ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 308

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
29 november 2019


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1974 van de Commissie van 17 mei 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad door aanvullende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren vast te stellen

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1975 van de Commissie van 31 oktober 2019 houdende wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie

4

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1976 van de Commissie van 25 november 2019 tot toelating van het in de handel brengen van fenylcapsaïcine als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie ( 1 )

40

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1977 van de Commissie van 26 november 2019 tot verlening van een vergunning voor fenylmethaanthiol, benzylmethylsulfide, sec-pentylthiofeen, tridec-2-enal, 12-methyltridecanal, 2,5-dimethylfenol, hexa-2(trans),4(trans)-diënal en 2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanon als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor katten en honden ( 1 )

45

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1978 van de Commissie van 26 november 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1238/95 met betrekking tot de aan het Communautair Bureau voor plantenrassen te betalen rechten

58

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1979 van de Commissie van 26 november 2019 tot toelating van het in de handel brengen van een mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie ( 1 )

62

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1980 van de Commissie van 26 november 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

69

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1981 van de Commissie van 28 november 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 betreffende lijsten van derde landen en regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Europese Unie van slakken, gelatine, collageen en insecten voor menselijke consumptie is toegestaan ( 1 )

72

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1982 van de Commissie van 28 november 2019 tot onderwerping van de invoer van bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, aan registratie naar aanleiding van de heropening van het onderzoek ten einde uitvoering te geven aan het arrest van 20 september 2019 in zaak T-650/17, met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd.

77

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1983 van de Commissie van 28 november 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/39 wat de herverdeling van Uniesteun betreft

82

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1984 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van het maximale steunbedrag voor de particuliere opslag van olijfolie in het kader van de inschrijvingsprocedure die is geopend bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1882

84

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2019/1985 van de Commissie van 28 november 2019 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad, respectievelijk artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad, met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek ( 1 )

86

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2019/1986 van de Raad van 25 november 2019 tot benoeming van vijf leden en een plaatsvervanger van het Comité van de Regio’s, voorgedragen door de Republiek Polen

94

 

*

Besluit (EU) 2019/1987 van de Raad van 25 november 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in de Ledenraad van de Internationale Olijfraad (IOR) moet worden ingenomen betreffende handelsnormen voor olijfolie en olie uit perskoeken van olijven

95

 

*

Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2019/1988 van 26 november 2019 houdende benoeming van de commandant van de EU-strijdkrachten voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta), en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2019/1245 (ATALANTA/4/2019)

98

 

*

Besluit (EU) 2019/1989 van de Europese Raad van 28 november 2019 tot benoeming van de Europese Commissie

100

 

*

Besluit (EU) 2019/1990 van de Raad van 28 november 2019 houdende delegatie aan de directeur van het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten van de Europese Commissie van bepaalde bevoegdheden van de ordonnateur inzake de betaling van bezoldigingen, kosten van dienstreizen en toegestane reiskosten

103

 

*

Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2019/1991 van 28 november 2019 tot benoeming van het hoofd van de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo (EULEX KOSOVO) (EULEX KOSOVO/2/2019)

105

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1992 van de Commissie van 27 november 2019 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/2008 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met nodulaire dermatose in sommige lidstaten, teneinde de toepassingsduur ervan te verlengen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 8571) ( 1 )

107

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1993 van de Commissie van 28 november 2019 inzake de erkenning van de regeling Trade Assurance Scheme for Combinable Crops voor het aantonen van de naleving van de duurzaamheidscriteria van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad

110

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1994 van de Commissie van 28 november 2019 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 8745)  ( 1 )

112

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Delegatiebesluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA Nr. 42/19/COL van 17 juni 2019 om de exploitatie van openbare busvervoersdiensten in Noorwegen uit te zonderen van de toepassing van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad [2019/…] ( PB L 259 van 10.10.2019 )

134

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/1935 van de Commissie van 13 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen voor het aanpassen van de basisbedragen in euro voor de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de financiële draagkracht van verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen ( PB L 301 van 22.11.2019 )

135

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/1974 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2019

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad door aanvullende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren vast te stellen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1295/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten nr. 1718/2006/EG, nr. 1855/2006/EG en nr. 1041/2009/EG (1), en met name artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1295/2013 tot vaststelling van het programma Creatief Europa („het programma”) bevat specifieke bepalingen met betrekking tot de monitoring van het programma alsook een lijst van indicatoren die moeten worden gebruikt voor het meten van de prestaties ervan. De tekortkomingen van het huidige kader belemmeren echter de goede monitoring van het programma.

(2)

Wat de vorm van het programma betreft, zijn de in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EU) nr. 1295/2013 vermelde algemene en specifieke doelstellingen op eenvormige wijze van toepassing op beide subprogramma’s en het sectoroverschrijdende onderdeel, terwijl de zeven in artikel 9 bedoelde prioriteiten van het subprogramma Media en de zes in artikel 12 bedoelde prioriteiten van het subprogramma Cultuur elkaar overlappen wat de specifieke doelstellingen betreft. Sommige prioriteiten hebben betrekking op de doelstellingen van het programma, terwijl andere betrekking hebben op de doelstellingen van de subprogramma’s of acties. Bijgevolg kunnen de outputs niet rechtstreeks in verband worden gebracht met de tussentijdse en de eindresultaten.

(3)

Daarnaast laten de in artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1295/2013 bedoelde indicatoren geen volledige monitoring toe van de voortgang en de prestaties van het programma ten opzichte van de doelstellingen. Momenteel zijn er output- en resultaatindicatoren maar slechts een beperkt aantal indicatoren kan als impactindicatoren worden beschouwd. Tot slot is er een reeks indicatoren voor de beoordeling van de algemene marktprestaties, maar die kunnen niet worden gebruikt voor het meten van de prestaties van het programma.

(4)

Het kader voor prestatiemonitoring van het programma moet grondig worden herzien en er moeten aanvullende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren worden ingevoerd. Tijdens de tussentijdse externe evaluatie van het programma heeft de Commissie op basis van de ervaring met de uitvoering van het programma tot nu toe nieuwe programma-indicatoren ontwikkeld.

(5)

De voorgestelde reeks indicatoren moet het kader vormen voor het meten van de voortgang van het programma bij de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. De nieuwe indicatoren moeten zowel voor de regelmatige monitoring van het programma worden gebruikt als voor de eindevaluatie, overeenkomstig artikel 18, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1295/2013.

(6)

De prestaties van het programma moeten worden gemeten op het niveau van het programma, het subprogramma en de individuele maatregelen waarvoor de voorgestelde nieuwe indicatoren zijn ontworpen. Dit moet nuttige informatie opleveren over de culturele en creatieve sectoren van het programma en over de culturele en audiovisuele sectoren met betrekking tot de subprogramma’s. De indicatoren op basis van maatregelen moeten informatie opleveren over de uitvoering van specifieke regelingen van subprogramma’s,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Naast de in artikel 18, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1295/2013 bedoelde indicatoren voor de algemene doelstellingen zijn ook de volgende prestatie-indicatoren van toepassing:

a)

het aantal banen dat door het programma in de culturele en creatieve sectoren is gecreëerd;

b)

de financiële bijdrage van de culturele en creatieve sectoren die door het programma wordt gebruikt voor de gefinancierde projecten;

c)

het aantal mensen dat in aanraking komt met Europese culturele en creatieve werken die dankzij het programma tot stand zijn gebracht, zo mogelijk inclusief werken van buiten hun eigen land;

d)

het aantal en percentage audiovisuele bedrijven die aangeven dat hun marktpositie is verbeterd dankzij de steun van het subprogramma Media.

2.   Naast de in artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1295/2013 bedoelde indicatoren voor de specifieke doelstellingen zijn ook de volgende prestatie-indicatoren van toepassing:

a)

het aantal en de schaal van de transnationale partnerschappen die met de steun van het programma tot stand zijn gebracht, inclusief het land van herkomst van de begunstigde organisaties;

b)

het aantal transnationale culturele en creatieve activiteiten dat met de steun van het subprogramma Cultuur is georganiseerd;

c)

het aantal deelnemers aan door het programma ondersteunde leerervaringen en activiteiten waardoor hun competenties zijn verbeterd en hun inzetbaarheid is vergroot (met inbegrip van het aandeel vrouwen);

d)

kwalitatieve gegevens van succesverhalen op het gebied van artistieke, zakelijke en technologische innovatie dankzij steun van het programma;

e)

de lijst van bekroningen, nominaties en prijzen die zijn toegekend aan door het subprogramma Media ondersteunde audiovisuele werken in het kader van de belangrijkste internationale festivals en nationale academies (met inbegrip van de Berlinale, Cannes, de Oscars en de Europese Filmprijzen).

3.   Naast de in artikel 18, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1295/2013 bedoelde indicatoren voor de specifieke doelstellingen zijn ook de volgende prestatie-indicatoren van toepassing:

a)

het aantal bioscoopkaartjes in de lidstaten voor films uit andere lidstaten die in de Unie met steun van het programma zijn verspreid;

b)

het aandeel van bioscoopkaartjes in de lidstaten voor films uit andere lidstaten;

c)

het percentage door het programma ondersteunde audiovisuele werken uit de Unie in bioscopen en op digitale platforms;

d)

het gemiddelde aantal gebieden buiten het land van herkomst waarin de ondersteunde films en televisieproducties worden verspreid;

e)

het aantal met steun van het programma ontwikkelde en tot stand gebrachte coproducties, inclusief het aandeel van coproducties met diverse partners;

f)

het aandeel van door het subprogramma Media ondersteunde audiovisuele werken dat door vrouwen is geschreven of geregisseerd.

4.   Naast de in artikel 18, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1295/2013 bedoelde indicatoren voor de specifieke doelstellingen zijn ook de volgende prestatie-indicatoren van toepassing:

a)

het aantal kunstenaars, culturele en creatieve beroepsbeoefenaars en het grote publiek dat direct en indirect wordt bereikt via door het subprogramma Cultuur ondersteunde projecten;

b)

het aantal deelnemers aan ondersteunde projecten die aangeven dat zij nieuwe of betere markt- of beroepsmogelijkheden hebben;

c)

het aantal door het programma ondersteunde projecten dat gericht is op kansarme groepen, waaronder mensen met een migrantenachtergrond, mensen met een handicap en werklozen, en met name werkloze jongeren;

d)

de omvang (micro, klein, middelgroot en groot) van de organisaties die deelnemen aan de projecten (personeelsbezetting en jaaromzet of jaarbalans);

e)

het aantal en relatieve aandeel van door het subprogramma Cultuur ondersteunde klein- en grootschalige samenwerkingsprojecten;

f)

het aantal kunstenaars en culturele en creatieve beroepsbeoefenaars die geografisch mobiel zijn over de nationale grenzen heen dankzij steun van het subprogramma Cultuur, per land van herkomst en geslacht;

g)

het aantal door het programma ondersteunde literaire vertalingen per jaar;

h)

het aantal en percentage door het programma ondersteunde vertalingen uit minderheidstalen;

i)

het aantal boeken dat met steun van het programma wordt geproduceerd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 221.


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1975 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2019

houdende wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie (1), en met name artikel 5, lid 1, derde alinea, artikel 5 bis, lid 2, artikel 5 ter, lid 7, artikel 6, lid 5, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 3, derde en vierde alinea, en artikel 19, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Vanwege de vaststelling van Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad (2) en Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874 van de Commissie (3), waarbij de geïntegreerde landbouwstatistieken (IFS) zijn ingevoerd, moet de typologie van de Unie voor landbouwbedrijven zoals vervat in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie (4), worden aangepast.

(2)

De productierichting en de economische bedrijfsomvang moeten worden bepaald aan de hand van een economisch criterium. Daartoe moet de in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde standaardopbrengst worden gebruikt en het concept “standaardopbrengstcoëfficiënt” worden ingevoerd. Deze standaardopbrengstcoëfficiënten moeten worden vastgesteld per product en overeenkomstig de lijst van variabelen van de IFS zoals vervat in bijlage III bij Verordening (EU) 2018/1091 en omschreven in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874, en er moet een tabel van overeenstemming tussen de variabelen van de IFS en de rubrieken van het bedrijfsformulier van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (“ILB”) worden opgesteld. De relevante producten waarvoor een standaardopbrengstcoëfficiënt vereist is, moeten niet worden gespecificeerd in Verordening (EU) 2018/1091, maar in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220.

(3)

De artikelen 11 tot en met 14 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 bevatten gedetailleerde procedures voor de forfaitaire vergoeding. Om de werkzaamheden van het boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Unie te vergemakkelijken, moeten de verplichtingen in het kader van het naar behoren invullen van de bedrijfsformulieren en in het kader van de forfaitaire vergoeding worden verduidelijkt. Daarnaast moet overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 nader worden bepaald dat de kosten voor de oprichting en de werking van het Nationaal Comité, de Streekcomités en de verbindingsorganen een zaak van de lidstaten zijn.

(4)

Omwille van een eerdere beschikbaarheid, de volledigheid en de kwaliteit van de door de lidstaten in te dienen boekhoudkundige gegevens zijn de termijnen voor de toezending van de gegevens en de procedure voor de betaling van de forfaitaire vergoeding door de Commissie geëvalueerd en er is gebleken dat deze moeten worden gewijzigd. Ze worden gekoppeld aan de termijn van levering en de volledigheid van de aan de Commissie toegezonden ILB-gegevens.

(5)

Naar aanleiding van het verzoek van Tsjechië en Denemarken om het aantal bedrijven met boekhouding en de drempelwaarde van de economische omvang vanwege structurele wijzigingen in de landbouw te wijzigen, moet het die lidstaten worden toegestaan hun keuzeschema of drempelwaarde van de economische omvang voor het boekjaar 2020 te herzien en het aantal bedrijven met boekhouding dienovereenkomstig te herverdelen of aan te passen.

(6)

Bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 bevat een tabel van overeenstemming tussen Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874 en de ILB-bedrijfsformulieren. In deze bijlage moeten de termen “standaardopbrengst” en “standaardopbrengstcoëfficiënt” worden gedefinieerd. De overeenstemmingstabel van die bijlage moet in lijn worden gebracht met de omschrijving van variabelen in Verordening (EU) 2018/1091 en Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874.

(7)

In bijlage VI bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 moet de wijze van berekening van de “standaardopbrengst” en de “standaardopbrengstcoëfficiënt” worden gedefinieerd. De lidstaten moeten deze berekenen voor elk relevant product en voor elke regio. De lidstaten moeten worden verplicht om hun methodiek(en) voor de berekening van hun standaardopbrengstcoëfficiënten in te dienen bij de Commissie, zodat mogelijke fouten worden voorkomen en de basis wordt gelegd voor de discussie over een gemeenschappelijke methodiek.

(8)

Bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 bevat de vorm en opmaak van de in de bedrijfsformulieren opgenomen boekhoudkundige gegevens. Duidelijkheidshalve moet die bijlage worden aangepast vanwege de afschaffing van de suikerquota en de daaruit voortvloeiende wijzigingen in de kennisgevingsverplichtingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1185 van de Commissie (5), vanwege de noodzaak om de afschrijving op “Biologische activa — gewassen” aan te passen aan de internationale standaarden voor jaarrekeningen, vanwege de noodzaak om de namen van de standaardopbrengstcoëfficiënten aan te passen aan de namen die in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874 worden gebruikt, en vanwege de nieuwe codes die bij Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad (6) zijn ingevoerd.

(9)

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Gezien de aard van de wijzigingen moet deze verordening met ingang van boekjaar 2020 van toepassing zijn.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 6 wordt vervangen door:

Artikel 6

Standaardopbrengstcoëfficiënt en totale standaardopbrengst van een bedrijf

1.   De methode voor de berekening van de standaardopbrengstcoëfficiënt van elk kenmerkend onderdeel als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009, en de procedure voor het verzamelen van de overeenkomstige gegevens zijn vastgesteld in de bijlagen IV en VI bij de onderhavige verordening.

De standaardopbrengstcoëfficiënt van de verschillende kenmerkende onderdelen van een bedrijf als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 wordt vastgesteld voor de gewas- en veekenmerken als vermeld in bijlage IV, deel B, punt I, bij de onderhavige verordening en voor elke geografische eenheid als bedoeld in bijlage VI, punt 2, onder b), bij de onderhavige verordening.

2.   De totale standaardopbrengst van een bedrijf wordt berekend door de standaardopbrengstcoëfficiënt van elke gewas- en veevariabele te vermenigvuldigen met het desbetreffende aantal eenheden.”.

2)

Aan artikel 11 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:

“Bureaus voor bedrijfsboekhouding en administratieve diensten die taken van deze bureaus uitvoeren, zijn ervoor verantwoordelijk dat de bedrijfsformulieren naar behoren en tijdig worden ingevuld, zodat ze binnen de in artikel 14, leden 3 en 4, van deze verordening genoemde termijnen kunnen worden ingediend bij de verbindingsorganen.”.

3)

Aan artikel 13 worden de volgende derde, vierde en vijfde alinea toegevoegd:

“De forfaitaire vergoeding vormt een bijdrage in de kosten voor het naar behoren invullen van de bedrijfsformulieren en voor verbeteringen van de termijnen, processen, systemen en procedures voor de gegevenslevering en van de algehele kwaliteit van de bedrijfsformulieren, met name door de bureaus voor bedrijfsboekhouding en administratieve diensten die taken van deze bureaus ter zake uitvoeren.

De forfaitaire vergoeding die aan de lidstaten wordt betaald voor het in aanmerking komende aantal naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren dat aan de Commissie is toegezonden, valt onder de middelen van de lidstaat en niet meer onder de middelen van de Unie.

