ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 177

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
5 juni 2020


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere parameters, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1369 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009

1

 

*

Verordening (EU) 2020/741 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake minimumeisen voor hergebruik van water ( 1 )

32

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2020/742 van de Raad van 29 mei 2020 betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië over de verlenging van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië, dat op 15 november 2019 afloopt

56

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/730 van de Raad van 3 juni 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelentegen de Democratische Volksrepubliek Korea ( PB L 172 I van 3.6.2020 )

58

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

5.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 177/1


VERORDENING (EU) 2020/740 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 mei 2020

inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere parameters, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1369 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114 en artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie is vastbesloten een energie-unie met een toekomstgericht klimaatbeleid op te bouwen. Brandstofefficiëntie is een cruciaal aspect van het klimaat- en energiebeleidskader van de Unie voor 2030 en is essentieel voor het matigen van de vraag naar energie.

(2)

De Commissie heeft Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3) geëvalueerd en geconstateerd dat de bepalingen moeten worden geactualiseerd om de doeltreffendheid ervan te verhogen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1222/2009 moet worden vervangen teneinde een aantal van de daarin vervatte bepalingen te verduidelijken en te actualiseren, rekening houdend met de technologische vooruitgang op het gebied van banden.

(4)

De vervoersector neemt een derde van het energieverbruik van de Unie voor zijn rekening. Het wegvervoer was in 2015 verantwoordelijk voor ongeveer 22 % van de totale uitstoot van broeikasgassen in de Europese Unie. Banden zijn goed voor 20 tot 30 % van het brandstofverbruik van voertuigen, vooral door hun rolweerstand. Een beperking van de rolweerstand van banden zou dus een aanzienlijke bijdrage leveren tot de brandstofefficiëntie van het wegvervoer en bijgevolg tot de beperking van broeikasgasemissies alsook tot het koolstofvrij maken van de vervoersector.

(5)

Om de CO2-uitstoot van het wegvervoer te kunnen verminderen, is het voor de lidstaten passend om in samenwerking met de Commissie stimulansen te bieden voor innovaties op het gebied van brandstofefficiënte en veilige C1‐banden, C2‐banden en C3‐banden.

(6)

Banden worden gekenmerkt door een aantal parameters die elkaar beïnvloeden. Het verbeteren van één parameter, zoals de rolweerstand, kan nadelige gevolgen hebben voor andere parameters, zoals de grip op nat wegdek, en het verbeteren van de grip op nat wegdek kan weer nadelige gevolgen hebben voor rolgeluidemissies. Bandenfabrikanten moeten worden aangemoedigd om alle parameters te optimaliseren en daarbij verder te gaan dan de bestaande normen.

(7)

Brandstofefficiënte banden kunnen rendabel zijn omdat de hogere aankoopprijs, die het gevolg is van hogere productiekosten, meer dan gecompenseerd wordt door de brandstofbesparing die ze opleveren.

(8)

In Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) worden minimumeisen voor de rolweerstand van banden vastgesteld. De ontwikkeling van de technologie maakt het mogelijk het energieverlies door de rolweerstand van banden nog sterker te beperken dan in deze minimumeisen is vastgesteld. Om de invloed van het wegvervoer op het milieu te beperken, moeten derhalve de bepalingen inzake de etikettering van banden worden geactualiseerd om eindgebruikers aan te moedigen brandstofefficiëntere banden te kopen door hun geharmoniseerde informatie over de parameter “rolweerstand” te verstrekken.

(9)

Door een betere etikettering van banden krijgt de consument meer relevante en meer vergelijkbare informatie over brandstofefficiëntie, veiligheid en geluid, en kan hij bij de aankoop van banden kosteneffectieve en milieuvriendelijke beslissingen nemen.

(10)

Verkeerslawaai is hinderlijk en heeft schadelijke gevolgen voor de gezondheid. In Verordening (EG) nr. 661/2009 worden minimumeisen voor de rolgeluidemissies van banden vastgesteld. De ontwikkeling van de technologie maakt het mogelijk de rolgeluidemissies van banden nog sterker terug te dringen dan in deze minimumeisen is vastgesteld. Om het verkeerslawaai terug te dringen, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden geactualiseerd om eindgebruikers aan te moedigen banden met lagere rolgeluidemissies te kopen door hun geharmoniseerde informatie over de parameter “rolgeluidemissies” te verstrekken.

(11)

De verstrekking van geharmoniseerde informatie over rolgeluidemissies maakt het tevens gemakkelijker maatregelen ter beperking van het verkeerslawaai te nemen, en draagt bij tot een beter besef van het effect van banden op het verkeerslawaai in het kader van Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (5).

(12)

Ook in Verordening (EG) nr. 661/2009 worden minimumeisen voor de grip van banden op nat wegdek vastgesteld. De ontwikkeling van de technologie maakt het mogelijk de grip op nat wegdek sterker te verbeteren dan in die minimumeisen is vastgesteld en de remafstand op nat wegdek derhalve te verkorten. Om de verkeersveiligheid te verbeteren, moeten derhalve de bepalingen voor de etikettering van banden worden geactualiseerd om eindgebruikers met geharmoniseerde informatie over de parameter “grip op nat wegdek” aan te moedigen banden met betere grip op nat wegdek te kopen.

(13)

Om te zorgen voor overeenstemming met het internationale kader wordt in Verordening (EG) nr. 661/2009 verwezen naar Reglement nr. 117 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) (6), dat de relevante meetmethoden voor de rolweerstand, rolgeluidemissies, de prestaties inzake grip op nat wegdek en de prestaties op sneeuw bevat.

(14)

Op het bandenetiket moet informatie worden vermeld over de prestaties van banden die specifiek ontworpen zijn voor gebruik bij hevige sneeuw en ijscondities. De informatie over de prestaties inzake grip op sneeuw moet gebaseerd zijn op de meest recente versie van Reglement nr. 117 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) die van toepassing is op de Unie (VN/ECE Reglement nr. 117), en op het bandenetiket van een band die aan de minimumsneeuwgrip-indexwaarden van genoemd reglement voldoet, moet het pictogram van het alpensymbool worden vermeld. De informatie over de prestaties inzake grip op ijs moet, zodra ISO-norm 19447 is vastgesteld, op die ISO-norm gebaseerd zijn, en op het bandenetiket van een band die aan de minimumijsindexwaarden van die norm voldoet, moet het pictogram grip op ijs worden vermeld. Zolang ISO-norm 19447 niet is vastgesteld, moeten de prestaties inzake grip op ijs beoordeeld worden op basis van betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden, waarbij rekening wordt gehouden met de algemeen erkende stand van de wetenschap. Op het bandenetiket van een band die voldoet aan de minimumijsgripindexwaarden moet het in bijlage I opgenomen pictogram grip op ijs zichtbaar zijn.

(15)

De slijtage van banden tijdens het gebruik is een belangrijke bron van microplastics, die schadelijk zijn voor het milieu en de gezondheid van de mens. Daarom wordt in de mededeling van de Commissie “Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie” aangegeven dat het onbedoelde vrijkomen van microplastics uit banden moet worden tegengegaan, onder meer door voorlichtingsmaatregelen betreffende bijvoorbeeld etiketteringsvoorschriften en door minimumeisen voor banden. Het begrip kilometrage houdt verband met de slijtage van een band, en behelst het aantal kilometers dat een band meegaat voordat hij wegens slijtage van het loopvlak moet worden vervangen. Naast slijtage van de band en slijtage van het loopvlak, hangt de levensduur van een band ook af van een reeks factoren zoals de slijtvastheid van de banden, samenstelling van het rubber, loopvlakpatronen en -structuur, toestand van de wegen, onderhoud, bandenspanning en rijgedrag.

(16)

Er is momenteel echter geen geschikte testmethode voorhanden om de slijtage en kilometrage van banden te meten. Daarom moet de Commissie opdracht geven om een dergelijke testmethode te ontwikkelen, waarbij ten volle rekening moet worden gehouden met geavanceerde en internationaal ontwikkelde of voorgestelde normen en regels, en met de werkzaamheden die de sector verricht.

(17)

Coverbanden maken een wezenlijk deel uit van de markt voor banden voor zware bedrijfsvoertuigen. Door banden te voorzien van een nieuw loopvlak wordt de levensduur ervan verlengd en wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van doelstellingen van de circulaire economie zoals afvalvermindering. Het toepassen van etiketteringsvoorschriften op coverbanden zou aanzienlijke energiebesparingen opleveren. Deze verordening moet voorzien in de toekomstige opname van een geschikte testmethode om de prestaties van coverbanden te meten, aangezien een dergelijke methode op dit moment niet voorhanden is.

(18)

Het energie-etiket waarin Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad (7) voorziet, waarbij het energieverbruik van producten wordt ingedeeld in een schaal van “A” tot en met “G”, wordt door meer dan 85 % van de consumenten in de Unie als een duidelijk en transparant informatiehulpmiddel erkend en is doeltreffend gebleken voor het bevorderen van efficiëntere producten. Het bandenetiket moet zoveel mogelijk hetzelfde ontwerp hebben, terwijl rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van bandenparameters.

(19)

Vergelijkbare informatie over bandenparameters in de vorm van een standaardbandenetiket zal naar alle waarschijnlijkheid de aankoopbeslissingen van eindgebruikers beïnvloeden in de richting van brandstofefficiëntere, duurzamere, veiligere en geluidsarmere banden. Dit zal op zijn beurt de bandenfabrikanten ertoe aanzetten om bandenparameters te optimaliseren, wat de weg effent voor duurzamere consumptie en productie van banden.

(20)

Het is van belang dat meer informatie over de brandstofefficiëntie en andere parameters wordt verstrekt aan alle eindgebruikers, inclusief kopers van vervangingsbanden en kopers van banden die op nieuwe voertuigen zijn gemonteerd, alsmede aan wagenparkbeheerders en vervoersbedrijven, omdat zij zonder etikettering en geharmoniseerde testmethoden de parameters van verschillende bandenmerken niet gemakkelijk kunnen vergelijken. Het is daarom passend voor te schrijven dat alle banden die bij voertuigen worden geleverd of op voertuigen gemonteerd worden, van het bandenetiket moeten zijn voorzien.

(21)

Momenteel is een bandenetiket vereist voor banden voor auto's (C1‐banden) en bestelwagens (C2‐banden), maar niet voor zware bedrijfsvoertuigen (C3‐banden). Het brandstofverbruik van C3-banden is hoger dan dat van C1-banden of C2‐banden en er worden jaarlijks meer kilometers mee afgelegd, waardoor er aanzienlijke mogelijkheden zijn om het brandstofverbruik en de uitstoot van broeikasgassen van zware bedrijfsvoertuigen te doen dalen. C3-banden dienen derhalve binnen het toepassingsgebied van deze verordening te worden gebracht. Deze verordening volledig toepassen op C3‐banden is ook in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad (8), die voorziet in de monitoring en rapportering van CO2‐emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en met Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad (9), die voorziet in CO2‐emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen.

(22)

Veel eindgebruikers nemen aankoopbeslissingen met betrekking tot banden zonder de band in het echt te zien en dus ook zonder het bandenetiket erop te zien. In dit soort situaties moet het bandenetiket aan de eindgebruiker worden getoond voordat de aankoopbeslissing wordt genomen. Door in de verkooppunten een bandenetiket te tonen en dit etiket ook in het technische reclamemateriaal op te nemen, krijgen distributeurs en potentiële eindgebruikers op het moment en de plaats van de aankoopbeslissing geharmoniseerde informatie over de relevante bandenparameters.

(23)

Sommige eindgebruikers nemen het besluit om een band te kopen voordat zij zich naar een verkooppunt begeven, of kopen banden per postorder of via internet. Om te verzekeren dat ook deze eindgebruikers een geïnformeerde keuze kunnen maken op basis van geharmoniseerde informatie over onder meer de brandstofefficiëntie, grip op nat wegdek en rolgeluidemissies, moeten de etiketten worden getoond in al het technische reclamemateriaal en visuele advertenties voor specifieke bandentypes, ook indien dat materiaal op het internet beschikbaar wordt gemaakt. In visuele advertenties over een bandenserie en niet slechts over een specifiek bandentype, hoeft het bandenetiket niet te worden getoond.

(24)

Aan potentiële eindgebruikers moet informatie worden verstrekt waarin elk onderdeel van het bandenetiket en de relevantie ervan worden uitgelegd. Deze informatie moet in alle technisch reclamemateriaal worden opgenomen, bijvoorbeeld op websites van leveranciers, maar niet verplicht worden opgenomen in visuele advertenties. Onder technisch reclamemateriaal mag niet worden verstaan reclame op reclameborden, in kranten en tijdschriften, op de radio of de televisie.

(25)

Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten inzake markttoezicht of de verplichting van leveranciers om de productconformiteit te controleren, dienen leveranciers de vereiste informatie inzake productconformiteit elektronisch ter beschikking te stellen in de productendatabank. De informatie die relevant is voor consumenten en distributeurs moet in het openbare deel van de productendatabank voor het publiek beschikbaar zijn. Die informatie moet beschikbaar worden gemaakt als “open data”, zodat zij bruikbaar is voor ontwikkelaars van mobiele applicaties en vergelijkingsinstrumenten. Door middel van gebruiksgerichte instrumenten die vermeld staan op het afgedrukte bandenetiket, zoals een dynamische Quick Response-code (QR‐code), moet het openbare gedeelte van de productendatabank gemakkelijk rechtstreeks toegankelijk zijn.

(26)

Het conformiteitsgedeelte van de productendatabank moet onderworpen zijn aan strenge voorschriften inzake gegevensbescherming. De vereiste specifieke delen van de technische documentatie in het conformiteitsgedeelte van de productendatabank moeten ter beschikking worden gesteld van zowel de markttoezichtautoriteiten als de Commissie. Indien technische informatie te gevoelig is om op te nemen in de categorie technische documentatie, moeten markttoezichtautoriteiten zo nodig toegang hebben tot die informatie, conform de voor leveranciers geldende samenwerkingsverplichting of via aanvullende technische documentatie die leveranciers op vrijwillige basis in de productendatabank hebben opgenomen.

(27)

De verkoop van banden via verkoopplatformen op internet stijgt ten opzichte van de rechtstreekse verkoop via leveranciers. Daarom moeten aanbieders van hostingdiensten ervoor zorgen dat het door de leverancier verstrekte bandenetiket en het productinformatieblad in de nabijheid van de prijsvermelding kan worden getoond. Zij moeten de distributeur in kennis stellen van de verplichting om het bandenetiket en het productinformatieblad te tonen, maar mogen niet verantwoordelijk worden gehouden voor de juistheid of inhoud van dat bandenetiket of productinformatieblad. De verplichtingen die uit hoofde van deze verordening op aanbieders van hostingdiensten rusten, moeten beperkt blijven tot wat redelijk is en mogen niet neerkomen op een algemene verplichting om toe te zien op de informatie die zij opslaan noch om actief op zoek te gaan naar feiten of omstandigheden die duiden op activiteiten die niet voldoen aan de vereisten van deze verordening. Toch verplicht artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) aanbieders van hostingdiensten die gebruik willen maken van de aansprakelijkheidsvrijstelling in die bepaling ertoe om op verzoek van afnemers van hun diensten informatie die niet voldoet aan de vereisten van deze verordening prompt te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, bijvoorbeeld informatie over ontbrekende, onvolledige of niet correcte bandenetiketten of productinformatiebladen. Ze moeten hiertoe overgaan zodra ze van die informatie daadwerkelijk kennis hebben of, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, zodra ze daarvan besef krijgen, bijvoorbeeld door middel van specifieke informatie van de markttoezichtautoriteit. Leveranciers die via hun eigen website rechtstreeks aan eindgebruikers verkopen, vallen onder dezelfde verplichtingen voor verkoop op afstand als distributeurs.

(28)

Rolweerstand, grip op nat wegdek, rolgeluidemissies en andere parameters dienen te worden gemeten volgens betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden, waarbij rekening wordt gehouden met algemeen erkende, geavanceerde meet- en berekeningsmethoden. Voor zover mogelijk moeten deze methoden het gemiddelde consumentengedrag weerspiegelen en solide zijn, om zowel opzettelijke als onopzettelijke omzeiling ervan te ontmoedigen. Bandenetiketten dienen de comparatieve prestaties van de banden bij werkelijk gebruik weer te geven, binnen de door betrouwbare, accurate en reproduceerbare laboratoriumtests vereiste beperkingen, zodat eindgebruikers verschillende banden kunnen vergelijken en de testkosten voor de fabrikanten worden beperkt.

(29)

Indien een nationale autoriteit in de zin van artikel 3, punt 37, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad (11) voldoende redenen heeft om aan te nemen dat een leverancier de juistheid van het bandenetiket niet heeft gewaarborgd, dient zij, mede om het vertrouwen van de consument te vergroten, te verifiëren of de op het bandenetiket vermelde klassen van rolweerstand, grip op nat wegdek en rolgeluidemissies en de pictogrammen voor andere parameters, overeenstemmen met de documentatie die de leverancier op basis van testresultaten en berekeningen heeft verstrekt. Die tests kunnen worden uitgevoerd tijdens de typegoedkeuringsprocedure en hoeven niet noodzakelijk een fysieke test van de band te omvatten.

(30)

Het is van essentieel belang dat leveranciers, groothandelaren, handelaren en andere distributeurs de bepalingen inzake bandenetikettering naleven om in de Unie een gelijk speelveld te verzekeren. De lidstaten moeten daarom toezicht houden op de naleving via regelmatige controles achteraf en markttoezicht, overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad (12).

(31)

Teneinde het toezicht op de naleving te vergemakkelijken, te voorzien in een nuttig instrument voor eindgebruikers en distributeurs in staat te stellen op alternatieve wijzen productinformatiebladen aan te vragen, moeten banden worden opgenomen in de op grond van Verordening (EU) 2017/1369 opgezette productendatabank. Die verordening moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(32)

Om het vertrouwen van de eindgebruiker in het bandenetiket te behouden, mogen andere etiketten die het bandenetiket nabootsen, niet worden toegestaan. Om dezelfde reden mogen andere etiketten, markeringen, symbolen of opschriften die de eindgebruiker kunnen verwarren of misleiden wat betreft de op het bandenetiket vermelde parameters, niet worden toegestaan.

(33)

De sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(34)

Teneinde de energie-efficiëntie, klimaatmitigatie, verkeersveiligheid en milieubescherming te bevorderen, moeten de lidstaten stimulansen voor het gebruik van energie-efficiënte en veilige banden kunnen creëren. De lidstaten kunnen vrij beslissen over de aard van dergelijke stimulansen. Dergelijke stimulansen moeten voldoen aan de staatssteunregels van de Unie en mogen niet tot ongerechtvaardigde marktbelemmeringen leiden. Deze verordening doet geen afbreuk aan het resultaat van enigerlei op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ingeleide staatssteunprocedure ten aanzien van dergelijke stimulansen.

