ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 327

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
17 december 2019


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2019/2152 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende Europese bedrijfsstatistieken en tot intrekking van tien rechtshandelingen op het gebied van bedrijfsstatistieken ( 1 )

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2153 van de Commissie van 16 december 2019 inzake de vergoedingen en heffingen die worden geheven door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 319/2014

36

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2154 van de Commissie van 16 december 2019 tot opening, voor 2020, van een tariefcontingent voor de invoer in de Unie van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde landbouwproducten

66

 

*

Verordening (EU) 2019/2155 van de Europese Centrale Bank van 5 december 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1163/2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2019/37)

70

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2019/2156 van de Raad van 7 oktober 2019 betreffende het door de Europese Unie in te nemen standpunt in de Associatieraad die is ingesteld bij de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, wat betreft de vaststelling van een aanbeveling inzake de verlenging van het actieplan EU-Marokko waarmee uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017)

75

 

*

Besluit (EU) 2019/2157 van de Raad van 10 december 2019 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025

78

 

*

Besluit (EU) 2019/2158 Van de Europese Centrale Bank van 5 december 2019 betreffende de methodologie en procedures voor de gegevensvaststelling en ‐verzameling aangaande voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht toegepaste vergoedingsfactoren (ECB/2019/38)

99

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/902 van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector ( PB L 152 van 9.6.2016 )

108

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Aanbeveling Nr. 1/2019 van de Associatieraad EU-Marokko van 4 december 2019 tot goedkeuring van de verlenging met twee jaar van het actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017) [2019/2159]

109

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2019/1870 van de Commissie van 7 november 2019 tot wijziging en rectificatie van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten aan erucazuur en waterstofcyanide in bepaalde levensmiddelen ( PB L 289 van 8.11.2019 )

110

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/1


VERORDENING (EU) 2019/2152 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 27 november 2019

betreffende Europese bedrijfsstatistieken en tot intrekking van tien rechtshandelingen op het gebied van bedrijfsstatistieken

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ontwikkeling, productie en verspreiding van statistische informatie over de economische activiteiten van de ondernemingen in de lidstaten is tot nu toe gebaseerd op een aantal specifieke rechtshandelingen. Deze bestrijken korte termijn- en structurele bedrijfsstatistieken, statistieken over productie, handel binnen en buiten de Unie (internationale handel) in goederen en diensten, buitenlandse filialen, onderzoek en ontwikkeling (O&O), innovatie, en gebruik van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en e‐handel. Voorts is bij Verordening (EG) nr. 177/2008 van het Europees Parlement en de Raad een gemeenschappelijk kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden in de Unie vastgesteld (3).

(2)

De bestaande structuur, die dus gebaseerd is op afzonderlijke rechtshandelingen, biedt niet de noodzakelijke samenhang tussen de verschillende statistische gebieden en bevordert evenmin een geïntegreerde aanpak van de ontwikkeling, productie en verspreiding van bedrijfsstatistieken. Voor de toepassing van deze verordening hebben Europese bedrijfsstatistieken ook betrekking op statistieken over O&O in het hoger onderwijs, bij de overheid en in de private non-profitsector. Er moet een gemeenschappelijk rechtskader worden vastgesteld om voor samenhang tussen Europese bedrijfsstatistieken te zorgen en om de integratie van de procedures die voor het opstellen van deze statistieken worden gebruikt, te vergemakkelijken.

(3)

Beter geïntegreerde statistische procedures op basis van gemeenschappelijke methodologische beginselen, definities en kwaliteitscriteria moeten leiden tot geharmoniseerde statistische gegevens over de structuur, de economische activiteit, de transacties en de prestaties van het bedrijfsleven in de Unie die beantwoorden aan het niveau van relevantie en gedetailleerdheid dat vereist is om aan de behoeften van de gebruikers te voldoen.

(4)

Het EuroGroups-register is bedoeld om te bewerkstelligen dat de richtsnoeren van de Unie – zoals Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (4) – die belangrijk zijn voor Europese bedrijfsstatistieken, op een meer effectieve manier kunnen worden gevolgd, met name met betrekking tot de identificatie van zelfstandige ondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 3 van die aanbeveling. Deze richtsnoeren zijn nodig om rechtszekerheid en bedrijfseconomische voorspelbaarheid te bevorderen, alsmede om een gelijk speelveld voor kleine en middelgrote ondernemingen in de Unie te creëren.

(5)

Internationale richtsnoeren, zoals het Frascati-handboek, dat betrekking heeft op O&O-statistieken, en het Oslo-handboek, met richtsnoeren voor het verzamelen en interpreteren van gegevens over innovatie, en door de Verenigde Naties, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, het Internationaal Monetair Fonds en andere internationale en supranationale organisaties aangenomen internationale overeenkomsten zijn belangrijk voor Europese bedrijfsstatistieken. Deze richtsnoeren moeten, voor zover mogelijk, worden gevolgd bij de ontwikkeling, productie en verspreiding van statistieken van de Unie, alsmede in het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden, om ervoor te zorgen dat de statistieken van de Unie vergelijkbaar zijn met de statistieken van haar belangrijkste internationale partners. De normen, overeenkomsten en richtsnoeren van de Unie moeten evenwel consequent worden toegepast bij het verzamelen van gegevens voor Europese bedrijfsstatistieken met betrekking tot O&O-inputs en innovatie-onderwerpen.

(6)

De administratieve lasten voor ondernemingen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, moeten zoveel mogelijk beperkt blijven, en andere bronnen dan enquêtes moeten in de mate van het mogelijke in aanmerking worden genomen. Ten behoeve van lastenverlichting voor ondernemingen moet het mogelijk zijn verschillende gegevensvereisten vast te stellen, afhankelijk van de omvang en het belang van de bedrijfseconomieën van de lidstaten.

(7)

In de Visie 2020 voor het Europees statistisch systeem (ESS) werd opgemerkt dat gegevens uit verschillende statistische gebieden moeten worden gebruikt voor een betere analyse van nieuwe verschijnselen (bv. mondialisering) en om beleid van de Unie met significante effecten beter van dienst te zijn. De gegevensoutput moet gebaseerd zijn op de efficiënte en degelijke statistische procedures van het ESS. Een ruimer toepassingsgebied van het gemeenschappelijk rechtskader voor bedrijfsstatistieken moet de integratie van onderling afhankelijke productieprocessen op basis van meerdere bronnen mogelijk maken.

(8)

Het Programma tot modernisering van de Europese bedrijfs- en handelsstatistiek, dat is vastgesteld op grond van Besluit nr. 1297/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) en dat liep van 2009 tot en met 2013, was gericht op aanpassing van bedrijfs- en handelsstatistieken aan nieuwe gegevensbehoeften en aanpassing van het systeem voor de productie van bedrijfsstatistieken. De conclusies en aanbevelingen van dat programma inzake prioriteiten en nieuwe reeksen indicatoren, het stroomlijnen van het kader voor statistieken over het bedrijfsleven, de efficiëntere productie van statistieken over ondernemingen en handel, en de modernisering van de statistieken over de intra-EU-handel in goederen moeten worden vertaald in juridisch bindende bepalingen.

(9)

Er is behoefte aan een flexibeler aanpak van Europese bedrijfsstatistieken om aanpassingen aan methodologische ontwikkelingen, alsmede een tijdige reactie op opkomende en naar behoren gestaafde behoeften van gegevensgebruikers die voortvloeien uit de veranderende economische omgeving en de toenemende mondialisering en complexiteit van het zakelijke landschap, mogelijk te maken. Deze toekomstige aanpassingen moeten door een adequate kosten-batenanalyse worden ondersteund, en de daaruit voortvloeiende nieuwe gegevensvereisten mogen geen aanzienlijke extra kosten of lasten voor de lidstaten of respondenten veroorzaken.

(10)

De nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register moeten een belangrijkere rol krijgen als basisinfrastructuur voor het verzamelen en het opstellen van gegevens voor Europese bedrijfsstatistieken. De nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden moeten worden gebruikt als de belangrijkste informatiebron voor statistische analyses van de bedrijvenpopulatie en de demografie ervan, voor de definitie van de onderzoekspopulatie en om het verband met administratieve gegevensbronnen te leggen.

(11)

Om deze rol van de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register te waarborgen, moet er een unieke identificator voor alle relevante eenheden worden vastgesteld en toegepast.

(12)

De juiste afbakening van ondernemingengroepen in het EuroGroups-register door middel van actuele en betrouwbare gegevens moet worden bereikt door het gebruik van geharmoniseerde criteria en het regelmatig bijwerken van de informatie over zeggenschapsrelaties tussen juridische eenheden die deel uitmaken van ondernemingengroepen.

(13)

Met het oog op een grotere efficiëntie van de productieprocessen voor statistieken van het ESS en op vermindering van de lasten voor respondenten moeten de nationale statistische instanties (NSA's) recht hebben op onmiddellijke en kosteloze toegang tot en gebruikmaking van alle nationale administratieve bestanden, en moeten zij deze administratieve bestanden kunnen integreren in statistieken, voor zover dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese bedrijfsstatistieken, overeenkomstig artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(14)

Verordening (EG) nr. 223/2009 biedt een referentiekader voor Europese statistieken. Ze eist vooral inachtneming van de beginselen professionele onafhankelijkheid, onpartijdigheid, objectiviteit, betrouwbaarheid, statistische geheimhouding en kosteneffectiviteit.

(15)

Voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van nationale en Europese statistieken en voor de verbetering van de kwaliteit van Europese statistieken is er behoefte aan uitwisseling van en toegang tot microgegevens door de NSA's die bedrijfsstatistieken produceren en het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden onderhouden. De uitwisseling van microgegevens moet worden beperkt tot naar behoren gemotiveerde gevallen.

(16)

De instelling van een aanvullende gegevensbron op basis van de uitwisseling van microgegevens over intra-EU-uitvoer van goederen kan, samen met de mogelijkheid om gebruik te maken van innovatieve methoden, de flexibiliteit voor de lidstaten bij de opstelling van statistieken over de intra-EU-handel in goederen verhogen, zodat zij de responslast voor ondernemingen kunnen verminderen. Het doel van de uitwisseling is de efficiënte ontwikkeling, productie en verspreiding van statistieken over de internationale handel in goederen en de verbetering van de kwaliteit van deze statistieken.

(17)

Het onderhandelen over, uitvoeren van en herzien van handels- en investeringsovereenkomsten tussen de Unie en derde landen of multilaterale handels- en investeringsovereenkomsten vereist dat de noodzakelijke statistische informatie over de handel van de lidstaten met derde landen aan de Commissie wordt verstrekt.

(18)

Het systeem voor het verzamelen van statistische gegevens moet nauw verbonden blijven met de bestaande belastingformaliteiten met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van de handel in goederen tussen de lidstaten. Deze band maakt het met name mogelijk om exporteurs en importeurs te identificeren en de kwaliteit van de verzamelde informatie te controleren, ten behoeve van de statistieken over de intra‐EU-handel in goederen.

(19)

Grensoverschrijdend goederenverkeer, met name vanuit of naar derde landen, is onderworpen aan douanetoezicht zoals voorzien in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7). De douaneautoriteiten behouden of krijgen toegang tot informatie of bestanden met betrekking tot dat verkeer. De informatie of bestanden die verband houden met douaneaangiften of daarop gebaseerd zijn, moeten worden gebruikt voor de productie van statistieken over de EU-handel in goederen.

(20)

Teneinde statistieken over de internationale handel in goederen te produceren en de kwaliteit van die statistieken te verbeteren, moeten de NSA's gegevens uitwisselen over de invoer en uitvoer van goederen waarbij de douaneautoriteiten van meer dan één lidstaat betrokken zijn. Ter wille van een geharmoniseerde verzameling van statistieken moet de uitwisseling van die microgegevens tussen de NSA's verplicht zijn.

(21)

Ter waarborging van de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van Europese bedrijfsstatistieken en nationale rekeningen – zulks in overeenstemming met de begrippen en de methodologie van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) – moeten de NSA's van de betrokken lidstaten, de respectieve nationale centrale banken, de Europese Centrale Bank (ECB) en de Commissie (Eurostat) vertrouwelijke gegevens kunnen uitwisselen uitsluitend voor statistische doeleinden.

(22)

Met het oog op de uitvoering van haar uit de Verdragen voortvloeiende taken, met name die welke verband houden met de werking van de interne markt, moet de Commissie over volledige, actuele en betrouwbare informatie beschikken over de productie van goederen en diensten in de Unie en over internationale handelsstromen. Ook ondernemingen hebben deze informatie nodig om toezicht te kunnen houden op hun markten en de internationale dimensie van deze markten.

(23)

De lidstaten of de bevoegde nationale autoriteiten moeten ernaar streven de verzameling van gegevens bij Europese bedrijven zo veel mogelijk te vereenvoudigen. De NSA's moeten rekening houden met de meest recente digitale ontwikkelingen wanneer zij instrumenten en methoden voor het verzamelen van gegevens voor statistieken vaststellen, en zij moeten worden aangemoedigd om innovatief te zijn.

(24)

Er is behoefte aan de verstrekking van bedrijfsstatistieken die zijn ingedeeld naar sector van economische activiteit, om de productiviteit van ondernemingen in de Unie te meten. Met name is er steeds meer vraag naar statistieken over de dienstensector – de meest dynamische sector in moderne economieën – vooral wat betreft het groeipotentieel en het vermogen werkgelegenheid te scheppen en gelet op het verband van deze sector met de productiesector. Deze tendens wordt nog versterkt door de ontwikkeling van nieuwe digitale diensten. De toenemende vraag naar statistieken bestaat ook voor de creatieve en culturele sector, zoals wordt opgemerkt in de resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over een coherent Uniebeleid voor de culturele en creatieve sector (9). Statistieken over de handel in diensten zijn essentieel voor het toezicht op de werking van de interne markt voor diensten en de digitale interne markt, alsmede voor de beoordeling van de gevolgen van belemmeringen voor de handel in diensten.

(25)

Verordening (EG) nr. 223/2009 is het referentiekader voor onderhavige verordening, ook wat de bescherming van vertrouwelijke gegevens betreft. Het zeer gedetailleerde niveau van de statistische informatie over de internationale handel in goederen vereist echter specifieke geheimhoudingsvoorschriften. Een importeur of exporteur van goederen moet bij de NSA een verzoek indienen om statistische resultaten op basis waarvan deze importeur indirect kan worden geïdentificeerd niet bekend te maken. Het verzoek moet door de NSA als gerechtvaardigd worden beschouwd indien de statistische resultaten het inderdaad mogelijk maken de importeur of exporteur indirect te identificeren. Anders moet de NSA de statistische resultaten kunnen verspreiden in een vorm die het mogelijk maakt de importeur of exporteur indirect te identificeren.

(26)

De monitoring van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie op het niveau van de lidstaten en op Unieniveau vereist geharmoniseerde statistieken over de economie van de Unie met betrekking tot klimaatverandering en hulpbronnenefficiëntie, O&O, innovatie en de informatiemaatschappij die zowel marktactiviteiten als niet-marktactiviteiten bestrijken, en over het ondernemingslandschap als geheel, met name over de bedrijvendemografie en de werkgelegenheid in verband met marktactiviteiten. Deze informatie biedt beleidsmakers de mogelijkheid om met kennis van zaken besluiten te nemen voor de ontwikkeling van een op kennis en innovatie gebaseerde economie, teneinde de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen tot de interne markt te verbeteren, ondernemerschap te ontwikkelen, en duurzaamheid en concurrentievermogen te stimuleren.

(27)

Er zijn statistieken over innovatie- en O&O-activiteiten nodig met het oog op de ontwikkeling en de monitoring van beleid ter versterking van het concurrentievermogen van de lidstaten, en ter verhoging van hun economisch potentieel voor slimme groei en werkgelegenheid op middellange en lange termijn. De groeiende digitale economie en het toegenomen gebruik van ICT behoren tot de belangrijke motoren van het concurrentievermogen en de groei in de Unie, en er zijn statistieken nodig om de strategieën en beleidsmaatregelen op deze gebieden, met inbegrip van de voltooiing van de digitale interne markt, te ondersteunen.

(28)

Bedrijfsstatistieken zijn ook nodig voor het opstellen van nationale en regionale rekeningen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 549/2013.

(29)

Voorts zijn in het kader van het economisch beleid van de Unie betrouwbare en actuele statistieken nodig voor rapportage over de economische ontwikkeling in de lidstaten. De ECB heeft snel beschikbare kortetermijnstatistieken nodig om de economische ontwikkelingen in de lidstaten te kunnen volgen in de context van het gemeenschappelijk monetair beleid.

(30)

Zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat er bedrijfsstatistieken over de gehele economie moeten worden verstrekt, moet bij het opstellen van de gegevensvereisten zoveel mogelijk rekening worden gehouden met vereenvoudigingsmaatregelen ter verlichting van de lasten voor de bedrijfseconomieën van relatief kleine lidstaten, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel. Aanvullende vereisten mogen niet leiden tot onevenredige administratieve lasten voor respondenten.

(31)

Internationale normen, zoals het initiatief voor het SDMX-formaat (Statistical Data and Metadata exchange), en statistische en technische normen van het Comité voor het Europees statistisch systeem (ESS-comité), zoals metagegevens en valideringsnormen, moeten ook voor Europese bedrijfsstatistieken worden gebruikt, voor zover dit relevant is. Het ESS-comité (ESSC) heeft een ESS-norm inzake kwaliteitsverslagen goedgekeurd, overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 223/2009. Al die normen moeten bijdragen aan harmonisatie van de kwaliteitsborging en verslaglegging op grond van deze verordening.

(32)

Teneinde met de economische en technische ontwikkelingen rekening te houden, moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen, worden overgedragen aan de Commissie, tot wijziging van de soorten statistische informatie, tot nadere bepaling van de bijzonderheden van de statistische informatie die overeenkomstig respectievelijk de bijlagen V en VI door de belastingdiensten en de douaneautoriteiten moet worden verstrekt, en tot wijziging van de in bijlage I en deze verordening uiteengezette onderwerpen door de dekkingsgraad voor intra-EU uitvoer van goederen te verlagen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(33)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening ten aanzien van de bijzonderheden van de variabelen alsook het formaat, de beveiligings- en vertrouwelijkheidsmaatregelen en de procedure voor de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens ten behoeve van het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden, de voorschriften voor, de inhoud van en de termijnen voor de toezending van de verslagen over de kwaliteit en de metagegevens, de normen voor de toezending van gegevens en metagegevens, en afwijkingen van de vereisten van deze verordening of van de op grond daarvan vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Voor hetzelfde doel moeten aan de Commissie aanvullende uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend tot bepaling van de voorschriften voor het verstrekken en de gegevensuitwisseling van bepaalde administratieve bestanden alsook het formaat, de beveiligings- en vertrouwelijkheidsmaatregelen en de procedure voor de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens ten behoeve van statistieken over de intra-EU-handel in goederen, de specificaties van de desbetreffende metagegevens, het tijdschema, de voorschriften voor het verzamelen en opstellen van de statistische gegevens over de intra-EU-uitvoer van goederen die aan de lidstaat van invoer worden verstrekt, de voorschriften voor de toepassing van de dekkingsgraad van de totale intra-EU-uitvoer van goederen met betrekking tot de referentieperiode, het bepalen van de technische specificaties voor de gegevensbestanddelen voor de statistische gegevens over de intra-EU-handel in goederen die aan de lidstaat van invoer worden verstrekt, en de daaraan verbonden vereenvoudigingen. Deze uitvoeringsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(34)

In voorkomend geval moet de Commissie een kosten-batenanalyse maken en erop toezien dat de maatregelen die zij voorstelt, geen significante extra kosten of lasten voor lidstaten of respondenten, met name kleine en middelgrote ondernemingen, met zich brengen. Zij moet daarbij rekening houden met de verwachte voordelen voor gebruikers en ervoor zorgen dat deze maatregelen tot een verbetering van de kwaliteit van de statistieken leiden.

(35)

De Commissie moet afwijkingen kunnen toestaan voor de toepassing van deze verordening of van overeenkomstig deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen, indien de toepassing daarvan leidt tot ingrijpende aanpassingen van het nationaal statistisch systeem van een lidstaat wat de organisatie van aanvullende enquêtes betreft dan wel van het statistisch productiesysteem om dit in gereedheid te brengen voor nieuwe gegevensbronnen of om een combinatie van verschillende bronnen mogelijk te maken.

(36)

Indien er behoefte blijkt te zijn aan nieuwe gegevensvereisten of aan verbetering van gegevensreeksen die onder deze verordening vallen, moet de Commissie proefstudies kunnen starten die door de lidstaten op vrijwillige basis worden uitgevoerd. De Commissie moet bij voorrang kunnen starten met proefstudies over internationale handel in diensten, vastgoed, financiële indicatoren en milieu en klimaat.

(37)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor Europese bedrijfsstatistieken, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar op grond van redenen met betrekking tot harmonisatie en vergelijkbaarheid beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(38)

De in deze verordening uiteengezette maatregelen moeten de maatregelen vervangen van Verordeningen (EG) nr. 48/2004 (12), (EG) nr. 638/2004 (13), (EG) nr. 808/2004 (14), (EG) nr. 716/2007 (15), (EG) nr. 177/2008, (EG) nr. 295/2008 (16), en (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad (17), Beschikking (EG) nr. 1608/2003 van het Europees Parlement en de Raad (18) en Verordeningen (EEG) nr. 3924/91 (19) en (EG) nr. 1165/98 van de Raad (20). Die handelingen moeten bijgevolg worden ingetrokken.

(39)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (21).

(40)

Het ESSC is geraadpleegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijk rechtskader vastgesteld voor:

a)

de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese bedrijfsstatistieken, als bedoeld in artikel 2, lid 1;

b)

een Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   De Europese bedrijfsstatistieken hebben betrekking op:

a)

de structuur, de economische activiteiten en de verrichtingen van de statistische eenheden en hun activiteiten op het gebied van O&O en innovatie, hun gebruik van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en hun e-handel, alsook mondiale waardeketens. Voor de toepassing van deze verordening hebben de Europese bedrijfsstatistieken ook betrekking op statistieken over O&O in het hoger onderwijs, de overheid en de particuliere non-profitsector;

b)

de productie van industriële producten en van diensten en de internationale handel in goederen en diensten.

2.   Het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden heeft betrekking op de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register, alsmede op de gegevensuitwisselingen tussen deze registers overeenkomstig artikel 10.

3.   De in lid 2 bedoelde nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden bevatten:

a)

alle ondernemingen die een economische activiteit verrichten die bijdraagt tot het bruto binnenlands product (bbp), en hun lokale eenheden;

b)

de juridische eenheden waaruit die ondernemingen bestaan;

c)

voor ondernemingen die wegens hun omvang een grote invloed hebben en wier eenheden van economische activiteit (EEA) een grote invloed hebben op de geaggregeerde (nationale) gegevens:

i)

de EEA en de omvang van iedere EEA waaruit die ondernemingen bestaan, ofwel,

ii)

de NACE-code van de secundaire activiteiten van die ondernemingen zoals neergelegd in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad en de omvang van zulke secundaire activiteiten (22);

d)

de ondernemingengroepen waar die ondernemingen deel van uitmaken.

4.   Het EuroGroups-register omvat de volgende eenheden, als gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad (23):

a)

alle ondernemingen die een economische activiteit verrichten die bijdraagt tot het bbp en die deel uitmaken van een multinationale ondernemingengroep;

b)

de juridische eenheden waaruit die ondernemingen bestaan;

c)

multinationale ondernemingengroepen waar deze ondernemingen deel van uitmaken.

5.   Huishoudens vallen niet onder het toepassingsgebied van het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden voor zover de productie van goederen en diensten door huishoudens voor eigen verbruik is bestemd of de verhuur van eigen onroerend goed betreft.

6.   Lokale eenheden zonder eigen rechtspersoonlijkheid (bijkantoren) die deel uitmaken van buitenlandse ondernemingen en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 549/2013 als quasivennootschappen zijn ingedeeld, worden in de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register als ondernemingen behandeld.

7.   Ondernemingengroepen worden als zodanig geïdentificeerd op basis van de zeggenschapsrelaties tussen hun juridische eenheden, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 549/2013.

8.   Wanneer in deze verordening naar nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden of het EuroGroups-register wordt verwezen, is de verordening alleen van toepassing op eenheden die uitsluitend of gedeeltelijk economische activiteiten verrichten, en op juridische eenheden zonder economische activiteit die in combinatie met economisch actieve juridische eenheden deel uitmaken van een onderneming.

9.   Ten behoeve van het Europees kader voor ondernemingenregisters worden als een economische activiteit beschouwd:

a)

activiteiten die bestaan uit het aanbieden van goederen en diensten op een markt,

b)

niet-marktdiensten die tot het bbp bijdragen,

c)

het rechtstreeks of niet-rechtstreeks bezit van actieve juridische eenheden.

Het bezit van activa en/of passiva kan ook als een economische activiteit worden aangemerkt.

10.   Statistische eenheden binnen het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden worden gedefinieerd overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 696/93, behoudens de in dit artikel genoemde beperkingen.

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

"statistische eenheid": de statistische eenheden als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 696/93;

b)

"rapportage-eenheid": de eenheid die de gegevens verstrekt;

c)

"domein": een of meer gegevensreeksen die specifieke onderwerpen bestrijken;

d)

"onderwerp": de inhoud van de te verzamelen informatie, waarbij elk een of meer gedetailleerde onderwerpen bestrijkt;

e)

"gedetailleerd onderwerp": de gedetailleerde inhoud van de te verzamelen informatie over een specifiek onderwerp, waarbij elk onderwerp een of meer variabelen bestrijkt;

f)

"variabele": een kenmerk van een eenheid dat meer dan één waarde uit een reeks waarden kan bedragen;

g)

"marktactiviteit": marktactiviteit in de zin van punt 1.37 van hoofdstuk 1 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013;

h)

"niet-marktactiviteit": marktactiviteit in de zin van punt 1.34 van hoofdstuk 1 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013;

i)

"marktproducenten": marktproducenten als gedefinieerd in punt 3.24 van hoofdstuk 3 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013;

j)

"niet-marktproducenten": niet-marktproducenten als gedefinieerd in punt 3.26 van hoofdstuk 3 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013

k)

"nationale statistische instanties of NSA's": de door de lidstaten aangewezen nationale instituten voor de statistiek en andere nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken zoals door elke lidstaat aangewezen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 223/2009;

l)

"gezaghebbende bron": de enige aanbieder van gegevensbestanden die gegevens uit het nationale ondernemingenregister voor statistische doeleinden en uit het EuroGroups-register bevatten welke voldoen aan de in artikel 17 bedoelde kwaliteitsnormen;

m)

"microgegevens": individuele waarnemingen of metingen van kenmerken van identificeerbare rapportage-eenheden of statistische eenheden;

n)

"gebruik voor statistische doeleinden": het gebruik als gedefinieerd in artikel 3, punt 8, van Verordening (EG) nr. 223/2009;

o)

"vertrouwelijke gegevens": vertrouwelijke gegevens als gedefinieerd in artikel 3, punt 7, van Verordening (EG) nr. 223/2009;

p)

"belastingdiensten": de nationale autoriteiten van de lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (24);

q)

"douaneautoriteiten": douaneautoriteiten als gedefinieerd in artikel 5, punt 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013;

r)

"multinationale ondernemingengroep": een ondernemingengroep in de zin van deel III van de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 696/93, met ten minste twee ondernemingen of juridische eenheden die ieder in een verschillend landen zijn gevestigd.

2.   Voor de toepassing van de artikelen 11 tot en met 15 wordt verstaan onder:

a)

"lidstaat van uitvoer": de lidstaat in het statistische registratiegebied waaruit goederen worden uitgevoerd naar de plaats van bestemming in de lidstaat van invoer;

b)

"lidstaat van invoer": de lidstaat in het statistische registratiegebied waarin goederen worden ingevoerd door de lidstaat van uitvoer;

c)

"goederen": roerende goederen, met inbegrip van elektrische energie en aardgas.

HOOFDSTUK II

Gegevensbronnen

Artikel 4

Gegevensbronnen en methoden

De lidstaten produceren de in de artikelen 6 en 7 bedoelde statistieken, alsook hun nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden, overeenkomstig artikel 9, met gebruikmaking van alle nodige gegevensbronnen en zij vermijden daarbij excessieve lasten voor respondenten en houden rekening met de kosteneffectiviteit van de NSA's.

Voor de productie van de overeenkomstig deze verordening vereiste statistieken en nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden, op voorwaarde dat de resultaten voldoen aan de in artikel 17 bedoelde kwaliteitscriteria, kunnen de NSA's de volgende gegevensbronnen gebruiken – inclusief combinaties daarvan –:

a)

enquêtes;

b)

administratieve bestanden, waaronder informatie van belasting- en douaneautoriteiten, zoals jaarrekeningen;

c)

uitgewisselde microgegevens;

d)

andere relevante informatiebronnen, methoden of innovatieve benaderingen, voor zover hiermee gegevens kunnen worden gegenereerd die onderling vergelijkbaar zijn en die voldoen aan de toepasselijke specifieke kwaliteitseisen.

Voor enquêtes als bedoeld in punt a) van de tweede alinea moeten rapportage-eenheden waarop door de lidstaten een beroep wordt gedaan tijdige, nauwkeurige en volledige informatie verstrekken die nodig is voor de productie van overeenkomstig deze verordening vereiste statistieken en nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden.

De onder d) van de tweede alinea bedoelde methoden en benaderingen moeten wetenschappelijk onderbouwd en goed gedocumenteerd zijn.

Artikel 5

Toegang tot administratieve bestanden en verstrekking van informatie

1.   Overeenkomstig artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009 hebben de NSA's en de Commissie (Eurostat) recht op snelle en kosteloze toegang tot en gebruik van alle administratieve bestanden en hebben zij tevens het recht die bestanden te integreren met andere gegevensbronnen om te kunnen voldoen aan de statistische vereisten van deze verordening en de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register te actualiseren. De toegang tot deze bestanden voor de NSA's en de Commissie (Eurostat) is beperkt tot administratieve bestanden binnen hun eigen openbare administratieve systemen.

