|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
62e jaargang |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/1 |
Informatie over de datum van ondertekening en voorlopige toepassing van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië over de verlenging van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië, dat op 15 november 2019 afloopt
De Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië ondertekenden op 13 november 2019 in Brussel bovengenoemde overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Mauritanië over de verlenging van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Mauritanië, dat op 15 november 2019 afloopt.
De overeenkomst is derhalve conform artikel 6 voorlopig van toepassing met ingang van 16 november 2019.
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/2 |
Informatie over de datum van ondertekening en voorlopige toepassing van het protocol tot uitvoering van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Senegal
De Europese Unie en de Republiek Senegal hebben het protocol tot uitvoering van de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Senegal op 18 november 2019 ondertekend te Brussel.
Uit hoofde van artikel 16 van dat protocol wordt het voorlopig toegepast met ingang van 18 november 2019.
VERORDENINGEN
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/3 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1964 VAN DE COMMISSIE
van 26 november 2019
tot verlening van een vergunning voor L-lysine (base), vloeibaar, L-lysinemonohydrochloride, vloeibaar, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning krachtens Richtlijn 82/471/EEG van de Raad (2) is verleend. |
|
(2) |
Voor vloeibaar concentraat van L-lysine (base), vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat geproduceerd door fermentatie met Corynebacterium glutamicum werd op grond van Richtlijn 82/471/EEG bij Richtlijn 88/485/EEG van de Commissie (3) een vergunning zonder tijdsbeperking verleend. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn deze toevoegingsmiddelen voor diervoeding vervolgens als bestaande producten opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, juncto artikel 7, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn aanvragen ingediend voor de herbeoordeling van vloeibaar concentraat van L-lysine (base), vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat geproduceerd door fermentatie met Corynebacterium glutamicum als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten. Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn er ook aanvragen ingediend voor een vergunning voor vloeibaar concentraat van L-lysine (base), vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat, voor alle diersoorten. De krachtens artikel 7, lid 3, van die verordening vereiste nadere gegevens en documenten zijn bij de aanvragen verstrekt. |
|
(4) |
De aanvragen betreffen de verlening van een vergunning voor vloeibaar concentraat van L-lysine (base), vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten, in te delen in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen”. |
|
(5) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 11 september 2013 (4), 28 oktober 2014 (5), 10 maart 2015 (6), 16 juni 2015 (7), 2 december 2015 (8), 19 april 2016 (9), 28 november 2018 (10) , (11) en 3 april 2019 (12) geconcludeerd dat vloeibaar concentraat van L-lysine (base), geproduceerd door Escherichia coli FERM BP-10941, Escherichia coli FERM BP-11355, Corynebacterium glutamicum KCCM 11117P, Corynebacterium glutamicum NRRL B-50547, Corynebacterium glutamicum NRRL B-50775 en Corynebacterium glutamicum KCCM 10227, vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, geproduceerd door Escherichia coli FERM BP-10941 en Escherichia coli FERM BP-11355, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, geproduceerd door Escherichia coli FERM BP-10941, Escherichia coli FERM BP-11355, Escherichia coli CGMCC 3705, Escherichia coli CGMCC 7.57, Corynebacterium glutamicum NRRL B-50547, Corynebacterium glutamicum NRRL B-50775, Corynebacterium glutamicum KCCM 11117P en Corynebacterium glutamicum KCCM 10227, en L-lysinesulfaat, geproduceerd door Corynebacterium glutamicum KCCM 10227 en Corynebacterium glutamicum DSM 24990, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de consumentenveiligheid of het milieu hebben. De toevoegingsmiddelen die door genetisch gemodificeerde micro-organismen, met name door Corynebacterium glutamicum NRRL B-50547, worden geproduceerd, zijn slechts veilig indien het productieproces aldus wordt uitgevoerd dat er geen recombinant DNA van de productiestam in het eindproduct aanwezig is. De EFSA heeft ook verklaard dat de vier vormen van L-lysine moeten worden geacht gevaarlijk te zijn voor de gebruikers van de toevoegingsmiddelen, met name bij inademing ervan. Sommige van de vormen moeten ook als licht irriterend voor de ogen of als bijtend voor de huid en de ogen worden beschouwd. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de menselijke gezondheid te voorkomen, met name wat de gebruikers van de toevoegingsmiddelen betreft. De EFSA heeft tevens geconcludeerd dat de toevoegingsmiddelen voor alle diersoorten een doeltreffende bron van het aminozuur L-lysine zijn en dat de toevoegingsmiddelen tegen degradatie in de pens moeten worden beschermd om bij herkauwers en niet-herkauwers even doeltreffend te zijn. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethoden voor de toevoegingsmiddelen in diervoeding en water geverifieerd dat door het bij artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend. |
|
(6) |
De benamingen “vloeibaar concentraat van L-lysine (base)” en “vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride” moeten in “L-lysine (base), vloeibaar” en “L-lysinemonohydrochloride, vloeibaar” worden veranderd, aangezien het minimumgehalte aan L-lysine van deze toevoegingsmiddelen slechts 50 % respectievelijk 22 % bedraagt. |
|
(7) |
Uit de beoordeling van vloeibaar concentraat van L-lysine (base), vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat geproduceerd door fermentatie met Corynebacterium glutamicum spp of Escherichia coli spp, zoals vermeld in overweging 5, blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van deze stoffen moet daarom worden toegestaan zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening. |
|
(8) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor vloeibaar concentraat van L-lysine (base), vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat geproduceerd door fermentatie met Corynebacterium glutamicum vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe vergunningsvoorwaarden te voldoen. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Vergunningverlening
Voor de in de bijlage gespecificeerde stoffen, die tot de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “aminozuren, de zouten en de analogen daarvan” behoren, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. Vloeibaar concentraat van L-lysine (base), vloeibaar concentraat van L-lysinemonohydrochloride, L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver, en L-lysinesulfaat geproduceerd door fermentatie met Corynebacterium glutamicum, waarvoor bij Richtlijn 88/485/EEG van de Commissie een vergunning is verleend, en de die middelen bevattende voormengsels mogen tot en met 18 juni 2020 in de handel worden gebracht in overeenstemming met de regels die vóór 18 december 2019 van toepassing waren, en mogen worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. Voedermiddelen en mengvoeders die de in lid 1 beschreven stoffen bevatten en vóór 18 december 2020 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 18 december 2019 van toepassing waren, mogen in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, mits zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
3. Voedermiddelen en mengvoeders die de in lid 1 beschreven stoffen bevatten en vóór 18 december 2021 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 18 december 2019 van toepassing waren, mogen in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, mits zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 26 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 82/471/EEG van de Raad van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte producten (PB L 213 van 21.7.1982, blz. 8).
(3) Richtlijn 88/485/EEG van de Commissie van 26 juli 1988 tot wijziging van de bijlage bij Richtlijn 82/471/EEG van de Raad betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte producten (PB L 239 van 30.8.1988, blz. 36).
(4) EFSA Journal 2013;11(10):3365.
(5) EFSA Journal 2014;12(11):3895.
(6) EFSA Journal 2015;13(3):4052.
(7) EFSA Journal 2015;13(7):4156.
(8) EFSA Journal 2016;14(3):4346.
(9) EFSA Journal 2016;14(5):4471.
(10) EFSA Journal 2019;17(1):5532.
(11) EFSA Journal 2019;17(1):5537.
(12) EFSA Journal 2019;17(5):5697.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunning-houder |
Toevoegings-middel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode. |
Diersoort of -categorie |
Maxi-mum-leeftijd |
Minimum-gehalte |
Maximum-gehalte |
Andere bepalingen |
Einde van de vergunnings-periode |
||||||||||||||||||||||
|
mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
Categorie nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aminozuren, de zouten en de analogen daarvan. |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
3c320 |
- |
L-lysine (base), vloeibaar |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel: Waterige oplossing van L-lysine met een minimumgehalte aan L-lysine van 50 %. Karakterisering van de werkzame stof: L-lysine geproduceerd door fermentatie met Escherichia coli FERM BP-10941 of Escherichia coli FERM BP-11355 of Corynebacterium glutamicum KCCM 11117P of Corynebacterium glutamicum NRRL B-50547 of Corynebacterium glutamicum NRRL B-50775 of Corynebacterium glutamicum KCCM 10227. Chemische formule: NH2-(CH2)4-CH(NH2)-COOH CAS-nummer: 56-87-1 Analysemethoden (1): Voor de kwantificering van lysine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en voormengsels die meer dan 10 % lysine bevatten:
Voor de kwantificering van lysine in voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen:
Voor de kwantificering van lysine in water:
|
Alle soorten |
- |
- |
- |
|
18.12.2029 |
||||||||||||||||||||||
|
3c321 |
- |
L-lysinemonohydrochloride, vloeibaar |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel: Waterige oplossing van L-lysinemonohydrochloride met een minimumgehalte aan L-lysine van 22 % en een maximumvochtgehalte van 66 % (minimum 58 % L-lysine in de droge stof). Karakterisering van de werkzame stof: L-lysinemonohydrochloride geproduceerd door fermentatie met Escherichia coli FERM BP-10941 of Escherichia coli FERM BP-11355. Chemische formule: NH2-(CH2)4-CH(NH2)-COOH CAS-nummer: 657-27-2 Analysemethoden (1): Voor de identificatie van L-lysinemonohydrochloride in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van lysine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en voormengsels die meer dan 10 % lysine bevatten:
Voor de kwantificering van lysine in voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen:
|
Alle soorten |
- |
- |
- |
|
18.12.2029 |
||||||||||||||||||||||
|
3c322 |
|
L-lysinemonohydrochloride, technisch zuiver |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel: L-lysinemonohydrochloridepoeder met een minimumgehalte aan L-lysine van 78 % en een maximumvochtgehalte van 1,5 %. Karakterisering van de werkzame stof: L-lysinemonohydrochloride geproduceerd door fermentatie met Escherichia coli FERM BP-10941 of Escherichia coli FERM BP-11355 of Escherichia coli CGMCC 3705 of Escherichia coli CGMCC 7.57 of Corynebacterium glutamicum NRRL B-50547 of Corynebacterium glutamicum NRRL B-50775 of Corynebacterium glutamicum KCCM 11117P of Corynebacterium glutamicum KCCM 10227. Chemische formule: NH2-(CH2)4-CH(NH2)-COOH CAS-nummer: 657-27-2 Analysemethoden (1): Voor de identificatie van L-lysinemonohydrochloride in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van lysine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en voormengsels die meer dan 10 % lysine bevatten:
Voor de kwantificering van lysine in voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen:
Voor de kwantificering van lysine in water:
|
Alle soorten |
- |
- |
- |
|
18.12.2029 |
||||||||||||||||||||||
|
3c324 |
|
L-lysinesulfaat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel: Granulaat met een minimumgehalte aan L-lysine van 52 % en een maximumgehalte aan sulfaat van 24 %. Karakterisering van de werkzame stof: L-lysinesulfaat geproduceerd door fermentatie met Corynebacterium glutamicum KCCM 10227 of Corynebacterium glutamicum DSM 24990. Chemische formule: C12H28N4O4•H2SO4/[NH2-(CH2)4-CH(NH2)-COOH]2SO4 CAS-nummer: 60343-69-3 Analysemethoden (1): Voor de kwantificering van lysine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en voormengsels die meer dan 10 % lysine bevatten:
Voor de identificatie van sulfaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van lysine in voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen:
|
Alle soorten |
- |
- |
10 000 |
|
18.12.2029 |
||||||||||||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports
(2) Blootstelling berekend op basis van het endotoxinegehalte en het stofvormingspotentieel van het toevoegingsmiddel volgens de door de EFSA gebruikte methode (EFSA Journal 2018;16(10):5458); analysemethode: Europese farmacopee 2.6.14. (bacteriële endotoxines).
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/12 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1965 VAN DE COMMISSIE
van 26 november 2019
tot verlening van een vergunning voor natriummolybdaatdihydraat als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor schapen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2). |
|
(2) |
Overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG is een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor het gebruik van natriummolybdaat als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. Vervolgens is die stof overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van natriummolybdaatdihydraat als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor schapen. |
|
(4) |
De aanvrager heeft gevraagd natriummolybdaatdihydraat in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” in te delen. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd. |
|
(5) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 23 januari 2019 (3) geconcludeerd dat natriummolybdaatdihydraat onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen negatieve gevolgen voor de diergezondheid, de veiligheid van de consument of het milieu heeft. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het toevoegingsmiddel als irriterend voor de huid en de ogen wordt beschouwd. De Commissie is daarom van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid — en met name de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. Bovendien heeft de EFSA geconcludeerd dat de toevoeging van molybdeen in diervoeding voor schapen met natriummolybdaatdihydraat als doeltreffend wordt beschouwd om een adequaat evenwicht met koper te garanderen, wanneer de koper-molybdeenverhouding in het voer tussen 3 en 10 ligt. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook de verslagen over de analysemethode voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeding geverifieerd die door het uit hoofde van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium zijn ingediend. |
|
(6) |
Uit de beoordeling van natriummolybdaatdihydraat blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. |
|
(7) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de stof natriummolybdaatdihydraat vereisen, moet in een overgangsperiode worden voorzien waarin de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden om aan de nieuwe vergunningsvoorwaarden te voldoen. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlening van een vergunning
Voor de in de bijlage gespecificeerde stof, die behoort tot de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verbindingen van sporenelementen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. Natriummolybdaatdihydraat en voormengsels die die stof bevatten die vóór 18 juni 2020 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 18 december 2019 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. Voedermiddelen en mengvoeders die natriummolybdaatdihydraat bevatten en vóór 18 december 2020 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 18 december 2019 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, als zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
3. Voedermiddelen en mengvoeders die natriummolybdaatdihydraat bevatten en vóór 18 december 2021 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 18 december 2019 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, als zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 26 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).