(35)

Teneinde de inhoud en de opmaak van het bandenetiket te wijzigen, voorschriften in te voeren met betrekking tot coverbanden, slijtage en kilometrage, en de bijlagen aan te passen aan de technologische vooruitgang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (13). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(36)

Zodra betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden voor het testen en meten van de slijtage en kilometrage van banden beschikbaar zijn, moet de Commissie beoordelen of het haalbaar is informatie over de slijtage en de kilometrage aan het bandenetiket toe te voegen. Wanneer de Commissie een gedelegeerde handeling voorstelt om informatie over de slijtage en kilometrage van banden toe te voegen aan het bandenetiket, moet zij met die beoordeling rekening houden en nauw samenwerken met het bedrijfsleven, de betrokken normalisatieorganisaties zoals het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), de VN/ECE en de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO), en met vertegenwoordigers van andere belanghebbenden die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling van geschikte testmethoden. De informatie over de slijtage en kilometrage van banden moet ondubbelzinnig zijn, en mag voor de eindgebruiker geen negatief effect op de begrijpelijkheid en doeltreffendheid van het bandenetiket in zijn geheel hebben. Tevens zal die informatie de eindgebruiker in staat stellen een geïnformeerde keuze te maken ten aanzien van banden, hun levensduur en het onbedoelde vrijkomen van microplastics. Dat zou de bescherming van het milieu ten goede komen en de eindgebruiker tegelijkertijd in staat stellen een schatting te maken van de gebruikskosten van banden op langere termijn.

(37)

Banden die al vóór de datum van toepassing van deze verordening in de handel waren, hoeven niet van een nieuw bandenetiket te worden voorzien.

(38)

De afmetingen van het bandenetiket moeten dezelfde blijven als de afmetingen die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1222/2009. De details over de grip op sneeuw en de grip op ijs en de QR-code moeten in het bandenetiket worden opgenomen.

(39)

De Commissie moet deze verordening evalueren. Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet die evaluatie gebaseerd zijn op doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde, en de basis vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties.

(40)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het verbeteren van de veiligheid, bescherming van de gezondheid, en de economische en milieuefficiëntie van het wegvervoer door het verstrekken van informatie aan eindgebruikers die hen in staat stelt brandstofefficiëntere, duurzamere, veiligere en geluidsarmere banden te kiezen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt omdat daarvoor geharmoniseerde informatie voor eindgebruikers nodig is, en aangezien deze derhalve met het oog op een geharmoniseerd regelgevingskader en een gelijk speelveld voor fabrikanten, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Een verordening blijft het geschikte rechtsinstrument, aangezien hierbij duidelijke en gedetailleerde regels worden opgelegd die niet op uiteenlopende wijze door de lidstaten kunnen worden omgezet, waardoor een hogere mate van harmonisering in de hele Unie wordt gewaarborgd. Doordat het regelgevingskader op het niveau van de Unie en niet op het niveau van de lidstaten wordt geharmoniseerd, dalen de kosten voor leveranciers, ontstaat een gelijk speelveld en wordt het vrije verkeer van goederen op de hele interne markt gewaarborgd. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(41)

Verordening (EG) nr. 1222/2009 moet derhalve worden ingetrokken vanaf de toepassingsdatum van deze verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied en onderwerp

Bij deze verordening wordt een kader vastgesteld om via etiketten geharmoniseerde informatie te verstrekken over bandenparameters, zodat eindgebruikers een geïnformeerde keuze kunnen maken bij de aankoop van banden, teneinde de veiligheid, de bescherming van de gezondheid en de economische en milieuefficiëntie van het wegvervoer te verbeteren door het gebruik van brandstofefficiënte, duurzame, veilige en geluidsarme banden aan te moedigen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op C1-banden, C2-banden en C3-banden die in de handel worden gebracht.

De voorschriften voor coverbanden zijn van toepassing zodra er door middel van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 13 een geschikte testmethode voor het meten van de prestaties van deze banden beschikbaar is.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

professionele terreinbanden;

b)

banden die enkel zijn ontworpen voor montage op voertuigen die voor het eerst zijn geregistreerd vóór 1 oktober 1990;

c)

T-reservebanden voor tijdelijk gebruik;

d)

banden van de snelheidscategorie onder 80 km/h;

e)

banden met een nominale velgdiameter van minder dan 254 mm of meer dan 635 mm;

f)

banden met trekkrachtbevorderende voorzieningen, zoals spijkerbanden;

g)

banden die uitsluitend zijn ontworpen om te worden gemonteerd op voertuigen die alleen bestemd zijn voor races;

h)

tweedehandsbanden, tenzij deze banden vanuit een derde land zijn ingevoerd.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“C1-banden”, “C2-banden” en “C3-banden”: banden die behoren tot de respectieve klassen van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 661/2009;

2)

“coverband”: een gebruikte band die weer geschikt voor gebruik is gemaakt door vervanging van het versleten loopvlak door nieuw materiaal;

3)

“T-reserveband voor tijdelijk gebruik”: reserveband voor tijdelijk gebruik die ontworpen is voor een hogere spanning dan die van standaard- en versterkte banden;

4)

“professionele terreinband”: een band voor speciaal gebruik die voornamelijk wordt gebruikt in moeilijke omstandigheden op onverharde wegen;

5)

“bandenetiket”: een grafisch diagram, in gedrukte of elektronische vorm, ook in de vorm van een sticker, waarop symbolen staan om eindgebruikers te informeren over de prestaties van een band of partij banden met betrekking tot de parameters in bijlage I;

6)

“verkooppunt”: een plaats waar banden worden uitgestald of opgeslagen en te koop worden aangeboden, met inbegrip van autotoonzalen waar niet op voertuigen gemonteerde banden aan eindgebruikers te koop worden aangeboden;

7)

“technisch reclamemateriaal”: documentatie, in gedrukte of elektronische vorm, geproduceerd door een leverancier om reclamemateriaal aan te vullen met de informatie van bijlage IV;

8)

“productinformatieblad”: een standaarddocument met de in bijlage III beschreven informatie, in gedrukte of elektronische vorm;

9)

“technische documentatie”: documentatie die voldoende is om markttoezichtautoriteiten in staat te stellen de juistheid van het bandenetiket en het productinformatieblad van een band te beoordelen, met inbegrip van de in bijlage VII, punt 2, beschreven informatie;

10)

“productendatabank”: de op grond van artikel 12 van Verordening (EU) 2017/1369 opgezette databank;

11)

“verkoop op afstand”: het voor verkoop, huur of huurkoop aanbieden van producten via postorder, catalogus, internet, telemarketing of een andere methode waarbij kan worden aangenomen dat de potentiële eindgebruiker de band niet uitgestald ziet;

12)

“fabrikant”: een fabrikant in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2019/1020;

13)

“importeur”: een importeur in de zin van artikel 3, punt 9, van Verordening (EU) 2019/1020;

14)

“gemachtigde”: een in de Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens de fabrikant specifieke taken te vervullen in verband met de verplichtingen van de fabrikant op grond van de voorschriften van deze verordening;

15)

“leverancier”: een in de Unie gevestigde fabrikant, een officiële vertegenwoordiger van een fabrikant die niet in de Unie is gevestigd of een importeur die een product in de Unie in de handel brengt;

16)

“distributeur”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen die een product op de markt aanbiedt, met uitzondering van de leverancier;

17)

“op de markt aanbieden”: op de markt aanbieden in de zin van artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) 2019/1020;

18)

“in de handel brengen”: in de handel brengen in de zin van artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) 2019/1020;

19)

“eindgebruiker”: een consument, wagenparkbeheerder of wegvervoersonderneming die een band koopt of voornemens is een band te kopen;

20)

“parameter”: een kenmerk van een band dat tijdens het gebruik van de band een significant effect heeft op het milieu, de verkeersveiligheid of de gezondheid, zoals bandenslijtage, kilometrage, rolweerstand, grip op nat wegdek, rolgeluidemissie, grip op sneeuw of grip op ijs;

21)

“bandentype”: een versie van een band waarvan de technische kenmerken op het bandenetiket, het productinformatieblad en de bandentypeaanduiding dezelfde zijn voor alle eenheden van die versie;

22)

“controletolerantie”: de maximaal toelaatbare afwijking van de meet- en berekeningsresultaten van de door of namens de markttoezichtautoriteiten uitgevoerde controletests, ten opzichte van de waarden van de aangegeven of gepubliceerde parameters, rekening houdend met afwijkingen die toe te schrijven zijn aan interlaboratoriumvariatie;

23)

“bandentypeaanduiding”: een doorgaans alfanumerieke code waarmee een specifiek bandentype wordt onderscheiden van andere bandentypes met dezelfde handelsnaam of hetzelfde handelsmerk als de leverancier;

24)

“gelijkwaardig bandentype”: een bandentype dat door dezelfde leverancier in de handel wordt gebracht als een ander type met een andere bandentypeaanduiding en dat dezelfde voor het etiket relevante technische eigenschappen en hetzelfde productinformatieblad heeft.

Artikel 4

Verplichtingen van bandenleveranciers

1.   Leveranciers zorgen ervoor dat C1-banden, C2-banden en C3-banden die in de handel worden gebracht gratis vergezeld gaan van:

a)

voor elke afzonderlijke band: een bandenetiket, in de vorm van een sticker, dat in overeenstemming is met de voorschriften van bijlage II en waarop de informatie en klasse van elke parameter wordt vermeld, zoals bedoeld in bijlage I, en van een productinformatieblad, of

b)

voor elke partij van één band of meerdere identieke banden: een gedrukt bandenetiket dat in overeenstemming is met de vereisten van bijlage II en waarop de informatie en klasse van elke parameter wordt vermeld, zoals bedoeld in bijlage I, en van een productinformatieblad.

2.   Voor banden die op afstand worden verkocht of te koop worden aangeboden, zorgen leveranciers ervoor dat het bandenetiket in de nabijheid van de prijsvermelding wordt getoond en dat het productinformatieblad toegankelijk is, ook in gedrukte vorm indien de eindgebruiker daarom verzoekt. De afmetingen van het bandenetiket zijn zodanig dat het duidelijk zichtbaar en leesbaar is, en staan in verhouding tot de in bijlage II, punt 2.1 vermelde afmetingen.

Voor banden die via internet verkocht worden of te koop worden aangeboden, kunnen leveranciers het bandenetiket van een specifiek bandentype in geneste weergave beschikbaar stellen.

3.   Leveranciers zorgen ervoor dat bij elke visuele advertentie voor een specifiek bandentype het bandenetiket wordt getoond. Indien de visuele advertentie de prijs van dat bandentype vermeldt, wordt het bandenetiket in de nabijheid van de prijsvermelding getoond.

In visuele advertenties via internet kunnen leveranciers het bandenetiket in geneste weergave beschikbaar stellen.

4.   Leveranciers zorgen ervoor dat in al het technische reclamemateriaal met betrekking tot een specifiek bandentype het bandenetiket van dat bandentype getoond wordt en de informatie van bijlage IV bevat.

5.   Leveranciers verstrekken aan een betrokken nationale autoriteit in de zin van artikel 3, punt 37 van Verordening (EU) 2018/858 de waarden om de betrokken klassen te bepalen en alle extra informatie over de prestaties die leveranciers overeenkomstig bijlage I bij deze verordening op het bandenetiket van de bandentypes vermelden, alsook het bandenetiket dat in overeenstemming is met de voorschriften van bijlage II bij deze verordening. Die informatie wordt aan de betrokken nationale autoriteit verstrekt overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2 van deze verordening, voordat de bandentypes in kwestie in de handel worden gebracht, zodat de autoriteit de juistheid van het bandenetiket kan verifiëren.

6.   Leveranciers zorgen ervoor dat de door hen verstrekte bandenetiketten en productinformatiebladen juist zijn.

7.   Leveranciers kunnen technische documentatie ter beschikking stellen van andere autoriteiten van de lidstaten dan die welke in lid 5 worden genoemd of aan betrokken nationale geaccrediteerde instanties, indien deze daarom verzoeken.

8.   Leveranciers werken samen met de markttoezichtautoriteiten en nemen op eigen initiatief of op verzoek van de markttoezichtautoriteiten onmiddellijk maatregelen ter correctie van een onder hun verantwoordelijkheid vallende situatie die niet strookt met deze verordening.

9.   Leveranciers verstrekken of tonen geen andere etiketten, merktekens, symbolen of opschriften die niet voldoen aan deze verordening indien dit bij eindgebruikers tot misleiding of verwarring met betrekking tot de parameters van bijlage I zou kunnen leiden.

10.   Leveranciers verstrekken of tonen geen etiketten waarmee het bandenetiket waarin deze verordening voorziet, wordt nagebootst.

Artikel 5

Verplichtingen van bandenleveranciers in verband met de productendatabank

1.   Met ingang van 1 mei 2021 voeren leveranciers de in bijlage VII bepaalde informatie in de productendatabank in alvorens een na die datum geproduceerde band in de handel te brengen.

2.   Uiterlijk op 30 november 2021 voert de leverancier voor banden die tussen 25 juni 2020 en 30 april 2021 geproduceerd zijn, de in bijlage VII bedoelde informatie in de productendatabank in.

3.   Voor banden die in de handel worden gebracht vóór 25 juni 2020, kan de leverancier de in bijlage VII bedoelde informatie in de productendatabank invoeren.

4.   Zolang de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie niet in de productendatabank is ingevoerd, stelt de leverancier binnen tien werkdagen na een verzoek van een markttoezichtautoriteit, een elektronische versie van de technische documentatie ter beschikking voor inspectie.

5.   Wanneer typegoedkeuringsinstanties of markttoezichtautoriteiten andere dan de in bijlage VII vermelde informatie nodig hebben om hun taken uit hoofde van deze verordening uit te voeren, verstrekt de leverancier hun deze informatie op hun verzoek.

6.   Een band waaraan wijzigingen worden aangebracht die relevant zijn voor het bandenetiket of het productinformatieblad, wordt beschouwd als een nieuw bandentype. De leverancier geeft in de productendatabank aan wanneer hij eenheden van een bepaald bandentype niet langer in de handel brengt.

7.   De leverancier bewaart de informatie betreffende een bandentype in het conformiteitsgedeelte van de productendatabank gedurende vijf jaar nadat de laatste eenheid van dat bandentype in de handel is gebracht.

Artikel 6

Verplichtingen van bandendistributeurs

1.   Distributeurs zorgen ervoor dat:

a)

in het verkooppunt, het bandenetiket in de vorm van een door de leverancier overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), geleverde sticker, dat in overeenstemming is met de voorschriften van bijlage II, op een duidelijke zichtbare en volledig leesbare plaats op de band is aangebracht en zij zorgen ervoor dat het productinformatieblad beschikbaar is, ook in fysieke vorm indien daarom wordt verzocht, of

b)

vóór de verkoop van een band die tot een partij van één band of meerdere identieke banden behoort, een gedrukt bandenetiket, dat in overeenstemming is met de voorschriften van bijlage II, aan de eindgebruiker wordt getoond en in het verkooppunt in de nabijheid van de band op een duidelijk zichtbare plaats is uitgestald, en dat het productinformatieblad beschikbaar is.

2.   Distributeurs zorgen ervoor dat bij elke visuele advertentie voor een specifiek bandentype het bandenetiket zichtbaar is. Indien de visuele advertentie de prijs van dat bandentype vermeldt, wordt het bandenetiket in de nabijheid van de prijsvermelding getoond.

In visuele advertenties op internet voor een specifiek bandentype kunnen leveranciers het bandenetiket in geneste weergave beschikbaar stellen.

3.   Distributeurs zorgen ervoor dat in al het technische reclamemateriaal met betrekking tot een specifiek bandentype het bandenetiket getoond wordt en de bijlage IV vermelde informatie bevat.

4.   Distributeurs zorgen ervoor dat, indien de te koop aangeboden banden op het moment van de verkoop niet zichtbaar zijn voor de eindgebruiker, zij de eindgebruiker vóór de verkoop een exemplaar van het bandenetiket verstrekken.

5.   Distributeurs zorgen ervoor dat bij elke op papier gebaseerde verkoop op afstand het bandenetiket wordt getoond en dat de eindgebruiker via een gratis toegankelijke website toegang tot het productinformatieblad heeft, en om een gedrukt exemplaar daarvan kan verzoeken.

6.   Distributeurs die gebruikmaken van op telemarketing gebaseerde verkoop op afstand informeren de eindgebruikers over de klassen van elk van de parameters op het bandenetiket, en stellen de eindgebruikers ervan in kennis dat zij toegang tot het bandenetiket en het productinformatieblad hebben via een gratis toegankelijke website, en door om een gedrukt exemplaar te verzoeken.

7.   Voor via internet verkochte of te koop aangeboden banden zorgen distributeurs ervoor dat het bandenetiket in de nabijheid van de prijsvermelding zichtbaar is en dat het productinformatieblad toegankelijk is. De afmetingen van het bandenetiket zijn zodanig dat het duidelijk zichtbaar en leesbaar is, en staan in verhouding tot de in bijlage II, punt 2.1, vermelde afmetingen.

Distributeurs kunnen het bandenetiket voor een specifiek bandentype in geneste weergave beschikbaar stellen.

Artikel 7

Verplichtingen van leveranciers en distributeurs van voertuigen

Indien eindgebruikers voornemens zijn een nieuw voertuig te kopen, verstrekken leveranciers en distributeurs van voertuigen aan die eindgebruikers vóór de verkoop het bandenetiket voor de banden die bij het voertuig worden aangeboden of daarop gemonteerd zijn en het relevante technische reclamemateriaal, en zorgen zij ervoor dat het bedoelde productinformatieblad beschikbaar is.

Artikel 8

Verplichtingen van aanbieders van hostingdiensten

Indien een aanbieder van diensten als bedoeld in artikel 14 van Richtlijn 2000/31/EG de verkoop van banden via zijn internetsite toestaat, zorgt hij ervoor dat het door de leverancier verstrekte bandenetiket en productinformatieblad zichtbaar kunnen worden gemaakt in de nabijheid van de prijsvermelding, en stelt hij de distributeur in kennis van de verplichting het bandenetiket en het productinformatieblad te tonen.

Artikel 9

Test- en meetmethoden

De uit hoofde van de artikelen 4, 6 en 7 vereiste informatie over de op het bandenetiket vermelde parameters wordt verkregen overeenkomstig de in bijlage I bedoelde testmethoden en de in bijlage V bedoelde procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria.

