ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 414

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
9 december 2020


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2006 van de Commissie van 8 december 2020 tot verlaging van de vangstquota voor 2020 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van andere bestanden in de voorgaande jaren en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2007 van de Commissie van 8 december 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode van de werkzame stoffen 1-decanol, 1,4-dimethylnaftaleen, 6-benzyladenine, acequinocyl, Adoxophyes orana granulovirus, aluminiumsulfaat, amisulbrom, Aureobasidium pullulans (stammen DSM 14940 en DSM 14941), azadirachtine, Bacillus pumilus QST 2808, benalaxyl-M, bixafen, bupirimaat, Candida oleophila stam O, chlorantraniliprole, dinatriumfosfonaat, dithianon, dodine, emamectine, flubendiamide, fluometuron, fluxapyroxad, flutriafol, hexythiazox, imazamox, ipconazool, isoxaben, L-ascorbinezuur, Californische pap, sinaasappelolie, Paecilomyces fumosoroseus stam FE9901, pendimethalin, penflufen, penthiopyrad, kaliumfosfonaten, prosulfuron, Pseudomonas sp. stam DSMZ 13134, pyridalyl, pyriofenon, pyroxsulam, quinmerac, S-abscisinezuur, sedaxaan, sintofen, natriumzilver-thiosulfaat, spinetoram, spirotetramaat, Streptomyces lydicus stam WYEC 108, tau-fluvalinaat, tebufenozide, tembotrion, thiencarbazon, valifenalaat, zinkfosfide

10

 

*

Verordening (EU) 2020/2008 van de Commissie van 8 december 2020 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 702/2014, (EU) nr. 717/2014 en (EU) nr. 1388/2014 wat betreft de periode van toepassing ervan en andere desbetreffende aanpassingen ( 1 )

15

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/2009 van de Commissie van 22 juni 2020 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, van de conclusies inzake de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) voor oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen, met inbegrip van de conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 4050)  ( 1 )

19

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/2010 van de Commissie van 8 december 2020 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 betreffende bepaalde beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 8910)  ( 1 )

79

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

9.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 414/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/2006 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2020

tot verlaging van de vangstquota voor 2020 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van andere bestanden in de voorgaande jaren en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 105, leden 1, 2, 3 en 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De vangstquota voor 2019 zijn vastgesteld bij de Verordeningen (EU) 2018/1628 (2), (EU) 2018/2025 (3), (EU) 2018/2058 (4) en (EU) 2019/124 (5) van de Raad.

(2)

De vangstquota voor 2020 zijn vastgesteld bij de Verordeningen (EU) 2018/2025, (EU) 2019/1838 (6), (EU) 2019/2236 (7) en (EU) 2020/123 (8) van de Raad.

(3)

Overeenkomstig artikel 105, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet de Commissie, wanneer zij vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen vangstquota heeft overschreden, de toekomstige vangstquota van die lidstaat verlagen.

(4)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 van de Commissie (9) zijn voor bepaalde bestanden verlagingen van de vangstquota voor 2020 vastgesteld wegens overbevissing van die bestanden in voorgaande jaren.

(5)

Voor sommige lidstaten, namelijk Denemarken, Spanje en Frankrijk, konden in het kader van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 bepaalde verlagingen niet worden toegepast op voor de overbeviste bestanden toegewezen quota, omdat die lidstaten in 2020 niet over quota voor die bestanden beschikken.

(6)

Wanneer geen verlaging kan worden toegepast op het overbeviste bestand in het jaar na dat waarin de overbevissing is geconstateerd, omdat de betrokken lidstaat niet over een quotum voor dat bestand beschikt, kan de verlaging krachtens artikel 105, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009, na raadpleging van de betrokken lidstaten, worden toegepast op andere bestanden in hetzelfde geografische gebied of met dezelfde handelswaarde. Overeenkomstig Mededeling 2012/C 72/07 van de Commissie, die richtsnoeren voor de verlaging van quota op grond van artikel 105, leden 1, 2 en 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bevat (10) (hierna “de richtsnoeren” genoemd), moeten dergelijke verlagingen bij voorkeur worden toegepast in het volgende jaar of de volgende jaren en op quota die zijn toegewezen voor bestanden die worden bevist door dezelfde vloot als die welke het quotum heeft overschreden.

(7)

De betrokken lidstaten zijn geraadpleegd over bepaalde verlagingen van quota voor andere bestanden dan die welke zijn overbevist.

(8)

Bepaalde verlagingen die in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 zijn vastgesteld, zijn bovendien groter dan het aangepaste quotum voor 2020 en kunnen derhalve niet volledig in dat jaar worden toegepast. Overeenkomstig de richtsnoeren moeten de resterende hoeveelheden in mindering worden gebracht op de aangepaste quota die in de daaropvolgende jaren beschikbaar zijn, totdat de volledige overbeviste hoeveelheid is gecompenseerd.

(9)

Voorts hebben de Spaanse visserijautoriteiten geconstateerd dat de vangstcijfers voor 2019 die voor de berekening van de overbevissing van grootoogtonijn in de Atlantische Oceaan (BET/ATLANT) werden gebruikt, onjuist waren en dat het quotum voor die soort in realiteit werd overschreden met een kleinere hoeveelheid dan die waarmee rekening werd gehouden voor de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 vastgestelde verlagingen. De vangstcijfers, het benuttingspercentage voor het quotum, de overbeviste hoeveelheden en de verlaging van het Spaanse quotum voor grootoogtonijn in de Atlantische Oceaan voor 2020 die bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 zijn vastgesteld, moeten daarom worden aangepast.

(10)

In 2019 heeft Portugal zijn quotum voor witte tonijn in de Atlantische Oceaan ten noorden van 5° N.B. (ALB/AN05N) overbevist. Op 14 juli 2020 heeft Portugal verzocht om de opgelegde verlaging over twee jaar te spreiden. Overeenkomstig punt 3, onder c), van de richtsnoeren kan de spreiding van een verlaging over twee of meer jaren worden aanvaard wanneer daarin is voorzien in specifieke internationale voorschriften (zoals die van regionale organisaties voor visserijbeheer) die verband houden met de compensatie voor het betrokken bestand. Gelet op de door Portugal verstrekte informatie en overwegende dat in punt 7 van aanvullende aanbeveling 16-06 van de ICCAT betreffende het meerjarige instandhoudings- en beheersprogramma voor witte tonijn in de Noord-Atlantische Oceaan (11) is bepaald dat overschrijdingen van de jaarlijkse quota/vangstbeperkingen van een verdragsluitende partij voor 2019 in mindering moeten worden gebracht op de desbetreffende quota/vangstbeperkingen tijdens of vóór het aanpassingsjaar 2021, dient een gelijke spreiding van de verlaging over twee jaar, met inbegrip van de betrokken toepasselijke vermenigvuldigingsfactoren, te worden aanvaard. De bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 vastgestelde verlaging van het quotum voor 2020 moet daarom worden aangepast.

(11)

Verdere actualiseringen of correcties kunnen worden doorgevoerd indien, voor de lopende of de vorige exercitie, fouten, omissies of verkeerde registraties worden geconstateerd in de vangstgegevens die door de lidstaten worden meegedeeld uit hoofde van artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

(12)

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde vangstquota die voor 2020 zijn vastgesteld bij de Verordeningen (EU) 2018/2025, (EU) 2019/1838, (EU) 2019/2236 en (EU) 2020/123, worden verlaagd door overeenkomstig die bijlage verlagingen toe te passen op alternatieve bestanden.

Artikel 2

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2018/1628 van de Raad van 30 oktober 2018 tot vaststelling, voor 2019, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/120 met betrekking tot bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren (PB L 272 van 31.10.2018, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2018/2025 van de Raad van 17 december 2018 tot vaststelling, voor 2019 en 2020, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen (PB L 325 van 20.12.2018, blz. 7).

(4)  Verordening (EU) 2018/2058 van de Raad van 17 december 2018 tot vaststelling, voor 2019, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden in de Zwarte Zee (PB L 329 van 27.12.2018, blz. 8).

(5)  Verordening (EU) 2019/124 van de Raad van 30 januari 2019 tot vaststelling, voor 2019, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 29 van 31.1.2019, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2019/1838 van de Raad van 30 oktober 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/124 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren (PB L 281 van 31.10.2019, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 14).

(8)  Verordening (EU) 2020/123 van de Raad van 27 januari 2020 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 25 van 30.1.2020, blz. 1).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 van de Commissie van 2 september 2020 tot verlaging van de vangstquota voor 2020 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van deze bestanden in de voorgaande jaren (PB L 288 van 3.9.2020, blz. 21).

(10)  Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren voor de verlaging van quota op grond van artikel 105, leden 1, 2 en 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 (2012/C 72/07) (PB C 72 van 10.3.2012, blz. 27).

(11)  https://www.iccat.int/Documents/Recs/compendiopdf-e/2016-06-e.pdf


BIJLAGE I

OP ALTERNATIEVE BESTANDEN TOE TE PASSEN VERLAGINGEN VAN DE VANGSTQUOTA VOOR 2020

OVERBEVISTE BESTANDEN

 

ALTERNATIEVE BESTANDEN

Lidstaat

Soortcode

Gebiedscode

Soortnaam

Gebiedsnaam

Hoeveelheid die niet in mindering kan worden gebracht op het vangstquotum 2020 voor het overbeviste bestand (in kg)

 

Lidstaat

Soortcode

Gebiedscode

Soortnaam

Gebiedsnaam

Hoeveelheid die in mindering moet worden gebracht op het vangstquotum 2020 voor de alternatieve bestanden (in kg)

DK

POK

1N2AB.

Zwarte koolvis

Noorse wateren van 1 en 2

33 968

 

DK

HER

1/2-

Haring

wateren van de Unie, wateren van de Faeröer, Noorse wateren en internationale wateren van 1 en 2

33 968

ES

GHL

1N2AB.

Groenlandse heilbot/zwarte heilbot

Noorse wateren van 1 en 2

18 338

 

ES

REB

1N2AB.

Roodbaarzen

Noorse wateren van 1 en 2

18 338

ES

OTH

1N2AB.

Andere soorten

Noorse wateren van 1 en 2

3 895

 

ES

REB

1N2AB.

Roodbaarzen

Noorse wateren van 1 en 2

3 895

ES

POK

1N2AB.

Zwarte koolvis

Noorse wateren van 1 en 2

2 607

 

ES

REB

1N2AB.

Roodbaarzen

Noorse wateren van 1 en 2

2 607

FR

SWO

AS05N

Zwaardvis

Atlantische Oceaan, ten zuiden van 5 °N.B.

3 500

 

FR

ALB

AS05N

Zuid-Atlantische witte tonijn

Atlantische Oceaan, ten zuiden van 5 °N.B.

3 500


BIJLAGE II

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1247 wordt vervangen door:

“BIJLAGE

VERLAGINGEN VAN DE VANGSTQUOTA VOOR 2020 VOOR BESTANDEN DIE ZIJN OVERBEVIST

Lidstaat

Soortcode

Gebiedscode

Soortnaam

Gebiedsnaam

Oorspronkelijk quotum 2019 (in kg)

Toegestane aanlandingen 2019 (totale aangepaste hoeveelheid in kg)  (1)

Totale vangsten 2019 (hoeveelheid in kg)

Benutting quotum in verhouding tot toegestane aanlandingen

Overbevissing in verhouding tot de toegestane aanlandingen (hoeveelheid in kg)

Vermenigvuldigingsfactor  (2)

Aanvullende vermenigvuldigingsfactor  (3)  (4)

Nog uitstaande verlagingen uit voorgaande jaren  (5) (hoeveelheid in kg)

Verlagingen van de vangstquota voor 2020  (6) en daaropvolgende jaren (hoeveelheid in kg)

Verlagingen van de vangstquota voor 2020 voor de overbeviste bestanden  (7) (hoeveelheid in kg)

Verlagingen van de vangstquota voor 2020 voor alternatieve bestanden (hoeveelheid in kg)

In mindering te brengen op de vangstquota voor 2021 en daaropvolgende jaren (hoeveelheid in kg)

DE

HER

4AB.

Haring

Wateren van de Unie en Noorse wateren van 4 ten noorden van 53° 30′ N.B.

39 404 000

25 460 900

27 182 070

106,76 %

1 721 170

/

/

/

1 721 170

1 721 170

/

/

DE

MAC

2CX14-

Makreel

3a en 4; wateren van de Unie van 2a, 3b, 3c en de deelsectoren 22-32

441 000

14 859 024

15 542 581

104,60 %

683 557

/

/

/

683 557

683 557

/

/

DK

MAC

2CX14-

Makreel

6, 7, 8a, 8b, 8d en 8e; wateren van de Unie en internationale wateren van 5b; internationale wateren van 2a, 12 en 14

/

2 688 463

2 693 920

100,20 %

5 457

/

/

/

5 457

5 457

/

/

DK

MAC

2A34.

Makreel

3a en 4; wateren van de Unie van 2a, 3b, 3c en de deelsectoren 22-32

14 480 000

13 330 744

14 022 305

105,19 %

691 561

/

/

/

691 561

691 561

/

/

DK

MAC

2A4A-N

Makreel

Noorse wateren van 2a en 4a

10 242 000

10 252 106

11 197 228

109,22 %

945 122

/

/

/

945 122

945 122

/

/

DK

POK

1N2AB.

Zwarte koolvis

Noorse wateren van 1 en 2

/

17 000

50 968

299,81 %

33 968

1,00

/

/

33 968

/

33 968

/

ES

BET

ATLANT

Grootoogtonijn

Atlantische Oceaan

9 415 300

8 941 151

9 090 055

101,67 %

148 904

/

C  (8)

/

148 904

148 904

/

/

ES

COD

1/2B.

Kabeljauw

1 en 2b

11 562 000

8 455 844

8 463 118

100,09 %

7 274

/

/

/

7 274

7 274

/

/

ES

GHL

1N2AB.

Groenlandse heilbot/zwarte heilbot

Noorse wateren van 1 en 2

/

2 000

14 225

711,25 %

12 225

1,00

A

/

18 338

/

18 338

/

ES

OTH

1N2AB.

Andere soorten

Noorse wateren van 1 en 2

/

31 800

35 695

112,25 %

3 895

1,00

/

/

3 895

/

3 895

/

ES

POK

1N2AB.

Zwarte koolvis

Noorse wateren van 1 en 2

/

196 000

198 607

101,33 %

2 607

/

/

/

2 607

/

2 607

/

ES

RED

N3LN.

Roodbaarzen

NAFO 3LN

/

515 100

517 806

100,53 %

2 706

/

/

/

2 706

2 706

/

/

ES

RJU

9-C.

Golfrog

Wateren van de Unie van 9

15 000

15 000

15 511

103,41 %

511  (9)

n.v.t.

n.v.t.

2 067

2 067

0

/

2 067

FR

BET

ATLANT

Grootoogtonijn

Atlantische Oceaan

4 167 700

4 167 700

4 687 551

112,47 %

519 851

1,20

C

/

883 747

883 747

/

/

FR

RJE

7FG.

Kleinoogrog

Wateren van de Unie van 7f en 7g

79 000

90 399

91 485

101,20 %

1 086

/

/

/

1 086

1 086

/

/

FR

RJU

7DE.

Golfrog

Wateren van de Unie van 7d en 7e

103 000

168 000

177 718

105,78 %

9 718

/

/

/

9 718

9 718

/

/

FR

SWO

AS05N

Zwaardvis

Atlantische Oceaan, ten zuiden van 5 °N.B.

/

/

3 500

n.v.t.

3 500

/

/

/

3 500

/

3 500

/

GB

COD

N1GL14

Kabeljauw

Groenlandse wateren van NAFO 1F en Groenlandse wateren van 5, 12 en 14

364 000

353 500

353 500

100 %

0

/

/

4 167

4 167

4 167

/

/

GB

HER

4AB.

Haring

Wateren van de Unie en Noorse wateren van 4 ten noorden van 53° 30′ N.B.

55 583 000

62 320 196

62 607 628

100,46 %

287 432

/

/

/

287 432

287 432

/

/

GB

MAC

2CX14-

Makreel

6, 7, 8a, 8b, 8d en 8e; wateren van de Unie en internationale wateren van 5b; internationale wateren van 2a, 12 en 14

152 115 000

145 768 635

154 072 694

105,70 %

8 304 059

/

A  (8)

/

8 304 059

8 304 059

/

/

GB

RJU

7DE.

Golfrog

Wateren van de Unie van 7d en 7e

58 000

61 200

63 133

103,16 %

1 933

/

/

/

1 933

1 933

/

/

EL

BFT

AE45WM

Blauwvintonijn

Atlantische Oceaan, ten oosten van 45 °W.L., en Middellandse Zee

285 110

304 110

312 690

102,82 %

8 580

/

C  (8)

/

8 580

8 580

/

/

IE

ALB

AN05N

Noord-Atlantische witte tonijn

Atlantische Oceaan, ten noorden van 5 °N.B.

2 854 300

3 115 420

3 213 170

103,14 %

97 750

/

C  (8)

/

97 750

97 750

/

/

NL

HER

4CXB7D

Haring

4c, 7d uitgezonderd het Blackwater-bestand

18 162 000

19 497 305

19 512 481

100,08 %

15 176

/

/

/

15 176

15 176

/

/

NL

MAC

2A34.

Makreel

3a en 4; wateren van de Unie van 2a, 3b, 3c en de deelsectoren 22-32

1 342 000

1 494 000

2 012 324

134,69 %

518 324

1,40

/

/

725 654

725 654

/

/

PT

ALB

AN05N

Noord-Atlantische witte tonijn

Atlantische Oceaan, ten noorden van 5 °N.B.

1 994 200

1 794 200

2 463 161

137,28 %

668 961

1,40

C

/

1 271 026

635 513  (10)

/

635 513  (10)

PT

ALF

3X14-

Alfonsino’s

Wateren van de Unie en internationale wateren van 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 14

164 000

149 034

156 756

105,18 %

7 722

/

A  (8)

/

7 722

7 722

/

/

PT

BUM

ATLANT

Blauwe marlijn

Atlantische Oceaan

50 440

7 076

18 016

254,61 %

10 940

1,00

A

/

16 410

16 410

/

/

PT

RJU

9-C.

Golfrog

Wateren van de Unie van 9

15 000

21 705

24 589

113,29 %

2 884

1,00

/

/

2 884

2 884

/

/

PT

SWO

AN05N

Zwaardvis

Atlantische Oceaan, ten noorden van 5 °N.B.

1 010 390

2 410 390

2 414 333

100,16 %

3 943

/

/

/

3 943

3 943

/

/

SE

MAC

2A34.

Makreel

3a en 4; wateren van de Unie van 2a, 3b, 3c en de deelsectoren 22-32

4 034 000

2 945 203

3 075 839

104,44 %

130 636

/

/

/

130 636

130 636

/

/


(1)  Quota die op grond van de betrokken verordeningen inzake de vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor de lidstaten, rekening houdend met het ruilen van vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22); het overdragen van quota van 2018 naar 2019 overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3) en artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, of het opnieuw toewijzen en verlagen van vangstmogelijkheden overeenkomstig de artikelen 37 en 105 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

(2)  Overeenkomstig artikel 105, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009. Een verlaging gelijk aan de overbevissing * 1,00 geldt in alle gevallen waarbij de overbevissing betrekking heeft op maximaal 100 ton.

(3)  Als vastgesteld in artikel 105, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en mits de overbevissing meer dan 10 % bedraagt.

(4)  Met de letter “A” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingsfactor van 1,5 is toegepast vanwege overbevissing in de opeenvolgende jaren 2017, 2018 en 2019. Met de letter “C” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingsfactor van 1,5 is toegepast omdat het betrokken bestand onder een meerjarenplan valt.

(5)  Resterende hoeveelheden van de voorgaande jaren.

(6)  In 2020 toe te passen verlagingen.

(7)  In 2020 toe te passen verlagingen die daadwerkelijk kunnen worden toegepast gezien het op 10 september 2020 beschikbare quotum.

(8)  Aanvullende vermenigvuldigingsfactor niet van toepassing omdat de overbevissing niet meer dan 10 % van de toegestane aanlandingen bedraagt.

(9)  Hoeveelheden van minder dan 1 ton worden niet in aanmerking genomen.

(10)  Op verzoek van Portugal wordt de verlaging van 1 271 026 kg voor 2020 gelijkelijk gespreid over twee jaar (2020 en 2021).


9.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 414/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/2007 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2020

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode van de werkzame stoffen 1-decanol, 1,4-dimethylnaftaleen, 6-benzyladenine, acequinocyl, Adoxophyes orana granulovirus, aluminiumsulfaat, amisulbrom, Aureobasidium pullulans (stammen DSM 14940 en DSM 14941), azadirachtine, Bacillus pumilus QST 2808, benalaxyl-M, bixafen, bupirimaat, Candida oleophila stam O, chlorantraniliprole, dinatriumfosfonaat, dithianon, dodine, emamectine, flubendiamide, fluometuron, fluxapyroxad, flutriafol, hexythiazox, imazamox, ipconazool, isoxaben, L-ascorbinezuur, Californische pap, sinaasappelolie, Paecilomyces fumosoroseus stam FE9901, pendimethalin, penflufen, penthiopyrad, kaliumfosfonaten, prosulfuron, Pseudomonas sp. stam DSMZ 13134, pyridalyl, pyriofenon, pyroxsulam, quinmerac, S-abscisinezuur, sedaxaan, sintofen, natriumzilver-thiosulfaat, spinetoram, spirotetramaat, Streptomyces lydicus stam WYEC 108, tau-fluvalinaat, tebufenozide, tembotrion, thiencarbazon, valifenalaat, zinkfosfide

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 17, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (2) bevat de werkzame stoffen die worden geacht te zijn goedgekeurd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009, terwijl deel B de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 goedgekeurde werkzame stoffen bevat en deel E de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 goedgekeurde werkzame stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen.

(2)

De goedkeuringen van de werkzame stoffen 1-decanol, 6-benzyladenine, acequinocyl, aluminiumsulfaat, amisulbrom, azadirachtine, bupirimaat, Candida oleophila stam O, chlorantraniliprole, dithianon, dodine, emamectine, flubendiamide, fluometuron, flutriafol, hexythiazox, imazamox, ipconazool, isoxaben, L-ascorbinezuur, Californische pap, sinaasappelolie, Paecilomyces fumosoroseus stam FE9901, pendimethalin, prosulfuron, quinmerac, S-abscisinezuur, sintofen, natriumzilver-thiosulfaat, spinetoram, spirotetramaat, tau-fluvalinaat, tebufenozide, tembotrion, thiencarbazon, valifenalaat en zinkfosfide vervallen tussen 30 april 2024 en 31 oktober 2024. Aangezien Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740 (3) van de Commissie op die werkzame stoffen van toepassing zal zijn en de datum van indiening van het dossier ter ondersteuning van de verlenging van de goedkeuring met drie maanden zal vervroegen, moet echter worden voorzien in een korte verlenging van hun respectieve goedkeuringsperioden om de datum van indiening van het dossier overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (4) te handhaven, aangezien aanvragers tijd nodig hebben om de dossiers in het vereiste formaat voor te bereiden en in te dienen.

(3)

Bovendien blijkt voor emamectine uit de door de aanvrager verstrekte informatie dat de voorbereiding van het verlengingsdossier vertraging heeft opgelopen als gevolg van de COVID-19-pandemie, ondanks de inspanningen van de aanvrager om dergelijke vertragingen te beperken. De aangewezen lidstaat-rapporteur voor emamectine, Nederland, heeft ermee ingestemd om bij wijze van uitzondering tot en met 30 november 2021 aanvragen om verlenging van de goedkeuring overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740 te aanvaarden. Daarom moet de goedkeuringsperiode voor emamectine worden verlengd en worden afgestemd op deze verlengde termijn.

(4)

Voorts blijkt voor chlorantraniliprole uit de door de aanvrager verstrekte informatie dat de voorbereiding van het verlengingsaanvraag vertraging heeft opgelopen als gevolg van de COVID-19-pandemie, ondanks de inspanningen van de aanvrager om dergelijke vertragingen te beperken. De aangewezen lidstaat-rapporteur voor chlorantraniliprole, Ierland, heeft ermee ingestemd om bij wijze van uitzondering tot en met 31 december 2021 aanvragen om verlenging van de goedkeuring overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740 te aanvaarden. Daarom moet de goedkeuringsperiode voor chlorantraniliprole worden verlengd en worden afgestemd op deze verlengde termijn.

(5)

Bij Uitvoeringsbesluit C/2018/3434 van de Commissie (5) is een werkprogramma vastgesteld waarin soortgelijke werkzame stoffen zijn gegroepeerd en prioriteiten zijn gesteld op basis van veiligheidsrisico’s voor de gezondheid van mens en dier of het milieu.

(6)

Met het oog op de waarborging van een evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden en werkzaamheden tussen de lidstaten die als rapporteur of corapporteur optreden en rekening houdend met de middelen die nodig zijn voor beoordeling en besluitvorming, is het passend de goedkeuringsperioden voor bepaalde werkzame stoffen als vastgesteld in Uitvoeringsbesluit C/2018/3434 te verlengen. De goedkeuringsperioden van 1,4 dimethylnaftaleen, Adoxophyes orana granulovirus, Aureobasidium pullulans (stammen DSM 14940 en DSM 14941), Bacillus pumilus QST 2808, benalaxyl-M, Pseudomonas sp. stam DSMZ 13134, pyridalyl, pyriofenon, pyroxsulam en Streptomyces lydicus stam WYEC 108 moeten met één jaar worden verlengd. Om dezelfde redenen is het passend de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen bixafen, Candida oleophila stam O, dinatriumfosfonaat, fluxapyroxad, Paecilomyces fumosoroseus stam FE9901, penflufen, penthiopyrad, kaliumfosfonaten en sedaxaan met respectievelijk één tot drie jaar te verlengen.