(3) EFSA Journal 2019;17(2):5606.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunninghouder |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Andere bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||
|
Gehalte van het element (Mo) in mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
|||||||||||||||||||||
|
Categorie nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verbindingen van sporenelementen. |
|||||||||||||||||||||
|
3b701 |
- |
Natriummolybdaatdihydraat |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel: Natriummolybdaatdihydraat in poedervorm met een minimumgehalte van 37 % molybdeen. Karakterisering van de werkzame stof: Chemische formule: Na2MoO4. 2 H2O CAS-nummer: 10102-40-6 Analysemethoden (1): Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid molybdeen in het toevoegingsmiddel voor diervoeding, voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders:
Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid natrium in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
|
Schapen |
- |
- |
2,5 (totaal) |
|
18.12.2029 |
||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/eurl/feed-additives/evaluation-reports
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/15 |
VERORDENING (EU) 2019/1966 VAN DE COMMISSIE
van 27 november 2019
tot wijziging en rectificatie van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende cosmetische producten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (1), en met name artikel 15, lid 1, en artikel 15, lid 2, vierde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (2) voorziet in een geharmoniseerde indeling van stoffen als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting (CMR) op basis van een wetenschappelijke beoordeling door het Comité risicobeoordeling van het Europees Agentschap voor chemische stoffen. De stoffen worden ingedeeld als CMR van categorie 1A, CMR van categorie 1B, of CMR van categorie 2, afhankelijk van het bewijsniveau voor hun CMR-eigenschappen. |
|
(2) |
In artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1223/2009 is bepaald dat het gebruik in cosmetische producten van stoffen die als CMR van categorie 1A, categorie 1B of categorie 2 zijn ingedeeld in bijlage VI, deel 3, bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 (hierna “CMR-stoffen” genoemd) verboden is. Een CMR-stof mag echter in cosmetische producten worden gebruikt, indien aan de in artikel 15, lid 1, tweede zin, of artikel 15, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1223/2009 genoemde voorwaarden wordt voldaan. |
|
(3) |
Om het verbod op CMR-stoffen binnen de interne markt op uniforme wijze ten uitvoer te leggen, de rechtszekerheid te waarborgen, met name voor de marktdeelnemers en de nationale bevoegde instanties, en te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, moeten alle CMR-stoffen in de lijst van verboden stoffen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 worden opgenomen en, in voorkomend geval, uit de lijsten van stoffen waarvan het gebruik aan beperkingen is onderworpen of is toegestaan in de bijlagen III en V bij die verordening worden geschrapt. Indien aan de voorwaarden van artikel 15, lid 1, tweede zin, of artikel 15, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1223/2009 wordt voldaan, moeten de lijsten van stoffen waarvan het gebruik aan beperkingen is onderworpen of is toegestaan in de bijlagen III en V bij die verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Alle stoffen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 per 1 december 2018, de datum waarop Verordening (EU) 2017/776 van de Commissie (3) van toepassing werd, als CMR-stof zijn ingedeeld, zouden onder Verordening (EU) 2019/831 van de Commissie (4) komen te vallen. Deze verordening heeft betrekking op de stoffen die krachtens Verordening (EU) 2018/1480 van de Commissie (5), die met ingang van 1 mei 2020 van toepassing zal zijn, als CMR zijn ingedeeld. |
|
(5) |
Met betrekking tot de stof 2‐hydroxybenzoëzuur, met de INCI-naam (internationale nomenclatuur van cosmetische ingrediënten) Salicylic Acid, die als CMR van categorie 2 is ingedeeld, is een verzoek om toepassing van artikel 15, lid 1, tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1223/2009 ingediend en is vastgesteld dat aan de voorwaarde van die bepaling is voldaan. |
|
(6) |
Salicylzuur en zouten daarvan zijn momenteel onder referentienummer 3 opgenomen in de lijst in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 van conserveermiddelen waarvan het gebruik in cosmetische producten is toegestaan in een concentratie van maximaal 0,5 % (zuur). |
|
(7) |
Salicylic Acid is daarnaast onder referentienummer 98 opgenomen in de lijst in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 als aan beperkingen onderworpen stof die, bij gebruik voor andere doeleinden dan als conserveermiddel, alleen in een concentratie van maximaal 3,0 % in haarproducten die worden uitgespoeld en in een concentratie van maximaal 2,0 % in andere producten mag worden gebruikt. |
|
(8) |
Overeenkomstig artikel 15, lid 1, tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1223/2009 mag een stof die als CMR van categorie 2 is ingedeeld, in cosmetische producten worden gebruikt, indien zij door het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV) werd beoordeeld en voor gebruik in dergelijke producten veilig werd bevonden. |
|
(9) |
Op 21 december 2018 heeft het WCCV een wetenschappelijk advies over Salicylic Acid uitgebracht (6) (hierna “het WCCV-advies” genoemd), waarin op grond van de beschikbare gegevens werd geconcludeerd dat de stof bij gebruik als conserveermiddel in cosmetische producten in een concentratie van maximaal 0,5 % (zuur) en met inachtneming van de huidige beperkingen veilig is voor de consument. Het advies van het WCCV is niet van toepassing op mondproducten of op producten in sprayvorm die door inademing tot blootstelling van de longen van de consument kunnen leiden. |
|
(10) |
Het WCCV heeft ook geconcludeerd dat Salicylic Acid bij gebruik voor andere doeleinden dan als conserveermiddel en met inachtneming van de huidige beperkingen veilig is in een concentratie van maximaal 3,0 % in haarproducten die worden uitgespoeld en in een concentratie van maximaal 2,0 % in andere producten, behalve in bodylotion, oogschaduw, mascara, eyeliner, lippenstift en deodorant in rollers. Het advies van het WCCV is niet van toepassing op mondproducten of op producten in sprayvorm die door inademing tot blootstelling van de longen van de consument kunnen leiden. |
|
(11) |
Tot slot heeft het WCCV geconcludeerd dat Salicylic Acid irriterend is voor de ogen en ernstig oogletsel kan veroorzaken, en opgemerkt dat momenteel specifieke tests worden uitgevoerd om te beoordelen of salicylzuur hormoonontregelende eigenschappen heeft en dat, afhankelijk van het resultaat van deze tests, wellicht rekening moet worden gehouden met de mogelijke hormoonontregelende eigenschappen van salicylzuur in cosmetische producten. |
|
(12) |
Gezien de indeling van Salicylic Acid als CMR van categorie 2 en als irriterend voor de ogen en mogelijke veroorzaker van ernstig oogletsel, en gezien het advies van het WCCV moet de stof met inachtneming van de huidige beperkingen worden toegestaan als conserveermiddel in een concentratie van maximaal 0,5 % (zuur) in cosmetische producten, behalve in mondproducten en in toepassingen die door inademing tot blootstelling van de longen van de eindgebruiker kunnen leiden. Zij moet ook voor gebruik voor andere doeleinden dan als conserveermiddel worden toegestaan in een concentratie van maximaal 3,0 % in haarproducten die worden uitgespoeld en in een concentratie van maximaal 2,0 % in andere producten behalve bodylotion, oogschaduw, mascara, eyeliner, lippenstift en deodorantrollers. Gebruik in toepassingen die door inademing tot blootstelling van de longen van de eindgebruiker kunnen leiden, moet in geen geval worden toegestaan. Gezien de conclusie van het WCCV dat Salicylic Acid irriterend voor de ogen is, moet de huidige beperking en de voorwaarde dat de stof niet mag worden gebruikt in producten voor kinderen jonger dan drie jaar, met uitzondering van shampoos, worden aangepast en uitgebreid tot alle producten voor kinderen jonger dan drie jaar. De in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 vermelde beperkingen en de in bijlage V bij die verordening vermelde voorwaarden moeten dienovereenkomstig worden aangepast. |
|
(13) |
Voor alle andere stoffen die naast Salicylic Acid bij Verordening (EU) 2018/1480 zijn ingedeeld als CMR in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008 is geen verzoek voor uitzonderlijkerwijs gebruik in cosmetische producten ingediend. Momenteel is geen van die stoffen aan beperkingen onderworpen of toegestaan overeenkomstig bijlage III of bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1223/2009. Momenteel zijn vier van die stoffen opgenomen in de lijst in bijlage II bij die verordening. De stoffen die nog niet in de lijst in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 zijn opgenomen, moeten in die bijlage worden toegevoegd aan de lijst van stoffen die in cosmetische producten verboden zijn. |
|
(14) |
De stof 8‐hydroxychinoline; chinoline-8‐ol, met de INCI-naam Oxyquinoline, is bij Verordening (EU) 2017/776 ingedeeld als CMR van categorie 1B; het sulfaat ervan, de stof bis(8-hydroxychinolinium)sulfaat, met de INCI-naam Oxyquinoline Sulphate, is niet als CMR ingedeeld. De beide stoffen zijn onder referentienummer 395 opgenomen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 toen de indeling van Oxyquinoline als CMR van toepassing werd en mochten niet in cosmetische producten worden gebruikt, behalve onder de in vermelding 51 van bijlage III bij die verordening vastgestelde voorwaarden. Vanwege haar indeling als CMR had Oxyquinoline uit vermelding 51 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 moeten worden verwijderd. Bij Verordening (EU) 2019/831 is vermelding 51 echter per vergissing compleet geschrapt, inclusief de verwijzing ernaar in vermelding 395 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009. Om het verbod op het gebruik van Oxyquinoline in cosmetische producten op basis van de indeling als CMR-stof op de juiste wijze weer te geven, moet de vermelding met referentienummer 51 voor Oxyquinoline Sulphate opnieuw in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 worden ingevoerd en moet de vermelding met referentienummer 395 in bijlage II bij die verordening dienovereenkomstig worden aangepast. |
|
(15) |
De stof methylfenyleendiamine, met de INCI-naam Diaminotoluene, is bij Verordening (EU) 2019/831 als vermelding 1507 toegevoegd aan de lijst van verboden stoffen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009. Die vermelding betreft echter niet één specifieke stof, maar een groep stoffen waarvan alleen 4‐methyl-m-fenyleendiamine, 2‐methyl-m-fenyleendiamine en het mengsel en de reactiemassa van die twee stoffen krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 als CMR zijn ingedeeld. Van die CMR-stoffen zijn 4‐methyl-m-fenyleendiamine, 2‐methyl-m-fenyleendiamine en het mengsel van die twee stoffen al opgenomen in de lijst van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 onder de referentienummers 364, 413 en 1144, terwijl het gebruik in cosmetische producten van de reactiemassa van 4‐methyl-m-fenyleendiamine en 2‐methyl-m-fenyleendiamine nog niet verboden is. De vermelding met het referentienummer 1507 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 moet daarom worden gewijzigd en alleen op die stof van toepassing zijn. Aangezien de CMR-stoffen 4‐methyl-m-fenyleendiamine en 2‐methyl-m-fenyleendiamine evenals het mengsel en de reactiemassa van die stoffen daarnaast deel uitmaken van de bredere groep aan beperkingen onderworpen stoffen die onder referentienummer 9 in de lijst van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 is opgenomen, hadden de bijbehorende vermeldingen in bijlage II, waaronder de gewijzigde vermelding 1507, van vermelding 9 moeten worden uitgesloten. Vermelding 9 in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden aangepast. |
|
(16) |
Daarnaast zijn 19 stoffen of groepen stoffen die bij Verordening (EU) 2016/1179 van de Commissie (7), die op 1 maart 2018 van toepassing is geworden, als CMR zijn ingedeeld, per vergissing niet in Verordening (EU) 2019/831 opgenomen, hoewel voor die stoffen of groepen stoffen geen verzoek tot gebruik in cosmetische producten is ingediend. Momenteel is geen van die stoffen of groepen stoffen aan beperkingen onderworpen of toegestaan overeenkomstig bijlage III of bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1223/2009. 18 van die stoffen of groepen stoffen zijn momenteel niet opgenomen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 en moeten daarom in de lijst van in cosmetische producten verboden stoffen in die bijlage II worden opgenomen. Een van de stoffen, te weten dinatriumoctaboraat watervrij, behoort tot de groep stoffen die al onder vermelding 1396 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 is opgenomen en moet daarom in die vermelding worden opgenomen. De vermelding met referentienummer 1396 moet daarom dienovereenkomstig worden aangepast. |
|
(17) |
Verordening (EG) nr. 1223/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd. |
|
(18) |
De wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1223/2009 zijn gebaseerd op de indeling van de betrokken stoffen als CMR bij Verordening (EU) 2018/1480 en moeten daarom op dezelfde datum als die indelingen van toepassing worden. |
|
(19) |
Om te zorgen voor ononderbroken toepassing waarbij voor marktdeelnemers geen rechtsonzekerheid ontstaat, moet de correctie van de bij Verordening (EU) 2019/831 ingevoerde fout met betrekking tot de stof Oxyquinoline Sulphate met terugwerkende kracht van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van die verordening. |
|
(20) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor cosmetische producten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
Artikel 2
De bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 worden gerectificeerd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1 is van toepassing met ingang van 1 mei 2020.
Punt 1, onder a), en punt 2, onder b), van bijlage II zijn van toepassing met ingang van 11 juni 2019.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59.
(2) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(3) Verordening (EU) 2017/776 van de Commissie van 4 mei 2017 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang (PB L 116 van 5.5.2017, blz. 1).
(4) Verordening (EU) 2019/831 van de Commissie van 22 mei 2019 tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende cosmetische producten (PB L 137 van 23.5.2019, blz. 29).
(5) Verordening (EU) 2018/1480 van de Commissie van 4 oktober 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, en tot rectificatie van Verordening (EU) 2017/776 van de Commissie (PB L 251 van 5.10.2018, blz. 1).
(6) SCCS/1601/18, http://ec.europa.eu/health/sites/health/files/scientific_committees/consumer_safety/docs/sccs_o_223.pdf
(7) Verordening (EU) 2016/1179 van de Commissie van 19 juli 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang (PB L 195 van 20.7.2016, blz. 11).
