ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 437

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
28 december 2020


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022

1

 

*

Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU)

30

 

*

Verordening (EU) 2020/2222 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 betreffende bepaalde aspecten van spoorwegveiligheid en spoorverbindingen met betrekking tot de grensoverschrijdende infrastructuur die de Unie en het Verenigd Koninkrijk verbindt via de vaste Kanaalverbinding ( 1 )

43

 

*

Verordening (EU, Euratom) 2020/2223 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding uitgevoerde onderzoeken

49

 

*

Verordening (EU) 2020/2224 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 betreffende gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het goederen- en personenvervoer over de weg na het einde van de overgangsperiode bepaald in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ( 1 )

74

 

*

Verordening (EU) 2020/2225 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 betreffende gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het luchtvervoer na het einde van de overgangsperiode waarin het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voorziet ( 1 )

86

 

*

Verordening (EU) 2020/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 inzake bepaalde luchtvaartveiligheidsaspecten ten aanzien van het einde van de in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde overgangsperiode ( 1 )

97

 

*

Verordening (EU) 2020/2227 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2403 wat betreft vismachtigingen voor vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in de wateren van de Unie

102

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2020/2228 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 betreffende het Europees Jaar van de spoorwegen (2021)

108

 

*

Besluit (EU) 2020/2229 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Besluit nr. 445/2014/EU tot vaststelling van een actie van de Unie voor het evenement Culturele hoofdsteden van Europa voor de periode 2020 tot 2033 ( 1 )

116

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2020/2230 van de Raad van 18 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1388/2013 betreffende de opening en het beheer van autonome tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

120

 

*

Verordening (EU) 2020/2231 van de Raad van 18 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1387/2013 houdende schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

135

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2020/2232 van de Raad van 22 december 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie met betrekking tot de vaststelling van een besluit tot vaststelling van een lijst van 25 personen die bereid en in staat zijn om als leden van een uit hoofde van het terugtrekkingsakkoord ingesteld arbitragepanel op te treden en op een reservelijst te worden opgenomen van personen die bereid en in staat zijn om als leden voor de Unie van een uit hoofde van het terugtrekkingsakkoord ingesteld arbitragepanel op te treden

182

 

*

Besluit (EU) 2020/2233 van de Raad van 23 december 2020 betreffende de vastlegging van de middelen die afkomstig zijn van gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit van operaties uit hoofde van het 9e, 10e en 11e Europees Ontwikkelingsfonds

188

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/1


VERORDENING (EU) 2020/2220 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Gezien het advies van de Rekenkamer (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) na 2020 beogen het krachtige Uniekader tot stand te brengen dat essentieel is om ervoor te zorgen dat het GLB blijft berusten op een gelijk speelveld, en tegelijkertijd de lidstaten meer verantwoordelijkheid te geven inzake de manier waarop aan de vooropgestelde doelen en streefcijfers wordt voldaan. Bijgevolg is het aan de lidstaten om strategische GLB-plannen op te stellen en deze na goedkeuring door de Commissie uit te voeren.

(2)

De wetgevingsprocedure betreffende de wetgevingsvoorstellen van de Commissie over het GLB na 2020 kon niet tijdig worden afgerond om de lidstaten en de Commissie de kans te geven alle elementen gereed te hebben die nodig zijn om het nieuwe juridisch kader en de strategische GLB-plannen vanaf 1 januari 2021 toe te passen, zoals de Commissie oorspronkelijk had voorgesteld. Deze vertraging leidt tot onzekerheid en risico’s voor landbouwers en de gehele landbouwsector in de Unie. Om die onzekerheid te verlichten en de vitaliteit van de plattelandsgebieden en -regio’s te handhaven en bij te dragen tot ecologische duurzaamheid, dient deze verordening te voorzien in de verdere toepassing van de regels van het huidige GLB-kader voor de periode 2014-2020 (“het huidige GLB-kader”) en in ononderbroken betalingen aan landbouwers en andere begunstigden, om aldus te zorgen voor voorspelbaarheid en stabiliteit gedurende de overgangsperiode in de jaren 2021 en 2022 (“de overgangsperiode”), totdat het nieuwe juridisch kader voor de periode vanaf 1 januari 2023 (“het nieuwe juridisch kader”) van toepassing wordt.

(3)

Aangezien de wetgevingsprocedure betreffende de wetgevingsvoorstellen van de Commissie over het GLB na 2020 nog moet worden afgerond, de strategische GLB-plannen nog moeten worden ontwikkeld door de lidstaten en de belanghebbenden moeten worden geraadpleegd, moet het huidige GLB-kader gedurende de overgangsperiode twee jaar van toepassing blijven. De overgangsperiode moet begunstigden de kans geven om een soepele overgang naar de nieuwe programmeringsperiode te maken alsook om rekening te houden met de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (“de Europese Green Deal”).

(4)

Om ervoor te zorgen dat in de jaren 2021 en 2022 aan landbouwers en andere begunstigden steun kan worden verleend uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), moet de Unie deze steunverlening gedurende de overgangsperiode voortzetten onder de voorwaarden van het huidige GLB-kader. Het huidige GLB-kader is met name vastgesteld bij de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 (4), (EU) nr. 1305/2013 (5), (EU) nr. 1306/2013 (6), (EU) nr. 1307/2013 (7) en (EU) nr. 1308/2013 (8) van het Europees Parlement en de Raad.

(5)

Deze verordening moet de lidstaten voldoende tijd bieden om hun respectieve strategische GLB-plannen op te stellen en om het opzetten van administratieve structuren te faciliteren die nodig zijn voor de succesvolle uitvoering van het nieuwe juridisch kader, met name door meer technische bijstand mogelijk te maken. Alle strategische GLB-plannen moeten klaar zijn om na afloop van de overgangsperiode in werking te treden, teneinde de landbouwsector de broodnodige stabiliteit en zekerheid te bieden.

(6)

Aangezien de Unie gedurende de volledige overgangsperiode steun moet blijven verlenen voor plattelandsontwikkeling, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om hun verlengde plattelandsontwikkelingsprogramma’s te financieren uit de overeenkomstige begrotingstoewijzing voor de jaren 2021 en 2022. De verlengde programma’s moeten ervoor zorgen dat ten minste hetzelfde totale aandeel van de Elfpo-bijdrage wordt bestemd voor de in artikel 59, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen, conform de nieuwe ambities van de Europese Green Deal.

(7)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 bevat gemeenschappelijke regels voor het Elfpo en andere financiële middelen die binnen een gemeenschappelijk kader opereren. Die verordening moet van toepassing blijven op de programma’s waarvoor in de programmeringsperiode 2014-2020 en de programmeringsjaren 2021 en 2022 steun wordt verleend uit het Elfpo.

(8)

De in Verordening (EU) nr. 1303/2013 vastgelegde termijnen voor uitvoeringsverslagen, jaarlijkse evaluatievergaderingen, ex-postevaluaties en syntheseverslagen, de subsidiabiliteit van uitgaven en vrijmakingen, alsmede voor begrotingsvastleggingen, gelden slechts voor de programmeringsperiode 2014-2020. Die termijnen moeten worden aangepast in het licht van de verlenging van de periode waarin uit het Elfpo gesteunde programma’s moeten worden uitgevoerd.

(9)

Verordening (EU) nr. 1310/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9) en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie (10) schrijven voor dat uitgaven voor bepaalde langdurige verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van bepaalde verordeningen waarbij vóór de datum van toepassing van Verordening (EU) nr. 1305/2013 steun voor plattelandsontwikkeling is verleend, onder bepaalde voorwaarden ook in de programmeringsperiode 2014-2020 uit het Elfpo moeten worden betaald. Die uitgaven moeten in de programmeringsjaren 2021 en 2022 onder dezelfde voorwaarden subsidiabel blijven voor de duur van de betreffende juridische verbintenis. Ten behoeve van de juridische helderheid en de rechtszekerheid moet ook duidelijk worden gemaakt dat de juridische verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van eerdere maatregelen die corresponderen met de maatregelen van Verordening (EU) nr. 1305/2013 waarop het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van toepassing is, ook onder dat geïntegreerd beheers- en controlesysteem moeten vallen en dat betalingen in het kader van die juridische verbintenissen moeten worden gedaan in de periode van 1 december tot en met 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar.

(10)

Het Elfpo moet steun kunnen verlenen voor de kosten van capaciteitsopbouw en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategieën voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling uit hoofde van het nieuwe wettelijke kader.

(11)

In 2015 heeft een aantal lidstaten bij de toewijzing van betalingsrechten of bij de herberekening in het geval van lidstaten die bestaande rechten hadden behouden krachtens Verordening (EU) nr. 1307/2013, fouten gemaakt bij de vaststelling van het aantal betalingsrechten of de waarde ervan. Veel van die fouten zijn, ook indien ze bij slechts één landbouwer zijn voorgekomen, van invloed op de betalingsrechten voor alle landbouwers en alle jaren. Een aantal lidstaten heeft ook na 2015 fouten gemaakt bij de toewijzing van rechten uit de reserve, bijvoorbeeld in de berekening van de gemiddelde waarde. Dergelijke niet-naleving wordt gewoonlijk aan een financiële correctie onderworpen, totdat de betrokken lidstaat corrigerende maatregelen heeft genomen. In het licht van de tijd die is verstreken sinds de eerste toewijzing en rekening houdend met de inspanningen van de lidstaten om de rechten vast te stellen en in voorkomend geval te corrigeren, moeten, ook ten behoeve van de rechtszekerheid, het aantal betalingsrechten en de waarde ervan vanaf een bepaalde datum wettig en regelmatig worden geacht.

(12)

Krachtens artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 hebben de lidstaten de mogelijkheid gekregen om voor de toewijzing van betalingsrechten een verminderingscoëfficiënt toe te passen op subsidiabele hectaren bestaande uit blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden. Alpenweiden worden vaak collectief beheerd en daarom worden gebieden op jaarbasis toegewezen, waardoor een aanzienlijke mate van onzekerheid ontstaat bij de landbouwers in de betrokken lidstaten. De uitvoering van dat systeem is bijzonder complex gebleken, met name wat de precieze afbakening van de betrokken gebieden betreft. Aangezien de waarde van de betalingsrechten in gebieden waar de verminderingscoëfficiënt niet wordt toegepast, afhangt van de som van de betalingsrechten in de aangewezen gebieden, is deze onzekerheid van invloed op alle landbouwers in de betrokken lidstaten. Om het systeem dat momenteel in die lidstaten wordt toegepast te stabiliseren en alle landbouwers in de betrokken lidstaten zo spoedig mogelijk rechtszekerheid te bieden, moeten de betrokken lidstaten de waarde en het aantal van alle rechten die vóór 1 januari 2020 aan alle landbouwers zijn toegewezen, als wettig en regelmatig kunnen beschouwen. De waarde van die rechten moet, onverminderd alle rechtsmiddelen die individuele begunstigden ter beschikking staan, de op 31 december 2019 geldende waarde voor kalenderjaar 2019 zijn.

(13)

De bevestiging van betalingsrechten ontslaat de lidstaat niet van zijn verantwoordelijkheid in het kader van het gedeeld beheer van het ELGF om de begroting van de Unie te behoeden voor onregelmatige uitgaven. Derhalve mag de bevestiging van de vóór 1 januari 2021 of, bij wijze van afwijking, vóór 1 januari 2020, aan landbouwers toegewezen betalingsrechten geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de Commissie om de in artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde besluiten te nemen voor onregelmatige betalingen die tot en met 2020 of, bij wijze van afwijking, tot en met 2019, voor een kalenderjaar zijn toegekend en die het gevolg zijn van fouten in het aantal betalingsrechten of in de waarde ervan.

(14)

Aangezien het nieuwe juridische kader voor het GLB nog niet is vastgesteld, moet duidelijk worden gemaakt dat er overgangsregelingen moeten worden vastgesteld voor de overgang van bestaande op meerjarenbasis toegekende steunregelingen naar het nieuwe juridisch kader.

(15)

Om te vermijden dat een aanzienlijke hoeveelheid vastleggingen van de huidige programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling naar de strategische GLB-plannen wordt overgedragen, moet de duur van nieuwe meerjarige verbintenissen op het vlak van agro-milieu-klimaat, biologische landbouw en dierenwelzijn in de regel worden beperkt tot ten hoogste drie jaar. Bestaande verbintenissen kunnen vanaf 2022 met ten hoogste één jaar worden verlengd.

(16)

Artikel 31, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voorzag in overgangsregelingen voor de geleidelijke afschaffing van betalingen in gebieden die vanwege de toepassing van nieuwe afbakeningscriteria niet langer als gebieden met natuurlijke beperkingen zouden worden beschouwd. Deze betalingen zouden worden verricht tot uiterlijk 2020 en voor een periode van ten hoogste vier jaar. Bij Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad (11) is de oorspronkelijke termijn voor de nieuwe afbakening van deze gebieden verlengd tot 2019. Voor landbouwers in de lidstaten die de afbakening in 2018 en 2019 hebben vastgesteld, kon de geleidelijke afschaffing van betalingen niet over het maximum van vier jaar worden gespreid. Om de geleidelijke afschaffing van betalingen voort te zetten, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen deze te blijven betalen in de jaren 2021 en 2022, indien van toepassing. Om een adequaat niveau van de betalingen per hectare te waarborgen, overeenkomstig artikel 31, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, moet het niveau van de betalingen in de jaren 2021 en 2022 worden vastgesteld op 25 EUR per hectare.

(17)

Aangezien landbouwers worden blootgesteld aan toenemende economische en ecologische risico’s als gevolg van de klimaatverandering en de toegenomen prijsvolatiliteit, voorziet Verordening (EU) nr. 1305/2013 in een risicobeheersmaatregel om landbouwers te helpen deze risico’s aan te pakken. Deze maatregel omvat ook financiële bijdragen aan onderlinge fondsen en een inkomensstabiliseringsinstrument. Voor de verlening van steun krachtens die maatregel werd voorzien in specifieke voorwaarden om ervoor te zorgen dat de landbouwers in de hele Unie gelijk worden behandeld, de mededinging niet wordt verstoord en de internationale verplichtingen van de Unie worden nagekomen. Om het gebruik van die maatregel voor landbouwers uit alle sectoren verder te bevorderen, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om de drempel van 30 % die aanleiding geeft tot de compensatie van landbouwers voor een daling van de productie of het inkomen, naargelang het betreffende instrument, te verlagen, maar niet tot minder dan 20 %.

(18)

Landbouwers en plattelandsbedrijven zijn ongekend zwaar getroffen door de gevolgen van de COVID-19-uitbraak. De verlenging van strenge beperkingen op verplaatsingen die in de lidstaten zijn ingesteld, en de verplichte sluiting van winkels, buitenmarkten, restaurants en andere horecagelegenheden hebben geleid tot een economische ontwrichting van de landbouwsector en plattelandsgemeenschappen en tot liquiditeits- en kasstroomproblemen voor landbouwers en voor kleine bedrijven die actief zijn op het gebied van de verwerking, afzet of ontwikkeling van landbouwproducten. Om de gevolgen van de crisis als gevolg van de COVID-19-uitbraak het hoofd te bieden, moet de duur van de in artikel 39 ter van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregel worden verlengd om de huidige liquiditeitsproblemen aan te pakken die een gevaar vormen voor de continuïteit van landbouwactiviteiten en van kleine bedrijven die actief zijn op het gebied van de verwerking, afzet of ontwikkeling van landbouwproducten. Steun voor die maatregel moet gefinancierd worden door ten hoogste 2 % van de Elfpo-middelen die zijn toegewezen aan de lidstaten in de programmeringsperiode 2014-2020.

(19)

Om te voorkomen dat middelen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling in de programmeringsjaren 2021 en 2022 onbesteed blijven, moeten de lidstaten die gebruikmaken van de mogelijkheid om bedragen van rechtstreekse betalingen over te hevelen naar plattelandsontwikkeling, de minimumtoewijzing van 5 %, en in het geval van Kroatië 2,5 %, voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling alleen kunnen toepassen op de Elfpo-bijdrage voor plattelandsontwikkeling die wordt verlengd tot en met 31 december 2022, zoals berekend vóór de overheveling van bedragen vanuit rechtstreekse betalingen.

(20)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad (12) tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie (“EURI”) ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (“EURI-verordening”) moeten voor de jaren 2021 en 2022 aanvullende middelen beschikbaar worden gesteld om de impact van de COVID-19-crisis en de gevolgen daarvan voor de landbouwsector en de plattelandsgebieden van de Unie aan te pakken.

(21)

Gezien de ongekende uitdagingen waarmee de landbouwsector en de plattelandsgebieden van de Unie als gevolg van de COVID-19-crisis worden geconfronteerd, moeten de door het EURI verstrekte aanvullende middelen worden gebruikt voor de financiering van maatregelen in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 die de weg effenen voor een veerkrachtig, duurzaam en digitaal economisch herstel in overeenstemming met de doelstellingen van de milieu- en klimaatverbintenissen van de Unie en met de nieuwe ambities die zijn vastgelegd in de Europese Green Deal.

(22)

De lidstaten mogen de milieuambitie van hun bestaande plattelandsontwikkelingsprogramma’s daarom niet naar beneden bijstellen. Zij moeten waarborgen dat het totale aandeel dat in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s in het kader van de Elfpo-bijdrage wordt geoormerkt voor maatregelen die bijzonder gunstig zijn voor klimaat en milieu, ook wordt toegepast op de aanvullende middelen (“non-regressie-beginsel”). Daarnaast moet ten minste 37 % van de door het EURI verstrekte aanvullende middelen worden besteed aan maatregelen die bijzonder gunstig zijn voor klimaat en milieu, alsmede aan dierenwelzijn en aan LEADER. Bovendien moet ten minste 55 % van deze aanvullende middelen worden besteed aan maatregelen ter bevordering van de economische en sociale ontwikkeling in plattelandsgebieden, namelijk aan investeringen in materiële activa, ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen, steun voor basisvoorzieningen en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden en samenwerking.

(23)

Indien de lidstaten anderszins niet in staat zijn het non-regressiebeginsel na te leven, moeten zij de mogelijkheid hebben om af te wijken van de verplichting om ten minste 55 % van de aanvullende middelen uit het EURI toe te wijzen voor maatregelen die economische en sociale ontwikkeling in plattelandsgebieden stimuleren, en moeten zij bij voorkeur maatregelen die bijzonder gunstig zijn voor klimaat en milieu ondersteunen. Om de lidstaten voldoende flexibiliteit te bieden, moeten de lidstaten echter ook de mogelijkheid hebben om met betrekking tot die aanvullende middelen af te wijken van het non-regressiebeginsel, voor zover dat nodig is om aan die 55 % -verplichting te voldoen.

(24)

Voor de aanvullende middelen uit het EURI gelden specifieke voorwaarden. Deze aanvullende middelen moeten met name afzonderlijk van de steun van de Unie voor plattelandsontwikkeling worden geprogrammeerd en gemonitord, waarbij, in beginsel, de voorschriften van Verordening (EU) nr. 1305/2013 moeten worden toegepast. Deze aanvullende middelen moeten daarom worden besteed overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 en in het kader van die verordening worden beschouwd als bedragen ter financiering van maatregelen in het kader van het Elfpo. Bijgevolg moeten de voorschriften van Verordening (EU) nr. 1305/2013, met inbegrip van de regels inzake wijzigingen van plattelandsontwikkelingsprogramma’s, Verordening (EU) nr. 1306/2013, met inbegrip van de voorschriften inzake ambtshalve doorhaling, en Verordening (EU) nr. 1307/2013 van toepassing zijn, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

(25)

Om te zorgen voor een passend hefboomeffect van de aanvullende middelen die door het EURI worden verstrekt, moet er worden voorzien in een specifiek maximumpercentage voor medefinanciering door de Unie, alsmede een verhoogd steunpercentage voor investeringen die bijdragen tot een veerkrachtig, duurzaam en digitaal economisch herstel, en steun voor jonge landbouwers.

(26)

Ter wille van de continuïteit in de overgangsperiode moet de reserve voor crises in de landbouwsector worden behouden in de jaren 2021 en 2022. Het betreffende bedrag van de reserve voor de jaren 2021 en 2022 moet in die reserve worden opgenomen.

(27)

Wat de voorfinancieringsregelingen uit het Elfpo betreft, moet duidelijk worden gemaakt dat noch de verlenging tot en met 31 december 2022 van programma’s die overeenkomstig deze verordening door het Elfpo worden ondersteund, noch de aanvullende middelen die beschikbaar worden gesteld op grond van de EURI-verordening, mogen leiden tot aanvullende voorfinanciering voor de betrokken programma’s.

(28)

Artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bevat thans alleen voor de jaren 2015 tot en met 2020 de verplichting voor de lidstaten om kennis te geven van hun overeenkomstig dat artikel genomen besluiten en van de geraamde opbrengst van de verlaging van het deel van het aan een landbouwer voor een bepaald kalenderjaar toe te kennen bedrag aan rechtstreekse betalingen dat 150 000 EUR overschrijdt. Met het oog op de voortzetting van het bestaande systeem moeten de lidstaten ook kennis geven van hun overeenkomstig dat artikel genomen besluiten en van de geraamde opbrengst van de verlaging voor de kalenderjaren 2021 en 2022.

(29)

Artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 biedt de lidstaten de mogelijkheid om voor de kalenderjaren 2014 tot en met 2020 middelen over te hevelen tussen rechtstreekse betalingen en plattelandsontwikkeling. Om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun eigen strategie kunnen volgen, moet de flexibiliteit tussen de pijlers ook mogelijk worden voor kalenderjaar 2021 (begrotingsjaar 2022) en kalenderjaar 2022 (begrotingsjaar 2023).

(30)

Om de Commissie in staat te stellen de begrotingsmaxima vast te stellen overeenkomstig artikel 22, lid 1, artikel 36, lid 4, artikel 42, lid 2, artikel 49, lid 2, artikel 51, lid 4, en artikel 53, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, moeten de lidstaten hun besluiten inzake de financiële toewijzingen per regeling uiterlijk op 19 februari 2021 voor kalenderjaar 2021 en uiterlijk op 1 augustus 2021 voor kalenderjaar 2022 meedelen.

(31)

In artikel 22, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is bepaald dat de waarde van betalingsrechten lineair moet worden aangepast wanneer het maximum voor de basisbetalingsregeling in een bepaald jaar ten opzichte van het voorgaande jaar is gewijzigd als gevolg van bepaalde besluiten van lidstaten die van invloed zijn op het maximum voor de basisbetalingsregeling. De verlenging van de in bijlage II bij die verordening vermelde nationale maxima tot na kalenderjaar 2020 en de mogelijke jaarlijkse wijzigingen vanaf die datum kunnen gevolgen hebben voor het maximum voor de basisbetalingsregeling. Om de lidstaten in staat te stellen te voldoen aan de in artikel 22, lid 4, van die verordening bedoelde verplichting dat de som van de waarde van de betalingsrechten en de reserves gelijk moet zijn aan het maximum voor de basisbetalingsregeling, is het passend dat gedurende de overgangsperiode wordt voorzien in een lineaire aanpassing die afgestemd is op de verlenging van of wijzigingen in bijlage II bij die verordening. Om de lidstaten een grotere flexibiliteit te bieden, lijkt het passend dat zij de waarde van de betalingsrechten of van de reserve bovendien kunnen aanpassen, eventueel met verschillende aanpassingspercentages.

(32)

Overeenkomstig het huidige juridisch kader hebben de lidstaten in 2014 meegedeeld hoe zij het jaarlijkse nationale maximum voor de basisbetalingsregeling tot en met kalenderjaar 2020 over de regio’s gaan verdelen en, in voorkomend geval, jaarlijkse progressieve wijzigingen gaan doorvoeren over de door Verordening (EU) nr. 1307/2013 bestreken periode. Het is nodig dat de lidstaten ook meedelen wat zij voor de kalenderjaren 2021 en 2022 hebben besloten.

(33)

Het mechanisme van interne convergentie is het kernproces van een billijkere verdeling van rechtstreekse inkomenssteun over de landbouwers. Grote individuele verschillen op basis van oude historische referenties zijn steeds moeilijker te verdedigen. In Verordening (EU) nr. 1307/2013 bestaat het basismodel voor interne convergentie eruit dat de lidstaten vanaf 2015 op nationaal of regionaal niveau een uniforme forfaitaire waarde toepassen voor alle betalingsrechten. Ten behoeve van een soepelere overgang naar een uniforme waarde is echter een afwijking vastgesteld waarbij het de lidstaten is toegestaan de waarden van de betalingsrechten te differentiëren door toepassing, in de periode 2015-2019, van een gedeeltelijke convergentie, ook wel het “tunnelmodel” genoemd. Sommige lidstaten hebben van die afwijking gebruikgemaakt. Met het oog op de voortzetting van het proces dat moet leiden tot een billijkere verdeling van rechtstreekse betalingen, moeten de lidstaten na 2019 verder kunnen convergeren naar een nationaal of regionaal gemiddelde in plaats van naar een uniforme forfaitaire waarde toe te werken of de waarde van de rechten op het niveau van 2019 te houden. Die mogelijkheid voor de lidstaten moet derhalve ook van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021. De lidstaten moeten de Commissie jaarlijks meedelen wat zij voor het volgende jaar hebben besloten.

(34)

De bepalingen van Verordening (EU) nr. 1307/2013 inzake de aanpassing van alle betalingsrechten die bij deze verordening worden gewijzigd, moeten met terugwerkende kracht van toepassing zijn vanaf 1 januari 2020, zodat het duidelijk is dat de lidstaten in staat waren te convergeren na 2019.

(35)

Artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bepaalt dat de waarde van de uit de reserve toegewezen betalingsrechten jaarlijks progressief moet worden gewijzigd op basis van de jaarlijkse stappen van het nationale maximum zoals vastgesteld in bijlage II bij die verordening, waarmee gestalte wordt gegeven aan een meerjarig beheer van de reserve. Die regels moeten zodanig worden aangepast dat het mogelijk wordt om de waarde van alle toegewezen betalingsrechten en van de reserve aan te passen aan een wijziging, van het ene jaar op het volgende, van het in bijlage II bij die verordening vermelde bedrag. In lidstaten die besluiten de interne convergentie verder te zetten, wordt die interne convergentie toegepast op jaarbasis. Voor de kalenderjaren 2020, 2021 en 2022 dient in het jaar van toewijzing slechts de waarde van de betalingsrechten van het lopende jaar te worden bepaald. De eenheidswaarde van de in een bepaald jaar uit de reserve toe te wijzen betalingsrechten moet worden berekend na een eventuele aanpassing van de reserve overeenkomstig artikel 22, lid 5, van die verordening. In een daaropvolgend jaar moet de waarde van de uit de reserve toegewezen betalingsrechten worden aangepast overeenkomstig artikel 22, lid 5, van die verordening.

(36)

Artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet in de toepassing van de regeling inzake een enkele areaalbetaling tot en met 31 december 2020. Het is passend de verlenging van de regeling inzake een enkele areaalbetaling voor de jaren 2021 en 2022 toe te staan.

(37)

Aangezien de in deze verordening opgenomen wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 te laat in werking zal treden opdat de lidstaten de oorspronkelijke termijn voor bepaalde kennisgevingsverplichtingen in 2020 zouden kunnen naleven, moet de termijn voor de lidstaten om te besluiten tot invoering van de herverdelingsbetaling vanaf 2021 of 2022, alsook voor de kennisgeving van dat besluit aan de Commissie, worden verlengd. Het is passend die termijn te laten samenvallen met die voor de besluiten over de flexibiliteit tussen de pijlers.

(38)

Krachtens artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kunnen lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, besluiten om in de periode 2015-2020 nationale overgangssteun te verlenen om een plotselinge en aanzienlijke vermindering van de steun in de sectoren waarvoor tot 2014 nationale overgangssteun werd verleend, te vermijden. Om ervoor te zorgen dat deze steun gedurende de overgangsperiode zijn rol blijft spelen bij de ondersteuning van de inkomens van landbouwers in die specifieke sectoren, moet worden voorzien in de voortzetting van die steun onder dezelfde voorwaarden en beperkingen als in de periode 2015-2020.

(39)

Ter wille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat de artikelen 41 en 42 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 de lidstaten de mogelijkheid bieden om hun besluit inzake de herverdelingsbetaling jaarlijks te herzien. De termijn voor de herziening die van toepassing is in 2021 en 2022 moet samenvallen met die voor de besluiten over de flexibiliteit tussen de pijlers.

(40)

Artikel 52, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 machtigt de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen op grond waarvan de lidstaten kunnen besluiten dat de betaling van de vrijwillige gekoppelde steun kan worden voortgezet tot 2020 op basis van de productie-eenheden waarvoor die steun in een eerdere referentieperiode is verleend. Die machtiging moet zorgen voor een zo groot mogelijke samenhang tussen de Unieregelingen voor sectoren die structurele onevenwichtigheden op de markt kunnen kennen. Het is daarom passend deze machtiging te verlengen zodat ook de jaren 2021 en 2022 eronder vallen.

(41)

Aangezien de in deze verordening opgenomen wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 te laat in werking zal treden opdat de lidstaten de oorspronkelijke termijn voor bepaalde kennisgevingsverplichtingen in 2020 zouden kunnen naleven, moet de termijn voor de lidstaten om te besluiten tot invoering van de vrijwillige gekoppelde steun vanaf 2021 of 2022, alsook voor de kennisgeving van dat besluit aan de Commissie, worden verlengd. Het is passend die termijn te laten samenvallen met die voor de besluiten over de flexibiliteit tussen de pijlers. Ook de termijn voor een besluit van de lidstaten om de verlening van vrijwillige gekoppelde steun in de jaren 2021 en 2022 voort te zetten of stop te zetten, en voor de kennisgeving van dat besluit aan de Commissie, moet tot diezelfde datum worden verdaagd.

(42)

Artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bepaalt welke elementen de kennisgevingen van de lidstaten inzake vrijwillige gekoppelde steun moeten bevatten. Het is passend te verduidelijken dat in die kennisgevingen voor de kalenderjaren 2021 en 2022 het percentage moet worden vermeld van het nationale maximum dat wordt gebruikt voor de financiering van die steun voor de jaren 2021 en 2022.

(43)

In Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn regels vastgesteld voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en zijn bepaalde steunregelingen opgenomen. In de wetgevingsvoorstellen van de Commissie inzake het GLB na 2020 werd bepaald dat deze steunregelingen moeten worden opgenomen in de toekomstige strategische GLB-plannen van de lidstaten. Met het oog op een soepele integratie van deze steunregelingen in het toekomstige GLB moeten regels worden vastgesteld voor de duur van elk van die steunregelingen wanneer deze gedurende de overgangsperiode moeten worden vernieuwd. Wat de steunregeling in de sector olijfolie en tafelolijven betreft, moeten de bestaande werkprogramma’s die voor de periode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2021 zijn opgesteld, derhalve worden opgevolgd door nieuwe werkprogramma’s voor de periode 1 april 2021 tot en met 31 december 2022. Bestaande operationele programma’s in de sector groenten en fruit die hun maximale looptijd van vijf jaar niet hebben bereikt, mogen slechts worden verlengd tot en met 31 december 2022. Nieuwe operationele programma’s in de sector groenten en fruit mogen slechts worden goedgekeurd voor een maximale looptijd van drie jaar. De bestaande nationale programma’s voor de bijenteeltsector die zijn opgesteld voor de periode 1 augustus 2019 tot en met 31 juli 2022, moeten worden verlengd tot en met 31 december 2022.

(44)

Vanwege de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte crisis hebben de wijnbouwers die houder waren van in 2020 verstrijkende vergunningen voor nieuwe aanplant of herbeplanting, vrijwel niet de kans gekregen om die vergunningen in het laatste jaar van hun geldigheid te gebruiken zoals gepland. Om het verlies van deze vergunningen te voorkomen en het risico op een verslechtering van de omstandigheden waaronder de aanplant zou moeten worden uitgevoerd, te beperken, moet worden voorzien in een verlenging van de geldigheidsduur van vergunningen voor nieuwe aanplant of herbeplanting die in 2020 verstrijken. Alle vergunningen voor nieuwe aanplant of herbeplanting die in 2020 verstrijken, moeten derhalve tot en met 31 december 2021 worden verlengd. Voorts moeten, rekening houdend met de gewijzigde marktperspectieven, houders van aanplantvergunningen die in 2020 verstrijken, de mogelijkheid hebben hun vergunningen niet te gebruiken zonder dat dit tot een administratieve sanctie leidt.

(45)

De bepaling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 inzake vergunningen voor nieuwe aanplant of voor herbeplanting die in 2020 zouden verstrijken, die wordt gewijzigd bij deze verordening, moet, wegens de verstoringen ingevolge de COVID-19-pandemie en de moeilijkheden die deze teweeg heeft gebracht wat betreft het gebruik van die aanplantvergunningen, met terugwerkende kracht van toepassing zijn vanaf 1 januari 2020.

(46)

In 2013 werden overgangsbepalingen vastgesteld om te zorgen voor een soepele overgang van de vroegere regeling inzake aanplantrechten voor wijndruiven naar de nieuwe regeling inzake aanplantvergunningen, met name teneinde excessieve aanplant vóór de start van die nieuwe regeling te voorkomen. De termijn voor het indienen van aanvragen voor de omzetting van aanplantrechten in vergunningen loopt af op 31 december 2020. Vergunningen moeten echter door de aanvrager worden gebruikt en zijn, anders dan de vroegere aanplantrechten, niet verhandelbaar. Bovendien kan van de aanvragers van een vergunning worden verlangd dat zij corresponderende wijnbouwarealen hebben, wat ertoe kan leiden dat een houder van aanplantrechten die nog niet over de corresponderende wijnbouwarealen beschikt de vergunningen die zouden voortvloeien uit de omzetting van zijn aanplantrechten, niet zou kunnen gebruiken. De ernstige economische impact van de COVID-19-pandemie op de wijnsector heeft geleid tot cashflowproblemen voor wijnbouwers en tot onzekerheid over de toekomstige vraag naar wijn. Wijnbouwers die nog steeds aanplantrechten bezitten, mogen er niet toe worden gedwongen te kiezen of zij hun aanplantrechten willen omzetten in vergunningen zolang zij vanwege de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte crisis uitzonderlijke moeilijkheden kennen, vooral niet omdat zij een administratieve sanctie zouden krijgen indien zij de uit de omzetting voortvloeiende aanplantvergunningen niet zouden gebruiken. De lidstaten die wijnbouwers hebben toegestaan hun aanvragen tot omzetting van aanplantrechten in te dienen tot en met 31 december 2020, moeten de termijn voor de indiening van die aanvragen derhalve kunnen verlengen tot en met 31 december 2022. Bijgevolg moet de geldigheidsduur van dergelijke omgezette vergunningen worden aangepast en moet deze op 31 december 2025 verstrijken.

(47)

Krachtens artikel 214 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 kon Finland, onder bepaalde voorwaarden, nationale steun verlenen in het zuiden van Finland tot 2020, met toestemming van de Commissie. Om gedurende de overgangsperiode de continuïteit van de betalingen van die steun te waarborgen, moet de verlening van die nationale steun verder worden toegestaan onder dezelfde voorwaarden en bedragen als in 2020.

(48)

Om de werking van de markt voor olijfolie te verbeteren, moeten de lidstaten kunnen beslissen over de uitvoering van afzetvoorschriften om het aanbod te reguleren. Die besluiten mogen evenwel geen praktijken omvatten die de concurrentie kunnen verstoren.

(49)

Uit recente gebeurtenissen blijkt dat landbouwers steeds meer worden geconfronteerd met het risico van inkomensvolatiliteit, deels als gevolg van blootstelling aan de markt, deels als gevolg van extreme weersomstandigheden en frequente sanitaire en fytosanitaire crises die de veestapel en de agronomische activa in de Unie treffen. De effecten van inkomensvolatiliteit kunnen worden verzacht door de landbouwers ertoe aan te zetten in goede jaren te sparen met het oog op slechte jaren. Daartoe moeten nationale belastingmaatregelen waarbij de voor de landbouwers geldende heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting wordt berekend op basis van een meerjarige periode, worden vrijgesteld van de toepassing van de staatssteunregels.

(50)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk te voorzien in de verdere toepassing van de regels van het huidige GLB-kader en in ononderbroken betalingen aan landbouwers en andere begunstigden, om aldus te zorgen voor voorspelbaarheid en stabiliteit gedurende de overgangsperiode, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en effecten van de maatregelen beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, mag de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegd evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(51)

Door het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) vastgestelde horizontale financiële regels zijn op deze verordening van toepassing. Die regels zijn vastgelegd in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (13) en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering; bovendien voorzien ze in controles van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels omvatten ook een algemeen conditionaliteitsstelsel voor de bescherming van de begroting van de Unie.

(52)

De Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 228/2013 en (EU) nr. 229/2013 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(53)

Om ervoor te zorgen dat de op grond van de EURI-verordening beschikbaar gestelde aanvullende middelen vanaf 1 januari 2021 beschikbaar zijn, moeten de bepalingen in deze verordening inzake EURI-steun terugwerkende kracht hebben vanaf die datum.

(54)

In het licht van de dwingende noodzaak om in de huidige omstandigheden onmiddellijk rechtszekerheid voor de landbouwsector te waarborgen, moet deze verordening met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

OVERGANGSBEPALINGEN

HOOFDSTUK I

Verlenging van bepaalde perioden krachtens de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 1310/2013 en voortzetting van de toepassing van Verordening (EU) nr. 1303/2013 voor de programmeringsjaren 2021 en 2022

Artikel 1

Verlenging van de looptijd van programma’s die uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling worden gesteund

1.   Voor programma’s die uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gesteund, wordt de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 zoals vastgelegd in artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, verlengd tot en met 31 december 2022.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde verlenging van de looptijd van uit het Elfpo gesteunde programma’s laat de noodzaak tot indiening van een in artikel 11, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoeld verzoek tot wijziging van plattelandsontwikkelingsprogramma’s voor de overgangsperiode onverlet. Bij een dergelijke wijziging wordt gewaarborgd dat ten minste hetzelfde totale aandeel van de Elfpo-bijdrage voorbehouden wordt voor de in artikel 59, lid 6, van die verordening bedoelde maatregelen.

Artikel 2

Voortzetting van de toepassing van Verordening (EU) nr. 1303/2013 op programma’s die worden gesteund uit het Elfpo

1.   Verordening (EU) nr. 1303/2013 blijft van toepassing op programma’s die in de programmeringsperiode 2014-2020 worden gesteund uit het Elfpo en die overeenkomstig artikel 1 van deze verordening worden verlengd.

2.   Voor programma’s die overeenkomstig artikel 1 van deze verordening worden verlengd, worden de perioden of termijnen als bedoeld in artikel 50, lid 1, artikel 51, lid 1, artikel 57, lid 2, artikel 65, leden 2 en 4, en artikel 76, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, verlengd met twee jaar.

3.   Voor programma’s die overeenkomstig artikel 1 van deze verordening worden verlengd, passen de lidstaten hun volgens het prestatiekader in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1303/2013 vastgestelde streefdoelen aan naar de streefdoelen voor 2025. Voor die programma’s worden de verwijzingen naar streefdoelen voor 2023 in uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 22, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 of artikel 8, lid 3, artikel 67, artikel 75, lid 5, of artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, gelezen als verwijzingen naar streefdoelen voor 2025.

4.   De uiterste datum waarop de Commissie een syntheseverslag dient op te stellen met de voornaamste conclusies van de in artikel 57, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde ex-postevaluaties van het Elfpo, is 31 december 2027.

Artikel 3

Subsidiabiliteit van bepaalde soorten uitgaven gedurende de overgangsperiode

Onverminderd artikel 2, lid 2, van deze verordening, artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, en artikel 38 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, komen de uitgaven als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1310/2013 en artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014, in aanmerking voor een Elfpo-bijdrage uit de toewijzing van 2021 en 2022 voor uit het Elfpo gesteunde programma’s die zijn verlengd overeenkomstig artikel 1 van deze verordening, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

in dergelijke uitgaven wordt voorzien in het betreffende plattelandsontwikkelingsprogramma voor de jaren die onder de overgangsperiode vallen;

b)

het Elfpo-bijdragepercentage van de corresponderende maatregel in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013, zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1310/2013 en in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014, is van toepassing;

c)

het in artikel 67, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde systeem is van toepassing op de juridische verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van maatregelen die overeenkomen met steun verleend in overeenstemming met artikel 21, lid 1, onder a) en b), de artikelen 28 tot en met 31 en de artikelen 33, 34 en 40 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, en er wordt duidelijk aangeven om welke acties het gaat, en

d)

de betalingen voor de juridische verbintenissen als bedoeld onder c) van dit artikel worden binnen de in artikel 75 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgelegde periode gedaan.

HOOFDSTUK II

Voorbereiding van toekomstige strategieën voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling in de programmeringsjaren 2021 en 2022

Artikel 4

Vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling

Voor programma’s die overeenkomstig artikel 1 van deze verordening worden verlengd, kan de Elfpo steun verlenen voor de kosten van capaciteitsopbouw en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling uit hoofde van het nieuwe wettelijke kader.