(7)

Verordening (EU) nr. 540/2011 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Gezien het doel van artikel 17, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zal de Commissie in gevallen waarin niet uiterlijk drie jaar vóór de respectieve vervaldatum, als vastgesteld in de bijlage bij deze verordening, een aanvraag tot verlenging van de goedkeuring overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740 is ingediend, de vervaldatum opnieuw vaststellen op dezelfde datum als die welke gold vóór de vaststelling van deze verordening of op de vroegst mogelijke datum daarna.

(9)

Gezien het doel van artikel 17, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zal de Commissie in gevallen waarin zij bij verordening bepaalt dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof niet wordt verlengd omdat niet aan de criteria voor goedkeuring wordt voldaan, de vervaldatum vaststellen op dezelfde datum als die welke gold vóór de vaststelling van deze verordening of, indien dat later is, op de datum van vaststelling van de verordening waarbij wordt bepaald dat de goedkeuring van de werkzame stof niet wordt verlengd. In gevallen waarin de Commissie bij verordening bepaalt dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof wordt verlengd, zal de Commissie, wanneer dit aangewezen is, de vroegst mogelijke toepassingsdatum vaststellen.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1740 van de Commissie van 20 november 2020 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (PB L 392 van 23.11.2020, blz. 20).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).

(5)  Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 6 juni 2018 tot vaststelling van een werkprogramma voor de beoordeling van aanvragen voor de verlenging van goedkeuringen van werkzame stoffen die verstrijken in 2022, 2023 en 2024, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad, C/2018/3434 final (PB C 195 van 7.6.2018, blz. 20).


BIJLAGE

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:

Deel A wordt als volgt gewijzigd:

1)

In vermelding 311 (“Quinmerac”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 juli 2024.

2)

In vermelding 314 (“Zinkfosfide”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 juli 2024.

3)

In vermelding 317 (“6-Benzyladenine”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

4)

In vermelding 323 (“Dodine”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

5)

In vermelding 328 (“Tau-fluvalinaat”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

6)

In vermelding 330 (“Bupirimaat”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

7)

In vermelding 333 (“1-Decanol”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

8)

In vermelding 334 (“Isoxaben”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

9)

In vermelding 335 (“Fluometuron”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

10)

In vermelding 341 (“Sintofen”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

11)

In vermelding 343 (“Azadirachtine”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

12)

In vermelding 345 (“Californische pap”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

13)

In vermelding 346 (“Aluminiumsulfaat”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

14)

In vermelding 350 (“Tebufenozide”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

15)

In vermelding 351 (“Dithianon”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

16)

In vermelding 352 (“Hexythiazox”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

17)

In vermelding 353 (“Flutriafol”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 mei 2024 vervangen door 31 augustus 2024.

Deel B wordt als volgt gewijzigd:

1)

In vermelding 24 (“Fluxapyroxad”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 december 2022 vervangen door 31 mei 2025.

2)

In vermelding 26 (“Adoxophyes orana granulovirus”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 januari 2023 vervangen door 31 januari 2024.

3)

In vermelding 37 (“Candida oleophila stam O”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 september 2023 vervangen door 31 december 2024.

4)

In vermelding 39 (“Paecilomyces fumosoroseus stam FE 9901”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 september 2023 vervangen door 31 december 2024.

5)

In vermelding 40 (“Kaliumfosfonaten”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 september 2023 vervangen door 31 januari 2026.

6)

In vermelding 43 (“Bixafen”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 september 2023 vervangen door 31 mei 2025.

7)

In vermelding 48 (“Sedaxaan”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 januari 2024 vervangen door 31 mei 2025.

8)

In vermelding 49 (“Emamectine”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 30 november 2024.

9)

In vermelding 50 (“Pseudomonas sp. stam DSMZ 13134”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 januari 2024 vervangen door 31 januari 2025.

10)

In vermelding 52 (“Aureobasidium pullulans (stammen DSM 14940 en DSM 14941)”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 januari 2024 vervangen door 31 januari 2025.

11)

In vermelding 53 (“Pyriofenon”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 januari 2024 vervangen door 31 januari 2025.

12)

In vermelding 54 (“Dinatriumfosfonaat”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 januari 2024 vervangen door 31 januari 2026.

13)

In vermelding 55 (“Penflufen”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 januari 2024 vervangen door 31 mei 2025.

14)

In vermelding 56 (“Sinaasappelolie”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 juli 2024.

15)

In vermelding 57 (“Penthiopyrad”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 mei 2025.

16)

In vermelding 58 (“Benalaxyl-M”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 30 april 2025.

17)

In vermelding 59 (“Tembotrion”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 juli 2024.

18)

In vermelding 60 (“Spirotetramat”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 juli 2024.

19)

In vermelding 61 (“Pyroxsulam”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 30 april 2025.

20)

In vermelding 62 (“Chlorantraniliprole”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 december 2024.

21)

In vermelding 63 (“Natriumzilver-thiosulfaat”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 juli 2024.

22)

In vermelding 64 (“Pyridalyl”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 juni 2025.

23)

In vermelding 68 (“1,4-dimethylnaftaleen”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 juni 2025.

24)

In vermelding 69 (“Amisulbrom”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 september 2024.

25)

In vermelding 65 (“S-abscisinezuur”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 september 2024.

26)

In vermelding 66 (“L-ascorbinezuur”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 september 2024.

27)

In vermelding 67 (“Spinetoram”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 september 2024.

28)

In vermelding 70 (“Valifenalaat”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 september 2024.

29)

In vermelding 71 (“Thiencarbazon”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 juni 2024 vervangen door 30 september 2024.

30)

In vermelding 72 (“Acequinocyl”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 augustus 2024 vervangen door 30 november 2024.

31)

In vermelding 73 (“Ipconazool”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 augustus 2024 vervangen door 30 november 2024.

32)

In vermelding 74 (“Flubendiamide”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 augustus 2024 vervangen door 30 november 2024.

33)

In vermelding 75 (“Bacillus pumilus QST 2808”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 augustus 2024 vervangen door 31 augustus 2025.

34)

In vermelding 79 (“Streptomyces lydicus stam WYEC 108”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 december 2024 vervangen door 31 december 2025.

Deel E wordt als volgt gewijzigd:

1)

In vermelding 6 (“Prosulfuron”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 30 april 2024 vervangen door 31 juli 2024.

2)

In vermelding 7 (“Pendimethalin”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 augustus 2024 vervangen door 30 november 2024.

3)

In vermelding 8 (“Imazamox”), zesde kolom (“Geldigheidsduur”), wordt 31 oktober 2024 vervangen door 31 januari 2025.


9.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 414/15


VERORDENING (EU) 2020/2008 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2020

tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 702/2014, (EU) nr. 717/2014 en (EU) nr. 1388/2014 wat betreft de periode van toepassing ervan en andere desbetreffende aanpassingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 4,

Gezien Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen (1), en met name artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1,

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie (2) is tot en met 31 december 2020 van toepassing.

(2)

Op 8 september 2018 is de Commissie gestart met een evaluatie van Verordening (EU) nr. 702/2014 met het oog op de vervanging ervan door een nieuwe verordening voor de periode 2021-2027. Bij het opstellen van die nieuwe verordening moet echter rekening worden gehouden met de ontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Van bijzonder belang is het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het GLB opstellen (3), dat voorziet in de uitvoering van de strategische GLB-plannen door de lidstaten vanaf 1 januari 2021.

(3)

De wetgevingsprocedure betreffende de GLB-hervorming is echter nog gaande en het rechtskader, inclusief de daaruit voortvloeiende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, zullen niet onmiddellijk worden goedgekeurd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun staatssteunregelingen kunnen blijven vrijstellen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 702/2014 en dat de evaluatie ervan kan worden afgerond na de goedkeuring van de GLB-hervorming, moet de periode van toepassing van Verordening (EU) nr. 702/2014 worden verlengd tot en met 31 december 2022.

(5)

De Verordeningen (EU) nr. 717/2014 (4) en (EU) nr. 1388/2014 (5) van de Commissie zijn ook van toepassing tot en met 31 december 2020.

(6)

Op 29 april 2019 en op 2 mei 2019 is de Commissie gestart met een evaluatie van respectievelijk Verordening (EU) nr. 717/2014 en Verordening (EU) nr. 1388/2014 met het oog op de vervanging ervan door nieuwe verordeningen voor de periode 2021-2027. Die verordeningen moeten coherent en in overeenstemming blijven met andere regels die van belang zijn voor de beoordeling van staatssteun in de visserij- en aquacultuursector, en met name met de verordening inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) (6). Van bijzonder belang is het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het EFMZV, dat voorziet in de oprichting van het EFMZV vanaf 1 januari 2021 (7). De wetgevingsprocedure betreffende het EFMZV loopt echter nog. Om ervoor te zorgen dat de lidstaten kleine steunbedragen kunnen blijven toekennen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 717/2014 en hun staatssteunregelingen kunnen blijven vrijstellen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1388/2014, en dat de evaluatie van die verordeningen kan worden afgerond na de goedkeuring van de hervorming van het EFMZV, moet de periode van toepassing van de Verordeningen (EU) nr. 717/2014 en (EU) nr. 1388/2014 worden verlengd tot en met 31 december 2022.

(7)

Nu de toepassingsperiodes van de Verordeningen (EU) nr. 702/2014 en (EU) nr. 1388/2014 worden verlengd, is het mogelijk dat sommige lidstaten maatregelen willen verlengen waarover overeenkomstig die verordeningen beknopte informatie is verstrekt. Om de administratieve lasten te beperken, moet beknopte informatie over de verlenging van die maatregelen, waaronder een eventuele budgetverhoging, worden geacht aan de Commissie te zijn meegedeeld en bekendgemaakt, voor zover er in de betrokken maatregelen geen belangrijke wijziging is aangebracht.

(8)

De Verordeningen (EU) nr. 702/2014 en (EU) nr. 1388/2014 moeten worden aangepast om rekening te houden met de economische en financiële gevolgen die de COVID-19-pandemie heeft gehad voor ondernemingen, en om te zorgen voor samenhang met de algemene beleidsrespons van de Commissie, in het bijzonder in de periode 2020-2021. Met name moeten ondernemingen die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden maar in moeilijkheden kwamen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2021, voor steun in aanmerking blijven komen op grond van die verordeningen.

(9)

Artikel 1 en de artikelen 13 tot en met 43 van Verordening (EU) nr. 1388/2014 bevatten verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 508/2014 (EFMZV-verordening) om niet-subsidiabele concrete acties en de voorwaarden voor steunverlening in het kader van die bepalingen te definiëren. Om de rechtszekerheid te waarborgen gedurende de verlengde toepassingsperiode van Verordening (EU) nr. 1388/2014, moeten die verwijzingen worden begrepen als verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 508/2014 in de versie die van toepassing is op 31 december 2020, ongeacht of die verordening wordt ingetrokken.

(10)

De Verordeningen (EU) nr. 702/2014, (EU) nr. 717/2014 en (EU) nr. 1388/2014 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Om de continuïteit voor bestaande steun in het kader van de Verordeningen (EU) nr. 702/2014, (EU) nr. 717/2014 en (EU) nr. 1388/2014 te waarborgen en ervoor te zorgen dat ondernemingen die op of na 1 januari 2020 als gevolg van de COVID-19-pandemie ondernemingen in moeilijkheden zijn geworden, voor steun in aanmerking komen vanaf 1 januari 2020, moet deze verordening zo spoedig mogelijk na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 702/2014

Verordening (EU) nr. 702/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, lid 6, wordt het volgende punt c) toegevoegd:

“c)

steun voor ondernemingen die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden, maar in moeilijkheden kwamen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2021.”.

2)

In artikel 9 wordt het volgende lid 8 toegevoegd:

“8.   In afwijking van de leden 1, 2 en 6 wordt, ingeval een lidstaat maatregelen wil verlengen waarover beknopte informatie is ingediend bij de Commissie, de beknopte informatie over de verlenging van die maatregelen geacht aan de Commissie te zijn meegedeeld en bekend te zijn gemaakt, voor zover er in de betrokken maatregelen geen andere belangrijke wijziging dan een budgetverhoging is aangebracht.”.

3)

In artikel 52 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Zij is van toepassing tot en met 31 december 2022.”.

Artikel 2

Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 717/2014

In artikel 8 van Verordening (EU) nr. 717/2014 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Zij is van toepassing tot en met 31 december 2022.”.

Artikel 3

Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 1388/2014

Verordening (EU) nr. 1388/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, lid 3, wordt punt d) vervangen door:

“d)

steun voor ondernemingen in moeilijkheden, met uitzondering van steun voor het herstel van door natuurrampen veroorzaakte schade, en steun voor ondernemingen die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden, maar in moeilijkheden kwamen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2021;”.

2)

Het volgende artikel 11 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 11 bis

Afwijking van de informatie- en bekendmakingsvereisten

In afwijking van artikel 9, lid 5, en artikel 11, onder a), wordt, ingeval een lidstaat maatregelen wil verlengen waarover beknopte informatie is ingediend bij de Commissie, de beknopte informatie over de verlenging van die maatregelen geacht aan de Commissie te zijn meegedeeld en bekend te zijn gemaakt, voor zover er in de betrokken maatregelen geen andere belangrijke wijziging dan een budgetverhoging is aangebracht.”.

3)

In artikel 47 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Zij is van toepassing tot en met 31 december 2022.”.

Artikel 4

Toepassing van verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 508/2014 in Verordening (EU) nr. 1388/2014

De verwijzingen naar de bepalingen van Verordening (EU) nr. 508/2014 in artikel 1 en de artikelen 13 tot en met 43 van Verordening (EU) nr. 1388/2014 worden begrepen als verwijzingen naar de versie van die bepalingen die van toepassing is op 31 december 2020, ongeacht of die verordening wordt ingetrokken.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 248 van 24.9.2015, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 193 van 1.7.2014, blz. 1).

(3)  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2018) 392 final).

(4)  Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45).

(5)  Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 369 van 24.12.2014, blz. 37).

(6)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(7)  Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2018) 390 final).


BESLUITEN

9.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 414/19


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/2009 VAN DE COMMISSIE

van 22 juni 2020

tot vaststelling, op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies, van de conclusies inzake de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) voor oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen, met inbegrip van de conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 4050)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (1), en met name artikel 13, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden voor installaties als bedoeld in hoofdstuk II van Richtlijn 2010/75/EU, en de bevoegde autoriteiten moeten emissiegrenswaarden vaststellen die waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de BBT-conclusies.

(2)

Het bij besluit van de Commissie van 16 mei 2011 (2) opgerichte forum, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken industrietakken en niet-gouvernementele organisaties voor bescherming van het milieu, heeft zijn advies omtrent de voorgestelde inhoud van het BBT-referentiedocument voor oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen, met inbegrip van de conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen, op 18 november 2019 bij de Commissie ingediend. Dat advies is publiekelijk toegankelijk.

(3)

De in de bijlage bij dit besluit opgenomen BBT-conclusies vormen het belangrijkste bestanddeel van dat BBT-referentiedocument.

(4)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De conclusies voor de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) voor oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen, met inbegrip van de conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen, als vervat in de bijlage, worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 juni 2020.

Voor de Commissie

Virginijus SINKEVIČIUS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.

(2)  Besluit van de Commissie van 16 mei 2011 tot oprichting van een forum voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (PB C 146 van 17.5.2011, blz. 3).


BIJLAGE

Conclusies inzake de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) voor oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen, met inbegrip van de conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen

TOEPASSINGSGEBIED

Deze BBT-conclusies hebben betrekking op de volgende in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU omschreven activiteiten:

6.7:

De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer dan 200 t per jaar.

6.10:

De conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken.

6.11:

Een niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG vallende zelfstandig geëxploiteerde behandeling van afvalwater, mits de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de in bijlage I, punt 6.7 of 6.10, bij Richtlijn 2010/75/EU genoemde activiteiten.

Deze BBT-conclusies hebben ook betrekking op de gecombineerde behandeling van afvalwater van andere bronnen, mits de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de in bijlage I, punt 6.7 of 6.10, bij Richtlijn 2010/75/EU genoemde activiteiten en die afwaterbehandeling niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad (1) valt.

Deze BBT-conclusies hebben geen betrekking op:

voor oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen:

het waterdicht maken van textiel met behulp van andere middelen dan het gebruik van een op oplosmiddelbasis ononderbroken laag. Dit kan vallen onder de BBT-conclusies voor de textielindustrie (TXT);

het bedrukken, sterken en impregneren van textiel. Dit kan vallen onder de BBT-conclusies voor de textielindustrie (TXT);

het lamineren van platen en panelen op basis van hout;

de bewerking van rubber;

de vervaardiging van coating mengsels, lak, verf, inkt, halfgeleiders, kleefstoffen of farmaceutische producten;

stookinstallaties ter plekke, tenzij de geproduceerde hete gassen worden gebruikt voor het via direct contact verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen. Deze kunnen vallen onder de BBT-conclusies voor grote verbrandingsinstallaties (LCP) of onder Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad (2);

voor de conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen:

chemische modificatie en hydrofobering (bv. met behulp van harsen) van hout en houtproducten;

sapvlekbehandeling van hout en houtproducten;

ammoniakbehandeling van hout en houtproducten;

locatiegebonden stookinstallaties. Deze kunnen vallen onder de BBT-conclusies voor grote verbrandingsinstallaties (LCP) of onder Richtlijn (EU) 2015/2193.

Andere BBT-conclusies en referentiedocumenten die relevant kunnen zijn voor de activiteiten waarop deze BBT-conclusies betrekking hebben:

economische aspecten en cross-media-effecten (ECM);

emissies uit opslag (EFS, Emissions from Storage);

energie-efficiëntie (ENE);

afvalverwerking (WT, Waste Treatment);

grote stookinstallaties (LCP, Large Combustion Plants);

oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen (STM, Surface Treatment of Metals and Plastics);

monitoring van emissies naar lucht en water afkomstig van RIE-installaties (ROM, Reference Report on Monitoring of Emissions from IED Installations).

DEFINITIES

Voor de toepassing van deze BBT-conclusies gelden de volgende definities:

Algemene termen

Gebruikte term

Definitie

Grondlaag

Verf die, eenmaal op een substraat aangebracht, bepalend is voor de kleur en het effect (bv. metaalglans, parelmoer).

Batchlozing

Het lozen van een zekere hoeveelheid vastgehouden water.

Transparante coating

Coatingmateriaal dat, wanneer het op een substraat wordt aangebracht, een stevige transparante laag vormt met beschermende, decoratieve of specifieke technische eigenschappen.

Combilijn

Proceslijn waar thermisch verzinken en continu verven (coil coating) wordt gecombineerd.

Continue meting

Meting met een permanent ter plaatse geïnstalleerd geautomatiseerd meetsysteem om emissies continu te monitoren, volgens EN 14181.

Directe lozing

Lozing in een ontvangend waterlichaam zonder verdere stroomafwaartse afvalwaterbehandeling.

Emissiefactoren

Coëfficiënten die gebruikt kunnen worden om emissies te schatten, door ze met bekende gegevens, zoals installatie-, proces- of verwerkte hoeveelheid gegevens te vermenigvuldigen.

Bestaande installatie

Een installatie die geen nieuwe installatie is.

Diffuse emissies

Diffuse emissies als gedefinieerd in artikel 57, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU.

Creosoot van klasse B of C

Soorten creosoot waarvoor in EN 13991 specificaties zijn opgenomen.

Indirecte lozing

Een lozing die geen directe lozing is.

Wezenlijke verbetering van een installatie

Een wezenlijke wijziging in het ontwerp of de technologie van een installatie, met grote aanpassingen of vervangingen van de proces- en/of nabehandelingstechnieken en de bijbehorende apparatuur.

Nieuwe installatie

Een installatie waarvoor na de publicatie van deze BBT-conclusies de eerste vergunning wordt afgegeven of een volledige vervanging van een installatie na de publicatie van deze BBT-conclusies.

Procesafgas

Het van een proces, apparaat of gebied afkomstig gas dat hetzij ter behandeling wordt doorgeleid, dan wel rechtstreeks in de lucht wordt uitgestoten via een schoorsteen.

Organische verbinding

Organische verbinding zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 44, van Richtlijn 2010/75/EU.

Organisch oplosmiddel

Organisch oplosmiddel zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 46, van Richtlijn 2010/75/EU.

Installatie

Alle delen van een installatie waar een van de in punt 6.7 of 6.10 van bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU vermelde activiteiten plaatsvinden, of enige andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten die gevolgen hebben voor het verbruik en/of de emissies.

Installaties kunnen nieuwe installaties of bestaande installaties zijn.

Primer

Verf die is ontworpen om te worden gebruikt als een laag op een voorbereid oppervlak om goede adhesie te bieden, de eronder liggende lagen te beschermen en onregelmatigheden in het oppervlak op te vullen.

Sector

Alle oppervlaktebehandelingswerkzaamheden die in punt 6.7 van bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU worden genoemd en waarnaar in punt 1 van deze BBT-conclusies wordt verwezen.

Gevoelige receptor

Zone waar speciale bescherming nodig is, zoals:

woonzones;

zones waar menselijke activiteiten worden verricht (bv. aangrenzende werkplekken, scholen, kinderdagverblijven, recreatiegebieden, ziekenhuizen of verpleegtehuizen).

Input aan vaste massa

De totale massa aan gebruikte vaste stoffen als omschreven in deel 5, punt 3, onder a), i), van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU.

Oplosmiddel

Met “oplosmiddel” wordt “organisch oplosmiddel” bedoeld.

Input aan oplosmiddelen

De totale hoeveelheid gebruikte organische oplosmiddelen als omschreven in deel 7, punt 3, onder b), van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU.

Op oplosmiddelbasis

Type verf, inkt of ander coatingmateriaal waarbij gebruik wordt gemaakt van een of meer oplosmiddelen als drager. Bij de conservering van hout en houtproducten wordt hiermee het type behandelingschemicaliën bedoeld.

Mengsel op oplosmiddelbasis

Coating op oplosmiddelbasis, waarbij een van de coatinglagen op waterbasis is.

Massabalans van de oplosmiddelen

Een massabalansbepaling die ten minste eenmaal per jaar wordt uitgevoerd overeenkomstig deel 7 van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU.

Afstromend water

Van neerslag afkomstig water dat stroomt over land of ondoordringbare oppervlakken zoals verharde straten en opslagterreinen, daken enz., zonder in de grond door te dringen.

Totale emissies

De som van diffuse emissies en emissies in afgassen zoals gedefinieerd in artikel 57, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU.

Behandelingschemicaliën

Chemische stoffen die worden gebruikt voor de conservering van hout en houtproducten, zoals biociden, chemicaliën voor het waterdicht maken (bv. olie, emulsies) en vlamvertragers. Ook de drager van de werkzame stoffen (bv. water, oplosmiddel) wordt hiertoe gerekend.

Geldig (half)uurgemiddelde

Een (half)uurgemiddelde wordt als geldig beschouwd wanneer er geen sprake is van onderhoud of storing van het geautomatiseerde meetsysteem.

Afgassen

Afgassen zoals gedefinieerd in artikel 57, lid 2, van Richtlijn 2010/75/EU.

Op waterbasis

Type verf, inkt of ander coatingmateriaal waarbij het gehalte aan oplosmiddelen geheel of gedeeltelijk door water is vervangen. Bij de conservering van hout en houtproducten wordt hiermee het type behandelingschemicaliën bedoeld.

Conservering van hout

Activiteiten die tot doel hebben hout en houtproducten te beschermen tegen de schadelijke effecten van schimmels, bacteriën, insecten, water, weer of brand; de structurele integriteit op de lange termijn te behouden; en de resistentie van hout en houtproducten te verbeteren.


Verontreinigende stoffen en parameters

Gebruikte term

Definitie

AOX

Adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als Cl, met inbegrip van adsorbeerbare organische chloor-, broom- en jodiumverbindingen.

CO

Koolmonoxide.

CZV

Chemisch zuurstofverbruik. De hoeveelheid zuurstof die nodig is voor de algehele chemische oxidatie van organisch materiaal tot koolstofdioxide met behulp van dichromaat. Het CZV is een indicator voor de massaconcentratie van organische verbindingen.

Chroom

Chroom, uitgedrukt als Cr, met inbegrip van alle anorganische en organische chroomverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

DMF

N,N-dimethylformamide.

Stof

Totaal aan vaste deeltjes (in lucht).

F-

Fluoride.

Zeswaardig chroom

Zeswaardig chroom, uitgedrukt als Cr(VI), met inbegrip van alle chroomverbindingen waarbij chroom de oxidatietoestand 6+ heeft (opgelost of aan deeltjes gebonden).

HOI

(Hydrocarbon Oil Index) Minerale-olie-index. De som van de verbindingen die met een koolwaterstofoplosmiddel kunnen worden geëxtraheerd (waaronder alifatische, alicyclische, aromatische of alkylgesubstitueerde aromatische koolwaterstoffen, met lange keten of vertakt).

IPA

Isopropylalcohol: propaan-2-ol (ook bekend als “isopropanol”).

Nikkel

Nikkel, uitgedrukt als Ni, met inbegrip van alle anorganische en organische nikkelverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

NOx

De som van stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt als NO2.

PAK’s

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen.

TOC

(Total Organic Carbon) Totaal aan organische koolstof, uitgedrukt als C (in water).

TVOC

(Total volatile organic carbon) Totaal aan vluchtige organische koolstof, uitgedrukt als C (in lucht).

TSS

(Total Suspended Solids) Totaal aan zwevende deeltjes. Massaconcentratie van alle zwevende deeltjes (in water), gemeten met behulp van filtratie door glasvezelfilters en gravimetrie.

VOS

Vluchtige organische stof zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 45, van Richtlijn 2010/75/EU.

Zink

Zink, uitgedrukt als Zn, met inbegrip van alle anorganische en organische zinkverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

ACRONIEMEN

In deze BBT-conclusies worden de volgende afkortingen (en informele namen) gebruikt:

Afkorting

Definitie

Biocidenverordening

Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

DWI

(Drawn and Wall Ironed) Dungetrokken (m.b.t. een type blik in de metaalverpakkingsindustrie).