Artikel 10

Controleprocedure

Voor elk van de in bijlage I vermelde parameters controleren de lidstaten volgens de controleprocedure van bijlage VI of de opgegeven klassen in overeenstemming zijn met deze verordening.

Artikel 11

Verplichtingen van de lidstaten

1.   Het is de lidstaten niet toegestaan het in de handel brengen of het in gebruik nemen, op hun grondgebied, van banden die in overeenstemming zijn met deze verordening, te verhinderen.

2.   Waar lidstaten stimuleringsmaatregelen voor banden nemen, mogen deze stimuleringsmaatregelen alleen gericht zijn op banden in klasse A of B voor rolweerstand of grip op nat wegdek in de zin van respectievelijk de delen A en B van bijlage I. Fiscale en budgettaire maatregelen worden niet beschouwd als stimulansen voor de toepassing van deze verordening.

3.   Onverminderd Verordening (EU) 2019/1020 verifieert de nationale autoriteit in de zin van artikel 3, punt 37, van Verordening (EU) 2018/858 of de klassen en de op het bandenetiket vermelde aanvullende informatie over de prestaties, overeenstemmen met de waarden en de documentatie die de leverancier overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de onderhavige verordening heeft verstrekt, indien zij voldoende reden heeft om aan te nemen dat een leverancier niet voor de in artikel 4, lid 6, van de onderhavige verordening bedoelde juistheid van het bandenetiket heeft gezorgd.

4.   Overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1020 zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale markttoezichtautoriteiten een regeling van routine- en ad-hocinspecties invoeren met als doel in de verkooppunten de naleving van deze verordening te garanderen.

5.   De lidstaten voorzien in de regels voor sancties en handhavingsmechanismen die worden toegepast wanneer deze verordening of de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen niet worden nageleefd, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 mei 2021 in kennis van die regels en die maatregelen die nog niet eerder bij de Commissie zijn aangemeld, en stellen de Commissie onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan.

Artikel 12

Markttoezicht in de Unie en controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen

1.   Verordening (EU) 2019/1020 is van toepassing op de banden die onder deze verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen vallen.

2.   De Commissie ondersteunt en moedigt de samenwerking en de uitwisseling van informatie betreffende markttoezicht op de etikettering van banden aan tussen de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het markttoezicht op of belast zijn met de controle van banden die de markt van de Unie binnenkomen, alsmede tussen die autoriteiten en de Commissie, met name door de Groep voor Administratieve Samenwerking inzake bandenetikettering hierbij nauwer te betrekken.

3.   In de krachtens artikel 13 van Verordening (EU) 2019/1020 vastgestelde nationale markttoezichtstrategieën van de lidstaten worden maatregelen opgenomen om de doeltreffende handhaving van deze verordening te waarborgen.

4.   Markttoezichtautoriteiten kunnen de kosten van de documentencontrole en de fysieke tests van het product terugvorderen van de leverancier indien hij deze verordening of de uit hoofde daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen niet heeft nageleefd.

Artikel 13

Gedelegeerde handelingen

1.   De Commissie is overeenkomstig artikel 14 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a)

bijlage II te wijzigen wat betreft de inhoud en opmaak van het bandenetiket;

b)

bijlage I, delen D en E, en bijlagen II, III, IV, V, VI en VII te wijzigen door de waarden, berekeningsmethoden en voorschriften van die bijlagen aan te passen aan de technologische vooruitgang.

2.   De Commissie stelt uiterlijk op 26 juni 2022 overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening in de bijlagen aan te vullen met nieuwe informatievereisten voor coverbanden, mits een geschikte testmethode beschikbaar is.

3.   De Commissie is ook bevoegd overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen om parameters of informatievereisten voor bandenslijtage en kilometrage op te nemen, zodra betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden voor het testen en meten van bandenslijtage en kilometrage beschikbaar zijn voor Europese en internationale normalisatie-instellingen, en op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de Commissie heeft een grondige effectbeoordeling uitgevoerd, en

b)

de Commissie heeft de betrokken belanghebbenden naar behoren geraadpleegd.

4.   Indien passend, test de Commissie bij het voorbereiden van gedelegeerde handelingen de inhoud en de opmaak van de bandenetiketten bij representatieve groepen van klanten in de Unie, teneinde te waarborgen dat de bandenetiketten duidelijk te begrijpen zijn, en maakt zij de resultaten van die tests bekend.

Artikel 14

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 13 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf 25 juni 2020. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging bezwaar maakt.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 13 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Wanneer de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

6.   Een overeenkomstig artikel 13 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 15

Evaluatie en verslaglegging

Uiterlijk op 1 juni 2025 voert de Commissie een evaluatie uit van deze verordening en legt zij een verslag voor aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

In dat verslag wordt beoordeeld in welke mate deze verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen eindgebruikers daadwerkelijk ertoe hebben aangezet banden met betere prestaties te kiezen, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten van de onderhavige verordening en de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen op het bedrijfsleven, het brandstofverbruik, de veiligheid, broeikasgasemissies, het consumentenbewustzijn en activiteiten op het gebied van markttoezicht. In dat verslag zullen ook de kosten en de baten van verplichte onafhankelijke verificatie door derden van de op het bandenetiket vermelde informatie worden beoordeeld, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring die met betrekking tot het ruimere kader van Verordening (EG) nr. 661/2009 is opgedaan.

Artikel 16

Wijziging van Verordening (EU) 2017/1369

Artikel 12, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/1369 wordt vervangen door:

“a)

de markttoezichtautoriteiten ondersteunen bij de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze verordening en de desbetreffende gedelegeerde handelingen, met inbegrip van de handhaving daarvan, en uit hoofde van Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad (*1).

Artikel 17

Intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009

Verordening (EG) nr. 1222/2009 wordt ingetrokken met ingang van 1 mei 2021.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen overeenkomstig de in bijlage VIII van de onderhavige verordening opgenomen concordantietabel.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 mei 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. METELKO-ZGOMBIĆ


(1)  PB C 62 van 15.2.2019, blz. 280.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 25 februari 2020 (PB C 105 van 31.3.2020, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 13 mei 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Verordening (EG) nr. 1222/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere essentiële parameters (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 46).

(4)  Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12).

(6)  Reglement nr. 117 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van banden wat rolgeluidemissies en/of grip op nat wegdek en/of rolweerstand betreft [2016/1350] (PB L 218 van 12.8.2016, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L 198 van 25 juli 2019, blz. 202).

(10)  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (“Richtlijn inzake elektronische handel”) (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en productconformiteit en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1).

(13)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


BIJLAGE I

TESTEN, INDELEN IN KLASSEN EN METEN VAN BANDENPARAMETERS

Deel A: Brandstofefficiëntieklassen en rolweerstandscoëfficiënt

De brandstofefficiëntieklasse wordt vastgesteld en op het bandenetiket aangegeven op basis van de rolweerstandscoëfficiënt (RRC in N/kN), volgens de in de tabel hieronder gespecificeerde schaal van “A” tot en met “E”, en gemeten overeenkomstig bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117, volgens de procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria van bijlage V.

Als een bandentype behoort tot meer dan één bandenklasse (bv. C1 en C2), wordt dat bandentype ingedeeld in de brandstofefficiëntieklasse van de hoogste bandenklasse (bv. C2, niet C1).

 

C1-banden

C2-banden

C3-banden

Brandstofefficiëntieklasse

RRC in N/kN

RRC N/kN

RRC in N/kN

A

RRC ≤ 6,5

RRC ≤ 5,5

RRC ≤ 4,0

B

6,6 ≤ RRC ≤ 7,7

5,6 ≤ RRC ≤ 6,7

4,1 ≤ RRC ≤ 5,0

C

7,8 ≤ RRC ≤ 9,0

6,8 ≤ RRC ≤ 8,0

5,1 ≤ RRC ≤ 6,0

D

9,1 ≤ RRC ≤ 10,5

8,1 ≤ RRC ≤ 9,0

6,1 ≤ RRC ≤ 7,0

E

RRC ≥ 10,6

RRC ≥ 9,1

RRC ≥ 7,1

Deel B: Klassen grip op nat wegdek

1.

De klasse grip op nat wegdek wordt vastgesteld en op het bandenetiket aangegeven op basis van de index van grip op nat wegdek (G), volgens de in onderstaande tabel gespecificeerde schaal van “A” tot en met “E”, en wordt berekend overeenkomstig punt 2 en gemeten overeenkomstig bijlage 5 bij VN/ECE-reglement nr. 117.

2.

Berekening van de index van grip op nat wegdek (G)

G = G(T)–0,03

waarbij:

G(T) = de index van grip op nat wegdek van de kandidaatband, gemeten in één testcyclus

 

C1-banden

C2-banden

C3-banden

Klasse grip op nat wegdek

G

G

G

A

1,55 ≤ G

1,40 ≤ G

1,25 ≤ G

B

1,40 ≤ G ≤ 1,54

1,25 ≤ G ≤ 1,39

1,10 ≤ G ≤ 1,24

C

1,25 ≤ G ≤ 1,39

1,10 ≤ G ≤ 1,24

0,95 ≤ G ≤ 1,09

D

1,10 ≤ G ≤ 1,24

0,95 ≤ G ≤ 1,09

0,80 ≤ G ≤ 0,94

E

G ≤ 1,09

G ≤ 0,94

G ≤ 0,79

Deel C: Klassen en gemeten waarde van de rolgeluidemissie

De gemeten waarde van de rolgeluidemissie (N, in dB(A)) wordt uitgedrukt in decibel en berekend overeenkomstig bijlage 3 bij VN/ECE-reglement nr. 117.

De rolgeluidemissieklasse moet als volgt worden vastgesteld en op het bandenetiket worden aangegeven op basis van de grenswaarden (LV) in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 661/2009:

N ≤ LV – 3

LV - 3 < N ≤ LV

N > LV

Image 1

Image 2

Image 3

Deel D: Grip op sneeuw

De prestatie inzake grip op sneeuw wordt getest overeenkomstig bijlage 7 bij VN/ECE-reglement nr. 117.

Een band die aan de in VN/ECE-reglement nr. 117 genoemde minimumsneeuwgrip-indexwaarden voldoet, wordt ingedeeld als band voor gebruik bij hevige sneeuwvalcondities, en het volgende pictogram wordt op het bandenetiket vermeld.

Image 4

Deel E: Grip op ijs

De prestatie inzake grip op ijs wordt getest op basis van betrouwbare, accurate en reproduceerbare methoden, waar mogelijk volgens internationale normen, waarbij rekening wordt gehouden met de algemeen erkende stand van de wetenschap.

Op het bandenetiket van een band die aan de betrokken minimumijsgripindexwaarden voldoet, wordt het volgende pictogram vermeld.

Image 5


BIJLAGE II

INHOUD EN OPMAAK VAN HET BANDENETIKET

1.   

Inhoud van het bandenetiket

1.1.   

Informatie die in het bovenste gedeelte van het bandenetiket moet worden vermeld:

Image 6

1.2.   

Informatie die in het onderste gedeelte van het bandenetiket moet worden vermeld voor alle andere banden dan banden die aan de in VN/ECE-Reglement nr. 117 vermelde minimumsneeuwgripindexwaarden, aan de betrokken minimumijsgripindexwaarden, of aan beide voldoen

Image 7

1.3.   

Informatie die in het onderste gedeelte van het bandenetiket moet worden vermeld voor banden die voldoen aan de in VN/ECE-Reglement nr. 117 vermelde minimumsneeuwgripindexwaarden:

Image 8

1.4.   

Informatie die in het onderste gedeelte van het bandenetiket moet worden vermeld voor banden die voldoen aan de betrokken minimumijsgripindexwaarden:

Image 9

1.5.   

Informatie die in het onderste gedeelte van het bandenetiket moet worden vermeld voor banden die aan de in VN/ECE-Reglement nr. 117 vermelde minimumsneeuwgripindexwaarden voldoen en aan de minimumijsgripindexwaarden:

Image 10

2.   

Opmaak van het bandenetiket

2.1.   

Opmaak van het bovenste gedeelte van het bandenetiket:

Image 11

2.1.1.   

Opmaak van het onderste gedeelte van het bandenetiket voor alle andere banden dan banden die aan de in VN/ECE-Reglement nr. 117 vermelde minimumsneeuwgripindexwaarden, aan de betrokken minimumijsgripindexwaarden, of aan beide voldoen:

Image 12

2.1.2.   

Opmaak van het onderste gedeelte van het bandenetiket voor banden die voldoen aan de in VN/ECE-Reglement nr. 117 vermelde minimumsneeuwgripindexwaarden:

Image 13

2.1.3.   

Opmaak van het onderste gedeelte van het bandenetiket voor banden die voldoen aan de minimumijsgripindexwaarden:

Image 14

2.1.4.   

Opmaak van het onderste gedeelte van het bandenetiket voor banden die zowel aan de in VN/ECE-Reglement nr. 117 vermelde minimumsneeuwgripindexwaarden als aan de minimumijsgripindexwaarden voldoen:

Image 15

2.2.   

Voor de toepassing van punt 2.1 geldt het volgende:

a)

Minimumafmetingen bandenetiket: 75 mm breed en 110 mm hoog. Als het bandenetiket op groter formaat wordt afgedrukt, moet de inhoud in verhouding blijven tot de bovenvermelde specificaties.

b)

Achtergrondkleur van het bandenetiket: 100 % wit.

c)

Lettertype: Verdana en Calibri.

d)

Afmetingen en specificaties van de delen van het bandenetiket: zoals hierboven aangegeven.

e)

Kleurcodes (de gebruikte code is CMYK — cyaan, magenta, geel en zwart) moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

kleuren van het EU-logo:

achtergrond: 100,80,0,0;

sterren: 0,0,100,0;

kleur van het energielogo 100,80,0,0;

QR-code: 100 % zwart;

handelsnaam of handelsmerk van de leverancier: 100 % zwart in Verdana Bold 7 pt;

bandentypeaanduiding: 100 % zwart in Verdana Regular 7 pt;

maataanduiding, beladingsindex en het snelheidsymbool: 100 % zwart in Verdana Regular 10 pt;

bandenklasse: 100 % zwart in Verdana Regular 7 pt, rechts uitgelijnd;

letters voor de brandstofefficiëntieschaal en de schaal voor grip op nat wegdek: 100 % wit in Calibri Bold 19 pt; de letters worden gecentreerd op een as op 4,5 mm van de linkerzijde van de pijlen

CMYK-kleurcodes voor de pijlen van de brandstofefficiëntieschaal A tot en met E:

A-klasse: 100,0,100,0;

B-klasse: 45,0,100,0;

C-klasse: 0,0,100,0;

D-klasse: 0,30,100,0;

E-klasse 0,100,100,0;

CMYK-kleurcodes voor de pijlen van de schaal voor grip op nat wegdek A tot en met E:

A: 100,60,0,0

B: 90,40,0,0

C: 65,20,0,0

D: 50,10,0,0

E: 30,0,0,0

scheidingslijnen: dikte 0,5 pt, kleur 100 % zwart;

letter van de brandstofefficiëntieklasse: 100 % wit in Calibri Bold 33 pt. De pijlen voor de brandstofefficiëntieklasse en de voor de klasse inzake grip op nat wegdek, en de corresponderende pijlen in de schaal A tot en met E, worden zodanig afgebeeld dat de pijlpunten uitgelijnd zijn. De letter van de brandstofefficiëntieklasse en van de klasse inzake grip op nat wegdek wordt afgebeeld in het midden van het rechthoekig gedeelde van de pijl, dat 100 % zwart is;

pictogram energie-efficiëntie: breedte 16 mm, hoogte 14 mm, dikte 1 pt, kleur 100 % zwart;

pictogram nat wegdek: breedte 20 mm, hoogte 14 mm, dikte 1 pt, kleur 100 % zwart;

pictogram rolgeluidemissie: breedte 24 mm, hoogte 18 mm, dikte 1 pt, kleur 100 % zwart; aantal decibel in de luidspreker in Verdana Bold 12 pt, de eenheid “dB” in Regular 9 pt; het bereik van de rolgeluidsemissieklassen (A tot en met C) wordt gecentreerd onder het pictogram, de letter van de toepasselijke rolgeluidsemissieklasse in Verdana Bold 16 pt en de letters van de overige rolgeluidsemissieklassen in Verdana Regular 10 pt;

pictogram grip op sneeuw: breedte 15 mm, hoogte 13 mm, dikte 1 pt, kleur 100 % zwart;

pictogram grip op ijs: breedte 15 mm, hoogte 13 mm, dikte 1 pt, dikte van de schuine lijnen 0,5 pt, kleur 100 % zwart;

nummer van de verordening: 100 % zwart in Verdana Regular 6 pt.


(1)  Reglement nr. 30 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van luchtbanden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 201 van 30.7.2008, blz. 70).

(2)  Reglement nr. 54 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van luchtbanden voor bedrijfsvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 183 van 11.7.2008, blz. 41).


BIJLAGE III

PRODUCTINFORMATIEBLAD

De informatie in het productinformatieblad van de banden moet in de productbrochure of andere bij de band verstrekte documenten worden opgenomen en omvat het volgende:

a)

de handelsnaam of het handelsmerk van de leverancier of van de fabrikant, indien fabrikant en leverancier niet dezelfde zijn;

b)

bandentypeaanduiding;

c)

maataanduiding, de beladingsindex en het snelheidssymbool overeenkomstig VN/ECE‐Reglement nr. 30 of VN/ECE-Reglement nr. 54 voor C1‐banden, C2‐banden en C3‐banden, naargelang het geval;

d)

de brandstofefficiëntieklasse van de band overeenkomstig bijlage I;

e)

de klasse grip op nat wegdek van de band overeenkomstig bijlage I;

f)

de rolgeluidemissieklasse en de waarde in decibels overeenkomstig bijlage I;

g)

de vermelding of de band bij hevige sneeuwval kan worden gebruikt;

h)

de vermelding of de band een band met grip op ijs is;

i)

de datum waarop de productie van het bandentype is begonnen (twee cijfers voor de week en twee voor het jaar);

j)

de datum waarop de productie van het bandentype is beëindigd, indien bekend (twee cijfers voor de week en twee voor het jaar).


BIJLAGE IV

INFORMATIE IN HET TECHNISCHE RECLAMEMATERIAAL

1.   

De informatie over de banden in het technische reclamemateriaal moet in de onderstaande volgorde worden weergegeven:

a)

de brandstofefficiëntieklasse (letters “A” tot en met “E”);

b)

de klasse grip op nat wegdek (letters “A” tot en met “E”);

c)

de rolgeluidemissieklasse en de gemeten waarde in dB;

d)

de vermelding of de band een band voor gebruik bij hevige sneeuwval is;

e)

de vermelding of de band een band met grip op ijs is.