HOOFDSTUK III

Betalingsrechten voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers

Artikel 5

Definitieve betalingsrechten

1.   Betalingsrechten die vóór 1 januari 2020 aan landbouwers zijn toegewezen, worden met ingang van 1 januari 2021 wettig en regelmatig geacht. De waarde van die wettig en regelmatig te achten rechten is de op 31 december 2020 geldende waarde voor kalenderjaar 2020.

2.   In afwijking van lid 1 van dit artikel kan een lidstaat die gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geboden mogelijkheid, met inachtneming van het gewettigd vertrouwen van de landbouwers, besluiten dat alle vóór 1 januari 2020 toegewezen betalingsrechten met ingang van die datum als wettig en regelmatig worden beschouwd. In dat geval is de waarde van die wettig en regelmatig te achten rechten de op 31 december 2019 geldende waarde voor kalenderjaar 2019.

3.   De leden 1 en 2 van dit artikel gelden onverminderd de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, met name artikel 22, lid 5, en artikel 25, lid 12, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, inzake de waarde van betalingsrechten voor het kalenderjaar 2020 en volgende kalenderjaren.

4.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op betalingsrechten die op basis van feitelijk onjuiste aanvragen aan landbouwers zijn toegewezen, tenzij de landbouwer de fout niet redelijkerwijs had kunnen ontdekken.

5.   De leden 1 en 2 van dit artikel gelden onverminderd de bevoegdheid van de Commissie om een in artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoeld besluit te nemen met betrekking tot uitgaven die zijn gedaan voor betalingen betreffende, ingeval lid 1 van dit artikel van toepassing is, de kalenderjaren tot en met 2020, of, ingeval lid 2 van dit artikel van toepassing is, de kalenderjaren tot en met 2019.

HOOFDSTUK IV

Overgangsbepalingen betreffende plattelandsontwikkeling

Artikel 6

Subsidiabiliteit van uitgaven krachtens Verordening (EU) nr. 1305/2013 en bepaalde soorten uitgaven krachtens de Verordeningen (EG) nr. 1698/2005 en (EG) nr. 1257/1999

Uitgaven die verband houden met juridische verbintenissen jegens begunstigden en zijn gedaan in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en bepaalde soorten uitgaven krachtens de Verordeningen (EG) nr. 1698/2005 (14) en (EG) nr. 1257/1999 (15) van de Raad, kunnen vanaf 1 januari 2023 in aanmerking komen voor een bijdrage uit het Elfpo voor de periode 2023-2027, onder de voorwaarden die moeten worden vastgesteld in overeenstemming met het juridisch kader voor het GLB dat in de periode 2023-2027 van toepassing is.

TITEL II

WIJZIGINGEN

Artikel 7

Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1305/2013

Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 8, lid 1, wordt punt h) als volgt gewijzigd:

a)

punt i) wordt vervangen door:

“i)

een tabel waarin, met inachtneming van artikel 58, lid 4, en artikel 58 bis, lid 2, van deze verordening, de totale, voor elk jaar geplande Elfpo-bijdrage is opgenomen. In die tabel worden de in artikel 58 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde aanvullende middelen afzonderlijk vermeld. In voorkomend geval wordt de totale Elfpo-bijdrage uitgesplitst naar kredieten voor de minder ontwikkelde regio’s en de financiële middelen die aan het Elfpo worden overgedragen op grond van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. De geplande jaarlijkse Elfpo-steun moet verenigbaar zijn met het meerjarig financieel kader;”;

b)

punt ii) wordt vervangen door:

“ii)

een tabel met voor elke maatregel, voor elk soort concrete actie met een specifiek Elfpo-bijdragepercentage, voor het soort concrete actie als bedoeld in artikel 37, lid 1, en artikel 39 bis, voor het soort concrete actie als bedoeld in artikel 38, lid 3, en artikel 39, lid 1, wanneer een lidstaat een percentage van minder dan 30 % toepast, en voor technische bijstand, de totale geplande bijdrage van de Unie en het geldende Elfpo-bijdragepercentage. In voorkomend geval wordt het Elfpo-bijdragepercentage voor minder ontwikkelde regio’s en voor andere regio’s afzonderlijk aangegeven in die tabel;”.

2)

Aan artikel 28, lid 5, worden de volgende alinea’s toegevoegd:

“Voor nieuwe verbintenissen die vanaf 2021 worden aangegaan, leggen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma een kortere periode van één tot drie jaar vast.

Indien een lidstaat overeenkomstig de eerste alinea na afloop van de initiële periode voorziet in een jaarlijkse verlenging van de verbintenissen, bedraagt de verlenging vanaf 2022 niet meer dan één jaar.

In afwijking van de tweede alinea kunnen de lidstaten voor nieuwe verbintenissen die in 2021 en 2022 worden aangegaan, in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s een langere periode dan drie jaar vaststellen, op basis van de aard van de verbintenissen en de nagestreefde milieu- en klimaatdoelstellingen.”.

3)

Aan artikel 29, lid 3, worden de volgende alinea’s toegevoegd:

“Voor nieuwe verbintenissen die vanaf 2021 worden aangegaan, leggen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma een kortere periode van één tot drie jaar vast.

Indien een lidstaat overeenkomstig de eerste alinea na afloop van de initiële periode voorziet in een jaarlijkse verlenging van de voortzetting van biologische landbouw, bedraagt de verlenging vanaf 2022 niet meer dan één jaar.

In afwijking van de tweede alinea kunnen de lidstaten voor nieuwe verbintenissen die in 2021 en 2022 worden aangegaan, in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s een langere periode dan drie jaar vaststellen, indien steun wordt verleend voor de omschakeling naar biologische landbouw.”.

4)

In artikel 31, lid 5, wordt de tweede alinea vervangen door:

“In de jaren 2021 en 2022 kunnen, voor de overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad (*) verlengde programma’s, de lidstaten die geen degressieve betalingen hebben toegekend voor de maximale periode van vier jaar tot en met 2020, besluiten die betalingen tot eind 2022, maar niet langer dan vier jaar in totaal, te handhaven. In dat geval bedragen de betalingen in de jaren 2021 en 2022 niet meer dan 25 EUR per hectare.

(*)  Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022 (PB L 437 van 28.12.2020, blz. 1).”."

5)

Aan artikel 33, lid 2, worden de volgende alinea’s toegevoegd:

“Voor nieuwe verbintenissen die vanaf 2021 worden aangegaan, leggen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma een kortere periode van één tot drie jaar vast.

Indien een lidstaat overeenkomstig de tweede alinea na afloop van de initiële periode voorziet in een jaarlijkse verlenging van de verbintenissen, bedraagt de verlenging vanaf 2022 niet meer dan één jaar.

In afwijking van de derde alinea kunnen de lidstaten voor nieuwe verbintenissen die in 2021 en 2022 worden aangegaan, in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s een langere periode dan drie jaar vaststellen, op basis van de aard van de verbintenissen en de nagestreefde voordelen inzake dierenwelzijn.”.

6)

In artikel 38, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:

“In het kader van artikel 36, lid 1, onder b), wordt slechts steun verleend ter dekking van verliezen door ongunstige klimatologische omstandigheden, dier- of plantenziekten, plagen of overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregelen om een plantenziekte of plaag of een milieu-incident uit te roeien of in te dammen, waarbij meer dan 30 % van de gemiddelde jaarproductie van de laatste drie voorgaande jaren of van de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf voorgaande jaren verloren is gegaan, de hoogste en de laagste productie in laatstgenoemd geval niet meegerekend. Indexen kunnen worden gebruikt voor het berekenen van de jaarproductie van de landbouwer. De gehanteerde berekeningsmethode maakt het mogelijk het feitelijke verlies van een landbouwer in een bepaald jaar te bepalen. De lidstaten kunnen evenwel besluiten dat percentage van 30 % te verlagen tot minimaal 20%.”.

7)

In artikel 39 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   De in artikel 36, lid 1, onder c), bedoelde steun wordt slechts verleend indien het inkomen van een individuele landbouwer is gedaald met meer dan 30 % van het gemiddelde jaarinkomen van die landbouwer in de laatste drie voorgaande jaren of het gemiddelde inkomen van drie jaren van de laatste vijf voorgaande jaren, het hoogste en het laagste inkomen in laatstgenoemd geval niet meegerekend. Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, onder c), wordt onder inkomen verstaan de som van de inkomsten die de landbouwer van de markt ontvangt, inclusief overheidssteun en exclusief de kosten van de productiemiddelen. Betalingen uit het onderlinge fonds compenseren minder dan 70 % van de gederfde inkomsten van de producent in het jaar waarin hij recht krijgt op deze steun. Indexen kunnen worden gebruikt voor het berekenen van het jaarlijks gederfde inkomen van de landbouwer. De lidstaten kunnen evenwel besluiten dat percentage van 30 % te verlagen tot minimaal 20%.”.

8)

In artikel 39 ter wordt lid 4 vervangen door:

“4.   De steun neemt de vorm aan van een vaste betaling die uiterlijk op 31 december 2021 wordt gedaan, op basis van de door de bevoegde autoriteit uiterlijk op 30 juni 2021 goedgekeurde aanvragen voor steun. De daaropvolgende vergoeding van de Commissie geschiedt overeenkomstig de begrotingskredieten en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen. De hoogte van de betaling mag worden gedifferentieerd per categorie begunstigden, volgens objectieve en niet-discriminerende criteria.”.

9)

In artikel 42 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Plaatselijke groepen kunnen, naast de in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en in artikel 4 van Verordening (EU) 2020/2220 * bedoelde taken ook extra taken uitvoeren die door de beheersautoriteit en/of het betaalorgaan aan hen zijn gedelegeerd.”.

10)

In artikel 51, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten waarvoor het totale bedrag van de steun van de Unie voor plattelandsontwikkeling voor de jaren 2014-2020, zoals vastgesteld in bijlage I bij deze verordening, minder dan 1 800 miljoen EUR bedraagt, na de verlenging van hun programma’s overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EU) 2020/2220, besluiten 5 % van het totale bedrag van elk plattelandsontwikkelingsprogramma te besteden aan de in artikel 59 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde taken.”.

11)

Artikel 58 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Onverminderd de leden 5, 6 en 7 is het totale bedrag van de steun van de Unie voor plattelandsontwikkeling in het kader van deze verordening voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 ten hoogste 26 896 831 880 EUR, in lopende prijzen, overeenkomstig het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021 tot en met 2027.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   Om rekening te houden met de ontwikkelingen in verband met de in lid 4 van dit artikel bedoelde verdeling per jaar, inclusief de overdrachten als bedoeld in de leden 5 en 6 van dit artikel, en de overdrachten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 1 van Verordening (EU) 2020/2220, om technische aanpassingen te doen zonder de algemene toewijzingen te veranderen, of om rekening te houden met elke andere verandering uit hoofde van een wetgevingshandeling na vaststelling van deze verordening, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 83 van de onderhavige verordening, ter herziening van de maxima in bijlage I bij de onderhavige verordening.”.

12)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 58 bis

Middelen voor het herstel van de landbouwsector en de plattelandsgebieden van de Unie

1.   Artikel 1, lid 2, onder g), van Verordening (EU) 2020/2094 (*)(“EURI-verordening”) wordt overeenkomstig dit artikel uitgevoerd door maatregelen die subsidiabel zijn in het kader van het Elfpo en die gericht zijn op het aanpakken van de gevolgen van de COVID-19-crisis, met een bedrag van 8 070 486 840 EUR in lopende prijzen van het in artikel 2, lid 2, onder a), vi), van die verordening bedoelde bedrag, met inachtneming van artikel 3, leden 3, 4 en 8 van die verordening.

Dat bedrag van 8 070 486 840 EUR in lopende prijzen wordt aangemerkt als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (**).

Dit wordt beschikbaar gesteld als aanvullende middelen voor begrotingsvastleggingen in het kader van het Elfpo voor de jaren 2021 en 2022, in aanvulling op de totale middelen van artikel 58 van deze verordening, en wel als volgt:

2021: 2 387 718 000 EUR;

2022: 5 682 768 840 EUR.

Voor de toepassing van deze verordening en de Verordeningen (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 worden deze aanvullende middelen beschouwd als bedragen voor de financiering van maatregelen in het kader van het Elfpo. Zij worden geacht deel uit te maken van het totale bedrag van de steun van de Unie voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in artikel 58, lid 1, van deze verordening, waaraan zij worden toegevoegd wanneer wordt verwezen naar het totale bedrag van de steun van de Unie voor plattelandsontwikkeling. Artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is niet van toepassing op de in dit lid en in lid 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen.

2.   De verdeling per lidstaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen, na aftrek van het in lid 7 van dit artikel genoemde bedrag, staat in bijlage I bis.

3.   De in artikel 59, leden 5 en 6, van deze verordening bedoelde procentuele drempels van de totale Elfpo-bijdrage aan het plattelandsontwikkelingsprogramma zijn niet van toepassing op de in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen. De lidstaten waarborgen echter dat in elk plattelandsontwikkelingsprogramma ten minste hetzelfde totale percentage van de Elfpo-bijdrage, met inbegrip van de in lid 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen, wordt geoormerkt voor de in artikel 59, lid 6, van deze verordening bedoelde maatregelen, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2220.

4.   Ten minste 37 % van de in lid 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen wordt in elk plattelandsontwikkelingsprogramma geoormerkt voor maatregelen als bedoeld in artikel 33 en artikel 59, leden 5 en 6, en met name voor:

a)

biologische landbouw;

b)

mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering, met inbegrip van vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door de landbouw;

c)

bodembescherming, met inbegrip van verbetering van de bodemvruchtbaarheid door middel van koolstofvastlegging;

d)

verbetering van het watergebruik en -beheer, met inbegrip van waterbesparing;

e)

het creëren, in stand houden en herstellen van habitats die gunstig zijn voor de biodiversiteit;

f)

vermindering van de risico’s en effecten van het gebruik van pesticiden en antimicrobiële stoffen;

g)

dierenwelzijn;

h)

samenwerkingsacties in het kader van LEADER.

5.   Ten minste 55 % van de in lid 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen wordt in elk plattelandsontwikkelingsprogramma geoormerkt voor de in de artikelen 17, 19, 20 en 35 bedoelde maatregelen, op voorwaarde dat het aangewezen gebruik van dergelijke maatregelen in de plattelandsontwikkelingsprogramma’s de economische en sociale ontwikkeling in plattelandsgebieden bevordert en bijdraagt tot een veerkrachtig, duurzaam en digitaal economisch herstel dat onder meer aansluit bij de in het kader van deze verordening nagestreefde agromilieu- en klimaatdoelstellingen, en met name:

a)

korte toeleveringsketens en plaatselijke markten;

b)

efficiënt gebruik van hulpbronnen, met inbegrip van precisielandbouw en slimme landbouw, innovatie, digitalisering en modernisering van productiemachines en -apparatuur;

c)

veilige omstandigheden op het werk;

d)

hernieuwbare energie, circulaire en bio-economie;

e)

toegang tot hoogwaardige ICT in plattelandsgebieden.

Bij de toewijzing van de in lid 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen kunnen de lidstaten besluiten af te wijken van de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde procentuele drempel, voor zover dat nodig is om te voldoen aan het non-regressiebeginsel van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2220. In plaats daarvan kunnen de lidstaten echter besluiten van dat non-regressiebeginsel af te wijken voor zover dat nodig is om te voldoen aan de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde procentuele drempel.

6.   Ten hoogste 4 % van het totaal van de in lid 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen kan worden toegewezen aan technische bijstand op initiatief van de lidstaten aan plattelandsontwikkelingsprogramma’s overeenkomstig artikel 51, lid 2. Die procentuele drempel kan 5 % bedragen voor de lidstaten waarop artikel 51, lid 2, vierde alinea, van toepassing is.

7.   Ten hoogste 0,25 % van het totaal van de in lid 1 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen kan worden toegewezen aan technische bijstand overeenkomstig artikel 51, lid 1.

8.   De vastleggingen in de begroting voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen worden in elk plattelandsontwikkelingsprogramma afzonderlijk van de in artikel 58, lid 4, bedoelde toewijzing verricht.

9.   De artikelen 20, 21 en 22 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 zijn niet van toepassing op de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde aanvullende middelen.

(*)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (PB L 433 van 22.12.2020 blz. 23)."

(**)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).”."

13)

Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 4 wordt het volgende punt ingevoegd:

“e bis)

100 % voor concrete acties waarvoor financiering wordt ontvangen uit de in artikel 58 bis, lid 1, bedoelde aanvullende middelen. De lidstaten kunnen één enkel specifiek Elfpo-bijdragepercentage vaststellen dat van toepassing is op al die concrete acties;”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Ten minste 5 % en, in het geval van Kroatië, 2,5 %, van de totale Elfpo-bijdrage aan het plattelandsontwikkelingsprogramma wordt voorbehouden voor Leader en voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) 2020/2220.

Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de in artikel 14, lid 1, zesde of zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geboden mogelijkheid, gelden de in de eerste alinea van dit lid vastgelegde percentages voor de totale Elfpo-bijdrage voor het plattelandsontwikkelingsprogramma zonder de overeenkomstig artikel 14, lid 1, zesde of zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 beschikbaar gestelde aanvullende steun.”;

c)

lid 6 bis wordt vervangen door:

“6 bis.   De Elfpo-steun die uit hoofde van artikel 39 ter wordt verleend, bedraagt ten hoogste 2 % van de totale Elfpo-bijdrage aan het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de jaren 2014-2020 als bepaald in deel één van bijlage I.”.

14)

In artikel 75 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Uiterlijk op 30 juni 2016 en 30 juni van elk daaropvolgend jaar tot en met 2026 dient de lidstaat bij de Commissie een jaarlijks uitvoeringsverslag in over de uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma in het vorige kalenderjaar. Het in 2016 ingediende verslag heeft betrekking op de kalenderjaren 2014 en 2015.”.

15)

Artikel 78 wordt vervangen door:

“In 2026 stellen de lidstaten voor elk van hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s een verslag over de ex-post evaluatie op. Dat verslag wordt uiterlijk op 31 december 2026 bij de Commissie ingediend.”.

16)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

17)

Een nieuwe bijlage I bis wordt ingevoegd als vastgesteld in bijlage II bij deze verordening.

18)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

artikel 17, lid 3, Investeringen in materiële activa, vierde kolom, wordt als volgt gewijzigd:

i)

rij 6 wordt vervangen door:

“Van het bedrag aan subsidiabele investeringen in andere regio’s

Bovengenoemde percentages kunnen met ten hoogste 35 procentpunten worden verhoogd in het geval van de financiering van concrete actie uit de in artikel 58 bis, lid 1, bedoelde middelen die bijdragen tot een veerkrachtig, duurzaam en digitaal economisch herstel, mits die steun niet meer dan 75 % bedraagt, en met nog eens 20 procentpunten, op voorwaarde dat de som van de steun niet meer dan 90 % bedraagt, voor:

jonge landbouwers als omschreven in deze verordening, of die zich reeds in de vijf jaar voorafgaand aan de steunaanvraag hebben gevestigd;

collectieve investeringen en geïntegreerde projecten, waaronder die in verband met een fusie van producentenorganisaties;

gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen als bedoeld in artikel 32;

in het kader van het EIP gesteunde concrete acties;

investeringen in verband met concrete acties in het kader van de artikelen 28 en 29”;

ii)

rij 11 wordt vervangen door:

“Van het bedrag aan subsidiabele investeringen in andere regio’s

Bovengenoemde percentages kunnen met ten hoogste 35 procentpunten worden verhoogd in het geval van de financiering van concrete actie uit de in artikel 58 bis, lid 1, bedoelde middelen die bijdragen tot een veerkrachtig, duurzaam en digitaal economisch herstel, op voorwaarde dat die steun niet meer dan 75 % bedraagt, en met nog eens 20 procentpunten, op voorwaarde dat de som van de steun niet meer dan 90 % bedraagt, voor in het kader van het EIP gesteunde concrete acties of die in verband met een fusie van producentenorganisaties”;

b)

artikel 19, lid 6, Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen, vierde kolom, rij 1 wordt vervangen door:

“Per jonge landbouwer overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), i)

Dat bedrag kan met een aanvullend maximum van 30 000 EUR worden verhoogd voor de financiering van concrete actie uit de in artikel 58 bis, lid 1, bedoelde middelen.”.

Artikel 8

Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1306/2013

Verordening (EU) nr. 1306/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 25 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Voor elk van de jaren 2021 en 2022 bedraagt de reserve 400 miljoen EUR (in prijzen van 2011) en dit bedrag wordt opgenomen in hoofdstuk 3 van het meerjarig financieel kader zoals vastgelegd in de bijlage bij Verordening (EU) 2020/2093 van de Raad (*) [MFK].

(*)  Verordening (EU) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433 van 22.12.2020, blz. 11).”."

2)

Artikel 33 wordt vervangen door:

“Artikel 33

Begrotingsvastleggingen

Wat betreft de begrotingsvastleggingen van de Unie voor plattelandsontwikkelingsprogramma’s is artikel 76 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, in voorkomend geval in combinatie met artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad (*), van toepassing.

(*)  Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022 (PB L 437 van 28.12.2020, blz. 1).”."

3)

Aan artikel 35 wordt het volgende lid toegevoegd:

“5.   Voor programma’s die worden verlengd overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EU) 2020/2220, wordt geen voorfinanciering verleend voor de toewijzing van 2021 en 2022 of voor aanvullende middelen als bedoeld in artikel 58 bis, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013.”.

4)

Aan artikel 36, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Punt b) van de eerste alinea is van overeenkomstige toepassing op de aanvullende middelen als bedoeld in artikel 58 bis van Verordening (EU) nr. 1305/2013.”.

5)

In artikel 37 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Na ontvangst van het laatste jaarverslag over de voortgang van de uitvoering van een plattelandsontwikkelingsprogramma verricht de Commissie onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen de saldobetaling op basis van het vigerende financieringsplan, de jaarrekeningen voor het laatste jaar van tenuitvoerlegging van het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma, en het betrokken goedkeuringsbesluit. Deze rekeningen worden uiterlijk zes maanden na de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven als bedoeld in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, in voorkomend geval in combinatie met artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2220, ingediend bij de Commissie. Ze hebben betrekking op de uitgaven die het betaalorgaan tot en met de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven heeft gedaan.”.

6)

In artikel 38 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Het gedeelte van de begrotingsvastleggingen dat nog openstond op de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven als bedoeld in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, in voorkomend geval in combinatie met artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2020/2220, en waarvoor binnen zes maanden na deze datum geen uitgavendeclaratie is ingediend, wordt ambtshalve doorgehaald.”.

Artikel 9

Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1307/2013

Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 11, lid 6, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten stellen de Commissie voor het jaar 2021 uiterlijk op 19 februari 2021 en voor het jaar 2022 uiterlijk op 1 augustus 2021 in kennis van de overeenkomstig dit artikel genomen besluiten en van de geraamde opbrengst van de verlagingen.”.

2)

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten kunnen besluiten om tot 15 % van hun jaarlijkse nationale maxima die in bijlage II bij deze verordening voor de kalenderjaren 2021 en 2022 zijn vastgesteld, beschikbaar te stellen als aanvullende steun voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 die uit het Elfpo wordt gefinancierd. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor de toekenning van rechtstreekse betalingen. Dat besluit, waarin het gekozen percentage wordt vermeld, wordt voor het kalenderjaar 2021 uiterlijk op 19 februari 2021 en voor het kalenderjaar 2022 uiterlijk op 1 augustus 2021 aan de Commissie meegedeeld.”;

b)

aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten die voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 geen besluit als bedoeld in lid 1, zevende alinea, nemen, kunnen besluiten om tot 15 % of, in het geval van Bulgarije, Estland, Spanje, Letland, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië, Slowakije, Finland en Zweden, tot 25 % van het bedrag dat wordt toegewezen voor steun die uit het Elfpo voor het begrotingsjaar 2022 op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en voor het begrotingsjaar 2023 op grond van wetgeving van de Unie die wordt vastgesteld na de vaststelling van Verordening (EU) 2020/2093 van de Raad (*) [MFK] wordt gefinancierd, beschikbaar te stellen als rechtstreekse betalingen. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor steun die uit het Elfpo wordt gefinancierd. Dat besluit, waarin het gekozen percentage wordt vermeld, wordt voor het begrotingsjaar 2022 uiterlijk op 19 februari 2021 en voor het begrotingsjaar 2023 uiterlijk op 1 augustus 2021 aan de Commissie meegedeeld.

(*)  Verordening (EU) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (PB L 433 van 22.12.2020, blz. 11).”."

3)

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Voor elke lidstaat, kan het volgens lid 1 van dit artikel berekende bedrag worden verhoogd met maximum 3 % van het in bijlage II vermelde toepasselijk jaarlijkse nationaal maximum, na aftrek van het bedrag dat resulteert uit de toepassing van het in artikel 47, lid 1, vermelde percentage voor het betreffende jaar. Indien een lidstaat deze verhoging toepast, houdt de Commissie met deze verhoging rekening bij het vaststellen van het jaarlijkse nationale maximum voor de basisbetalingsregeling overeenkomstig lid 1 van dit artikel. Daartoe stellen de lidstaten de Commissie vóór 1 augustus 2014 in kennis van de jaarlijkse percentages waarmee het volgens lid 1 van dit artikel berekende bedrag moet worden verhoogd. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 19 februari 2021 in kennis van het jaarlijkse percentage waarmee het krachtens lid 1 van dit artikel berekende bedrag wordt verhoogd voor de kalenderjaren 2021 en 2022.”;

b)

aan lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Indien het maximum voor een lidstaat, zoals vastgesteld door de Commissie uit hoofde van lid 1 van dit artikel, voor de kalenderjaren 2021 en 2022 verschilt van dat van het voorgaande jaar als gevolg van een wijziging in het bedrag dat in bijlage II is vermeld, of als gevolg van een besluit dat die lidstaat heeft genomen overeenkomstig dit artikel, artikel 14, leden 1 of 2, artikel 42, lid 1, artikel 49, lid 1, artikel 51, lid 1, of artikel 53, verlaagt of verhoogt die lidstaat de waarde van alle betalingsrechten lineair en/of verlaagt of verhoogt hij de nationale reserve of regionale reserves lineair om aan het bepaalde in lid 4 van dit artikel te voldoen.”.

4)

Aan artikel 23, lid 6, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten die de eerste alinea van lid 1 toepassen, stellen de Commissie voor kalenderjaar 2021 uiterlijk op 19 februari 2021 en voor kalenderjaar 2022 uiterlijk op 1 augustus 2021 van de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten in kennis.”.

5)

Aan artikel 25 worden de volgende leden toegevoegd:

“11.   Na toepassing van de correctie als bedoeld in artikel 22, lid 5, kunnen de lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de afwijking waarin lid 4 van dit artikel voorziet, besluiten om betalingsrechten die de landbouwers op 31 december 2019 bezitten en die een lagere waarde hebben dan de nationale of regionale eenheidswaarde in 2020 zoals berekend overeenkomstig de tweede alinea van dit lid, te verhogen tot de nationale of regionale eenheidswaarde in 2020. Bij de berekening van de verhoging worden de volgende voorwaarden in acht genomen:

a)

de berekeningsmethode voor de verhoging waartoe de betrokken lidstaat besluit, berust op objectieve en niet-discriminerende criteria;

b)

ter financiering van de verhoging worden alle of een deel van de betalingsrechten, in eigendom of gehuurd, die de landbouwers op 31 december 2019 bezitten en die een hogere waarde hebben dan de nationale of regionale eenheidswaarde in 2020 zoals berekend overeenkomstig de tweede alinea, verlaagd. Die verlaging geldt voor het verschil tussen de waarde van die rechten en de nationale of regionale eenheidswaarde in 2020. De toepassing van die verlaging berust op objectieve en niet-discriminerende criteria, met als mogelijk criterium de vaststelling van een maximumverlaging.

De in de eerste alinea bedoelde nationale of regionale eenheidswaarde in 2020 wordt berekend door het overeenkomstig artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor 2020 vastgestelde nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling, exclusief het bedrag van de nationale of regionale reserves, te delen door het aantal betalingsrechten, in eigendom of gehuurd, die de landbouwers op 31 december 2019 bezitten.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de afwijking waarin lid 4 van dit artikel voorziet, besluiten om de waarde van de overeenkomstig dat lid berekende waarde op dat niveau te houden, onverminderd de in artikel 22, lid 5, bedoelde correctie.

De lidstaten stellen de landbouwers tijdig in kennis van de waarde van hun betalingsrechten zoals berekend overeenkomstig dit lid.

12.   Voor de kalenderjaren 2021 en 2022 kunnen de lidstaten besluiten tot een verdere interne convergentie door toepassing van lid 11 op het desbetreffende jaar.”.

6)

Aan artikel 29 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Voor de kalenderjaren 2020 en 2021 delen de lidstaten hun in artikel 25, leden 11 en 12, bedoelde besluiten uiterlijk op 19 februari 2021 aan de Commissie mee.

Voor het kalenderjaar 2022 delen de lidstaten hun in artikel 25, lid 12, bedoelde besluit uiterlijk op 1 augustus 2021 aan de Commissie mee.”.

7)

Aan artikel 30, lid 8, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Voor toewijzingen uit de nationale reserve of regionale reserves in 2021 en 2022 wordt het bedrag van de nationale reserve of regionale reserves dat overeenkomstig de tweede alinea is uitgezonderd, gecorrigeerd overeenkomstig artikel 22, lid 5, tweede alinea. De derde alinea van het onderhavige lid geldt niet voor toewijzingen uit de nationale reserve of regionale reserves in 2021 en 2022.”.

8)

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten die in 2020 de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, doen dat ook na 31 december 2020.”;

b)

in lid 4 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Voor elke lidstaat kan het volgens de eerste alinea van dit lid berekende bedrag worden verhoogd met maximum 3 % van het in bijlage II vermelde toepasselijke jaarlijkse nationale maximum, na aftrek van het bedrag dat resulteert uit de toepassing van artikel 47, lid 1, voor het betreffende jaar. Indien een lidstaat deze verhoging toepast, houdt de Commissie met deze verhoging rekening bij het vaststellen van het jaarlijkse nationale maximum voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig de eerste alinea van dit lid. Daartoe stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 januari 2018 in kennis van de jaarlijkse percentages waarmee het volgens lid 1 van dit artikel berekende bedrag vanaf 2018 elk kalenderjaar moet worden verhoogd. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 19 februari 2021 in kennis van het jaarlijkse percentage waarmee het krachtens lid 1 van dit artikel berekende bedrag wordt verhoogd voor de kalenderjaren 2021 en 2022.”.

9)

Artikel 37 wordt gewijzigd als volgt:

a)

in lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Lidstaten die in de periode 2015-2020 nationale overgangssteun toekennen kunnen besluiten in 2021 en 2022 nationale overgangssteun toe te kennen.”;

b)

in lid 4 wordt het zesde streepje vervangen door:

“—

50 % in 2020, 2021 en 2022.”.

10)

In artikel 41 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus van elk jaar besluiten om vanaf het volgende jaar een jaarlijkse betaling toe te kennen aan landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de in afdelingen 1, 2, 3 en 5 van hoofdstuk 1 bedoelde basisbetalingsregeling of de in afdeling 4 van hoofdstuk 1 bedoelde regeling inzake een enkele areaalbetaling (“de herverdelingsbetaling”). De lidstaten kunnen een dergelijk besluit nemen uiterlijk op 19 februari 2021 voor kalenderjaar 2021 en uiterlijk op 1 augustus 2021 voor kalenderjaar 2022. De lidstaten die de herverdelingsbetaling reeds toepassen kunnen hun besluit om dergelijke betaling toe te kennen of de bijzonderheden van de regeling herzien uiterlijk op 19 februari 2021 voor kalenderjaar 2021 en uiterlijk op 1 augustus 2021 voor kalenderjaar 2022.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in de eerste alinea vermelde relevante datum in kennis van een dergelijk besluit.”.

11)

Aan artikel 42, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 19 februari 2021 in kennis van het in de eerste alinea bedoelde percentage voor kalenderjaar 2021 en uiterlijk op 1 augustus 2021 voor kalenderjaar 2022.”.

12)

Aan artikel 49, lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Lidstaten die in het kalenderjaar 2020 betalingen toekennen overeenkomstig artikel 48, stellen de Commissie uiterlijk op 19 februari 2021 in kennis van het in de eerste alinea bedoelde percentage voor kalenderjaar 2021 en uiterlijk op 1 augustus 2021 voor kalenderjaar 2022.”.

13)

In artikel 51, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

“1.   De lidstaten gebruiken voor de financiering van de betaling voor jonge landbouwers ten hoogste 2 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van het percentage dat zij volgens hun ramingen nodig hebben voor de financiering van deze betaling. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 19 februari 2021 in kennis van de geschatte percentages die nodig zijn ter financiering van die betaling voor de kalenderjaren 2021 en 2022.”.

14)

In artikel 52 wordt lid 10 vervangen door:

“10.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen tot aanvulling van deze verordening vast te stellen met betrekking tot maatregelen om te vermijden dat begunstigden van vrijwillige gekoppelde steun nadeel ondervinden van structurele onevenwichtigheden op de markt in een sector. Die gedelegeerde handelingen kunnen de lidstaten toestaan te besluiten dat de betaling van dergelijke steun kan worden voortgezet tot en met 2022 op basis van de productie-eenheden waarvoor in een eerdere referentieperiode vrijwillige gekoppelde steun is verleend.”.

15)

Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De lidstaten die geen vrijwillige gekoppelde steun hebben toegekend tot het aanvraagjaar 2020 kunnen uiterlijk op 19 februari 2021 een besluit nemen overeenkomstig de eerste alinea voor kalenderjaar 2021”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus van een jaar hun krachtens dit hoofdstuk genomen besluit herzien.

Uiterlijk op 8 februari 2020 kunnen de lidstaten tevens hun krachtens dit hoofdstuk genomen besluit herzien voor zover dit nodig is ter aanpassing aan het overeenkomstig artikel 14 genomen besluit inzake flexibiliteit tussen de pijlers voor kalenderjaar 2020.

De lidstaten besluiten uiterlijk op 19 februari 2021 voor kalenderjaar 2021, en uiterlijk op 1 augustus 2021 voor kalenderjaar 2022, of zij verdergaan met het toekennen van vrijwillige gekoppelde steun voor het respectieve aanvraagjaar of deze stopzetten.

Door middel van een herziening op grond van de eerste en tweede alinea van dit lid, of een kennisgeving op grond van de derde alinea van dit lid, kunnen de lidstaten besluiten met gevolgen vanaf het volgende jaar en voor de kalenderjaren 2020 en 2021 met gevolgen voor het hetzelfde kalenderjaar:

a)

het op grond van de leden 1, 2 en 3 vastgestelde percentage, waar van toepassing binnen de daarin bepaalde grenzen, onveranderd te laten, te vermeerderen of te verminderen, of het op grond van lid 4 vastgestelde percentage onveranderd te laten of te verminderen;

b)

de voorwaarden voor het toekennen van de steun te wijzigen;

c)

de in het kader van dit hoofdstuk toegekende steun stop te zetten.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van elk aan de eerste, tweede en derde alinea van dit lid gerelateerd besluit uiterlijk op de in die alinea’s vermelde respectieve data. In de kennisgeving van het aan de herziening op grond van de tweede alinea van dit lid gerelateerde besluit wordt het verband tussen de herziening en het overeenkomstig artikel 14 genomen besluit inzake flexibiliteit tussen de pijlers voor kalenderjaar 2020, uitgelegd.”.

16)

In artikel 54 wordt lid 1vervangen door:

“1.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in dat artikel genoemde data in kennis van de in artikel 53 bedoelde besluiten. Deze kennisgeving bevat, behalve in het geval van het in artikel 53, lid 6, vierde alinea, onder c), bedoelde besluit, informatie over de beoogde regio’s, de gekozen soorten landbouw of sectoren en de hoogte van de te verlenen steun. De kennisgevingen van de in artikel 53, lid 1, bedoelde besluiten en van het in artikel 53, lid 6, derde alinea, bedoelde besluit bevatten ook het percentage van het in artikel 53 bedoelde nationale maximum voor het relevante kalenderjaar.”.

17)

In artikel 58 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen per hectare subsidiabel areaal wordt voor 2020 berekend door de in lid 2 vastgestelde opbrengsten te vermenigvuldigen met de volgende referentiebedragen:

Bulgarije: 649,45 EUR,

Griekenland: 234,18 EUR,

Spanje: 362,15 EUR,

Portugal: 228,00 EUR.

Het bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen per hectare subsidiabel areaal wordt voor 2021 en 2022 berekend door de in lid 2 vastgestelde opbrengsten te vermenigvuldigen met de volgende referentiebedragen:

Bulgarije: 636,13 EUR,

Griekenland: 229,37 EUR,

Spanje: 354,73 EUR,

Portugal: 223,32 EUR.”.

18)

De bijlagen II en III worden gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij de onderhavige verordening.

Artikel 10

Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1308/2013

Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De voor de periode vanaf 1 april 2021 opgestelde activiteitenprogramma’s eindigen op 31 december 2022.”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   De Uniefinanciering voor de in lid 1 bedoelde activiteitenprogramma’s bedraagt voor 2020:

a)

11 098 000 EUR voor Griekenland;

b)

576 000 EUR voor Frankrijk;

c)

35 991 000 EUR voor Italië.

De Uniefinanciering voor de in lid 1 bedoelde activiteitenprogramma’s bedraagt voor elk van de jaren 2021 en 2022:

a)

10 666 000 EUR voor Griekenland;

b)

554 000 EUR voor Frankrijk;

c)

34 590 000 EUR voor Italië.”.

2)

Aan artikel 33, lid 1, worden de volgende alinea’s toegevoegd:

“Operationele programma’s waarvoor na 29 december 2020 een verlenging overeenkomstig de in de eerste alinea bedoelde maximale looptijd van vijf jaar wordt goedgekeurd, kunnen slechts worden verlengd tot en met 31 december 2022.

In afwijking van de eerste alinea lopen nieuwe operationele programma’s die worden goedgekeurd na 29 december 2020, ten hoogste drie jaar.”.

3)

Aan artikel 55, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“In afwijking van de eerste alinea worden de voor de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 juli 2022 opgestelde nationale programma’s verlengd tot en met 31 december 2022. De lidstaten wijzigen hun nationale programma’s in het licht van die verlenging en leggen de gewijzigde programma’s ter goedkeuring voor aan de Commissie.”.

4)

In artikel 58 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   De Uniefinanciering van de steun aan de producentenorganisaties als bedoeld in lid 1, bedraagt voor 2020 voor Duitsland 2 277 000 EUR.

De Uniefinanciering van de steun aan de producentenorganisaties als bedoeld in lid 1, bedraagt voor elk van de jaren 2021 en 2022 voor Duitsland 2 188 000 EUR.”.

5)

Aan artikel 62, lid 3, worden de volgende alinea’s toegevoegd:

“In afwijking van de eerste alinea wordt de geldigheid van de overeenkomstig artikel 64 en artikel 66, lid 1, verleende vergunningen die in het jaar 2020 verstrijken, verlengd tot 31 december 2021.

In afwijking van de eerste alinea worden producenten met een overeenkomstig artikel 64 en artikel 66, lid 1, van deze verordening verleende vergunning die in het jaar 2020 verstrijkt, niet onderworpen aan de in artikel 89, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde administratieve sanctie indien zij de bevoegde autoriteiten uiterlijk op 28 februari 2021 meedelen dat zij niet voornemens zijn gebruik te maken van hun vergunning en evenmin van de verlengde geldigheidsduur als bedoeld in de tweede alinea van dit lid.”.

6)

Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Die omzetting vindt plaats wanneer die producenten daartoe voor 31 december 2015 een verzoek indienen. De lidstaten kunnen besluiten producenten toe te staan dit verzoek tot omzetting van rechten in vergunningen in te dienen tot en met 31 december 2022.”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Ingevolge lid 1 verleende vergunningen hebben dezelfde geldigheidsduur als de in lid 1 vermelde aanplantrechten. Niet-gebruikte vergunningen verstrijken uiterlijk op 31 december 2018, of, indien een lidstaat het in lid 1, tweede alinea, bedoelde besluit heeft genomen, uiterlijk op 31 december 2025.”.

7)

Aan het einde van titel II, hoofdstuk III, afdeling 4, wordt het volgende artikel ingevoegd:

“Artikel 167 bis

Afzetvoorschriften ter verbetering en stabilisering van de werking van de gemeenschappelijke markt voor olijfolie

1.   Teneinde de werking van de gemeenschappelijke markt voor olijfolie, inclusief de olijven waarvan olijfolie wordt gemaakt, te verbeteren en te stabiliseren, kunnen de producerende lidstaten afzetvoorschriften vaststellen om het aanbod te reguleren.

Dergelijke voorschriften staan in verhouding tot het nagestreefde doel en betreffen geen voorschriften die:

a)

betrekking hebben op transacties die volgen op het tijdstip waarop het betrokken product voor het eerst is afgezet;

b)

prijsstellingen mogelijk maken, zelfs als het richtsnoeren of aanbevelingen betreft;

c)

leiden tot het onverkrijgbaar zijn van grote hoeveelheden van de productie van het verkoopseizoen die anders wel verkrijgbaar waren geweest.

