ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 362

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
30 oktober 2020


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1578 van de Raad van 29 oktober 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1755 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi

1

 

*

Verordening (EU) 2020/1579 van de Raad van 29 oktober 2020 tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee en tot wijziging van Verordening (EU) 2020/123 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren

3

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2020/1580 van de Raad van 23 oktober 2020 tot wijziging van Besluit (EU) 2020/721 teneinde het standpunt vast te stellen dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen tijdens de 75e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie en de 102e zitting van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie ten aanzien van de goedkeuring van een MSC-MEPC.5-circulaire over een modelovereenkomst voor de machtiging van erkende organisaties die namens de overheid optreden

15

 

*

Besluit (EU) 2020/1581 van de Raad van 23 oktober 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, opgericht krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, met betrekking tot de actualisering van bijlage XIII (Aanpassing van de douanewetgeving) bij de overeenkomst

18

 

*

Besluit (EU) 2020/1582 van de Raad van 23 oktober 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de vergaderingen van de partijen bij de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee

20

 

*

Besluit (EU) 2020/1583 van de Raad van 23 oktober 2020 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Partnerschapscomité dat is opgericht bij de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, over de vervanging van de lijst van personen die in geschillenbeslechtingsprocedures als arbiter kunnen optreden

23

 

*

Besluit (EU) 2020/1584 van de Raad van 26 oktober 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie moet worden ingenomen ten aanzien van de vaststelling van amendement 46 van bijlage 6, deel I, en amendement 39 van bijlage 6, deel II, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart wat betreft het uitstel van de toekomstige vereiste om uitgerust te zijn met een 25-uurscockpitgeluidsrecorder teneinde onbedoelde gevolgen van de COVID-19-pandemie te voorkomen

25

 

*

Besluit (GBVB) 2020/1585 van de Raad van 29 oktober 2020 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2015/1763 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi

27

 

*

Besluit (GBVB) 2020/1586 van de Raad van 29 oktober 2020 tot wijziging van Besluit 2010/573/GBVB inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië

29

 

*

Besluit (EU) 2020/1587 van de Raad van 29 oktober 2020 betreffende de financiële bijdragen van de lidstaten aan het Europees Ontwikkelingsfonds, met inbegrip van de derde tranche voor 2020

30

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1578 VAN DE RAAD

van 29 oktober 2020

tot uitvoering van Verordening (EU) 2015/1755 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi (1), en met name artikel 13, lid 4,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 1 oktober 2015 heeft de Raad Verordening (EU) 2015/1755 vastgesteld.

(2)

Op grond van een evaluatie door de Raad moet de informatie betreffende twee natuurlijke personen in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/1755 worden gewijzigd.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EU) 2015/1755 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EU) 2015/1755 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  PB L 257 van 2.10.2015, blz. 1.


BIJLAGE

In bijlage I bij Verordening (EU) 2015/1755 worden de vermeldingen 1 en 2 in de rubriek “Lijst van de in de artikel 2 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen” vervangen door:

 

Naam

Identificatiegegevens

Redenen voor plaatsing op de lijst

“1.

Godefroid BIZIMANA

Geslacht: mannelijk

Geboortedatum: 23.4.1968

Geboorteplaats: Nyagaseke, Mabayi, Cibitoke

Burundese nationaliteit. Paspoortnummer: DP0001520

“Chargé de missions de la Présidence” en voormalig plaatsvervangend directeur-generaal van de nationale politie. Op 31 december 2019 werd de heer BIZIMANA bevorderd tot hoofd van de politie. Verantwoordelijk voor het ondermijnen van de democratie door het nemen van operationele besluiten die hebben geleid tot buitensporig gebruik van geweld en gewelddadige repressie ten aanzien van de vreedzame demonstraties die op 26 april 2015 begonnen nadat president Nkurunziza aangekondigd had zich opnieuw kandidaat te stellen als president.

2.

Gervais NDIRAKOBUCA ook bekend als NDAKUGARIKA

Geslacht: mannelijk

Geboortedatum: 1.8.1970

Burundese nationaliteit. Paspoortnummer: DP0000761

Sinds juni 2020 minister van Binnenlandse Zaken, Gemeenschapsontwikkeling en Openbare Veiligheid. Voormalig hoofd van het kabinet van de presidentiële administratie (Présidence), tussen mei 2013 en november 2019 bevoegd voor aangelegenheden in verband met de nationale politie, en voormalig directeur-generaal van de nationale inlichtingendienst tussen november 2019 en juni 2020. Verantwoordelijk voor het belemmeren van de zoektocht naar een politieke oplossing in Burundi door het uitvaardigen van instructies die hebben geleid tot een buitensporig machtsgebruik, geweldpleging, repressie en schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten ten aanzien van de vreedzame demonstraties die op 26 april 2015 begonnen nadat president Nkurunziza aangekondigd had zich opnieuw kandidaat te stellen als president, met inbegrip van de betogingen op 26, 27 en 28 april 2015 in de districten Nyakabiga en Musaga van Bujumbura.”


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/3


VERORDENING (EU) 2020/1579 VAN DE RAAD

van 29 oktober 2020

tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee en tot wijziging van Verordening (EU) 2020/123 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moet bij de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen rekening worden gehouden met de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, met inbegrip van, waar relevant, verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij en van andere adviesinstanties, alsook met de adviezen van de adviesraden die voor de betrokken geografische gebieden of bevoegdheidsgebieden zijn opgericht, en de gezamenlijke aanbevelingen van de lidstaten.

(2)

Het is aan de Raad om de maatregelen vast te stellen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden, inclusief, voor zover nodig, bepaalde functioneel daarmee verbonden voorwaarden. De vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld dat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van elke lidstaat voor elk visbestand of elke visserij wordt gewaarborgd, mede met inachtneming van de in Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (“GVB”).

(3)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat het GVB onder meer tot doel heeft het exploitatieniveau dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) oplevert, indien mogelijk in 2015 en, geleidelijk toenemend, voor alle bestanden uiterlijk in 2020 te verwezenlijken.

(4)

De totaal toegestane vangsten (TAC’s) moeten derhalve, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013, worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, rekening houdend met de biologische en sociaal-economische aspecten, waarbij wordt gezorgd voor een eerlijke behandeling van de visserijsectoren, en met inachtneming van de standpunten die tijdens de raadpleging van de belanghebbende partijen naar voren zijn gebracht.

(5)

Bij Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad (2) is een meerjarenplan vastgesteld voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en voor de visserijen die die bestanden exploiteren (hierna “het plan” genoemd). Het plan beoogt ervoor te zorgen dat de levende biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten worden hersteld en gehandhaafd op een niveau dat hoger is dan datgene wat de MDO kan opleveren. Daartoe moeten de streefdoelen voor de visserijsterfte, uitgedrukt in bandbreedtes, voor de betrokken bestanden zo snel mogelijk en, geleidelijk oplopend, uiterlijk in 2020 worden gerealiseerd. De vangstbeperkingen voor 2021 voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee behoren te worden vastgesteld overeenkomstig de doelstellingen van het plan.

