijkheden voor bestanden van bepaalde diepzeevissoorten ter beschikking van vissersvaartuigen van de Unie staan in de wateren van de Unie en in bepaalde wateren buiten de Unie waar vangstbeperkingen nodig zijn.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Daarnaast wordt verstaan onder:

a)

“totaal toegestane vangst” (TAC):

i)

in de vormen van visserij die vallen onder de in artikel 15, leden 4 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting: de hoeveelheid vis die elk jaar van elk bestand mag worden aangeland;

ii)

in de overige vormen van visserij: de hoeveelheid vis die elk jaar van elk bestand mag worden gevangen;

b)

“quotum”: een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie of aan een lidstaat;

c)

“internationale wateren”: wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen;

d)

“analytische evaluatie”: kwantitatieve evaluatie van trends bij een bepaald bestand, op basis van gegevens over de biologie en de exploitatie van dat bestand die blijkens wetenschappelijke toetsing van toereikende kwaliteit zijn om de basis te vormen voor wetenschappelijke adviezen over opties voor toekomstige vangsten;

e)

“zones van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES)”: de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad gespecificeerde geografische gebieden (6);

f)

“sectoren van de Visserijcommissie voor het centraaloostelijke deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf)”: de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad gespecificeerde geografische gebieden (7);

g)

“diepzeehaaien”: de in deel 1, punt 2, van de bijlage bij deze verordening vermelde soorten.

Artikel 3

TAC’s en toewijzingen

1.   De TAC’s voor diepzeesoorten die door vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van de Unie en in bepaalde wateren buiten de Unie worden gevangen, de verdeling van die TAC’s over de lidstaten, en de eventuele voorwaarden die daar functioneel mee verbonden zijn, worden in de bijlage bij deze verordening vastgesteld.

2.   Vissersvaartuigen van de Unie kunnen toestemming krijgen om, met inachtneming van de in de bijlage bij deze verordening vastgestelde TAC’s, te vissen in de wateren die onder de visserij-jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk vallen, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (8) en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

Artikel 4

Vissersvaartuigen die onder de vlag van het Verenigd Koninkrijk varen, in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd zijn en een vergunning hebben gekregen van een Britse visserijautoriteit

Vissersvaartuigen die onder de vlag van het Verenigd Koninkrijk varen, in het Verenigd Koninkrijk zijn geregistreerd en een vergunning hebben gekregen van een Britse visserijautoriteit, kunnen toestemming krijgen om, met inachtneming van de in de bijlage bij deze verordening vastgestelde TAC’s, te vissen in de wateren van de Unie, en zijn onderworpen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2017/2403.

Artikel 5

Door de lidstaten vast te stellen TAC’s

1.   De TAC voor zwarte haarstaartvis (Aphanopus carbo) in Cecaf-sector 34.1.2 wordt bepaald door Portugal. Dit bestand wordt omschreven in de bijlage.

2.   De door Portugal te bepalen TAC:

a)

is consistent met de beginselen en voorschriften van het GVB, en met name met het beginsel van duurzame exploitatie van het bestand, en

b)

is zodanig gekozen dat:

i)

indien er analytische evaluaties beschikbaar zijn, de exploitatie van het bestand vanaf 2019 overeenstemt met de MDO, met een zo groot mogelijke waarschijnlijkheid;

ii)

indien er geen of onvolledige analytische evaluaties beschikbaar zijn, de exploitatie van het bestand voldoet aan de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer.

3.   Uiterlijk 15 maart van elk jaar verstrekt Portugal de volgende informatie aan de Commissie:

a)

de vastgestelde TAC;

b)

de door Portugal verzamelde en beoordeelde gegevens waarop de vastgestelde TAC is gebaseerd;

c)

nadere informatie over de wijze waarop de vastgestelde TAC aan lid 2 voldoet.

Artikel 6

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden

1.   De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening over de lidstaten verdeeld onverminderd:

a)

het ruilen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (9);

c)

nieuwe toewijzingen op grond van artikel 12, lid 7, van Verordening (EU) nr. 2017/2403;

d)

extra aanlandingen die worden toegestaan krachtens artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 en artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

e)

overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 en artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingehouden hoeveelheden;

f)

verlagingen of verminderingen op grond van de artikelen 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.   Bestanden waarvoor voorzorgs-TAC’s of analytische TAC’s zijn vastgesteld, zijn in de bijlage opgenomen.

3.   Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing op bestanden waarvoor voorzorgs-TAC’s zijn vastgesteld, en artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening zijn van toepassing op bestanden waarvoor analytische TAC’s zijn vastgesteld, tenzij anders vermeld in de bijlage bij deze verordening.

4.   De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit als vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 7

Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

Vangsten waarvoor de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting niet geldt, mogen slechts aan boord worden gehouden of aangeland mits:

a)

de vis is gevangen met vaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat die over een quotum beschikt, en dat quotum nog niet is opgebruikt, of

b)

de vis deel uitmaakt van een quotum van de Unie dat niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, en dat quotum van de Unie nog niet is opgebruikt.

Artikel 8

Toepassing van voorlopige TAC’s

1.   Wanneer in een tabel in de bijlage bij onderhavige verordening naar dit artikel wordt verwezen, zijn de vangstmogelijkheden in die tabel voorlopig en zijn ze van toepassing van 1 januari tot en met 31 maart 2021. Deze voorlopige vangstmogelijkheden laten de vaststelling van definitieve vangstmogelijkheden voor 2021 en 2022, in overeenstemming met de resultaten van internationale onderhandelingen en/of raadplegingen, wetenschappelijk advies, de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en de desbetreffende meerjarenplannen, onverlet.

2.   Vissersvaartuigen van de Unie mogen in de wateren van de Unie en de internationale wateren, evenals in de wateren van derde landen die vissersvaartuigen van de Unie toegang tot hun wateren verlenen, vissen op bestanden waarop de in lid 1 genoemde voorlopige vangstmogelijkheden van toepassing zijn.

Artikel 9

Verbod

Het is vissersvaartuigen van de Unie verboden om:

a)

in de wateren van de Unie en de internationale wateren van de ICES-deelgebieden 1 tot en met 10, 12 en 14 Atlantische slijmkop (Hoplostethus atlanticus) te bevissen en in die deelgebieden gevangen Atlantische slijmkop aan boord te houden, over te laden of aan te landen;

b)

in de ICES-deelgebieden 5 tot en met 9, in de wateren van de Unie en de internationale wateren van ICES-deelgebied 10, in de internationale wateren van ICES-deelgebied 12 en in de wateren van de Unie van de Cecaf-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2 diepzeehaaien te bevissen en in die gebieden gevangen diepzeehaaien aan boord te houden, over te laden, te verplaatsen of aan te landen.

Artikel 10

Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aangelande hoeveelheden aan de Commissie toezenden, gebruiken zij daarvoor de in de bijlage bij de onderhavige verordening vermelde bestandscodes.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 januari 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

A.P. ZACARIAS


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(2)  Verordening (EU) 2019/472 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordeningen (EU) 2016/1139 en (EU) 2018/973, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 van de Raad (PB L 83 van 25.3.2019, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).

(4)  Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 189 van 3.7.1998, blz. 16).

(5)  PB L 444 van 31.12.2020, blz. 14.

(6)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).

(7)  Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten in bepaalde gebieden buiten de Noord-Atlantische Oceaan (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).

(9)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008 en (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).


BIJLAGE

DEEL 1

Vergelijkende tabel met de gewone en de wetenschappelijke namen en definitie

1.

Voor de toepassing van deze verordening is de volgende vergelijkende tabel met de gewone en de wetenschappelijke soortnamen van toepassing:

Gewone naam

Drielettercode

Wetenschappelijke naam

Zwarte haarstaartvis

BSF

Aphanopus carbo

Alfonsino’s

ALF

Beryx spp.

Rondneusgrenadier

RNG

Coryphaenoides rupestris

Noordelijke grenadiervis

RHG

Macrourus berglax

Zeebrasem

SBR

Pagellus bogaraveo

2.

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder “diepzeehaaien”:

Gewone naam

Drielettercode

Wetenschappelijke naam

Diepzeekathaaien

API

Apristurus spp.

Franjehaai

HXC

Chlamydoselachus anguineus

Zwelghaaien

CWO

Centrophorus spp.

Portugese ijshaai

CYO

Centroscymnus coelolepis

Langsnuitijshaai

CYP

Centrocymnus crepidater

Zwarte lantaarnhaai

CFB

Centroscyllium fabricii

Spitssnuitsnavelhaai

DCA

Deania calcea

Zwarte haai

SCK

Dalatias licha

Grote lantaarnhaai

ETR

Etmopterus princeps

Zwarte doornhaai

ETX

Etmopterus spinax

Muiskathaai

GAM

Galeus murinus

Stompsnuitzeskieuwshaai

SBL

Hexanchus griseus

Zeilvinruwhaai

OXN

Oxynotus paradoxus

Mestandijshaai

SYR

Scymnodon ringens

Groenlandse haai

GSK

Somniosus microcephalus

DEEL 2

Jaarlijkse vangstmogelijkheden (ton levend gewicht)

Tenzij anders aangegeven, worden met de in deze bijlage genoemde visserijzones de ICES-gebieden bedoeld.

In deel 2 van deze bijlage zijn de visbestanden vermeld in alfabetische volgorde van de Latijnse namen van de vissoorten.

Soort:

Zwarte haarstaartvis

Aphanopus carbo

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 5, 6, 7 en 12

(BSF/56712-)

Duitsland

7

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 8 van deze verordening is van toepassing.

Estland

4

 

Ierland

18

 

Spanje

35

 

Frankrijk

494

 

Letland

23

 

Litouwen

0

 

Polen

0

 

Andere

2

 (1)

Unie

583

 

Verenigd Koninkrijk

35

 

TAC

618

 


Soort:

Zwarte haarstaartvis

Aphanopus carbo

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 8, 9 en 10

(BSF/8910-)

Jaar

2021

 

2022

 

Voorzorgs-TAC

Spanje

7

 

7

 

Frankrijk

18

 

18

 

Portugal

2 241

 

2 241

 

Unie

2 266

 

2 266

 

TAC

2 266

 

2 266

 


Soort:

Zwarte haarstaartvis

Aphanopus carbo

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van Cecaf 34.1.2

(BSF/C3412-)

Jaar

2021

2022

Voorzorgs-TAC

Artikel 4 van deze verordening is van toepassing.

Portugal

Nog vast te stellen

 

Nog vast te stellen

 

Unie

Nog vast te stellen

 (2)

Nog vast te stellen

 (2)

TAC

Nog vast te stellen

 (2)

Nog vast te stellen

 (2)


Soort:

Beryx spp.

Beryx spp.

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9,10, 12 en 14

(ALF/3X14-)

Ierland

2

 (3)

Voorzorgs-TAC

Artikel 8 van deze verordening is van toepassing.

Spanje

14

 (3)

Frankrijk

4

 (3)

Portugal

41

 (3)

Unie

61

 (3)

Verenigd Koninkrijk

2

 (3)

TAC

63

 (3)


Soort:

Rondneusgrenadier

Coryphaenoides rupestris

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 3

(RNG/03-)

Jaar

2021

2022

Voorzorgs-TAC

Denemarken

4,730

 (4)  (5)

4,730

 (4)  (5)

Duitsland

0,027

 (4)  (5)

0,027

 (4)  (5)

Zweden

0,243

 (4)  (5)

0,243

 (4)  (5)

Unie

5

 (4)  (5)

5

 (4)  (5)

TAC

5

 (4)  (5)

5

 (4)  (5)


Soort:

Rondneusgrenadier

Coryphaenoides rupestris

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 5b, 6 en 7

(RNG/5B67-)

Duitsland

1

 (6)  (7)

Voorzorgs-TAC

Artikel 8 van deze verordening is van toepassing.

Estland

9

 (6)  (7)

Ierland

42

 (6)  (7)

Spanje

10

 (6)  (7)

Frankrijk

527

 (6)  (7)

Litouwen

12

 (6)  (7)

Polen

6

 (6)  (7)

Andere

1

 (6)  (7)  (8)

Unie

608

 (6)  (7)

Verenigd Koninkrijk

31

 (6)  (7)

TAC

639

 (6)  (7)


Soort:

Rondneusgrenadier

Coryphaenoides rupestris

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 8, 9, 10, 12 en 14

(RNG/8X14-)

Duitsland

4

 (9)  (10)

Voorzorgs-TAC

Artikel 8 van deze verordening is van toepassing.

Ierland

1

 (9)  (10)

Spanje

410

 (9)  (10)

Frankrijk

19

 (9)  (10)

Letland

7

 (9)  (10)

Litouwen

1

 (9)  (10)

Polen

128

 (9)  (10)

Unie

570

 (9)  (10)

Verenigd Koninkrijk

2

 (9)  (10)

TAC

572

 (9)  (10)


Soort:

Zeebrasem

Pagellus bogaraveo

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 6, 7 en 8

(SBR/678-)

Ierland

1

 (11)

Voorzorgs-TAC

Artikel 8 van deze verordening is van toepassing.

Spanje

21

 (11)

Frankrijk

1

 (11)

Andere

1

 (11)  (12)

Unie

24

 (11)

Verenigd Koninkrijk

3

 (11)

TAC

27

 (11)


Soort:

Zeebrasem

Pagellus bogaraveo

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 9

(SBR/09-)

Jaar

2021

 

2022

 

Voorzorgs-TAC

Spanje

93

 

93

 

Portugal

25

 

25

 

Unie

118

 

118

 

TAC

119

 

119

 


Soort:

Zeebrasem

Pagellus bogaraveo

Gebied:

Wateren van de Unie en internationale wateren van 10

(SBR/10-)

Spanje

1

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 8 van deze verordening is van toepassing.

Portugal

136

 

Unie

137

 

Verenigd Koninkrijk

1

 

TAC

138

 


(1)  Exclusively for by-catches. No directed fisheries are permitted under this quota. Catches to be counted against this shared quota shall be reported separately (BSF/56712_AMS).

(2)  Wordt vastgesteld op dezelfde hoeveelheid als het quotum voor Portugal.

(3)  Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

(4)  Gerichte visserij op rondneusgrenadier is niet toegestaan in 3a.

(5)  Gerichte visserij op noordelijke grenadiervis is niet toegestaan. Bijvangsten van noordelijke grenadiervis (RHG/03-) worden op dit quotum in mindering gebracht. Zij maken niet meer dan 1 % van het quotum uit.

(6)  Ten hoogste 10 % van elk quotum mag worden gevist in wateren van de Unie en internationale wateren van 8, 9, 10, 12 en 14 (RNG/*8X14- voor rondneusgrenadier; RHG/8X14- voor bijvangsten van noordelijke grenadier).

(7)  Gerichte visserij op noordelijke grenadiervis is niet toegestaan. Bijvangsten van noordelijke grenadiervis (RHG/5B67-) worden op dit quotum in mindering gebracht. Zij mogen niet meer dan 1 % van het quotum uitmaken.

(8)  Uitsluitend voor bijvangsten. Gerichte visserij is niet toegestaan. Vangsten die op dit gedeelde quotum in mindering moeten worden gebracht, worden afzonderlijk gerapporteerd (RNG/5B67_AMS voor rondneusgrenadier; RHG/5B67_AMS voor noordelijke grenadiervis).

(9)  Ten hoogste 10 % van elk quotum mag worden gevangen in wateren van de Unie en internationale wateren van 5b, 6 en 7 (RNG/*5B67- voor rondneusgrenadier; RHG/*5B67- voor bijvangsten van noordelijke grenadiervis).

(10)  Gerichte visserij op noordelijke grenadiervis is niet toegestaan. Bijvangsten van noordelijke grenadiervis (RHG/8X14-) worden op dit quotum in mindering gebracht. Zij mogen niet meer dan 1 % van het quotum uitmaken.

(11)  Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. .

(12)  Vangsten die op dit gedeelde quotum in mindering moeten worden gebracht, worden afzonderlijk gerapporteerd (SBR/678_AMS)


29.1.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 31/31


VERORDENING (EU) 2021/92 VAN DE RAAD

van 28 januari 2021

tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 43, lid 3, van het Verdrag moet de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen vaststellen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

(2)

Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, met inbegrip van, waar relevant, verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) en van andere adviesinstanties, alsmede adviezen die zijn ontvangen van de adviesraden.

(3)

De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen, inclusief, waar passend, bepaalde voorwaarden die daar functioneel verband mee houden. Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld met inachtneming van de in artikel 2, lid 2, van die verordening bepaalde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Krachtens artikel 16, lid 1, van die verordening moeten de vangstmogelijkheden die aan de lidstaten zijn toegewezen de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van elke lidstaat voor elk visbestand of elke visserij waarborgen.

(4)

De totale toegestane vangsten (total allowable catches – TAC's) moeten daarom overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden vastgesteld op basis van het beschikbare wetenschappelijke advies, met inachtneming van zowel de biologische en sociaal-economische aspecten als de verplichting tot gelijke behandeling van de visserijsectoren, en in het licht van de standpunten die worden geuit tijdens de raadpleging van de belanghebbenden, met name op de bijeenkomsten van de betrokken adviesraden.

(5)

Krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is de aanlandingsverplichting sinds 1 januari 2019 volledig van toepassing en moeten alle vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, worden aangeland. In artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat, wanneer de aanlandingsverplichting voor een visbestand is ingevoerd, de vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld met inachtneming van het feit dat vangstmogelijkheden niet meer worden vastgesteld als afspiegeling van de aanlanding maar als afspiegeling van de vangsten. Op basis van de gezamenlijke aanbevelingen van de lidstaten en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie een aantal gedelegeerde verordeningen vastgesteld met nadere uitvoeringsbepalingen voor de aanlandingsverplichting in de vorm van specifieke teruggooiplannen.

(6)

Bij het vaststellen van de vangstmogelijkheden voor bestanden van soorten die onder de aanlandingsverplichting vallen, moet ermee rekening worden gehouden dat teruggooi van die soorten in principe niet langer toegestaan is. De vangstmogelijkheden moeten derhalve worden gebaseerd op de adviescijfers voor de totale vangsten (in plaats van de adviescijfers voor de gewenste vangsten), zoals verstrekt door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). De hoeveelheden die, bij wijze van uitzondering op de aanlandingsverplichting, nog steeds mogen worden teruggegooid, moeten in mindering worden gebracht op die adviescijfers voor de totale vangsten.

(7)

Voor bepaalde bestanden worden in het wetenschappelijk advies van de ICES nulvangsten aanbevolen. Indien de TAC's voor die bestanden worden vastgesteld op de in het wetenschappelijk advies aanbevolen hoogte, zou de verplichting om in gemengde visserijen alle vangsten, met inbegrip van bijvangsten, uit die bestanden aan te landen, het verschijnsel van zogenaamde “choke species” (knelsoorten of verstikkingssoorten) in de hand werken. Om het juiste evenwicht te vinden tussen het voortzetten van visserijen — gelet op de mogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen als dat niet gebeurt — en de noodzaak om een goede biologische toestand van die bestanden te bereiken, en rekening houdend met de moeilijkheid om alle bestanden in een gemengde visserij op het niveau van de maximale duurzame opbrengst (MDO) te bevissen, is het wenselijk om voor die bestanden specifieke TAC's voor bijvangsten vast te stellen. Die TAC's moeten worden vastgesteld op een niveau dat de sterfte voor die bestanden doet afnemen en dat stimulansen biedt voor verbeteringen op het vlak van selectiviteit en vermijding.