2.   De in lid 1 bedoelde voorschriften worden integraal ter kennis van de marktdeelnemers gebracht door middel van bekendmaking in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen besluiten.”.

8)

Aan artikel 211 wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.   In afwijking van lid 1 van dit artikel zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU niet van toepassing op nationale begrotingsmaatregelen waarmee de lidstaten besluiten om van de algemene belastingregels af te wijken door de voor landbouwers geldende heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting te berekenen op basis van een meerjarige periode teneinde de belastinggrondslag over een aantal jaren te spreiden.”.

9)

Aan artikel 214 bis wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Finland mag in 2021 en 2022 de in de eerste alinea bedoelde nationale steun blijven toekennen onder de voorwaarden en voor de bedragen die de Commissie voor 2020 heeft toegestaan.”.

10)

Bijlage VI wordt vervangen door de tekst van bijlage IV bij deze verordening.

TITEL III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 9, punt 5 (betreffende artikel 25, lid 11, van Verordening (EU) nr. 1307/2013) en artikel 10, punt 5 (betreffende artikel 62, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013) zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2020.

In afwijking van de eerste alinea van dit artikel treden punt 12, punt 13, onder a), en punten 17 en 18 van artikel 7 in werking op de datum van inwerkingtreding van de EURI-verordening. Punt 12, punt 13, onder a), en punten 17 en 18 van artikel 7 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  PB C 232 van 14.7.2020, blz. 29.

(2)  PB C 109 van 1.4.2020, blz. 1.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 december 2020.

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(6)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(7)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(8)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(9)  Verordening (EU) nr. 1310/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende bepaalde overgangsbepalingen inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft middelen en de verdeling ervan met betrekking tot 2014, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassing ervan in 2014 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 865).

(10)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal (PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15).

(12)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (PB L 433 van 22.12.2020, blz. 23).

(13)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).

(15)  Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80).


BIJLAGE I

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

“DEEL 1: VERDELING VAN DE STEUN VAN DE UNIE VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING (2014 TOT EN MET 2020)”.

2)

De volgende titel en tabel worden toegevoegd:

DEEL 2: VERDELING VAN DE STEUN VAN DE UNIE VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING (2021 EN 2022)

(lopende prijzen in EUR)

 

2021

2022

België

101 120 350

82 800 894

Bulgarije

344 590 304

282 162 644

Tsjechië

316 532 230

259 187 708

Denemarken

92 734 249

75 934 060

Duitsland

1 334 041 136

1 092 359 738

Estland

107 490 074

88 016 648

Ierland

380 590 206

311 640 628

Griekenland

680 177 956

556 953 600

Spanje

1 319 414 366

1 080 382 825

Frankrijk

1 782 336 917

1 459 440 070

Kroatië

363 085 794

297 307 401

Italië

1 648 587 531

1 349 921 375

Cyprus

29 029 670

23 770 514

Letland

143 490 636

117 495 173

Litouwen

238 747 895

195 495 162

Luxemburg

15 034 338

12 310 644

Hongarije

509 100 229

416 869 149

Malta

24 406 009

19 984 497

Nederland

89 478 781

73 268 369

Oostenrijk

635 078 708

520 024 752

Polen

1 612 048 020

1 320 001 539

Portugal

660 145 863

540 550 620

Roemenië

1 181 006 852

967 049 892

Slovenië

134 545 025

110 170 192

Slowakije

316 398 138

259 077 909

Finland

432 993 097

354 549 956

Zweden

258 769 726

211 889 741

Totaal EU-27

14 750 974 100

12 078 615 700

Technische bijstand

36 969 860

30 272 220

Totaal

14 787 943 960

12 108 887 920 ”


BIJLAGE II

Bijlage I bis bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt als volgt ingevoegd:

BIJLAGE I bis

VERDELING VAN DE AANVULLENDE MIDDELEN DOOR DE LIDSTATEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 58 BIS

(lopende prijzen, in EUR)

 

2021

2022

België

14 246 948

33 907 737

Bulgarije

59 744 633

142 192 228

Tsjechië

54 879 960

130 614 305

Denemarken

16 078 147

38 265 991

Duitsland

209 940 765

499 659 020

Estland

18 636 494

44 354 855

Ierland

56 130 739

133 591 159

Griekenland

108 072 886

257 213 470

Spanje

212 332 550

505 351 469

Frankrijk

256 456 603

610 366 714

Kroatië

59 666 188

142 005 526

Italië

269 404 179

641 181 947

Cyprus

3 390 542

8 069 491

Letland

24 878 226

59 210 178

Litouwen

41 393 810

98 517 267

Luxemburg

2 606 635

6 203 790

Hongarije

88 267 157

210 075 834

Malta

2 588 898

6 161 577

Nederland

15 513 719

36 922 650

Oostenrijk

101 896 221

242 513 006

Polen

279 494 858

665 197 761

Portugal

104 599 747

248 947 399

Roemenië

204 761 482

487 332 328

Slovenië

21 684 662

51 609 495

Slowakije

48 286 370

114 921 561

Finland

61 931 116

147 396 056

Zweden

44 865 170

106 779 104

Totaal EU-27

2 381 748 705

5 668 561 918

Technische bijstand (0,25 %)

5 969 295

14 206 922

Totaal

2 387 718 000

5 682 768 840


BIJLAGE III

De bijlagen II en III bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden als volgt gewijzigd:

1)

Aan bijlage II worden de volgende kolommen toegevoegd:

“2021

2022

494 926

494 926

788 626

797 255

854 947

854 947

862 367

862 367

4 915 695

4 915 695

190 715

193 576

1 186 282

1 186 282

1 891 660

1 890 730

4 800 590

4 797 439

7 285 001

7 274 171

344 340

374 770

3 628 529

3 628 529

47 648

47 648

339 055

344 140

569 965

578 515

32 748

32 748

1 243 185

1 243 185

4 594

4 594

717 382

717 382

677 582

677 582

3 030 049

3 061 233

595 873

600 528

1 891 805

1 919 363

131 530

131 530

391 174

396 034

515 713

517 532

685 676

685 904 ”

2)

Aan bijlage III worden de volgende kolommen toegevoegd:

“2021

2022

494,9

494,9

791,2

799,8

854,9

854,9

862,4

862,4

4 915,7

4 915,7

190,7

193,6

1 186,3

1 186,3

2 075,7

2 074,7

4 860,3

4 857,1

7 285,0

7 274,2

344,3

374,8

3 628,5

3 628,5

47,6

47,6

339,1

344,1

570,0

578,5

32,7

32,7

1 243,2

1 243,2

4,6

4,6

717,4

717,4

677,6

677,6

3 030,0

3 061,2

596,1

600,7

1 891,8

1 919,4

131,5

131,5

391,2

396,0

515,7

517,5

685,7

685,9”


BIJLAGE IV

Bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt vervangen door:

BIJLAGE VI

BEGROTINGSLIMIETEN VOOR STEUNPROGRAMMA’S BEDOELD IN ARTIKEL 44, LID 1

in 1 000 EUR per begrotingsjaar

 

2014

2015

2016

2017-2020

Vanaf 2021

Bulgarije

26 762

26 762

26 762

26 762

25 721

Tsjechië

5 155

5 155

5 155

5 155

4 954

Duitsland

38 895

38 895

38 895

38 895

37 381

Griekenland

23 963

23 963

23 963

23 963

23 030

Spanje

353 081

210 332

210 332

210 332

202 147

Frankrijk

280 545

280 545

280 545

280 545

269 628

Kroatië

11 885

11 885

11 885

10 832

10 410

Italië

336 997

336 997

336 997

336 997

323 883

Cyprus

4 646

4 646

4 646

4 646

4 465

Litouwen

45

45

45

45

43

Luxemburg

588

Hongarije

29 103

29 103

29 103

29 103

27 970

Malta

402

Oostenrijk

13 688

13 688

13 688

13 688

13 155

Portugal

65 208

65 208

65 208

65 208

62 670

Roemenië

47 700

47 700

47 700

47 700

45 844

Slovenië

5 045

5 045

5 045

5 045

4 849

Slowakije

5 085

5 085

5 085

5 085

4 887

Verenigd Koninkrijk

120


28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/30


VERORDENING (EU) 2020/2221 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 177 en artikel 322, lid 1, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Rekenkamer (1),

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De lidstaten zijn op ongekende wijze getroffen door de crisis die voortvloeit uit de economische, sociale en gezondheidsgerelateerde gevolgen van de COVID-19-pandemie. De crisis belemmert de groei in de lidstaten, hetgeen op zijn beurt de ernstige liquiditeitstekorten doet toenemen die het gevolg zijn van de plotse en aanzienlijke stijging van noodzakelijke overheidsinvesteringen in de gezondheidsstelsels en andere sectoren van de economie in de lidstaten. De crisis heeft ook geleid tot een verslechtering van de situatie van mensen die met armoede worden bedreigd en vermindert bijgevolg de sociale cohesie in de lidstaten. Bovendien heeft de sluiting van binnengrenzen een zware impact gehad op de economische samenwerking, met name in grensgebieden, met gevolgen voor het woon-werkverkeer van werknemers en de levensvatbaarheid van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). Dit heeft geleid tot een uitzonderlijke situatie waarvoor specifieke, onmiddellijke en buitengewone maatregelen nodig zijn die snel de reële economie bereiken.

(2)

Om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de crisis zijn de Verordeningen (EU) nr. 1301/2013 (4) en (EU) nr. 1303/2013 (5) van het Europees Parlement en de Raad gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad (6) met het oog op meer flexibiliteit bij de uitvoering van de operationele programma’s die worden ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (het “EFRO”), het Europees Sociaal Fonds (het “ESF”) en het Cohesiefonds (samen de “fondsen” genoemd) en door het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (het “EFMZV”). Aangezien de ernstige negatieve gevolgen voor de economieën en samenlevingen van de Unie echter nog zijn toegenomen, zijn beide verordeningen opnieuw gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad (7). Die wijzigingen hebben gezorgd voor uitzonderlijke extra flexibiliteit om de lidstaten in staat te stellen zich op de noodzakelijke respons op de ongekende crisis te concentreren door de mogelijkheid te vergroten om niet-benutte steun uit de fondsen te mobiliseren en door de procedurele vereisten met betrekking tot de uitvoering van programma’s en audits te vereenvoudigen.

(3)

Op 23 april 2020 heeft de Europese Raad de “Routekaart naar herstel” goedgekeurd, om de enorme schokken voor de economie op te vangen en om te zorgen voor een beperking van enerzijds de sociale en economische gevolgen daarvan voor de Unie als gevolg van de uitzonderlijke beperkingen die de lidstaten hebben ingevoerd ter indamming van de verspreiding van COVID-19 en anderzijds de risico’s van een asymmetrisch herstel als gevolg van de ongelijke beschikbare nationale middelen in de lidstaten — hetgeen op zijn beurt ernstige gevolgen heeft gehad voor de werking van de interne markt. De Routekaart naar herstel heeft een sterke investeringscomponent en bepleit de oprichting van het Europees herstelfonds. Bovendien draagt zij, zoals herhaald in de conclusies van de Europese Raad van 21 juli 2020, de Commissie op om de behoeften te analyseren zodat de middelen ter beschikking van de meest getroffen sectoren en geografische gebieden van de Unie kunnen worden gesteld, en tegelijkertijd het verband met het meerjarig financieel kader voor 2021-2027 te verduidelijken.

(4)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad (8) en binnen de grenzen van de daarin toegewezen middelen, moeten herstel- en veerkrachtmaatregelen in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen worden uitgevoerd om de ongekende gevolgen van de COVID-19-crisis aan te pakken. Deze extra middelen moeten worden gebruikt om de naleving van de in Verordening (EU) 2020/2094 vastgestelde termijnen te waarborgen.

(5)

Deze verordening legt regels en uitvoeringsregelingen vast inzake de extra middelen die verstrekt worden als herstelbijstand voor cohesie en de regio’s van Europa (“React-EU”) om te voorzien in bijstand om het crisisherstel te bevorderen in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan, en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie. Uit hoofde van React-EU moet er een uitzonderlijk extra bedrag van maximaal 47 500 000 000 EUR in prijzen van 2018 voor budgettaire vastlegging uit de structuurfondsen voor de jaren 2021 en 2022 beschikbaar worden gesteld ter ondersteuning van de meest getroffen lidstaten en regio’s bij het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (“React-EU-middelen”), zodat via de bestaande operationele programma’s snel middelen ten behoeve van de reële economie kunnen worden ingezet. De React-EU-middelen zijn afkomstig uit het herstelinstrument van de Europese Unie. Een deel van de React-EU-middelen moet worden toegewezen voor technische bijstand op initiatief van de Commissie. De Commissie moet de uitsplitsing van de React-EU-middelen voor elke lidstaat vaststellen op basis van een toewijzingsmethode die gebaseerd is op de meest recente beschikbare objectieve statistische gegevens over de relatieve welvaart van de lidstaten en de omvang van de gevolgen van de COVID-19-crisis voor hun economieën en samenlevingen. Vóór de toepassing van de toewijzingsmethode voor de React-EU-middelen voor het jaar 2021 en ter verlening van steun aan de belangrijkste sectoren na de COVID-19-crisis in bepaalde lidstaten, moet een bedrag van 100 000 000 EUR en 50 000 000 EUR respectievelijk worden toegewezen aan Luxemburg en Malta. De toewijzingsmethode moet in een specifiek extra bedrag voor de ultraperifere regio’s voorzien vanwege de specifieke kwetsbaarheid van hun economieën en samenlevingen. Om recht te doen aan het evoluerende karakter van de gevolgen van de COVID-19-crisis, moet de uitsplitsing in 2021 op basis van dezelfde toewijzingsmethode en aan de hand van de meest recente statistische gegevens die op 19 oktober 2021 beschikbaar zijn, worden herzien met het oog op de verdeling van de tranche van de React-EU-middelen voor 2022.

(6)

Gezien het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de verbintenissen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling uit te voeren, zullen de fondsen bijdragen aan klimaatmainstreaming en aan de verwezenlijking van een algemeen streefdoel om 30 % van de Uniebegroting te spenderen aan maatregelen die klimaatdoelstellingen ondersteunen. In het kader van React-EU zal naar verwachting 25 % van de totale financiële middelen bijdragen aan klimaatdoelstellingen. In overeenstemming met de aard van React-EU als een instrument voor crisisherstel en de flexibiliteit waarin deze verordening voorziet, met inbegrip van het ontbreken van vereisten inzake thematische concentratie en de mogelijkheid voor de lidstaten om naar behoefte de React-EU-middelen in te zetten ter ondersteuning van concrete acties van het EFRO of ESF, kan het niveau van de bijdragen van de lidstaten aan de ambitie om dat streefdoel te bereiken, verschillen naargelang van nationale prioriteiten.

(7)

De door het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) vastgestelde horizontale financiële regels zijn op deze verordening van toepassing. Die regels zijn vastgelegd in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9) (het “Financieel Reglement”) en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering; bovendien voorzien ze in controles van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels omvatten ook een algemeen conditionaliteitsstelsel voor de bescherming van de begroting van de Unie.

(8)

Om de lidstaten maximale flexibiliteit te bieden bij het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en bij de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie, moeten de toewijzingen door de Commissie op het niveau van de lidstaten worden vastgesteld. Voorts moet worden voorzien in de mogelijkheid om React-EU-middelen te gebruiken ter ondersteuning van de meest hulpbehoevenden en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (“YEI”). Daarnaast moeten plafonds worden vastgesteld met betrekking tot de toewijzing voor technische bijstand op initiatief van de lidstaten, terwijl tegelijkertijd maximale flexibiliteit aan de lidstaten moet worden verleend voor de toewijzing ervan in het kader van door het EFRO of het ESF ondersteunde operationele programma’s. De operationele sterkte van het ESF moet worden gehandhaafd bij de toewijzing van de React-EU-middelen op de beleidsgebieden van werkgelegenheid, met name jongerenwerkgelegenheid in overeenstemming met de versterkte jongerengarantie, vaardigheden en onderwijs, sociale inclusie en gezondheid, met bijzondere nadruk op het bereiken van kansarme groepen en kinderen. Rekening houdend met de verwachte snelle besteding van de React-EU-middelen, mogen de aan deze middelen gekoppelde vastleggingen pas bij de afsluiting van de operationele programma’s worden vrijgemaakt.

(9)

Aangezien regio’s en gemeenten in de lidstaten op verschillende wijze zijn getroffen door de COVID-19-pandemie, is het van belang regionale en lokale actoren van overheden, economische en sociale partners en het maatschappelijk middenveld overeenkomstig het partnerschapsbeginsel te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van crisisherstel dat via React-EU wordt ondersteund.

(10)

Wat de React-EU-middelen betreft, moet ook in mogelijkheden worden voorzien voor financiële overdrachten in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” tussen het EFRO en het ESF overeenkomstig artikel 25 bis van Verordening (EU) nr. 1303/2013. Dergelijke overdrachten mogen geen negatieve gevolgen hebben voor de beschikbare middelen in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”, noch voor de specifieke toewijzing voor het YEI.

(11)

Ter aanvulling van de reeds beschikbare maatregelen in het kader van het bij de Verordeningen (EU) 2020/460 en (EU) 2020/558 verruimde bereik van de steun uit het EFRO moeten de lidstaten de React-EU-middelen voornamelijk kunnen blijven gebruiken voor investeringen in producten en diensten voor gezondheidsdiensten, ook grensoverschrijdend, en met inbegrip van zorg in institutioneel, gemeenschaps- en gezinsverband, voor het verlenen van steun in de vorm van bedrijfskapitaal van of investeringssteun aan kmo’s — met inbegrip van adviserende steun, met name in de sectoren die het zwaarst getroffen zijn door de COVID-19-pandemie en dringend moeten worden gerevitaliseerd, zoals toerisme en cultuur —, voor investeringen ter bevordering van de transitie naar een digitale en groene economie, voor investeringen in infrastructuur voor niet-discriminerende basisdiensten ten behoeve van de burgers en voor economische steunmaatregelen voor de regio’s die het meest afhankelijk zijn van de zwaarst door de COVID-19-crisis getroffen sectoren. Ook sterkere samenwerking, coördinatie en veerkracht op het gebied van gezondheid moeten worden bevorderd. Voorts moet er ook steun voor technische bijstand worden verleend. Het is passend dat de React-EU-middelen uitsluitend worden gebruikt in het kader van de nieuwe thematische doelstelling “de bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie” — die ook één investeringsprioriteit moet vormen — om een vereenvoudigde programmering en uitvoering van deze middelen mogelijk te maken.

(12)

Wat het ESF betreft, moeten de lidstaten de React-EU-middelen voornamelijk gebruiken om steun te verlenen voor toegang tot de arbeidsmarkt en sociale stelsels, waarbij wordt gezorgd voor behoud van banen, onder meer via regelingen voor werktijdverkorting en steun voor zelfstandigen, alsook voor ondernemers, freelancers, artiesten en werknemers uit de creatieve sector. Regelingen voor werktijdverkorting en soortgelijke maatregelen, met name voor zelfstandigen, zijn gericht op de bescherming van werknemers en zelfstandigen tegen het risico van werkloosheid, met behoud van hetzelfde niveau van arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden en lonen voor werknemers. De React-EU-middelen die aan deze regelingen worden toegewezen, mogen uitsluitend worden gebruikt om werknemers te ondersteunen. In de context van de huidige uitzonderlijke omstandigheden als gevolg van de COVID-19-pandemie moet het mogelijk zijn steun te verlenen voor regelingen voor werktijdverkorting voor werknemers en zelfstandigen, zelfs als die steun niet met actieve arbeidsmarktmaatregelen wordt gecombineerd, tenzij deze maatregelen door het nationaal recht worden opgelegd. Die regel moet ook op uniforme wijze van toepassing zijn op regelingen voor werktijdverkorting die zijn ondersteund overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1303/2013, zoals gewijzigd bij Verordeningen (EU) 2020/460 en (EU) 2020/558 naar aanleiding van de COVID-19-crisis, en die verder worden ondersteund in het kader van de specifieke investeringsprioriteit “de bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie”. De steun van de Unie voor dergelijke regelingen voor werktijdverkorting moet in de tijd worden beperkt.

(13)

Steun moet ook worden verleend voor het scheppen van banen en hoogwaardige werkgelegenheid, met name voor mensen in kwetsbare situaties, en voor maatregelen op het gebied van sociale inclusie en armoedebestrijding. Maatregelen op het gebied van jongerenwerkgelegenheid moeten in overeenstemming met de versterkte jongerengarantie worden uitgebreid. Daarnaast moet worden voorzien in investeringen in onderwijs, opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden, met inbegrip van omscholing en bijscholing, met name voor kansarme groepen. Gelijke toegang tot sociale diensten van algemeen belang, onder meer voor kinderen, ouderen, personen met een handicap, etnische minderheden en daklozen, moet worden bevorderd.

(14)

Voorts moeten de lidstaten bijzondere aandacht blijven besteden aan inwoners van plattelands-, grens-, minder ontwikkelde, insulaire, bergachtige, dunbevolkte en ultraperifere regio’s en gebieden die een industriële transitie doormaken of getroffen zijn door ontvolking en, in voorkomend geval, de React-EU-middelen gebruiken om deze inwoners te ondersteunen.

(15)

Aangezien de tijdelijke sluiting van grenzen tussen lidstaten grensoverschrijdende gemeenschappen en bedrijven voor aanzienlijke uitdagingen heeft gesteld, is het passend de lidstaten toe te staan ook aan bestaande grensoverschrijdende programma’s in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” de React-EU-middelen toe te wijzen.

(16)

Om ervoor te zorgen dat de lidstaten over voldoende financiële middelen beschikken om snel crisisherstelmaatregelen in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan uit te voeren en een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie voor te bereiden, moet in een hoger niveau van initiële voorfinanciering worden voorzien met het oog op de snelle uitvoering van de met de React-EU-middelen ondersteunde maatregelen. De uit te keren initiële voorfinanciering moet zodanig zijn dat de lidstaten over de middelen beschikken om — zo nodig — voorschotten aan de begunstigden te verstrekken en de begunstigden snel na de indiening van de betalingsaanvragen te vergoeden.

(17)

De lidstaten moeten over de mogelijkheid beschikken om de React-EU-middelen toe te wijzen aan nieuwe specifieke operationele programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” of aan nieuwe prioriteitsassen binnen bestaande programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” en de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”. Met het oog op een snelle uitvoering mogen alleen reeds aangewezen autoriteiten van bestaande door het EFRO, het ESF of het Cohesiefonds ondersteunde operationele programma’s worden aangewezen voor nieuwe specifieke operationele programma’s. Een ex-ante-evaluatie door de lidstaten hoeft niet te worden vereist en de elementen die nodig zijn om het operationele programma ter goedkeuring door de Commissie in te dienen, moeten worden beperkt.

(18)

De React-EU-middelen moeten worden gebruikt volgens de beginselen inzake duurzame ontwikkeling en “niet schaden”, waarbij rekening moet worden gehouden met de Overeenkomst van Parijs en met de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling. Bovendien moeten gedurende de volledige uitvoering van de operationele programma’s ook de gelijkheid van vrouwen en mannen, gendermainstreaming en de integratie van een genderperspectief in aanmerking worden genomen en worden bevorderd.

(19)

Om de druk op de overheidsbegrotingen te verlichten met betrekking tot het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie, moeten uitgaven voor concrete acties vanaf 1 februari 2020 in aanmerking komen voor steun en moeten de lidstaten de uitzonderlijke mogelijkheid krijgen een medefinancieringspercentage tot 100 % te vragen voor de afzonderlijke prioriteitsassen van operationele programma’s die steun uit de React-EU-middelen verstrekken.

(20)

Hoewel het belangrijk is ervoor te zorgen dat 31 december 2023 de einddatum blijft voor subsidiabiliteit voor de programmeringsperiode 2014-2020, moet duidelijk worden gemaakt dat concrete acties in de loop van 2023 nog steeds voor steun kunnen worden geselecteerd.

(21)

Om de continuïteit van de uitvoering van bepaalde concrete acties die met de React-EU-middelen worden ondersteund te waarborgen, moeten de faseringsbepalingen van een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa worden toegepast.

(22)

Als gevolg van de specifieke flexibiliteitsmaatregelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 die door middel van Verordening (EU) 2020/558 zijn ingevoerd in Verordening (EU) nr. 1303/2013, moeten de uitgaven voor fysiek voltooide of volledig ten uitvoer gelegde concrete acties ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie die in het kader van de overeenkomstige nieuwe thematische doelstelling zijn ondersteund ook in aanmerking komen, op voorwaarde dat de desbetreffende concrete acties vanaf 1 februari 2020 van start zijn gegaan.

(23)

Om de lidstaten in staat te stellen de React-EU-middelen snel in het kader van de huidige programmeringsperiode te gebruiken, is het gerechtvaardigd de lidstaten bij wijze van uitzondering vrij te stellen van de verplichting te voldoen aan de ex-antevoorwaarden en de vereisten inzake de prestatiereserve en de toepassing van het prestatiekader, inzake thematische concentratie — ook met betrekking tot de voor het EFRO vastgestelde drempels voor duurzame stedelijke ontwikkeling — en inzake de voorbereiding van een communicatiestrategie voor de React-EU-middelen. De lidstaten moeten desalniettemin uiterlijk op 31 december 2024 ten minste één evaluatie uitvoeren om de doeltreffendheid, de efficiëntie, het effect en de inclusiviteit van de React-EU-middelen te beoordelen, evenals de wijze waarop deze middelen hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de nieuwe specifieke thematische doelstelling. Om de beschikbaarheid van vergelijkbare informatie op het niveau van de Unie te vergemakkelijken, moeten de lidstaten in voorkomend geval worden verplicht gebruik te maken van de door de Commissie ter beschikking gestelde programmaspecifieke indicatoren met betrekking tot COVID-19. Bij het uitvoeren van hun verantwoordelijkheden met betrekking tot voorlichting, communicatie en zichtbaarheid moeten de lidstaten en de managementautoriteiten bovendien de zichtbaarheid van de door de Unie geïntroduceerde uitzonderlijke maatregelen en middelen vergroten, met name door ervoor te zorgen dat potentiële begunstigden, begunstigden, deelnemers, eindontvangers van financiële instrumenten en het grote publiek zich bewust zijn van het bestaan, het volume en de aanvullende steun van de React-EU-middelen.

(24)

Om de React-EU-middelen gericht ter beschikking te kunnen stellen van de geografische gebieden waar ze het meest nodig zijn, mag het — bij wijze van uitzondering en onverminderd de algemene regels voor de toewijzing van middelen uit de structuurfondsen — geen verplichting zijn de aan het EFRO en het ESF toegewezen React-EU-middelen per regiocategorie uit te splitsen. Van de lidstaten wordt echter verwacht dat ze met de verschillende regionale behoeften en ontwikkelingsniveaus rekening houden om ervoor te zorgen dat de steun op evenwichtige wijze wordt verdeeld op basis van de behoeften van de regio’s en steden die het zwaarst getroffen zijn door de gevolgen van de COVID-19-pandemie en de noodzaak om aandacht te blijven besteden aan minder ontwikkelde regio’s, overeenkomstig de in artikel 174 VWEU vastgestelde doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie. De lidstaten moeten ook lokale en regionale autoriteiten en relevante instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen en de sociale partners bij de problematiek betrekken overeenkomstig het partnerschapsbeginsel.

(25)

Behalve voor de gevallen waarin uit hoofde van deze verordening wordt voorzien in afwijkingen, moeten voor uitgaven in het kader van React-EU dezelfde verplichtingen en waarborgen gelden als voor alle cohesiefinanciering. Daarbij gaat het onder meer om de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en om doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen die worden uitgevoerd met steun van bestaande fraudebestrijdingsagentschappen op het niveau van de lidstaten en de Unie, zoals het Europees Bureau voor fraudebestrijding en, in voorkomend geval, het Europees Openbaar Ministerie.

(26)

Het is van essentieel belang dat de legitieme belangen van de eindontvangers en begunstigden naar behoren worden gewaarborgd wanneer maatregelen worden genomen om de Uniebegroting te beschermen.

(27)

Om de overdrachten die krachtens de bij deze verordening geïntroduceerde veranderingen toegestaan zijn, te vergemakkelijken, hoeft de in artikel 30, lid 1, onder f), van het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarde met betrekking tot het gebruik van kredieten voor hetzelfde doel niet voor die overdrachten te gelden.

(28)

Daar de doelstelling van deze verordening — namelijk reageren op de gevolgen van de COVID-19-crisis door het invoeren van flexibiliteitsmaatregelen op het gebied van het verlenen van steun uit de Europese structuur- en investeringsfondsen — niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(29)

Gezien de urgentie van de situatie met betrekking tot de COVID-19-pandemie moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(30)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(31)

Artikel 135, lid 2, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (10) bepaalt dat wijzigingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (11) of Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad (12) die op of na de datum van inwerkingtreding van dat akkoord worden vastgesteld, niet van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, voor zover die wijzigingen gevolgen hebben voor de financiële verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk. De steun in het kader van deze verordening voor 2021 en 2022 wordt gefinancierd door een verhoging van het maximum van de eigen middelen van de Unie, wat gevolgen zou hebben voor de financiële verplichting van het Verenigd Koninkrijk. Daarom mag deze verordening niet van toepassing zijn op of in het Verenigd Koninkrijk,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 92 bis

React-EU-middelen

De in artikel 1, lid 2 van Verordening (EU) 2020/2094 (*1) van de Raad bedoelde maatregelen worden in het kader van de structuurfondsen uitgevoerd met een bedrag van maximaal 47 500 000 000 EUR in prijzen van 2018, als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), i), van die verordening, onder voorbehoud van artikel 3, leden 3, 4, 7 en 9, van die verordening.

Deze extra middelen voor 2021 en 2022, die uit het herstelinstrument voor de Europese Unie komen, verlenen bijstand ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (“React-EU-middelen”)

Zoals bepaald in artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) 2020/2094 vormen de React-EU-middelen externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.

Artikel 92 ter

Uitvoeringsregelingen voor de React-EU-middelen

1.   De React-EU-middelen worden beschikbaar gesteld in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid”.

In afwijking van artikel 94 wijzen de lidstaten ook gezamenlijk een deel van hun React-EU-middelen toe aan programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” waaraan zij deelnemen, indien zij het ermee eens zijn dat die toewijzingen beantwoorden aan hun respectieve nationale prioriteiten.

De React-EU-middelen worden gebruikt voor de uitvoering van technische bijstand uit hoofde van lid 6 van dit artikel en de concrete acties ter uitvoering van de in lid 9, eerste alinea, van dit artikel bedoelde thematische doelstelling.

2.   De React-EU-middelen worden beschikbaar gesteld voor vastlegging in de begroting voor de jaren 2021 en 2022 in aanvulling op de in artikel 91 bedoelde globale toewijzing, en wel als volgt:

2021: 37 500 000 000 EUR;

2022: 10 000 000 000 EUR.

De React-EU-middelen ondersteunen ook administratieve uitgaven tot maximaal 18 000 000 EUR in prijzen van 2018.

De met de React-EU-middelen te ondersteunen concrete acties kunnen tot eind 2023 voor steun worden geselecteerd. De faseringsbepalingen van een verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa, zijn van toepassing op concrete acties die met de React-EU-middelen worden ondersteund.

3.   0,35 % van de React-EU-middelen wordt toegewezen voor technische bijstand op initiatief van de Commissie, met bijzondere aandacht voor de lidstaten die zwaarder getroffen zijn door de COVID-19-pandemie en de lidstaten met een lagere absorptie- en uitvoeringsgraad.

4.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vast met de uitsplitsing van de React-EU-middelen als kredieten uit de structuurfondsen voor 2021 voor elke lidstaat overeenkomstig de in bijlage VII bis vastgestelde criteria en methode. Dat besluit wordt in 2021 herzien om de uitsplitsing van de React-EU-middelen voor 2022 vast te stellen op basis van de op 19 oktober 2021 beschikbare gegevens.

5.   In afwijking van artikel 76, eerste alinea, worden de vastleggingen in de begroting voor de React-EU-middelen met betrekking tot elk betrokken operationeel programma voor elk fonds voor de jaren 2021 en 2022 aangegaan.

De in artikel 76, tweede alinea, bedoelde juridische verbintenis voor de jaren 2021 en 2022 treedt in werking op of na de in artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2020/2094 bedoelde datum.

De derde en de vierde alinea van artikel 76 zijn niet van toepassing op de React-EU-middelen.

In afwijking van artikel 14, lid 3, van het Financieel Reglement zijn de in hoofdstuk IV, Titel IX, Deel II, en in artikel 136 van deze verordening vastgestelde vrijmakingsregels van toepassing op de vastleggingen in de begroting op basis van de React-EU-middelen. In afwijking van artikel 12, lid 4, onder c), van het Financieel Reglement worden de React-EU-middelen niet gebruikt voor een vervolgprogramma of -actie.

In afwijking van artikel 86, lid 2, en artikel 136, lid 1, van deze verordening worden de vastleggingen voor de React-EU-middelen vrijgemaakt volgens de voorschriften die voor de afsluiting van de programma’s moeten worden gevolgd.

Elke lidstaat wijst de voor programmering in het kader van het EFRO en het ESF beschikbare React-EU-middelen toe aan operationele programma’s of aan programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking, en betrekt hierbij lokale en regionale autoriteiten alsook relevante instanties die het maatschappelijk middenveld en de sociale partners vertegenwoordigen, in overeenstemming met het partnerschapsbeginsel.

In afwijking van artikel 92, lid 7, wordt ook voorgesteld een deel van de React-EU-middelen te gebruiken — indien de betrokken lidstaat dit wenselijk acht — om de steun voor het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (“FEAD”) te verhogen om de situatie aan te pakken van degenen die in ongekende mate zijn getroffen door de COVID-19-crisis. Een deel van de React-EU-middelen kan ook worden gebruikt om de steun voor het YEI te verhogen. In beide gevallen kan de verhoging vóór of op hetzelfde tijdstip als de toewijzing aan het EFRO en het ESF worden voorgesteld.

Na de initiële toewijzing kunnen de React-EU-middelen — wanneer een lidstaat verzoekt om een operationeel programma krachtens artikel 30, lid 1, te wijzigen — tussen het EFRO en het ESF worden overgedragen, ongeacht de in artikel 92, lid 1, onder a), b) en c), vermelde percentages, waarbij op het niveau van de Unie de totale operationele sterkte van het ESF wordt gehandhaafd. Deze alinea is niet van toepassing op EFRO-middelen die zijn toegewezen aan programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”.

Artikel 30, lid 5, is niet van toepassing op de React-EU-middelen. Die middelen worden voor de toepassing van de in dat lid vastgestelde maxima uitgesloten van de berekeningsgrondslag.

Voor de toepassing van artikel 30, lid 1, onder f), van het Financieel Reglement is de voorwaarde dat kredieten voor hetzelfde doel bestemd moeten zijn niet van toepassing op dergelijke overdrachten. Deze overdrachten mogen alleen van toepassing zijn op het lopende jaar of op toekomstige jaren in het financiële plan.

De vereisten van artikel 92, lid 4, van deze verordening zijn niet van toepassing op de initiële toewijzing of latere overdrachten van de React-EU-middelen.

De React-EU-middelen worden uitgevoerd volgens de regels van het fonds waaraan ze zijn toegewezen of waarnaar ze zijn overgedragen.

6.   Maximaal 4 % van de totale React-EU-middelen in het kader van het EFRO en het ESF mag worden toegewezen voor technische bijstand op initiatief van de lidstaten, in het kader van een bestaand uit het EFRO of het ESF ondersteund operationeel programma of een nieuw operationeel programma of nieuwe operationele programma’s als bedoeld in lid 10.

Maximaal 6 % van de extra EFRO-middelen die overeenkomstig lid 1, tweede alinea, aan een programma voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” zijn toegewezen, mag worden toegewezen voor technische bijstand.

7.   In afwijking van artikel 81, lid 1, en artikel 134, lid 1, bedraagt de initiële voorfinanciering die moet worden betaald na het besluit van de Commissie tot vaststelling van een operationeel programma of tot goedkeuring van de wijziging van een operationeel programma voor de toewijzing van de React-EU-middelen, 11 % van de React-EU-middelen die worden toegewezen aan programma’s voor het jaar 2021.

Voor de toepassing van artikel 134, lid 2, op de jaarlijkse voorfinanciering in de jaren 2021, 2022 en 2023 omvat het steunbedrag uit de fondsen aan het operationele programma voor de gehele programmeringsperiode de React-EU-middelen.

Het in de eerste alinea bedoelde bedrag dat als extra initiële voorfinanciering wordt uitgekeerd, moet uiterlijk bij de afsluiting van het operationele programma volledig zijn behandeld in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van de Commissie.

8.   De niet voor technische bijstand toegewezen React-EU-middelen worden in het kader van de in lid 9, eerste alinea, van dit artikel bedoelde thematische doelstelling gebruikt om concrete acties te ondersteunen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie.

De lidstaten kunnen de React-EU-middelen toewijzen aan een of meer afzonderlijke prioriteitsassen binnen een bestaand operationeel programma of bestaande operationele programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” of binnen een bestaand programma of bestaande programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking”, of aan een in lid 10 van dit artikel bedoeld nieuw operationeel programma of nieuwe operationele programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid”. In afwijking van artikel 26, lid 1, heeft het programma betrekking op de periode tot en met 31 december 2022, onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4 van dit artikel.

Wat het EFRO betreft, worden de React-EU-middelen voornamelijk gebruikt voor investeringen in producten en diensten voor gezondheidsdiensten of in sociale infrastructuur, het verlenen van steun in de vorm van bedrijfskapitaal of investeringssteun aan investeringen van kmo’s in sectoren met een groot banenscheppend potentieel, het steunen van investeringen ter bevordering van de transitie naar een digitale en groene economie, het steunen van investeringen in infrastructuur voor basisdiensten ten behoeve van de burgers en het steunen van economische steunmaatregelen in de regio’s die het meest afhankelijk zijn van de zwaarst door de COVID-19-crisis getroffen sectoren.

Wat het ESF betreft, worden de React-EU-middelen voornamelijk gebruikt om steun te verlenen voor toegang tot de arbeidsmarkt door middel van het behoud van banen van werknemers en zelfstandigen — onder meer via regelingen voor werktijdverkorting —, zelfs als die steun niet met actieve arbeidsmarktmaatregelen wordt gecombineerd, tenzij dergelijke maatregelen door het nationale recht worden opgelegd. De React-EU-middelen worden gebruikt ter ondersteuning van het scheppen van banen en hoogwaardige werkgelegenheid — met name voor mensen in kwetsbare situaties — en ter uitbreiding van maatregelen op het gebied van jongerenwerkgelegenheid in overeenstemming met de versterkte jongerengarantie. Investeringen in onderwijs, opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden worden gebruikt om in te spelen op de groene en digitale transities.

De React-EU-middelen dienen ook ter ondersteuning van sociale stelsels die bijdragen tot maatregelen voor sociale inclusie, antidiscriminatie en armoedebestrijding — met bijzondere nadruk op kinderarmoede — en ter verbetering van de gelijke toegang tot sociale diensten van algemeen belang, onder meer voor kinderen, ouderen, personen met een handicap, etnische minderheden en daklozen.

9.   Met uitzondering van de in lid 6 van dit artikel bedoelde technische bijstand en de in lid 5, zevende alinea, van dit artikel bedoelde React-EU-middelen voor het FEAD of het YEI worden de React-EU-middelen gebruikt ter ondersteuning van concrete acties in het kader van de nieuwe thematische doelstelling “de bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie”, die een aanvulling vormt op de in artikel 9 vermelde thematische doelstellingen.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde thematische doelstelling is uitsluitend beschikbaar voor de programmering van de React-EU-middelen. In afwijking van artikel 96, lid 1, onder b), c) en d), van deze verordening en artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1299/2013 wordt ze niet gecombineerd met andere investeringsprioriteiten.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde thematische doelstelling vormt ook de enige investeringsprioriteit voor de programmering en de uitvoering van de React-EU-middelen uit het EFRO en het ESF.

Wanneer een of meer met de in de eerste alinea van dit lid bedoelde thematische doelstelling corresponderende afzonderlijke prioriteitsassen worden vastgesteld in het kader van een bestaand operationeel programma, zijn de in artikel 96, lid 2, onder b), v) en vii), van deze verordening en artikel 8, lid 2, onder b), v) en vi), van Verordening (EU) nr. 1299/2013 vermelde elementen niet vereist voor de beschrijving van de prioriteitsas in het herziene operationele programma.

In het in artikel 96, lid 2, onder d), van deze verordening en artikel 8, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 1299/2013 bedoelde herziene financieringsplan wordt de toewijzing van de React-EU-middelen voor het jaar 2021 en — in voorkomend geval — 2022 vastgesteld zonder vaststelling van de bedragen voor de prestatiereserve en zonder uitsplitsing per regiocategorie.

In afwijking van artikel 30, lid 1, van deze verordening worden verzoeken tot wijziging van een door een lidstaat ingediend programma naar behoren gemotiveerd en wordt in het bijzonder aangegeven welke gevolgen de wijzigingen van het programma naar verwachting zullen hebben voor de bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en voor de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie. Bij die verzoeken wordt het herziene programma gevoegd.