(6)

Volgens de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) bedroeg de biomassa van haring in het westelijke deel van de Oostzee in de ICES-deelsectoren 20-24 slechts 48 % van de grensreferentiewaarde voor paaibiomassa (Blim), waaronder er sprake kan zijn van een verminderde reproductiecapaciteit. Het door de ICES op 29 mei 2020 in zijn jaarlijkse advies over het bestand uitgebrachte wetenschappelijke advies was derhalve een nulvangst voor haring in het westelijke deel van de Oostzee. Uit hoofde van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1139 moeten daarom alle passende herstelmaatregelen worden vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. Volgens die bepaling moeten voorts aanvullende herstelmaatregelen worden genomen. Daartoe moet rekening worden gehouden met de termijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB in het algemeen en van het plan in het bijzonder, in het licht van het verwachte effect van de vastgestelde herstelmaatregelen, terwijl tegelijk wordt vastgehouden aan de doelstellingen om economische, sociale en werkgelegenheidsvoordelen te bewerkstelligen, zoals bepaald in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Bijgevolg is het passend dat de vangstmogelijkheden voor haring in het westelijke deel van de Oostzee overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1139 worden vastgesteld onder de bandbreedtes voor visserijsterfte, om rekening te houden met de afname van de biomassa van dat bestand in de ICES-deelsectoren 20-24.

(7)

Wat het kabeljauwbestand in het oostelijke deel van de Oostzee betreft, heeft de ICES zijn voorzorgsadvies vanaf 2019 kunnen baseren op een meer gegevensrijke beoordeling dan daarvoor mogelijk was. De ICES raamt dat de biomassa van het kabeljauwbestand in het oostelijke deel van de Oostzee in 2019 onder de Blim lag en sinds dan verder is gedaald. De ICES herhaalde daarom zijn advies voor nulvangsten van kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee in 2021. De ICES was echter niet in staat om de waarden van de bandbreedtes voor visserijsterfte vast te stellen. Zoals vorig jaar zou, als de vangstmogelijkheden voor kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee zouden worden vastgesteld op het in het wetenschappelijke advies aanbevolen niveau, de verplichting tot aanlanding van alle vangsten uit gemengde visserijen waarin kabeljauw uit het oostelijke deel van de Oostzee wordt bijgevangen, leiden tot het fenomeen van de “knelsoorten”. Om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds het voortzetten van visserijen omdat een verbod op het vangen van kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee mogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen zou hebben, en anderzijds de noodzaak om een goede biologische toestand van het bestand te bereiken, en rekening houdend met de moeilijkheid om tegelijk alle bestanden in een gemengde visserij op het niveau van de MDO te bevissen, is het passend om voor bijvangsten van kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee een specifieke TAC vast te stellen. De vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1139.

(8)

In mei 2020 verstrekte de ICES een geactualiseerd advies over de niveaus van bijvangsten van kabeljauw in andere visserijen. Het is passend de vangstmogelijkheden overeenkomstig dat advies vast te stellen, met een vrijstelling voor visserijactiviteiten die uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek worden verricht, en met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (3). Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1139 moeten voorts aanvullende herstelmaatregelen worden vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. Wetenschappelijk advies wijst erop dat met name sluitingen van paaigebieden voor een bestand extra voordelen kunnen opleveren die niet door de TAC alleen kunnen worden bereikt, bijvoorbeeld een verhoogde populatietoename door ongestoord paaien. Daarom is het passend de bestaande zomersluiting van paaigebieden te handhaven. Voorts blijkt uit het wetenschappelijke advies dat het relatieve belang van de recreatievisserij op kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee afhangt van het TAC-niveau. Gezien de sterk verlaagde TAC worden de in de recreatievisserij gevangen hoeveelheden als substantieel beschouwd en daarom moet het verbod op de recreatievisserij op kabeljauw in de ICES-deelsectoren 25 en 26, waar de kabeljauw uit het oostelijke deel van de Oostzee het talrijkst is, worden gehandhaafd.

(9)

Wat het kabeljauwbestand in het westelijke deel van de Oostzee betreft, heeft de ICES de geraamde biomassa naar beneden bijgesteld en schat hij dat de biomassa van dat bestand zich niet heeft hersteld tot boven het referentiepunt voor de paaibiomassa van dat bestand, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen (Btrigger). Het is derhalve passend de voor 2020 ingevoerde begeleidende maatregelen te handhaven en de vangstmogelijkheden vast te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1139, rekening houdend met de door de ICES aanbevolen niveaus van bijvangsten van kabeljauw in andere visserijen in ICES-deelsector 24, teneinde coherent te zijn met de aanpak die wordt gevolgd in het beheersgebied voor kabeljauw uit het oostelijke deel van de Oostzee. Voorts blijkt uit het wetenschappelijke advies dat de kabeljauw uit het westelijke deel van de Oostzee en de kabeljauw uit het oostelijke deel van de Oostzee in ICES-deelsector 24 gemengd voorkomen. Om het kabeljauwbestand uit het oostelijke deel van de Oostzee te beschermen en te zorgen voor een gelijk speelveld met het beheersgebied voor kabeljauw uit het oostelijke deel van de Oostzee, moet het gebruik van de TAC in ICES-deelsector 24 beperkt blijven tot bijvangsten van kabeljauw, met een uitzondering voor visserijactiviteiten die uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek en met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241 worden verricht, en voor kleinschalige kustvissers met passief vistuig in gebieden tot zes zeemijl vanaf de kust met een waterdiepte van minder dan 20 meter, aangezien in die ondiepe kustgebieden vooral kabeljauw uit het westelijke deel van de Oostzee voorkomt. Bovendien moet de sluitingsperiode in ICES-deelsector 24 worden afgestemd op de sluitingsperiode in de deelsectoren 25-26 om een gelijkwaardige bescherming te waarborgen dat strookt met het advies van de ICES.

(10)

Dienovereenkomstig moet, om te zorgen voor een gelijk speelveld met de ICES-deelsectoren 25-26, de recreatievisserij op kabeljauw in ICES-deelsector 24 verboden blijven buiten zes zeemijl vanaf de kust. Bovendien moet, aangezien uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij de totale visserijsterfte van dat bestand significant in de hand werkt en rekening houdend met de toestand van dat bestand en de verlaging van de TAC, de dagelijkse meeneemlimiet per visser worden gehandhaafd. Dit doet geen afbreuk aan het beginsel van relatieve stabiliteit, dat van toepassing is op commerciële visserijactiviteiten. Tot slot moet, gezien de broze status van het bestand en het feit dat uit het wetenschappelijke advies blijkt dat met name sluitingen van paaigebieden voor een bestand extra voordelen kunnen opleveren die niet door de TAC alleen kunnen worden bereikt, bijvoorbeeld een verhoogde populatietoename door ongestoord paaien, de wintersluiting van paaigebieden worden gehandhaafd, met een vrijstelling voor bepaalde kleinschalige kustvissers en voor visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht en met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

(11)

De ICES raamt dat de biomassa van haring uit het centrale deel van de Oostzee is gedaald tot onder het referentiepunt voor de paaibiomassa van dat bestand, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen (Btrigger). Bijgevolg is het passend de vangstmogelijkheden vast te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1139.

(12)

Volgens het advies van de ICES wordt kabeljauw gevangen als bijvangst bij de visserij op schol. Voorts wordt sprot gevangen in een gemengde visserij met haring en is sprot een prooisoort voor kabeljauw. Het is passend om met deze overwegingen betreffende wisselwerkingen tussen soorten rekening te houden bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor schol en sprot.

(13)

Om de volledige benutting van de vangstmogelijkheden voor de kustvisserij te waarborgen, werd in 2019 voor zalm een beperkte flexibiliteit van de ICES-deelsectoren 22-31 naar ICES-deelsector 32 ingevoerd. Gezien de wijzigingen van de vangstmogelijkheden voor deze twee bestanden moet deze flexibiliteit worden vergroot.

(14)

De invoering van een verbod op de visserij op zeeforel buiten vier zeemijl en van een beperking van de bijvangst van zeeforel tot 3 % van de gecombineerde vangst van zeeforel en zalm heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een aanzienlijke vermindering van de voorheen vaak voorkomende verkeerde aangiften van vangsten in de zalmvisserij, met name als vangsten van zeeforel. Het is derhalve passend die bepaling te handhaven om het aantal verkeerde aangiften zo veel mogelijk te doen dalen.