MBS

Milieubeheersysteem.

RIE

Richtlijn inzake industriële emissies (2010/75/EU).

IR

Infrarood.

LEL

(Lower Explosive Limit) Onderste explosiegrens — de laagste concentratie (percentage) in lucht van een gas dat of damp die in aanwezigheid van een ontstekingsbron een wolkvlam kan veroorzaken. Concentraties onder de LEL zijn “te ijl” om te branden. Ook bekend als de ondergrens van het ontvlambaarheidsinterval (LFL, lower flammable limit).

OTNOC

(Other Than Normal Operating Conditions) Andere dan normale bedrijfsomstandigheden.

STS

(Surface Treatment using organic Solvents) Oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen.

UV

Ultraviolet.

WPC

(Preservation of wood and Wood Products with Chemicals) Conservering van hout en houtproducten met chemische stoffen.

ALGEMENE OVERWEGINGEN

Beste beschikbare technieken

De technieken die in deze BBT-conclusies worden vermeld en beschreven, zijn prescriptief noch limitatief. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van milieubescherming waarborgen.

Tenzij anders aangegeven, zijn deze BBT-conclusies algemeen toepasbaar.

Met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s)

BBT-GEN’s voor totale en diffuse VOS-emissies

In deze BBT-conclusies worden de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies van totaal VOS uitgedrukt als:

een specifieke emissiebelasting, berekend als jaarlijkse gemiddelden door de totale emissie aan VOS (zoals berekend door de massabalans van de oplosmiddelen) te delen door een sectorafhankelijke productie-input- (of verwerkte hoeveelheid)parameter, of

als een percentage van de input aan oplosmiddelen, berekend als jaarlijkse gemiddelden overeenkomstig deel 7, punt 3, onder b), i), van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU.

Voor diffuse VOS-emissies worden de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) in deze BBT-conclusies uitgedrukt als percentage van de input aan oplosmiddelen, berekend als jaarlijkse gemiddelden overeenkomstig deel 7, punt 3, onder b), i), van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU.

BBT-GEN’s en indicatieve emissieniveaus voor emissies in afgassen

De in deze BBT-conclusies vermelde, met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) en indicatieve emissieniveaus voor emissies in afgassen hebben betrekking op concentraties uitgedrukt als massa uitgestoten stoffen per volume afgas onder de volgende standaardomstandigheden: droog gas bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa, zonder correctie voor zuurstofgehalte, en uitgedrukt in mg/Nm3.

Voor de middelingstijden van BBT-GEN’s en indicatieve emissieniveaus voor emissies in afgassen gelden de volgende definities.

Type meting

Middelingstijd

Definitie

Continu

Daggemiddelde

Gemiddelde over een periode van één dag op basis van geldige uur- of halfuurgemiddelden.

Periodiek

Gemiddelde over de bemonsteringsperiode

Gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van elk ten minste 30 minuten  (3).

BBT-GEN’s voor emissies naar water

In deze BBT-conclusies hebben de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies naar water betrekking op concentraties (massa uitgestoten stof per volume water) uitgedrukt in mg/l.

De met de BBT-GEN’s geassocieerde middelingstijden hebben betrekking op een van de volgende twee gevallen:

in geval van continue lozingen, daggemiddelde waarden, d.w.z. op debietproportionele 24 uur-mengmonsters;

in het geval van batchlozingen, gemiddelde waarden over de duur van de lozing, genomen als debietproportionele mengmonsters.

Tijdsproportionele mengmonsters kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat een toereikende stabiliteit van het debiet is aangetoond. Als alternatief mogen steekmonsters worden genomen, op voorwaarde dat het effluent voldoende gemengd en homogeen is. Steekmonsters worden genomen als het monster met betrekking tot de te meten parameter instabiel is. Alle BBT-GEN’s voor emissies naar water gelden op het punt waar de emissie de installatie verlaat.

Overige milieuprestatieniveaus

De met beste beschikbare technieken geassocieerde specifieke energieverbruiksniveaus (energie-efficiëntieniveaus) (BBT-GMPN’s)

De milieuprestatieniveaus op het gebied van specifiek energieverbruik hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule:

Image 1

waarbij

energieverbruik

:

de totale hoeveelheid warmte (door primaire energiebronnen geproduceerd) en elektriciteit die door de installatie wordt verbruikt, zoals gedefinieerd in het energie-efficiëntieplan (zie BBT 19, onder a)), uitgedrukt in MWh/jaar;

activiteitsgraad

:

de totale hoeveelheid in of door de installatie verwerkte producten, uitgedrukt in voor de sector passende eenheden (bv. kg/jaar, m2/jaar, aantal gecoate voertuigen/jaar).

De met beste beschikbare technieken geassocieerde specifieke waterverbruiksniveaus (BBT-GMPN’s)

De milieuprestatieniveaus op het gebied van specifiek waterverbruik hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule:

Image 2

waarbij

waterverbruik

:

de totale hoeveelheid bij de activiteiten in de installatie gebruikte water, exclusief gerecycleerd en hergebruikt water, water in koelsystemen met doorloop, en water voor huishoudelijk of soortgelijk gebruik, uitgedrukt in l/jaar of m3/jaar;

activiteitsgraad

:

de totale hoeveelheid in of door de installatie verwerkte producten, uitgedrukt in voor de sector passende eenheden (bv. m2 bandgelakt materiaal/jaar, aantal gecoate voertuigen/jaar, duizend blikken/jaar).

Indicatieve niveaus voor specifieke hoeveelheid van de locatie verwijderde afval

De indicatieve niveaus voor de specifieke hoeveelheid van de locatie verwijderde afval hebben betrekking op jaarlijkse gemiddelden die zijn berekend met behulp van de volgende vergelijking:

Image 3

waarbij

hoeveelheid van de locatie verwijderde afval

:

de totale hoeveelheid van de installatie verwijderde afval, uitgedrukt in kg/jaar;

activiteitsgraad

:

de totale hoeveelheid in of door de installatie verwerkte producten, uitgedrukt in het aantal gecoate voertuigen/jaar.

1   BBT-CONCLUSIES VOOR OPPERVLAKTEBEHANDELING MET BEHULP VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN

1.1.   Algemene BBT-conclusies

1.1.1.   Milieubeheersystemen

BBT 1.   De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren, is het opstellen en uitvoeren van een milieubeheersysteem waarin de volgende elementen zijn opgenomen:

i)

betrokkenheid, leiderschap en verantwoordingsplicht van het management, met inbegrip van het hoger management, bij de uitvoering van een effectief milieubeheersysteem;

ii)

een analyse waarin onder meer de context van de organisatie wordt vastgesteld, de behoeften en verwachtingen van de betrokken partijen worden bepaald, en de kenmerken van de installatie in verband met mogelijke risico’s voor het milieu (of de menselijke gezondheid), alsmede de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften worden vastgesteld;

iii)

ontwikkeling van een milieubeleid dat de continue verbetering van de milieuprestaties van de installatie omvat;

iv)

vaststelling van doelstellingen en prestatie-indicatoren met betrekking tot belangrijke milieuaspecten, met inbegrip van het waarborgen van de naleving van toepasselijke wettelijke voorschriften;

v)

planning en uitvoering van de nodige procedures en maatregelen (met inbegrip van corrigerende en preventieve maatregelen, indien nodig) om de milieudoelstellingen te verwezenlijken en milieurisico’s te vermijden;

vi)

vaststelling van structuren, taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot milieuaspecten en -doelstellingen en beschikbaarstelling van de benodigde financiële en personele middelen;

vii)

waarborging van het vereiste niveau van deskundigheid en bewustzijn van werknemers wier werkzaamheden van invloed kunnen zijn op de milieuprestaties van de installatie (bv. door het aanbieden van informatie en opleiding);

viii)

interne en externe communicatie;

ix)

bevordering van de betrokkenheid van werknemers bij goede milieubeheerpraktijken;

x)

het opstellen en actueel houden van een beheerhandleiding en schriftelijke procedures voor de controle van activiteiten met aanzienlijke milieueffecten, alsmede van relevante gegevens;

xi)

doeltreffende operationele planning en procesbeheersing;

xii)

uitvoering van geschikte onderhoudsprogramma’s;

xiii)

paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen, met inbegrip van het voorkomen en/of beperken van de nadelige (milieu-)effecten van noodsituaties;

xiv)

het bij het (her)ontwerpen van een (nieuwe) installatie of een onderdeel daarvan in aanmerking nemen van de milieueffecten ervan gedurende de hele levensduur, inclusief de bouw, het onderhoud, de exploitatie en de ontmanteling ervan;

xv)

uitvoering van een monitoring- en meetprogramma; indien nodig is hierover informatie te vinden in het referentiedocument inzake de monitoring van emissies naar lucht en water afkomstig van installaties die vallen onder de richtlijn industriële emissies;

xvi)

op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren;

xvii)

periodieke interne (en voor zover praktisch haalbaar) onafhankelijke audits, en periodieke externe onafhankelijke audits, om de milieuprestaties te beoordelen en vast te stellen of het milieubeheersysteem al dan niet aan de geplande regelingen voldoet en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;

xviii)

evaluatie van de oorzaken van gevallen van niet-naleving, uitvoering van corrigerende maatregelen naar aanleiding van gevallen van niet-naleving, beoordeling van de doeltreffendheid van corrigerende maatregelen en vaststelling of soortgelijke gevallen van niet-naleving bestaan of zouden kunnen optreden;

xix)

periodieke evaluatie door het hoger management van het milieubeheersysteem en de blijvende geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan;

xx)

het volgen en in aanmerking nemen van de ontwikkeling van schonere technieken.

Specifiek voor oppervlaktebehandeling met behulp van organische oplosmiddelen is de BBT om ook de volgende elementen in het milieubeheersysteem op te nemen:

i)

interactie met kwaliteitscontrole en -borging en overwegingen op het gebied van gezondheid en veiligheid.

ii)

planning om de ecologische voetafdruk van een installatie te verkleinen. Dit houdt met name het volgende in:

a)

het beoordelen van de algehele milieuprestaties van de installatie (zie BBT 2);

b)

het rekening houden met cross-media-effecten, met name de handhaving van een goed evenwicht tussen vermindering van de uitstoot van oplosmiddelen en het verbruik van energie (zie BBT 19), water (zie BBT 20) en grondstoffen (zie BBT 6);

c)

het verminderen van de VOS-emissies van reinigingsprocessen (zie BBT 9);

iii)

het opnemen van:

a)

een plan voor het voorkomen en onder controle houden van lekken en morsen (zie BBT 5, onder a));

b)

een grondstoffenevaluatiesysteem om grondstoffen met een gering milieueffect te gebruiken en een plan om het gebruik van oplosmiddelen in het proces te optimaliseren (zie BBT 3);

c)

een massabalans van de oplosmiddelen (zie BBT 10);

d)

een onderhoudsprogramma om de frequentie en de gevolgen voor het milieu van andere dan normale bedrijfsomstandigheden te beperken (zie BBT 13);

e)

een energie-efficiëntieplan (zie BBT 19, onder a)).

f)

een waterbeheersplan (zie BBT 20, onder a));

g)

een afvalbeheersplan (zie BBT 22, onder a));

h)

een geurbeheersplan (zie BBT 23).

Opmerking

Bij Verordening (EG) nr. 1221/2009 is het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Europese Unie (EMAS) vastgesteld, wat een voorbeeld van een milieubeheersysteem is dat in overeenstemming is met deze BBT.

Toepasbaarheid

De mate van gedetailleerdheid en formalisering van het milieubeheersysteem is over het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan.

1.1.2.   Algehele milieuprestaties

BBT 2.   De BBT om de algehele milieuprestaties van de installatie, met name wat de VOS-emissies en het energieverbruik betreft, te verbeteren is:

de proceszones/-trajecten/-stappen te identificeren die de grootste bijdrage leveren aan de VOS-emissies en het energieverbruik en waar de grootste verbeteringen kunnen worden geboekt (zie ook BBT 1);

acties te identificeren om de VOS-emissies en het energieverbruik tot een minimum te beperken, en deze uit te voeren;

de situatie regelmatig (ten minste eenmaal per jaar) te herzien en te zorgen voor opvolging van de vastgestelde acties.

1.1.3.   Selectie van grondstoffen

BBT 3.   De BBT om de milieueffecten van de gebruikte grondstoffen te voorkomen of te verminderen, is de toepassing van beide onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Gebruik van grondstoffen met een gering milieueffect

Systematische evaluatie, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1), van de negatieve milieueffecten van de gebruikte materialen (in het bijzonder stoffen die kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn, alsmede stoffen die zeer zorgwekkend zijn) en, voor zover mogelijk, vervanging daarvan door stoffen die geen of minder gevolgen voor het milieu en de gezondheid hebben, rekening houdend met de productkwaliteitseisen of -specificaties.

Algemeen toepasbaar.

De reikwijdte (bv. de mate van gedetailleerdheid) en de aard van de evaluatie is over het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie en van de verschillende mogelijke milieueffecten, en aan de soorten en hoeveelheden gebruikte materialen.

b)

Optimalisering van het gebruik van oplosmiddelen in het proces

Optimalisering van het gebruik van oplosmiddelen in het proces door middel van een beheersplan (als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1)) dat erop gericht is de acties te identificeren die nodig zijn, en die acties uit te voeren (bv. werken met kleurpartijen en optimaliseren van spuitverstuiving).

Algemeen toepasbaar.

BBT 4.   De BBT om het verbruik van oplosmiddelen, de VOS-emissies en het totale milieueffect van de gebruikte grondstoffen te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Gebruik van coatings/lak/inkt/kleefstoffen op oplosmiddelbasis met een hoog gehalte aan vaste stoffen

Gebruik van verf, coatings, vloeibare inkt, lak en kleefstoffen met weinig oplosmiddelen en een verhoogd gehalte aan vaste stoffen.

De keuze van de technieken voor oppervlaktebehandeling kunnen beperkt worden door het type activiteit, het type en de vorm van het substraat, de kwaliteitseisen voor de producten en de noodzaak om ervoor te zorgen dat de gebruikte materialen, de coatingstechnieken, de drogings-/uithardingstechnieken en de afgasbehandelingssystemen onderling compatibel zijn.

b)

Gebruik van verf/coatings/inkt/vernis/kleefstoffen op waterbasis

Gebruik van verf, coatings, vloeibare inkt, lak en kleefstoffen waarbij het organische oplosmiddel gedeeltelijk door water is vervangen.

c)

Gebruik van inkt/coatings/verf/lak/kleefstoffen die door straling gehard kunnen worden

Gebruik van verf, coatings, vloeibare inkt, lak en kleefstoffen die gehard kunnen worden door het activeren van bepaalde chemische groepen met UV- of IR-straling of snelle elektronen, zonder warmte en zonder VOS-emissies.

d)

Gebruik van oplosmiddelvrije tweecomponent-kleefstoffen

Het gebruik van oplosmiddelvrije tweecomponent-kleefstoffen, bestaande uit een hars en een hardingsmiddel.

e)

Gebruik van smeltlijm

Het aanbrengen van een lijmcoating gemaakt door de warme extrusie van synthetisch rubber, koolwaterstofharsen en verschillende additieven. Er worden geen oplosmiddelen gebruikt.

f)

Gebruik van poedercoatings

Gebruik van oplosmiddelvrije coatings, die als fijn verdeeld poeder worden aangebracht en in thermische ovens worden gehard.

g)

Gebruik van laminaatlagen voor web- of coilcoating

Gebruik van op een spoel of op een web aangebrachte polymeerlagen om esthetische of functionele eigenschappen te geven, waarmee het aantal benodigde coatinglagen wordt verminderd.

h)

Gebruik van stoffen die geen of minder vluchtige VOS zijn

Vervanging van VOS met een hoge vluchtigheid door andere organische verbindingen die geen of minder vluchtige VOS zijn (bv. esters).

1.1.4.   Opslag en behandeling van grondstoffen

BBT 5.   De BBT om diffuse VOS-emissies tijdens de opslag en behandeling van al dan niet gevaarlijke materialen op oplosmiddelbasis te voorkomen of beperken, is om de beginselen van goed beheer toe te passen door alle onderstaande technieken te gebruiken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

Beheertechnieken

a)

Het opstellen en uitvoeren van een plan voor het voorkomen en onder controle houden van lekken en morsen

Een plan voor het voorkomen en onder controle houden van lekken en morsen maakt deel uit van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) en omvat, maar is niet beperkt tot:

site-specifieke incidentplannen voor het morsen van kleine en grote hoeveelheden;

identificatie van de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken personen;

ervoor zorgen dat het personeel milieubewust is, en is opgeleid om morsen te voorkomen/aan te pakken;

identificatie van gebieden waar het risico op morsen en/of lekken van gevaarlijke materialen bestaat, en indeling van die gebieden aan de hand van dat risico;

in de geïdentificeerde gebieden zorgen voor geschikte inperkingssystemen, bv. ondoorlatende vloeren;

in kaart brengen van geschikte apparatuur voor het inperken en schoonmaken van morsen en het regelmatig controleren dat deze apparatuur beschikbaar is, goed functioneert, en zich in de buurt bevindt van punten waar zulke incidenten zich kunnen voordoen;

richtsnoeren voor beheer van afval afkomstig van morsen;

regelmatig (ten minste eenmaal per jaar) inspecteren van de opslag- en operationele ruimten en testen en kalibreren van de apparatuur voor het opsporen van lekken, en snelle reparatie van lekkende kleppen, dichtingen, flenzen enz. (zie BBT 13).

Algemeen toepasbaar. De reikwijdte (bv. de mate van gedetailleerdheid) van het plan is over het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie, en aan de soorten en hoeveelheden gebruikte materialen.

Opslagtechnieken

b)

Verzegeling of bekleding van de houders en inkuiping van de opslagzone

Opslag van oplosmiddelen, gevaarlijke materialen, gebruikte oplosmiddelen en gebruikte reinigingsmaterialen in verzegelde of afgedekte houders die geschikt zijn voor het aan die stoffen verbonden risico en zijn ontworpen om emissies tot een minimum te beperken. De opslagzone waar de houders staan, is ingekuipt en voldoende groot.

Algemeen toepasbaar.

c)

Zo weinig mogelijk gevaarlijke materialen in productiezones opslaan

Gevaarlijke materialen zijn alleen in productiezones aanwezig in hoeveelheden die nodig zijn voor de productie; grotere hoeveelheden worden apart opgeslagen.

Technieken voor het pompen en hanteren van vloeistoffen

d)

Technieken om lekken en morsen tijdens het pompen te voorkomen

Lekken en morsen worden voorkomen door gebruik te maken van pompen en afdichtingen die geschikt zijn voor het materiaal in kwestie en die een goede afsluiting te waarborgen. Dit omvat uitrusting zoals pompen met ingekapselde rotor, magnetisch gekoppelde pompen, pompen met meervoudige mechanische afdichtingen en een dempings- of buffersysteem, pompen met meervoudige mechanische afdichtingen en drogegasafdichtingen, membraanpompen of balgpompen.

Algemeen toepasbaar.

e)

Technieken om overstorting tijdens het pompen te voorkomen

Dit houdt bijvoorbeeld in ervoor te zorgen dat:

er toezicht is op de pompwerkzaamheden;

opslagtanks voor grotere hoeveelheden worden uitgerust met akoestische en/of optische overloop-alarmsystemen, zo nodig met uitschakelsysteem.

f)

Afvangen van VOS-dampen tijdens levering van materiaal dat oplosmiddelen bevat

Bij de levering van oplosmiddelbevattende materialen in bulk (bv. laden of lossen van tanks) wordt de damp uit de ontvangende tanks opgevangen, meestal door retourdamp.

Mogelijk niet toepasbaar bij oplosmiddelen met lage dampspanning of omwille van kostenoverwegingen.

g)

Beheersing van morsen en/of snelle opname bij het omgaan met materialen die oplosmiddelen bevatten

Bij het omgaan met oplosmiddelbevattende materialen in houders kan mogelijk morsen worden vermeden door indamming, d.w.z. door wagentjes, pallets en/of droogstellingen te voorzien van inkuiping (bv. “lekbakken”) en/of door snelle opname met behulp van absorberende materialen.

Algemeen toepasbaar.

1.1.5.   Distributie van grondstoffen

BBT 6.   De BBT om het grondstoffenverbruik en de VOS-emissies te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Gecentraliseerde toelevering van VOS-bevattende materialen (bv. inkt, coating, kleefstoffen, reinigingsmiddelen)

Materialen die VOS bevatten (bv. inkt, coating, kleefstoffen, reinigingsmiddelen) bij de gebruiksplek afleveren via directe leidingen met ringlijnen, en systeemreiniging, waaronder door middel van “pigging” of het doorspoelen met lucht.

Mogelijk niet toepasbaar als de inkt/verf/coatings/kleefstoffen of oplosmiddelen vaak gewisseld moeten worden.

b)

Geavanceerde mengsystemen

Computergestuurde mengapparatuur om de gewenste verf/coating/inkt/kleefstof te verkrijgen.

Algemeen toepasbaar.

c)

VOS-bevattende materialen (inkt, coating, kleefstoffen, reinigingsmiddelen) bij de gebruiksplek afleveren met behulp van een gesloten systeem

Als de inkt/verf/coatings/kleefstoffen en oplosmiddelen vaak gewisseld worden of als het gebruik kleinschalig is, afleveren van de inkt/verf/coatings/kleefstoffen en oplosmiddelen met behulp van een gesloten systeem vanuit kleine transporthouders bij de gebruiksplek.

d)

Automatisering van wisseling van kleur

Geautomatiseerde wisseling van kleur en purgeren (purging) van de inkt-, verf- of coatinglijn met opvang van oplosmiddelen.

e)

Kleurgroepering

De productvolgorde aanpassen zodat er lange reeksen producten van dezelfde kleur worden geproduceerd.

f)

Zacht purgeren (soft purge) bij het spuiten

De vernevelspuit opnieuw met verf vullen zonder tussentijdse spoeling.

1.1.6.   Aanbrengen van coating

BBT 7.   De BBT om het verbruik van grondstoffen en het totale milieueffect van de coatingprocessen te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

Andere coatingstechnieken dan spuiten

a)

Coating met rollers

Aanbrenging waarbij de voeibare coating (al dan niet met afgemeten dosering) met rollers op een bewegende band wordt overgebracht.

Alleen toepasbaar op vlakke substraten  (4).

b)

Rakelroller

De coating wordt via een opening tussen een mesje (rakel) en een roller op het substraat aangebracht. Bij het passeren van de coating en het substraat wordt overtollig materiaal weggeschraapt.

Algemeen toepasbaar  (4).

c)

No rinse (zonder afspoelen (op de plaats droog) aanbrengen) bij het continu verven (coil coating)

Aanbrengen van omzettingscoatings waarbij geen extra waterspoeling nodig is, met behulp van een roller (chemcoater) of afveegroller.

Algemeen toepasbaar  (4).

d)

Lakgordijngieten (“casting”)

De werkstukken passeren een laminaire, uit een tank gegoten laag coatingmateriaal.

Alleen toepasbaar op vlakke substraten  (4).

e)

Elektroforetisch lakken (e-coat)

In een oplossing op waterbasis gedispergeerde verfdeeltjes slaan neer onder invloed van een elektrisch veld op daarin ondergedompelde substraten (elektroforetische depositie).

Alleen toepasbaar op substraten van metaal  (4).

f)

Overstromen

De werkstukken worden via transportsystemen naar een gesloten kanaal vervoerd, dat vervolgens via injectiebuizen volloopt met het coatingmateriaal. Het overtollige materiaal wordt verzameld en hergebruikt.

Algemeen toepasbaar  (4).

g)

Co-extrusie

Op het bedrukte substraat wordt een warme, vloeibare kunststoflaag aangebracht, waarna het geheel wordt afgekoeld. Deze laag vervangt de noodzakelijke aanvullende coatinglaag. De laag kan tussen twee verschillende lagen van verschillende draagstoffen als kleefstof worden gebruikt.

Niet toepasbaar wanneer een hoge bindingssterkte of weerstand tegen sterilisatietemperatuur nodig is  (4).

Vernevelingstechnieken

h)

Luchtondersteund luchtloos spuiten

Een luchtstroom wordt gebruikt om de spuitstraal van een luchtloos spuitpistool te modificeren.

Algemeen toepasbaar  (4).

i)

Pneumatische verneveling met inerte gassen

Pneumatische aanbrenging van verf met inerte gassen onder druk (bv. stikstof, koolstofdioxide).

Mogelijk niet toepasbaar op het coaten van houten oppervlakken  (4).

j)

High-volume low-pressure (HVLP) atomisation (verstuiving van grote volumes bij lage druk)

Verstuiven van verf in een spuitkop door de verf te mengen met grote hoeveelheden lucht onder lage druk (max. 1,7 bar). De overdrachtsefficiëntie van HVLP-pistolen is meer dan 50 %.

Algemeen toepasbaar  (4).

k)

Elektrostatische verneveling (volledig geautomatiseerd)

Verstuiving met behulp van op hoge snelheid roterende schijven en bekers en bepaling van de vorm van de spuitstraal met behulp van elektrostatische velden en lucht.

l)

Elektrostatisch ondersteund spuiten, met of zonder lucht

De vorm van de spuitstraal voor pneumatisch of luchtloos verstuiven wordt bepaald met behulp van een elektrostatisch veld. De overdrachtsefficiëntie van elektrostatische verfpistolen is meer dan 60 %. Vaste elektrostatische methoden hebben een overdrachtsefficiëntie tot 75 %.

m)

Warm spuiten

Pneumatische verneveling met hete lucht of verwarmde verf.

Mogelijk niet toepasbaar als er vaak van kleur gewisseld wordt  (4).

n)

“Spuiten, afvegen en spoelen” bij het continu verven (coil coating)

Er worden spuiten gebruikt voor de toepassing van reinigingsmiddelen, voorbehandelingen en voor het spoelen. Het spuiten wordt gevolgd door het afvegen, om uitsleep van de oplossing tot een minimum te beperken, gevolgd door spoelen.