(8)

Om er in de mate van het mogelijke voor te zorgen dat de vangstmogelijkheden in gemengde visserijen overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden benut, is het passend een quotumruilsysteem op te zetten voor de lidstaten die geen quotum hebben om hun onvermijdelijke bijvangsten te dekken.

(9)

Ter vermindering van de vangsten van de bestanden waarvoor bijvangst-TAC's zijn vastgesteld, dienen vangstmogelijkheden voor visserijen waarbij vis uit deze bestanden wordt gevangen, zodanig te worden vastgesteld dat ze de biomassa van kwetsbare bestanden weer op een duurzaam peil helpen brengen. Ook dienen technische en controlemaatregelen die intrinsiek verbonden zijn met de vangstmogelijkheden, te worden vastgesteld om illegale teruggooi te voorkomen.

(10)

In overeenstemming met het meerjarenplan voor de westelijke wateren dat in Verordening (EU) 2019/472 van het Europees Parlement en de Raad (2) is vastgesteld (het ''meerjarenplan voor de westelijke wateren''), moet het streefdoel voor visserijsterfte, overeenkomstig de in artikel 2 van die verordening gedefinieerde FMDO-bandbreedtes, voor de in artikel 1, lid 1, van die verordening genoemde bestanden zo spoedig mogelijk en via geleidelijke toename uiterlijk in 2020 worden bereikt, en moet de visserijsterfte daarna overeenkomstig artikel 4 van die verordening worden gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes. De totale visserijsterfte voor zeebaars Dicentrarchus labrax) in ICES-sectoren 8a en 8b moet daarom worden vastgesteld in overeenstemming met de MDO, waarbij rekening wordt gehouden met commerciële en recreatieve vangsten, met inbegrip van teruggooi (in totaal 3 108 ton, volgens het ICES-advies). De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de visserijsterfte bij hun vloten en hun recreatievissers niet hoger is dan de FMDO-puntwaarde, conform artikel 4, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2019/472.

(11)

Ook de maatregelen voor de recreatievisserij op zeebaars moeten behouden blijven, rekening houdend met de significante impact van die visserij op de betrokken bestanden. Binnen de grenzen van het wetenschappelijk advies moeten de meeneemlimieten worden gehandhaafd. Gelet op het feit dat er te weinig selectiviteit is en dat er waarschijnlijk meer exemplaren zullen worden gevangen dan de vastgestelde grenswaarden, moeten vaste netten worden uitgesloten. Gezien de ecologische, sociale en economische situatie is met die maatregelen voor zeebaars een goed evenwicht gevonden tussen de belangen van commerciële vissers en recreatievissers, vooral omdat in kustgemeenschappen commerciële vissers van dit bestand afhankelijk zijn. Met die maatregelen zullen recreatievissers hun visserijactiviteiten kunnen uitoefenen en wordt rekening gehouden met het effect ervan op die bestanden.

(12)

Voor het bestand van Europese aal (Anguilla anguilla) luidt het advies van de ICES dat alle door de mens veroorzaakte sterfte, ook die welke wordt veroorzaakt door de recreatievisserij en de commerciële visserij, tot nul moet worden gereduceerd of zo dicht mogelijk bij nul moet blijven. Voorts heeft de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) Aanbeveling GFCM/42/2018/1 tot vaststelling van beheersmaatregelen voor Europese aal in de Middellandse Zee aangenomen. Het is wenselijk om het gelijk speelveld in de hele Unie te behouden en dus ook om voor de wateren van de Unie van het ICES-gebied en voor brakke wateren zoals estuaria, kustlagunes en overgangswateren een sluitingsperiode van drie opeenvolgende maanden voor alle visserij op Europese aal in alle levensfasen te behouden. Aangezien de sluitingsperiode van de visserij in overeenstemming moet zijn met de instandhoudingsdoelstellingen in Verordening (EG) nr. 1100/2007 van de Raad (3) en de temporele migratiepatronen van Europese aal, is het voor de wateren van de Unie van het ICES-gebied passend deze in de periode tussen 1 augustus 2021 en 28 februari 2022 te laten vallen.

(13)

Gedurende een aantal jaren was op sommige bestanden Elasmobranchii (roggen en haaien) een nul-TAC van toepassing, met daaraan verbonden een verplichting om incidentele vangsten onmiddellijk terug te zetten. Reden van die specifieke behandeling was de slechte instandhouding van die bestanden en de aanname dat teruggooi, gelet op de hoge overlevingspercentages, niet tot een hogere visserijsterfte zou leiden en goed zou zijn voor de instandhouding van die soorten. Sinds 1 januari 2019 moeten vangsten van die soorten echter verplicht worden aangeland, tenzij zij krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 onder een afwijking van de aanlandingsverplichting vallen. Op grond van artikel 15, lid 4, onder a), van die verordening zijn dergelijke afwijkingen toegestaan voor soorten waarop niet mag worden gevist en die als dusdanig worden omschreven in een op het gebied van het GVB vastgestelde rechtshandeling van de Unie. Daarom is het wenselijk de visserij op die soorten in de betrokken gebieden te verbieden.

(14)

De TAC's voor bestanden die onder specifieke meerjarenplannen vallen, moeten op grond van artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden vastgesteld in overeenstemming met de in die plannen vervatte voorschriften.

(15)

Het meerjarenplan voor de Noordzee is vastgesteld bij Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad (4) en is in 2018 in werking getreden. Het meerjarenplan voor de westelijke wateren is in 2019 in werking getreden. De vangstmogelijkheden voor de in artikel 1 van die plannen vermelde bestanden moeten worden vastgesteld in overeenstemming met de streefcijfers (FMDO-bandbreedtes) en vrijwaringsmaatregelen die zijn opgenomen in die plannen. De FMDO-bandbreedtes zijn vastgelegd in de desbetreffende ICES-adviezen. Indien geen degelijke wetenschappelijke informatie beschikbaar is, dienen de vangstmogelijkheden voor bijvangstbestanden te worden vastgesteld volgens de voorzorgsbenadering, zoals uiteengezet in die meerjarenplannen.

(16)

Overeenkomstig artikel 8 van het meerjarenplan voor de westelijke wateren worden, indien uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, van dat plan bedoelde bestanden lager is dan het grensreferentiepunt (Blim), extra herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel weer boven het niveau komt dat een MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen deze herstelmaatregelen inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt geschorst en de vangstmogelijkheden voor die bestanden of andere bestanden in de betrokken visserijen voldoende worden verlaagd.

(17)

De TAC's voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee moeten worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn vervat in Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(18)

De ICES bracht op 17 december 2018 wetenschappelijk advies uit over de flexibiliteit voor horsmakrelen (Trachurus spp.) tussen ICES-sectoren 8c en 9a. De ICES adviseerde dat de flexibiliteit tussen de gebieden van twee bestanden niet groter mag zijn dan het verschil tussen de vangst die overeenkomt met een visserijsterfte van Fp.05 en de vastgestelde TAC's. TAC's mogen ook niet worden overgedragen naar een bestand met een paaibiomassa onder het (Blim). Overeenkomstig de voorwaarden van dat wetenschappelijk advies moet de flexibiliteit (bijzondere voorwaarde) voor horsmakrelen tussen ICES-deelgebied 9 en ICES-sector 8c voor 2021 worden vastgesteld op 10 %.

(19)

Voor bestanden waarvoor onvoldoende gegevens of geen betrouwbare gegevens voorhanden zijn om de omvang ervan te kunnen ramen, moeten de beheersmaatregelen en de TAC-niveaus worden vastgesteld volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en met inachtneming van bestandspecifieke factoren, waaronder met name de beschikbare gegevens over de ontwikkeling van de bestanden en overwegingen betreffende gemengde visserijen.

(20)

Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (6) zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's ingevoerd, waaronder de flexibiliteitsbepalingen van de artikelen 3 en 4 van die verordening voor voorzorgs- en analytische TAC's. Krachtens artikel 2 van die verordening moet de Raad bij de vaststelling van de TAC's bepalen voor welke bestanden artikel 3 of 4 niet van toepassing is, gelet op met name de biologische toestand van de bestanden. In 2014 is bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een verdere jaarflexibiliteit ingevoerd voor alle bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting geldt. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee zou aantasten, een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB, en tot een verslechtering van de biologische toestand van de bestanden zou leiden, moet worden besloten dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen van toepassing zijn op analytische TAC's wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(21)

Aangezien ook de biomassa's van de bestanden COD/03AS, COD/5BE6A, WHG/56-14, WHG/07A en PLE/7HJK onder Blim liggen en in 2021 uitsluitend bijvangsten en wetenschappelijke visserij zijn toegestaan, hebben België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Nederland en Zweden toegezegd artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ten aanzien van deze bestanden niet te zullen toepassen op overdrachten van 2020 naar 2021, zodat de vangsten in 2021 de voor deze bestanden vastgestelde TAC niet zullen overschrijden.

(22)

Indien voor een bepaald bestand een TAC slechts aan één lidstaat wordt toegewezen, is het dienstig deze lidstaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag te machtigen het niveau van die TAC vast te stellen. Er moeten regelingen worden getroffen om te garanderen dat de betrokken lidstaat bij het vaststellen van dit TAC-niveau volledig in overeenstemming met de beginselen en voorschriften van het GVB handelt.

(23)

De maxima voor de visserijinspanning voor 2021 moeten worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 5, 6, 7 en 9 van en bijlage I bij Verordening (EU) 2016/1627.

(24)

Teneinde de volledige benutting van de vangstmogelijkheden te waarborgen, behoort de mogelijkheid te worden geboden om tussen bepaalde TAC-gebieden met hetzelfde biologische bestand een flexibele regeling toe te passen.

(25)

Voor sommige soorten, zoals bepaalde haaiensoorten, kan zelfs een beperkte visserijactiviteit een ernstig risico voor de instandhouding van de soort inhouden. Voor dergelijke soorten moeten de vangstmogelijkheden derhalve tot nul worden gereduceerd door een totaalverbod op die visserij.

(26)

Tijdens de 12e Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, die van 23 tot en met 28 oktober 2017 in Manilla is gehouden, is een aantal diersoorten toegevoegd aan de lijst van beschermde soorten in de bijlagen I en II bij dat verdrag. Daarom is het wenselijk te bepalen dat Unievissersvaartuigen die in ongeacht welke wateren vissen en vissersvaartuigen van buiten de Unie die in de wateren van de Unie vissen, de beschermde status van deze soorten in acht moeten nemen.

(27)

De bij deze verordening voor Unievissersvaartuigen vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (7), en met name de artikelen 33 en 34 van die verordening betreffende de registratie van de vangsten en de visserij-inspanning, respectievelijk de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden. Derhalve dient te worden gepreciseerd welke codes de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens over aanlandingen van onder deze verordening vallende bestanden indienen bij de Commissie.

(28)

Het is aan te bevelen, conform het advies van de ICES, een specifiek systeem voor het beheer van zandspieringen en bijvangsten in de wateren van de Unie van ICES-sectoren 2a en 3a en ICES-deelgebied 4 te behouden. Het wetenschappelijke advies van de ICES wordt pas in februari 2021 verwacht, en daarom is het raadzaam de TAC's en quota voor dit bestand voorlopig op nul vast te stellen.

(29)

De TAC voor de Unie voor Groenlandse heilbot in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden 1 en 2 laat het standpunt van de Unie over het aandeel dat de Unie in deze visserij toekomt, onverlet.

(30)

De Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (North-East Atlantic Fisheries Commission – NEAFC) heeft tijdens haar jaarvergadering in 2020 een instandhoudingsmaatregel vastgesteld voor de twee roodbaarsbestanden in de Irminger Zee, waarbij gerichte visserij op die bestanden wordt verboden. Daarnaast werd een verbod ingesteld op visserij-activiteiten in het gebied waar roodbaarzen bijeenkomen, om bijvangsten ervan tot een minimum te beperken. Die NEAFC-maatregel, die is gebaseerd is op het ICES-advies voor nulvangsten, moet in Uniewetgeving worden omgezet. De NEAFC is er niet in geslaagd een aanbeveling aan te nemen voor roodbaarzen in de ICES-deelgebieden 1 en 2. Voor dit bestand moet de betrokken TAC worden vastgesteld in overeenstemming met het in de NEAFC ingenomen standpunt van de Unie.

(31)

Vanwege de COVID-19-pandemie is de jaarvergadering van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) voor 2020 vervangen door een besluitvormingsproces via briefwisseling, dat in oktober 2020 van start is gegaan en begin januari 2021 moet eindigen. Een van de belangrijkste doelstellingen van dat besluitvormingsproces was te voorzien in de mogelijkheid van een verlenging van bestaande maatregelen die in 2020 eindigen, waar nodig met kleine technische aanpassingen.

(32)

ICCAT-aanbeveling [19-04] voor een beheersplan voor blauwvintonijn zijn alleen TAC's vastgelegd voor 2019 en 2020. Daarom moet door de ICCAT nog een besluit worden genomen over het TAC-niveau voor 2021. Gezien het besluitvormingsproces van 2020 is voorgesteld het wetenschappelijk advies te volgen waarin wordt aanbevolen de TAC op 36 000 ton te houden. Hoewel er een consensus lijkt te bestaan over de hoogte van de TAC, bestaat het risico dat de ICCAT de TAC niet formeel goedkeurt voordat deze verordening wordt vastgesteld. De TAC moet daarom op dat niveau worden vastgesteld, maar moet zo spoedig mogelijk worden herzien indien de ICCAT een andere TAC vaststelt.

(33)

Tijdens het ICCAT-besluitvormingsproces van 2020 heeft de Unie een alomvattend plan voorgesteld met een TAC om onmiddellijk een einde te maken aan de overbevissing van kortvinmakreelhaai in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan, samen met een reeks flankerende maatregelen om de sterfte ervan verder terug te dringen. Aangezien er in de ICCAT geen consensus heerst, dat bestand er zeer slecht aan toe is, en de Unie verantwoordelijk is voor twee derde van het volume aan vangsten, moet de Unie voor die soort een unilaterale vangstbeperking instellen. Die vangstbeperking zou overeenkomen met het Unie-aandeel van de door het wetenschappelijk comité op ICCAT-niveau verlangde beperking.

(34)

ICCAT-aanbeveling 17-04 inzake een bevissingsregel (HCR) voor Noord-Atlantische witte tonijn legt alleen een TAC vast voor de periode 2018-2020. Daarom moet door de ICCAT nog een besluit worden genomen over het TAC-niveau voor 2021. Gezien het besluitvormingsproces van 2020 is voorgesteld het wetenschappelijk advies te volgen, waarin wordt aanbevolen de nieuwe TAC vast te stellen op basis van de huidige HCR, en dat slechts voor één jaar een pro-rataverhoging van de vangst- en andere beperkingen wordt toegepast. Hoewel er een consensus lijkt te bestaan over de hoogte van de TAC, bestaat het risico dat de ICCAT de TAC niet formeel goedkeurt voordat deze verordening wordt vastgesteld. De TAC moet daarom op dit niveau worden vastgesteld, maar moet zo spoedig mogelijk worden herzien indien de ICCAT een andere TAC vaststelt.

(35)

Gezien het besluitvormingsproces van 2020 heeft de ICCAT de TAC's voor grootoogtonijn, geelvintonijn, blauwe marlijn en witte marlijn nog niet formeel vastgelegd. Hoewel er een consensus lijkt te bestaan over de hoogte van de TAC's, bestaat het risico dat de ICCAT de TAC's niet formeel goedkeurt voordat deze verordening wordt vastgesteld. De TAC's moeten daarom op dat niveau worden vastgesteld, maar moeten zo spoedig mogelijk worden herzien indien de ICCAT andere TAC's vaststelt.

(36)

Tijdens hun jaarvergadering in 2020 hebben de partijen bij de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (Commission for the Conservation of Antarctic Marine Living Resources – CCAMLR) vangstbeperkingen voor zowel doelsoorten als bijvangstsoorten voor de periode van 1 december 2020 tot en met 30 november 2021 aangenomen. Bij de vaststelling van vangstmogelijkheden voor 2021 moet rekening worden gehouden met de benutting van de quota in 2020.

(37)

Tijdens haar jaarvergadering in 2020 heeft de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (Indian Ocean Tuna Commission — IOTC) de eerder vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen gehandhaafd. Die maatregelen moeten in het Unierecht van toepassing blijven.

(38)

De jaarvergadering van de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (South Pacific Regional Fisheries Management Organisation – SPRFMO) vindt plaats van 21 januari tot en met 1 februari 2021. In afwachting van die jaarvergadering dienen de bestaande maatregelen in het SPRFMO-verdragsgebied voorlopig te worden gehandhaafd.

(39)

Tijdens haar jaarvergadering in 2020 is de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (Inter-American Tropical Tuna Commission – IATTC) niet tot een consensus gekomen over de verlenging van de meest recente maatregel voor tropische tonijn, die op 31 december 2020 is verstreken. Vanaf 1 januari 2021 zal de visserij op tropische tonijn in het oostelijke deel van de Stille Oceaan dus niet gereglementeerd zijn. Gezien het voorzorgsbeginsel van het GVB is het wenselijk dat de Unie de bepalingen over tropische tonijn in Verordening (EU) 2020/123 van de Raad (8) blijft toepassen totdat de IATTC een nieuwe maatregel voor tropische tonijn overeenkomt.

(40)

Tijdens haar jaarvergadering in 2020 heeft de Commissie voor de instandhouding van de zuidelijke blauwvintonijn (Commission for the Conservation of Southern Bluefin Tuna – CCSBT) de bij de jaarvergadering van 2016 aangenomen TAC voor zuidelijke blauwvintonijn voor 2021 bevestigd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(41)

Tijdens haar jaarvergadering in 2020 heeft de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (South East Atlantic Fisheries Organisation — Seafo) besloten om in 2021 de TAC's voor 2020 voor de belangrijkste onder haar bevoegdheid vallende soorten toe te passen tot haar volgende jaarvergadering in 2021. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(42)

De Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan (Western and Central Pacific Fisheries Commission – WCPFC) heeft tijdens haar jaarvergadering in 2020 de instandhoudings- en beheersmaatregelen voor tropische tonijn verlengd. Ook werden de vangstbeperkingen op grootoogtonijn voor Unie-vaartuigen voor de beugvisserij verduidelijkt. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(43)

Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2020 heeft de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (North West Atlantic Fisheries Organisation – NAFO) een aantal vangstmogelijkheden voor 2021 vastgesteld voor bepaalde bestanden in de deelgebieden 1 tot en met 4 van het NAFO-verdragsgebied. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(44)

Tijdens de 7e vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Southern Indian Ocean Fisheries Agreement –SIOFA) in 2020 zijn de in 2019 vastgestelde TAC's voor de bestanden die onder de overeenkomst vallen gehandhaafd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(45)

Wat de vangstmogelijkheden voor sneeuwkrabben rond het Svalbard-gebied betreft, verleent het Verdrag van 9 februari 1920 inzake Spitsbergen (Svalbard) ( het ''Verdrag van Parijs van 1920'') alle partijen bij dat verdrag gelijkelijk en zonder onderscheid toegang tot de hulpbronnen, ook wat visserij betreft. De Unie heeft haar standpunt aangaande dat toegangsrecht met betrekking tot de visserij op sneeuwkrabben op het continentaal plat rond de Svalbard-archipel uiteengezet in twee nota's-verbaal aan Noorwegen d.d. 25 oktober 2016 en 24 februari 2017. Teneinde te garanderen dat de exploitatie van sneeuwkrabben in het Svalbard-gebied in overeenstemming is met de niet-discriminerende beheersregels die zouden kunnen worden vastgesteld door Noorwegen, dat binnen de grenzen van dat verdrag soevereiniteit en jurisdictie over het gebied heeft, is het dienstig te bepalen hoeveel vaartuigen tot deze visserijtak worden toegelaten. De verdeling van deze vangstmogelijkheden onder de lidstaten geldt alleen voor 2021. Er wordt aan herinnerd dat in de Unie de primaire verantwoordelijkheid voor de naleving van de toepasselijke wetgeving bij de vlaggenlidstaten berust.