BIJLAGE I
1)
Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 wordt als volgt gewijzigd:De volgende vermeldingen worden toegevoegd:
|
Referentienummer |
Identiteit van de stof |
||
|
Chemische benaming/INN |
CAS-nummer |
EG-nummer |
|
|
a |
b |
c |
d |
|
“1612 |
Fosmet (ISO); S-[(1,3-dioxo-1,3-dihydro-2H-isoïndool-2-yl)methyl]-O,O-dimethyldithiofosfaat; O,O-dimethyl-S-ftaalimidomethyldithiofosfaat |
732-11-6 |
211-987-4 |
|
1613 |
Kaliumpermanganaat |
7722-64-7 |
231-760-3 |
|
1614 |
2-benzyl-2-dimethylamino-4′-morfolinobutyrofenon |
119313-12-1 |
404-360-3 |
|
1615 |
Quizalofop-p-tefuryl (ISO); (+/–) tetrahydrofurfuryl (R)-2-[4-(6- chloorchinoxaline-2- yloxy)-fenyloxy]propionaat |
200509-41-7 |
414-200-4 |
|
1616 |
Propiconazool (ISO); (2RS,4RS;2RS,4SR)-1-{[2-(2,4-dichloorfenyl)-4-propyl-1,3-dioxolaan-2-yl]methyl}-1H-1,2,4-triazool |
60207-90-1 |
262-104-4 |
|
1617 |
Pinoxaden (ISO); 8-(2,6-diëthyl-4-methylfenyl)-7-oxo-1,2,4,5-tetrahydro-7H-pyrazolo[1,2-d][1,4,5]oxadiazepine-9-yl-2,2-dimethylpropanoaat |
243973-20-8 |
635-361-9 |
|
1618 |
Tetramethrin (ISO); (1,3-dioxo-1,3,4,5,6,7-hexahydro-2H-isoïndool-2-yl)methyl-2,2-dimethyl-3-(2-methylprop-1-een-1-yl)cyclopropaancarboxylaat |
7696-12-0 |
231-711-6 |
|
1619 |
(1,3,4,5,6,7-hexahydro-1,3-dioxo-2H-isoïndool-2-yl)methyl-(1R-trans)-2,2-dimethyl-3-(2-methylprop-1-enyl)cyclopropaancarboxylaat |
1166-46-7 |
214-619-0 |
|
1620 |
Spirodiclofen (ISO); 3-(2,4-dichloorfenyl)-2-oxo-1-oxaspiro[4.5]dec-3-een-4-yl-2,2-dimethylbutyraat |
148477-71-8 |
604-636-5 |
|
1621 |
Reactiemassa van 1-[2-(2-aminobutoxy)ethoxy]but-2-ylamine en 1-({[2-(2-aminobutoxy) ethoxy]methyl}propoxy)but-2-ylamine |
897393-42-9 |
447-920-2 |
|
1622 |
1-vinylimidazool |
1072-63-5 |
214-012-0 |
|
1623 |
Amisulbrom (ISO); 3-(3-broom-6-fluor-2-methylindool-1-ylsulfonyl)-N,N-dimethyl-1H-1,2,4-triazool-1-sulfonamide |
348635-87-0 |
672-776-4” |
2)
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 wordt als volgt gewijzigd:Vermelding 98 wordt vervangen door:
|
“98 |
Benzoëzuur, 2‐hydroxy‐ (1) |
Salicylic Acid |
69-72-7 |
200-712-3 |
a)Haarproducten die worden uitgespoeld b)Andere producten, behalve bodylotion, oogschaduw, mascara, eyeliner, lippenstift, deodorant in rollers |
a)3,0 % b)2,0 % |
Niet gebruiken in preparaten voor kinderen jonger dan drie jaar. Niet gebruiken in toepassingen die door inademing tot blootstelling van de longen van de eindgebruiker kunnen leiden. Niet gebruiken in mondproducten. Voor andere doeleinden dan om de ontwikkeling van micro-organismen in het product tegen te gaan. Dat doel moet blijken uit de aanbiedingsvorm van het product. |
Niet gebruiken bij kinderen jonger dan drie jaar (2) |
3)
Bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 wordt als volgt gewijzigd:Vermelding 3 wordt vervangen door:
|
Referentienummer |
Identiteit van de stof |
Voorwaarden |
Te vermelden gebruiksvoorwaarden en waarschuwingen |
|||||
|
Chemische benaming/INN |
Naam volgens de woordenlijst van gemeenschappelijke benamingen van ingrediënten |
CAS-nummer |
EG-nummer |
Producttype, lichaamsdelen |
Maximumconcentratie in het gebruiksklare product |
Andere |
|
|
|
a |
b |
c |
d |
e |
f |
g |
h |
i |
|
“3 |
Salicylzuur (3) en zouten daarvan |
Salicylic Acid Calcium Salicylate, Magnesium Salicylate, MEA-Salicylate, Sodium Salicylate, Potassium Salicylate, TEA-Salicylate |
69-72-7 824-35-1, 18917-89-0, 59866- 70-5, 54-21-7, 578-36-9, 2174-16-5 |
200-712-3 212-525-4, 242-669-3, 261-963-2, 200-198-0, 209-421-6, 218-531-3 |
|
0,5 % (zuur) 0,5 % (zuur) |
Niet gebruiken in producten voor kinderen jonger dan drie jaar. Niet gebruiken in mondproducten. Niet gebruiken in toepassingen die door inademing tot blootstelling van de longen van de eindgebruiker kunnen leiden. Niet gebruiken in producten voor kinderen jonger dan drie jaar, met uitzondering van shampoos. |
Niet gebruiken bij kinderen jonger dan drie jaar (4) Niet gebruiken bij kinderen jonger dan drie jaar (5) |
(1) Als conserveermiddel, zie bijlage V, nr. 3.
(2) Alleen voor producten die kunnen worden gebruikt voor kinderen jonger dan drie jaar.”.
(3) Voor andere doeleinden dan als conserveermiddel, zie bijlage III, nr. 98.
(4) Alleen voor producten die kunnen worden gebruikt voor kinderen jonger dan drie jaar.
(5) Alleen voor producten die eventueel voor kinderen jonger dan drie jaar worden gebruikt en lang met de huid in contact blijven.”.
BIJLAGE II
1)
Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 wordt als volgt gerectificeerd:|
a) |
vermelding 395 wordt vervangen door:
|
|||||||||||
|
b) |
vermelding 1396 wordt vervangen door:
|
|||||||||||||||
|
c) |
vermelding 1507 wordt vervangen door:
|
|||||||||||
|
d) |
de volgende vermeldingen worden toegevoegd:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
2)
Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 wordt als volgt gerectificeerd:|
a) |
vermelding 9 wordt vervangen door:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
b) |
de volgende vermelding wordt toegevoegd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
BESLUITEN
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/27 |
BESLUIT (EU) 2019/1967 VAN DE RAAD
van 25 november 2019
tot benoeming van een plaatsvervanger van het Comité van de Regio’s, voorgedragen door de Italiaanse Republiek
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien de voordracht van de Italiaanse regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. |
|
(2) |
In het Comité van de Regio’s is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Vito SANTARSIERO, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In het Comité van de Regio’s wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot plaatsvervanger benoemd:
|
— |
de heer Vito BARDI, Presidente della Regione Basilicata. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 25 november 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
F. MOGHERINI
(1) Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).
(2) Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).
(3) Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/28 |
BESLUIT (EU) 2019/1968 VAN DE COMMISSIE
van 2 augustus 2019
betreffende steunmaatregel SA.21445 — C42/2006 uitgevoerd door de Italiaanse Republiek voor de vergoeding van Poste Italiane voor de bij de Italiaanse Schatkist gedeponeerde tegoeden op lopende rekeningen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 5649)
(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen (1) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, en gezien hun opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Bij schrijven van 30 december 2005 heeft de Associazione Bancaria Italiana (“ABI” of “de klager”) bij de Commissie een klacht ingediend over verschillende maatregelen ten voordele van de bankactiviteiten van Poste Italiane SpA (“Poste Italiane” of “PI”). De Commissie werd er met name van in kennis gesteld dat Italië, op grond van een overeenkomst tussen de Italiaanse Republiek (“Italië”) en PI, voor de op PI’s lopende postrekeningen aangetrokken en bij de Italiaanse Schatkist (“Schatkist”) gedeponeerde financiële middelen als vergoeding een rente van ongeveer 4 % zou betalen, terwijl PI voor die lopende postrekeningen een rente van circa 1 % zou betalen (de “maatregel”). De spread tussen de depositorente (d.w.z. de rente die PI aan de houders van een lopende postrekening betaalt) en de kredietrente (d.w.z. de rente die PI van de Schatkist ontvangt voor de bij de Schatkist gedeponeerde financiële middelen) zou hoger zijn dan de desbetreffende spread “op de markt” en daarmee staatssteun vormen volgens de klager. |
|
(2) |
Bij schrijven van 7 februari 2006 heeft de Commissie Italië een aantal vragen gesteld over de voor lopende postrekeningen betaalde vergoedingen. Italië heeft deze vragen beantwoord in zijn brief van 21 april 2006. Op 30 maart 2006 had een bijeenkomst met Italië en PI plaats. |
|
(3) |
Bij brief van 26 september 2006 heeft de Commissie Italië in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van deze maatregel de procedure van artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) in te leiden. De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de maatregel te maken (2). |
|
(4) |
Bij beschikking van 16 juli 2008 (3) (hierna “het besluit van 2008” genoemd) heeft de Commissie geconcludeerd dat de door Italië betaalde vergoeding neerkwam op met de interne markt onverenigbare staatssteun, en de onverwijlde terugvordering daarvan gelast. |
|
(5) |
Op 4 december 2008 heeft PI bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van het besluit van 2008 ingesteld. |
|
(6) |
In zijn arrest van 13 september 2013 in zaak T‐525/08 (4) heeft het Gerecht het besluit van 2008 nietig verklaard (“het arrest van 2013”). |
|
(7) |
Op 30 oktober 2014 is op de website van de Commissie een openbare aanbesteding gepubliceerd (5) betreffende het opstellen van een verslag waarin voor de periode 2005-2007 de opbrengsten van mogelijke beleggingen van de financiële middelen die door PI zijn aangetrokken middels het aanbieden van lopende postrekeningen, worden geanalyseerd en vergeleken. |
|
(8) |
Op 19 december 2014 werd de opdracht gegund aan de universiteit van Perugia. Het verslag is in november 2015 afgerond. |
2. NADERE BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL EN VAN DE BEGUNSTIGDE
2.1. Poste Italiane
|
(9) |
PI is de verlener van universele postdiensten in Italië, die een dienst van algemeen economisch belang vervult, namelijk de verplichting tot het verrichten van universele postdiensten (6) overeenkomstig de tweede postrichtlijn (7) en de verordeningen inzake de universele postdienst. De dienst van algemeen economisch belang die aan PI is toevertrouwd, omvat momenteel geen financiële diensten. |
|
(10) |
Naast postdiensten als kerntaak levert PI geïntegreerde producten en communicatie-, logistieke en financiële diensten in geheel Italië. |
|
(11) |
De bankactiviteiten van PI worden beheerd via de volledig geïntegreerde divisie BancoPosta. |
|
(12) |
Tussen 2005 en 2007 was Italië met een belang van 65 % PI’s grootste aandeelhouder, terwijl Cassa Depositi e Prestiti (“CDP”) met een belang van 35 % minderheidsaandeelhouder was. CDP, dat aanvankelijk deel uitmaakte van de overheid, werd eind 2003 omgevormd tot een naamloze vennootschap. Ook na de overdracht van 30 % van het aandelenkapitaal van CDP aan 65 bankstichtingen (8) is CDP sinds 2003 echter steeds onder de zeggenschap van Italië blijven staan. Ten tijde van de uitvoering van de maatregel stond ook PI onder controle van Italië. |
2.2. De maatregel
|
(13) |
De maatregel die wordt beoordeeld, betreft de vergoeding voor de financiële middelen die Poste Italiane in de periode 2005-2007 heeft aangetrokken op lopende postrekeningen en bij de Schatkist heeft gedeponeerd. |
|
(14) |
De verplichting om financiële middelen te deponeren bij de Schatkist (“de depositoverplichting”) (9) werd opgenomen in wet nr. 266 van 23 december 2005 (10) (“de wet van 2005”), terwijl de betaling van de vergoeding werd geregeld middels een op 23 februari 2006 gesloten overeenkomst tussen Italië en PI (“de overeenkomst”). |
|
(15) |
Uitgaande van het decreet van 5 december 2003 (11) kan de relatie tussen PI en de Schatkist als volgt worden weergegeven:
|
|
(16) |
In de wet van 2005 was bepaald dat de aan PI te betalen rente voor de deposito’s bij de Schatkist aan de hand van marktparameters moest worden vastgesteld door Italië en PI. |
|
(17) |
Ingevolge de wet van 2005 omvatte de overeenkomst de concrete mechanismen voor de vaststelling van de rentevoeten voor een periode van drie jaar; de overeenkomst trad op 4 april 2006 in werking (12) met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005. De jaarlijkse rentevoet werd in essentie berekend als het gewogen gemiddelde van de opbrengst van Italiaanse staatsobligaties (13) met een looptijd van dertig jaar (80 %) en tien jaar (10 %) en van schatkistcertificaten met een looptijd van twaalf maanden (14) (10 %). De als referentie in de overeenkomst gebruikte jaarlijkse rentevoeten van de overheidseffecten en staatsobligaties werden verkregen op basis van het gewone gemiddelde van de 24 noteringswaarden op de 1e en 15e van elke maand door MTS SpA (het bedrijf dat het platform biedt voor de wholesale elektronische handel in Italiaanse staatsobligaties en andere effecten met een vaste looptijd). De bepaling die inhield dat de parameters om de 15 dagen werden bijgesteld, was derhalve debet aan het variabele karakter van de indexering. Bovendien kon PI in geval van significante veranderingen in de rentecurve (bijvoorbeeld een wijziging in de relatie tussen lange en korte rente) het berekeningsschema herzien. De overeenkomst kon door beide partijen worden opgezegd aan het eind van elk jaar, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. |
|
(18) |
De rente bedroeg in de jaren 2005, 2006 en 2007 respectievelijk 3,9 %, 4,25 % en 4,7 %. |
|
(19) |
De wet van 2005 werd door Italië gewijzigd bij wet nr. 296 van 27 december 2006 (“de wet van 2006”) (15), die voorzag in een nieuw beleggingskader: de eis dat PI moest overgaan tot deponering van de financiële middelen die zijn aangetrokken op de aan particulieren toebehorende (d.w.z. niet aan de overheid toebehorende) lopende postrekeningen, kwam te vervallen en die middelen moesten door PI worden belegd in staatsobligaties uit de eurozone (16). Krachtens de wet van 2006 werd het nieuwe beleggingskader in de loop van 2007 geleidelijk ingevoerd richting einde van dat jaar. |
2.3. Besluit van 2008
|
(20) |
De Commissie heeft in het besluit van 2008 geconcludeerd dat de maatregel die wordt beoordeeld (d.w.z. de krachtens de overeenkomst door de Schatkist aan PI te betalen vergoeding) neerkwam op met de interne markt onverenigbare staatssteun, en de onverwijlde en daadwerkelijke terugvordering daarvan gelast. |
2.3.1. Voorzichtige particuliere leningnemer
|
(21) |
Om in het besluit van 2008 vast te stellen of er sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, heeft de Commissie de op grond van de overeenkomst door de Schatkist aan PI betaalde rente (“de rente van de overeenkomst”) vergeleken met de marktrente die een voorzichtige particuliere leningnemer in een soortgelijke situatie zou hebben betaald (“de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente”). |
|
(22) |
Zoals toegelicht in overweging 119 van het besluit van 2008 zou een voorzichtige particuliere leningnemer bij het vaststellen van de vergoeding voor deposito’s met name de volgende factoren in aanmerking nemen:
|
|
(23) |
Ten aanzien van de brutobedragen van de gedeponeerde financiële middelen heeft de Commissie in het besluit van 2008 vastgesteld dat die in totaal 35 miljard EUR beliepen, een aanzienlijk bedrag van een enkele leninggever. De Commissie merkte evenwel op dat het deposito van PI bij de Schatkist eind 2005 slechts 2,8 % van het uitstaande bedrag aan overheidseffecten vertegenwoordigde. Bovendien overtrof in die periode de vraag het aanbod voor wat betreft de emissie van Italiaanse staatsobligaties. Er was derhalve geen enkele aanwijzing dat er op de markt een tekort was aan financiële middelen en dat het deposito van PI van essentieel belang was om een dergelijk tekort te ondervangen (overweging 124 van het besluit van 2008). |