2.   Onverminderd lid 1 verstrekken de belastingdiensten van elke lidstaat de bevoegde NSA's voor statistische doeleinden informatie over de uitvoer en invoer van goederen, als bepaald in bijlage V.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot:

a)

wijziging van bijlage V door de omschrijving van de door de belastingdiensten te verstrekken soorten statistische informatie; en

b)

aanvulling van deze verordening door het nader bepalen van de details van de door de douanediensten overeenkomstig bijlage V te verstrekken statistische informatie.

3.   Onverminderd lid 1, verstrekken de douaneautoriteiten van elke lidstaat de bevoegde NSA's voor statistische doeleinden informatie over de uitvoer en invoer van goederen, als bepaald in bijlage VI.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot:

a)

wijziging van bijlage VI door de omschrijving van de door de belastingdiensten te verstrekken soorten statistische informatie; en

b)

aanvulling van deze verordening door het nader bepalen van de details van de door de douanediensten overeenkomstig bijlage VI te verstrekken statistische informatie.

4.   Teneinde geharmoniseerde statistieken over de internationale handel in goederen te produceren en de kwaliteit van die statistieken te verbeteren, moeten de NSA's in de betrokken lidstaten van hun douaneautoriteiten ontvangen microgegevens voor statistische doeleinden over de uitvoer en invoer van goederen uitwisselen, zodat een raming kan worden gemaakt van de quasi-doorvoeruitvoer en ‐invoer die in hun lidstaat plaatsvindt.

Voor andere handelsstromen waarbij de douaneautoriteiten van meer dan één lidstaat betrokken zijn, wisselen de NSA's de overeenkomstige microgegevens uit over de uitvoer of invoer van goederen om zo de kwaliteit van de betrokken statistieken te verbeteren.

5.   De Commissie mag uitvoeringshandelingen vaststellen voor het bepalen van de voorschriften voor het uitwisselen van gegevens overeenkomstig dit artikel.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK III

Bedrijfsstatistieken

Artikel 6

Gegevensvereisten

1.   De Europese bedrijfsstatistieken hebben betrekking op de volgende domeinen:

a)

kortetermijnbedrijfsstatistieken;

b)

bedrijfsstatistieken op nationaal niveau;

c)

regionale bedrijfsstatistieken;

d)

statistieken over internationale activiteiten.

2.   De domeinen omvatten één of meer van de volgende onderwerpen, als nader omschreven in bijlage I:

a)

bedrijvenpopulatie;

b)

mondiale waardeketens;

c)

ICT-gebruik en e-handel;

d)

innovatie;

e)

internationale handel in goederen;

f)

internationale handel in diensten;

g)

investeringen;

h)

input van arbeid;

i)

output en prestaties;

j)

prijzen

k)

aankopen;

l)

onroerend goed;

m)

O&O-inputs.

3.   De periodiciteit, de referentieperiode en de statistische eenheid van elk onderwerp zijn zoals bepaald in bijlage II.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in bijlage I genoemde gedetailleerde onderwerpen.

5.   Bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen op grond van lid 4 ziet de Commissie erop toe aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de gedelegeerde handelingen zijn gericht op het bereiken van neutraliteit of vermindering van de kosten en lasten, en leiden in geen geval tot aanzienlijke extra lasten of kosten voor lidstaten of respondenten;

b)

van de in bijlage I genoemde gedetailleerde onderwerpen worden er niet meer dan één voor het domein "kortetermijnbedrijfsstatistieken", niet meer dan drie voor het domein "bedrijfsstatistieken op nationaal niveau", niet meer dan twee voor het domein "regionale bedrijfsstatistieken" en niet meer dan twee voor het domein "statistieken over internationale activiteiten" vervangen door een ander gedetailleerd onderwerp, en aan alle domeinen wordt gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren niet meer dan één gedetailleerd onderwerp toegevoegd.

c)

de gedelegeerde handelingen worden ten minste 18 maanden vóór het einde van de referentieperiode van de gegevens vastgesteld, met uitzondering van de gedelegeerde handelingen met betrekking tot de onderwerpen van innovatie en ICT-gebruik en e‐handel, die respectievelijk ten minste zes en 15 maanden vóór het einde van de referentieperiode van de gegevens worden vastgesteld;

d)

de haalbaarheid van nieuwe gedetailleerde onderwerpen wordt beoordeeld aan de hand van door de lidstaten overeenkomstig artikel 20 uitgevoerde proefstudies.

6.   punt b) van lid 5 is niet van toepassing op:

a)

de gedetailleerde onderwerpen van innovatie, ICT-gebruik en e-handel en mondiale waardeketens.

b)

wijzigingen die het gevolg zijn van veranderingen in het boekhoudkundig kader voor de nationale en regionale rekeningen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 549/2013 voor de betalingsbalansstatistieken als bedoeld in Verordening (EG) nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad (25).

Artikel 7

Technische specificaties van de gegevensvereisten

1.   De lidstaten verzamelen relevante gegevens over elk van de in bijlage I genoemde gedetailleerde onderwerpen. De Commissie mag uitvoeringshandelingen vaststellen voor het nader bepalen van de volgende bestanddelen van de op grond van deze verordening te verzenden gegevens en de technische definities en vereenvoudigingen daarvan:

a)

variabelen;

b)

meeteenheid;

c)

statistische populatie (met inbegrip van de vereisten met betrekking tot marktactiviteit/niet-marktactiviteit of marktproducenten/niet-marktproducenten);

d)

classificaties (met inbegrip van het product, de landen en gebieden, alsook de aard van de transactielijsten) en onderverdelingen;

e)

toezending van afzonderlijke gegevensbestanden op vrijwillige basis;

f)

gebruik van benaderingen en kwaliteitseisen;

g)

termijn voor de toezending van gegevens;

h)

eerste referentieperiode;

i)

weging en wijziging van het basisjaar voor het domein "kortetermijnbedrijfsstatistieken";

j)

nadere specificaties – met inbegrip van de referentieperiode – met betrekking tot het onderwerp "internationale handel in goederen".

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Bij de uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheden met betrekking tot de vereenvoudigingen houdt de Commissie rekening met de omvang en het belang van de bedrijfseconomieën, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, teneinde de lasten voor het bedrijfsleven te verlichten. Voorts ziet de Commissie erop toe dat de input die nodig is voor het opstellen van de boekhoudkundige kaders voor de nationale en regionale rekeningen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 549/2013 en de betalingsbalansstatistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 184/2005, behouden blijft. Uitvoeringshandelingen – uitgezonderd de eerste uitvoeringshandelingen die moeten worden vastgesteld overeenkomstig deze verordening – worden ten minste 18 maanden vóór het einde van de referentieperiode van de gegevens voor de in bijlage I opgenomen onderwerpen vastgesteld. De uitvoeringshandelingen voor de onderwerpen van innovatie en van ICT-gebruik en e-handel worden respectievelijk ten minste zes en 15 maanden vóór het einde van de referentieperiode van de gegevens vastgesteld.

3.   Bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen overeenkomstig lid 1, punt a) — met uitzondering van de in artikel 6, lid 2, punten b), c) en d), genoemde onderwerpen — ziet de Commissie erop toe dat het aantal variabelen voor elk in artikel 6, lid 1, genoemd domein niet meer bedraagt dan:

a)

22 variabelen voor het domein "kortetermijnbedrijfsstatistieken";

b)

93 variabelen voor het domein "bedrijfsstatistieken op nationaal niveau";

c)

31 variabelen voor het domein "regionale bedrijfsstatistieken";

d)

26 variabelen voor het domein "statistieken over internationale activiteiten".

4.   Bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen overeenkomstig lid 1, onder a), ziet de Commissie erop toe, met betrekking tot de in artikel 6, lid 2, punten b), c) en d), genoemde onderwerpen, dat het aantal variabelen in elk onderwerp niet meer bedraagt dan:

a)

20 variabelen voor het onderwerp van mondiale waardeketens;

b)

73 variabelen voor het onderwerp van ICT-gebruik en e-handel; en

c)

57 variabelen voor het onderwerp van innovatie.

5.   Wanneer nieuwe gegevens vereist zijn om aan de behoeften van gebruikers te beantwoorden, en om in een zekere mate van flexibiliteit te voorzien, mag de Commissie gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren niet meer dan 5 variabelen wijzigen voor elk van de domeinen "kortetermijnbedrijfsstatistieken", "regionale bedrijfsstatistieken" en "statistieken over internationale activiteiten", en niet meer dan 20 variabelen voor het domein "bedrijfsstatistieken op nationaal niveau", zulks overeenkomstig lid 3. Deze maxima gelden niet voor de onderwerpen "mondiale waardeketens", "innovatie" of "ICT-gebruik en e‐handel".

6.   Niettegenstaande lid 3 van dit artikel, wanneer nieuwe gegevens vereist zijn om aan de behoeften van gebruikers te beantwoorden, teneinde in een zekere mate van flexibiliteit te voorzien naar aanleiding van de in artikel 20 genoemde proefstudies, wordt het totaal aantal variabelen voor de in lid 3 van dit artikel genoemde domeinen met niet met meer dan 10 variabelen verhoogd.

7.   Bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen wordt rekening gehouden met de mogelijke extra kosten en administratieve lasten voor lidstaten of respondenten, alsmede met een raming van de verwachte verbetering van de kwaliteit van de statistieken en andere al dan niet rechtstreekse voordelen van de voorgestelde aanvullende maatregel.

De eerste alinea van dit lid is niet van toepassing op wijzigingen die het gevolg zijn van veranderingen in classificaties en nomenclaturen, noch op wijzigingen van boekhoudkundige kaders voor de nationale en regionale rekeningen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 549/2013 en betalingsbalansstatistieken als bedoeld in Verordening (EG) nr. 184/2005.

HOOFDSTUK IV

Ondernemingenregisters

Artikel 8

Het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden

1.   De Commissie (Eurostat) richt het EuroGroups-register van multinationale ondernemingengroepen voor statistische doeleinden op Unieniveau op.

2.   De lidstaten leggen op nationaal niveau een of meer nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden aan – waarvan de gemeenschappelijke kern geharmoniseerd is volgens deze verordening – als basis voor de voorbereiding en coördinatie van enquêtes, en als informatiebron voor statistische analyses van de bedrijvenpopulatie en ‐demografie, voor de aanwending van administratieve gegevens, en voor de identificatie en samenstelling van statistische eenheden.

3.   De lidstaten en de Commissie (Eurostat) wisselen gegevens uit ten behoeve van het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden, als omschreven in artikel 10.

4.   De nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register zijn de gezaghebbende bron voor het afleiden van kwalitatief hoogwaardige en geharmoniseerde populaties van ondernemingenregisters voor statistische doeleinden voor de productie van Europese statistieken, overeenkomstig artikel 17.

De nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden zijn de gezaghebbende bron voor populaties van nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden. Het EuroGroups-register is de gezaghebbende bron voor het Europees statistisch systeem, aangezien het een registerpopulatie voor bedrijfsstatistieken is die de coördinatie van grensoverschrijdende informatie over multinationale ondernemingengroepen vereist.

Artikel 9

Vereisten voor het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden

1.   De statistische en juridische eenheden die overeenkomstig artikel 8 door het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden worden bestreken, worden gekenmerkt door de in beide van de volgende punten uiteengezette en in bijlage III verder gepreciseerde elementen:

a)

de gedetailleerde onderwerpen voor het register en de Unieke identificator;

b)

de referentieperiode en periodiciteit.

2.   De Commissie mag uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de variabelen in verband met de gedetailleerde onderwerpen voor het register als opgenomen in de lijst in bijlage III.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   Bij het vaststellen van uitvoeringshandelingen op grond van lid 2, zorgt de Commissie ervoor dat de lidstaten of de respondenten geen aanzienlijke extra kosten of lasten worden opgelegd.

Artikel 10

Uitwisseling van en toegang tot vertrouwelijke gegevens ten behoeve van het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden

1.   De lidstaten wisselen vertrouwelijke gegevens uit.

Hiertoe vindt de uitwisseling plaats van vertrouwelijke gegevens over multinationale ondernemingengroepen en de eenheden die tot deze groepen behoren, waaronder ook de in de lijst in bijlage IV opgenomen variabelen, uitsluitend voor statistische doeleinden plaats tussen de NSA's van de verschillende lidstaten, wanneer de uitwisseling noodzakelijk is om de kwaliteit van de informatie over multinationale ondernemingengroepen in de Unie te waarborgen. Dergelijke uitwisselingen kunnen ook plaatsvinden om de lasten voor de respondenten te verminderen.

Wanneer een dergelijke uitwisseling van vertrouwelijke gegevens wordt verricht om de kwaliteit van de gegevens over multinationale ondernemingengroepen in de Unie te waarborgen en de uitwisseling uitdrukkelijk is toegestaan door de bevoegde NSA die de gegevens verstrekt, kunnen nationale centrale banken, uitsluitend voor statistische doeleinden, deelnemen aan de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens.

2.   De Commissie (Eurostat) en de lidstaten wisselen vertrouwelijke gegevens uit.

Hiertoe zenden NSA's gegevens over multinationale ondernemingengroepen en de eenheden die tot deze groepen behoren, waaronder ook de in de lijst in bijlage IV opgenomen variabelen, toe aan de Commissie (Eurostat) teneinde uitsluitend voor statistische doeleinden bestemde informatie te verstrekken over multinationale ondernemingengroepen in de Unie.

Om te waarborgen dat de gegevensbestanden consistent zijn en uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt, verstrekt de Commissie (Eurostat) aan de bevoegde NSA's van elke lidstaat gegevens over multinationale ondernemingengroepen en de eenheden die tot deze groepen behoren, waaronder ook de in de lijst van bijlage IV opgenomen variabelen, wanneer ten minste één juridische eenheid van deze groep op zijn grondgebied is gevestigd.

Met het oog op doeltreffendheid en een hoge kwaliteit bij de productie van het EuroGroups-register, verstrekt de Commissie (Eurostat), uitsluitend voor statistische doeleinden, de NSA's gegevens over multinationale ondernemingengroepen die zijn opgenomen in het EuroGroups-register, met inbegrip van de eenheden die tot deze groepen behoren, waaronder ook de in de lijst van bijlage IV opgenomen variabelen.

3.   De Commissie (Eurostat) en de lidstaten wisselen vertrouwelijke gegevens uit voor de identificatie van juridische eenheden.

Hiertoe zenden de NSA's de gegevens over juridische eenheden met rechtspersoonlijkheid, beperkt tot de identificatie- en demografische variabelen en de stratificatieparameters, als opgenomen in de lijst van bijlage IV, toe aan de Commissie (Eurostat), uitsluitend met het oog op de identificatie van juridische eenheden in de Unie.

Met het oog op doeltreffendheid en een hoge kwaliteit bij de productie van het EuroGroups-register, verstrekt de Commissie (Eurostat) gegevens over juridische eenheden aan de NSA's van elke lidstaat, uitsluitend met het oog op de identificatie van juridische eenheden in de Unie, beperkt tot de identificatie- en demografische variabelen en de stratificatieparameters, als opgenomen in de lijst van bijlage IV.

4.   De uitwisseling van vertrouwelijke gegevens tussen de Commissie (Eurostat) en de centrale banken mag uitsluitend voor statistische doeleinden tussen de Commissie (Eurostat) en de nationale centrale banken en tussen de Commissie (Eurostat) en de ECB plaatsvinden wanneer dit noodzakelijk is om de kwaliteit van de gegevens over multinationale ondernemingengroepen in de Unie te waarborgen en de bevoegde NSA's hun uitdrukkelijke toestemming hebben verleend voor de uitwisseling.

5.   De Commissie mag uitvoeringshandelingen vast stellen tot nadere bepaling de technische bijzonderheden van de in de lijst in bijlage IV opgenomen variabelen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

6.   Teneinde te waarborgen dat de overeenkomstig dit artikel uitgewisselde gegevens uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt, mag de Commissie uitvoeringshandelingen vast te stellen tot nadere bepaling van het formaat, de beveiligings- en vertrouwelijkheidsmaatregelen voor dergelijke gegevens, alsmede de procedure voor de uitwisseling van gegevens.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

7.   Wanneer de Commissie (Eurostat), de NSA's, de nationale centrale banken en de ECB vertrouwelijke gegevens over in of buiten het nationale grondgebied gelegen eenheden ontvangen ingevolge dit artikel, behandelen zij deze informatie vertrouwelijk overeenkomstig Verordening (EG) nr. 223/2009.

De toezending van vertrouwelijke gegevens tussen de NSA's en de Commissie (Eurostat) vindt plaats wanneer deze toezending uitsluitend voor statistische doeleinden noodzakelijk is voor de productie van Europese statistieken. Voor elke andere toezending moet de nationale dienst die de gegevens heeft verzameld, haar uitdrukkelijke toestemming verlenen.

8.   De lidstaten en de Commissie treffen passende maatregelen voor het voorkomen en bestraffen van schendingen van de statistische geheimhouding van de uitgewisselde gegevens. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

HOOFDSTUK V

Uitwisseling van vertrouwelijke gegevens ten behoeve van de statistieken over de intra-EU-handel in goederen

Artikel 11

Uitwisseling van vertrouwelijke gegevens

1.   De uitwisseling van vertrouwelijke gegevens tussen de lidstaten over de intra-EU-uitvoer van goederen vindt, uitsluitend voor statistische doeleinden, plaats tussen de NSA's die bijdragen tot de ontwikkeling, productie en verspreiding van statistieken over de intra-EU-handel in goederen.

De technische specificaties voor de gegevensvereisten als bedoeld in artikel 7, leden 1 en 2, is ook van toepassing op de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens overeenkomstig dit hoofdstuk.

2.   De NSA's van de lidstaat van uitvoer verstrekken aan de NSA's van de lidstaat van invoer de statistische gegevens over de intra‐EU‐uitvoer van goederen naar die lidstaat, als bepaald in artikel 12.

3.   De NSA's van lidstaten van uitvoer verstrekken aan de NSA's van de lidstaat van invoer metagegevens die relevant zijn voor het gebruik van de uitgewisselde gegevens bij het opmaken van statistieken.

4.   De Commissie mag uitvoeringshandelingen vast stellen tot nadere bepaling van de informatie die in aanmerking moet worden genomen als relevante metagegevens als bedoeld in lid 3, en van het tijdschema voor het verstrekken van deze informatie en de in lid 2 bedoelde statistische informatie.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Onverminderd lid 1 van dit artikel geeft de lidstaat die de uitgewisselde vertrouwelijke gegevens verstrekt, toestemming voor het gebruik daarvan voor het opstellen van andere statistieken door de NSA's van de lidstaat van invoer, mits deze gegevens overeenkomstig artikelen 20 tot en met 26 van Verordening (EG) nr. 223/2009 uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt.

6.   Op verzoek van de NSA's van de lidstaat van uitvoer kan de lidstaat van invoer aan de NSA's van de lidstaat van uitvoer de microgegevens verstrekken die zijn verzameld over de goederen die vanuit die lidstaat van uitvoer zijn ingevoerd.

Artikel 12

Uit te wisselen statistische informatie

1.   De in artikel 11, lid 2, bedoelde statistische informatie bestaat uit:

a)

ten behoeve van de statistieken over de intra-EU-handel in goederen verzamelde microgegevens;

b)

over specifieke goederen of bewegingen verzamelde gegevens, en

c)

aan de hand van de gegevens uit douaneaangiften samengestelde gegevens.

2.   De in artikel 11, lid 2, bedoelde statistische gegevens die daadwerkelijk zijn verzameld op basis van bedrijfsenquêtes of administratieve gegevens bestrijken ten minste 95 % van de totale waarde van de intra-EU-uitvoer van goederen van elke lidstaat naar alle andere lidstaten samen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening te wijzigen door deze dekkingsgraad voor intra-EU-uitvoer van goederen te verlagen in het licht van technische en economische ontwikkelingen, met behoud van statistieken die aan de geldende kwaliteitsnormen voldoen.

3.   De Commissie mag uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de technische specificaties in verband met het verzamelen en het samenbrengen van de gegevens als bedoeld in lid 1 en het verder specificeren van de toepassing van de in lid 2 bedoelde dekkingsgraad, wat de referentieperiode betreft.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 13

Bestanddelen van statistische gegevens

1.   De in artikel 12, lid 1, punt a), bedoelde microgegevens bevatten de volgende bestanddelen van statistische gegevens:

a)

het individuele identificatienummer dat aan de partner in de lidstaat van invoer is toegekend overeenkomstig artikel 214 van Richtlijn 2006/112/EG;

b)

de referentieperiode;

c)

de stroom;

d)

het goed;

e)

de partnerlidstaat;

f)

het land van oorsprong;

g)

de waarde van de goederen;

h)

de hoeveelheid goederen;

i)

de aard van de transactie.

Tot de in artikel 12, lid 1, punt a), bedoelde microgegevens kunnen de wijze van vervoer en de leveringsvoorwaarden behoren, mits de lidstaat van uitvoer die bestanddelen van statistische gegevens verzamelt.

De Commissie mag uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de bestanddelen van statistische gegevens als bedoeld in de punten a) tot en met i), van de eerste alinea van dit lid en voor de lijst van bestanddelen van statistische gegevens die van toepassing is op specifieke goederen of bewegingen, en de gegevens die zijn samengesteld aan de hand van de gegevens van de douaneaangifte als bedoeld in artikel 12, lid 1, punten b) en c).

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   De lidstaten kunnen de te verstrekken informatie vereenvoudigen, onder bepaalde voorwaarden die aan kwaliteitsvoorschriften beantwoorden, mits dit geen nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van de statistieken.

In specifieke gevallen kunnen de lidstaten een beperkte reeks bestanddelen van statistische gegevens als bedoeld in lid 1 verzamelen of de informatie in verband met deze bestanddelen van gegevens verzamelen op een minder gedetailleerd niveau.

De Commissie mag uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de nadere voorschriften voor de in de eerste alinea bedoelde vereenvoudiging en de maximale waarde van de intra-EU-uitvoer waaraan die vereenvoudiging ten goede komt.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 14

Bescherming van uitgewisselde vertrouwelijke gegevens

1.   Bestanden met microgegevens die betrekking hebben op een exporteur wiens verzoek om statistische geheimhouding overeenkomstig artikel 19 is aanvaard door de NSA's van de lidstaat van uitvoer, worden door de NSA's van de lidstaat van uitvoer verstrekt aan de NSA's van de lidstaat van invoer, met de werkelijke waarde en alle bestanddelen van de statistische gegevens als bedoeld in artikel 13, lid 1, en met een vlag die aangeeft dat dat bestand met microgegevens een vertrouwelijk karakter heeft.

2.   De NSA's van de lidstaat van invoer kunnen bij het opmaken van statistische resultaten van de intra-EU-invoer gebruikmaken van bestanden met microgegevens over uitvoer die vertrouwelijk moeten worden behandeld. Als de NSA van de lidstaat van invoer gebruikmaakt van bestanden met microgegevens over uitvoer die vertrouwelijk moeten worden behandeld, zorgt deze lidstaat ervoor dat bij de verspreiding van de statistische resultaten over intra-EU-invoer door de NSA's van de lidstaat van invoer, de door de NSA's van de lidstaat van uitvoer toegezegde statistische geheimhouding wordt nagekomen.

3.   Ter waarborging van het vertrouwelijke karakter van de gegevens die in het kader van dit hoofdstuk worden uitgewisseld, mag de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen in verband met het formaat, de beveiligings- en vertrouwelijkheidsvoorschriften voor deze gegevens, daaronder begrepen voorschriften voor de toepassing van de leden 1 en 2, alsmede de procedure voor de uitwisseling van gegevens.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   De lidstaten en de Commissie treffen passende maatregelen ter voorkoming en bestraffing van schendingen van de statistische geheimhouding van de uitgewisselde gegevens. De vastgestelde straffen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 15

Toegang tot vertrouwelijke gegevens die voor wetenschappelijke doeleinden worden uitgewisseld

Toegang tot de uitgewisselde vertrouwelijke gegevens kan worden verleend aan onderzoekers die statistische analyses voor wetenschappelijke doeleinden verrichten, overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EG) nr. 223/2009, onder voorbehoud van toestemming van de bevoegde NSA's van de lidstaat van uitvoer die de gegevens heeft verstrekt.

HOOFDSTUK VI

Uitwisseling van vertrouwelijke gegevens ten behoeve van Europese bedrijfsstatistieken en nationale rekeningen

Artikel 16

Uitwisseling van vertrouwelijke gegevens - machtigingsclausule

1.   Vertrouwelijke gegevens die op grond van de onderhavige verordening zijn verzameld of opgemaakt, mogen tussen de NSA's van de betrokken lidstaten, hun respectieve nationale centrale banken, de ECB en de Commissie (Eurostat) uitsluitend voor statistische doeleinden worden uitgewisseld wanneer deze uitwisseling noodzakelijk is ter waarborging van de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van de Europese bedrijfsstatistieken of nationale rekeningen, zulks in overeenstemming met de begrippen en de methodologie van Verordening (EU) nr. 549/2013.

2.   Indien de NSA's, de nationale centrale banken, de Commissie (Eurostat) en de ECB vertrouwelijke gegevens hebben ontvangen, behandelen zij deze gegevens als vertrouwelijke gegevens en wenden zij deze gegevens uitsluitend aan voor statistische doeleinden overeenkomstig de artikelen 20 tot en met 26 van Verordening (EG) nr. 223/.2009.

HOOFDSTUK VII

Kwaliteit, toezending en verspreiding

Artikel 17

Kwaliteit

1.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om de kwaliteit van de toegezonden Europese bedrijfsstatistieken, de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register te waarborgen.

2.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de kwaliteitscriteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 223/2009.

3.   De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de ingediende gegevens en metagegevens op een transparante en controleerbare wijze.

4.   Voor de toepassing van lid 3, verstrekken de lidstaten de Commissie (Eurostat) jaarlijks de volgende gegevens:

a)

verslagen over de kwaliteit en de metagegevens voor overeenkomstig deze verordening toegezonden gegevens;

b)

verslagen over de kwaliteit en de metagegevens in verband met de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden.

In het geval van meerjaarlijkse statistieken is de periodiciteit van de verslagen over de kwaliteit en de metagegevens als bedoeld in punt a) van de eerste alinea dezelfde als voor de betrokkenstatistieken.

5.   De Commissie (Eurostat) verstrekt jaarlijks verslagen over de kwaliteit en de metagegevens met betrekking tot het EuroGroups-register aan de lidstaten.

6.   De Commissie mag uitvoeringshandelingen vast stellen voor het bepalen van de voorschriften, de inhoud en de termijnen voor de toezending van de verslagen over de kwaliteit en de metagegevens.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Zij mogen voor de lidstaten of de respondenten geen aanzienlijke extra kosten of lasten met zich brengen.

De rapportage beperkt zich inhoudelijk tot de meest belangrijke en wezenlijke aspecten van de kwaliteit.

7.   De lidstaten stellen de Commissie (Eurostat) zo snel mogelijk in kennis van elke relevante informatie of wijziging in verband met de uitvoering van deze verordening die van invloed kan zijn op de kwaliteit van de toegezonden gegevens. De lidstaten stellen de Commissie (Eurostat) in kennis van belangrijke methodologische of andere veranderingen die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden. De informatie wordt zo snel mogelijk verstrekt en in elk geval niet later dan zes maanden nadat een dergelijke verandering in werking is getreden.

8.   Gevolg gevend aan een naar behoren gemotiveerd verzoek van de Commissie (Eurostat) verstrekken de lidstaten de aanvullende informatie die nodig is om de kwaliteit van de statistische informatie te beoordelen, met dien verstande dat zulks voor de lidstaten of de respondenten geen aanzienlijke extra kosten of lasten met zich mag brengen.

Artikel 18

Toezending van gegevens en metagegevens

1.   De lidstaten dienen de bij deze verordening voorgeschreven gegevens en metagegevens bij de Commissie (Eurostat) in overeenkomstig de normen voor de uitwisseling van gegevens en metagegevens. Indien de toegezonden gegevens vertrouwelijk zijn, wordt de werkelijke waarde verstuurd met een vlag die aangeeft dat de gegevens een vertrouwelijk karakter hebben en niet mogen worden verspreid.

De Commissie mag uitvoeringshandelingen vast stellen om deze normen alsook de procedure voor de toezending van de gegevens en de metagegevens vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Gevolg gevend aan een naar behoren gemotiveerd verzoek van de Commissie (Eurostat) verrichten de lidstaten de statistische analyses van de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en zenden zij de resultaten aan de Commissie (Eurostat).

De Commissie (Eurostat) mag uitvoeringshandelingen vaststellen voor het nader bepalen van het formaat en de procedure voor het toezenden van de resultaten van dergelijke statistische analyses.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

De Commissie (Eurostat) ziet erop toe dat die uitvoeringshandelingen voor de lidstaten en de respondenten geen aanzienlijke extra kosten of lasten opleveren.

3.   Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de Commissie (Eurostat) verschaffen de lidstaten alle nodige informatie met betrekking tot de toepassing van deze verordening in de lidstaten. Dergelijke verzoeken van de Commissie mogen geen aanzienlijke extra lasten of kosten met zich brengen voor de lidstaten.

Artikel 19

Vertrouwelijkheid met betrekking tot de verspreiding van statistische gegevens over de internationale handel in goederen

Uitsluitend op verzoek van een importeur of exporteur van goederen besluit de nationale statistische instantie of zij de statistische resultaten betreffende de respectieve in- of uitvoer zonder enige wijziging of, gevolg gevend aan het naar behoren gemotiveerde verzoek van de importeur of exporteur om de statistische resultaten zodanig te wijzigen dat de invoerder of uitvoerder niet kan worden geïdentificeerd, zal verspreiden, zulks teneinde te voldoen aan het beginsel van de statistische geheimhouding, overeenkomstig artikel 20, lid 3, punt a), van Verordening (EG) nr. 223/2009.

HOOFDSTUK VIII

Proefstudies en financiering

Artikel 20

Proefstudies

1.   Wanneer de Commissie (Eurostat) vaststelt dat er behoefte is aan belangrijke nieuwe gegevensvereisten of verbeteringen in de gegevensreeksen die onder deze verordening vallen, kan zij proefstudies starten die door de lidstaten op vrijwillige basis worden uitgevoerd voordat nieuwe gegevens worden verzameld. Voorbeelden van die proefstudies zijn proefstudies over internationale handel in diensten, vastgoed, financiële indicatoren, en milieu en klimaat.