(46)

Overeenkomstig de door de Unie tot de Bolivariaanse Republiek Venezuela gerichte verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in de wateren van de Unie aan vissersvaartuigen die de vlag van de Bolivariaanse Republiek Venezuela voeren in de exclusieve economische zone voor de kust van Frans-Guyana (9), moet worden bepaald welke vangstmogelijkheden voor snappers in de wateren van de Unie ter beschikking van Venezuela worden gesteld.

(47)

Aangezien sommige bepalingen continu moeten worden toegepast, en teneinde een gebrek aan rechtszekerheid te voorkomen in de periode tussen het einde van 2021 en de datum van inwerkingtreding van de verordening waarbij de vangstmogelijkheden voor 2022 worden vastgesteld, dienen de in deze verordening opgenomen bepalingen betreffende verbodsbepalingen en gesloten seizoenen van toepassing te blijven aan het begin van 2022, tot aan de inwerkingtreding van de verordening waarbij de vangstmogelijkheden voor 2022 worden vastgesteld.

(48)

Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de machtiging van individuele lidstaten om toegewezen visserij-inspanningen te beheren volgens een systeem van kilowatt per dag. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (10).

(49)

Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de toekenning van extra zeedagen voor de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten en voor de versterkte aanwezigheid van wetenschappelijke waarnemers, alsmede met betrekking tot de opstelling van spreadsheetformats voor het verzamelen en doorsturen van informatie betreffende de overdracht van zeedagen tussen vissersvaartuigen die de vlag van dezelfde lidstaat voeren. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011.

(50)

Opdat de visserijactiviteiten niet worden onderbroken en het inkomen van de vissers in de Unie wordt veiliggesteld, dient deze verordening met ingang van 1 januari 2021 van toepassing te zijn, met uitzondering van de bepalingen betreffende de beperkingen van de visserijinspanning, die van toepassing moeten zijn vanaf 1 februari 2021, en sommige bepalingen betreffende bijzondere gebieden, waarvoor een specifieke toepassingsdatum moet gelden. Gezien de urgentie dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden.

(51)

Bepaalde internationale maatregelen waarbij vangstmogelijkheden voor de Unie worden ingesteld of beperkt, worden aan het einde van het jaar door de betrokken regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB’s) vastgesteld en worden vóór de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing. De bepalingen tot omzetting van deze maatregelen in Unierecht dienen derhalve met terugwerkende kracht van toepassing te zijn. Aangezien het visseizoen in het CCAMLR-verdragsgebied loopt van 1 december tot en met 30 november en bepaalde vangstmogelijkheden of -verboden in het CCAMLR-verdragsgebied derhalve worden vastgesteld voor een periode die ingaat op 1 december 2020, dienen de desbetreffende bepalingen van deze verordening vanaf die datum van toepassing te zijn. Deze toepassing met terugwerkende kracht laat het beginsel van gewettigd vertrouwen onverlet, aangezien CCAMLR-leden niet zonder machtiging in het CCAMLR-verdragsgebied mogen vissen.

(52)

Vanwege de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden veel bestanden voortaan gedeelde bestanden. De Commissie zal bilateraal overleg plegen met het Verenigd Koninkrijk, bilateraal overleg met Noorwegen en trilateraal overleg met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen, op basis van een ontwerpstandpunt van de Unie dat door de Raad moet worden goedgekeurd. Aangezien dat overleg nog niet is afgerond, moet de Raad, met volledige inachtneming van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) en de rechten en verplichtingen van de kuststaten, alsook hun soevereiniteit en rechtsmacht, voorlopige TAC's vastleggen voor de Uniewateren en de internationale wateren, en de wateren waartoe Unievaartuigen toegang krijgen van derde landen.

(53)

Met de voorlopige TAC's moet worden beoogd ervoor te zorgen dat de duurzame visserijactiviteiten van de Unie worden voortgezet totdat dit overleg is afgerond overeenkomstig het juridisch kader en de internationale verplichtingen van de Unie of, indien dat niet mogelijk is, totdat de Raad in 2021 unilaterale Unie-TAC's vaststelt. In geen geval mogen deze voorlopige vangstmogelijkheden de vaststelling van definitieve vangstmogelijkheden – in overeenstemming met internationale overeenkomsten, met name de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (11), die voorlopig van toepassing is vanaf januari 2021 (12), en de resultaten van raadplegingen, het rechtskader van de Unie en wetenschappelijk advies – in de weg staan. Als algemene oriëntatie moeten deze niveaus overeenkomen met 25 % van het Unieaandeel van de voor 2020 vastgestelde vangstmogelijkheden. Het aandeel van de Unie in die vangstmogelijkheden is berekend volgens het beginsel van relatieve stabiliteit en de preferenties van Den Haag. Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de aanpak die in toekomstige internationale overeenkomsten kan worden gevolgd. In een zeer beperkt aantal gevallen moet een ander percentage worden gebruikt, met name indien de bestanden voornamelijk aan het begin van het jaar worden bevist of indien de vangstmogelijkheden volgens wetenschappelijk advies sterk moeten worden verlaagd. De Unie heeft de betrokken derde landen geraadpleegd over de aanpak voor de vaststelling van voorlopige TAC's.

(54)

Uit wetenschappelijke informatie blijkt dat de paaibiomassa van zeebaars in de Keltische Zee, het Kanaal, de Ierse Zee en het zuidelijke deel van de Noordzee (ICES-sectoren 4b, 4c, 7a en 7d tot en met 7h) sinds 2009 afneemt en momenteel lager is dan de MDO Btrigger en net boven Blim. De visserijsterfte is als gevolg van de door de Unie genomen maatregelen gedaald en ligt thans onder FMDO-puntwaarde. De populatietoename is evenwel laag, en laat sinds 2008 schommelingen zien maar geen trend. Daarom moeten de vangstbeperkingen voorlopig worden gehandhaafd in afwachting van het overleg met derde landen, en moet er tegelijk voor gezorgd worden dat het streefdoel voor visserijsterfte voor dit bestand niet hoger ligt dan de MDO. Aangezien Europese zeebaars in dat gebied een met derde landen gedeeld bestand is, moeten er voor het eerste kwartaal van 2021 voorlopige maatregelen voor worden vastgesteld, in afwachting van de resultaten van de internationale onderhandelingen en raadplegingen.

(55)

Het ICES-advies voor 2021 geeft aan dat de omvang van de kabeljauw- en wijtingbestanden in de Keltische Zee onder de Blim ligt. Voor deze bestanden zijn reeds specifieke herstelmaatregelen genomen krachtens Verordening (EU) 2020/123. Deze maatregelen hadden tot doel bij te dragen aan het herstel van de betrokken bestanden. De maatregelen voor kabeljauw moeten de selectiviteit verbeteren door het gebruik van vistuig met lagere bijvangstniveaus voor kabeljauw te verplichten in gebieden met significante kabeljauwvangsten, waardoor de visserijsterfte van dit bestand in gemengde visserijen daalt. De maatregelen voor wijting bestaan uit technische aanpassingen van vistuigkenmerken om bijvangsten van wijting te beperken. Overeenkomstig artikel 8 van het meerjarenplan voor de westelijke wateren moeten, indien uit wetenschappelijk advies blijkt dat de omvang van de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, van dat plan bedoelde bestanden lager is dan de Blim, aanvullende herstelmaatregelen worden genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen deze herstelmaatregelen inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt geschorst en de vangstmogelijkheden voor die bestanden en/of andere bestanden in de visserijen met bijvangsten van kabeljauw of wijting op passende wijze worden verlaagd.

(56)

De maatregelen ter vermindering van bijvangsten van kabeljauwachtigen zijn functioneel gekoppeld aan de TAC's voor soorten die in gemengde visserijen samen met kabeljauwachtigen worden gevangen (zoals schelvis, scharretong, zeeduivel en langoustine), aangezien zonder deze maatregelen de TAC-niveaus voor doelsoorten zouden moeten worden verlaagd om ervoor te zorgen dat de bestanden van kabeljauwachtigen zich kunnen herstellen. Daarom wordt voorgesteld die maatregelen ook voor 2021 vast te stellen, rekening houdend met de verdere beoordeling van deze maatregelen en de werkzaamheden van de lidstaten van de noordwestelijke wateren.

(57)

In overeenstemming met het regionaliseringsproces van het GVB hebben de lidstaten van de noordwestelijke wateren een gezamenlijke aanbeveling ingediend over een breder scala aan specifieke maatregelen om bijvangsten van kabeljauw en wijting in de Keltische Zee en aangrenzende gebieden te verminderen op basis van de corrigerende maatregelen die in 2020 van kracht waren. Aanvullende selectiviteitsmaatregelen om de bijvangsten van kabeljauwachtigen in de Ierse Zee en ten westen van Schotland te verminderen, zijn ook opgenomen in de gezamenlijke aanbeveling, op basis van soortgelijke maatregelen die in 2020 van kracht waren.

(58)

Het WTECV is van mening dat de voorgestelde maatregelen over het algemeen selectiever of ten minste even selectief zijn als de technische maatregelen in Verordening (EU) nr. 2019/1241 van het Europees Parlement en van de Raad (13) en de Commissie overweegt momenteel deze maatregelen op te nemen in een gedelegeerde handeling die is gebaseerd op de gezamenlijke aanbeveling die is ingediend door de lidstaten die een rechtstreeks belang hebben bij het beheer van de noordwestelijke wateren.

(59)

Aangezien die maatregelen uitgebreider zijn en op stabielere basis zullen worden toegepast, dienen de functioneel gekoppelde technische maatregelen alleen van toepassing te zijn in afwezigheid van een overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241 vastgestelde gedelegeerde handeling, waarbij bijlage VI bij die verordening door de invoering van overeenkomstige technische maatregelen voor de noordwestelijke wateren wordt gewijzigd.

(60)

De vangstmogelijkheden moeten geheel in overeenstemming met het Unierecht worden gebruikt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij deze verordening worden de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden vastgesteld die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie beschikbaar zijn.

2.   De in lid 1 bedoelde vangstmogelijkheden omvatten:

a)

de vangstbeperkingen voor 2021 en, waar zulks in deze verordening is bepaald, voor 2022;

b)

de beperkingen van de visserijinspanning voor 2021, met uitzondering van de in bijlage II vermelde beperkingen van de visserijinspanning, die van toepassing zijn van 1 februari 2021 tot en met 31 januari 2022;

c)

de vangstmogelijkheden voor de periode van 1 december 2020 tot en met 30 november 2021 voor bepaalde bestanden in het CCAMLR-verdragsgebied.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op de volgende vaartuigen:

a)

vissersvaartuigen van de Unie;

b)

vaartuigen van derde landen in de wateren van de Unie.

2.   Deze verordening is tevens van toepassing op:

a)

de recreatievisserij indien daar in de desbetreffende bepalingen van deze verordening uitdrukkelijk naar wordt verwezen, en

b)

op de commerciële visserij vanaf de kust.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Daarnaast wordt verstaan onder:

a)

“vaartuig van een derde land”: een vissersvaartuig dat de vlag voert van en is geregistreerd in een derde land;

b)

“recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de biologische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden;

c)

“internationale wateren”: wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen;

d)

“totaal toegestane vangst” (TAC):

i)

in vormen van visserij die vallen onder de in artikel 15, leden 4 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting: de hoeveelheid vis die elk jaar van elk bestand mag worden aangeland;

ii)

in de overige vormen van visserij: de hoeveelheid vis die elk jaar van elk bestand mag worden gevangen;

e)

“quotum”: een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land;

f)

“analytische evaluaties”: kwantitatieve evaluatie van trends in een bepaald bestand, op basis van gegevens over de biologie en de exploitatie van dat bestand, die blijkens wetenschappelijke toetsing van voldoende kwaliteit zijn om wetenschappelijke adviezen over opties voor toekomstige vangsten op te baseren;

g)

“maaswijdte”: de maaswijdte van visnetten in de zin van artikel 6, punt 34, van Verordening (EU) 2019/1241;

h)

“vissersvlootregister van de Unie”: het register dat door de Commissie is ingesteld overeenkomstig artikel 24, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

i)

“visserijlogboek”: het logboek als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

j)

“instrumentboei”: een boei die duidelijk is gemarkeerd met een uniek referentienummer waarmee de eigenaar kan worden geïdentificeerd en die is uitgerust met een satellietvolgsysteem om de positie ervan te monitoren;

k)

“operationele boei”: een vooraf geactiveerde instrumentboei die is ingeschakeld en op een niet-verankerde visaantrekkende voorziening (fish aggregating device — FAD) of boomstam is uitgezet op zee, die posities of andere beschikbare informatie zoals echoloodpeilingen verstuurt.

Artikel 4

Visserijzones

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende afbakening van visserijzones:

a)

voor de ICES-zones (International Council for the Exploration of the Sea – Internationale Raad voor het onderzoek van de zee): de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad (14) gespecificeerde geografische gebieden;

b)

voor het Skagerrak: het geografische gebied dat in het westen wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Hanstholm naar die van Lindesnes, en in het zuiden door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbijgelegen punt op de Zweedse kust;

c)

voor het Kattegat: het geografische gebied dat in het noorden wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbijgelegen punt op de Zweedse kust, en in het zuiden door een lijn van Kaap Hasenøre naar Kaap Gniben, van Korshage naar Spodsbjerg en van Kaap Gilbjerg naar Kullen;

d)

voor functionele eenheid 16 van ICES-deelgebied 7: het geografische gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

53°30' N.B. 15°00' W.L.,

53°30' N.B. 11°00' W.L.,

51°30' N.B. 11°00' W.L.,

51°30' N.B. 13°00' W.L.,

51°00' N.B. 13°00' W.L.,

51°00' N.B. 15°00' W.L.;

e)

voor functionele eenheid 25 van ICES-sector 8c: het geografische zeegebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

43°00' N.B. 9°00' W.L.,

43°00' N.B. 10°00' W.L.,

43°30' N.B. 10°00' W.L.,

43°30' N.B. 9°00' W.L.,

44°00' N.B. 9°00' W.L.,

44°00' N.B. 8°00' W.L.,

43°30' N.B. 8°00' W.L.;

f)

voor functionele eenheid 26 van ICES-sector 9a: het geografische gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

43°00' N.B. 8°00' W.L.,

43°00' N.B. 10°00' W.L.,

42°00' N.B. 10°00' W.L.,

42°00' N.B. 8°00' W.L.;

g)

voor functionele eenheid 27 van ICES-sector 9a: het geografische gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

42°00' N.B. 8°00' W.L.,

42°00' N.B. 10°00' W.L.,

38°30' N.B. 10°00' W.L.,

38°30' N.B. 9°00' W.L.,

40°00' N.B. 9°00' W.L.,

40°00' N.B. 8°00' W.L.;

h)

voor functionele eenheid 30 van ICES-sector 9a: het geografische gebied onder de jurisdictie van Spanje in de Golf van Cádiz en in de aangrenzende wateren van 9a;

i)

voor functionele eenheid 31 van ICES-sector 8c: het geografische zeegebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

43°30' N.B. 6°00' W.L.,

44°00' N.B. 6°00' W.L.,

44°00' N.B. 2°00' W.L.,

43°30' N.B. 2°00' W.L.;

j)

voor de Golf van Cádiz: het geografische gebied van ICES-sector 9a ten oosten van 7° 23′ 48″ W.L.;

k)

voor het CCAMLR-verdragsgebied: het geografische gebied als gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad (15);

l)

voor de Cecaf-zones (Committee for Eastern Central Atlantic Fisheries – Visserijcommissie voor het centraaloostelijke deel van de Atlantische Oceaan): de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad (16) gespecificeerde geografische gebieden;

m)

voor het IATTC-verdragsgebied: het geografische gebied als omschreven in het verdrag ter versterking van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn opgericht bij het verdrag van 1949 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Costa Rica (17);

n)

voor het ICCAT-verdragsgebied: het geografische gebied als omschreven in het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (18);

o)

voor het IOTC-bevoegdheidsgebied: het geografische gebied als omschreven in de Overeenkomst tot oprichting van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (19);

p)

voor de NAFO-zones: de geografische gebieden als gespecificeerd in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 217/2009 van het Europees Parlement en de Raad (20);

q)

voor het Seafo-verdragsgebied: het geografische gebied als omschreven in het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (21);

r)

voor het SIOFA-overeenkomstgebied: het geografische gebied als omschreven in de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (22);

s)

voor het SPRFMO-verdragsgebied: het geografische gebied als omschreven in het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (23);

t)

voor het WCPFC-verdragsgebied: het geografische gebied als omschreven in het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (24);

u)

voor de volle zee van de Beringzee: het geografische gebied van de volle zee van de Beringzee vanaf 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zeeën van de aan de Beringzee gelegen kuststaten wordt gemeten;

v)

voor het overlappende gebied tussen de IATTC en de WCPFC: het geografische gebied dat wordt begrensd door:

lengtegraad 150° W.L.,

lengtegraad 130° W.L.,

breedtegraad 4° Z.B.,

breedtegraad 50° Z.B.

TITEL II

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 5

TAC's en toewijzingen

1.   De TAC's voor Unievissersvaartuigen in de wateren van de Unie of bepaalde wateren buiten de Unie en de toewijzing van deze TAC's aan de lidstaten, alsmede eventuele voorwaarden die er functioneel verband mee houden, zijn vastgesteld in bijlage I.

2.   Unievissersvaartuigen mogen, met inachtneming van de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde TAC's en de voorschriften in artikel 22 van en bijlage V, deel A, bij deze verordening en in Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (25) en de uitvoeringsbepalingen daarvan, vissen in de wateren die onder de visserij-jurisdictie van de Faeröer, Groenland en Noorwegen vallen, en in de visserijzone rond Jan Mayen.

3.   Vissersvaartuigen van de Unie kunnen toestemming krijgen om, met inachtneming van de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde TAC's, te vissen in de wateren die onder de visserij-jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk vallen, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 22 van deze verordening en Verordening (EU) 2017/2403 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

Artikel 6

Door de lidstaten vast te stellen TAC's

1.   Voor bepaalde visbestanden worden de TAC's door de betrokken lidstaat vastgesteld. Deze bestanden worden opgesomd in bijlage I.