(15)

De bij deze verordening vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 (4) van de Raad, en met name de artikelen 33 en 34 betreffende de registratie van de vangsten en de visserijinspanning, respectievelijk de toezending van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden aan de Commissie. Daarom moeten in deze verordening de codes worden gespecificeerd die de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens aan de Commissie toezenden betreffende de aangelande hoeveelheden van bestanden die onder deze verordening vallen.

(16)

Bij Verordening (EG) nr. 847/96 (5) van de Raad zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s ingevoerd, waaronder de flexibiliteitsbepalingen van de artikelen 3 en 4 voor voorzorgs- en analytische TAC’s. Krachtens artikel 2 van die verordening moet de Raad bij de vaststelling van de TAC’s bepalen voor welke bestanden de artikelen 3 en 4 niet van toepassing zijn, met name op basis van de biologische situatie van de bestanden. Meer recent is bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 het jaarflexibiliteitsmechanisme ingevoerd voor alle bestanden die onder de aanlandingsverplichting vallen. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoorde exploitatie van de levende biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven, een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB en tot een verslechtering van de biologische toestand van de bestanden zou leiden, moet worden vastgesteld dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen op analytische TAC’s van toepassing zijn wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de jaarflexibiliteit waarin artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet.

(17)

Aangezien de biomassa van het kabeljauwbestand in het oostelijke deel van de Oostzee onder de Blim ligt en in 2021 alleen bijvangsten en wetenschappelijke visserijen zijn toegestaan, hebben de lidstaten zich er bovendien toe verbonden om artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor overdrachten van 2020 naar 2021 niet op dit bestand toe te passen, zodat de vangsten in 2021 niet groter zullen zijn dan de vastgestelde TAC voor kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee.

(18)

Het visseizoen voor kever in ICES-sector 3a en in de wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 loopt van 1 november tot en met 31 oktober. Op basis van nieuw wetenschappelijk advies moet er in deze gebieden een voorlopige TAC voor kever worden vastgesteld. Het Verenigd Koninkrijk beschikt niet over een quotum voor kever. Een deel van het quotum wordt echter gevangen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk is geraadpleegd overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (6). Een voorlopige TAC voor de vangstmogelijkheden voor de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020 moet daarom worden vastgesteld. Door die TAC zal het visseizoen kunnen beginnen. Over de vangstmogelijkheden voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 oktober 2021 zal met het Verenigd Koninkrijk worden overlegd. Hoewel het Verenigd Koninkrijk geen quota-aandeel heeft in dit bestand, wordt dit met het Verenigd Koninkrijk gedeeld. Derhalve moet er dus overleg worden gepleegd betreffende het gezamenlijk beheer van het bestand na het verstrijken van de overgangsperiode op 31 december 2020. De verordening inzake vangstmogelijkheden voor kever in ICES-sector 3a en in de wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 moet later worden gewijzigd om rekening te houden met het resultaat van dat overleg, voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 oktober 2021, om zo het volledige visseizoen van 1 november 2020 tot en met 31 oktober 2021 te bestrijken.

(19)

Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen en het inkomen van de vissers van de Unie veilig te stellen, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021. Op kever in ICES-sector 3a en de wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 moet deze verordening echter van toepassing zijn van 1 november 2020 tot en met 31 oktober 2021. Gezien de urgentie moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee de vangstmogelijkheden voor 2021 vastgesteld en worden sommige bij Verordening (EU) 2020/123 vastgestelde vangstmogelijkheden in andere wateren gewijzigd (7).

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in de Oostzee.

2.   Deze verordening is tevens van toepassing op de recreatievisserij indien in de toepasselijke bepalingen uitdrukkelijk naar deze visserij wordt verwezen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Daarnaast gelden de volgende definities:

1)

“deelsector”: een ICES-deelsector van de Oostzee als gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 218/2009 van de Raad (8);

2)

“totaal toegestane vangst” (TAC): de hoeveelheid van elk bestand die in een jaar mag worden gevangen;

3)

“quotum”: een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land;

4)

“recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee biologische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden.

HOOFDSTUK II

VANGSTMOGELIJKHEDEN

Artikel 4

TAC’s en toewijzingen

De TAC’s, de quota en, in voorkomend geval, de functioneel daarmee verbonden voorwaarden worden vastgesteld in de bijlage.

Artikel 5

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden

De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening aan de lidstaten toegewezen, onverminderd:

a)

uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

c)

extra aanlandingen die worden toegestaan op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 of artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

d)

hoeveelheden die worden ingehouden overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 of overgedragen op grond van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

e)

verlagingen op grond van de artikelen 105 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 6

Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

De bestanden van niet-doelsoorten die zich binnen biologisch veilige grenzen bevinden, als bedoeld in artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en in aanmerking komen voor de afwijking van de verplichting om vangsten in mindering te brengen op de betrokken quota, zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 7

Sluitingen ter bescherming van paaiende kabeljauw

1.   Het is verboden met welk vistuig dan ook te vissen in de deelsectoren 25 en 26 van 1 mei tot en met 31 augustus, behalve:

2.   Een vrijstelling op het in lid 1 bepaalde verbod geldt in de volgende gevallen:

a)

visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241;

b)

vissersvaartuigen van de Unie van minder dan 12 meter lengte over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten;

c)

voor vissersvaartuigen van de Unie die vissen in deelsector 25 waar de waterdiepte minder dan 50 meter bedraagt op pelagische bestanden voor rechtstreekse menselijke consumptie, met vistuig met een maaswijdte van 45 mm of minder, en waarvan de aanlandingen zijn gesorteerd.

3.   Het is verboden met welk vistuig dan ook te vissen in de deelsectoren 22 en 23 van 1 februari tot en met 31 maart, en in de deelsector 24 van 15 mei tot en met 15 augustus, behalve:

4.   Een vrijstelling op het in lid 3 bepaalde verbod geldt in de volgende gevallen:

a)

visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht die worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241;

b)

vissersvaartuigen van de Unie van minder dan 12 meter lengte over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig in de deelsectoren 22 en 23 in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten, en in deelsector 24 in gebieden tot zes zeemijl gemeten vanaf de basislijnen met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten;

c)

vissersvaartuigen van de Unie die vissen in deelsector 24 tot zes zeemijl gemeten vanaf de basislijnen waar de waterdiepte minder dan 40 meter bedraagt op pelagische bestanden voor rechtstreekse menselijke consumptie, met vistuig met een maaswijdte van 45 mm of minder, en waarvan de aanlandingen zijn gesorteerd.

5.   Kapiteins van vissersvaartuigen als bedoeld in lid 2, punt b) of c), en lid 4, punt b) of c), zorgen ervoor dat hun visserijactiviteit te allen tijde door de controleautoriteiten van de lidstaat kan worden gemonitord.

Artikel 8

Maatregelen betreffende de recreatievisserij op kabeljauw in de deelsectoren 22-26

1.   In het kader van de recreatievisserij mag elke visser in de deelsectoren 22 en 23 en in deelsector 24 binnen zes zeemijl gemeten vanaf de basislijnen per dag niet meer dan vijf kabeljauwen in bezit hebben, behalve in de periode van 1 februari tot en met 31 maart 2021, waarin elke visser per dag niet meer dan twee kabeljauwen in bezit mag hebben.

2.   De recreatievisserij op kabeljauw is verboden in deelsector 24 buiten zes zeemijl gemeten vanaf de basislijnen en in de deelsectoren 25 en 26.