10.   In afwijking van artikel 26, lid 4, kunnen nieuwe specifieke operationele programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” door de lidstaten worden opgesteld in het kader van de in lid 9, eerste alinea, van dit artikel bedoelde nieuwe thematische doelstelling. Een ex-ante-evaluatie als bedoeld in artikel 55 is niet vereist.

In afwijking van artikel 96, lid 2, onder a), stelt de motivering — wanneer een dergelijk nieuw operationeel programma wordt vastgesteld — de verwachte gevolgen van het operationele programma vast voor de bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en voor de voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie.

Wanneer een dergelijk nieuw operationeel programma wordt vastgesteld, mogen alleen autoriteiten die reeds zijn aangewezen in het kader van door het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds ondersteunde lopende operationele programma’s door de lidstaten worden aangewezen voor de toepassing van artikel 96, lid 5, onder a).

De in lid 2, eerste alinea, onder b), v) en vii), lid 4, lid 6, onder b) en c), en lid 7 van artikel 96 genoemde elementen zijn niet vereist voor een dergelijk nieuw operationeel programma. De in artikel 96, lid 3, genoemde elementen zijn alleen vereist wanneer bijbehorende steun wordt verleend.

In afwijking van artikel 29, leden 3 en 4, en artikel 30, lid 2, stelt de Commissie alles in het werk om nieuwe specifieke operationele programma’s of wijzigingen van een bestaand programma goed te keuren binnen een termijn van 15 werkdagen na de indiening ervan door een lidstaat.

11.   In afwijking van artikel 65, leden 2 en 9, komen uitgaven ten behoeve van concrete acties die worden ondersteund in het kader van de in lid 9, eerste alinea, van dit artikel bedoelde thematische doelstelling in aanmerking voor steun vanaf 1 februari 2020.

12.   In afwijking van artikel 120, lid 3, eerste en tweede alinea, kan een medefinancieringspercentage tot 100 % worden toegepast op de prioriteitsas of -assen die wordt/worden ondersteund door de React-EU-middelen die zijn geprogrammeerd in het kader van de in lid 9, eerste alinea, van dit artikel bedoelde thematische doelstelling. Met verwijzing naar de gemeenschappelijke indicatoren als vastgesteld in de fondsspecifieke voorschriften maken de lidstaten bovendien, in voorkomend geval, gebruik van de door de Commissie ter beschikking gestelde programmaspecifieke indicatoren met betrekking tot COVID-19.

In afwijking van artikel 56, lid 3, en artikel 114, lid 2, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2024 ten minste één evaluatie van het gebruik van de React-EU-middelen is uitgevoerd om de doeltreffendheid, de efficiëntie, het effect en, waar van toepassing, de inclusieve en niet-discriminerende aard ervan, onder meer vanuit genderperspectief, te beoordelen, evenals de wijze waarop ze hebben bijgedragen aan de in lid 9, eerste alinea, van dit artikel bedoelde thematische doelstelling.

13.   De volgende bepalingen zijn niet van toepassing op de React-EU-middelen:

a)

de vereisten inzake thematische concentratie, met inbegrip van de drempels voor duurzame stedelijke ontwikkeling, zoals vastgesteld in deze verordening of in de fondsspecifieke voorschriften, in afwijking van artikel 18;

b)

ex-antevoorwaarden, in afwijking van artikel 19 en de fondsspecifieke voorschriften;

c)

de voorschriften inzake de prestatiereserve en de toepassing van het prestatiekader, in afwijking van respectievelijk artikel 20 en artikel 22;

d)

artikel 65, lid 6, voor concrete acties die van start zijn gegaan vanaf 1 februari 2020, die het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan bevorderen en een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie voorbereiden, en die worden ondersteund in het kader van de in lid 9, eerste alinea, van dit artikel bedoelde thematische doelstelling;

e)

de vereisten om een communicatiestrategie op te stellen, in afwijking van artikel 116 en artikel 115, lid 1, onder a).

In afwijking van de vereisten van artikel 12, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1299/2013 voor concrete acties die met de React-EU-middelen in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” worden ondersteund, volstaat samenwerking tussen begunstigden op ten minste twee gebieden.

14.   Bij het uitvoeren van hun verantwoordelijkheden met betrekking tot voorlichting, communicatie en zichtbaarheid overeenkomstig artikel 115, leden 1 en 3, en bijlage XII zorgen de lidstaten en de managementautoriteiten ervoor dat potentiële begunstigden, begunstigden, deelnemers, eindontvangers van financiële instrumenten en het grote publiek zich bewust zijn van het bestaan, het volume en de aanvullende steun van de React-EU-middelen.

De lidstaten en de managementautoriteiten maken de burgers duidelijk dat de betrokken concrete actie wordt gefinancierd in het kader van de respons van de Unie op de COVID-19-pandemie en zorgen voor volledige transparantie, in voorkomend geval met behulp van sociale media.

De verwijzingen naar “fonds”, “fondsen” of “ESI-fondsen” in deel 2.2 van bijlage XII wordt aangevuld met een verwijzing naar “gefinancierd in het kader van de respons van de Unie op de COVID-19-pandemie”, wanneer financiële steun aan concrete acties wordt verleend uit de React-EU-middelen.

(*1)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (PB L 433 van 22.12.2020, blz. 23).”."

2)

Aan artikel 154 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De artikelen 92 bis en 92 ter zijn niet van toepassing op of in het Verenigd Koninkrijk. Verwijzingen naar de lidstaten in die bepalingen mogen niet worden opgevat als verwijzingen naar het Verenigd Koninkrijk.”.

3)

De tekst in de bijlage bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage VII bis.

Artikel 2

De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 31 maart 2025 een evaluatie van React-EU voor. In die evaluatie wordt informatie opgenomen over de verwezenlijking van de doelstellingen van React-EU, de doeltreffendheid van het gebruik van de React-EU-middelen, de soorten gefinancierde acties, de begunstigden en de eindontvangers van de financiële toewijzingen en de Europese toegevoegde waarde ervan bij de ondersteuning van het economisch herstel.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  PB C 272 van 17.8.2020, blz. 1.

(2)  Standpunt van 14 oktober 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 december 2020.

(4)  Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289).

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om investeringen in de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en in andere sectoren van hun economieën vrij te maken als antwoord op de COVID-19-uitbraak (Investeringsinitiatief Coronavirusrespons) (PB L 99 van 31.3.2020, blz. 5).

(7)  Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013 en (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen met het oog op uitzonderlijke flexibiliteit bij het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 (PB L 130 van 24.4.2020, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2020/2094 van de Raad van 14 december 2020 tot vaststelling van een herstelinstrument voor de Europese Unie ter ondersteuning van het herstel in de nasleep van de COVID-19-crisis (PB L 433 van 22.12.2020, blz. 23).

(9)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(10)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(12)  Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105).


BIJLAGE

“BIJLAGE VII bis

METHODE VOOR DE TOEWIJZING VAN DE REACT-EU-MIDDELEN — ARTIKEL 92 TER, LID 4

Methode voor de toewijzing van de React-EU-middelen

De React-EU-middelen worden tussen de lidstaten verdeeld op basis van de volgende methode:

1.

Het voorlopige aandeel van elke lidstaat in de React-EU-middelen wordt berekend als de gewogen som van de aandelen die bepaald wordt op grond van de als volgt gewogen criteria:

a)

Een factor van het bbp (weging van 2/3) die wordt verkregen door de volgende stappen toe te passen:

i)

het aandeel van elke lidstaat in het totale verlies van reëel voor seizoen gecorrigeerd bbp — uitgedrukt in EUR — tussen het eerste semester van 2019 en het einde van de toepasselijke referentieperiode voor alle betrokken lidstaten;

ii)

de correctie van de onder i) verkregen aandelen door de aandelen te delen door het bni van de lidstaat per hoofd van de bevolking, uitgedrukt als percentage van het gemiddelde bni per hoofd van de bevolking in de EU-27 (gemiddelde = 100 %).

b)

Een factor van werkloosheid (weging van 2/9), uitgedrukt als het gewogen gemiddelde van:

i)

het aandeel van de lidstaat in het totale aantal werklozen (weging van 3/4) in alle betrokken lidstaten in januari 2020, en

ii)

het aandeel van de lidstaat in de totale stijging van het aantal werklozen (weging van 1/4) tussen januari 2020 en het einde van de toepasselijke referentieperiode voor alle betrokken lidstaten.

c)

Een factor van jeugdwerkloosheid (weging van 1/9), uitgedrukt als het gemiddelde van:

i)

het aandeel van de lidstaat in het totale aantal werkloze jongeren (weging van 3/4) in alle betrokken lidstaten in januari 2020, en

ii)

het aandeel van de lidstaat in de totale stijging van het aantal werkloze jongeren (weging van 1/4) tussen januari 2020 en de toepasselijke referentieperiode voor alle betrokken lidstaten.

Indien het reële voor seizoen gecorrigeerde bbp van een lidstaat — uitgedrukt in EUR — voor de toepasselijke referentieperiode hoger is dan in het eerste semester van 2019, worden de gegevens van die lidstaat uitgesloten van de berekeningen onder a), i).

Indien het aantal werklozen (leeftijdsgroep 15 tot en met 74 jaar) of werkloze jongeren (leeftijdsgroep 15 tot en met 24 jaar) in een lidstaat voor de toepasselijke referentieperiode lager is dan in januari 2020, worden de gegevens van die lidstaat uitgesloten van de berekeningen onder b), ii), en onder c), ii).

2.

De in punt 1 geformuleerde regels mogen niet resulteren in toewijzingen per lidstaat voor de volledige periode van 2021 tot en met 2022 die hoger zijn dan

a)

voor lidstaten waarvan het gemiddeld bni per hoofd van de bevolking (in KKS) voor de periode 2015-2017 meer dan 109 % van het gemiddelde van de EU-27 bedraagt: 0,07 % van hun reële bbp in 2019;

b)

voor lidstaten waarvan het gemiddeld bni per hoofd van de bevolking (in KKS) voor de periode 2015-2017 90 % of minder van het gemiddelde van de EU-27 bedraagt: 2,60 % van hun reële bbp in 2019;

c)

voor lidstaten waarvan het gemiddeld bni per hoofd van de bevolking (in KKS) voor de periode 2015-2017 meer dan 90 % en hoogstens 109 % van het gemiddelde van de EU-27 bedraagt: het percentage wordt verkregen met behulp van een lineaire interpolatie tussen 0,07 % en 2,60 % van hun reële bbp in 2019, resulterend in een proportionele verlaging van het aftoppingspercentage in overeenstemming met de toename van de welvaart.

De bedragen boven het in de onder a) tot en met c) vastgestelde niveau per lidstaat worden herverdeeld in verhouding tot de toewijzingen van alle andere lidstaten waarvan het gemiddelde bni per hoofd van de bevolking (in KKS) minder dan 100 % van het gemiddelde van de EU-27 bedraagt. Het bni per hoofd van de bevolking (in KKS) voor de periode 2015-2017 is het bni dat voor het cohesiebeleid wordt gebruikt bij de onderhandelingen over het MFK 2021-2027.

3.

Voor de berekening van de verdeling van de React-EU-middelen voor het jaar 2021:

a)

voor het bbp is de referentieperiode het eerste semester van 2020;

b)

voor het aantal werklozen en het aantal werkloze jongeren is de referentieperiode het gemiddelde van juni tot en met augustus 2020;

c)

de uit de toepassing van punt 2 resulterende maximale toewijzing wordt vermenigvuldigd met het aandeel van de React-EU-middelen voor het jaar 2021 in de totale React-EU-middelen voor de jaren 2021 en 2022.

Voordat de in de punten 1 en 2 beschreven methode betreffende de React-EU-middelen voor het jaar 2021 wordt toegepast, wordt een bedrag van 100 000 000 EUR en 50 000 000 EUR respectievelijk toegewezen aan Luxemburg en Malta.

Daarnaast wordt aan de ultraperifere regio’s van NUTS-niveau 2 uit de toewijzing een bedrag met een steunintensiteit van 30 EUR per inwoner toegewezen. Die toewijzing zal per regio en per lidstaat worden verdeeld in verhouding tot de totale bevolking van die regio’s. De extra toewijzing voor de ultraperifere regio’s wordt toegevoegd aan de toewijzing die elke ultraperifere regio ontvangt via de verdeling van de nationale begroting.

Het resterende bedrag voor 2021 wordt tussen de lidstaten verdeeld overeenkomstig de in de punten 1 en 2 beschreven methode.

4.

Voor de berekening van de verdeling van de React-EU-middelen voor het jaar 2022:

a)

voor het bbp is de referentieperiode het eerste semester van 2021;

b)

voor het aantal werklozen en het aantal werkloze jongeren is de referentieperiode het gemiddelde van juni tot en met augustus 2021;

c)

de uit de toepassing van punt 2 resulterende maximale toewijzing wordt vermenigvuldigd met het aandeel van de React-EU-middelen voor het jaar 2022 in de totale React-EU-middelen voor de jaren 2021 en 2022.

”.

28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/43


VERORDENING (EU) 2020/2222 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

betreffende bepaalde aspecten van spoorwegveiligheid en spoorverbindingen met betrekking tot de grensoverschrijdende infrastructuur die de Unie en het Verenigd Koninkrijk verbindt via de vaste Kanaalverbinding

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2) (het “terugtrekkingsakkoord”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2020/135 van de Raad (3) en is op 1 februari 2020 in werking getreden. De in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode, tijdens dewelke het Unierecht van toepassing blijft op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord (de “overgangsperiode”), loopt af op 31 december 2020.

(2)

Bij artikel 10 van het Verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek betreffende de bouw en de exploitatie door privéconcessionarissen van een vaste Kanaalverbinding, ondertekend te Canterbury op 12 februari 1986 (het “Verdrag van Canterbury”), is een Intergouvernementele Commissie ingesteld om toe te zien op alle kwesties met betrekking tot de bouw en de exploitatie van de vaste Kanaalverbinding.

(3)

Tot het einde van de overgangsperiode is de Intergouvernementele Commissie de nationale veiligheidsinstantie in de zin van Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad (4). In die hoedanigheid past zij op de volledige vaste Kanaalverbinding de bepalingen van Unierecht toe die van belang zijn voor de spoorwegveiligheid en, uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (5), voor de spoorweginteroperabiliteit.

(4)

Tenzij anders bepaald, zal het Unierecht na de overgangsperiode niet meer van toepassing zijn op het deel van de vaste Kanaalverbinding dat onder de jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk valt, en zal de Intergouvernementele Commissie niet langer een nationale veiligheidsinstantie krachtens het Unierecht zijn voor het deel van de vaste Kanaalverbinding dat onder jurisdictie van Frankrijk valt. De veiligheidsvergunning voor de infrastructuurbeheerder van de vaste Kanaalverbinding en de veiligheidscertificaten voor spoorwegondernemingen die actief zijn op de vaste Kanaalverbinding, die door de Intergouvernementele Commissie zijn afgegeven krachtens respectievelijk artikel 11 en artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), zullen met ingang van 1 januari 2021 niet langer geldig zijn.

(5)

Bij Besluit (EU) 2020/1531 van het Europees Parlement en de Raad (7) werd Frankrijk gemachtigd om met het Verenigd Koninkrijk te onderhandelen over een internationale overeenkomst inzake de toepassing van de Unieregels inzake spoorwegveiligheid en -interoperabiliteit op de vaste Kanaalverbinding, en om die overeenkomst te ondertekenen en te sluiten, teneinde een uniforme veiligheidsregeling te handhaven. Verordening (EU) 2020/1530 van het Europees Parlement en de Raad (8) heeft Richtlijn (EU) 2016/798 gewijzigd, onder meer wat betreft de regels voor nationale veiligheidsinstanties.

(6)

Op basis van Verordening (EU) 2020/1530 en onder voorbehoud van een overeenkomst als beoogd door Besluit (EU) 2020/1531 en gesloten onder bepaalde in dat besluit uiteengezette voorwaarden, zou de Intergouvernementele Commissie de enige veiligheidsinstantie blijven voor de volledige vaste Kanaalverbinding en, voor wat het deel van de vaste Kanaalverbinding betreft dat onder jurisdictie van Frankrijk valt, de nationale veiligheidsinstantie in de zin van artikel 3, punt 7, van Richtlijn (EU) 2016/798. Het is echter onwaarschijnlijk dat de door Besluit (EU) 2020/1531 beoogde overeenkomst tegen het einde van de overgangsperiode in werking zal zijn getreden.

(7)

Zonder een dergelijke overeenkomst komt de Intergouvernementele Commissie met ingang van 1 januari 2021 niet langer in aanmerking als nationale veiligheidsinstantie in de zin van artikel 3, punt 7, van Richtlijn (EU) 2016/798, voor wat het deel van de vaste Kanaalverbinding betreft dat onder jurisdictie van Frankrijk valt. Veiligheidsvergunningen en veiligheidscertificaten die door de Intergouvernementele Commissie zijn afgegeven, zullen niet langer geldig zijn. De Franse nationale veiligheidsinstantie wordt de bevoegde nationale veiligheidsinstantie voor het deel van de vaste Kanaalverbinding dat onder jurisdictie van Frankrijk valt.

(8)

Gezien het economische belang van de vaste Kanaalverbinding voor de Unie is het essentieel dat ook na 1 januari 2021 activiteiten kunnen worden uitgevoerd via de vaste Kanaalverbinding. Daartoe moet de door de Intergouvernementele Commissie afgegeven veiligheidsvergunning voor de infrastructuurbeheerder van de vaste Kanaalverbinding geldig blijven voor een periode van ten hoogste twee maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening, hetgeen een voldoende lange periode is om de Franse nationale veiligheidsinstantie in staat te stellen zijn eigen veiligheidsvergunning af te geven.

(9)

De vergunningen die uit hoofde van hoofdstuk III van Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (9) zijn afgegeven aan in het Verenigd Koninkrijk gevestigde spoorwegondernemingen, zullen na het einde van de overgangsperiode niet langer geldig zijn. Op 10 november 2020 heeft Frankrijk, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU, de Commissie in kennis gesteld van haar voornemen om onderhandelingen over een grensoverschrijdende overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk aan te vatten. Het doel van een dergelijke overeenkomst is spoorwegondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd en aldaar een vergunning hebben gekregen, toestemming te geven om gebruik te maken van de grensoverschrijdende infrastructuur die de Unie en het Verenigd Koninkrijk met elkaar verbindt via de vaste Kanaalverbinding tot aan het grensstation en de terminal van Calais-Fréthun (Frankrijk), zonder daarvoor uit hoofde van Richtlijn 2012/34/EU een vergunning te hebben verkregen van een vergunningverlenende autoriteit van de Unie.

(10)

Teneinde de verbindingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk te waarborgen, is het van essentieel belang dat de spoorwegondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd en aldaar een vergunning hebben gekregen, hun activiteiten kunnen voortzetten. Daartoe moet de geldigheidsduur van hun krachtens Richtlijn 2012/34/EU door het Verenigd Koninkrijk afgegeven vergunningen en van hun door de Intergouvernementele Commissie afgegeven veiligheidscertificaten worden verlengd met een periode van negen maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening; dit is een voldoende lange periode om de betrokken lidstaten in staat te stellen de nodige maatregelen te nemen om de connectiviteit te waarborgen overeenkomstig Richtlijnen 2012/34/EU en (EU) 2016/798 en op basis van de overeenkomst beoogd door Besluit (EU) 2020/1531.

(11)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend betreffende de intrekking van het voordeel voor houders van certificaten en vergunningen als naleving van de eisen van de Unie niet wordt gewaarborgd. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (10). Gezien de mogelijke gevolgen voor de spoorwegveiligheid moet voor de vaststelling van die maatregelen de onderzoeksprocedure worden toegepast. De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dat, in naar behoren gemotiveerde gevallen, om dwingende redenen van urgentie is vereist.

(12)

Gezien de urgentie die voortvloeit uit het einde van de overgangsperiode, is het nodig gebleken een uitzondering te maken op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(13)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het vaststellen van voorlopige maatregelen over bepaalde aspecten van spoorwegveiligheid en -connectiviteit in verband met het einde van de overgangsperiode, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de effecten ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(14)

Deze verordening dient met spoed in werking te treden en van toepassing te zijn vanaf de dag na die waarop de overgangsperiode afloopt,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden, gelet op het aflopen van de in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode, specifieke bepalingen vastgesteld betreffende bepaalde veiligheidsvergunningen en veiligheidscertificaten die zijn afgegeven uit hoofde van Richtlijn 2004/49/EG en betreffende bepaalde vergunningen van spoorwegondernemingen die zijn afgegeven uit hoofde van Richtlijn 2012/34/EU, als vermeld in lid 2.

2.   Deze verordening is van toepassing op de volgende certificaten en vergunningen, die geldig zijn op 31 december 2020:

a)

veiligheidsvergunningen die uit hoofde van artikel 11 van Richtlijn 2004/49/EG zijn afgegeven aan infrastructuurbeheerders voor het beheer en de exploitatie van grensoverschrijdende infrastructuur die de Unie en het Verenigd Koninkrijk met elkaar verbindt via de vaste Kanaalverbinding;

b)

veiligheidscertificaten die uit hoofde van artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG zijn afgegeven aan in het Verenigd Koninkrijk gevestigde spoorwegondernemingen die gebruikmaken van de grensoverschrijdende infrastructuur die de Unie en het Verenigd Koninkrijk met elkaar verbindt via de vaste Kanaalverbinding;

c)

vergunningen die uit hoofde van hoofdstuk III van Richtlijn 2012/34/EU zijn afgegeven aan in het Verenigd Koninkrijk gevestigde spoorwegondernemingen die gebruikmaken van de grensoverschrijdende infrastructuur die de Unie en het Verenigd Koninkrijk met elkaar verbindt via de vaste Kanaalverbinding.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de toepasselijke definities in de Richtlijnen 2012/34/EU en (EU) 2016/798 en in de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die op grond van die richtlijnen en van Richtlijn 2004/49/EG zijn vastgesteld.

Artikel 3

Geldigheid van veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten en vergunningen

1.   De in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde veiligheidsvergunningen blijven geldig gedurende twee maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening.

2.   De in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde veiligheidscertificaten blijven geldig gedurende negen maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening. Ze gelden enkel om het grensstation en de terminal van Calais-Fréthun te bereiken vanuit het Verenigd Koninkrijk of om vanuit dit station en deze terminal naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken.

3.   De in artikel 1, lid 2, onder c), bedoelde vergunningen blijven geldig gedurende negen maanden vanaf de datum van toepassing van deze verordening. In afwijking van artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU zijn deze vergunningen slechts geldig op het grondgebied tussen het grensstation en de terminal van Calais-Fréthun en het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 4

Regels en verplichtingen met betrekking tot veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten en vergunningen

1.   De veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten en vergunningen die onder artikel 3 van deze verordening vallen, zijn onderworpen aan de regels die daarop van toepassing zijn overeenkomstig de Richtlijnen 2012/34/EU en (EU) 2016/798 en overeenkomstig de uit hoofde van die richtlijnen vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

2.   De houders van de in artikel 1, lid 2, bedoelde veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten en vergunningen en, naargelang het geval, de afgevende instantie, als die verschilt van de nationale veiligheidsinstantie op het grondgebied waarvan de infrastructuur in de Unie is gelegen en onder wiens bevoegdheid het grensstation en de terminal van Calais-Fréthun vallen, werken samen met de nationale veiligheidsinstantie en verstrekken die nationale veiligheidsinstantie alle toepasselijke informatie en documenten.

3.   Als de informatie en documenten niet zijn verstrekt binnen de termijnen die de in lid 2 van onderhavig artikel bedoelde nationale veiligheidsinstantie in haar verzoeken heeft vastgesteld, kan de Commissie na kennisgeving door de nationale veiligheidsinstantie uitvoeringshandelingen vaststellen om het aan de houder krachtens artikel 3 toegekende voordeel in te trekken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De houders van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten en vergunningen stellen de Commissie en het Spoorwegbureau van de Europese Unie onverwijld in kennis van alle maatregelen van andere bevoegde veiligheidsinstanties die in strijd kunnen zijn met hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening, Richtlijn 2012/34/EU of Richtlijn (EU) 2016/798.

5.   Alvorens de krachtens artikel 3 toegekende gunsten in te trekken, informeert de Commissie te zijner tijd de in lid 2 van dit artikel bedoelde nationale veiligheidsinstantie, de instantie die de in artikel 1, lid 2, bedoelde veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten en vergunningen heeft afgegeven en de houders van die vergunningen en certificaten over haar voornemen om tot dergelijke intrekking over te gaan en stelt zij hen in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken.

6.   Wat de in artikel 1, lid 2, onder c), van deze verordening bedoelde vergunningen betreft, worden — voor de toepassing van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel — verwijzingen naar een nationale veiligheidsinstantie begrepen als verwijzingen naar een vergunningverlenende autoriteit als gedefinieerd in artikel 3, punt 15, van Richtlijn 2012/34/EU.

Artikel 5

Toezicht op de naleving van het Unierecht

1.   De in artikel 4, lid 2, bedoelde nationale veiligheidsinstantie houdt toezicht op de spoorwegveiligheidsnormen die van toepassing zijn op in het Verenigd Koninkrijk gevestigde spoorwegondernemingen die gebruikmaken van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde grensoverschrijdende infrastructuur, en op die grensoverschrijdende infrastructuur. Daarnaast controleert de nationale veiligheidsinstantie of de infrastructuurbeheerders en spoorwegondernemingen voldoen aan de in het Unierecht uiteengezette veiligheidsvoorschriften. In voorkomend geval verstrekt de nationale veiligheidsinstantie aan de Commissie en het Spoorwegbureau van de Europese Unie een aanbeveling voor de Commissie om overeenkomstig lid 2 van onderhavig artikel op te treden.

De in artikel 4, lid 2, in samenhang met artikel 4, lid 6, van deze verordening bedoelde vergunningverlenende autoriteit controleert of wordt voldaan aan de in de artikelen 19 tot en met 22 van Richtlijn 2012/34/EU vastgelegde vereisten in verband met de in artikel 1, lid 2, onder c), van onderhavige verordening bedoelde spoorwegondernemingen waaraan het Verenigd Koninkrijk een vergunning heeft afgeleverd.

2.   Als de Commissie gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de veiligheidsnormen die van toepassing zijn op de exploitatie van grensoverschrijdende spoorwegdiensten of infrastructuur die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt of het deel van die infrastructuur dat in het Verenigd Koninkrijk is gelegen, niet in overeenstemming zijn met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht, stelt zij onverwijld uitvoeringshandelingen vast om het aan de houder krachtens artikel 3 toegekende voordeel in te trekken. De bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen, is van overeenkomstige toepassing wanneer de Commissie gegronde twijfels heeft over de naleving van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kan de nationale veiligheidsinstantie of de vergunningverlenende autoriteit, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, in samenhang met artikel 4, lid 6, bij de relevante bevoegde instanties informatie opvragen, die binnen een door haar vastgestelde redelijke termijn moet worden verstrekt. Als die relevante bevoegde instanties de gevraagde informatie niet binnen de vastgestelde termijn verstrekken of onvolledige informatie verstrekken, kan de Commissie na kennisgeving door de nationale veiligheidsinstantie of vergunningverlenende autoriteit bedoeld in artikel 4, lid 2, waar passend in samenhang met artikel 4, lid 6, uitvoeringshandelingen vaststellen om het aan de houder krachtens artikel 3 toegekende voordeel in te trekken. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   Alvorens de krachtens artikel 3 toegekende voordelen in te trekken, informeert de Commissie te zijner tijd de in artikel 4, lid 2, bedoelde nationale veiligheidsinstantie, de instantie die de in artikel 1, lid 2, bedoelde veiligheidsvergunningen, veiligheidscertificaten en vergunningen heeft afgegeven, de houders van die vergunningen en certificaten, en de nationale veiligheidsinstantie en de vergunningverlenende autoriteit van het Verenigd Koninkrijk over haar voornemen om tot dergelijke intrekking over te gaan, en stelt zij hen in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken.

Artikel 6

Overleg en samenwerking

1.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten overleggen met en werken samen met de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor zover nodig is om de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen.

2.   De betrokken lidstaten verstrekken de Commissie op verzoek onverwijld alle informatie die zij uit hoofde van lid 1 hebben ontvangen of andere informatie die voor de uitvoering van deze verordening van belang is.

Artikel 7

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 51 van Richtlijn (EU) 2016/797 bedoelde comité en door het in artikel 62 van Richtlijn 2012/34/EU bedoelde comité. Deze comités zijn comités in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Als naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 van die verordening van toepassing.

Artikel 8

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

3.   Deze verordening houdt op van toepassing te zijn op 30 september 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 17 december 2020 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 22 december 2020.

(2)  Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7).

(3)  Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1).

(4)  Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 102).

(5)  Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44).

(6)  Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (spoorwegveiligheidsrichtlijn) (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44).

(7)  Besluit (EU) 2020/1531 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2020 waarbij Frankrijk wordt gemachtigd te onderhandelen over een internationale overeenkomst ter aanvulling op het Verdrag tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de bouw en de exploitatie door privéconcessionarissen van een vaste Kanaalverbinding, en die overeenkomst te sluiten en te ondertekenen (PB L 352 van 22.10.2020, blz. 4).

(8)  Verordening (EU) 2020/1530 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2020 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/798 met betrekking tot de toepassing van de regels inzake spoorwegveiligheid en -interoperabiliteit in de Kanaaltunnel (PB L 352 van 22.10.2020, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32).

(10)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/49


VERORDENING (EU, Euratom) 2020/2223 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding uitgevoerde onderzoeken

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 325,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (3) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (4) heeft de voor de Unie beschikbare strafrechtelijke middelen om haar financiële belangen te beschermen, aanzienlijk versterkt. De instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is een belangrijke prioriteit op het gebied van het Uniebeleid inzake strafrecht en fraudebestrijding, doordat het de bevoegdheid heeft om in de deelnemende lidstaten strafrechtelijke onderzoeken uit te voeren en tenlasteleggingen in te dienen met betrekking tot strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371.

(2)

Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie verricht het Europees Bureau voor fraudebestrijding (“het Bureau”) administratieve onderzoeken naar administratieve onregelmatigheden en strafbare gedragingen. Aan het einde van zijn onderzoeken kan het Bureau aan de nationale strafvervolgingsautoriteiten aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties doen, teneinde hen in staat te stellen om over te gaan tot tenlasteleggingen en strafvervolgingen in de lidstaten. Het Bureau zal in de lidstaten die aan het EOM deelnemen, vermoedens van strafbare feiten aan het EOM melden en met het EOM samenwerken in het kader van de door het EOM uitgevoerde strafrechtelijke onderzoeken.

(3)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) moet worden gewijzigd en worden aangepast in het licht van de vaststelling van Verordening (EU) 2017/1939. De bepalingen van Verordening (EU) 2017/1939 inzake de band tussen het Bureau en het EOM moeten tot uitdrukking komen in en worden aangevuld door de bepalingen in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, zodat de financiële belangen van de Unie zo goed mogelijk worden beschermd door middel van synergieën tussen beide, waarbij er wordt gezorgd voor nauwe samenwerking, informatie-uitwisseling, complementariteit en het voorkomen van dubbel werk.

(4)

In het licht van hun gemeenschappelijke doel om de integriteit van de begroting van de Unie te bewaren, moeten het Bureau en het EOM een nauwe band gebaseerd op het beginsel van loyale samenwerking ontwikkelen en onderhouden die erop gericht is te verzekeren dat hun respectieve mandaten complementair zijn en hun acties gecoördineerd worden, met name wat de omvang van de nauwere samenwerking bij de instelling van het EOM betreft. De band tussen het Bureau en het EOM moet mede waarborgen dat alle middelen worden ingezet om de financiële belangen van de Unie te beschermen.

(5)

Op grond van Verordening (EU) 2017/1939 moet het Bureau, net als de instellingen, organen en instanties van de Unie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zonder onnodige vertraging elke vermoedelijke strafbare gedraging ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid kan uitoefenen, aan het EOM melden. Omdat het Bureau als mandaat heeft administratieve onderzoeken te verrichten naar fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, is het ideaal gepositioneerd en uitgerust om op te treden als een partner van en een bevoorrechte bron van informatie voor het EOM.

(6)

Elementen die wijzen op mogelijke strafbare gedragingen die binnen de bevoegdheid van het EOM vallen, kunnen al aanwezig zijn in initiële vermoedens die het Bureau ontvangt, of pas blijken in de loop van een administratief onderzoek dat het Bureau heeft ingesteld op grond van een vermoeden van administratieve onregelmatigheid. Om aan zijn meldingsplicht aan het EOM te voldoen, moet het Bureau dus vermoedelijke strafrechtelijke gedragingen melden in een fase vóór of tijdens zijn onderzoeken.

(7)

Verordening (EU) 2017/1939 specificeert de elementen die ten minste in een melding moeten worden opgenomen. Het kan zijn dat het Bureau moet overgaan tot een voorlopige evaluatie van vermoedens om na te gaan of die elementen aanwezig zijn en de nodige informatie te verzamelen. Het Bureau moet een dergelijke evaluatie snel verrichten en met behulp van middelen waardoor een mogelijk toekomstig strafrechtelijk onderzoek niet in gevaar wordt gebracht. Indien een vermoeden van een strafbaar feit binnen de bevoegdheid van het EOM wordt vastgesteld, moet het Bureau dit na afloop van zijn evaluatie aan het EOM melden.

(8)

Gelet op de deskundigheid van het Bureau moeten de instellingen, organen en instanties opgericht bij de Verdragen of op basis daarvan (“instellingen, organen en instanties”), een beroep kunnen doen op het Bureau voor het verrichten van een dergelijke voorlopige evaluatie van vermoedens die aan hen zijn gemeld.

(9)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 mag het Bureau in beginsel geen parallel administratief onderzoek instellen als het EOM al een onderzoek uitvoert met betrekking tot dezelfde feiten. In sommige gevallen kan de bescherming van de financiële belangen van de Unie echter vereisen dat het Bureau een aanvullend administratief onderzoek verricht voordat de door het EOM ingestelde strafrechtelijke procedure beëindigd is, om te kunnen nagaan of er voorzorgsmaatregelen nodig zijn dan wel of er financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties moeten worden ondernomen. Een dergelijk aanvullend onderzoek kan onder meer passend zijn om aan de begroting van de Unie verschuldigde bedragen binnen bepaalde verjaringstermijnen terug te vorderen, indien de in het geding zijnde bedragen erg hoog zijn of wanneer door middel van administratieve maatregelen moet worden voorkomen dat in risicosituaties verdere uitgaven worden gedaan.

(10)

Omdat dubbele onderzoeken moeten worden voorkomen, moet de term “dezelfde feiten”, in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) over het ne bis in idem-beginsel, inhouden dat de materiële feiten die worden onderzocht, identiek of in wezen dezelfde zijn, en dat er sprake is van een reeks concrete omstandigheden die in tijd en ruimte onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

(11)

Verordening (EU) 2017/1939 bepaalt dat het EOM het Bureau kan verzoeken om aanvullende administratieve onderzoeken te verrichten. Bij gebrek aan een dergelijk verzoek moeten zulke aanvullende onderzoeken onder specifieke voorwaarden ook mogelijk zijn op initiatief van het Bureau, na raadpleging van het EOM. Het EOM moet met name bezwaar kunnen maken tegen de opening of de voortzetting van een onderzoek door het Bureau, of tegen het verrichten van bepaalde handelingen met betrekking tot een van zijn onderzoeken, met name teneinde de doeltreffendheid van zijn onderzoek en bevoegdheden in stand te houden. Het Bureau moet afzien van het verrichten van handelingen waartegen het EOM bezwaar heeft gemaakt. Indien het Bureau een onderzoek opent zonder dat het EOM een dergelijk bezwaar maakt, moet het Bureau dat onderzoek in continu overleg met het EOM verrichten.

(12)

Het Bureau moet het EOM actief ondersteunen bij zijn onderzoeken. In dit verband moet het EOM het Bureau kunnen vragen dat het zijn strafrechtelijke onderzoeken ondersteunt of aanvult door middel van de uitoefening van bevoegdheden uit hoofde van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013. Het Bureau moet dergelijke steun bieden binnen de grenzen van zijn bevoegdheden en binnen het kader waarin die verordening voorziet.

(13)

Om doeltreffende coördinatie, samenwerking en transparantie te garanderen, moeten het Bureau en het EOM continu informatie uitwisselen. De uitwisseling van informatie voorafgaand aan de opening van onderzoeken door het Bureau of het EOM is vooral relevant om degelijke coördinatie tussen hun respectieve acties te garanderen, complementariteit te waarborgen en dubbel werk te voorkomen. Daartoe moeten het Bureau en het EOM gebruikmaken van de hit/no hit-functies in hun respectieve casemanagementsystemen. Het Bureau en het EOM moeten de procedure en de voorwaarden van die uitwisseling van informatie vastleggen in hun werkafspraken. Om ervoor te zorgen dat de regels die erop gericht zijn dubbele onderzoeken te voorkomen en complementariteit te waarborgen, correct worden toegepast, moeten het Bureau en het EOM overeenstemming bereiken over bepaalde termijnen voor hun informatie-uitwisseling.

(14)

In het verslag van de Commissie van 2 oktober 2017 over de evaluatie van de toepassing van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 (het “evaluatieverslag van de Commissie”) is geconcludeerd dat de wijzigingen uit 2013 van het rechtskader tot duidelijke verbeteringen hebben geleid wat het verloop van de onderzoeken, de samenwerking met de partners en de rechten van de betrokkenen betreft. Anderzijds heeft het evaluatieverslag van de Commissie de aandacht gevestigd op een aantal tekortkomingen die gevolgen hebben voor de doeltreffendheid en efficiëntie van de onderzoeken.

(15)

De duidelijkste bevindingen van het evaluatieverslag van de Commissie moeten worden aangepakt door Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 te wijzigen. Die wijzigingen zijn op korte termijn nodig om het kader voor de onderzoeken van het Bureau te verstevigen, zodat het Bureau krachtig en volledig kan blijven functioneren en de strafrechtelijke aanpak van het EOM kan aanvullen met administratieve onderzoeken, zonder dat het mandaat of de bevoegdheden van het Bureau worden gewijzigd. De wijzigingen betreffen vooral punten waar het gebrek aan duidelijkheid van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 het Bureau zou kunnen beletten om doeltreffend onderzoeken te verrichten, zoals controles en verificaties ter plaatse, de mogelijkheid van toegang tot informatie over bankrekeningen of de toelaatbaarheid van dossierverslagen van het Bureau als bewijs in administratieve of gerechtelijke procedures.

(16)

De wijzigingen aan Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 veranderen niets aan de procedurewaarborgen die gelden in het kader van onderzoeken. Het Bureau is gebonden door de procedurewaarborgen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (6), alsook die welke in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn opgenomen. Dat kader vereist dat het Bureau zijn onderzoeken op objectieve, onpartijdige en vertrouwelijke wijze verricht, zowel bewijsmiddelen à charge als à décharge zoekt, en onderzoekshandelingen verricht op basis van een schriftelijke machtiging en na een wettigheidstoetsing. Het Bureau moet de eerbiediging van de rechten van bij zijn onderzoeken betrokken personen garanderen, waaronder het vermoeden van onschuld en het recht om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De betrokken personen hebben bij een onderhoud onder meer het recht zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze, het recht het verslag over het onderhoud goed te keuren, en het recht zich uit te drukken in een van de officiële talen van de instellingen van de Unie. De betrokken personen hebben ook het recht om hun oordeel te geven over de feiten van de zaak voordat conclusies worden getrokken.

(17)

Personen die fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit melden waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, moeten de bescherming van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (7) genieten.

(18)

Neemt het Bureau, op verzoek van het EOM, binnen zijn mandaat ondersteunende maatregelen om de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen en de grondrechten en procedurewaarborgen te beschermen en tegelijkertijd dubbele onderzoeken te voorkomen en in een doeltreffende, complementaire samenwerking te voorzien, dan moeten het Bureau en het EOM er in nauwe samenwerking voor zorgen dat de toepasselijke procedurele waarborgen van hoofdstuk VI van Verordening (EU) 2017/1939 in acht worden genomen.

(19)

Het Bureau heeft de bevoegdheid om controles en verificaties ter plaatse te verrichten, waarbij het in het kader van zijn onderzoeken naar vermoedens van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, toegang heeft tot de gebouwen en documentatie van marktdeelnemers. Dergelijke controles en verificaties ter plaatse worden verricht overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96, die in sommige gevallen de toepassing van die bevoegdheden doen afhangen van voorwaarden van nationaal recht. Uit het evaluatieverslag van de Commissie bleek dat het niet helemaal duidelijk is in hoeverre het nationale recht van toepassing is, wat een belemmering vormt voor de doeltreffendheid van de onderzoeksactiviteiten van het Bureau.

(20)

Het is dus passend dat de gevallen worden verduidelijkt waarin het nationale recht van toepassing dient te zijn in de loop van onderzoeken van het Bureau, zonder te tornen aan de bevoegdheden van het Bureau of de manier waarop Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 ten aanzien van de lidstaten werkt, daarbij het arrest van het Gerecht van 3 mei 2018 in zaak T-48/16, Sigma Orionis SA tegen Europese Commissie (8), weerspiegelend.