De financiering van de kosten voor de oprichting en werking van het Nationaal Comité, de Streekcomités en de verbindingsorganen is een zaak van de lidstaten.”.

4)

In artikel 14, lid 4, wordt de eerste alinea vervangen door:

“4.   Aan de verhoging van de forfaitaire vergoeding op grond van lid 3, onder a) en b), kan 2 EUR worden toegevoegd voor het boekjaar 2018, 5 EUR voor de boekjaren 2019 en 2020 en 10 EUR vanaf het boekjaar 2021 indien de boekhoudkundige gegevens door de Commissie overeenkomstig artikel 13, eerste alinea, onder b), van deze verordening zijn geverifieerd en worden geacht naar behoren te zijn ingevuld overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009, hetzij op het moment van de indiening ervan bij de Commissie, of binnen veertig werkdagen vanaf de datum waarop de Commissie de indienende lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de ingediende boekhoudkundige gegevens niet naar behoren zijn ingevuld.”.

5)

De bijlagen I, II, IV, VI en VIII worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van het boekjaar 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 328 van 15.12.2009, blz. 27.

(2)  Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011 (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874 van de Commissie van 29 november 2018 betreffende de gegevens die voor 2020 moeten worden verstrekt uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011, met betrekking tot de lijst van variabelen en hun beschrijving (PB L 306 van 30.11.2018, blz. 14).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie van 3 februari 2015 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie (PB L 46 van 19.2.2015, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1185 van de Commissie van 20 april 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de aan de Commissie te melden informatie en documenten en tot wijziging en intrekking van diverse verordeningen van de Commissie (PB L 171 van 4.7.2017, blz. 113).

(6)  Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal (PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15).


BIJLAGE

De bijlagen I, II, IV, VI en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 worden als volgt gewijzigd:

(1)

in bijlage I worden de vermeldingen betreffende Tsjechië en Denemarken vervangen door:

“Tsjechië

15 000

Denemarken

25 000 ”

(2)

in bijlage II worden de vermeldingen betreffende Tsjechië en Denemarken vervangen door:

“745

TSJECHIË

1 282

370

DENEMARKEN

1 600 ”

(3)

bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

vóór deel A worden de volgende definities ingevoegd:

“De volgende definities zijn van toepassing:

a)

standaardopbrengst (SO): de standaardwaarde van de brutoproductie. De SO wordt gebruikt voor de indeling van landbouwbedrijven overeenkomstig de typologie van de Unie voor landbouwbedrijven (waarin de productierichting wordt bepaald op basis van de hoofdproductie) en voor de bepaling van de economische omvang van landbouwbedrijven.

b)

standaardopbrengstcoëfficiënt (SOC): de gemiddelde geldwaarde van de brutoproductie van elke landbouwvariabele als bedoeld in artikel 6, lid 1, die overeenstemt met de gemiddelde situatie in een bepaalde regio, per productie-eenheid. SOC’s worden berekend tegen de prijs af boerderij, in EUR per hectare gewas of in EUR per stuk vee (uitzonderingen zijn paddenstoelen (in EUR per 100m2), pluimvee (in EUR per 100 stuks) en bijen (in EUR per volk)). Btw, belastingen en subsidies zijn niet inbegrepen in de prijs af boerderij. SOC’s worden ten minste telkens geactualiseerd wanneer een Europese enquête naar de structuur van de landbouwbedrijven wordt gehouden.

c)

totale SO van een bedrijf: de som van de afzonderlijke productie-eenheden van een specifiek bedrijf, die telkens worden vermenigvuldigd met de desbetreffende SOC.”;

b)

de delen A en B worden vervangen door:

“A.   GESPECIALISEERDE BIJZONDERE PRODUCTIERICHTINGEN

Aan de bepaling van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen liggen twee uitgangspunten ten grondslag, namelijk:

(a)

De aard van de betrokken variabelen

De variabelen zijn ontleend aan de lijst van variabelen waarvoor bij de telling van 2020 gegevens worden verzameld: ze worden aangeduid met de code die is vermeld in de overeenstemmingstabel in deel B.I van deze bijlage, of met een code waaronder een aantal van die variabelen is gegroepeerd, voor welke codes wordt verwezen naar deel B.II van deze bijlage (1).

(b)

De voorwaarden voor de bepaling van de klassengrenzen

Tenzij anders vermeld, worden deze voorwaarden aangegeven als breuken van de totale SO van het bedrijf.

Het bedrijf mag alleen onder de desbetreffende gespecialiseerde bijzondere productierichting worden ingedeeld als aan alle voor de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen aangegeven voorwaarden cumulatief is voldaan.

Gespecialiseerde bedrijven — gewassen

Productierichting (PR)

(* omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

(D1)

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1 (C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

1

Gespecialiseerde akkerbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15

Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

151

Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen (andere dan rijst), oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

Granen, uitgezonderd rijst, oliehoudende zaden, drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

P151 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

 

 

 

 

152

Gespecialiseerde rijstbedrijven

Rijst > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

SO_CLND013 > 2/3

 

 

 

 

153

Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en rijst

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 151 en 152

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

 

 

 

16

Andere akkerbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

161

Gespecialiseerde hakvruchtenbedrijven

Aardappelen, suikerbieten en andere hakvruchten, niet elders genoemd > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

P17 > 2/3

 

 

 

 

162

Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en hakvruchten

Granen, oliehoudende zaden en drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning > 1/3 EN hakvruchten > 1/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 1/3 EN P17 > 1/3

 

 

 

 

163

Gespecialiseerde akkerbouwgroentebedrijven

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — akkerbouwmatig geteeld > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

SO_CLND045 > 2/3

 

 

 

 

164

Gespecialiseerde tabakbedrijven

Tabak > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

SO_CLND032 > 2/3

 

 

 

 

165

Gespecialiseerde katoenbedrijven

Katoen > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

SO_CLND030 > 2/3

 

 

 

 

166

Bedrijven met diverse combinaties van akkerbouwgewassen

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 161, 162, 163, 164 en 165

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

 

2

Gespecialiseerde tuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

21

Gespecialiseerde glastuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

211

Gespecialiseerde glasgroentebedrijven

Groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3

SO_CLND081 > 2/3

 

 

 

 

212

Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten onder glas

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3

SO_CLND082 > 2/3

 

 

 

 

213

Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw onder glas

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 211 en 212

P2 > 2/3

SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3

 

 

 

22

Gespecialiseerde opengrondstuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

221

Gespecialiseerde opengrondsgroentebedrijven

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — tuinbouwmatig geteeld > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3

SO_CLND044 > 2/3

 

 

 

 

222

Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten in de open grond

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3

SO_CLND046 > 2/3

 

 

 

 

223

Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw in de open grond

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 221 en 222

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3

 

 

 

23

Andere tuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

231

Gespecialiseerde paddenstoelbedrijven

Paddenstoelen > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3

SO_CLND079 > 2/3

 

 

 

 

232

Gespecialiseerde boomkwekerijbedrijven

Boomkwekerijgewassen > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3

SO_CLND070 > 2/3

 

 

 

 

233

Bedrijven met diverse tuinbouwteelten

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 231 en 232

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3

 

3

Gespecialiseerde bedrijven blijvende teelten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

35

Gespecialiseerde bedrijven wijnbouw en druiventeelt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

351

Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — kwaliteitswijn

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) en druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA) > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

SO_CLND064 + SO_CLND065 > 2/3

 

 

 

 

352

Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — andere wijn dan kwaliteitswijn

Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA) > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

SO_CLND066 > 2/3

 

 

 

 

353

Gespecialiseerde bedrijven tafeldruiven

Tafeldruiven > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

SO_CLND067 > 2/3

 

 

 

 

354

Andere bedrijven wijnbouw en druiventeelt

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 351, 352 en 353

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

 

 

 

36

Gespecialiseerde fruit- en citrusteeltbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

361

Gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (andere vruchten dan citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten)

Fruit van gematigde breedten en kleinfruit (uitgezonderd aardbeien) > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055+ SO_CLND061> 2/3

SO_CLND056_57 + SO_CLND059 > 2/3

 

 

 

 

362

Gespecialiseerde citrusteeltbedrijven

Citrusfruit > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055+ SO_CLND061> 2/3

SO_CLND061> 2/3

 

 

 

 

363

Gespecialiseerde notenteeltbedrijven

Noten > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3

SO_CLND060 > 2/3

 

 

 

 

364

Gespecialiseerde bedrijven tropisch en subtropisch fruit

Fruit van subtropische en tropische breedten > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3

SO_CLND058 > 2/3

 

 

 

 

365

Gespecialiseerde bedrijven fruit, citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten: gemengde productie

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 361, 362, 363 en 364

P3 > 2/3

SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3

 

 

 

37

Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

370

Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven

Olijfboomgaarden > 2/3

P3 > 2/3

SO__CLND069 > 2/3

 

 

 

38

Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

380

Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 351 tot en met 370

P3 > 2/3

 

 

Gespecialiseerde bedrijven — veeteelt

Productierichting (PR)

(* omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

(D1)

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1 (C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

4

Gespecialiseerde graasdierbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

45

Gespecialiseerde melkveebedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

450

Gespecialiseerde melkveebedrijven

Melkkoeien > 3/4 van alle graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 3/4 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

46

In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

460

In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven

Alle runderen (d.w.z. runderen jonger dan een jaar, runderen van een tot twee jaar oud en runderen van twee jaar en ouder (mannelijke dieren, vaarzen, melkkoeien, andere koeien en buffelkoeien))

> 2/3 van de graasdieren EN melkkoeien ≤ 1/10 van de graasdieren EN

graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

P46 > 2/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 ≤ 1/10 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

47

Rundveebedrijven: melk en jong- en mestvee gecombineerd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

470

Rundveebedrijven: melk en jong- en mestvee gecombineerd

Alle runderen > 2/3 van de graasdieren EN melkkoeien > 1/10 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen; uitgezonderd de bedrijven van klasse 450

P4 > 2/3

P46 > 2/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/10 GL EN GL > 1/10 P4; uitgezonderd 450

 

 

 

48

Graasdierbedrijven: schapen, geiten en andere graasdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

481

Gespecialiseerde schapenbedrijven

Schapen > 2/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

SO_CLVS012 > 2/3 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

482

Bedrijven met schapen en rundvee gecombineerd

Alle runderen > 1/3 van de graasdieren EN schapen > 1/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

P46 > 1/3 GL EN SO_CLVS012 > 1/3 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

483

Gespecialiseerde geitenbedrijven

Geiten > 2/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

SO_CLVS015 > 2/3 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

484

Bedrijven met diverse graasdieren

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 481, 482 en 483

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

 

5

Gespecialiseerde hokdierbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

51

Gespecialiseerde varkensbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

511

Gespecialiseerde fokvarkensbedrijven

Fokzeugen > 2/3

P5 > 2/3

P51 > 2/3

SO_CLVS019 > 2/3

 

 

 

 

512

Gespecialiseerde vleesvarkensbedrijven

Biggen en andere varkens > 2/3

P5 > 2/3

P51 > 2/3

SO_CLVS018 + SO_CLVS020 > 2/3

 

 

 

 

513

Bedrijven met fok- en vleesvarkens gecombineerd

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 511 en 512

P5 > 2/3

P51 > 2/3

 

 

 

52

Gespecialiseerde pluimveebedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

521

Gespecialiseerde legkippenbedrijven

Legkippen > 2/3

P5 > 2/3

P52 > 2/3

SO_CLVS022 > 2/3

 

 

 

 

522

Gespecialiseerde slachtpluimveebedrijven

Mesthoenders en ander pluimvee > 2/3

P5 > 2/3

P52 > 2/3

SO_CLVS021 + SO_CLVS023 > 2/3

 

 

 

 

523

Bedrijven met combinaties van legkippen en slachtpluimvee

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 521 en 522

P5 > 2/3

P52 > 2/3

 

 

 

53

Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

530

Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 511 tot en met 523

P5 > 2/3

 

 

Gemengde bedrijven

Productierichting (PR)

(* omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

(D1)

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1 (C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

6

Bedrijven met combinaties van gewassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

61

Bedrijven met combinaties van gewassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

611

Bedrijven met combinaties van tuinbouw en blijvende teelten

Tuinbouw > 1/3 EN meerjarige teelten > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P2 > 1/3 EN P3 > 1/3

 

 

 

 

 

612

Bedrijven met combinaties van akker- en tuinbouw

Akkerbouw > 1/3 EN tuinbouw > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN P2 > 1/3

 

 

 

 

 

613

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en wijnbouw/druiventeelt

Akkerbouw > 1/3 EN wijngaarden > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN SO_CLND062> 1/3

 

 

 

 

 

614

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en blijvende teelten

Akkerbouw > 1/3 EN meerjarige teelten > 1/3 EN wijngaarden ≤ 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN P3 > 1/3 EN SO_CLND062 ≤ 1/3

 

 

 

 

 

615

Bedrijven met combinaties van gewassen (accent op akkerbouw)

Akkerbouw > 1/3 EN geen enkele andere productietak > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN P2 ≤ 1/3 EN P3 ≤ 1/3

 

 

 

 

 

616

Andere bedrijven met combinaties van gewassen

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 611, 612, 613, 614 en 615

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

 

 

7

Bedrijven met combinaties van veeteelt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

73

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

731

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op melkvee

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien > 1/2 van het melkvee

P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3; P5 ≤ 2/3

P4 > P5

P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45

 

 

 

 

732

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren andere dan melkvee

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van klasse 731

P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3

P4 > P5

 

 

 

74

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op hokdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

741

Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en melkvee

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN hokdieren > 1/3 EN melkkoeien > 1/2 van het melkvee

P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3

P4 ≤ P5

P45 > 1/3 GL EN P5 > 1/3 EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45

 

 

 

 

742

Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en graasdieren andere dan melkvee

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van klasse 741

P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3

P4 ≤ P5

 

8

Bedrijven met combinaties van gewassen en veeteelt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

83

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en graasdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

831

Bedrijven met combinaties van akkerbouw met melkvee

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien + buffelkoeien > 1/2 van het melkvee EN melkvee < akkerbouw

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 EN P45 < P1

 

 

 

 

832

Bedrijven met combinaties van melkvee met akkerbouw

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien + buffelkoeien > 1/2 van het melkvee EN melkvee ≥ akkerbouw

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 EN P45 ≥ P1

 

 

 

 

833

Bedrijven met combinaties van akkerbouw met graasdieren andere dan melkvee

Akkerbouw > graasdieren en voedergewassen; uitgezonderd de bedrijven van klasse 831

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

P1 > P4; uitgezonderd 831

 

 

 

 

834

Bedrijven met combinaties van graasdieren andere dan melkvee met akkerbouw

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832 en 833

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

 

 

 

84

Bedrijven met diverse gewassen- en veeteeltcombinaties

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

841

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en hokdieren

Akkerbouw > 1/3 EN hokdieren > 1/3

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

P1> 1/3 EN P5 > 1/3

 

 

 

 

842

Bedrijven met combinaties van blijvende teelten en graasdieren

Meerjarige teelten > 1/3 EN graasdieren en voedergewassen > 1/3

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

P3 > 1/3 EN P4 > 1/3

 

 

 

 

843

Bijenteeltbedrijven

Bijen > 2/3

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

SO_CLVS030 > 2/3

 

 

 

 

844

Bedrijven met andere gewassen- en veeteeltcombinaties

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 841, 842 en 843

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

 

Niet-geclassificeerde bedrijven

Productierichting (PR)

(* omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1 (C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

9

Niet-geclassificeerde bedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

99

Niet-geclassificeerde bedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

999

Niet-geclassificeerde bedrijven

Totale SO = 0

 

 

 

B.   OVEREENSTEMMINGSTABEL EN GROEPERINGSCODES

I.   Vergelijking tussen de rubrieken van de enquête 2020 van de Unie naar geïntegreerde landbouwstatistieken (“IFS 2020”) als bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874, de rubrieken van de voor 2017 te verzamelen SOC’s en het bedrijfsformulier van het ILB.