3.   Dit artikel geldt onverminderd strengere nationale maatregelen.

Artikel 9

Maatregelen betreffende de visserij op zeeforel en zalm in de deelsectoren 22-32

1.   Het vissen op zeeforel buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen in de deelsectoren 22-32 is voor vissersvaartuigen verboden van 1 januari tot en met 31 december 2021. Bij het vissen op zalm in die wateren mogen bijvangsten van zeeforel op elk moment aan boord of bij aanlanding na elke visreis niet meer bedragen dan 3 % van de totale zalm- en zeeforelvangst.

2.   Dit artikel geldt onverminderd strengere nationale maatregelen.

Artikel 10

Flexibiliteit

1.   Tenzij anders vermeld in de bijlage bij deze verordening, is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor een voorzorgs-TAC geldt, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor een analytische TAC geldt.

2.   Artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit waarin artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet.

Artikel 11

Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de hoeveelheden gevangen of aangelande vis aan de Commissie toezenden, gebruiken zij daarvoor de in de bijlage bij deze verordening vermelde bestandscodes.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Wijziging van Verordening (EU) 2020/123

In bijlage IA wordt de tabel met de vangstmogelijkheden voor kever en geassocieerde bijvangsten in ICES-sector 3a en de wateren van de Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 vervangen door:

Soort:

Kever en geassocieerde bijvangsten

Trisopterus esmarkii

Gebied:

3a; wateren van de Unie van 2a en 4

(NOP/2A3A4.)

Periode

1 november 2019—31 oktober 2020

1 november 2020—31 december 2020

Analytische TAC

Denemarken

72 433

 (9)  (11)

29 972

 (9)  (14)

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing

Duitsland

14

 (9)  (10)  (11)

6

 (9)  (10)  (14)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing

Nederland

53

 (9)  (10)  (11)

22

 (9)  (10)  (14)

 

Unie

72 500

 (9)  (11)

30 000

 (9)  (14)

 

Noorwegen

14 500

 (12)

pm

 

 

Faeröer

5 000

 (13)

pm

 

 

TAC

Niet relevant

 

Niet relevant

 

 

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021, met uitzondering van artikel 12 dat van toepassing is van 1 november 2020 tot en met 31 oktober 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(2)  Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).

(4)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008 en (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).

(6)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(7)  Verordening (EU) 2020/123 van de Raad van 27 januari 2020 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 25 van 30.1.2020, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).

(9)  Maximaal 5 % van het quotum mag bestaan uit bijvangsten van schelvis en wijting (OT2/*2A3A4). Overeenkomstig deze bepaling op het quotum in mindering gebrachte bijvangsten van schelvis en wijting en overeenkomstig artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 op het quotum in mindering gebrachte bijvangsten van soorten mogen samen niet hoger zijn dan 9 % van het quotum.

(10)  Het quotum mag uitsluitend worden gevangen in wateren van de Unie van de ICES-gebieden 2a, 3a en 4.

(11)  Het quotum van de Unie mag slechts worden gevangen van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2020.

(12)  Er moet een sorteerrooster worden gebruikt.

(13)  Er moet een sorteerrooster worden gebruikt. Met inbegrip van maximaal 15 % onvermijdelijke bijvangsten (NOP/*2A3A4), die op dit quotum in mindering moeten worden gebracht.

(14)  Het quotum van de Unie mag slechts worden gevangen van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020.”


BIJLAGE

NAAR SOORT EN GEBIED UITGESPLITSTE TAC’S VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN GEBIEDEN WAAR TAC’S GELDEN

De onderstaande tabellen bevatten de TAC’s en quota per bestand (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) en de functioneel daarmee verbonden voorwaarden.

Tenzij anders vermeld, gaat het bij de genoemde visserijzones om ICES-gebieden.

De visbestanden zijn vermeld in alfabetische volgorde op de Latijnse naam van de soort.

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Clupea harengus

HER

Haring

Gadus morhua

COD

Kabeljauw

Pleuronectes platessa

PLE

Schol

Salmo salar

SAL

Zalm

Sprattus sprattus

SPR

Sprot


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Deelsectoren 30-31

(HER/30/31.)

Finland

53 306

 

 

Zweden

11 712

 

Unie

65 018

 

TAC

65 018

 

Voorzorgs-TAC


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Deelsectoren 22-24

(HER/3BC+24)

Denemarken

221

 

 

Duitsland

869

 

Finland

0

 

Polen

205

 

Zweden

280

 

Unie

1 575

 

TAC

1 575

 

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32

(HER/3D-R30)

Denemarken

2 146

 

 

Duitsland

569

 

Estland

10 960

 

Finland

21 393

 

Letland

2 705

 

Litouwen

2 848

 

Polen

24 304

 

Zweden

32 626

 

Unie

97 551

 

TAC

Niet relevant

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.


Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Deelsector 28.1

(HER/03D.RG)

Estland

18 216

 

 

Letland

21 230

 

Unie

39 446

 

TAC

39 446

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 25-32

(COD/3DX32.)

Denemarken

137

 (1)

 

Duitsland

54

 (1)

Estland

13

 (1)

Finland

10

 (1)

Letland

51

 (1)

Litouwen

33

 (1)

Polen

159

 (1)

Zweden

138

 (1)

Unie

595

 (1)

TAC

Niet relevant

Voorzorgs-TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

Deelsectoren 22-24

(COD/3BC+24)

Denemarken

1 746

 (2)

 

Duitsland

854

 (2)

Estland

39

 (2)

Finland

34

 (2)

Letland

144

 (2)

Litouwen

94

 (2)

Polen

467

 (2)

Zweden

622

 (2)

Unie

4 000

 (2)

TAC

4 000

 (2)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Schol

Pleuronectes platessa

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-32

(PLE/3BCD-C)

Denemarken

5 187

 

 

Duitsland

576

 

Polen

1 086

 

Zweden

391

 

Unie

7 240

 

TAC

7 240

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.


Soort:

Zalm

Salmo salar

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-31

(SAL/3BCD-F)

Denemarken

19 582

 (3)

 

Duitsland

2 179

 (3)

Estland

1 990

 (3)  (4)

Finland

24 417

 (3)

Letland

12 455

 (3)

Litouwen

1 464

 (3)

Polen

5 940

 (3)

Zweden

26 469

 (3)

Unie

94 496

 (3)

TAC

Niet relevant

Voorzorgs-TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Zalm

Salmo salar

Gebied:

Wateren van de Unie van deelsector 32

(SAL/3D32.)

Estland

911

 (5)

 

Finland

7 972

 (5)

Unie

8 883

 (5)

TAC

Niet relevant

Voorzorgs-TAC


Soort:

Sprot

Sprattus sprattus

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-32

(SPR/3BCD-C)

Denemarken

21 993

 

 

Duitsland

13 933

 

Estland

25 539

 

Finland

11 513

 

Letland

30 845

 

Litouwen

11 158

 

Polen

65 460

 

Zweden

42 517

 

Unie

222 958

 

TAC

Niet relevant

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.


(1)  Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op kabeljauw worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

(2)  In deelsector 24 uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan in deelsector 24.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op kabeljauw worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

In afwijking van de eerste alinea is het vissen op dit quotum in deelsector 24 toegestaan voor vissersvaartuigen van de Unie van minder dan 12 meter lengte over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig in gebieden tot zes zeemijl gemeten vanaf de basislijnen met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten. Kapiteins van die vissersvaartuigen zorgen ervoor dat hun visserijactiviteit te allen tijde door de controleautoriteiten van de lidstaat kan worden gemonitord.

(3)  Aantal stuks.