Algemeen toepasbaar  (4).

Automatisering van het spuitproces

o)

Aanbrenging door robot

Aanbrenging van coatings en kit op binnen- en buitenoppervlakken door robots.

Algemeen toepasbaar  (4).

p)

Machinematige aanbrenging

Gebruik van verfmachines voor het hanteren van de spuitkop/het spuitpistool/de sproeikop.

1.1.7.   Droging/uitharding

BBT 8.   De BBT om het energieverbruik en het totale milieueffect van drogings-/uithardingsprocessen te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Convectiedroging/uitharding met inert gas

Het inerte gas (stikstof) wordt in de oven verwarmd om oplosmiddelgehaltes boven de onderste explosiegrens mogelijk te maken. Oplosmiddelgehaltes van meer dan 1 200 g/m3 stikstof zijn mogelijk.

Niet toepasbaar wanneer de drogers regelmatig moeten worden geopend  (5).

b)

Inductiedroging/uitharding

Online thermische uitharding of droging door middel van elektromagnetische zelfinductiespoelen die door middel van een oscillerend magnetisch veld warmte opwekken binnen het metalen werkstuk.

Alleen toepasbaar op substraten van metaal  (5).

c)

Microgolf- en hogefrequentiedroging

Drogen met behulp van microgolf- of hogefrequentiestraling.

Alleen toepasbaar op coatings en inkt op waterbasis en niet-metallische substraten  (5).

d)

Stralingsuitharding

Stralingsuitharding wordt toegepast op basis van harsen en reactieve verdunningsmiddelen (monomeren) die reageren op blootstelling aan straling (infrarood (IR), ultraviolet (UV)) of elektronenbundels met hoge energie (EB).

Alleen toepasbaar op specifieke coatings en inkten  (5).

e)

Droging met een combinatie van luchtconvectie en infraroodstraling

Drogen van natte oppervlakken met een combinatie van circulerende hete lucht (convectie) en een infraroodstraler.

Algemeen toepasbaar  (5).

f)

Droging/uitharding met convectie, gecombineerd met warmteterugwinning

De warmte van procesafgassen wordt teruggewonnen (zie BBT 19, onder e)) en wordt gebruikt voor het voorverwarmen van de aangevoerde lucht naar de convectiedroger/uithardingsoven.

Algemeen toepasbaar  (5).

1.1.8.   Reiniging

BBT 9.   De BBT om de VOS-emissies van reinigingsprocessen te verminderen, is het gebruik van reinigingsmiddelen op oplosmiddelbasis tot een minimum te beperken en een combinatie van de onderstaande technieken toe te passen.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Bescherming van spuitzones en -uitrusting

De spuitzones en -uitrusting (bv. muren van de spuitcabine en de robots) die vatbaar zijn voor overspray en druppelvorming worden bedekt met textiel of — voor zover er geen gevaar bestaat dat deze zal scheuren of slijten — wegwerpfolie.

De keuze van de reinigingstechnieken kan beperkt zijn door het type proces, het substraat dat of de apparatuur die gereinigd moet worden en de aard van de verontreiniging

b)

Verwijdering van vaste stoffen voorafgaand aan volledige reiniging

Vaste stoffen worden verwijderd in een (droge) geconcentreerde vorm, gewoonlijk met de hand, al dan niet met behulp van kleine hoeveelheden reinigingsoplosmiddel. Dit vermindert de hoeveelheid materiaal die in de daaropvolgende reinigingsfasen met oplosmiddel en/of water moet worden verwijderd, en dus de hoeveelheid gebruikt oplosmiddel en/of water.

c)

Handmatige reiniging met voorgeïmpregneerde doekjes

Voor handmatige reiniging worden doekjes gebruikt die van te voren met reinigingsmiddelen zijn geïmpregneerd. De reinigingsmiddelen kunnen op oplosmiddelbasis zijn, oplosmiddelen met een lage vluchtigheid zijn, of oplosmiddelvrij zijn.

d)

Gebruik van reinigingsmiddelen met een lage vluchtigheid

Toepassing van oplosmiddelen met een hoog reinigend vermogen en een lage vluchtigheid gebruikt voor handmatige of automatische reiniging.

e)

Reiniging op waterbasis

Voor het reinigen worden detergenten op waterbasis of met water mengbare oplosmiddelen zoals alcoholen of glycolen gebruikt.

f)

Gesloten wasmachines

Automatische batchreiniging/-ontvetting van delen van de pers/machine in gesloten wasmachines. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van:

a)

organische oplosmiddelen (met luchtafzuiging gevolgd door VOS-reductie en/of terugwinning van de gebruikte oplosmiddelen) (zie BBT 15), of

b)

VOS-vrije oplosmiddelen, of

c)

alkalische reinigingsmiddelen (met externe of interne behandeling van afvalwater).

g)

Purgeren (purging) met terugwinning van oplosmiddelen

De oplosmiddelen die worden gebruikt voor het purgeren van de pistolen/aanbrenguitrusting, en van de lijnen bij wisseling van kleur, worden ingezameld, opgeslagen en indien mogelijk hergebruikt.

h)

Reinigen met behulp van hogedrukwaterstraal

Hogedrukwaterstraal- en natriumbicarbonaatsystemen of vergelijkbare systemen worden gebruikt voor de automatische batchreiniging van delen van de pers/machine.

i)

Ultrasone reiniging

In een vloeistofbad wordt vastzittende verontreiniging met behulp van hoogfrequente trillingen losgemaakt.

j)

Reiniging met droog ijs (CO2)

Machineonderdelen en substraten van metaal of kunststof worden met behulp van hogedrukstralen van CO2-chips of -sneeuw gereinigd.

k)

Reiniging met behulp van kunststofkorrelbestraling

Ophoping van overtollige verf wordt van paneelmallen en werkstukdragers verwijderd door deze met kunststofdeeltjes onder hoge druk te bestralen.

1.1.9.   Monitoring

1.1.9.1.   Massabalans van de oplosmiddelen

BBT 10.   De BBT is om de totale en diffuse VOS-emissies te monitoren door ten minste eenmaal per jaar een massabalans van de oplosmiddelen op te stellen aan de hand van de in- en output aan oplosmiddelen van de installatie, zoals gedefinieerd in deel 7, punt 2, van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU, en om de onzekerheid van de massabalansgegevens tot een minimum te beperken door toepassing van alle onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

a)

Volledige identificatie en kwantificering van de relevante inputs en outputs aan oplosmiddelen, met inbegrip van de daarmee samenhangende onzekerheid

Het gaat hierbij onder meer om:

identificatie en documentatie van de inputs en outputs aan oplosmiddelen (bv. emissies in afgassen, emissies uit elke diffuse emissiebron, output aan oplosmiddelen in de afvalstoffen);

onderbouwde kwantificering van elke relevante input en output aan oplosmiddelen en registratie van de gebruikte methodologie (bv. meting, berekening met behulp van emissiefactoren, raming op basis van operationele parameters);

identificatie van de belangrijkste bronnen van onzekerheid van bovengenoemde kwantificering en uitvoering van corrigerende maatregelen om de onzekerheid te verminderen;

regelmatig bijwerken van de gegevens inzake de in- en output aan oplosmiddelen.

b)

Invoering van een opvolgsysteem voor oplosmiddelen

Een opvolgsysteem voor oplosmiddelen heeft tot doel op de hoogte te blijven van zowel de gebruikte als de ongebruikte hoeveelheden oplosmiddelen (bv. door weging van de hoeveelheden oplosmiddelen die na het aanbrengen overblijven en weer opslagen worden).

c)

Monitoring van veranderingen die van invloed kunnen zijn op de onzekerheid van de gegevens over de massabalans van de oplosmiddelen

Elke wijziging die van invloed kan zijn op de onzekerheid van de gegevens over de massabalans van de oplosmiddelen, wordt geregistreerd, zoals:

storingen van het afgasbehandelingssysteem: de datum en de duur worden geregistreerd;

veranderingen die invloed kunnen hebben op de lucht-/gasdebieten, bv. vervanging van ventilatoren, riemschijven, motoren: de datum en het type wijziging worden geregistreerd.

Toepasbaarheid

De mate van gedetailleerdheid van de massabalans van de oplosmiddelen zal in verhouding staan tot de aard, omvang en complexiteit van de installatie en van de mogelijke milieueffecten ervan, alsook tot het type en de hoeveelheid gebruikte materialen.

1.1.9.2.   Emissies in afgassen

BBT 11.   De BBT is om de emissies in afgassen met ten minste de onderstaande frequentie en overeenkomstig de EN-normen te monitoren. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT het volgen van nationale, ISO-, of andere internationale normen die gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen.

Stof/parameter

Sectoren/bronnen

Norm(en)

Minimale monitoringfrequentie

Monitoring heeft betrekking op

Stof

Coating van voertuigen — spuitcoating

EN 13284-1

Eenmaal per jaar  (6)

BBT 18

Coating van andere oppervlakken van metaal of kunststof — Spuitcoating

Coating van vliegtuigen — Voorbereiding (bv. schuren, stralen) en coating

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen — Aanbrenging door spuiten

Coating van houten oppervlakken — Voorbereiding en coating

TVOC

Alle sectoren

Elke schoorsteen met een TVOC-belasting < 10 kg C/u

EN 12619

Eenmaal per jaar  (6)  (7)  (8)

BBT 14, BBT 15

Elke schoorsteen met een TVOC-belasting ≥ 10 kg C/u

Generieke EN-normen  (9)

Continu

DMF

Coating van textiel, folie en papier  (10)

Geen EN-norm beschikbaar  (11)

Eenmaal per drie maanden  (6)

BBT 15

NOx

Thermische behandeling van procesafgassen

EN 14792

Eenmaal per jaar  (12)

BBT 17

CO

Thermische behandeling van procesafgassen

EN 15058

Eenmaal per jaar  (12)

BBT 17

1.1.9.3.   Emissies naar water

BBT 12.   De BBT is om de emissies naar water met ten minste de onderstaande frequentie en overeenkomstig de EN-normen te monitoren. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT het volgen van nationale, ISO-, of andere internationale normen die gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen.

Stof/parameter

Sector

Norm(en)

Minimale monitoringfrequentie

Monitoring heeft betrekking op

TSS  (13)

Coating van voertuigen

EN 872

Eenmaal per maand  (14)  (15)

BBT 21

Bandlakken

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen (alleen voor DWI-blikken)

CZV  (13)  (16)

Coating van voertuigen

Geen EN-norm beschikbaar

Bandlakken

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen (alleen voor DWI-blikken)

TOC  (13)  (16)

Coating van voertuigen

EN 1484

Bandlakken

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen (alleen voor DWI-blikken)

Cr(VI)  (17)  (18)

Coating van vliegtuigen

EN ISO 10304-3 of EN ISO 23913

Bandlakken

Cr  (18)  (19)

Coating van vliegtuigen

Verscheidene EN-normen beschikbaar (bv. EN ISO 11885, EN ISO 17294-2, EN ISO 15586)

Bandlakken

Ni  (18)

Coating van voertuigen

Bandlakken

Zn  (18)

Coating van voertuigen

Bandlakken

AOX  (18)

Coating van voertuigen

EN ISO 9562

Bandlakken

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen (alleen voor DWI-blikken)

F-  (18)  (20)

Coating van voertuigen

EN/ISO 10304-1

Bandlakken

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen (alleen voor DWI-blikken)

1.1.10.   Emissies tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden (OTNOC)

BBT 13.   De BBT om de frequentie van OTNOC en de emissies tijdens OTNOC te verminderen, is de toepassing van beide onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

a)

Identificatie van kritische apparatuur

Op basis van een risicobeoordeling wordt vastgesteld welke apparatuur cruciaal is voor de bescherming van het milieu (“kritische apparatuur”). Dit betreft in principe alle apparatuur en systemen waarbij VOS een rol spelen (bv. afgasbehandelingssysteem, lekdetectiesysteem).

b)

Inspectie, onderhoud en toezicht

Een gestructureerd programma om de beschikbaarheid en prestaties van kritische apparatuur te maximaliseren, met inbegrip van standaardwerkvoorschriften, preventief onderhoud, regelmatige en niet-geplande onderhoudswerkzaamheden. De perioden, duur, oorzaken en, indien mogelijk, de emissies tijdens het optreden van de OTNOC worden gemonitord.

1.1.11.   Emissies in afgassen

1.1.11.1.   VOS-emissies

BBT 14.   De BBT om de VOS-emissies uit productie- en opslagzones te verminderen, is de toepassing van de onderstaande techniek a) en een passende combinatie van de andere onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a°)

Selectie, ontwerp en optimalisatie van het systeem

Een procesafgassysteem wordt geselecteerd, ontworpen en geoptimaliseerd, rekening houdend met parameters als:

hoeveelheid afgezogen lucht;

type en concentratie van oplosmiddelen in de afgezogen lucht;

type behandelingssysteem (lokaal/gecentraliseerd);

gezondheid en veiligheid;

energie-efficiëntie.

Bij het kiezen van een systeem kan de volgende volgorde van prioriteit in overweging worden genomen:

scheiding van procesafgassen met hoge en lage VOS-concentraties;

technieken om de VOS-concentratie te homogeniseren en te verhogen (zie BBT 16, onder b en c));

technieken om oplosmiddelen in procesafgassen terug te winnen (zie BBT 15);

technieken voor VOS-reductie met warmteterugwinning (zie BBT 15);

technieken voor VOS-reductie zonder warmteterugwinning (zie BBT 15).

Algemeen toepasbaar.

b)

Luchtafzuiging zo dicht mogelijk bij de plek waar de VOS-bevattende materialen worden aangebracht

De zones waar oplosmiddelen worden aangebracht (coaters, aanbrengingssmachines, spuitcabines) volledig of gedeeltelijk omsluiten, en de lucht zo dicht mogelijk bij de plek van aanbrenging afzuigen. Afgezogen lucht kan met een afgasbehandelingssysteem worden behandeld.

Mogelijk niet toepasbaar als omsluiting de toegang tot de machines tijdens gebruik zou bemoeilijken.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door de vorm en de grootte van de zone die moet worden omsloten

c)

Luchtafzuiging zo dicht mogelijk bij de plek waar verf/coatings/kleefstoffen/inkt worden bereid.

Luchtafzuiging zo dicht mogelijk bij de plek waar verf/coatings/kleefstoffen/inkt worden bereid (bv. een mengzone). Afgezogen lucht kan met een afgasbehandelingssysteem worden behandeld.

Alleen toepasbaar waar verf/coatings/kleefstoffen/inkt worden bereid.

d)

Afzuiging van lucht bij de drogings-/uithardingsprocessen

De drogings- of uithardingsovens worden voorzien van een luchtafzuigsysteem. Afgezogen lucht kan met een afgasbehandelingssysteem worden behandeld.

Alleen toepasbaar bij drogings-/uithardingsprocessen.

e)

Diffuse emissies en warmteverliezen uit de ovens/drogers tot een minimum beperken door de ingang en de uitgang van de uithardingsovens/drogers af te sluiten of door bij subatmosferische druk te drogen.

De in- en uitgang van de uithardingsovens/drogers worden afgesloten om de vluchtige VOS-emissies en warmteverliezen tot een minimum te beperken. De afsluiting kan de vorm aannemen van luchtjets of luchtmessen, deuren, gordijnen van kunststof of metaal, rakels enz. Als alternatief kan de druk in de ovens/drogers subatmosferisch worden gehouden.

Alleen toepasbaar wanneer uithardingsovens/drogers worden gebruikt.

f)

Afzuiging van lucht uit de koelzone

Wanneer het substraat na het drogen/uitharden wordt afgekoeld, wordt de lucht uit de koelzone afgezogen en kan deze met een afgasbehandelingssysteem worden behandeld.

Alleen toepasbaar wanneer er na het drogen/uitharden substraatkoeling plaatsvindt.

g)

Afzuiging van lucht uit de opslag van grondstoffen, oplosmiddelen en afvalstoffen die oplosmiddelen bevatten

Lucht uit opslagplaatsen voor grondstoffen en/of individuele houders voor grondstoffen, oplosmiddelen en afvalstoffen die oplosmiddelen bevatten, wordt afgezogen en kan door een afgasbehandelingssysteem worden behandeld.

Mogelijk niet toepasbaar voor gesloten houders of voor de opslag van grondstoffen, oplosmiddelen en afvalstoffen met oplosmiddelen met lage dampdruk en lage toxiciteit.

h)

Afzuiging van lucht uit schoonmaakruimten

Afzuiging van lucht uit de ruimten waarin machineonderdelen en -apparatuur handmatig of automatisch met organische oplosmiddelen worden gereinigd. Deze lucht kan met een afgasbehandelingssysteem worden behandeld.

Alleen toepasbaar op ruimten waarin machineonderdelen en apparatuur worden gereinigd met organische oplosmiddelen.

BBT 15.   De BBT om de VOS-emissies in afgassen te verminderen en het efficiënt gebruik van hulpbronnen te verbeteren, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

Opvang en terugwinning van oplosmiddelen in procesafgassen

a)

Condensatie

Een techniek voor het verwijderen van organische verbindingen door de temperatuur lager te brengen dan hun dauwpunt, zodat de dampen vloeibaar worden. Afhankelijk van het vereiste operationele temperatuurbereik worden verschillende koelmiddelen gebruikt, bv. koelwater, sterk gekoeld water (temperatuur gewoonlijk rond 5 °C), ammoniak of propaan.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door een te hoge energievraag voor terugwinning vanwege een laag VOS-gehalte.

b)

Adsorptie met actieve kool of zeolieten

VOS worden geadsorbeerd aan de oppervlakte van de actieve kool, zeolieten of koolstofvezelpapier. Vervolgens wordt het adsorbaat ter hergebruik of verwijdering gedesorbeerd, bijvoorbeeld met stoom (vaak ter plekke), en wordt het adsorptiemiddel opnieuw gebruikt. Om het proces continu te laten lopen, worden doorgaans meer dan twee adsorbensbedden tegelijk gebruikt, waarvan één in de desorptiemodus. Adsorptie wordt ook algemeen toegepast als een concentratiestap, om de efficiëntie van de daaropvolgende oxidatie te verhogen.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door een te hoge energievraag voor terugwinning vanwege een laag VOS-gehalte.

c)

Absorptie met behulp van een geschikte vloeistof

Gebruik van een geschikte vloeistof om verontreinigende stoffen en met name oplosbare verbindingen en vaste deeltjes (stof) door absorptie uit het procesafgas te verwijderen. Oplosmiddelen kunnen worden teruggewonnen, bijvoorbeeld met behulp van destillatie of thermische desorptie.

(Zie BBT 18 voor de verwijdering van stof.)

Algemeen toepasbaar.

II.Thermische behandeling van oplosmiddelen in procesafgassen met terugwinning van energie

d)

Procesafgassen naar een stookinstallatie sturen

De procesafgassen worden geheel of gedeeltelijk als verbrandingslucht en aanvullende brandstof naar een stook- en/of warmtekrachtkoppelingsinstallatie gestuurd voor de productie van stoom en/of elektriciteit.

Niet toepasbaar bij procesafgassen die stoffen bevatten waarnaar in artikel 59, lid 5, van de richtlijn inzake industriële emissies wordt verwezen. Veiligheidsoverwegingen kunnen de toepasbaarheid beperken.

e)

Recuperatieve thermische oxidatie

Thermische oxidatie waarbij gebruik wordt gemaakt van de warmte van de afgassen, bijvoorbeeld om de binnenkomende procesafgassen voor te verwarmen.

Algemeen toepasbaar.

f)

Regeneratieve thermische oxidatie met meervoudige bedden of met een kleploze roterende luchtverdeler

Een oxidator met meerdere (drie of vijf) bedden met keramische vulling. De bedden zijn warmtewisselaars, die afwisselend worden verwarmd door de rookgassen van oxidatie, waarna de stroomrichting wordt omgekeerd om de lucht die de oxidator binnenkomt te verwarmen. De stroomrichting wordt regelmatig omgekeerd. In de kleploze roterende luchtverdeler zit het keramische medium in een enkel draaiend vat, dat in verschillende wiggen is verdeeld.

Algemeen toepasbaar.

g)

Katalytische oxidatie

Oxidatie van VOS in aanwezigheid van een katalysator om de oxidatietemperatuur te verlagen en het brandstofverbruik te verminderen. De warmte van het uitlaatgas kan worden teruggewonnen met recuperatieve of regeneratieve warmtewisselaars. Hogere oxidatietemperaturen (500-750 °C) worden gebruikt voor de behandeling van procesafgassen afkomstig van de vervaardiging van wikkeldraad.

De aanwezigheid van katalysatorvergiftigers kan de toepasbaarheid beperken.

III.Behandeling van oplosmiddelen in procesafgassen zonder terugwinning van oplosmiddelen of energie

h)

Biologische afgasbehandeling

Het procesafgas wordt van stof ontdaan en naar een reactor met biofiltersubstraat gestuurd. De biofilter bestaat uit een bed van organisch materiaal (zoals turf, heide, compost, wortel, boomschors, naaldhout en verschillende combinaties daarvan) of een inert materiaal (zoals klei, actieve kool of polyurethaan) waar de procesafgasstroom door van nature voorkomende micro-organismen biologisch wordt geoxideerd tot koolstofdioxide, water, anorganische zouten en biomassa. De biofilter is gevoelig voor stof, hoge temperaturen of hoge variaties in het procesafgas, bv. van de inlaattemperatuur of de VOS-concentratie. Aanvoer van aanvullende nutriënten kan nodig zijn.

Alleen toepasbaar op de behandeling van biologisch afbreekbare oplosmiddelen.

i)

Thermische oxidatie

Het oxideren van VOS door procesafgassen in een verbrandingskamer met lucht of zuurstof tot boven hun zelfontbrandingstemperatuur te verhitten en lang genoeg op hoge temperatuur te houden om volledige verbranding van VOS tot koolstofdioxide en water tot stand te brengen.

Algemeen toepasbaar.

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) staan in de tabellen 11, 15, 17, 19, 21, 24, 27, 30, 32 en 35 van deze BBT-conclusies.

BBT 16.   De BBT om het energieverbruik van het VOS-nabehandelingssysteem te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Instandhouding van de naar het afgasbehandelingssysteem gestuurde VOS concentraties door gebruikmaking van ventilatoren met variabele frequentie

Gebruikmaken van een ventilator met variabele frequentie in gecentraliseerde afgasbehandelingssystemen om de luchtstroom aan te passen aan de uitlaatgassen van de apparaten die in bedrijf zijn.

Alleen toepasbaar bij gecentraliseerde thermische afgasbehandelingssystemen voor batchprocessen zoals drukken.

b)

Interne concentratie van oplosmiddelen in de procesafgassen

Recirculatie van procesafgassen binnen het proces (intern) in de uithardingsovens/drogers en/of in spuitcabines, zodat de VOS-concentratie in de procesafgassen toeneemt en de efficiëntie van het afgasbehandelingssysteem toeneemt.

De toepasbaarheid kan worden beperkt door gezondheids- en veiligheidsfactoren zoals de onderste explosiegrens en de productkwaliteitseisen of -specificaties.

c)

Externe concentratie van oplosmiddelen in de procesafgassen via adsorptie

De oplosmiddelconcentratie in procesafgassen wordt verhoogd door een continue circulaire stroom van de spuitcabineproceslucht, eventueel in combinatie met procesafgassen van de uithardingsoven/droger, doorheen een adsorptie-uitrusting te leiden. Deze uitrusting kan het volgende omvatten:

vast-bed-adsorptie met actieve kool of zeoliet;

wervelbedadsorptie met actieve kool;

rotoradsorptie met actieve kool of zeoliet;

moleculaire zeef.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn indien de energievraag buitensporig is vanwege een laag VOS-gehalte.

d)

Plenum(ventilatie)techniek om het volume van het afgas te verminderen

Procesafgassen afkomstig uit uithardingsovens/drogers worden naar een grote kamer (plenum) geleid en weer gedeeltelijk opnieuw in omloop gebracht als inlaatlucht in de uithardingsovens/drogers. De overtollige lucht van het plenum wordt naar het afgasbehandelingssysteem gestuurd. Deze cyclus leidt tot een verhoging van het VOS-gehalte in de lucht van de uithardingsovens/drogers en vermindert het volume van het afgas.

Algemeen etoepasbaar.

1.1.11.2.   NOx- en CO-emissies

BBT 17.   De BBT om de NOx-emissies in afgassen te verminderen en tegelijkertijd de CO-emissies van de thermische behandeling van oplosmiddelen in procesafgassen te beperken, is de toepassing van de onderstaande techniek a) of beide onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Optimalisatie van de thermische behandelingsomstandigheden (ontwerp en werking)

Een goed ontwerp van de verbrandingskamers, branders en bijbehorende apparatuur/toestellen wordt gecombineerd met een optimalisering van de verbrandingsomstandigheden (bv. door het controleren van verbrandingsparameters zoals temperatuur en verblijftijd), al dan niet met gebruik van automatische systemen, en regelmatig gepland onderhoud van het verbrandingssysteem volgens de aanbevelingen van de leveranciers.

Voor bestaande installaties kan de toepasbaarheid van ontwerpen beperkt zijn.

b)

Gebruik van lage-NOx-branders

De hoogste vlamtemperatuur in de verbrandingskamer wordt verminderd, waardoor de verbranding wordt vertraagd maar voltooid en de warmteoverdracht wordt vergroot (hoger vlamemissievermogen). Dit wordt gecombineerd met een langere verblijftijd om de gewenste VOS-vernietiging te bereiken.

Bij bestaande installaties kunnen ontwerp- en/of operationele beperkingen de toepasbaarheid beperken.