|
(24) |
Wat de stabiliteit van de gedeponeerde middelen aangaat, was de Commissie van mening dat 10 % van de deposito’s van de lopende postrekeningen als volatiel en 90 % als stabiel kon worden beschouwd (overweging 133 van het besluit van 2008). |
|
(25) |
Met betrekking tot de gemiddelde gebruiksduur/looptijd van de deposito’s maakte de Commissie een onderscheid tussen actief vermogensbeheer, dat zonder het bestaan van de overeenkomst mogelijk zou zijn geweest, en het uit de depositoverplichting voortvloeiende passief vermogensbeheer. Een voorzichtige particuliere leningnemer zou hebben verwacht dat de depositoverplichting binnen hooguit vijf jaar zou zijn veranderd, en zou daarvan zijn uitgegaan bij het bepalen van de kredietrente. In een context van actief vermogensbeheer stelde de Commissie dat de gemiddelde looptijd van de totale hoeveelheid op lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen iets minder dan vijf jaar was. Een voorzichtige particuliere leningnemer zou de marktvergoeding van het stabiele deel van de deposito’s dan ook gebaseerd hebben op de opbrengst van een obligatie met een looptijd van vijf jaar (in plaats van de opbrengst bij tien of dertig jaar, zoals vereist door de overeenkomst). Ten aanzien van het volatiele deel van de deposito’s zou een voorzichtige particuliere leningnemer de vergoeding hebben gebaseerd op schatkistcertificaten met een looptijd van drie maanden (in plaats van de certificaten met een looptijd van twaalf maanden, zoals vereist door de overeenkomst). |
|
(26) |
Wat betreft de aan de deposito’s van lopende postrekeningen verbonden financiële risico’s, merkte de Commissie op dat het liquiditeitsrisico volledig werd gedragen door de leningnemer (d.w.z. de Schatkist) en niet door PI. Indien depositohouders hun geld van de lopende postrekeningen zouden afhalen, zou de Schatkist PI krachtens de overeenkomst hetzelfde bedrag aan financiële middelen moeten verschaffen. |
|
(27) |
De Commissie heeft geconcludeerd (overweging 178 van het besluit van 2008) dat de rente van de overeenkomst de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente te boven is gegaan met 1,09 % in 2005, 0,65 % in 2006 en 0,47 % in 2007. Bijgevolg besloot de Commissie dat de maatregel staatssteun vormde in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
2.3.2. Analyse van het beleggingsbeleid van PI als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan
|
(28) |
De Commissie heeft bij haar beoordeling uitvoerig gekeken naar de alternatieve beleggingsmogelijkheden die er volgens Italië voor PI zouden zijn als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan, met name de beleggingen van PI met de via haar verzekeringsactiviteiten aangetrokken financiële middelen, Poste Vita SpA en alternatieve strategieën voor actief vermogensbeheer. In dit verband heeft de Commissie onderzocht of deze alternatieve beleggingen PI even hoge of hogere rendementen zouden hebben opgeleverd, afgezet tegen het uit de overeenkomst voortvloeiende rendement. |
|
(29) |
De Commissie is tot de slotsom gekomen dat deze alternatieve beleggingen PI, vanuit een risico/rendementsperspectief bezien, niet even hoge of hogere rendementen zouden hebben opgeleverd, afgezet tegen het uit de overeenkomst voortvloeiende rendement. |
2.4. Nietigverklaring van het besluit van 2008: het arrest van 2013
|
(30) |
Het Gerecht heeft het besluit van 2008 nietig verklaard middels zijn arrest van 2013. |
|
(31) |
Volgens het Gerecht was het bestaan van een positief verschil tussen de rente van de overeenkomst en de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente ontoereikend om een voordeel voor PI aan te tonen. |
|
(32) |
Het Gerecht merkte op dat de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente door de Commissie was geschat op basis van de vier in overweging 22 van onderhavig besluit beschreven parameters. Binnen die context kwam het Gerecht tot de conclusie dat de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente geen marktrente vormde (17). |
|
(33) |
Het Gerecht merkte op dat, zelfs als de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente niet op het niveau van de marktrente zou zijn, PI enkel een voordeel zou genieten indien de rente van de overeenkomst hoger zou zijn dat het rendement dat PI redelijkerwijs zou hebben kunnen realiseren als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan. |
|
(34) |
Het Gerecht bepaalde dat de Commissie niet kon concluderen dat de maatregel een voordeel voor PI opleverde zonder actief aan te tonen dat PI, zonder het bestaan van de depositoverplichting, vergeleken met de rente van de overeenkomst geen hoger rendement had kunnen behalen door de deposito’s van de lopende postrekeningen te beleggen. |
|
(35) |
Het Gerecht kwam tot de slotsom dat de Commissie in het besluit van 2008 een overduidelijke fout had gemaakt door te concluderen dat de maatregel een voordeel voor PI opleverde op basis van het positieve verschil tussen de rente van de overeenkomst en de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente. |
|
(36) |
Het Gerecht was van oordeel dat de door de Commissie naar voren gebrachte redenen om de relevantie van de door Italië aangevoerde elementen aan te vechten, onvoldoende onderbouwd waren. |
|
(37) |
Het Gerecht merkte tevens op dat de Commissie bij haar beoordeling uitvoerig had gekeken naar de rendementen van de beleggingen van PI met de via haar verzekeringsactiviteiten aangetrokken financiële middelen en de rendementen in het kader van een strategie voor actief vermogensbeheer, en daarbij had geconcludeerd dat dergelijke alternatieve beleggingsstrategieën vanuit een risico/rendementsperspectief bezien, in de betreffende periode niet even hoge of hogere rentes zouden hebben opgeleverd, afgezet tegen de uit de overeenkomst voortvloeiende rente. |
|
(38) |
Het Gerecht onderzocht of de conclusie die de Commissie op basis van haar beoordeling van de door Italië voorgelegde alternatieve beleggingsstrategieën had getrokken, namelijk dat de maatregel staatssteun vormde, juist was. |
|
(39) |
Volgens het Gerecht waren de beheerskosten betreffende lopende postrekeningen en verzekeringsproducten niet relevant voor de vergelijking van de rendementen van de rente van de overeenkomst en die van alternatieve beleggingsstrategieën. Het Gerecht oordeelde dan ook dat de Commissie deze kosten ten onrechte had afgetrokken en dat de vergelijking tussen de rente van de overeenkomst en de rendementen waar die beheerskosten betreffende verzekeringsproducten van afgetrokken waren, niet relevant was voor de vraag of de maatregel al dan niet staatssteun vormde. |
|
(40) |
Wat de strategie voor actief vermogensbeheer betreft, stelde het Gerecht dat de Commissie geen zinvolle vergelijking kon maken tussen de rente van de overeenkomst en het rendement van een dergelijke strategie door in dit verband slechts een periode van drie jaar in ogenschouw te nemen, een periode die niet representatief was voor de via een strategie voor actief vermogensbeheer te behalen rendementen. |
|
(41) |
Het Gerecht stelde bovendien dat kapitaalwinst een belangrijke parameter van actief-vermogensbeheerstrategieën vormt en derhalve moet worden meegenomen in een analyse waarin wordt nagegaan of de maatregel verenigbaar is met de interne markt. De Commissie had aangevoerd dat de factor kapitaalwinst niet moest worden meegenomen in de analyse, aangezien die winst niet vooraf kon worden voorzien, dat die onzekere factor in mindering moest worden gebracht op rendementen behaald via een actief-vermogensbeheerstrategie en dat die rendementen daarom lager waren dan de rente van de overeenkomst of de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente. |
|
(42) |
Het Gerecht oordeelde dat het feit dat de rendementen behaald via de actief-vermogensbeheerstrategie, na aftrek van de kapitaalwinst zoals hierboven bedoeld, lager waren dat de rente van de overeenkomst, niet relevant was wanneer men wil nagaan of er sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(43) |
Volgens het Gerecht steunde de conclusie van de Commissie in het besluit van 2008 dat PI, als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan, niet even hoge rendementen had kunnen behalen als, of hogere rendementen had kunnen behalen dan, de rente van de overeenkomst, op verkeerde of onjuiste informatie. |
|
(44) |
Het Gerecht verklaarde het besluit van 2008 dan ook nietig. Tegen het arrest van 2013 werd geen beroep aangetekend. |
3. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
3.1. Opmerkingen van ABI
|
(45) |
In haar brief van 27 december 2006 heeft ABI de volgende opmerkingen gemaakt:
|
3.2. Opmerkingen van Italië
|
(46) |
In zijn brieven van 31 oktober 2006, 29 december 2006, 16 februari 2007, 30 maart 2007, 2 april 2007, 1 juni 2007, 27 november 2007, 29 februari 2008, 7 maart 2008 en 23 april 2008 heeft Italië op meerdere punten zijn zienswijze kenbaar gemaakt. |
|
(47) |
In de eerste plaats heeft Italië eraan herinnerd dat in de wet van 2005 en de overeenkomst was bepaald dat de aan PI uit te keren rente aan de hand van marktparameters moest worden vastgesteld. Volgens Italië vloeide uit die rente geen voordeel voort. |
3.2.1. Schommelingen in de bedragen van de op lopende postrekeningen aangetrokken, gedeponeerde financiële middelen
|
(48) |
In de tweede plaats heeft Italië aangevoerd dat lopende postrekeningen pas vanaf 2001 vergeleken zouden moeten worden met lopende bankrekeningen, toen het nieuwe product “Conto BancoPosta” werd ingevoerd. Vóór 2001 varieerden de bij de Schatkist gedeponeerde bedragen: zo was er in de tweede helft van de jaren 1990, met name in 1996 en 1997, bijvoorbeeld sprake van een aanzienlijke daling in de lopende-rekeningdeposito’s als gevolg van de vaststelling van wet nr. 662 van 23 december 1996, op grond waarvan de rekeningen die door de Schatkist werden gebruikt om de staatspensioenen te betalen, moesten worden opgeheven. Deze opheffing leidde tot een daling in de deposito’s van ongeveer 11 miljard EUR (vanaf 1 januari 1997). Vanwege externe politieke factoren en het feit dat PI destijds een openbare instelling was, is het volgens Italië lastig om de exacte oorzaak van deze schommelingen aan te geven. Na de omzetting van PI in een naamloze vennootschap in 1998 namen de bij de Schatkist gedeponeerde bedragen regelmatig en voortdurend toe. |
3.2.2. Aard van de overeenkomst
|
(49) |
Volgens Italië is de financiële relatie tussen de Schatkist en PI op transparante wijze in de overeenkomst geregeld. Enerzijds was de overeenkomst gezien de looptijd van drie jaar niet van onbepaalde duur; anderzijds gaf de overeenkomst beide partijen de mogelijkheid de overeenkomst op te zeggen wanneer de marktvoorwaarden van dien aard waren dat de systematische toepassing van het berekeningsmechanisme voor de vergoeding van het deposito niet meer gegarandeerd was. |
|
(50) |
Volgens Italië kon het uitgangspunt van een marktconforme rentevoet worden gerealiseerd door in de overeenkomst te kiezen voor een variabele rentevoet. Met name hield de variabele rentevoet een billijke rente in voor de Schatkist omdat die voet kosten voor de Schatkist met zich meebracht die in overeenstemming waren met de kosten van alternatieve financieringsbronnen, bv. de middellange- tot langetermijnschuld. |
|
(51) |
Italië voert aan dat PI sinds 2007 een behoedzame aanpak heeft gevolgd bij haar actieve vermogensbeheer die verschilt van die van de overeenkomst, omdat PI hierdoor een portefeuille kan samenstellen op basis van een plaatsing van activa die in overeenstemming is met de doelstellingen en financiële strategie van de onderneming. |
3.2.3. Wijzigingen in de wettelijke verplichting om financiële middelen bij de Schatkist te deponeren
|
(52) |
Italië heeft de Commissie ervan in kennis gesteld dat de wet op grond waarvan PI de op de lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen moet deponeren bij de Schatkist, in december 2006 is ingetrokken bij de wet van 2006. Overeenkomstig deze wet werden deze aan particulieren toebehorende middelen op lopende postrekeningen door PI belegd in staatsobligaties uit de eurozone (zie overweging 19). De bedoeling van de nieuwe wet was om PI meer financiële autonomie te geven. |
3.2.4. Stabiliteit van de op lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen
|
(53) |
Om zijn standpunt inzake de stabiliteit van de gedeponeerde middelen kracht bij te zetten, heeft Italië de resultaten van twee modellen overgelegd: de door PI uitgewerkte interne statistische modellen en het door PI en het adviesbureau […] uitgewerkte model om de prudentiële ontwikkeling van de op de lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen te identificeren. |
|
(54) |
De interne modellen waren gebaseerd op de analyse van de dagelijkse afwijkingen van de bedragen van deze middelen en de gemiddelde bedragen, waarbij enkel gebruik werd gemaakt van de historische ontwikkeling van de lopende rekeningen. De modellen laten een opwaartse trend zien in de bij de Schatkist gedeponeerde bedragen (de op de rekeningen van particulieren aangetrokken middelen vertegenwoordigen zo’n 75 % van de totale op lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen). Het stabiele deel van de deposito’s laat een opwaartse trend zien en is goed voor 90 % van het totale gemiddelde deposito (van 85 % in 2002 naar 92 % in 2006). De interne modellen omvatten ook een volatiel deel van de deposito’s, dat is gedaald naar ongeveer 10 %. |
|
(55) |
Het model […], dat volgens Italië zeer conservatief is, toonde aan dat de gebruiksduur van het totale aantal lopende postrekeningen niet overeenkomt met die van een afzonderlijke lopende postrekening. Als sommige cliënten inderdaad hadden besloten hun rekening van de ene dag op de andere te sluiten, zou het effect op de totale bedragen van de door PI aangetrokken middelen gering zijn vanwege het grote aantal cliënten, het feit dat het gemiddelde deposito op deze rekeningen klein is en het feit dat het verlies van de deposito’s van cliënten die weggaan, grotendeels wordt opgevangen door de deposito’s van nieuwe cliënten. |
|
(56) |
Het type prudentieel model dat door […] werd ontwikkeld, werd gebruikt door verscheidene Italiaanse banken in de context van hun actief beheer van liquiditeiten ten tijde van de overeenkomst om de gebruiksduur van hun lopende rekeningen te bepalen en om die duur vervolgens te gebruiken als basis voor een overeenkomstige beleggingsportefeuille als onderdeel van hun asset-liability management (“ALM”). Dat prudentiële model werd door PI gebruikt om de gebruiksduur van de op lopende postrekeningen (van particulieren (20)) aangetrokken financiële middelen te bepalen in de periode 2005-2006, toen PI verplicht was om al die middelen bij de Schatkist te deponeren (passief beheer van liquiditeiten), en in de periode na 1 januari 2007, waarin de op lopende postrekeningen van particulieren aangetrokken financiële middelen door PI werden en worden belegd in staatsobligaties uit de eurozone (actief beheer van liquiditeiten). |
3.2.4.1.