(4)  Bijzondere voorwaarde: tot 25 % en niet meer dan 500 stuks van dit quotum mogen worden gevist in wateren van de Unie van deelsector 32 (SAL/*3D32).

(5)  Aantal stuks.


BESLUITEN

30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/15


BESLUIT (EU) 2020/1580 VAN DE RAAD

van 23 oktober 2020

tot wijziging van Besluit (EU) 2020/721 teneinde het standpunt vast te stellen dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen tijdens de 75e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie en de 102e zitting van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie ten aanzien van de goedkeuring van een MSC-MEPC.5-circulaire over een modelovereenkomst voor de machtiging van erkende organisaties die namens de overheid optreden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het optreden van de Unie in de maritieme-vervoerssector moet gericht zijn op de bescherming van het maritieme milieu en de gezondheid van de mens, en op de verbetering van de maritieme veiligheid.

(2)

Verwacht wordt dat de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) tijdens haar 102e zitting gepland voor 4 tot en met 11 november 2020 (“MSC 102”) samen met de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de IMO een MSC-MEPC.5-circulaire zal goedkeuren over een modelovereenkomst voor de machtiging van erkende organisaties die namens de overheid optreden (de “MSC-MEPC.5-circulaire”).

(3)

Verwacht wordt dat de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de IMO tijdens haar 75e zitting gepland voor 16 tot en met 20 november 2020 (“MEPC 75”), samen met de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO de MSC-MEPC.5-circulaire zal goedkeuren.

(4)

Het is wenselijk het standpunt vast te stellen dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens MSC 102 en MEPC 75, omdat de goedkeuring van de MSC-MEPC.5-circulaire een beslissende invloed kan hebben op de inhoud van het Unierecht, namelijk Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad (1).

(5)

De goedkeuring van de MSC-MEPC.5-circulaire, die MSC/Circ.710 en MEPC/Circ.307 vervangt, zou de modelovereenkomst actualiseren voor de machtiging van erkende organisaties die namens de overheid optreden en in overeenstemming brengen met de code voor erkende organisaties (IMO-resoluties MSC.349(92) en MEPC.237(65)). Zowel de vlaggenstaatadministratie als de erkende organisaties wereldwijd zouden door die goedkeuring nauwkeuriger, transparanter en verantwoordelijker door worden.

(6)

De Unie is geen lid van de IMO of verdragsluitende partij bij de desbetreffende verdragen en codes. De Raad moet de lidstaten derhalve machtigen het standpunt van de Unie te vertolken.

(7)

De werkingssfeer van dit besluit moet beperkt blijven tot de inhoud van de voorgestelde MSC-MEPC.5-circulaire, voor zover die circulaire onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt en gevolgen kan hebben voor gemeenschappelijke regels van de Unie. Dit besluit doet geen afbreuk aan de verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten.

(8)

Besluit (EU) 2020/721 van de Raad van 19 mei 2020 (2) moet worden gewijzigd zodat daarin verwezen wordt naar de goedkeuring van de MSC-MEPC.5-circulaire,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit (EU) 2020/721 van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

Besluit (GBVB) (EU) 2020/721 van de Raad van 19 mei 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de 75e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie en op de 102e zitting van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie ten aanzien van de vaststelling van wijzigingen van de voorschriften 2, 14 en 18 en de aanhangsels I en VI van bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, van de delen A-1, B, B-1 en B‐2 tot en met B-4 van hoofdstuk II-1 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee en van de delen A-1 en B-1 van de International Code of Safety for Ships Using Gases or other Low-flashpoint Fuels en wijzigingen van Resolutie A.658(16) inzake het gebruik en het aanbrengen van retroflecterende materialen op reddingsmiddelen, en de goedkeuring van een MSC-MEPC.5 circulaire over een modelovereenkomst voor de machtiging van erkende organisaties die namens de overheid optreden”.

2)

Artikel 1 wordt vervangen door:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 75e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie, is de vaststelling te steunen van de wijzigingen van de voorschriften 2, 14 en 18 en de aanhangsels I en VI van bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen die zijn opgenomen in de bijlage bij IMO-document MEPC 75/3 en de goedkeuring te steunen van de MSC-MEPC.5-circulaire als vastgesteld in bijlage 8 bij IMO-document III 6/15. Dat standpunt betreft voornoemde wijzigingen en circulaire voor zover die wijzigingen en die circulaire onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen en gevolgen kunnen hebben voor de gemeenschappelijke regels van de Unie.”.

3)

Artikel 2 wordt vervangen door:

Artikel 2

1.   Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 102e zitting van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie is de goedkeuring van de in bijlage 8 bij IMO-document III 6/15 vastgelegde MSC-MEPC.5-circulaire en de vaststelling te steunen van de wijzigingen van:

a)

de delen A-1, B, B-1 en B-2 tot en met B-4 van hoofdstuk II-1 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, als bepaald in bijlage 1 bij IMO-document MSC 102/3;

b)

de delen A-1 en B-1 van de International Code of Safety for Ships Using Gases or Other Low-flashpoint Fuels, als bepaald in bijlage 2 bij IMO-document MSC 102/3;

c)

resolutie A.658(16) inzake het gebruik en het aanbrengen van retroflecterende materialen op reddingsmiddelen.

2.   Het in lid 1 bedoelde standpunt betreft voornoemde circulaire en de wijzigingen voor zover die circulaire en die wijzigingen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen en gevolgen kunnen hebben voor de gemeenschappelijke regels van de Unie.”.

4)

Artikel 4 wordt vervangen door:

Artikel 4

De lidstaten worden gemachtigd ermee in te stemmen dat ze in het belang van de Unie gebonden zijn door de in de artikelen 1 en 2 genoemde wijzigingen en circulaire voor zover die wijzigingen en die circulaire onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 23 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SCHULZE


(1)  Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 47).

(2)  Besluit (GBVB) (EU) 2020/721 van de Raad van 19 mei 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de 75e zitting van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie en op de 102e zitting van de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie ten aanzien van de vaststelling van wijzigingen van de voorschriften 2, 14 en 18 en de aanhangsels I en VI van bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, van de delen A-1, B, B-1 en B‐2 tot en met B-4 van hoofdstuk II-1 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee en van de delen A-1 en B-1 van de International Code of Safety for Ships Using Gases or other Low-flashpoint Fuels en wijzigingen van Resolutie A.658(16) inzake het gebruik en het aanbrengen van retroflecterende materialen op reddingsmiddelen (PB L 171 van 2.6.2020, blz. 1).


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/18


BESLUIT (EU) 2020/1581 VAN DE RAAD

van 23 oktober 2020

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, opgericht krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, met betrekking tot de actualisering van bijlage XIII (Aanpassing van de douanewetgeving) bij de overeenkomst

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (1) (“de overeenkomst”), is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2016/838 van de Raad (2) en is op 1 juli 2016 in werking getreden.

(2)

Op grond van artikel 406, lid 3, van de overeenkomst is de Associatieraad bevoegd om de bijlagen bij de overeenkomst te actualiseren of te wijzigen.

(3)

Op grond van artikel 408, lid 2, van de overeenkomst kan de Associatieraad bevoegdheden overdragen aan het Associatiecomité, waaronder de bevoegdheid om bindende besluiten te nemen.

(4)

Op grond van artikel 1 van Besluit nr. 3/2014 van de Associatieraad (3) heeft de Associatieraad aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken de bevoegdheid overgedragen om de bijlagen bij de overeenkomst, die onder meer betrekking hebben op hoofdstuk 5 (Douane en handelsbevordering) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van de overeenkomst, te wijzigen of te actualiseren, voor zover hoofdstuk 5 geen specifieke bepalingen inzake de wijziging of actualisering van die bijlagen bevat.