2.   

De in punt 1 bedoelde informatie moet aan de volgende vereisten voldoen:

a)

ze moet gemakkelijk leesbaar zijn;

b)

ze moet gemakkelijk begrijpbaar zijn;

c)

wanneer binnen een bandenserie bepaalde bandentypes in verschillende klassen worden ingedeeld, door verschillen in afmetingen of andere kenmerken, wordt het verschil tussen het slechtst en het best presterende bandentype vermeld.

3.   

Leveranciers moeten eveneens het volgende vermelden op hun websites:

a)

een link naar de specifieke website van de Commissie in verband met deze verordening;

b)

een toelichting bij de op het bandenetiket gebruikte pictogrammen;

c)

een verklaring waarin zij benadrukken dat in de eerste plaats het gedrag van de bestuurder bepalend is voor het brandstofverbruik en de verkeersveiligheid, en met name dat:

ecologisch verantwoord rijden het brandstofverbruik aanzienlijk kan doen dalen;

de bandenspanning regelmatig moet worden gecontroleerd om de brandstofefficiëntie en de grip op nat wegdek te optimaliseren;

de volgafstanden altijd strikt in acht moeten worden genomen.

4.   

Leveranciers en distributeurs moeten, indien van toepassing, eveneens het volgende vermelden op hun websites: een verklaring waarin zij erop wijzen dat banden met grip op ijs specifiek ontworpen zijn voor een met ijs en aangedrukte sneeuw bedekt wegdek, dat zij alleen mogen worden gebruikt in zeer strenge weersomstandigheden (bv. lage temperaturen) en dat het gebruik van banden met grip op ijs in minder strenge weersomstandigheden (bv. neerslag of hogere temperaturen) tot slechtere prestaties kan leiden, met name wat betreft grip op nat wegdek, wegligging en slijtage.


BIJLAGE V

PROCEDURE VOOR HET OP ELKAAR AFSTEMMEN VAN LABORATORIA MET HET OOG OP HET METEN VAN DE ROLWEERSTAND

1.   Definities

In de procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria met het oog op het meten van de rolweerstand, wordt verstaan onder:

1)

“referentielaboratorium”: een laboratorium dat deel uitmaakt van het netwerk van laboratoria waarvan de namen met het oog op de procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, en dat de in deel 3 vastgestelde nauwkeurigheid van de testresultaten met zijn referentiemachine kan bereiken;

2)

“kandidaatlaboratorium”: een laboratorium dat deelneemt aan de procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria maar dat geen referentielaboratorium is;

3)

“afstemmingsband”: een band die wordt getest voor het uitvoeren van de procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria;

4)

“set afstemmingsbanden”: een set van vijf of meer afstemmingsbanden voor het afstemmen van één enkele machine;

5)

“toegewezen waarde”: een theoretische waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (RRC) van één afstemmingsband, zoals gemeten door een theoretisch laboratorium dat representatief is voor het netwerk van referentielaboratoria dat gebruikt wordt voor de procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria;

6)

“machine”: elke as voor het testen van banden in één specifieke meetmethode. Als bijvoorbeeld twee assen op dezelfde trommel werken, dan worden deze niet als één machine beschouwd.

2.   Algemene bepalingen

2.1.   Principe

De in een referentielaboratorium (l) gemeten (m) rolweerstandscoëfficiënt (RRCm,l ) wordt afgestemd op de toegewezen waarden van het netwerk van referentielaboratoria.

De bij een machine in een kandidaatlaboratorium (c) gemeten (m) rolweerstandscoëfficiënt (RRCm,c ), wordt afgestemd op een referentielaboratorium van het netwerk naar keuze.

2.2.   Eisen inzake de keuze van banden

Voor de procedure voor het op elkaar afstemmen van laboratoria worden sets afstemmingsbanden gekozen overeenkomstig de volgende criteria. Eén set wordt gekozen voor C1-banden en C2-banden samen, en één set voor C3‐banden.

a)

De set afstemmingsbanden wordt zodanig gekozen dat ze de reeks verschillende RRC’s van C1-banden en C2-banden samen, of van C3-banden, omvat. Het verschil tussen de hoogste RRCm en de laagste RRCm van de bandenset moet voor en na afstemming in ieder geval minstens gelijk zijn aan:

i)

3 N/kN voor C1-banden en C2‐banden, en

ii)

2 N/kN voor C3-banden.

b)

De RRCm in de kandidaat- of referentielaboratoria (RRCm,c of RRCm,l ) op basis van de opgegeven RRC-waarden van elke afstemmingsband van de set afstemmingsbanden wordt gelijkmatig verdeeld.

c)

De beladingsindexwaarden moeten op adequate wijze de reeks van de te testen banden omvatten, waarbij erop moet worden toegezien dat de rolweerstandswaarden ook die van de reeks van te testen banden omvatten.

Voordat een afstemmingsband wordt gebruikt, moet hij worden gecontroleerd en worden vervangen wanneer:

a)

de afstemmingsband in een zodanige staat verkeert dat hij voor verdere tests niet meer kan worden gebruikt, of

b)

er inzake RRCm,c of RRCm,l afwijkingen zijn van meer dan 1,5 % ten opzichte van eerdere metingen, na correctie voor eventueel verloop van de machine.

2.3.   Meetmethode

Het referentielaboratorium meet elke afstemmingsband vier keer en behoudt de laatste drie resultaten voor verdere analyse, overeenkomstig deel 4 van bijlage 6 bij VN/ECE‐reglement nr. 117, en volgens de voorwaarden van deel 3 van bijlage 6 bij VN/ECE‐reglement nr. 117.

Het kandidaatlaboratorium meet elke afstemmingsband (n + 1) keer, waarbij n gespecificeerd is in deel 5 van deze bijlage, en behoudt de laatste n resultaten voor verdere analyse, overeenkomstig deel 4 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117, en volgens de voorwaarden van deel 3 van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117.

Bij elke meting van een afstemmingsband moet de band/wielcombinatie van de machine worden genomen en moet de volledige testprocedure als bedoeld in punt 4 van bijlage 6 bij VN/ECE‐reglement nr. 117 opnieuw van voren af aan worden gevolgd.

Het kandidaat- of referentielaboratorium berekent:

a)

de gemeten waarde van elke afstemmingsband voor elke meting, zoals gespecificeerd in bijlage 6, punten 6.2 en 6.3, bij VN/ECE-reglement nr. 117 (d.w.z. gecorrigeerd voor een temperatuur van 25 °C en een trommeldiameter van 2 m);

b)

het gemiddelde van de laatste drie gemeten waarden (voor referentielaboratoria) of de gemiddelde waarde van de n laatst gemeten waarden voor elke afstemmingsband, en

c)

de standaardafwijking (σm ):

Image 16 Image 17

waarbij:

i

= een getal van 1 tot p voor het aantal afstemmingsbanden;

j

= een getal van 2 tot n + 1 voor de laatste n herhalingen van elke meting van een bepaalde afstemmingsband;

n + 1

= het aantal keren dat een bandenmeting wordt herhaald (n + 1 = 4 voor referentielaboratoria en n + 1 ≥ 4 voor kandidaatlaboratoria);

p

= het aantal afstemmingsbanden (p ≥ 5).

2.4.   Gegevensopmaak die moet worden gebruikt voor de berekeningen en resultaten

De gemeten RRC-waarden, gecorrigeerd op basis van trommeldiameter en temperatuur, worden afgerond op twee decimalen.

Vervolgens worden de berekeningen gemaakt met alle cijfers: er vindt geen verdere afronding plaats, behalve op de uiteindelijke afstemmingsvergelijkingen.

Alle standaardafwijkingswaarden worden weergegeven tot op drie decimalen.

Alle RRC‐waarden worden weergegeven tot op twee decimalen.

Alle afstemmingscoëfficiënten (A1 l , B1 l , A2 c en B2 c ) worden afgerond en weergegeven tot op vier decimalen.

3.   Eisen voor referentielaboratoria en vaststelling van de toegewezen waarden

De toegewezen waarden van elke afstemmingsband worden vastgesteld door een netwerk van referentielaboratoria. Om de twee jaar beoordeelt het netwerk de stabiliteit en geldigheid van de toegewezen waarden.

Elk referentielaboratorium dat aan het netwerk deelneemt, moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage 6 bij VN/ECE-reglement nr. 117 en mag de volgende standaardafwijking (σm ) hebben:

a)

niet meer dan 0,05 N/kN voor C1-banden en C2-banden, en

b)

niet meer dan 0,05 N/kN voor C3-banden.

De sets afstemmingsbanden die zijn gekozen overeenkomstig de specificaties van punt 2.2, worden door elk referentielaboratorium van het netwerk gemeten overeenkomstig punt 2.3.

De toegewezen waarde van elke afstemmingsband is het gemiddelde van de waarden die de referentielaboratoria van het netwerk voor deze afstemmingsband hebben gemeten.

4.   Procedure voor de afstemming van een referentielaboratorium op de toegewezen waarden

Elk referentielaboratorium (l) moet zich afstemmen op elke nieuwe set van toegewezen waarden en in ieder geval na elke belangrijke wijziging van de machine of elke afwijking in de controlegegevens van de machinebesturingen.

Voor de afstemming wordt op alle afzonderlijke gegevens een lineaire regressietechniek toegepast. De regressiecoëfficiënten, A1 l en B1l, worden als volgt berekend:

RRC = A1 l × RRCm,l + B1 l

waarbij:

RRC

l

= de toegewezen waarde van de rolweerstandscoëfficiënt;

RRCm,

l

= de door het referentielaboratorium “l” individueel gemeten waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties voor temperatuur en trommeldiameter).

5.   Eisen voor kandidaatlaboratoria

Kandidaatlaboratoria moeten voor elke machine de afstemmingsprocedure minstens om de twee jaar herhalen en in ieder geval na elke belangrijke wijziging van de machine en bij elk verloop in de controlegegevens van de machinebesturing.

Een gemeenschappelijke set van vijf verschillende banden die zijn gekozen overeenkomstig de specificaties van punt 2.2, wordt eerst door het kandidaatlaboratorium en later door één referentielaboratorium gemeten overeenkomstig punt 2.3. Op verzoek van het kandidaatlaboratorium mogen meer dan vijf afstemmingsbanden worden getest.

Het kandidaatlaboratorium verstrekt de set afstemmingsbanden aan het geselecteerde referentielaboratorium.

Het kandidaatlaboratorium (c) moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage 6 bij VN/ECE‐reglement nr. 117 en moet bij voorkeur de volgende standaardafwijkingen ( σm) voorleggen:

a)

niet meer dan 0.075 N/kN voor C1-banden en C2‐banden, en

b)

niet meer dan 0,06 N/kN voor C3‐banden.

Als de standaardafwijking (σm) van het kandidaatlaboratorium na vier metingen hoger is dan deze waarden, waarbij de laatste drie voor de berekeningen worden gebruikt, wordt het aantal metingen (n + 1) voor de gehele partij als volgt verhoogd:

 

n+1 = 1+(σm/γ)2 , afgerond op het dichtstbijzijnde hogere geheel getal

waarbij:

 

γ = 0,043 N/kN voor C1‐banden en C2‐banden

 

γ = 0,035 N/kN voor C3‐banden

6.   Procedure voor de afstemming van een kandidaatlaboratorium

Eén referentielaboratorium (l) van het netwerk berekent de lineaire regressiefunctie over alle afzonderlijke gegevens van het kandidaatlaboratorium (c). De regressiecoëfficiënten, A2c en B2c, worden als volgt berekend:

RRCm,l = A2 c × RRCm,c + B2 c

waarbij:

RRCm,l

= de door het referentielaboratorium (l) individueel gemeten waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties voor temperatuur en trommeldiameter);

RRCm,c

= de door het kandidaatlaboratorium (c) individueel gemeten waarde van de rolweerstandscoëfficiënt (rekening houdend met de correcties voor temperatuur en trommeldiameter).

Als de determinatiecoëfficiënt R2 lager is dan 0,97 wordt het kandidaatlaboratorium niet afgestemd.

De afgestemde RRC van door het kandidaatlaboratorium geteste banden wordt als volgt berekend:

RRC = (A1 l × A2 c ) × RRCm,c + (A1 l × B2 c + B1 l )


BIJLAGE VI

CONTROLEPROCEDURE

Voor elk bandentype of elke bandengroep dient te worden gecontroleerd of de door de leverancier opgegeven brandstofefficiëntieklasse, de klasse en de opgegeven waarde voor de grip op nat wegdek en de rolgeluidemissie, en alle extra informatie over de prestaties op het bandenetiket in overeenstemming zijn met deze verordening, overeenkomstig een van de volgende procedures:

1.

Eerst wordt één band of één set banden getest. Indien de gemeten waarden beantwoorden aan de in tabel 1 vastgestelde maximumtoleranties voor de opgegeven klassen of de opgegeven waarde van de rolgeluidemissies, wordt het bandenetiket verondersteld overeen te stemmen met deze verordening.

Indien de gemeten waarden niet beantwoorden aan de in tabel 1 bedoelde maximumtoleranties voor de opgegeven klassen of de opgegeven waarde van de rolgeluidemissies, moeten drie extra banden of bandensets worden getest. De gemiddelde meetwaarde van de drie extra geteste banden of bandensets moet worden gebruikt om na te gaan of de opgegeven informatie in overeenstemming is met de in tabel 1 bedoelde maximumtoleranties;

2.

Indien de op het bandenetiket vermelde klassen of waarden zijn afgeleid van de resultaten van typegoedkeuringstests die zijn verkregen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 of VN/ECE-reglement nr. 117, kunnen de lidstaten gebruikmaken van de gegevens die zijn verkregen uit productieconformiteitstests van banden die zijn uitgevoerd volgens de typegoedkeuringsprocedure van Verordening (EU) 2018/858.

Bij het beoordelen van de meetgegevens die zijn verkregen uit productieconformiteitstests moet rekening worden gehouden met de in tabel 1 bedoelde controletoleranties.

Tabel 1

Gemeten parameter

Controletoleranties

RR (brandstofefficiëntie)

De afgestemde gemeten waarde mag de bovengrens (de hoogste RRC) van de opgegeven klasse met niet meer dan 0,3 N/kN overschrijden.

Rolgeluidemissies

De gemeten waarde mag niet meer dan 1 dB(A) hoger zijn dan de opgegeven waarde van N.

Grip op nat wegdek

De afgestemde gemeten waarde G(T) mag niet lager zijn dan de laagste waarde (laagste G-waarde) van de opgegeven klasse.

Grip op sneeuw

De gemeten waarde mag niet lager zijn dan de minimumsneeuwgripindexwaarde.

Grip op ijs

De gemeten waarde mag niet lager zijn dan de minimumijsgripindexwaarde.


BIJLAGE VII

DOOR DE LEVERANCIER IN DE PRODUCTENDATABANK OP TE NEMEN INFORMATIE

1.   

Informatie die in het openbare gedeelte van de productendatabank moet worden opgenomen:

a)

de handelsnaam of het handelsmerk, het adres, de contactgegevens en andere wettelijke identificatiegegevens van de leverancier;

b)

de bandentypeaanduiding;

c)

het bandenetiket in elektronisch formaat;

d)

de klasse(n) en andere parameters op het bandenetiket, en

e)

de parameters van het productinformatieblad in elektronische opmaak.

2.   

Informatie die in het conformiteitsgedeelte van de productendatabank moet worden opgenomen:

a)

de bandentypeaanduiding van alle soortgelijke bandentypes die al op de markt zijn gebracht;

b)

een algemene beschrijving van het bandentype, met inbegrip van de afmetingen, beladingsindex en snelheidscategorie van de band, zodanig dat hij eenduidig en gemakkelijk kan worden geïdentificeerd;

c)

de protocollen voor het testen, indelen in klassen en meten van de in bijlage I genoemde bandparameters;

d)

de eventueel te nemen specifieke voorzorgsmaatregelen voor de assemblage, de installatie, het onderhoud of het testen van het bandentype;

e)

de gemeten technische parameters van het bandentype, indien van toepassing, en

f)

de met de gemeten parameters gemaakte technische berekeningen.


BIJLAGE VIII

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 1222/2009

Onderhavige verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 3, punt 1

Artikel 3, punt 1

Artikel 3, punt 2

Artikel 3, punt 2

Artikel 3, punt 3

Artikel 3, punt 4

Artikel 3, punt 5

Artikel 3, punt 3

Artikel 3, punt 6

Artikel 3, punt 4

Artikel 3, punt 7

Artikel 3, punt 8

Artikel 3, punt 5

Artikel 3, punt 9

Artikel 3, punt 10

Artikel 3, punt 11

Artikel 3, punt 6

Artikel 3, punt 12

Artikel 3, punt 7

Artikel 3, punt 13

Artikel 3, punt 8

Artikel 3, punt 14

Artikel 3, punt 9

Artikel 3, punt 15

Artikel 3, punt 10

Artikel 3, punt 16

Artikel 3, punt 11

Artikel 3, punt 17

Artikel 3, punt 18

Artikel 3, punt 12

Artikel 3, punt 19

Artikel 3, punt 13

Artikel 3, punt 20

Artikel 3, punt 21

Artikel 3, punt 22

Artikel 3, punt 23

Artikel 3, punt 24

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1, onder a)

Artikel 4, lid 1, onder a)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 1, onder b)

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 4

Artikel 4, lid 5

Artikel 4, lid 6

Artikel 4, lid 7

Artikel 4, lid 8

Artikel 4, lid 9

Artikel 4, lid 10

Artikel 5

Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 5, lid 1, onder a)

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 5, lid 1, onder b)

Artikel 6, lid 1, onder b)

Artikel 6, lid 2

Artikel 6, lid 3

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 4

Artikel 5, lid 3

Artikel 6, lid 5

Artikel 6, lid 6

Artikel 6, lid 7

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 7

Artikel 9

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 9, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 9, lid 2

Artikel 11, lid 1

Artikel 9, lid 2, tweede zin

Artikel 4, lid 5

Artikel 10

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 11, onder a)

Artikel 11, onder b)

Artikel 11, onder c)

Artikel 13, lid 1, onder b)

Artikel 12

Artikel 11, lid 4

Artikel 11, lid 5

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13, lid 1

Artikel 13, lid 2

Artikel 13, lid 3

Artikel 13, lid 4

Artikel 14

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 16

Artikel 18

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

 

Bijlage III

Bijlage III

Bijlage IV

Bijlage IV

Bijlage VI

Bijlage IVa

Bijlage V

Bijlage V

Bijlage VII

Bijlage VIII


5.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 177/32


VERORDENING (EU) 2020/741 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 mei 2020

inzake minimumeisen voor hergebruik van water

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De watervoorraden van de Unie staan in toenemende mate onder druk, wat leidt tot waterschaarste en een verslechtering van de waterkwaliteit. Met name klimaatverandering, onvoorspelbare weerpatronen en droogte zijn factoren die sterk bijdragen tot de verhoging van de druk op de beschikbaarheid van zoet water, die het gevolg is van stedelijke ontwikkeling en landbouw.