2.   De proefstudies worden uitgevoerd om na te gaan in hoeverre het verzamelen van gegevens nodig en mogelijk is. De resultaten van die studies worden geëvalueerd door de Commissie (Eurostat), in samenwerking met de lidstaten en de voornaamste stakeholders. Bij de evaluatie van de resultaten moet rekening worden gehouden met de baten en de extra kosten en lasten van deze verbeteringen voor bedrijven en NSA's.

3.   Na de in lid 2 bedoelde evaluatie stelt de Commissie in samenwerking met de lidstaten een verslag op over de bevindingen van de in lid 1 bedoelde studies. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

4.   De Commissie brengt uiterlijk op 7 januari 2022, en vervolgens om de twee jaar, verslag uit over de algemene vooruitgang die is geboekt met de in lid 1 bedoelde proefstudies. Deze verslagen worden openbaar gemaakt.

In voorkomend geval en rekening houdend met de in lid 2 bedoelde evaluatie van de resultaten voegt de Commissie bij deze verslagen voorstellen voor de invoering van nieuwe gegevensvereisten.

Artikel 21

Financiering

1.   Voor de uitvoering van deze verordening kan de Unie financiële steun toekennen aan de nationale instituten voor de statistiek en andere nationale instanties als bedoeld in de lijst die overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad is opgesteld, ter dekking van de kosten voor:

a)

de ontwikkeling of uitvoering van de gegevensvereisten en de gegevensverwerking op het gebied van bedrijfsstatistieken;

b)

de ontwikkeling van methoden waarmee wordt gestreefd naar een hogere kwaliteit of lagere kosten en administratieve lasten van het verzamelen en opstellen van bedrijfsstatistieken en het verbeteren van het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden.

c)

de ontwikkeling van methodes voor het verlichten van de administratieve en financiële lasten van het verstrekken van de vereiste informatie door de rapportage-eenheden, met name kleine en middelgrote ondernemingen;

d)

deelname aan de in artikel 20 bedoelde proefstudies;

e)

de ontwikkeling of verbetering van processen, IT-systemen en vergelijkbare ondersteunende functies met als doel statistieken van hogere kwaliteit te produceren of de administratieve en financiële lasten te verlagen.

2.   De financiële bijdrage van de Unie wordt verstrekt overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 99/2013 van het Europees Parlement en de Raad (26), en artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad (27).

3.   Het bedrag van de financiële bijdrage van de Unie mag niet hoger zijn dan 95 % van de subsidiabele kosten.

HOOFDSTUK IX

Slotbepalingen

Artikel 22

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, leden 2 en 3, artikel 6, lid 4 en in artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 6 januari 2020. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, leden 2 en 3, artikel 6, lid 4, en in artikel 12, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 5, lid 2 of lid 3, artikel 6, lid 4, of artikel 12, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 23

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 223/2009 opgericht ESSC. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 24

Afwijkingen

1.   Indien voor de toepassing van deze verordening of de op grond daarvan vastgestelde uitvoeringsmaatregelen en gedelegeerde handelingen grote aanpassingen van het nationaal statistisch systeem van een lidstaat nodig zijn, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij afwijkingen worden verleend voor de toepassing ervan voor een periode van maximaal drie jaar.

Voor een dergelijke afwijking dient de betrokken lidstaat binnen drie maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van de betrokken handeling een naar behoren gemotiveerd verzoek in bij de Commissie.

Het effect van dergelijke afwijkingen op de vergelijkbaarheid van de gegevens van de lidstaten of op de berekening van de vereiste tijdige en representatieve Europese aggregaten wordt tot een minimum beperkt. Voor het toestaan van de afwijking wordt rekening gehouden met de lasten voor de respondenten.

2.   Indien een afwijking betreffende de terreinen waarop proefstudies in de zin van artikel 20 zijn verricht, nog steeds gerechtvaardigd is aan het einde van de periode waarvoor zij is toegestaan, kan de Commissie een uitvoeringshandeling vaststellen waarbij een nieuwe afwijking wordt verleend voor een periode van ten hoogste één jaar.

Daartoe dient de betrokken lidstaat uiterlijk zes maanden vóór het einde van de geldingsduur van de overeenkomstig lid 1 verleende afwijking, bij de Commissie een verzoek in met een opgave van de redenen en gedetailleerde gronden ter ondersteuning van een dergelijke verlenging.

3.   De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 25

Intrekking

1.   Verordeningen (EG) nr. 48/2004, (EG) nr. 808/2004, (EG) nr. 716/2007, (EG) nr. 177/2008 en (EG) nr. 295/2008, Beschikking nr. 1608/2003/EG en Verordening (EEG) nr. 3924/91 worden met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken.

2.   De Verordeningen (EG) nr. 638/2004 en (EG) nr. 471/2009 worden met ingang van 1 januari 2022 ingetrokken.

3.   Verordening (EG) nr. 1165/1998 wordt met ingang van 1 januari 2024 ingetrokken.

4.   De leden 1, 2 en 3 doen geen afbreuk aan de in die rechtshandelingen opgenomen verplichtingen in verband met de toezending van gegevens en metagegevens, daaronder begrepen de kwaliteitsverslagen, voor de referentieperioden die geheel of gedeeltelijk vóór de in die leden genoemde respectieve data vallen.

5.   Verwijzingen naar de ingetrokken wetgevingsbesluiten gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 26

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

3.   Artikel 5, leden 2, 3 en 4, en de artikelen 11 tot en met 15 zijn echter van toepassing met ingang van 1 januari 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 27 november 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitster

T. TUPPURAINEN


(1)  PB C 77 van 1.3.2018, blz. 2.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt) en besluit van de Raad van 19 november 2019.

(3)  Verordening (EG) nr. 177/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor ondernemingsregisters voor statistische doeleinden en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2186/93 van de Raad (PB L 61 van 5.3.2008, blz. 6).

(4)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(5)  Besluit nr. 1297/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende een programma tot modernisering van de Europese bedrijfs- en handelsstatistiek (Meets) (PB L 340 van 19.12.2008, blz. 76).

(6)  Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).

(7)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

(9)  PB C 238 van 6.7.2018, blz. 28.

(10)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(11)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(12)  Verordening (EG) nr. 48/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 5 december 2003 betreffende de productie van jaarlijkse communautaire statistieken over de staalindustrie voor de referentiejaren 2003-2009 (PB L 7 van 13.1.2004, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 638/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de communautaire statistieken van het goederenverkeer tussen de lidstaten en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 3330/91 van de Raad (PB L 102 van 7.4.2004, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 808/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende communautaire statistieken over de informatiemaatschappij (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 49).

(15)  Verordening (EG) nr. 716/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de communautaire statistiek van de structuur en de activiteit van buitenlandse filialen (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 17).

(16)  Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 betreffende structurele bedrijfsstatistieken (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 13).

(17)  Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 23).

(18)  Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2003 betreffende de productie en de ontwikkeling van een communautaire statistiek inzake wetenschap en technologie (PB L 230 van 16.9.2003, blz. 1).

(19)  Verordening (EEG) nr. 3924/91 van de Raad van 19 december 1991 betreffende de totstandbrenging van een communautaire enquête naar de industriële productie (PB L 374 van 31.12.1991, blz. 1).

(20)  Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad van 19 mei 1998 inzake kortetermijnstatistieken (PB L 162 van 5.6.1998, blz. 1).

(21)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(22)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

(23)  Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad van 15 maart 1993 inzake de statistische eenheden voor waarneming en analyse van het productiestelsel in de Gemeenschap (PB L 76 van 30.3.1993, blz. 1).

(24)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(25)  Verordening (EG) nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen (PB L 35 van 8.2.2005, blz. 23).

(26)  Verordening (EU) nr. 99/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende het Europees statistisch programma 2013-2017 (PB L 39 van 9.2.2013, blz. 12).

(27)  Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).


BIJLAGE I

TE BESTRIJKEN ONDERWERPEN

Domein 1. Kortetermijnbedrijfsstatistieken

Onderwerpen

Gedetailleerde onderwerpen

Bedrijvenpopulatie

Zakelijke demografische gebeurtenissen

Input van arbeid

Werkgelegenheid

Gewerkte uren

Loonkosten

Prijzen

Invoerprijzen

Producentenprijzen

Output en prestaties

Productie

Omvang van de verkoop

Netto-omzet

Onroerend goed

Onroerend goed

Domein 2. Bedrijfsstatistieken op nationaal niveau

Onderwerpen

Gedetailleerde onderwerpen

Bedrijvenpopulatie

Populatie van actieve ondernemingen

Zakelijke demografische gebeurtenissen (geboorte, overlijden, overleving)

Ondernemingen in buitenlandse handen

Ondernemingen in buitenlandse handen en binnenlandse filialen

Populatie van ondernemingen die actief zijn in internationale handel

Input van arbeid

Werkgelegenheid

Werkgelegenheid met betrekking tot zakelijke demografische gebeurtenissen (geboorte, overlijden, overleving)

Werkgelegenheid in ondernemingen in buitenlandse handen

Werkgelegenheid in ondernemingen in buitenlandse handen en binnenlandse filialen

Gewerkte uren

Loonkosten

Arbeidskosten in ondernemingen in buitenlandse handen

O&O-inputs

O&O-uitgaven

Werkgelegenheid in O&O

O&O-uitgaven in ondernemingen in buitenlandse handen

O&O-werkgelegenheid in ondernemingen in buitenlandse handen

Door de overheid gefinancierd O&O

Aankopen

Aankoop goederen en diensten

Voorraadwijziging

Aankopen van goederen en diensten door ondernemingen in buitenlandse handen

Invoer door ondernemingen

Output en prestaties

Netto-omzet

Brutowinst op voor wederverkoop bestemde goederen

Waarde van de output

Toegevoegde waarde

Bruto-exploitatieoverschot

Netto-omzet van ondernemingen in buitenlandse handen

Waarde van de output van ondernemingen in buitenlandse handen

Toegevoegde waarde van ondernemingen in buitenlandse handen

Netto-omzet van ondernemingen die zeggenschap hebben over buitenlandse ondernemingen en hun filialen in het binnenland

Industriële productie

Uitvoer door ondernemingen

Investeringen

Bruto-investering

Bruto-investeringen door ondernemingen in buitenlandse handen

Innovatie

Innovatie

ICT-gebruik en e-handel

ICT-gebruik en e-handel

Domein 3. Regionale bedrijfsstatistieken

Onderwerpen

Gedetailleerde onderwerpen

Bedrijvenpopulatie

Populatie per regio

Zakelijke demografische gebeurtenissen per regio (geboorte, overlijden, overleving)

Input van arbeid

Werkgelegenheid per regio

Werkgelegenheid met betrekking tot zakelijke demografische gebeurtenissen per regio (geboorte, overlijden, overleving)

Arbeidskosten per regio

O&O-inputs

O&O-uitgaven per regio

O&O-werkgelegenheid per regio

Domein 4. Statistieken over internationale activiteiten

Onderwerpen

Gedetailleerde onderwerpen

Bedrijvenpopulatie

Populatie van ondernemingen in het buitenland die onder zeggenschap van ingezeten institutionele eenheden van het rapporterende land staan

Input van arbeid

Werkgelegenheid in ondernemingen in het buitenland die onder zeggenschap van ingezeten institutionele eenheden van het rapporterende land staan

Arbeidskosten in ondernemingen in het buitenland die onder zeggenschap van ingezeten institutionele eenheden van het rapporterende land staan

Investeringen

Bruto-investeringen door ondernemingen in het buitenland die onder zeggenschap van ingezeten institutionele eenheden van het rapporterende land staan

Output en prestaties

Netto-omzet van ondernemingen in het buitenland die onder zeggenschap van ingezeten institutionele eenheden van het rapporterende land staan

Internationale handel in goederen

Intra-EU-handel in goederen

Extra-EU-handel in goederen

Internationale handel in diensten

Invoer van diensten

Uitvoer van diensten

Netto diensten

Mondiale waardeketens

Mondiale waardeketens


BIJLAGE II

PERIODICITEIT, REFERENTIEPERIODE EN STATISTISCHE EENHEID VAN DE ONDERWERPEN

Domein 1. Kortetermijnbedrijfsstatistieken

Onderwerpen

Periodiciteit

Referentieperiode

Statistische eenheid

Bedrijvenpopulatie

driemaandelijks

kwartaal

juridische eenheid

Input van arbeid

driemaandelijks (maandelijks facultatief)

kwartaal (maand facultatief)

EEA

Prijzen

maandelijks

met de volgende uitzonderingen

– producentenprijzen voor diensten en producentenprijzen voor nieuwe woningen: driemaandelijks

maand

met de volgende uitzonderingen

– producentenprijzen voor diensten en producentenprijzen voor nieuwe woningen: kwartaal (maand facultatief)

EEA

met de volgende uitzondering

– invoerprijzen: niet van toepassing

Output en prestaties

maandelijks

met de volgende uitzondering

– kleine landen voor sectie F van de NACE: driemaandelijks (maandelijks facultatief)

maand

met de volgende uitzondering

– kleine landen voor sectie F van de NACE: kwartaal (maand facultatief)

EEA

 

maandelijks; driemaandelijks voor kleine * landen voor sectie F van de NACE

* Zoals bepaald in de uitvoeringshandelingen bedoeld in artikel 7, lid 1.

 

 

Onroerend goed

Driemaandelijks (maandelijks facultatief)

Kwartaal (maand facultatief)

niet van toepassing.

Domein 2. Bedrijfsstatistieken op nationaal niveau

Onderwerpen

Periodiciteit

Referentieperiode

Statistische eenheid

Bedrijvenpopulatie

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

Input van arbeid

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

O&O-inputs

tweejaarlijks;

met de volgende uitzonderingen

– de uitsplitsing naar prestatiesector van de prestaties voor intramurale O&O-uitgaven, O&O-personeel en het aantal onderzoekers, alsmede voor uit de overheidsbegroting toegewezen middelen voor O&O (GBAORD) - en nationale overheidsmiddelen voor transnationaal gecoördineerde O&O: jaarlijks

kalenderjaar

onderneming voor de sector ondernemingen

institutionele eenheid voor de overige sectoren

Aankopen

jaarlijks

met de volgende uitzondering

– betalingen aan onderaannemers driejaarlijks

kalenderjaar

onderneming

Output en prestaties

Jaarlijks

met de volgende uitzonderingen

– uitsplitsing van de netto-omzet naar product en netto-omzet naar plaats van vestiging van de cliënt voor NACE 69.1, 69.2, 70.2, 71.1, 71.2 en 73.2: tweejaarlijks

– Netto-omzet uit landbouw, bosbouw, visserij en industriële activiteiten, netto-omzet uit industriële activiteiten, netto-omzet uit industriële activiteiten met uitzondering van de bouwnijverheid, netto-omzet uit bouwnijverheid, netto-omzet uit dienstenactiviteiten, netto-omzet uit handelsactiviteiten met betrekking tot aankoop en wederverkoop en uit intermediaire activiteiten, netto-omzet uit burgerlijke en utiliteitsbouw en netto-omzet uit grond-, weg- en waterbouw: om de vijf jaar

– inkomsten uit onderaanneming: om de drie jaar

kalenderjaar

onderneming

met de volgende uitzonderingen

– verkochte productie, productie uit uitbestede bewerkingen en feitelijke productie: EEA

Investeringen

jaarlijks

met de volgende uitzondering

– investeringen in immateriële activa: om de drie jaar

kalenderjaar

onderneming

Innovatie

tweejaarlijks

de referentieperiode is een periode van drie jaar vóór het einde van ieder paar kalenderjaar

onderneming

ICT-gebruik en e-handel

jaarlijks

kalenderjaar waarin de uitvoeringshandeling tot bepaling van de variabelen wordt vastgesteld;

voor de overige variabelen, kalenderjaar volgend op het jaar waarin de uitvoeringshandeling tot bepaling van de variabelen wordt vastgesteld

onderneming

Domein 3. Regionale bedrijfsstatistieken

Onderwerpen

Periodiciteit

Referentieperiode

Statistische eenheid

Bedrijvenpopulatie

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

met de volgende uitzondering

– aantal lokale eenheden (facultatief voor sectie K van de NACE): lokale eenheid

Input van arbeid

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

met de volgende uitzonderingen

– aantal werknemers en zelfstandigen in lokale eenheden, lonen en salarissen in lokale eenheden: lokale eenheid

O&O-inputs

tweejaarlijks

kalenderjaar

onderneming voor de sector ondernemingen; institutionele eenheid voor de overige sectoren

Domein 4. Statistieken over internationale activiteiten

Onderwerpen

Periodiciteit

Referentieperiode

Statistische eenheid

Bedrijvenpopulatie

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

Input van arbeid

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

Investeringen

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

Output en prestaties

jaarlijks

kalenderjaar

onderneming

Internationale handel in goederen

maandelijks

met de volgende uitzondering

– tweejaarlijks voor gecombineerde uitsplitsingen van product en factuurvaluta voor de extra-Unie-invoer en -uitvoer van goederen

te bepalen in de uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 7, lid 1, punt j)

Niet van toepassing

Internationale handel in diensten

Jaarlijks

met de volgende uitzondering

– uitsplitsingen voor diensten op het eerste niveau: driemaandelijks

kalenderjaar

met de volgende uitzondering

– uitsplitsingen voor diensten op het eerste niveau: kwartaal

Niet van toepassing

Mondiale waardeketens

driejaarlijks

drie kalenderjaren; referentiejaar t en referentieperiode t-2 tot en met t

onderneming


BIJLAGE III

ELEMENTEN VAN HET EUROPEES KADER VOOR ONDERNEMINGENREGISTERS VOOR STATISTISCHE DOELEINDEN

Deel A: Gedetailleerde onderwerpen voor het register en unieke identificator

1.

De eenheden in de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en in het EuroGroups-register als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, worden voorzien van een identificatienummer en gedetailleerde onderwerpen voor het register, die nader worden bepaald in deel C.

2.

De eenheden in de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en in het EuroGroups-register hebben een uniek identificatienummer, zulks ter vergemakkelijking van de rol van het Europees kader voor ondernemingenregisters voor statistische doeleinden met betrekking tot infrastructuur. Die identificatienummers worden door de NSA's verstrekt. De identificatienummers voor juridische eenheden en multinationale ondernemingengroepen die relevant zijn voor het EuroGroups-register zullen door de Commissie (Eurostat) worden verstrekt. Voor nationale doeleinden kunnen de NSA's het additionele identificatienummer handhaven in de nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden.

Deel B: Tijdschema en periodiciteit

3.

De nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register worden ten minste een keer per jaar bijgewerkt door middel van opnemingen in en verwijderingen uit de registers.

4.

De frequentie waarmee de registers worden geactualiseerd, wordt bepaald door het soort eenheid, de beschouwde variabele, de grootte van de eenheid en de bron die voor de actualisering gebruikelijk is.

5.

De lidstaten maken aan het eind van elk jaar een kopie van het nationale ondernemingenregister voor statistische doeleinden en bewaren deze kopie ten minste dertig jaar voor analysedoeleinden. De Commissie (Eurostat) maakt aan het eind van het jaar een kopie van het EuroGroups-register en bewaart deze kopie ten minste dertig jaar voor analysedoeleinden.

Deel C: Gedetailleerde onderwerpen voor bedrijfsregisters

De nationale ondernemingenregisters voor statistische doeleinden en het EuroGroups-register bevatten, voor de verschillende eenheden die in artikel 2 van deze verordening zijn gedefinieerd, de volgende gedetailleerde onderwerpen per eenheid.

EENHEDEN

GEDETAILLEERDE ONDERWERPEN

1. JURIDISCHE EENHEDEN

Identificatie

Demografische gebeurtenissen

Stratificatieparameters

Banden met onderneming

Koppeling met andere registers

Band met ondernemingengroep

Zeggenschap over eenheden

Eigendom van eenheden

2. ONDERNEMINGENGROEP

Identificatie

Demografische gebeurtenissen

Stratificatieparameters en economische variabelen

3. ONDERNEMING

Identificatie

Band met andere eenheden

Demografische gebeurtenissen

Stratificatieparameters en economische variabelen

4. LOKALE EENHEID

Identificatie

Demografische gebeurtenissen

Stratificatieparameters en economische variabelen

Banden met andere eenheden en registers

5. EENHEID VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT

indien bestreken als statistische eenheid overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder c)

Identificatie

Demografische gebeurtenissen

Stratificatieparameters en economische variabelen

Banden met andere eenheden en registers


BIJLAGE IV

GEDETAILLEERDE ONDERWERPEN EN VARIABELEN VOOR DE UITWISSELING VAN VERTROUWELIJKE GEGEVENS TEN BEHOEVE VAN HET EUROPEES KADER VOOR ONDERNEMINGENREGISTERS VOOR STATISTISCHE DOELEINDEN

Als 'voorwaardelijk' aangemerkte punten zijn verplicht indien zij beschikbaar zijn in de lidstaten, en als 'facultatief' aangemerkte punten strekken tot aanbeveling.

1.   

Door de bevoegde NSA's aan de Commissie (Eurostat) toe te zenden gegevens die tussen de bevoegde NSA's mogen worden uitgewisseld [artikel 10, leden 1 en 2]

Eenheden

Gedetailleerde onderwerpen

Variabelen

Juridische eenheid

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Demografische gebeurtenissen

Oprichtingsdatum (rechtspersonen) of datum van officiële erkenning als economisch subject (natuurlijke personen)

Datum waarop de juridische eenheid is opgehouden te bestaan

 

Stratificatieparameters

Rechtsvorm

Juridische status van de activiteit

Vlag voor bijkantoren in de zin van punt 18.12 van hoofdstuk 18 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 (voorwaardelijk)

Vlag voor voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten in de zin van de punten 2.17 tot en met 2.20 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 (facultatief)

 

Zeggenschap over eenheden

Identificatievariabelen van de juridische eenheid die hetzij onder zeggenschap staat, hetzij zeggenschap uitoefent

 

Eigendom van eenheden

Identificatievariabelen van de juridische eenheid die hetzij de eigendom, hetzij de eigenaar is

Aandelen (%) van de ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigendom is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Aandelen (%) van de ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigenaar is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Aandelen (%) van de niet-ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigendom is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Aandelen (%) van de niet-ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigenaar is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Begin- en einddatum van het aandeelhouderschap (voorwaardelijk)

Ondernemingengroep

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Stratificatieparameters en economische variabelen

Hoofdactiviteit van de ondernemingengroep volgens de tweecijfercode van de NACE

Nevenactiviteiten van de ondernemingengroep volgens de tweecijfercode van de NACE (facultatief)

Aantal werknemers en zelfstandigen (voorwaardelijk)

Netto-omzet (voorwaardelijk)

Totale activa van de ondernemingengroep (voorwaardelijk)

Landen waar de niet-ingezeten ondernemingen of lokale eenheden gevestigd zijn (facultatief)

Onderneming

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Band met andere eenheden

Identificatienummer(s) van de juridische eenheid (eenheden) waaruit de onderneming bestaat

Identificatienummer van de ondernemingengroep waartoe de onderneming behoort

 

Demografische gebeurtenissen

Datum van aanvang van de activiteiten

Datum van definitieve stopzetting van de activiteiten

 

Stratificatieparameters en economische variabelen

Hoofdactiviteit van de onderneming volgens de viercijfercode van de NACE

Aantal werknemers en zelfstandigen

Aantal werknemers

Netto-omzet

Institutionele sector en subsector in de zin van Verordening (EU) nr. 549/2013

2.   

Door de Commissie (Eurostat) aan de bevoegde NSA's toe te zenden gegevens waarvan de uitwisseling tussen de Commissie (Eurostat) en de bevoegde centrale banken moet worden toegestaan in geval van toestemming [artikel 10, leden 2 en 4]

Eenheden

Gedetailleerde onderwerpen

Variabelen

Juridische eenheid

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Demografische gebeurtenissen

Oprichtingsdatum (rechtspersonen) of datum van officiële erkenning als economisch subject (natuurlijke personen)

Datum waarop de juridische eenheid is opgehouden te bestaan

 

Stratificatieparameters

Rechtsvorm

Juridische status van de activiteit

Vlag voor bijkantoren in de zin van punt 18.12 van hoofdstuk 18 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 (voorwaardelijk)

Vlag voor voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten in de zin van de punten 2.17 tot en met 2.20 van hoofdstuk 20 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 (facultatief)

 

Banden met onderneming

Identificatievariabelen van de onderneming(en) waarvan de eenheid deel uitmaakt

Datum van verbinding met de onderneming(en)(voorwaardelijk)

Datum van afscheiding van de onderneming(en)(voorwaardelijk)

 

Koppeling met andere registers

Koppeling met andere registers

 

Band met ondernemingengroep

Identificatievariabelen van de ondernemingengroep waarvan de eenheid deel uitmaakt

Datum van verbinding met de ondernemingengroep

Datum van afscheiding van de ondernemingengroep

 

Zeggenschap over eenheden

Identificatievariabelen van de juridische eenheid die hetzij onder zeggenschap staat, hetzij zeggenschap uitoefent

 

Eigendom van eenheden

Identificatievariabelen van de juridische eenheid die hetzij de eigendom, hetzij de eigenaar is

Aandelen (%) van de ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigendom is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Aandelen (%) van de ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigenaar is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Aandelen (%) van de niet-ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigendom is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Aandelen (%) van de niet-ingezeten juridische eenheid (eenheden) die eigenaar is (zijn) van de juridische eenheid (voorwaardelijk)

Begin- en einddatum van de participaties (voorwaardelijk)

Ondernemingengroep

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Demografische gebeurtenissen

Datum van aanvang van de ondernemingengroep

Datum van stopzetting van de ondernemingengroep

 

Stratificatieparameters en economische variabelen

Hoofdactiviteit van de ondernemingengroep volgens de tweecijfercode van de NACE

Nevenactiviteiten van de ondernemingengroep volgens de tweecijfercode van de NACE

Aantal werknemers en zelfstandigen (voorwaardelijk)

Netto-omzet (voorwaardelijk)

Totale activa van de ondernemingengroep (voorwaardelijk)

Landen waar de niet-ingezeten ondernemingen of lokale eenheden gevestigd zijn (facultatief)

Onderneming

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Band met andere eenheden

Identificatienummer(s) van de juridische eenheid (eenheden) waaruit de onderneming bestaat

Identificatienummer van de multinationale of nationale ondernemingengroep waartoe de onderneming behoort

 

Demografische gebeurtenissen

Datum van aanvang van de activiteiten

Datum van definitieve stopzetting van de activiteiten

 

Stratificatieparameters en economische variabelen

Hoofdactiviteit van de ondernemingengroep volgens de viercijfercode van de NACE

Nevenactiviteiten van de ondernemingengroep volgens de viercijfercode van de NACE (voorwaardelijk)

Aantal werknemers en zelfstandigen

Aantal werknemers

Aantal werknemers in voltijdequivalenten (facultatief)

Netto-omzet

Institutionele sector en subsector in de zin van Verordening (EG) nr. 549/2013

3.   

Uitwisselingen van gegevens over juridische eenheden met rechtspersoonlijkheid voor identificatiedoeleinden artikel 10, lid 3

3.1.

Door de bevoegde NSA's aan de Commissie (Eurostat) toe te zenden gegevens over ingezeten juridische eenheden met rechtspersoonlijkheid

Eenheden

Gedetailleerde onderwerpen

Variabelen

Juridische eenheid

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Demografische gebeurtenissen

Oprichtingsdatum (rechtspersonen) of datum van officiële erkenning als economisch subject (natuurlijke personen)

Datum waarop de juridische eenheid is opgehouden te bestaan

 

Stratificatieparameters

Rechtsvorm

Juridische status van de activiteit

Vlag voor bijkantoren in de zin van punt 18.12 van hoofdstuk 18 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 (voorwaardelijk)

3.2.

Door de NSA's aan de Commissie (Eurostat) toe te zenden gegevens over buitenlandse juridische eenheden met rechtspersoonlijkheid

Eenheden

Gedetailleerde onderwerpen

Variabelen

Juridische eenheid

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Demografische gebeurtenissen

Oprichtingsdatum (rechtspersonen) of datum van officiële erkenning als economisch subject (natuurlijke personen)

Datum waarop de juridische eenheid is opgehouden te bestaan

 

Stratificatieparameters

Rechtsvorm (facultatief)

Juridische status van de activiteit

Vlag voor bijkantoren in de zin van punt 18.12 van hoofdstuk 18 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 (voorwaardelijk)

3.3.

Door de Commissie (Eurostat) aan de bevoegde NSA's toe te zenden gegevens over juridische eenheden met rechtspersoonlijkheid

Eenheden

Gedetailleerde onderwerpen

Variabelen

Juridische eenheid

Identificatie

Identificatievariabelen

 

Demografische gebeurtenissen

Oprichtingsdatum (rechtspersonen) of datum van officiële erkenning als economisch subject (natuurlijke personen)

Datum waarop de juridische eenheid is opgehouden te bestaan

 

Stratificatieparameters

Rechtsvorm

Juridische status van de activiteit

Vlag voor bijkantoren in de zin van punt 18.12 van hoofdstuk 18 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 (voorwaardelijk)


BIJLAGE V

Door de bevoegde belastingdiensten van elke lidstaat aan de in artikel 5, lid 2, bedoelde NSA's te verstrekken informatie

a)

informatie uit btw-aangiften van belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die, voor het beschouwde tijdvak, aangifte hebben gedaan van intra-EU goederenleveringen overeenkomstig artikel 251, punt a), van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad of van intra-EU verwerving van goederen overeenkomstig artikel 251, punt c), van die Richtlijn,

b)

informatie uit de lijsten van intra-EU leveringen opgesteld op basis van de btw‐lijsten als bedoeld in de artikelen 264 en 265 van Richtlijn 2006/112/EG;

c)

informatie over intra-EU verwervingen, medegedeeld door alle andere lidstaten overeenkomstig artikel 21, lid 2, van Verordening (EU) nr. 904/2010 (1) van de Raad.


(1)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268, 12.10.2010, blz. 1).