(5)

Het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken zal op zijn 7e vergadering een besluit betreffende de actualisering van bijlage XIII (Aanpassing van de douanewetgeving) bij de overeenkomst vaststellen.

(6)

Het is passend om het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken moet worden ingenomen, aangezien het beoogde besluit voor de Unie bindend zal zijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 7e vergadering van het Associatiecomité EU-Georgië in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken als bedoeld in artikel 408, lid 4, van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, met betrekking tot de actualisering van bijlage XIII (Aanpassing van de douanewetgeving) bij de overeenkomst is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken (4).

Artikel 2

Het in artikel 1 bedoelde besluit van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wordt na de vaststelling ervan bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Luxemburg, 23 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SCHULZE


(1)  PB L 261 van 30.8.2014, blz. 4.

(2)  Besluit (EU) 2016/838 van de Raad van 23 mei 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (PB L 141 van 28.5.2016, blz. 26).

(3)  Besluit nr. 3/2014 van de Associatieraad EU-Georgië van 17 november 2014 inzake de overdracht van enkele bevoegdheden van de Associatieraad aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken [2015/2263] (PB L 321 van 5.12.2015, blz. 72).

(4)  Zie document ST 11388/20 op http://register.consilium.europa.eu


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/20


BESLUIT (EU) 2020/1582 VAN DE RAAD

van 23 oktober 2020

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de vergaderingen van de partijen bij de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee (“de overeenkomst”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2019/407 van de Raad (1). Naar verwachting treedt de overeenkomst later dit jaar in werking.

(2)

De vergadering van de partijen is verantwoordelijk voor de vaststelling van maatregelen die de uitvoering van de overeenkomst moeten waarborgen met als doel ongereglementeerde visserij in de volle zee van de centrale Noordelijke IJszee te voorkomen door voorzorgsmaatregelen op het vlak van instandhouding en beheer toe te passen in het kader van een langetermijnstrategie, teneinde mariene ecosystemen gezond te houden en de instandhouding en de duurzame bevissing van de visbestanden te verzekeren. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen op het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie beheers- en instandhoudingsmaatregelen moet nemen die gebaseerd zijn op het best beschikbare wetenschappelijke advies, steun moet verlenen voor de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en vangstmethoden moet bevorderen die bijdragen tot selectievere visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie die doelstellingen en beginselen moet toepassen in het kader van haar externe visserijbetrekkingen.

(4)

Zoals vermeld in de conclusies van de Raad van 19 november 2019 over oceanen en zeeën, met inbegrip van het noordpoolgebied, de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie over “Een geïntegreerd EU-beleid voor het noordpoolgebied” en de conclusies van de Raad van 24 maart 2017 over “Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van de oceanen”, is steun voor de overeenkomst en de mogelijke oprichting van een regionale organisatie of regeling voor visserijbeheer in de volle zee in het noordpoolgebied een belangrijke doelstelling voor de Unie om het milieu in het noordpoolgebied veilig te stellen en te zorgen voor duurzame ontwikkeling in en rond het noordpoolgebied op basis van internationale samenwerking.

(5)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen op de vergadering van de partijen bij de overeenkomst voor de periode 2020-2024, aangezien de op grond van de overeenkomst genomen instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de Unie bindend zullen zijn en beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, te weten Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad (3), Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (4) en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(6)

In het licht van de beperkte kennis en de aard van de visbestanden in het overeenkomstgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke of andere relevante informatie die voor of tijdens de vergaderingen van de partijen wordt gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2020-2024 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd.

(7)

Dit besluit kan in een later stadium worden gevolgd door een nader afzonderlijk besluit van de Raad tot opening van onderhandelingen over de oprichting van een of meer aanvullende regionale of subregionale organisaties of regelingen voor visserijbeheer in de volle zee in het noordpoolgebied,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de vergaderingen van de partijen bij de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee (“de overeenkomst”) stemt overeen met de beginselen en richtsnoeren betreffende het namens de Unie in te nemen standpunt op de vergaderingen van de partijen bij de overeenkomst (6).

Artikel 2

Vóór elke vergadering van de partijen bij de overeenkomst worden, wanneer dat orgaan besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie tot uitdrukking zal worden gebracht, rekening wordt gehouden met de aan de Commissie meegedeelde meest recente wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in artikel 1 bedoelde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de partijen bij de overeenkomst, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het namens de Unie in te nemen standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de partijen bij de overeenkomst, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt, wordt de zaak voorgelegd aan de Raad of zijn voorbereidende instanties, opdat het standpunt van de Unie rekening houdt met nieuwe elementen.

Artikel 3

Het in artikel 1 bedoelde standpunt van de Unie wordt uiterlijk voor de jaarlijkse vergadering van de partijen bij de overeenkomst in 2025 door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 23 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SCHULZE


(1)  Besluit (EU) 2019/407 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee (PB L 73 van 15.3.2019, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).

(6)  Zie document ST 11439/20, op: http://register.consilium.europa.eu


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/23


BESLUIT (EU) 2020/1583 VAN DE RAAD

van 23 oktober 2020

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Partnerschapscomité dat is opgericht bij de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, over de vervanging van de lijst van personen die in geschillenbeslechtingsprocedures als arbiter kunnen optreden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds (1) (“de overeenkomst”) is namens de Unie ondertekend overeenkomstig Besluit (EU) 2018/104 van de Raad (2) en wordt voorlopig gedeeltelijk toegepast sinds 1 juni 2018.

(2)

Overeenkomstig artikel 339, lid 1, van de overeenkomst heeft het Partnerschapscomité op zijn vergadering van 17 oktober 2019 een lijst opgesteld van 15 personen die bereid en in staat zijn als arbiter op te treden (hierna “de lijst van arbiters” genoemd).

(3)

Armenië heeft de Unie ervan in kennis gesteld dat één van de door dat land voorgestelde personen niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 339, lid 2, van de overeenkomst en derhalve moet worden vervangen.

(4)

Om de werking van de voorlopig toegepaste bepalingen van de overeenkomst te waarborgen, dient het Partnerschapscomité een besluit tot vervanging van de lijst van arbiters door een gewijzigde lijst vast te stellen.

(5)

Het is passend het namens de Unie in het Partnerschapscomité in te nemen standpunt te bepalen, aangezien het besluit van het Partnerschapscomité tot vervanging van de lijst van arbiters voor de Unie bindend zal zijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Partnerschapscomité dat is opgericht bij de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, over de vervanging van de lijst van arbiters als bedoeld in artikel 339 van die overeenkomst, wordt gebaseerd op het overeenkomstige ontwerpbesluit van het Partnerschapscomité (3).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 23 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SCHULZE


(1)  PB L 23 van 26.1.2018, blz. 4.

(2)  Besluit (EU) 2018/104 van de Raad van 20 november 2017 betreffende de ondertekening, namens de Unie, en de voorlopige toepassing van de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds (PB L 23 van 26.1.2018, blz. 1).

(3)  Zie document ST 11524/20 op http://register.consilium.europa.eu


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/25


BESLUIT (EU) 2020/1584 VAN DE RAAD

van 26 oktober 2020

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie moet worden ingenomen ten aanzien van de vaststelling van amendement 46 van bijlage 6, deel I, en amendement 39 van bijlage 6, deel II, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart wat betreft het uitstel van de toekomstige vereiste om uitgerust te zijn met een 25-uurscockpitgeluidsrecorder teneinde onbedoelde gevolgen van de COVID-19-pandemie te voorkomen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (“het Verdrag van Chicago”), waarbij het internationale luchtvervoer wordt geregeld, is op 4 april 1947 in werking getreden. Bij dat verdrag is de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) opgericht.