Voor de toepassing van de SOC’s gelijk te stellen rubrieken

IFS-code

IFS 2020 (Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874)

SOC-code

SOC-rubriek 2017

ILB-bedrijfsformulier

(bijlage VIII bij deze verordening)

I. Gewassen

CLND004

Zachte tarwe en spelt

SOC_CLND004

Zachte tarwe en spelt

10110. Zachte tarwe en spelt

CLND005

Harde tarwe (durum)

SOC_CLND005

Harde tarwe (durum)

10120. Harde tarwe (durum)

CLND006

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

SOC_CLND006

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

10130. Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

CLND007

Gerst

SOC_CLND007

Gerst

10140. Gerst

CLND008

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

SOC_CLND008

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

10150. Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

CLND009

Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

SOC_CLND009

Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

10160. Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

CLND010

CLND011

CLND012

Triticale

Kafferkoren

Andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

SOC_CLND010_011_012

Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

10190. Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

CLND013

Rijst

SOC_CLND013

Rijst

10170. Rijst

CLND014

Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

SOC_CLND014

Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

10210. Erwten, bonen en niet-bittere lupinen

10220. Linzen, kekers en wikke

10290. Overige eiwithoudende gewassen

CLND015

Erwten, bonen en niet-bittere lupinen

SOC_CLND015

Erwten, bonen en niet-bittere lupinen

10210. Erwten, bonen en niet-bittere lupinen

CLND017

Aardappelen (inclusief pootaardappelen)

SOC_CLND017

Aardappelen (inclusief pootaardappelen)

10300. Aardappelen (inclusief primeurs en pootaardappelen)

CLND018

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

SOC_CLND018

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

10400. Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

CLND019

Andere hakvruchten, niet elders genoemd

SOC_CLND019

Andere hakvruchten, niet elders genoemd

10500. Andere hakvruchten, niet elders genoemd

CLND022

Kool- en raapzaad

SOC_CLND022

Kool- en raapzaad

10604. Kool- en raapzaad

CLND023

Zonnebloemzaad

SOC_CLND023

Zonnebloemzaad

10605. Zonnebloemzaad

CLND024

Sojabonen

SOC_CLND024

Sojabonen

10606. Sojabonen

CLND025

Lijnzaad

SOC_CLND025

Lijnzaad

10607. Lijnzaad

CLND026

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

SOC_CLND026

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

10608. Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

CLND028

Vezelvlas

SOC_CLND028

Vezelvlas

10609. Vezelvlas

CLND029

Hennep

SOC_CLND029

Hennep

10610. Hennep

CLND030

Katoen

SOC_CLND030

Katoen

10603. Katoen

CLND031

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

SOC_CLND031

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

10611. Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

CLND032

Tabak

SOC_CLND032

Tabak

10601. Tabak

CLND033

Hop

SOC_CLND033

Hop

10602. Hop

CLND034

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

SOC_CLND034

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

10612. Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

CLND035

CLND036

Energiegewassen, niet elders genoemd

Andere handelsgewassen, niet elders genoemd

SOC_CLND035_036

Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd

10613. Suikerriet

10690. Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd

CLND037

Groen geoogste akkerbouwgewassen

SOC_CLND037

Groen geoogste akkerbouwgewassen

 

CLND038

Tijdelijk grasland en begrazing

SOC_CLND038

Tijdelijk grasland en begrazing

10910. Tijdelijk grasland en begrazing

CLND039

Groen geoogste peulgewassen

SOC_CLND039

Groen geoogste peulgewassen

10922. Groen geoogste peulgewassen

CLND040

Voedermaïs

SOC_CLND040

Voedermaïs

10921. Voedermaïs

CLND041

CLND042

Andere groen geoogste granen (exclusief snijmaïs) Andere groen geoogste akkerbouwgewassen, niet elders genoemd

SOC_CLND041_042

Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen (exclusief maïs), niet elders genoemd

10923. Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen (exclusief snijmaïs), niet elders genoemd

CLND043

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien

SOC_CLND043

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — in de openlucht

 

CLND044

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

SOC_CLND044

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

10712. Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

CLND045

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

SOC_CLND045

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

10711. Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

CLND046

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)

SOC_CLND046

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) — in de openlucht

10810. Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)

CLND047

Zaai- en plantgoed

SOC_CLND047

Zaai- en plantgoed

11000. Zaaizaad en zaailingen op bouwland

CLND048

CLND083

Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd

Andere gewassen op bouwland onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

SOC_CLND048_083

Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

11100. Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

CLND049

Braakland

SOC_CLND049

Braakland

11200. Braakland

CLND050

Blijvend grasland

SOC_CLND050

Blijvend grasland

 

CLND051

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

SOC_CLND051

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

30100. Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

CLND052

Weiden met geringe opbrengst

SOC_CLND052

Weiden met geringe opbrengst

30200. Weiden met geringe opbrengst

CLND053

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

SOC_CLND053

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

30300. Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

CLND055

Fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)

SOC_CLND055

Fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)

 

 

 

SOC_CLND056_057

Fruit van gematigde breedten

 

CLND056

Pitvruchten

SOC_CLND056

Pitvruchten

40101. Pitvruchten

CLND057

Steenvruchten

SOC_CLND057

Steenvruchten

40102. Steenvruchten

CLND058

Fruit van subtropische en tropische breedten

SOC_CLND058

Fruit van subtropische en tropische breedten

40115. Fruit van subtropische en tropische breedten

CLND059

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

SOC_CLND059

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

40120. Kleinfruit (exclusief aardbeien)

CLND060

Noten

SOC_CLND060

Noten

40130. Noten

CLND061

Citrusvruchten

SOC_CLND061

Citrusvruchten

40200. Citrusvruchten

CLND062

Druiven

SOC_CLND062

Druiven

 

CLND063

Druiven voor de productie van wijn

SOC_CLND063

Druiven voor de productie van wijn

 

CLND064

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

SOC_CLND064

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

40411. Wijnen met beschermde oorsprongsbenaming (BOB) 40451. Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

CLND065

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA)

SOC_CLND065

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA)

40412. Wijnen met beschermde geografische aanduiding (BGA)

40452. Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA)

CLND066

Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA)

SOC_CLND066

Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA)

40420. Overige wijnen

40460. Druiven voor overige wijn

CLND067

Tafeldruiven

SOC_CLND067

Tafeldruiven

40430. Tafeldruiven

CLND068

Druiven voor de productie van rozijnen

SOC_CLND068

Druiven voor de productie van rozijnen

40440. Druiven voor de productie van rozijnen

CLND069

Olijven

SOC_CLND069

Olijven

 

 

 

SOC_CLND069A

waar gewoonlijk tafelolijven worden geproduceerd

40310. Tafelolijven

 

 

SOC_CLND069B

waar gewoonlijk olijven voor de oliewinning worden geproduceerd

40320. Olijven voor oliewinning (verkocht in de vorm van vruchten) 40330. Olijfolie

CLND070

Boomkwekerijgewassen

SOC_CLND070

Boomkwekerijgewassen

40500. Boomkwekerijgewassen

CLND071

Andere meerjarige teelten met inbegrip van andere meerjarige teelten voor menselijke consumptie

SOC_CLND071

Andere meerjarige teelten

40600. Andere meerjarige teelten

CLND072

Kerstbomen

SOC_CLND072

Kerstbomen

40610. Kerstbomen

CLND073

CLND085

Tuinen voor eigen gebruik

Andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd

SOC_CLND073_085

Tuinen voor eigen gebruik en andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd

20000. Tuinen voor eigen gebruik

CLND079

Gekweekte paddenstoelen

SOC_CLND079

Gekweekte paddenstoelen

60000. Gekweekte paddenstoelen

CLND081

Groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

SOC_CLND081

Groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

10720. Groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

CLND082

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

SOC_CLND082

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

10820. Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

CLND084

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

SOC_CLND084

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

40700. Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

II. Vee

CLVS001

Runderen jonger dan een jaar

SOC_CLVS001

Runderen jonger dan een jaar

210. Runderen jonger dan een jaar

CLVS003

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

SOC_CLVS003

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

220. Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

CLVS004

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

SOC_CLVS004

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

230. Vaarzen tussen een en twee jaar oud

CLVS005

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

SOC_CLVS005

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

240. Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

CLVS007

Vaarzen van twee jaar en ouder

SOC_CLVS007

Vaarzen van twee jaar en ouder

251. Fokvaarzen

252. Mestvaarzen

CLVS008

Koeien

SOC_CLVS008

Koeien

 

CLVS009

Melkkoeien

SOC_CLVS009

Melkkoeien

261. Melkkoeien

CLVS010

Andere koeien

SOC_CLVS010

Andere koeien

269. Andere koeien

CLVS011

Buffelkoeien

SOC_CLVS011

Buffelkoeien

262. Buffelmelkkoeien

CLVS012

Schapen (alle leeftijden)

SOC_CLVS012

Schapen (alle leeftijden)

 

CLVS013

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

SOC_CLVS013

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

311. Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

CLVS014

Andere schapen

SOC_CLVS014

Andere schapen

319. Andere schapen

CLVS015

Geiten (alle leeftijden)

SOC_CLVS015

Geiten (alle leeftijden)

 

CLVS016

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

SOC_CLVS016

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

321. Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

CLVS017

Andere geiten

SOC_CLVS017

Andere geiten

329. Andere geiten

CLVS018

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

SOC_CLVS018

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

410. Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

CLVS019

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

SOC_CLVS019

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

420. Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

CLVS020

Andere varkens

SOC_CLVS020

Andere varkens

491. Mestvarkens

499. Andere varkens

CLVS021

Mesthoenders

SOC_CLVS021

Mesthoenders

510. Pluimvee — slachtkuikens

CLVS022

Legkippen

SOC_CLVS022

Legkippen

520. Legkippen

CLVS023

Ander pluimvee

SOC_CLVS023

Ander pluimvee

530. Ander pluimvee

CLVS029

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

SOC_CLVS029

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

610. Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

CLVS030

Bijen

SOC_CLVS030

Bijen

700. Bijen

II.   Codes waaronder diverse variabelen van de IFS 2020 worden gegroepeerd:

P45.

Melkvee = SO_CLVS001 (runderen jonger dan een jaar) + SO_CLVS004 (vaarzen tussen een en twee jaar oud) + SO_CLVS007 (vaarzen van twee jaar en ouder) + SO_CLVS009 (melkkoeien) + SO_CLVS011 (buffelkoeien)

P46.

Runderen = P45 (melkvee) + SO_CLVS003 (mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud) + SO_CLVS005 (mannelijke runderen van twee jaar en ouder) + SO_CLVS010 (andere koeien)

GL

Graasdieren = P46 (runderen) + SO_CLVS013 (vrouwelijke schapen voor de voortplanting) + SO_CLVS014 (andere schapen) + SO_CLVS016 (vrouwelijke geiten voor de voortplanting) + SO_CLVS017 (andere geiten)

Indien GL = 0, DAN

FCP1

Voor verkoop bestemde voedergewassen = SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd) + SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen) + SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst) + SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst)

EN

FCP4

Voedergewassen voor graasdieren = 0

EN

P17

Hakvruchten = SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad)) + SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd)

Indien GL > 0, DAN

FCP1

Voor verkoop bestemde voedergewassen = 0

EN

FCP4

Voedergewassen voor graasdieren = SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd) + SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen) + SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst) + SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst)

EN

P17

Hakvruchten = SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad))

P151.

Granen, uitgezonderd rijst = SO_CLND004 (zachte tarwe en spelt) + SO_CLND005 (harde tarwe (durum)) + SO_CLND006 (rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)) + SO_CLND007 (gerst) + SO_CLND008 (mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)) + SO_CLND009 (korrelmaïs en zaad-spil-mengsel) + SO_CLND010_011_012 (triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.))

P15.

Granen = P151 (granen, uitgezonderd rijst) + SO_CLND013 (rijst)

P16.

Oliehoudende zaden = SO_CLND022 (kool- en raapzaad) + SO_CLND023 (zonnebloemzaad) + SO_CLND024 (sojabonen) + SO_CLND025 (lijnzaad) + SO_CLND026 (andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd)

P51.

Varkens = SO_CLVS018 (biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg) + SO_CLVS019 (fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer) + SO_CLVS020 (andere varkens)

P52.

Pluimvee = SO_CLVS021 (mesthoenders) + SO_CLVS022 (legkippen) + SO_CLVS023 (ander pluimvee)

P1.

Akkerbouw = P15 (granen) + SO_CLND014 (drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)) + SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad)) + SO_CLND032 (tabak) + SO_CLND033 (hop) + SO_CLND030 (katoen) + P16 (oliehoudende zaden) + SO_CLND028 (vezelvlas) + SO_CLND029 (hennep) + SO_CLND031 (andere vezelgewassen, niet elders genoemd) + SO_CLND034 (aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen) + SO_CLND035_036 (energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd) + SO_CLND045 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)) + SO_CLND047 (zaai- en plantgoed) + SO_CLND048_083 (andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND049 (braakland) + FCP1 (voor verkoop bestemde voedergewassen)

P2.

Tuinbouw = SO_CLND044 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)) + SO_CLND081 (groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND046 (bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)) + SO_CLND082 (bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND079 (gekweekte paddenstoelen) + SO_CLND070 (boomkwekerijgewassen)

P3.

Meerjarige teelten = SO_CLND055 (fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)) + SO_CLND061 (citrusvruchten) + SO_CLND069 (olijven) + SO_CLND062 (druiven) + SO_CLND071 (andere meerjarige teelten) + SO_CLND084 (meerjarige teelten onder glas)

P4.

Graasdieren en voedergewassen = GL (graasdieren) + FCP4 (voedergewassen voor graasdieren)

P5.

Hokdieren = P51 (varkens) + P52 (pluimvee) + SO_CLVS029 (vrouwelijke konijnen voor de voortplanting)”;

(4)

Bijlage VI wordt vervangen door:

“BIJLAGE VI

STANDAARDOPBRENGSTCOËFFICIËNTEN (SOC’S) ALS BEDOELD IN ARTIKEL 6

1.   DEFINITIE EN WIJZE VAN BEREKENING VAN DE SOC’s

a)

Bijlage IV bij deze verordening bevat de definitie van standaardopbrengst (SO), standaardopbrengstcoëfficiënt (SOC) en totale SO van een bedrijf.

b)

Productieperiode

De SOC’s hebben betrekking op een productieperiode van twaalf maanden

Voor de plantaardige en de dierlijke producten waarbij de productieduur minder of meer dan twaalf maanden bedraagt, wordt een SOC berekend die betrekking heeft op de aanwas of productie over een periode van twaalf maanden.

c)

Basisgegevens en referentieperiode

De SOC’s worden bepaald op basis van de productie per eenheid en de prijs af boerderij als omschreven in de definitie van SOC in bijlage IV. De daarvoor benodigde basisgegevens worden in de lidstaten verzameld over een referentieperiode als omschreven in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1198/2014 van de Commissie (*1).

d)

Eenheden

1)

Fysieke eenheden

a)

De SOC’s voor de variabelen van de plantaardige productie worden bepaald per hectare van het betrokken areaal.

b)

Voor paddenstoelen worden de SOC’s bepaald op basis van de bruto-opbrengst van alle opeenvolgende oogsten in de loop van het jaar en uitgedrukt per 100 m2 oppervlak van de bedden. Voor gebruik in het kader van het ILB worden dergelijke SOC’s voor paddenstoelen gedeeld door het krachtens artikel 8 van deze verordening aan de Commissie mee te delen aantal opeenvolgende oogsten per jaar.

c)

De SOC’s voor de variabelen van de dierlijke productie worden bepaald per dier.

d)

Uitzonderingen zijn pluimvee, waarvoor de SOC’s per honderd stuks worden bepaald, en bijen, waarvoor de SOC’s per volk worden bepaald.

2)

Munteenheden en afronding

De basisgegevens voor de bepaling van de SOC’s en de berekende SOC’s dienen te luiden in EUR. Voor de lidstaten die niet deelnemen aan de economische en monetaire unie, worden de SOC’s in EUR omgerekend met behulp van de gemiddelde wisselkoersen in de referentieperiode als omschreven in punt 1, onder c), van deze bijlage. Deze gemiddelde wisselkoersen worden berekend op basis van de door de Commissie (Eurostat) gepubliceerde officiële wisselkoersen.

In passende gevallen mogen de SOC’s op het naaste veelvoud van 5 EUR worden afgerond.

2.   UITSPLITSING VAN DE SOC’s

a)

per variabele van de plantaardige en de dierlijke productie

De SOC’s worden bepaald voor alle landbouwvariabelen van de rubrieken voor de toepassing van SOC’s zoals opgenomen in tabel B, deel I, van bijlage IV bij deze verordening.

b)

geografisch

De SOC’s worden op zijn minst bepaald op basis van geografische eenheden die bruikbaar zijn voor de IFS en voor het ILB. Deze geografische eenheden zijn alle gebaseerd op de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) als omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (*2). Deze eenheden worden beschreven als een hergroepering van de NUTS 3-regio’s. Gebieden met natuurlijke beperkingen worden niet als een geografische eenheid beschouwd.

Er wordt geen SOC bepaald voor variabelen die in de betrokken regio niet van belang zijn.

3.   VERZAMELING VAN GEGEVENS VOOR DE BEPALING VAN DE SOC’s

a)

De basisgegevens voor de bepaling van de SOC’s worden ten minste telkens vernieuwd wanneer een Europese enquête naar de structuur van de landbouwbedrijven wordt gehouden in de vorm van een telling als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2018/1091.

b)

Wanneer de IFS wordt gehouden in de vorm van een steekproefenquête als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2018/1091, worden de SOC’s geactualiseerd:

i)

hetzij door de basisgegevens te vernieuwen op soortgelijke wijze als vermeld onder a),

ii)

hetzij door een wijzigingscoëfficiënt toe te passen waarbij de SOC’s worden geactualiseerd op basis van door de lidstaat geraamde veranderingen in de geproduceerde hoeveelheden per eenheid en in de prijzen voor elke variabele en elke regio die zich hebben voorgedaan sinds de meest recente referentieperiode als bedoeld in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1198/2014.

4.   UITVOERING

De lidstaten hebben tot taak overeenkomstig het bepaalde in deze bijlage de basisgegevens voor de berekening van de SOC’s te verzamelen, de SOC’s te berekenen en in EUR om te rekenen en in voorkomend geval de voor de toepassing van de actualisatiemethode benodigde gegevens te verzamelen. Met het oog op een harmonisatie van de SO-berekeningsmethodiek moeten de lidstaten hun verzamelings- en berekeningsmethodiek bij de Commissie indienen en zo nodig nader toelichten.