(21)

In situaties waarin de betrokken marktdeelnemer zich aan de controle en verificatie ter plaatse onderwerpt, moet het verrichten van controles en verificaties ter plaatse door het Bureau uitsluitend onder het Unierecht vallen. Dit zou het voor het Bureau mogelijk maken om in alle lidstaten zijn onderzoeksbevoegdheden op doeltreffende en coherente wijze uit te oefenen, teneinde bij te dragen aan een hoog niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie in de hele Unie, overeenkomstig artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(22)

In situaties waarin het Bureau een beroep moet doen op de bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met name indien een marktdeelnemer zich tegen een controle en verificatie ter plaatse verzet, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de actie van het Bureau doeltreffend is, en moeten zij overeenkomstig de desbetreffende regels van nationaal procesrecht de nodige bijstand verlenen. Om de financiële belangen van de Unie te beschermen, moet de Commissie met elke niet-nakoming door een lidstaat van diens plicht tot samenwerking met het Bureau, rekening houden wanneer zij nagaat of zij de betrokken bedragen moet terugvorderen via de toepassing van financiële correcties op de lidstaten overeenkomstig het toepasselijke Unierecht.

(23)

Uit hoofde van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 kan het Bureau met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zoals de coördinatiediensten fraudebestrijding, en met de instellingen, organen en instanties, administratieve regelingen treffen om de voorwaarden voor hun samenwerking uit hoofde van die verordening vast te stellen, met name wat de doorgifte van informatie, het verrichten van onderzoeken en de follow-up daarvan betreft.

(24)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet worden gewijzigd om voor marktdeelnemers een plicht tot medewerking met het Bureau in te voeren, overeenkomstig hun verplichting uit hoofde van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 om toegang te verlenen voor het verrichten van controles en verificaties ter plaatse van lokalen, terreinen, vervoermiddelen en andere plaatsen voor professioneel gebruik, en overeenkomstig de verplichting in artikel 129 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (9) dat een persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle dient mee te werken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, ook in het kader van onderzoeken door het Bureau.

(25)

Als onderdeel van die plicht tot medewerking moet het Bureau van marktdeelnemers kunnen verlangen dat zij relevante informatie verstrekken indien zij mogelijk bij de onderzochte feiten betrokken zijn of mogelijk dergelijke informatie bezitten. Wanneer zij aan dergelijke verzoeken gevolg geven, mogen marktdeelnemers niet worden verplicht om zichzelf belastende verklaringen af te leggen, maar moeten zij wel worden verplicht feitelijke vragen te beantwoorden en documenten te verstrekken, zelfs als die informatie kan worden gebruikt om tegen hen of tegen een andere marktdeelnemer het bestaan van onwettige activiteiten aan te tonen. Om de doeltreffendheid van onderzoeken in het kader van de huidige werkmethoden te waarborgen, moet het Bureau kunnen verzoeken om toegang tot informatie van apparatuur in particulier bezit die voor professionele doeleinden wordt gebruikt. Aan het Bureau mag enkel toegang worden verleend onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate als het geval is voor de nationale controleautoriteiten, en alleen als het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud van dergelijke apparatuur relevant kan zijn voor het onderzoek, overeenkomstig de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid; het Bureau mag bovendien alleen toegang hebben tot voor het onderzoek relevante informatie.

(26)

Marktdeelnemers moeten de mogelijkheid hebben om een van de officiële talen te gebruiken van de lidstaat waar de controle plaatsvindt, en zij moeten het recht hebben om zich tijdens controles en verificaties ter plaatse door een persoon naar keuze, zoals een externe juridisch adviseur, te laten bijstaan. De aanwezigheid van een juridisch adviseur mag echter geen wettelijke voorwaarde zijn voor de geldigheid van controles en verificaties ter plaatse. Om de doeltreffendheid van controles en verificaties ter plaatse te garanderen, met name wat betreft het risico dat bewijsmiddelen verdwijnen, moet het Bureau toegang kunnen krijgen tot lokalen, terreinen, vervoermiddelen of andere plaatsen voor professioneel gebruik zonder te hoeven wachten totdat de marktdeelnemer zijn juridisch adviseur raadpleegt. In afwachting van de raadpleging van de juridisch adviseur moet het slechts een korte redelijke termijn aanvaarden voordat het met de controle en verificatie ter plaatse begint. Die termijn moet tot het strikte minimum worden beperkt.

(27)

Om de transparantie bij het verrichten van controles en verificaties ter plaatse te verzekeren, moet het Bureau marktdeelnemers passende informatie verstrekken over hun plicht tot medewerking en de gevolgen van een weigering, en over de toepasselijke procedure, inclusief de procedurele waarborgen.

(28)

In interne en, zo nodig, externe onderzoeken heeft het Bureau toegang tot alle relevante informatie die in het bezit is van de instellingen, organen en instanties. Zoals in het evaluatieverslag van de Commissie werd voorgesteld, moet worden verduidelijkt dat dergelijke toegang mogelijk moet zijn ongeacht het soort informatiedrager, zodat rekening wordt gehouden met de technologische vooruitgang. In het kader van interne onderzoeken moet het Bureau kunnen verzoeken om toegang tot informatie op apparatuur in particulier bezit die voor professionele doeleinden wordt gebruikt, indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant zou kunnen zijn voor het onderzoek. De toegang door het Bureau moet door de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie afhankelijk kunnen worden gesteld van specifieke voorwaarden. Een dergelijke toegang moet sporen met de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid, en mag alleen betrekking hebben op voor het onderzoek relevante informatie. Om een doeltreffend, consistent niveau van toegang voor het Bureau en een hoog niveau van bescherming van de grondrechten van de betrokken personen te waarborgen, moeten de instellingen, organen en instanties de samenhang van de regels die zij hebben vastgesteld met betrekking tot de toegang tot apparatuur in particulier bezit die voor professionele doeleinden wordt gebruikt, garanderen, teneinde te voorzien in gelijkwaardige voorwaarden overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (10).

(29)

Om het kader voor de onderzoeken van het Bureau coherenter te maken, moeten de regels voor interne en externe onderzoeken verder op elkaar worden afgestemd om bepaalde inconsistenties die in het evaluatieverslag van de Commissie werden vastgesteld, weg te werken wanneer uiteenlopende regels niet gerechtvaardigd zijn. Verslagen en aanbevelingen die na een extern onderzoek zijn opgesteld, moeten bijvoorbeeld, waar nodig, worden toegezonden aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie met het oog op het ondernemen van passende actie, net zoals bij interne onderzoeken. Wanneer zijn mandaat dat mogelijk maakt, moet het Bureau de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie ondersteunen in het gevolg geven aan zijn aanbevelingen. Wanneer het Bureau geen onderzoek instelt, moet het relevante informatie kunnen toezenden aan de autoriteiten van de lidstaten of aan de instellingen, organen en instanties om passende maatregelen te kunnen nemen. Het moet dergelijke informatie toezenden indien het besluit geen onderzoek te openen hoewel er voldoende ernstige vermoedens bestaan van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Alvorens dit te doen, moet het Bureau naar behoren rekening houden met een mogelijke inmenging in lopende onderzoeken van het EOM.

(30)

Gezien de grote diversiteit van nationale institutionele kaders moeten de lidstaten op basis van het beginsel van loyale samenwerking de mogelijkheid hebben om het Bureau in kennis te stellen van de autoriteiten die bevoegd zijn om maatregelen te nemen op aanbeveling van het Bureau, alsook van de autoriteiten die geïnformeerd moeten worden, bijvoorbeeld voor financiële, statistische of monitoringdoeleinden, voor de uitvoering van hun relevante taken. Die autoriteiten kunnen de nationale coördinatiediensten fraudebestrijding omvatten. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ-EU hebben de in de verslagen van het Bureau opgenomen aanbevelingen van het Bureau geen bindende rechtsgevolgen voor dergelijke autoriteiten van de lidstaten of voor instellingen, organen en instanties.

(31)

Het Bureau moet de nodige middelen ter beschikking krijgen om het geldspoor te volgen teneinde de werkwijze aan het licht te brengen die typisch is voor veel frauduleus gedrag. Het Bureau kan door samenwerking met en bijstand van de nationale autoriteiten in een aantal lidstaten van kredietinstellingen informatie over bankrekeningen verkrijgen die relevant is voor zijn onderzoeksactiviteiten. Om een doeltreffende aanpak in de hele Unie te garanderen, moet Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 nadere bepalingen bevatten over de plicht van nationale bevoegde autoriteiten om het Bureau informatie over bankrekeningen te verstrekken, als onderdeel van hun algemene plicht het Bureau bijstand te verlenen. De lidstaten moeten de Commissie meedelen via welke van de bevoegde autoriteiten die samenwerking dient plaats te vinden. Bij het verlenen van dergelijke bijstand aan het Bureau moeten de nationale autoriteiten handelen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de nationale bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

(32)

Teneinde de procedurewaarborgen en de grondrechten te beschermen en te eerbiedigen, moet de Commissie een interne functie in het leven roepen in de vorm van een Toezichthouder op de procedurewaarborgen (de “Toezichthouder”), die — met het oog op een efficiënt gebruik van middelen — administratief aan het Comité van toezicht moet worden verbonden, en voldoende middelen ter beschikking moet krijgen. De Toezichthouder moet klachten in volledige onafhankelijkheid behandelen, onder meer onafhankelijk van het Comité van toezicht en van het Bureau, en hij moet toegang hebben tot alle informatie die nodig is om zijn taken te vervullen.

(33)

Een betrokken persoon moet bij de Toezichthouder een klacht kunnen indienen over de eerbiediging door het Bureau van de procedurewaarborgen, alsook op grond van een schending van de regels die van toepassing zijn op door het Bureau uitgevoerde onderzoeken, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten. Daartoe moet een klachtenmechanisme worden ingesteld. De Toezichthouder moet verantwoordelijk zijn voor het uitbrengen van aanbevelingen in reactie op dergelijke klachten, met waar nodig suggesties voor oplossingen voor de in de klacht genoemde kwesties. De Toezichthouder moet de klacht volgens een snelle contradictoire procedure behandelen, terwijl het Bureau het lopende onderzoek moet kunnen voortzetten. De Toezichthouder moet de klager en het Bureau in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken over het in de klacht aan de orde gestelde probleem of hiervoor een oplossing te vinden. De directeur-generaal moet de passende maatregelen nemen die op grond van de aanbeveling van de Toezichthouder geboden zijn. De directeur-generaal moet in terdege gemotiveerde gevallen van de aanbeveling van de Toezichthouder kunnen afwijken. De redenen daarvoor moeten aan het eindverslag van het onderzoek worden gehecht.

(34)

Met het oog op meer transparantie en verantwoording neemt de Toezichthouder in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme. Het jaarverslag moet met name het aantal ontvangen klachten vermelden, alsook de soorten schendingen van procedurevereisten en grondrechten die in het geding zijn, de betreffende activiteiten en, waar mogelijk, de follow-up-maatregelen die het Bureau heeft genomen.

(35)

De vroege doorgifte van informatie door het Bureau met het oog op het nemen van voorzorgsmaatregelen is een essentieel instrument voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie. Om in dit verband nauwe samenwerking tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties te garanderen, is het passend dat die laatste de mogelijkheid hebben om het Bureau te allen tijde te raadplegen om te besluiten welke voorzorgsmaatregelen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen, geschikt zijn.

(36)

Verslagen van het Bureau zijn toelaatbare bewijsmiddelen in administratieve of gerechtelijke procedures, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen. Volgens het evaluatieverslag van de Commissie waarborgt deze regel de effectiviteit van de activiteiten van het Bureau in sommige lidstaten onvoldoende. Om de verslagen van het Bureau doeltreffender en het gebruik ervan samenhangender te maken, moet Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 bepalen dat die verslagen toelaatbaar zijn in niet-strafrechtelijke procedures voor de nationale rechter, en ook in administratieve procedures in de lidstaten. De regel dat die verslagen gelijkwaardig zijn aan de verslagen van nationale administratieve controleurs moet van toepassing blijven in geval van nationale strafrechtelijke procedures. Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet ook voorzien in de toelaatbaarheid van de verslagen van het Bureau in administratieve en gerechtelijke procedures op Unieniveau.

(37)

De coördinatiediensten fraudebestrijding van de lidstaten werden ingevoerd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 om een doeltreffende samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, tussen het Bureau en de lidstaten te vergemakkelijken. Uit het evaluatieverslag van de Commissie bleek dat zij positief hebben bijgedragen aan de activiteiten van het Bureau. Uit het evaluatieverslag van de Commissie bleek ook dat de rol van die coördinatiediensten fraudebestrijding verder moet worden verduidelijkt om te garanderen dat het Bureau de nodige bijstand krijgt opdat zijn onderzoeken doeltreffend zijn, terwijl de organisatie en de bevoegdheden van de coördinatiediensten fraudebestrijding aan elke lidstaat worden overgelaten. In dat verband moeten de coördinatiediensten fraudebestrijding in staat zijn de nodige bijstand aan het Bureau te verlenen of te coördineren opdat het Bureau zijn taken doeltreffend kan uitvoeren vóór, tijdens of na afloop van een intern of extern onderzoek.

(38)

De taak van het Bureau om de lidstaten bijstand te verlenen voor de coördinatie van hun acties ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, is een belangrijk onderdeel van zijn mandaat om grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten te ondersteunen. Er moeten nadere regels worden vastgesteld om de coördinatieactiviteiten van het Bureau en zijn samenwerking in dit verband met de autoriteiten van de lidstaten, derde landen en internationale organisaties te vergemakkelijken. Die regels mogen geen afbreuk doen aan de uitoefening door het Bureau van de bevoegdheden die aan de Commissie zijn toegekend in specifieke bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen die autoriteiten en de Commissie, met name Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad (11) en Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12), alsmede coördinatieactiviteiten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen.

(39)

Verduidelijkt moet worden dat wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van coördinatiediensten fraudebestrijding, in samenwerking met het Bureau of met andere bevoegde autoriteiten optreden met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie, zij nog steeds gebonden zijn door het nationale recht.

(40)

De coördinatiediensten fraudebestrijding moeten bijstand kunnen verlenen aan het Bureau in het kader van coördinatieactiviteiten, en zij moeten onderling kunnen samenwerken, teneinde de beschikbare mechanismen voor samenwerking bij fraudebestrijding verder te versterken.

(41)

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, alsmede de instellingen, organen en instanties, moeten de maatregelen nemen die op grond van een aanbeveling van het Bureau geboden zijn. Teneinde het Bureau in staat te stellen te reageren op de ontwikkeling van zijn zaken moeten de lidstaten, indien het Bureau aanbevelingen betreffende gerechtelijke acties doet aan de nationale vervolgingsautoriteiten van een lidstaat, het Bureau op diens verzoek de definitieve beslissing van de nationale rechter toezenden. Om ervoor te zorgen dat de rechterlijke macht volledig onafhankelijk blijft, mag een dergelijke doorgifte alleen plaatsvinden nadat de betrokken gerechtelijke procedures afgerond zijn en de definitieve beslissing van de rechter openbaar is geworden.

(42)

In aanvulling op de in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 vastgestelde procedureregels voor het verrichten van onderzoeken dient het Bureau richtsnoeren betreffende onderzoeksprocedures vast te stellen die moeten worden nageleefd door de personeelsleden van het Bureau.

(43)

Verduidelijkt moet worden dat het Bureau kan deelnemen aan overeenkomstig het Unierecht opgerichte gemeenschappelijke onderzoeksteams en dat het in dat kader verkregen operationele informatie kan uitwisselen. Voor het gebruik van die informatie gelden de voorwaarden en waarborgen die zijn vastgelegd in het Unierecht op grond waarvan de gemeenschappelijke onderzoeksteams zijn opgericht. Wanneer het Bureau deelneemt aan dergelijke gemeenschappelijke onderzoeksteams, heeft het een ondersteunende capaciteit en neemt het de rol op zich van een partner die onderworpen is aan mogelijke wettelijke beperkingen in het Unierecht of het nationale recht.

(44)

Uiterlijk vijf jaar na de overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939 bepaalde datum moet de Commissie de toepassing van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en met name de efficiëntie van de samenwerking tussen het Bureau en het EOM evalueren, om op basis van de ervaringen met die samenwerking te kunnen nagaan of wijzigingen wenselijk zijn. De Commissie moet, waar passend, uiterlijk twee jaar na die evaluatie een nieuw, uitgebreid wetgevingsvoorstel indienen.

(45)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk betere bescherming van de financiële belangen van de Unie door de werking van het Bureau aan te passen aan de instelling van het EOM en door de onderzoeken door het Bureau doeltreffender te maken, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar door regels vast te stellen betreffende de band tussen het Bureau en het EOM om door hen uitgevoerde onderzoeken doeltreffender te maken, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(46)

Deze verordening brengt geen wijzigingen aan in de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten om maatregelen te treffen ter bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

(47)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (13) en heeft op 23 juli 2018 formele opmerkingen gegeven.

(48)

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt punt d) vervangen door:

“d)

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (*);

e)

Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (**).

(*)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1)."

(**)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).”;"

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

“4 bis.   Het Bureau ontwikkelt en onderhoudt een nauwe band met het Europees Openbaar Ministerie (EOM), dat via nauwere samenwerking is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (*). Die band is gebaseerd op wederzijdse samenwerking, informatie-uitwisseling, complementariteit en het voorkomen van dubbel werk. Doel van die band is in het bijzonder ervoor te zorgen dat, om de financiële belangen van de Unie te beschermen, alle beschikbare middelen worden ingezet door de complementariteit van hun respectieve mandaten en de steun van het Bureau aan het EOM.

(*)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).”;"

c)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Voor de toepassing van deze verordening kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties administratieve regelingen met het Bureau treffen. Die administratieve regelingen kunnen in het bijzonder betrekking hebben op de doorgifte van informatie, het verrichten van onderzoeken en de follow-up daarvan.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 3 wordt vervangen door:

“3.

“fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad”: hetgeen daaronder wordt verstaan in de toepasselijke handelingen van de Unie, en het begrip “elke andere onwettige activiteit” omvat onregelmatigheden in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95;”;

b)

punt 4 wordt vervangen door:

“4.

“administratief onderzoek” (“onderzoek”): alle controles, verificaties en andere acties die het Bureau overeenkomstig de artikelen 3 en 4 onderneemt, ter verwezenlijking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen en tot vaststelling, in voorkomend geval, van het onregelmatig karakter van de onderzochte activiteiten; die onderzoeken laten de bevoegdheid van het EOM of van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten inzake het instellen en voortzetten van strafvervolging onverlet;”;

c)

het volgende punt wordt toegevoegd:

“8.

“lid van een instelling”: een lid van het Europees Parlement, een lid van de Europese Raad, een vertegenwoordiger van een lidstaat op ministerniveau in de Raad, een lid van de Commissie, een lid van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU), een lid van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank of een lid van de Rekenkamer, met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht bij het vervullen van taken in die hoedanigheid.”.

3)

Artikel 3 wordt vervangen door:

“Artikel 3

Externe onderzoeken

1.   Op de in artikel 1 bedoelde terreinen verricht het Bureau controles en verificaties ter plaatse in de lidstaten en, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties.

2.   Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse overeenkomstig deze verordening en, in zoverre deze niet onder deze verordening vallen, overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96.

3.   Marktdeelnemers verlenen het Bureau medewerking tijdens zijn onderzoeken. Het Bureau kan om schriftelijke en mondelinge informatie verzoeken, inclusief door middel van een onderhoud.

4.   Wanneer de betrokken marktdeelnemer zich, overeenkomstig lid 3 van dit artikel, onderwerpt aan een controle en verificatie ter plaatse waarvoor op grond van deze verordening machtiging is verleend, zijn artikel 2, lid 4, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, en artikel 6, lid 1, derde alinea, en artikel 7, lid 1, van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 niet van toepassing in zoverre die bepalingen naleving van het nationale recht vereisen en de toegang tot informatie en documenten van het Bureau kunnen beperken onder dezelfde voorwaarden als die welke op de nationale administratieve controleurs van toepassing zijn.

5.   De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat verleent de personeelsleden van het Bureau op verzoek van het Bureau zonder onnodige vertraging de nodige bijstand om hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren, als omschreven in de in artikel 7, lid 2, bedoelde schriftelijke machtiging.

Overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de personeelsleden van het Bureau toegang krijgen tot alle informatie en documenten in verband met de onderzochte feiten die nodig blijken voor het doelmatige en doeltreffende verloop van de controles en verificaties ter plaatse, en dat zij documenten of gegevens kunnen veiligstellen zodat er geen risico is dat ze verdwijnen. Wanneer apparatuur in particulier bezit voor professionele doeleinden wordt gebruikt, kan die apparatuur onderworpen worden aan verificatie door het Bureau. Het Bureau onderwerpt dergelijke apparatuur enkel aan verificatie onder dezelfde voorwaarden als waaronder en in dezelfde mate als waarin de nationale controleautoriteiten onderzoek mogen doen naar apparatuur in particulier bezit, en enkel indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek.

6.   Indien de personeelsleden van het Bureau vaststellen dat een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle en verificatie ter plaatse die op grond van deze verordening is toegestaan, namelijk indien de marktdeelnemer weigert het Bureau de nodige toegang te verlenen tot zijn gebouwen of andere plaatsen voor professioneel gebruik, informatie verhult of verhindert dat de activiteiten worden uitgevoerd die het Bureau in het kader van een controle en verificatie ter plaatse moet verrichten, verlenen de bevoegde autoriteiten, inclusief, waar passend, rechtshandhavingsinstanties van de betrokken lidstaat, de nodige bijstand aan het personeel van het Bureau, zodat het Bureau zijn controle en verificatie ter plaatse doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan verrichten.

Wanneer zij overeenkomstig dit lid of lid 5 bijstand verlenen, handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de nationale procedureregels die van toepassing zijn op de betrokken bevoegde autoriteit. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor dergelijke bijstand de toestemming van een gerechtelijke autoriteit vereist is, wordt die toestemming gevraagd.

7.   Het Bureau verricht controles en verificaties ter plaatse op vertoon van een schriftelijke machtiging in de zin van artikel 7, lid 2. Het verstrekt, uiterlijk bij aanvang van de controle en verificatie ter plaatse, de betrokken marktdeelnemer informatie over de procedure die bij de controle en verificatie ter plaatse moet worden gevolgd, inclusief de toepasselijke procedurele waarborgen, en over de plicht tot medewerking van de marktdeelnemer.

8.   In de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden eerbiedigt het Bureau de procedurewaarborgen waarin deze verordening en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 voorzien. Bij een controle en verificatie ter plaatse heeft de betrokken marktdeelnemer het recht om geen zichzelf belastende verklaringen af te leggen en het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze. Bij het afleggen van verklaringen tijdens een controle en verificatie ter plaatse krijgt de marktdeelnemer de mogelijkheid om een van de officiële talen van de lidstaat waar hij gevestigd is, te gebruiken. Het recht te worden bijgestaan door een persoon naar keuze belet niet dat het Bureau toegang heeft tot de gebouwen van de marktdeelnemer, en mag het begin van de controle en verificatie ter plaatse niet onnodig vertragen.

9.   Indien een lidstaat niet met het Bureau samenwerkt overeenkomstig de leden 5 en 6, kan de Commissie de relevante bepalingen van het Unierecht toepassen om de middelen in verband met de betrokken controle en verificatie ter plaatse terug te vorderen.

10.   In het kader van zijn onderzoekstaak verricht het Bureau de controles en verificaties waarin artikel 9, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en de in artikel 9, lid 2, van die verordening bedoelde sectorale regelingen voorzien, in de lidstaten en, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, in derde landen en bij internationale organisaties.

11.   Tijdens een extern onderzoek kan het Bureau toegang verkrijgen tot alle relevante informatie en gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de aard van de informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen en instanties, voor zover dit noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. In dat geval is artikel 4, leden 2 en 4, van toepassing.

12.   Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een extern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, de instellingen, organen en instanties in kwestie hiervan in kennis stellen.

Onverminderd de in artikel 9, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 bedoelde sectorale regelingen zorgen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten ervoor dat passende actie wordt ondernomen, waaraan het Bureau overeenkomstig het nationale recht kan deelnemen. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen het Bureau desgevraagd in kennis van de naar aanleiding daarvan ondernomen actie en van hun bevindingen met betrekking tot de in de eerste alinea van dit lid bedoelde aanwijzingen.”.

4)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:

“1.   Onderzoeken binnen de instellingen, organen en instanties op de in artikel 1 bedoelde terreinen worden verricht overeenkomstig deze verordening en de besluiten van de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie (“intern onderzoek”).

2.   Tijdens interne onderzoeken:

a)

heeft het Bureau zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang tot alle relevante informatie en gegevens met betrekking tot de onderzochte feiten, ongeacht de aard van de informatiedrager, die in het bezit zijn van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun gebouwen. Wanneer apparatuur in particulier bezit voor professionele doeleinden wordt gebruikt, kan die apparatuur worden onderworpen aan verificatie door het Bureau. Het Bureau onderwerpt dergelijke apparatuur enkel aan verificatie voor zover de apparatuur wordt gebruikt voor professionele doeleinden, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de besluiten van de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, en enkel indien het Bureau gegronde redenen heeft om te vermoeden dat de inhoud ervan relevant kan zijn voor het onderzoek.

Het Bureau is bevoegd om de boekhouding van de instellingen, organen en instanties te controleren. Het Bureau kan alle documenten en de inhoud van alle informatiedragers die deze instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren of daarvan uittreksels verkrijgen en kan, zo nodig, deze documenten of gegevens veiligstellen zodat er geen risico is dat ze verdwijnen;

b)

kan het Bureau ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden verzoeken om mondelinge informatie, inclusief door middel van een onderhoud, alsook om schriftelijke informatie, die grondig gedocumenteerd is overeenkomstig de toepasselijke Unieregels op het gebied van vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.

3.   Volgens dezelfde regels en voorwaarden als bedoeld in artikel 3 kan het Bureau controles en verificaties ter plaatse verrichten in de gebouwen van marktdeelnemers om toegang te krijgen tot relevante informatie over de onderzochte feiten bij de instellingen, organen en instanties.

4.   De instellingen, organen en instanties worden ingelicht wanneer de personeelsleden van het Bureau een intern onderzoek in hun gebouwen verrichten, documenten of gegevens raadplegen of verzoeken om informatie die die instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben. Onverminderd de artikelen 10 en 11 kan het Bureau in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie meedelen.”;

b)

in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

“8.   Onverminderd artikel 12 quater, lid 1, kan het Bureau, wanneer het, voordat is besloten om al dan niet een intern onderzoek te openen, over aanwijzingen beschikt dat er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie hiervan in kennis stellen. De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie stelt het Bureau desgevraagd in kennis van naar aanleiding daarvan ondernomen acties en van de bevindingen met betrekking tot de hierboven bedoelde aanwijzingen.”.

5)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

“1.   Onverminderd artikel 12 quinquies kan de directeur-generaal een onderzoek openen bij voldoende ernstige vermoedens van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de informatie dienaangaande door derden of anoniem wordt verstrekt. Bij dat besluit om een onderzoek te openen kan tevens worden gelet op het efficiënte gebruik van de middelen van het Bureau en het proportionele karakter van de gebruikte middelen. Bij interne onderzoeken wordt met name nagegaan welke instelling, welk orgaan of welke instantie het best geplaatst is om het onderzoek te verrichten, op basis van met name de aard van de feiten, de daadwerkelijke of potentiële financiële gevolgen van het geval in kwestie, en de kans op gerechtelijke follow-up.

2.   Het besluit om een onderzoek te openen, wordt genomen door de directeur-generaal, die handelt op eigen initiatief dan wel op verzoek van een instelling, orgaan of instantie, of op verzoek van een lidstaat.

3.   Zolang de directeur-generaal overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, of wanneer het Bureau een intern onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met het Bureau is overeengekomen.

Dit lid is niet van toepassing op onderzoeken door het EOM op grond van Verordening (EU) 2017/1939.”;

b)

de leden 5 en 6 worden vervangen door:

“5.   Indien de directeur-generaal besluit geen onderzoek te openen, kan hij alle relevante informatie, naargelang het geval, onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat opdat passende actie kan worden ondernomen overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht, of aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, opdat passende actie kan worden ondernomen overeenkomstig de op de instelling, het orgaan of de instantie toepasselijke regels. Waar passend komt het Bureau met de instelling, het orgaan of de instantie passende maatregelen overeen om de bron van die informatie geheim te houden, en zo nodig vraagt het Bureau om in kennis te worden gesteld van de ondernomen actie.

6.   Indien de directeur-generaal besluit geen onderzoek te openen, hoewel er voldoende ernstige vermoedens bestaan dat er sprake is geweest van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doet hij de in lid 5 bedoelde informatie onverwijld toekomen.”.

6)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   De directeur-generaal geeft leiding aan het verrichten van onderzoeken, waar passend op basis van schriftelijke instructies. Onderzoeken worden onder zijn leiding uitgevoerd door personeelsleden van het Bureau die hij heeft aangewezen. De directeur-generaal voert zelf geen concrete onderzoekshandelingen uit.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen de personeelsleden van het Bureau de nodige bijstand zodat die hun taken overeenkomstig deze verordening effectief en zonder onnodige vertraging kunnen uitvoeren. Wanneer zij zulke bijstand verlenen, handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig de nationale procedureregels die op hen van toepassing zijn.

3 bis.   Op een verzoek van het Bureau, dat schriftelijk wordt toegelicht, met betrekking tot de onderzochte feiten, verstrekken de betrokken bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Bureau onder dezelfde voorwaarden als deze die op de nationale bevoegde autoriteiten van toepassing zijn, de volgende informatie:

a)

informatie beschikbaar in de in artikel 32 bis, lid 3, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (*) bedoelde gecentraliseerde automatische mechanismen;

b)

indien dat voor het onderzoek strikt noodzakelijk is, de registratiegegevens van transacties.

Het verzoek van het Bureau bevat een motivering van de geschiktheid en proportionaliteit van de maatregel met betrekking tot de aard en de ernst van de onderzochte feiten. Dergelijke verzoeken hebben alleen betrekking op de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde informatie.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de betrokken bevoegde autoriteiten voor de toepassing van de punten a) en b) van de eerste alinea.

3 ter.   De instellingen, organen en instanties zien erop toe dat hun ambtenaren, andere personeelsleden, leden, hoofden en personeelsleden de nodige bijstand verlenen, opdat het personeel van het Bureau zijn taken doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan uitoefenen.

(*)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).”;"

c)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt punt b) vervangen door:

“b)

alle informatie die de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan helpen bij het nemen van een besluit over passende administratieve voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om de financiële belangen van de Unie te beschermen;”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie kan te allen tijde het Bureau raadplegen om, in nauwe samenwerking met het Bureau, te besluiten alle passende voorzorgsmaatregelen te nemen, inclusief maatregelen ter bescherming van bewijsmiddelen. De instelling, het orgaan of de instantie in kwestie stelt het Bureau onverwijld in kennis van alle voorzorgsmaatregelen die zijn genomen.”;

d)

lid 8 wordt vervangen door:

“8.   Indien een onderzoek niet kan worden afgesloten binnen twaalf maanden nadat het is geopend, brengt de directeur-generaal, na het verstrijken van die twaalf maanden, en vervolgens om de zes maanden, verslag uit aan het Comité van toezicht, onder vermelding van de redenen die het oponthoud veroorzaken en, waar passend, de beoogde maatregelen om het onderzoek sneller te doen verlopen.”.

7)

Artikel 8 wordt vervangen door:

“Artikel 8

Verplichte informatieverstrekking aan het Bureau

1.   Op de in artikel 1 bedoelde terreinen geven de instellingen, organen en instanties alle informatie betreffende mogelijke gevallen van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, onverwijld aan het Bureau door.

Wanneer de instellingen, organen en instanties overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2017/1939 aan het EOM een melding doen, kunnen zij voldoen aan de in de eerste alinea van dit lid bedoelde verplichting door aan het Bureau een afschrift van de aan het EOM toegezonden melding door te geven.

2.   De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geven op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief onverwijld alle documenten en informatie in hun bezit die verband houden met een lopend onderzoek van het Bureau aan het Bureau door.

Voorafgaand aan de opening van een onderzoek geven zij, op een verzoek van het Bureau, dat schriftelijk wordt toegelicht, alle documenten of informatie in hun bezit door die nodig zijn om de vermoedens te beoordelen of om de in artikel 5, lid 1, vastgestelde criteria voor de opening van een onderzoek toe te passen.

3.   De instellingen, organen en instanties en, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, geven onverwijld, op verzoek van het Bureau of op eigen initiatief, alle andere relevant geachte informatie, documenten of gegevens in hun bezit die verband houden met de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, aan het Bureau door.

4.   Dit artikel is niet van toepassing op het EOM met betrekking tot strafbare feiten ten aanzien waarvan het zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939.

Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het EOM om het Bureau relevante informatie over zaken te verstrekken overeenkomstig artikel 34, lid 8, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 4, en artikel 101, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2017/1939.

5.   De bepalingen met betrekking tot de doorgifte van informatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad (*) blijven onverlet.

(*)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).”."

8)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt de vierde alinea vervangen door:

“De in de tweede en de derde alinea bedoelde voorschriften gelden niet voor het afnemen van verklaringen in het kader van controles en verificaties ter plaatse. De in artikel 3, leden 7 en 8, bedoelde procedurewaarborgen gelden voor de betrokken persoon, met name het recht om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze.”;

b)

in lid 4 worden de tweede en derde alinea vervangen door:

“Daartoe nodigt het Bureau de betrokken persoon uit om schriftelijk dan wel in een onderhoud met door het Bureau aangewezen personeelsleden zijn oordeel over de feiten te geven. De uitnodiging bevat een samenvatting van de feiten die de betrokken persoon betreffen, alsmede de bij de artikelen 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 voorgeschreven informatie, en vermeldt de termijn voor het indienen van opmerkingen, die ten minste tien werkdagen vanaf de ontvangst van de uitnodiging tot het maken van opmerkingen bedraagt. Die termijn kan worden ingekort met de uitdrukkelijke instemming van de betrokken persoon of om terdege gemotiveerde redenen van spoedeisendheid van het onderzoek. In het eindverslag van het onderzoek wordt naar dat oordeel verwezen.

In terdege gemotiveerde gevallen waarin het nodig is het vertrouwelijk karakter van het onderzoek of een lopend of toekomstig strafrechtelijk onderzoek door het EOM of een nationale gerechtelijke autoriteit veilig te stellen, kan de directeur-generaal, waar passend na raadpleging van het EOM of de betrokken nationale gerechtelijke autoriteit, besluiten de nakoming van de verplichting om de betrokken persoon uit te nodigen zijn opmerkingen te maken, uit te stellen.”.

9)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 9 bis

Toezichthouder op de procedurewaarborgen

1.   De Commissie benoemt, volgens de in lid 2 bedoelde procedure, een Toezichthouder op de procedurewaarborgen (de “Toezichthouder”) voor een niet-verlengbare ambtstermijn van vijf jaar. Na afloop van die ambtstermijn blijft de Toezichthouder in functie totdat in zijn vervanging is voorzien.

2.   De Toezichthouder is administratief verbonden aan het Comité van toezicht. Het secretariaat van het Comité van toezicht verleent de Toezichthouder alle nodige administratieve en juridische ondersteuning.

3.   De Commissie wijst het personeel en de financiële middelen die nodig zijn voor de Toezichthouder, binnen haar goedgekeurde begroting toe aan het Comité van toezicht.

4.   Na een oproep tot kandidaatstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie stelt de Commissie een lijst op van geschikte kandidaten voor het ambt van Toezichthouder. De Commissie benoemt de Toezichthouder na het Europees Parlement en de Raad te hebben geraadpleegd.

5.   De Toezichthouder beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van procedurewaarborgen.

6.   De Toezichthouder oefent zijn functies in volledige onafhankelijkheid uit, onder meer onafhankelijk van het Bureau en van het Comité van toezicht, en vraagt noch aanvaardt daarbij instructies van anderen.

7.   Indien de Toezichthouder niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, kan hij door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming van zijn functie worden ontheven.

8.   Op grond van het in artikel 9 ter bedoelde mechanisme houdt de Toezichthouder toezicht op de naleving door het Bureau van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen en van de regels die van toepassing zijn op de onderzoeken van het Bureau. De Toezichthouder is verantwoordelijk voor de behandeling van de in artikel 9 ter bedoelde klachten.

9.   De Toezichthouder brengt over de uitoefening van deze functie jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Comité van toezicht en het Bureau. In dat verslag verwijst hij niet naar afzonderlijke onderzoeken en neemt hij de vertrouwelijkheid van onderzoeken in acht, zelfs als deze zijn afgesloten. De Toezichthouder brengt verslag uit aan het Comité van toezicht over alle structurele problemen die voortvloeien uit zijn aanbevelingen.

Artikel 9 ter

Klachtenmechanisme

1.   Een betrokken persoon heeft het recht een klacht in te dienen bij de Toezichthouder met betrekking tot de naleving door het Bureau van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen, alsmede wegens schending van de regels die van toepassing zijn op onderzoeken van het Bureau, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten. De indiening van een klacht heeft geen opschortend effect op de uitvoering van het onderzoek waarop de klacht betrekking heeft.

2.   De betrokken persoon beschikt over een termijn van één maand nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die beweerdelijk een schending vormen van de procedurewaarborgen of regels bedoeld in lid 1 van dit artikel, om een klacht hierover in te dienen. Er kan hoe dan ook geen klacht meer worden ingediend als het onderzoek langer dan één maand is afgesloten.

Klachten met betrekking tot de in artikel 9, leden 2 en 4, bedoelde termijn worden evenwel ingediend vóór het verstrijken van de in die bepalingen bedoelde termijn van tien dagen.

3.   Na ontvangst van een klacht stelt de Toezichthouder de directeur-generaal daarvan onmiddellijk in kennis.

Binnen tien werkdagen na de dag van ontvangst bepaalt de Toezichthouder of aan de leden 1 en 2 is voldaan.

Indien aan de leden 1 en 2 is voldaan, verzoekt de Toezichthouder het Bureau om actie te ondernemen teneinde de klacht op te lossen en de Toezichthouder hiervan binnen 15 werkdagen op de hoogte te stellen.

Indien niet aan lid 1 of lid 2 is voldaan, sluit de Toezichthouder het dossier af en stelt hij de klager daarvan onverwijld in kennis.

4.   Onverminderd artikel 10 verstrekt het Bureau aan de Toezichthouder alle informatie die nodig is om de Toezichthouder in staat te stellen te beoordelen of de klacht gerechtvaardigd is, alsmede informatie om de klacht te kunnen oplossen en om de Toezichthouder in staat te stellen een aanbeveling uit te brengen.

5.   De Toezichthouder brengt onverwijld een aanbeveling uit over de wijze waarop de klacht kan worden opgelost, en hoe dan ook binnen twee maanden nadat het Bureau de Toezichthouder in kennis heeft gesteld van de maatregelen die het heeft genomen om de klacht op te lossen. Indien de Toezichthouder geen informatie heeft ontvangen binnen de in lid 3, derde alinea, bedoelde termijn van 15 dagen, brengt hij binnen twee maanden na het verstrijken van die termijn een aanbeveling uit.

In uitzonderlijke gevallen kan de Toezichthouder besluiten de termijn voor het uitbrengen van een aanbeveling met nog eens 15 kalenderdagen te verlengen. De Toezichthouder stelt de directeur-generaal schriftelijk in kennis van de redenen voor een dergelijke verlenging.

De Toezichthouder kan aanbevelen dat het Bureau zijn aanbevelingen of verslagen wijzigt of intrekt wegens schending van de in artikel 9 bedoelde procedurewaarborgen of van de regels die van toepassing zijn op door het Bureau uitgevoerde onderzoeken, met name schendingen van procedurevereisten en grondrechten.

Voordat de Toezichthouder een aanbeveling uitbrengt, raadpleegt hij het Comité van Toezicht met het oog op het verkrijgen van een advies.

De Toezichthouder dient de aanbeveling in bij het Bureau en stelt de klager hiervan in kennis.

Indien de Toezichthouder binnen de in dit lid bepaalde termijnen geen aanbeveling uitbrengt, wordt aangenomen dat de Toezichthouder de klacht zonder aanbeveling heeft afgewezen.

6.   Zonder inmenging in het lopende onderzoek beoordeelt de Toezichthouder de klacht volgens een contradictoire procedure.

De Toezichthouder kan ook getuigen verzoeken om schriftelijk of mondeling toelichtingen te verstrekken die hij relevant acht om de feiten te beoordelen. Getuigen mogen weigeren om dergelijke toelichtingen te verstrekken.

7.   De directeur-generaal neemt de passende maatregelen die op grond van de aanbeveling geboden zijn. Indien de directeur-generaal besluit geen gevolg te geven aan de aanbeveling van de Toezichthouder, deelt hij de klager en de Toezichthouder de voornaamste redenen voor dat besluit mee, tenzij een dergelijke mededeling het lopende onderzoek zou beïnvloeden. De directeur-generaal zet de redenen om geen gevolg te geven aan de aanbeveling van de Toezichthouder uiteen in een nota die bij het eindverslag van het onderzoek wordt gevoegd.