(2)

Het vermogen van de Unie om op de toenemende druk op watervoorraden te reageren, kan worden verbeterd door het gebruik van gezuiverd afvalwater uit te breiden, het oppompen van oppervlaktewaterlichamen en van grondwaterlichamen te beperken, het effect van de lozing van gezuiverd afvalwater in waterlichamen te verminderen, via meervoudig gebruik van stedelijk afvalwater waterbesparing te bevorderen, en tegelijkertijd een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen. In Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) wordt hergebruik van water, in combinatie met de bevordering van het gebruik van waterefficiënte technologieën in de industrie en waterbesparende irrigatietechnieken, genoemd als een van de aanvullende maatregelen die lidstaten desgewenst kunnen toepassen ter verwezenlijking van de door die richtlijn beoogde kwalitatief en kwantitatief goede toestand van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. Richtlijn 91/271/EEG van de Raad (5) bepaalt dat gezuiverd afvalwater indien mogelijk moet worden hergebruikt.

(3)

In de mededeling van de Commissie van 14 november 2012 getiteld “Een blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren” wordt gesteld dat er een instrument ter regulering van de normen op Unieniveau moet worden opgezet voor het hergebruik van water, om de belemmeringen voor een grootschalig gebruik van die alternatieve watervoorziening weg te nemen, te weten een instrument dat kan bijdragen tot de beperking van de waterschaarste en tot het verminderen van de kwetsbaarheid van de watervoorzieningssystemen.

(4)

De mededeling van de Commissie van 18 juli 2007 getiteld “De aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie” bevat de hiërarchie van maatregelen die lidstaten in overweging dienen te nemen bij het beheer van waterschaarste en droogte. In de mededeling wordt gesteld dat in gebieden waar alle preventiemaatregelen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de waterhiërarchie en waar de vraag naar water de beschikbaarheid ervan blijft overtreffen, de aanleg van extra watervoorzieningsinfrastructuur in sommige gevallen, en naar behoren rekening houdend met de kosten en baten, kan dienen als alternatieve aanpak om de effecten van ernstige droogte te verzachten.

(5)

In zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de aanpak van waterschaarste en droogte in de Europese Unie (6) brengt het Europees Parlement in herinnering dat een vraaggerichte aanpak bij het beheer van watervoorraden de voorkeur moet krijgen, maar stelt het ook dat de Unie een holistische aanpak moet hanteren voor het watervoorradenbeheer, en daarbij maatregelen voor vraagbeheersing moet combineren met maatregelen om de bestaande voorraden binnen de waterkringloop te optimaliseren en met maatregelen om nieuwe voorraden te scheppen, en dat in de aanpak ecologische, sociale en economische overwegingen geïntegreerd moeten zijn.

(6)

In haar mededeling van 2 december 2015 getiteld “Maak de cirkel rond — Een EU-actieplan voor de circulaire economie” verbond de Commissie zich ertoe een aantal maatregelen te nemen om hergebruik van gezuiverd afvalwater te bevorderen, waaronder het opstellen van een wetgevingsvoorstel inzake minimumeisen voor hergebruik van water. De Commissie moet haar actieplan bijwerken en watervoorraden als een prioritair actiedomein behouden.

(7)

Doel van deze verordening is het bevorderen van hergebruik van water waar dit passend en kostenefficiënt is, en zo een faciliterend kader creëren voor die lidstaten die aan hergebruik van water willen of moeten doen. Hergebruik van water is een veelbelovende optie voor veel lidstaten, maar momenteel doet slechts een klein aantal van hen aan hergebruik van water en heeft slechts een klein aantal van hen in dit verband nationale wetgeving of normen vastgesteld. Deze verordening moet voldoende flexibel zijn om de voortzetting van de praktijk van hergebruik van water toe te staan en er tegelijkertijd voor te zorgen dat andere lidstaten die regels kunnen toepassen wanneer zij besluiten in een later stadium tot deze praktijk over te gaan. Het besluit om niet aan hergebruik van water te doen, moet naar behoren worden gemotiveerd op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria en moet regelmatig worden geëvalueerd.

(8)

Richtlijn 2000/60/EG biedt de lidstaten de nodige flexibiliteit om aanvullende maatregelen op te nemen in de maatregelenprogramma’s die zij vaststellen ter ondersteuning van hun inspanningen om de bij die richtlijn vastgestelde waterkwaliteitsdoelstellingen te verwezenlijken. De niet-uitputtende lijst van aanvullende maatregelen als bedoeld in deel B van bijlage VI bij Richtlijn 2000/60/EG bevat onder meer maatregelen inzake hergebruik van water. In dit verband en in overeenstemming met een hiërarchie van maatregelen die door de lidstaten kan worden overwogen bij het beheer van waterschaarste en droogte en die maatregelen bevordert gaande van waterbesparing tot waterprijsbeleidsvorming en alternatieve oplossingen, en rekening houdend met de kosten-batenverhouding, moeten de minimumeisen voor hergebruik van water, zoals die bij deze verordening zijn vastgesteld, van toepassing zijn telkens wanneer gezuiverd stedelijk afvalwater afkomstig van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG wordt hergebruikt voor landbouwirrigatie.

(9)

Hergebruik van naar behoren gezuiverd afvalwater, bijvoorbeeld afkomstig uit zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater, wordt geacht minder nadelige gevolgen te hebben voor het milieu dan andere alternatieve methoden van watervoorziening zoals omleiding of ontzilting van water. Dergelijk hergebruik van water, waarmee de waterverspilling kan worden verminderd en water kan worden bespaard, wordt in de Unie echter slechts op beperkte schaal toegepast. Dit lijkt deels te wijten aan de hoge kosten van de systemen voor hergebruik van afvalwater en het gebrek aan gemeenschappelijke milieu- en gezondheidsnormen van de Unie voor hergebruik van water en, met name wat landbouwproducten betreft, aan de potentiële risico’s voor de gezondheid en het milieu en de potentiële belemmeringen voor het vrije verkeer van deze producten, indien zij met teruggewonnen water zijn geïrrigeerd.

(10)

De gezondheidsnormen met betrekking tot levensmiddelenhygiëne voor landbouwproducten die met teruggewonnen water zijn geïrrigeerd, kunnen alleen worden behaald indien er tussen de lidstaten geen significante verschillen bestaan ten aanzien van de kwaliteitseisen voor teruggewonnen water dat bestemd is voor landbouwirrigatie. Harmonisatie van de eisen zou bovendien bijdragen tot het doelmatig functioneren van de interne markt ten aanzien van dergelijke producten. Het is derhalve gepast om minimumniveaus van harmonisatie in te voeren door minimumeisen voor waterkwaliteit en monitoring vast te stellen. Die minimumeisen moeten bestaan uit minimumparameters voor teruggewonnen water die zijn gebaseerd op de technische verslagen van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie en moeten de internationale normen voor hergebruik van water weerspiegelen, en andere strengere of aanvullende kwaliteitseisen die, samen met eventuele relevante preventiemaatregelen, zo nodig door bevoegde autoriteiten worden opgelegd.

(11)

Hergebruik van water voor landbouwirrigatie kan ook bijdragen tot bevordering van de circulaire economie door nutriënten uit het teruggewonnen water te winnen en ze met fertigatietechnieken op gewassen aan te wenden. Hergebruik van water zou dus de behoefte aan aanvullende toevoegingen van minerale meststoffen kunnen verminderen. Eindgebruikers moeten worden geïnformeerd over het nutriëntengehalte van teruggewonnen water.

(12)

Hergebruik van water kan bijdragen tot de terugwinning van nutriënten uit gezuiverd stedelijk afvalwater, en het gebruik van teruggewonnen water voor landbouw- of bosbouwirrigatie kan een manier zijn om de nutriënten, zoals stikstof, fosfor en kalium, weer in de natuurlijke biogeochemische kringlopen te brengen.

(13)

Onder meer de omvangrijke investering die nodig is voor de modernisering van zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater en het gebrek aan financiële stimuli om hergebruik van water in de landbouw toe te passen, blijken redenen te zijn voor het geringe hergebruik van water in de Unie. Het moet mogelijk zijn om die punten aan te pakken door innovatieve regelingen en economische stimuli te bevorderen zodat naar behoren rekening wordt gehouden met de kosten en de sociaal-economische en ecologische voordelen van hergebruik van water.

(14)

De naleving van minimumeisen voor hergebruik van water moet in overeenstemming zijn met het waterbeleid van de Unie en bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van Agenda 2030 van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling nr. 6, om de beschikbaarheid en het duurzame beheer van water en sanitaire voorzieningen voor iedereen te waarborgen, alsmede een substantiële mondiale toename van het recyclen en veilig hergebruiken van water teneinde bij te dragen aan doelstelling nr. 12 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties met betrekking tot duurzame consumptie- en productiepatronen. Verder dient met deze verordening te worden beoogd de toepassing van artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, inzake milieubescherming, te waarborgen.

(15)

In sommige gevallen zorgen exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen nog voor vervoer en opslag van teruggewonnen water nadat het de waterterugwinningsvoorziening heeft verlaten en voordat zij dit water aan de volgende actoren in de keten leveren, zoals de exploitant van het distributienet van teruggewonnen water, de exploitant van de infrastructuur voor opslag van teruggewonnen water, of de eindgebruiker. Het nalevingspunt moet worden bepaald om duidelijk aan te geven waar de verantwoordelijkheid van de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening ophoudt en die van de volgende actor in de keten begint.

(16)

Bij risicobeheer moeten de risico’s op proactieve wijze worden geïdentificeerd en beheerd en dit beheer moet het concept omvatten dat er teruggewonnen water moet worden geproduceerd van een welbepaalde kwaliteit, vereist voor specifieke toepassingen. De risicobeoordeling moet worden gebaseerd op de belangrijkste elementen van risicobeheer en moet alle aanvullende waterkwaliteitseisen identificeren die nodig zijn om een voldoende mate van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te waarborgen. Daartoe moeten de risicobeheerplannen voor hergebruik van water garanderen dat teruggewonnen water veilig wordt gebruikt en beheerd, en dat er geen risico’s zijn voor het milieu, noch voor de gezondheid van mens of dier. Voor de ontwikkeling van dergelijke risicobeheerplannen kan gebruik worden gemaakt van bestaande internationale richtsnoeren of normen, zoals ISO 20426:2018 (richtsnoeren voor de beoordeling en het beheer van gezondheidsrisico’s inzake hergebruik van niet-drinkbaar water), ISO 16075:2015 (richtsnoeren voor het gebruik van gezuiverd afvalwater voor irrigatieprojecten) of de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

(17)

De kwaliteitseisen voor water bestemd voor menselijke consumptie zijn vastgelegd in Richtlijn 98/83/EG van Raad (7). De lidstaten moeten passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat hergebruik van water niet leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. Daarom moet het risicobeheerplan voor hergebruik van water bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van waterlichamen waaraan voor menselijke consumptie bestemd water wordt onttrokken en aan de bescherming van relevante beschermingszones.

(18)

Samenwerking en interactie tussen de verschillende actoren in het waterterugwinningsproces zijn onontbeerlijk om de terugwinning te verrichten conform de vereisten waar voor de specifieke toepassingen aan moet worden voldaan en om de levering van teruggewonnen water op de vraag van de eindgebruikers te kunnen afstemmen.

(19)

Teneinde het milieu en de gezondheid van mens en dier doeltreffend te beschermen, moet bij het nalevingspunt de primaire verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het teruggewonnen water berusten bij de exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen. Omwille van de naleving van de in deze verordening neergelegde minimumeisen en van eventuele, door de bevoegde autoriteit gestelde aanvullende voorwaarden, moeten exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen de kwaliteit van teruggewonnen water controleren. Het is daarom dienstig om minimumeisen vast te stellen voor controle, waaronder de frequentie van routinematige controle en het tijdstip en de prestatiestreefwaarden voor validatiemonitoring. Een aantal vereisten voor routinematige controle zijn opgenomen in Richtlijn 91/271/EEG.

(20)

Deze verordening moet van toepassing zijn op teruggewonnen water verkregen uit afvalwater dat in opvangsystemen is opgevangen, dat in zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater is gezuiverd overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG en dat verder wordt gezuiverd in hetzij de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater, hetzij een waterterugwinningsvoorziening, om te voldoen aan de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde parameters. Overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG hoeven agglomeraties met een inwonerequivalent van minder dan 2 000 niet in een opvangsysteem te voorzien. Stedelijk afvalwater van agglomeraties met een inwonerequivalent van minder dan 2 000 dat in een opvangsysteem belandt, moet echter op een passende manier worden gezuiverd voordat het in zoet water of riviermonden wordt geloosd, overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG. In die context mag afvalwater van agglomeraties met een inwonerequivalent van minder dan 2 000 alleen onder deze verordening vallen wanneer het in een opvangsysteem terechtkomt en in een zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater wordt gezuiverd. Deze verordening dient evenmin van toepassing te zijn op biologisch afbreekbaar industrieel afvalwater afkomstig van installaties die behoren tot de industriële sectoren als genoemd in bijlage III bij Richtlijn 91/271/EEG, tenzij het afvalwater van die installaties in een opvangsysteem terechtkomt en in een zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater wordt gezuiverd.

(21)

Hergebruik van gezuiverd stedelijk afvalwater voor landbouwirrigatie is een marktgedreven actie, gebaseerd op de vraag en behoeften van de landbouwsector, met name in bepaalde lidstaten die te kampen hebben met watertekorten. De exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen en de eindgebruikers moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat het teruggewonnen water dat in overeenstemming met de minimumkwaliteitseisen van deze verordening is geproduceerd, aan de behoeften van de eindgebruikers met betrekking tot gewascategorieën voldoet. Wanneer de kwaliteitsklassen van het water dat door de exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen wordt geproduceerd, niet compatibel zijn met de gewascategorie en de irrigatiemethode in het bediende gebied, bijvoorbeeld in een collectief toevoersysteem, kan aan de kwaliteitseisen voor water worden voldaan door in een latere fase meerdere opties voor waterzuivering toe te passen, alleen of in combinatie met opties die geen zuivering van het teruggewonnen water inhouden, volgens de aanpak aan de hand van meervoudige barrières.

(22)

Om een optimaal hergebruik van voorraden van stedelijk afvalwater te verzekeren, moeten eindgebruikers worden opgeleid zodat zij water van de juiste kwaliteitsklasse van teruggewonnen water gebruiken. Wanneer de bestemming van een bepaald type gewas onbekend is of wanneer er meerdere bestemmingen zijn, moet teruggewonnen water van de hoogste kwaliteitsklasse worden gebruikt, tenzij er passende barrières worden toegepast die het mogelijk maken de vereiste kwaliteit te bereiken.

(23)

Het is nodig te waarborgen dat het gebruik van teruggewonnen water veilig is; daarmee wordt hergebruik van water op Unieniveau gestimuleerd en het vertrouwen van de bevolking in dergelijk hergebruik versterkt. De productie en de levering van teruggewonnen water voor landbouwirrigatie mogen derhalve uitsluitend worden toegestaan op grond van een door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te verlenen vergunning. Teneinde een geharmoniseerde benadering op Unieniveau evenals traceerbaarheid van teruggewonnen water en transparantie te waarborgen, moeten de materiële regels voor dergelijke vergunningen op Unieniveau worden vastgelegd. De bijzonderheden van de procedures voor het verlenen van vergunningen, bijvoorbeeld het aanwijzen van de bevoegde autoriteiten en de uiterste termijnen, moeten echter door de lidstaten worden vastgesteld. De lidstaten moeten bestaande vergunningsverleningsprocedures kunnen toepassen, maar zullen die procedures moeten aanpassen aan de bij deze verordening ingevoerde vereisten. Wanneer de lidstaten de partijen aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van het risicobeheerplan voor hergebruik van water, en de autoriteit die bevoegd is voor het verlenen van de vergunning voor de productie en levering van teruggewonnen water, moeten zij erop toezien dat zich geen belangenconflicten voordoen.

(24)

Indien er behoefte is aan een exploitant van een distributienet van teruggewonnen water en een exploitant van infrastructuur voor opslag van teruggewonnen water, moet van die exploitanten kunnen worden geëist dat zij een vergunning hebben. Indien aan alle eisen voor de vergunning is voldaan, moet de bevoegde autoriteit in de lidstaat een vergunning verlenen die alle noodzakelijke voorwaarden en maatregelen omvat die in het risicobeheerplan voor hergebruik van water zijn vastgesteld.

(25)

Voor de toepassing van deze verordening moet het mogelijk zijn dat de zuivering en de terugwinning van stedelijk afvalwater op dezelfde locatie plaatsvinden, met gebruikmaking van dezelfde voorziening of verschillende afzonderlijke voorzieningen. Bovendien moet het mogelijk zijn dat de exploitant van de waterzuiveringsinstallatie dezelfde is als de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening.

(26)

De bevoegde autoriteiten moeten controleren of teruggewonnen water voldoet aan de voorwaarden die in de betrokken vergunning zijn vastgelegd. In geval van niet-naleving moeten die autoriteiten de verantwoordelijke partijen opdragen de maatregelen te treffen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het teruggewonnen water aan de voorwaarden voldoet. De levering van teruggewonnen water moet worden gestaakt wanneer niet-naleving een significant risico voor het milieu of voor de gezondheid van mens of dier oplevert.

(27)

De bepalingen van deze verordening zijn bedoeld als een aanvulling op de vereisten van andere wetgeving van de Unie, in het bijzonder ten aanzien van mogelijke risico’s voor gezondheid en milieu. Om te zorgen voor een holistische aanpak van mogelijke risico’s voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier, moeten de exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen en de bevoegde autoriteiten de vereisten in andere relevante wetgeving van de Unie in aanmerking nemen, en met name de Richtlijnen 86/278/EEG (8) en 91/676/EEG (9), de Richtlijnen 91/271/EEG, 98/83/EG en 2000/60/EG, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002 (10), (EG) nr. 852/2004 (11), (EG) nr. 183/2005 (12), (EG) nr. 396/2005 (13) en (EG) nr. 1069/2009 (14) van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 2006/7/EG (15), 2006/118/EG (16), 2008/105/EG (17) en 2011/92/EU (18) van het Europees Parlement en de Raad, en de Verordeningen (EG) nr. 2073/2005 (19), (EG) nr. 1881/2006 (20) en (EU) nr. 142/2011 (21) van de Commissie.