5.   BEHANDELING VAN BIJZONDERE GEVALLEN

Voor de berekening van de SOC’s voor bepaalde variabelen en voor de berekening van de totale SO van het bedrijf gelden de volgende bijzondere voorschriften:

a)

Braakland

De SOC voor braakland wordt slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op dat bedrijf andere positieve SOC’s zijn.

b)

Tuinen voor eigen gebruik

Aangezien de producten van tuinen voor eigen gebruik normaliter bestemd zijn voor consumptie door de bezitter en niet voor verkoop, worden de SOC’s van dergelijke tuinen geacht gelijk te zijn aan nul.

c)

Vee

Voor rundvee wordt bij de variabelen onderscheid gemaakt naar leeftijdscategorie. De opbrengst komt dan overeen met de waarde van de aanwas van het dier tijdens zijn verblijf in de betrokken categorie. Met andere woorden, de opbrengst komt overeen met het verschil tussen de waarde van het dier wanneer het de categorie verlaat en zijn waarde wanneer het de categorie binnenkomt (ook vervangingswaarde genoemd).

d)

Runderen jonger dan een jaar

SOC’s voor runderen jonger dan een jaar tellen bij de berekening van de totale SO van het bedrijf alleen mee als er op het bedrijf meer runderen jonger dan een jaar zijn dan koeien. Alleen de SOC’s voor de boventallige runderen jonger dan een jaar worden meegerekend. Voor runderen jonger dan een jaar is er slechts één SOC, ongeacht het geslacht van het dier.

e)

Andere schapen en andere geiten

De SOC’s voor andere schapen worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen vrouwelijke schapen voor de voortplanting zijn.

De SOC’s voor andere geiten worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen vrouwelijke geiten voor de voortplanting zijn.

f)

Biggen

De SOC’s voor biggen worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen fokzeugen zijn.

g)

Voedergewassen

Wanneer er geen graasdieren (d.w.z. runderen, schapen of geiten) op het bedrijf zijn, worden de voedergewassen (d.w.z. voederhakvruchten, groen geoogste gewassen en grasland) beschouwd als bestemd voor verkoop en maakt de opbrengst ervan deel uit van de opbrengst van de akkerbouw.

Wanneer er wel graasdieren op het bedrijf zijn, worden de voedergewassen beschouwd als bestemd voor vervoedering aan de graasdieren en maakt de opbrengst ervan deel uit van de opbrengst van de graasdieren en voedergewassen.

;

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1198/2014 van de Commissie van 1 augustus 2014 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie (PB L 321 van 7.11.2014, blz. 2)."

(*2)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1)."

(5)

bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

(a)

tabel E wordt vervangen door:

“Tabel E

Quota en andere rechten

Categorie quota of rechten

Code (*)


 

 

Kolommen

Informatiegroep

Quota in eigendom

Gehuurde quota

Verhuurde quota

Belastingen

N

I

O

T

QQ

Hoeveelheid aan het einde van het boekjaar

 

 

 

-

QP

Aangekochte quota

 

-

-

-

QS

Verkochte quota

 

-

-

-

OV

Begininventaris

 

-

-

-

CV

Eindinventaris

 

-

-

-

PQ

Betalingen voor geleasete of gehuurde quota

-

 

-

-

RQ

Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota

-

-

 

-

TX

Belastingen

-

-

-

 


Code (*)

Omschrijving

50

Organische mest

60

Betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling

De hoeveelheden quota (quota in eigendom, gehuurde en verhuurde quota) zijn verplicht in te vullen rubrieken. Alleen de hoeveelheid aan het einde van het boekjaar wordt geregistreerd.

De waarden van quota die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld, worden in deze tabel geboekt. Quota die niet los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld, worden uitsluitend in tabel D “Activa” geboekt. Ook quota die oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen, moeten met hun huidige marktwaarde worden vermeld als zij los van grond verhandeld kunnen worden.

Sommige in te vullen gegevens zijn tegelijk ook, afzonderlijk of als deel van een groter geheel, begrepen in andere groepen of categorieën in de tabellen D “Activa”, H “Productiemiddelen” en/of I “Gewassen”.

De volgende categorieën moeten worden gebruikt:

50.

Organische mest

60.

Betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling

De volgende informatiegroepen moeten worden gebruikt:

E.QQ. Hoeveelheid (uitsluitend de kolommen N, I en O)

De volgende eenheden moeten worden gebruikt:

categorie 50 (organische mest): aantal dieren omgerekend met standaardomrekeningsfactoren voor de mestuitscheiding

categorie 60 (basisbetalingsregeling): het aantal rechten/are.

E.QP. Aangekochte quota (uitsluitend kolom N)

Het bedrag dat is betaald voor de aankoop tijdens het boekjaar van quota of andere rechten die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld.

E.QS. Verkochte quota (uitsluitend kolom N)

Het bedrag dat is ontvangen voor de verkoop tijdens het boekjaar van quota of andere rechten die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld.

E.OV. Begininventaris (uitsluitend kolom N)

De waarde op de begininventaris (huidige marktwaarde) van de hoeveelheden die het bedrijfshoofd in eigendom heeft, ongeacht of deze hoeveelheden oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen dan wel zijn aangekocht, moet worden ingevuld indien de quota los van de betrokken grond kunnen worden verhandeld.

E.CV. Eindinventaris (uitsluitend kolom N)

De waarde op de eindinventaris (huidige marktwaarde) van de hoeveelheden die het bedrijfshoofd in eigendom heeft, ongeacht of deze hoeveelheden oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen dan wel zijn aangekocht, moet worden ingevuld indien de quota los van de betrokken grond kunnen worden verhandeld.

E.PQ. Betalingen voor geleasete of gehuurde quota (uitsluitend kolom I)

Bedrag aan leasing- of huurkosten voor het quotum of ander recht. Ook begrepen in categorie 5070 (betaalde pacht) van tabel H “Productiemiddelen”.

E.RQ. Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota (uitsluitend kolom O)

Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota of andere rechten. Ook begrepen in categorie 90900 (“Overige”) van tabel I “Gewassen”.

E.TX. Belastingen, extra heffing (kolom T)

Betaald bedrag

KOLOMMEN IN TABEL E

Kolom N verwijst naar quota in eigendom, kolom I naar gehuurde quota, kolom O naar verhuurde quota en kolom T naar belastingen.”;

(b)

in tabel H wordt de vierde alinea vervangen door:

“Als de vermelde kosten het totale “verbruik” van productiemiddelen gedurende het boekjaar betreffen, maar niet zijn gemaakt voor productie in dat jaar, moeten de voorraadmutaties voor de productiemiddelen worden aangegeven in tabel D onder de code 1040. “Voorraden”, behalve de kosten van de veldinventaris meerjarige teelten en gewassen op stam, die moeten worden geregistreerd onder 2010. Biologische activa — gewassen”;

(c)

in tabel I wordt de tweede tabel met de gewasgroepcodes vervangen door:

Code (*)

Omschrijving

Granen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad)

10110

Zachte tarwe en spelt

10120

Harde tarwe (durum)

10130

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

10140

Gerst

10150

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

10160

Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

10170

Rijst

10190

Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

10210

Erwten, bonen en niet-bittere lupinen

10220

Linzen, kekers en wikke

10290

Overige eiwithoudende gewassen

10300

Aardappelen (inclusief primeurs en pootaardappelen)

10310

— waarvan aardappelen voor zetmeelproductie

10390

— waarvan overige aardappelen

10400

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

10500

Andere hakvruchten, niet elders genoemd

Handelsgewassen

10601

Tabak

10602

Hop

10603

Katoen

10604

Kool- en raapzaad

10605

Zonnebloemzaad

10606

Sojabonen

10607

Lijnzaad

10608

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

10609

Vezelvlas

10610

Hennep

10611

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

10612

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

10613

Suikerriet

10690

Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd

Verse groenten, meloenen en aardbeien, waarvan:

Verse groenten, meloenen en aardbeien — In de openlucht of onder lage (niet-betreedbare) beschermingsafdekking

10711

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

10712

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

10720

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Gegevens voor alle subcategorieën van “verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien”

10731

Bloemkool en broccoli

10732

Sla

10733

Tomaten

10734

Suikermaïs

10735

Uien

10736

Knoflook

10737

Wortelen

10738

Aardbeien

10739

Meloenen

10790

Overige groenten

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)

10810

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)

10820

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Gegevens voor alle subcategorieën van “Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)”

10830

Bloembollen en -knollen

10840

Snijbloemen, bloesems en bloemknoppen

10850

Bloemen en sierplanten

Groen geoogste gewassen

10910

Tijdelijk grasland en begrazing

Andere groen geoogste gewassen

10921

Voedermaïs

10922

Groen geoogste peulgewassen

10923

Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen (exclusief snijmaïs), niet elders genoemd

Zaai- en plantgoed en andere gewassen op bouwland

11000

Zaai- en plantgoed

11100

Andere gewassen op bouwland

Braakland

11200

Braakland

Tuinen voor eigen gebruik

20000

Tuinen voor eigen gebruik

Blijvend grasland

30100

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

30200

Weiden met geringe opbrengst

30300

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

Blijvende teelten

Fruit, waarvan:

40101

Pitvruchten

40111

- waarvan appelen

40112

- waarvan peren

40102

Steenvruchten

40113

- waarvan perziken en nectarines

40115

Fruit van subtropische en tropische breedten

40120

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

40130

Noten

Citrusvruchtaanplantingen

40200

Citrusvruchten

40210

- waarvan sinaasappelen

40230

- waarvan citroenen

Olijfboomgaarden

40310

Tafelolijven

40320

Olijven voor oliewinning (verkocht in de vorm van vruchten)

40330

Olijfolie

40340

Bijproducten van de olijventeelt

Wijngaarden

40411

Wijnen met beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

40412

Wijnen met beschermde geografische aanduiding (BGA)

40420

Overige wijnen

40430

Tafeldruiven

40440

Druiven voor de productie van rozijnen

40451

Wijndruiven voor wijn met beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

40452

Wijndruiven voor wijn met beschermde geografische aanduiding (BGA)

40460

Druiven voor overige wijn

40470

Diverse producten van de wijnbouw: druivenmost, sap, brandewijn, wijnazijn e.a. voor zover zij op het bedrijf worden geproduceerd

40480

Bijproducten van de wijnbouw (druivenmoer, droesem enz.)

Boomkwekerijgewassen, andere meerjarige teelten, meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking en jonge aanplantingen

40500

Boomkwekerijgewassen

40600

Andere meerjarige teelten

40610

- waarvan kerstbomen

40700

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

40800

Aanwas van jonge aanplantingen

Overig areaal

50100

Oppervlakte niet in gebruik zijnde cultuurgrond

50200

Bosareaal

50210

- waarvan hakhoutbosjes

50900

Andere gronden (gebouwen, erven, wegen, vijvers, steengroeven, onvruchtbare gronden, rotsen enz.)

60000

Gekweekte paddenstoelen

Overige producten en ontvangsten

90100

Ontvangsten uit het verpachten van landbouwgrond

90200

Door oogstverzekeringen betaalde vergoedingen die niet aan een specifiek gewas kunnen worden toegerekend

90300

Plantaardige bijproducten, andere dan die van de olijventeelt en de wijnbouw

90310

Stro

90320

Suikerbietenkoppen

90330

Andere bijproducten

90900

Overige”

(d)

tabel J wordt vervangen door:

“Tabel J

Dieren

Structuur van de tabel

Categorie dieren

Code (*)


 

 

Kolommen

Informatiegroep

Gemiddeld aantal

Aantal

Waarde

A

N

V

AN

Gemiddeld aantal

 

-

-

OV

Begininventaris

-

 

 

CV

Eindinventaris

-

 

 

PU

Aankopen

-

 

 

SA.

Totaal van de verkopen

-

 

 

SS

Verkopen voor de slacht

-

 

 

SR

Verkopen voor verdere opfok/fokdoeleinden

-

 

 

SU

Verkopen met onbekende bestemming

-

 

 

FC

Verbruik in de huishouding

-

 

 

FU

Intern verkeer

-

 

 


Code (*)

Omschrijving

100

Paardachtigen

210

Mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar

220

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

230

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

240

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

251

Fokvaarzen

252

Mestvaarzen

261

Melkkoeien

262

Buffelmelkkoeien

269

Andere koeien

311

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

319

Andere schapen

321

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

329

Andere geiten

410

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

420

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

491

Mestvarkens

499

Andere varkens

510

Pluimvee — slachtkuikens

520

Legkippen

530

Ander pluimvee

610

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

699

Andere konijnen

700

Bijen

900

Andere dieren

Categorie dieren

De volgende categorieën dieren worden onderscheiden:

100.

Paardachtigen

Inclusief ren- en rijpaarden, ezels, muildieren, muilezels enz.

210.

Mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar

220.

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

230.

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

Niet inbegrepen zijn vrouwelijke runderen die reeds hebben gekalfd.

240.

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

251.

Fokvaarzen

Vrouwelijke runderen die ten minste twee jaar oud zijn, nog niet hebben gekalfd en voor de fokkerij zijn bestemd.

252.

Mestvaarzen

Vrouwelijke runderen die ten minste twee jaar oud zijn, nog niet hebben gekalfd en niet voor de fokkerij zijn bestemd.

261.

Melkkoeien

Vrouwelijke runderen die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van melk, bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten. Omvat afgemolken koeien.

262.

Buffelmelkkoeien

Vrouwelijke buffels die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van melk, bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten. Omvat afgemolken buffelkoeien.

269.

Andere koeien

1.

Vrouwelijke runderen die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk voor het zogen van kalveren worden gehouden en waarvan de melk niet voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten is bestemd.

2.

Werkkoeien.

3.

Uitstootkoeien (die al dan niet vóór het slachten worden gemest) uitgezonderd afgemolken koeien.

In de categorieën 210 tot en met 252 en 269 worden ook de overeenkomstige categorieën buffels opgenomen.

311.

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

Vrouwelijke schapen die ten minste een jaar oud zijn en voor de fokkerij zijn bestemd.

319.

Andere schapen

Schapen van alle leeftijden met uitzondering van vrouwelijke schapen voor de voortplanting

321.

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

329.

Andere geiten

Andere geiten dan vrouwelijke geiten voor de voortplanting.

410.

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

Biggen van minder dan 20 kg, uitgedrukt in levend gewicht.

420.

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

Fokzeugen van ten minste 50 kg. Niet inbegrepen zijn uitgeschifte zeugen (zie categorie 499 “andere varkens”).

491.

Mestvarkens

Mestvarkens met een levend gewicht van ten minste 20 kg. Niet inbegrepen zijn uitgeschifte zeugen en beren (zie categorie 499 “Andere varkens”).

499.

Andere varkens

Varkens met een levend gewicht van ten minste 20 kg met uitzondering van fokzeugen (zie categorie 420) en van mestvarkens (zie categorie 491).

510.

Pluimvee — slachtkuikens

Slachtkuikens. Niet inbegrepen zijn legkippen en oudere legkippen. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens.

520.

Legkippen

Inbegrepen zijn jonge hennen, leghennen, oudere leghennen en fokhanen voor leghennen die als leghennen zijn gestald. Jonge hennen zijn hennen die nog niet legrijp zijn. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens.

530.

Ander pluimvee

Omvat eenden, kalkoenen, ganzen, parelhoenders, struisvogels en fokhanen (uitgezonderd fokhanen voor leghennen). Inbegrepen zijn vrouwelijke fokdieren. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens.

610.

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

699.

Andere konijnen

700.

Bijen

Wordt uitgedrukt in bijenvolken (aantal bezette kasten of korven).

900.

Andere dieren

Omvat eendagskuikens, herten en vissen. Ook inbegrepen zijn andere voor boerderijtoerisme gebruikte dieren. Niet inbegrepen zijn de producten van deze andere dieren (zie tabel K, categorie 900).”;

(e)

in tabel M worden aan het eind van de tabel met de categorieën waaruit een keuze moet worden gemaakt, de volgende drie rijen toegevoegd:

“Code (*)

Groep

Omschrijving van de categorieën

Kolommen

N

V

T

10320

AI

Arealen met Miscanthus

 

-

-

10321

AI

Arealen met Silphium perfoliatum

 

-

-

10322

AI

Braakland met drachtplanten (bestaande uit soorten die veel pollen en nectar bevatten)

 

-

-”


(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1198/2014 van de Commissie van 1 augustus 2014 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie (PB L 321 van 7.11.2014, blz. 2).

(*2)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).”


(1)  De variabelen SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd), SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen), SO_CLND049 (braakland), SO_CLND073_085 (tuinen voor eigen gebruik en andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd), SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst), SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst), SO_CLND053 (blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt), SO_CLVS001 (mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar), SO_CLVS014 (andere schapen), SO_CLVS017 (andere geiten) en SO_CLVS018 (biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg) worden slechts onder bepaalde voorwaarden gebruikt (zie bijlage VI, punt 5).


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/40


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1976 VAN DE COMMISSIE

van 25 november 2019

tot toelating van het in de handel brengen van fenylcapsaïcine als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (1), en met name artikel 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2015/2283 is bepaald dat alleen nieuwe voedingsmiddelen die zijn toegelaten en in de Unielijst zijn opgenomen, in de Unie in de handel mogen worden gebracht.

(2)

Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2015/2283 is Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie (2) vastgesteld met een Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen.

(3)

Krachtens artikel 12 van Verordening (EU) 2015/2283 moet de Commissie beslissen over de toelating en het in de Unie in de handel brengen van een nieuw voedingsmiddel en over de bijwerking van de Unielijst.

(4)

Op 7 februari 2018 heeft de onderneming aXichem AB (“de aanvrager”) bij de Commissie overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) 2015/2283 een aanvraag ingediend om fenylcapsaïcine verkregen door chemische synthese als nieuw voedingsmiddel in de Unie in de handel te brengen. De aanvraag betreft het gebruik van fenylcapsaïcine in voeding voor medisch gebruik zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3), met uitzondering van voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen, peuters en kinderen jonger dan elf jaar, en in voedingssupplementen zoals gedefinieerd in Richtlijn nr. 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) voor de algemene bevolking vanaf de leeftijd van elf jaar.