BIJLAGE VI

Door de verantwoordelijke douaneautoriteiten van elke lidstaat aan de in artikel 5, lid 3, bedoelde NSA's te verstrekken informatie

a)

informatie ter identificatie van de persoon die de intra-EU-uitvoer en de intra‐EU‐invoer verricht van onder de douaneprocedures voor actieve veredeling vallende goederen,

b)

op grond van de douanebepalingen van de Unie verstrekte registratie- en identificatiegegevens van de economische subjecten, die beschikbaar zijn in het elektronisch systeem voor het EORI-nummer als bedoeld in artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (1),

c)

de geregistreerde invoer en uitvoer op basis van de douaneaangiften die door de nationale douaneautoriteiten werden aanvaard of met betrekking waartoe door deze autoriteiten een besluit is genomen en die:

i)

bij de nationale douaneautoriteiten werden ingediend; of

ii)

waarvoor overeenkomstig artikel 225 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2247 de aanvullende aangifte beschikbaar is via rechtstreekse elektronische toegang tot het systeem van de vergunninghouder.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/36


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/2153 VAN DE COMMISSIE

van 16 december 2019

inzake de vergoedingen en heffingen die worden geheven door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 319/2014

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 (1) van de Raad, en met name artikel 126, lid 4,

Na raadpleging van de raad van beheer van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 omvatten de inkomsten van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (het Agentschap) onder meer de vergoedingen die worden betaald door aanvragers en houders van door het Agentschap afgegeven certificaten, en door alle personen die een verklaring hebben geregistreerd bij het Agentschap, alsook de heffingen voor publicaties, behandeling van beroepen, opleiding en alle andere door het Agentschap verleende diensten.

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 319/2014 (2) van de Commissie zijn vergoedingen en heffingen vastgesteld die door het Agentschap worden geheven. De tarieven moeten echter worden aangepast om de kosten te dekken, maar tegelijk moeten significante overschotten worden vermeden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 126, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1139.

(3)

In dit opzicht moet rekening worden gehouden met de prognoses van het Agentschap met betrekking tot zijn werklast, daarmee verband houdende kosten en andere relevante factoren.

(4)

De vergoedingen en heffingen waarin deze verordening voorziet, moeten op transparante, billijke, niet-discriminerende en uniforme wijze worden vastgesteld.

(5)

Onverminderd het bij artikel 126 van Verordening (EU) 2018/1139 vastgestelde beginsel van kostendekking, mogen de door het Agentschap opgelegde vergoedingen en heffingen het concurrentievermogen van de desbetreffende sector van de Unie niet in gevaar brengen. Bij het vaststellen van die vergoedingen en heffingen moet voorts ook rekening worden gehouden met het betalingsvermogen van de betrokken natuurlijke en rechtspersonen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen.

(6)

De veiligheid van de burgerluchtvaart moet de eerste prioriteit van het Agentschap zijn, maar gezien de omvang van zijn taken, met name na de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2018/1139, en de middelen waarover het beschikt, moet het ook streven naar kostenefficiëntie.

(7)

Het Agentschap moet de mogelijkheid krijgen vergoedingen en heffingen op te leggen voor certificeringstaken of de levering van andere diensten die niet specifiek vermeld zijn in de bijlage bij deze verordening, maar die binnen de werkingssfeer van Verordening (EU) 2018/1139 vallen.

(8)

De in artikel 68, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 bedoelde overeenkomsten moeten de basis vormen voor de beoordeling van de werkbelasting die de certificering van producten van derde landen met zich meebrengt. In beginsel is het proces waarbij het Agentschap certificaten valideert die zijn afgegeven door derde landen waarmee de Unie een passende overeenkomst heeft gesloten, beschreven in die overeenkomsten en leidt dit proces tot een andere werkbelasting dan die welke vereist is voor de certificeringsactiviteiten van het Agentschap.

(9)

Er moeten uiterste termijnen worden vastgesteld voor de betaling van de vergoedingen en heffingen die krachtens deze verordening worden opgelegd.

(10)

Om het mogelijk te maken dat vergoedingen en heffingen zo veel mogelijk worden ingevorderd, moeten passende verhaalmiddelen worden vastgesteld in geval van wanbetaling en risico op wanbetaling.

(11)

De vestigingsplaats van de ondernemingen op het grondgebied van de lidstaten mag niet tot ongelijke behandeling leiden. Bijgevolg moeten de reiskosten die verband houden met de ten behoeve van dergelijke ondernemingen uitgevoerde certificeringstaken worden bijeengevoegd en over de aanvragers verdeeld.

(12)

Aanvragers moeten kunnen verzoeken om een raming van het bedrag dat moet worden betaald voor certificeringstaken en -diensten, teneinde de voorspelbaarheid te vergroten. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn dat het Agentschap een voorafgaande technische analyse uitvoert alvorens de raming te kunnen opstellen. Gezien de kosten van een dergelijke analyse is het gerechtvaardigd dat het Agentschap dienovereenkomstig wordt vergoed.

(13)

Een beroep tegen een besluit van het Agentschap is redelijkerwijs alleen ontvankelijk als de vergoedingen voor een dergelijk beroep volledig zijn betaald.

(14)

Deze verordening moet de sector in staat stellen te anticiperen op de hoogte van de vergoedingen en heffingen die zij moet betalen, maar het is ook nodig regelmatig na te gaan of de voorwaarden ervan moeten worden herzien overeenkomstig artikel 126, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139.

(15)

Belanghebbende partijen moeten worden geraadpleegd alvorens de vergoedingen worden gewijzigd, en moeten informatie krijgen over de wijze waarop die worden berekend. Dergelijke informatie moet de belanghebbende partijen inzicht verschaffen in de kosten en de productiviteit van het Agentschap.

(16)

De herziening van de tarieven dient plaats te vinden volgens een procedure die het mogelijk maakt zonder onnodige vertraging wijzigingen aan te brengen op basis van de ervaring die het Agentschap heeft opgedaan met de toepassing van deze verordening, het permanent toezicht op de hulpmiddelen en de werkmethode, en de voortdurende beoordeling van de financiële behoeften.

(17)

Verordening (EU) nr. 319/2014 dient te worden ingetrokken, onverminderd de overgangsbepalingen.

(18)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt vastgesteld voor welke aangelegenheden vergoedingen en heffingen verschuldigd zijn aan het Agentschap, wordt het bedrag van de vergoedingen en heffingen bepaald, alsmede de wijze waarop zij moeten worden betaald.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

“vergoedingen”: de door het Agentschap geïnde bedragen die door de aanvragers verschuldigd zijn voor certificeringstaken;

b)

“heffingen”: de door het Agentschap geïnde bedragen voor andere diensten dan certificeringstaken;

c)

“certificeringstaak”: elke direct of indirect door het Agentschap uitgevoerde activiteit die noodzakelijk is voor de afgifte, verlenging of wijziging van certificaten krachtens Verordening (EU) 2018/1139 en de op basis van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen;

d)

“dienst”: elke door het Agentschap uitgevoerde activiteit behalve certificeringstaken, met inbegrip van de levering van goederen;

e)

“aanvrager”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die om een door het Agentschap verrichte certificering-staak of dienst verzoekt;

f)

“facturatiecyclus”: de terugkerende periode van twaalf maanden die wordt toegepast op meerjarige projecten en op surveillancetaken. Deze periode vangt aan:

1)

op de datum waarop de aanvraag wordt ontvangen, voor de in de tabellen 1 tot en met 6 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen en heffingen;

2)

op 1 juni volgend op de afgifte van het certificaat, voor de in tabel 8 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen;

3)

op de datum waarop de aanvraag wordt ontvangen, voor de in de tabellen 9 tot en met 15 van deel I van de bijlage vermelde erkenningsvergoedingen;

4)

op de datum waarop het certificaat wordt afgegeven, voor de in de tabellen 9 tot en met 15 van deel I van de bijlage vermelde surveillancevergoedingen.

Artikel 3

Vaststelling van de vergoedingen en heffingen

1.   De vergoedingen en heffingen worden uitsluitend in overeenstemming met deze verordening door het Agentschap verlangd en geïnd.

2.   Tenzij anders bepaald in deze verordening, worden de vergoedingen en heffingen berekend volgens het in deel II van de bijlage vermelde uurtarief.

3.   De lidstaten leggen geen vergoedingen op voor werkzaamheden die onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen, zelfs niet wanneer zij deze voor rekening van het Agentschap uitvoeren. Het Agentschap vergoedt de lidstaten voor de werkzaamheden die zij voor rekening van het Agentschap uitvoeren.

4.   Alle vergoedingen en heffingen worden uitgedrukt en betaald in euro.

5.   De in de delen I, II en II bis van de bijlage vermelde bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de inflatie, in overeenstemming met de methode die in deel IV van de bijlage is uiteengezet.

6.   In afwijking van de vergoedingen als bedoeld in de bijlage, kunnen in een bilaterale overeenkomst specifieke bepalingen worden vastgesteld inzake vergoedingen voor certificeringstaken die worden uitgevoerd in het kader van die bilaterale overeenkomst.

Artikel 4

Betaling van de vergoedingen en heffingen

1.   Het Agentschap stelt de wijze van betaling van de vergoedingen en heffingen vast en geeft aan onder welke voorwaarden het Agentschap vergoedingen en heffingen oplegt voor certificeringstaken en diensten. Het Agentschap publiceert deze voorwaarden op zijn website.

2.   De aanvrager moet het volledige verschuldigde bedrag betalen binnen 30 kalenderdagen na de datum waarop de factuur naar de aanvrager is verstuurd.

3.   Wanneer de betaling van een factuur niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn is ontvangen, mag het Agentschap rente in rekening brengen voor elke kalenderdag vertraging.

4.   Het rentepercentage is de op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met acht procentpunten.

Artikel 5

Afwijzing of beëindiging om financiële redenen

1.   Onverminderd zijn reglement van orde kan het Agentschap:

a)

een aanvraag afwijzen als het de verschuldigde vergoedingen of heffingen niet heeft ontvangen na het verstrijken van de in artikel 4, lid 2, vermelde termijn;

b)

een aanvraag afwijzen of beëindigen als er aanwijzingen zijn dat de financiële draagkracht van de aanvrager in gevaar is, tenzij de aanvrager een bankgarantie of een zekerheid verstrekt.

c)

een aanvraag afwijzen of beëindigen in de gevallen die vermeld zijn in artikel 8, lid 4, tweede alinea;

d)

een aanvraag om overdracht van een certificaat afwijzen als de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de door het Agentschap uitgevoerde certificeringstaken of verleende diensten, niet zijn nagekomen.

2.   Alvorens te handelen overeenkomstig lid 1, overlegt het Agentschap met de aanvrager over de maatregel die het voornemens is te nemen.

Artikel 6

Reiskosten

1.   Als een certificeringstaak of -dienst geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de lidstaten wordt uitgevoerd, betaalt de aanvrager de reiskosten overeenkomstig de formule: d = v + a + h – e.

2.   waarbij:

 

d = verschuldigde reiskosten;

 

v = vervoerskosten;

 

a = officiële dagvergoedingen van de Commissie, welke accommodatie, maaltijden, lokaal vervoer op de plaats van bestemming en diverse kosten omvatten (3);

 

h = reistijd (standaardaantal reisuren per bestemming, vastgesteld door het Agentschap), tegen het in deel II van de bijlage vastgestelde uurtarief (4); indien de missie betrekking heeft op meerdere projecten, wordt het bedrag dienovereenkomstig opgesplitst;

 

e (e-component) = gemiddelde reiskosten op het grondgebied van de lidstaten, inclusief de gemiddelde vervoerskosten en de gemiddelde reistijd op het grondgebied van de lidstaten, vermenigvuldigd met het in deel II van de bijlage vermelde uurtarief. Het wordt jaarlijks herzien en geïndexeerd.

3.   De reiskosten die worden gemaakt in het kader van de in artikel 14, lid 2, bedoelde dienstverlening worden uitsluitend vergoed overeenkomstig deel II bis van de bijlage.

Artikel 7

Financiële raming

1.   Op verzoek van een aanvrager, en met inachtneming van lid 2, verstrekt het Agentschap een financiële raming.

2.   Als wegens de verwachte complexiteit van het project, een voorafgaande technische analyse door het Agentschap nodig is om de financiële raming te kunnen opstellen, wordt deze analyse per uur in rekening gebracht, op basis van een contactuele overeenkomst die door de aanvrager en het Agentschap wordt ondertekend.

3.   Op verzoek van de aanvrager worden de activiteiten opgeschort tot de gevraagde raming door het Agentschap is verstrekt en door de aanvrager is aanvaard.

4.   De prijsopgave wordt door het Agentschap aangepast indien blijkt dat de werkzaamheden eenvoudiger of sneller kunnen worden uitgevoerd dan aanvankelijk gepland of, in het tegenovergestelde geval, indien zij complexer zijn en meer tijd in beslag nemen dan het Agentschap redelijkerwijze kon verwachten.

HOOFDSTUK II

VERGOEDINGEN

Artikel 8

Algemene bepalingen met betrekking tot de betaling van vergoedingen

1.   Het volledige bedrag van de verschuldigde vergoedingen moet worden betaald vóór de certificeringstaak wordt uitgevoerd, tenzij het Agentschap anders beslist na een afweging van de financiële risico’s. Het Agentschap mag de vergoeding in een keer factureren nadat het de aanvraag heeft ontvangen, of bij het begin van de jaarlijkse of de surveillanceperiode.

2.   De door de aanvrager voor een bepaalde certificeringstaak te betalen vergoeding is:

a)

een vaste vergoeding, zoals uiteengezet in deel I van de bijlage, of

b)

een variabele vergoeding.

3.   De in lid 2, onder b), vermelde variabele vergoeding wordt vastgesteld door vermenigvuldiging van het werkelijke aantal gewerkte uren en het in deel II van de bijlage vermelde uurtarief.

4.   Indien gerechtvaardigd op grond van technische omstandigheden die relevant zijn voor de bij deze verordening vastgestelde vergoedingen mag het Agentschap, met instemming van de aanvrager:

a)

een aanvraag opnieuw indelen in een van de in de bijlage bij deze verordening vermelde categorieën;

b)

meerdere aanvragen bundelen tot één aanvraag, voor zover die aanvragen betrekking hebben op hetzelfde type ontwerp en op een van de volgende, ongeacht in welke combinatie:

i)

ingrijpende wijzigingen,

ii)

ingrijpende reparaties, of

iii)

aanvullende typecertificaten.

Als de aanvrager niet instemt met de voorgestelde herindeling, kan het Agentschap de aanvraag of aanvragen afwijzen of beëindigen.

Artikel 9

Betalingstermijnen

1.   De in de tabellen 1, 2 en 3 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven per aanvraag en per periode van twaalf maanden. Voor de periode na de eerste twaalf maanden bedragen de vergoedingen 1/365ste van de relevante jaarvergoeding per dag.

2.   De in tabel 4 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven per aanvraag.

3.   De in tabel 8 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven per periode van twaalf maanden.

4.   De in de tabellen 9 tot en met 14 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven als volgt:

a)

erkenningsvergoedingen worden geheven per aanvraag;

b)

surveillancevergoedingen worden geheven per periode van twaalf maanden;

Wijzigingen van een organisatie die gevolgen hebben voor haar erkenning hebben met ingang van de periode van twaalf maanden volgende op de goedkeuring van de wijziging een herberekening van de verschuldigde surveillancevergoeding tot gevolg.

5.   In de in artikel 2, onder f), 2), bedoelde gevallen worden de vergoedingen voor de periode tussen de datum van afgifte van het certificaat en het begin van de eerste facturatiecyclus daarna, berekend pro-rata temporis, op basis van tabel 8 van deel I van de bijlage.

6.   Als de herindeling van een aanvraag tot een wijziging van de toepasselijke vergoedingen leidt, worden de vergoedingen als volgt herberekend:

a)

vergoedingen die per aanvraag worden opgelegd, worden herberekend vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag;

b)

vergoedingen die per aanvraag en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, worden herberekend voor de lopende facturatiecyclus en daarna.

c)

Als het Agentschap meerdere aanvragen bundelt tot één aanvraag, overeenkomstig artikel 8, lid 4, wordt de vergoeding herberekend vanaf de datum die relevant wordt geacht voor de herindeling.

Artikel 10

Afwijzing van aanvragen, stopzetting en onderbreking van de uitvoering van taken die verband houden met aanvragen

1.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet of onderbroken, moeten de toepasselijke vergoedingen, samen met de bijbehorende reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op het ogenblik dat het Agentschap stopt met de uitvoering van de taak.

2.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet, wordt het saldo van alle verschuldigde vergoedingen als volgt berekend:

a)

Voor de in de tabellen 1, 2 en 3 van deel I van de bijlage bedoelde vergoedingen, die per aanvraag en per periode van twaalf maanden worden berekend, bedraagt het saldo van de vergoedingen die verschuldigd zijn voor de lopende facturatiecyclus per dag 1/365ste van de desbetreffende jaarlijkse vergoeding. Voor de perioden die voorafgaan aan de lopende periode van twaalf maanden blijven de toepasselijke vergoedingen verschuldigd;

b)

voor de in de tabellen 4 en 15 van deel I van de bijlage bedoelde vergoedingen en voor de in deel II van de bijlage bedoelde vaste vergoedingen, die per aanvraag worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde vergoedingen 50 % van de toepasselijke vergoeding;

c)

voor de in de tabellen 9 tot en met 14 van deel I van de bijlage bedoelde vergoedingen, die per aanvraag worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend op uurbasis, waarbij dit bedrag niet hoger mag liggen dan de toepasselijke vaste vergoeding;

d)

voor de in deel II van de bijlage bedoelde vergoedingen, die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend op uurbasis;

e)

voor vergoedingen die niet onder a) tot en met d) zijn vermeld, wordt het saldo berekend op uurbasis, tenzij anders overeenkomen tussen de aanvrager en het Agentschap.

3.   Wanneer de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag tijdens de eerste facturatiecyclus wordt onderbroken, worden de vergoedingen voor die facturatiecyclus niet terugbetaald. Wanneer een dergelijke onderbreking van kracht wordt na de eerste facturatiecyclus, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend overeenkomstig de criteria van lid 2, onder a). Wanneer het Agentschap, na een onderbreking van de uitvoering van een taak die verband houdt met een aanvraag, de uitvoering van die taak hervat, legt het automatisch een nieuwe vergoeding op na het verstrijken van de door de aanvrager gekozen onderbrekingsperiode of eerder, op verzoek van de aanvrager, ongeacht de vergoedingen die reeds betaald zijn voor de onderbroken taak.

4.   Voor de toepassing van deze verordening wordt

a)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de datum van ontvangst van het verzoek;

b)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op initiatief van het Agentschap geacht van kracht te worden op de datum waarop het besluit tot stopzetting wordt meegedeeld aan de aanvrager;

c)

de onderbreking van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de door de aanvrager opgegeven datum, maar niet eerder dan de datum waarop het Agentschap het verzoek ontvangt.

5.   Met vergoedingen die betaald zijn voor een aanvraag waarvan de uitvoering is stopgezet, wordt geen rekening gehouden bij een daaropvolgende taak, zelfs niet als deze van dezelfde aard is als de stopgezette taak.

Artikel 11

Opschorting of intrekking van certificaten

1.   Indien het Agentschap de verschuldigde vergoedingen niet heeft ontvangen na het verstrijken van de in artikel 4, lid 2, vermelde termijn kan het Agentschap het certificaat schorsen of intrekken, na raadpleging van de houder van het certificaat.

2.   Als het Agentschap een certificaat opschort omdat de houder ervan niet voldoet aan de toepasselijke eisen of de jaarvergoeding of surveillancevergoeding niet betaalt, zal het Agentschap, ongeacht die opschorting, de jaarvergoeding of surveillancevergoeding in één keer blijven factureren aan het begin van de jaarlijkse periode of surveillanceperiode. Het Agentschap kan het desbetreffende certificaat intrekken als de houder ervan zijn betalingsverplichtingen niet binnen een jaar na de kennisgeving van de opschorting nakomt. De intrekking van het certificaat wordt alleen opgeheven als het saldo van de vergoedingen die verschuldigd zijn voor de duur van de opschorting vooraf wordt betaald, samen met eventuele andere bedragen die op dat tijdstip verschuldigd zijn.

3.   Als het Agentschap een certificaat intrekt omdat de houder ervan de toepasselijke eisen niet naleeft of de jaarlijkse vergoeding of surveillancevergoeding niet betaalt, wordt het saldo van de vergoedingen voor de lopende facturatiecyclus als volgt berekend:

a)

voor vaste jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die per certificaat en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde vergoedingen per dag 1/365ste van de desbetreffende vaste vergoeding.

b)

voor jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend op uurbasis.

De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde bedragen moeten, samen met eventuele reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op de datum waarop de intrekking van kracht wordt.

Artikel 12

Teruggave of overdracht van certificaten en inactivering van vluchtnabootsingsinstrumenten

1.   Als de certificaathouder een certificaat teruggeeft, wordt het saldo van eventuele verschuldigde vergoedingen voor de lopende periode van twaalf maanden als volgt berekend:

a)

voor vaste jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die per certificaat en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde vergoedingen 1/365ste van de desbetreffende vaste jaarlijkse vergoeding per dag.

b)

voor jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de vergoedingen berekend op uurbasis.

De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde bedragen moeten, samen met eventuele reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op de datum waarop de teruggave van kracht wordt.

2.   Wanneer een certificaat wordt overgedragen, zijn de in de tabellen 8 tot en met 15 bedoelde vergoedingen door de nieuwe certificaathouder verschuldigd vanaf de facturatiecyclus die volgt op de datum waarop de overdracht van kracht wordt.

3.   In de gevallen waarnaar wordt verwezen in tabel 14 van deel I van de bijlage, wordt de surveillancevergoeding voor een vluchtnabootser pro-rata temporis beperkt voor perioden van inactivering op verzoek van de aanvrager.

Artikel 13

Certificeringstaken op uitzonderlijke basis

Indien de uitvoering van een bepaalde certificeringstaak vereist dat categorieën en/of aantallen personeelsleden moeten worden ingezet die het Agentschap normaliter niet zou inzetten volgens zijn standaardprocedures, wordt een uitzonderlijke correctie toegepast op de opgelegde vergoeding teneinde alle door het Agentschap gemaakte kosten te dekken.

HOOFDSTUK III

HEFFINGEN

Artikel 14

Algemene bepalingen met betrekking tot de betaling van heffingen

1.   Het bedrag van de heffingen die het Agentschap overeenkomstig deel II van de bijlage oplegt, wordt gefactureerd aan het toepasselijke uurtarief.

2.   Heffingen voor het verlenen van opleidingsdiensten, met inbegrip van reiskosten, worden opgelegd overeenkomstig deel II bis van de bijlage.

Artikel 15

Tijdstip waarop de heffingen worden opgelegd en betalingstermijnen

1.   Behoudens andersluidende beslissing van het Agentschap, worden de heffingen, na een afweging van de financiële risico’s, geheven vóór de dienst wordt verleend.

2.   De in tabel 6 (punt 1) van deel I van de bijlage vermelde heffingen worden geheven per aanvraag en per periode van twaalf maanden. Voor de periode na de eerste twaalf maanden bedragen de heffingen per dag 1/365e van de relevante jaarlijkse heffing.

3.   De in de tabellen 5 en 6 (punt 2) van deel I van de bijlage vermelde heffingen worden opgelegd per aanvraag.

4.   Als de herindeling van een aanvraag leidt tot een wijziging van de toepasselijke heffingen, worden de heffingen dienovereenkomstig herberekend met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 16

Afwijzing van aanvragen, stopzetting en onderbreking van de uitvoering van taken die verband houden met aanvragen

1.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet of onderbroken, moeten de toepasselijke heffingen, samen met de bijbehorende reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op het ogenblik dat het Agentschap stopt met de uitvoering van de taak.

2.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet, wordt het saldo van alle verschuldigde heffingen als volgt berekend:

a)

Voor de in tabel 6 (punt 1) van deel I van de bijlage bedoelde heffingen, die per aanvraag en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, bedraagt het saldo van de heffingen die verschuldigd zijn voor de lopende periode van twaalf maanden per dag 1/365e van de desbetreffende jaarlijkse heffing. Voor de perioden die voorafgaan aan de lopende periode van twaalf maanden blijven de toepasselijke heffingen verschuldigd.

b)

Voor de in de tabellen 5 en 6 (punt 2) van deel I van de bijlage bedoelde heffingen en voor de in deel II van de bijlage bedoelde vaste heffingen, die per aanvraag worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde heffingen 50 % van de toepasselijke heffing.

c)

Voor de in deel II van de bijlage bedoelde heffingen, die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde heffingen berekend op uurbasis.

d)

Voor heffingen die niet in de bovenstaande alinea’s zijn vermeld, wordt het saldo berekend op uurbasis, tenzij anders overeenkomen tussen de aanvrager en het Agentschap.

3.   Wanneer de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag tijdens de eerste facturatiecyclus wordt onderbroken, worden de heffingen voor die facturatiecyclus niet terugbetaald. Wanneer een dergelijke onderbreking van kracht wordt na de eerste facturatiecyclus, wordt het saldo van de verschuldigde heffingen berekend overeenkomstig de criteria van lid 2, onder a). Wanneer het Agentschap, na een onderbreking van de uitvoering van een taak die verband houdt met een aanvraag, de uitvoering van die taak hervat, legt het automatisch een nieuwe heffing op na het verstrijken van de door de aanvrager gekozen onderbrekingsperiode of eerder, op verzoek van de aanvrager, ongeacht de heffingen die reeds betaald zijn voor de onderbroken taak.

4.   Voor de toepassing van deze verordening wordt

a)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de datum van ontvangst van het verzoek;

b)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op initiatief van het Agentschap geacht van kracht te worden op de datum waarop het besluit tot stopzetting wordt meegedeeld aan de aanvrager;

c)

de onderbreking van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de door de aanvrager opgegeven datum, maar niet eerder dan de datum waarop het verzoek door het Agentschap wordt ontvangen.

5.   Met heffingen die betaald zijn voor een aanvraag waarvan de uitvoering is stopgezet, wordt geen rekening gehouden bij een daaropvolgende taak, zelfs niet als deze van dezelfde aard is als de stopgezette taak.

HOOFDSTUK IV

BEROEPSPROCEDURES

Artikel 17

Behandeling van een beroep

1.   Voor de behandeling van overeenkomstig artikel 108 van Verordening (EU) 2018/1139 ingestelde beroepen worden heffingen opgelegd. Het bedrag van de heffingen wordt berekend overeenkomstig de methode van deel III van de bijlage. Het beroep is slechts ontvankelijk nadat de heffing voor het instellen van het beroep is betaald binnen de in lid 3 bedoelde termijn.

2.   Als het beroep wordt ingesteld door een rechtspersoon, moet deze bij het Agentschap een door een daartoe bevoegde ambtenaar ondertekende verklaring indienen, met vermelding van de omzet van de aanvrager. Deze verklaring moet samen met het beroep bij het Agentschap worden ingediend.

3.   Beroepsheffingen worden betaald overeenkomstig de door het Agentschap vastgestelde toepasselijke procedure binnen 60 kalenderdagen na de datum waarop het beroep bij het Agentschap is ingediend.

4.   Als het beroep in het voordeel van de aanvrager wordt uitgesproken, worden de beroepsheffingen onmiddellijk door het Agentschap terugbetaald.

HOOFDSTUK V

DE PROCEDURES VAN HET AGENTSCHAP

Artikel 18

Algemene bepalingen

Het Agentschap maakt een onderscheid tussen, enerzijds, ontvangsten en uitgaven die zijn toe te schrijven aan uitgevoerde certificeringstaken en verleende diensten, en, anderzijds, ontvangsten en uitgaven die zijn toe te schrijven aan activiteiten die uit andere inkomstenbronnen worden gefinancierd.

Daartoe:

a)

worden de door het Agentschap opgelegde vergoedingen en heffingen op een afzonderlijke rekening gestort en in een afzonderlijke boekhouding bijgehouden;

b

voert het Agentschap een analytische boekhouding voor de ontvangsten en uitgaven.

Artikel 19

Evaluatie en herziening

1.   Het Agentschap verstrekt de Commissie, de raad van beheer en het bij artikel 98, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139 opgerichte adviesorgaan van de belanghebbende partijen jaarlijks informatie over de onderdelen die als basis dienen voor het bepalen van het bedrag van de vergoedingen. Deze informatie omvat met name een kostenspecificatie betreffende vorige en volgende jaren.

2.   Het Agentschap evalueert periodiek de bijlage bij deze verordening om na te gaan of belangrijke informatie met betrekking tot de aannamen waarop de schatting van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap is gebaseerd, correct wordt weerspiegeld in de vergoedingen of heffingen die door het Agentschap worden opgelegd.

3.   Deze verordening wordt zo nodig herzien, met name rekening houdend met de ontvangsten en kosten van het Agentschap.

4.   Alvorens advies te geven, raadpleegt het Agentschap het in lid 1 bedoelde adviesorgaan van de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 126, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139, en licht het de redenen voor elke voorgestelde wijziging toe.

HOOFDSTUK VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Intrekking

Verordening (EU) nr. 319/2014 wordt ingetrokken, onverminderd artikel 21, lid 5.

Artikel 21

Overgangsbepalingen

1.   De jaarvergoeding en de surveillancevergoeding die zijn uiteengezet in de tabellen 1, 2, 3, 8 tot en met 13, en 15 van deel I van de bijlage zijn van toepassing op alle certificeringstaken die aan de gang zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening, vanaf de volgende facturatiecyclus na de inwerkingtreding van deze verordening.

2.   De in deel II van de bijlage uiteengezette uurtarieven zijn vanaf de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing op alle taken die aan de gang zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor de vergoedingen of heffingen op uurbasis worden berekend.

3.   In de in de tabellen 5 en 6 van deel I van de bijlage bedoelde gevallen, en met betrekking tot de erkenningsvergoedingen van organisaties en erkenningsvergoedingen van kwalificaties van instrumenten, zoals bedoeld in tabel 14 van deel I van de bijlage, en onverminderd die bepalingen, worden vergoedingen en heffingen met betrekking tot aanvragen die lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening berekend overeenkomstig deel II van de bijlage tot de uit die aanvragen voortvloeiende taken zijn voltooid.