2.   De door een lidstaat vast te stellen TAC's:

a)

zijn consistent met de beginselen en voorschriften van het GVB, en met name met het beginsel van duurzame exploitatie van de bestanden, en

b)

zijn zodanig gekozen dat:

i)

indien er analytische evaluaties beschikbaar zijn, de exploitatie van het bestand met de hoogste waarschijnlijkheid overeenstemt met de MDO, of

ii)

indien er geen of onvolledige analytische evaluaties beschikbaar zijn, de exploitatie van het bestand in lijn is met de voorzorgsbenadering voor het visserijbeheer.

3.   Elke betrokken lidstaat verstrekt de Commissie uiterlijk op 15 maart 2021 de volgende gegevens:

a)

de vastgestelde TAC's;

b)

de door de lidstaat verzamelde en beoordeelde gegevens waarop de vastgestelde TAC's zijn gebaseerd;

c)

nadere gegevens over hoe de vastgestelde TAC's aan lid 2 voldoen.

Artikel 7

Toepassing van voorlopige TAC's

1.   Wanneer in een tabel met vangstmogelijkheden in bijlage IA of bijlage IB naar dit lid wordt verwezen, zijn de vangstmogelijkheden in die tabel van voorlopige aard en zijn ze van toepassing van 1 januari tot en met 31 maart 2021. Deze voorlopige vangstmogelijkheden laten de vaststelling van definitieve vangstmogelijkheden voor 2021, in overeenstemming met de resultaten van internationale onderhandelingen of raadplegingen, wetenschappelijk advies, de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en de desbetreffende meerjarenplannen, onverlet.

2.   Unievaartuigen mogen vissen op bestanden waarvoor voorlopige vangstmogelijkheden gelden als bedoeld in lid 1 in Uniewateren en internationale wateren en in wateren van derde landen die Unievaartuigen toegang tot hun wateren hebben verleend.

Artikel 8

Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

1.   Vangsten waarvoor de aanlandingsverplichting van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 niet geldt, mogen slechts aan boord worden gehouden of worden aangeland mits:

a)

de vis is gevangen met vaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat die over een quotum beschikt, en dat quotum nog niet is opgebruikt, of

b)

zij deel uitmaken van een quotum van de Unie dat niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, en dat quotum van de Unie nog niet is opgebruikt.

2.   De in artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde bestanden van niet-doelsoorten die zich binnen biologisch veilige grenzen bevinden, worden in bijlage I bij deze verordening vastgesteld met het oog op de in dat artikel vastgestelde afwijking van de verplichting om vangsten in mindering te brengen op de betrokken quota.

Artikel 9

Quotumruilmechanisme voor TAC's voor onvermijdelijke bijvangsten ten aanzien van de aanlandingsverplichting

1.   Om rekening te houden met de invoering van de aanlandingsverplichting en om quota beschikbaar te stellen voor de lidstaten zonder quotum voor bepaalde bijvangsten, geldt het in de leden 2 tot en met 5 ingestelde quotumruilmechanisme voor de in bijlage IA vermelde TAC's.

2.   6 % van elk quotum van de voorlopige TAC's voor kabeljauw in de Keltische Zee, kabeljauw in het gebied ten westen van Schotland, wijting in de Ierse Zee en schol in ICES-sectoren 7h, 7j en 7k, en 3 % van elk quotum van de voorlopige TAC voor wijting in het gebied ten westen van Schotland, die aan elke lidstaat zijn toegewezen, worden opgenomen in een quotumruilsysteem, dat opengesteld wordt op 1 januari 2021. De lidstaten zonder quota hebben exclusieve toegang tot het quotumruilsysteem tot en met 31 maart 2021.

3.   De hoeveelheden die uit het systeem worden gehaald, mogen niet worden geruild of overgedragen naar het volgende jaar. Na 31 maart 2021 worden ongebruikte hoeveelheden teruggegeven aan de lidstaten die in het begin aan het quotumruilsysteem hebben bijgedragen.

4.   De quota die in ruil gegeven worden, komen bij voorkeur van een lijst met TAC's die iedere aan het systeem bijdragende lidstaat heeft vastgesteld, en die zijn opgenomen in het aanhangsel bij bijlage IA.

5.   Er wordt, aan de hand van een marktkoers of een andere voor beide partijen aanvaardbare wisselkoers, voor gezorgd dat de in lid 4 bedoelde quota commercieel gelijkwaardig zijn. Bij ontstentenis van een alternatieve regeling wordt voor commerciële gelijkwaardigheid gezorgd op basis van de gemiddelde prijzen van de Unie van het voorgaande jaar, zoals bepaald door de Waarnemingspost voor de EU-markt voor visserij- en aquacultuurproducten.

6.   Indien het voor de lidstaten niet mogelijk is om via het in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel beschreven quotumruilmechanisme hun onvermijdelijke bijvangsten in vergelijkbare mate te dekken, trachten de lidstaten het eens te worden over quota-uitwisselingen krachtens artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de geruilde quota commercieel gelijkwaardig zijn.

Artikel 10

Beperkingen van de visserij-inspanning in ICES-sector 7e

1.   Voor de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde perioden zijn de technische aspecten van de rechten en verplichtingen in verband met bijlage II voor het beheer van het tongbestand in ICES-sector 7e vastgesteld in bijlage II.

2.   De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, aan een verzoekende lidstaat extra zeedagen toekennen bovenop de in bijlage II, punt 5, bedoelde zeedagen, gedurende welke een vaartuig toestemming van zijn vlaggenlidstaat kan krijgen om in ICES-sector 7e aanwezig te zijn met gereglementeerd vistuig aan boord, en wel op basis van een verzoek van die lidstaat overeenkomstig die bijlage, punt 7.4. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, aan een verzoekende lidstaat maximaal drie extra dagen tussen 1 februari 2021 en 31 januari 2022 toekennen bovenop de in bijlage II, punt 5, bedoelde zeedagen, gedurende welke een vaartuig aanwezig mag zijn in ICES-sector 7e op basis van een programma voor versterkte aanwezigheid van wetenschappelijke waarnemers als bedoeld die bijlage, punt 8.1. Een dergelijke toekenning geschiedt op basis van de door de lidstaat overeenkomstig bijlage II, punt 8.3, ingediende beschrijving en na raadpleging van het WTECV. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 11

Maatregelen inzake zeebaarsvisserij

1.   Het is voor Unievissersvaartuigen en voor elke vorm van commerciële visserij vanaf de kust verboden om op zeebaars te vissen in ICES-sectoren 4b en 4c en in ICES-deelgebied 7. Het is tevens verboden om zeebaars die in die gebieden is gevangen, te houden, over te laden, te verplaatsen of aan te landen.

2.   In afwijking van lid 1 mogen Unievissersvaartuigen in januari 2021 in ICES-sectoren 4b, 4c, 7d, 7e, 7f en 7h, vissen op zeebaars, en zeebaars die in die gebieden is gevangen, houden, overladen, verplaatsen of aanlanden met het volgende vistuig en binnen de volgende limieten:

a)

bodemtrawls (26), voor onvermijdelijke bijvangsten van maximaal 520 kilogram per twee maanden en 5 % van het gewicht van de totale vangst mariene organismen aan boord die door dat vaartuig per visreis zijn gevangen;

b)

zegens (27), voor onvermijdelijke bijvangsten van maximaal 520 kilogram per twee maanden en 5 % van het gewicht van de totale vangst mariene organismen aan boord die door dat vaartuig per visreis zijn gevangen;

c)

haken en lijnen (28), maximaal 1,43 ton per vaartuig;

d)

vaste kieuwnetten (29), voor onvermijdelijke bijvangsten van maximaal 0,35 ton per vaartuig.

De in de eerste alinea geformuleerde afwijkingen zijn van toepassing op Unievissersvaartuigen die vangsten van zeebaars hebben geregistreerd in de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016: in punt c) voor geregistreerde vangsten met haken en lijnen, en in punt d) voor geregistreerde vangsten met vaste kieuwnetten. Wanneer een Unievissersvaartuig wordt vervangen, kunnen de lidstaten toestaan dat de afwijking geldt voor een ander vissersvaartuig, op voorwaarde dat het aantal Unievissersvaartuigen waarvoor de afwijking geldt en de totale vangstcapaciteit ervan niet toenemen.

3.   De vangstbeperkingen van lid 2 zijn niet overdraagbaar tussen vaartuigen en, indien een maandelijkse beperking van toepassing is, tussen maanden. Voor Unievissersvaartuigen die in één kalendermaand meer dan één vistuig gebruiken, geldt de laagste van de vangstbeperkingen die in lid 2 voor de betrokken vistuigen zijn vastgesteld.

De lidstaten melden uiterlijk 15 dagen na het einde van elke maand aan de Commissie hoeveel zeebaars per vistuigtype is gevangen.

4.   Frankrijk en Spanje zorgen ervoor dat de visserijsterfte van zeebaars in ICES-sectoren 8a en 8b ten gevolge van hun commerciële en recreatievisserij niet hoger is dan de FMDO-puntwaarde die overeenkomt met een totale vangst van 3 108 ton, zoals voorgeschreven in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2019/472.

5.   Bij recreatievisserij, inclusief vanaf de kust, in ICES-sectoren 4b, 4c, 6a en 7a tot en met 7k:

a)

is, wat zeebaars betreft, van 1 januari tot en met 28 februari alleen het vangen met hengel of handlijn en weer terugzetten toegestaan. Het is gedurende die periode verboden om zeebaars die in die gebieden is gevangen, te houden, te verplaatsen, over te laden of aan te landen;

b)

mogen van 1 tot en met 31 maart maximaal twee zeebaarzen per visser per dag worden gevangen en gehouden; De minimummaat voor bijgehouden zeebaars bedraagt 42 cm.

Punt b) van de eerste alinea is niet van toepassing op vaste netten, aangezien gedurende de in dat punt genoemde periode geen zeebaars in vaste netten mag worden gevangen of gehouden.

6.   Bij recreatievisserij in ICES-sectoren 8a en 8b, inclusief vanaf de kust, mogen per dag maximaal twee zeebaarzen per visser worden gevangen en gehouden. Dit lid is niet van toepassing op vaste netten, die niet mogen worden gebruikt om zeebaars te vangen of bij te houden.

7.   De leden 5 en 6 laten strengere nationale maatregelen inzake recreatievisserij onverlet.

Artikel 12

Maatregelen inzake Europese-aalvisserij in wateren van de Unie van het ICES-gebied

Gerichte, incidentele en recreatievisserij op Europese aal is verboden in wateren van de Unie van het ICES-gebied en in brakke wateren zoals estuaria, kustlagunes en overgangswateren, gedurende een periode van drie opeenvolgende maanden, die elke betrokken lidstaat zelf moet bepalen en die tussen 1 augustus 2021 en 28 februari 2022 moet vallen. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 juni 2021 van de door hen bepaalde periode in kennis.

Artikel 13

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden

1.   De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening over de lidstaten verdeeld zonder afbreuk te doen aan:

a)

de uitwisseling van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

c)

nieuwe toewijzingen op grond van de artikelen 12 en 47 van Verordening (EU) 2017/2403 van de Raad;

d)

het aanlanden van extra hoeveelheden op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 en artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

e)

de overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 en artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingehouden hoeveelheden;

f)

verlagingen en verminderingen op grond van de artikelen 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

g)

overdrachten en uitwisselingen van quota op grond van artikel 23 van deze verordening.

2.   Bestanden waarvoor voorzorgs-TAC's of analytische TAC's zijn vastgesteld, zijn opgenomen in bijlage I bij deze verordening met het oog op het meerjarenbeheer van de TAC's en quota als bedoeld in Verordening (EG) nr. 847/96.

3.   Tenzij anders vermeld in bijlage I bij deze verordening, is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor een voorzorgs-TAC is vastgesteld, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor een analytische TAC is vastgesteld.

4.   De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit als vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 14

Gesloten visseizoenen voor zandspieringen

De commerciële visserij op zandspieringen met bodemtrawls, zegens of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van minder dan 16 mm is in de ICES-sectoren 2a en 3a en ICES-deelgebied 4 verboden van 1 januari tot en met 31 maart 2021.

Artikel 15

Technische maatregelen voor kabeljauw en wijting in de Keltische Zee

1.   De volgende maatregelen zijn van toepassing op vaartuigen van de Unie die vissen met bodemtrawls en zegens in ICES-sectoren 7f en 7g, het deel van ICES-sector 7h ten noorden van 49° 30' noorderbreedte en het deel van ICES-sector 7j ten noorden van 49° 30' noorderbreedte en ten oosten van lengtegraad 11° westerlengte:

a)

Vaartuigen van de Unie die vissen met bodemtrawls of zegens gebruiken vistuig met de volgende maaswijdten:

i)

maaswijdte in de kuil van 110 mm, met netpaneel met vierkante mazen van 120 mm;

ii)

T-90-kuil met maaswijdte van 100 mm;

iii)

maaswijdte in de kuil van 120 mm;

iv)

maaswijdte van 100 mm, met netpaneel met vierkante mazen van 160 mm;

b)

Naast de in punt a) bedoelde maatregelen, gebruiken vaartuigen van de Unie die vissen met bodemtrawls waarvan de vangsten gemeten vóór de teruggooi ten minste voor 20 % uit schelvis bestaan, het volgende:

i)

vistuig met ten minste een meter afstand tussen de vislijn en grondpees, of

ii)

een middel dat volgens een evaluatie van de ICES of het WTECV minstens even selectief is gebleken bij het vermijden van kabeljauw, en is goedgekeurd door de Commissie.

2.   De lidstaten kunnen vaartuigen die vissen met bodemtrawls waarvan de vangsten, gemeten vóór de teruggooi, voor minder dan 1,5 % uit kabeljauw bestaan, vrijstellen van de toepassing van lid 1, onder b), op voorwaarde dat vanaf 1 juli 2021 de waarnemersdekking op zee geleidelijk toeneemt tot ten minste 20 % van al hun visreizen.

3.   Vaartuigen van de Unie die vissen met bodemtrawls en zegens mogen niet vissen in de ICES-sectoren 7f tot en met 7k en in het gebied ten westen van 5°W.L. in ICES-sector 7e, tenzij zij vissen met een maaswijdte in de kuil van minstens 100 mm. De voorgeschreven minimale maaswijdte in de kuil is echter niet van toepassing op vaartuigen waarvan de bijvangst van kabeljauw volgens de evaluatie van het WTECV niet hoger is dan 1,5 %, wanneer zij buiten de in lid 1 bedoelde gebieden vissen.

4.   De in lid 3 bedoelde maatregelen zijn met ingang van 1 juni 2021 van toepassing op vaartuigen van de Unie die vissen met bodemtrawls en zegens in de ICES-sectoren 7b en 7c. Vaartuigen van de Unie die in die gebieden vissen, mogen ook ander vistuig gebruiken dat volgens de evaluatie van het WTECV in gemengde demersale visserijvormen selectiviteitsmaatregelen oplevert die identiek zijn aan of beter dan die met een minimummaaswijdte van ten minste 100 mm voor de kuil, en dat is goedgekeurd door de Commissie.

5.   In afwijking van lid 1, in ICES-sectoren 7f, 7g, het deel van ICES-sector 7h ten noorden van 49° 30' noorderbreedte en het deel van ICES-sector 7j ten noorden van 49° 30' noorderbreedte en ten oosten van 11° westerlengte:

a)

vaartuigen die vissen met bodemtrawls of zegens waarvan de vangsten voor meer dan 30 % uit langoustines bestaan, gebruiken een van de volgende vistuigopties:

i)

een paneel met vierkante mazen van 300 mm. Vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter mogen echter een paneel met vierkante mazen van 200 mm gebruiken;

ii)

een Seltra-paneel;

iii)

een sorteerrooster met een maximumafstand van 35 mm tussen de staven als vermeld in deel B van bijlage VI bij Verordening (EU) 2019/1241 of een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening;

iv)

maaswijdte in de kuil van 100 mm, met netpaneel met vierkante mazen van 100 mm;

v)

een dubbele kuil waarbij de bovenste kuil uit T90-mazen van ten minste 90 mm bestaat en uitgerust is met een scheidingspaneel met een maximale maaswijdte van 300 mm;

b)

vaartuigen die vissen met bodemtrawls of zegens waarvan de vangsten voor meer dan 55 % uit wijting bestaan of voor meer dan 55 % uit een combinatie van zeeduivel, heek en schartong, gebruiken een van de volgende vistuigopties:

i)

maaswijdte in de kuil van 100 mm, met netpaneel met vierkante mazen van 100 mm;

ii)

T-90-kuil met maaswijdte van 100 mm.

6.   Overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en artikel 27, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241, worden de vangstpercentages berekend als het aandeel, per levend gewicht, van de totale hoeveelheid biologische rijkdommen van de zee die na elke visreis wordt aangeland.

Artikel 16

Technische maatregelen in de Ierse Zee

De volgende maatregelen zijn van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die vissen met bodemtrawls of zegens in ICES-sector 7a (Ierse Zee):

a)

vaartuigen die vissen met bodemtrawls of zegens met een maaswijdte in de kuil gelijk aan of groter dan 70 mm en kleiner dan 100 mm en waarvan de vangsten voor meer dan 30 % uit langoustine bestaan, gebruiken een van de volgende vistuigopties:

i)

een paneel met vierkante mazen van 300 mm. Vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter mogen echter een paneel met vierkante mazen van 200 mm gebruiken;

ii)

een Seltra-paneel;

iii)

een sorteerrooster met een afstand tussen de staven van 35 mm;

iv)

een Netgrid van het CEFAS (Centre for Environment, Fisheries and Aquaculture Science);

v)

een flipflaptrawl;

b)

vaartuigen met een lengte over alles van 12 meter of meer die vissen met bodemtrawls of zegens waarvan de vangsten van schelvis, kabeljauw en roggen samen meer dan 10 % uitmaken, gebruiken een kuil met een maaswijdte van 120 mm;

c)

vaartuigen met een lengte over alles van 12 meter of meer die vissen met bodemtrawls of zegens waarvan de vangsten van schelvis, kabeljauw en roggen samen minder dan 10 % uitmaken, passen een maaswijdte in de kuil van 100 mm met een paneel met vierkante mazen van 100 mm toe.

Het eerste lid, onder c), is niet van toepassing op vaartuigen waarvan de vangsten voor meer dan 30 % uit langoustine of voor meer dan 85 % uit wijde mantel (Aequipecten opercularis) bestaan.

Artikel 17

Technische maatregelen in het gebied ten westen van Schotland

De volgende maatregelen zijn van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die vissen met bodemtrawls of zegens in de ICES-sectoren 6a en 5b, in de wateren van de Unie, ten oosten van 12°WL (ten westen van Schotland) op langoustines (Nephrops norvegicus):

a)

de vaartuigen gebruiken een paneel met vierkante mazen (ongewijzigde positionering) van ten minste 300 mm voor vaartuigen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte in de kuil van minder dan 100 mm. Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 m of met een motorvermogen van 200 kW of minder mag de lengte van het paneel in totaal echter 2 m en de maaswijdte in het paneel 200 mm bedragen;

b)

vaartuigen waarvan de vangsten voor meer dan 30 % uit langoustine bestaan, gebruiken voor vaartuigen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte van 100-119 mm een paneel met vierkante mazen (ongewijzigde positionering) van ten minste 160 mm.

Artikel 18

Herstelmaatregelen voor kabeljauw in de Noordzee

1.   De voor visserij, met uitzondering van de visserij met pelagisch vistuig (ringzegens en trawls) gesloten gebieden, en de perioden tijdens welke de sluitingen van toepassing zijn, zijn vermeld in bijlage IV.