|
(57) |
Volgens Italië werd, tegen de achtergrond van het passieve beheer van de liquiditeiten van PI, met het model […] getracht de gebruiksduur van de door de interne modellen geïdentificeerde stabiele en volatiele delen van de deposito’s te kwantificeren op basis van de historische volatiliteit van lopende postrekeningen en het waarschijnlijke (d.w.z. op een probabilistisch model gebaseerde) gedrag van de rekeninghouders. Uit één model (21) viel af te leiden dat circa twee derde van de financiële middelen een zeer lange gebruiksduur had en een derde een gebruiksduur van nul tot tien jaar. De overeenkomstige beleggingsportefeuille zou dan ook een gemiddelde verblijfstijd van 4,1 jaar en een Macaulay duration (22) van 3,2 jaar hebben gehad. Volgens een ander model (23) heeft de overeenkomstige beleggingsportefeuille een gemiddelde verblijfstijd van 4,9 jaar en een Macaulay duration van 3,8 jaar (24). |
3.2.4.2.
|
(58) |
Volgens Italië ondersteunde het model […] in de context van actief beheer van de liquiditeiten van PI, de onderneming bij het bepalen van de optimale plaatsing van activa. Op basis van zeer voorzichtige hypothesen bleek dat het wat PI betreft, redelijk was een plaatsing van activa in te voeren met een gemiddelde verblijfstijd van vier tot vijf jaar. |
3.2.5. Kosten van lopende postrekeningen
|
(59) |
Met betrekking tot de kosten van het aantrekken en deponeren van financiële middelen die afkomstig zijn van lopende postrekeningen van cliënten van PI, geeft Italië aan dat het analytische boekhoudsysteem van PI de mogelijkheid biedt om de kosten van de activiteiten van PI als geheel vast te stellen, maar niet per product. Italië heeft verklaard dat de marges van PI lager waren dan de overeenkomstige marges in de banksector. |
3.2.6. Samenhang tussen de vergoeding op basis van de overeenkomst en de financieringskosten van de Schatkist
|
(60) |
Italië heeft verklaard dat PI op grond van de overeenkomst kon worden vergoed op basis van de opbrengsten van de staatsobligaties, het belangrijkste financieringsinstrument voor Italië. |
|
(61) |
Uit hoofde van de overeenkomst was het in het bijzonder toegestaan om PI te vergoeden op basis van langetermijnrentes, die aansloten bij de tijdsspanne van de op de lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen. Op basis van de overeenkomst was de Schatkist ook beschermd tegen ongunstige marktsituaties, doordat de overeenkomst kon worden opgezegd zodra die uit de pas zou gaan lopen met de kosten van alternatieve financieringsbronnen. |
|
(62) |
Op basis van een vergelijking tussen de in de overeenkomst voorziene rente en de financieringskosten van de Schatkist heeft Italië betoogd dat de kosten van middellange- tot langetermijnfinanciering van de Schatkist in overeenstemming waren met de in de overeenkomst vastgestelde rente. |
|
(63) |
Bovendien i) is het in de overeenkomst opgenomen vergoedingspercentage geïndexeerd aan parameters die aan de Italiaanse overheidsschuld zijn gekoppeld (overheidseffecten), die de beste referentie vormen voor de financieringskosten van de Schatkist; ii) maken de stabiliteit van de financiering, die bevestigd wordt door statistische modellen, en de depositoverplichting die PI heeft, de belegging voor het grootste gedeelte permanent (zonder inachtneming van specifieke veiligheidsmaatregelen, zoals de mogelijkheid van vroegtijdige opname of het feit dat de overeenkomst voor drie jaar is aangegaan, die de Schatkist beschermen tegen onvoorziene veranderingen in de markt), en iii) is het door de Schatkist gelopen liquiditeitsrisico beperkt gezien de bewezen stabiliteit van de financiering van de post, waarbij 10 % van deze financiering is geïndexeerd aan kortetermijnparameters. |
|
(64) |
Ten aanzien van het langetermijnelement van de kredietrente (90 %, samengesteld uit i) het percentage van 10 % dat is gekoppeld aan de opbrengst van Italiaanse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar, en ii) het percentage van 80 % dat is gekoppeld aan de opbrengst van Italiaanse staatsobligaties met een looptijd van dertig jaar) heeft Italië naar voren gebracht dat de depositoverplichting verschilde van een verplichting om rechtstreeks te beleggen in Italiaanse staatsobligaties, voor zover deze effecten vrij gekozen en beheerd konden worden. |
3.2.7. Overeenstemming met de markt van de aan PI betaalde vergoeding voor de bij de Schatkist gedeponeerde middelen van de lopende postrekeningen
|
(65) |
De kredietrente was in overeenstemming met de markt vanwege de lange gebruiksduur van de bij de Schatkist gedeponeerde financiële middelen, die te danken was aan de tijdmatig gezien onbeperkte depositoverplichting en de stabiliteit van de op de lopende postrekeningen van PI’s cliënten aangetrokken en bij de Schatkist gedeponeerde financiële middelen. Daarnaast was Italië van mening dat de depositoverplichting PI ervan weerhield een actief, en in aanleg profijtelijker, beheer van de financiële middelen te voeren. Italië voert aan dat PI, als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan, 10 % van haar liquiditeiten had kunnen beleggen in kortlopende en 90 % in langlopende effecten. |
|
(66) |
Voor wat betreft de overeenstemming met de markt van de aan PI betaalde rente, heeft Italië het advies van de accountants van PI en administratieve brieven van particuliere banken en consultants doen toekomen. De accountants van PI hebben verklaard dat de op de lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen vanwege hun kenmerken en groeicijfers stabiel waren. Particuliere banken en consultants (25) waren het erover eens dat de door PI behaalde winsten op op lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen die bij de Schatkist zijn gedeponeerd, gelijk waren aan de marktwinsten die PI had kunnen maken door toepassing van passende beleggings- en risicobeheerstrategieën. |
3.2.7.1.
|
(67) |
Italië is van mening dat de door PI behaalde vergoeding op de bij de Schatkist gedeponeerde financiële middelen in overeenstemming was met de door Poste Vita behaalde vergoeding op haar belegde financiële middelen. Italië voert aan dat levensverzekeringspolissen vergelijkbaar zijn met lopende postrekeningen en dat de gemiddelde rente op de belegde opbrengst van deze producten (bv. Posta Più) 4,68 % was voor de periode 2002-2006, wat overeenstemt met het percentage van 4,55 % uit hoofde van de overeenkomst. |
|
(68) |
Italië is voorts van mening dat lopende postrekeningen en levensverzekeringspolissen vergelijkbare financiële producten waren, omdat postrekeningen weliswaar kortlopende producten zijn, maar de facto gelijk zijn aan financiële instrumenten met middellange looptijd, met een minimaal gegarandeerd(e) kapitaal en rendement. |
3.2.7.2.
|
(69) |
Volgens Italië was de ALM-strategie van La Banque Postale (Frankrijk) tijdens de beoordelingsperiode gebaseerd op een statistisch model dat vergelijkbaar was met het door PI gebruikte model. |
|
(70) |
Dat statistisch model identificeert de stabiele en volatiele financiële middelen die zijn aangetrokken op de lopende postrekeningen. De stabiele middelen zijn belegd in staatsobligaties uit de OESO-zone, de volatiele middelen in kortlopende instrumenten. Op basis van dit model was het rendement op de belegging van de lopende rekeningen van La Banque Postale in 2005 4,4 % (tegen 3,9 % zoals voorzien in de overeenkomst). |
|
(71) |
Meer bepaald bleek uit het voorbeeld van La Banque Postale dat met beleggingen hogere rendementen kunnen worden behaald dan die waar de overeenkomst van uitging, door uit te gaan van een prudentieel ALM met een gemiddelde gebruiksduur van vijf jaar. |
3.2.7.3. )
|
(72) |
Teneinde aan te tonen dat de in de overeenkomst vastgestelde vergoeding PI geen voordeel heeft opgeleverd, heeft Italië de Commissie een door […] verrichte studie doen toekomen. |
|
(73) |
De studie van […] bevatte de volgende analyse:
|
|
(74) |
Wat betreft de vergelijking tussen de vergoeding voor de deposito’s bij de Schatkist en de door actief-vermogensbeheerstrategieën geboden vergoeding, heeft Italië toegelicht dat zo’n vergelijking moet worden gemaakt over een voldoende brede tijdsspanne (tien jaar) zodat een volledige economische cyclus in aanmerking wordt genomen. Om deze reden vergeleek […] het rendement in de overeenkomst met het rendement uit alternatieve strategieën over een periode van tien jaar in plaats van een kortere periode. Bij groeiende rentes leveren vastrentende portefeuilles doorgaans minder op dan variabelrentende portefeuilles, terwijl bij afnemende rentes het omgekeerde gebeurt. |
|
(75) |
Volgens Italië kunnen over een periode van tien jaar op variabele rente gebaseerde beleggingsportefeuilles vergeleken worden met op een vaste rente gebaseerde beleggingsportefeuilles omdat kapitaalwinst en kapitaalverlies elkaar compenseren. Het totale rendement van variabelrentende portefeuilles is over een periode van tien jaar feitelijk in overeenstemming met het rendement van vastrentende portefeuilles. Actief vermogensbeheer geeft overduidelijk betere rendementen dan passieve (“parameter”-)beleggingen zoals die in het kader van de overeenkomst (het rendement van de door […] gebruikte benchmark met een gebruiksduur van vijf jaar is bijvoorbeeld in overeenstemming met het rendement op grond van de overeenkomst, waarvan de looptijd veel langer is). |
|
(76) |
Bovendien moet de Commissie volgens Italië een onderscheid maken tussen kortetermijnrisico en langetermijnrisico. Hoewel het juist is dat de waarde van de vastrentende effecten met een gebruiksduur van tien jaar op korte termijn sterk kan variëren, geven vastrentende obligaties over de volledige periode van tien jaar een rendement dat zeer betrouwbaar (want vast) is. Al bij al is het rendement van vastrentende portefeuilles over een periode van tien jaar doorgaans in overeenstemming met het rendement van variabelrentende portefeuilles, waarbij moet worden aangetekend dat de variabelrentende portefeuilles feitelijk meer risicogevoelig zijn (omdat ze onderhevig zijn aan jaarlijkse veranderingen in de renteopbrengst). |
|
(77) |
Bovendien bieden echt alternatieve beleggingsstrategieën die flexibel zijn en gebaseerd kunnen worden op allerlei financiële instrumenten die op de markt voorhanden zijn, meer kans op betere resultaten dan passieve beleggingen zoals die op grond van de overeenkomst. |
|
(78) |
Voorts heeft Italië benadrukt dat de toekomstige tendensen van de rente niet bekend waren ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst met de Schatkist. De keuze voor variabele parameters in de overeenkomst was volgens Italië economisch rationeel omdat dit voor beide partijen billijk was: PI en de Schatkist. De optie om de overeenkomst na drie jaar te herzien en die jaarlijks te beëindigen bood beide partijen de mogelijkheid zich uit de overeenkomst terug te trekken wanneer de vergoeding gelet op ontwikkelingen in de marktrente niet langer billijk of conform zou zijn. |
|
(79) |
De studie van […] laat ook zien dat de depositoverplichting alternatieve kosten en risico’s voor PI creëerde door vernauwing van het spectrum van haar beleggingsmogelijkheden. Het deposito bij de Schatkist was uitsluitend gekoppeld aan het kredietrisico van Italië, waardoor PI geen gediversifieerde beleggingskansen kon zoeken op de markt van de staatsobligaties van landen uit de eurozone. Bovendien was dat kredietrisico samengesteld uit het liquiditeitsrisico, dat werd veroorzaakt door het langetermijnkarakter van het deposito zonder het recht om vervroegd af te kopen. |
|
(80) |
Italië is van mening dat de vergelijkbaarheid van het mechanisme van de overeenkomst (gebaseerd op variabele rente) en de door […] gebruikte kwantitatieve modellen die de voordelen van actief vermogensbeheer (gebaseerd op vaste rente) willen bewijzen, gerechtvaardigd is aangezien het de gebruikelijke praktijk is van marktdeelnemers die handelen in obligaties, en sinds 2007 ook van PI, om te beleggen in vastrentende effecten. Italië voert tevens aan dat bij de analyse van de vergelijking tussen het mechanisme van de overeenkomst en de door RBS gebruikte kwantitatieve modellen moet worden uitgegaan van de vergelijking tussen passief en actief vermogensbeheer, en niet van een vergelijking tussen twee vergoedingsmechanismen die zijn gebaseerd op vaste en variabele rentevoeten. |
|
(81) |
Tot slot voert Italië aan dat het mechanisme van de overeenkomst, dat is gebaseerd op een kortermijnvergoeding voor de volatiele component van de bij de Schatkist gedeponeerde financiële middelen, het werkelijke door de Schatkist gedragen liquiditeitsrisico naar behoren inschat. |
3.2.8. Commentaar op de opmerkingen van ABI
|
(82) |
Volgens Italië kan de rente op het deposito bij de Schatkist geen kortetermijnrente (bv. rente van schatkistcertificaten met een looptijd van twaalf maanden) zijn vanwege de stabiliteit van de deposito’s. |
|
(83) |
Italië heeft aangegeven dat uitgaan van 2005 als referentiejaar (zoals ABI heeft gedaan) tot een ondeugdelijke analyse leidt, omdat 2005 het jaar was waarin de rente op kortlopende schatkistcertificaten het laagst was. |
|
(84) |
Voor wat betreft de door ABI gemaakte vergelijking met de door CDP verkregen vergoeding op de bij de Schatkist gedeponeerde liquiditeiten (een vergoeding gelijk aan een variabele rente op zes maanden, berekend als het gewone rekenkundige gemiddelde van het brutorendement van schatkistcertificaten op zes maanden en de maandelijkse Rendistato-index), is Italië van mening dat CDP niet kan worden vergeleken met PI, aangezien dit een ander bedrijf is met (een) ander(e) structuur, activiteiten, bedrijfsdoelstelling, bedrijfsvoering, organisatie en beleggingsbeleid. Voorts voert Italië aan dat ABI zichzelf tegenspreekt wanneer zij betoogt dat de bij de Schatkist gedeponeerde liquiditeiten van PI moeten worden vergoed aan de hand van kortetermijnparameters, aangezien de maandelijkse Rendistato-index een middellange- tot langetermijnrente vertegenwoordigt. |
|
(85) |
Daarnaast stelt Italië dat het vanwege het unieke karakter van de deposito’s bij de Schatkist moeilijk was één enkel vervangend instrument aan te wijzen. Vanwege de stabiliteit van de lopende postrekeningen kon de deponering van deze financiële middelen bij de Schatkist echter wel grotendeels worden vergeleken met de door middel van langlopende effecten aangetrokken financiële middelen. Door de stabiliteit van de lopende postrekeningen werd een vergelijking met kortlopende schatkistcertificaten (twaalf maanden) irrelevant. |
4. BEOORDELING VAN DE MAATREGEL
4.1. De vraag of er sprake is van steun
|
(86) |
Om te kunnen bepalen of een maatregel al dan niet steun uitmaakt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, moet de Commissie bepalen i) of de maatregel wordt verleend door de staat of met staatsmiddelen wordt bekostigd; ii) of de maatregel een economisch voordeel oplevert; iii) of de maatregel de mededinging kan vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties, en, tot slot, iv) of de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Een maatregel vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU als al deze voorwaarden zijn vervuld. |
|
(87) |
Het Gerecht heeft het besluit van 2008 nietig verklaard middels zijn arrest van 2013. Het Gerecht oordeelde met name dat de Commissie een overduidelijke fout had gemaakt door te concluderen dat de maatregel staatssteun vormde, op basis van het positieve verschil tussen de rente van de overeenkomst en de door de voorzichtige particuliere leningnemer te betalen rente. Om aan te tonen dat de maatregel inderdaad een dergelijk economisch voordeel oplevert, had de Commissie duidelijk moeten aantonen dat PI, zonder het bestaan van de depositoverplichting, redelijkerwijs geen rendement had kunnen behalen dat hoger is dan of gelijk is aan de rente van de overeenkomst, door de deposito’s van de lopende postrekeningen op de markt te beleggen. |
|
(88) |
Bij deze beoordeling wordt dan ook nagegaan of een economisch voordeel is verleend; is zulks niet het geval, dan vormt de maatregel geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(89) |
De Commissie is van mening dat het risico van de beleggingen en de interacties daarvan met de risico’s die voortvloeien uit de passiva van PI (d.w.z. de totale deposito’s van de cliënten) naar behoren, en vanuit een geïntegreerd ALM-perspectief, in aanmerking moeten worden genomen bij de vergelijking tussen de overeenkomst en de alternatieve beleggingsmogelijkheden voor PI als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan. Vervolgens zou de vergelijking gemaakt moeten worden tussen ofwel het rendement op grond van de overeenkomst en het rendement van beleggingen met eenzelfde risiconiveau als dat van de overeenkomst, ofwel tussen rendementen die voor risico’s zijn aangepast. |
|
(90) |
De Commissie wijst er ook op dat de analyse van het eventuele voordeel dat PI op grond van de overeenkomst geniet, ex ante moet worden verricht. De rendementen uit de alternatieve beleggingen moeten worden geschat op basis van de informatie waarover de partijen beschikten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. |
|
(91) |
De Commissie heeft eerst de door Italië ingediende vergelijkingen tegen het licht gehouden zoals samengevat in punt 3.2.7. Italië voerde aan dat de alternatieve beleggingsmogelijkheden voor PI als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan, even hoge of hogere rendementen zouden hebben opgeleverd als resp. dan de overeenkomst en dat hieruit bleek dat de overeenkomst geen enkel voordeel voor PI met zich meebracht. De Commissie oordeelde dat ten aanzien van deze voorgelegde alternatieve beleggingen niet is bewezen dat ze vanuit risicoperspectief bezien vergelijkbaar zijn met de overeenkomst. Ze kunnen dan ook geen uitgangspunt vormen voor de door het Gerecht beschreven beoordeling, aangezien aan de hand hiervan geen zinvolle conclusie kan worden getrokken over het wel of niet bestaan van een voordeel voor PI op grond van de overeenkomst.