(5)

De aanvrager heeft de Commissie ook verzocht om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens voor een aantal studies die ter ondersteuning van de aanvraag zijn ingediend, te weten een in-vivostudie naar absorptie, distributie, metabolisme en excretie (“ADME”) van fenylcapsaïcine bij ratten (5), een in-vivostudie naar ADME van capsaïcine bij ratten (6), een terugmutatietest met bacteriën voor fenylcapsaïcine (7), een in-vitromicronucleustest met zoogdiercellen voor fenylcapsaïcine (8), een oraal toxiciteitsonderzoek van 90 dagen bij wistarratten voor fenylcapsaïcine (9) en een TRPV1-activeringstest bij de HEK293-cellijn voor fenylcapsaïcine en capsaïcine (10).

(6)

Op 27 augustus 2018 heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) geraadpleegd en haar verzocht om overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) 2015/2283 een beoordeling van fenylcapsaïcine als nieuw voedingsmiddel uit te voeren.

(7)

Op 15 mei 2019 heeft de EFSA haar wetenschappelijk advies “Safety of Phenylcapsaicin as a novel food pursuant to Regulation (EU) 2015/2283” (11) uitgebracht. Dat wetenschappelijk advies is in overeenstemming met de voorschriften van artikel 11 van Verordening (EU) 2015/2283.

(8)

In haar advies heeft de EFSA geconcludeerd dat fenylcapsaïcine onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden veilig is. In dat wetenschappelijk advies worden dan ook voldoende redenen gegeven om vast te stellen dat fenylcapsaïcine, bij de voorgestelde toepassingen en gebruiksconcentraties, bij gebruik in voeding voor medisch gebruik, met uitzondering van voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen, peuters en kinderen jonger dan elf jaar, en in voedingssupplementen voor de algemene bevolking vanaf de leeftijd van elf jaar, voldoet aan de criteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2015/2283.

(9)

In haar advies betreffende fenylcapsaïcine heeft de EFSA opgemerkt dat de gegevens van de in-vivostudie naar ADME van fenylcapsaïcine bij ratten, de in-vivostudie naar ADME van capsaïcine bij ratten, de terugmutatietest met bacteriën voor fenylcapsaïcine, de in-vitromicronucleustest met zoogdiercellen voor fenylcapsaïcine, het oraal toxiciteitsonderzoek van 90 dagen bij ratten voor fenylcapsaïcine en de TRPV1-activeringstest bij de HEK293-cellijn voor fenylcapsaïcine en capsaïcine fungeerden als basis voor het vaststellen van de veiligheid van het nieuwe voedingsmiddel. Daarom oordeelde de EFSA dat de conclusies over de veiligheid van fenylcapsaïcine niet mogelijk waren geweest zonder de gegevens van het verslag van deze studies.

(10)

Naar aanleiding van het advies van de EFSA heeft de Commissie de aanvrager verzocht de rechtvaardiging voor zijn verzoek om gegevensbescherming voor de in-vivostudie naar ADME van fenylcapsaïcine bij ratten, de in-vivostudie naar ADME van capsaïcine bij ratten, de terugmutatietest met bacteriën voor fenylcapsaïcine, de in-vitromicronucleustest met zoogdiercellen voor fenylcapsaïcine, het oraal toxiciteitsonderzoek van 90 dagen bij ratten voor fenylcapsaïcine en de TRPV1-activeringstest bij de HEK293-cellijn voor fenylcapsaïcine en capsaïcine, nader toe te lichten en zijn claim op het exclusieve recht om naar die verslagen en studies te verwijzen, zoals bedoeld in artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2283, te verduidelijken.

(11)

De aanvrager voerde aan dat hij op het moment van de indiening van de aanvraag de eigendomsrechten en de exclusieve rechten om naar de studies te verwijzen bezat op grond van nationaal recht en dat derden dus geen rechtmatige toegang tot die studies hadden en er geen rechtmatig gebruik van konden maken.

(12)

De Commissie heeft alle door de aanvrager ingediende informatie beoordeeld en heeft geoordeeld dat de aanvrager de vervulling van de voorschriften van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2283 voldoende heeft onderbouwd. Daarom is het de EFSA gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening niet toegestaan om de in het dossier van de aanvrager opgenomen gegevens uit de studies die als basis dienden voor de conclusie van de EFSA waarin de veiligheid van het nieuwe voedingsmiddel en de veiligheid van fenylcapsaïcine werden vastgesteld — zonder welke de EFSA het nieuwe voedingsmiddel niet had kunnen beoordelen — te gebruiken ten voordele van een volgende aanvrager. Bijgevolg mag alleen de aanvrager gedurende een periode van vijf jaar het bij deze verordening toegelaten nieuwe voedingsmiddel in de Unie in de handel brengen.

(13)

De beperking van de toelating van fenylcapsaïcine en van het verwijzen naar de studies in het dossier van de aanvrager tot uitsluitend de aanvrager verhindert evenwel niet dat andere aanvragers om toelating kunnen vragen om hetzelfde nieuwe voedingsmiddel in de handel te brengen op voorwaarde dat hun aanvraag is gebaseerd op rechtmatig verkregen gegevens ter ondersteuning van de toelating krachtens deze verordening.

(14)

Richtlijn 2002/46/EG bevat voorschriften voor voedingssupplementen. Het gebruik van fenylcapsaïcine moet worden toegestaan onverminderd die richtlijn.

(15)

In Verordening (EU) nr. 609/2013 zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing. Het gebruik van fenylcapsaïcine moet worden toegestaan onverminderd die verordening.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Fenylcapsaïcine, zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening, wordt opgenomen in de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 vastgestelde Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen.

2.   Gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening heeft alleen de aanvrager:

 

Onderneming: aXichem AB;

 

Adres: Södergatan 26, SE 211 34, Malmö, Zweden,

de toelating om het in lid 1 bedoelde nieuwe voedingsmiddel in de Unie in de handel te brengen, tenzij een volgende aanvrager een toelating voor het nieuwe voedingsmiddel verkrijgt zonder naar de op grond van artikel 2 beschermde gegevens te verwijzen of met instemming van aXichem AB.

3.   De in lid 1 bedoelde vermelding in de Unielijst omvat de gebruiksvoorwaarden en de etiketteringsvoorschriften zoals vastgesteld in de bijlage bij deze verordening.

4.   De in dit artikel bedoelde toelating doet geen afbreuk aan de bepalingen van Verordening (EU) nr. 609/2013 en Richtlijn 2002/46/EG.

Artikel 2

De studies en verslagen in het aanvraagdossier op basis waarvan de EFSA het in artikel 1 bedoelde nieuwe voedingsmiddel heeft beoordeeld en die volgens de aanvrager aan de voorwaarden van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2283 voldoen, worden gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening niet zonder toestemming van aXichem AB ten voordele van een volgende aanvrager gebruikt.

Artikel 3

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 november 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie van 20 december 2017 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen (PB L 351 van 30.12.2017, blz. 72).

(3)  Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 35).

(4)  Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51).

(5)  Feng et al. 2012a (niet gepubliceerd).

(6)  Feng et al. 2012b (niet gepubliceerd).

(7)  Schreib 2015 (niet gepubliceerd).

(8)  Donath 2016 (niet gepubliceerd).

(9)  Stiller 2016 (niet gepubliceerd).

(10)  Yang en Dong, 2015 (niet gepubliceerd).

(11)  EFSA Journal (2019);17(6):5718.


BIJLAGE

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In tabel 1 (Toegelaten nieuwe voedingsmiddelen) wordt de volgende vermelding in alfabetische volgorde ingevoegd:

Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Voorwaarden waaronder het nieuwe voedingsmiddel mag worden gebruikt

Aanvullende specifieke etiketteringsvoorschriften

Andere voorschriften

Gegevensbescherming

“Fenylcapsaïcine

Gespecificeerde levensmiddelencategorie

Maximumgehalten

Het nieuwe voedingsmiddel wordt op de etikettering van het voedingsmiddel dat het bevat, aangeduid met “fenylcapsaïcine”.

 

Toelating verleend op 19 december 2019. Deze opname is gebaseerd op door eigendomsrechten beschermde wetenschappelijke bewijzen en wetenschappelijke gegevens die overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2015/2283 zijn beschermd.

Aanvrager: aXichem AB, Södergatan 26, SE 211 34, Malmö, Zweden. Tijdens de periode van gegevensbescherming mag het nieuwe voedingsmiddel fenylcapsaïcine uitsluitend door aXichem AB in de Unie in de handel worden gebracht, tenzij een volgende aanvrager een toelating voor het nieuwe voedingsmiddel verkrijgt zonder naar de overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2015/2283 beschermde wetenschappelijke bewijzen of wetenschappelijke gegevens te verwijzen of met toestemming van aXichem AB.”

Voeding voor medisch gebruik zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 609/2013, met uitzondering van levensmiddelen voor zuigelingen, peuters en kinderen jonger dan elf jaar

2,5 mg/dag

Voedingssupplementen als omschreven in Richtlijn 2002/46/EG bestemd voor de algemene bevolking, met uitzondering van kinderen jonger dan elf jaar

2,5 mg/dag

2)

In tabel 2 (Specificaties) wordt de volgende vermelding in alfabetische volgorde ingevoegd:

Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Specificaties

“Fenylcapsaïcine

Omschrijving/definitie:

Fenylcapsaïcine (N-[(4-hydroxy-3-methoxyfenyl)methyl]-7-fenylhept-6-ynamide, C21H23NO3, CAS-nummer: 848127-67-3), wordt chemisch gesynthetiseerd in een tweestapssyntheseproces, waarbij in een eerste stap, door een reactie van fenylacetyleen met een carbonzuurderivaat, het acetyleenzuur-intermediair wordt gevormd en in een tweede stap, door een reeks reacties van het acetyleenzuur-intermediair met het vanillylaminederivaat, fenylcapsaïcine wordt gevormd.

Kenmerken/Samenstelling:

Zuiverheid (% in de droge stof): ≥ 98 %

Vochtgehalte: ≤ 0,5 %

Totaal van de bijproducten: ≤ 1,0 %

N,N-dimethylformamide: ≤ 880 mg/kg

Dichloormethaan: ≤ 600 mg/kg

Dimethoxyethaan: ≤ 100 mg/kg

Ethylacetaat: ≤ 0,5 %

Overige oplosmiddelen: ≤ 0,5 %

Zware metalen:

Lood: ≤ 1,0 mg/kg

Cadmium: ≤ 1,0 mg/kg

Kwik: ≤ 0,1 mg/kg

Arseen: ≤ 1,0 mg/kg

Microbiologische criteria:

Totaal kiemgetal: ≤ 10 kve/g

Coliformen: ≤ 10 kve/g

Escherichia coli: negatief/10 g

Salmonella spp.: negatief/10 g

Gisten en schimmels: ≤ 10 kve/g

Kve: kolonievormende eenheden.”.


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/45


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1977 VAN DE COMMISSIE

van 26 november 2019

tot verlening van een vergunning voor fenylmethaanthiol, benzylmethylsulfide, sec-pentylthiofeen, tridec-2-enal, 12-methyltridecanal, 2,5-dimethylfenol, hexa-2(trans),4(trans)-diënal en 2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanon als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor katten en honden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor fenylmethaanthiol, benzylmethylsulfide, sec-pentylthiofeen, tridec-2-enal, 12-methyltridecanal, 2,5-dimethylfenol, hexa-2(trans),4(trans)-diënal en 2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanon (“de betrokken stoffen”) is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor katten en honden. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn die toevoegingsmiddelen vervolgens als bestaande producten opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, juncto artikel 7, is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van de betrokken stoffen voor katten en honden met het oog op de indeling van die toevoegingsmiddelen voor diervoeding in de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 27 februari 2019 (3) geconcludeerd dat de betrokken stoffen onder de voorgestelde voorwaarden voor gebruik geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid of het milieu hebben. Daarnaast heeft zij geconcludeerd dat gevaren zijn vastgesteld voor gebruikers. Zoals vereist heeft de aanvrager een veiligheidsinformatieblad verstrekt voor alle stoffen waarvoor gevaar voor gebruikers is vastgesteld. Er zijn geen studies ingediend waarin de veiligheid van gebruikers wordt beoordeeld. Bijgevolg kan de EFSA geen conclusies formuleren met betrekking tot de veiligheid van gebruikers wanneer zij de toevoegingsmiddelen gebruiken. Wat betreft de in het veiligheidsinformatieblad beschreven gevaren zijn met name 2,5-dimethylfenol, 12-methyltridecanal, hexa-2(trans),4(trans)-diënal, fenylmethaanthiol, benzylmethylsulfide, 2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanon en sec-pentylthiofeen erkend als gevaarlijk bij contact met de huid en de ogen. 12-methyltridecanal, benzylmethylsulfide en 2-pentylthiofeen zijn erkend als gevaarlijk bij contact met de luchtwegen. Bij gebrek aan gegevens kon de EFSA geen conclusies bereiken over het risico voor de gebruikers. Daarom is de Commissie van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om effecten op de menselijke gezondheid te voorkomen, met name betreffende de gebruikers van het toevoegingsmiddel voor diervoeding. Voor niet-voedselproducerende dieren zijn bij Verordening (EG) nr. 429/2008 van de Commissie (4) toevoegingsmiddelen voor die dieren vrijgesteld van de milieueffectbeoordeling aangezien zij geen aanzienlijk milieueffect hebben. Gezelschapsdieren worden niet in grote groepen dieren gehouden; bijgevolg wordt hun effect op het milieu als weinig significant beschouwd. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat, aangezien de betrokken stoffen worden gebruikt als toevoegingsmiddelen in levensmiddelen en de functie ervan in diervoeding dezelfde is als in levensmiddelen, de doeltreffendheid ervan in diervoeding niet meer hoeft te worden aangetoond.

(5)

Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook de verslagen over de analysemethode voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Om een betere controle mogelijk te maken, moeten beperkingen en voorwaarden worden vastgesteld. Voor de betrokken stoffen moeten de aanbevolen gehalten op het etiket van het toevoegingsmiddel worden vermeld. Indien deze gehalten worden overschreden, moet bepaalde informatie worden vermeld op het etiket van voormengsels en op de etikettering van mengvoeders en voedermiddelen.

(7)

Uit de beoordeling van de betrokken stoffen blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning voor het gebruik in diervoeding is voldaan. Het in de bijlage bij deze verordening gespecificeerde gebruik van die toevoegingsmiddelen voor diervoeding moet daarom worden toegestaan.

(8)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stoffen vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlening van een vergunning

Voor de in de bijlage beschreven stoffen, die behoren tot de categorie “sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aromatische stoffen”, wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddelen voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

1.   De in de bijlage beschreven stoffen en de voormengsels die deze stoffen bevatten en die vóór 19 december 2019 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 19 december 2019 van toepassing waren, mogen tot uiterlijk 19 juni 2020 verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt.

2.   De mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage beschreven stoffen bevatten en die vóór 19 december 2021 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 19 december 2019 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor katten en honden.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 november 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).

(3)  EFSA Journal 2019; 17(3):5649.

(4)  Verordening (EG) nr. 429/2008 van de Commissie van 25 april 2008 tot vaststelling van voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de opstelling en indiening van aanvragen en de beoordeling van en de verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 1).


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen.

2b5169

-

12-methyltridecanal

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

12-methyltridecanal

Karakterisering van de werkzame stof

12-methyltridecanal

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 97 %

Chemische formule: C14H28O

CAS-nummer: 75853-49-5

Flavis-nr.: 05.169

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van

12-methyltridecanal

in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

-

-

-

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 0,5 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 0,5 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029

2b5057

-

Hexa-2(trans),4(trans)-diënal

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

hexa-2(trans),4(trans)-diënal

Karakterisering van de werkzame stof:

hexa-2(trans),4(trans)-diënal

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 97 %

Chemische formule: C6H8O

CAS-nummer: 142-83-6

Flavis-nr.: 05.057

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van hexa-2(trans),4(trans)-diënal in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

-

-

-

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 1,5 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 1,5 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029

2b5078

-

Tridec-2-enal

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

tridec-2-enal

Karakterisering van de werkzame stof:

tridec-2-enal

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 92 %

Chemische formule: C13H24O

CAS-nummer: 7774-82-5

Flavis-nr.: 05.078

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van tridec-2-enal in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

-

-

-

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 0,5 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 0,5 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029

2b13084

 

2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanon

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanon

Karakterisering van de werkzame stof:

2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanon

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 97 %

Chemische formule: C7H10O3

CAS-nummer: 27538-09-6

Flavis-nr.: 13.084

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van

2-ethyl-4-hydroxy-5-methyl-3(2H)-furanonin het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

 

 

 

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 2,25 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 2,25 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029

2b12005

-

Fenylmethaanthiol

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

fenylmethaanthiol

Karakterisering van de werkzame stof:

fenylmethaanthiol

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 99 %

Chemische formule: C7H8S

CAS-nummer: 100-53-8

Flavis-nr.: 12.005

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van fenylmethaanthiol in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

-

-

-

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 0,05 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 0,05 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029

2b12077

-

Benzylmethylsulfide

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

benzylmethylsulfide

Karakterisering van de werkzame stof:

benzylmethylsulfide

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 99 %

Chemische formule: C8H10S

CAS-nummer: 766-92-7

Flavis-nr.: 12.077

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van benzylmethylsulfide in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

-

-

-

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 0,05 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 0,05 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029

2b4019

-

2,5-dimethylfenol

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

2,5-dimethylfenol

Karakterisering van de werkzame stof:

2,5-dimethylfenol

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 99 %

Chemische formule: C8H10O

CAS-nummer: 95-87-4

Flavis-nr.: 04.019

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van

2,5-dimethylfenol in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

-

-

-

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 1 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 1 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029

2b15096

-

Sec-pentylthiofeen

Samenstelling van het toevoegingsmiddel:

sec-pentylthiofeen

Karakterisering van de werkzame stof:

sec-pentylthiofeen

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C9H14S

CAS-nummer: 4861-58-9

Flavis-nr.: 15.096

Analysemethode  (1) :

Voor de bepaling van

sec-pentylthiofeen in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels voor diervoeders:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Katten en honden

-

-

-

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

“Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 0,1 mg/kg”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van voormengsels indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden: 0,1 mg/kg.