2.   Vaartuigen die met bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van ten minste 70 mm in ICES-sectoren 4a en 4b of ten minste 90 mm in ICES-sector 3a vissen, en beuglijnen (30), mogen niet vissen in de Uniewateren van ICES-sector 4a, ten noorden van 58° 30' 00" N.B. en ten zuiden van 61° 30' 00" N.B. en in de Uniewateren van ICES-sectoren 3a.20 (Skagerrak), 4a en 4b, ten noorden van 57° 00' 00" N.B. en ten oosten van 5 00' 00" O.L.

3.   In afwijking van lid 2 mogen de in lid 2 bedoelde vissersvaartuigen in dat lid bedoelde gebieden vissen mits zij aan ten minste een van de volgende criteria voldoen:

a)

het percentage kabeljauwvangsten bedraagt niet meer dan 5 % van de totale vangsten per visreis; vaartuigen waarvan de kabeljauwvangsten in de periode 2017-2019 niet meer dan 5 % van hun totale vangsten hebben overschreden, worden geacht aan dit criterium te voldoen, mits zij hetzelfde vistuig blijven gebruiken als in die periode. Dit vermoeden kan worden weerlegd;

b)

er wordt gebruikgemaakt van een gereguleerde en zeer selectieve bodemtrawl of zegen, hetgeen volgens een wetenschappelijke studie resulteert in een vermindering van de kabeljauwvangsten met ten minste 30 % in vergelijking met vaartuigen die vissen met gesleept vistuig waarvan de maaswijdte overeenkomt met de in bijlage V, deel B, punt 1.1, van Verordening (EU) 2019/1241 bepaalde basisnormen. Dergelijke studies kunnen door het WTECV worden geëvalueerd. Bij een negatieve evaluatie door het WTECV wordt dit vistuig niet meer aangemerkt als geldig voor gebruik in de in lid 2 van dit artikel bedoelde gebieden;

c)

bij vaartuigen die werken met bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van 100 mm en groter (TR1), wordt het volgende zeer selectieve vistuig gebruikt:

i)

belly trawls met een maaswijdte van de buik van ten minste 600 mm;

ii)

horizontale vislijn (0,6 m);

iii)

horizontale zeeflap met een wijdmazig ontsnappingspaneel;

d)

bij vaartuigen die werken met bodemtrawls en zegens met een maaswijdte van 70 mm en groter in ICES-sector 4a en 90 mm in ICES-sector 3a en minder dan 100 mm (TR2), wordt het volgende zeer selectieve vistuig gebruikt:

i)

horizontaal sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 50 mm tussen de staven voor het scheiden van platvis en rondvis, met een vrije uitlaat voor rondvis;

ii)

Seltra-paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 300 mm;

iii)

sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven, met een vrije uitlaat voor de vis;

e)

op de vaartuigen is een nationaal kabeljauwvermijdingsplan van toepassing om kabeljauwvangsten in stand te houden in lijn met de visserijsterfte die overeenkomt met de op wetenschappelijk advies gebaseerde vangstmogelijkheden door middel van ruimtelijke of technische maatregelen, of een combinatie daarvan. Dergelijke plannen worden uiterlijk twee maanden na de invoering ervan beoordeeld, in het geval van de lidstaten door het WTECV en in het geval van een derde land door de betrokken nationale wetenschappelijke instantie van dat derde land, en waar nodig herzien indien het doel van het nationaal kabeljauwvermijdingsplan volgens die beoordelingen niet wordt gehaald.

4.   De lidstaten intensiveren de monitoring, de controle en het toezicht ten aanzien van de in lid 2 bedoelde vaartuigen, teneinde de naleving van de voorwaarden van lid 3, onder a) tot en met e), te controleren.

5.   De in dit artikel bedoelde maatregelen zijn niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

Artikel 19

Herstelmaatregelen voor kabeljauw in het Kattegat

1.   Unievaartuigen die in het Kattegat met bodemtrawls (vistuigcodes: OTB, OTT, OT, TBN, TBS, TB, TX en PTB) met een minimummaaswijdte van 70 mm vissen, gebruiken een van de volgende soorten selectief vistuig:

a)

een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven, met een vrije uitlaat voor de vis;

b)

een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 50 mm tussen de staven voor het scheiden van platvis en rondvis, met een vrije uitlaat voor rondvis;

c)

een Seltra-paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 300 mm;

d)

een gereglementeerd zeer selectief vistuig dat technische kenmerken heeft die er, volgens een door het WTECV geëvalueerde wetenschappelijke studie, voor zorgen dat minder dan 1,5 % van de vangsten uit kabeljauw bestaat, indien dit het enige vistuig aan boord is.

2.   Als die vaartuigen van de Unie aan een project van een betrokken lidstaat deelnemen en over functionerende apparatuur voor volledig gedocumenteerde visserij beschikken, mogen zij gebruikmaken van vistuig overeenkomstig deel B van bijlage V bij Verordening (EU) 2019/1241. De betrokken lidstaten delen de Commissie de lijst van die vaartuigen mee.

3.   De in dit artikel bedoelde maatregelen zijn niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

Artikel 20

Verboden soorten

1.   Het is vissersvaartuigen van de Unie verboden de onderstaande soorten te bevissen, aan boord te houden, over te laden en aan te landen:

a)

sterrog (Raja radiata) in wateren van de Unie van ICES-sectoren 2a, 3a en 7d en ICES-deelgebied 4;

b)

roodbaars (Beryx splendens) in NAFO-deelgebied 6;

c)

schubzwelghaai (Centrophorus squamosus) in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 en in wateren van de Unie en internationale wateren van ICES-deelgebieden 1 en 14;

d)

Portugese ijshaai (Centroscymnus coelolepis) in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 en in de wateren van de Unie en internationale wateren van ICES-deelgebieden 1 en 14;

e)

zwarte haai (Dalatias licha) in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 en in de wateren van de Unie en internationale wateren van ICES-deelgebieden 1 en 14;

f)

spitssnuitsnavelhaai (Deania calcea) in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 en in de wateren van de Unie en internationale wateren van ICES-deelgebieden 1 en 14;

g)

vleet-soortencomplex (Dipturus batis) (Dipturus cf. flossada en Dipturus cf. intermedia) in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebieden 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10;

h)

grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps) in de wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 en in wateren van de Unie en internationale wateren van ICES-deelgebieden 1 en 14;

i)

ruwe haai (Galeorhinus galeus), wanneer wordt gevist met de beug in de wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 en in wateren van de Unie en internationale wateren van ICES-deelgebieden 1, 5, 6, 7, 8, 12 en 14;

j)

haringhaai (Lamna nasus) in alle wateren;

k)

stekelrog (Raja clavata) in wateren van de Unie van ICES-sector 3a;

l)

golfrog (Raja undulata) in wateren van de Unie van ICES-deelgebieden 6 en 10;

m)

walvishaai (Rhincodon typus) in alle wateren;

n)

gewone gitaarrog (Rhinobatos rhinobatos) in de Middellandse Zee;

o)

doornhaai (Squalus acanthias) in wateren van de Unie van ICES-deelgebieden 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10, met uitzondering van de in bijlage IA vastgestelde vermijdingsprogramma's.

2.   Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 vermelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

Artikel 21

Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis en de visserijinspanning aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de in bijlage I bij deze verordening vermelde bestandscodes.

HOOFDSTUK II

Vismachtigingen in wateren van derde landen

Artikel 22

Vismachtigingen

1.   Het maximale aantal vismachtigingen voor vissersvaartuigen van de Unie in wateren van derde landen, indien van toepassing, is vastgesteld in bijlage V, deel A.

2.   Indien een lidstaat quota in de in bijlage V, deel A, bij deze verordening genoemde visserijzones overeenkomstig artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 aan een andere lidstaat overdraagt (ruil of “swap”), worden daarbij ook de overeenkomstige vismachtigingen overgedragen en wordt de Commissie hiervan in kennis gesteld. Het in bijlage V, deel A, bij deze verordening vastgestelde totale aantal vismachtigingen per visserijzone wordt echter niet overschreden.

HOOFDSTUK III

Vangstmogelijkheden in wateren van regionale organisaties voor visserijbeheer

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 23

Overdrachten en uitwisselingen van quota

1.   Wanneer volgens de voorschriften van een regionale organisatie voor visserijbeheer (“ROVB”) overdrachten en uitwisselingen van quota tussen de verdragsluitende partijen bij een ROVB zijn toegestaan, kan een lidstaat (“de betrokken lidstaat”) met een verdragsluitende partij bij de ROVB besprekingen beginnen en, in voorkomend geval, aangeven volgens welke lijnen een geplande overdracht of uitwisseling van quota kan plaatsvinden.

2.   De betrokken lidstaat brengt de mogelijke contouren van een geplande overdracht of uitwisseling van quota die hij met de betreffende verdragsluitende partij bij de ROVB heeft besproken, ter kennis van de Commissie, die daaraan haar goedkeuring kan hechten. Vervolgens maakt de Commissie aan de betreffende verdragsluitende partij bij de ROVB onverwijld kenbaar dat zij ermee instemt gebonden te zijn door de overdracht of uitwisseling van quota. De Commissie brengt daarna de overeengekomen overdracht of uitwisseling van quota ter kennis van het secretariaat van de ROVB overeenkomstig de voorschriften van die organisatie.

3.   De Commissie brengt de lidstaten op de hoogte van de overeengekomen overdracht of uitwisseling van quota.

4.   De vangstmogelijkheden die in het kader van de overdracht of uitwisseling van quota worden ontvangen van of overgedragen aan de betreffende verdragsluitende partij bij de ROVB, worden beschouwd als quota die aan de betrokken lidstaat worden toegewezen dan wel in mindering worden gebracht op de toewijzing van de betreffende lidstaat, vanaf het tijdstip dat de overdracht of uitwisseling van quota in werking treedt overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst die met de betrokken verdragsluitende partij bij de ROVB is gesloten, of, in voorkomend geval, overeenkomstig de voorschriften van de betrokken ROVB. Overeenkomstig het beginsel van de relatieve stabiliteit van visserijactiviteiten wijzigt een dergelijke toewijzing de bestaande verdeelsleutel voor de toewijzing van vangstmogelijkheden aan de lidstaten niet.

5.   Dit artikel is van toepassing tot en met 31 januari 2022 voor overdrachten van quota van een verdragsluitende partij bij een ROVB naar de Unie en de daaropvolgende toewijzing ervan aan de lidstaten.

Afdeling 2

NEAFC-verdragsgebied

Artikel 24

Sluitingen voor roodbaars in de Irminger Zee

Alle visserijactiviteiten zijn verboden in het gebied dat wordt begrensd door de volgende coördinaten gemeten volgens het WGS84-systeem:

Breedtegraad

Lengtegraad

63 00'

-30 00'

61°30'

-27°35'

60°45'

-28°45'

62 00'

-31°35'

63 00'

-30 00'

Afdeling 3

ICCAT-verdragsgebied

Artikel 25

Beperkingen van de vangst-, kweek- en mestcapaciteit

1.   Het aantal met de hengel of de sleeplijn vissende vaartuigen van de Unie dat in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen, wordt beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 1.

2.   Het aantal vissersvaartuigen van de Unie dat in het kader van de ambachtelijke kustvisserij in de Middellandse Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen, wordt beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 2.

3.   Het aantal vissersvaartuigen van de Unie dat in de Adriatische Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen voor kweekdoeleinden, wordt beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 3.

4.   Het aantal vissersvaartuigen dat in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee op blauwvintonijn mag vissen, deze aan boord mag houden en mag overladen, vervoeren of aanlanden, wordt beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 4.

5.   Het aantal tonnara's dat wordt gebruikt voor de visserij op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee wordt beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 5.

6.   De totale capaciteit voor het kweken en mesten van blauwvintonijn en de maximale hoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn die wordt toegewezen aan kweek- en mestbedrijven in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee, worden beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 6.

7.   Het maximale aantal Unievissersvaartuigen dat op Noord-Atlantische witte tonijn als doelsoort mag vissen overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad (31), wordt beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 7, bij deze verordening.

8.   Het maximale aantal vissersvaartuigen van de Unie met een lengte van ten minste 20 meter die vissen op grootoogtonijn in het ICCAT-verdragsgebied, wordt beperkt overeenkomstig bijlage VI, punt 8.

Artikel 26

Recreatievisserij

In voorkomend geval kennen de lidstaten een specifiek aandeel van de hun in bijlage ID toegekende quota toe aan de recreatievisserij.

Artikel 27

Haaien

1.   In elke vorm van visserij geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van grootoogvoshaaien (Alopias superciliosus).

2.   Het is verboden gericht te vissen op voshaaisoorten van het geslacht Alopias.

3.   In visserij in het ICCAT-verdragsgebied geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van hamerhaaien van de familie Sphyrnidae (met uitzondering van Sphyrna tiburo).

4.   In elke vorm van visserij geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus).

5.   In elke vorm van visserij geldt een verbod op het aan boord houden van zijdehaaien (Carcharhinus falciformis).

Afdeling 4

CCAMLR-verdragsgebied

Artikel 28

Kennisgevingen inzake experimentele visserij op Antarctische ijsheek

De lidstaten mogen in 2021 deelnemen aan de experimentele visserij met de beug op Antarctische ijsheek (Dissostichus spp.) in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en FAO-sectoren 58.4.1, 58.4.2 en 58.4.3a buiten gebieden onder nationale jurisdictie. Lidstaten die voornemens zijn om aan die experimentele visserij deel te nemen, stellen het CCAMLR-secretariaat uiterlijk op 1 juni 2021 daarvan in kennis overeenkomstig de artikelen 7 en 7 bis van Verordening (EG) nr. 601/2004.

Artikel 29

Beperkingen van de experimentele visserij op Antarctische ijsheek

1.   De visserij op Antarctische ijsheek tijdens het visseizoen 2020-2021 is beperkt tot de in bijlage VII, tabel A, vermelde lidstaten, deelgebieden en aantal vaartuigen, voor de in tabel B van die bijlage vastgestelde soorten, TAC's en bijvangstbeperkingen.

2.   Gerichte visserij op haaiensoorten voor andere doeleinden dan wetenschappelijk onderzoek is verboden. Bijvangsten van haaien, met name jonge exemplaren en drachtige vrouwtjes, die incidenteel zijn gevangen in de visserij op Antarctische ijsheek, worden levend vrijgelaten.

3.   Indien van toepassing wordt de visserij in een klein onderzoeksvak (Small Scale Research Unit – SSRU) stopgezet zodra de gemelde vangsten de geldende TAC hebben bereikt, waarna dit vak voor de rest van het seizoen voor de visserij wordt gesloten.

4.   De visserijactiviteiten vinden plaats in een zo groot mogelijk geografisch gebied en op zo veel mogelijk verschillende diepten om de nodige informatie te verzamelen voor het bepalen van het visserijpotentieel en om overconcentratie van vangst- en visserij-inspanning te voorkomen. Visserijactiviteiten in FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en FAO-sectoren 58.4.1, 58.4.2 en 58.4.3a, voor zover toegestaan overeenkomstig artikel 28, zijn echter verboden op diepten van minder dan 550 meter.

Artikel 30

Visserij op Antarctisch krill in het visseizoen 2020-2021

1.   Lidstaten die voornemens zijn om in het visseizoen 2020-2021 in het CCAMLR-verdragsgebied op Antarctisch krill (Euphausia superba) te vissen, stellen de Commissie uiterlijk op 1 mei 2021 daarvan in kennis aan de hand van het in deel B van het aanhangsel van bijlage VII vastgestelde formulier. Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie legt de Commissie deze kennisgevingen uiterlijk op 30 mei 2021 aan het CCAMLR-secretariaat voor.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving omvat de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde informatie voor elk vaartuig dat van de lidstaat toestemming krijgt om aan de visserij op Antarctisch krill deel te nemen.

3.   Een lidstaat die voornemens is om in het CCAMLR-verdragsgebied op Antarctisch krill te vissen, geeft uitsluitend kennis van dit voornemen voor gemachtigde vaartuigen die ten tijde van de kennisgeving zijn vlag voeren of die de vlag van een ander CCAMLR-lid voeren, maar naar verwachting ten tijde van de genoemde visserijactiviteit de vlag van de eerstbedoelde lidstaat zullen voeren.

4.   De lidstaten mogen toestaan dat andere vaartuigen dan de overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 aan het secretariaat van de CCAMLR gemelde vaartuigen deelnemen aan de visserij op Antarctisch krill, wanneer een gemachtigd vaartuig om legitieme operationele redenen of vanwege overmacht niet aan die vorm van visserij kan deelnemen. De betrokken lidstaten brengen in dat geval het CCAMLR-secretariaat en de Commissie onverwijld op de hoogte en verstrekken daarbij:

a)

alle bijzonderheden over het vervangende vaartuig (of de vervangende vaartuigen), inclusief de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde informatie;

b)

een volledig overzicht van de redenen voor de vervanging, alsmede alle relevante ondersteunende bewijsstukken of referenties.

5.   De lidstaten staan niet toe dat een vaartuig dat is geplaatst op een door de CCAMLR vastgestelde lijst van vissersvaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten verrichten (IOO-vaartuigen), aan de visserij op Antarctisch krill deelneemt.

Afdeling 5

IOTC-bevoegdheidsgebied

Artikel 31

Beperking van de vangstcapaciteit van vaartuigen die in het IOTC-bevoegdheidsgebied vissen

1.   Het maximale aantal vissersvaartuigen van de Unie dat in het IOTC-bevoegdheidsgebied op tropische tonijn mag vissen, en de overeenkomstige in brutotonnage uitgedrukte capaciteit, zijn vastgesteld in bijlage VIII, punt 1.

2.   Het maximale aantal Unievissersvaartuigen dat in het IOTC-bevoegdheidsgebied op zwaardvis (Xiphias gladius) en witte tonijn (Thunnus alalunga) mag vissen, en de overeenkomstige in brutotonnage uitgedrukte capaciteit, zijn vastgesteld in bijlage VIII, punt 2.

3.   De lidstaten kunnen vaartuigen die zijn toegewezen aan een van de twee in de leden 1 en 2 bedoelde vormen van visserij, toewijzen aan de andere vorm, mits zij de Commissie kunnen aantonen dat deze wijziging niet tot een stijging van de visserijinspanning voor de betrokken visbestanden leidt.

4.   De lidstaten zorgen er bij een voorgestelde overdracht van capaciteit naar hun vloot voor dat de over te dragen vaartuigen voorkomen in het register van gemachtigde vaartuigen van de IOTC of in het register van andere ROVB’s voor tonijn. Voorts mogen vaartuigen die zijn geplaatst op de door een ROVB vastgestelde lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten verrichten, niet worden overgedragen.

5.   De lidstaten mogen hun vangstcapaciteit slechts tot boven de in de leden 1 en 2 bedoelde maxima verhogen als zij binnen de grenzen blijven die bepaald zijn in de bij de IOTC ingediende ontwikkelingsplannen.

Artikel 32

Niet-verankerde FAD's en bevoorradingsvaartuigen

1.   Niet-verankerde FAD's worden uitgerust met instrumentboeien. Het gebruik van andere boeien, zoals radioboeien, is verboden.