|
|
(92) |
Voorts heeft Italië aangevoerd dat het niet-bestaan van enig voordeel ex ante voor PI voortvloeide uit de — voor PI en de staat bestaande — mogelijkheid om de overeenkomst jaarlijks te beëindigen wanneer de vergoeding niet langer billijk zou zijn (zie overweging 78). De Commissie was evenwel van mening dat deze mogelijkheid op zich geen potentieel voordeel voor PI uitsloot. De mogelijkheid had geen betrekking op het eerste jaar en in de jaren daarna was Italië niet verplicht van die mogelijkheid gebruik te maken, zelfs niet als dat wel passend zou zijn geweest. |
|
(93) |
Gelet op het voorgaande concludeerde de Commissie dat de door Italië aangevoerde argumenten onvoldoende materiaal verschaffen op basis waarvan een zinvolle conclusie kan worden getrokken over het wel of niet bestaan van een voordeel voor PI op grond van de overeenkomst. Vervolgens verrichte de Commissie de door het Gerecht in deze zaak beschreven beoordeling. Hiertoe maakte de Commissie een schatting van de verwachte rendementen/risico’s van een brede reeks alternatieve beleggingsstrategieën die zonder het bestaan van de depositoverplichting voorhanden zouden zijn. Voor de technische ondersteuning op dit vlak selecteerde de Commissie via een openbareaanbestedingsprocedure de universiteit van Perugia, waarvan de deskundigen in november 2015 een verslag hebben uitgebracht (“het deskundigenverslag”). |
4.2. Samenvatting van het deskundigenverslag
|
(94) |
In het deskundigenverslag wordt de belegging onderzocht die door PI is gedaan in het kader van de depositoverplichting en waarvan het rendement wordt geregeld door de overeenkomst, alsmede potentiële alternatieve strategieën voor beleggingen op de markt, die PI in de periode 2005-2007 zonder het bestaan van de depositoverplichting had kunnen overwegen voor de via lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen. In het verslag wordt ook een schatting gemaakt van de respectievelijke risico‐/rendementsprofielen, waarbij uitsluitend is uitgegaan van de informatie waarover PI beschikte ten tijde van de belegging. |
|
(95) |
In het verslag wordt gesimuleerd hoe de passiva van PI (d.w.z. de deposito’s) zich naar verwachting zullen ontwikkelen. Aangezien die passiva vorderingen van depositohouders zijn, kan PI enkel middelen beleggen die niet door die houders worden opgenomen. Daarom maken de deskundigen een schatting van de zogeheten passivapatronen (“PP”), die de hoeveelheid financiële middelen waarover PI naar verwachting kan beschikken over een bepaalde periode en welke PI dus kan beleggen, in modelvorm presenteren. Voor die schattingen wordt in het deskundigenverslag onderscheid gemaakt tussen de stabiele en de volatiele componenten van de passiva. Enkel de stabiele componenten kunnen worden belegd in activa met korte of lange looptijd volgens het geschatte PP. |
|
(96) |
In het verslag worden twee passivapatronen — PP1 en PP2 — onder de loep genomen, die verschillen in de wijze waarop wordt omgegaan met de stabiele component van de deposito’s (d.w.z. het deel dat volgens de aannames in het model niet wordt opgenomen in de komende dertig jaar). In beide scenario’s wordt in het verslag aangenomen dat de totale hoeveelheid aangetrokken financiële middelen mettertijd zal afnemen wegens de opname van deposito’s op de lopende rekeningen. In PP1 worden uitgaande deposito’s met een gemodelleerde looptijd van meer dan dertig jaar verhoudingsgewijs uitgesmeerd over een periode van dertig jaar. In PP2 worden alle uitgaande deposito’s met een gemodelleerde looptijd van meer dan dertig jaar toegewezen aan de uitstroom in jaar dertig. Volgens de aannames van het deskundigenverslag is het verschil significant, daar ruwweg 60 % van alle deposito’s in het model een uitstroomdatum heeft die na dertig jaar ligt. Daarvan uitgaande vindt de uitstroom in PP1 regelmatig plaats tussen één en dertig jaar, terwijl in PP2 slechts 40 % van de uitstroom plaatsvindt tussen één en dertig jaar en 60 % enkel in jaar dertig. |
|
(97) |
Met betrekking tot de vraag welk van beide passivapatronen uitgaat van de meest plausibele aanname, wordt in het verslag gesteld dat het minder conservatieve passivapatroon PP2 geschikter is. Ter ondersteuning van deze conclusie wordt in het verslag aangevoerd dat PI in zoverre afwijkt van een normale commerciële bank dat i) op PI niet de prudentiële regelgeving van toepassing was die wel gold voor banken, en dus ook niet de vereiste van een hoger kapitaalniveau voor beleggingen op langere termijn; en ii) PI minder dan een normale bank blootstaat aan het risico van massale opnames en een liquiditeitscrisis, omdat PI voor een groot deel van de beleggers hetzelfde is als Italië. In het verslag wordt gesteld dat deze perceptie aansluit bij de verwachting dat Italië bij een liquiditeitscrisis gedwongen zou zijn financieel in te springen in geval van insolventie van PI om een besmettingseffect te voorkomen dat zou leiden tot een verslechtering van de kredietpositie van de gehele overheidsschuldvoorraad. |
|
(98) |
De Commissie merkt op dat het deskundigenverslag suggereert dat de door PI op de Schatkistrekening gedeponeerde financiële middelen feitelijk geen kortetermijnmiddelen waren. Wijzend op de — volgens ABI — korte tijdsspanne van de financiële middelen voerde ABI aan dat de vergoeding voor het Schatkistdeposito op één lijn had moeten liggen met het kortetermijnkarakter ervan (zie overweging 45). Tegelijkertijd brengt de Commissie in herinnering dat het langetermijnkarakter van de door PI bij de Schatkist gedeponeerde financiële middelen zoals gesteld in het deskundigenverslag, onvoldoende aanleiding vormt om te concluderen dat er geen sprake is van staatssteun. In het kader van de op grond van het arrest van 2013 vereiste beoordeling is qua rendement/risico een zinvolle vergelijking nodig tussen de scenario’s met en zonder de depositoverplichting om goed te kunnen bepalen of de maatregel PI een voordeel heeft opgeleverd. |
|
(99) |
In het deskundigenverslag wordt dan ook een dynamisch rentemodel gehanteerd aan de hand waarvan de prijzen van obligaties kunnen worden berekend op basis van het model van de renteopbrengstcurve op enig moment in de toekomst. Het verslag neemt drie rentescenario’s onder de loep: gelijkblijvende (stabiele), stijgende en dalende rentes, afgezet tegen de opbrengstcurve die gold ten tijde van de overeenkomst. |
|
(100) |
Het verslag onderzoekt daarbij de risico‐/rendementskenmerken van de feitelijke belegging van PI uit hoofde van de depositoverplichting, waarvan het rendement wordt geregeld door de overeenkomst. Het risico — dat volledig is toe te schrijven aan wijzigingen in de rente die van invloed zijn op de obligatieprijzen die worden gebruikt voor de berekening van de passende vergoedingsrente op grond van de overeenkomst — is hier zeer laag. Het risiconiveau is namelijk 0,11 %, 0,17 % en 0,06 % in de scenario’s van respectievelijk gelijkblijvende, stijgende en dalende rente. |
|
(101) |
Wat de beschikbare beleggingsstrategieën betreft, mocht PI destijds alleen beleggen in investeringswaardige obligaties uit de eurozone. De deskundigen betrekken derhalve strategieën op basis van Italiaanse staatsobligaties met verschillende looptijden en een strategie waarbij staatsobligaties uit de eurozone worden gebruikt, in de vergelijking. |
|
(102) |
Bij de bestudering van de beschikbare beleggingsstrategieën worden in het deskundigenverslag twee belangrijke risico’s bekeken: het risico dat voortvloeit uit een kloof tussen de looptijden van de activa (de Italiaanse staatsobligaties) en de passiva (de deposito’s) van PI, en het risico van een verzuim op de overheidsschuld van Italië. |
|
(103) |
De kloof, of incongruentie, tussen de looptijden van activa en passiva levert een liquiditeitsrisico op (namelijk het risico dat PI onvoldoende liquide middelen heeft om op een bepaald moment te voldoen aan de opnameverzoeken van depositohouders). Dat liquiditeitsrisico is echter beperkt wanneer de activa (d.w.z. Italiaanse staatsobligaties) gemakkelijk kunnen worden verkocht. Als PI deze obligaties vóór het verstrijken van de looptijd zou moeten verkopen, zou de marktprijs worden bepaald door de op het moment van verkoop geldende rente, waarmee PI kwetsbaar zou worden voor het renterisico met mogelijk kapitaalwinst of kapitaalverlies tot gevolg. Dit risico komt expliciet aan bod in het model van het deskundigenverslag. |
|
(104) |
Ten aanzien van het risico van een verzuim op de overheidsschuld wordt er in het verslag op gewezen dat PI gelet op de overeenkomst ook het risico van een dergelijk verzuim door Italië draagt. Daarom concludeert het verslag dat het gebruik van Italiaanse staatsobligaties in het model hetzelfde risico in beide strategieën in beeld brengt en puur een vergelijking op gelijke termen inhoudt zonder expliciete modellering. |
|
(105) |
In het deskundigenverslag worden vijf verschillende strategieën geanalyseerd:
|
|
(106) |
De vijf beleggingsstrategieën worden in het deskundigenverslag gesimuleerd. Bij alle strategieën, behalve die van de staatsobligaties uit de eurozone, wordt een schatting van het risico‐/rendementsprofiel gemaakt in de drie verschillende rentescenario’s: gelijkblijvende rente, stijgende rente en dalende rente. |
|
(107) |
Tot slot wordt in het deskundigenverslag nagegaan welke beleggingsstrategie door PI werd toegepast na het vervallen van de depositoverplichting in 2007. Het verslag toont aan dat de financiële middelen werden belegd in staatsobligaties uit de eurozone met een looptijd van vijf jaar, waarbij opnieuw het risico‐/rendementsprofiel van die belegging werd geschetst op basis van het model. De conclusie van het deskundigenverslag luidt dat de strategie niet de best mogelijke was, aangezien die leidt tot een lager rendement met een hoger risico (0,65 %) dan het rendement dat behaald had kunnen worden via een van de andere beleggingsstrategieën. |
|
(108) |
Na de schatting van de risico‐/rendementsprofielen voor alle beleggingsstrategieën pasten de deskundigen de portefeuillebeprijzingstheorie toe om te bepalen of de belegging die PI krachtens de depositoverplichting moest doen en waarvan het rendement werd geregeld door de overeenkomst, feitelijk een economisch voordeel opleverde voor PI (m.a.w. of het op grond van de overeenkomst ontvangen rendement, het risico van de belegging in aanmerking genomen, hoger was dan rendementen die met vergelijkbare risiconiveaus behaald hadden kunnen worden met andere beleggingen). |
|
(109) |
Hiertoe werden in het deskundigenverslag de risico‐/rendementskenmerken van alle beschikbare alternatieve beleggingen samengebracht in één enkele beleggingsfunctie, waarin het haalbare marktrendement werd uitgedrukt in functie van het genomen risico. Indien de risico‐/rendementskenmerken van de overeenkomst boven die functie gelegen zouden hebben (d.w.z. als PI op grond van de overeenkomst een hoger rendement zou hebben behaald dan het rendement dat op de markt mogelijk zou zijn geweest bij een vergelijkbaar risico), zou de conclusie moeten zijn dat er sprake is geweest van een voordeel. |
|
(110) |
Op basis van deze overwegingen luidt de conclusie van het verslag dat de overeenkomst PI enkel een hoger rendement zou opleveren bij toepassing van het conservatieve passivapatroon PP1 en uitgaande van stijgende rentes. In dat scenario, en rekening houdende met het feit dat PI later bereid was een risico van 0,65 % te accepteren, zou het voordeel slechts 0,29 procentpunt bedragen. Bij PP2 zou geen enkel rentescenario een voordeel opleveren. |
4.3. De visie van de Commissie op het deskundigenverslag
|
(111) |
De Commissie vindt sommige scenario’s aannemelijker dan andere waar het gaat om bepaalde aannames of interpretaties in het verslag. Zij kan zich met name niet vinden in de toepassing van passivapatroon PP2. |
|
(112) |
De Commissie merkt op dat het deskundigenverslag zich enkel baseert op informatie die beschikbaar was vóór het sluiten van de overeenkomst, zoals verzocht in het arrest van 2013, met uitzondering van de verwijzing naar het door PI geaccepteerde risico van 0,65 % na de beëindiging van de depositoverplichting. De Commissie kan zich er niet in vinden dat het percentage 0,65 % gehanteerd wordt als het toepasselijke risico bij de schatting van het verwachte rendement als de depositoverplichting niet zou hebben bestaan. |
|
(113) |