5.

Voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke risico’s bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

19.12.2029


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/58


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1978 VAN DE COMMISSIE

van 26 november 2019

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1238/95 met betrekking tot de aan het Communautair Bureau voor plantenrassen te betalen rechten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1), en met name artikel 113,

Na raadpleging van de raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1238/95 van de Commissie (2) is bepaald dat de voorzitter van het Communautair Bureau voor plantenrassen (“het Bureau”) voor de betaling van rechten en toeslagen andere wijzen van betaling kan toestaan, en is een lijst van deze andere wijzen van betaling vastgesteld. Met het oog op meer flexibiliteit en vereenvoudiging van de processen is het passend deze lijst van andere wijzen van betaling in de door de raad van bestuur van het Bureau op grond van artikel 36, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 2100/94 vastgestelde regels voor werkmethoden op te nemen.

(2)

In artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1238/95 is bepaald op welke datum de betaling wordt geacht te zijn ontvangen. Uit ervaringen met de verwerking van betalingen is gebleken dat het nodig is te verduidelijken dat, om ervoor te zorgen dat geen lopende verplichtingen jegens het Bureau bestaan, het volledige bedrag van de overmaking op een bankrekening van het Bureau moet worden geboekt.

(3)

Volgens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1238/95 moet een persoon die rechten of toeslagen betaalt, schriftelijk zijn naam, alsmede het doel van de betaling vermelden. Wanneer het doel van de betaling niet kan worden vastgesteld, stuurt het Bureau binnen twee maanden een herinnering. Deze termijn moet van twee maanden tot één maand worden verkort om de verwerking van betalingen efficiënter te maken.

(4)

Bij artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1238/95 is het aanvraagrecht vastgesteld. Om het gebruik van het elektronisch onlineaanvraagsysteem van het Bureau te bevorderen, moet het recht voor op een andere manier — bijvoorbeeld op papier — ingediende aanvragen worden verhoogd van 650 EUR tot 800 EUR. Bovendien heeft de praktijkervaring geleerd dat het onlineaanvraagsysteem efficiënter zou werken als in aanvulling daarop, voor eventuele verdere uitwisselingen met het Bureau, het gebruik van het papierloze communicatieplatform van het Bureau verplicht zou zijn.

(5)

Overeenkomstig artikel 7, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1238/95 moet het Bureau 150 EUR van het aanvraagrecht inhouden als de aanvraag op grond van artikel 50 van Verordening (EG) nr. 2100/94 niet geldig is. Om de administratieve lasten te verminderen, moet het volledige aanvraagrecht worden terugbetaald.

(6)

Wat het jaarlijkse recht betreft, is in artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1238/95 bepaald dat het Bureau geen betalingen terugbetaalt die zijn verricht om een bestaand communautair kwekersrecht in stand te houden. De ervaring heeft geleerd dat, om de transparantie te verbeteren, een terugbetaling mogelijk moet zijn indien het Bureau tussen de datum van betaling en de verjaardag van de toekenning, een afstandneming heeft ontvangen.

(7)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1238/95 is de hoogte van de aan het Bureau te betalen rechten voor het uitvoeren en doen uitvoeren van het technisch onderzoek van een ras waarvoor een aanvraag voor een communautair kwekersrecht wordt ingediend (het “onderzoeksrecht”) vastgesteld.

(8)

De raad van bestuur van het Bureau heeft besloten het beginsel van 100 % kostendekking aan te houden, zodat de onderzoeksbureaus worden vergoed op basis van de gemiddelde reële kosten van het onderzoek.

(9)

Uit ervaringen met technisch onderzoek blijkt bovendien dat onderzoeksrechten voor sommige kostengroepen mettertijd kunnen veranderen. De door het Bureau in rekening gebrachte rechten moeten daarom worden afgestemd op het totaalbedrag van de kosten voor de kostengroepen die het Bureau aan de onderzoeksbureaus moet betalen. Daarom moeten de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1238/95 opgenomen rechten voor alle betrokken kostengroepen worden gewijzigd.

(10)

Verordening (EG) nr. 1238/95 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Deze verordening moet van toepassing zijn met ingang van 1 april 2020, zodat het Bureau en de belanghebbenden voldoende tijd hebben om zich aan deze wijzigingen aan te passen.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor kwekersrechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1238/95 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

“2.   De voorzitter van het Bureau kan, overeenkomstig de regels inzake de werkmethoden die overeenkomstig het bepaalde in artikel 36, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 2100/94 worden vastgesteld, andere wijzen van betaling toestaan.”.

2)

Artikel 4, lid 1, wordt vervangen door:

“1.   Een betaling van rechten en toeslagen wordt geacht door het Bureau te zijn ontvangen op de datum waarop het volledige bedrag van de in artikel 3, lid 1, bedoelde overmaking daadwerkelijk op een bankrekening van het Bureau wordt geboekt.”.

3)

Artikel 5, lid 2, wordt vervangen door:

“2.   Wanneer het Bureau het doel van de betaling niet kan vaststellen, verzoekt het de persoon die de betaling heeft verricht, dit binnen één maand schriftelijk mee te delen. Indien dit niet binnen deze termijn geschiedt, wordt de betaling geacht niet te zijn geschied en wordt het bedrag terugbetaald aan de persoon die de betaling heeft gedaan.”.

4)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Degene die een communautair kwekersrecht aanvraagt, hierna “de aanvrager” genoemd, betaalt voor de behandeling van een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend door in het onlineaanvraagsysteem van het Bureau een webformulier in te vullen, een recht van 450 EUR.

De aanvrager aanvaardt de gebruiksvoorwaarden van het beveiligde elektronische communicatieplatform van het Bureau en gebruikt dat platform voor het indienen van de in de eerste alinea bedoelde aanvragen en andere documenten, het ontvangen van de door het Bureau verzonden kennisgevingen en documenten, het beantwoorden van dergelijke kennisgevingen en het verrichten van andere handelingen.

De aanvrager betaalt voor de behandeling van een aanvraag die op een andere manier dan via het onlineaanvraagsysteem van het Bureau wordt ingediend, een recht van 800 EUR.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   Wanneer het aanvraagrecht is ontvangen, maar de aanvraag niet geldig is op grond van artikel 50 van de basisverordening, betaalt het Bureau het aanvraagrecht terug wanneer het de aanvrager in kennis stelt van de in de aanvraag geconstateerde tekortkomingen.”.

5)

Artikel 9, lid 4, wordt vervangen door:

“4.   Het Bureau betaalt geen betalingen terug die zijn verricht om een communautair kwekersrecht in stand te houden, tenzij het Bureau tussen de datum van betaling en de verjaardag van de in lid 2, onder b), bedoelde toekenning van een communautair kwekersrecht, een afstandneming heeft ontvangen. Afstandnemingen die na de verjaardag van de toekenning worden ontvangen, worden voor dergelijke betalingen niet in aanmerking genomen.”.

6)

Bijlage I wordt vervangen door de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 november 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1238/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad met betrekking tot de aan het Communautair Bureau voor plantenrassen te betalen rechten (PB L 121 van 1.6.1995, blz. 31).


BIJLAGE

“BIJLAGE I

Rechten voor technisch onderzoek als bedoeld in artikel 8

De rechten die voor het technisch onderzoek van een ras moeten worden betaald krachtens artikel 8, worden overeenkomstig de tabel vastgelegd:

(in EUR)

 

Kostengroep

Recht

Groep landbouwgewassen

1

Aardappel

2 050

2

Koolzaad

2 150

3

Grassen

2 920

4

Andere landbouwgewassen

1 900

Groep vruchtgewassen

5

Appelen

3 665

6

Aardbeien

3 400

7

Andere vruchtgewassen

3 460

Groep sierplanten

8

Sierplanten met levende referentieverzameling, in de kas getest

2 425

9

Sierplanten met levende referentieverzameling, getest in de open lucht

2 420

10

Sierplanten zonder levende referentieverzameling, in de kas getest

2 400

11

Sierplanten zonder levende referentieverzameling, in de open lucht getest

2 200

12

Sierplanten, speciale fytosanitaire voorwaarden

3 900

Groep groentegewassen

13

Groentegewassen, in de kas getest

2 920

14

Groentegewassen, in de open lucht getest

2 660


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/62


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1979 VAN DE COMMISSIE

van 26 november 2019

tot toelating van het in de handel brengen van een mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (1), en met name artikel 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2015/2283 is vastgesteld dat alleen nieuwe voedingsmiddelen die zijn toegelaten en in de Unielijst zijn opgenomen, in de Unie in de handel mogen worden gebracht.

(2)

Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2015/2283 is Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie (2) vastgesteld, waarin een Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen is vastgesteld.

(3)

Krachtens artikel 12 van Verordening (EU) 2015/2283 moet de Commissie beslissen over de toelating en het in de Unie in de handel brengen van een nieuw voedingsmiddel en over de bijwerking van de Unielijst.

(4)

Op 30 april 2018 heeft de onderneming Glycom A/S (“de aanvrager”) bij de Commissie een aanvraag in de zin van artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) 2015/2283 ingediend om een mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose (“2′‐FL/DFL”), verkregen door microbiële fermentatie met een genetisch gemodificeerde stam van Escherichia coli K12 DH1, in de Unie als nieuw voedingsmiddel in de handel te brengen. De aanvrager verzocht om de toelating van 2′‐FL/DFL voor gebruik in producten van niet-gearomatiseerde gepasteuriseerde en niet-gearomatiseerde gesteriliseerde melk, gearomatiseerde en niet-gearomatiseerde producten op basis van gefermenteerde melk, met inbegrip van producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan, graanrepen, gearomatiseerde dranken, zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding en bewerkte levensmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende levensmiddelen voor gewichtsbeheersing zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3), en in voedingssupplementen zoals gedefinieerd in Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), bestemd voor de algemene bevolking met uitzondering van zuigelingen.

(5)

Op 30 april 2018 heeft de aanvrager de Commissie ook verzocht om bescherming van de door eigendomsrechten beschermde gegevens voor een aantal studies die ter ondersteuning van de aanvraag zijn ingediend, namelijk de door eigendomsrechten beschermde analyseverslagen inzake de vergelijking van de structuur via kernspinresonantie (“NMR”) tussen met bacteriële fermentatie verkregen 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose en 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose die van nature in moedermelk voorkomen (5), de gedetailleerde karakterisering van de voor de productie gebruikte bacteriestammen en de bijbehorende certificaten (6) (7), de specificaties van de grondstoffen en technische hulpstoffen (8), de certificaten van de analyses van de verschillende 2′‐FL/DFL-charges (9), de analytische methoden en de validatieverslagen (10), de stabiliteitsverslagen voor 2′‐FL/DFL (11), de accreditatiecertificaten van de laboratoria (12), de beoordelingsverslagen over de inname van 2′‐FL/DFL (13), de overzichtstabel van statistisch significante waarnemingen in de toxiciteitsstudies (14), een terugmutatietest met bacteriën met 2′‐FL/DFL (15), een in-vitromicronucleustest met zoogdiercellen met 2′‐FL/DFL (16), een 14 dagen durende studie van de orale toxiciteit van 2′‐FL/DFL bij neonatale ratten (17), een 90 dagen durende studie van de orale toxiciteit van 2′‐FL/DFL bij neonatale ratten (18), een terugmutatietest met bacteriën met 2′‐fucosyllactose (“2′‐FL”) (19), twee in‐vitromicronucleustests met zoogdiercellen met 2′‐FL (20) , (21) en een 90 dagen durende studie van de orale toxiciteit van 2′‐FL bij neonatale ratten (22).

(6)

Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) 2015/2283 heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 29 juni 2018 om een beoordeling van 2′‐FL/DFL als nieuw voedingsmiddel verzocht.

(7)

Op 15 mei 2019 heeft de EFSA haar wetenschappelijk advies “Safety of 2′‐fucosyllactose/difucosyllactose mixture as a novel food pursuant to Regulation (EU) 2015/2283” (23) uitgebracht. Dat wetenschappelijk advies is in overeenstemming met de voorschriften van artikel 11 van Verordening (EU) 2015/2283.

(8)

De EFSA concludeerde in haar advies dat 2′‐FL/DFL veilig is voor de voorgestelde doelpopulatie onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden. Dit wetenschappelijk advies bevat derhalve voldoende redenen om vast te stellen dat 2′‐FL/DFL, indien gebruikt in niet-gearomatiseerde gepasteuriseerde en niet-gearomatiseerde gesteriliseerde melkproducten, gearomatiseerde en niet-gearomatiseerde producten op basis van gefermenteerde melk met inbegrip van producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan, graanrepen, gearomatiseerde dranken, zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding en bewerkte levensmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende levensmiddelen voor gewichtsbeheersing, en in voedingssupplementen bestemd voor de algemene bevolking met uitzondering van zuigelingen, voldoet aan de eisen van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2015/2283.

(9)

In haar advies oordeelde de EFSA dat de gegevens uit de NMR-analyseverslagen inzake de vergelijking tussen met bacteriële fermentatie verkregen 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose en 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose die van nature in moedermelk voorkomen, de gedetailleerde karakterisering van de voor de productie gebruikte bacteriestammen, de specificaties van de grondstoffen en technische hulpstoffen, de certificaten van de analyses van de verschillende 2′‐FL/DFL-charges, de terugmutatietest met bacteriën met 2′‐FL/DFL, de in‐vitromicronucleustest met zoogdiercellen met 2′‐FL/DFL, de 90 dagen durende studie van de orale toxiciteit van 2′‐FL/DFL bij neonatale ratten en de overzichtstabel van statistisch significante waarnemingen in de toxiciteitsstudie van 90 dagen, als basis dienden voor de vaststelling van de veiligheid van het nieuwe voedingsmiddel. Daarom is geoordeeld dat de conclusies over de veiligheid van 2′‐FL/DFL niet mogelijk waren geweest zonder de gegevens uit de verslagen van deze studies.

(10)

Naar aanleiding van de overwegingen van de EFSA heeft de Commissie de aanvrager verzocht de verstrekte rechtvaardiging inzake zijn door eigendomsrechten beschermde NMR-analyseverslagen inzake de vergelijking tussen met bacteriële fermentatie verkregen 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose en 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose die van nature in moedermelk voorkomen, de gedetailleerde karakterisering van de voor de productie gebruikte bacteriestammen, de specificaties van de grondstoffen en technische hulpstoffen, de certificaten van de analyses van de verschillende 2′‐FL/DFL-charges, de terugmutatietest met bacteriën met 2′‐FL/DFL, de in‐vitromicronucleustest met zoogdiercellen met 2′‐FL/DFL, de 90 dagen durende studie van de orale toxiciteit van 2′‐FL/DFL bij neonatale ratten en de overzichtstabel van statistisch significante waarnemingen in de toxiciteitsstudie van 90 dagen toe te lichten, evenals zijn claim op het exclusieve recht om naar die verslagen en studies te verwijzen, zoals bedoeld in artikel 26, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2015/2283.

(11)

De aanvrager heeft ook verklaard dat hij — op het moment van de indiening van de aanvraag — op grond van nationaal recht de eigendomsrechten en de exclusieve rechten om naar de studies te verwijzen bezat en dat derden dus geen rechtmatige toegang tot die studies hadden en er geen rechtmatig gebruik van konden maken.

(12)

De Commissie heeft alle door de aanvrager ingediende informatie beoordeeld en heeft geoordeeld dat de aanvrager de vervulling van de voorschriften van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2283 voldoende heeft onderbouwd. De gegevens uit de onderzoeken in het dossier van de aanvrager die voor de EFSA als basis dienden om de veiligheid van het nieuwe voedingsmiddel vast te stellen en haar conclusies te trekken over de veiligheid van 2′‐FL/DFL, en zonder welke het nieuwe voedingsmiddel niet door de EFSA had kunnen worden beoordeeld, mogen derhalve gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening niet door de EFSA ten voordele van een volgende aanvrager worden gebruikt. Het in de Unie in de handel brengen van 2′‐FL/DFL moet derhalve gedurende die periode tot de aanvrager worden beperkt.

(13)

De beperking van de toelating van 2′‐FL/DFL en van het verwijzen naar de studies in het dossier van de aanvrager tot uitsluitend de aanvrager verhindert evenwel niet dat andere aanvragers kunnen vragen om toelating om hetzelfde nieuwe voedingsmiddel in de handel te brengen, op voorwaarde dat hun aanvraag is gebaseerd op rechtmatig verkregen gegevens ter ondersteuning van de toelating krachtens Verordening (EU) 2015/2283.

(14)

Het gebruik van 2′‐FL/DFL moet worden toegelaten onverminderd Verordening (EU) nr. 609/2013, waarin voorschriften zijn vastgesteld met betrekking tot voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing.