Tabel 1

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) voor NOx-emissies in afgassen en indicatieve emissieniveaus voor CO-emissies in afgassen afkomstig van de thermische behandeling van procesafgassen

Parameter

Eenheid

BBT-GEN  (21)

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

Indicatief emissieniveau  (21)

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

NOx

mg/Nm3

20-130  (22)

Geen indicatief niveau

CO

Geen BBT-GEN

20-150

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.1.11.3.   Stofemissies

BBT 18.   De BBT om stofemissies in afgassen afkomstig van de oppervlaktevoorbereiding, het snijden, het coaten en de afwerking van het substraat voor de in tabel 2 vermelde sectoren en processen te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

a)

Spuitcabine met natte scheiding (inslagpaneel met spoeling)

Een verticaal langs de achterwand van de spuitcabine neerstromend watergordijn vangt verfdeeltjes uit overspray. Het mengsel van water en verf wordt in een reservoir opgevangen en het water wordt opnieuw in omloop gebracht.

b)

Natte gaswassing

Verfdeeltjes en ander stof in het procesafgas worden in gaswassystemen gescheiden door intensieve vermenging van het procesafgas met water. (Zie BBT 15, onder c), voor VOS-verwijdering)

c)

Droge overspray-separatie (dry overspray separation) met voorgelakt materiaal

Een droge overspray-scheidingsproces waarbij gebruik wordt gemaakt van membraanfilters in combinatie met kalksteen als voorcoatingmateriaal om verstopping van de membranen te voorkomen.

d)

Droge oversprayseparatie (dry overspray separation) met filters

Mechanisch scheidingssysteem, bv. met behulp van karton, weefsel of sinter.

e)

Elektrostatische precipitator

In elektrostatische precipitatoren krijgen deeltjes een lading en worden ze met behulp van een elektrisch veld gescheiden. In een droge elektrostatische precipitator (ESP) wordt het verzamelde materiaal mechanisch verwijderd (bv. door schudden of trillen, of met behulp van perslucht). In een natte ESP wordt het gespoeld met een geschikte vloeistof, gewoonlijk een scheidingsagens op waterbasis.


Tabel 2

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor stofemissies in afgassen

Parameter

Sector

Proces

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

Stof

Coating van voertuigen

Spuitcoating

mg/Nm3

< 1-3

Coating van andere oppervlakken van metaal of kunststof

Spuitcoating

Coating van vliegtuigen

Voorbereiding (bv. schuren, stralen), coating

Het coaten en bedrukken van metalen verpakkingen

Aanbrenging door spuiten

Coating van houten oppervlakken

Voorbereiding, coating

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.1.12.   Energie-efficiëntie

BBT 19.   De BBT om energie efficiënt te gebruiken, is de toepassing van de onderstaande technieken a) en b) en een geschikte combinatie van de technieken c) tot en met h).

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

Beheertechnieken

a)

Energie-efficiëntieplan

Een energie-efficiëntieplan maakt deel uit van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) en omvat het vaststellen en berekenen van het specifieke energieverbruik van de verschillende activiteiten, het vaststellen van jaarlijkse essentiële prestatie-indicatoren (bijvoorbeeld MWh/ton product), en het plannen van periodieke doelstellingen voor verbetering en de daarmee verband houdende acties. Het plan wordt aangepast aan de specifieke kenmerken van de installatie (processen, materialen, producten enz.).

De mate van gedetailleerdheid en de aard van het energie-efficiëntieplan en het rapport van de energiebalans zijn in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie en van de soorten energiebronnen die worden gebruikt. Mogelijk niet van toepassing als de STS-activiteit binnen een grotere installatie wordt uitgevoerd, op voorwaarde dat het energie-efficiëntieplan en het rapport van de energiebalans van de grotere installatie de STS-activiteit afdoende omvat.

b)

Rapportover de energiebalans

Het jaarlijks opstellen van een rapport van de energiebalans met een uitsplitsing van het energieverbruik en de energieopwekking (met inbegrip van uitgevoerde energie) naar soort bron (bijvoorbeeld elektriciteit, fossiele brandstoffen, hernieuwbare energie, ingevoerde warmte en/of koeling). Het gaat hierbij onder meer om:

i)

afbakening van de energiegrens van de STS-activiteit;

ii)

informatie over het energieverbruik voor wat betreft de geleverde energie;

iii)

informatie over de energie die uit de installatie wordt uitgevoerd;

iv)

informatie over de energiestroom (bv. Sankey-diagrammen of energiebalansen) waaruit blijkt hoe de energie door het proces heen wordt gebruikt.

Het rapport van de energiebalans wordt aangepast aan de specifieke kenmerken van de installatie voor wat betreft de uitgevoerde processen, de materialen enz.

Procesgerelateerde technieken

c)

Thermische isolatie van tanks en vaten die gekoelde of verwarmde vloeistoffen bevatten, alsmede van verbrandings- en stoomsystemen

Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door:

het gebruik van dubbelwandige tanks;

het gebruik van voorgeïsoleerde tanks;

het isoleren van verbrandingsapparatuur, stoombuizen en pijpen die gekoelde of verwarmde vloeistoffen bevatten.

Algemeen toepasbaar.

d)

Warmteterugwinning door warmtekrachtkoppeling — WKK (warmtekrachtkoppeling) of gecombineerde koel, warmtekrachtkoppeling (trigeneratie, CCHP)

Terugwinning van warmte (hoofdzakelijk uit het stoomsysteem) voor de productie van warm water/stoom voor gebruik in industriële processen/activiteiten. Trigeneratie is een warmtekrachtkoppelingssysteem met een absorptiekoelmachine die gebruik maakt van laagcalorische warmte om sterk gekoeld water te produceren.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door de indeling (layout) van de installatie, de kenmerken van de warme gasstromen (bv. debiet, temperatuur) of het ontbreken van een geschikte warmtevraag.

e)

Warmteterugwinning uit hete gasstromen

Terugwinning van energie uit hete gasstromen (bv. uit drogers of koelzones), bijvoorbeeld door het gas opnieuw in omloop te brengen als proceslucht, door het gebruik van warmtewisselaars, in processen of extern.

f)

Stroomaanpassing van proceslucht en procesafgassen

Aanpassing van de stroom van proceslucht en procesafgassen aan de behoeften. Dit omvat ook een vermindering van de luchtventilatie tijdens stationair draaien of onderhoud.

Algemeen toepasbaar.

g)

Recirculatie van procesafgassen uit de spuitcabine

Het opvangen en opnieuw in omloop brengen van het procesafgas van de spuitcabine in combinatie met efficiënte afscheiding van oversprayverf. Het energieverbruik is lager dan bij het gebruik van verse lucht.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door gezondheids- en veiligheidsoverwegingen.

h)

Geoptimaliseerde circulatie van warme lucht in grote uithardingscabines door een luchtblazer te gebruiken

Lucht wordt in één deel van de uithardingscabine geblazen en verspreid met behulp van een luchtblazer die van de laminaire luchtstroom de gewenste turbulente luchtstroom maakt.

Alleen toepasbaar in de spuitcoatingsector.


Tabel 3

BBT-geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN’s) voor specifiek energieverbruik

Sector

Productsoort

Eenheid

BBT-GMPN

(Jaargemiddelde)

Coating van voertuigen

Personenwagens

MWh/gecoat voertuig

0,5-1,3

Bestelwagens

0,8-2

Vrachtwagencabines

1-2

Vrachtwagens

0,3-0,5

Bandlakken

Rollen van staal en/of aluminium

kWh/m2 bandgelakt materiaal

0,2-2,5  (23)

Coating van textiel, folie en papier

Coating van textiel met polyurethaan en/of polyvinylchloride

kWh/m2 gecoat oppervlak

1-5

Vervaardiging van wikkeldraad

Draden met een gemiddelde diameter > 0,1 mm

kWh/kg gecoate draad

< 5

Het coaten en bedrukken van metalen verpakkingen

Alle productsoorten

kWh/m2 gecoat oppervlak

0,3-1,5

Heatsetrotatie-offset

Alle productsoorten

Wh/m2 van het bedrukte oppervlak

4-14

Flexografie en rotatiediepdruk (anders dan illustratiediepdruk)

Alle productsoorten

Wh/m2 van het bedrukte oppervlak

50-350

Illustratiediepdruk

Alle productsoorten

Wh/m2 van het bedrukte oppervlak

10-30

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 19, onder b).

1.1.13.   Watergebruik en de productie van afvalwater

BBT 20.   De BBT om het waterverbruik en de productie van afvalwater uit waterige processen (bv. ontvetting, reiniging, oppervlaktebehandeling, natte gaswassing) te verminderen, is de toepassing van techniek a) en een passende combinatie van de andere onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Waterbeheersplan en wateraudits

Een waterbeheersplan en wateraudits maken deel uit van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) en omvatten:

stroomdiagrammen en een watermassabalans van de installatie;

vaststelling van doelstellingen op het gebied van de waterefficiëntie;

toepassing van technieken voor de optimalisering van het water (bv. controle van het waterverbruik, recycling van water, detectie en reparatie van lekken).

Wateraudits worden ten minste eenmaal per jaar uitgevoerd.

De mate van gedetailleerdheid en de aard van het waterbeheersplan en van de wateraudits zijn in het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie. De techniek is mogelijk niet toepasbaar als de STS-activiteit binnen een grotere installatie wordt uitgevoerd, op voorwaarde dat het waterbeheersplan en de wateraudits van de grotere installatie de STS-activiteit afdoende omvatten.

b)

Cascadespoelen tegen de productiestroom in

Spoelen in meerdere fasen waarbij de richting van de waterstromen tegengesteld is aan de richting van de stroom werkstukken/substraat. Hierdoor kan er grondig worden gespoeld met een laag waterverbruik.

Toepasbaar wanneer spoelprocessen worden gebruikt.

c)

Hergebruik en/of recycling van water

Waterstromen (bv. gebruikt spoelwater, uitstroom van natte gaswassers) worden hergebruikt en/of gerecycleerd, zo nodig na behandeling, waarbij gebruik wordt gemaakt van technieken zoals ionenuitwisseling of filtratie (zie BBT 21). De mate van hergebruik en/of recycling van water wordt beperkt door de waterbalans van de installatie, het gehalte aan onzuiverheden en/of de kenmerken van de waterstromen.

Algemeen toepasbaar.


Tabel 4

BBT-geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN’s) voor specifiek waterverbruik

Sector

Productsoort

Eenheid

BBT-GMPN

(Jaargemiddelde)

Coating van voertuigen

Personenwagens

m3/voertuig gecoat

0,5-1,3

Bestelwagens

1-2,5

Vrachtwagencabines

0,7-3

Vrachtwagens

1-5

Bandlakken

Rollen van staal en/of aluminium

l/m2 bandgelakt materiaal

0,2-1,3  (24)

Het coaten en bedrukken van metalen verpakkingen

DWI-drankblikjes uit twee delen

l/1 000 blikken

90-110

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 20, onder a).

1.1.14.   Emissies naar water

BBT 21.   De BBT om de emissies naar water te verminderen en/of het hergebruik en de recycling van water uit waterige processen (bv. ontvetting, reiniging, oppervlaktebehandeling, natte gaswassing) te vergemakkelijken, is de toepassing van een combinatie van de onderstaande technieken.

Technieken

Omschrijving

Verontreinigende stoffen waarop de maatregelen typisch zijn gericht

Voorbereidende, primaire en algemene behandeling

a)

Egalisatie

In evenwicht brengen van stromen en belastingen van verontreinigende stoffen door middel van tanks of andere beheertechnieken.

Alle verontreinigende stoffen.

b)

Neutralisatie

De pH van het afvalwater op een neutraal niveau (ongeveer 7) brengen.

Zuren, basen.

c)

Fysieke scheiding, bijvoorbeeld door gebruik van schermen, zeven, gritafscheiders, primaire bezinktanks en magnetische scheiding.

Grove vaste stoffen, zwevende deeltjes, metaaldeeltjes.

Fysisch-chemische behandeling

d)

Adsorptie

Het verwijderen van oplosbare stoffen (opgeloste stoffen) uit het afvalwater door deze over te brengen naar het oppervlak van vaste, zeer poreuze deeltjes (in de regel actieve kool).

Adsorbeerbare opgeloste niet biologisch afbreekbare of remmende verontreinigende stoffen, bv. AOX.

e)

Vacuümdistillatie

De verwijdering van verontreinigende stoffen door thermische afvalbehandeling onder verminderde druk.

Opgeloste niet biologisch afbreekbare of remmende verontreinigende stoffen die kunnen worden gedestilleerd, bv. sommige oplosmiddelen.

f)

Precipitatie

De omzetting van opgeloste verontreinigende stoffen in een onoplosbare verbinding door toevoeging van neerslagmiddelen. De gevormde vaste precipitaten wordt vervolgens gescheiden door middel van sedimentatie, flotatie of filtratie.

Precipiteerbare opgeloste niet biologisch afbreekbare of remmende verontreinigende stoffen, bv. metalen.

g)

Chemische reductie

Chemische reductie is het met behulp van chemische reductiemiddelen omzetten van verontreinigende stoffen in soortgelijke maar minder schadelijke of gevaarlijke verbindingen.

Reduceerbare opgeloste niet biologisch afbreekbare of remmende verontreinigende stoffen, bv. zeswaardig chroom (Cr(VI)).

h)

Ionenuitwisseling

Het vasthouden van ionische verontreinigingen in het afvalwater en het vervangen ervan door aanvaardbaardere ionen met behulp van een ionenwisselaarhars. De verontreinigende stoffen worden tijdelijk vastgehouden en komen daarna vrij in een regeneratie- of terugspoelvloeistof.

Ionische opgeloste niet biologisch afbreekbare of remmende verontreinigende stoffen, bv. metalen.

i)

Strippen

Purgeerbare verontreinigende stoffen worden met behulp van een gasvormige stroom (bv. stoom, stikstof of lucht) die door de vloeistof wordt geleid uit de waterige fase verwijderd. De efficiëntie van de verwijdering kan worden vergroot door de temperatuur te verhogen of de druk te verlagen.

Purgeerbare verontreinigende stoffen, bv. sommige adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX).

Biologische behandeling

j)

Biologische behandeling

Gebruik van micro-organismen voor afvalwaterbehandeling (bv. anaerobe behandeling, aerobe behandeling).

Biologisch afbreekbare organische stoffen.

Verwijdering van overblijvende vaste stoffen

k)

Coagulatie en flocculatie

Coagulatie en flocculatie worden gebruikt om zwevende deeltjes van afvalwater te scheiden en worden vaak in achtereenvolgende stappen uitgevoerd. Coagulatie wordt uitgevoerd door toevoeging van coaguleermiddelen met een lading die tegengesteld is aan die van de zwevende deeltjes. Flocculatie wordt bereikt door voorzichtig mengen, zodat de botsingen van kleine vlokjes ervoor zorgen dat deze zich met elkaar verbinden en er grotere vlokken ontstaan. Dit proces kan worden ondersteund door toevoeging van polymeren.

Zwevende deeltjes en deeltjesgebonden metalen.

l)

Sedimentatie

De scheiding van zwevende deeltjes door bezinking onder invloed van de zwaartekracht.

m)

Filteren

De scheiding van vaste stoffen uit afvalwater door deze door een poreus medium te voeren, bv. zandfiltratie, nano-, micro- en ultrafiltratie.

n)

Flotatie

De scheiding van vaste of vloeibare deeltjes uit afvalwater door deze aan fijne gasbelletjes, meestal lucht, te hechten. De drijvende deeltjes verzamelen zich aan het wateroppervlak en worden met afroomschrapers verzameld.


Tabel 5

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor directe lozingen naar een ontvangend waterlichaam

Stof/parameter

Sector

BBT-GEN  (25)

Totale hoeveelheid zwevende deeltjes (TSS)

Coating van voertuigen

Bandlakken

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen (alleen voor DWI-blikken)

5-30 mg/l

Chemisch zuurstofverbruik (CZV)  (26)

30-150 mg/l

Adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX)

0,1-0,4 mg/l

Fluoride (F-)  (27)

2-25 mg/l

Nikkel (uitgedrukt als Ni)

Coating van voertuigen

Bandlakken

0,05-0,4 mg/l

Zink (uitgedrukt als Zn)

0,05-0,6 mg/l  (28)

Totaal chroom (uitgedrukt als Cr)  (29)

Coating van vliegtuigen

Bandlakken

0,01-0,15 mg/l

Zeswaardig chroom (uitgedrukt als Cr(VI))  (30)

0,01-0,05 mg/l

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 12.

Tabel 6

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor indirecte lozingen in een ontvangend waterlichaam

Stof/parameter

Sector

BBT-GEN  (31)  (32)

Adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX)

Coating van voertuigen

Bandlakken

Coating en bedrukken van metalen verpakkingen (alleen voor DWI-blikken)

0,1-0,4 mg/l

Fluoride (F-)  (33)

2-25 mg/l

Nikkel (uitgedrukt als Ni)

Coating van voertuigen

Bandlakken

0,05-0,4 mg/l

Zink (uitgedrukt als Zn)

0,05-0,6 mg/l  (34)

Totaal chroom (uitgedrukt als Cr)  (35)

Coating van vliegtuigen

Bandlakken

0,01-0,15 mg/l

Zeswaardig chroom (uitgedrukt als Cr(VI))  (36)

0,01-0,05 mg/l

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 12.

1.1.15.   Afvalbeheer

BBT 22.   De BBT om de hoeveelheid afval bestemd voor verwijdering te verminderen, is de toepassing van de onderstaande technieken a) en b) en een van beide of beide onderstaande technieken c) en d).

Techniek

Omschrijving

a)

Afvalbeheersplan

Een afvalbeheersplan maakt deel uit van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) en bestaat uit een reeks maatregelen die erop gericht zijn: 1) de productie van afval tot een minimum te beperken; 2) het hergebruik, de regeneratie en/of de recycling van afval en/of de terugwinning van energie uit afval te optimaliseren, en 3) de correcte verwijdering van afval te waarborgen.

b)

Monitoring van de hoeveelheden afvalstoffen

Jaarlijkse registratie van de geproduceerde hoeveelheden afval, uitgesplitst per soort afval. Het gehalte aan oplosmiddelen in het afval wordt periodiek (ten minste eenmaal per jaar) bepaald door middel van een analyse of berekening.

c)

Terugwinning/recycling van oplosmiddelen

De technieken kunnen het volgende omvatten:

terugwinning/recycling van oplosmiddelen uit vloeibare afvalstoffen door filtratie of distillatie ter plaatse of elders;

terugwinning/recycling van oplosmiddelen in doekjes door afvloeiing onder invloed van de zwaartekracht, of door de doekjes uit te wringen of te centrifugeren.

d)

Afvalstroomspecifieke technieken

De technieken kunnen het volgende omvatten:

vermindering van het watergehalte van het afval, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een filterpers voor de behandeling van het slib;

vermindering van de gegenereerde hoeveelheden slib en gebruikt oplosmiddel, bijvoorbeeld door het aantal reinigingscycli te verminderen (zie BBT 9);

gebruikmaken van herbruikbare houders, de houders voor andere doeleinden hergebruiken of het materiaal van de houders recycleren;

de bij de droge gaswassing verbruikte kalksteen naar een kalk- of cementoven zenden.

1.1.16.   Geuremissies

BBT 23.   De BBT om geuremissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is om als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) een geurbeheersplan op te zetten, uit te voeren en regelmatig te evalueren dat alle volgende elementen omvat:

een protocol met acties en termijnen;

een protocol voor de reactie op geconstateerde geurincidenten, bv. klachten;

een programma ter voorkoming en beperking van geuren, ontworpen om de bron(nen) te bepalen, de bijdragen van de bron(nen) te karakteriseren, en preventieve en/of beperkende maatregelen te nemen.

Toepasbaarheid

De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.

1.2.   BBT-conclusies voor het coaten van voertuigen

De BBT-conclusie in dit punt is van toepassing op de coating van voertuigen (personenwagens, bestelwagens, vrachtwagens, vrachtwagencabines en bussen) en is van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

1.2.1.   VOS-emissies en verbruik van energie en grondstoffen

BBT 24.   De BBT om het verbruik van oplosmiddelen, andere grondstoffen en energie alsook de VOS-emissies te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande coatingsystemen.

Coatingsysteem

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Gemengde coating (op oplosmiddelbasis)

Een coatingsysteem waarbij één deklaag (primer of grondlaag) op waterbasis is.

Alleen toepasbaar op nieuwe installaties of wezenlijke verbeteringen van installaties.

b)

Coating op waterbasis

Een coatingsysteem waarbij de primer en grondlaag op waterbasis zijn.

c)

Geïntegreerd coatingprocedé

Een coatingsysteem dat de functies van primer en grondlaag combineert en in twee spuitstappen wordt aangebracht.

d)

3-laags natlaksysteem (nat in nat)

Een coatingsysteem waarbij de primer, de grondlaag en de transparante coating zonder tussentijds drogen worden aangebracht. De primer en grondlaag kunnen op oplosmiddel- of waterbasis zijn.


Tabel 7

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de totale VOS-emissies afkomstig van het coaten van voertuigen

Parameter

Voertuigtype

Eenheid

BBT-GEN  (37)

(Jaargemiddelde)

Nieuwe installatie

Bestaande installatie

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Personenwagens

g VOS per m2 oppervlakte  (38)

8-15

8-30

Bestelwagens

10-20

10-40

Vrachtwagencabines

8-20

8-40

Vrachtwagens

10-40

10-50

Bussen

< 100

90-150

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

1.2.2.   Hoeveelheid van de locatie verwijderde afval

Tabel 8

Indicatieve niveaus voor specifieke hoeveelheid van de locatie verwijderd afval afkomstig van het coaten van voertuigen

Parameter

Voertuigtype

Relevante afvalstromen

Eenheid

Indicatief niveau

(Jaargemiddelde)

Hoeveelheid van de locatie verwijderd afval

Personenwagens

Verfafval

Plastisol-, dichtings- en kleefstofafval

Gebruikte oplosmiddelen

Verfslib

Ander van de spuiterij afkomstig afval (bv. absorberend en schoonmaakmateriaal, filters, verpakkingsmateriaal, gebruikte actieve kool)

kg/gecoat voertuig

3-9  (39)

Bestelwagens

4-17  (39)

Vrachtwagencabines

2-11  (39)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 22, onder b).

1.3.   BBT-conclusies voor het coaten van andere oppervlakken van metaal of kunststof

De onderstaande emissieniveaus voor het aanbrengen van een coating op een metalen of kunststofoppervlak zijn geassocieerd met de algemene BBT-conclusies van punt 1.1. De onderstaande emissieniveaus zijn mogelijk niet van toepassing wanneer de metalen en/of kunststofonderdelen in een voertuigcoatingfabriek worden gecoat en deze emissies worden meegenomen in de berekening van de totale VOS-emissies voor de coating van voertuigen (zie punt 1.2).

Tabel 9

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de totale VOS-emissies afkomstig van het coaten van andere oppervlakken van metaal of kunststof

Parameter

Proces

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Coating van metalen oppervlakken

kg VOS per kg input aan vaste massa

< 0,05-0,2

Coating van kunststofoppervlakken

< 0,05-0,3

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

De BBT-GEN’s van beide tabellen 10 en 11 mogen als alternatief voor de BBT-GEN’s van tabel 9 worden gebruikt.

Tabel 10

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van het coaten van andere oppervlakken van metaal of kunststof

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 1-10

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 11

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van het coaten van andere oppervlakken van metaal of kunststof

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

1-20  (40)  (41)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.4.   BBT-conclusies voor het coaten van schepen en jachten

De BBT-conclusie in dit punt is van toepassing op het coaten van schepen en jachten, en is van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

BBT 25.   De BBT om de totale VOS- en stofemissies naar lucht te verminderen, de emissies naar water te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren, is de toepassing van de onderstaande technieken a) en b) en een combinatie van de onderstaande technieken c) tot en met i).

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

Afval- en afvalwaterbeheer

a)

Scheiding van afval- en afvalwaterstromen

Dokken en scheepshellingen worden gebouwd met:

een systeem om droog afval op doeltreffende wijze te verzamelen en te hanteren en gescheiden te houden van nat afval;

een systeem om afvalwater te scheiden van hemelwater en afstromend water.

Alleen toepasbaar op nieuwe installaties of wezenlijke verbeteringen van installaties.

Technieken in verband met de voorbereiding en de coatingprocessen

b)

Beperkingen voor ongunstige weersomstandigheden

Wanneer de behandelingsruimten niet volledig zijn afgesloten, wordt er niet gestraald en/of luchtloos gespoten bij (voorspelde) ongunstige weersomstandigheden.

Algemeen toepasbaar.

c)

Gedeeltelijke omsluiting van de behandelingsruimten

Om stofemissies te voorkomen worden fijne netten en/of watergordijnen gebruikt rondom zones waar gestraald en/of luchtloos gecoat wordt. Deze netten of gordijnen kunnen permanent of tijdelijk zijn.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door de vorm en de grootte van de zone die moet worden omsloten. De watergordijnen zijn mogelijk niet toepasbaar bij koude klimaatomstandigheden.

d)

Volledige omsluiting van de behandelingsruimten

Ter voorkoming van stofemissies vindt het stralen en/of luchtloos coaten plaats in hallen, gesloten werkplaatsen, of met textiel omspannen of volledig met netten omsloten ruimten. Lucht wordt uit de behandelingsruimten gezogen en kan afgasbehandeling ondergaan; zie ook BBT 14, onder b).

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door de vorm en de grootte van de zone die moet worden omsloten.

e)

Droogstralen in een gesloten systeem

Droogstralen met behulp van staalgrit of -korrels vindt plaats in gesloten straalsystemen die zijn uitgerust met een zuigkop en met centrifugaalstraalwielen.

Algemeen toepasbaar.

f)

Natstralen

Voor het stralen wordt water gebruikt dat een fijn schuurmiddel bevat, zoals een fijne as (bv. as van koperslakken) of silica.