Ten eerste is de keuze van het passivapatroon van grote invloed op het verwachte rendement van uiteenlopende beleggingsstrategieën. Zoals uiteengezet in de overwegingen 96 en 97 bestaan er, afhankelijk van of er gekozen wordt voor PP1 of PP2, aanzienlijke verschillen in de aannames over uitgaande deposito’s. De gemiddelde gebruiksduur van de deposito’s van PI — d.w.z. de gewogen gemiddelde tijd gedurende welke die deposito’s beschikbaar worden gehouden — verschilt met ruwweg negen resp. 14 jaar sterk tussen PP1 en PP2. |
|
(114) |
De Commissie merkt op dat de gebruiksduur bij PP1 én PP2 de maximale duur van vijf jaar die door de Europese Bankautoriteit (“EBA”) wordt aanbevolen voor de modellering van passiva zonder vaste looptijden, zoals deposito’s, overschrijdt. |
|
(115) |
De Commissie heeft zich gebogen over de kwestie van de gemiddelde gebruiksduur van de deposito’s van PI, die moest worden toegepast voor de krachtens het arrest van 2013 vereiste beoordeling. Zij is van mening dat PP2 veel te optimistisch is wat betreft de gemiddelde verwachte periode gedurende welke deposito’s van cliënten worden aangehouden. De gebruiksduur van de cliëntendeposito’s van PI kan in de praktijk echter de door EBA aanbevolen periode van vijf jaar overschrijden, zoals naar voren gebracht in het deskundigenverslag. De Commissie heeft bij haar beoordeling de volgende punten zorgvuldig afgewogen:
|
|
(116) |
Op basis van het voorgaande aanvaardt de Commissie PP1 als een realistische aanname voor de bepaling van de voorzichtige beleggingsstrategie die PI zou hebben gevolgd als de depositoverplichting in de betreffende periode niet zou hebben bestaan. |
|
(117) |
Voorts wijst de Commissie erop dat in het deskundigenverslag werd gesteld dat de verwachte rente op grond van de overeenkomst enkel in het scenario van een stijgende rente 0,29 procentpunt hoger zou zijn dan het verwachte rendement van alternatieve beleggingsstrategieën (zie overweging 110). Dit procentpunt van 0,29 was echter berekend door het verwachte marktrendement te vergelijken bij een risiconiveau van 0,65 %, terwijl het rendement op grond van de overeenkomst een risiconiveau van 0,17 % liet zien in het scenario van de stijgende rente. |
|
(118) |
De Commissie ziet met name geen enkele gegronde reden om rendementen bij verschillende risiconiveaus te vergelijken omdat het toegepaste risiconiveau van 0,65 % in het deskundigenverslag was berekend door de beleggingsstrategie in ogenschouw te nemen die PI uiteindelijk volgde nadat de depositoverplichting was ingetrokken (zie overweging 104). Een dergelijke benadering lijkt niet geschikt voor toepassing in een methode waarin enkel informatie die ex ante beschikbaar was, in aanmerking moet worden genomen. |
|
(119) |
Daarom moet het risiconiveau dat bij de berekening van het haalbare marktrendement wordt gebruikt voor de vergelijking met de rente op grond van de overeenkomst, hetzelfde zijn als het risico van de overeenkomst, d.w.z. 0,11 %, 0,17 % en 0,06 % in de scenario’s van respectievelijk gelijkblijvende, stijgende en dalende rente. |
|
(120) |
Wat PP1 betreft, merkt de Commissie dan ook op dat het verwachte voordeel in het kader van de overeenkomst in het scenario van stijgende rente zo'n 0,5 in plaats van 0,29 procentpunt zou zijn. Bij gelijkblijvende en dalende rente zouden de haalbare marktrendementen nog altijd groter zijn dan het rendement in het kader van de overeenkomst, namelijk ruwweg 0,15 procentpunt bij gelijkblijvende rente en 0,4 procentpunt bij dalende rente. |
4.4. Conclusie
|
(121) |
De verwachte rente op grond van de overeenkomst is lager dan het verwachte rendement van alternatieve beleggingsstrategieën in een scenario van gelijkblijvende rente, bij vergelijkbare risiconiveaus en zonder het bestaan van de depositoverplichting. De rente op grond van de overeenkomst heeft dan ook geen onmiddellijk voordeel voor PI opgeleverd. |
|
(122) |
Er is niets op grond waarvan de Commissie kan aannemen dat PI of Italië ten tijde van het sluiten van de overeenkomst redelijkerwijs een bepaalde tendens in de rente had kunnen verwachten. Derhalve is, bij toepassing van dezelfde mate van waarschijnlijkheid op de drie rentescenario’s (te weten dalende rente, gelijkblijvende rente en stijgende rente), de verwachte rente op grond van de overeenkomst marginaal lager dan het verwachte rendement van alternatieve beleggingsstrategieën, bij vergelijkbare risiconiveaus en zonder het bestaan van de depositoverplichting. De overeenkomst heeft PI dan ook geen voordeel opgeleverd. |
|
(123) |
Op basis hiervan concludeert de Commissie dat er onvoldoende bewijs is dat PI op grond van de overeenkomst een voordeel heeft genoten, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De vergoeding die in de jaren 2005 tot en met 2007 door de overheid van de Italiaanse Republiek aan Poste Italiane is betaald krachtens wet nr. 266 van 23 december 2005 en de overeenkomst, vormt geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.
Gedaan te Brussel, 2 augustus 2019.
Voor de Commissie
Margrethe VESTAGER
Lid van de Commissie
(1) PB C 290 van 29.11.2006, blz. 8.
(2) Zie voetnoot 1.
(3) Beschikking 2009/178/EG van de Commissie van 16 juli 2008 betreffende de steunmaatregel van Italië voor vergoeding voor de bij de Schatkist gedeponeerde tegoeden op lopende rekeningen gehouden door Poste Italiane (C 42/06 (ex NN 52/06)) (PB L 64 van 10.3.2009, blz. 4).
(4) Arrest van het Gerecht in zaak T‐525/08, Poste Italiane SpA/Commissie, ECLI:EU:T:2013:481.
(5) http://ec.europa.eu/competition/calls/tenders_closed.html, ref. COMP/2014/017.
(6) De universele postdienst omvat het inzamelen, vervoeren, sorteren en bestellen van poststukken tot 2 kg en postpakketten tot 20 kg, alsook diensten met betrekking tot aangetekende en verzekerde stukken.
(7) Richtlijn 2002/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging (PB L 176 van 5.7.2002, blz. 21).
(8) Overeenkomstig artikel 5 van wetsdecreet nr. 269 van 30 september 2003 en de omzettingswet nr. 326 van 24 november 2003 zijn de aandelen van CDP overgedragen aan Italië. Bovendien kunnen bankstichtingen en andere publieke of private entiteiten tezamen slechts een minderheidsbelang in CDP bezitten.
(9) De diensten met betrekking tot de lopende postrekeningen worden voornamelijk geregeld door een wet uit 1917, gepubliceerd in GURI nr. 219 van 6 september 1917, zoals gewijzigd door decreet nr. 822 van 22 november 1945, gepubliceerd in GURI nr. 12 van 15 januari 1946. Tot 2003 was met name in de wet bepaald dat de op lopende postrekeningen aangetrokken financiële middelen moesten worden gedeponeerd op een rekening bij CDP met een rente gelijk aan de rente die CDP ontving op zijn financieringsactiviteit, verminderd met 15 honderdste procentpunt. Ingevolge een decreet van 5 december 2003 kwam de Schatkist in de plaats van CDP.
(10) Gepubliceerd in GURI nr. 302 van 29 december 2005, “supplemento ordinario” 211.
(11) Gepubliceerd in GURI nr. 288 van 12 december 2003.
(12) De invoering van de overeenkomst is goedgekeurd bij ministerieel decreet van 3 april 2006.
(13) BTP: Buoni del Tesoro Poliennali.
(14) BOT: Buoni ordinari del Tesoro.
(15) Gepubliceerd in GURI nr. 299 van 27 december 2006.
(16) Volgens Italië is het bedrag van de financiële middelen die op de aan particulieren toebehorende lopende postrekeningen zijn aangetrokken, goed voor zo'n 70‐75 % van het totale bedrag aan financiële middelen op postrekeningen.
(17) Arrest van 2013, punt 65: “ la Commission a uniquement examiné le niveau de rémunération que le Trésor aurait pu demander unilatéralement compte tenu de quatre paramètres, à savoir la masse des fonds déposés, la stabilité de ces fonds, la durée moyenne du dépôt des fonds et les risques financiers supportés. Dans ces conditions, le taux de l’emprunteur privé, défini aux considérants 119 à 180 de la décision attaquée, ne constitue pas véritablement un “taux de marché” .”.
(18) Zie voetnoot 1.
(19) Sinds 1 oktober 1995 omvat Rendistato de gemiddelde bruto-opbrengst op aan belasting onderworpen staatsobligaties met een restlooptijd van meer dan een jaar. (Bron: Centrale bank van Italië.)
(20) In 2006 bedroegen de lopende postrekeningen van particuliere cliënten (d.w.z. overheden niet inbegrepen) […], waarvan […] in bezit van particulieren en […] in bezit van ondernemingen.
(21) Het “value at risk”- of “VaR”-model, met een “cut-off point” in het tiende jaar.
(22) De Macaulay duration is de gewogen gemiddelde tijd totdat kasstromen worden ontvangen, waarbij het gewicht van elke kasstroom wordt bepaald door de actuele waarde van de kasstroom te delen door de som van de actuele waarden van alle kasstromen. Deze duration wordt gemeten in jaren.
(23) Het lineaireafschrijvingsmodel, met een “cut-off point” in het tiende jaar.
(24) In de brieven van Italië worden de termen gebruiksduur en gemiddelde verblijfstijd vaak door elkaar gebruikt, hoewel ze kunnen verwijzen naar verschillende concepten. Dit heeft geen enkele invloed op de in dit besluit verrichte beoordeling.
(25) Brief van […], brief van […], brief van […], brief van […], brief van […].
(26) https://www.eba.europa.eu/documents/10180/1084098/EBA-GL-2015-08+GL+on+the+management+of+interest+rate+risk+.pdf
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/45 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1969 VAN DE COMMISSIE
van 26 november 2019
tot verlenging van de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring van IPBC voor gebruik in biociden van productsoort 8
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 14, lid 5,
Na raadpleging van het Permanent Comité voor biociden,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
IPBC is in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) opgenomen als werkzame stof die mag worden gebruikt in biociden van productsoort 8, en wordt ingevolge artikel 86 van Verordening (EU) nr. 528/2012 derhalve geacht op grond van die verordening te zijn goedgekeurd, onder voorbehoud van de naleving van de in bijlage I bij die richtlijn vastgestelde specificaties en voorwaarden. |
|
(2) |
De goedkeuring van IPBC voor gebruik in biociden van productsoort 8 loopt af op 30 juni 2020. Op 20 december 2018 is een aanvraag ingediend voor de verlenging van de goedkeuring van IPBC overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012. |
|
(3) |
De beoordelende bevoegde autoriteit van Denemarken heeft de Commissie op 11 april 2019 geïnformeerd over haar besluit op grond van artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 dat een volledige beoordeling van de aanvraag noodzakelijk was. Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 moet de beoordelende bevoegde autoriteit binnen 365 dagen na de validering van een aanvraag een volledige beoordeling hiervan uitvoeren. |
|
(4) |
De beoordelende bevoegde autoriteit kan overeenkomstig artikel 8, lid 2, van die verordening in voorkomend geval de aanvrager verzoeken voldoende gegevens te verstrekken om de beoordeling uit te voeren. In dat geval wordt de periode van 365 dagen geschorst; de schorsing mag niet langer duren dan in totaal 180 dagen, tenzij de aard van de gevraagde gegevens of uitzonderlijke omstandigheden een langere schorsing rechtvaardigen. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 stelt het Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het agentschap”) binnen 270 dagen na ontvangst van een aanbeveling van de beoordelende bevoegde autoriteit een advies op over de verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof en zendt dit toe aan de Commissie. |
|
(6) |
De goedkeuring van IPBC voor gebruik in biociden van productsoort 8 zal dus om redenen buiten de invloed van de aanvrager waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen. Daarom moet de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring van IPBC voor gebruik in biociden van productsoort 8 met een zodanige termijn worden verlengd dat er voldoende tijd is om de aanvraag te behandelen. Gezien de termijn waarover de beoordelende bevoegde autoriteit beschikt voor de beoordeling en de termijn waarover het agentschap beschikt voor het opstellen en indienen van zijn advies, moet de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring tot en met 31 december 2022 worden verlengd. |
|
(7) |
Behalve wat de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring betreft, blijft de goedkeuring van IPBC gelden voor gebruik in biociden van productsoort 8, onder voorbehoud van de naleving van de specificaties en voorwaarden vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De termijn voor het verstrijken van de goedkeuring van IPBC voor gebruik in biociden van productsoort 8 wordt verlengd tot en met 31 december 2022.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 26 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.