8.   Het klachtenmechanisme op grond van dit artikel laat de rechtsmiddelen uit hoofde van de Verdragen, met inbegrip van rechtsvorderingen tot schadevergoeding, onverlet.

9.   De directeur-generaal kan de Toezichthouder om advies vragen over elke aangelegenheid die verband houdt met procedurewaarborgen of grondrechten en die binnen het mandaat van de Toezichthouder valt, ook over een besluit uit hoofde van artikel 9, lid 3, om het in kennis stellen van de betrokkene uit te stellen. De directeur-generaal vermeldt in een dergelijk verzoek binnen welke termijn de Toezichthouder moet antwoorden.

10.   Onverminderd de termijnen waarin artikel 90 van het Statuut voorziet, wacht in gevallen waarin door een ambtenaar of een ander personeelslid van de Unie een klacht overeenkomstig artikel 90 bis van het Statuut is ingediend bij de directeur-generaal en een klacht over dezelfde aangelegenheid is ingediend bij de Toezichthouder, de directeur-generaal de aanbeveling van de Toezichthouder af voordat hij de klacht beantwoordt.

11.   De Toezichthouder stelt, na raadpleging van het Comité van toezicht, uitvoeringsbepalingen vast voor de behandeling van klachten.

Die uitvoeringsbepalingen omvatten met name nadere regels over:

a)

het indienen van een klacht;

b)

het uitwisselen van informatie tussen het Comité van toezicht, de Toezichthouder en de directeur-generaal;

c)

de procedure voor het behandelen van de kwesties die in een klacht door het Bureau aan de orde zijn gesteld;

d)

het onderzoek van een klacht in een contradictoire procedure overeenkomstig lid 6, eerste alinea;

e)

de uitvaardiging en mededeling van de aanbeveling van de Toezichthouder;

f)

terdege gemotiveerde gevallen waarin de directeur-generaal kan afwijken van de aanbeveling van de Toezichthouder en de in dergelijke gevallen te volgen procedure.”.

10)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende leden worden ingevoegd:

“3 bis.   Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (*) is van toepassing op het melden van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, en op de bescherming van personen die melding maken van dergelijke inbreuken.

3 ter.   Indien het Bureau een gerechtelijke follow-up aanbeveelt, onverminderd de vertrouwelijkheidsrechten van klokkenluiders en informanten, en overeenkomstig de toepasselijke regels op het gebied van vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, kan de betrokken persoon het Bureau verzoeken om het uit hoofde van artikel 11 opgestelde verslag te verstrekken voor zover het op hem betrekking heeft. Het Bureau stelt alle ontvangers van dat verslag onverwijld in kennis van dat verzoek en verleent uitsluitend toegang met de uitdrukkelijke toestemming van de ontvangers. De ontvangers reageren binnen een termijn van twaalf maanden na ontvangst van het verzoek. Indien binnen die termijn geen bezwaar wordt aangetekend, verleent het Bureau toegang.

De bevoegde autoriteit kan het Bureau ook toestemming verlenen om vóór het verstrijken van die termijn toegang te verlenen.

(*)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).”;"

b)

in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:

“4.   Het Bureau wijst een functionaris voor gegevensbescherming aan overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1725.”.

11)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Het verslag gaat waar passend vergezeld van aanbevelingen van de directeur-generaal betreffende te ondernemen actie. Die aanbevelingen vermelden waar passend of er door de instellingen, organen en instanties en door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten tuchtrechtelijke, administratiefrechtelijke, financiële of gerechtelijke acties moeten worden ondernomen; in het bijzonder worden de geschatte in te vorderen bedragen en de voorlopige juridische kwalificatie van de geconstateerde feiten vermeld.”;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde verslagen en aanbevelingen worden de desbetreffende bepalingen van Unierecht en, in zoverre het van toepassing is, van het nationale recht van de betrokken lidstaat in aanmerking genomen.

Verslagen die op basis van de eerste alinea worden opgesteld, vormen, samen met alle bewijsstukken ter ondersteuning van en als bijlage bij die verslagen, toelaatbare bewijsmiddelen:

a)

in niet-strafrechtelijke procedures voor de nationale rechter en in administratieve procedures in de lidstaten;

b)

in strafrechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen, en zij worden beoordeeld volgens dezelfde regels als administratieve verslagen van de nationale administratieve controleurs en hebben dezelfde bewijskracht;

c)

in gerechtelijke procedures voor het HvJ-EU en in administratieve procedures binnen de instellingen, organen en instanties.

De lidstaten stellen het Bureau in kennis van alle regels van nationaal recht die relevant zijn voor de toepassing van punt b) van de tweede alinea.

Met betrekking tot punt b) van de tweede alinea zenden de lidstaten het Bureau op zijn verzoek de definitieve beslissing van de nationale rechters toe zodra de betrokken gerechtelijke procedures zijn voltooid en de definitieve rechterlijke beslissing openbaar is geworden.

Deze verordening laat de bevoegdheid van het HvJ-EU en de nationale rechter en de bevoegde instanties in bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures om de bewijskracht van de door het Bureau opgestelde verslagen te beoordelen, onverlet.

2 bis.   Het Bureau neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde verslagen en aanbevelingen een consistente kwaliteit hebben.

3.   De na afloop van een extern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle daarmee verband houdende documenten worden overeenkomstig de regels betreffende externe onderzoeken toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en, indien noodzakelijk, aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat en, indien van toepassing, de instellingen, de organen of de instanties, ondernemen de acties die op grond van de resultaten van het externe onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan het Bureau binnen de in de aanbevelingen bij het verslag bepaalde termijn, en daarnaast op verzoek van het Bureau. De lidstaten kunnen het Bureau in kennis stellen van de betrokken nationale instanties die bevoegd zijn om dergelijke verslagen, aanbevelingen en documenten te behandelen.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   Wanneer uit het na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslag blijkt dat sprake is van strafrechtelijk vervolgbare feiten, wordt die informatie, samen met de aanbevelingen, onverwijld doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat, onverminderd de artikelen 12 quater en 12 quinquies.

Op verzoek van het Bureau zenden de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, binnen een in de aanbevelingen vastgestelde termijn, het Bureau informatie over de genomen maatregelen, zo die er zijn, en, waar toepasselijk, de redenen waarom de aanbevelingen niet zijn uitgevoerd, nadat het Bureau overeenkomstig de eerste alinea van dit lid informatie heeft verstrekt.”;

d)

lid 6 wordt geschrapt;

e)

lid 8 wordt vervangen door:

“8.   Wanneer een informant het Bureau informatie heeft verstrekt die tot het onderzoek heeft geleid, stelt het Bureau die informant ervan in kennis dat het onderzoek is afgesloten, tenzij het van oordeel is dat die informatie de legitieme belangen van de betrokken persoon en de doeltreffendheid van het onderzoek en van de in aansluiting daarop genomen maatregelen, of vertrouwelijkheidsvereisten schaadt.”.

12)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Onverminderd de artikelen 10 en 11 van deze verordening en de bepalingen van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 kan het Bureau de informatie die het in het kader van externe onderzoeken heeft verkregen, te gelegener tijd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten doorgeven teneinde hen in staat te stellen overeenkomstig hun nationale recht passende actie te ondernemen. Het kan dergelijke informatie ook doorgeven aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat stellen, tenzij hun nationale recht dat verbiedt, het Bureau onverwijld en in elk geval binnen twaalf maanden na ontvangst van de overeenkomstig dit artikel aan hen doorgegeven informatie in kennis van de actie die zij naar aanleiding van die informatie hebben ondernomen.”;

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

“5.   Het Bureau kan relevante informatie verstrekken aan het Eurofisc-netwerk dat bij Verordening (EU) nr. 904/2010 is ingesteld. De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen het Bureau relevante inlichtingen uit het Eurofisc-netwerk verstrekken overeenkomstig de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 904/2010.”.

13)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

“Artikel 12 bis

Coördinatiediensten fraudebestrijding

1.   Voor de toepassing van deze verordening wijst elke lidstaat een instantie (de “coördinatiedienst fraudebestrijding”) aan om een effectieve samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, met het Bureau te faciliteren. De coördinatiedienst fraudebestrijding kan, waar passend en overeenkomstig het nationale recht, voor de toepassing van deze verordening als een bevoegde autoriteit worden beschouwd.

2.   Op verzoek van het Bureau en voordat een besluit is genomen of er al dan niet een onderzoek wordt geopend, en ook tijdens of na een onderzoek, verlenen of coördineren de coördinatiediensten fraudebestrijding de nodige bijstand opdat het Bureau zijn taken doeltreffend kan uitvoeren. Die bijstand omvat met name de bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, die overeenkomstig artikel 3, leden 5 en 6, artikel 7, lid 3, en artikel 8, leden 2 en 3, wordt verleend.

3.   De coördinatiediensten fraudebestrijding kunnen het Bureau op verzoek bijstand verlenen, zodat het Bureau overeenkomstig artikel 12 ter coördinatieactiviteiten kan verrichten, met inbegrip van, waar passend, horizontale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de coördinatiediensten fraudebestrijding.

Artikel 12 ter

Coördinatie-activiteiten

1.   Op grond van artikel 1, lid 2, kan het Bureau samenwerking organiseren en faciliteren tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, instellingen, organen en instanties, alsook, overeenkomstig de vigerende overeenkomsten voor samenwerking en wederzijdse bijstand en andere vigerende rechtsinstrumenten, autoriteiten van derde landen en internationale organisaties. Ter bescherming van de financiële belangen van de Unie kunnen de deelnemende autoriteiten en het Bureau informatie, met inbegrip van operationele informatie, verzamelen, analyseren en uitwisselen. Het personeel van het Bureau kan bevoegde autoriteiten die onderzoeksactiviteiten verrichten, op verzoek van die autoriteiten vergezellen. Artikel 6, artikel 7, leden 6 en 7, artikel 8, lid 3, en artikel 10 zijn van toepassing.

2.   Het Bureau stelt, waar passend, een verslag over de verrichte coördinatieactiviteiten op en geeft dit aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de betrokken instellingen, organen en instanties door.

3.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de uitoefening door het Bureau van bevoegdheden die aan de Commissie zijn verleend in specifieke bepalingen betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen die autoriteiten en de Commissie.

4.   Het Bureau kan deelnemen aan gemeenschappelijke onderzoeksteams die overeenkomstig het toepasselijke Unierecht zijn opgericht, en kan in dat kader op grond van deze verordening verkregen operationele informatie uitwisselen.

Artikel 12 quater

Verslag aan het EOM over strafbare gedragingen

1.   Het Bureau dient bij het EOM zonder onnodige vertraging een verslag in over alle strafbare gedragingen ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig hoofdstuk IV van Verordening (EU) 2017/1939. Het verslag wordt zonder onnodige vertraging voor of tijdens een onderzoek van het Bureau toegezonden.

2.   Het in lid 1 bedoelde verslag bevat ten minste een beschrijving van de feiten, met inbegrip van een beoordeling van de schade die is of wellicht zal worden berokkend, de mogelijke juridische kwalificatie, en eventuele beschikbare informatie over potentiële slachtoffers, verdachten of andere betrokkenen.

3.   Het Bureau is niet verplicht bij het EOM een verslag in te dienen over kennelijk ongegronde vermoedens.

4.   Indien de door het Bureau ontvangen informatie niet de in lid 2 van dit artikel omschreven elementen omvat, en er geen lopend onderzoek van het Bureau is, kan het Bureau overgaan tot een voorlopige evaluatie van de vermoedens. De evaluatie wordt onverwijld verricht en in elk geval binnen twee maanden na ontvangst van de informatie. Tijdens die evaluatie zijn artikel 6 en artikel 8, lid 2, van toepassing. Na die voorlopige evaluatie dient het Bureau bij het EOM een verslag in over elke strafbare gedraging als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

5.   Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde strafbare gedraging aan het licht komt tijdens een onderzoek door het Bureau, en het EOM na het in dat lid bedoelde verslag een onderzoek opent, zet het Bureau zijn onderzoek naar dezelfde feiten niet voort, tenzij overeenkomstig artikel 12 sexies of artikel 12 septies.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek uitvoert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM reageert binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn.

6.   De instellingen, organen en instanties kunnen het Bureau verzoeken een voorlopige evaluatie uit te voeren van vermoedens die aan hen worden gemeld. Voor die verzoeken zijn de leden 1 tot en met 4 van overeenkomstige toepassing. Het Bureau stelt de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie in kennis van de resultaten van de voorlopige evaluatie, tenzij de verstrekking van die informatie een door het Bureau of het EOM gevoerd onderzoek in gevaar kan brengen.

7.   Indien het Bureau na de melding aan het EOM overeenkomstig dit artikel zijn onderzoek afsluit, zijn artikel 9, lid 4, en artikel 11 niet van toepassing.

Artikel 12 quinquies

Geen dubbel onderzoek

1.   Onverminderd de artikelen 12 sexies en 12 septies zet de directeur-generaal een lopend onderzoek stop en opent hij geen nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 5, indien het EOM een onderzoek uitvoert naar dezelfde feiten. De directeur-generaal stelt het EOM in kennis van elk besluit tot stopzetting dat om die redenen is genomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid controleert het Bureau overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, via het casemanagementsysteem van het EOM of het EOM een onderzoek uitvoert. Het Bureau kan het EOM om verdere informatie verzoeken. Het EOM reageert binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn.

 

2.   Het EOM mag het Bureau, om het in staat te stellen overeenkomstig zijn mandaat passende administratieve maatregelen te overwegen, relevante informatie verstrekken over zaken waarin het EOM heeft besloten geen onderzoek uit te voeren of die het heeft geseponeerd. Indien bij het Bureau nieuwe feiten bekend worden die ten tijde van het besluit om te seponeren als bedoeld in artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 niet bekend waren bij het EOM, kan de directeur-generaal het EOM verzoeken een onderzoek te heropenen overeenkomstig artikel 39, lid 2, van die verordening.

Artikel 12 sexies

Steun van het Bureau aan het EOM

1.   Tijdens een onderzoek door het EOM, en op verzoek van het EOM overeenkomstig artikel 101, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939, ondersteunt het Bureau, overeenkomstig zijn mandaat, de activiteit van het EOM, of vult het die activiteit aan, met name door:

a)

informatie en analyses (ook forensische) te verstrekken en deskundigheid en operationele ondersteuning te bieden;

b)

de coördinatie van specifieke acties van de bevoegde nationale bestuurlijke autoriteiten en organen van de Unie te faciliteren;

c)

administratieve onderzoeken te verrichten.

Bij het verlenen van steun aan het EOM ziet het Bureau af van handelingen of maatregelen die het onderzoek of de vervolging in gevaar kunnen brengen.

2.   Een in lid 1 bedoeld verzoek wordt schriftelijk doorgegeven en vermeldt ten minste:

a)

de informatie over het onderzoek van het EOM voor zover relevant voor het doel van het verzoek;

b)

de maatregelen die het EOM het Bureau verzoekt te nemen;

c)

waar passend, de geplande timing om het verzoek uit te voeren.

Zo nodig kan het Bureau om aanvullende informatie verzoeken.

3.   Indien het Bureau binnen zijn mandaat ondersteunende maatregelen uitvoert waar op grond van dit artikel om werd verzocht door het EOM, zorgen het EOM en het Bureau, ter bescherming van de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen en de grondrechten en procedurewaarborgen, er in nauwe samenwerking voor dat de toepasselijke procedurele waarborgen van hoofdstuk VI van Verordening (EU) 2017/1939 in acht worden genomen.

Artikel 12 septies

Aanvullende onderzoeken

1.   Wanneer het EOM een onderzoek uitvoert, en de directeur-generaal van het Bureau in terdege gemotiveerde gevallen vindt dat het Bureau overeenkomstig zijn mandaat ook een onderzoek moet openen ter facilitering van het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties, stelt het Bureau het EOM daarvan schriftelijk in kennis, met vermelding van de aard en het doel van het onderzoek.

Na ontvangst van dergelijke informatie en binnen een overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn, kan het EOM bezwaar maken tegen het openen van een onderzoek of tegen het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen. Indien het EOM bezwaar maakt tegen het openen van een onderzoek of tegen het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen, stelt het het Bureau zonder onnodige vertraging in kennis wanneer de redenen voor het bezwaar niet langer van toepassing zijn.

Indien het EOM binnen de overeenkomstig artikel 12 octies vast te stellen termijn geen bezwaar maakt, kan het Bureau een onderzoek openen en voert het dit onderzoek uit in continu overleg met het EOM. Als het EOM er nadien bezwaar tegen maakt, schorst het Bureau zijn onderzoek of zet het dit stop, of ziet het af van bepaalde onderzoekshandelingen.

2.   Indien het EOM in antwoord op een verzoek om informatie dat overeenkomstig artikel 12 quinquies is ingediend, het Bureau ervan in kennis stelt dat het geen onderzoek uitvoert en het later een onderzoek naar dezelfde feiten opent, stelt het het Bureau daar onverwijld van in kennis. Indien de directeur-generaal na ontvangst van dergelijke informatie van oordeel is dat het door het Bureau geopende onderzoek moet worden voortgezet teneinde het nemen van voorzorgsmaatregelen of het ondernemen van financiële, tuchtrechtelijke of administratiefrechtelijke acties te faciliteren, is lid 1 van dit artikel van toepassing.

Artikel 12 octies

Werkafspraken en uitwisseling van informatie met het EOM

1.   Het Bureau vindt met het EOM overeenstemming over werkafspraken. Dergelijke werkafspraken bestaan onder meer uit praktische regelingen voor de uitwisseling van informatie, waaronder persoonsgegevens, operationele, strategische of technische informatie en gerubriceerde informatie, en voor aanvullende onderzoeken.

De werkafspraken omvatten gedetailleerde regelingen over de continue uitwisseling van informatie tijdens de ontvangst en de controle van vermoedens met het oog op de vaststelling van de bevoegdheid ten aanzien van onderzoeken. Ze omvatten ook regelingen inzake de overdracht van informatie tussen het Bureau en het EOM, wanneer het Bureau optreedt ter ondersteuning of ter aanvulling van het EOM. Ze voorzien in termijnen voor het beantwoorden van elkaars verzoeken.

Het Bureau en het EOM vinden overeenstemming over de termijnen en de nadere regelingen met betrekking tot artikel 12 quater, lid 5, artikel 12 quinquies, lid 1, en artikel 12 septies, lid 1. Tot een dergelijke overeenstemming is bereikt, antwoordt het EOM onverwijld op de verzoeken van het Bureau, en in elk geval binnen tien werkdagen na een in artikel 12 quater, lid 5, en artikel 12 quinquies, lid 1, bedoeld verzoek, en binnen twintig werkdagen na een in artikel 12 septies, lid 1, eerste alinea, bedoeld verzoek om informatie.

Voorafgaand aan de vaststelling van de werkafspraken met het EOM zendt de directeur-generaal de ontwerpwerkafspraken ter informatie toe aan het Comité van toezicht, en aan het Europees Parlement en de Raad. Het Comité van toezicht brengt onverwijld advies uit.

2.   Het Bureau krijgt op basis van een hit/no hit-systeem indirect toegang tot informatie in het casemanagementsysteem van het EOM.

Telkens wanneer een match wordt gevonden tussen gegevens die het Bureau in het casemanagementsysteem heeft ingevoerd en die waarover het EOM beschikt, worden zowel het Bureau als het EOM hiervan op de hoogte gebracht. Het Bureau neemt de nodige maatregelen om het EOM op basis van een hit/no hit-systeem toegang te geven tot informatie in zijn casemanagementsysteem.

De technische en veiligheidsaspecten van de wederzijdse toegang tot de casemanagementsystemen, met inbegrip van interne procedures om ervoor te zorgen dat elke toegang terdege gemotiveerd wordt voor de uitvoering van hun taken en wordt gedocumenteerd, worden in de werkafspraken vastgesteld.

3.   De directeur-generaal en de Europees hoofdaanklager komen ten minste jaarlijks bijeen om zaken van gemeenschappelijk belang te bespreken.”.

14)

In artikel 13, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

“1.   Binnen zijn mandaat om de financiële belangen van de Unie te beschermen, werkt het Bureau op passende wijze samen met het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust) en met het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol). Voor zover noodzakelijk met het oog op het faciliteren van die samenwerking komt het Bureau met Eurojust en Europol administratieve regelingen overeen. Die praktische regelingen kunnen betrekking hebben op de uitwisseling van operationele, strategische of technische informatie, met inbegrip van persoonsgegevens en gerubriceerde informatie en desgevraagd ook van voortgangsverslagen.”.

15)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Het Comité van toezicht houdt geregeld toezicht op de wijze waarop het Bureau zich van zijn onderzoekstaak kwijt, ter versterking van de onafhankelijkheid die het Bureau bij de uitoefening van de bij deze verordening toegekende bevoegdheden in acht neemt.

Het Comité van toezicht monitort in het bijzonder de ontwikkelingen betreffende de toepassing van de procedurewaarborgen en de duur van onderzoeken.

Het Comité van toezicht voorziet de directeur-generaal van adviezen, die in voorkomend geval vergezeld gaan van aanbevelingen, onder meer betreffende de middelen die nodig zijn om de onderzoekstaak van het Bureau uit te voeren, alsook betreffende onderzoeksprioriteiten van het Bureau en betreffende de duur van de onderzoeken. Die adviezen kunnen worden uitgebracht op eigen initiatief, op verzoek van de directeur-generaal of op verzoek van een instelling, orgaan of instantie, maar mogen geen inmenging in de verrichting van lopende onderzoeken vormen.

Het Bureau maakt op zijn website zijn antwoorden op de adviezen van het Comité van toezicht bekend.

De instellingen, organen of instanties ontvangen een kopie van de overeenkomstig de derde alinea gegeven adviezen.

Het Comité van toezicht krijgt toegang tot alle informatie en documenten die het nodig acht te hebben voor de uitvoering van zijn taken, met inbegrip van verslagen en aanbevelingen over afgesloten onderzoeken en geseponeerde zaken, doch zonder inmenging in lopende onderzoeken, en met inachtneming van de vereisten in verband met vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.”;

b)

in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

“8.   Het Comité van toezicht wijst zijn voorzitter aan. Het stelt zijn reglement van orde vast nadat dit ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is voorgelegd. Het Comité van toezicht wordt bijeengeroepen op initiatief van zijn voorzitter of van de directeur-generaal. Het komt minstens tienmaal per jaar bijeen. Het Comité van toezicht besluit bij meerderheid van de stemmen van zijn leden. De Commissie verzorgt het secretariaat van het Comité van toezicht, in nauw overleg met dit Comité. Voordat de benoeming van een personeelslid van het secretariaat plaatsvindt, wordt het Comité van toezicht geraadpleegd en zijn zienswijze in aanmerking genomen. Het secretariaat handelt in opdracht van het Comité van toezicht en onafhankelijk van de Commissie. Onverminderd haar controle op de begroting van het Comité van toezicht en het secretariaat daarvan, mengt de Commissie zich niet in de toezichthoudende taken van het Comité van toezicht.”.

16)

In artikel 16 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

“1.   Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben jaarlijks een ontmoeting met de directeur-generaal om op politiek niveau van gedachten te wisselen over het beleid van het Bureau inzake methoden voor de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Het Comité van toezicht neemt aan de gedachtewisseling deel. De Europees hoofdaanklager wordt uitgenodigd om de gedachtewisseling bij te wonen. Vertegenwoordigers van de Rekenkamer, het EOM, Eurojust en Europol kunnen op verzoek van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de directeur-generaal of het Comité van toezicht worden uitgenodigd om op ad-hocbasis bij de gedachtewisseling aanwezig te zijn.

2.   Binnen het doel van lid 1 kan de gedachtewisseling betrekking hebben op elk onderwerp dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie overeenkomen. De gedachtewisseling kan met name betrekking hebben op:

a)

de strategische prioriteiten voor het beleid van het Bureau inzake onderzoeken;

b)

de uit hoofde van artikel 15 voorziene activiteitenverslagen en adviezen van het Comité van toezicht;

c)

de uit hoofde van artikel 17, lid 4, door de directeur-generaal opgestelde verslagen en, indien passend, andere door de instellingen opgestelde verslagen met betrekking tot het mandaat van het Bureau;

d)

het kader van de betrekkingen tussen het Bureau en de instellingen, organen en instanties, met name het EOM, met inbegrip van alle horizontale en systemische problemen die zich bij de follow-up van de definitieve onderzoeksverslagen van het Bureau hebben voorgedaan;

e)

het kader van de betrekkingen tussen het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van alle horizontale en systemische problemen die zich bij de follow-up van de definitieve onderzoeksverslagen van het Bureau hebben voorgedaan;

f)

de betrekkingen van het Bureau met de bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties in het kader van de in deze verordening bedoelde regelingen;

g)

de doeltreffendheid van de werkzaamheden van het Bureau met betrekking tot de uitoefening van zijn mandaat.”.

17)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 2 tot en met 5 worden vervangen door:

“2.   Met het oog op de aanstelling van een nieuwe directeur-generaal maakt de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een oproep tot het indienen van sollicitaties bekend. Die bekendmaking vindt plaats uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de ambtstermijn van de dienstdoende directeur-generaal. De Commissie stelt een lijst van geschikte kandidaten op. Na een gunstig advies van het Comité van toezicht over de door de Commissie toegepaste selectieprocedure, bereiken het Europees Parlement en de Raad te gelegener tijd overeenstemming over een shortlist van drie kandidaten uit de door de Commissie opgestelde lijst van geschikte kandidaten. De Commissie benoemt de directeur-generaal uit die shortlist.

3.   De directeur-generaal vraagt noch aanvaardt van welke regering, instelling of instantie dan ook instructies voor de vervulling van zijn taken met betrekking tot het openen en uitvoeren van externe en interne onderzoeken of coördinatieactiviteiten, of met betrekking tot het opstellen van de verslagen naar aanleiding van die onderzoeken of coördinatieactiviteiten. Indien de directeur-generaal van oordeel is dat een maatregel van de Commissie zijn onafhankelijkheid aantast, stelt hij het Comité van toezicht daar onmiddellijk van in kennis en beslist hij of hij bij het HvJ-EU beroep tegen de Commissie instelt.

4.   De directeur-generaal brengt regelmatig, en ten minste jaarlijks, verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer over de resultaten van de door het Bureau verrichte onderzoeken, de actie die naar aanleiding daarvan is ondernomen en de problemen die daarbij zijn gerezen, onder eerbiediging van het vertrouwelijk karakter van die onderzoeken, de wettelijke rechten van de betrokken personen en informanten en, waar passend, de nationale procesrechtelijke bepalingen. Die verslagen bevatten ook een beoordeling van de maatregelen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de instellingen, organen en instanties hebben genomen naar aanleiding van verslagen en aanbevelingen van het Bureau.

4 bis.   Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad in het kader van hun begrotingscontrolerechten kan de directeur-generaal informatie verstrekken over de activiteiten van het Bureau, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van onderzoeken en follow-up-procedures. Het Europees Parlement en de Raad waarborgen de vertrouwelijkheid van de overeenkomstig dit lid verstrekte informatie.

5.   De directeur-generaal brengt het Comité van toezicht periodiek op de hoogte van de activiteiten en de uitoefening van de onderzoekstaak van het Bureau, alsmede van de naar aanleiding van onderzoeken ondernomen follow-up-acties.

De directeur-generaal brengt het Comité van toezicht periodiek op de hoogte van:

a)

de gevallen waarin geen gehoor is gegeven aan de aanbevelingen van de directeur-generaal;

b)

de gevallen waarin informatie is doorgegeven aan de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten of aan het EOM;

c)

de gevallen waarin geen onderzoek geopend is en de gevallen waarin de zaak geseponeerd is;

d)

de duur van onderzoeken overeenkomstig artikel 7, lid 8.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   De directeur-generaal stelt een mechanisme in voor interne advisering en controle, met inbegrip van een wettigheidstoetsing, onder meer met betrekking tot de eerbiediging van de procedurewaarborgen en de grondrechten van de betrokken personen en van het nationale recht van de betrokken lidstaten, waarbij in het bijzonder wordt gelet op artikel 11, lid 2. De wettigheidstoetsing wordt uitgevoerd door personeelsleden van het Bureau die experts op het gebied van recht en onderzoeksprocedures zijn. Hun advies wordt aan het eindverslag van het onderzoek gehecht.”;

c)

in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

“8.   De directeur-generaal stelt richtsnoeren betreffende onderzoeksprocedures vast ten behoeve van de personeelsleden van het Bureau. Die richtsnoeren zijn in overeenstemming met deze verordening en hebben onder meer betrekking op:

a)

de gang van zaken bij de uitvoering van het mandaat van het Bureau;

b)

nadere regels inzake onderzoeksprocedures;

c)

de procedurewaarborgen;

d)

nadere details inzake interne advies- en controleprocedures, met inbegrip van de wettigheidstoetsing;

e)

gegevensbescherming en beleid inzake communicatie en toegang tot documenten als bedoeld in artikel 10, lid 3 ter;

f)

de band met het EOM.”;

d)

in lid 9 wordt de eerste alinea vervangen door:

“9.   Voordat de Commissie een tuchtmaatregel tegen de directeur-generaal neemt of zijn immuniteit opheft, raadpleegt zij het Comité van toezicht.”.

18)

Artikel 19 wordt vervangen door:

“Artikel 19

Evaluatieverslag en eventuele herziening

1.   Uiterlijk vijf jaar na de datum die is vastgesteld overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag in over de toepassing en het effect van deze verordening, met name ten aanzien van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenwerking tussen het Bureau en het EOM. Dat verslag gaat vergezeld van een advies van het Comité van toezicht.

2.   Uiterlijk twee jaar na de indiening van het evaluatieverslag op grond van de eerste alinea, dient de Commissie waar passend een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad om het kader voor het Bureau te moderniseren, met inbegrip van aanvullende of meer gedetailleerde regels met betrekking tot de opzet van het Bureau, zijn functies of de procedures voor zijn activiteiten, met bijzondere aandacht voor zijn samenwerking met het EOM, grensoverschrijdende onderzoeken, en onderzoeken in lidstaten die niet deelnemen aan het EOM.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De bij artikel 1, punt 13, van deze verordening ingevoegde artikelen 12 quater tot en met 12 septies van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 zijn evenwel van toepassing vanaf een datum die overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939 dient te worden bepaald.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  PB C 42 van 1.2.2019, blz. 1.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 4 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 17 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(4)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).

(5)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(6)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(7)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).

(8)  Arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 3 mei 2018, Sigma Orionis SA tegen Europese Commissie, T-48/16, ECLI: EU:T:2018:245.

(9)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(10)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(11)  Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 15).

(13)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).


28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/74


VERORDENING (EU) 2020/2224 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

betreffende gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het goederen- en personenvervoer over de weg na het einde van de overgangsperiode bepaald in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het “terugtrekkingsakkoord”) (2) is door de Unie gesloten door middel van Besluit (EU) 2020/135 van de Raad (3) en is op 1 februari 2020 in werking getreden. De in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode, tijdens dewelke het Unierecht van toepassing blijft op en in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (het Verenigd Koninkrijk) overeenkomstig artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord, loopt af op 31 december 2020. Op 25 februari 2020 heeft de Raad Besluit (EU, Euratom) 2020/266 (4) houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over een nieuwe partnerschapsovereenkomst vastgesteld. Zoals uit de onderhandelingsrichtsnoeren blijkt, voorziet de machtiging onder meer in de nodige elementen om de betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk op het gebied van wegvervoer na het einde van de overgangsperiode alomvattend te behandelen. Het is echter onzeker of uiterlijk op het einde van die periode een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk over hun toekomstige betrekkingen op het gebied van het goederen- en personenvervoer over de weg in werking zal zijn getreden.

(2)

Aan het eind van de overgangsperiode en bij gebrek aan bijzondere bepalingen zullen alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het Unierecht met betrekking tot markttoegang, zoals vastgesteld bij Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 (5) en (EG) nr. 1073/2009 (6) van het Europees Parlement en de Raad, eindigen, voor zover het de betrekkingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie en haar lidstaten betreft.

(3)

In een dergelijke situatie zou het internationale goederen- en personenvervoer over de weg tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk ernstig worden verstoord.

(4)

Gibraltar is uitgesloten van de territoriale werkingssfeer van deze verordening en de hierin vervatte verwijzingen naar het Verenigd Koninkrijk hebben geen betrekking op Gibraltar.

(5)

Het multilaterale quotasysteem van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer (ECMV) is het enige andere beschikbare juridische kader dat als grondslag zou kunnen dienen voor het goederenvervoer over de weg tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk. Als gevolg van het beperkte aantal vergunningen dat momenteel in het ECMV-systeem beschikbaar is en het beperkte toepassingsbereik wat betreft de bestreken soort wegvervoersactiviteiten, is dat systeem momenteel echter ontoereikend om volledig tegemoet te komen aan de behoeften van het goederenvervoer over de weg tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk.

(6)

Naar verwachting zullen zich ook in het personenvervoer over de weg ernstige verstoringen voordoen, onder meer wat betreft de openbare orde. De Overeenkomst betreffende het ongeregeld internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen (7) (de “Interbus-overeenkomst”) is het enige beschikbare rechtskader dat als grondslag zou kunnen dienen voor personenvervoer per autobus en touringcar tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk na het einde van de overgangsperiode. Het Verenigd Koninkrijk wordt op 1 januari 2021 een zelfstandige overeenkomstsluitende partij bij de Interbus-overeenkomst. De Interbus-overeenkomst heeft echter alleen betrekking op ongeregeld vervoer en is derhalve ontoereikend om de verstoringen van het internationale touringcar- en autobusvervoer tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie die het gevolg zijn van het einde van de overgangsperiode, aan te pakken. Er is onderhandeld over een protocol bij de Interbus-overeenkomst betreffende geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van geregeld internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen en het Verenigd Koninkrijk zal dat protocol naar verwachting zo snel mogelijk ratificeren. Er wordt echter niet verwacht dat het protocol tijdig in werking zal treden om een haalbaar alternatief te bieden voor de periode onmiddellijk na het einde van de overgangsperiode. De beschikbare instrumenten voorzien derhalve niet in de behoefte aan geregeld vervoer en bijzondere vormen van geregeld vervoer van personen per autobus en touringcar tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk.

(7)

Om te vermijden dat daardoor ernstige verstoringen ontstaan, onder meer wat betreft de openbare orde, moet bijgevolg een tijdelijk stel maatregelen worden vastgesteld die wegvervoerders en exploitanten van touringcar- en autobusdiensten met een vergunning in het Verenigd Koninkrijk in staat stellen om goederen en personen over de weg te vervoeren tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie, of van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk waarbij een of meer lidstaten in doorvoer worden gepasseerd. Om een passend evenwicht tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie te garanderen, moeten de aldus toegekende rechten afhankelijk worden gesteld van de toekenning van gelijkwaardige rechten en moeten zij worden onderworpen aan bepaalde voorwaarden die eerlijke concurrentie waarborgen.

(8)

Het recht om binnen het grondgebied van een lidstaat en tussen lidstaten vervoersactiviteiten uit te voeren, is een fundamentele verworvenheid van de interne markt en mag na het einde van de overgangsperiode en bij gebreke van eventuele specifieke andersluidende bepalingen niet langer worden verleend aan wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk. Niettemin kunnen zich in de onmiddellijke nasleep van de overgangsperiode en bij gebreke van een toekomstig akkoord betreffende het goederenvervoer over de weg tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk verstoringen van de verkeersstromen en daaruit voortvloeiende bedreigingen voor de openbare orde voordoen, met name op de grensovergangspunten die beperkt zijn in aantal en waar extra controles van voertuigen en hun vracht moeten worden uitgevoerd. De opstoppingen bij de grensovergangspunten met het Verenigd Koninkrijk namen al toe voor het einde van de overgangsperiode. De crisis in verband met de COVID-19-pandemie heeft ook negatieve gevolgen gehad voor het wegvervoer, met een toename van het aantal lege ladingen, een tendens die nog zou kunnen worden versterkt indien er geen flexibiliteit is waardoor de wegvervoerders van het Verenigd Koninkrijk, zelfs in zeer beperkte mate, gedurende een strikt beperkte periode activiteiten binnen de Unie kunnen uitvoeren. Zulke verstoringen kunnen leiden tot situaties met een negatieve impact op kritieke toeleveringsketens die noodzakelijk worden geacht om de huidige COVID-19-pandemie te beheersen. Om de omvang van dergelijke verstoringen te beperken, moeten wegvervoerders van het Verenigd Koninkrijk tijdelijk een beperkt aantal aanvullende activiteiten op het grondgebied van de Unie kunnen uitvoeren in het kader van activiteiten tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie. Hun voertuigen zouden dan niet onmiddellijk naar het Verenigd Koninkrijk hoeven terug te keren en het is minder waarschijnlijk dat zij bij hun terugkeer naar het Verenigd Koninkrijk leeg zouden zijn, waardoor het totale aantal voertuigen en daarmee de druk aan de grensovergangspunten zou afnemen. Het recht om dergelijke extra handelingen te verrichten, moet evenredig zijn, mag niet hetzelfde niveau van rechten hebben als de rechten die de wegvervoerders in de Unie krachtens de regels van de interne markt genieten en moet geleidelijk aan worden uitgefaseerd.

(9)

Grensoverschrijdende touringcar- en autobusdiensten tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland zijn van bijzonder belang voor de gemeenschappen die in de grensregio's wonen, omdat zij basisconnectiviteit tussen gemeenschappen waarborgen, onder meer in het kader van het gemeenschappelijk reisgebied. Daarom moet exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk verder worden toegestaan om in de grensregio van Ierland passagiers op te nemen en af te zetten in het kader van internationaal personenvervoer per touringcar en autobus tussen Ierland en Noord-Ierland.

(10)

Om het tijdelijke karakter ervan weer te geven en geen precedent te scheppen, moet de reeks maatregelen waarin deze verordening voorziet, voor een korte periode gelden. Wat het goederenvervoer over de weg betreft, is die korte periode bedoeld om mogelijke regelingen voor basisconnectiviteit in het ECMV-systeem mogelijk te maken en geldt zij onverminderd de inwerkingtreding van een toekomstige overeenkomst inzake goederenvervoer over de weg tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk en toekomstige Unieregels inzake vervoer. Wat het personenvervoer per autobus en touringcar betreft, is die korte periode bedoeld om het Protocol bij de Interbus-overeenkomst betreffende geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van geregeld internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen in werking te kunnen laten treden en op het Verenigd Koninkrijk van toepassing te laten zijn, hetzij door de bekrachtiging van, hetzij door de toetreding tot dat protocol door het Verenigd Koninkrijk, en geldt zij onverminderd een eventuele toekomstige overeenkomst over die aangelegenheid tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk.

(11)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het vastleggen van voorlopige maatregelen inzake goederen- en personenvervoer over de weg tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk wanneer een akkoord over hun toekomstige betrekkingen op het gebied van vervoer over de weg ontbreekt op het einde van de overgangsperiode, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(12)

In het licht van de hoogdringendheid die voortvloeit uit het einde van de bovenvermelde overgangsperiode, wordt het passend geacht een uitzondering te maken op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(13)

Deze verordening moet met spoed in werking treden en moet van toepassing zijn vanaf de dag na het einde van de overgangsperiode die is vastgesteld in het terugtrekkingsakkoord, tenzij een met het Verenigd Koninkrijk gesloten overeenkomst inzake wegvervoer in werking is getreden of, in voorkomend geval, voorlopig wordt toegepast op die datum. Deze verordening houdt op van toepassing te zijn tot de dag voor de inwerkingtreding of tot de dag voor de voorlopige toepassing van een internationale overeenkomst inzake wegvervoer tussen beide partijen. Met uitzondering van de specifieke bepalingen die in de grensregio van Ierland van toepassing zijn in het kader van geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van geregeld internationaal vervoer tussen Ierland en Noord-Ierland, moet het recht om geregeld vervoer en bijzondere vormen van geregeld vervoer met touringcars en autobussen te verrichten ophouden van toepassing te zijn op de datum waarop het Protocol bij de Interbus-overeenkomst betreffende geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van geregeld internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen in werking treedt voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk. Deze verordening moet in ieder geval ophouden van toepassing te zijn op 30 juni 2021.

(14)

Wanneer dat nodig is om tegemoet te komen aan de behoeften van de markt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om de gelijkwaardigheid te herstellen van de rechten die door de Unie zijn toegekend aan wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk en aan exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk, ook wanneer de door het Verenigd Koninkrijk toegekende rechten worden toegekend op grond van de lidstaat van herkomst of anderszins niet in gelijke mate voor alle exploitanten uit de Unie beschikbaar zijn, en teneinde gevallen van oneerlijke concurrentie die ten koste gaan van wegvervoerders uit de Unie en exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie te verhelpen.