2.   Een ringzegenvaartuig mag op geen enkel moment meer dan 300 operationele boeien volgen.

3.   Het maximale aantal instrumentboeien dat jaarlijks voor elk ringzegenvaartuig mag worden verworven is 500. Geen enkel ringzegenvaartuig beschikt op enig moment over meer dan 500 instrumentboeien (boeien in voorraad en operationele boeien).

4.   Het maximale aantal bevoorradingsvaartuigen bedraagt twee bevoorradingsvaartuigen ter ondersteuning van niet minder dan vijf ringzegenvaartuigen, die alle de vlag van een lidstaat voeren. Deze bepaling is niet van toepassing op lidstaten met slechts één bevoorradingsvaartuig.

5.   Eén ringzegenvaartuig wordt op geen enkel moment ondersteund door meer dan één bevoorradingsvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert.

6.   De Unie registreert geen nieuwe of aanvullende bevoorradingsvaartuigen in het IOTC-register van gemachtigde vaartuigen.

Artikel 33

Haaien

1.   In elke vorm van visserij geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van alle voshaaisoorten van de familie Alopiidae.

2.   In elke vorm van visserij geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen of volledige karkassen van oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus), behalve voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 24 m die uitsluitend betrokken zijn bij visserijactiviteiten in de exclusieve economische zone (EEZ) van de lidstaat waarvan ze de vlag voeren, mits hun vangst uitsluitend voor plaatselijk verbruik is bestemd.

3.   Incidenteel gevangen vissen van de in de leden 1 en 2 vermelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

Artikel 34

Roggen van het geslacht Mobula

1.   Het is voor Unievissersvaartuigen verboden te vissen op roggen van het geslacht Mobula (familie Mobulidae, waartoe de geslachten Manta en Mobula behoren) en delen of volledige karkassen van roggen van het geslacht Mobula aan boord te houden, over te laden, aan te landen, op te slaan, voor verkoop aan te bieden of te verkopen, behalve voor vissersvaartuigen voor zelfvoorzieningsvisserij (waarbij de gevangen vis rechtstreeks door de families van de vissers wordt geconsumeerd).

In afwijking van de eerste alinea mogen roggen van het geslacht Mobula die onopzettelijk worden gevangen in het kader van ambachtelijke visserij (andere visserij dan met de beug of op het oppervlak, d.w.z. vaartuigen met ringzegens, hengels, kieuwnetten, handlijn of sleeplijn, die zijn ingeschreven in het IOTC-register van gemachtigde vaartuigen), alleen worden aangeland voor lokale consumptie.

2.   Zodra vissersvaartuigen, met uitzondering van die voor zelfvoorzieningsvisserij, roggen van het geslacht Mobula waarnemen in het net, aan de haak of op het dek, zetten zij die, waar mogelijk, onmiddellijk levend en ongedeerd terug, en dit op zodanige wijze dat de gevangen exemplaren zo min mogelijk worden gedeerd.

Afdeling 6

SPRFMO-verdragsgebied

Artikel 35

Pelagische visserij

1.   Alleen lidstaten die in 2007, 2008 of 2009 actief pelagische visserijactiviteiten hebben uitgeoefend in het SPRFMO-verdragsgebied, mogen in dat gebied op pelagische bestanden vissen met inachtneming van de in bijlage IH vastgestelde TAC's.

2.   De in lid 1 bedoelde lidstaten beperken de totale brutotonnage van de vaartuigen die hun vlag voeren en die in 2021 op pelagische bestanden vissen, tot de totale brutotonnage van de Unie van 78 600 in dat gebied.

3.   De in bijlage IH vastgestelde vangstmogelijkheden mogen slechts worden benut op voorwaarde dat de lidstaten de Commissie de lijst sturen van vaartuigen die in het SPRFMO-verdragsgebied actief vissen of bij overlading zijn betrokken, alsmede gegevens van volgsystemen voor vissersvaartuigen, maandelijkse vangstaangiften en, indien voorhanden, gegevens over aanloophavens, uiterlijk op de vijfde dag van de maand na die waarop de gegevens betrekking hebben, met het doel die informatie aan het SPRFMO-secretariaat toe te zenden.

Artikel 36

Bodemvisserij

1.   De lidstaten beperken hun bodemvisserijvangst of -inspanning in het SPRFMO-verdragsgebied in 2021 tot de delen van dat verdragsgebied waar in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 aan bodemvisserij is gedaan, maximaal tot de jaarlijkse gemiddelde vangsten of inspanningsparameters in die periode. Zij mogen alleen meer dan de in het kader van de geregistreerde activiteit gevangen hoeveelheid vissen als hun plan om meer dan de in het kader van de geregistreerde activiteit gevangen hoeveelheid te vissen wordt goedgekeurd door de SPRFMO.

2.   Lidstaten zonder geregistreerde activiteit in het kader van de bodemvisserijvangst of -inspanning in het SPRFMO-verdragsgebied in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 mogen niet vissen, tenzij de SPRFMO hun plan om zonder geregistreerde activiteit te vissen goedkeurt.

Artikel 37

Experimentele visserij

1.   De lidstaten mogen in 2021 alleen deelnemen aan de experimentele visserij met de beug op Antarctische ijsheek (Dissostichus spp.) in het SPRFMO-verdragsgebied indien de SPRFMO haar goedkeuring heeft gehecht aan hun aanvraag voor deze vorm van visserij, die onder meer een visserijoperatieplan bevat en de toezegging om een gegevensverzamelingsplan uit te voeren.

2.   De visserijactiviteiten vinden uitsluitend plaats binnen de door de SPRFMO gespecificeerde onderzoeksonderdelen. Visserijactiviteiten zijn verboden op diepten van minder dan 750 en meer dan 2 000 meter.

3.   De TAC is vastgesteld in bijlage IH. De visserijactiviteiten worden beperkt tot één reis met een maximumduur van 21 opeenvolgende dagen en tot ten hoogste 5 000 haken per beuglijn, met een maximum van 20 beuglijnen per onderzoeksonderdeel. De visserijactiviteiten worden stopgezet wanneer de TAC is bereikt of wanneer 100 lijnen zijn uitgezet en opgehaald, naargelang wat zich het eerst voordoet.

Afdeling 7

IATTC-verdragsgebied

Artikel 38

Ringzegenvisserij

1.   De visserij met ringzegenvaartuigen op geelvintonijn (Thunnus albacares), grootoogtonijn (Thunnus obesus) en gestreepte tonijn (Katsuwonus pelamis) is verboden:

a)

van 29 juli 2021 00.00 uur tot en met 8 oktober 2021 24.00 uur, of van 9 november 2021 00.00 uur tot en met 19 januari 2022 24.00 uur, in het gebied dat wordt begrensd door:

de kustlijnen van het Amerikaanse continent langs de Stille Oceaan,

lengtegraad 150° W.L.,

breedtegraad 40° N.B.,

breedtegraad 40° Z.B.;

b)

van 9 oktober 2021 00.00 uur tot en met 8 november 2021 24.00 uur in het gebied dat wordt begrensd door:

lengtegraad 96° W.L.,

lengtegraad 110° W.L.,

breedtegraad 4° N.B.,

breedtegraad 3° Z.B.

2.   Voor elk van hun vaartuigen delen de betrokken lidstaten de Commissie vóór 1 april 2021 de in lid 1, onder a), bedoelde, door hen geselecteerde periode mee waarin de visserijactiviteiten worden stilgelegd. Alle ringzegenvaartuigen van de betrokken lidstaten zetten de visserij met de ringzegen in de in lid 1 omschreven gebieden gedurende de geselecteerde periode stop.

3.   Ringzegenvaartuigen die in het IATTC-verdragsgebied op tonijn vissen, houden alle gevangen geelvintonijnen, grootoogtonijnen en gestreepte tonijnen aan boord en landen deze aan of laden deze over.

4.   Lid 3 geldt niet in de volgende gevallen:

a)

indien de vis anders dan vanwege de grootte niet geschikt wordt geacht voor menselijke consumptie, of

b)

indien er tijdens de laatste trek van een visreis onvoldoende ruimte is overgebleven om alle bij die trek gevangen tonijn op te slaan.

Artikel 39

Niet-verankerde FAD's

1.   Een ringzegenvaartuig zet op geen enkel ogenblik meer dan 450 FAD's actief in het IATTC-verdragsgebied in. Een FAD wordt als actief beschouwd als zij op zee wordt ingezet, haar locatie begint door te geven en wordt getraceerd door het vaartuig, de eigenaar of exploitant ervan. Een FAD wordt enkel aan boord van een ringzegenvaartuig geactiveerd.

2.   Ringzegenvaartuigen mogen gedurende 15 dagen vóór de aanvang van de geselecteerde sluitingsperiode, als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder a), geen FAD's inzetten en halen het oorspronkelijk ingezette aantal FAD's terug binnen 15 dagen vóór de aanvang van de sluitingsperiode.

3.   De lidstaten rapporteren op maandelijkse basis aan de Commissie dagelijkse informatie over alle actieve FAD's zoals voorgeschreven door de IATTC. De rapporten worden ingediend met een vertraging van ten minste 60 dagen, maar niet meer dan 75 dagen. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het IATTC-secretariaat.

Artikel 40

Vangstbeperkingen voor grootoogtonijn in de beugvisserij

De totale jaarlijkse vangsten grootoogtonijn door beugvisserijvaartuigen van elke lidstaat in het IATTC-verdragsgebied zijn vastgesteld in bijlage IL.

Artikel 41

Verbod op de visserij op oceanische witpunthaaien

1.   Het is verboden in het IATTC-verdragsgebied te vissen op oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus) en delen of volledige karkassen van in dat gebied gevangen oceanische witpunthaaien aan boord te houden, over te laden, aan te landen, op te slaan, voor verkoop aan te bieden of te verkopen.

2.   Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 vermelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet door de vaartuigexploitant.

3.   De vaartuigexploitant:

a)

registreert het aantal teruggezette exemplaren, met vermelding van de toestand (levend of dood);

b)

deelt de onder a) vermelde informatie mee aan de lidstaat waarvan hij onderdaan is. De lidstaten dienen de tijdens het vorige jaar verzamelde informatie uiterlijk op 31 januari in bij de Commissie.

Artikel 42

Verbod op de visserij op roggen van het geslacht Mobula

Het is voor Unievissersvaartuigen verboden in het IATTC-verdragsgebied te vissen op roggen van het geslacht Mobula (familie Mobulidae, waartoe de geslachten Manta en Mobula behoren) en delen of volledige karkassen van in dat gebied gevangen roggen van het geslacht Mobula aan boord te houden, over te laden, aan te landen, op te slaan, voor verkoop aan te bieden of te verkopen. Zodra vissersvaartuigen van de Unie vaststellen dat roggen van het geslacht Mobula zijn gevangen, zetten zij die, waar mogelijk, onmiddellijk levend en ongedeerd terug.

Afdeling 8

Seafo-verdragsgebied

Artikel 43

Verbod op de visserij op diepzeehaaien

De gerichte visserij op de volgende diepzeehaaien in het Seafo-verdragsgebied is verboden:

a)

spookkathaai (Apristurus manis),

b)

gevlekte gladde lantaarnhaai (Etmopterus bigelowi),

c)

kortstaartlantaarnhaai (Etmopterus brachyurus),

d)

grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps),

e)

gladde lantaarnhaai (Etmopterus pusillus),

f)

roggen (Rajidae),

g)

fluweelijshaai (Scymnodon squamulosus),

h)

diepzeehaaien van de Selachimorpha-superorde,

i)

doornhaai (Squalus acanthias).

Afdeling 9

WCPFC-verdragsgebied

Artikel 44

Voorwaarden voor de visserij op grootoogtonijn, geelvintonijn, gestreepte tonijn en in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan voorkomende witte tonijn

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat niet meer dan 403 visdagen worden toegekend aan ringzegenvaartuigen die in het gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied dat op volle zee tussen 20° N.B. en 20° Z.B. is gelegen, vissen op grootoogtonijn (Thunnus obesus), geelvintonijn (Thunnus albacares) en gestreepte tonijn (Katsuwonus pelamis).

2.   Unievissersvaartuigen mogen niet gericht vissen op in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan voorkomende witte tonijn (Thunnus alalunga) in het WCPFC-verdragsgebied ten zuiden van 20° Z.B.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de vangsten van grootoogtonijn (Thunnus obesus) door beugvisserijvaartuigen in 2021 niet meer bedragen dan de limieten die zijn vastgesteld in de tabel in bijlage IG.

Artikel 45

Beheer van de visserij met FAD's

1.   In het gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied tussen 20° N.B. en 20° Z.B. is het voor ringzegenvaartuigen verboden tussen 1 juli 2021 00.00 uur en 30 september 2021 24.00 uur FAD's te gebruiken, te bedienen of op te stellen.

2.   Naast het in lid 1 bepaalde verbod, is het in het gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied dat op volle zee tussen 20° NB en 20° ZB is gelegen, verboden FAD's op te stellen tijdens twee bijkomende maanden: tussen 1 april 2021 00.00 uur en 31 mei 2021 24.00 uur of tussen 1 november 2021 00.00 uur en 31 december 2021 24.00 uur.

3.   Lid 2 geldt niet in de volgende gevallen:

a)

tijdens de laatste trek van een visreis, indien onvoldoende ruimte is overgebleven om al deze vis op te slaan;

b)

indien de vis anders dan vanwege de grootte niet geschikt wordt geacht voor menselijke consumptie, of

c)

wanneer zich een ernstige storing van de koelinstallatie voordoet.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat geen enkel ringzegenvaartuig op ongeacht welk moment meer dan 350 FAD's met geactiveerde instrumentboeien op zee inzet. De boei wordt uitsluitend aan boord van een vaartuig geactiveerd.

5.   Alle ringzegenvaartuigen die in het in lid 1 bedoelde gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied vissen, houden alle gevangen grootoogtonijnen, geelvintonijnen en gestreepte tonijnen aan boord, laden deze over en landen deze aan.

Artikel 46

Beperking van het aantal Unievissersvaartuigen dat op zwaardvis mag vissen

Het maximale aantal Unievissersvaartuigen dat in de gebieden van het WCPFC-verdragsgebied ten zuiden van 20° Z.B. op zwaardvis (Xiphias gladius) mag vissen, is vastgesteld in bijlage IX.

Artikel 47

Vangstbeperkingen voor zwaardvis in de beugvisserij ten zuiden van 20° Z.B.

De lidstaten zorgen ervoor dat vangsten van zwaardvis (Xiphias gladius) ten zuiden van 20° Z.B. door beugvisserijvaartuigen in 2021 de limiet in bijlage IG niet overschrijden. De lidstaten zien er tevens op toe dat de visserijinspanning voor zwaardvis niet als gevolg van die maatregel naar het gebied ten noorden van 20° Z.B. verschuift.

Artikel 48

Zijdehaaien en oceanische witpunthaaien

1.   Het is verboden om delen of volledige karkassen van de volgende soorten in het WCPFC-verdragsgebied aan boord te houden, over te laden, aan te landen of op te slaan:

a)

zijdehaaien (Carcharhinus falciformis),

b)

oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus).

2.   Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 vermelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

Artikel 49

Het tussen de IATTC en de WCPFC overlappende gebied

1.   Vaartuigen die uitsluitend in het WCPFC-register zijn ingeschreven, passen de in deze afdeling vervatte maatregelen toe wanneer zij vissen in het overlappende gebied tussen de IATTC en de WCPFC.

2.   Vaartuigen die zowel in het WCPFC-register als in het IATTC-register zijn ingeschreven, en vaartuigen die uitsluitend in het IATTC-register zijn ingeschreven, passen de in artikel 38, lid 1, onder a), artikel 38, leden 2, 3 en 4, en de artikelen 39, 40 en 41 vervatte maatregelen toe wanneer zij vissen in het overlappende gebied tussen de IATTC en de WCPFC.

Afdeling 10

Beringzee

Artikel 50

Verbod op de visserij in de volle zee van de Beringzee

De visserij op Alaskapollak (Gadus chalcogrammus) in de volle zee van de Beringzee is verboden.

Afdeling 11

Siofa-overeenkomstgebied

Artikel 51

Beperkingen op de bodemvisserij

De lidstaten zorgen ervoor dat de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die in het Siofa-overeenkomstgebied vissen:

a)

hun jaarlijkse visserijinspanning en vangsten in de bodemvisserij beperken tot hun gemiddelde jaarlijkse niveau voor de jaren waarin hun vaartuigen in het Siofa-overeenkomstgebied actief waren gedurende een representatieve periode waarvoor bij de Commissie ingediende gegevens beschikbaar zijn;

b)

de ruimtelijke spreiding van hun bodemvisserijinspanning, uitgezonderd methoden met lijnen en vallen, niet uitbreiden tot buiten de in de recente jaren beviste gebieden;

c)

niet gemachtigd worden om te vissen in de tussentijds beschermde gebieden Atlantis Bank, Coral, Fools Flat, Middle of What, Walter's Shoal, zoals bepaald in bijlage IK, behalve indien lijnen en vallen worden gebruikt en mits tijdens de visserij in die gebieden te allen tijde een wetenschappelijk waarnemer aan boord is.

TITEL III

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN DE WATEREN VAN DE UNIE

Artikel 52

Vissersvaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren en vissersvaartuigen die op de Faeröer zijn geregistreerd

Vissersvaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren, alsook vissersvaartuigen die op de Faeröer zijn geregistreerd, mogen in de wateren van de Unie vissen met inachtneming van de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde TAC's en de in deze verordening en in titel III van Verordening (EU) 2017/2403 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 53

Vissersvaartuigen die onder de vlag van het Verenigd Koninkrijk varen, in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd zijn en een vergunning hebben gekregen van een visserijautoriteit van het Verenigd Koninkrijk

Vissersvaartuigen die onder de vlag van het Verenigd Koninkrijk varen, in het Verenigd Koninkrijk zijn geregistreerd en een vergunning hebben gekregen van de visserijautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, kunnen toestemming krijgen om in de wateren van de Unie te vissen met inachtneming van de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde TAC's en onder de in deze verordening en in Verordening (EU) 2017/2403 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 54

Vissersvaartuigen die de vlag van Venezuela voeren

Voor vissersvaartuigen die de vlag van Venezuela voeren, gelden de voorwaarden van deze verordening en die van titel III van Verordening (EU) 2017/2403.

Artikel 55

Vismachtigingen

Het maximale aantal vismachtigingen voor vaartuigen van derde landen die in de wateren van de Unie vissen, is vastgesteld in bijlage V, deel B.

Artikel 56

Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

De in artikel 8 gespecificeerde voorwaarden zijn van toepassing op vangsten en bijvangsten van vaartuigen van derde landen die met de in artikel 55 bedoelde machtigingen vissen.