Mogelijk niet toepasbaar in koude klimaatomstandigheden en/of in gesloten ruimten (vrachttanks, tanks met dubbele bodem) wegens de grote hoeveelheid damp die hierbij kan ontstaan.

g)

(Ultra)hogedrukwaterstralen

(Ultra)hogedrukwaterstralen is een stofloze oppervlaktebehandeling waarbij gebruik wordt gemaakt van water onder (extreem) hoge druk. Er zijn opties met of zonder schuurmiddel.

Mogelijk niet toepasbaar bij koude klimaatomstandigheden of als gevolg van oppervlaktespecificaties (bv. nieuwe oppervlakken, bestraling van kleine plekken).

h)

Verwijdering van coatings door inductieverhitting

Om de oude coatings los te maken wordt een inductorkop over het oppervlak van het staal bewogen, waardoor het staal plaatselijk snel wordt verhit.

Mogelijk niet toepasbaar op oppervlakken met een dikte van minder dan 5 mm en/of oppervlakken die gevoelig zijn voor inductieverhitting (bv. isolatie, ontvlambaar).

i)

Systeem voor de onderwaterreiniging van de romp en propeller

Onderwaterreinigingssysteem waarbij gebruik wordt gemaakt van waterdruk en roterende polypropyleenborstels.

Niet toepasbaar op schepen die volledig gedroogdokt zijn.


Tabel 12

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de totale VOS-emissies afkomstig van het coaten van schepen en jachten

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

kg VOS per kg input aan vaste massa

< 0,375

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

1.5.   BBT-conclusies voor het coaten van vliegtuigen

De BBT-conclusie in dit punt is van toepassing op het coaten van vliegtuigen, en is van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

BBT 26.   De BBT om de totale VOS-emissies te verminderen en de algehele milieuprestaties van het coaten van vliegtuigen te verbeteren, is de toepassing van de onderstaande techniek a) of beide onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Omsluiting

De samenstellende onderdelen worden in gesloten spuitcabines gecoat (zie BBT 14, onder b)).

Algemeen toepasbaar.

b)

Direct bedrukken

Gebruik van een printer om de onderdelen van het vliegtuig rechtstreeks met complexe layouts te bedrukken.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door technische overwegingen (bv. de toegankelijkheid van de toepassingstellage, kleuren op maat).


Tabel 13

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de totale VOS-emissies afkomstig van het coaten van vliegtuigen

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

kg VOS per kg input aan vaste massa

0,2-0,58

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

1.6.   BBT-conclusies voor het continu verven (coil coating)

De onderstaande emissieniveaus voor continu verven (coil coating) zijn geassocieerd met de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

Tabel 14

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van continu verven (coil coating)

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 1-3

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 15

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van continu verven (coil coating)

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

1-20  (42)  (43)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.7.   BBT-conclusies voor de vervaardiging van kleefband

De onderstaande emissieniveaus voor de fabricage van kleefband zijn geassocieerd met de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

Tabel 16

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) voor de totale VOS-emissies door de vervaardiging van kleefband

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 1-3  (44)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 17

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van de vervaardiging van kleefband

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

2-20  (45)  (46)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.8.   BBT-conclusies voor het coaten van textiel, folie en papier

De onderstaande emissieniveaus voor het aanbrengen van een coating op textiel, folie en papier zijn geassocieerd met de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

Tabel 18

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van het coaten van textiel, folie en papier

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 1-5

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 19

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van het coaten van textiel, folie en papier

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

5-20  (47)  (48)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.9.   BBT-conclusies voor de vervaardiging van wikkeldraad

De BBT-conclusie in dit punt is van toepassing op de vervaardiging van wikkeldraad, en is van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

BBT 27.   De BBT om de totale VOS-emissies en het energieverbruik te verminderen, is de toepassing van de onderstaande techniek a) en één of een combinatie van de onderstaande technieken b) tot en met d).

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Procesgeïntegreerde VOS-oxidatie

Het lucht/oplosmiddelmengsel dat het resultaat is van verdamping van het oplosmiddel tijdens het proces van herhaalde uitharding van de deklaag wordt behandeld in een katalytische oxidator (zie BBT 15, onder g)) die in de uithardingsoven/droger is geïntegreerd. De afvalwarmte van de katalytische oxidator wordt gebruikt in het droogproces om de circulerende luchtstroom te verwarmen en/of als proceswarmte voor andere doeleinden binnen de installatie.

Algemeen toepasbaar.

b)

Oplosmiddelvrije smeermiddelen

Oplosmiddelvrije smeermiddelen worden als volgt aangebracht:

de draad wordt getrokken door een vilt dat met smeermiddel is bevochtigd, of

een met smeermiddel geïmpregneerd filament wordt met de draad meegevoerd en de paraffine smelt als gevolg van de restwarmte van de draad en de wrijvingswarmte.

De toepasbaarheid is mogelijk beperkt als gevolg van productkwaliteitseisen of specificaties, bv. diameter.

c)

Zelfsmerende coatings

Het gebruik van smeermiddelen met oplosmiddel wordt vermeden door een coatingsysteem toe te passen dat al smeermiddel (een speciale was) bevat.

De toepasbaarheid is mogelijk beperkt als gevolg van productkwaliteitseisen of -specificaties.

d)

Emailcoating met een hoog gehalte aan vaste stoffen

Gebruik van emailcoating waarvan het gehalte aan vaste stoffen kan oplopen tot 45 %. Bij dunne draden (met een diameter van 0,1 mm of minder) is het gehalte aan vaste stoffen maximaal 30 %.


Tabel 20

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) voor de totale VOS-emissies afkomstig van de vervaardiging van wikkeldraad

Parameter

Productsoort

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Coating van wikkeldraad met een gemiddelde diameter van meer dan 0,1 mm

g VOS per kg gecoate draad

1-3,3

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 21

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van de vervaardiging van wikkeldraad

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

5-40

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.10.   BBT-conclusies voor het coaten en bedrukken van metalen verpakkingen

De onderstaande emissieniveaus voor het coaten en bedrukken van metalen verpakkingen zijn geassocieerd met de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

Tabel 22

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de totale VOS-emissies afkomstig van het coaten van metalen verpakkingen

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

g VOS per m2 gecoat/bedrukt oppervlak

< 1-3,5

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

De BBT-GEN’s van beide tabellen 23 en 24 mogen als alternatief voor het BBT-GEN van tabel 22 worden gebruikt.

Tabel 23

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van het coaten en bedrukken van metalen verpakkingen

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 1-12

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 24

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van het coaten en bedrukken van metalen verpakkingen

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

1-20  (49)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.11.   BBT-conclusies voor heatsetrotatie-offset

De BBT-conclusie in dit punt is van toepassing op heatsetrotatie-offset, en is van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

BBT 28.   De BBT om de totale VOS-emissies te beperken, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

Materiaalgerelateerde en druktechnieken

a)

Gebruik van IPA-arme of -vrije toevoegingsmiddelen in bevochtigingsoplossingen

Het verminderen of vermijden van isopropanol (IPA) als bevochtigingsmiddel in bevochtigingsoplossingen, door het te vervangen door mengsels van andere organische verbindingen die niet vluchtig zijn of een lage vluchtigheid hebben.

De toepasbaarheid kan worden beperkt door technische en productkwaliteitseisen of -specificaties.

b)

Waterloze offset

Wijziging van de pers en de prepress-procedés om het gebruik van speciaal gecoate offsetplaten mogelijk te maken, waardoor bevochtiging niet meer nodig is.

Mogelijk niet toepasbaar bij grote oplagen omdat de platen vaker gewisseld moeten worden.

Reinigingstechnieken

c)

Gebruik van VOS-vrije oplosmiddelen of oplosmiddelen met een lage vluchtigheid voor de automatische reiniging van het rubberdoek

Gebruik van organische verbindingen die niet vluchtig zijn of een lage vluchtigheid hebben als reinigingsmiddel voor de automatische reiniging van het rubberdoek.

Algemeen toepasbaar.

Afgasbehandelingstechnieken

d)

Rotatie-offsetdroger geïntegreerd met afgasbehandeling

Een rotatie-offsetdroger met een geïntegreerde afgasbehandelingseenheid, waardoor de binnenkomende lucht kan worden gemengd met een deel van de afgassen die terugkomen uit het thermische afgasbehandelingssysteem.

Toepasbaar op nieuwe installaties of bij wezenlijke verbeteringen van installaties.

e)

Extractie en behandeling van lucht afkomstig van de persruimte of -inkapseling

Doorleiden van de afgezogen lucht van de persruimte of -inkapseling naar de droger. Als gevolg daarvan wordt een deel van de in de persruimte of -inkapseling verdampte oplosmiddelen verminderd door de thermische behandeling (zie BBT 15) stroomafwaarts van de droger.

Algemeen toepasbaar.


Tabel 25

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de totale VOS-emissies afkomstig van heatsetrotatie-offset

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

kg VOS per kg inktinput

< 0,01-0,04  (50)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

De BBT-GEN’s van beide tabellen 26 en 27 mogen als alternatief voor de BBT-GEN’s van tabel 25 worden gebruikt.

Tabel 26

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van heatsetrotatie-offset

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 1-10  (51)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 27

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van heatsetrotatie-offset

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

1-15

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.12.   BBT-conclusies voor flexografie en rotatiediepdruk (anders dan illustratiediepdruk)

De onderstaande emissieniveaus voor flexografie en rotatiediepdruk (anders dan illustratiediepdruk) zijn geassocieerd met de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

Tabel 28

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) voor de totale VOS-emissies afkomstig van flexografie en rotatiediepdruk (anders dan illustratiediepdruk)

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

kg VOS per kg input aan vaste massa

< 0,1-0,3

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

De BBT-GEN’s van beide tabellen 29 en 30 mogen als alternatief voor het BBT-GEN van tabel 28 worden gebruikt.

Tabel 29

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van flexografie en rotatiediepdruk (anders dan illustratiediepdruk)

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 1-12

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 30

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van flexografie en rotatiediepdruk (anders dan illustratiediepdruk)

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

1-20  (52)  (53)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.13.   BBT-conclusies voor illustratiediepdruk

De BBT-conclusie in dit punt is van toepassing op illustratiediepdruk en is van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

BBT 29.   De BBT om de VOS-emissies van de illustratiediepdruk te verminderen, is het gebruik van een tolueenterugwinningssysteem op basis van adsorptie en de toepassing van één van of beide onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

a)

Gebruik van retentie-inkt

Retentie-inkt vertraagt de vorming van het gedroogde filmoppervlak, waardoor er meer tijd is waarin tolueen kan verdampen en er daarom meer tolueen in de droger kan vrijkomen en door het tolueenterugwinningssysteem teruggewonnen kan worden.

b)

Automatische reinigingssystemen aangesloten op het tolueenterugwinningssysteem

Geautomatiseerde cilinderreiniging met luchtafvoer naar het tolueenterugwinningssysteem.


Tabel 31

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van illustratiediepdruk

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 2,5

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 32

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van illustratiediepdruk

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

10-20

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

1.14.   BBT-conclusies voor het coaten van houten oppervlakken

De onderstaande emissieniveaus voor het coaten van houten oppervlakken zijn geassocieerd met de algemene BBT-conclusies van punt 1.1.

Tabel 33

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de totale VOS-emissies afkomstig van het coaten van houten oppervlakken

Parameter

Gecoate substraten

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Totale VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Platte substraten

kg VOS per kg input aan vaste massa

< 0,1

Andere dan platte substraten

< 0,25

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

De BBT-GEN’s van beide tabellen 34 en 35 mogen als alternatief voor de BBT-GEN’s van tabel 33 worden gebruikt.

Tabel 34

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor diffuse VOS-emissies afkomstig van het coaten van houten oppervlakken

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Jaargemiddelde)

Diffuse VOS-emissie zoals berekend aan de hand van de massabalans van de oplosmiddelen

Percentage (%) van de input aan oplosmiddelen

< 10

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 10.

Tabel 35

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor VOS-emissies in afgassen afkomstig van het coaten van houten oppervlakken

Parameter

Eenheid

BBT-GEN

(Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

5-20  (54)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 11.

2.   BBT-CONCLUSIES VOOR DE CONSERVERING VAN HOUT EN HOUTPRODUCTEN MET CHEMISCHE STOFFEN

2.1.   Milieubeheersystemen

BBT 30.   De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren, is het opstellen en uitvoeren van een milieubeheersysteem waarin alle punten i) tot en met xx) van BBT 1 en de volgende specifieke elementen zijn opgenomen:

i)

Bijblijven bij de ontwikkelingen op het gebied van biociden en de daarmee verband houdende wetgeving (bijvoorbeeld de toelating van producten in het kader van de biocidenverordening) teneinde de meest milieuvriendelijke processen te gebruiken.

ii)

Het opnemen van een massabalans van oplosmiddelen voor behandeling op oplosmiddelbasis en creosoot (zie BBT 33, onder c)).

iii)

Identificatie en oplijsting van alle voor het milieu kritische proces- en nabehandelingsapparatuur (waarvan het falen gevolgen kan hebben voor het milieu) (zie BBT 46, onder c)). De lijst van kritische apparatuur wordt steeds bijgewerkt.

iv)

Het opnemen van plannen voor het voorkomen en onder controle houden van lekken en morsen, met inbegrip van richtsnoeren voor het beheer van afval dat ontstaat bij het onder controle houden van morsen (zie BBT 46).

v)

Registratie van onopzettelijke lekken en morsen, en verbeteringsplannen (tegenmaatregelen).

Opmerking

Bij Verordening (EG) nr. 1221/2009 is het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Europese Unie (EMAS) vastgesteld, wat een voorbeeld is van een milieubeheersysteem dat in overeenstemming is met deze BBT.

Toepasbaarheid

De mate van gedetailleerdheid en formalisering van het milieubeheersysteem is over het algemeen gerelateerd aan de aard, omvang en complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan.

2.2.   Vervanging van schadelijke/gevaarlijke stoffen

BBT 31.   De BBT om de uitstoot van PAK’s en/of oplosmiddelen te voorkomen of beperken, is het gebruik van conserveermiddelen op waterbasis.

Omschrijving

Conserveermiddelen op basis van oplosmiddelen of creosoot worden vervangen door conserveermiddelen op waterbasis. Water fungeert als draagstof voor de biociden.

Toepasbaarheid

Kwaliteitseisen of specificaties van de producten kunnen de toepasbaarheid beperken.

BBT 32.   De BBT om het milieurisico als gevolg van het gebruik van behandelingschemicaliën te beperken, is om behandelingschemicaliën die momenteel in gebruik zijn, te vervangen door minder gevaarlijke chemische stoffen op basis van een regelmatig onderzoek (bv. eenmaal per jaar) om mogelijk nieuwe beschikbare en veiligere alternatieven te identificeren.

Toepasbaarheid

Kwaliteitseisen of specificaties van de producten kunnen de toepasbaarheid van vervanging beperken.

2.3.   Efficiënt gebruik van hulpbronnen

BBT 33.   De BBT om het efficiënt gebruik van hulpbronnen te verhogen en de milieueffecten en de risico’s in verband met het gebruik van behandelingschemicaliën te beperken, is om hun verbruik te verminderen door alle onderstaande technieken te gebruiken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Gebruik van een efficiënt systeem voor het aanbrengen van conserveermiddelen

Aanbrengsystemen waarbij het hout wordt ondergedompeld in de conserveervloeistof zijn efficiënter dan bijvoorbeeld spuiten. De efficiëntie van de aanbrenging bij vacuümprocessen (gesloten systeem) bedraagt bijna 100 %. Bij de keuze van het systeem wordt rekening gehouden met de gebruiksklasse en de benodigde penetratiegraad.

Alleen toepasbaar op nieuwe installaties of wezenlijke verbeteringen van installaties.

b)

Controle en optimalisering van het verbruik van de behandelingschemicaliën voor het specifieke eindgebruik

Controle en optimalisering van het verbruik van behandelingschemicaliën door:

a)

het hout/de houtproducten voor en na de impregnering te wegen, of

b)

de hoeveelheid conserveervloeistof tijdens en na de impregnering te bepalen.

Het verbruik van de behandelingschemicaliën volgt de aanbevelingen van de leveranciers en leidt niet tot overschrijding van de retentievereisten (zoals onder meer vastgesteld in de productkwaliteitsnormen).

Algemeen toepasbaar.

c)

Massabalans van de oplosmiddelen

Het ten minste eenmaal per jaar opstellen van een overzicht van de in- en outputs aan organische oplosmiddelen van een installatie als omschreven in deel 7, punt 2, van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU.

Alleen toepasbaar op installaties die gebruikmaken van behandelingschemicaliën op basis van oplosmiddelen of creosoot.

d)

Meting en aanpassing van het vochtgehalte van hout vóór behandeling

Houtvochtigheid wordt voorafgaand aan de behandeling gemeten (bv. door meting van de elektrische weerstand of door weging) en indien nodig gecorrigeerd (bv. door het verder drogen van het hout) om het impregneren te optimaliseren en de vereiste productkwaliteit te waarborgen.

Alleen toepasbaar indien hout met een specifiek vochtgehalte nodig is.

2.4.   Levering, opslag en hantering van behandelingschemicaliën

BBT 34.   De BBT om de emissies als gevolg van de levering, opslag en hantering van behandelingschemicaliën te verminderen, is de toepassing van de onderstaande techniek a) of b) en alle onderstaande technieken c) tot en met f).

Techniek

Omschrijving

a)

Retourdamp

Ook bekend als “dampbalancering”. Dampen van oplosmiddelen of creosoot die tijdens het vullen van de ontvangende tank daaruit worden verdreven, worden opgevangen en teruggevoerd naar de tank of vrachtwagen waaruit de vloeistof wordt geleverd.

b)

Opvang van de verdreven lucht

Dampen van oplosmiddelen of creosoot die tijdens het vullen van de ontvangende tank daaruit worden verdreven, worden opgevangen en naar een verwerkingseenheid geleid, bijvoorbeeld een actieve koolfilter of een thermische oxidatie-eenheid.

c)

Technieken om verdampingsverlies als gevolg van de opwarming van opgeslagen chemicaliën te verminderen

Wanneer de blootstelling aan zonlicht kan leiden tot verdamping van in bovengrondse opslagtanks opgeslagen oplosmiddelen en creosoot, worden de tanks voorzien van een dak of van lichtgekleurde verf om de verwarming van de opgeslagen oplosmiddelen en creosoot te beperken.

d)

Beveiliging van de toevoeraansluitpunten

De aansluitpunten voor toevoer aan opslagtanks die zich in de ingekuipte/omsloten ruimte bevinden, worden geborgd en afgesloten wanneer ze niet in gebruik zijn.

e)

Technieken om overstorting tijdens het pompen te voorkomen

Dit houdt onder meer in dat:

er toezicht is op de pompwerkzaamheden;

opslagtanks voor grotere hoeveelheden worden uitgerust met akoestische en/of optische overloop-alarmsystemen, zo nodig met uitschakelsysteem.

f)

Gesloten opslaghouders

De behandelingschemicaliën worden in gesloten houders opgeslagen.

2.5.   Voorbereiding/conditionering van hout

BBT 35.   De BBT om het energieverbruik te verminderen en het verbruik en de emissies van behandelingschemicaliën te verminderen, is om de houtlading in het vat te optimaliseren en ophoping van behandelingschemicaliën te voorkomen door gebruik te maken van een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Scheiding van hout in pakketten door gebruik van afstandsstukken

De pakketten worden voorzien van regelmatig geplaatste afstandsstukken om de doorstroming van de behandelingschemicaliën door de pakketten en de afvoer na behandeling te vergemakkelijken.

Algemeen toepasbaar.

b)

Hellend opstellen van houtpakketten in traditionele horizontale behandelingsvaten

De houtpakketten in het behandelingsvat worden hellend opgesteld om de doorstroming van de behandelingschemicaliën en de afvoer na behandeling te vergemakkelijken.

Algemeen toepasbaar.

c)

Gebruik van kantelende drukvaten

Het hele behandelingsvat wordt na de behandeling gekanteld waardoor overtollige behandelingschemicaliën gemakkelijk afvloeien en van de bodem van het vat kunnen worden teruggewonnen.

Alleen toepasbaar op nieuwe installaties of wezenlijke verbeteringen van installaties.

d)

Optimale plaatsing van vervormde houtstukken

Vervormde houtstukken worden zodanig geplaatst dat ophoping van behandelingschemicaliën wordt voorkomen.

Algemeen toepasbaar.

e)

Stevig vastmaken van de houtpakketten

De houtpakketten worden in het behandelingsvat bevestigd om de eventuele verschuiving van stukken hout te beperken, omdat dat gevolgen zou kunnen hebben voor de structuur van het pakket, en de impregneringsefficiëntie zou kunnen verminderen.

Algemeen toepasbaar.

f)

Maximalisering van de houtlast

De houtlast in het behandelingsvat wordt gemaximaliseerd om te zorgen voor de beste verhouding tussen het te behandelen hout en de behandelingschemicaliën.

Algemeen toepasbaar.

2.6.   Procedure voor het aanbrengen van conserveermiddelen

BBT 36.   De BBT om onopzettelijke lekkage en emissies van behandelingschemicaliën bij drukvrije processen te voorkomen, is de toepassing van één van de onderstaande technieken.

Techniek

a)

Dubbelwandige behandelingsvaten met automatische lekdetectietoestellen

b)

Enkelwandige behandelingsvaten met voldoende grote en houtverduurzamingsbestendige inkuiping, stootrand en automatisch lekdetectietoestel

BBT 37.   De BBT om de emissie van aerosolen afkomstig van de conservering van hout en houtproducten met behulp van behandelingschemicaliën op waterbasis te verminderen, is om spuitprocessen te omsluiten, overspray te verzamelen en opnieuw te gebruiken bij de bereiding van de houtconserveringsoplossing.

BBT 38.   De BBT om emissies van behandelingschemicaliën bij processen onder druk (autoclaven) te voorkomen of te verminderen, is de toepassing van alle onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

a)

Procesbeheersing om ervoor te zorgen dat behandelingen alleen worden uitgevoerd als de deur van het behandelingsvat afgesloten en verzegeld is

De deur van het behandelingsvat wordt afgesloten en verzegeld zodra het behandelingsvat is ingeladen en voordat de behandeling plaatsvindt. Procesregelaars zorgen ervoor dat het behandelingsvat alleen in gebruik is als de deur afgesloten en verzegeld is.

b)

Procesbeheersing om te voorkomen dat het behandelingsvat opengaat terwijl het toestel onder druk staat en/of met conserveervloeistof is gevuld

De procesregelaars tonen de druk en de aanwezigheid van vloeistof in het behandelingsvat. Zij verhinderen dat het behandelingsvat wordt geopend als deze nog onder druk staat en/of gevuld is.

c)

Vergrendeling van de deur van het behandelingsvat

De deur van het behandelingsvat is voorzien van een vergrendeling om te voorkomen dat vloeistoffen vrijkomen indien de deur in noodgevallen geopend moet worden (bv. als de deurverzegeling is verbroken). De vergrendeling maakt het mogelijk de druk gedeeltelijk te openen en de druk te laten ontsnappen maar niet de vloeistof.

d)

Gebruik en onderhoud van veiligheidskleppen

De behandelingsvaten worden voorzien van veiligheidskleppen om de vaten te beschermen tegen buitensporige druk.

Lozingen uit kleppen worden doorgeleid naar een tank met voldoende capaciteit.

Veiligheidskleppen worden regelmatig geïnspecteerd (bv. om de zes maanden) op tekenen van corrosie, verontreiniging of verkeerde montage, en worden zo nodig gereinigd en/of hersteld.

e)

Beheersing van emissies naar lucht van de vacuümpompuitlaat

Uit drukvaten afgezogen lucht (d.w.z. lucht in de vacuümpompuitlaat) wordt behandeld (bv. in een vloeistof-dampscheider).

f)

Vermindering van emissies naar lucht bij het openen van het behandelingsvat

De tijd tussen het verlagen van de druk in het behandelingsvat en de opening ervan is voldoende voor het uitlekken en het condenseren.

g)

Toepassing van een finaal vacuüm om overtollige behandelingschemicaliën van het oppervlak van het behandelde hout te verwijderen.

Om druppelvorming te voorkomen, wordt het behandelingsvat vóór opening in een finaal vacuüm gebracht om overtollige behandelingschemicaliën van het oppervlak van behandeld hout te verwijderen.

Het toepassen van een finaal vacuüm is eventueel niet nodig als de verwijdering van behandelingschemicaliën van het oppervlak van het behandelde hout wordt verzekerd door toepassing van een passend initieel vacuüm (bv. minder dan 50 mbar).

BBT 39.   De BBT om het energieverbruik in drukprocessen (autoclaven) te verminderen, is variabele pompregeling.

Omschrijving

Nadat de vereiste werkdruk is bereikt, wordt het behandelingssysteem omgeschakeld naar een pomp met een lager vermogen en energieverbruik.

Toepasbaarheid

De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in geval van processen met oscillerende druk.

2.7.   Conditionering en tussentijdse opslag na de behandeling

BBT 40.   De BBT om verontreiniging van de bodem of het grondwater door de tijdelijke opslag van pas behandeld hout te voorkomen of te beperken, is om voldoende tijd te geven voor het uitlekken na de behandeling en om het behandelde hout pas uit het omsloten/ingekuipte gebied te halen als het geacht wordt droog te zijn.

Omschrijving

Om ervoor te zorgen dat de overtollige behandelingschemicaliën naar het behandelingsvat kunnen terugvloeien, wordt/worden behandeld(e) hout/houtpakketten gedurende een voldoende lange periode na de behandeling en vóór overbrenging naar de droogzone in het omsloten/ingekuipte gebied gehouden (bv. boven het behandelingsvat of een uitlekmat). Vóór het verlaten van de droogzone wordt/worden behandeld(e) hout/houtpakketten bijvoorbeeld opgetild met mechanische middelen en ten minste vijf minuten zo gehouden. Indien er zich geen druppels behandelingsvloeistof vormen, wordt het hout geacht droog te zijn.