(15)

Het gebruik van 2′‐FL/DFL moet ook worden toegelaten onverminderd Richtlijn 2002/46/EG, waarin voorschriften voor voedingssupplementen zijn vastgesteld.

(16)

Het gebruik van 2′‐FL/DFL moet worden toegelaten onverminderd Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (24), waarin voorschriften voor landbouwproducten, met name melk en zuivelproducten, zijn vastgesteld.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   2′‐FL/DFL, zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening, wordt opgenomen in de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 vastgestelde Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen.

2.   Gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening heeft alleen de oorspronkelijke aanvrager:

onderneming: Glycom A/S,

adres: Kogle Allé 4, DK‐2970 Hørsholm, Denemarken,

de toelating om het in lid 1 bedoelde nieuwe voedingsmiddel in de Unie in de handel te brengen, tenzij een volgende aanvrager toelating verkrijgt voor het nieuwe voedingsmiddel zonder te verwijzen naar de op grond van artikel 2 van deze verordening beschermde gegevens of toestemming krijgt van Glycom A/S.

3.   De in lid 1 bedoelde vermelding in de Unielijst omvat de gebruiksvoorwaarden en de etiketteringsvoorschriften zoals vastgesteld in de bijlage bij deze verordening.

4.   De in dit artikel bedoelde toelating doet geen afbreuk aan de bepalingen van Verordening (EU) nr. 609/2013, Richtlijn 2002/46/EG en Verordening (EU) nr. 1308/2013.

Artikel 2

De studies en verslagen in het aanvraagdossier op basis waarvan de EFSA 2′‐FL/DFL heeft beoordeeld en dat volgens de aanvrager aan de voorwaarden van artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2283 voldoet, wordt gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening niet zonder toestemming van Glycom A/S ten voordele van een volgende aanvrager gebruikt.

Artikel 3

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 november 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie van 20 december 2017 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen (PB L 351 van 30.12.2017, blz. 72).

(3)  Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en tot intrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EG en 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 35).

(4)  Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51).

(5)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(6)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(7)  Glycom/DSMZ 2018 (niet gepubliceerd).

(8)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(9)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(10)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(11)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(12)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(13)  Glycom 2018 (niet gepubliceerd).

(14)  Flaxmer 2018 (niet gepubliceerd) en Philips, K. R., Baldwin, N., Lynch, B., Flaxmer, J., Šoltésová, A., Mikš, M. H., Röhrig, C. H., Safety evaluation of the human-identical milk oligosaccharides 2′fucosyllactose and difucosyllactose, Food and Chemical Toxicology, 2018, 120:552‐565.

(15)  Šoltésová, 2017 (niet gepubliceerd), en Philips et al., 2018, Food and Chemical Toxicology, 120:552‐565.

(16)  Gilby, 2017 (niet gepubliceerd), en Philips et al., 2018, Food and Chemical Toxicology, 120:552‐565.

(17)  Flaxmer, 2017 (niet gepubliceerd), en Philips et al., 2018, Food and Chemical Toxicology, 120:552‐565.

(18)  Flaxmer, 2018 (niet gepubliceerd), en Philips et al., 2018, Food and Chemical Toxicology, 120:552‐565.

(19)  Verspeek-Rip 2015 (niet gepubliceerd).

(20)  Verbaan 2015a (niet gepubliceerd).

(21)  Verbaan 2015b (niet gepubliceerd).

(22)  Penard 2015 (niet gepubliceerd).

(23)  EFSA Journal 2019;17(6):5717.

(24)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.


BIJLAGE

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In tabel 1 (Toegelaten nieuwe voedingsmiddelen) wordt de volgende vermelding in alfabetische volgorde ingevoegd:

Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Voorwaarden waaronder het nieuwe voedingsmiddel mag worden gebruikt

Aanvullende specifieke etiketteringsvoorschriften

Andere voorschriften

Gegevensbescherming

Mengsel van 2′fucosyllactose en difucosyllactose (“2′FL/DFL”)

(microbiële bron)

Gespecificeerde levensmiddelencategorie

Maximumgehalten

Op de etikettering van levensmiddelen die het nieuwe voedingsmiddel bevatten, wordt het nieuwe voedingsmiddel aangeduid als “mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose”.

Op de etikettering van voor peuters bestemde voedingssupplementen die het mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose bevatten, wordt vermeld dat de supplementen niet mogen worden gebruikt wanneer dezelfde dag moedermelk of andere levensmiddelen met toegevoegde 2′‐fucosyllactose en/of difucosyllactose worden geconsumeerd.

 

Toelating verleend op 19.12.2019. Deze opname is gebaseerd op door eigendomsrechten beschermde wetenschappelijke bewijzen en wetenschappelijke gegevens die overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2015/2283 zijn beschermd.

Aanvrager: Glycom A/S, Kogle Allé 4, DK-2970 Hørsholm, Denemarken. Tijdens de termijn van gegevensbescherming mag het nieuwe voedingsmiddel “mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose” uitsluitend door Glycom A/S in de Unie in de handel worden gebracht, tenzij een volgende aanvrager een toelating voor het nieuwe voedingsmiddel verkrijgt zonder naar de overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) 2015/2283 beschermde wetenschappelijke bewijzen of wetenschappelijke gegevens te verwijzen of toestemming krijgt van Glycom A/S.

Einddatum van de gegevensbescherming: 19.12.2024.”

Producten op basis van niet-gearomatiseerde gepasteuriseerde en niet-gearomatiseerde gesteriliseerde (met inbegrip van UHT-gesteriliseerde) melk

2,0 g/l

Niet-gearomatiseerde producten op basis van gefermenteerde melk

2,0 g/l voor dranken

20 g/kg voor andere producten dan dranken

Gearomatiseerde producten op basis van gefermenteerde melk, met inbegrip van producten die een warmtebehandeling hebben ondergaan

2,0 g/l voor dranken

20 g/kg voor andere producten dan dranken

Dranken (gearomatiseerde dranken)

2,0 g/l

Graanrepen

20 g/kg

Volledige zuigelingenvoeding zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 609/2013

1,6 g/l in het gebruiksklare eindproduct, als zodanig verkocht of na oplossen volgens de instructies van de fabrikant

Opvolgzuigelingenvoeding zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 609/2013

1,2 g/l in het gebruiksklare eindproduct, als zodanig verkocht of na oplossen volgens de instructies van de fabrikant

Bewerkte levensmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 609/2013

1,2 g/l (dranken) in het gebruiksklare eindproduct, als zodanig verkocht of aangemaakt volgens de instructies van de fabrikant

10 g/kg voor andere producten dan dranken

De dagelijkse voeding volledig vervangende levensmiddelen voor gewichtsbeheersing zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 609/2013

4,0 g/l voor dranken

40 g/kg voor andere producten dan dranken

Voeding voor medisch gebruik zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 609/2013

Overeenkomstig de bijzondere voedingsbehoeften van degenen voor wie de producten bestemd zijn

Voedingssupplementen zoals gedefinieerd in Richtlijn 2002/46/EG bestemd voor de algemene bevolking, met uitzondering van zuigelingen

4,0 g/dag

2)

In tabel 2 (Specificaties) wordt de volgende vermelding in alfabetische volgorde ingevoegd:

Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Specificaties

Mengsel van 2′fucosyllactose en difucosyllactose (“2′FL/DFL”)

(microbiële bron)

Omschrijving/definitie:

Mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose is een gezuiverd, wit tot gebroken wit amorf poeder dat door een microbieel proces wordt geproduceerd. Na het zuiveringsproces wordt het mengsel van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose door sproeidrogen geïsoleerd.

Bron: Een genetisch gemodificeerde stam van Escherichia coli K‐12 DH1

Kenmerken/samenstelling:

Uiterlijk: wit tot gebroken wit poeder of agglomeraat

Som van 2′‐fucosyllactose, difucosyllactose, lactose en fucose (% in droge stof): ≥ 92,0 gewichtspercent

Som van 2′‐fucosyllactose en difucosyllactose (% in droge stof): ≥ 85,0 gewichtspercent

2′‐fucosyllactose (% in droge stof): ≥ 75,0 gewichtspercent

Difucosyllactose (% in droge stof): ≥ 5,0 gewichtspercent

D-lactose: ≤ 10,0 gewichtspercent

L-fucose: ≤ 1,0 gewichtspercent

2′‐fucosyl-D-lactulose: ≤ 2,0 gewichtspercent

Som van andere koolhydraten  (*1): ≤ 6,0 gewichtspercent

Vochtgehalte: ≤ 6,0 gewichtspercent

Sulfaatas: ≤ 0,8 gewichtspercent

pH (20 °C bij een 5 %-oplossing): 4,0‐6,0

Resterende eiwitten: ≤ 0,01 gewichtspercent

Microbiologische criteria:

Kiemgetal aerobe mesofiele bacteriën: ≤ 1 000 kve/g

Enterobacteriaceae: ≤ 10 kve/g

Salmonella sp.: negatief/25 g

Gist: ≤ 100 kve/g

Schimmels: ≤ 100 kve/g

Resterende endotoxinen: ≤ 10 EU/mg

Kve: kolonievormende eenheden; EU: endotoxine-eenheden


(*1)  3′‐fucosyllactose, 2′‐fucosyl-galactose, glucose, galactose, mannitol, sorbitol, galactitol, trihexose, allo-lactose en andere structureel verwante koolhydraten.”.


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/69


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1980 VAN DE COMMISSIE

van 26 november 2019

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 november 2019.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).


BIJLAGE

“BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3 bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong  (1)

0207 12 90

Geslacht pluimvee van de soort Gallus domesticus, aanbiedingsvorm 65 %, bevroren

135,4

0

AR

0207 14 10

Delen zonder been, van pluimvee van de soort Gallus domesticus, bevroren

236,9

213,0

244,8

233,7

19

26

17

20

AR

BR

CL

TH

1602 32 11

Bereidingen van pluimvee van de soort Gallus domesticus, niet gekookt en niet gebakken

284,0

1

BR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).”


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/72


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1981 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2019

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 betreffende lijsten van derde landen en regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Europese Unie van slakken, gelatine, collageen en insecten voor menselijke consumptie is toegestaan

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (1), en met name artikel 127, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) 2017/625 zijn voorschriften vastgelegd voor officiële controles en andere controleactiviteiten die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uitvoeren om na te gaan of de wetgeving van de Unie op het gebied van onder andere voedselveiligheid wordt nageleefd in alle stadia van de productie, verwerking en distributie. Bij die verordening is met name vastgesteld dat bepaalde dieren en goederen de Unie alleen mogen binnenkomen uit derde landen of regio’s daarvan die zijn opgenomen in een daartoe door de Commissie opgestelde lijst.

(2)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 van de Commissie (2) vult Verordening (EU) 2017/625 aan wat betreft de voorschriften voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen uit derde landen of regio’s daarvan om te verzekeren dat zij voldoen aan de desbetreffende regels bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/625 of aan voorschriften waarvan erkend is dat zij daaraan ten minste gelijkwaardig zijn. In artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 zijn regels vastgesteld voor bepaalde dieren en goederen die alleen afkomstig mogen zijn uit derde landen of regio’s daarvan die zijn opgenomen in de in artikel 126, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde lijst. Naast de meer algemene voorschriften voor opname in de lijst die zijn vastgesteld in artikel 127, lid 3, van Verordening (EU) 2017/625, moeten derde landen of regio’s daarvan ook voldoen aan de voorschriften in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 om in de lijst te kunnen worden opgenomen.

(3)

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 van de Commissie (3) bevat lijsten of verwijzingen daarnaar van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen is toegestaan ter waarborging van de naleving van de voedselveiligheidsvoorschriften in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 en artikel 127, lid 3, van Verordening (EU) 2017/625. Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 is met ingang van 14 december 2019 van toepassing.

(4)

Krachtens artikel 12 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 is de binnenkomst in de Unie van zendingen slakken, zoals omschreven in punt 6.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 (4), onder bepaalde voorwaarden toegestaan, voor zover dergelijke zendingen afkomstig zijn uit derde landen of regio’s daarvan die zijn opgenomen in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626.

(5)

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 853/2004 mogen producten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van andere soorten voor menselijke consumptie bestemde slakken, alleen in de Unie worden ingevoerd indien het derde land of regio’s daarvan voorkomen op een in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 vastgestelde lijst.

(6)

In afwachting van opname in een dergelijke lijst overeenkomstig Verordening (EU) 2019/626, is de invoer van dergelijke slakken toegestaan op grond van artikel 3 van Verordening (EU) 2017/185 van de Commissie (5), dat voorziet in een afwijking in verband met gezondheidsvoorschriften voor de invoer van producten van dierlijke oorsprong die zijn vastgelegd in artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 853/2004 en dat van toepassing is tot en met 31 december 2020. Het is passend deze soorten slakken op te nemen in de in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 vastgestelde lijst van derde landen en regio’s daarvan om handelsverstoringen na 31 december 2020 te voorkomen.

(7)

Op 31 januari 2019 heeft Armenië verzocht om te worden opgenomen in de lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer in de Unie van voor menselijke consumptie bestemde slakken moeten toestaan. Armenië heeft garanties verstrekt betreffende de naleving van de voorschriften in artikel 127, lid 3, van Verordening (EU) 2017/625 en artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 om toelating te krijgen voor het binnenbrengen in de Unie van slakken. Armenië moet daarom worden opgenomen in de lijst van derde landen en regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van slakken is toegestaan, zoals vastgesteld in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626.

(8)

In artikel 14 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 wordt verwezen naar lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van gelatine en collageen is toegestaan. Op grond van artikel 14 is de binnenkomst in de Unie van gelatine en collageen afkomstig van runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen en van pluimvee enkel toegestaan als deze afkomstig zijn uit derde landen of regio’s daarvan die voor de invoer in de Unie van vers vlees van bepaalde hoefdieren en van pluimveevlees zijn goedgekeurd.

(9)

Op grond van artikel 14 is de binnenkomst in de Unie van dergelijke gelatine en dergelijk collageen ook beperkt op basis van veterinairrechtelijke voorschriften voor vers vlees. Die laatste beperkingen zijn niet passend omdat door het productieproces van gelatine en collageen de aanwezigheid van dergelijke gevaren voor de diergezondheid wordt uitgesloten. Voor de binnenkomst in de Unie van gelatine en collageen uit derde landen of regio’s daarvan moet derhalve een minder strenge aanpak worden gevolgd, die uitsluitend is gebaseerd op de naleving van de voorschriften voor binnenkomst in de Unie van dieren en goederen zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2017/625 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625.

(10)

In artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 wordt verwezen naar een lijst van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van insecten is toegestaan. Dat artikel verwijst naar derde landen en regio’s daarvan waaruit overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad (6) insecten zijn toegestaan en die zijn opgenomen in een lijst in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie (7). In artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 is echter niet voorzien in de specifieke identificatie van de derde landen en regio’s daarvan die een dergelijke toestemming hebben. Bijgevolg is het passend te verwijzen naar een concrete lijst van derde landen en regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van die insecten is toegestaan in een specifieke bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626. Derde landen en regio’s daarvan mogen alleen in de lijst voor binnenkomst in de Unie van insecten worden opgenomen als zij voldoende garanties bieden dat zij voldoen aan de vereisten van artikel 127, lid 3, van Verordening (EU) 2017/625 en artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625.

(11)

Op 8 oktober 2019 heeft Canada voldoende garanties verstrekt om toestemming te krijgen voor binnenkomst in de Unie van insecten.

(12)

Op 28 augustus 2019 heeft Zwitserland voldoende garanties verstrekt om toestemming te krijgen voor binnenkomst in de Unie van insecten.

(13)

Op 11 september 2019 heeft Zuid-Korea voldoende garanties verstrekt om een toestemming te krijgen voor binnenkomst in de Unie van insecten.

(14)

Canada, Zwitserland en Zuid-Korea moeten derhalve in de lijst worden opgenomen als derde land waaruit de binnenkomst in de Unie van insecten is toegestaan en artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

Aangezien Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 met ingang van 14 december 2019 van toepassing is, moet deze verordening ook met ingang van die datum van toepassing zijn om handelsverstoringen te voorkomen, met name bij het binnenbrengen in de Unie van zendingen gelatine en collageen.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt punt 17 vervangen door:

“17)

“slakken”: slakken zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 6.2, bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en andere voor menselijke consumptie bestemde soorten slakken van de familie Helicidae, Hygromidae of Sphinteriopilidae”.

2)

Artikel 12 wordt vervangen door:

Artikel 12

Lijst van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van slakken is toegestaan

De binnenkomst in de Unie van zendingen van voor menselijke consumptie bestemde slakken wordt enkel toegestaan als de zendingen afkomstig zijn uit derde landen of regio’s daarvan die worden vermeld in de lijst in bijlage III bij deze verordening.”.

3)

In artikel 14 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

“1.

De binnenkomst in de Unie van zendingen van voor menselijke consumptie bestemd(e) gelatine en collageen afkomstig van runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen wordt enkel toegestaan als de zendingen afkomstig zijn uit derde landen die worden vermeld in kolom 1 van bijlage II, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 206/2010 of uit Zuid-Korea, Maleisië, Pakistan of Taiwan.

2.

De binnenkomst in de Unie van zendingen van voor menselijke consumptie bestemd(e) gelatine en collageen afkomstig van pluimvee wordt enkel toegestaan als de zendingen afkomstig zijn uit in kolom 1 van de tabel in bijlage I, deel 1, bij Verordening (EG) nr. 798/2008 vermelde derde landen of regio’s daarvan of uit Taiwan.”.