4.   In de gevallen die bedoeld zijn in tabel 14 van deel I van de bijlage, met uitzondering van die als bedoeld in lid 3, zijn de in de tabel vermelde vergoedingen van toepassing vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

5.   Met inachtneming van de leden 2, 3 en 4, worden vergoedingen en heffingen voor facturatiecycli die lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening berekend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 319/2014.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 december 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 319/2014 van de Commissie van 27 maart 2014 inzake de vergoedingen en rechten die worden geheven door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 593/2007 (PB L 93 van 28.3.2014, blz. 58).

(3)  Zie “huidige dagvergoedingen”, zoals bekendgemaakt op de EuropeAid-website van de Commissie (http://ec.europa.eu/europeaid/work/procedures/ implementation/per_diems/index_en.htm).

(4)  Zie “Standaardaantal uren”, zoals meegedeeld in de “lijst van standaardreistijden” op de website van het Agentschap (https://www.easa.europa.eu/).


BIJLAGE

INHOUD:

Deel I: Werkzaamheden waarvoor een vaste vergoeding in rekening wordt gebracht

Deel II: Certificeringstaken of -diensten die op uurbasis in rekening worden gebracht

Deel II bis: Heffingen voor het verlenen van opleidingsdiensten

Deel III: Heffingen voor het instellen van beroep

Deel IV: Jaarlijks inflatiepercentage

Deel V: Toelichting

DEEL I

Werkzaamheden waarvoor een vaste vergoeding in rekening wordt gebracht

Tabel 1

Typecertificaten, beperkte typecertificaten en Europese Technical Standard Order Authorisations

(bedoeld in subdeel B en subdeel O van sectie A van bijlage I (Deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)  (1)

 

Vaste vergoeding (EUR)

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

2 055 230

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

1 693 040

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

564 350

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 tot 5 700 kg)

420 700

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

139 980

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

15 890

Tot 1 200 kg

5 300

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

476 100

Middelgroot

190 450

Klein

23 850

Zeer licht

23 850

Luchtballonnen

7 380

Luchtschepen grote

42 950

Luchtschepen middelgrote

16 360

Luchtschepen kleine

8 190

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

405 310

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

270 170

Niet-turbinemotoren

36 920

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

18 460

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

12 610

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

3 600

Propeller van klasse CS-22J

1 800

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

9 300

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

5 320

Waarde van minder dan 2 000 EUR

3 090

Hulpaggregaat (APU)

221 120


Tabel 2

Aanvullende typecertificaten

(zoals vermeld in subdeel E van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

 

Complex Significant

Significant

Standaard

Eenvoudig

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

952 500

76 480

16 330

4 650

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

680 880

45 900

13 060

3 660

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

378 140

30 600

9 790

3 330

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

290 420

18 360

6 540

3 330

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

119 970

5 610

2 580

1 290

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

6 140

1 970

1 230

610

Tot 1 200 kg

3 630

310

310

310

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

321 710

58 950

8 840

2 950

Middelgroot

188 500

29 480

5 900

2 360

Klein

15 080

11 800

4 420

1 480

Zeer licht

9 610

1 110

490

310

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

3 630

1 050

490

310

Luchtschepen grote

37 700

15 970

12 780

6 390

Luchtschepen middelgrote

15 090

4 910

3 930

1 970

Luchtschepen kleine

7 520

2 460

1 970

990

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

190 090

14 740

8 840

5 900

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

185 830

8 840

6 940

4 630

Niet-turbinemotoren

34 710

3 440

1 540

770

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

17 410

1 730

770

370

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

7 020

2 460

1 230

610

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

2 140

1 840

920

470

Propeller van klasse CS-22J

1 080

920

470

230

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

Waarde van minder dan 2 000 EUR

Hulpaggregaat (APU)

136 280

7 370

4 920

2 460


Tabel 3

Grote wijzigingen en grote reparaties

(bedoeld in subdeel D en subdeel M van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

 

Modelvergoeding (2)

Complex Significant

Significant

Standaard

Eenvoudig

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

100 000

800 000

78 010

14 330

5 110

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

59 880

479 050

39 030

10 750

3 290

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

39 910

319 280

31 230

7 170

2 560

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

31 930

255 450

19 520

3 580

2 560

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

15 110

120 900

5 360

2 500

1 240

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

530

4 230

1 360

610

310

Tot 1 200 kg

450

3 630

310

310

310

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

30 160

241 280

53 440

10 690

3 560

Middelgroot

18 850

150 800

28 500

7 120

2 490

Klein

1 890

15 080

11 410

5 340

1 430

Zeer licht

1 130

9 060

1 050

490

490

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

450

3 630

1 050

490

490

Luchtschepen grote

3 770

30 160

14 250

10 690

7 120

Luchtschepen middelgrote

1 510

12 060

3 930

2 940

1 970

Luchtschepen kleine

750

6 030

1 970

1 470

990

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

13 130

105 040

9 840

3 620

2 180

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

11 310

90 480

5 340

1 810

1 090

Niet-turbinemotoren

1 890

15 110

1 600

740

500

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

940

7 550

740

370

370

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

470

3 780

1 320

500

500

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

150

1 160

1 000

470

470

Propeller van klasse CS-22J

70

590

500

160

160

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

Waarde tussen2 000 en 20 000 EUR

Waarde van minder dan 2 000 EUR

Hulpaggregaat (APU)

8 760

70 070

3 690

1 230

740


Tabel 4

Geringe wijzigingen en kleine reparaties

(bedoeld in subdeel D en subdeel M van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (3) (EUR)

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

1 890

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

1 890

Van 22 000 kg tot55 000 kg

1 890

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

1 890

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot2 730 kg)

610

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

500

Tot 1 200 kg

310

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

970

Middelgroot

970

Klein

970

Zeer licht

490

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

490

Luchtschepen grote

1 720

Luchtschepen middelgrote

970

Luchtschepen kleine

970

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

1 270

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

1 270

Niet-turbinemotoren

610

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

370

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

500

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

470

Propeller van klasse CS-22J

320

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

1 860

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

1 070

Waarde van minder dan 2 000 EUR

620

Hulpaggregaat (APU)

490


Tabel 5

Certificeringssteun voor validering

Steun voor de validering/aanvaarding van een EASA-certificaat door een autoriteit van een derde land, en technische bijstand in verband met activiteiten voor toezicht op de naleving

Dienstenpakket

Vaste vergoeding (EUR)

Groot

2 500

Middelgroot

1 000

Klein

250


Tabel 6

Maintenance Review Board (MRB)

Steun in verband met de erkenning van het verslag van de Maintenance Review Board en herzieningen daarvan

Vaste vergoeding (EUR)

1 —Eerste MRB-verslag

CS 25 luchtvaartuigen

350 000

CS 27 en CS 29 luchtvaartuigen

150 000

Aanvullende typecertificaten

50 000

2 —Herziening van MRB-verslagen

CS-25 meer dan 150 000 kg

120 000

CS-25 van 55 000 kg tot 150 000 kg

100 000

CS-25 van 22 000 kg tot 55 000 kg

80 000

CS-25 van 5 700 kg tot 22 000 kg

40 000

CS 27 en CS 29 luchtvaartuigen

30 000

Aanvullende typecertificaten

20 000


Tabel 7

Exploitanten uit derde landen

(Zoals vermeld in Verordening (EU) nr. 452/2014 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

Bezoek ter plaatse (4)

19 000

Technische vergadering in Keulen

10 000


Tabel 8

Jaarvergoeding voor houders van typecertificaten, beperkte typecertificaten en European Technical Standard Order Authorisations van het EASA en van andere typecertificaten of European Technical Standard Order Authorisations die aanvaardbaar worden geacht volgens Verordening (EU) 2018/1139

(bedoeld in subdeel B en subdeel O van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

 

EU-ontwerp

Niet-EU-ontwerp

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

1 155 160

360 270

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

975 480

274 490

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

293 940

110 140

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

48 050

16 320

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

5 320

1 770

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

2 460

830

Tot 1 200 kg

230

70

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

102 930

37 740

Middelgroot

57 190

21 280

Klein

23 880

8 670

Zeer licht

3 700

1 230

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

840

360

Luchtschepen grote

4 000

1 330

Luchtschepen middelgrote

2 460

820

Luchtschepen kleine

1 970

660

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

120 090

32 140

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2  000 kW

58 180

27 450

Niet-turbinemotoren

1 120

140

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

610

310

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

420

220

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

240

50

Propeller van klasse CS-22J

230

70

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

2 440

680

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

1 290

460

Waarde van minder dan 2 000 EUR

520

420

Hulpaggregaat (APU)

87 880

10 510

In afwijking van bovenstaande tabel geldt het volgende:

A.

Voor vrachtversies van een luchtvaartuig met een eigen typecertificaat wordt een coëfficiënt van 0,85 toegepast op de vergoeding voor de equivalente passagiersversie.

B.

Voor houders van meerdere typecertificaten en/of beperkte typecertificaten van het EASA, European Technical Standard Order Authorisations van het EASA en/of andere typecertificaten of Technical Standard Order Authorisations wordt een korting van 25 % op de jaarlijkse vergoeding toegepast voor het vierde certificaat en de daaropvolgende certificaten die onder dezelfde vaste vergoeding vallen, in dezelfde categorie van vergoedingen in de bovenstaande tabel.

C.

Het in deel II van de bijlage vastgestelde uurtarief, tot het niveau van de volledige vergoeding voor de betrokken categorie vergoedingen, wordt opgelegd in de volgende gevallen:

1.

Voor luchtvaartuigen

a.

die meer dan 20 jaar buiten productie zijn, of

b.

waarvan wereldwijd minder dan 50 eenheden zijn geproduceerd, of

c.

waarvan wereldwijd 50 of meer eenheden zijn geproduceerd, voor zover de certificaathouder aantoont dat er wereldwijd minder dan 50 eenheden in gebruik zijn;

2.

Voor motoren en propellers

a.

die meer dan 20 jaar buiten productie zijn, of

b.

waarvan wereldwijd minder dan 100 eenheden zijn geproduceerd, of

c.

waarvan wereldwijd 100 of meer eenheden zijn geproduceerd, voor zover de certificaathouder aantoont dat de motor of propeller is geïnstalleerd in minder dan 50 in gebruik zijnde luchtvaartuigen;

3.

Voor onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

a.

die meer dan 15 jaar buiten productie zijn, of

b.

waarvan wereldwijd minder dan 400 eenheden zijn geproduceerd, of

c.

waarvan wereldwijd 400 of meer eenheden zijn geproduceerd, voor zover de certificaathouder aantoont dat het onderdeel of de niet-geïnstalleerde apparatuur is geïnstalleerd in minder dan 50 in gebruik zijnde luchtvaartuigen.

De in punt C vastgestelde criteria worden beoordeeld vanaf de 1ste januari van het jaar waarin de respectieve factureringscyclus begint.

Gelet op de bovenstaande tabel en de afwijkingen is de periode waarin een factuur voor een vergoeding met betrekking tot permanente luchtwaardigheid retroactief kan worden aangepast, beperkt tot één jaar na de uitgifte van die factuur.

Tabel 9A

Erkenning als ontwerporganisatie

(zoals vermeld in subdeel J van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

Erkenningsvergoeding (EUR)

 

1A

1B

2A

1C

2B

3A

2C

3B

3C

Ingezette medewerkers minder dan 10

14 400

11 330

8 470

5 720

4 430

10 tot en met 49

40 510

28 930

17 360

11 580

50 tot en met 399

179 410

134 600

89 620

68 660

400 tot en met 999

358 820

269 030

224 220

188 770

1 000 tot en met 2 499

717 640

2 500 tot en met 4 999

1 076 300

5 000 tot en met 7 000

1 152 600

 

 

 

 

Meer dan 7 000

5 979 800

Surveillancevergoeding (EUR)

 

1A

1B

2A

1C

2B

3A

2C

3B

3C

Ingezette medewerkers minder dan 10

7 200

5 670

4 240

2 860

2 210

10 tot en met 49

20 260

14 470

8 680

5 780

50 tot en met 399

78 060

58 590

38 930

31 250

400 tot en met 999

156 260

117 230

97 650

85 920

1 000 tot en met 2 499

312 520

2 500 tot en met 4 999

468 780

5 000 tot en met7 000

995 500

 

 

 

 

Meer dan 7 000

2 604 820


Tabel 9B

Alternatieve procedure voor erkenning als ontwerporganisatie

(zoals vermeld in subdeel J van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

Categorie

Omschrijving

Vergoeding (EUR)

1A

Typecertificering

7 940

1B

Typecertificering —

alleen permanente luchtwaardigheid

3 180

2A

Aanvullende typecertificaten en/of grote reparaties

6 350

2B

Aanvullende typecertificaten en/of grote reparaties — alleen permanente luchtwaardigheid

2 650

3A

ETSOA

6 350

3B

ETSOA — alleen permanente luchtwaardigheid

3 180


Tabel 10

Erkenning als productieorganisatie

(zoals vermeld in subdeel G van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

Erkenningsvergoeding (EUR)

 

Hoogst geprijsde product van minder dan 5 000 EUR (6)

Hoogst geprijsde product tussen 5 000 en 100 000 EUR (6)

Hoogst geprijsde product van meer dan 100 000 EUR (6)

Ingezette medewerkers minder dan 100

20 650

39 710

55 600

Tussen 100 en 499

31 770

63 540

111 200

Tussen 500 en 999

59 570

119 140

238 280

Tussen 1 000 en 4 999

158 850

317 700

794 250

Tussen 5 000 en 20 000

595 670

1 191 380

2 779 880

Meer dan 20 000

992 810

1 985 630

3 971 250

Surveillancevergoeding (EUR)

 

Hoogst geprijsde product van minder dan 5 000 EUR (6)

Hoogst geprijsde product tussen 5 000 en 100 000 EUR  (6)

Hoogst geprijsde product van meer dan 100 000 EUR  (6)

Ingezette medewerkers minder dan 100

13 770

26 480

37 070

Tussen 100 en 499

21 180

42 360

74 120

Tussen 500 en 999

39 710

79 430

158 580

Tussen 1 000 en 4 999

105 900

211 800

529 500

Tussen 5 000 en 20 000

397 130

794 290

1 853 250

Meer dan 20 000

625 000

1 323 750

2 647 500


Tabel 11

Erkenning als onderhoudsorganisatie

(bedoeld in subdeel F van bijlage I (deel M) en in bijlage II (deel 145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie) (7)

 

Erkenningsvergoeding (8)(EUR)

Surveillancevergoeding (8) (EUR)

Ingezette medewerkers minder dan 5

3 700

2 830

Tussen 5 en 9

6 150

4 920

Tussen 10 en 49

24 620

15 250

Tussen 50 en 99

39 400

30 500

Tussen 100 en 499

52 660

40 770

Tussen 500 en 999

72 720

56 300

Meer dan 999

102 100

79 000

Technische classificaties

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (9) EUR

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (9)

A 1

20 980

16 240

A 2

4 780

3 700

A 3

9 540

7 380

A 4

950

740

B 1

9 540

7 380

B 2

4 780

3 700

B 3

950

740

C/D

950

740


Tabel 12

Erkenning van een organisatie voor onderhoudstraining

(vermeld in bijlage IV (deel 147) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014)

 

Erkenningsvergoeding (EUR)

Surveillancevergoeding (EUR)

Ingezette medewerkers minder dan 5

3 700

2 830

Tussen 5 en 9

10 460

8 120

Tussen 10 en 49

22 510

20 820

Tussen 50 en 99

43 750

34 660

Meer dan 99

57 610

52 950

 

 

 

Vergoeding voor:

“off-site”- procedure voor de erkenning van een organisatie voor onderhoudstraining (10)

tweede en volgende aanvullende faciliteit (11)  (12)

3 530

3 530

2 650

2 650

Vergoeding voor de tweede en volgende aanvullende opleidingscursus (11)  (12)

3 530


Tabel 13

Erkenning van een organisatie voor het beheer van de permanente luchtwaardigheid van een derde land

(zoals vermeld in subdeel G van bijlage I (deel M) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (13) (EUR)

Erkenningsvergoeding

52 950

Surveillancevergoeding

52 950

 

Technische classificaties

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (14) (EUR) — Initiële erkenning

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (14) (EUR) — Surveillance

A1 = vleugelvliegtuigen van meer dan 5 700 kg

13 240

13 240

A2 = vleugelvliegtuigen van 5 700 kg en minder

6 620

6 620

A3 = helikopters

6 620

6 620

A4: alle andere

6 620

6 620


Tabel 14

Vluchtnabootsingsinstrumenten (FSTD’s) en organisaties

(zoals vermeld in Subdeel FSTD van deel ARA en subdeel FSTD van deel ORA van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie, zoals gewijzigd) (15)

Vergoeding voor de erkenning als organisatie (EUR)

 

 

Vaste vergoeding per locatie

12 350

Vergoeding voor de erkenning kwalificaties van instrumenten (EUR)

 

uitrustingsconfiguratie één motor en één apparaat

uitrustingsconfiguratie twee motoren en/of twee apparaten

uitrustingsconfiguratie 3+ motoren en/of 3+ apparaten

Volledige vluchtnabootser (FFS)

32 110

39 520

45 940

Vliegopleidingsinstrument (FTD)

13 590

16 070

22 480

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

9 880

13 590

18 530

 

Vergoeding voor surveillance van organisatie (EUR)

 

 

Vaste vergoeding per locatie (complex)

5 560

Vaste vergoeding per locatie (niet complex)

2 780

Vergoeding voor surveillance van instrumenten (EUR)

Volledige vluchtnabootser (FFS)

9 130

Volledige vluchtnabootser (FFS) — alleen vleugelvliegtuigen — onder voorbehoud van een bilaterale overeenkomst (16)

2 800

Vliegopleidingshulpmiddel (FTD)

5 210

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

3 710

4 940

7 410

 

 

 

 

Uitgebreid evaluatieprogramma (EEP) — Organisatie surveillancevergoeding (EUR)

 

 

Vaste vergoeding per locatie (complex)

11 120

Vaste vergoeding per locatie (niet complex)

5 560

 

 

 

 

Vergoeding voor surveillance van instrument (EUR)

 

EEP 3 jaar

Volledige vluchtnabootser (FFS)

4 090

Vliegopleidingshulpmiddel (FTD)

2 440

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

1 900

2 310

3 300

 

 

 

 

 

EEP 2 jaar

Volledige vluchtnabootser (FFS)

5 310

Vliegopleidingshulpmiddel (FTD)

3 170

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

2 350

2 970

4 330


Tabel 15

Aanvaarding van erkenningen die equivalent zijn aan “deel -145”- en “deel -147”-erkenningen in overeenstemming met toepasselijke bilaterale overeenkomsten

 

Vaste vergoeding (EUR)

Nieuwe erkenningen, per aanvraag

900

Verlengingen van bestaande erkenningen, per periode van twaalf maanden

900

DEEL II

Certificeringstaken of -diensten die op uurbasis in rekening worden gebracht

Uurtarief

Toepasselijk uurtarief (EUR/u)

247

Uurbasis volgens de betrokken werkzaamheden (17):

Productie zonder erkenning

Werkelijk aantal uren

Overdracht van certificaten

Werkelijk aantal uren

Certificaat van erkende opleidingsorganisatie

Werkelijk aantal uren

Certificaat van luchtvaartgeneeskundig centrum

Werkelijk aantal uren

Certificaat van ATM/ANS-organisatie

Werkelijk aantal uren

Certificaat van opleidingsorganisatie voor luchtverkeersleiders

Werkelijk aantal uren

Aanvaarding van verslagen van de Operational Evaluation Board

Werkelijk aantal uren

Certificeringssteun voor validering: individuele dienst

Werkelijk aantal uren

Vluchtnabootsingsinstrumenten: andere speciale activiteiten

Werkelijk aantal uren

Wijzigingen van alternatieve procedures voor erkenning als ontwerporganisatie

Werkelijk aantal uren

Exportcertificaat van luchtwaardigheid (E-CoA) voor CS-25-luchtvaartuigen

6 uur

Exportcertificaat van luchtwaardigheid (E-CoA) voor andere luchtvaartuigen

2 uur

Alternatieve methoden om luchtwaardigheidsvoorschriften na te leven (AMOC)

4 uur

Erkenning van vluchtcondities voor vliegvergunning

3 uur

Basis-STC één serienummer

2 uur

Administratieve heruitreiking van documenten zonder technische tussenkomst

1 uur

Controle van de bekwaamheden

1 uur

DEEL II bis:

Heffingen voor het verlenen van opleidingsdiensten

A.

Opleidingsdiensten waarvoor heffingen worden opgelegd

1.

Met inachtneming van punt B worden heffingen voor opleidingsdiensten door personeel van het Agentschap in het kader van de uitoefening van hun functie als volgt geheven:

a)

voor klassikale opleiding, intern of op verplaatsing, en online-opleiding, overeenkomstig de bedragen in het aanhangsel;

b)

voor andere soorten opleidingsdiensten of gerelateerde aanvragen, overeenkomstig het in het aanhangsel vermelde uurtarief.

2.

Klassikale opleidingen door verstrekkers van opleidingsdiensten, op contractuele basis, intern of op verplaatsing, worden in rekening gebracht op basis van de totale kosten van elke cursus, gedeeld door de gemiddelde omvang van de klas.

3.

Voor opleidingsdiensten buiten EASA-gebouwen, waarbij de organisatie die de opleiding aanvraagt geen passende opleidingsfaciliteiten ter beschikking stelt, worden de bijbehorende directe kosten in rekening gebracht.

B.    Vrijstelling van de in het aanhangsel bedoelde heffingen

Het Agentschap kan vrijstelling verlenen van de in het aanhangsel vastgestelde heffingen voor opleidingsdiensten die worden verstrekt aan:

a)

nationale luchtvaartautoriteiten, internationale organisaties of andere belangrijke stakeholders, indien wordt gewaarborgd dat zij opleidingsdiensten van vergelijkbaar nut verstrekken aan het Agentschap;

b)

openbare of privéuniversiteiten of soortgelijke organisaties, als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

de opleidingsdiensten maken deel uit van een studieprogramma dat leidt tot een universitaire of postuniversitaire kwalificatie in een luchtvaartgerelateerd vakgebied;

het studieprogramma heeft een minimumduur van 1 academiejaar;

het belangrijkste doel of gevolg van het programma is niet te voorzien in initiële of permanente opleiding voor beroepsmensen in de luchtvaart of aanverwante sectoren;

c)

personen die de activiteiten van het Agentschap ondersteunen of eraan deelnemen, en die de opleiding nodig hebben om kennis te vergaren van de processen van het Agentschap en de gespecialiseerde instrumenten in verband met deze activiteiten.

C.    Vergoeding van reiskosten

1.

Onverminderd de vrijstellingen die verleend zijn overeenkomstig punt B, en met inachtneming van lid 3, vergoedt de ontvanger van ter plaatste verstrekte opleidingen of opleidingsgerelateerde diensten de reiskosten van het personeel van het Agentschap dat de opleiding verstrekt, volgens de formule d = v + a + h.

2.

waarbij:

 

d = verschuldigde reiskosten;

 

v = vervoerskosten;

 

a = officiële dagvergoedingen van de Commissie, welke accommodatie, maaltijden, lokaal vervoer op de plaats van bestemming en diverse kosten omvatten (18);

 

h = reistijd (standaardaantal reisuren per bestemming, vastgesteld door het Agentschap), tegen het in deel II van de bijlage vastgestelde uurtarief (19); indien de missie betrekking heeft op meerdere projecten, wordt het bedrag dienovereenkomstig opgesplitst.

3.

Autoriteiten, organisaties of belanghebbenden als bedoeld in punt B, onder a), kunnen worden vrijgesteld van de in lid 1 bedoelde vergoeding van reiskosten als zij de opleidingen of opleidingsgerelateerde diensten verstrekken in de gebouwen van het Agentschap, waarbij de reizen vergelijkbaar zijn met die van het personeel van het Agentschap dat opleidingen of opleidingsgerelateerde diensten verstrekt in de gebouwen van die entiteiten.

Aanhangsel bij deel II bis

Klassikale opleiding

Duur van de opleiding in dagen

0,5

1

1,5

2

2,5

3

4

5

Heffing individuele opleiding (EUR/dag)

440

710

925

1 088

1 263

1 425

1 725

2 000

Heffing sessie (EUR/dag)

3 500

5 700

7 400

8 700

10 100

11 400

13 800

16 000


Online-opleiding

Duur van de opleiding in uren

1

2

3

4

5

6

7

8

Heffing individuele opleiding (EUR/uur)

50

100

150

200

250

300

350

400

Andere opleidingsdiensten: Uurtarief overeenkomstig deel II van deze bijlage:

DEEL III

Heffingen voor het instellen van beroep

De rechten voor het instellen van beroep worden als volgt berekend: het vastte recht wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt die wordt vermeld voor de overeenkomstige rechtencategorie voor de persoon of organisatie in kwestie.

Vast recht

10 000 (EUR)

 

 

Categorie heffingen voor natuurlijke personen

Coëfficiënt

 

0,10

 

 

Categorie heffingen voor rechtspersonen, overeenkomstig de omzet (in EUR) van de organisatie die het beroep instelt

Coëfficiënt

Minder dan 100 001

0,25

Tussen 100 001 en 1 200 000

0,50

Tussen 1 200 001 en 2 500 000

0,75

Tussen 2 500 001 en 5 000 000

1,00

Tussen 5 000 001 en 50 000 000

2,50

Tussen 50 000 001 en 500 000 000

5,00

Tussen 500 000 001 en 1 000 000 000

7,50

Meer dan 1 000 000 000

10,00

DEEL IV

Jaarlijks inflatiepercentage

Te gebruiken jaarlijks inflatiepercentage:

Eurostat GICP (alle bestanddelen) — Europese Unie alle landen (2015 = 100) Procentuele wijziging/gemiddelde van twaalf maanden

Waarde van het in aanmerking te nemen percentage:

Waarde van het percentage drie maanden vóór de toepassing van de indexering

DEEL V

Toelichting

(1)

In deze bijlage opgenomen certificeringsspecificaties (CS) zijn vastgesteld ingevolge artikel 76, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139 en bekendgemaakt op de website van het Agentschap (https://www.easa.europa.eu/document-library/certification-specifications).

(2)

“VTOL” verwijst naar draagschroefluchtvaartuigen of andere zwaarder-dan-lucht-luchtvaartuigen die in staat zijn verticaal op te stijgen en/of te landen; “HTOL” verwijst naar alle zwaarder-dan-lucht-luchtvaartuigen die geen VTOL zijn.

(3)

“VTOL grote luchtvaartuigen” verwijst naar CS-29 en CS-27 CAT A luchtvaartuigen; “VTOL kleine luchtvaartuigen” verwijst naar CS-27-luchtvaartuigen met een maximale opstijgmassa (MTOM) van minder dan 3 175 kg en beperkt tot 4 stoelen, piloot inbegrepen; “VTOL middelgrote luchtvaartuigen” verwijst naar andere CS-27-luchtvaartuigen.

(4)

“High performance”-luchtvaartuigen (HPA) in de gewichtsklasse tot 5 700 kg zijn vliegtuigen met een Mmo van meer dan 0,6 en/of een maximale vlieghoogte van meer dan 25 000 voet. De heffing die aan deze luchtvaartuigen wordt opgelegd, komt overeen met die van de categorie net hoger dan hun MTOM, maar niet hoger dan de categorie “van 5 700 kg tot 22 000 kg”.

(5)

“Kleine luchtschepen” verwijst naar:

alle warmelucht-luchtschepen, ongeacht hun grootte,

gasluchtschepen begrensd tot een volume van 2 000 m3;

“Middelgrote luchtschepen” verwijst naar gasluchtschepen met een volume van meer dan 2 000 m3 tot 15 000 m3;

“Grote luchtschepen” verwijst naar gasluchtschepen met een volume van meer dan 15 000 m3.

(6)

In de tabellen 1, 4 en 8 van deel I van de bijlage verwijzen de waarden van de “onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur” naar de relevante catalogusprijzen van de fabrikant. In tabel 10 van deel I komt de waarde van het duurste product, onderdeel of niet-geïnstalleerde apparaat (zoals vermeld in de prijslijsten van de desbetreffende fabrikant) overeen met de waarde van het duurste product, onderdeel of niet-geïnstalleerde apparaat dat is opgenomen in het goedgekeurde toepassingsgebied van de werkzaamheden van de erkenning als productieorganisatie (lijst van bekwaamheden) van de houder van de erkenning als productieorganisatie van het EASA.

(7)

Voor vergoedingen die worden opgelegd overeenkomstig de tabellen 2, 3, 4 en 8 van deel I van de bijlage wordt de toepasselijke vergoedingscategorie per aanvraag bepaald door de vergoedingscategorie die is toegewezen aan het desbetreffende typeontwerp. Indien meerdere modellen gecertificeerd zijn onder één typeontwerp, geldt de vergoedingscategorie van de meerderheid van deze modellen. In geval van een gelijkmatige verdeling over de vergoedingscategorieën, geldt de hoogste vergoedingscategorie. Voor aanvragen die betrekking hebben op meerdere typeontwerpen, geldt de hoogste vergoedingscategorie.

(8)

Als een aanvraag het concept van de vaststelling van een erkende modellenlijst omvat, geldt de overeenkomstige vergoeding, verhoogd met 20 %. Voor de herziening van een erkende modellenlijst gelden de vergoedingen van de tabellen 2, 3 en 4 van deel I van de bijlage.

(9)

In de tabellen 2 en 3 van deel I van de bijlage verwijzen “Eenvoudig”, “Standaard” en “Complex” naar het volgende:

 

Eenvoudig

Standaard

Significant

Complex Significant

Aanvullend typecertificaat van het EASA (STC)

STC, grote ontwerpwijziging of reparatie waarbij enkel actuele en beproefde rechtvaardigingsmethoden worden gevolgd, waarvoor bij de aanvraag een compleet pakket gegevens (beschrijving, conformiteitschecklist en -documenten) kan worden overgelegd, waarvoor de aanvrager ervaring heeft aangetoond, en die door de projectcertificeringsmanager alleen of met beperkte hulp van één specialist kan worden beoordeeld.