(28)

In Verordening (EG) nr. 852/2004 zijn de algemene voorschriften voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vastgesteld, en wordt de productie, de verwerking, de distributie en het in de handel brengen van voedingsmiddelen voor menselijke consumptie geregeld. Die verordening heeft betrekking op de kwaliteit van voedsel vanuit het gezichtspunt van gezondheid, en een van de belangrijkste beginselen ervan is dat de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid in eerste instantie bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf berust. Bij die verordening horen ook gedetailleerde richtsnoeren. In dit verband is met name de mededeling van de Commissie betreffende richtsnoeren voor de aanpak van microbiologische risico’s bij de primaire productie van verse groenten en fruit door goede hygiëne van bijzonder belang. De in deze verordening opgenomen minimumeisen voor teruggewonnen water sluiten niet uit dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven de waterkwaliteit die nodig is om te voldoen aan Verordening (EG) nr. 852/2004 kunnen verkrijgen door, in een later stadium, meerdere opties voor waterzuivering toe te passen, alleen of in combinatie met andere opties dan zuivering.

(29)

Er is een groot potentieel voor de recycling en het hergebruik van gezuiverd afvalwater. Met het oog op de bevordering en aanmoediging van het hergebruik van water mag de vermelding van specifieke toepassingen in het kader van deze verordening de lidstaten niet beletten het gebruik van teruggewonnen water voor andere doeleinden toe te staan, onder andere voor de industrie, openbare voorzieningen en milieudoeleinden, in zoverre dit nodig wordt geacht gezien de nationale omstandigheden en behoeften, mits een hoog niveau van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier wordt gewaarborgd.

(30)

Bevoegde autoriteiten moeten samenwerken met andere betrokken autoriteiten door informatie uit te wisselen, om zo naleving van de toepasselijke vereisten van de Unie en van nationale overheden te waarborgen.

(31)

Om het vertrouwen in hergebruik van water te vergroten, moet de bevolking worden geïnformeerd. Het beschikbaar stellen van duidelijke, volledige en bijgewerkte informatie over hergebruik van water zou een grotere transparantie en traceerbaarheid mogelijk maken en kan ook van bijzonder nut zijn voor andere autoriteiten voor welke een bepaald soort hergebruik van water implicaties heeft. Om hergebruik van water aan te moedigen en om belanghebbenden bewust te maken van de voordelen van hergebruik van water en aldus de acceptatie te bevorderen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er op maat van de schaal van het waterhergebruik voorlichtings- en bewustmakingscampagnes worden opgezet.

(32)

Scholing en opleiding van eindgebruikers zijn van het hoogste belang voor het uitvoeren en handhaven van preventiemaatregelen. Specifieke preventiemaatregelen inzake menselijke blootstelling moeten in overweging worden genomen in het risicobeheerplan voor hergebruik van water, zoals het gebruik van persoonlijke beschermingsuitrusting, handen wassen en persoonlijke hygiëne.

(33)

Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (22) is bedoeld ter waarborging van het recht van toegang tot milieu-informatie in de lidstaten, in overeenstemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (23) (het Verdrag van Aarhus). In Richtlijn 2003/4/EG worden uitgebreide verplichtingen ten aanzien van zowel het op verzoek beschikbaar stellen van milieu-informatie als het actief verspreiden van dergelijke informatie vastgesteld. Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (24) betreft het uitwisselen van ruimtelijke informatie, waaronder verzamelingen gegevens in verband met verschillende milieugerelateerde thema’s. Het is van belang dat bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op toegang tot informatie en regelingen voor gegevensuitwisseling een aanvulling vormen op die richtlijnen en dat daarmee geen afzonderlijke wettelijke regeling tot stand wordt gebracht. Derhalve mogen de bepalingen van deze verordening inzake voorlichting van het publiek en over informatie over het toezicht op de uitvoering geen afbreuk doen aan Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG.

(34)

De gegevens die door de lidstaten worden verstrekt, zijn van wezenlijk belang om de Commissie de mogelijkheid te geven tot toezicht op en evaluatie van deze verordening, in het licht van de doelstellingen ervan.

(35)

Op grond van punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (25) moet de Commissie deze verordening evalueren. De evaluatie moet worden uitgevoerd op basis van de vijf criteria doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde van de Unie, en moet de basis vormen voor effectbeoordelingen van mogelijke verdere maatregelen. Bij de evaluatie moet rekening worden gehouden met wetenschappelijke vooruitgang, met name wat betreft de mogelijke effecten van zorgwekkend wordende stoffen.

(36)

De minimumeisen voor veilig hergebruik van gezuiverd stedelijk afvalwater stroken met de beschikbare wetenschappelijke kennis en de internationaal erkende normen en praktijken voor hergebruik van water, en garanderen dat dergelijk water veilig kan worden gebruikt voor landbouwirrigatie, zodat het milieu en de gezondheid van mens en dier een hoog niveau van bescherming genieten. In het licht van de resultaten van de evaluatie van deze verordening, of telkens wanneer dit vanwege nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen en technische vooruitgang nodig is, moet de Commissie kunnen nagaan of het nodig is de minimumeisen in bijlage I, afdeling 2, te toetsen, en moet zij indien nodig een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening indienen.

(37)

Teneinde de belangrijkste elementen van risicobeheer aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de belangrijkste elementen van het bij deze verordening voorgeschreven risicobeheer te wijzigen. Bovendien moet de Commissie, teneinde een hoge mate van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te waarborgen, eveneens gedelegeerde handelingen kunnen vaststellen als aanvulling op de belangrijkste elementen van het bij deze verordening voorgeschreven risicobeheer, door technische specificaties voor te schrijven. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(38)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor de vaststelling van gedetailleerde voorschriften ten aanzien van de opmaak en presentatie van de door de lidstaten te verstrekken informatie in verband met het toezicht op de uitvoering van deze verordening en ten aanzien van de opmaak en presentatie van het door het Europees Milieuagentschap opgestelde Uniebrede overzicht. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (26).

(39)

Deze verordening heeft onder meer tot doel het milieu en de gezondheid van mens en dier te beschermen. Zoals herhaaldelijk door het Hof van Justitie geoordeeld, zou het onverenigbaar zijn met de dwingende werking die in artikel 288, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan richtlijnen wordt toegekend, om principieel uit te sluiten dat de betrokken personen zich kunnen beroepen op een bij een richtlijn opgelegde verplichting. Deze overweging geldt ook voor een verordening die tot doel heeft te waarborgen dat teruggewonnen water veilig is voor landbouwirrigatie.

(40)

De lidstaten moeten de regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en moeten alle maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(41)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(42)

De lidstaten moeten voldoende tijd krijgen om de bestuurlijke infrastructuur op te zetten die nodig is om deze verordening te kunnen toepassen en exploitanten moeten voldoende tijd krijgen om voorbereidingen te treffen voor de toepassing van de nieuwe voorschriften.

(43)

Teneinde de praktijk van hergebruik van naar behoren gezuiverd afvalwater zo veel mogelijk uit te bouwen en te bevorderen en om te zorgen voor een beduidende verbetering van de betrouwbaarheid van naar behoren gezuiverd afvalwater alsook van de uitvoerbare gebruiksmethoden, moet de Unie onderzoek en ontwikkeling ter zake via het programma Horizon Europa ondersteunen.

(44)

Deze verordening heeft tot doel duurzaam gebruik van water aan te moedigen. Met het oog daarop moet de Commissie zich ertoe verbinden de programma’s van de Unie, met inbegrip van het LIFE-programma, te benutten om lokale initiatieven voor hergebruik van naar behoren gezuiverd afvalwater te ondersteunen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en doel

1.   Bij deze verordening worden minimumeisen voor waterkwaliteit en monitoring en bepalingen inzake risicobeheer vastgesteld, met het oog op het veilig gebruik van teruggewonnen water in het kader van geïntegreerd waterbeheer.

2.   Deze verordening beoogt te waarborgen dat teruggewonnen water veilig is voor landbouwirrigatie, zodat in de hele Unie op gecoördineerde wijze een hoog niveau van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier wordt gewaarborgd, de circulaire economie wordt bevorderd, de adaptatie aan de klimaatverandering wordt ondersteund en wordt bijgedragen aan de doelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG door de waterschaarste en de daaruit voortvloeiende druk op watervoorraden aan te pakken, en tegelijkertijd wordt bijgedragen aan het doelmatig functioneren van de interne markt.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing wanneer gezuiverd stedelijk afvalwater wordt hergebruikt overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Richtlijn 91/271/EEG, voor landbouwirrigatie zoals omschreven in deel 1 van bijlage I bij deze verordening.

2.   Een lidstaat kan besluiten dat het in een of meer van zijn stroomgebiedsdistricten of delen daarvan niet passend is water voor landbouwirrigatie te hergebruiken, rekening houdend met de volgende criteria:

a)

de geografische en klimatologische omstandigheden van het district of delen daarvan;

b)

de druk op en de toestand van andere watervoorraden, inclusief de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen als bedoeld in Richtlijn 2000/60/EG;

c)

de druk op en de toestand van de oppervlaktewaterlichamen waarin gezuiverd stedelijk afvalwater wordt geloosd;

d)

de milieu- en hulpbronkosten van teruggewonnen water en andere watervoorraden.

Op grond van de eerste alinea genomen besluiten worden naar behoren gemotiveerd op basis van de in die alinea bedoelde criteria en bij de Commissie ingediend. Zij worden geëvalueerd wanneer dit nodig is, met name rekening houdend met de prognoses inzake klimaatverandering en de nationale strategieën voor de adaptatie aan de klimaatverandering, en ten minste om de zes jaar, rekening houdend met de stroomgebiedsbeheersplannen die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn 2000/60/EG.

3.   In afwijking van lid 1 kunnen onderzoeks- of proefprojecten met betrekking tot waterterugwinningsvoorzieningen worden vrijgesteld van de toepassing van deze verordening wanneer de bevoegde autoriteit vaststelt dat aan de volgende criteria is voldaan:

a)

het onderzoeks- of proefproject wordt niet uitgevoerd in een waterlichaam dat wordt gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water of een relevante beschermingszone die is aangewezen op grond van Richtlijn 2000/60/EG;

b)

het onderzoeks- of proefproject wordt naar behoren gemonitord.

Vrijstellingen op grond van dit lid gelden voor maximaal vijf jaar.

Gewassen die voortkomen uit een onderzoeks- of proefproject dat op grond van dit lid is vrijgesteld, worden niet in de handel gebracht.

4.   Deze verordening geldt onverminderd Verordening (EG) nr. 852/2004 en sluit niet uit dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven de waterkwaliteit kunnen verkrijgen die nodig is om te voldoen aan die verordening door, in een later stadium, meerdere opties voor waterzuivering toe te passen, alleen of in combinatie met andere opties dan zuivering, of door alternatieve waterbronnen voor landbouwirrigatie te gebruiken.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“bevoegde autoriteit”: een autoriteit of een instantie die door een lidstaat is aangewezen om te voldoen aan de uit hoofde van deze verordening op de lidstaat rustende verplichtingen met betrekking tot het verlenen van vergunningen voor de productie of levering van teruggewonnen water, met betrekking tot vrijstellingen voor onderzoeks- of proefprojecten, en met betrekking tot het controleren van de naleving;

2)

“eindgebruiker”: een natuurlijk persoon of rechtspersoon, zijnde een publieke of particuliere entiteit, die gebruikmaakt van teruggewonnen water voor landbouwirrigatie;

3)

“stedelijk afvalwater”: stedelijk afvalwater zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 91/271/EEG;

4)

“teruggewonnen water”: stedelijk afvalwater dat is gezuiverd in overeenstemming met de voorschriften van Richtlijn 91/271/EEG en dat het resultaat is van verdere zuivering in een waterterugwinningsvoorziening overeenkomstig deel 2 van bijlage I bij deze verordening;

5)

“waterterugwinningsvoorziening”: een zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater of een andere voorziening die zorgt voor de verdere zuivering van stedelijk afvalwater dat voldoet aan de voorschriften van Richtlijn 91/271/EEG, teneinde water te produceren dat geschikt is voor een in deel 1 van bijlage I bij deze verordening omschreven toepassing;

6)

“exploitant van een waterterugwinningsvoorziening”: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die als vertegenwoordiger van een particuliere entiteit of overheidsinstantie een waterterugwinningsvoorziening exploiteert;

7)

“gevaar”: een biologisch, chemisch, fysisch of radiologisch agens dat schadelijk kan zijn voor mensen, dieren, gewassen of planten, andere biota op het land en in het water, voor de bodem of voor het milieu in het algemeen;

8)

“risico”: de waarschijnlijkheid dat geïdentificeerde gevaren binnen een specifieke periode schade berokkenen, alsmede de ernst van de gevolgen;

9)

“risicobeheer”: systematisch beheer waarmee op consequente wijze de veiligheid van hergebruik van water in een specifieke context wordt gewaarborgd;

10)

“preventiemaatregel”: een passende handeling of activiteit waarmee een gezondheids- of milieurisico kan worden voorkomen of weggenomen of tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht;

11)

“nalevingspunt”: het punt waar de exploitant van een waterterugwinningsvoorziening het teruggewonnen water aan de volgende schakel in de keten levert;

12)

“barrière”: elk middel, daaronder begrepen fysieke of procedurele stappen of gebruiksvoorwaarden, dat het risico op besmetting van de mens vermindert of voorkomt doordat contact tussen het teruggewonnen water en de in te nemen producten en rechtstreeks blootgestelde personen wordt voorkomen, of elk ander middel dat bijvoorbeeld de concentratie van micro-organismen in het teruggewonnen water vermindert of voorkomt dat deze overleven op de in te nemen producten;

13)

“vergunning”: een schriftelijke autorisatie die door een bevoegde autoriteit is afgegeven voor de productie of de levering van teruggewonnen water voor landbouwirrigatie overeenkomstig deze verordening;

14)

“verantwoordelijke partij”: een partij die een rol of activiteit uitoefent in het waterhergebruiksysteem, met inbegrip van de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening, de exploitant van de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater indien verschillend van de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening, de andere betrokken autoriteit dan de aangewezen bevoegde autoriteit, de exploitant van het distributienet van teruggewonnen water of de exploitant van de infrastructuur voor opslag van teruggewonnen water;

15)

“waterhergebruiksysteem”: de infrastructuur en andere technische elementen die nodig zijn voor het produceren, leveren en gebruiken van teruggewonnen water; het omvat alle elementen van de instroomopening van de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater tot het punt waar teruggewonnen water wordt gebruikt voor landbouwirrigatie, inclusief, in voorkomend geval, distributie- en opslaginfrastructuur.

Artikel 4

Verplichtingen van exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen en verplichtingen met betrekking tot de kwaliteit van teruggewonnen water

1.   Exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen zorgen ervoor dat voor landbouwirrigatie bestemd teruggewonnen water zoals omschreven in bijlage I, deel 1, bij het nalevingspunt voldoet aan:

a)

de in bijlage I, deel 2, aan waterkwaliteit gestelde minimumeisen;

b)

alle eventuele aanvullende voorwaarden ten aanzien van waterkwaliteit die door de bevoegde autoriteit in de betrokken vergunning worden gesteld, op grond van artikel 6, lid 3, punten c) en d).

Voorbij het nalevingspunt valt de waterkwaliteit niet langer onder de verantwoordelijkheid van de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening.

2.   Teneinde naleving in overeenstemming met lid 1 te waarborgen, monitort de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening de waterkwaliteit, met inachtneming van:

a)

bijlage I, deel 2;

b)

alle eventuele aanvullende voorwaarden ten aanzien van monitoring die door de bevoegde autoriteit in de betrokken vergunning worden gesteld, op grond van artikel 6, lid 3, punten c) en d).

Artikel 5

Risicobeheer

1.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat voor de productie, de levering en het gebruik van teruggewonnen water een risicobeheerplan voor hergebruik van water wordt opgesteld.

Eén risicobeheerplan voor hergebruik van water kan betrekking hebben op één of meer waterhergebruiksystemen.

2.   Het risicobeheerplan voor hergebruik van water wordt opgesteld door de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening, overige verantwoordelijke partijen en eindgebruikers, naargelang het geval. De verantwoordelijke partijen die het risicobeheerplan voor hergebruik van water opstellen, raadplegen alle andere betrokken verantwoordelijke partijen en de eindgebruikers, naargelang het geval.

3.   Het risicobeheerplan voor hergebruik van water is gebaseerd op alle in bijlage II opgenomen belangrijkste elementen van risicobeheer. Het vermeldt de verantwoordelijkheden inzake risicobeheer van de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening en de andere verantwoordelijke partijen.

4.   Het risicobeheerplan voor hergebruik van water vermeldt in het bijzonder:

a)

alle nodige eisen ter aanvulling van die van bijlage I, waaraan de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening overeenkomstig bijlage II, punt B), moet voldoen om elk risico vóór het nalevingspunt verder te beperken;

b)

de gevaren, risico’s en passende preventieve en/of mogelijke corrigerende maatregelen overeenkomstig bijlage II, punt C);

c)

aanvullende barrières voor het waterhergebruiksysteem, en alle aanvullende eisen die voorbij het nalevingspunt moeten worden gesteld om de veiligheid van het waterhergebruiksysteem te garanderen, waaronder voorwaarden in verband met, waar relevant, distributie, opslag en gebruik, alsook de voor de naleving van deze eisen verantwoordelijke partijen.

5.   De Commissie is overeenkomstig artikel 13 bevoegd gedelegeerde handelingen tot wijziging van deze verordening vast te stellen teneinde de in bijlage II vermelde belangrijkste elementen van risicobeheer aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

De Commissie is overeenkomstig artikel 13 eveneens bevoegd gedelegeerde handelingen tot aanvulling van deze verordening vast te stellen teneinde technische specificaties van de in bijlage II vermelde belangrijkste elementen van risicobeheer vast te stellen.

Artikel 6

Verplichtingen met betrekking tot een vergunning voor teruggewonnen water

1.   Voor productie of levering van teruggewonnen water dat bestemd is voor landbouwirrigatie zoals omschreven in bijlage I, deel 1, geldt een vergunningsplicht.

2.   De voor het waterhergebruiksysteem verantwoordelijke partijen, met inbegrip van de eindgebruiker indien dit overeenkomstig nationaal recht relevant is, vragen een vergunning of een wijziging van een bestaande vergunning aan bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de waterterugwinningsvoorziening wordt geëxploiteerd, of waar de exploitant voornemens is deze te exploiteren.