2.8.   Afvalbeheer

BBT 41.   De BBT om de hoeveelheid afval bestemd voor verwijdering, in het bijzonder gevaarlijke afvalstoffen, te verminderen, is de toepassing van de onderstaande technieken a) en b) en een van beide of beide onderstaande technieken c) en d).

Techniek

Omschrijving

a)

Verwijdering van losse resten vóór behandeling

Losse resten (bv. zaagsel, houtspaanders) worden vóór de behandeling van het oppervlak van het hout/de houtproducten verwijderd.

b)

Terugwinning en hergebruik van wassen en oliën

Wanneer wassen of oliën worden gebruikt voor het impregneren, worden overtollige wassen of oliën uit het impregneerproces teruggewonnen en hergebruikt.

c)

Bulklevering van behandelingschemicaliën

Levering van behandelingschemicaliën in tanks om de hoeveelheid verpakking te verminderen.

d)

Gebruik van herbruikbare houders

Herbruikbare houders die voor de behandelingschemicaliën (bv. bulkcontainers voor tussenopslag) worden gebruikt, worden aan de leverancier teruggezonden om opnieuw gebruikt te worden.

BBT 42.   De BBT om het milieurisico gerelateerd aan het afvalbeheer te verminderen, is om afvalstoffen in geschikte houders of op ondoorlatende oppervlakken op te slaan en om gevaarlijke afvalstoffen gescheiden te houden, in een tegen weersomstandigheden beschermd en omsloten/ingekuipt gebied.

2.9.   Monitoring

2.9.1.   Emissies naar water

BBT 43.   De BBT is om afvalwater en mogelijk verontreinigd afstromend water vóór elke batchlozing overeenkomstig de EN-normen te monitoren op verontreinigende stoffen. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT het volgen van nationale, ISO-, of andere internationale normen die gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen.

Stof/parameter

Norm(en)

Biociden  (55)

Mogelijk zijn er, afhankelijk van de samenstelling van de biociden, EN-normen beschikbaar

Cu  (56)

Er zijn meerdere EN-normen beschikbaar

(bv. EN ISO 11885, EN ISO 17294-2, EN ISO 15586)

Oplosmiddelen  (57)

Voor sommige oplosmiddelen zijn er EN-normen beschikbaar

(bv. EN ISO 15680)

PAK’s  (58)

EN ISO 17993

Benzo[a]pyreen  (58)

EN ISO 17993

HOI (hydrocarbon oil index)

EN/ISO 9377-2

2.9.2.   Kwaliteit van het grondwater

BBT 44.   De BBT is om verontreinigende stoffen in het grondwater met een frequentie van ten minste eenmaal per zes maanden en in overeenstemming met de EN-normen te monitoren. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT het volgen van nationale, ISO-, of andere internationale normen die gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen.

De monitoringfrequentie mag worden verminderd tot eens per twee jaar op basis van een risicobeoordeling of wanneer is aangetoond dat het niveau van de verontreinigende stoffen voldoende stabiel is (bv. na een periode van vier jaar).

Stof/parameter  (59)

Norm(en)

Biociden  (60)

Mogelijk zijn er, afhankelijk van de samenstelling van de biociden, EN-normen beschikbaar

As

Er zijn meerdere EN-normen beschikbaar

(bv. EN ISO 11885, EN ISO 17294-2, EN ISO 15586)

Cu

Cr

Oplosmiddelen  (61)

Voor sommige oplosmiddelen zijn er EN-normen beschikbaar

(bv. EN ISO 15680)

PAK’s

EN ISO 17993

Benzo[a]pyreen

EN ISO 17993

HOI (hydrocarbon oil index)

EN/ISO 9377-2

2.9.3.   Emissies in afgassen

BBT 45.   De BBT is om de emissies in afgassen ten minste eenmaal per jaar en in overeenstemming met de EN-normen te monitoren. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT het volgen van nationale, ISO-, of andere internationale normen die gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen.

Parameter

Proces

Norm(en)

Monitoring heeft betrekking op

TVOC  (62)

Conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot en behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis

EN 12619

BBT 49, BBT 51

PAK’s  (62)  (63)

Conservering van hout en houtproducten met creosoot

Geen EN-norm beschikbaar

BBT 51

NOx  (64)

Conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot en behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis

EN 14792

BBT 52

CO  (64)

EN 15058

2.10.   Emissies naar bodem en grondwater

BBT 46.   De BBT om emissies naar de bodem en grondwater te voorkomen of te verminderen, is de toepassing van alle onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

a)

Omsluiting/inkuiping van installaties en apparatuur

De delen van de installatie waar chemische stoffen worden opgeslagen of gehanteerd, d.w.z. de zones voor de opslag van behandelingschemicaliën, voor het conditioneren, voor het nabehandelen en voor het tijdelijk opslaan (met inbegrip van het behandelingsvat, het werkvat, de losplaats/de uitrijzone, het uitlek-/droogzone, de koelzone), de leidingen en kanalen voor de behandelingschemicaliën en voor de (her)conditionering van creosoot, worden omsloten of ingekuipt. Omsluitingen en inkuipingen hebben een ondoordringbaar oppervlak, zijn behandelingschemicaliënbestendig en beschikken over voldoende capaciteit voor het opvangen en vasthouden van de in de installatie/uitrusting gehanteerde of opgeslagen hoeveelheden.

Lekbakken (vervaardigd van behandelingschemicaliënbestendig materiaal) kunnen ook worden gebruikt als plaatselijke opvangvoorzieningen voor het verzamelen en terugwinnen van druppels en gemorste behandelingschemicaliën uit kritische apparatuur (afsluiters, in- en uitlaatopeningen van opslagtanks, behandelingsvaten, werktanks, losplaatsen/uitrijzones, koel-/droogzones) of processen (het hanteren van pas behandeld hout).

De vloeistoffen in de omsluitingen/inkuipingen en lekbakken worden verzameld om de behandelingschemicaliën terug te winnen, zodat zij in het systeem voor de behandelingschemicaliën hergebruikt kunnen worden. Slib dat in het opvangsysteem wordt gegenereerd, wordt verwijderd als gevaarlijk afval.

b)

Ondoordringbare vloeren

De vloeren in zones die niet zijn omsloten of ingekuipt en waar sprake kan zijn van druppelvorming, morsen of uitlogen van behandelingschemicaliën, moeten ondoordringbaar zijn voor de stoffen in kwestie (bv. opslag van behandeld hout op een ondoordringbare ondergrond, indien dit in de biocidenverordening is voorgeschreven voor de toelating van het voor de behandeling gebruikte houtconserveringsmiddel). De vloeistoffen op de vloeren worden verzameld om de behandelingschemicaliën terug te winnen, zodat zij in het systeem voor de behandelingschemicaliën hergebruikt kunnen worden. Slib dat in het opvangsysteem wordt gegenereerd, wordt verwijderd als gevaarlijk afval.

c)

Waarschuwingssystemen voor apparatuur die als “kritisch” is aangemerkt

“Kritische” apparatuur (zie BBT 30) wordt uitgerust met waarschuwingssystemen om storingen aan te duiden.

d)

Het voorkomen en opsporen van lekken afkomstig van ondergrondse opslagsystemen en leidingen voor schadelijke of gevaarlijke stoffen en het bijhouden van gegevens

Het gebruik van ondergrondse componenten wordt tot een minimum beperkt. Wanneer ondergrondse componenten worden gebruikt voor de opslag van schadelijke/gevaarlijke stoffen, wordt secundaire insluiting (bv. dubbele wanden) ingevoerd. Ondergrondse componenten zijn voorzien van apparatuur voor lekdetectie.

Op risico gebaseerde en regelmatige monitoring van ondergrondse opslag en leidingen wordt uitgevoerd om mogelijke lekken in kaart te brengen; zo nodig wordt de lekkende apparatuur gerepareerd. Er wordt een register bijgehouden van incidenten die bodem- en/of grondwaterverontreiniging kunnen veroorzaken.

e)

Regelmatige inspectie en onderhoud van installaties en uitrusting

De installatie en de uitrusting worden regelmatig geïnspecteerd en onderhouden om een goede werking te waarborgen; dit omvat met name het controleren van de integriteit en/of de lekvrije status van kleppen, pompen, leidingen, tanks, drukvaten, lekbakken, omsluitingen/inkuipingen en de goede werking van de waarschuwingssystemen.

f)

Technieken om kruisverontreiniging te voorkomen

Kruisverontreiniging (d.w.z. verontreiniging van delen van installaties die normaliter niet in contact komen met behandelingschemicaliën) wordt voorkomen met behulp van geschikte technieken zoals:

lekbakken zo ontwerpen dat vorkheftrucks niet in contact komen met mogelijk verontreinigde oppervlakken van de lekbakken;

de laadapparatuur (gebruikt om behandeld hout uit het behandelingsvat te verwijderen) zo ontwerpen dat de overdracht van behandelingschemicaliën wordt voorkomen;

een kraansysteem gebruiken voor het hanteren van behandeld hout;

speciale transportvoertuigen gebruiken voor mogelijk verontreinigde zones;

de toegang tot mogelijk verontreinigde gebieden beperken;

looppaden met grind gebruiken.

2.11.   Emissies naar water en afvalwaterbeheer

BBT 47.   De BBT om emissies naar water te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen en waterverbruik te verminderen, is de toepassing van alle onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Technieken om verontreiniging van regenwater en afstromend water te voorkomen

Regenwater en afstromend water worden gescheiden gehouden van zones waar behandelingschemicaliën worden opgeslagen of gehanteerd, van zones waar pas behandeld hout is opgeslagen en van verontreinigd water. Dit wordt bereikt door op zijn minst gebruik te maken van de volgende technieken:

afwateringskanalen en/of een buitenste kuiprand rond de installatie;

dakbedekking met dakgoten voor zones waar behandelingschemicaliën worden opgeslagen of gebruikt (d.w.z. de opslagplaats voor behandelingschemicaliën; zones voor behandeling, conditionering na de behandeling en tijdelijke opslag; pijpen en leidingen voor de behandelingschemicaliën; inrichtingen voor de (her)conditionering van creosoot);

bescherming tegen weersomstandigheden (bv. daken of dekzeilen) voor de opslag van behandeld hout, indien dit in de biocidenverordening is voorgeschreven voor de toelating van het voor de behandeling gebruikte houtconserveringsmiddel.

Voor bestaande installaties kan de toepasbaarheid van afwateringskanalen en een buitenste kuiprand beperkt zijn door de grootte van de installatie.

b)

Opvang van mogelijk verontreinigd afstromend water

Afstromend water in gebieden die mogelijk verontreinigd zijn met behandelingschemicaliën, wordt gescheiden opgevangen. Het opgevangen afvalwater wordt pas geloosd nadat passende maatregelen zijn genomen, bv. monitoring (zie BBT 43), behandeling (zie BBT 47, onder e)), hergebruik (zie BBT 47, onder c)).

Algemeen toepasbaar.

c)

Gebruik van mogelijk verontreinigd afstromend water

Na opvang wordt mogelijk verontreinigd afstromend water gebruikt voor de bereiding van houtconserveringsmiddelen op waterbasis.

Alleen toepasbaar bij installaties die gebruikmaken van behandelingschemicaliën op waterbasis. De toepasbaarheid kan beperkt worden door de kwaliteitseisen voor het beoogde gebruik.

d)

Hergebruik van schoonmaakwater

Het water dat wordt gebruikt om apparatuur en houders te wassen, wordt teruggewonnen en hergebruikt bij de bereiding van houtconserveringsmiddelen op waterbasis.

Alleen toepasbaar bij installaties die gebruikmaken van behandelingschemicaliën op waterbasis.

e)

Behandeling van afvalwater

Wanneer verontreiniging in het opgevangen afstromend water en/of schoonmaakwater wordt geconstateerd of te verwachten valt en het gebruik van dat water niet haalbaar is, wordt het afvalwater in een daartoe geschikte afvalwaterzuiveringsinstallatie (op of buiten het terrein) behandeld.

Algemeen toepasbaar.

f)

Verwijdering als gevaarlijk afval

Wanneer verontreiniging in het opgevangen afstromend water en/of schoonmaakwater wordt geconstateerd of te verwachten valt en het gebruik van dat water niet haalbaar is, wordt het opgevangen afstromend water en/of schoonmaakwater verwijderd als gevaarlijk afval.

Algemeen toepasbaar.

BBT 48.   De BBT om de emissies naar water afkomstig van de conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot te verminderen, is om de condensaten afkomstig van de drukvermindering en vacuümwerking van het behandelingsvat en van het (her)conditioneren van creosoot op te vangen en die condensaten ofwel ter plekke met behulp van een actieve koolfilter of zandfilter te behandelen, of ze als gevaarlijk afval te verwijderen.

Omschrijving

De condensaten worden opgevangen, krijgen de tijd om te bezinken en worden behandeld met een actieve koolfilter of zandfilter. Het behandelde water wordt of hergebruikt (gesloten circuit) of in het openbare rioolstelsel geloosd. Als alternatief mogen de opgevangen condensaten ook als gevaarlijke afvalstoffen worden verwijderd.

2.12.   Emissies naar lucht

BBT 49.   De BBT om de uitstoot van VOS naar de lucht afkomstig van de conservering van hout en houtproducten met behulp van behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis te verminderen, is om de emitterende apparatuur of processen in te sluiten, de procesafgassen af te zuigen en deze naar een behandelingssysteem te sturen (zie de technieken in BBT 51).

BBT 50.   De BBT om de emissie naar de lucht van organische verbindingen en geur afkomstig van de conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot te verminderen, is om impregnerende oliën met een lage vluchtigheid te gebruiken, d.w.z. creosoot van klasse C in plaats van klasse B.

Toepasbaarheid

Mogelijk is creosoot van klasse C niet toepasbaar bij koude klimatologische omstandigheden.

BBT 51.   De BBT om de emissies naar lucht van organische verbindingen afkomstig van de conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot te verminderen, is om de relevante apparatuur (bv. opslag- en impregneertanks) of processen (drukvermindering en herconditionering van creosoot) in te sluiten, de procesafgassen af te zuigen en één of een combinatie van de onderstaande behandelingstechnieken te gebruiken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Thermische oxidatie

Zie BBT 15, onder i). De uitlaathitte kan worden teruggewonnen door middel van warmtewisselaars.

Algemeen toepasbaar.

b)

Procesafgassen naar een stookinstallatie sturen

De procesafgassen worden geheel of gedeeltelijk als verbrandingslucht en aanvullende brandstof naar een stook- en/of warmtekrachtkoppelingsinstallatie gestuurd voor de productie van stoom en/of elektriciteit.

Niet toepasbaar bij procesafgassen die stoffen bevatten waarnaar in artikel 59, lid 5, van de richtlijn inzake industriële emissies wordt verwezen. Veiligheidsoverwegingen kunnen de toepasbaarheid beperken.

c)

Adsorptie met behulp van actieve kool

Organische verbindingen worden aan het oppervlak van actief kool geadsorbeerd. De geadsorbeerde verbindingen kunnen vervolgens voor hergebruik of verwijdering gedesorbeerd worden, bijvoorbeeld met stoom (vaak ter plekke), waarna het adsorptiemiddel opnieuw wordt gebruikt.

Algemeen toepasbaar.

d)

Absorptie met behulp van een geschikte vloeistof

Gebruik van een geschikte vloeistof om verontreinigende stoffen door absorptie uit de procesafgassen te verwijderen, met name oplosbare verbindingen.

Algemeen toepasbaar.

e)

Condensatie

Een techniek voor het verwijderen van organische verbindingen door de temperatuur lager te brengen dan hun dauwpunt, zodat de dampen vloeibaar worden. Afhankelijk van het vereiste operationele temperatuurbereik worden verschillende koelmiddelen gebruikt, bv. koelwater, sterk gekoeld water (temperatuur gewoonlijk rond 5 °C), ammoniak of propaan.

Condensatie wordt gebruikt in combinatie met een andere nabehandelingstechniek.

De toepasbaarheid kan beperkt zijn door een te hoge energievraag voor terugwinning vanwege een laag VOS-gehalte.


Tabel 36

BBT-geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor TVOC- en PAK-emissies in afgassen afkomstig van de conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot en/of behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis

Parameter

Eenheid

Proces

BBT-GEN

(Gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

TVOC

mg C/Nm3

Behandeling met creosoot en op oplosmiddelbasis

< 4-20

PAK’s

mg/Nm3

Behandeling met creosoot

< 1  (65)

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 45.

BBT 52.   De BBT om de NOx-emissies in procesafgassen te verminderen en tegelijkertijd de CO-emissies als gevolg van de thermische behandeling van afgassen afkomstig van de conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot en/of behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis te beperken, is de toepassing van de onderstaande techniek a) of beide onderstaande technieken.

Techniek

Omschrijving

Toepasbaarheid

a)

Optimalisatie van de thermische behandelingsomstandigheden

(ontwerp en werking)

Zie BBT 17, onder a)

Voor bestaande installaties kan de toepasbaarheid van ontwerp beperkt zijn.

b)

Gebruik van lage-NOx-branders

Zie BBT 17, onder b)

Bij bestaande installaties kan de toepasbaarheid beperkt zijn door ontwerp- en/of operationele beperkingen.


Tabel 37

BBT-geassocieerde emissieniveaus voor NOx-emissies in afgassen en indicatieve emissieniveaus voor CO-emissies van afgassen naar lucht afkomstig van de thermische behandeling van procesafgassen bij de conservering van hout en houtproducten met behulp van creosoot en/of behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis

Parameter

Eenheid

BBT-GEN  (66)

(Gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

Indicatief emissieniveau  (66)

(Gemiddelde over de bemonsteringsperiode)

NOx

mg/Nm3

20-130

Geen indicatief niveau

CO

Geen BBT-GEN

20-150

De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 45.

2.13.   Geluid

BBT 53.   De BBT om geluidsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de toepassing van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

Techniek

Opslag en behandeling van grondstoffen

a)

Installatie van geluidswanden en gebruik/optimalisering van het geluidsabsorberende effect van gebouwen

b)

Omhulling of gedeeltelijke omhulling van lawaaierige activiteiten

c)

Gebruik van geluidsarme voertuigen/vervoersystemen

d)

Geluidsbeheersmaatregelen (bv. verbeterde inspectie en onderhoud van apparatuur, het sluiten van deuren en ramen)

Drogen in de oven

e)

Geluidsreducerende maatregelen voor ventilatoren

Toepasbaarheid

De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geluidshinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.


(1)  Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).

(2)  Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1).

(3)  Voor parameters waarvoor bemonsteringen/metingen van 30 minuten en/of een gemiddelde van drie opeenvolgende metingen wegens beperkingen op het vlak van bemonstering of analyse en/of operationele omstandigheden niet geschikt zijn, mag een meer representatieve bemonsterings-/meetprocedure worden gevolgd.

(4)  De keuze van de aanbrengingstechnieken kan beperkt worden door een lage doorvoer en/of een grote variëteit aan producten binnen installaties, het type en de vorm van het substraat, de productkwaliteitseisen en de noodzaak om ervoor te zorgen dat de gebruikte materialen, de coatingstechnieken, de drogings-/uithardingstechnieken en de afgasbehandelingssystemen onderling compatibel zijn.

(5)  De keuze van de drogings-/uithardingstechnieken kan beperkt zijn door het type en de vorm van het substraat, de productkwaliteitseisen en de noodzaak om ervoor te zorgen dat de gebruikte materialen, de coatingstechnieken, de drogings-/uithardingstechnieken en de afgasbehandelingssystemen onderling compatibel zijn.

(6)  Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden.

(7)  In het geval van een TVOC-belasting van minder dan 0,1 kg C/u, of in het geval van een onbehandelde en stabiele TVOC-belasting van minder dan 0,3 kg C/u, mag de monitoringfrequentie worden verminderd tot eenmaal per drie jaar, of mag de meting worden vervangen door berekening op voorwaarde dat hiermee gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden gewaarborgd.

(8)  Voor de thermische behandeling van procesafgassen wordt de temperatuur in de verbrandingskamer continu gemeten. Dit wordt gecombineerd met een alarmsysteem waarmee wordt gecontroleerd of temperaturen buiten het optimale temperatuurbereik vallen.

(9)  Generieke EN-normen voor continue meting zijn EN 15267-1, EN 15267-2, EN 15267-3 en EN 14181.

(10)  De monitoring is alleen van toepassing als DMF wordt gebruikt in de processen.

(11)  Bij afwezigheid van een EN-norm is de meting inclusief de DMF in de gecondenseerde fase.

(12)  In het geval van een schoorsteen met een TVOC-belasting van minder dan 0,1 kg C/u mag de monitoringfrequentie worden verminderd tot eenmaal per drie jaar.

(13)  De monitoring is alleen van toepassing bij directe lozing in een ontvangend waterlichaam.

(14)  Indien is aangetoond dat de emissies voldoende stabiel zijn, mag de monitoringfrequentie verlaagd worden tot een keer per drie maanden.

(15)  In het geval van batchlozingen die minder vaak plaatsvinden dan de minimale monitoringfrequentie, wordt de monitoring eenmaal per batch uitgevoerd.

(16)  TOC-monitoring en CZV-monitoring zijn alternatieven. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarvoor geen zeer toxische verbindingen nodig zijn.

(17)  De monitoring van Cr(VI) is alleen van toepassing als chroom(VI)-verbindingen in de processen worden gebruikt.

(18)  In het geval van een indirecte lozing in een ontvangend waterlichaam mag de monitoringfrequentie worden verlaagd indien de stroomafwaartse afvalwaterbehandelingsinstallatie ontworpen en passend uitgerust is om de betrokken verontreinigende stoffen te verminderen.

(19)  De monitoring van Cr is alleen van toepassing als chroomverbindingen in de processen worden gebruikt.

(20)  De monitoring van F- is alleen van toepassing als fluorverbindingen in de processen worden gebruikt.

(21)  Het BBT-GEN en het indicatieve niveau zijn niet van toepassing wanneer procesafgassen naar een stookinstallatie worden gestuurd.

(22)  Het BBT-GEN is mogelijk niet van toepassing indien stikstofbevattende verbindingen (bv. DMF of NMP (N-methylpyrrolidon)) in het procesafgas aanwezig zijn.

(23)  Het BBT-GMPN is mogelijk niet van toepassing wanneer de continu verfinrichting deel uitmaakt van een grotere fabricage-inrichting (bv. staalgieterij) of voor combilijnen.

(24)  Het BBT-GMPN is mogelijk niet van toepassing wanneer de continu verfinrichting deel uitmaakt van een grotere fabricage-inrichting (bv. staalgieterij) of voor combilijnen.

(25)  De middelingstijd staat in de algemene overwegingen.

(26)  Het BBT-GEN voor CZV kan worden vervangen door een BBT-GEN voor TOC. De correlatie tussen het CZV en het TOC wordt per geval bepaald. Het BBT-GEN voor het TOC is de voorkeursoptie omdat bij TOC-monitoring geen zeer toxische verbindingen hoeven te worden gebruikt.

(27)  Het BBT-GEN is alleen van toepassing als fluorverbindingen in de processen worden gebruikt.

(28)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan 1 mg/l zijn in het geval van substraten die zink bevatten of met zink zijn voorbehandeld.

(29)  Het BBT-GEN is alleen van toepassing als chroomverbindingen in de processen worden gebruikt.

(30)  Het BBT-GEN is alleen van toepassing als chroom(VI)-verbindingen in de processen worden gebruikt.

(31)  De BBT-GEN’s zijn mogelijk niet van toepassing indien de stroomafwaartse afvalwaterzuiveringsinstallatie qua ontwerp en uitrusting geschikt is om de desbetreffende verontreinigende stoffen te reduceren, op voorwaarde dat dit niet tot een hoger niveau van verontreiniging van het milieu leidt.

(32)  De middelingstijd staat in de algemene overwegingen.

(33)  Het BBT-GEN is alleen van toepassing als fluorverbindingen in de processen worden gebruikt.

(34)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan 1 mg/l zijn in het geval van substraten die zink bevatten of met zink zijn voorbehandeld.

(35)  Het BBT-GEN is alleen van toepassing als chroomverbindingen in de processen worden gebruikt.

(36)  Het BBT-GEN is alleen van toepassing als chroom(VI)-verbindingen in de processen worden gebruikt.

(37)  De BBT-GEN’s hebben betrekking op emissies uit alle stadia van het proces die in dezelfde installatie worden uitgevoerd, vanaf de elektroforetische coating of andere soorten coatingprocessen tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die worden gebruikt bij het reinigen van productieapparatuur, zowel tijdens als buiten de productieperiode.

(38)  De oppervlakte wordt gedefinieerd zoals beschreven in deel 3 van bijlage VII bij Richtlijn 2010/75/EU.

(39)  De bovengrens van het bereik is hoger als droge gaswassing met kalksteen wordt gebruikt.

(40)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik is 35 mg C/Nm3 indien technieken worden gebruikt die het hergebruik/de recycling van het teruggewonnen oplosmiddel mogelijk maken.

(41)  Voor installaties die gebruikmaken van BBT 16, onder c), in combinatie met een afgasbehandelingstechniek, is een extra BBT-GEN van minder dan 50 mg C/Nm3 van toepassing op het afgas van de concentrator.

(42)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik is 50 mg C/Nm3 indien technieken worden gebruikt die het hergebruik/de recycling van het teruggewonnen oplosmiddel mogelijk maken.

(43)  Voor installaties die gebruikmaken van BBT 16, onder c), in combinatie met een afgasbehandelingstechniek, is een extra BBT-GEN van minder dan 50 mg C/Nm3 van toepassing op het afgas van de concentrator.

(44)  Dit BBT-GEN geldt mogelijk niet voor de vervaardiging van kunststoffolies die worden gebruikt bij tijdelijke oppervlaktebescherming.

(45)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik is 50 mg C/Nm3 indien technieken worden gebruikt die het hergebruik/de recycling van het teruggewonnen oplosmiddel mogelijk maken.

(46)  Voor installaties die gebruikmaken van BBT 16, onder c), in combinatie met een afgasbehandelingstechniek, is een extra BBT-GEN van minder dan 50 mg C/Nm3 van toepassing op het afgas van de concentrator.