Alle andere STC’s, grote ontwerpwijzigingen of reparaties

“Significant” wordt gedefinieerd in 21.A.101, onder b), van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 (en in FAA 14CFR 21.101, onder b)).

Een “complexe significante wijziging” is elke significante wijziging (zie 21.A.101 van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012) die om minstens twee redenen als significant wordt ingedeeld (zie 21.A.101 van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 voor voorbeeld van criteria: de algemene configuratie of de constructieprincipes worden niet behouden, de voor de certificering van het te wijzigen product gebruikte veronderstellingen gelden niet langer) of elke significante wijziging met twee of meer voorbeelden die als significante wijziging worden beschreven (kolom “beschrijving van de wijziging” van de tabellen in aanhangsel 2 bij 21.A.101 van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012).

Indien gerechtvaardigd door buitengewone technische omstandigheden, kan het Agentschap een complexe significante aanvraag herindelen als significant.

Grote ontwerpwijzigingen (EASA)

Grote reparaties (EASA)

n.v.t.

n.v.t.

(10)

In tabel 5 van deel I van de bijlage verwijst “klein” naar aanvragen die worden behandeld zonder technische betrokkenheid, “groot” naar de valideringssteun die van toepassing is op grote luchtvaartuigen, grote draagschroefvliegtuigen en turbinemotoren, en “middelgroot” naar de valideringssteun die van toepassing is op andere productcategorieën en onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur. Technische bijstand/ondersteuning met betrekking tot activiteiten op het gebied van toezicht op de naleving en valideringsondersteuning wordt aan heffingen onderworpen als individuele dienst indien het Agentschap bevestigt dat de vereiste inspanning aanzienlijk groter is dan de vooraf gedefinieerde dienstenpakketten.

(11)

In tabel 9A van deel I worden ontwerporganisaties als volgt gecategoriseerd:

Werkingssfeer van de overeenkomst betreffende de ontwerporganisatie (DOA)

Groep A

Groep B

Groep C

Overeenkomst betreffende de ontwerporganisatie 1

Houders van typecertificaten

ETSOA-APU

Zeer complex/groot

Complex/klein-middelgroot

Minder complex/zeer klein

DOA 2 STC/wijzigingen/reparaties

ETSOA (exclusief APU)

Geen beperking

Beperkt (technische gebieden)

Beperkt (grootte van het luchtvaartuig)

Zeer complex/groot

Complex/klein-middelgroot

Minder complex/zeer klein

DOA 3 Kleine wijzigingen/reparaties

Geen beperking

Beperkt (technische gebieden)

Beperkt (grootte van het luchtvaartuig)

(12)

In de tabellen 9A, 10, 11 en 12 van deel I van de bijlage wordt rekening gehouden met het aantal personeelsleden in verband met activiteiten die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen.

(13)

Tabel 14 “Locatie” verwijst naar de plaats(en) waar de activiteiten van de organisatie worden beheerd of uitgevoerd.

Daartoe wordt:

de hoofdvestiging beschouwd als een locatie, ongeacht of er sprake is van een FSTD-activiteit;

elk ander adres waar FSTD’s worden gebruikt, beschouwd als een aanvullende locatie als op deze locatie een nalevingsfunctionaris is aangesteld.

Voor een uitbreiding naar een locatie, d.w.z. wanneer een locatie zich op passende afstand bevindt van een locatie die het management in staat stelt de naleving te waarborgen zonder aanvullende personen aan te wijzen, wordt geen extra surveillancevergoeding in rekening gebracht.

Aangezien elke organisatie uniek is, wordt een analyse op maat uitgevoerd om de complexiteit van de organisatie te beoordelen, rekening houdende met het aantal werknemers, de grootte en het werkgebied, met inbegrip van het aantal FSTD’s, hun niveaus en het aantal gesimuleerde luchtvaartuigtypen.

EEP2: De periode van twaalf maanden wordt verlengd tot maximaal 24 maanden overeenkomstig ORA.FSTD.225.

EEP3: De periode van twaalf maanden wordt verlengd tot maximaal 36 maanden overeenkomstig ORA.FSTD.225.


(1)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).

(2)  De modelvergoeding heeft betrekking op de toevoeging van een model aan het typeontwerp en wordt opgelegd per aanvraag en model. Ze moet verband houden met een aanvraag voor een standaard-, significante of complex significante wijziging. De toepasselijke categorie van vergoedingen per aanvraag en model wordt bepaald door de categorie van vergoedingen die is toegewezen aan het desbetreffende typeontwerp.

(3)  De vergoedingen in deze tabel zijn niet van toepassing op geringe wijzigingen en kleine reparaties die door ontwerporganisaties worden uitgevoerd in overeenstemming met 21.A.263, onder c), punt 2, van subdeel J van Sectie A van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 748/2012.

(4)  Verordening (EU) nr. 452/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering door exploitanten uit derde landen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 1).

(5)  Reiskosten niet inbegrepen (worden bovenop de vaste vergoeding in rekening gebracht).

(6)  Waarde (zoals vermeld in de desbetreffende prijslijsten van de fabrikant) van het duurste product, onderdeel of niet-geïnstalleerde apparaat dat is opgenomen in het goedgekeurde toepassingsgebied van de werkzaamheden van de erkenning als productieorganisatie (lijst van bekwaamheden) van de houder van de erkenning als productieorganisatie van het EASA.

(7)  Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).

(8)  De te betalen vergoeding bestaat uit de vaste vergoeding op basis van het aantal ingezette medewerkers plus de vaste vergoeding(en) op basis van de technische classificatie.

(9)  Voor organisaties die verschillende A- en/of B-classificaties hebben, wordt enkel de hoogste vergoeding aangerekend. Voor organisaties die een of meer C- en/of D-classificaties hebben, wordt voor elke classificatie de vergoeding voor een “C/D-classificatie” in rekening gebracht.

(10)  Zoals vermeld in subdeel B van sectie A van bijlage IV (deel 147) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie.

(11)  Voor de eerste erkenning van een organisatie gelden de vergoedingen per faciliteit en cursus. De eerste faciliteit en de eerste opleidingscursus zijn opgenomen in de personeelsgerelateerde erkenningsvergoeding.

(12)  Voor reeds erkende organisaties die aanvullende faciliteiten of opleidingscursussen aanvragen, wordt de toepasselijke vergoeding in rekening gebracht voor elke faciliteit of opleidingscursus.

(13)  De te betalen vergoeding bestaat uit de vaste vergoeding plus de vaste vergoeding op basis van de technische classificatie.

(14)  Voor organisaties die verschillende A-classificaties hebben, wordt enkel de hoogste vergoeding aangerekend.

(15)  Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).

(16)  Alleen van toepassing op de vluchtnabootser(s) die zich in het derde land van de bilaterale overeenkomst bevinden.

(17)  Dit is een niet-limitatieve lijst van werkzaamheden. De lijst van taken in dit deel wordt periodiek herzien. Uit de niet-opname van een werkzaamheid in dit deel mag niet automatisch worden geconcludeerd dat deze werkzaamheid niet door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart mag worden uitgevoerd.

(18)  Zie “huidige dagvergoedingen”, zoals bekendgemaakt op de EuropeAid-website van de Commissie (https://ec.europa.eu/europeaid/work/procedures/implementation/per_diems/index_en.htm_en).

(19)  Zie “Standaardaantal uren”, zoals meegedeeld in de “lijst van standaardreistijden” op de website van het Agentschap (https://www.easa.europa.eu/).


17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/66


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/2154 VAN DE COMMISSIE

van 16 december 2019

tot opening, voor 2020, van een tariefcontingent voor de invoer in de Unie van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde landbouwproducten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (1), en met name artikel 16, lid 1, onder a),

Gezien Besluit 2004/859/EG van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de sluiting van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over Protocol nr. 2 bij de bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (2), en met name artikel 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 140/2001 van 23 november 2001 tot wijziging van de Protocollen 2 en 3 van de EER-overeenkomst betreffende verwerkte en andere landbouwproducten (3) zijn de handelsregelingen tussen de Unie en het Koninkrijk Noorwegen voor bepaalde landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten tussen de overeenkomstsluitende partijen vastgesteld.

(2)

In Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 140/2001 is een nulrecht vastgelegd voor water met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, ingedeeld onder GN-code 2202 10 00, en andere alcoholvrije dranken, geen producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 of vetstoffen afkomstig van producten van de posten 0401 tot en met 0404 bevattend, ingedeeld onder GN-codes 2202 91 00 en 2202 99.

(3)

Het nulrecht van de Unie voor dat water en die andere dranken is voor Noorwegen tijdelijk en voor onbepaalde tijd geschorst bij de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen over Protocol nr. 2 bij de bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (4) (hierna “de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling” genoemd). Op grond van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling is de rechtenvrije invoer van goederen van de GN-codes 2202 10 00, ex 2202 91 00 en ex 2202 99 van oorsprong uit Noorwegen alleen toegestaan binnen de grenzen van een rechtenvrij contingent. Voor invoer die dit rechtenvrij contingent overschrijdt, moeten invoerrechten worden betaald.

(4)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1968 van de Commissie (5) tot opening, voor 2019, van een tariefcontingent voor de invoer in de Unie van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EU) nr. 510/2014 bedoelde landbouwproducten, is voor het jaar 2019 een tariefcontingent geopend voor de invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit Noorwegen, ingedeeld onder de GN-codes 2202 10 00, ex 2202 91 00 en ex 2202 99.

(5)

In de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling is bepaald dat als het in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1968 vastgestelde tariefcontingent tegen 31 oktober 2019 is opgebruikt, het tariefcontingent dat met ingang van 1 januari van het volgende jaar van toepassing zal zijn, met 10 % moet worden verhoogd.

(6)

Het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1968 geopende jaarlijkse tariefcontingent voor 2019 voor het desbetreffende water en de desbetreffende dranken, waarvan het volume 20,936 miljoen liter bedroeg, was op 4 september 2019 opgebruikt. Daarom moet voor het desbetreffende water en de desbetreffende dranken voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2020 een verhoogd tariefcontingent worden geopend. In overeenstemming met de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling moet het contingent voor 2020 derhalve worden geopend voor een volume dat 10 % hoger ligt, namelijk 23,029 miljoen liter.

(7)

Het bij deze verordening geopende tariefcontingent moet worden beheerd in overeenstemming met de desbetreffende regels die zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (6).

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I vallen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Van 1 januari tot en met 31 december 2020 is het in de bijlage vastgestelde rechtenvrije tariefcontingent onder de daarin vermelde voorwaarden geopend voor de in die bijlage opgenomen goederen van oorsprong uit Noorwegen.

2.   De oorsprongsregels die zijn vastgesteld in Protocol nr. 3 bij de bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen, zijn van toepassing op de goederen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

3.   Voor ingevoerde hoeveelheden die de omvang van het contingent zoals vastgesteld in de bijlage te boven gaan, geldt een preferentieel recht van 0,047 EUR/liter.

Artikel 2

Het in artikel 1, lid 1, bedoelde rechtenvrije tariefcontingent wordt door de Commissie beheerd overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 december 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(2)  PB L 370 van 17.12.2004, blz. 70.

(3)  PB L 22 van 24.1.2002, blz. 34.

(4)  PB L 370 van 17.12.2004, blz. 72.

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1968 van de Commissie van 12 december 2018 tot opening, voor 2019, van een tariefcontingent voor de invoer in de Unie van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen, die zijn verkregen door verwerking van in Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde landbouwproducten (PB L 316 van 13.12.2018, blz. 9).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).


BIJLAGE

Rechtenvrij tariefcontingent voor 2020 voor de invoer in de Unie van bepaalde goederen van oorsprong uit Noorwegen

Volgnummer

GN-code

Taric-code

Omschrijving

Omvang van het contingent

09.0709

2202 10 00

 

—Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd

23,029 miljoen liter

ex 2202 91 00

10

—Alcoholvrij suikerhoudend bier

ex 2202 99 11

11

19

—Dranken op basis van soja, met een proteïnegehalte van 2,8 of meer gewichtspercenten, suiker (sacharose of invertsuiker) bevattend

ex 2202 99 15

11

19

—Dranken op basis van soja, met een proteïnegehalte van minder dan 2,8 gewichtspercenten; dranken op basis van noten bedoeld bij hoofdstuk 8 van het douanewetboek van de Unie, van granen bedoeld bij hoofdstuk 10 van het douanewetboek van de Unie of van zaden bedoeld bij hoofdstuk 12 van het douanewetboek van de Unie, suiker (sacharose of invertsuiker) bevattend

ex 2202 99 19

11

19

—Andere alcoholvrije dranken, suiker (sacharose of invertsuiker) bevattend


17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/70


VERORDENING (EU) 2019/2155 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 5 december 2019

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1163/2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2019/37)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 3, tweede alinea, artikel 30 en artikel 33, lid 2, tweede alinea,

Gezien de publieksraadpleging en analyse die overeenkomstig artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 zijn uitgevoerd,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/41) (2) voorziet in de berekening van het totale aan onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen aan te rekenen bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht; de berekeningsmethodologie en -criteria van het door elke onder toezicht staande entiteit en onder toezicht staande groep te dragen bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht en de procedure voor inning van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht door de ECB.

(2)

Artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) schrijft voor dat de de ECB die verordening vóór 2017 evalueert, met name aangaande de methodologie en de berekeningscriteria van de jaarlijkse aan iedere onder toezicht staande entiteit en onder toezicht staande groep aan te rekenen vergoeding voor toezicht.

(3)

Op 2 juni 2017 lanceerde de ECB een openbare raadpleging om de meningen van belanghebbende partijen te vragen met het oog op het beoordelen van eventuele verbeteringen in Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41). De publieksraadpleging werd op 20 juli 2017 afgesloten.

(4)

Rekening houdend met de ontvangen reacties heeft de ECB Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) geëvalueerd en is tot de conclusie gekomen dat de verordening dient te worden gewijzigd.

(5)

De ECB heeft in het bijzonder besloten om niet langer voorschotten op de jaarlijkse vergoeding voor toezicht te verlangen. De vergoeding moet alleen worden aangerekend aan het einde van de betrokken vergoedingsperiode, nadat de werkelijke jaarlijkse kosten zijn vastgesteld. De referentiedatum voor de vergoedingsfactoren dient als algemene regel 31 december van de voorafgaande vergoedingsperiode te blijven, teneinde voldoende tijd te bieden voor de validatie van de vergoedingsperiode.

(6)

Voor de grote meerderheid van schuldenaren van de vergoeding ontvangt de ECB de informatie over de totale activa en het totaal van de risicoposten reeds op grond van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie (3) en Verordening (EU) 2015/534 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/13) (4). Deze informatie is gemakkelijk beschikbaar voor het berekenen van de jaarlijkse vergoeding. De specifieke verzameling van vergoedingsfactoren voor zulke schuldenaren dient daarom te worden beëindigd.

(7)

Voorts heeft de ECB besloten om de te betalen vergoeding voor toezicht voor minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen met totale activa ten belope van 1 miljard EUR of lager te verlagen. Te dien einde moet de minimumvergoedingscomponent voor deze onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen worden gehalveerd.

(8)

Daarnaast laat de ervaring die sinds 2014 is opgedaan met de toepassing van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41), zien dat een aantal verduidelijkingen en technische wijzigingen in deze verordening passend zijn.

(9)

Het is noodzakelijk om overgangsmaatregelen te treffen ten aanzien van de vergoedingsperiode 2020, aangezien dat jaar de eerste vergoedingsperiode betreft waarvoor de ECB niet langer een voorschot van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht verlangt. Deze verordening dient daarom begin 2020 in werking te treden.

(10)

Daarom dient Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 9 wordt geschrapt;

b)

de punten 12 en 13 worden vervangen door:

“12.

“totale activa”:

a)

voor een onder toezicht staande groep, het totale bedrag van activa zoals bepaald overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17), exclusief de activa van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen, tenzij een onder toezicht staande groep anders beslist op grond van artikel 10, lid 3, onder c);

b)

voor een vergoeding betalend bijkantoor, de totale waarde van activa zoals gerapporteerd voor prudentiële doeleinden. Waar de totale waarde van activa niet moet worden gerapporteerd voor prudentiële doeleinden, verwijst de totale activa naar de totale waarde van de activa zoals vastgesteld op basis van de gecontroleerde jaarrekening die is opgesteld in overeenstemming met internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS), zoals van toepassing krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (*1) en, indien die jaarrekeningen niet beschikbaar zijn, op basis van de jaarrekeningen die zijn opgesteld in overeenstemming met het toepasselijke nationale jaarrekeningenrecht. Voor een vergoeding betalende bijkantoren die geen jaarrekeningen opstellen, verwijst de totale activa naar de totale waarde van activa zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 51, lid 5, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17);

c)

voor twee of meer een vergoeding betalende bijkantoren die overeenkomstig artikel 3, lid 3, als één bijkantoor worden beschouwd, de som van de totale waarde van activa zoals bepaald voor elk desbetreffend een vergoeding betalend bijkantoor;

d)

in alle andere gevallen, de totale waarde van activa zoals bepaald in overeenstemming met artikel 51 van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17).

13.

“het totaal van de risicoposten”:

a)

voor een onder toezicht staande groep, het bedrag als berekend op het hoogste consolidatieniveau binnen de deelnemende lidstaten overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*2), met uitzondering van het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen, tenzij een onder toezicht staande groep anders beslist op grond van artikel 10, lid 3, onder c);

b)

voor een vergoeding betalend bijkantoor en twee of meer een vergoeding betalende bijkantoren die overeenkomstig artikel 3, lid 3, als één bijkantoor worden beschouwd, nul;

c)

in alle andere gevallen, het bedrag als berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(*1)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1)."

(*2)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).”."

2)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt c) vervangen door:

“c)

wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van lid 2, in geval van een groep van een vergoeding betalende entiteiten.”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.

Onverminderd de regelingen met betrekking tot de toerekening van kosten binnen een groep van een vergoeding betalende entiteiten wordt een groep van een vergoeding betalende entiteiten behandeld als één eenheid. Iedere groep van een vergoeding betalende entiteiten wijst voor de hele groep een schuldenaar van de vergoeding aan en stelt de ECB in kennis van de identiteit van deze schuldenaar van de vergoeding. De schuldenaar van de vergoeding is gevestigd in een deelnemende lidstaat. Die kennisgeving wordt slechts als geldig beschouwd indien:

a)

deze de namen vermeldt van de groep die de kennisgeving bestrijkt;

b)

deze is ondertekend door de schuldenaar van de vergoeding namens alle onder toezicht staande entiteiten van de groep;

c)

deze de ECB uiterlijk 30 september van ieder jaar bereikt, opdat daarmee rekening kan worden gehouden voor de uitreiking van de vergoedingskennisgeving voor de volgende vergoedingsperiode.

Indien meer dan één kennisgeving per groep van een vergoeding betalende entiteiten de ECB tijdig bereikt, telt de laatste kennisgeving die de ECB uiterlijk op 30 september heeft ontvangen. Als de onder toezicht staande entiteit een onderdeel wordt van de onder toezicht staande groep nadat de ECB een geldige kennisgeving van de schuldenaar van de vergoeding heeft ontvangen, zal de kennisgeving worden beschouwd ook namens de onder toezicht staande entiteit te zijn ondertekend, tenzij de ECB anderszins schriftelijk wordt ingelicht.”.

3)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt de derde zin geschrapt;

b)

het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

“4.

Binnen vier maanden na afloop van iedere vergoedingsperiode wordt het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor elke categorie van onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen voor die vergoedingsperiode op de website van de ECB bekendgemaakt.”.

4)

Artikel 6 wordt geschrapt;

5)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

Nieuwe onder toezicht staande entiteiten, entiteiten die niet langer onder toezicht staan of statuswijziging”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.

Indien, gevolg gevend aan een daartoe strekkend ECB-besluit, de ECB rechtstreeks toezicht op een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep op zich neemt overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17), of rechtstreeks toezicht door de ECB op een onder toezicht staande groep eindigt overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17), wordt de jaarlijkse vergoeding voor toezicht berekend op basis van het aantal maanden gedurende welke de onder toezicht staande entiteit of de onder toezicht staande groep onder rechtstreeks of zijdelings toezicht van de ECB stond op de laatste dag van de maand.”.

6)

Artikel 9 wordt geschrapt.

7)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt punt a) vervangen door:

“a)

De vergoedingsfactoren voor de vaststelling van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht met betrekking tot iedere onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep worden gevormd door het bedrag op de referentiedatum van:

i)

totale activa, en

ii)

het totaal van de risicoposten.”;

b)

in lid 3 wordt punt b) geschrapt en worden de volgende punten b bis), b ter), b quater) en b quinquies) ingevoegd:

“b bis)

De vergoedingsfactoren worden vastgesteld voor elke vergoedingsperiode op basis van gegevens die onder toezicht staande entiteiten hebben gerapporteerd met als referentiedatum 31 december van de voorgaande vergoedingsperiode.

b ter)

Indien een onder toezicht staande entiteit haar jaarrekening, met inbegrip van de geconsolideerde jaarrekening, opstelt op basis van een boekjaar dat afwijkt van het kalenderjaar, wordt de referentiedatum voor de totale activa vastgesteld op het boekhoudkundige jaarultimo dat overeenkomt met de voorgaande vergoedingsperiode.

b quater)

Indien een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep is opgericht na de relevante referentiedatum vermeld in punten b bis) of b ter), maar voor 1 oktober van de vergoedingsperiode waarvoor de vergoeding is vastgesteld en bijgevolg geen vergoedingsfactoren met die referentiedatum bestaan, wordt de referentiedatum voor de vergoedingsfactoren vastgesteld op het einde van het kwartaal dat het dichtst bij de relevante referentiedatum vermeld in punten b bis) of b ter) ligt.

b quinquies)

Voor de onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen die niet onderworpen zijn aan de verplichte rapportage voor prudentiële doeleinden of onder toezicht staande groepen die activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen uitsluiten overeenkomstig punt c), worden de vergoedingsfactoren vastgesteld op basis van de informatie die door hen apart wordt gerapporteerd ten behoeve van de berekening van de vergoeding voor toezicht. De vergoedingsfactoren worden bij de betrokken NBA ingediend met de relevante referentiedatum zoals vastgelegd in punten b bis), b ter) of b quater), zulks overeenkomstig een ECB-besluit”;

c)

in lid 3 wordt punt c) vervangen door:

“c)

Ten behoeve van de berekening van vergoedingsfactoren dienen onder toezicht staande groepen doorgaans activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen uit te sluiten. Onder toezicht staande groepen kunnen beslissen dergelijke activa en/of het bedrag van de risicoposten niet uit te sluiten ten behoeve van de berekening van vergoedingsfactoren.”;

d)

lid 4 wordt vervangen door:

“4)

De som van de totale activa van alle schuldenaren van de vergoeding en de som van het totaal van de risicoposten van alle schuldenaren van de vergoeding worden op de ECB-website bekendgemaakt.”;

e)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.

Indien een schuldenaar van een vergoeding de vergoedingsfactoren niet aanlevert, bepaalt de ECB de vergoedingsfactoren overeenkomstig een ECB-besluit.”;

f)

in lid 6 wordt punt b) vervangen door:

“b)

De minimumvergoedingscomponent wordt berekend als een vast percentage van het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor iedere categorie onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen, zoals bepaald overeenkomstig artikel 8.”;

i)

Voor de categorie belangrijke onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen is het vaste percentage 10 %. Dit bedrag wordt gelijkelijk verdeeld over alle schuldenaren van de vergoeding. Voor belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen met totale activa ten belope van 10 miljard EUR of lager wordt de minimumvergoedingscomponent gehalveerd.

ii)

Voor de categorie minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen is het vaste percentage 10 %. Dit bedrag wordt gelijkelijk verdeeld over alle schuldenaren van de vergoeding. Voor minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen met totale activa ten belope van 1 miljard EUR of lager wordt de minimumvergoedingscomponent gehalveerd.”;

g)

in lid 6, onder c), worden de woorden “de artikelen 8 en 9” vervangen door “artikel 8”;

h)

in lid 6 wordt de laatste alinea als volgt vervangen:

De ECB bepaalt de door iedere schuldenaar van de vergoeding te betalen jaarlijkse vergoeding voor toezicht op basis van de conform dit lid uitgevoerde berekening en de op basis van dit artikel vastgestelde vergoedingsfactoren. De jaarlijkse te betalen vergoeding voor toezicht wordt aan de schuldenaar van de vergoeding bekendgemaakt middels de vergoedingskennisgeving.”.

8)

Artikel 12, lid 1 wordt als volgt vervangen:

“1.

De ECB reikt jaarlijks ten aanzien van iedere schuldenaar van de vergoeding een vergoedingskennisgeving uit binnen zes maanden na de aanvang van de volgende vergoedingsperiode.”.

9)

In artikel 13, lid 1, wordt de tweede zin geschrapt.

10)

Artikel 16 wordt geschrapt.

11)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

“Verslaglegging”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.

Binnen vier maanden na het begin van de vergoedingsperiode wordt het geschatte bedrag van de jaarlijkse kosten voor die vergoedingsperiode op de ECB-website bekendgemaakt.”.

12)

Het volgende artikel 17 bis wordt ingevoegd:

Artikel 17 bis

Overgangsregelingen voor de vergoedingsperiode 2020

1.   De door iedere onder toezicht staande entiteit en onder toezicht staande groep verschuldigde jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor de vergoedingsperiode 2020 wordt gespecificeerd in de vergoedingskennisgeving die in 2021 wordt uitgereikt aan de betrokken schuldenaar van de vergoeding.

2.   Overschotten of tekorten van de vergoedingsperiode 2019 die die zijn vastgesteld door de werkelijke jaarlijkse kosten die gemaakt zijn ten aanzien van de deze vergoedingsperiode af te trekken van de geraamde jaarlijkse kosten voor deze periode, worden in aanmerking genomen om de jaarlijkse kosten voor de vergoedingsperiode 2020 vast te stellen.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat, overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 5 december 2019.

Voor de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41) (PB L 311 van 31.10.2014, blz. 23).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2015/534 van de Europese Centrale Bank van 17 maart 2015 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2015/13) (PB L 86 van 31.3.2015, blz. 13).


BESLUITEN

17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/75


BESLUIT (EU) 2019/2156 VAN DE RAAD

van 7 oktober 2019

betreffende het door de Europese Unie in te nemen standpunt in de Associatieraad die is ingesteld bij de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, wat betreft de vaststelling van een aanbeveling inzake de verlenging van het actieplan EU-Marokko waarmee uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 217, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (1), (de “overeenkomst”) is op 1 maart 2000 in werking getreden.

(2)

Krachtens artikel 80 van de overeenkomst kan de Associatieraad aanbevelingen doen.

(3)

De Associatieraad dient bij briefwisseling een aanbeveling te doen inzake een verdere verlenging met twee jaar van het actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017) (het “actieplan”).

(4)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Associatieraad wat betreft de vaststelling van een aanbeveling tot goedkeuring van de verlenging van het actieplan, aangezien de aanbeveling voor de Unie bindend zal zijn.

(5)

De verlenging van het actieplan zal de basis vormen voor de samenwerking tussen de EU en Marokko voor de jaren 2019 en 2020 en voor de vaststelling van nieuwe thematische prioriteiten voor de betrekkingen tussen de EU en Marokko voor de komende jaren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de Associatieraad die is ingesteld bij de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, wat betreft de vaststelling van een aanbeveling tot goedkeuring van de verlenging met twee jaar (2019 en 2020) van het actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017), is gebaseerd op de aan dit besluit gehechte ontwerpaanbeveling.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie en tot de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

Gedaan te Luxemburg, 7 oktober 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

A.-M. HENRIKSSON


(1)  PB L 70 van 18.3.2000, blz. 2.


ONTWERP

AANBEVELING Nr. 1/2019 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-MAROKKO

van …

tot goedkeuring van de verlenging met twee jaar van het actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017)

DE ASSOCIATIERAAD EU-MAROKKO,

Gezien de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (1),

Overwegende hetgeen volgt,

(1)

De Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (de “overeenkomst”) is op 1 maart 2000 in werking getreden.

(2)

Krachtens Artikel 80 van de overeenkomst kan de Associatieraad aanbevelingen doen die het passend acht om de doelstellingen van de overeenkomst te bereiken.

(3)

Overeenkomstig artikel 90 van de overeenkomst treffen de partijen alle algemene of bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen en zien zij erop toe dat de in de overeenkomst aangegeven doelstellingen worden bereikt.

(4)

Artikel 10 van het reglement van orde van de Associatieraad voorziet in de mogelijkheid om tussen twee zittingen via schriftelijke procedure aanbevelingen te doen.

(5)

Het actieplan tot uitvoering van de geavanceerde status (2013-2017) (het “actieplan”) werd in 2018 met één jaar verlengd. De verdere verlenging van het actieplan met twee jaar zal de basis vormen voor de betrekkingen tussen de EU en Marokko voor de jaren 2019 en 2020 en voor de vaststelling van nieuwe thematische prioriteiten van de betrekkingen tussen de EU en Marokko voor de komende jaren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Enig Artikel

De Associatieraad, handelend via schriftelijke procedure, beveelt aan dat de looptijd van het actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017) wordt verlengd met twee jaar.

Gedaan te …,

Voor de Associatieraad EU-Marokko

De voorzitter


(1)  PB L 70 van 18.3.2000, blz. 2.


17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/78


BESLUIT (EU) 2019/2157 VAN DE RAAD

van 10 december 2019

houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 300, lid 3, en artikel 305,

Gezien Besluit (EU) 2019/852 van de Raad van 21 mei 2019 ter bepaling van de samenstelling van het Comité van de Regio’s (1),

Gezien de voordrachten van de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 300, lid 3, van het Verdrag bepaalt dat het Comité van de Regio’s bestaat uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale gemeenschappen die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording verschuldigd zijn aan een gekozen vergadering.

(2)

Artikel 305 van het Verdrag stelt dat de leden van het Comité van de Regio’s, alsmede een gelijk aantal plaatsvervangers, voor vijf jaar door de Raad worden benoemd, overeenkomstig de voordrachten van de lidstaten.

(3)

De ambtstermijn van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s verstrijkt op 25 januari 2020; er dienen dus nieuwe leden en plaatsvervangers te worden benoemd.