3.   De vergunning vermeldt de verplichtingen van de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening en in voorkomend geval van de overige verantwoordelijke partijen. De vergunning wordt gebaseerd op het risicobeheerplan voor hergebruik van water en vermeldt onder meer:

a)

de kwaliteitsklasse(n) van het teruggewonnen water en het agrarisch gebruik waarvoor, overeenkomstig bijlage I, het teruggewonnen water is vergund, de plaats van gebruik, de waterterugwinningsvoorzieningen en het geraamde jaarlijkse volume teruggewonnen water dat zal worden geproduceerd;

b)

de voorwaarden met betrekking tot de minimumeisen voor waterkwaliteit en monitoring, zoals omschreven in bijlage I, deel 2;

c)

alle voorwaarden met betrekking tot aanvullende eisen voor de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening, zoals vermeld in het risicobeheerplan voor hergebruik van water;

d)

alle andere voorwaarden die nodig zijn om onaanvaardbare risico’s voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier weg te nemen, zodat de risico’s van een aanvaardbaar niveau zijn;

e)

de geldigheidsperiode van de vergunning;

f)

het nalevingspunt.

4.   Ter beoordeling van een aanvraag raadpleegt de bevoegde autoriteit ter zake dienende informatie en wisselt zij die informatie uit met andere betrokken autoriteiten, in het bijzonder de autoriteiten op het gebied van water en gezondheid indien deze verschillen van de bevoegde autoriteit, alsook met elke andere partij die de bevoegde autoriteit relevant acht.

5.   De bevoegde autoriteit neemt onverwijld een besluit over het afgeven van een vergunning. Indien de bevoegde autoriteit vanwege de complexiteit van een aanvraag meer dan twaalf maanden — te rekenen vanaf de ontvangst van de volledige aanvraag — nodig heeft om te besluiten al dan niet een vergunning te verlenen, deelt zij de aanvrager de verwachte datum van dat besluit mee.

6.   Vergunningen worden regelmatig getoetst, en worden zo nodig geactualiseerd, in ten minste de volgende gevallen:

a)

de capaciteit is aanzienlijk veranderd;

b)

de uitrusting is opgewaardeerd;

c)

nieuwe apparatuur of nieuwe processen zijn toegevoegd, of

d)

er is sprake van veranderingen in de klimatologische of andere omstandigheden die de ecologische toestand van de oppervlaktewaterlichamen aanzienlijk beïnvloeden.

7.   De lidstaten kunnen voor de opslag, de distributie en het gebruik van teruggewonnen water een specifieke vergunning eisen om uitvoering te geven aan de in artikel 5, lid 4, bedoelde aanvullende eisen en barrières van het risicobeheerplan voor hergebruik van water.

Artikel 7

Nalevingscontrole

1.   De bevoegde autoriteit controleert of er wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergunning. Nalevingscontroles worden uitgevoerd met behulp van de volgende middelen:

a)

controles ter plaatse;

b)

monitoringgegevens, met name die welke op grond van deze verordening zijn verkregen;

c)

alle andere passend geachte middelen.

2.   Indien de in de vergunning vermelde voorwaarden niet worden nageleefd, eist de bevoegde autoriteit van de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening en, in voorkomend geval, van de overige verantwoordelijke partijen, dat zij alle nodige maatregelen treffen om onverwijld opnieuw aan de voorwaarden te voldoen en dat zij de betrokken eindgebruikers daarvan onmiddellijk in kennis stellen.

3.   Indien de niet-naleving van de in de vergunning vermelde voorwaarden een significant risico voor het milieu of voor de gezondheid van mens of dier inhoudt, schorst de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening of elke andere verantwoordelijke partij onmiddellijk de levering van teruggewonnen water totdat de bevoegde autoriteit volgens de procedures van het risicobeheerplan voor hergebruik van water vaststelt dat de voorwaarden opnieuw worden nageleefd, overeenkomstig bijlage I, deel 2, punt a).

4.   Indien zich een incident voordoet dat de naleving van de in de vergunning vermelde voorwaarden in het gedrang brengt, stelt de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening of elke andere verantwoordelijke partij de bevoegde autoriteit en andere partijen die daarvan mogelijk gevolgen zouden kunnen ondervinden onmiddellijk op de hoogte en deelt hij de bevoegde autoriteit de informatie mee die nodig is om de gevolgen van een dergelijk incident te evalueren.

5.   De bevoegde autoriteit controleert regelmatig of de verantwoordelijke partijen de maatregelen naleven en taken uitvoeren die in het risicobeheerplan voor hergebruik van water zijn vermeld.

Artikel 8

Samenwerking tussen de lidstaten

1.   Indien het hergebruik van water een grensoverschrijdend karakter heeft, wijzen de lidstaten een contactpunt aan voor samenwerking met contactpunten en bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, naargelang het geval, of maken zij gebruik van bestaande, op internationale overeenkomsten gebaseerde structuren.

De rol van contactpunten en bestaande structuren bestaat in:

a)

het ontvangen en doorsturen van verzoeken om assistentie;

b)

het op verzoek verlenen van assistentie, en

c)

het coördineren van communicatie tussen bevoegde autoriteiten.

Voordat zij een vergunning afgeven, wisselen de bevoegde autoriteiten met het contactpunt in de lidstaat waar het teruggewonnen water zal worden gebruikt informatie uit over de voorwaarden van artikel 6, lid 3.

2.   De lidstaten reageren zonder onnodige vertraging op verzoeken om assistentie.

Artikel 9

Voorlichting en bewustmaking

De waterbesparingen die voortvloeien uit het hergebruik van water worden vermeld in de algemene bewustmakingscampagnes van de lidstaten waar teruggewonnen water voor landbouwirrigatie wordt gebruikt. In die campagnes kunnen ook de voordelen van veilig hergebruik van water worden gepromoot.

Die lidstaten kunnen ook voorlichtingscampagnes voor eindgebruikers opzetten, teneinde het optimaal en veilig gebruik van teruggewonnen water te waarborgen en aldus een hoog niveau van bescherming van het milieu en van de gezondheid van mens en dier te garanderen.

De lidstaten kunnen die voorlichtings- en bewustmakingscampagnes aanpassen aan de schaal waarop het hergebruik van water plaatsvindt.

Artikel 10

Voorlichting van het publiek

1.   Onverminderd Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG zorgen lidstaten waar teruggewonnen water voor landbouwirrigatie als gespecificeerd in deel 1 van bijlage I bij deze verordening wordt gebruikt, dat online of via andere middelen geschikte en actuele informatie over het hergebruik van water voor het publiek beschikbaar is. Die informatie omvat onder meer:

a)

de kwantiteit en kwaliteit van het overeenkomstig deze verordening geleverde teruggewonnen water;

b)

het percentage teruggewonnen water dat in de lidstaat overeenkomstig deze verordening wordt geleverd in vergelijking met de totale hoeveelheid gezuiverd stedelijk afvalwater, indien die gegevens beschikbaar zijn;

c)

de overeenkomstig deze verordening verleende of gewijzigde vergunningen, met inbegrip van de voorwaarden die overeenkomstig artikel 6, lid 3, van deze verordening door de bevoegde autoriteiten zijn vastgesteld;

d)

de resultaten van nalevingscontroles die overeenkomstig artikel 7, lid 1, van deze verordening zijn uitgevoerd;

e)

de overeenkomstig artikel 8, lid 1, van deze verordening aangewezen contactpunten.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt om de twee jaar geactualiseerd.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle overeenkomstig artikel 2, lid 2, genomen besluiten online of via andere middelen beschikbaar worden gesteld voor het publiek.

Artikel 11

Informatie met betrekking tot de monitoring van de uitvoering

1.   Onverminderd de Richtlijnen 2003/4/EG en 2007/2/EG zorgen lidstaten waar teruggewonnen water wordt gebruikt voor landbouwirrigatie zoals gespecificeerd in deel 1 van bijlage I bij deze verordening, bijgestaan door het Europees Milieuagentschap, ervoor dat:

a)

uiterlijk op 26 juni 2026 een gegevensset met informatie over de resultaten van de nalevingscontrole die overeenkomstig artikel 7, lid 1, van deze verordening is uitgevoerd, en met andere informatie die overeenkomstig artikel 10 van deze verordening online of via andere middelen aan het publiek beschikbaar moet worden gesteld, wordt opgesteld en openbaar gemaakt, en dat deze vervolgens om de zes jaar wordt geactualiseerd;

b)

een gegevensset met informatie over gevallen van niet-naleving van de voorwaarden van de vergunning, die overeenkomstig artikel 7, lid 1, van deze verordening is verzameld, en met informatie over de overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van deze verordening getroffen maatregelen, wordt opgesteld en openbaar gemaakt, en dat deze vervolgens jaarlijks wordt geactualiseerd.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de Commissie, het Europees Milieuagentschap en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding toegang hebben tot de in lid 1 bedoelde gegevenssets.

3.   Op basis van de in lid 1 bedoelde gegevenssets stelt het Europees Milieuagentschap in overleg met de lidstaten een Uniebreed overzicht op, publiceert dit en werkt dit, regelmatig of op verzoek van de Commissie, bij. Dat overzicht omvat, indien van toepassing, indicatoren voor output, resultaten en effecten van deze verordening, kaarten en verslagen van de lidstaten.

4.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen gedetailleerde regels vaststellen ten aanzien van de opmaak en presentatie van overeenkomstig lid 1 beschikbaar te stellen informatie alsmede gedetailleerde regels ten aanzien van de opmaak en presentatie van het in lid 3 bedoelde Uniebreed overzicht. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 14 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   Uiterlijk op 26 juni 2022 stelt de Commissie in overleg met de lidstaten richtsnoeren vast ter ondersteuning van de toepassing van deze verordening.

Artikel 12

Evaluatie en toetsing

1.   De Commissie voert uiterlijk op 26 juni 2028 een evaluatie van deze verordening uit. De evaluatie wordt gebaseerd op ten minste de volgende aspecten:

a)

de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van deze verordening;

b)

de gegevenssets die door de lidstaten overeenkomstig artikel 11, lid 1, zijn opgesteld en het Uniebrede overzicht dat het Europees Milieuagentschap overeenkomstig artikel 11, lid 3, heeft opgesteld;

c)

de relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens;

d)

de technische en wetenschappelijke kennis;

e)

de aanbevelingen van de WHO, indien deze beschikbaar zijn, of andere internationale richtsnoeren of ISO-normen.

2.   Bij de uitvoering van de evaluatie schenkt de Commissie specifiek aandacht aan de volgende aspecten:

a)

de in bijlage I omschreven minimumeisen;

b)

de in bijlage II omschreven belangrijkste elementen van risicobeheer;

c)

de aanvullende voorwaarden die door de bevoegde autoriteiten worden gesteld op grond van artikel 6, lid 3, onder c) en d);

d)

de gevolgen van hergebruik van water voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier, met inbegrip van de gevolgen van zorgwekkend wordende stoffen.

3.   In het kader van de evaluatie beoordeelt de Commissie de haalbaarheid van:

a)

een uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verordening naar teruggewonnen water dat is bestemd voor verdere specifieke toepassingen, waaronder hergebruik voor industriële doeleinden;

b)

een uitbreiding van de vereisten van deze verordening naar het indirecte gebruik van gezuiverd afvalwater.

4.   Op basis van de resultaten van de evaluatie of telkens wanneer nieuwe technische en wetenschappelijke kennis dit vereist, kan de Commissie nagaan of het nodig is de minimumeisen in bijlage I, deel 2, te herzien.

5.   Indien nodig dient de Commissie een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in.

Artikel 13

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar, met ingang van 25 juni 2020. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 5, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 14

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Richtlijn 2000/60/EG ingestelde comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 15

Sancties

De lidstaten stellen voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 26 juni 2024 van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen daarvan mee.

Artikel 16

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 26 juni 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 mei 2020.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A. METELKO-ZGOMBIĆ


(1)  PB C 110 van 22.3.2019, blz. 94.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 353.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 februari 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 7 april 2020 (PB C 147 van 4.5.2020, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 13 mei 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(5)  Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).

(6)  PB C 9 E van 15.1.2010, blz. 33.

(7)  Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).

(8)  Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB L 181 van 4.7.1986, blz. 6).

(9)  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(11)  Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1).

(12)  Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (PB L 35 van 8.2.2005, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(15)  Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG (PB L 64 van 4.3.2006, blz. 37).

(16)  Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19).

(17)  Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).

(18)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(19)  Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1).

(20)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(21)  Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).

(22)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(23)  PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.

(24)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).

(25)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(26)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


BIJLAGE I

GEBRUIK EN MINIMUMEISEN

Deel 1

Toepassingen van teruggewonnen water

Landbouwirrigatie

Onder landbouwirrigatie wordt verstaan irrigatie van de volgende soorten gewassen:

rauw geconsumeerde voedingsgewassen, dat wil zeggen gewassen die bestemd zijn om in rauwe en onverwerkte toestand door de mens te worden geconsumeerd;

verwerkte voedingsgewassen, dat wil zeggen gewassen die bestemd zijn om na een behandelingsproces (dat wil zeggen gekookt of industrieel verwerkt) door de mens te worden geconsumeerd;

“non-food”gewassen, dat wil zeggen gewassen die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie (bijv. weide-, diervoeder-, vezel-, sier-, zaad-, energie- en grasveldgewassen).

Onverminderd andere relevante wetgeving van de Unie op het gebied van milieu en van gezondheid mogen de lidstaten teruggewonnen water gebruiken voor andere toepassingen, zoals:

hergebruik van water voor de industrie, en

openbare voorzieningen en milieudoeleinden.

Deel 2

Minimumeisen

Minimumeisen van toepassing op teruggewonnen water bestemd voor landbouwirrigatie

De kwaliteitsklassen van teruggewonnen water en de per klasse toegestane toepassingen en irrigatiemethoden worden vermeld in tabel 1. De minimumeisen voor waterkwaliteit worden vermeld in tabel 2 van punt a). De minimumfrequenties en prestatiestreefwaarden voor monitoring van teruggewonnen water worden vermeld in tabel 3 (routinematige monitoring) en tabel 4 (validatiemonitoring) van punt b).

Gewassen die behoren tot een bepaalde categorie worden geïrrigeerd met teruggewonnen water van de overeenkomstige minimale kwaliteitsklasse vermeld in tabel 1, tenzij passende aanvullende barrières als bedoeld in artikel 5, lid 4, punt c), worden gebruikt, waardoor wordt voldaan aan de kwaliteitseisen in tabel 2 van punt a). Deze aanvullende barrières kunnen gebaseerd zijn op de indicatieve lijst van preventiemaatregelen bedoeld in punt 7 van bijlage II, of in andere gelijkwaardige nationale of internationale normen, bijvoorbeeld de norm ISO 16075-2.

Tabel 1 — Kwaliteitsklassen van teruggewonnen water, toegestaan agrarisch gebruik en toegestane irrigatiemethoden

Minimale kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Gewascategorie (*1)

Irrigatiemethode

A

Alle rauw geconsumeerde voedingsgewassen waarvan het eetbare gedeelte rechtstreeks in aanraking komt met teruggewonnen water, en rauw geconsumeerde wortel- en knolgewassen

Alle irrigatiemethoden

B

Rauw geconsumeerde voedingsgewassen waarvan het eetbare gedeelte bovengronds wordt geproduceerd en niet rechtstreeks in aanraking komt met teruggewonnen water, verwerkte voedingsgewassen en “non-food”-gewassen, met inbegrip van gewassen die worden gebruikt voor het voeren van melk- of vleesproducerend vee

Alle irrigatiemethoden

C

Rauw geconsumeerde voedingsgewassen waarvan het eetbare gedeelte bovengronds wordt geproduceerd en niet rechtstreeks in aanraking komt met teruggewonnen water, verwerkte voedingsgewassen en “non-food”-gewassen, met inbegrip van gewassen die worden gebruikt voor het voeren van melk- of vleesproducerend vee

Druppelirrigatie (*2) of andere irrigatiemethode die rechtstreeks contact met het eetbare gedeelte van het gewas voorkomt

D

Industriële gewassen, energiegewassen en zaadgewassen

Alle irrigatiemethoden (*3)

a)   Minimumeisen voor waterkwaliteit

Tabel 2 — Kwaliteitseisen van teruggewonnen water voor landbouwirrigatie

Kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Indicatieve technologie-doelstelling

Kwaliteitseisen

E. coli

(aantal/100 ml)

BZV5

(mg/l)

TSS

(mg/l)

Troebelingsgraad

(NTU)

Overig

A

Secundaire behandeling, filtratie en desinfectie

≤ 10

≤ 10

≤ 10

≤ 5

Legionella spp.: < 1000 kve/l waar er een verstuivingsrisico bestaat

Rondwormen (wormeieren): ≤ 1 ei/l voor irrigatie van weidegewassen of diervoedergewassen

B

Secundaire behandeling en desinfectie

≤ 100

In overeenstemming met Richtlijn 91/271/EEG

(bijlage I, tabel 1)

In overeenstemming met Richtlijn 91/271/EEG

(bijlage I, tabel 1)

C

Secundaire behandeling en desinfectie

≤ 1 000

D

Secundaire behandeling en desinfectie

≤ 10 000

Teruggewonnen water wordt geacht in overeenstemming te zijn met de vereisten in tabel 2 indien de metingen van dat teruggewonnen water aan alle volgende criteria voldoen:

90 % of meer van de monsters voldoet aan de aangegeven waarden voor E. coli, Legionella spp. en rondwormen; geen van de monsterwaarden overschrijdt de maximale afwijkingsgrens van 1 log-eenheid van de aangegeven waarde voor E. coli en Legionella spp. en 100 % van de aangegeven waarde voor rondwormen;

90 % of meer van de monsters in klasse A voldoet aan de aangegeven waarden voor BZV5, TSS en troebelingsgraad; geen van de monsterwaarden overschrijdt de maximale afwijkingsgrens van 100 % van de aangegeven waarde.

b)   Minimumeisen voor monitoring

Exploitanten van waterterugwinningsvoorzieningen monitoren routinematig om te verifiëren dat het teruggewonnen water voldoet aan de onder punt a) vastgestelde minimumeisen voor waterkwaliteit. De routinematige monitoring maakt deel uit van de verificatieprocedures voor het waterhergebruiksysteem.

De monsters die moeten worden gebruikt om de naleving van de microbiologische parameters bij het nalevingspunt te controleren, worden genomen overeenkomstig norm EN ISO 19458 of enige andere nationale of internationale norm die dezelfde kwaliteit waarborgt.

Tabel 3 — Minimumfrequenties voor routinematige monitoring van teruggewonnen water voor landbouwirrigatie

 

Minimumfrequenties voor monitoring

Kwaliteitsklasse teruggewonnen water

E. coli

BZV5

TSS

Troebelingsgraad

Legionella spp.