(47)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik is 50 mg C/Nm3 indien technieken worden gebruikt die het hergebruik/de recycling van het teruggewonnen oplosmiddel mogelijk maken.

(48)  Voor installaties die gebruikmaken van BBT 16, onder c), in combinatie met een afgasbehandelingstechniek, is een extra BBT-GEN van minder dan 50 mg C/Nm3 van toepassing op het afgas van de concentrator.

(49)  Voor installaties die gebruikmaken van BBT 16, onder c), in combinatie met een afgasbehandelingstechniek, is een extra BBT-GEN van minder dan 50 mg C/Nm3 van toepassing op het afgas van de concentrator.

(50)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik houdt verband met de fabricage van producten van hoge kwaliteit.

(51)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik houdt verband met de fabricage van producten van hoge kwaliteit.

(52)  De bovengrens van het BBT-GEN-bereik is 50 mg C/Nm3 indien technieken worden gebruikt die het hergebruik/de recycling van het teruggewonnen oplosmiddel mogelijk maken.

(53)  Voor installaties die gebruikmaken van BBT 16, onder c), in combinatie met een afgasbehandelingstechniek, is een extra BBT-GEN van minder dan 50 mg C/Nm3 van toepassing op het afgas van de concentrator.

(54)  Voor installaties die gebruikmaken van BBT 16, onder c), in combinatie met een afgasbehandelingstechniek, is een extra BBT-GEN van minder dan 50 mg C/Nm3 van toepassing op het afgas van de concentrator.

(55)  Er worden specifieke stoffen gemonitord, afhankelijk van de samenstelling van de bij het proces gebruikte biociden.

(56)  De monitoring is alleen van toepassing als in het proces koperverbindingen worden gebruikt.

(57)  De monitoring is alleen van toepassing bij installaties waar behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis worden gebruikt. Er worden specifieke stoffen gemonitord, afhankelijk van de bij het proces gebruikte oplosmiddelen.

(58)  De monitoring is alleen van toepassing bij installaties waar creosootbehandeling wordt gebruikt.

(59)  De monitoring is mogelijk niet van toepassing indien de betrokken stof niet in het proces wordt gebruikt en aangetoond is dat het grondwater niet met deze stof verontreinigd is.

(60)  Er worden specifieke stoffen gemonitord, afhankelijk van de samenstelling van de biociden die bij het proces worden of werden gebruikt.

(61)  De monitoring is alleen van toepassing bij installaties waar behandelingschemicaliën op oplosmiddelbasis worden gebruikt. Er worden specifieke stoffen gemonitord, afhankelijk van de bij het proces gebruikte oplosmiddelen.

(62)  Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden.

(63)  Hierbij is inbegrepen: acenafteen, acenaftyleen, antraceen, benzo(a)antraceen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(g,h,i)peryleen, benzo(k)fluorantheen, chryseen, dibenzo(a,h)antraceen, fluorantheen, fluoreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, naftaleen, fenantreen en pyreen.

(64)  De monitoring is alleen van toepassing op emissies afkomstig van de thermische behandeling van procesafgassen.

(65)  Het BBT-GEN heeft betrekking op de som van de volgende PAK-verbindingen: acenafteen, acenaftyleen, antraceen, benzo(a)antraceen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(g,h,i)peryleen, benzo(k)fluorantheen, chryseen, dibenzo(a,h)antraceen, fluorantheen, fluoreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, naftaleen, fenantreen en pyreen.

(66)  Het BBT-GEN en het indicatieve niveau zijn niet van toepassing wanneer procesafgassen naar een stookinstallatie worden gestuurd.


9.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 414/79


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/2010 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2020

tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 betreffende bepaalde beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2020) 8910)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,

Gezien Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (3), en met name artikel 63, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 van de Commissie (4) is vastgesteld naar aanleiding van uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) in bedrijven waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels werden gehouden in bepaalde lidstaten en de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden door die lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad.

(2)

In Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 is bepaald dat de beschermings- en toezichtsgebieden die door de in de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit opgenomen lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG zijn ingesteld, ten minste de gebieden moeten omvatten die in de lijst van die bijlage zijn opgenomen.

(3)

Sinds de datum waarop Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 is vastgesteld, heeft Duitsland de Commissie in kennis gesteld van nieuwe uitbraken van HPAI van het subtype H5N8 in bedrijven waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden in de districten Dithmarschen (Landkreis Dithmarschen) en Mecklenburgische Seenplatte (Landkreis Mecklenburgische Seenplatte).

(4)

Daarnaast heeft België de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van HPAI van het subtype H5N5 in een bedrijf waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden in de provincie West-Vlaanderen.

(5)

Bovendien heeft Polen de Commissie ook in kennis gesteld van een uitbraak van HPAI van het subtype H5N8 in een bedrijf waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden in het district Siedlce (powiat siedlecki).

(6)

Voorts heeft Nederland de Commissie in kennis gesteld van een nieuwe uitbraak van HPAI in een bedrijf waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden in de provincie Utrecht.

(7)

De uitbraken in België, Duitsland, Nederland en Polen liggen buiten de gebieden die momenteel zijn opgenomen in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809, en de bevoegde autoriteiten van die lidstaten hebben de nodige maatregelen genomen overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG, waaronder de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden rond die uitbraken.

(8)

Bovendien bevindt de uitbraak in België zich in de onmiddellijke nabijheid van de grens met Frankrijk. De bevoegde autoriteiten van die twee lidstaten hebben vervolgens naar behoren samengewerkt met betrekking tot de instelling van het noodzakelijke toezichtsgebied overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG, aangezien het toezichtsgebied rond deze uitbraak zich uitstrekt tot op het grondgebied van Frankrijk.

(9)

De Commissie heeft de door België, Frankrijk, Duitsland, Nederland en Polen genomen maatregelen bestudeerd en heeft geconstateerd dat de grenzen van de door de bevoegde autoriteiten van die lidstaten ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden op voldoende afstand liggen van de bedrijven waar de recente uitbraken van HPAI zijn bevestigd.

(10)

Om te voorkomen dat de handel in de Unie onnodig wordt verstoord en om te vermijden dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moeten de door België, Frankrijk, Duitsland, Nederland en Polen overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG ingestelde nieuwe beschermings- en toezichtsgebieden in samenwerking met die lidstaten snel worden vastgesteld op het niveau van de Unie.

(11)

Daarom moeten de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 voor Frankrijk opgenomen toezichtsgebieden alsmede de daarin voor Duitsland, Nederland en Polen opgenomen beschermings- en toezichtsgebieden worden gewijzigd.

(12)

Daarnaast moeten de beschermings- en toezichtsgebieden voor België in de lijst in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 worden opgenomen.

(13)

De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 moet derhalve worden gewijzigd om de regionalisering op het niveau van de Unie bij te werken om rekening te houden met de nieuwe, overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG door de bevoegde autoriteiten van België, Frankrijk, Duitsland, Nederland en Polen ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden op te nemen en de duur van de daarin geldende beperkingen aan te geven.

(14)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van HPAI betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die bij dit besluit in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 worden aangebracht, zo spoedig mogelijk in werking treden.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 december 2020.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(4)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1809 van de Commissie van 30 november 2020 betreffende bepaalde beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 402 van 1.12.2020, blz. 144).


BIJLAGE

“BIJLAGE

DEEL A

Beschermingsgebied als bedoeld in artikel 1:

Lidstaat: België

Gebied omvattende:

Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG

Die delen van de gemeenten Menen, Moorslede, Wervik en Wevelgem die zich bevinden binnen een straal van drie kilometer met als middelpunt WGS84 — decimale coördinaten lengte 3,126743 — breedte 50,820040

17.12.2020

Lidstaat: Kroatië

Gebied omvattende:

Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG

Općina Koprivnički Bregi, naselja Koprivnički Bregi i Jeduševac, općina Novigrad Podravski, naselja Plavšinac, Delovi, Vlaislav i Novigrad Podravski, općina Hlebine, naselje Hlebine u Koprivničko- križevačkoj županiji koji se nalaze na području u obliku kruga radijusa tri kilometra sa središtem na gps koordinatama N46.122115; E16.9561216666667.

31.12.2020

Lidstaat: Denemarken

Gebied omvattende:

Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG

The parts of Randers municipality (ADNS code 01730), Favrskov municipality (ADNS 01710) and Syddjurs municipality (ADNS code 01706) that are contained within circle of radius 3 kilometer, centred on gps coordinates N56.3980; E10.1936.

10.12.2020

Lidstaat: Frankrijk

Gebied omvattende:

Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG

Les communes suivantes dans le département de HAUTE-CORSE (2B)

ALTIANI

AVAPESSA

BIGORNO

BISINCHI

CAMPILE

CAMPITELLO

CANAVAGGIA

CASTELLO-DI-ROSTINO

CATERI

CROCICCHIA

ERBAJOLO

FELICETO

FOCICCHIA

LENTO

MONTEGROSSO

MURO

NESSA

ORTIPORIO

PENTA-ACQUATELLA

PIEDICORTE-DI-GAGGIO

SCOLCA

SPELONCATO

SANT'ANDREA-DI-BOZIO

SANT'ANTONINO

VALLE-DI-ROSTINO

VOLPAJOLA

10.12.2020

Les communes suivantes dans le département de YVELINES (78)

SAINT-CYR-L'ECOLE

10.12.2020

Les communes suivantes dans le département de Corse du Sud (2A)

AFA

AJACCIO

ALATA

BASTELICACCIA

GROSSETO-PRUGNA

SARROLA-CARCOPINO

9.12.2020

Lidstaat: Duitsland

Gebied omvattende:

Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG

SCHLESWIG-HOLSTEIN

Landkreis Nordfriesland

Hallig Oland

1.12.2020

Landkreis Segeberg

Gemeinde Latendorf

Gemeinde Heidmühlen — exklusive des Bereiches zwischen Stellbrooker Weg und Osterau nördlich des Stellbrooker Moors

Gemeinde Boostedt — Gebiet südlich der Ortschaft Boostedt (entlang Waldweg, Heidenbarg, Münsterberg, Heisterbarg, Zum Quellental, Tegelbar, Mühlenweg, Latendorfer Str.) sowie östlich und südlich des Bundeswehrgeländes

Gemeinde Rickling — Gebiet südlich der Rothenmühlenau und westlich der Straßen Alter Schönmoorer Weg und Kirschenweg bis zur Einmündung in die Schönmoorer Str., weiter südlich der Schönmoorer Str. bis zum Glinngraben und westlich des Glinngrabens

Gemeinde Großenaspe — Gebiet westlich der Straßen Halloh und Eekholt sowie östlich des Wildparks Eekholt

Forstgutsbezirk Buchholz

5.12.2020

Landkreis Nordfriesland

Gemeinde Rodenäs

Gemeinde Neukirchen

Gemeinde Klanxbüll

Gemeinde Humptrup

Gemeinde Braderup

Gemeinde Tinningstedt

Gemeinde Klixbüll

Gemeinde Risum-Lindholm

Gemeinde Niebüll

Gemeinde Bosbüll

Gemeinde Uphusum

Gemeinde Klanxbüll

Gemeinde Emmelsbüll-Horsbüll

Gemeinde Holm

15.12.2020

Landkreis Nordfriesland

Gemeinde Pellworm

10.12.2020

MECKLENBURG-VORPOMMERN

Landkreis Vorpommern-Rügen

Ostseeheilbad Zingst

9.12.2020

Landkreis Vorpommern-Rügen

Gemeinde Rambin — Ortsteile Drammendorf, Götemitz, Kasselvitz, Kasselvitzer Katen, Rothenkirchen, Sellentin, Rambin, Giesendorf

Gemeinde Samtens — Ortsteile Frankenthal, Muhlitz, Luttow, Natzevitz, Samtens

Gemeinde Gustow — Ortsteile Saalkow, Warksow

Gemeinde Poseritz — Ortsteile Datzow, Poseritz-Ausbau

Gemeinde Altefähr — Ortsteil Kransdorf

9.12.2020

Landkreis Rostock

Gemeinde Neubukow Stadt — Ortsteile Buschmühlen, Malpendorf, Neubukow, Spriehusen, Steinbrink

Gemeinde Biendorf — Ortsteile Jörnstorf Dorf, Jörnstorf Hof, Lehnenhof

Gemeinde Rerik Stadt — Ortsteile Russow, Russow Ausbau

8.12.2020

Landkreis Rostock

Stadt Gnoien — Ortsteile Eschenhörn, Warbelow sowie die Stadt Gnoien südöstlich der Teterower Straße und südöstlich der Straße “Bleiche“

Gemeinde Behren-Lübchin — Ortsteile Bobbin, Neu Wasdow

Gemeinde Finkenthal — Ortsteil Schlutow

14.12.2020

Landkreis Dithmarschen

Gemeinde Neufelderkoog

Gemeinde Kaiser-Wilhelm-Koog — Gemeindegebiet südlich der Süderstraße

Gemeinde Kronprinzenkoog — Gemeindegebiet südlich der Straße Süderquerweg

Gemeinde Neufeld — Gemeindegebiet südlich der Straße Ölmühlenweg, westlich der Straße Westerdieker Strot

Gemeinde Diekhusen-Fahrstedt — das Gemeindegebiet südlich der Straße Ölmühlenweg, westlich der Straße Fahrstedterwesterdeich

Gemeinde Schmedeswurth — das Gemeindegebiet westlich der Straße Schmedeswurtherwesterdeich

22.12.2020

Landkreis Mecklenburgische Seenplatte

Gemeinde Lärz — Ortsteile Krümmel, Lärz-Ausbau

Gemeinde Mirow — Ortsteil Birkenhof

29.12.2020

Lidstaat: Nederland

Gebied omvattende:

Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2005/94/EG

Provincie: Gelderland

1.

Vanaf de kruising met N322 en Zandstraat, Zandstraat volgen in oostelijke richting tot aan de tramlijn.

2.

De tramlijn volgen in zuidoostelijke richting tot aan Molenstraat.

3.

Molenstraat volgen in noordoostelijke richting tot aan Meidoornstraat.

4.

Meidoornstraat volgen in oostelijke richting tot aan Korenbloemstraat.

5.

Korenbloemstraat volgen in oostelijke richting tot aan Florastraat.

6.

Florastraat volgen in zuidelijke richting tot aan Vogelzang.

7.

Vogelzang volgen in oostelijke richting tot aan Kamstraat.

8.

Kamstraat volgen in zuidelijke richting tot aan Van Heemstraweg.

9.

Van Heemstraweg volgen in noordoostelijke richting tot aan Noord-Zuid (N329).

10.

Noord-Zuid (N329) volgen in zuidelijke richting tot aan Neersteindsestraat.

11.

Neersteindestraat volgen in zuidoostelijke richting tot aan Altforstestraat.

12.

Altforstestraat volgen in zuidwestelijke richting tot aan Middenweg.

13.

Middenweg volgen in zuidoostelijke richting tot aan Mekkersteeg.

14.

Mekkersteeg volgen in zuidelijke richting tot aan Zuidweg.

15.

Zuidweg volgen in westelijke richting tot aan Noord Zuid.

16.

Noord Zuid volgen in zuidelijke richting tot aan de Maas (water).

17.

Maas volgen in westelijke richting tot aan Veerweg.

18.

Veerweg volgen in noordelijke richting tot aan Raadhuisdijk.

19.

Raadhuisdijk volgen in westelijke richting overgaand in Berghuizen tot aan Nieuweweg.

20.

Nieuweweg volgen in westelijke richting tot aan Wamelseweg.

21.

Wamelseweg volgen in noordelijke richting overgaand in Zijvond tot aan Liesbroekstraat.

22.

Liesbroekstraat volgen in oostelijke richting tot aan Nieuweweg.

23.

Nieuweweg volgen in noordelijke richting tot aan Liesterstraat.

24.

Liesterstraat volgen in oostelijke richting tot aan Maas en Waalweg (N322).

25.

Maas en Waalweg volgen in noordelijke richting tot aan de kruising met Zandstraat.

20.11.2020

1.

Vanaf Waalbandijk de Waal volgen in oostelijke richting tot aan Waalbandijk nr. 155.

2.

Waalbandijk vanaf nr 155 volgen in zuidelijke richting overgaand in Heersweg tot aan Kerkstraat.

3.

Kerkstraat volgen in zuidelijke richting tot aan Van Heemstraweg.

4.

Van Heemstraweg volgen in oostelijke richting tot aan Scharenburg.

5.

Scharenburg volgen in zuidelijke richting tot aan Molenweg.

6.

Molenweg volgen in zuidelijke richting tot aan Broerstraat.

7.

Broerstraat volgen in westelijke richting tot aan Neersteindsestraat.

8.

Neersteindsestraat volgen in oostelijke richting overgaand in Bikkeldam tot aan Singel.

9.

Singel volgen in zuidelijke richting tot aan Middenweg.

10.

Middenweg volgen in oostelijke richting tot aan Mekkersteeg.

11.

Mekkersteeg volgen in zuidelijke richting tot aan Zuidweg.

12.

Zuidweg volgen in westelijke richting tot aan Noord Zuid N329.

13.

Noord Zuid N329 volgen in zuidelijke richting tot aan de Maas (rivier).

14.

De Maas volgen in westelijke richting tot aan Veerweg.

15.

Veerweg volgen in noordelijke richting tot aan Raadhuisdijk.

16.

Raadhuisdijk volgen in westelijke richting tot aan Kapelstraat.

17.

Kapelstraat volgen in noordelijke richting overgaand in Den Hoedweg tot aan Dijkgraaf De Leeuweg.

18.

Dijkgraaf De Leeuweg volgen in westelijke richting tot aan Wolderweg.

19.

Wolderweg volgen in noordelijke richting tot aan Nieuweweg.

20.

Nieuweweg volgen in oostelijke richting tot aan Liesterstraat.

21.

Liesterstraat volgen in oostelijke richting tot aan Zijveld.

22.

Zijveld volgen in noordelijke richting tot aan Zandstraat.

23.

Zandstraat volgen in oostelijke richting tot aan Dijkstraat.

24.

Dijkstraat volgen in noordelijke richting tot aan Waalbandijk.

28.11.2020

1.

Vanaf kruising A50/Halve Wetering (water), Halve wetering volgen in noordoostelijke richting tot aan Geerstraat.

2.

Geerstraat volgen in oostelijke richting overgaand in Geersepad overgaand in Dorpsplein tot aan Middendijk.

3.

Middendijk volgen in noordelijke richting tot aan Kerkepad.

4.

Kerkepad volgen in oostelijke richting tot aan Zeedijk.

5.

Zeedijk volgen in zuidelijke richting tot aan Vaassenseweg (N792).

6.

Vaassenseweg volgen in oostelijke richting overgaand in Dorpsstraat tot aan Twelloseweg.

7.

Twelloseweg volgen in zuidelijke richting, overgaand in Terwoldseweg tot aan Rijksstraatweg.

8.

Rijksstraatweg volgen in westelijke richting overgaand in Oude Rijksstraatweg tot aan Molenstraat.

9.

Molenstraat volgen in zuidelijke richting overgaand in Hietweideweg tot aan Jupiter.

10.

Jupiter volgen in westelijke richting overgaand in Leigraaf tot aan Zonnenbergstraat.

11.

Zonnenbergstraat volgen in westelijke richting tot aan Leemsteeg.

12.

Leemsteeg volgen in noordelijke richting tot aan Bottenhoekseweg.

13.

Bottenhoekseweg volgen in westelijke richting overgaand in Stationsweg tot aan Rijksstraatweg (N344).

14.

Rijksstraatweg (N344)/Deventerstraat volgen in westelijke richting tot aan Drostendijk.

15.

Drostendijk volgen in noordelijke richting tot aan A50.

16.

A50 volgen in noordelijke richting tot aan Halve Wetering (water).

4.12.2020

Provincie: Groningen

1.

Vanaf kruising N355-Kloosterweg, Kloosterweg volgen in noordelijke richting overgaand in Herestraat tot aan Van Eysingaweg.

2.

Van Eysingaweg volgen in noordelijke richting overgaand in Eeuwe Ennesweg tot aan Leegsterweg.

3.

Leegsterweg volgen in oostelijke richting overgaand in Laauwersweg, overgaand in Brugstraat tot aan Schoolstraat.

4.

Schoolstraat volgen in noordelijke richting overgaand in Wester Waardijk tot aan Zuiderried.

5.

Zuiderried volgen in oostelijke richting tot aan Kievitsweg.

6.

Kievitsweg volgen in zuidelijke richting tot aan Friesestraatweg, Friesestraatweg volgen in oostelijke richting tot aan Bindervoetpolder (N388).

7.

Bindervoetpolder (N388) volgen in zuidelijke richting tot aan Provincialeweg.

8.

Provincialeweg volgen in westelijke richting tot aan Hoofdstraat.

9.

Hoofdstraat volgen in westelijke richting tot aan Lutjegasterweg.

10.

Lutjegasterweg volgen in noordelijke richting tot aan Bombay.

11.

Bombay volgen in westelijke richting tot aan Zandweg tegenover Easterweg 1.

12.

Zandweg volgen in westelijke richting tot aan De Lauwers.

13.

De Lauwers volgen in noordelijke richting tot aan Miedweg.

14.

Miedweg volgen in noordelijke richting tot aan Prinses Margrietkanaal.

15.

Prinses Margrietkanaal volgen in westelijke richting tot aan Stroboser Trekfeart.

16.

Stroboser Trekfeart volgen in noordelijke richting tot aan Rijksweg N355.

17.

Rijksweg N355 volgen in oostelijke richting tot aan Kloosterweg.

2.12.2020

Provincie: Friesland

1.

Vanaf kruising Waltingleane/Mulierlaan, Mulierlaan volgen in oostelijke richting tot aan Taekelaan.

2.

Taekelaan volgen in oostelijke richting tot aan Witmarsumerfvaart (water).

3.

Witmarsumerfvaart volgen in noordelijke richting tot aan Harlingervaart (water).

4.

Harlingervaart volgen in oostelijke richting tot aan Westergoaweg.

5.

Westergoaweg volgen in zuidelijke richting tot aan A7.

6.

A7 volgen in westelijke richting tot aan Bolswarderweg.

7.

Bolswarderweg volgen in westelijke richting tot aan Dorpsstraat.

8.

Dorpsstraat volgen in zuidelijke richting overgaand in Bruinder tot aan Van Panhuysenkanaal.

9.

Van Panhuysenkanaal volgen in westelijke richting tot aan Hemmensweg.

10.

Hemmensweg volgen in westelijke richting tot aan Weersterweg.

11.

Weersterweg volgen in noordelijke richting tot aan Haitsmaleane.

12.

Haitsmaleane volgen in westelijke richting tot aan Melkvaart (water).

13.

Melkvaart volgen in noordelijke richting tot aan Kornwerdervaart (water).

14.

Kornwerdervaart volgen in westelijke richting tot aan Miedlaan.

15.

Miedlaan volgen in noordelijke richting tot aan Hayumerlaene.

16.

Hayumerleane volgen in noordelijke richting tot aan Gooyumervaart (water).

17.

Gooyumervaart volgen in noordelijke richting tot aan Gooyumerlaan.

18.

Gooyumerlaan volgen in oostelijke richting tot aan Buitendijk.

19.

Buitendijk volgen in noordelijke richting tot aan Stuitlaan.

20.

Stuitlaan volgen in westelijke richting overgaand in Pingjumer Gulden Halsband tot aan Waltingaleane.

21.

Waltingaleane volgen in oostelijke richting tot aan Mulierlaan.

13.12.2020

Provincie: Utrecht

1.

Vanaf de kruising van de N228 en de Goverwellesingel, de Goverwellesingel volgen in noordelijke richting overgaand in de Goverwelletunnel tot aan de Achterwillenseweg.

2.

De Achterwillenseweg volgen in oostelijke richting tot aan de Vlietdijk.

3.

De Vlietdijk volgen in noordelijke richting overgaand in de Platteweg tot aan de Korssendijk.

4.

De Korssendijk volgen in noordelijke richting overgaand in de Ree in oostelijke richting tot aan de Nieuwenbroeksedijk.

5.

De Nieuwenbroeksedijk volgen in oostelijke richting tot aan de Kippenkade.

6.

De Kippenkade volgen in noordelijke richting tot aan de Wierickepad.

7.

De Wierickepad volgen in noordelijke richting overgaand in oostelijke richting overgaand in de Kerkweg overgaand in de Groendijck tot aan de Westeinde.

8.

De Westeinde volgen in noordelijke richting overgaand in de Oosteinde tot aan de Tuurluur.

9.

De Tuurluur volgen in zuidelijke richting overgaand in de Papekopperdijk.

10.

De Papekopperdijk volgen in zuidelijke richting overgaand in de Johan J Vierbergenweg overgaand in de Zwier Regelinkstraat tot aan de N228.

11.

De N228 volgen in zuidelijke richting tot aan de Damweg.

12.

De Damweg volgen in zuidelijke richting tot aan de Zuidzijdseweg.

13.

De Zuidzijdseweg volgen in westelijke richting overgaand in de Slangenweg tot aan de West-Vlisterdijk.

14.

De West-Vlisterdijk volgen in noordelijke richting overgaand in westelijke richting overgaand in de Bredeweg volgen in noordelijke richting overgaand in Grote Haven tot aan de N228.

15.

De N228 volgen in westelijke richting tot aan de Goverwellesingel.

15.12.2020

1.

Vanaf de kruising van de N521 en de Nesserlaan volgen in oostelijke richting tot aan de Amstel.

2.

De Amstel volgen in zuidelijke richting tot aan de Oude Waver.

3.

De Oude Waver volgen in oostelijke richting tot aan de Hoofdweg.

4.

De Hoofdweg volgen in zuidelijke richting overgaand in N212 tot aan de Mijdrechtse Dwarsweg.

5.

De Mijdrechtse Dwarsweg volgen in westelijke richting overgaand in de Industrieweg tot aan de Rondweg.