(4)

Die benoeming wordt op een later tijdstip gevolgd door de benoeming van de overige leden en plaatsvervangers wier voordracht niet vóór 15 november 2019 aan de Raad is meegedeeld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het Comité van de Regio’s worden voor de periode van 26 januari 2020 tot en met 25 januari 2025 benoemd:

tot lid, de personen die per lidstaat zijn vermeld in de lijst in bijlage I;

tot plaatsvervanger, de personen die per lidstaat zijn vermeld in de lijst in bijlage II.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 10 december 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

T. TUPPURAINEN


(1)  PB L 139 van 27.5.2019, blz. 13.


BIJLAGE I

ПРИЛОЖЕНИЕ I — ANEXO I — PŘÍLOHA I — BILAG I — ANHANG I — I LISA - ΠΑΡΑΡΤΗΜΑ Ι — ANNEX I — ANNEXE I — PRILOG I — ALLEGATO I - I PIELIKUMS — I PRIEDAS — I. MELLÉKLET — ANNESS I — BIJLAGE I - ZAŁĄCZNIK I — ANEXO I — ANEXA I — PRÍLOHA I — PRILOGA I — LIITE I — BILAGA I

Членове/Miembros/Členové/Medlemmer/Mitglieder/Liikmed/Μέλη/Members/Membres/Članovi/Membri/Locekļi/Nariai/Tagok/Membri/Leden/Członkowie/Membros/Membri/Členovia/Člani/Jäsenet/Ledamöter

BELGIË/BELGIQUE/BELGIEN

Mr Karl-Heinz LAMBERTZ

Member of a Regional Assembly: Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft

Mr Pascal SMET

Staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Europese en Internationale Betrekkingen

Mr Rudi VERVOORT

Ministre-Président du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale

ČESKO

Mr Josef BERNARD

Member of a Regional Assembly: zastupitel Plzeňského kraje

Mr Pavel BRANDA

Member of a Local Assembly: zastupitel obce Rádlo

Mr Jiří ČUNEK

Member of a Regional Assembly: zastupitel Zlínského kraje

Mr Zdeněk HŘIB

Member of a Local Assembly: zastupitel hlavního města Praha

Mr Dan JIRÁNEK

Member of a Local Assembly: zastupitel statutárního města Kladno

Mr Roman LÍNEK

Member of a Regional Assembly: zastupitel Pardubického kraje

Mr Tomáš MACURA

Member of a Local Assembly: zastupitel statutárního města Ostrava

Ms Jana MRAČKOVÁ VILDUMETZOVÁ

Member of a Regional Assembly: zastupitelka Karlovarského kraje

Ms Jaroslava POKORNÁ JERMANOVÁ

Member of a Regional Assembly: zastupitelka Středočeského kraje

Mr Martin PŮTA

Member of a Regional Assembly: zastupitel Libereckého kraje

Mr Radim SRŠEŇ

Member of a Local Assembly: zastupitel obce Dolní Studénky

Mr Oldřich VLASÁK

Member of a Local Assembly: zastupitel statutárního města Hradec Králové

DANMARK

Mr Per Bødker ANDERSEN

Member of a Local Assembly: Kolding kommunalbestyrelse

Ms Kirstine Helene BILLE

Member of a Local Assembly: Syddjurs kommunalbestyrelse

Mr Erik FLYVHOLM

Member of a Local Assembly: Lemvig kommunalbestyrelse

Mr Jens Christian GJESING

Member of a Local Assembly: Haderslev kommunalbestyrelse

Mr Jens Bo IVE

Member of a Local Assembly: Rudersdal kommunalbestyrelse

Mr Jess V. LAURSEN

Member of a Regional Assembly: Regionsrådet, Region Nordjylland

Mr Arne LÆGAARD

Member of a Regional Assembly: Regionsrådet, Region Midtjylland

Mr Per NØRHAVE

Member of a Local Assembly: Ringsted kommunalbestyrelse

Mr Karsten Uno PETERSEN

Member of a Regional Assembly: Regionsrådet, Region Syddanmark

DEUTSCHLAND

Ms Muhterem ARAS

Member of a Regional Assembly: Landtag Baden-Württemberg

Mr Dietmar BROCKES

Member of a Regional Assembly: Landtag Nordrhein-Westfalen

Ms Barbara DUDEN

Member of a Regional Assembly: Hamburgische Bürgerschaft

Ms Antje GROTHEER

Member of a Regional Assembly: Bremische Bürgerschaft

Mr Tilo GUNDLACK

Member of a Regional Assembly: Landtag Mecklenburg-Vorpommern

Mr Florian HERRMANN

Member of a Regional Executive: Bayerische Landesregierung

Ms Birgit Janine HONÉ

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Niedersächsischer Landtag

Ms Helma KUHN-THEIS

Member of a Regional Assembly: Saarländischer Landtag

Mr Bernd LANGE

Member of a Local Executive: Landkreis Görlitz

Ms Henrike MÜLLER

Member of a Regional Assembly: Bremische Bürgerschaft

Mr Marcel PHILIPP

Member of a Local Executive: Stadt Aachen

Ms Heike RAAB

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Landtag Rheinland-Pfalz

Mr Franz RIEGER

Member of a Regional Assembly: Bayerischer Landtag

Ms Isolde RIES

Member of a Regional Assembly: Saarländischer Landtag

Mr Eckhard RUTHEMEYER

Member of a Local Executive: Stadt Soest

Mr Michael SCHNEIDER

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Landtag Sachsen-Anhalt

Mr Mark SPEICH

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Landtag Nordrhein-Westfalen

Mr Bernd Claus VOß

Member of a Regional Assembly: Landtag Schleswig-Holstein

Mr Mark WEINMEISTER

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Hessischer Landtag

Mr Guido WOLF

Member of a Regional Executive: Landesregierung Baden-Württemberg

Mr Gerry WOOP

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Abgeordnetenhaus von Berlin

EESTI

Mr Mihkel JUHKAMI

Member of a Local Assembly: Rakvere City Council

Mr Urmas KLAAS

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Tartu City Council

Mr Mikk PIKKMETS

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Lääneranna Rural Municipality Council

Mr Siim SUURSILD

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Pärnu City Council

Mr Tiit TERIK

Member of a Local Assembly: Tallinn City Council

Mr Mart VÕRKLAEV

Member of a Local Assembly: Rae Rural Municipality Council

ESPAÑA

Ms Concepción ANDREU RODRÍGUEZ

Member of a Regional Executive: Gobierno de La Rioja

Ms Francesca Lluch ARMENGOL i SOCIAS

Member of a Regional Executive: Gobierno de las Illes Balears

Mr Adrián BARBÓN RODRÍGUEZ

Member of a Regional Assembly: Junta General del Principado de Asturias

Mr Alfred BOSCH i PASCUAL

Member of a Regional Executive: Gobierno de la Generalitat de Cataluña

Ms María Victoria CHIVITE NAVASCUÉS

Member of a Regional Executive: Gobierno de Navarra

Ms Isabel Natividad DÍAZ AYUSO

Member of a Regional Executive: Gobierno de la Comunidad de Madrid

Mr Guillermo FERNÁNDEZ VARA

Member of a Regional Executive: Junta de Extremadura

Ms Paula FERNÁNDEZ VIAÑA

Member of a Regional Executive: Gobierno de Cantabria

Mr Emiliano GARCÍA-PAGE SÁNCHEZ

Member of a Regional Executive: Consejo de Gobierno de la Junta de Comunidades de Castilla-La Mancha

Mr Francisco IGEA ARISQUETA

Member of a Regional Executive: Junta de Castilla y León

Mr Francisco Javier LAMBÁN MONTAÑÉS

Member of a Regional Executive: Gobierno de Aragón

Mr Juan Manuel MORENO BONILLA

Member of a Regional Executive: Consejo de Gobierno de la Junta de Andalucía

Mr Alberto NÚÑEZ FEIJÓO

Member of a Regional Executive: Junta de Galicia

Mr Ximo PUIG i FERRER

Member of a Regional Assembly: Les Corts Valencianes

Mr Ángel Víctor TORRES PÉREZ

Member of a Regional Executive: Gobierno de Canarias

Mr Iñigo URKULLU RENTERIA

Member of a Regional Assembly: Parlamento Vasco

IRELAND

Ms Aoife BRESLIN

Member of a Local Executive: Kildare County Council

Mr Eamon DOOLEY

Member of a Local Executive: Offaly County Council

Ms Kate FEENEY

Member of a Local Executive: Dun Laoghaire Rathdown County Council

Ms Deirdre FORDE

Member of a Local Executive: Cork City Council

Mr Kieran MCCARTHY

Member of a Local Executive: Cork City Council

Mr Declan MCDONNELL

Member of a Local Executive: Galway City Council

Mr Michael MURPHY

Member of a Local Executive: Tipperary County Council

Mr Malcolm NOONAN

Member of a Local Executive: Kilkenny County Council

ITALIA

Mr Matteo Luigi BIANCHI

Consigliere comunale del Comune di Morazzone (VA)

Mr Vincenzo BIANCO

Consigliere comunale del Comune di Catania

Mr Sergio CACI

Sindaco del Comune di Montalto di Castro (VT)

Ms Arianna Maria CENSI

Consigliere comunale del Comune di Milano

Ms Michela LEONI

Consigliere della Provincia di Novara

Mr Giorgio MAGLIOCCA

Presidente della Provincia di Caserta

Mr Luca MENESINI

Presidente della Provincia di Lucca

Mr Virginio MEROLA

Sindaco del Comune di Bologna

Mr Salvatore Domenico Antonio POGLIESE

Sindaco del Comune di Catania

Ms Virginia RAGGI

Sindaco di Roma Capitale

ΚΥΠΡΟΣ

Mr Nikos ANASTASIOU

Mayor of Kato Polemidia Municipality

Mr Andros KARAYIANNIS

Mayor of Deryneia Municipality

Mr Louis KOUMENIDES

President of the Community Council of Kato Lefkara

Ms Eleni LOUCAIDES

Municipal Councilor of Nicosia Municipality

Mr Stavros STAVRINIDES

Municipal Councilor of Strovolos Municipality

LATVIJA

Ms Inga BĒRZIŅA

Member of a Local Assembly: Kuldīga municipal council

Mr Gints KAMINSKIS

Member of a Local Assembly: Auce municipal council

Mr Aivars OKMANIS

Member of a Local Assembly: Rundāle municipal council

Mr Leonīds SALCEVIČS

Member of a Local Assembly: Jēkabpils city council

Mr Dainis TURLAIS

Member of a Local Assembly: Rīga city council

Mr Hardijs VENTS

Member of a Local Assembly: Pārgauja municipal council

Mr Jānis VĪTOLIŅŠ

Member of a Local Assembly: Ventspils city council

LUXEMBOURG

Ms Simone BEISSEL

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la ville de Luxembourg

Mr Roby BIWER

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la commune de Bettembourg

Mr Tom JUNGEN

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la commune de Roeser

Mr Ali KAES

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la commune de Tandel

Ms Romy KARIER

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la commune de Clervaux

MALTA

Mr Samuel AZZOPARDI

Member of a Regional Executive: Gozo Region

Mr Joe CORDINA

Member of a Local Executive: Local Councils' Association

Mr Paul FARRUGIA

Member of a Regional Executive: South East Region

Mr Mario FAVA

Member of a Local Executive: Local Councils' Association

NEDERLAND

Mr Ronald Eduard DE HEER

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Zwolle

Ms Maria Hendrika Mathilda Rita DE HOON-VEELENTURF

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Baarle-Nassau

Mr Andy DRITTY

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Limburg

Mr Robert JONKMAN

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Opsterland

Mr Ufuk KÂHYA

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente 's-Hertogenbosch

Ms Helena Antoinette Maria NAUTA-VAN MOORSEL

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Hof van Twente

Mr Michiel Alexander RIJSBERMAN

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Flevoland

Ms Maria SCHOUTEN

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Nieuwegein

Mr Tjisse STELPSTRA

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Drenthe

Mr Robertus Cornelis Leonardus STRIJK

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Utrecht

Mr Wilhelmus Bernhard Henricus Josephus VAN DE DONK

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant

Mr Yde Johan VAN HIJUM

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Overijssel

ÖSTERREICH

Mr Markus ACHLEITNER

Member of a Regional Executive: State Government of Upper Austria

Ms Barbara EIBINGER-MIEDL

Member of a Regional Executive: State Government of Styria

Mr Christian ILLEDITS

Member of a Regional Executive: State Government of Burgenland

Mr Peter KAISER

Member of a Regional Executive: State Government of Carinthia

Mr Markus LINHART

Member of a Local Executive: City Council of the regional capital Bregenz

Mr Michael LUDWIG

Member of a Regional Executive: State Government of Vienna

Ms Johanna MIKL-LEITNER

Member of a Regional Executive: State Government of Lower Austria

Mr Günther PLATTER

Member of a Regional Executive: State Government of Tyrol

Mr Franz SCHAUSBERGER

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: State Parliament of Salzburg

Mr Matthias STADLER

Member of a Local Executive: City Council of the regional capital of St. Pölten

Mr Hanspeter WAGNER

Member of a Local Executive: Local Council of the municipality of Breitenwang in Tyrol

Mr Markus WALLNER

Member of a Regional Executive: State Government of Vorarlberg

ROMÂNIA

Mr Ionel ARSENE

President of Neamţ County Council

Mr Emil BOC

Mayor of Cluj-Napoca Municipality, Cluj County

Mr Csaba BORBOLY

President of Harghita County Council

Ms Daniela CÎMPEAN

President of Sibiu County Council

Mr Emil DRĂGHICI

Mayor of Vulcana-Băi Commune, Dâmbovița County

Mr Decebal FĂGĂDĂU

Mayor of Constanţa Municipality, Constanţa County

Ms Mariana GÂJU

Mayor of Cumpăna Commune, Constanța County

Mr Victor MORARU

President of Ialomiţa County Council

Mr Robert Sorin NEGOIȚĂ

Mayor of District 3, Bucharest Municipality

Mr Alin — Adrian NICA

Mayor of Dudeștii Noi Commune, Timiș County

Mr Ion PRIOTEASA

President of Dolj County Council

Mr Adrian Ovidiu TEBAN

Mayor of Cugir City, Alba County

Ms Gabriela Florica TULBURE

Mayor of Sein City, Maramureș County

Mr Marius Horia ȚUȚUIANU

President of Constanţa County Council

Mr Marius Ioan URSĂCIUC

Mayor of Gura Humorului City, Suceava County

SLOVENIJA

Mr Uroš BREŽAN

župan Občine Tolmin

Ms Jasna GABRIČ

županja Občine Trbovlje

Ms Nuška GAJŠEK

županja Mestne občine Ptuj

Mr Aleksander JEVŠEK

župan Mestne občine Murska Sobota

Mr Gregor MACEDONI

župan Mestne občine Novo mesto

Mr Robert SMRDELJ

župan Občine Pivka

Mr Ivan ŽAGAR

župan Občine Slovenska Bistrica

SLOVENSKO

Mr Milan BELICA

Chairman of Nitra Self – Governing Region

Mr József BERÉNYI

Vice — Chairman of Trnava Self – Governing Region

Mr Juraj DROBA

Chairman of Bratislava Self – Governing Region

Mr Ján FERENČÁK

Mayor of Kežmarok

Mr Jaroslav HLINKA

Mayor of Košice — South

Mr Miloslav REPASKÝ

Member of the Regional Parliament of the Prešov Self – Governing Region

Mr Rastislav TRNKA

Chairman of Košice Self – Governing Region

Ms Andrea TURČANOVÁ

Mayor of Prešov

Mr Matúš VALLO

Mayor of Bratislava

SUOMI

Mr Mikko AALTONEN

Member of a Local Assembly: Tampere City Council

Ms Satu HAAPANEN

Member of a Local Assembly: Oulu City Council

Mr Ilpo HELTIMOINEN

Member of a Local Assembly: Lappeenranta City Council

Ms Anne KARJALAINEN

Member of a Local Assembly: Kerava City Council

Mr Markku MARKKULA

Member of a Local Assembly: Espoo City Council

Mr Mikkel NÄKKÄLÄJÄRVI

Member of a Local Assembly: Rovaniemi City Council

Ms Sari RAUTIO

Member of a Local Assembly: Hämeenlinna City Council

Ms Mirja VEHKAPERÄ

Member of a Local Assembly: Oulu City Council

SVERIGE

Ms Jelena DRENJANIN

Member of a Local Assembly: Huddinge kommun

Mr Samuel GONZALES WESTLING

Member of a Local Assembly: Hofors kommun

Mr Pehr GRANFALK

Member of a Local Assembly: Solna kommun

Ms Marie JOHANSSON

Member of a Local Assembly: Gislaveds kommun

Mr Anders KNAPE

Member of a Local Assembly: Karlstads kommun

Ms Ulrika LANDERGREN

Member of a Local Assembly: Kungsbacka kommun

Mr Jonny LUNDIN

Member of a Regional Assembly: Västernorrlands läns landsting

Mr Ilmar REEPALU

Member of a Regional Assembly: Skåne läns landsting

Mr Tomas RISTE

Member of a Regional Assembly: Vämlands läns landsting

Ms Marie-Louise RÖNNMARK

Member of a Local Assembly: Umeå kommun

Ms Birgitta SACRÈDEUS

Member of a Regional Assembly: Dalarnas läns landsting

Ms Karin WANNGÅRD

Member of a Local Assembly: Stockholms kommun


BIJLAGE II

ПРИЛОЖЕНИЕ II — ANEXO II — PŘÍLOHA II — BILAG II — ANHANG II — II LISA - ΠΑΡΑΡΤΗΜΑ ΙΙ — ANNEX II — ANNEXE II — PRILOG II — ALLEGATO II - II PIELIKUMS — II PRIEDAS — II. MELLÉKLET — ANNESS II — BIJLAGE II - ZAŁĄCZNIK II — ANEXO II — ANEXA II — PRÍLOHA II — PRILOGA II — LIITE II — BILAGA II

Заместник-членове/Suplentes/Náhradníci/Suppleanter/Stellvertreter/Asendusliikmed/Αναπληρωτές/Alternate members/Suppléants/Zamjenici članova/Supplenti/Aizstājēji/Pakaitiniai nariai/Póttagok/Membri Supplenti/Plaatsvervangers/Zastępcy członków/Suplentes/Supleanți/Náhradníci/Nadomestni člani/Varajäsenet/Suppleanter

ČESKO

Mr Tomáš CHMELA

Member of a Local Assembly: zastupitel města Slavičín

Mr Martin DLOUHÝ

Member of a Local Assembly: zastupitel hlavního města Praha

Mr Pavel HEČKO

Member of a Regional Assembly: zastupitel Královéhradeckého kraje

Mr Petr HÝBLER

Member of a Regional Assembly: zastupitel Jihomoravského kraje

Mr Zdeněk KARÁSEK

Member of a Regional Assembly: zastupitel Moravskoslezského kraje

Mr Martin KLIKA

Member of a Regional Assembly: zastupitel Ústeckého kraje

Ms Sylva KOVÁČIKOVÁ

Member of a Local Assembly: zastupitelka města Bílovec

Mr Jan MAREŠ

Member of a Local Assembly: zastupitel statutárního města Chomutov

Mr Jaromír NOVÁK

Member of a Regional Assembly: zastupitel Jihočeského kraje

Mr Pavel PACAL

Member of a Regional Assembly: zastupitel Kraje Vysočina

Mr Patrik PIZINGER

Member of a Local Assembly: zastupitel města Chodov

Mr Robert ZEMAN

Member of a Local Assembly: zastupitel města Prachatice

DANMARK

Mr Steen Bording ANDERSEN

Member of a Local Assembly: Aarhus kommunalbestyrelse

Ms Ursula Beate DIETERICH-PEDERSEN

Member of a Regional Assembly: Regionsrådet, Region Sjælland

Mr Erik HØEG-SØRENSEN

Member of a Regional Assembly: Regionsrådet, Region Nordjylland

Ms Kirsten Maria Meyer JENSEN

Member of a Local Assembly: Hillerød kommunalbestyrelse

Mr Anders Rosenstand LAUGESEN

Member of a Local Assembly: Skanderborg kommunalbestyrelse

Mr Evan LYNNERUP

Member of a Regional Assembly: Regionsrådet, Region Sjælland

Ms EVA Borchorst MEJNERTZ

Member of a Local Assembly: Aarhus kommunalbestyrelse

Mr Karsten Søndergaard NIELSEN

Member of a Local Assembly: Egedal kommunalbestyrelse

Mr Søren WINDELL

Member of a Local Assembly: Odense kommunalbestyrelse

DEUTSCHLAND

Mr Josef FREY

Member of a Regional Assembly: Landtag Baden-Württemberg

Mr René GÖGGE

Member of a Regional Assembly: Hamburgische Bürgerschaft

Mr Tobias GOTTHARDT

Member of a Regional Assembly: Bayerischer Landtag

Ms Susanne GROBIEN

Member of a Regional Assembly: Bremische Bürgerschaft

Mr Thomas HABERMANN

Member of a Local Executive: Landkreis Rhön-Grabfeld

Ms Karin HALSCH

Member of a Regional Assembly: Abgeordnetenhaus von Berlin

Mr Heinz-Joachim HÖFER

Member of a Local Assembly: Stadtrat Altenkirchen

Ms Katy HOFFMEISTER

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Landtag Mecklenburg-Vorpommern

Mr Peter KURZ

Member of a Local Executive: Stadt Mannheim

Mr Clemens LAMMERSKITTEN

Member of a Regional Assembly: Niedersächsischer Landtag

Mr Marcus OPTENDRENK

Member of a Regional Assembly: Landtag Nordrhein-Westfalen

Mr Wolfgang REINHART

Member of a Regional Assembly: Landtag Baden-Württemberg

Mr Boris RHEIN

Member of a Regional Assembly: Hessischer Landtag

Ms Heike SCHARFENBERGER

Member of a Regional Assembly: Landtag Rheinland-Pfalz

Mr Florian SIEKMANN

Member of a Regional Assembly: Bayerischer Landtag

Ms Sabine SÜTTERLIN-WAACK

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Landtag Schleswig-Holstein

Mr Roland THEIS

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Saarländischer Landtag

Mr Cindi TUNCEL

Member of a Regional Assembly: Bremische Bürgerschaft

Mr Dirk WEDEL

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Landtag Nordrhein-Westfalen

Mr Reiner ZIMMER

Member of a Regional Assembly: Saarländischer Landtag

EESTI

Mr Aivar ARU

Member of a Local Assembly: Saaremaa Rural Municipality Council

Mr Margus LEPIK

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Valga Rural Municipality Council

Mr Rait PIHELGAS

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Järva Rural Municipality Council

Ms Marika SAAR

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Elva Rural Municipality Council

Mr Urmas SUKLES

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Haapsalu City Council

Mr Jan TREI

Member of a Local Assembly: Viimsi Rural Municipality Council

ESPAÑA

Mr Ignacio Jesús AGUADO CRESPO

Member of a Regional Executive: Gobierno de la Comunidad de Madrid

Mr Carlos AGUILAR VÁZQUEZ

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Cortes de Castilla y León

Ms Rosa María BALAS TORRES

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Asamblea de Extremadura

Ms Mireia BORRELL PORTA

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Parlamento de Cataluña

Mr Joan CALABUIG RULL

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Les Corts Valencianes

Mr Manuel Alejandro CARDENETE FLORES

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Parlamento de Andalucía

Ms María Ángeles ELORZA ZUBIRÍA

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Parlamento Vasco

Mr Jesús María GAMALLO ALLER

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Parlamento de Galicia

Mr Francisco Celso GONZÁLEZ GONZÁLEZ

Member of a Regional Executive: Gobierno de La Rioja

Mr Mikel IRUJO AMEZAGA

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Parlamento de Navarra

Ms Virginia MARCO CÁRCEL

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Cortes de Castilla-La Mancha

Ms María Teresa PÉREZ ESTEBAN

Member of a Regional Executive: Gobierno de Aragón

Ms María SÁNCHEZ RUIZ

Member of a Regional Executive: Gobierno de Cantabria

Mr Antonio VICENS VICENS

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Parlamento de las Illes Balears

Mr Javier VILA FERRERO

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Junta General del Principado de Asturias

Mr Julián José ZAFRA DÍAZ

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Parlamento de Canarias

IRELAND

Ms Emma BLAIN

Member of a Local Executive: Dun Laoghaire Rathdown County Council

Ms Gillian COUGHLAN

Member of a Local Executive: Cork County Council

Ms Alison GILLILAND

Member of a Local Executive: Dublin City Council

Mr Jimmy MCCLEARN

Member of a Local Executive: Galway County Council

Mr Patrick MCEVOY

Member of a Local Executive: Kildare County Council

Ms Erin MCGREEHAN

Member of a Local Executive: Louth County Council

Ms Una POWER

Member of a Local Executive: Dun Laoghaire Rathdown County Council

Mr Enda STENSON

Member of a Local Executive: Leitrim County Council

ITALIA

Mr Alberto ANCARANI

Consigliere comunale del Comune di Ravenna

Ms Daniela BALLICO

Sindaco del Comune di Ciampino (RM)

Mr Federico BORGNA

Presidente della Provincia di Cuneo

Ms Mariadele GIROLAMI

Consigliere della Provincia di Ascoli Piceno

Mr Mario GUARENTE

Sindaco del Comune di Potenza

Mr Alessio MARSILI

Consigliere municipale di Roma Capitale

Ms Monica MARINI

Sindaco del Comune di Pontassieve (FI)

Mr Nicola MARINI

Sindaco del Comune di Albano Laziale (RM)

Mr Federico Carlo MARTEGANI

Consigliere comunale del Comune di Tradate (VA)

Mr Guido MILANA

Consigliere comunale del Comune di Olevano Romano (RM)

Mr Roberto PELLA

Sindaco del Comune di Valdengo (BI)

Mr Carmine PACENTE

Consigliere comunale del Comune di Milano

Mr Alessandro ROMOLI

Consigliere della Provincia di Viterbo

Mr Giuseppe VARACALLI

Consigliere comunale del Comune di Gerace (RC)

ΚΥΠΡΟΣ

Mr Theodoros ANTONIOU AVVAS

Mayor of Mesa Yitonia Municipality

Mr Christodoulos IOANNOU

Municipal Councilor of Larnaka Municipality

Mr Christakis MELETIES

President of the Community Council of Kokkinotrimithia

Mr Kyriacos XYDIAS

Mayor of Yermasoyia Municipality

Ms Areti PIERIDOU

President of the Community Council of Tala, Paphos

LATVIJA

Mr Gunārs ANSIŅŠ

Member of a Local Assembly: Liepāja city council

Mr Jānis BAIKS

Member of a Local Assembly: Valmiera city council

Mr Raimonds ČUDARS

Member of a Local Assembly: Salaspils municipal council

Mr Sergejs MAKSIMOVS

Member of a Local Assembly: Viļaka municipal council

Mr Māris SPRINDŽUKS

Member of a Local Assembly: Ādaži municipal council

Ms Olga VEIDIŅA

Member of a Local Assembly: Rīga city council

Mr Māris ZUSTS

Member of a Local Assembly: Saldus municipal council

LUXEMBOURG

Ms Liane FELTEN

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la ville de Grevenmacher

Ms Linda GAASCH

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la ville de Luxembourg

Mr Gusty GRAAS

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la commune de Bettembourg

Ms Carole HARTMANN

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la ville d’Echternach

Ms Cécile HEMMEN

Member of a Local Assembly: Conseil communal de la commune de Weiler-la-Tour

MALTA

Mr Jesmond AQUILINA

Member of a Regional Executive: South Region

Mr Keven CAUCHI

Member of a Local Executive: Għajnsielem Local Council

Mr Fredrick CUTAJAR

Member of a Local Executive: Santa Luċija Local Council

Ms Graziella GALEA

Member of a Local Executive: San Pawl il-Baħar Local Council

NEDERLAND

Mr Ahmed ABOUTALEB

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Rotterdam

Ms Jeannette Nicole BALJEU

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland

Ms Wilhelmina Johanna Gerarda DELISSEN — VAN TONGERLO

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Peel en Maas

Ms Marcelle Theodora Maria HENDRICKX

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Tilburg

Mr Johannes Gerrit KRAMER

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Fryslân

Ms Anna PIJPELINK

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Zeeland

Mr Guido Pascal RINK

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Emmen

Mr Henk STAGHOUWER

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Groningen

Mr Ben VAN ASSCHE

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente Terneuzen

Mr Robert Jacobus VAN ASTEN

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: de Gemeenteraad van de gemeente 's-Gravenhage

Mr Johannes Christoffel VAN DER HOEK

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland

Ms Christianne VAN DER WAL — ZEGGELINK

Representative of a regional body with political accountability to an elected Assembly: Provinciale Staten van de provincie Gelderland

ÖSTERREICH

Mr Hans Peter DOSKOZIL

Member of a Regional Executive: State Government of Burgenland

Mr Martin EICHTINGER

Member of a Regional Executive: State Government of Lower Austria

Mr Peter FLORIANSCHÜTZ

Member of a Local Assembly: Vienna City Council

Mr Peter HANKE

Member of a Regional Executive: State Government of Vienna

Ms Doris KAMPUS

Member of a Regional Executive: State Government of Styria

Ms Carmen KIEFER

Member of a Local Executive: Local Council of the municipality of Kuchl in Salzburg

Ms Sonja LEDL-ROSSMANN

Member of a Regional Assembly: State Parliament of Tyrol

Ms Brigitta PALLAUF

Member of a Regional Assembly: State Parliament of Salzburg

Mr Herwig SEISER

Member of a Regional Assembly: State Parliament of Carinthia

Mr Viktor SIGL

Member of a Regional Assembly: State Parliament of Upper Austria

Mr Harald SONDEREGGER

Member of a Regional Assembly: State Parliament of Vorarlberg

Mr Hannes WENINGER

Member of a Local Assembly: Municipal Council of the municipality of Gießhübl

ROMÂNIA

Mr Árpád-András ANTAL

Mayor of Sfântu Gheorghe Municipality, Covasna County

Mr Daniel-Ștefan DRĂGULIN

Mayor of Călărași Municipality, Călărași County

Mr Ştefan ILIE

Mayor of Luncavița Commune, Tulcea County

Mr Emil Radu MOLDOVAN

President of Bistrița-Năsăud County Council

Mr Cornel NANU

Mayor of Cornu Commune, Prahova County

Mr Petre Emanoil NEAGU

President of Buzău County Council

Mr Cosmin NECULA

Mayor of Bacău Municipality, Bacău County

Mr Gheorghe Daniel NICOLAȘ

Mayor of Odobești City, Vrancea County

Mr Emilian OPREA

Mayor of Chitila City, Ilfov County

Mr Nicolae PANDEA

Mayor of Ştefan cel Mare Commune, Călăraşi County

Mr Marian PETRACHE

President of Ilfov County Council

Mr Horia TEODORESCU

President of Tulcea County Council

Mr Mădălin — Ady TEODOSESCU

Mayor of Balș City, Olt County

Mr Bogdan Andrei TOADER

President of Prahova County Council

Mr István-Valentin VÁKÁR

Vice-president of Cluj County Council

SLOVENIJA

Ms Breda ARNŠEK

podžupanja Mestne občine Celje

Mr Aleksander Saša ARSENOVIČ

župan Mestne občine Maribor

Mr Damijan JAKLIN

župan Občine Velika Polana

Ms Vlasta KRMELJ

županja Občine Selnica ob Dravi

Mr Vladimir PREBILIČ

župan Občine Kočevje

Mr Tine RADINJA

župan Občine Škofja Loka

Mr Tomaž ROŽEN

župan Občine Ravne na Koroškem

SLOVENSKO

Mr Jaroslav BAŠKA

Chairman of Trenčín Self – Governing Region

Mr Ján BELJAK

Member of the Regional Parliament of Banská Bystrica Self – Governing Region

Mr Ján BLCHÁČ

Mayor of Liptovský Mikuláš

Ms Erika JURINOVÁ

Chairman of Žilina Self – Governing Region

Mr Béla KESZEGH

Mayor of Komárno

Mr Daniel LORINC

Mayor of Kladzany

Mr Peter ŠVARAL

Mayor of Rohožník

Mr Luboš TOMKO

Mayor of Stará Lubovňa

Mr Jozef VISKUPIČ

Chairman of Trnava Self – Governing Region

SUOMI

Mr Jari ANDERSSON

Member of a Local Assembly: Sastamala City Council

Ms Pauliina HAIJANEN

Member of a Local Assembly: Laitila City Council

Mr Joonas HONKIMAA

Member of a Local Assembly: Kouvola City Council

Mr Patrik KARLSSON

Member of a Local Assembly: Vantaa City Council

Ms Merja LAHTINEN

Member of a Local Assembly: Jämsä City Council

Mr Pekka MYLLYMÄKI

Member of a Local Assembly: Mynämäki Municipal Council

Ms Sanna PARKKINEN

Member of a Local Assembly: Liperi Municipal Council

Ms Niina RATILAINEN

Member of a Local Assembly: Turku City Council

SVERIGE

Ms Linda ALLANSSON WESTER

Member of a Local Assembly: Svedala kommun

Ms Suzanne FRANK

Member of a Regional Assembly: Kronobergs läns landsting

Ms Sara HEELGE VIKMÅNG

Member of a Local Assembly: Huddinge kommun

Ms Carin LIDMAN

Member of a Local Assembly: Västerås kommun

Ms Kikki LILJEBLAD

Member of a Local Assembly: Norrköpings kommun

Ms Frida NILSSON

Member of a Local Assembly: Lidköpings kommun

Ms Emma NOHRÈN

Representative of a local body with political accountability to an elected Assembly: Lysekils kommun

Ms Charlotte NORDSTRÖM

Member of a Regional Assembly: Västra Götalands läns landsting

Mr Filip REINHAG

Member of a Local Assembly: Gotlands kommun

Ms Yoomi RENSTRÖM

Member of a Local Assembly: Ovanåkers kommun

Mr Alexander WENDT

Member of a Regional Assembly: Blekinge läns landsting

Ms Åsa ÅGREN WIKSTRÖM

Member of a Regional Assembly: Västerbottens läns landsting


17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/99


BESLUIT (EU) 2019/2158 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 5 december 2019

betreffende de methodologie en procedures voor de gegevensvaststelling en ‐verzameling aangaande voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht toegepaste vergoedingsfactoren (ECB/2019/38)

(herschikking)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 3, tweede alinea, en artikel 30,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit (EU) 2015/530 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/7) (2) moet op verscheidene punten worden gewijzigd. Omwille van duidelijkheid dient het genoemde richtsnoer herschikt te worden.