(2)

De lidstaten zijn overeenkomstsluitende partijen bij het Verdrag van Chicago en leden van de ICAO, terwijl de Unie de status van waarnemer heeft in bepaalde organen van de ICAO. Zeven lidstaten zijn vertegenwoordigd in de ICAO-Raad.

(3)

Overeenkomstig artikel 54 van het Verdrag van Chicago kan de ICAO-Raad internationale normen en aanbevolen praktijken vaststellen; deze worden vastgelegd in de bijlagen bij het Verdrag van Chicago.

(4)

Overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago treden de bijlagen of een wijziging van een bijlage in werking binnen drie maanden na de voorlegging ervan aan de ICAO-verdragsstaten of na afloop van een zodanige langere termijn als de ICAO-Raad kan voorschrijven, tenzij in de tussentijd een meerderheid van de ICAO-verdragsstaten hun afkeuring kenbaar maakt.

(5)

Overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag van Chicago moet elke staat die vindt dat het in de praktijk onmogelijk is om in alle opzichten te voldoen aan een internationale norm of procedure of om zijn eigen regels of praktijken volledig in overeenstemming te brengen met een internationale norm of procedure, als bedoeld in artikel 37 van dat verdrag, of die het nodig acht om regels of praktijken vast te stellen die in enig specifiek opzicht verschillen van die welke bij een internationale norm zijn vastgesteld, de ICAO onmiddellijk in kennis stellen van de verschillen tussen zijn eigen praktijk en die welke bij de internationale norm is vastgesteld.

(6)

De COVID-19-pandemie heeft negatieve gevolgen voor exploitanten en fabrikanten van luchtvaartuigen en toeleveranciers van fabrikanten van apparatuur, en heeft de ontwikkeling van nieuwe systemen vertraagd. Exploitanten van luchtvaartuigen annuleren de levering van luchtvaartuigen, of stellen die uit waardoor de levering van luchtvaartuigen die bestemd zijn voor 2020 wordt uitgesteld tot 2021. Een nieuw gebouwd luchtvaartuig dat is geconfigureerd voor 2020 en waarvan de levering is uitgesteld tot 2021, moet worden geherconfigureerd overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn na 1 januari 2021. Exploitanten en fabrikanten van luchtvaartuigen worden met extra financiële lasten geconfronteerd als die luchtvaartuigen moeten worden aangepast. Daarom is de Commissie doende het uitstel van die datum op het niveau van de Unie vast te stellen door middel van wijzigingen van Verordening (EU) nr. 965/2012. De cockpitgeluidsrecorder (“cockpit voice recorder — CVR”) wordt gebruikt voor onderzoek naar ongevallen en incidenten. Uitstel van de verlenging van de opnameduur van de CVR van twee uur tot 25 uur brengt geen significant veiligheidsrisico mee, maar brengt het veiligheidsvoordeel van een langere cockpitgeluidsopname in overeenstemming met de huidige realiteit van de luchtvaartsector. De Unie is een groot voorstander van de inspanningen van de ICAO om de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren. Omdat de situatie als gevolg van de COVID-19-pandemie ongekend is en een significant veiligheidsrisico ontbreekt, moet de Unie die amendementen steunen.

(7)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 221e vergadering van de ICAO-Raad ten aanzien van het geplande amendement 46 van bijlage 6, deel I, en het geplande amendement 39 van bijlage 6, deel II. Dat standpunt is dat die amendementen moeten worden gesteund en moet tot uitdrukking worden gebracht door de lidstaten van de Unie die lid zijn van de ICAO-Raad en die gezamenlijk optreden namens de Unie.

(8)

Het standpunt van de Unie na vaststelling, zonder ingrijpende wijzigingen, door de ICAO-Raad van amendement 46 van bijlage 6, deel I, en amendement 39 van bijlage 6, deel II, die zal worden aangekondigd door de secretaris-generaal van de ICAO via een brief aan de ICAO-staten, is dat geen afkeuring moet worden kenbaar gemaakt en dat kennisgeving moet worden gedaan van de naleving van die amendementen; dat standpunt moet door alle lidstaten van de Unie tot uitdrukking worden gebracht.,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen op de 221e vergadering van de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), is dat het voorgestelde amendement 46 van bijlage 6, deel I, en het voorgestelde amendement 39 van bijlage 6, deel II, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart in hun geheel worden gesteund.

2.   Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen, mits de ICAO-Raad de in lid 1 bedoelde amendementen zonder ingrijpende wijzigingen vaststelt, is dat geen afkeuring moet worden kenbaar gemaakt en dat in antwoord op de ICAO-brieven kennisgeving moet worden gedaan van de naleving van de vastgestelde wijzigingen.

Artikel 2

1.   Het in artikel 1, lid 1, bedoelde standpunt wordt tot uitdrukking gebracht door de lidstaten van de Unie die lid zijn van de ICAO-Raad en gezamenlijk optreden.

2.   Het in artikel 1, lid 2, bedoelde standpunt wordt tot uitdrukking gebracht door alle lidstaten van de Unie.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 26 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/27


BESLUIT (GBVB) 2020/1585 VAN DE RAAD

van 29 oktober 2020

tot wijziging van Besluit (GBVB) 2015/1763 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 1 oktober 2015 Besluit (GBVB) 2015/1763 (1) betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi vastgesteld.

(2)

Op grond van een evaluatie van Besluit (GBVB) 2015/1763 moeten de beperkende maatregelen tot en met 31 oktober 2021 worden verlengd en moet de informatie betreffende twee natuurlijke personen worden gewijzigd.

(3)

Besluit (GBVB) 2015/1763 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit (GBVB) 2015/1763 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 6 wordt het tweede lid vervangen door:

“Dit besluit is van toepassing tot en met 31 oktober 2021.”.

2)

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Besluit (GBVB) 2015/1763 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi (PB L 257 van 2.10.2015, blz. 37).


BIJLAGE

In de bijlage bij Besluit (GBVB) 2015/1763 worden de vermeldingen 1 en 2 in de rubriek “Lijst van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen” vervangen door:

 

Naam

Identificatiegegevens

Redenen voor plaatsing op de lijst

“1.

Godefroid BIZIMANA

Geslacht: mannelijk

Geboortedatum: 23.4.1968

Geboorteplaats: Nyagaseke, Mabayi, Cibitoke

Burundese nationaliteit. Paspoortnummer: DP0001520

“Chargé de missions de la Présidence” en voormalig plaatsvervangend directeur-generaal van de nationale politie. Op 31 december 2019 werd de heer BIZIMANA bevorderd tot hoofd van de politie. Verantwoordelijk voor het ondermijnen van de democratie door het nemen van operationele besluiten die hebben geleid tot buitensporig gebruik van geweld en gewelddadige repressie ten aanzien van de vreedzame demonstraties die op 26 april 2015 begonnen nadat president Nkurunziza aangekondigd had zich opnieuw kandidaat te stellen als president.

2.

Gervais NDIRAKOBUCA ook bekend als NDAKUGARIKA

Geslacht: mannelijk

Geboortedatum: 1.8.1970

Burundese nationaliteit. Paspoortnummer: DP0000761

Sinds juni 2020 minister van Binnenlandse Zaken, Gemeenschapsontwikkeling en Openbare Veiligheid. Voormalig hoofd van het kabinet van de presidentiële administratie (Présidence), tussen mei 2013 en november 2019 bevoegd voor aangelegenheden in verband met de nationale politie, en voormalig directeur-generaal van de nationale inlichtingendienst tussen november 2019 en juni 2020. Verantwoordelijk voor het belemmeren van de zoektocht naar een politieke oplossing in Burundi door het uitvaardigen van instructies die hebben geleid tot een buitensporig machtsgebruik, geweldpleging, repressie en schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten ten aanzien van de vreedzame demonstraties die op 26 april 2015 begonnen nadat president Nkurunziza aangekondigd had zich opnieuw kandidaat te stellen als president, met inbegrip van de betogingen op 26, 27 en 28 april 2015 in de districten Nyakabiga en Musaga van Bujumbura.”