(15)

Deze gedelegeerde handelingen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, en de voorwaarden moeten derhalve in verhouding staan tot de problemen die rijzen door het feit dat er geen gelijkwaardige rechten worden toegekend of door oneerlijke mededingingsvoorwaarden. De opschorting van de toepassing van deze verordening mag door de Commissie alleen worden overwogen in de ernstigste gevallen, waarin geen gelijkwaardige rechten worden toegekend aan wegvervoerders uit de Unie of aan exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie, of als de aldus toegekende rechten minimaal zijn of als de voorwaarden voor mededinging voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk of voor exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk zo sterk verschillen van die voor exploitanten uit de Unie dat het verlenen van de betrokken diensten economisch niet haalbaar is voor exploitanten uit de Unie.

(16)

Bij de vaststelling van die gedelegeerde handelingen is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (8). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. De Commissie moet waarborgen dat dergelijke vastgestelde gedelegeerde handelingen de goede werking van de interne markt niet onnodig verstoren.

(17)

Om te waarborgen dat de door het Verenigd Koninkrijk aan wegvervoerders uit de Unie en exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie toegekende rechten die gelijkwaardig zijn aan de bij deze verordening aan wegvervoerders en exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk toegekende rechten, in gelijke mate voor alle exploitanten uit de Unie beschikbaar zijn, moet het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 en (EG) nr. 1073/2009 tijdelijk worden uitgebreid. Die verordeningen bestrijken reeds het deel van een traject tussen een lidstaat en een derde land op het grondgebied van alle in doorvoer gepasseerde lidstaten. In dergelijke gevallen moet er echter worden voor gezorgd dat Verordening (EG) nr. 1072/2009 ook van toepassing is op het deel van het traject op het grondgebied van de lidstaat waar goederen worden geladen of gelost, en dat Verordening (EG) nr. 1073/2009 van toepassing is op het deel van het traject op het grondgebied van de lidstaat waar passagiers in- of uitstappen. Een dergelijke uitbreiding heeft tot doel ervoor te zorgen dat exploitanten uit de Unie derdelandenvervoer naar of vanuit het Verenigd Koninkrijk kunnen verrichten, en bij het verrichten van personenvervoer extra stopplaatsen kunnen inlassen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Bij deze verordening worden tijdelijke maatregelen vastgesteld voor het goederenvervoer over de weg en voor geregeld vervoer en bijzondere vormen van geregeld vervoer van personen per touringcar en autobus tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk na het einde van de in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bedoelde overgangsperiode.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

“voertuig”:

a)

met betrekking tot goederenvervoer, een in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd motorvoertuig of een samenstel van voertuigen waarvan ten minste het motorvoertuig in het Verenigd Koninkrijk is geregistreerd, dat uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van goederen en dat ofwel eigendom is van de onderneming, ofwel door haar op krediet is gekocht ofwel door haar is gehuurd, in het laatste geval mits zij voldoet aan de voorwaarden van Richtlijn 2006/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (9);

b)

met betrekking tot personenvervoer, een autobus of touringcar;

2.

“geautoriseerd goederenvervoer”:

a)

een rit met lading van een voertuig van het grondgebied van de Unie naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk of andersom, met of zonder doorvoer via een of meer lidstaten of derde landen;

b)

na een rit met lading van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk naar het grondgebied van de Unie, als bedoeld onder a) van dit punt, het binnen zeven dagen na de lossing op het grondgebied van de Unie verrichten van maximaal twee extra laad- en losverrichtingen op het grondgebied van de Unie gedurende een periode van twee maanden vanaf de eerste dag van toepassing van deze verordening, als bedoeld in artikel 12, lid 2, eerste alinea, en één verrichting binnen zeven dagen na de lossing op het grondgebied van de Unie, gedurende de daaropvolgende drie maanden;

c)

een rit met lading van een voertuig van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, via het grondgebied van de Unie;

d)

een lege rit in verband met het onder a) en c) bedoelde vervoer;

3.

“geautoriseerd personenvervoer per touringcar en autobus”:

a)

een rit van een autobus of touringcar voor het vervoer van personen van het grondgebied van de Unie naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk of andersom, met of zonder doorvoer via een of meer lidstaten of derde landen;

b)

een rit van een autobus of touringcar voor het vervoer van personen van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, via het grondgebied van de Unie;

c)

een rit zonder passagiers in verband met het onder a) en b) bedoelde vervoer;

d)

het opnemen en afzetten van passagiers in de grensregio van Ierland tijdens geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van geregeld internationaal vervoer tussen Ierland en Noord-Ierland;

4.

“grensregio van Ierland”: de graafschappen van Ierland die grenzen aan de landgrens tussen Ierland enNoord-Ierland;

5.

“wegvervoerder uit de Unie”: een onderneming die actief is in het goederenvervoer over de weg en in het bezit is van een geldige communautaire vergunning overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1072/2009;

6.

“wegvervoerder uit het Verenigd Koninkrijk”: een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming die goederenvervoer over de weg mag verrichten en in het bezit is van een geldige vergunning voor internationaal vervoer van goederen met betrekking tot geautoriseerd goederenvervoer;

7.

“vergunning van het Verenigd Koninkrijk”: wanneer deze wordt afgegeven aan een wegvervoerder uit het Verenigd Koninkrijk een door het Verenigd Koninkrijk afgegeven vergunning ten behoeve van internationaal vervoer met betrekking tot geautoriseerd goederenvervoer, en wanneer deze wordt afgegeven aan een exploitant van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk een door het Verenigd Koninkrijk afgegeven vergunning ten behoeve van internationaal vervoer met betrekking tot geautoriseerd vervoer van personen per touringcar en autobus;

8.

“autobus of touringcar”: een in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd voertuig dat, vanwege zijn constructie en uitrusting, geschikt en bestemd is voor het vervoer van meer dan negen passagiers, met inbegrip van de bestuurder;

9.

“geregeld vervoer”: vervoer van personen met een bepaalde regelmaat en langs een bepaalde reisweg, waarbij op vooraf vastgestelde stopplaatsen reizigers worden opgenomen of afgezet;

10.

“bijzondere vormen van geregeld vervoer”: geregeld vervoer, ongeacht door wie het wordt georganiseerd, van bepaalde categorieën reizigers, met uitsluiting van andere reizigers;

11.

“exploitant van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie”: een onderneming die actief is in het personenvervoer met touringcars en autobussen en die in het bezit is van een geldige communautaire vergunning in overeenstemming met artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1073/2009;

12.

“exploitant van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk”: een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming die personenvervoer met touringcars en autobussen mag verrichten en in het bezit is van een geldige vergunning voor internationaal vervoer met betrekking tot geautoriseerd personenvervoer met touringcars en autobussen;

13.

“exploitant”: ofwel een wegvervoerder, ofwel een exploitant van touringcar- en autobusdiensten;

14.

“mededingingsrecht”: eender welk recht dat tot doel heeft de volgende gedragingen aan te pakken voor zover die wegvervoersdiensten of touringcar- en autobusdiensten ongunstig kunnen beïnvloeden:

a)

gedragingen die bestaan in:

i)

overeenkomsten tussen respectievelijk wegvervoerders of exploitanten van touringcar- en busdiensten, besluiten van verenigingen van wegvervoerders of van exploitanten van touringcar- en busdiensten, en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of verstoord;

ii)

misbruik van een machtspositie door een of meer wegvervoerders of exploitanten van touringcar- en autobusdiensten;

iii)

maatregelen die het Verenigd Koninkrijk neemt of handhaaft met betrekking tot overheidsbedrijven en ondernemingen waaraan het bijzondere of uitsluitende rechten verleent en die in strijd zijn met punt i) of ii);

b)

concentraties tussen respectievelijk wegvervoerders of exploitanten van touringcar- of autobusdiensten, die de daadwerkelijke mededinging op significante wijze belemmeren, met name als gevolg van het creëren of versterken van een machtspositie;

15.

“subsidie”: alle door de regering of door een andere overheidsinstantie aan een exploitant verleende financiële bijdragen waarmee een voordeel wordt verleend, met inbegrip van:

a)

de directe overdracht van middelen, zoals subsidies, leningen of kapitaalinbreng, de mogelijke rechtstreekse overdracht van middelen en het overnemen van verplichtingen, zoals leninggaranties, kapitaalinjecties, eigendom, bescherming tegen faillissement of verzekering;

b)

de derving of niet-inning van inkomsten die normaal gesproken de overheid toekomen;

c)

de levering van andere goederen of diensten dan algemene infrastructuur, of de inkoop van goederen of diensten;

d)

het verrichten van betalingen aan een financieringsmechanisme of het feit dat een particuliere instantie wordt belast met of de uitvoering krijgt opgedragen van een of meer onder a), b) en c) vermelde functies die de regering of een andere overheidsinstantie normaal gesproken zelf zou vervullen en die in werkelijkheid niet afwijken van praktijken die overheidsinstanties plegen te volgen.

Met een financiële bijdrage van een regering of een andere overheidsinstantie wordt geacht geen voordeel te zijn verleend indien een particuliere marktdeelnemer die zich uitsluitend door winstgevenheidsvooruitzichten laat leiden, in dezelfde situatie als de betrokken overheidsinstantie, dezelfde financiële bijdrage had verstrekt;

16.

“onafhankelijke mededingingsautoriteit”: een autoriteit belast met de toepassing en handhaving van het mededingingsrecht en het toezicht op subsidies, en die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de autoriteit is operationeel onafhankelijk en is afdoende uitgerust met de middelen die nodig zijn om haar taken uit te voeren;

b)

bij de vervulling van haar taken en de uitoefening van haar bevoegdheden beschikt de autoriteit over de nodige garanties voor haar onafhankelijkheid van politieke of andere externe beïnvloeding en treedt zij onpartijdig op;

c)

de besluiten van de autoriteit zijn aan rechterlijke toetsing onderworpen;

17.

“discriminatie”: een onderscheid zonder objectieve rechtvaardiging ten aanzien van de levering van goederen of diensten, met inbegrip van openbare diensten, die worden gebruikt voor wegvervoersdiensten of touringcar- en autobusdiensten, of ten aanzien van de behandeling daarvan door overheidsinstanties die relevant zijn voor dergelijke diensten;

18.

“grondgebied van de Unie”: het grondgebied van de lidstaten waarop het VEU en het VWEU van toepassing zijn op de in die Verdragen neergelegde voorwaarden.

Artikel 3

Het recht om geautoriseerd goederenvervoer te verrichten

1.   Wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk mogen, op de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, geautoriseerd goederenvervoer verrichten.

2.   De volgende soorten geautoriseerd vervoer mogen worden verricht door in het Verenigd Koninkrijk gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen, zonder dat een vergunning van het Verenigd Koninkrijk is vereist:

a)

postvervoer, als universele dienst;

b)

vervoer van beschadigde of onklare voertuigen;

c)

goederenvervoer met motorvoertuigen waarvan de toegestane massa in beladen toestand, met inbegrip van die van de aanhangwagen(s), niet meer dan 3,5 ton bedraagt;

d)

vervoer van geneesmiddelen, medische apparaten en uitrusting, alsmede van andere artikelen die nodig zijn voor eerstehulpverlening, met name in het geval van natuurrampen;

e)

goederenvervoer mits:

i)

de vervoerde goederen eigendom zijn van de onderneming of door haar zijn verkocht of gekocht, verhuurd of gehuurd, geproduceerd, gedolven, bewerkt of hersteld;

ii)

het doel van het vervoer is de goederen naar de onderneming te brengen of deze vanuit de onderneming te verzenden, ofwel deze te verplaatsen binnen of buiten de onderneming voor haar eigen behoeften;

iii)

de voor dat vervoer gebruikte motorvoertuigen worden bestuurd door personeel dat in dienst is of ter beschikking gesteld is van de onderneming krachtens een contractuele verplichting;

iv)

de voertuigen die de goederen vervoeren, eigendom zijn van de onderneming, door haar op krediet zijn gekocht of door haar zijn gehuurd, in het laatste geval mits zij voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2006/1/EG, en

v)

dat vervoer slechts een secundaire bedrijvigheid is in het kader van de algemene werkzaamheden van de onderneming.

Artikel 4

Het recht om geregeld vervoer en bijzondere vormen van geregeld vervoer met touringcars en autobussen te verrichten

1.   Exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk mogen, op de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, geautoriseerd vervoer van personen per touringcar en autobus verrichten in de vorm van geregeld touringcar- en autobusvervoer en bijzondere vormen van geregeld touringcar- en autobusvervoer.

2.   Exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk moeten in het bezit zijn van een vergunning die vóór de datum van toepassing van deze verordening overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11 van Verordening (EG) nr. 1073/2009 is afgegeven om voor rekening van derden of voor eigen rekening geregeld touringcar- en autobusvervoer en bijzondere vormen van geregeld touringcar- en autobusvervoer te verrichten.

3.   Vergunningen die overeenkomstig lid 2 van dit artikel geldig blijven, kunnen, als zij onder dezelfde algemene voorwaarden zijn vernieuwd of als zij zijn gewijzigd met betrekking tot haltes, tarieven of dienstregeling en met inachtneming van de voorschriften en procedures die zijn opgenomen in de artikelen 6 tot en met 11 van Verordening (EG) nr. 1073/2009, uiterlijk tot en met 30 juni 2021 verder worden gebruikt voor de in lid 1 van dit artikel genoemde doelstellingen.

4.   In het Verenigd Koninkrijk gevestigde natuurlijke of rechtspersonen mogen geautoriseerd vervoer van personen per touringcar en autobus verrichten voor niet-commerciële en niet-lucratieve doeleinden zonder over een vergunning van het Verenigd Koninkrijk te beschikken, op voorwaarde dat:

a)

de vervoersactiviteit slechts een bijkomende activiteit vormt voor die natuurlijke of rechtspersoon, en

b)

de gebruikte voertuigen eigendom van die natuurlijke of rechtspersoon zijn of door hem op afbetaling zijn aangekocht dan wel dat daarvoor een leasingovereenkomst op lange termijn is afgesloten, en zij worden bestuurd door een personeelslid van de natuurlijke of rechtspersoon of door de natuurlijke persoon zelf of door personeel dat in dienst is van de onderneming of krachtens een contractuele verbintenis ter beschikking van de onderneming is gesteld.

Die vervoersactiviteiten zijn vrijgesteld van eender welke vergunningenregeling binnen de Unie, op voorwaarde dat de persoon die de activiteit verricht in het bezit is van een nationale vergunning die vóór de eerste dag van toepassing van deze verordening als bedoeld in artikel 12, lid 2, eerste alinea, van deze verordening is afgegeven overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1073/2009.

5.   De omstandigheid dat het vervoer over een deel van het traject met een ander vervoermiddel geschiedt of dat tijdens het vervoer van voertuig wordt gewisseld, laat de toepassing van deze verordening onverlet.

Artikel 5

Bilaterale overeenkomsten of regelingen

De lidstaten onderhandelen niet over, en zij sluiten geen bilaterale overeenkomsten of regelingen met het Verenigd Koninkrijk over kwesties die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

Onverminderd bestaande multilaterale regelingen verlenen zij aan wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk of aan exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk geen andere rechten dan die welke in deze verordening zijn toegekend.

Artikel 6

Sociale en technische voorschriften

Bij geautoriseerd vervoer van goederen of van personen per touringcar of autobus overeenkomstig deze verordening, wordt aan de volgende voorschriften voldaan:

a)

ten aanzien van mobiele werknemers en zelfstandige bestuurders: de door de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) vastgestelde voorwaarden;

b)

ten aanzien van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer: de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad (11);

c)

ten aanzien van tachografen in het wegvervoer: de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12);

d)

ten aanzien van de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders: de door de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) vastgestelde voorwaarden;

e)

ten aanzien van de maximaal toegestane afmetingen en gewichten van bepaalde wegvoertuigen: de door de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 96/53/EG van de Raad (14) vastgestelde voorwaarden;

f)

ten aanzien van de installatie en het gebruik van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen: de door de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 92/6/EEG van de Raad (15) vastgestelde voorwaarden;

g)

ten aanzien van het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen: de door de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 91/671/EEG van de Raad (16) vastgestelde voorwaarden;

h)

ten aanzien van de terbeschikkingstelling van werknemers: de door de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (17) vastgestelde voorwaarden;

i)

ten aanzien van passagiersrechten: de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad (18).

Artikel 7

Gelijkwaardigheid van rechten

1.   De Commissie ziet toe op de door het Verenigd Koninkrijk aan wegvervoerders uit de Unie en aan exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie toegekende rechten en op de voorwaarden voor de uitoefening daarvan.

2.   Wanneer de Commissie constateert dat de rechten die het Verenigd Koninkrijk aan wegvervoerders uit de Unie of aan exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie toekent rechtens of feitelijk niet gelijkwaardig zijn aan die welke op grond van deze verordening aan exploitanten uit het Verenigd Koninkrijk zijn toegekend, of wanneer die rechten niet in gelijke mate voor alle wegvervoerders uit de Unie of voor exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie beschikbaar zijn, stelt zij, om de gelijkwaardigheid te herstellen, zonder uitstel overeenkomstig artikel 11 gedelegeerde handelingen vast om:

a)

de toepassing van artikel 3 of van artikel 4, leden 1 tot en met 4, op te schorten indien er geen gelijkwaardige rechten worden toegekend aan exploitanten uit de Unie, of indien de toegekende rechten minimaal zijn;

b)

grenzen te stellen aan de toegestane capaciteit die beschikbaar is voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk of exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk, of aan het aantal ritten, of aan beide, of

c)

operationele beperkingen vast te stellen betreffende de soorten voertuigen of betreffende de voorwaarden voor deelname aan het verkeer.

Artikel 8

Eerlijke concurrentie

1.   De Commissie ziet toe op de voorwaarden waarop exploitanten uit de Unie concurreren met exploitanten uit het Verenigd Koninkrijk bij het verrichten van wegvervoersdiensten en van touringcar- en autobusdiensten die onder deze verordening vallen.

2.   Als de Commissie vaststelt dat, als gevolg van een van de in lid 3 van dit artikel bedoelde situaties, de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden merkbaar minder gunstig zijn dan die welke exploitanten uit het Verenigd Koninkrijk genieten, stelt zij zonder uitstel en om die situatie te verhelpen overeenkomstig artikel 11 gedelegeerde handelingen vast om:

a)

de toepassing van artikel 3 of van artikel 4, leden 1 tot en met 4, op te schorten indien de mededingingsvoorwaarden voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk of exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk zo sterk verschillen van de mededingingsvoorwaarden voor exploitanten uit de Unie dat de verlening van diensten door exploitanten uit de Unie economisch niet haalbaar is voor hen;

b)

grenzen te stellen aan de toegestane capaciteit die beschikbaar is voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk of exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk, of aan het aantal ritten, of aan beide, of

c)

operationele beperkingen vast te stellen betreffende de soorten voertuigen of betreffende de voorwaarden voor deelname aan het verkeer.

3.   De in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen worden onder de in dat lid gepreciseerde voorwaarden vastgesteld om de volgende situaties te verhelpen:

a)

de toekenning van subsidies door het Verenigd Koninkrijk;

b)

het feit dat het Verenigd Koninkrijk niet beschikt over mededingingsrecht of dat niet daadwerkelijk toepast;

c)

het feit dat het Verenigd Koninkrijk geen onafhankelijke mededingingsautoriteit opricht of in stand houdt;

d)

de toepassing door het Verenigd Koninkrijk van normen voor de bescherming van werknemers, de veiligheid, de beveiliging of het milieu die minder streng zijn dan die welke in het Unierecht zijn vastgesteld of, bij gebrek aan bepalingen ter zake in het Unierecht, dan de normen die alle lidstaten toepassen, of die hoe dan ook minder streng zijn dan de desbetreffende internationale normen;

e)

de toepassing door het Verenigd Koninkrijk van normen inzake de afgifte van vergunningen van het Verenigd Koninkrijk aan wegvervoerders of aan exploitanten van touringcar- en autobusdiensten die minder streng zijn dan die welke zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad (19);

f)

de toepassing door het Verenigd Koninkrijk van normen inzake de kwalificatie en opleiding van beroepschauffeurs die minder streng zijn dan die welke zijn vastgelegd in Richtlijn 2003/59/EG;

g)

de toepassing door het Verenigd Koninkrijk van voorschriften inzake tolheffing en belastingheffing die afwijken van de voorschriften die in Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad (20) zijn vastgesteld, en

h)

iedere vorm van discriminatie tegen exploitanten uit de Unie.

4.   Voor de toepassing van lid 1 kan de Commissie de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk of exploitanten uit het Verenigd Koninkrijk om inlichtingen verzoeken. Als die de verlangde inlichtingen niet binnen de door de Commissie gestelde redelijke termijn verschaffen, of als zij onvolledige inlichtingen verschaffen, kan de Commissie overeenkomstig lid 2 handelen.

Artikel 9

Uitbreiding van de Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 en (EG) nr. 1073/2009

1.   In het kader van goederenvervoer tussen het grondgebied van de Unie en het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk door een wegvervoerder uit de Unie die gebruikmaakt van door het Verenigd Koninkrijk toegekende rechten als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, die gelijkwaardig zijn aan die welke uit hoofde van deze verordening worden verleend, is Verordening (EG) nr. 1072/2009 van toepassing op het deel van het traject op het grondgebied van de lidstaat waar de goederen worden geladen of gelost.

2.   In het kader van personenvervoer tussen het grondgebied van de Unie en het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk door een exploitant van touringcar- en autobusdiensten uit de Unie die gebruikmaakt van door het Verenigd Koninkrijk toegekende rechten als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, die gelijkwaardig zijn aan die welke uit hoofde van deze verordening worden verleend, is Verordening (EG) nr. 1073/2009 van toepassing op het deel van het traject op het grondgebied van de lidstaat waar passagiers worden opgenomen of afgezet.

Artikel 10

Overleg en samenwerking

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten overleggen en werken samen met de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor zover nodig is om de uitvoering van deze verordening te waarborgen.

2.   De lidstaten verschaffen de Commissie op verzoek onverwijld alle in overeenstemming met lid 1 van dit artikel verkregen inlichtingen of alle andere inlichtingen die voor de uitvoering van de artikelen 7 en 8 van deze verordening relevant zijn.

Artikel 11

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 30 juni 2021.

2.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling op grond van artikel 7, lid 2, of artikel 8, lid 2, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

3.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing met ingang van de dag na die waarop het Unierecht ophoudt van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord.

Zij is evenwel niet van toepassing indien een tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk gesloten internationale overeenkomst inzake wegvervoer uiterlijk op die datum in werking is getreden of, in voorkomend geval, voorlopig wordt toegepast.

3.   Deze verordening is van toepassing tot de dag voor de inwerkingtreding of, in voorkomend geval, tot de dag voor de voorlopige toepassing van een tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk gesloten internationale overeenkomst inzake wegvervoer.

Met uitzondering van het in artikel 2, lid 3, onder d), bedoelde personenvervoer met touringcars en autobussen houden de bepalingen van deze verordening die van toepassing zijn op personenvervoer met touringcars en autobussen, op van toepassing te zijn op de datum van inwerkingtreding voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk van het Protocol bij de Interbus-overeenkomst betreffende het geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van geregeld internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen.

4.   Hoe dan ook houdt deze verordening uiterlijk op 30 juni 2021 op van toepassing te zijn.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 18 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 december 2020.

(2)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(3)  Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1).

(4)  Besluit (EU, Euratom) 2020/266 van de Raad van 25 februari 2020 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over een nieuwe partnerschapsovereenkomst (PB L 58 van 27.2.2020, blz. 53).

(5)  Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72).

(6)  Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 88).

(7)  PB L 321 van 26.11.2002, blz. 13.

(8)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(9)  Richtlijn 2006/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 82).

(10)  Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35).

(11)  Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1).

(13)  Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en Richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 76/914/EEG van de Raad (PB L 226 van 10.9.2003, blz. 4).

(14)  Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

(15)  Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB L 57 van 2.3.1992, blz. 27).

(16)  Richtlijn 91/671/EEG van de Raad van 16 december 1991 betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen (PB L 373 van 31.12.1991, blz. 26).

(17)  Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 1).

(19)  Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).

(20)  Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (PB L 187 van 20.7.1999, blz. 42).


28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/86


VERORDENING (EU) 2020/2225 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

betreffende gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het luchtvervoer na het einde van de overgangsperiode waarin het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voorziet

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2) (het “terugtrekkingsakkoord”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2020/135 (3) van de Raad en is op 1 februari 2020 in werking getreden. De in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bepaalde overgangsperiode (de “overgangsperiode”), tijdens dewelke het Unierecht van toepassing blijft op en in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (het Verenigd Koninkrijk) overeenkomstig artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord, loopt af op 31 december 2020. Op 25 februari 2020 heeft de Raad Besluit (EU, Euratom) 2020/266 (4) vastgesteld, waarbij machtiging werd verleend tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over een nieuwe partnerschapsovereenkomst. Zoals uit de onderhandelingsrichtsnoeren blijkt, bestrijkt de machtiging onder meer de elementen die nodig zijn om de luchtvaartbetrekkingen met het Verenigd Koninkrijk na het einde van de overgangsperiode alomvattend te regelen. Het is echter onzeker of tegen het einde van de overgangsperiode een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk in werking zal zijn getreden die hun toekomstige betrekkingen op dit gebied regelt.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5) worden de voorwaarden vastgesteld voor de toekenning van de exploitatievergunning van de Unie aan luchtvaartmaatschappijen en wordt de vrijheid vastgesteld om luchtdiensten binnen de EU te verrichten.

(3)

Aan het eind van de overgangsperiode en bij gebreke van bijzondere voorschriften zal, wat de verhoudingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de lidstaten betreft, een eind komen aan alle rechten en verplichtingen die uit het Unierecht voortvloeien ten aanzien van markttoegang, zoals vastgesteld door Verordening (EG) nr. 1008/2008.

(4)

Bijgevolg moet een tijdelijk stel maatregelen worden vastgesteld waardoor luchtvaartmaatschappijen met een vergunning uit het Verenigd Koninkrijk luchtvervoerdiensten tussen het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en het grondgebied van de lidstaten kunnen blijven verrichten. Om een passend evenwicht tussen het Verenigd Koninkrijk en de lidstaten te garanderen, moeten de aldus verleende rechten afhankelijk worden gesteld van de toekenning van gelijkwaardige rechten door het Verenigd Koninkrijk aan luchtvaartmaatschappijen die in de Unie over een vergunning beschikken, en moeten zij worden onderworpen aan bepaalde voorwaarden die eerlijke concurrentie waarborgen.

(5)

De crisis als gevolg van de COVID-19-pandemie brengt aanzienlijke logistieke uitdagingen voor de lidstaten met zich mee, met name wat betreft de capaciteit om aanzienlijke hoeveelheden geneesmiddelen, vaccins en medische uitrusting op korte termijn en onder bijzonder veeleisende opslag- en logistieke omstandigheden naar en van derde landen te vervoeren. Er moet voor worden gezorgd dat er voldoende luchtvervoerscapaciteit beschikbaar wordt gesteld en dat de lidstaten daartoe extra uitzonderlijke flexibiliteit krijgen, met inbegrip van de mogelijkheid om een beroep te doen op luchtvaartuigen uit derde landen. Daarom moeten aanvullende elementen van verkeersrechten van de vijfde vrijheid voor vrachtvervoer, die strikt beperkt blijven tot het uitvoeren van dergelijke activiteiten op ad-hocbasis, worden toegestaan, zodat in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden gebruik kan worden gemaakt van luchtvaartmaatschappijen van het Verenigd Koninkrijk. De lidstaten moeten ook aanvullende rechten voor het verrichten van luchtambulancediensten kunnen toestaan.

(6)

Om het tijdelijke karakter ervan tot uiting te brengen, moet deze verordening van toepassing zijn tot en met 30 juni 2021, dan wel tot de inwerkingtreding of, indien overeengekomen, de voorlopige toepassing, van een toekomstige overeenkomst die het verrichten van luchtvervoerdiensten met het Verenigd Koninkrijk regelt en waarbij de Unie partij is, waarover de Commissie overeenkomstig artikel 218 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) heeft onderhandeld, als dat eerder is.

(7)

Teneinde voor beide partijen gunstige niveaus van connectiviteit te behouden, moet zowel ten aanzien van luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk als ten aanzien van luchtvaartmaatschappijen uit de Unie worden voorzien in samenwerkingsregelingen op marketinggebied, in overeenstemming met het wederkerigheidsbeginsel.

(8)

Met het oog op de buitengewone en unieke omstandigheden waardoor het noodzakelijk is deze verordening vast te stellen en overeenkomstig de Verdragen is het passend dat de Unie tijdelijk de relevante gedeelde bevoegdheid uitoefent die haar bij de Verdragen is toegedeeld. De duur van de eventuele gevolgen van deze verordening voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten moet echter strikt beperkt zijn. De door de Unie uitgeoefende bevoegdheid mag derhalve alleen worden uitgeoefend tijdens de toepassingsperiode van deze verordening. Dientengevolge zal de uitoefening door de Unie van de aldus uitgeoefende gedeelde bevoegdheid ophouden zodra deze verordening ophoudt van toepassing te zijn. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, VWEU zullen de lidstaten zich dus vanaf dat moment in dezelfde situatie bevinden wat betreft de uitoefening van hun bevoegdheid als zij zouden zijn geweest indien deze verordening niet was vastgesteld. Voorts zij eraan herinnerd dat, zoals bepaald in het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU gehechte Protocol nr. 25 betreffende de uitoefening van de gedeelde bevoegdheden, de uitoefening van bevoegdheden door de Unie in deze verordening enkel betrekking heeft op de door deze verordening geregelde materie en niet op het gehele gebied. De respectieve bevoegdheden van de Unie en van de lidstaten met betrekking tot het sluiten van internationale overeenkomsten op het gebied van luchtvervoer moeten worden vastgesteld in overeenstemming met de Verdragen en met inachtneming van het relevante Unierecht, met inbegrip van Besluit (EU, Euratom) 2020/266 waarbij machtiging werd verleend tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk.

(9)

Deze verordening mag de lidstaten niet beletten vergunningen af te geven voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten door luchtvaartmaatschappijen uit de Unie in het kader van de uitoefening van de hun door het Verenigd Koninkrijk verleende rechten, op dezelfde manier als in situaties die zich voordoen in het kader van internationale overeenkomsten. Met betrekking tot die vergunningen mogen de lidstaten geen onderscheid maken tussen luchtvaartmaatschappijen uit de Unie.

(10)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend wat betreft de vaststelling van maatregelen om een eerlijke mate van wederkerigheid te garanderen tussen de rechten die de Unie en het Verenigd Koninkrijk eenzijdig toekennen aan elkaars luchtvaartmaatschappijen, en om te garanderen dat luchtvaartmaatschappijen uit de Unie eerlijk met luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk kunnen concurreren bij het verrichten van luchtdiensten. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6). Gezien de potentiële gevolgen ervan voor de connectiviteit in het luchtvervoer van de lidstaten, moet bij de vaststelling van die maatregelen de onderzoeksprocedure worden toegepast. De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen wanneer dat, in naar behoren gemotiveerde gevallen, om dwingende urgente redenen nodig is. Deze naar behoren gerechtvaardigde gevallen kunnen betrekking hebben op gevallen waarin het Verenigd Koninkrijk nalaat gelijkwaardige rechten toe te kennen aan luchtvaartmaatschappijen uit de Unie en daardoor een duidelijke onevenwichtigheid veroorzaakt of waarin de economische levensvatbaarheid van luchtvaartmaatschappijen uit de Unie in gevaar wordt gebracht door minder gunstige mededingingsvoorwaarden dan de mededingingsvoorwaarden die luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk genieten bij het verrichten van luchtvervoerdiensten die onder deze verordening vallen.

(11)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het vaststellen van voorlopige maatregelen om het luchtvervoer tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk te regelen in geval er geen akkoord komt over de toekomstige luchtvaartbetrekkingen na het verstrijken van de overgangsperiode, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de effecten ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VWEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(12)

In het licht van de hoogdringendheid die voortvloeit uit het aflopen van de overgangsperiode, werd het passend geacht een uitzondering te maken op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, aan het VWEU en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(13)

Gibraltar valt niet binnen de territoriale werkingssfeer van deze verordening en de hierin vervatte verwijzingen naar het Verenigd Koninkrijk hebben geen betrekking op Gibraltar.

(14)

Deze verordening laat de rechtsopvatting van het Koninkrijk Spanje betreffende de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven van Gibraltar gelegen is, onverlet.

(15)

De bepalingen van deze verordening moeten met spoed in werking treden en in beginsel van toepassing zijn vanaf de dag na het einde van de overgangsperiode, tenzij uiterlijk op die datum een akkoord over de toekomstige luchtvaartbetrekkingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk in werking is getreden of, in voorkomend geval, voorlopig van toepassing is. Om evenwel de nodige administratieve procedures zo snel mogelijk te kunnen voeren, moeten sommige bepalingen van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

In deze verordening wordt een tijdelijk stel maatregelen vastgesteld die het luchtvervoer tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk regelen na het verstrijken van de overgangsperiode die is bepaald in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord.

Artikel 2

Bevoegdheidsuitoefening

1.   De uitoefening van de bevoegdheid van de Unie op grond van deze verordening is beperkt tot de toepassingsperiode van deze verordening zoals bepaald in artikel 15, lid 4. Nadat die periode is afgelopen, houdt de Unie onmiddellijk op die bevoegdheid op grond van deze verordening uit te oefenen en bevinden de lidstaten zich in dezelfde situatie wat betreft de uitoefening van hun bevoegdheid overeenkomstig artikel 2, lid 2, VWEU, als ze zouden zijn geweest indien deze verordening niet was vastgesteld.

2.   De uitoefening van de bevoegdheid van de Unie op grond van deze verordening laat de bevoegdheid van de lidstaten inzake verkeersrechten onverlet bij eventuele lopende of toekomstige onderhandelingen over en ondertekening of sluiting van internationale overeenkomsten met betrekking tot luchtdiensten met elk ander derde land, en met het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de periode nadat deze verordening is opgehouden van toepassing te zijn.

3.   De bevoegdheidsuitoefening door de Unie als bedoeld in lid 1 heeft enkel betrekking op de door deze verordening geregelde materie.

4.   Deze verordening laat de respectieve bevoegdheden van de Unie en van de lidstaten op het gebied van luchtvervoer met betrekking tot andere materie dan de door deze verordening geregelde materie onverlet. Deze verordening laat ook Besluit (EU, Euratom) 2020/266 onverlet, waarbij machtiging werd verleend tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk voor een nieuwe partnerschapsovereenkomst.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“luchtvervoer”: het afzonderlijke of gecombineerde vervoer per luchtvaartuig van passagiers, bagage, vracht en post, dat tegen vergoeding of betaling van huur aan het publiek wordt aangeboden en dat geregelde en niet-geregelde luchtdiensten omvat;

2)

“internationaal luchtvervoer”: luchtvervoer door het luchtruim boven het grondgebied van meer dan één staat;

3)

“luchtvaartmaatschappij uit de Unie”: een luchtvaartmaatschappij met een geldige, door een bevoegde vergunningverlenende autoriteit overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EG) nr. 1008/2008 afgegeven exploitatievergunning;

4)

“luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk”: een luchtvaartmaatschappij die:

a)

haar hoofdvestiging in het Verenigd Koninkrijk heeft, en

b)

aan een van de volgende twee voorwaarden voldoet:

i)

het Verenigd Koninkrijk en/of ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk zijn voor meer dan 50 % eigenaar van de onderneming en oefenen daarover daadwerkelijke zeggenschap uit, hetzij direct, hetzij indirect via een of meer tussenbedrijven, of

ii)

lidstaten van de Unie en/of ingezetenen van lidstaten van de Unie en/of andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en/of ingezetenen van die staten, zijn, in enigerlei combinatie, alleen of samen met het Verenigd Koninkrijk en/of ingezetenen van het Verenigd Koninkrijk, voor meer dan 50 % eigenaar van de onderneming en oefenen daarover daadwerkelijke zeggenschap uit, hetzij direct, hetzij via een of meer tussenbedrijven;

c)

in het onder b), ii), bedoelde geval: in het bezit was van een geldige exploitatievergunning overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1008/2008 op de dag vóór de in artikel 15, lid 2, eerste alinea, bedoelde eerste dag van toepassing van deze verordening;

5)

“daadwerkelijke zeggenschap”: een relatie gebaseerd op rechten, overeenkomsten of andere middelen die, afzonderlijk of samen en gelet op de desbetreffende feitelijke of juridische omstandigheden, de mogelijkheid bieden om direct of indirect een beslissende invloed uit te oefenen op een onderneming, meer bepaald via:

a)

het recht om alle of een gedeelte van de activa van een onderneming te gebruiken;

b)

rechten of overeenkomsten waardoor een beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de organen van een onderneming of waardoor anderszins een beslissende invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering van de onderneming;

6)

“mededingingsrecht”: het recht dat tot doel heeft de volgende gedragingen te voorkomen, voor zover die luchtvervoerdiensten ongunstig kunnen beïnvloeden:

a)

gedragingen die bestaan in:

i)

overeenkomsten tussen luchtvaartmaatschappijen, besluiten van verenigingen van luchtvaartmaatschappijen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;

ii)

misbruik van een machtspositie door een of meer luchtvaartmaatschappijen;

iii)

maatregelen die het Verenigd Koninkrijk neemt of handhaaft met betrekking tot overheidsbedrijven en ondernemingen waaraan het bijzondere of uitsluitende rechten verleent en die in strijd zijn met punt i) of ii);

b)

concentraties tussen luchtvaartmaatschappijen die de daadwerkelijke mededinging op significante wijze zouden belemmeren, met name als gevolg van het in het leven roepen of versterken van een machtspositie;

7)

“subsidie”: alle door de overheid of door een ander publiekrechtelijk lichaam aan een luchtvaartmaatschappij verleende financiële bijdragen waarmee een voordeel wordt verleend, en met inbegrip van:

a)

de directe overdracht van middelen, zoals subsidies, leningen of kapitaalinbreng, de mogelijke rechtstreekse overdracht van middelen, of het overnemen van verplichtingen, zoals leninggaranties, kapitaalinjecties, eigendom, bescherming tegen faillissement of verzekering;

b)

de derving of niet-inning van inkomsten die normaal gesproken de overheid toekomen;

c)

de levering van andere goederen en diensten dan algemene infrastructuur, of de inkoop van goederen of diensten;

d)

het doen van betalingen aan een financieringsmechanisme of het feit dat een particuliere instantie wordt belast met of de uitvoering krijgt opgedragen van een of meer van de onder a), b) en c) vermelde functies die de overheid of een ander publiekrechtelijk lichaam normaal gesproken zelf zou vervullen en die in werkelijkheid niet afwijken van praktijken die overheden plegen te volgen.

Met een financiële bijdrage van een overheid of een ander publiekrechtelijk lichaam wordt niet geacht een voordeel te zijn verleend indien een particuliere marktdeelnemer die zich uitsluitend door winstgevendheidsvooruitzichten laat leiden, in dezelfde situatie als het betrokken publiekrechtelijk lichaam, dezelfde financiële bijdrage had verstrekt;

8)

“onafhankelijke mededingingsautoriteit”: een autoriteit belast met de toepassing en handhaving van het mededingingsrecht en het toezicht op subsidies, en die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de autoriteit is operationeel onafhankelijk en is afdoende uitgerust met de middelen die nodig zijn om haar taken uit te voeren;

b)

bij de vervulling van haar taken en de uitoefening van haar bevoegdheden beschikt de autoriteit over de nodige garanties voor haar onafhankelijkheid van politieke of andere externe beïnvloeding en treedt zij onpartijdig op, en

c)

de besluiten van de autoriteit zijn aan rechterlijke toetsing onderworpen;

9)

“discriminatie”: een onderscheid zonder objectieve rechtvaardiging ten aanzien van de levering van goederen of diensten, met inbegrip van openbare diensten, die worden gebruikt voor luchtvervoerdiensten, of ten aanzien van de behandeling daarvan door overheidsinstanties die relevant zijn voor dergelijke diensten;

10)

“geregelde luchtdienst”: een reeks vluchten die elk de volgende kenmerken bezitten:

a)

voor elke vlucht kunnen door het publiek individueel plaatsen en/of vervoerscapaciteit voor vracht en/of post worden gekocht (rechtstreeks bij de luchtvaartmaatschappij of via haar erkende agenten);

b)

zij worden uitgevoerd om het verkeer tussen dezelfde twee of meer luchthavens te verzorgen:

i)

hetzij volgens een gepubliceerde dienstregeling;

ii)

hetzij met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij duidelijk een systematische reeks vormen;

11)

“niet-geregelde luchtdienst”: een commerciële luchtdienst die anders dan als een geregelde luchtdienst wordt uitgevoerd;

12)

“grondgebied van de Unie”: het landgebied, de maritieme binnenwateren en de territoriale zee van de lidstaten waarop het VEU en het VWEU van toepassing zijn onder de voorwaarden die in die Verdragen zijn neergelegd, en het bovenliggende luchtruim;

13)

“grondgebied van het Verenigd Koninkrijk”: het landgebied, de maritieme binnenwateren en de territoriale zee van het Verenigd Koninkrijk, en het bovenliggende luchtruim;

14)

“Verdrag van Chicago”: het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944.