(2)

Overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/41) (3) worden de vergoedingsfactoren voor de vaststelling van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht die verschuldigd is met betrekking tot iedere onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep gevormd door het bedrag per jaarultimo van: i) totale activa, en ii) het totaal van de risicoposten.

(3)

Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) schrijft voor dat de de ECB deze verordening vóór 2017 evalueert, met name aangaande de methodologie en de berekeningscriteria van de jaarlijkse aan elke onder toezicht staande entiteit en onder toezicht staande groep aan te rekenen vergoeding voor toezicht. De ECB heeft een openbare raadpleging gehouden en heeft, rekening houdend met de ontvangen reacties, besloten Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) te wijzigen om een herzien kader voor de vergoeding voor toezicht in te voeren. Besluit (EU) 2015/530 (ECB/2015/7) voorziet in meer gedetailleerde procedures betreffende de methodologie en procedures voor de gegevensvaststelling en ‐verzameling aangaande voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht toegepaste vergoedingsfactoren.

(4)

Overeenkomstig het herziene kader van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) moet de referentiedatum voor de vergoedingsfactoren in de regel gehandhaafd blijven op 31 december van het jaar voorafgaande aan de vergoedingsperiode waarvoor de vergoeding voor toezicht wordt berekend. Dit maakt het mogelijk om toezichtinformatie die reeds beschikbaar is voor de ECB uit hoofde van Besluit ECB/2014/29 (4) en ingevolge Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie (5) (gemeenschappelijke verslaglegging (COREP) en financiële verslaglegging (FINREP)) en uit hoofde van Verordening (EU) 2015/534 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/13) (6) (FINREP) te gebruiken bij de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor het merendeel van de schuldenaren van de vergoeding.

(5)

Onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen die niet zijn onderworpen aan verplichte rapportage voor prudentiële doeleinden of onder toezicht staande groepen die activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen uitsluiten, moeten de vergoedingsfactoren afzonderlijk blijven rapporteren voor de berekening van de vergoeding voor toezicht. In artikel 10, lid 3, onder b quinquies), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) is bepaald dat deze vergoedingsfactoren bij de betrokken nationale bevoegde autoriteit (NBA) worden ingediend met de relevante referentiedatum, zulks overeenkomstig een ECB-besluit.

(6)

Schuldenaren van de vergoeding die afzonderlijk moeten blijven rapporteren, moeten de vergoedingsfactoren indienen bij betrokken NBA met gebruikmaking van de templates in de bijlagen I en II. Ingeval van onder toezicht staande groepen met in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen moeten de schuldenaren van de vergoeding een toelichting geven bij de methode die wordt gebruikt voor de bepaling van de vergoedingsfactoren.

(7)

Er moet worden gezorgd voor samenhang tussen de vaststelling van vergoedingsfactoren van schuldenaren van de vergoeding waarvoor de ECB reeds via COREP en FINREP toezichtinformatie ontvangt, en de vaststelling van de vergoedingsfactoren van schuldenaren van de vergoeding die voor de berekening van de vergoeding voor toezicht afzonderlijk informatie moeten rapporteren.

(8)

Voor de berekening van de vergoedingsfactoren voorziet artikel 10, lid 3, onder c), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) in de mogelijkheid activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen uit te sluiten. Die schuldenaren van de vergoeding moeten de ECB in kennis stellen van het voornemen om de vergoeding voor toezicht van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen van één of beide vergoedingsfactoren uit te sluiten. De termijn voor de indiening van de kennisgeving moet stroken met het herziene kader voor de berekening van de vergoeding voor toezicht.

(9)

In het kader van de herziening van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) werd voor de meerderheid van een vergoeding betalende bijkantoren de verplichting om voor de berekening van de vergoeding voor toezicht een verificatie te laten uitvoeren door een accountant als middel om de totale activa te certificeren als onevenredig beoordeeld. Het volstaat dat een vergoeding betalend bijkantoor bij de betrokken nationale mededingingsautoriteit een verklaring van het management indient waarmee de totale activa van het bijkantoor worden vastgesteld.

(10)

Artikel 10, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) bepaalt dat indien een schuldenaar van een vergoeding de vergoedingsfactoren niet aanlevert, de ECB de vergoedingsfactoren bepaalt overeenkomstig een ECB-besluit.

(11)

In dit besluit moeten de methodologie en procedures voor de gegevensvaststelling en gegevensverzameling aangaande de vergoedingsfactoren worden vastgesteld, evenals procedures voor de aanlevering van vergoedingsfactoren door schuldenaren van de vergoeding die afzonderlijk moeten blijven rapporteren voor de berekening van de vergoeding voor toezicht en de procedures voor de aanlevering van de vergoedingsfactoren door NBA’s bij de ECB. Nadere uitwerking behoeven met name het formaat, de frequentie en de timing van die aanlevering, alsook de soorten kwaliteitscontroles die de NBA’s voorafgaand aan de aanlevering van de vergoedingsfactoren bij de ECB moeten uitvoeren.

(12)

Het is noodzakelijk om een procedure op te zetten om op doelmatige wijze technische wijzigingen in de bijlage bij dit besluit door te voeren, mits dergelijke wijzigingen het onderliggende conceptuele kader niet veranderen en geen effect hebben op de rapportagelast. NBA’s kunnen dergelijke technische wijzigingen voorstellen aan het Comité statistieken van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), wiens zienswijze in aanmerking zal worden genomen bij het volgen van deze procedure.

(13)

Om samenhang te verzekeren met het herziene kader voor de berekening van de vergoeding voor toezicht uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41), waarin wordt voorzien in overgangsregelingen voor de vergoedingsperiode 2020, dient dit besluit begin 2020 in werking te treden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

Dit besluit stelt de methoden en procedures vast voor de gegevensvaststelling en gegevensverzameling aangaande de vergoedingsfactoren voor de berekening van het het totale aan onder toezicht staande entititen en onder toezicht staande groepen aan te rekenen bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) en stelt de procedures voor de aanlevering van de vergoedingsfactoren door schuldenaren van de vergoeding zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, onder b quinquies), van die verordening, alsook procedures voor de aanlevering van dergelijke gegevens door de NBA’s bij de ECB vast.

Dit besluit is van toepassing op schuldenaren van de vergoeding en NBA’s.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden, tenzij anders bepaald, de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) opgenomen definities, en tevens de volgende definities:

1.

“werkdag”: een dag niet zijnde een zaterdag, zondag of een feestdag in de lidstaat van vestiging van de betrokken NBA;

2.

“beheermaatschappij”: een beheermaatschappij zoals gedefinieerd artikel 3, lid 1, punt 7, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (7).

Artikel 3

Methodologie voor de berekening van de vergoedingsfactoren

1.   Voor onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen die onderworpen zijn aan verplichte rapportage voor prudentiële doeleinden en onder toezicht staande groepen die de ECB niet overeenkomstig artikel 4 in kennis hebben gesteld van hun besluit activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen uit te sluiten, bepaalt de ECB de respectieve vergoedingsfactoren volgens de onderstaande bepalingen.

a)

Het totaalbedag van de risicoposten voor de relevante referentiedatum zoals vermeld in artikel 10, lid 3, onder b bis) of b quater), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) wordt bepaald aan de hand van de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 voor gemeenschappelijke verslaglegging (COREP) opgenomen template “eigenvermogensvereisten” (hierna het “template eigenvermogensvereisten” genoemd), zoals ingediend door de NBA’s bij de ECB overeenkomstig Besluit ECB/2014/29. Voor een vergoeding betalend bijkantoor en twee of meer een vergoeding betalende bijkantoren die overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) als één bijkantoor worden beschouwd, is het totaalbedrag van de risicoposten gelijk aan nul.

b)

De totale activa voor de relevante referentiedatum zoals vermeld in artikel 10, lid 3, onder b bis), b ter) of b quater), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) worden bepaald aan de hand van de in bijlage III en bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 voor financiële verslaglegging (FINREP) opgenomen templates “balans: activa” en de templates “balans: activa” van de bijlagen I, II, IV en V, alsmede de gegevenspunten voor financiële toezichtrapportage in bijlage III bij Verordening (EU) 2015/534 (ECB/2015/13), zoals door de NBA’s ingediend bij de ECB overeenkomstig Besluit ECB/2014/29 en Verordening (EU) 2015/534 (ECB/2015/13). Voor een vergoeding betalend bijkantoor certificeert de manager van dat bijkantoor of, indien de manager niet beschikbaar is, het leidinggevend orgaan van de kredietinstelling die het een vergoeding betalend bijkantoor opricht de totale activa van een vergoeding betalend bijkantoor middels een bij de betrokken NBA ingediende managementverklaring.

2.   Voor onder toezicht staande groepen die onderworpen zijn aan verplichte rapportage voor prudentiële doeleinden en de ECB overeenkomstig artikel 4 in kennis stellen van hun besluit om activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen uit te sluiten, bepaalt de ECB de respectieve vergoedingsfactoren op basis van de gegevens die door deze onder toezicht staande groepen zijn berekend overeenkomstig de volgende punten a) en b) en die zij overeenkomstig artikel 5 bij de betrokken NBA hebben ingediend.

a)

Het totaal van de risicoposten voor de relevante referentiedatum zoals vermeld in artikel 10, lid 3, onder b bis), of b ter), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41), wordt bepaald aan de hand van template eigenvermogensvereisten, waarvan het volgende wordt afgetrokken:

i)

de bijdrage aan het totaal van de risicoposten van de groep van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen, zoals gerapporteerd in de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 opgenomen COREP-template “solvabiliteit van de groep: informatie over verbonden partijen” (hierna de template “solvabiliteit van de groep: informatie over verbonden partijen” genoemd), en

ii)

de bijdrage aan het totaal van de risicoposten van de groep van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen die niet zijn opgenomen in de template solvabiliteit van de groep: informatie over verbonden partijen, zoals gerapporteerd overeenkomstig bijlage I bij dit besluit.

b)

De totale activa voor de relevante referentiedatum zoals vermeld in de artikelen in artikel 10, lid 3, onder b bis), b ter) of b quater), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41), worden vastgesteld door aggregatie van de totale activa die vermeld werden in de wettelijk voorgeschreven jaarrekeningen van alle onder toezicht staande in deelnemende lidstaten gevestigde entiteiten binnen de onder toezicht staande groep, indien beschikbaar, dan wel anderszins door aggregatie van de totale activa die opgenomen zijn in het betrokken rapportagepakket of de betrokken rapportagepakketten die de onder toezicht staande entiteiten of een groep van een vergoeding betalende kredietinstellingen toepassen voor de opstelling van geconsolideerde rekeningen op groepsniveau. Ter vermijding van dubbeltelling kan de schuldenaar van de vergoeding ervoor kiezen intragroepposities te elimineren tussen alle onder toezicht staande in deelnemende lidstaten gevestigde entiteiten. Goodwill opgenomen in de geconsolideerde jaarrekeningen van de moederonderneming wordt opgenomen in de aggregatie; de uitsluiting van goodwill toegerekend aan in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen is optioneel. Indien een schuldenaar van de vergoeding wettelijk voorgeschreven jaarrekeningen gebruikt, certificeert een accountant dat de totale activa overeenkomen met de in de wettelijk voorgeschreven jaarrekeningen vermelde totale activa van individuele onder toezicht staande entiteiten. Indien een schuldenaar rapportagepakketten gebruikt, certificeert een accountant de totale activa gebruikt voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht middels een passende verificatie van de gebruikte rapportagepakketten. In alle gevallen bevestigt de accountant dat het aggregatieproces niet afwijkt van de in dit besluit vastgelegde procedure en dat de door de schuldenaar van de vergoeding gemaakte berekening strookt met de boekhoudkundige methode die werd toegepast voor de consolidatie van de rekeningen van de groep van een vergoeding betalende entiteiten.

3.   Voor onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen die niet onderworpen zijn aan verplichte rapportage voor prudentiële doeleinden, worden de totale activa en het totaal aan risicoposten, als gedefineerd in artikel 2, punten 12 en 13, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41), voor de relevante referentiedatum zoals vermeld in artikel 10, lid 3, onder b bis), b ter) of b quater), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41), door hen bepaald en overeenkomstig artikel 5 bij de betreffende NBA ingediend. Voor een vergoeding betalend bijkantoor certificeert de manager van dat bijkantoor of, indien de manager niet beschikbaar is, het leidinggevend orgaan van de kredietinstelling die een vergoeding betalend bijkantoor opricht de totale activa van een vergoeding betalend bijkantoor middels een bij de betrokken NBA ingediende mangementverklaring.

Artikel 4

Kennisgeving van de aftrek van activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen

Schuldenaren van de vergoeding die voornemens zijn activa en/of het bedrag van de risicoposten van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen uit te sluiten overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder c), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41), stellen de ECB uiterlijk op 30 september van de vergoedingsperiode waarvoor de vergoeding wordt berekend in kennis van hun besluit. In de kennisgeving wordt vermeld of de aftrek van de bijdrage van in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen van toepassing is op de vergoedingsfactor voor het totaal van de risicoposten, de vergoedingsfactor voor de totale activa of beide. Indien de ECB uiterlijk op 30 september van de vergoedingsperiode waarvoor de vergoeding wordt berekend geen dergelijke kennisgeving heeft ontvangen, worden het totaal van de risicoposten en de totale activa bepaald overeenkomstig artikel 3, lid 1. Indien meer dan één kennisgeving de ECB tijdig bereikt, telt de laatste kennisgeving die de ECB uiterlijk op 30 september van de vergoedingsperiode waarvoor de vergoeding wordt berekend heeft ontvangen.

Artikel 5

Templates voor de rapportage van vergoedingsfactoren aan NBA’s door schuldenaren van de vergoeding

1.   Schuldenaren van de vergoeding wiens de vergoedingsfactoren overeenkomstig artikel 3, lid 2 of lid 3, worden bepaald, dienen de vergoedingsfactoren jaarlijks bij de betrokken NBA in op de in artikel 6 gespecificeerde inleverdata. De vergoedingsfactoren worden met behulp van de modellen in de bijlagen I en II ingediend. Voor een onder toezicht staande groep met in niet-deelnemende lidstaten en in derde landen gevestigde dochterondernemingen verstrekt de schuldenaar van de vergoeding een toelichting over de methode die wordt gebruikt om te voldoen aan artikel 3, lid 2 of lid 3, in de kolom “Opmerkingen” die voor dit doel in de desbetreffende bijlage is toegewezen.

2.   De schuldenaren van de vergoeding dienen de verklaring van de accountant of de managementverklaring uiterlijk op de in artikel 6 gespecificeerde inleverdata in bij de betrokken NBA, zulks overeenkomstig artikel 3, leden 2 en 3.

Artikel 6

Inleverdata

1.   De schuldenaren van de vergoeding wiens vergoedingsfactoren overeenkomstig artikel 3, leden 2 en 3, worden bepaald, dienen de vergoedingsfactoren bij de betrokken NBA in aan het einde van de werkdag op de inleverdatum voor de kwartaalrapportage voor het derde kwartaal zoals gespecificeerd in artikel 3, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de vergoedingsperiode waarvoor de vergoeding wordt berekend, of op de volgende werkdag indien de inleverdatum geen werkdag is.

2.   NBA’s dienen de in lid 1 bedoelde vergoedingsfactoren in bij de ECB uiterlijk aan het einde van de werkdag op de tiende werkdag volgend op de in lid 1 gespecificeerde inleverdatum. Vervolgens verifieert de ECB de ontvangen gegevens binnen 15 werkdagen na ontvangst. Op verzoek van de ECB lichten de NBA’s de gegevens toe of verduidelijken deze.

3.   De ECB verleent elke schuldenaar van de vergoeding uiterlijk op 15 januari van het jaar volgend op de vergoedingsperiode toegang tot zijn vergoedingsfactoren. Schuldenaren van de vergoeding hebben 15 werkdagen de tijd om opmerkingen in te dienen over door hen onjuist geachte vergoedingsfactorem Deze periode begint op de dag waarop de schuldenaren van de vergoeding toegang kregen tot de vergoedingsfactoren. Daarna zullen de vergoedingsfactoren toegepast worden voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht. Wijzigingen van gegevens die na die periode ontvangen zijn worden niet in aanmerking genomen en zullen bijgevolg niet leiden tot een wijziging van de vergoedingsfactoren.

Artikel 7

Gegevenskwaliteitscontroles

NBA’s monitoren en waarborgen de kwaliteit en betrouwbaarheid van de vergoedingsfactoren die uit hoofde van artikel 3, leden 2 en 3, aan de schuldenaren van de vergoeding zijn ontleend, alvorens ze bij de ECB in te dienen. NBA’s voeren kwaliteitscontroles uit om te beoordelen of de in artikel 3 beschreven methode is gevolgd. De ECB corrigeert noch wijzigt de door schuldenaren van de vergoeding verstrekte gegevens betreffende de vergoedingsfactoren. De schuldenaren van de vergoeding voeren eventuele correcties of wijzigingen in de gegevens door en dienen deze in bij de NBA’s. NBA’s dienen de door hen ontvangen gecorrigeerde of gewijzigde gegevens in bij de ECB. Wanneer NBA’s vergoedingsfactorengegevens indienen: a) verschaffen zij informatie betreffende door die gegevens aangeduide significante ontwikkelingen, en b) communiceren zij aan de ECB waarom de gegevens significant gecorrigeerd of gewijzigd werden. NBA’s zorgen ervoor dat de ECB de nodige correcties of wijzigingen in de gegevens verkrijgt.

Artikel 8

Vaststelling van de vergoedingsfactoren door de ECB indien de vergoedingsfactoren niet beschikbaar zijn of correcties of wijzigingen niet ingediend worden

Indien een vergoedingsfactor niet beschikbaar is voor de ECB of de schuldenaar van de vergoeding geen tijdig herziene gegevens of wijzigingen of correcties van de gegevens aangaande de vergoedingsfactoren heeft ingediend overeenkomstig artikel 6, lid 3, of artikel 7, maakt de ECB gebruik van de ter haar beschikking staande informatie om de ontbrekende vergoedingsfactor te bepalen.

Artikel 9

Vereenvoudigde wijzigingsprocedure

De directie van de ECB heeft het recht om met inachtneming van de standpunten van het Comité statistieken technische wijzigingen in de bijlagen bij dit besluit door te voeren, mits dergelijke wijzigingen het onderliggende conceptuele kader niet veranderen en geen effect hebben op de rapportagelast van schuldenaren van de vergoeding. De directie zal de Raad van bestuur onverwijld op de hoogte brengen van dergelijke wijzigingen.

Artikel 10

Intrekking

1.   Besluit (EU) 2015/530 (ECB/2015/7) wordt hierbij ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar dit besluit en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt op de derde dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking.

Gedaan te Frankfurt am Main, 5 december 2019.

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  Besluit (EU) 2015/530 van de Europese Centrale Bank van 11 februari 2015 betreffende de methodologie en procedures voor de gegevensvaststelling en ‐verzameling aangaande voor de berekening van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht toegepaste vergoedingsfactoren (ECB/2015/7) zijn gebruikt (PB L 84 van 28.3.2015, blz. 67).

(3)  Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41) (PB L 311 van 31.10.2014, blz. 23).

(4)  Besluit ECB/2014/29 van 2 juli 2014 betreffende de verstrekking aan de Europese Centrale Bank van toezichtgegevens die de onder toezicht staande entiteiten overeenkomstig de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 680/2014 en (EU) 2016/2070 van de Commissie aan de nationale bevoegde autoriteiten gerapporteerd hebben (PB L 214 van 19.7.2014, blz. 34).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2015/534 van de Europese Centrale Bank van 17 maart 2015 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2015/13) (PB L 86 van 31.3.2015, blz. 13).

(7)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).


BIJLAGE I

 

VERGOEDINGBEREKENING

Referentiedatum

 

NAAM

 

 

TOTAAL RISICOPOSTEN

Inleverdatum

 

MFI-code

 

 

 

 

 

LEI-code

 

 

 

 

 

 

 


Post

 

Soort instelling

Bron voor bedrag risicoposten

Bedrag risicoposten

Opmerkingen

 

 

010

020

030

040

010

TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN: zoals berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad.

(1), (2) of (3)

COREP C 02.00, rij 010

 

 

020

AANDEEL VAN DOCHTERONDERNEMINGEN in niet-deelnemende lidstaten of derde landen

 

COREP C 06.02, kol 250 (TOT)

 

 

1021.

Entiteit 1

 

 

 

 

1022

Entiteit 2

 

 

 

 

1023

Entiteit 3

 

 

 

 

1024

Entiteit 4

 

 

 

 

…..

Entiteit

 

 

 

 

N

Entiteit N

 

 

 

 

030

BEDRAG TOTAAL VAN DE RISICOPOSTEN van de onder toezicht staande groep met aftrek van HET AANDEEL VAN DOCHTERONDERNEMINGEN in niet-deelnemende lidstaten of derde landen: post 030 is gelijk aan 010 minus 020 minus de som van de posten 1021 tot en met N

 

 

 

 

Vul dit template in overeenkomstig de afzonderlijk verstrekte instructies.


BIJLAGE II

 

VERGOEDINGBEREKENING

Referentiedatum

 

NAAM

 

 

TOTAAL ACTIVA

Inleverdatum

 

MFI-code

 

 

 

 

 

LEI-code

 

 

 

 

 

 

 


Post

 

Soort instelling

Bevestiging van de verificatie van de accountant of management brief voor een vergoeding betalend bijkantoor (ja/neen)

Totale activa

Opmerkingen

 

 

010

020

030

040

010

TOTALE ACTIVA overeenkomstig artikel 51, lid 2 of lid 4, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17)

(3)

 

 

 

020

TOTALE ACTIVA overeenkomstig artikel 2, punt 12, onder b), van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41)

(4)

(ja)/(neen)

 

 

030

TOTALE ACTIVA overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van dit besluit: post 030 is gelijk aan 031 minus 032 plus 033 minus 034

(2) of (5)

(ja)/(neen)

 

 

031

Totale activa van alle in deelnemende lidstaten gevestigde groepsentiteiten —verplicht

 

 

 

 

032

Intragroepposities tussen in deelnemende lidstaten gevestigde onder toezicht staande entiteiten (uit rapportagepakketten gebruikt voor de eliminatie van tegoeden voor groepsrapportagedoeleinden) —optioneel

 

 

 

 

033

Goodwill opgenomen in de geconsolideerde jaarrekeningen van de moederonderneming van een onder toezicht staande groep —verplicht

 

 

 

 

034

Goodwill toegerekend aan in niet-deelnemende lidstaten of derde landen gevestigde dochterondernemingen —optioneel

 

 

 

 

Vul dit template in overeenkomstig de afzonderlijk verstrekte instructies.


BIJLAGE III

Concordantietabel

Besluit (EU) 2015/530 (ECB/2015/7)

Dit besluit

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 3, eerste zin

Artikel 3, tweede zin

Artikel 3, derde zin

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 5, lid 1,tweede zin

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 1, derde zin

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 5, lid 1, derde zin

Artikel 7

Artikel 3

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Bijlagen I‐II

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Bijlagen I‐II

Bijlage III


17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/108


AANBEVELING Nr. 1/2019 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-MAROKKO

van 4 december 2019

tot goedkeuring van de verlenging met twee jaar van het actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017) [2019/2159]

DE ASSOCIATIERAAD EU-MAROKKO,

Gezien de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (1),

Overwegende hetgeen volgt,

(1)

De Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (de “overeenkomst”) is op 1 maart 2000 in werking getreden.

(2)

Krachtens Artikel 80 van de overeenkomst kan de Associatieraad aanbevelingen doen die het passend acht om de doelstellingen van de overeenkomst te bereiken.

(3)

Overeenkomstig artikel 90 van de overeenkomst treffen de partijen alle algemene of bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen en zien zij erop toe dat de in de overeenkomst aangegeven doelstellingen worden bereikt.

(4)

Artikel 10 van het reglement van orde van de Associatieraad voorziet in de mogelijkheid om tussen twee zittingen via schriftelijke procedure aanbevelingen te doen.

(5)

Het actieplan tot uitvoering van de geavanceerde status (2013-2017) (het “actieplan”) werd in 2018 met één jaar verlengd. De verdere verlenging van het actieplan met twee jaar zal de basis vormen voor de betrekkingen tussen de EU en Marokko voor de jaren 2019 en 2020 en voor de vaststelling van nieuwe thematische prioriteiten van de betrekkingen tussen de EU en Marokko voor de komende jaren,

BEVEELT AAN:

Enig Artikel

De Associatieraad, handelend via schriftelijke procedure, beveelt aan dat de looptijd van het actieplan EU-Marokko waarbij uitvoering wordt gegeven aan de geavanceerde status (2013-2017) wordt verlengd met twee jaar.

Gedaan te Brussel, 4 december 2019.

Voor de Associatieraad EU-Marokko

De voorzitter

N. BOURITA


(1)  PB L 70 van 18.3.2000, blz. 2.


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/109


Rectificatie van Verordening (EU) 2019/1870 van de Commissie van 7 november 2019 tot wijziging en rectificatie van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten aan erucazuur en waterstofcyanide in bepaalde levensmiddelen

(Publicatieblad van de Europese Unie L 289 van 8 november 2019)

Bladzijde 40, bijlage II, in het kopje in de tabel:

in plaats van:

“Maximumgehalte (g/kg)”,

lezen:

“Maximumgehalte (mg/kg)”.


Rectificaties

17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/110


Rectificatie van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/902 van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector

(Publicatieblad van de Europese Unie L 152 van 9 juni 2016)

Bladzijde 34, bijlage, BBT 12, tabel 1, voetnoot 4, voorwaarde B, eerste streepje, tweede zin:

in plaats van:

„Dit impliceert een BOD5-niveau in de effluent van ≤ 0,20 mg/l;”,

lezen:

„Dit impliceert een BOD5-niveau in het effluent van ≤ 20 mg/l;”.