(indien van toepassing)

Rondwormen

(indien van toepassing)

A

Eenmaal per week

Eenmaal per week

Eenmaal per week

Doorlopend

Tweemaal per maand

Tweemaal per maand of als bepaald door de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening op basis van het aantal eitjes in het afvalwater dat de waterterugwinningsvoorziening binnenkomt

B

Eenmaal per week

In overeenstemming met Richtlijn 91/271/EEG

(bijlage I, deel D)

In overeenstemming met Richtlijn 91/271/EEG

(bijlage I, deel D)

C

Tweemaal per maand

D

Tweemaal per maand

De validatiemonitoring wordt uitgevoerd voordat een nieuwe waterterugwinningsvoorziening in bedrijf wordt gesteld.

Waterterugwinningsvoorzieningen die op 25 juni 2020 reeds in bedrijf zijn en voldoen aan de kwaliteitseisen inzake teruggewonnen water van tabel 2 van punt a) worden vrijgesteld van die verplichting inzake validatiemonitoring.

De validatiemonitoring wordt echter uitgevoerd in alle gevallen waarbij apparatuur wordt gemoderniseerd, en waarbij er nieuwe apparatuur of processen worden toegevoegd.

De validatiemonitoring vindt plaats voor klasse A, de strengste kwaliteitsklasse voor teruggewonnen water, om te beoordelen of er wordt voldaan aan de prestatiestreefwaarden (log10-reductie). De validatiemonitoring behelst het meten van de indicatormicro-organismen voor elk van de groepen pathogenen, te weten bacteriën, virussen en protozoa. De geselecteerde indicatormicro-organismen zijn E. coli voor pathogene bacteriën, F-specifieke colifagen, somatische colifagen of colifagen voor pathogene virussen, en sporen van Clostridium perfringens of sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën voor protozoa. In tabel 4 staan de prestatiestreefwaarden vermeld (log10-reductie) voor de validatiemonitoring op de geselecteerde indicatormicro-organismen waaraan bij het nalevingspunt moet worden voldaan, rekening houdend met de concentraties ongezuiverd afvalwater die de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater binnenkomen. Ten minste 90 % van de validatiesteekproeven haalt of overschrijdt de prestatiestreefwaarden.

Indien een biologische indicator niet in een toereikende hoeveelheid in ongezuiverd afvalwater voorkomt om de log10-reductie te halen, betekent het ontbreken daarvan in teruggewonnen water dat aan de valideringseisen wordt voldaan. Of het nalevingsdoel is gehaald, kan worden vastgesteld aan de hand van een analytische controle, waarbij de prestaties die worden toegekend aan afzonderlijke behandelingsstappen op basis van wetenschappelijk bewijs voor gevestigde standaardprocedures, zoals gepubliceerde gegevens van testrapporten of casestudy's, worden opgeteld, of aan de hand van laboratoriumtests onder gecontroleerde omstandigheden voor innovatieve behandeling.

Tabel 4 — Validatiemonitoring van teruggewonnen water voor landbouwirrigatie

Kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Indicatormicro-organismen (*4)

Prestatiestreefwaarden voor de zuiveringsketen

(log10-reductie)

A

E. coli

≥ 5,0

Totaal aantal colifagen/F-specifieke colifagen/somatische colifagen/colifagen (*5)

≥ 6,0

Clostridium perfringens-sporen/sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën (*6)

≥ 4,0 (bij sporen van Clostridium perfringens)

≥ 5,0 (bij sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën)

De analysemethoden voor monitoring worden gevalideerd en gedocumenteerd in overeenstemming met EN ISO/IEC-17025 of andere nationale of internationale normen die dezelfde kwaliteit waarborgen.


(*1)  Indien eenzelfde soort geïrrigeerd gewas onder verschillende categorieën van tabel 1 valt, zijn de voorschriften van de strengste categorie van toepassing.

(*2)  Druppelirrigatie (ook wel druppelsgewijze bevloeiing genoemd) is een micro-irrigatiesysteem waarmee de gewassen worden voorzien van water in de vorm van waterdruppeltjes of minieme waterstroompjes die via zeer dunne plastic buisjes met uitlaatopeningen bij een zeer laag debiet (2-20 liter/uur) druppelsgewijs op de grond of meteen onder het grondoppervlak worden gebracht.

(*3)  In geval van irrigatiemethoden waarbij regen wordt geïmiteerd, is speciale aandacht vereist voor de bescherming van de gezondheid van werknemers of omstanders. Daartoe worden passende preventiemaatregelen genomen.

(*4)  De referentiepathogenen Campylobacter, rotavirus en Cryptosporidium kunnen ook in plaats van de voorgestelde indicatormicro-organismen voor validatiemonitoringdoeleinden worden gebruikt. Daarbij zijn dan de volgende log10-reductiestreefwaarden van toepassing: Campylobacter (≥ 5,0), rotavirus (≥ 6,0) en Cryptosporidium (≥ 5,0).

(*5)  Totaal aantal colifagen wordt geselecteerd als de meest geschikte indicator voor virussen. Indien het echter niet mogelijk is om het totaal aantal colifagen te analyseren, wordt ten minste één ervan (F-specifieke of somatische colifagen) geanalyseerd.

(*6)  Sporen van Clostridium perfringens worden geselecteerd als de geschiktste indicator voor protozoa. Sporenvormende sulfaatreducerende bacteriën vormen echter een alternatief indien de concentratie Clostridium perfringens-sporen het niet mogelijk maakt om de gewenste log10-verwijdering te valideren.


BIJLAGE II

A.

Belangrijkste elementen van risicobeheer

Risicobeheer omvat het op proactieve wijze identificeren en beheren van risico’s opdat teruggewonnen water veilig wordt gebruikt en beheerd en er geen risico’s zijn voor het milieu of voor de gezondheid van mens of dier. Daartoe wordt een risicobeheerplan voor hergebruik van water opgesteld op basis van onderstaande elementen:

1.

Een omschrijving van het volledige waterhergebruiksysteem, vanaf het punt waar het afvalwater de zuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater binnenkomt tot het gebruikspunt, inclusief de oorsprong van het afvalwater, de zuiveringsstappen en de technologieën die worden aangewend in de waterterugwinningsvoorziening, de aanvoer-, distributie- en opslaginfrastructuur, het beoogde gebruik, de locatie en periode van gebruik (bijv. tijdelijk of op ad-hocbasis), de irrigatiemethode, het soort gewas, andere waterbronnen indien men een menging beoogt te gebruiken en de te leveren hoeveelheid teruggewonnen water;

2.

De identificatie van alle bij het waterhergebruiksysteem betrokken partijen en een duidelijke omschrijving van hun taken en verantwoordelijkheden;

3.

De identificatie van potentiële gevaren, in het bijzonder de aanwezigheid van verontreinigende stoffen en pathogenen, en van potentiële gevaarlijke incidenten zoals mislukte waterzuiveringen of onopzettelijke lekkages of contaminatie van het waterhergebruiksysteem;

4.

De identificatie van de omgevingen en populaties die een risico lopen en van de routes van blootstelling aan de geïdentificeerde potentiële gevaren, rekening houdend met specifieke omgevingsfactoren zoals de plaatselijke hydrogeologie, topologie, bodemsoort en ecologie, en met factoren die verband houden met het soort gewas en de landbouw- en irrigatiepraktijken. Het in aanmerking nemen van eventuele onherstelbare of langdurige negatieve gevolgen van de waterterugwinningsactiviteiten voor milieu en gezondheid, gestaafd door wetenschappelijk bewijs;

5.

Een beoordeling van de risico’s voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de geïdentificeerde potentiële gevaren, de duur van de beoogde toepassingen, de omgevingen en populaties die risico lopen aan die gevaren te worden blootgesteld en de ernst van mogelijke gevolgen van die gevaren met inachtneming van het voorzorgsbeginsel, alsmede alle relevante Unie- en nationale wetgeving, richtsnoeren en minimumeisen met betrekking tot voedsel en diervoeder en de veiligheid van werknemers. De risicobeoordeling kan worden gebaseerd op een toetsing van de beschikbare wetenschappelijke studies en data.

De risicobeoordeling omvat de volgende elementen:

a)

een beoordeling van de risico’s voor het milieu, met inbegrip van alle volgende elementen:

i)

bevestiging van de aard van de gevaren, inclusief, voor zover van toepassing, het voorspelde niveau zonder effect;

ii)

beoordeling van het potentiële blootstellingsbereik;

iii)

karakterisering van de risico’s;

b)

een beoordeling van de risico’s voor de gezondheid van mens en dier, inclusief alle volgende elementen:

i)

bevestiging van de aard van de gevaren, in voorkomend geval met inbegrip van de dosis-reactieverhouding;

ii)

beoordeling van het potentiële dosis- of blootstellingsbereik;

iii)

karakterisering van de risico’s.

De risicobeoordeling kan kwalitatief of semikwantitief van aard zijn. Bij aanwezigheid van voldoende ondersteunende gegevens en bij projecten met hoog potentieel milieu- of volksgezondheidsrisico wordt een kwantitatieve risicobeoordeling uitgevoerd.

In de risicobeoordeling wordt ten minste rekening gehouden met de volgende vereisten en verplichtingen:

a)

het vereiste dat waterverontreiniging als gevolg van nitraten wordt gereduceerd en voorkomen, in overeenstemming met Richtlijn 91/676/EEG;

b)

de verplichting om te voldoen aan de vereisten van Richtlijn 98/83/EG voor beschermde gebieden voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water;

c)

het vereiste dat de milieudoelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG worden gehaald;

d)

het vereiste dat grondwaterverontreiniging wordt voorkomen overeenkomstig Richtlijn 2006/118/EG;

e)

het vereiste dat wordt voldaan aan de in Richtlijn 2008/105/EG vastgestelde milieukwaliteitsnormen voor prioritaire stoffen en bepaalde andere verontreinigende stoffen;

f)

het vereiste dat wordt voldaan aan de in Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde milieukwaliteitsnormen voor verontreinigende stoffen die relevant zijn op nationaal niveau, te weten stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen;

g)

het vereiste dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnormen voor zwemwater, vastgesteld in Richtlijn 2006/7/EG;

h)

de vereisten inzake de bescherming van het milieu, en met name van de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw uit hoofde van Richtlijn 86/278/EEG;

i)

de vereisten inzake levensmiddelenhygiëne, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 852/2004, en de richtsnoeren in de mededeling van de Commissie betreffende richtsnoeren voor de aanpak van microbiologische risico’s bij de primaire productie van verse groenten en fruit door goede hygiëne;

j)

de vereisten inzake diervoederhygiëne, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 183/2005;

k)

het vereiste dat wordt voldaan aan de relevante microbiologische criteria vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2073/2005;

l)

de vereisten inzake de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen, als vastgesteld Verordening (EG) nr. 1881/2006;

m)

de vereisten inzake maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 396/2005;

n)

de vereisten inzake diergezondheid, vastgesteld in Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EU) nr. 142/2011.

B.

Voorwaarden met betrekking tot de aanvullende eisen

6.

Het in aanmerking nemen van eisen voor waterkwaliteit en monitoring die een aanvulling zijn van of strenger zijn dan die in bijlage I, afdeling 2, of beide, voor zover nodig en passend om het milieu en de gezondheid van mens en dier afdoende te beschermen, in het bijzonder in geval van duidelijk wetenschappelijk bewijs dat de risico’s samenhangen met teruggewonnen water en niet met andere bronnen.

Afhankelijk van de uitkomst van de in punt 5) bedoelde risicobeoordeling kunnen dergelijke aanvullende eisen in het bijzonder betrekking hebben op:

a)

zware metalen;

b)

pesticiden;

c)

bijproducten van desinfectie;

d)

farmaceutische producten;

e)

andere zorgwekkend wordende stoffen, waaronder microverontreinigingen en microplastics;

f)

antimicrobiële resistentie.

C.

Preventiemaatregelen

7.

De identificatie van preventiemaatregelen die inmiddels zijn uitgevoerd of die zouden moeten worden uitgevoerd om risico’s te beperken zodat alle geïdentificeerde risico’s afdoende kunnen worden beheerd. Er wordt speciale aandacht besteed aan waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en relevante beschermingszones.

Dergelijke preventiemaatregelen omvatten onder meer:

a)

toegangscontrole;

b)

aanvullende maatregelen voor desinfectie of verwijdering van verontreinigende stoffen;

c)

specifieke irrigatietechnologie om het risico van de vorming van aerosolen te beperken (bijv. druppelirrigatie);

d)

specifieke eisen voor kunstmatige beregening (bijv. maximale windsnelheid, afstand tussen sproeier en kwetsbare gebieden);

e)

specifieke eisen voor akkers (bijv. hellingshoek, waterverzadiging en karstgebieden);

f)

ondersteuning voor het bestrijden van pathogenen vóór de oogst;

g)

vaststelling van minimale veiligheidsafstanden (bijv. tot oppervlaktewater, met inbegrip van drinkplaatsen voor vee, of tot activiteiten als aquacultuur, viskweek, schaaldieraquacultuur, alsmede tot zwemwater en overig recreatiewater);

h)

borden bij geïrrigeerde percelen met de mededeling dat er teruggewonnen water wordt gebruikt dat niet geschikt is als drinkwater.

Eventueel relevante specifieke preventiemaatregelen staan vermeld in tabel 1.

Tabel 1 — Specifieke preventiemaatregelen

Kwaliteitsklasse teruggewonnen water

Specifieke preventiemaatregelen

A

Varkens mogen niet worden blootgesteld aan diervoeder dat is geïrrigeerd met teruggewonnen water tenzij er voldoende gegevens beschikbaar zijn die erop wijzen dat de risico’s voor een specifiek geval beheersbaar zijn.

B

Verbod op het oogsten van natte geïrrigeerde of gevallen producten.

Melkvee buiten het weiland houden totdat het weiland droog is.

Diervoeder moet worden gedroogd of ingekuild alvorens het te verpakken.

Varkens mogen niet worden blootgesteld aan diervoeder dat is geïrrigeerd met teruggewonnen water tenzij er voldoende gegevens beschikbaar zijn die erop wijzen dat de risico’s voor een specifiek geval beheersbaar zijn.

C

Verbod op het oogsten van natte geïrrigeerde of gevallen producten.

Grazende dieren moeten gedurende vijf dagen na de laatste irrigatie buiten het weiland worden gehouden.

Diervoeder moet worden gedroogd of ingekuild alvorens het te verpakken.

Varkens mogen niet worden blootgesteld aan diervoeder dat is geïrrigeerd met teruggewonnen water tenzij er voldoende gegevens beschikbaar zijn die erop wijzen dat de risico’s voor een specifiek geval beheersbaar zijn.

D

Verbod op het oogsten van natte geïrrigeerde of gevallen producten.

8.

Adequate kwaliteitsmonitoringsystemen en -procedures, met inbegrip van monitoring van de relevante parameters van het teruggewonnen water, en adequate programma’s voor onderhoud van apparatuur.

Het verdient aanbeveling dat de exploitant van de waterterugwinningsvoorziening een kwaliteitsbeheersysteem volgens ISO 9001 of gelijkwaardig opzet en in stand houdt.

9.

Milieumonitoringsystemen waarmee feedback wordt verkregen en waarmee alle processen en procedures naar behoren worden gevalideerd en gedocumenteerd.

10.

Passende systemen voor het beheren van incidenten en noodsituaties, met inbegrip van procedures om alle betrokken partijen naar behoren van dergelijke voorvallen in kennis te stellen, en een calamiteitenplan, dat regelmatig wordt geactualiseerd.

De lidstaten kunnen gebruikmaken van bestaande internationale richtsnoeren of normen, zoals ISO 20426:2018 (richtsnoeren voor de beoordeling en het beheer van gezondheidsrisico’s inzake hergebruik van niet-drinkbaar water), ISO 16075:2015 (richtsnoeren voor het gebruik van gezuiverd afvalwater voor irrigatieprojecten) of andere gelijkwaardige internationaal aanvaarde normen, dan wel de WHO-richtsnoeren, als instrumenten voor de systematische identificatie van gevaren, de evaluatie en het beheer van risico’s, op basis van een prioritaire aanpak voor de hele keten (van de zuivering van stedelijk afvalwater voor hergebruik, tot de distributie en het gebruik voor landbouwirrigatie, tot de controle van de effecten) en een specifieke risicobeoordeling ter plaatse.

11.

Mechanismen voor coördinatie tussen de verschillende actoren opzetten om te waarborgen dat het teruggewonnen water op veilige wijze wordt geproduceerd en gebruikt.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

5.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 177/56


BESLUIT (EU) 2020/742 VAN DE RAAD

van 29 mei 2020

betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië over de verlenging van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië, dat op 15 november 2019 afloopt

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Conform Besluit (EU) 2019/1918 van de Raad (2) is de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië over de verlenging van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië, dat op 15 november 2019 afloopt (hierna “de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling” genoemd), op 13 november 2019 ondertekend.

(2)

De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling moet ervoor zorgen dat de Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië hun samenwerking ter bevordering van een duurzaam visserijbeleid en een verantwoorde exploitatie van de visbestanden in de Mauritaanse wateren kunnen voortzetten, en dat de vaartuigen van de Unie hun visserijactiviteiten in die wateren kunnen blijven uitoefenen.

(3)

De overeenkomst in de vorm van een briefwisseling moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië over de verlenging van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië, dat op 15 november 2019 afloopt, wordt namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Europese Unie de in punt 6 van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling bedoelde kennisgeving (3).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 29 mei 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

A. METELKO-ZGOMBIĆ


(1)  Goedkeuring verleend op 13 mei 2020.

(2)  Besluit (EU) 2019/1918 van de Raad van 8 november 2019 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië over de verlenging van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië, dat op 15 november 2019 afloopt (PB L 297I van 18.11.2019, blz. 1).

(3)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling wordt door het secretariaat-generaal van de Raad bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


Rectificaties

5.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 177/58


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/730 van de Raad van 3 juni 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelentegen de Democratische Volksrepubliek Korea

( Publicatieblad van de Europese Unie L 172I van 3 juni 2020 )

In de inhoudsopgave en op bladzijde 1:

in plaats van:

“UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/730 VAN DE RAAD van 3 juni 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelentegen de Democratische Volksrepubliek Korea”,

lezen:

“UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/730 VAN DE RAAD van 2 juni 2020 tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea”.

Bladzijde 1:

in plaats van:

“Gedaan te Brussel, 3 juni 2020.”,

lezen:

“Gedaan te Brussel, 2 juni 2020.”.