4)

Artikel 20 wordt vervangen door:

Artikel 20

Derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van insecten is toegestaan

De binnenkomst in de Unie van zendingen voor menselijke consumptie bestemde insecten wordt enkel toegestaan als die levensmiddelen van oorsprong zijn en verzonden zijn uit derde landen of regio’s daarvan die zijn opgenomen in bijlage III bis bij deze verordening.”

5)

De bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 14 december 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/625 van de Commissie van 4 maart 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorwaarden voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen (PB L 131 van 17.5.2019, blz. 18).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/626 van de Commissie van 5 maart 2019 betreffende lijsten van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Europese Unie van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde dieren en goederen is toegestaan en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/759 wat deze lijsten betreft (PB L 131 van 17.5.2019, blz. 31).

(4)  Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55).

(5)  Verordening (EU) 2017/185 van de Commissie van 2 februari 2017 tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor de toepassing van een aantal bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004 en (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 29 van 3.2.2017, blz. 21).

(6)  Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie van 20 december 2017 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen (PB L 351 van 30.12.2017, blz. 72).


BIJLAGE

De bijlagen bij Verordening (EU) 2019/626 worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage III wordt de volgende vermelding ingevoegd tussen de vermelding voor Albanië en de vermelding voor Angola:

“AM

Armenië”

 

2)

De volgende bijlage III bis wordt ingevoegd:

“BIJLAGE III BIS

Lijst van derde landen of regio’s daarvan waaruit de binnenkomst in de Unie van de in artikel 20 genoemde insecten is toegestaan

ISO-code land

Derde land of regio’s daarvan

Opmerkingen

CA

Canada

 

CH

Zwitserland

 

KR

Zuid-Korea.”

 


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/77


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1982 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2019

tot onderwerping van de invoer van bepaalde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, aan registratie naar aanleiding van de heropening van het onderzoek ten einde uitvoering te geven aan het arrest van 20 september 2019 in zaak T-650/17, met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd.

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1), en met name artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Op 13 mei 2013 heeft de Raad Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (2) (“de definitieve verordening”) vastgesteld.

(2)

Op 12 juni 2013 heeft een medewerkende Chinese producent-exporteur, Jinan Meide Casting Co. Ltd (“Jinan Meide” of “verzoekster”), bij het Gerecht van de Europese Unie (“het Gerecht”) beroep tot nietigverklaring van de definitieve verordening ingesteld (3).

(3)

Op 30 juni 2016 heeft het Gerecht de definitieve verordening nietig verklaard voor zover daarbij een antidumpingrecht was ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, vervaardigd door Jinan Meide.

(4)

Op 28 juni 2017 heeft de Commissie na een nieuw onderzoek Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd (4), vastgesteld (“de litigieuze antidumpingverordening”).

(5)

Op 12 juli 2018 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat hulpstukken (fittings) van nodulair gietijzer (ook bekend als gietijzer met bolgrafiet) niet vallen onder het begrip “smeedbaar gietijzer” zoals omschreven in postonderverdeling 7307 19 10 van de GN. Het Hof van Justitie concludeerde dat hulpstukken (fittings) van nodulair gietijzer moeten worden ingedeeld onder restpost 7307 19 90 van de GN (als andere producten van ander ijzer). Op 14 februari 2019 maakte de Commissie Verordening (EU) 2019/262 (5) bekend, waarin de verwijzingen naar de Taric-codes zijn gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de conclusies van het Hof. Omdat antidumpingmaatregelen worden ingesteld op basis van de productomschrijving, ongeacht de tariefindeling, had deze wijziging geen gevolgen voor de productomschrijving onder de maatregelen.

(6)

Verzoekster is bij het Gerecht opgekomen tegen de litigieuze antidumpingverordening. Op 20 september 2019 heeft het Gerecht uitspraak gedaan in zaak T-650/17 betreffende de litigieuze antidumpingverordening (6).

(7)

Het Gerecht heeft de vier middelen van verzoekster onderzocht en drie daarvan ongegrond verklaard. Slechts één van de vier middelen is aanvaard. Volgens het Gerecht heeft de Commissie een onredelijke methode gehanteerd om de verschillen in fysieke kenmerken tussen de in het referentieland geproduceerde productsoorten en de uit de VRC uitgevoerde productsoorten tot uitdrukking te brengen. Bij gebrek aan gegevens over de binnenlandse productie in het referentieland heeft de Commissie gebruikgemaakt van het prijsverschil dat is geconstateerd voor de uitvoer van de verschillende productsoorten uit de VRC. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie er niet van mocht uitgaan dat prijzen die mogelijk worden beïnvloed door dumping, de grondslag kunnen vormen voor een redelijke raming van de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken, aangezien dergelijke prijzen mogelijk niet het resultaat van een normale marktwerking zijn. Bijgevolg heeft het Gerecht het antidumpingrecht voor verzoekster dat opnieuw was ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 van de Commissie betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd, nietig verklaard.

(8)

Na het arrest van het Gerecht heeft de Commissie bij een bericht (7) (“het bericht van heropening”) besloten het antidumpingonderzoek betreffende de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, dat tot de vaststelling van de litigieuze antidumpingverordening heeft geleid, ten dele te heropenen en te hervatten op het punt waarop de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden. De heropening is beperkt tot de uitvoering van het arrest van het Gerecht met betrekking tot Jinan Meide.

2.   GRONDEN VOOR REGISTRATIE

(9)

De Commissie heeft onderzocht of het passend is de invoer van het betrokken product te laten registreren. In dat verband hield zij rekening met het volgende. Artikel 266 VWEU bepaalt dat de instellingen de maatregelen moeten nemen die nodig zijn ter uitvoering van de arresten van het Hof en het Gerecht. Indien een door de instellingen in het kader van een bestuurlijke procedure, zoals een antidumpingonderzoek, vastgestelde handeling nietig wordt verklaard, kan aan een arrest van het Gerecht uitvoering worden gegeven door de nietig verklaarde handeling te vervangen door een nieuwe waarin de door het Gerecht vastgestelde onwettigheid wordt opgeheven (8).

(10)

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie mag de procedure ter vervanging van de nietig verklaarde handeling worden hervat op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (9). Dit houdt met name in dat wanneer een handeling tot afsluiting van een bestuurlijke procedure nietig wordt verklaard, de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op de voorbereidende handelingen, zoals die tot inleiding van de procedure. Wanneer een verordening tot instelling van definitieve handelsbeschermingsmaatregelen nietig wordt verklaard, betekent dit dat de procedure na de nietigverklaring nog hangende is, aangezien de handeling tot afsluiting van de procedure uit de rechtsorde van de Unie is verdwenen (10), tenzij de onwettigheid al in het stadium van de inleiding heeft plaatsgevonden.

(11)

Blijkens het bericht van heropening heeft de Commissie, nu de onwettigheid niet in het stadium van de inleiding maar tijdens het onderzoek heeft plaatsgevonden, besloten het antidumpingonderzoek te heropenen voor zover het Jinan Meide betreft en te hervatten op het punt waarop de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan, dat wil zeggen in de context van het oorspronkelijke onderzoek betreffende het tijdvak van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.

(12)

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen de hervatting van de administratieve procedure en het eventueel opnieuw instellen van rechten niet in strijd met het verbod van terugwerkende kracht worden geacht (11). Het bericht van heropening stelt belanghebbenden, met inbegrip van importeurs, ervan in kennis dat eventueel verschuldigde toekomstige rechten zullen voortvloeien uit de bevindingen van dit nieuwe onderzoek.

(13)

De Commissie zal op grond van de resultaten van het heropende onderzoek, die momenteel nog niet bekend zijn, een verordening vaststellen waarbij de door het Gerecht vastgestelde onregelmatigheid wordt gecorrigeerd en waarbij in voorkomend geval het toepasselijke recht opnieuw wordt ingesteld. Dit eventuele nieuwe recht zal gelden vanaf de datum waarop de litigieuze antidumpingverordening in werking is getreden.

(14)

Aangaande het verschuldigd zijn van vroegere of toekomstige antidumpingrechten moet het volgende worden opgemerkt.

(15)

Aangezien het onzeker is hoeveel rechten ten gevolge van het nieuwe onderzoek verschuldigd zullen zijn, verzoekt de Commissie de nationale douaneautoriteiten in het bericht van heropening de resultaten van het nieuwe onderzoek af te wachten voordat zij een besluit nemen over verzoeken om terugbetaling betreffende de antidumpingrechten met betrekking tot Jinan Meide die het Gerecht nietig heeft verklaard. De douaneautoriteiten moeten de behandeling van verzoeken om terugbetaling van de nietig verklaarde rechten dus uitstellen tot het resultaat van het nieuwe onderzoek is bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(16)

Mocht het heropende onderzoek ertoe leiden dat opnieuw antidumpingrechten worden ingesteld, dan moeten die rechten bovendien ook worden geïnd voor de periode waarin het heropende onderzoek liep. Dat is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat juridisch gegronde maatregelen daadwerkelijk toepassing vinden zolang zij van kracht zijn, ongeacht het tijdstip van invoer, d.w.z. voor of na de heropening van het onderzoek.

(17)

Dienaangaande merkt de Commissie op dat artikel 14, lid 5, van de antidumpingbasisverordening in registratie voorziet als een middel om ervoor te zorgen dat maatregelen naderhand kunnen worden toegepast op invoer vanaf de datum van registratie. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het garanderen van de betaling van rechten of in antiontwijkingszaken. In dit geval acht de Commissie het passend invoer die in verband staat met Jinan Meide te registreren teneinde in voorkomend geval de inning van antidumpingrechten na de heropening van het onderzoek te vergemakkelijken.

(18)

Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie (12) zij opgemerkt dat, anders dan bij registratie gedurende de periode vóór de instelling van voorlopige maatregelen, de voorwaarden van artikel 10, lid 4, van de antidumpingbasisverordening niet van toepassing zijn op het onderhavige geval. Registratie in de context van onderzoeken ter uitvoering van uitspraken van het Gerecht heeft immers niet tot doel de in die bepaling geregelde retroactieve inning van handelsbeschermingsrechten mogelijk te maken. De redenen voor de registratie zijn integendeel — zoals hiervoor reeds is gesteld — dat, om de doeltreffendheid van de maatregelen te garanderen, het passend is ervoor te zorgen dat op de invoer voor zover mogelijk de juiste antidumpingrechten worden geheven, zonder ongerechtvaardigde onderbreking tussen de datum van inwerkingtreding van de litigieuze antidumpingverordening en het eventuele opnieuw instellen van de gecorrigeerde rechten.

(19)

Op grond van een en ander meent de Commissie dat er redenen zijn voor registratie overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de antidumpingbasisverordening.

3.   REGISTRATIE

(20)

Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de antidumpingbasisverordening wordt de invoer van het betrokken product, vervaardigd door Jinan Meide met aanvullende Taric-code B336, onderworpen aan registratie, zodat ingeval het onderzoek ertoe leidt dat de maatregelen opnieuw worden ingesteld, op die invoer het passende bedrag aan antidumpingrechten kan worden geïnd.

(21)

Zoals in het bericht van heropening is aangegeven, zal het uiteindelijke bedrag aan eventueel verschuldigde antidumpingrechten vanaf de datum van inwerkingtreding van de litigieuze antidumpingverordening uit de bevindingen van het nieuwe onderzoek voortvloeien. Voor de periode tussen 2 december 2019 en de datum van inwerkingtreding van de resultaten van het heropende onderzoek zullen echter geen hogere rechten worden geïnd dan die welke zijn vastgesteld in de litigieuze antidumpingverordening. Op Jinan Meide is thans een antidumpingrecht van 39,2 % van toepassing,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De douaneautoriteiten nemen overeenkomstig artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1036 passende maatregelen om de invoer in de Unie van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 19 10 (Taric-code 7307191010) en ex 7307 19 90 (Taric-code 7307199010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd (aanvullende Taric-code B336), te registreren.

2.   De registratie wordt negen maanden na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening beëindigd.

3.   De antidumpingrechten die in de periode tussen de heropening van het onderzoek en de datum van inwerkingtreding van de resultaten van het heropende onderzoek kunnen worden geïnd bij de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 19 10 (Taric-code 7307191010) en ex 7307 19 90 (Taric-code 7307199010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd (aanvullende Taric-code B336), zijn niet hoger dan die welke zijn ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146.

4.   De nationale douaneautoriteiten wachten de bekendmaking van de uitvoeringsverordening van de Commissie tot het opnieuw instellen van de rechten af voordat zij een besluit nemen over het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van antidumpingrechten betreffende invoer die in verband staat met Jinan Meide Castings Co., Ltd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21; laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2018/825 van het Europees Parlement en de Raad op 7 juni 2018.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB L 129 van 14.5.2013, blz. 1).

(3)  Zaak T-424/13, Jinan Meide Casting/Raad.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 van de Commissie van 28 juni 2017 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd (PB L 166 van 29.6.2017, blz. 23).

(5)  PB L 44 van 15.2.2019, blz. 6.

(6)  ECLI:EU:T:2019:644.

(7)  Bericht van heropening van het onderzoek naar aanleiding van het arrest van 20 september 2019 in zaak T-650/17, met betrekking tot Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 van de Commissie van 28 juni 2017 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer en nodulair gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd (PB C …, van 29.11.2019 blz. …).

(8)  Arrest van het Hof van Justitie van 26 april 1988, Asteris AE e.a. en Helleense Republiek/Commissie, 97, 193, 99 en 215/86, Jurispr. 1988, blz. 2181, punten 27 en 28.

(9)  Arresten van het Hof van Justitie van 12 november 1998, Spanje/Commissie, C-415/96, Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31, en 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80-85; arresten van het Gerecht van 9 juli 2008, Alitalia/Commissie, T-301/01, Jurispr. 2008, blz. II-1753, punten 99 en 142, en 12 mei 2011, Région Nord-Pas de Calais/Commissie, T-267/08 en T-279/08, Jurispr. 2011, blz. II-1999, punt 83.

(10)  Arresten van het Hof van Justitie van 26 april 1988, Asteris AE e.a. en Helleense Republiek/Commissie, 97, 193, 99 en 215/86, Jurispr. 1988, blz. 2181, punten 27 en 28, 12 november 1998, Spanje/Commissie, C-415/96, Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31, en 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80-85; arresten van het Gerecht van 9 juli 2008, Alitalia/Commissie, T-301/01, Jurispr. 2008, blz. II-1753, punten 99 en 142, en 12 mei 2011, Région Nord-Pas de Calais/Commissie, T-267/08 en T-279/08, Jurispr. 2011, blz. II-1999, punt 83.

(11)  Arresten van het Hof van Justitie van 15 maart 2018, Deichmann, C-256/16, ECLI:EU:C:2018:187, punt 79, en 19 juni 2019, C & J Clark International, C-612/16, ECLI:EU:C:2019:508, punt 58.

(12)  Arresten van het Hof van Justitie van 15 maart 2018, Deichmann, C-256/16, ECLI:EU:C:2018:187, punt 79, en 19 juni 2019, C & J Clark International, C-612/16, ECLI:EU:C:2019:508, punt 58.


29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/82


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1983 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2019

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/39 wat de herverdeling van Uniesteun betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (1), en met name artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/39 van de Commissie (2) bevat regels voor onder meer de herverdeling van Uniesteun waarom niet is verzocht over de lidstaten die aan de schoolregeling deelnemen en die hebben meegedeeld meer dan hun indicatieve toewijzing te willen gebruiken. Voor de berekening van het bedrag van de indicatieve toewijzing dat aan een andere lidstaat kan worden toegewezen, moet worden uitgegaan van het niveau waarop die lidstaat de definitief toegewezen Uniesteun in het vorige schooljaar heeft benut. In het licht van de ervaring die in het kader van de schoolregeling is opgedaan, moeten de regels voor de berekening van de bedragen van de te herverdelen indicatieve toewijzing verder worden verduidelijkt. Om ervoor te zorgen dat de herverdeling van de Uniesteun uitgaat van zo actueel mogelijke gegevens, moet voor de berekening rekening worden gehouden met de gedeclareerde uitgaven die de lidstaten tot en met 31 december hebben verricht.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/39 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/39 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Voor de berekening van het bedrag van de indicatieve toewijzing dat overeenkomstig lid 1 aan een andere lidstaat kan worden toegewezen, wordt uitgegaan van het niveau waarop die lidstaat de definitief toegewezen Uniesteun voor schoolgroenten en ‐fruit, respectievelijk schoolmelk in het vorige schooljaar heeft benut. Rekening houdend met de overeenkomstig artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (*1) aan de Commissie toegezonden uitgavendeclaraties die betrekking hebben op uitgaven die tot en met 31 december van het jaar vóór de indiening van het verzoek om Uniesteun zijn verricht, wordt het bedrag van de definitieve toewijzing berekend als volgt:

a)

wanneer de definitieve toewijzing voor 50 % of minder is benut, wordt geen aanvullende toewijzing toegekend;

b)

wanneer de definitieve toewijzing voor meer dan 50 %, maar niet meer dan 75 % is benut, bedraagt de maximale aanvullende toewijzing niet meer dan 50 % van de indicatieve toewijzing;

c)

wanneer de definitieve toewijzing voor meer dan 75 % is benut, geldt geen bovengrens voor de maximale aanvullende toewijzing.

De in de eerste alinea beschreven berekening is niet van toepassing op lidstaten die de schoolregeling of een van de bestanddelen daarvan voor het eerst toepassen tijdens de eerste twee jaar van de toepassing van die regeling.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2019.

Voor de Commissie