Artikel 57

Verboden soorten

1.   Het is vaartuigen van derde landen verboden de onderstaande soorten, wanneer die in de wateren van de Unie worden aangetroffen, te bevissen, aan boord te houden, over te laden en aan te landen:

a)

sterrog (Raja radiata) in wateren van de Unie van ICES-sectoren 2a, 3a en 7d en ICES-deelgebied 4;

b)

vleet-soortencomplex (Dipturus batis) (Dipturus cf. flossada en Dipturus cf. intermedia) in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebieden 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10;

c)

ruwe haai (Galeorhinus galeus) wanneer wordt gevist met de beug in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebieden 1, 4, 5, 6, 7, 8, 12 en 14;

d)

zwarte haai (Dalatias licha), spitssnuitsnavelhaai (Deania calcea), schubzwelghaai (Centrophorus squamosus), grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps) en Portugese ijshaai (Centroscymnus coelolepis) in wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebieden 1, 4 en 14;

e)

haringhaai (Lamna nasus) in wateren van de Unie;

f)

stekelrog (Raja clavata) in wateren van de Unie van ICES-sector 3a;

g)

golfrog (Raja undulata) in wateren van de Unie van ICES-deelgebieden 6, 9 en 10;

h)

gewone gitaarrog (Rhinobatos rhinobatos) in de Middellandse Zee;

i)

walvishaai (Rhincodon typus) in alle wateren;

j)

doornhaai (Squalus acanthias) in wateren van de Unie van ICES-deelgebieden 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10.

2.   Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 vermelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 58

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor de visserij en de aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Indien naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 59

Overgangsbepaling

De artikelen 11, 19, 20, 27, 33, 34, 41, 42, 43, 48, 50 en 57 blijven in 2022 mutatis mutandis van toepassing tot de inwerkingtreding van de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2022.

De artikelen 15, 16 en 17 zijn van toepassing tot de datum waarop een overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241 vastgestelde gedelegeerde handeling, waarbij bijlage VI bij die verordening door de invoering van overeenkomstige technische maatregelen voor de noordwestelijke wateren is gewijzigd, van toepassing wordt.

Artikel 60

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 11, leden 1, 2, 3 en 5, artikel 14 en artikel 18 zijn echter van toepassing van 1 januari tot en met 31 maart 2021.

De in de artikelen 28, 29 en 30 en bijlage VII vastgestelde bepalingen inzake vangstmogelijkheden voor de in die bijlage vermelde bestanden in het CCAMLR-verdragsgebied zijn van toepassing met ingang van 1 december 2020.

De bepalingen inzake beperkingen van de visserijinspanning in bijlage II zijn van toepassing van 1 februari 2021 tot en met 31 januari 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 januari 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

A.P. ZACARIAS


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(2)  Verordening (EU) 2019/472 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordeningen (EU) 2016/1139 en (EU) 2018/973, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 van de Raad (PB L 83 van 25.3.2019, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1100/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het bestand van Europese aal (PB L 248 van 22.9.2007, blz. 17).

(4)  Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (PB L 179 van 16.7.2018, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).

(7)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2020/123 van de Raad van 27 januari 2020 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 25 van 30.1.2020, blz. 1).

(9)  Besluit (EU) 2015/1565 van de Raad van 14 september 2015 houdende goedkeuring, namens de Europese Unie, van de verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in de wateren van de EU aan vissersvaartuigen die de vlag van de Bolivariaanse Republiek Venezuela voeren in de exclusieve economische zone voor de kust van Frans-Guyana (PB L 244 van 19.9.2015, blz. 55).

(10)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(11)  PB L 444 van 31.12.2020, blz. 14.

(12)  Besluit (EU) 2020/2252 van de Raad van 29 december 2020 betreffende de ondertekening, namens de Unie, en betreffende de voorlopige toepassing van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, en van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens (PB L 444 van 31.12.2020, blz. 2).

(13)  Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).

(14)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).

(15)  Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98 en (EG) nr. 1721/1999 (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16).

(16)  Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten in bepaalde gebieden buiten de Noord-Atlantische Oceaan (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 1).

(17)  Gesloten bij Besluit 2006/539/EG van de Raad van 22 mei 2006 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag ter versterking van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn opgericht bij het Verdrag van 1949 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Costa Rica (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 22).

(18)  De Unie is tot dat verdrag toegetreden bij Besluit 86/238/EEG van de Raad van 9 juni 1986 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen, gewijzigd bij het Protocol gehecht aan de op 10 juli 1984 te Parijs ondertekende Slotakte van de conferentie van gevolmachtigden van de staten die partij zijn bij het Verdrag (PB L 162 van 18.6.1986, blz. 33).

(19)  De Unie is tot die overeenkomst toegetreden bij Besluit 95/399/EG van de Raad van 18 september 1995 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot de Overeenkomst tot oprichting van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (PB L 236 van 5.10.1995, blz. 24).

(20)  Verordening (EG) nr. 217/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de indiening van statistieken van de vangsten en de visserijactiviteit van de lidstaten die in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 42).

(21)  Gesloten bij Besluit 2002/738/EG van de Raad van 22 juli 2002 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (PB L 234 van 31.8.2002, blz. 39).

(22)  De Unie is tot die overeenkomst toegetreden bij Besluit 2008/780/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (PB L 268 van 9.10.2008, blz. 27).

(23)  De Unie is tot dat verdrag toegetreden bij Besluit 2012/130/EU van de Raad van 3 oktober 2011 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (PB L 67 van 6.3.2012, blz. 1).

(24)  De Unie is tot dat verdrag toegetreden bij Besluit 2005/75/EG van de Raad van 26 april 2004 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (PB L 32 van 4.2.2005, blz. 1).

(25)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).

(26)  Alle types bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBB, TBN, TBS en TB).

(27)  Alle types zegens (SSC, SDN, SPR, SV, SB en SX).

(28)  Alle beuglijnen en hengels (LHP, LHM, LLD, LL, LTL, LX en LLS).

(29)  Alle vaste kieuwnetten en vallen (GTR, GNS, GNC, FYK, FPN en FIX).

(30)  Vistuigcodes: OTB, OTT, OT, TBN, TBS, TB, TX, PTB, SDN, SSC, SX, LL, LLS.

(31)  Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 973/2001 (PB L 123 van 12.5.2007, blz. 3).


BIJLAGE

LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I:

Naar soort en gebied uitgesplitste TAC’s voor vissersvaartuigen van de Unie in gebieden waar TAC’s gelden

BIJLAGE IA:

Skagerrak, Kattegat, ICES-deelgebieden 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 14, wateren van de Unie van Cecaf en wateren van Frans-Guyana

BIJLAGE IB:

Noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en Groenland, ICES-deelgebieden 1, 2, 5, 12 en 14 en Groenlandse wateren van NAFO 1

BIJLAGE IC:

Noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan – NAFO-verdragsgebied

BIJLAGE ID:

ICCAT-verdragsgebied

BIJLAGE IE:

Zuidoostelijk deel van de Atlantische Oceaan – Seafo-verdragsgebied

BIJLAGE IF:

Zuidelijke blauwvintonijn – verspreidingsgebieden

BIJLAGE IG:

WCPFC-verdragsgebied

BIJLAGE IH:

SPRFMO-verdragsgebied

BIJLAGE IJ:

IOTC-bevoegdheidsgebied

BIJLAGE IK:

SIOFA-overeenkomstgebied

BIJLAGE IL

IATTC-verdragsgebied

BIJLAGE II:

Visserijinspanning voor vaartuigen in het kader van het beheer van de tongbestanden in het westelijke Kanaal in ICES-sector 7e

BIJLAGE III:

Beheersgebieden voor zandspieringen in de ICES-sectoren 2a en 3a en in ICES-deelgebied 4

BIJLAGE IV:

Seizoenssluitingen ter bescherming van paaiende kabeljauw

BIJLAGE V:

Vismachtigingen

BIJLAGE VI:

ICCAT-verdragsgebied

BIJLAGE VII:

CCAMLR-verdragsgebied

BIJLAGE VIII:

IOTC-bevoegdheidsgebied

BIJLAGE IX:

WCPFC-verdragsgebied


BIJLAGE I

NAAR SOORT EN GEBIED UITGESPLITSTE TAC’S VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN GEBIEDEN WAAR TAC’S GELDEN

De tabellen in de bijlagen bevatten de TAC’s en quota (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) per bestand en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden.

Alle in de bijlagen vastgestelde vangstmogelijkheden vallen onder Verordening (EG) nr. 1224/2009, met name de artikelen 33 en 34.

Tenzij anders bepaald, zijn de verwijzingen naar visserijzones in de bijlagen verwijzingen naar ICES-gebieden. Per gebied staan de visbestanden vermeld in alfabetische volgorde op de wetenschappelijke naam van de vissoort. Voor regelgevingsdoeleinden worden de soorten uitsluitend middels hun wetenschappelijke naam geïdentificeerd; hun gewone namen worden alleen gemakshalve vermeld.

De bijlagen IA tot en met IL maken deel uit van bijlage I.

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende vergelijkende tabel van wetenschappelijke en gewone namen van de vissoorten:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Ammodytes spp.

SAN

Zandspieringen

Argentina silus

ARU

Grote zilvervis

Beryx spp.

ALF

Alfonsino’s

Brosme brosme

USK

Lom

Caproidae

BOR

Evervissen

Centrophorus squamosus

GUQ

Schubzwelghaai

Centroscymnus coelolepis

CYO

Portugese ijshaai

Chaceon spp.

GER

Rode diepzeekrabben

Chaenocephalus aceratus

SSI

Scotiazee-ijsvis

Champsocephalus gunnari

ANI

IJsvis

Channichthys rhinoceratus

LIC

Langsnuitijsvis

Chionoecetes spp.

PCR

Pacifische sneeuwkrabben

Clupea harengus

HER

Haring

Coryphaenoides rupestris

RNG

Rondneusgrenadier

Dalatias licha

SCK

Zwarte haai

Deania calcea

DCA

Spitssnuitsnavelhaai

Dicentrarchus labrax

BSS

Zeebaars

Dipturus batis (Dipturus cf. flossada en Dipturus cf. intermedia)

RJB

Vleetsoorten-complex

Dissostichus eleginoides

TOP

Zwarte Patagonische ijsheek

Dissostichus mawsoni

TOA

Antarctische ijsheek

Dissostichus spp.

TOT

IJsheken

Engraulis encrasicolus

ANE

Ansjovis

Etmopterus princeps

ETR

Grote lantaarnhaai

Etmopterus pusillus

ETP

Gladde lantaarnhaai

Euphausia superba

KRI

Antarctisch krill

Gadus morhua

COD

Kabeljauw

Galeorhinus galeus

GAG

Ruwe haai

Glyptocephalus cynoglossus

WIT

Witje

Hippoglossoides platessoides

PLA

Lange schar

Hoplostethus atlanticus

ORY

Atlantische slijmkop

Illex illecebrosus

SQI

Kortvinpijlinktvis

Lamna nasus

POR

Haringhaai

Lepidorhombus spp.

LEZ

Scharretongen

Leucoraja naevus

RJN

Grootoogrog

Limanda ferruginea

YEL

Geelstaartschar

Lophiidae

ANF

Zeeduivel

Macrourus spp.

GRV

Grenadiervissen

Makaira nigricans

BUM

Blauwe marlijn

Mallotus villosus

CAP

Lodde

Manta birostris

RMB

Reuzenmanta

Martialia hyadesi

SQS

Pijlinktvis

Melanogrammus aeglefinus

HAD

Schelvis

Merlangius merlangus

WHG

Wijting

Merluccius merluccius

HKE

Heek

Micromesistius poutassou

WHB

Blauwe wijting

Microstomus kitt

LEM

Tongschar

Molva dypterygia

BLI

Blauwe leng

Molva molva

LIN

Leng

Nephrops norvegicus

NEP

Langoustine

Notothenia gibberifrons

NOG

Groene Zuidpoolkabeljauw

Notothenia rossii

NOR

Gemarmerde ijsvis

Notothenia squamifrons

NOS

Grijze Zuidpoolkabeljauw

Pandalus borealis

PRA

Noordse garnaal

Paralomis spp.

PAI

Krabben

Penaeus spp.

PEN

Peneïdegarnalen

Pleuronectes platessa

PLE

Schol

Pleuronectiformes

FLX

Platvis

Pollachius pollachius

POL

Witte koolvis

Pollachius virens

POK

Zwarte koolvis

Scophthalmus maximus

TUR

Tarbot

Pseudochaenichthys georgianus

SGI

Georgia-ijsvis

Pseudopentaceros spp.

EDW

Pseudopentaceros spp.

Raja alba

RJA

Witte rog

Raja brachyura

RJH

Blonde rog

Raja circularis

RJI

Zandrog

Raja clavata

RJC

Stekelrog

Raja fullonica

RJF

Kaardrog

Raja (Dipturus) nidarosiensis

JAD

Noorse rog

Raja microocellata

RJE

Kleinoogrog

Raja montagui

RJM

Gevlekte rog

Raja radiata

RJR

Sterrog

Raja undulata

RJU

Golfrog

Rajiformes

SRX

Roggen

Reinhardtius hippoglossoides

GHL

Groenlandse heilbot/zwarte heilbot

Sardina pilchardus

PIL

Sardine

Scomber scombrus

MAC

Makreel

Scophthalmus rhombus

BLL

Griet

Sebastes spp.

RED

Roodbaarzen

Solea solea

SOL

Tong

Solea spp.

SOO

Tongen

Sprattus sprattus

SPR

Sprot

Squalus acanthias

DGS

Doornhaai

Tetrapturus albidus

WHM

Witte marlijn

Thunnus alalunga

ALB

Witte tonijn

Thunnus maccoyii

SBF

Zuidelijke blauwvintonijn

Thunnus obesus

BET

Grootoogtonijn

Thunnus thynnus

BFT

Blauwvintonijn

Trachurus murphyi

CJM

Chileense horsmakreel

Trachurus spp.

JAX

Horsmakrelen

Trisopterus esmarkii

NOP

Kever

Urophycis tenuis

HKW

Witte heek

Xiphias gladius

SWO

Zwaardvis

De onderstaande concordantietabel van gewone Nederlandse namen en wetenschappelijke namen van de vissoorten wordt uitsluitend ter verduidelijking gegeven:

Gewone naam

Drielettercode

Wetenschappelijke naam

Alfonsino’s

ALF

Beryx spp.

Ansjovis

ANE

Engraulis encrasicolus

Antarctisch krill

KRI

Euphausia superba

Antarctische ijsheek

TOA

Dissostichus mawsoni

Atlantische slijmkop

ORY

Hoplostethus atlanticus

Blauwe leng

BLI

Molva dypterygia

Blauwe marlijn

BUM

Makaira nigricans

Blauwe wijting

WHB

Micromesistius poutassou

Blauwvintonijn

BFT

Thunnus thynnus

Blonde rog

RJH

Raja brachyura

Chileense horsmakreel

CJM

Trachurus murphyi

Doornhaai

DGS

Squalus acanthias

Evervissen

BOR

Caproidae

Geelstaartschar

YEL

Limanda ferruginea

Gemarmerde ijsvis

NOR

Notothenia rossii

Georgia-ijsvis

SGI

Pseudochaenichthys georgianus

Gevlekte rog

RJM

Raja montagui

Gladde lantaarnhaai

ETP

Etmopterus pusillus

Golfrog

RJU

Raja undulata

Grenadiervissen

GRV

Macrourus spp.

Griet

BLL

Scophthalmus rhombus

Grijze Zuidpoolkabeljauw

NOS

Notothenia squamifrons

Groene Zuidpoolkabeljauw

NOG

Notothenia gibberifrons

Groenlandse heilbot/zwarte heilbot

GHL

Reinhardtius hippoglossoides

Grootoogrog

RJN

Leucoraja naevus

Grootoogtonijn

BET

Thunnus obesus

Grote lantaarnhaai

ETR

Etmopterus princeps

Grote zilvervis

ARU

Argentina silus

Haring

HER

Clupea harengus

Haringhaai

POR

Lamna nasus

Heek

HKE

Merluccius merluccius

Horsmakrelen

JAX

Trachurus spp.

IJsheken

TOT

Dissostichus spp.

IJsvis

ANI

Champsocephalus gunnari

Kaardrog

RJF

Raja fullonica

Kabeljauw

COD

Gadus morhua

Kever

NOP

Trisopterus esmarkii

Kleinoogrog

RJE

Raja microocellata

Kortvinpijlinktvis

SQI

Illex illecebrosus

Krabben

PAI

Paralomis spp.

Lange schar

PLA

Hippoglossoides platessoides

Langoustine

NEP

Nephrops norvegicus

Langsnuitijsvis

LIC

Channichthys rhinoceratus

Leng

LIN

Molva molva

Lodde

CAP

Mallotus villosus

Lom

USK

Brosme brosme

Makreel

MAC

Scomber scombrus

Noordse garnaal

PRA

Pandalus borealis

Noorse rog

JAD

Raja (Dipturus) nidarosiensis

Pacifische sneeuwkrabben

PCR

Chionoecetes spp.

Peneïdegarnalen

PEN

Penaeus spp.

Pijlinktvis

SQS

Martialia hyadesi

Platvis

FLX

Pleuronectiformes

Portugese ijshaai

CYO

Centroscymnus coelolepis

Pseudopentaceros spp.

EDW

Pseudopentaceros spp.

Reuzenmanta

RMB

Manta birostris

Rode diepzeekrabben

GER

Chaceon spp.

Roggen

SRX

Rajiformes

Rondneusgrenadier

RNG

Coryphaenoides rupestris

Roodbaarzen

RED

Sebastes spp.

Ruwe haai

GAG

Galeorhinus galeus

Sardine

PIL

Sardina pilchardus

Scharretongen

LEZ

Lepidorhombus spp.

Schelvis

HAD

Melanogrammus aeglefinus

Schol

PLE

Pleuronectes platessa

Schubzwelghaai

GUQ

Centrophorus squamosus

Scotiazee-ijsvis

SSI

Chaenocephalus aceratus

Spitssnuitsnavelhaai

DCA

Deania calcea

Sprot

SPR

Sprattus sprattus

Stekelrog

RJC

Raja clavata

Sterrog

RJR

Raja radiata

Tarbot

TUR

Scophthalmus maximus

Tong

SOL

Solea solea

Tongen

SOO

Solea spp.

Tongschar

LEM

Microstomus kitt

Vleetsoorten-complex

RJB

Dipturus batis (Dipturus cf. flossada en Dipturus cf. intermedia)

Wijting

WHG

Merlangius merlangus

Witje

WIT

Glyptocephalus cynoglossus

Witte heek

HKW

Urophycis tenuis

Witte koolvis

POL

Pollachius pollachius

Witte marlijn

WHM

Tetrapturus albidus

Witte rog

RJA

Raja alba

Witte tonijn

ALB

Thunnus alalunga

Zandrog

RJI

Raja circularis

Zandspieringen

SAN

Ammodytes spp.

Zeebaars

BSS

Dicentrarchus labrax

Zeeduivel

ANF

Lophiidae

Zuidelijke blauwvintonijn

SBF

Thunnus maccoyii

Zwaardvis

SWO

Xiphias gladius

Zwarte haai

SCK

Dalatias licha

Zwarte koolvis

POK

Pollachius virens

Zwarte Patagonische ijsheek

TOP

Dissostichus eleginoides


BIJLAGE IA

SKAGERRAK, KATTEGAT, ICES-DEELGEBIEDEN 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12 EN 14, WATEREN VAN DE UNIE VAN CECAF EN WATEREN VAN FRANS-GUYANA

Soort:

Zandspieringen en bijvangsten

Ammodytes spp.