Artikel 4

Verkeersrechten

1.   Luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk mogen, onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, het volgende doen:

a)

het grondgebied van de Unie overvliegen zonder er te landen;

b)

landen op het grondgebied van de Unie voor niet-verkeersgebonden doeleinden, in de zin van het Verdrag van Chicago;

c)

geregelde en niet-geregelde internationale luchtdiensten verrichten voor passagiers, een combinatie van passagiers en vracht, en vrachtdiensten tussen een punt op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en een punt op het grondgebied van de Unie.

2.   Met betrekking tot de periode waarin deze verordening van toepassing is, onderhandelen de lidstaten niet over, noch sluiten zij bilaterale overeenkomsten of regelingen met het Verenigd Koninkrijk over kwesties die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Met betrekking tot die periode kennen zij luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk, met betrekking tot het luchtvervoer, evenmin andere rechten toe dan de bij deze verordening toegekende rechten.

3.   Niettegenstaande lid 2 kunnen de lidstaten, op een ad-hocbasis en overeenkomstig hun nationale recht, toestemming verlenen voor het verrichten van de volgende diensten op hun grondgebied door een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk:

a)

luchtambulancediensten;

b)

niet-geregelde luchtvervoerdiensten voor vrachtvervoer tussen punten op hun grondgebied en punten in een derde land als onderdeel van een dienst met herkomst of bestemming in het Verenigd Koninkrijk voor zover dat nodig is voor het vervoer van medische uitrusting, vaccins en geneesmiddelen, mits zij geen verkapte vorm van geregelde luchtdiensten betreffen.

Artikel 5

Samenwerkingsregelingen op marketinggebied

1.   Luchtdiensten overeenkomstig artikel 4 kunnen worden verricht op basis van overeenkomsten inzake voorbehouden capaciteit of codesharingafspraken, en wel als volgt:

a)

de luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk kan optreden als verkopende luchtvaartmaatschappij in samenwerking met elke exploiterende luchtvaartmaatschappij uit de Unie of uit het Verenigd Koninkrijk, of in samenwerking met elke exploiterende luchtvaartmaatschappij uit een derde land die krachtens het Unierecht of, naargelang het geval, het recht van de betrokken lidstaat of lidstaten, de noodzakelijke verkeersrechten geniet, alsook het recht om haar luchtvaartmaatschappijen die rechten te laten uitoefenen door middel van de regeling in kwestie;

b)

de luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk kan optreden als exploiterende luchtvaartmaatschappij in samenwerking met elke verkopende luchtvaartmaatschappij uit de Unie of uit het Verenigd Koninkrijk, of in samenwerking met elke verkopende luchtvaartmaatschappij uit een derde land die krachtens het Unierecht of, naargelang het geval, het recht van de betrokken lidstaat of lidstaten, de noodzakelijke routerechten geniet, alsook het recht om haar luchtvaartmaatschappijen die rechten te laten uitoefenen door middel van de regeling in kwestie.

2.   In geen geval worden de krachtens lid 1 aan luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk verleende rechten aldus uitgelegd dat zij aan luchtvaartmaatschappijen uit een derde land andere rechten toekennen dan de rechten die zij genieten krachtens het Unierecht of het recht van de betrokken lidstaat of lidstaten.

3.   Overeenkomsten inzake voorbehouden capaciteit of codesharingafspraken, hetzij als exploiterende luchtvaartmaatschappij, hetzij als verkopende luchtvaartmaatschappij, mogen niet tot gevolg hebben dat een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk andere rechten uitoefent dan die waarin artikel 4, lid 1, voorziet.

De eerste alinea van dit lid wordt evenwel niet zodanig toegepast dat zij luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk zou beletten luchtvervoerdiensten aan te bieden tussen een punt op het grondgebied van de Unie en een punt op het grondgebied van een derde land, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk treedt op als verkopende luchtvaartmaatschappij krachtens een overeenkomst inzake voorbehouden capaciteit of een codesharingafspraak met een exploiterende luchtvaartmaatschappij die, krachtens het Unierecht of het recht van de betrokken lidstaat of lidstaten, de noodzakelijke verkeersrechten geniet, alsook het recht om haar luchtvaartmaatschappijen die rechten te laten uitoefenen door middel van de regeling in kwestie;

b)

de betrokken luchtdienst maakt deel uit van een dienst die door die luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk wordt verricht tussen een punt op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en het desbetreffende punt in het betrokken derde land.

4.   De betrokken lidstaten eisen dat de in dit artikel bedoelde regelingen worden goedgekeurd door hun bevoegde autoriteiten met het oog op het verifiëren van de naleving van de in dit artikel vastgestelde voorwaarden en van de toepasselijke voorschriften van het Unierecht en het nationale recht, met name wat veiligheid en beveiliging betreft.

Artikel 6

Leasing van luchtvaartuigen

1.   Bij de uitoefening van de rechten waarin artikel 4, lid 1, voorziet, mag een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk luchtdiensten verrichten met haar eigen luchtvaartuigen en in elk van de volgende gevallen:

a)

met gebruikmaking van luchtvaartuigen die zonder bemanning geleased zijn van een verhuurder;

b)

met gebruikmaking van luchtvaartuigen die met bemanning geleased zijn van een andere luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk;

c)

met gebruikmaking van luchtvaartuigen die met bemanning geleased zijn van een luchtvaartmaatschappij uit een ander land dan het Verenigd Koninkrijk, op voorwaarde dat de leasing gerechtvaardigd is op grond van uitzonderlijke behoeften, seizoensgebonden capaciteitsbehoeften of operationele problemen van de huurder en dat de leasing niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is om die behoeften te vervullen of die problemen op te lossen.

2.   De betrokken lidstaten eisen dat de in lid 1 bedoelde regelingen worden goedgekeurd door hun bevoegde autoriteiten met het oog op het verifiëren van de naleving van de daarin vastgestelde voorwaarden en van de toepasselijke voorschriften van het Unierecht en het nationale recht, met name wat veiligheid en beveiliging betreft.

Artikel 7

Gelijkwaardigheid van rechten

1.   De Commissie ziet toe op de door het Verenigd Koninkrijk aan luchtvaartmaatschappijen uit de Unie toegekende rechten en op de voorwaarden voor de uitoefening daarvan.

2.   Wanneer de Commissie constateert dat de rechten die het Verenigd Koninkrijk aan luchtvaartmaatschappijen uit de Unie toekent rechtens of feitelijk niet gelijkwaardig zijn aan die welke krachtens deze verordening aan luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk zijn toegekend, of dat die rechten niet in gelijke mate voor alle luchtvaartmaatschappijen uit de Unie beschikbaar zijn, stelt zij, om de gelijkwaardigheid te herstellen, onverwijld uitvoeringshandelingen vast teneinde:

a)

beperkingen in te stellen van de voor geregelde luchtvervoerdiensten toegestane capaciteit die beschikbaar is voor luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk en te verlangen van de lidstaten dat zij de bestaande en nieuw toe te kennen exploitatievergunningen van luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk dienovereenkomstig aanpassen;

b)

van lidstaten te verlangen dat zij de genoemde exploitatievergunningen weigeren, schorsen of intrekken, of

c)

financiële heffingen of operationele beperkingen op te leggen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Zij worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde spoedprocedure indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen van een ernstig gebrek aan gelijkwaardigheid voor de toepassing van dit lid, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

Artikel 8

Eerlijke concurrentie

1.   De Commissie ziet toe op de voorwaarden waaronder luchtvaartmaatschappijen uit de Unie concurreren met luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk bij het verrichten van luchtvervoerdiensten die onder deze verordening vallen.

2.   Wanneer de Commissie constateert dat, als gevolg van een van de in lid 3 genoemde situaties, die voorwaarden merkbaar minder gunstig zijn dan die welke luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk genieten, stelt zij, om die situatie te verhelpen, onverwijld uitvoeringshandelingen vast teneinde:

a)

beperkingen in te stellen van de voor geregelde luchtvervoerdiensten toegestane capaciteit die beschikbaar is voor luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk en te verlangen van de lidstaten dat zij de bestaande en nieuw toe te kennen exploitatievergunningen van luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk dienovereenkomstig aanpassen;

b)

van lidstaten te verlangen dat zij de genoemde exploitatievergunningen weigeren, schorsen of intrekken voor sommige of alle luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk, of

c)

financiële heffingen of operationele beperkingen op te leggen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Zij worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 3, bedoelde spoedprocedure indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen van bedreiging van de economische levensvatbaarheid van een of meer activiteiten van luchtvaartmaatschappijen uit de Unie, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

3.   De in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen worden onder de in dat lid gepreciseerde voorwaarden vastgesteld om de volgende situaties te verhelpen:

a)

de toekenning van subsidies door het Verenigd Koninkrijk;

b)

het feit dat het Verenigd Koninkrijk niet beschikt over mededingingsrecht of dat niet daadwerkelijk toepast;

c)

het feit dat het Verenigd Koninkrijk geen onafhankelijke mededingingsautoriteit opricht of in stand houdt;

d)

de toepassing door het Verenigd Koninkrijk van normen voor de bescherming van werknemers, de veiligheid, de beveiliging, het milieu of passagiersrechten die minder streng zijn dan die welke in het Unierecht zijn vastgesteld of, bij gebreke van bepalingen ter zake in het Unierecht, dan de normen die alle lidstaten toepassen, of hoe dan ook minder streng zijn dan de desbetreffende internationale normen;

e)

iedere vorm van discriminatie tegen luchtvaartmaatschappijen uit de Unie.

4.   Voor de toepassing van lid 1 kan de Commissie de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk of luchthavens in het Verenigd Koninkrijk om inlichtingen verzoeken. Wanneer de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, de luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk of de luchthaven in het Verenigd Koninkrijk de verzochte inlichtingen niet binnen de door de Commissie gestelde redelijke termijn verschaffen, of wanneer zij onvolledige inlichtingen verschaffen, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen overeenkomstig lid 2.

5.   Verordening (EU) 2019/712 van het Europees Parlement en de Raad (7) is niet van toepassing op aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

Artikel 9

Exploitatievergunning

1.   Onverminderd het Unierecht en nationale recht inzake luchtvaartveiligheid, wordt van luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk, om de hun krachtens artikel 4 toegekende rechten te kunnen uitoefenen, vereist een exploitatievergunning te verkrijgen in iedere lidstaat waarin zij actief willen zijn.

2.   Na ontvangst van een aanvraag voor een exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk kent de betrokken lidstaat de passende exploitatievergunning zonder onnodige vertraging toe, op voorwaarde dat:

a)

de aanvragende luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk beschikt over een overeenkomstig de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk geldige exploitatievergunning, en

b)

door het Verenigd Koninkrijk op doeltreffende wijze wordt gecontroleerd of de aanvragende luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk de regelgeving naleeft, de bevoegde autoriteit duidelijk is vermeld en de luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk in het bezit is van een Air Operator Certificate (AOC) dat door genoemde autoriteit is afgegeven.

3.   Onverminderd de noodzaak om voldoende tijd te bieden om de nodige beoordelingen uit te voeren, hebben luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk het recht hun aanvragen voor exploitatievergunningen in te dienen vanaf de dag waarop deze verordening in werking treedt. De lidstaten hebben de bevoegdheid om die aanvragen vanaf die dag goed te keuren, mits de voorwaarden voor een dergelijke goedkeuring zijn vervuld. Aldus toegekende vergunningen treden echter pas in werking op de in artikel 15, lid 2, eerste alinea, bedoelde eerste dag van toepassing van deze verordening.

Artikel 10

Operationele plannen, programma’s en tijdschema’s

1.   Luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk dienen de operationele plannen, programma’s en tijdschema’s voor luchtdiensten in bij de bevoegde autoriteiten van elke betrokken lidstaat, om deze te laten goedkeuren. Dergelijke dossiers worden ingediend ten minste 30 dagen voordat de activiteiten van start gaan. Dossiers ten aanzien van de verrichting van luchtdiensten die moeten plaatsvinden in januari 2021 worden zo vroeg mogelijk voordat de activiteiten van start gaan, ingediend.

2.   Onder voorbehoud van artikel 9 mogen operationele plannen, programma’s en tijdschema’s voor het IATA-seizoen dat loopt op de in artikel 15, lid 2, eerste alinea, bedoelde eerste dag van toepassing van deze verordening, en die voor het eerste daaropvolgende seizoen, worden ingediend en goedgekeurd vóór die datum.

3.   Deze verordening belet de lidstaten niet vergunningen af te geven voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten door luchtvaartmaatschappijen uit de Unie in het kader van de uitoefening van hun door het Verenigd Koninkrijk verleende rechten. Met betrekking tot die vergunningen maken de lidstaten geen onderscheid tussen luchtvaartmaatschappijen uit de Unie.

Artikel 11

Weigering, intrekking, schorsing en beperking van vergunningen

1.   De lidstaten weigeren de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk of, in voorkomend geval, trekken deze in of schorsen deze wanneer:

a)

de luchtvaartmaatschappij krachtens deze verordening niet als een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk wordt beschouwd, of

b)

de in artikel 9, lid 2, vastgestelde voorwaarden niet in acht worden genomen.

2.   De lidstaten weigeren de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk, trekken deze in, schorsen deze, beperken deze of leggen daarvoor voorwaarden op, of beperken de activiteiten van die luchtvaartmaatschappij of leggen daarvoor voorwaarden op, in de volgende omstandigheden:

a)

de toepasselijke veiligheids- en beveiligingsvereisten worden niet in acht genomen;

b)

de toepasselijke vereisten met betrekking tot de toelating tot, de activiteiten binnen, of het verlaten van het grondgebied van de betrokken lidstaat van luchtvaartuigen die luchtvervoer uitvoeren, worden niet in acht genomen;

c)

de toepasselijke vereisten met betrekking tot de toelating tot, de activiteiten binnen, of het verlaten van het grondgebied van de betrokken lidstaat van passagiers, bemanning, bagage, vracht en/of post aan boord van luchtvaartuigen (met inbegrip van de formaliteiten verbonden aan binnenkomst, inklaring, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine of, in het geval van post, postvoorschriften) worden niet in acht genomen.

3.   De lidstaten weigeren de exploitatievergunning van luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk, trekken deze in, schorsen deze, beperken deze of leggen daarvoor voorwaarden op, of beperken de activiteiten van die luchtvaartmaatschappijen of leggen daarvoor voorwaarden op, wanneer zij daarom, in overeenstemming met artikel 7 of artikel 8, door de Commissie worden verzocht.

4.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten zonder onnodige vertraging in kennis van besluiten om de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij uit het Verenigd Koninkrijk op grond van de leden 1 en 2 te weigeren of in te trekken.

Artikel 12

Certificaten en vergunningen

Luchtwaardigheidscertificaten, bevoegdheidsbewijzen en vergunningen afgegeven of geldig verklaard door het Verenigd Koninkrijk die nog steeds geldig zijn, worden door de lidstaten als geldig erkend ten behoeve van het krachtens deze verordening verrichten van luchtdiensten door luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk, mits die certificaten of vergunningen zijn afgegeven of geldig verklaard op grond van en onder eerbiediging van ten minste de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde internationale normen ter zake.

Artikel 13

Overleg en samenwerking

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten overleggen en werken samen met de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor zover nodig is om de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen.

2.   De lidstaten verschaffen de Commissie op verzoek zonder onnodige vertraging alle op grond van lid 1 van dit artikel verkregen inlichtingen of alle andere inlichtingen die voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 7 en 8 relevant zijn.

Artikel 14

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 1008/2008 ingestelde comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 daarvan van toepassing.

Artikel 15

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing vanaf de dag na die waarop Unierecht ophoudt van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk op grond van de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord.

Artikel 9, lid 3, en artikel 10, lid 2, zijn evenwel van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

3.   Deze verordening is niet van toepassing indien uiterlijk op de in lid 2, eerste alinea, bedoelde datum een overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk die het verrichten van luchtvervoerdiensten omvattend regelt en waarbij de Unie partij is, in werking is getreden of, in voorkomend geval, voorlopig van toepassing is.

4.   Deze verordening houdt op van toepassing te zijn vanaf de eerstkomende van de volgende datums:

a)

30 juni 2021;

b)

de datum waarop een overeenkomst als bedoeld in lid 3 in werking treedt of, in voorkomend geval, de datum vanaf dewelke die overeenkomst voorlopig wordt toegepast.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 18 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 december 2020.

(2)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(3)  Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1).

(4)  Besluit (EU, Euratom) 2020/266 van de Raad van 25 februari 2020 houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over een nieuwe partnerschapsovereenkomst (PB L 58 van 27.2.2020, blz. 53).

(5)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3).

(6)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(7)  Verordening (EU) 2019/712 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake de bescherming van de mededinging in de luchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 868/2004 (PB L 123 van 10.5.2019, blz. 4).


28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/97


VERORDENING (EU) 2020/2226 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

inzake bepaalde luchtvaartveiligheidsaspecten ten aanzien van het einde van de in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vastgestelde overgangsperiode

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2) (het “terugtrekkingsakkoord”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2020/135 van de Raad (3) en is op 1 februari 2020 in werking getreden. De in artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord vastgestelde overgangsperiode (de “overgangsperiode”), waarin het Unierecht van toepassing blijft op en in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (het “Verenigd Koninkrijk”) overeenkomstig artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord, loopt af op 31 december 2020.

(2)

De belangrijkste doelstelling van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad (4) is de totstandbrenging en instandhouding van een hoog en uniform veiligheidsniveau in de luchtvaart in de Unie. Daartoe is voor verschillende luchtvaartactiviteiten een systeem van certificaten opgezet, met als doel het vereiste veiligheidsniveau tot stand te brengen en te zorgen voor de noodzakelijke verificaties en de wederzijdse aanvaarding van afgegeven certificaten.

(3)

Op het gebied van luchtvaartveiligheid kunnen de gevolgen van het einde van de overgangsperiode voor certificaten en goedkeuringen zonder akkoord over de nieuwe betrekkingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van luchtvaartveiligheid door vele partijen door middel van verschillende maatregelen worden aangepakt. Deze maatregelen omvatten de overdracht naar een burgerluchtvaartautoriteit van een van de lidstaten en de aanvraag, vóór het einde van de overgangsperiode, van een door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (het “Agentschap”) afgegeven certificaat, dat van kracht wordt op de dag na het einde van de overgangsperiode.

(4)

Voor sommige certificaten moeten echter specifieke maatregelen worden genomen om de gevolgen van het einde van de overgangsperiode op te vangen. Dit is met name het geval voor ontwerpcertificaten die vóór het einde van de overgangsperiode door het Agentschap zijn afgegeven aan ontwerporganisaties met hoofdvestiging in het Verenigd Koninkrijk of door ontwerporganisaties die door het Agentschap zijn erkend. Tot die datum voerde het Agentschap namens het Verenigd Koninkrijk de functies en taken uit van de “staat van ontwerp” in het kader van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart en de bijlagen daarbij, als bepaald in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139. Na het einde van de overgangsperiode zullen de functies en taken van de “staat van ontwerp” met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk worden vervuld door de burgerluchtvaartautoriteit van het Verenigd Koninkrijk. Om die wijziging op te vangen, heeft het Verenigd Koninkrijk wetgeving vastgesteld om ontwerpcertificaten die vóór de overgangsperiode zijn afgegeven te beschouwen als certificaten die krachtens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk zijn afgegeven met ingang van het einde van de overgangsperiode.

(5)

De Unie dient specifieke maatregelen vast te stellen om ervoor te zorgen dat de ontwerpen waarop dergelijke ontwerpcertificaten betrekking hebben, voor zover het in de Unie geregistreerde luchtvaartuigen betreft, na het einde van de overgangsperiode gedekt blijven door ontwerpcertificaten die onder Verordening (EU) 2018/1139 vallen. De specifieke maatregelen moeten de betrokken exploitanten van luchtvaartuigen in staat stellen de betrokken producten te blijven gebruiken. Daarom moet worden bepaald dat het Agentschap of, in voorkomend geval, de door het Agentschap erkende ontwerporganisaties worden geacht de ontwerpcertificaten betreffende die ontwerpen te hebben afgegeven met ingang van de dag na het einde van de overgangsperiode. Verordening (EU) 2018/1139 en de desbetreffende handelingen van de Commissie voorzien in dergelijke ontwerpcertificaten, die zijn afgegeven op grond van het feit dat een luchtvaartuig in een lidstaat is geregistreerd, ook al is het land van ontwerp een derde land.

(6)

Er moet worden verduidelijkt dat die ontwerpcertificaten onderworpen zijn aan de relevante regels van Verordening (EU) 2018/1139 en aan de relevante op grond van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5) vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen, met name de bepalingen inzake ontwerpcertificering en verplichte informatie over permanente luchtwaardigheid.

(7)

In het licht van de hoogdringendheid die voortvloeit uit het einde van de overgangsperiode, is het aangewezen een uitzondering te maken op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(8)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de instandhouding van een hoog en uniform veiligheidsniveau in de luchtvaart in de Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(9)

Deze verordening moet met spoed in werking treden en van toepassing zijn vanaf de dag na het einde van de overgangsperiode, tenzij uiterlijk op die datum een overeenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk die de aspecten van de burgerluchtvaartveiligheid in verband met ontwerpcertificaten als bedoeld in deze verordening regelt, in werking is getreden of voorlopig wordt toegepast,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Met het oog op het einde van de overgangsperiode worden bij deze verordening specifieke bepalingen vastgesteld voor bepaalde luchtvaartveiligheidscertificaten die op grond van Verordening (EG) nr. 216/2008 of (EU) 2018/1139 zijn afgegeven aan natuurlijke en rechtspersonen die hun hoofdvestiging in het Verenigd Koninkrijk hebben.

2.   Deze verordening is van toepassing op de in de bijlage vermelde ontwerpcertificaten die geldig zijn op de dag voor de toepassingsdatum van deze verordening en die door het Agentschap zijn afgegeven aan natuurlijke of rechtspersonen die hun hoofdvestiging in het Verenigd Koninkrijk hebben of door een ontwerporganisatie die haar hoofdvestiging in het Verenigd Koninkrijk heeft.

3.   Deze verordening is uitsluitend van toepassing op in de Unie geregistreerde luchtvaartuigen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de corresponderende definities van Verordening (EU) 2018/1139 en de uit hoofde van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen.

Artikel 3

Geldigheid van certificaten

De in artikel 1, lid 2, bedoelde ontwerpcertificaten worden geacht te zijn afgegeven met ingang van de in artikel 5, lid 2, bedoelde datum:

1)

door het Agentschap, voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde certificaten die door het Agentschap zijn afgegeven;

2)

door een door het Agentschap erkende organisatie, voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde ontwerpcertificaten die zijn afgegeven door een door het Agentschap erkende ontwerporganisatie.

Artikel 4

Regels en verplichtingen ten aanzien van certificaten die onder artikel 3 vallen

1.   De certificaten die onder artikel van deze verordening vallen, zijn onderworpen aan de regels die erop van toepassing zijn overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 en de relevante uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen die uit hoofde van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 zijn vastgesteld, met name Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie (6).

2.   Het Agentschap beschikt over de bevoegdheden die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2018/1139 en in de relevante uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen die uit hoofde van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 zijn vastgesteld met betrekking tot entiteiten met een hoofdkantoor in een derde land.

Artikel 5

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing vanaf de dag na die waarop het Unierecht niet langer van toepassing is op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord.

3.   Deze verordening is niet van toepassing indien een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk die de aspecten van de burgerluchtvaartveiligheid in verband met ontwerpcertificaten als bedoeld in artikel 1, lid 2, van deze verordening regelt, in werking is getreden of, in voorkomend geval, voorlopig wordt toegepast.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 18 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 december 2020.

(2)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(3)  Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).


BIJLAGE

LIJST VAN IN ARTIKEL 1 BEDOELDE CERTIFICATEN

1.

Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie (1), bijlage I, deel 21, sectie A, subdeel B (Typecertificaten en beperkte typecertificaten);

2.

Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, sectie A, subdeel D (Wijzigingen aan typecertificaten en beperkte typecertificaten);

3.

Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, sectie A, subdeel E (Aanvullende typecertificaten);

4.

Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, sectie A, subdeel M (Reparaties);

5.

Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, sectie A, subdeel O (ETSO-autorisaties);

6.

Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie, bijlage I, deel 21, sectie A, subdeel J (Erkenning als ontwerporganisatie).

(1)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).


28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/102


VERORDENING (EU) 2020/2227 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2403 wat betreft vismachtigingen voor vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in de wateren van de Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

(2)

Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2) (“terugtrekkingsakkoord”) voorziet in regelingen op grond waarvan bepalingen van het Unierecht op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing blijven tot na de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk. Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) is gedurende de overgangsperiode overeenkomstig het terugtrekkingsakkoord van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk en zal ophouden van toepassing te zijn op 31 december 2020.

(3)

Wanneer het GVB ophoudt van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk, maken de wateren van het Verenigd Koninkrijk (de territoriale wateren en de aangrenzende exclusieve economische zone) geen deel meer uit van de wateren van de Unie. Bij gebrek aan een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk waarin bepalingen inzake visserij zijn opgenomen, lopen vissersvaartuigen van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk bijgevolg het risico de eventueel voor 2021 beschikbare vangstmogelijkheden niet ten volle te kunnen benutten.

(4)

Om de duurzaamheid van de visserij te waarborgen en in het licht van het belang van de visserij voor het levensonderhoud van tal van gemeenschappen in de Unie en het Verenigd Koninkrijk, moet de mogelijkheid voor regelingen betreffende ononderbroken wederzijdse toegang voor vissersvaartuigen van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk tot elkaars wateren na 31 december 2020 worden opengehouden. Het doel van deze verordening is het geschikte juridische kader voor zulke wederzijdse toegang te creëren.

(5)

De territoriale werkingssfeer van deze verordening en elke hierin vervatte verwijzing naar het Verenigd Koninkrijk heeft geen betrekking op Gibraltar.

(6)

De vangstmogelijkheden voor 2021 moeten door de Unie en het Verenigd Koninkrijk worden vastgesteld met volledige inachtneming van de voorschriften van de artikelen 61 en 62 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (3). Om een duurzame exploitatie van de mariene biologische rijkdommen en stabiliteit in de wateren van de Unie en de wateren van het Verenigd Koninkrijk te waarborgen, moeten de quotumtoewijzingen en aandelen daarvan voor de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk worden vastgesteld overeenkomstig het respectieve toepasselijke recht van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk.

(7)

In het licht van de reeds lang bestaande visserijpatronen van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in wateren van de Unie en vice versa, en met het oog op het verkrijgen van wederzijdse toegang tot elkaars wateren, moet de Unie voorzien in een mechanisme waarbij vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk toegang hebben tot wateren van de Unie door middel van machtigingen, zodat zij de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota-aandelen kunnen benutten onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor vissersvaartuigen van de Unie. Zulke vismachtigingen mogen alleen worden verleend indien en voor zover het Verenigd Koninkrijk machtigingen blijft verstrekken aan vissersvaartuigen van de Unie om hun visserijactiviteiten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk voort te zetten.

(8)

In Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn de regels vastgesteld voor de afgifte en het beheer van vismachtigingen voor vissersvaartuigen in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land vallen, en voor vissersvaartuigen van derde landen die visserijactiviteiten verrichten in de wateren van de Unie.

(9)

Verordening (EU) 2017/2403 bevat regels voor visserijactiviteiten die worden verricht door vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van een derde land buiten het kader van een overeenkomst, en bepaalt dat een vlaggenlidstaat rechtstreekse machtigingen mag toekennen en welke de voorwaarden en procedures voor de toekenning van zulke machtigingen zijn. Gelet op het aantal vissersvaartuigen van de Unie dat visserijactiviteiten verricht in de wateren van het Verenigd Koninkrijk, zouden deze voorwaarden en procedures, bij gebrek aan een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk waarin bepalingen inzake visserij zijn opgenomen, leiden tot aanzienlijke vertragingen en grotere administratieve lasten. Het is daarom noodzakelijk te voorzien in specifieke voorwaarden en procedures die de afgifte van machtigingen door het Verenigd Koninkrijk aan vissersvaartuigen van de Unie voor visserijactiviteiten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk moeten vergemakkelijken.

(10)

Er moet worden afgeweken van de regels die gelden voor vissersvaartuigen van derde landen en er moeten specifieke voorwaarden en procedures worden vastgelegd voor de afgifte van machtigingen door de Unie aan vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk voor visserijactiviteiten in de wateren van de Unie.

(11)

Verordening (EU) 2017/2403 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De overgangsperiode waarin het terugtrekkingsakkoord voorziet, loopt af op 31 december 2020. Bij gebrek aan een tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk gesloten overeenkomst waarin bepalingen inzake visserij zijn opgenomen, moet deze verordening met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en moet zij van toepassing zijn met ingang van de dag na die waarop het Unierecht ophoudt van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord. Als noodmaatregel moet zij van toepassing zijn tot en met de eerste van de volgende data: 31 december 2021, of de datum waarop een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk waarin bepalingen inzake visserij zijn opgenomen in werking treedt of voorlopig wordt toegepast.

(13)

Gezien de noodzaak om deze verordening vast te stellen vóór de dag waarop het Unierecht ophoudt van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord, en de noodzaak om uiterlijk op die dag te voorzien in procedures voor de verlening van machtigingen voor duurzame visserijactiviteiten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie, op basis van wederkerigheid, teneinde een abrupte onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen, werd het passend geacht te voorzien in een uitzondering op de periode van acht weken bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(14)

Om zowel de exploitanten van de Unie als die van het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen te blijven vissen, mogen vismachtigingen voor visserijactiviteiten in de wateren van de Unie slechts worden verleend aan vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk indien en voor zover de Commissie zich ervan heeft vergewist dat het Verenigd Koninkrijk op basis van wederkerigheid toegangsrechten verleent aan vissersvaartuigen van de Unie om visserijactiviteiten te verrichten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2017/2403

Verordening (EU) 2017/2403 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan titel II, hoofdstuk II, wordt de volgende afdeling toegevoegd:

Afdeling 4

Visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van het Verenigd Koninkrijk

Artikel 18 bis

Toepassingsgebied

In afwijking van afdeling 3 is deze afdeling van toepassing op visserijactiviteiten die worden verricht door vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 18 ter

Definitie

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “wateren van het Verenigd Koninkrijk” verstaan: de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk vallen zoals is vastgesteld in overeenstemming met het internationaal recht.

Artikel 18 quater

Procedure voor het verkrijgen van een vismachtiging van het Verenigd Koninkrijk

1.   Een vlaggenlidstaat die heeft vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, zendt de Commissie de betreffende aanvraag of lijst van aanvragen voor een vismachtiging door het Verenigd Koninkrijk toe.

2.   Elke aanvraag of lijst van aanvragen bevat de door het Verenigd Koninkrijk voor de afgifte van een vismachtiging gevraagde informatie in het vereiste formaat, zoals het Verenigd Koninkrijk heeft meegedeeld aan de Commissie.

3.   De Commissie informeert de lidstaten over de informatie en het formaat bedoeld in lid 2. De Commissie kan de vlaggenlidstaat verzoeken om aanvullende informatie die zij noodzakelijk acht om de naleving van de in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden te verifiëren.

4.   Indien de Commissie na ontvangst van de aanvraag of de eventuele aanvullende informatie waarom op grond van lid 3 is verzocht, vaststelt dat aan de voorwaarden van de leden 1 en 2 is voldaan, zendt zij de aanvraag onverwijld door aan het Verenigd Koninkrijk.

5.   Zodra het Verenigd Koninkrijk de Commissie ervan in kennis heeft gesteld dat het heeft besloten een vismachtiging aan een vissersvaartuig van de Unie af te geven of te weigeren, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat onmiddellijk daarvan in kennis.

6.   Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk afgeven na erover te zijn ingelicht dat het Verenigd Koninkrijk heeft besloten een machtiging te verlenen aan het betrokken vissersvaartuig van de Unie.

7.   De visserijactiviteiten worden pas aangevangen nadat zowel de vlaggenlidstaat als het Verenigd Koninkrijk een vismachtiging hebben afgegeven.

8.   Indien het Verenigd Koninkrijk de Commissie ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een vismachtiging voor een vissersvaartuig van de Unie te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat onmiddellijk daarvan in kennis. Die lidstaat schorst of trekt zijn vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk dienovereenkomstig in.

9.   Indien het Verenigd Koninkrijk de vlaggenlidstaat rechtstreeks in kennis stelt van zijn besluit een vismachtiging voor een vissersvaartuig van de Unie af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de vlaggenlidstaat de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis. Die lidstaat schorst of trekt zijn vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk dienovereenkomstig in.

Artikel 18 quinquies

Monitoring

De Commissie monitort de afgifte van vismachtigingen door het Verenigd Koninkrijk voor visserijactiviteiten die worden verricht door vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van het Verenigd Koninkrijk.”.

2)

De volgende titel wordt ingevoegd:

“TITEL III bis

VISSERIJACTIVITEITEN DOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK IN DE WATEREN VAN DE UNIE

Artikel 38 bis

Toepassingsgebied

In afwijking van titel III is deze titel van toepassing op visserijactiviteiten die worden verricht door vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in de wateren van de Unie.

Artikel 38 ter

Visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk

Vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk mogen visserijactiviteiten verrichten in wateren van de Unie, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn uiteengezet in de toepasselijke wetgeving van de Unie, op voorwaarde dat vissersvaartuigen van de Unie op basis van wederkerigheid toegang krijgen om visserijactiviteiten te verrichten in de wateren van het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 38 quater

Algemene beginselen

1.   Een vissersvaartuig van het Verenigd Koninkrijk verricht geen visserijactiviteiten in de wateren van de Unie tenzij het een vismachtiging van de Commissie heeft ontvangen. Een dergelijk vaartuig krijgt de machtiging in kwestie alleen indien het voldoet aan de in lid 2 vastgestelde machtigingscriteria.

2.   De Commissie mag een vismachtiging afgeven aan een vissersvaartuig van het Verenigd Koninkrijk indien:

a)

het vissersvaartuig beschikt over een geldige visvergunning die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk;

b)

het vissersvaartuig door het Verenigd Koninkrijk is opgenomen in een vlootregister waartoe de Commissie toegang heeft;

c)

het vissersvaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig de geldende regeling inzake scheepsidentificatienummers van de IMO toepast voor zover het Unierecht dat vereist;

d)

het vissersvaartuig niet is opgenomen in een door een ROVB en/of de Unie krachtens de IOO-verordening vastgestelde lijst van IOO-vaartuigen;

e)

het Verenigd Koninkrijk niet krachtens de IOO-verordening op een lijst van niet-meewerkende landen is geplaatst en niet krachtens Verordening (EU) nr. 1026/2012 op een lijst van landen die niet-duurzame vangstmogelijkheden toelaten is geplaatst, en

f)

vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor het Verenigd Koninkrijk.

3.   Een vissersvaartuig van het Verenigd Koninkrijk dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie visserijactiviteiten te verrichten, houdt zich aan de regels die van toepassing zijn op de visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van de Unie in het visserijgebied waar het actief is.

Artikel 38 quinquies

Procedure voor het verkrijgen van vismachtigingen

1.   Het Verenigd Koninkrijk zendt de Commissie de aanvraag of lijst van aanvragen voor machtiging voor zijn vissersvaartuigen toe.

2.   De Commissie kan het Verenigd Koninkrijk vragen om aanvullende informatie die noodzakelijk is om te kunnen nagaan of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 38 quater, lid 2.

3.   Wanneer vaststaat dat de in artikel 38 ter en artikel 38 quater, lid 2, bedoelde voorwaarden zijn vervuld, kan de Commissie een vismachtiging afgeven en het Verenigd Koninkrijk en de betrokken lidstaten daarvan onverwijld in kennis stellen.

Artikel 38 sexies

Beheer van vismachtigingen

1.   Indien een van de voorwaarden van artikel 38 ter en artikel 38 quater, lid 2, niet langer is vervuld, treft de Commissie passende maatregelen, waaronder wijziging of intrekking van de machtiging, en stelt zij het Verenigd Koninkrijk en de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

2.   De Commissie kan weigeren machtigingen af te geven aan een vissersvaartuig van het Verenigd Koninkrijk of een aan zulk vaartuig afgegeven machtiging schorsen of intrekken in elk van de volgende gevallen:

a)

wanneer zich een fundamentele verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan, met name wat betreft de wederzijdse toegang van vissersvaartuigen van de Unie tot de wateren van het Verenigd Koninkrijk;

b)

wanneer sprake is van een ernstige bedreiging van de duurzame exploitatie, het duurzame beheer en de duurzame instandhouding van mariene biologische rijkdommen;

c)

wanneer dit cruciaal is om IOO-visserij te voorkomen of te beteugelen;

d)

wanneer de Commissie het passend acht op basis van de resultaten van haar monitoringactiviteiten krachtens artikel 18 quinquies;

e)

wanneer het Verenigd Koninkrijk de machtiging van vissersvaartuigen van de Unie om in de wateren van het Verenigd Koninkrijk visserijactiviteiten te verrichten, ten onrechte weigert, schorst of intrekt.

3.   Als de Commissie de machtiging overeenkomstig lid 2 weigert, schorst of intrekt, stelt zij het Verenigd Koninkrijk onmiddellijk daarvan in kennis.

Artikel 38 septies

Sluiting van visserijactiviteiten

1.   Als de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende vangstmogelijkheden worden geacht te zijn opgebruikt, stelt de Commissie het Verenigd Koninkrijk en de bevoegde controle-instanties van de lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis. Met het oog op de voortzetting van visserijactiviteiten in het kader van niet-opgebruikte vangstmogelijkheden die ook van invloed kunnen zijn op opgebruikte vangstmogelijkheden, vraagt de Commissie het Verenigd Koninkrijk haar in kennis te stellen van technische maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op de opgebruikte vangstmogelijkheden.

2.   Vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving worden de vismachtigingen die zijn afgegeven voor de vissersvaartuigen die de vlag van het Verenigd Koninkrijk voeren, geacht te zijn geschorst voor de betrokken visserijactiviteiten en mogen de vissersvaartuigen die visserijactiviteiten niet langer verrichten.

3.   Vismachtigingen worden geacht te zijn ingetrokken indien een schorsing van de vismachtigingen overeenkomstig lid 2 alle visserijactiviteiten betreft waarvoor zij zijn verleend.

Artikel 38 octies

Overschrijding van quota in de wateren van de Unie

Wanneer de Commissie vaststelt dat het Verenigd Koninkrijk de quota heeft overschreden die het voor een bestand of een groep bestanden toegewezen heeft gekregen, past de Commissie verlagingen toe op andere aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen quota. De Commissie streeft ernaar de verlaging te doen stroken met de verlagingen die in vergelijkbare omstandigheden aan lidstaten worden opgelegd.

Artikel 38 nonies

Controle en handhaving

1.   Een vissersvaartuig van het Verenigd Koninkrijk dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie visserijactiviteiten te verrichten, houdt zich aan de controleregels die van toepassing zijn op de visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie in het visserijgebied waar het actief is.

2.   Een vissersvaartuig van het Verenigd Koninkrijk dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie visserijactiviteiten te verrichten, verstrekt aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie en, indien van toepassing, aan de kustlidstaat, de gegevens die vissersvaartuigen van de Unie krachtens de controleverordening aan de vlaggenlidstaat moeten toezenden.

3.   De Commissie of de door haar aangewezen instantie zendt de overeenkomstig lid 2 ontvangen gegevens toe aan de kustlidstaat.

4.   Een vissersvaartuig van het Verenigd Koninkrijk dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie visserijactiviteiten te verrichten, verstrekt op verzoek de in het kader van de toepasselijke waarnemersprogramma’s opgestelde waarnemersverslagen aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie.

5.   De kustlidstaten registreren elke door vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk begane inbreuk, met inbegrip van de bijbehorende sancties, in het in artikel 93 van de controleverordening bedoelde nationale register.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van de dag na die waarop het Unierecht ophoudt van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de artikelen 126 en 127 van het terugtrekkingsakkoord, tot en met de eerste van de volgende data:

a)

31 december 2021;

b)

de datum waarop een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk waarin bepalingen inzake visserij zijn opgenomen, in werking treedt of voorlopig wordt toegepast.

3.   Deze verordening wordt echter niet van toepassing indien, uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, de in lid 2, onder b), bedoelde overeenkomst in werking treedt of voorlopig wordt toegepast.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 18 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 december 2020.

(2)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(3)  Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en de overeenkomst van 28 juli 1994 inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 3).

(4)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BESLUITEN

28.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 437/108


BESLUIT (EU) 2020/2228 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 december 2020

betreffende het Europees Jaar van de spoorwegen (2021)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1) ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In haar mededeling van 11 december 2019, getiteld “de Europese Green Deal” (de “mededeling over de Europese Green Deal”), zet de Commissie een Europese Green Deal uiteen voor de Unie en haar burgers. De Europese Green Deal omvat een nieuwe groeistrategie die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen.

(2)

In zijn conclusies van 12 december 2019 heeft de Europese Raad de doelstelling goedgekeurd om tegen 2050 tot een klimaatneutrale Unie te komen.

(3)

In zijn resolutie van 15 januari 2020 toonde het Europees Parlement zich ingenomen met de mededeling over de Europese Green Deal en drong het aan om tegen 2050 over te gaan naar een klimaatneutrale samenleving.