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/29


BESLUIT (GBVB) 2020/1586 VAN DE RAAD

van 29 oktober 2020

tot wijziging van Besluit 2010/573/GBVB inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 27 september 2010 Besluit 2010/573/GBVB (1) inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië vastgesteld.

(2)

Op basis van een evaluatie van Besluit 2010/573/GBVB moeten de beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië worden verlengd tot en met 31 oktober 2021. De Raad zal de situatie met betrekking tot de beperkende maatregelen na zes maanden opnieuw bezien.

(3)

Besluit 2010/573/GBVB moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 4 van Besluit 2010/573/GBVB wordt lid 2 vervangen door:

“2.

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 oktober 2021. Het wordt voortdurend geëvalueerd. Het wordt zo nodig verlengd of gewijzigd indien de Raad oordeelt dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Besluit 2010/573/GBVB van de Raad van 27 september 2010 inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië (PB L 253 van 28.9.2010, blz. 54).


30.10.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 362/30


BESLUIT (EU) 2020/1587 VAN DE RAAD

van 29 oktober 2020

betreffende de financiële bijdragen van de lidstaten aan het Europees Ontwikkelingsfonds, met inbegrip van de derde tranche voor 2020

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (1), en met name artikel 7,

Gezien Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323 (2), en met name artikel 19, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig de procedure van de artikelen 19 tot en met 22 van Verordening (EU) 2018/1877 (“het Financieel Reglement van het 11e EOF”) dient de Commissie uiterlijk op 10 oktober 2020 een voorstel in te dienen voor a) het bedrag van de derde tranche van de bijdrage voor 2020, en b) een herzien jaarlijks bedrag van de bijdrage voor 2020, indien het jaarlijkse bedrag afwijkt van de werkelijke behoeften.

(2)

Overeenkomstig artikel 46 van het Financieel Reglement van het 11e EOF heeft de Europese Investeringsbank (EIB) de Commissie haar geactualiseerde vastleggings- en betalingsramingen betreffende de door haar beheerde instrumenten doen toekomen.

(3)

In artikel 20, lid 1, van het Financieel Reglement van het 11e EOF is bepaald dat bij de verzoeken om bijdragen eerst in chronologische volgorde de bedragen voor voorgaande Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF’s) worden opgebruikt. Daarom moet een verzoek om bijdragen worden gedaan in het kader van het 10e Europese Ontwikkelingsfonds (“het 10e EOF”) voor de EIB en in het kader van het 11e Europese Ontwikkelingsfonds (“het 11e EOF”) voor de Commissie.

(4)

De Raad heeft op voorstel van de Commissie Besluit (EU) 2019/1800 (3) vastgesteld, dat de jaarlijkse EOF-bijdragen van de lidstaten voor 2020 vastlegt op 4 400 000 000 EUR voor de Commissie en op 300 000 000 EUR voor de EIB.

(5)

In de artikelen 152 en 153 van het akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (4) is bepaald dat het Verenigd Koninkrijk partij blijft bij het EOF tot de afsluiting van het 11e EOF en alle voorgaande EOF’s die nog niet zijn afgesloten. Het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in vrijgemaakte middelen voor projecten in het kader van het 10e EOF of voorgaande EOF’s wordt echter niet hergebruikt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De individuele EOF-bijdragen die de lidstaten voor de derde tranche van 2020 aan de Commissie en de EIB moeten betalen, zijn in de tabel in de bijlage bij dit besluit weergegeven.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(2)  PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1.

(3)  Besluit (EU) 2019/1800 van de Raad van 24 oktober 2019 betreffende de financiële bijdragen van de lidstaten aan het Europees Ontwikkelingsfonds, inclusief het maximum voor 2021, het jaarlijkse bedrag voor 2020, de eerste tranche voor 2020 en een indicatieve en niet-bindende prognose voor de verwachte jaarlijkse bedragen van de bijdragen voor de jaren 2022 en 2023 (PB L 274 van 28.10.2019, blz. 9)

(4)  PB C 384I van 12.11.2019, blz. 1.


BIJLAGE

LIDSTATEN EN HET VERENIGD KONINKRIJK

Verdeel-sleutel 10e EOF (%)

Verdeel-sleutel 11e EOF (%)

Derde tranche 2020 (in EUR)

Totaal

Commissie

EIB

11e EOF

10e EOF

BELGIË

3,53

3,24927

32 492 700,00

3 530 000,00

36 022 700,00

BULGARIJE

0,14

0,21853

2 185 300,00

140 000,00

2 325 300,00

TSJECHIË

0,51

0,79745

7 974 500,00

510 000,00

8 484 500,00

DENEMARKEN

2,00

1,98045

19 804 500,00

2 000 000,00

21 804 500,00

DUITSLAND

20,50

20,57980

205 798 000,00

20 500 000,00

226 298 000,00

ESTLAND

0,05

0,08635

863 500,00

50 000,00

913 500,00

IERLAND

0,91

0,94006

9 400 600,00

910 000,00

10 310 600,00

GRIEKENLAND

1,47

1,50735

15 073 500,00

1 470 000,00

16 543 500,00

SPANJE

7,85

7,93248

79 324 800,00

7 850 000,00

87 174 800,00

FRANKRIJK

19,55

17,81269

178 126 900,00

19 550 000,00

197 676 900,00

KROATIË

0,00

0,22518

2 251 800,00

0,00

2 251 800,00

ITALIË

12,86

12,53009

125 300 900,00

12 860 000,00

138 160 900,00

CΥΡRUS

0,09

0,11162

1 116 200,00

90 000,00

1 206 200,00

LETLAND

0,07

0,11612

1 161 200,00

70 000,00

1 231 200,00

LITOUWEN

0,12

0,18077

1 807 700,00

120 000,00

1 927 700,00

LUXEMBURG

0,27

0,25509

2 550 900,00

270 000,00

2 820 900,00

HONGARIJE

0,55

0,61456

6 145 600,00

550 000,00

6 695 600,00

MALTA

0,03

0,03801

380 100,00

30 000,00

410 100,00

NEDERLAND

4,85

4,77678

47 767 800,00

4 850 000,00

52 617 800,00

OOSTENRIJK

2,41

2,39757

23 975 700,00

2 410 000,00

26 385 700,00

POLEN

1,30

2,00734

20 073 400,00

1 300 000,00

21 373 400,00

PORTUGAL

1,15

1,19679

11 967 900,00

1 150 000,00

13 117 900,00

ROEMENIË

0,37

0,71815

7 181 500,00

370 000,00

7 551 500,00

SLOVENIË

0,18

0,22452

2 245 200,00

180 000,00

2 425 200,00

SLOWAKIJE

0,21

0,37616

3 761 600,00

210 000,00

3 971 600,00

FINLAND

1,47

1,50909

15 090 900,00

1 470 000,00

16 560 900,00

ZWEDEN

2,74

2,93911

29 391 100,00

2 740 000,00

32 131 100,00

VERENIGD KONINKRIJK

14,82

14,67862

146 786 200,00

14 820 000,00

161 606 200,00

TOTAAL EU-27 EN HET VERENIGD KONINKRIJK

100,00

100,00

1 000 000 000,00

100 000 000,00

1 100 000 000,00