Gebied:

wateren van de Unie van 2a, 3a en 4 (1)

Denemarken

0

(2)

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

0

(2)

Zweden

0

(2)

Unie

0

(2)

 

Verenigd Koninkrijk

0

(2)

 

 

TAC

0

 

 

(1)

Exclusief wateren binnen zes zeemijl van de basislijnen van het Verenigd Koninkrijk bij Shetland, Fair Isle en Foula.

(2)

Maximaal 2 % van het quotum mag bestaan uit bijvangsten van wijting en makreel (OT1/*2A3A4X). Uit hoofde van deze bepaling op het quotum in mindering gebrachte bijvangsten van wijting en makreel en overeenkomstig artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 op het quotum in mindering gebrachte bijvangsten van soorten mogen samen niet hoger zijn dan 9 % van het quotum.

Bijzondere voorwaarde: binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de onderstaande beheersgebieden voor zandspieringen, als bepaald in bijlage III, niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden:

Gebied: wateren van de Unie van de beheersgebieden voor zandspieringen

 

1r

2r

3r

4

5r

6

7r

 

(SAN/234_1R)

(SAN/234_2R)

(SAN/234_3R)

(SAN/234_4)

(SAN/234_5R)

(SAN/234_6)

(SAN/234_7R)

Denemarken

0

0

0

0

0

0

0

Duitsland

0

0

0

0

0

0

0

Zweden

0

0

0

0

0

0

0

Unie

0

0

0

0

0

0

0

Verenigd Koninkrijk

0

0

0

0

0

0

0

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

0

0

0

0

0

0

0


Soort:

Grote zilvervis

Argentina silus

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van 1 en 2

(ARU/1/2.)

Duitsland

6

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

2

 

Nederland

5

 

Unie

13

 

Verenigd Koninkrijk

10

 

 

TAC

23

 


Soort:

Grote zilvervis

Argentina silus

Gebied:

wateren van de Unie van 3a en 4

(ARU/3A4-C)

Denemarken

273

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

3

 

Frankrijk

2

 

Ierland

2

 

Nederland

13

 

Zweden

11

 

Unie

304

 

Verenigd Koninkrijk

5

 

 

TAC

309

 


Soort:

Grote zilvervis

Argentina silus

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van 5, 6 en 7

(ARU/567.)

Duitsland

71

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

2

 

Ierland

66

 

Nederland

742

 

Unie

881

 

Verenigd Koninkrijk

52

 

 

TAC

933

 


Soort:

Lom

Brosme brosme

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van 1, 2 en 14

(USK/1214EI)

Duitsland

2

(1)

Voorzorgs-TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

2

(1)

Overige

1

(1)

Unie

5

(1)

Verenigd Koninkrijk

2

(1)

 

TAC

7

 

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. Vangsten die in mindering moeten worden gebracht op dit gedeelde quotum, worden afzonderlijk gerapporteerd (USK/1214EI_AMS).


Soort:

Lom

Brosme brosme

Gebied:

wateren van de Unie van 4

(USK/04-C.)

Denemarken

17

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

5

 

Frankrijk

12

 

Zweden

2

 

Overige

2

(1)

Unie

38

 

Verenigd Koninkrijk

26

 

 

TAC

64

 

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. Vangsten die in mindering moeten worden gebracht op dit gedeelde quotum, worden afzonderlijk gerapporteerd (USK/04-C_AMS).


Soort:

Lom

Brosme brosme

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van 5, 6 en 7

(USK/567EI.)

Duitsland

4

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Spanje

15

 

Frankrijk

176

 

Ierland

17

 

Overige

4

(1)

Unie

216

 

Noorwegen

731

(2) (3) (4) (5)

Verenigd Koninkrijk

85

 

 

TAC

1 032

 

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan. Vangsten die in mindering moeten worden gebracht op dit gedeelde quotum, worden afzonderlijk gerapporteerd (USK/567EI_AMS).

(2)

Te vangen in de wateren van de Unie van 2a, 4, 5b, 6 en 7 (USK/*24X7C).

(3)

Bijzondere voorwaarde: waarvan een incidentele vangst van andere soorten tot 25 % per vaartuig in 5b, 6 en 7 te allen tijde is toegestaan. In de eerste 24 uur na het begin van de visserijactiviteiten op een bepaalde visgrond mag dit percentage evenwel worden overschreden. De totale incidentele vangst van andere soorten in 5b, 6 en 7 mag niet meer bedragen dan de hieronder opgegeven hoeveelheid, in ton (OTH/*5B67-). De bijvangst van kabeljauw uit hoofde van deze bepaling mag in 6a niet meer bedragen dan 5 %.

750

 

 

(4)

Met inbegrip van leng. De volgende quota voor Noorwegen mogen in 5b, 6 en 7 alleen met beuglijnen worden gevangen:

 

 

 

 

 

Leng (LIN/*5B67-)

2 000

 

 

Lom (USK/*5B67-)

731

 

(5)

De lom- en lengquota voor Noorwegen zijn uitwisselbaar tot de volgende maximumhoeveelheid in ton:

500

 

 


Soort:

Lom

Brosme brosme

Gebied:

Noorse wateren van 4

(USK/04-N.)

België

0

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

41

 

Duitsland

0

 

Frankrijk

0

 

Nederland

0

 

Unie

41

 

Verenigd Koninkrijk

1

 

 

TAC

Niet van toepassing

 


Soort:

Evervissen

Caproidae

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van 6, 7 en 8

(BOR/678-)

Denemarken

1 175

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Ierland

3 309

 

Unie

4 484

 

Verenigd Koninkrijk

304

 

 

TAC

4 788

 


Soort:

Haring (1)

Clupea harengus

Gebied:

3a

(HER/03A.)

Denemarken

2 577

(2)

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

41

(2)

Zweden

2 696

(2)

Unie

5 314

(2)

Noorwegen

818

 

Faeröer

0

(3)

 

TAC

6 132

 

(1)

Vangsten van haring in visserijen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm.

(2)

Bijzondere voorwaarde: tot 50 % van deze hoeveelheid mag worden gevangen in wateren van de Unie van 4 (HER/*04-C.).

(3)

Mag alleen worden gevangen in het Skagerrak (HER/*03AN.).


Soort:

Haring (1)

Clupea harengus

Gebied:

wateren van de Unie en Noorse wateren van 4 ten noorden van 53°30' N.B.

(HER/04AB.)

Denemarken

14 867

 

Analytische TAC

Artikel8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

9 851

 

Frankrijk

5 168

 

Nederland

12 929

 

Zweden

978

 

Unie

43 793

 

Faeröer

63

 

Noorwegen

27 913

(2)

Verenigd Koninkrijk

13 896

 

TAC

96 252

 

(1)

Vangsten van haring in visserijen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm.

(2)

Binnen dit quotum gedane vangsten moeten in mindering worden gebracht op het Noorse TAC-aandeel. Binnen de limieten van dit quotum mag niet meer dan de hieronder opgegeven hoeveelheid, in ton, worden gevangen in de wateren van de Unie van 4a en 4b (HER/*4AB-C). Er wordt een extra hoeveelheid van maximaal 10 000 ton toegekend indien Noorwegen om een dergelijke verhoging verzoekt.

12 500

 

 

 

Bijzondere voorwaarde: binnen de limieten van de bovenstaande quota mag de Unie niet meer dan de hieronder opgegeven hoeveelheden vangen in de Noorse wateren ten zuiden van 62° N.B. Er wordt een extra hoeveelheid van maximaal 2500 ton toegekend indien de Unie om een dergelijke verhoging verzoekt.

Noorse wateren ten zuiden van 62° N.B. (HER/*4N-S62)

 

 

 

Unie

12 500

 

 

 


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Noorse wateren ten zuiden van 62°N.B.

(HER/4N-S62)

Zweden

237

(1)

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Unie

237

 

 

TAC

96 252

 

(1)

Bijvangsten van kabeljauw, schelvis, witte koolvis, wijting en zwarte koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor die soorten.


Soort:

Haring (1)

Clupea harengus

Gebied:

3a

(HER/03A-BC)

Denemarken

1 423

 

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

13

 

Zweden

229

 

Unie

1 665

 

 

TAC

1 665

 

(1)

Uitsluitend voor vangsten van haring gevangen als bijvangst in visserijen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte kleiner dan 32 mm.


Soort:

Haring(1)

Clupea harengus

Gebied:

4, 7d en wateren van de Unie van 2a

(HER/2A47DX)

België

11

 

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

2 143

 

Duitsland

11

 

Frankrijk

11

 

Nederland

11

 

Zweden

11

 

Unie

2 198

 

Verenigd Koninkrijk

41

 

 

TAC

2 239

 

(1)

Uitsluitend voor vangsten van haring gevangen als bijvangst in visserijen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte kleiner dan 32 mm.


Soort:

Haring (1)

Clupea harengus

Gebied:

4c, 7d (2)

(HER/4CXB7D)

België

2 158

(3)

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

200

(3)

Duitsland

133

(3)

Frankrijk

2 569

(3)

Nederland

4541

(3)

Unie

9 601

(3)

Verenigd Koninkrijk

988

(3)

 

TAC

96 252

 

(1)

Uitsluitend voor vangsten van haring in visserijen die gebruikmaken van vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 32 mm.

(2)

Uitgezonderd het Blackwater-bestand: bedoeld is het haringbestand van het zeegebied van de Theemsmonding in een gebied dat wordt begrensd door een loxodroom die rechtwijzend zuidwaarts gaat vanaf Landguard Point (51° 56' N.B., 1° 19,1' O.L.) tot 51° 33' N.B. en vandaar rechtwijzend westwaarts naar een punt op de kust van het Verenigd Koninkrijk.

(3)

Bijzondere voorwaarde: tot 50 % van dit quotum mag worden gevangen in 4b (HER/*04B.).


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van 5b, 6b en 6aN (1)

(HER/5B6ANB)

Duitsland

97

(2)

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

19

(2)

Ierland

132

(2)

Nederland

97

(2)

Unie

345

(2)

Verenigd Koninkrijk

526

(2)

 

TAC

871

 

(1)

Bedoeld is het haringbestand in het deel van ICES-gebied 6a ten oosten van 7° W.L. en ten noorden van 55° N.B., of ten westen van 7° W.L. en ten noorden van 56° N.B. met uitzondering van de Clyde.

(2)

Het is verboden gericht op haring te vissen in het deel van de onder deze TAC vallende ICES-gebieden dat tussen 56° N.B. en 57°30' N.B. ligt, met uitzondering van een gordel van zes zeemijl gemeten vanaf de basislijn van de territoriale zee van het Verenigd Koninkrijk.


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

6aS (1), 7b en 7c

(HER/6AS7BC)

Ierland

309

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Nederland

31

 

Unie

340

 

 

TAC

340

 

(1)

Bedoeld is het haringbestand in 6a ten zuiden van 56°00' N.B. en ten westen van 07°00' W.L.


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

7a (1)

(HER/07A/MM)

Ierland

525

 

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Unie

525

 

Verenigd Koninkrijk

1 491

 

 

TAC

2 016

 

(1)

Dit gebied wordt verminderd met de zone die wordt begrensd:

in het noorden door de breedtegraad 52°30' N.B.,

in het zuiden door de breedtegraad 52°00' N.B.,

in het westen door de kust van Ierland,

in het oosten door de kust van het Verenigd Koninkrijk.


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

7e en 7f

(HER/7EF.)

Frankrijk

116

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Unie

116

 

Verenigd Koninkrijk

116

 

 

TAC

232

 


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

7g (1), 7h (1), 7j (1) en 7k (1)

(HER/7G-K.)

Duitsland

3

(2)

Analytische TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

14

(2)

Ierland

188

(2)

Nederland

14

(2)

Unie

219

(2)

Verenigd Koninkrijk

0

(2)

 

TAC

219

(2)

(1)

Dit gebied wordt uitgebreid met de zone die wordt begrensd:

in het noorden door de breedtegraad 52°30' N.B.,

in het zuiden door de breedtegraad 52°00' N.B.,

in het westen door de kust van Ierland,

in het oosten door de kust van het Verenigd Koninkrijk.

(2)

Dit quotum mag alleen worden toegewezen aan vaartuigen die overeenkomstig de beoordeling van de ICES deelnemen aan onderzoeksvisserij met het oog op het verzamelen van op de visserij gebaseerde gegevens voor dit bestand. Alvorens vangsten toe te staan, stellen de betrokken lidstaten de Commissie in kennis van de naam (namen) van het vaartuig (de vaartuigen).


Soort:

Ansjovis

Engraulis encrasicolus

Gebied:

8

(ANE/08.)

Spanje

29 700

 

Analytische TAC

Frankrijk

3 300

 

Unie

33 000

 

 

TAC

33 000

 


Soort:

Ansjovis

Engraulis encrasicolus

Gebied:

9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1

(ANE/9/3411)

Spanje

0

(1)

Voorzorgs-TAC

Portugal

0

(1)

Unie

0

(1)

 

TAC

0

(1)

(1)

Dit quotum mag alleen worden gevangen van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

Skagerrak

(COD/03AN.)

België

1

 

Analytische TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

421

 

Duitsland

11

 

Nederland

3

 

Zweden

74

 

Unie

510

 

 

TAC

526

 


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

Kattegat

(COD/03AS.)

Denemarken

75

(1)

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

2

(1)

Zweden

46

(1)

Unie

123

(1)

 

TAC

123

(1)

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

4; wateren van de Unie van 2a; het gedeelte van 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort

(COD/2A3AX4)

België

109

(1)

Analytische TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

625

 

Duitsland

396

 

Frankrijk

134

(1)

Nederland

353

(1)

Zweden

4

 

Unie

1 621

 

Noorwegen

626

(2)

Verenigd Koninkrijk

1 433

(1)

 

TAC

3 680

 

(1)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 5 % worden gevangen in 7d (COD/*07D.).

(2)

Mag in de wateren van de Unie worden gevangen. Binnen dit quotum gedane vangsten moeten in mindering worden gebracht op het Noorse TAC-aandeel.

Bijzondere voorwaarde: binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in het onderstaande gebied niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden:

Noorse wateren van 4 (COD/*04N-)

 

 

Unie

2 655

 

 

 


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

Noorse wateren ten zuiden van 62° N.B.

(COD/4N-S62)

Zweden

96

(1)

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Unie

96

 

 

TAC

Niet van toepassing

 

(1)

Bijvangsten van schelvis, witte koolvis, wijting en zwarte koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor die soorten.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

6b; wateren van de Unie en internationale wateren van 5b ten westen van 12°00' W.L. en van 12 en 14

(COD/5W6-14)

België

0

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

0

 

Frankrijk

2

 

Ierland

1

 

Unie

3

 

Verenigd Koninkrijk

3

 

 

TAC

6

 


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

6a; wateren van de Unie en internationale wateren van 5b ten oosten van 12°00' W.L.

(COD/5BE6A)

België

1

(1)

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 9 van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

5

(1)

Frankrijk

51

(1)

Ierland

71

(1)

Unie

128

(1)

Verenigd Koninkrijk

193

(1)

 

TAC

321

(1)

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten van kabeljauw in visserijen op andere soorten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij op kabeljauw niet toegestaan.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

7a

(COD/07A.)

België

1

(1)

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

2

(1)

Ierland

43

(1)

Nederland

0

(1)

Unie

46

(1)

Verenigd Koninkrijk

19

(1)

 

TAC

65

(1)

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

7b, 7c, 7e-k, 8, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1

(COD/7XAD34)

België

5

(1)

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 9 van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

74

(1)

Ierland

115

(1)

Nederland

0

(1)

Unie

194

(1)

Verenigd Koninkrijk

8

(1)

 

TAC

202

(1)

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten van kabeljauw in visserijen op andere soorten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij op kabeljauw niet toegestaan.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

7d

(COD/07D.)

België

9

(1)

Analytische TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

180

(1)

Nederland

5

(1)

Unie

194

(1)

Verenigd Koninkrijk

20

(1)

 

TAC

214

 

(1)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 5 % worden gevangen in: 4; wateren van de Unie van 2a; het gedeelte van 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort (COD/*2A3X4).


Soort:

Scharretongen

Lepidorhombus spp.

Gebied:

wateren van de Unie van 2a en 4

(LEZ/2AC4-C)

België

2

 

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

2

 

Duitsland

2

 

Frankrijk

12

 

Nederland

10

 

Unie

28

 

Verenigd Koninkrijk

703

 

 

TAC

731

 


Soort:

Scharretongen

Lepidorhombus spp.

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van 5b en 6; internationale wateren van 12 en 14

(LEZ/56-14)

Spanje

168

 

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

654

(1)

Ierland

191

 

Unie

1 013

 

Verenigd Koninkrijk

463

(1)

 

TAC

1 476

 

(1)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 5 % worden gevangen in wateren van de Unie van 2a en 4 (LEZ/*2AC4C).


Soort:

Scharretongen

Lepidorhombus spp.

Gebied:

7

(LEZ/07.)

België

127

(1)

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Spanje

1 405

(2)

Frankrijk

1 705

(2)

Ierland

775

(2)

Unie

4 012

 

Verenigd Koninkrijk

671

(2)

 

TAC

4 683

 

(1)

10 % van dit quotum mag worden gevangen in 8a, 8b, 8d en 8e (LEZ/*8ABDE) voor bijvangsten in de gerichte visserij op tong.

(2)

35 % van dit quotum mag worden gevangen in 8a, 8b, 8d en 8e (LEZ/*8ABDE).


Soort:

Scharretongen

Lepidorhombus spp.

Gebied:

8a, 8b, 8d en 8e

(LEZ/8ABDE.)

Spanje

248

 

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

200

 

Unie

448

 

 

TAC

448

 


Soort:

Scharretongen

Lepidorhombus spp.

Gebied:

8c, 9 en 10; wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1

(LEZ/8C3411)

Spanje

1 912

 

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Frankrijk

96

 

Portugal

64

 

Unie

2 072

 

 

TAC

2 158

 


Soort:

Zeeduivel

Lophiidae

Gebied:

wateren van de Unie van 2a en 4

(ANF/2AC4-C)

België

125

(1)

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

275

(1)

Duitsland

134

(1)

Frankrijk

26

(1)

Nederland

94

(1)

Zweden

3

(1)

Unie

657

(1)

Verenigd Koninkrijk

2 865

(1)

 

 

TAC

3 522

 

(1)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 10 % worden gevangen in: 6; wateren van de Unie en internationale wateren van 5b; internationale wateren van 12 en 14 (ANF/*56-14).


Soort:

Zeeduivel

Lophiidae

Gebied:

Noorse wateren van 4

(ANF/04-N.)

België

13

 

Voorzorgs-TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

326

 

Duitsland

5

 

Nederland

5

 

Unie

349

 

Verenigd Koninkrijk

76

 

 

TAC

Niet van toepassing

 


Soort:

Zeeduivel

Lophiidae

Gebied:

6; wateren van de Unie en internationale wateren van 5b; internationale wateren van 12 en 14

(ANF/56-14)

België

72

(1)

Voorzorgs-TAC

Artikel 7, lid 1, van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

82

(1)

Spanje

77

 

Frankrijk

881

(1)

Ierland

199

 

Nederland

69

(1)

Unie

1 380

 

Verenigd Koninkrijk

613

(1)

 

TAC

1 993

 

(1)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 5 % worden gevangen in wateren van de Unie van 2a en 4 (ANF/*2AC4C).


Soort:

Zeeduivel

Lophiidae

Gebied:

7