(2) Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/47 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1970 VAN DE COMMISSIE
van 26 november 2019
tot wijziging van bijlage II bij Beschikking 93/52/EEG wat betreft de erkenning als officieel vrij van brucellose (B. melitensis), bijlage II bij Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning van bepaalde delen van Spanje als officieel brucellosevrij en bijlagen I en II bij Beschikking 2008/185/EG wat betreft de erkenning als officieel vrij van de ziekte van Aujeszky en de goedkeuring van de uitroeiingsprogramma’s voor die ziekte voor bepaalde gebieden in Italië
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 8378)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (1), en met name bijlage A, hoofdstuk 1, rubriek II,
Gezien Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (2), en met name artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en bijlage A, deel II, punt 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Richtlijn 91/68/EEG zijn veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer in schapen en geiten binnen de Unie vastgesteld. Bij die richtlijn is bepaald onder welke voorwaarden de lidstaten of gebieden daarvan als officieel vrij van brucellose (B. melitensis) kunnen worden erkend ten aanzien van de schapen- en geitenbeslagen. |
|
(2) |
In bijlage II bij Beschikking 93/52/EEG van de Commissie (3) zijn de regio’s van de lidstaten opgenomen die overeenkomstig de bij Richtlijn 91/68/EEG vastgestelde voorwaarden als officieel vrij van brucellose (B. melitensis) zijn erkend. |
|
(3) |
Spanje heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de autonome gemeenschap Murcia, de provincie Toledo van de autonome gemeenschap Castilla-La Mancha en de provincies Huelva, Sevilla en Córdoba van de autonome gemeenschap Andalucía aan de voorwaarden van Richtlijn 91/68/EEG voldoen om als officieel vrij van brucellose (B. melitensis) te worden erkend ten aanzien van de schapen- en geitenbeslagen. |
|
(4) |
Na beoordeling van die bewijsstukken moeten de autonome gemeenschap Murcia, de provincie Toledo van de autonome gemeenschap Castilla-La Mancha en de provincies Huelva, Sevilla en Córdoba van de autonome gemeenschap Andalucía als officieel vrij van brucellose (B. melitensis) worden erkend ten aanzien van de schapen- en geitenbeslagen. |
|
(5) |
Bijlage II bij Beschikking 93/52/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Richtlijn 64/432/EEG is van toepassing op het handelsverkeer in runderen en varkens binnen de Unie. Bij die richtlijn is bepaald onder welke voorwaarden een lidstaat of gebied daarvan als officieel brucellosevrij kan worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen. |
|
(7) |
Bij artikel 2 van Beschikking 2003/467/EG van de Commissie (4) is vastgesteld dat de in bijlage II, hoofdstuk 2, bij die beschikking genoemde delen van lidstaten als officieel brucellosevrij worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen. |
|
(8) |
Spanje heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de autonome gemeenschap Aragón en de provincie León van de autonome gemeenschap Castilla y León aan de voorwaarden van Richtlijn 64/432/EEG voldoen om te worden erkend als gebieden die officieel vrij zijn van brucellose ten aanzien van de rundveebeslagen. |
|
(9) |
Na beoordeling van die bewijsstukken moeten de autonome gemeenschap Aragón en de provincie León van de autonome gemeenschap Castilla y León als officieel vrij van brucellose worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen. |
|
(10) |
Bijlage II bij Beschikking 2003/467/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(11) |
In artikel 10 van Richtlijn 64/432/EEG is bepaald dat, wanneer een lidstaat van oordeel is dat zijn grondgebied geheel of gedeeltelijk vrij is van de ziekte van Aujeszky, hij de Commissie in het bezit stelt van de nodige bewijsstukken. In dat artikel is ook vastgesteld dat aanvullende garanties voor het handelsverkeer in varkens binnen de Unie kunnen worden geëist. |
|
(12) |
In artikel 9 van Richtlijn 64/432/EEG is bepaald dat een lidstaat die een bindend nationaal programma voor de bestrijding van de ziekte van Aujeszky heeft voor een deel van zijn grondgebied, dat programma bij de Commissie ter goedkeuring kan indienen. In dat artikel is ook vastgesteld dat aanvullende garanties voor het handelsverkeer in varkens binnen de Unie kunnen worden geëist. |
|
(13) |
Beschikking 2008/185/EG van de Commissie (5) voorziet in aanvullende garanties voor de verplaatsing van varkens tussen de lidstaten. Die garanties zijn gekoppeld aan de indeling van de lidstaten of regio’s daarvan naar hun status voor de ziekte van Aujeszky. |
|
(14) |
Bijlage I bij Beschikking 2008/185/EG bevat een lijst van de lidstaten of regio’s daarvan die vrij zijn van de ziekte van Aujeszky. |
|
(15) |
Italië heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de regio Friuli-Venezia Giulia aan de voorwaarden van Beschikking 2008/185/EG voldoet om als vrij van de ziekte van Aujeszky te worden erkend. |
|
(16) |
Na beoordeling van die bewijsstukken moet de regio Friuli-Venezia Giulia als vrij van de ziekte van Aujeszky worden erkend. |
|
(17) |
Bijlage I bij Beschikking 2008/185/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(18) |
Bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG bevat een lijst van de lidstaten of regio’s daarvan waar goedgekeurde nationale bestrijdingsprogramma’s voor de uitroeiing van de ziekte van Aujeszky ten uitvoer worden gelegd. |
|
(19) |
Italië heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend met het oog op de goedkeuring van zijn bestrijdingsprogramma’s voor de uitroeiing van de ziekte van Aujeszky voor de regio’s Piemonte en Umbria en op de vermelding van deze regio’s in de lijst in bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG. |
|
(20) |
Na beoordeling van die bewijsstukken moeten de bestrijdingsprogramma’s voor de uitroeiing van de ziekte van Aujeszky voor de regio’s Piemonte en Umbria worden goedgekeurd. |
|
(21) |
Bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(22) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Beschikking 93/52/EEG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij dit besluit.
Artikel 2
Bijlage II bij Beschikking 2003/467/EG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij dit besluit.
Artikel 3
De bijlagen I en II bij Beschikking 2008/185/EG worden vervangen door de tekst in bijlage III bij dit besluit.
Artikel 4
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 26 november 2019.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19.
(2) PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.
(3) Beschikking 93/52/EEG van de Commissie van 21 december 1992 houdende constatering dat bepaalde lidstaten of gebieden aan de voorwaarden voldoen om te worden erkend als officieel brucellosevrij (Br. melitensis) (PB L 13 van 21.1.1993, blz. 14).
(4) Beschikking 2003/467/EG van de Commissie van 23 juni 2003 houdende erkenning van bepaalde lidstaten en delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose ten aanzien van de rundveebeslagen (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 74).
(5) Beschikking 2008/185/EG van de Commissie van 21 februari 2008 betreffende aanvullende garanties ten aanzien van de ziekte van Aujeszky voor het intracommunautaire handelsverkeer van varkens, en betreffende criteria voor de over deze ziekte te verstrekken gegevens (PB L 59 van 4.3.2008, blz. 19).
BIJLAGE I
In bijlage II bij Beschikking 93/52/EEG worden de gegevens voor Spanje vervangen door:
“In Spanje:
|
— |
autonome gemeenschap Aragón, |
|
— |
autonome gemeenschap Andalucía: de provincies Cádiz, Córdoba, Huelva en Sevilla, |
|
— |
autonome gemeenschap Asturias, |
|
— |
autonome gemeenschap Islas Baleares, |
|
— |
autonome gemeenschap Canarias, |
|
— |
autonome gemeenschap Cantabria, |
|
— |
autonome gemeenschap Castilla-La Mancha, |
|
— |
autonome gemeenschap Castilla y León, |
|
— |
autonome gemeenschap Cataluña, |
|
— |
autonome gemeenschap Extremadura, |
|
— |
autonome gemeenschap Galicia, |
|
— |
autonome gemeenschap La Rioja, |
|
— |
autonome gemeenschap Madrid, |
|
— |
autonome gemeenschap Murcia, |
|
— |
autonome gemeenschap Navarra, |
|
— |
autonome gemeenschap País Vasco, |
|
— |
autonome gemeenschap Valencia.”. |
BIJLAGE II
In bijlage II, hoofdstuk 2, bij Beschikking 2003/467/EG worden de gegevens voor Spanje vervangen door:
“In Spanje:
|
— |
autonome gemeenschap Andalucía: de provincies Almería, Granada en Jaén, |
|
— |
autonome gemeenschap Aragón, |
|
— |
autonome gemeenschap Asturias, |
|
— |
autonome gemeenschap Islas Baleares, |
|
— |
autonome gemeenschap Canarias, |
|
— |
autonome gemeenschap Castilla-La Mancha, |
|
— |
autonome gemeenschap Castilla y León: de provincies Burgos, Soria, Valladolid en Zamora, |
|
— |
autonome gemeenschap Cataluña, |
|
— |
autonome gemeenschap Galicia, |
|
— |
autonome gemeenschap La Rioja, |
|
— |
autonome gemeenschap Madrid, |
|
— |
autonome gemeenschap Murcia, |
|
— |
autonome gemeenschap Navarra, |
|
— |
autonome gemeenschap País Vasco, |
|
— |
autonome gemeenschap Valencia.”. |
BIJLAGE III
“BIJLAGE I
Lidstaten of regio’s daarvan die vrij zijn van de ziekte van Aujeszky en waar vaccinatie niet is toegestaan
|
ISO-code |
Lidstaat |
Regio’s |
|
BE |
België |
Alle regio’s |
|
CZ |
Tsjechië |
Alle regio’s |
|
DK |
Denemarken |
Alle regio’s |
|
DE |
Duitsland |
Alle regio’s |
|
IE |
Ierland |
Alle regio’s |
|
FR |
Frankrijk |
De departementen Ain, Aisne, Allier, Alpes-de-Haute-Provence, Alpes-Maritimes, Ardèche, Ardennes, Ariège, Aube, Aude, Aveyron, Bas-Rhin, Bouches-du-Rhône, Calvados, Cantal, Charente, Charente-Maritime, Cher, Corrèze, Côte-d’Or, Côtes-d’Armor, Creuse, Deux-Sèvres, Dordogne, Doubs, Drôme, Essonne, Eure, Eure-et-Loir, Finistère, Gard, Gers, Gironde, Hautes-Alpes, Hauts-de-Seine, Haute-Garonne, Haute-Loire, Haute-Marne, Hautes-Pyrénées, Haut-Rhin, Haute-Saône, Haute-Savoie, Haute-Vienne, Hérault, Ille-et-Vilaine, Indre, Indre-et-Loire, Isère, Jura, Landes, Loire, Loire-Atlantique, Loir-et-Cher, Loiret, Lot, Lot-et-Garonne, Lozère, Maine-et-Loire, Manche, Marne, Mayenne, Meurthe-et-Moselle, Meuse, Morbihan, Moselle, Nièvre, Nord, Oise, Orne, Paris, Pas-de-Calais, Pyrénées-Atlantiques, Pyrénées-Orientales, Puy-de-Dôme, Réunion, Rhône, Sarthe, Saône-et-Loire, Savoie, Seine-et-Marne, Seine-Maritime, Seine-Saint-Denis, Somme, Tarn, Tarn-et-Garonne, Territoire de Belfort, Val-de-Marne, Val-d’Oise, Var, Vaucluse, Vendée, Vienne, Vosges, Yonne en Yvelines |
|
IT |
Italië |
De Autonome Provincie Bolzano De regio Friuli-Venezia Giulia |
|
CY |
Cyprus |
Alle regio’s |
|
LU |
Luxemburg |
Alle regio’s |
|
HU |
Hongarije |
Alle regio’s |
|
NL |
Nederland |
Alle regio’s |
|
AT |
Oostenrijk |
Alle regio’s |
|
PL |
Polen |
Het woiwodschap podlaskie, de volgende powiats: augustowski, białostocki, Białystok, bielski, hajnowski, moniecki, sejneński, siemiatycki, sokólski, suwalski en Suwałki |
|
SI |
Slovenië |
Alle regio’s |
|
SK |
Slowakije |
Alle regio’s |
|
FI |
Finland |
Alle regio’s |
|
SE |
Zweden |
Alle regio’s |
|
UK |
Verenigd Koninkrijk |
Alle regio’s |
“BIJLAGE II
Lidstaten of regio’s daarvan waar goedgekeurde nationale bestrijdingsprogramma’s ter uitroeiing van de ziekte van Aujeszky ten uitvoer worden gelegd
|
ISO-code |
Lidstaat |
Regio’s |
|
ES |
Spanje |
Alle regio’s |
|
IT |
Italië |
De regio Emilia-Romagna De regio Lombardia De regio Piemonte De regio Umbria De regio Veneto |
|
LT |
Litouwen |
Alle regio’s |
|
PL |
Polen |
Het woiwodschap dolnośląskie: alle powiats Het woiwodschap kujawsko-pomorskie: alle powiats Het woiwodschap lubelskie: alle powiats Het woiwodschap lubuskie: alle powiats Het woiwodschap łódzkie: alle powiats Het woiwodschap małopolskie: alle powiats Het woiwodschap mazowieckie: alle powiats Het woiwodschap opolskie: alle powiats Het woiwodschap podkarpackie: alle powiats Het woiwodschap podlaskie, de volgende powiats: grajewski, kolneński, łomżyński, Łomża, wysokomazowiecki en zambrowski Het woiwodschap pomorskie: alle powiats Het woiwodschap śląskie: alle powiats Het woiwodschap świętokrzyskie: alle powiats Het woiwodschap warmińsko-mazurskie: alle powiats Het woiwodschap wielkopolskie: alle powiats Het woiwodschap zachodniopomorskie: alle powiats |
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/54 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1971 VAN DE COMMISSIE
van 26 november 2019
inzake de erkenning van de regeling “Universal Feed Assurance Scheme” voor het aantonen van de naleving van de duurzaamheidscriteria van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (1), en met name artikel 7 quater, lid 4, tweede alinea,
Gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (2), en met name artikel 18, lid 4, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In de artikelen 7 ter en 7 quater van en bijlage IV bij Richtlijn 98/70/EG en de artikelen 17 en 18 van en bijlage V bij Richtlijn 2009/28/EG zijn vergelijkbare duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa vastgesteld en vergelijkbare procedures voor de controle op de naleving van deze criteria. |
|
(1) |
Wanneer biobrandstoffen en vloeibare biomassa in aanmerking moeten worden genomen voor de doeleinden van artikel 17, lid 1, onder a), b) en c), van Richtlijn 2009/28/EG, verplichten de lidstaten de marktpartijen aan te tonen dat die biobrandstoffen en vloeibare biomassa voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17, leden 2 tot en met 5, van die Richtlijn. |
|
(2) |
De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale regelingen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen of vloeibare biomassa voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17, leden 3, 4 en 5, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd zodat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. Als een marktpartij bewijzen of gegevens indient die verkregen zijn overeenkomstig een door de Commissie erkende vrijwillige regeling, mag een lidstaat, voor zover het erkenningsbesluit daarop betrekking heeft, de leverancier niet vragen om verdere bewijzen van de naleving van de duurzaamheidscriteria in te dienen. |
|
(3) |
Het verzoek om te erkennen dat de regeling “Universal Feed Assurance Scheme” aantoont dat leveringen van biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG, werd op 14 juni 2019 bij de Commissie ingediend. De regeling, die is gevestigd in Confederation House, East of England Showground, Peterborough, PE2 6XE, Verenigd Koninkrijk, heeft betrekking op diervoederingrediënten, mengvoeders en wisselbouwgewassen. De regeling heeft betrekking op de fasen van handel, vervoer en opslag van landbouwgrondstoffen, van de poort van het landbouwbedrijf tot de eerste verwerker, en doet voor de overige fasen een beroep op andere door de Commissie erkende regelingen op basis van vrijwilligheid. Als zodanig is het de verantwoordelijkheid van het “Universal Feed Assurance Scheme” om erop toe te zien dat de door de Commissie verleende erkenning voor dergelijke regelingen waarmee nauw wordt samengewerkt, geldig blijft gedurende de gehele looptijd van de samenwerking. De erkende regeling moet beschikbaar worden gemaakt op het bij Richtlijn 2009/28/EG opgerichte transparantieplatform. |
|
(4) |
Bij de beoordeling van de regeling “Universal Feed Assurance Scheme” is het de Commissie gebleken dat die regeling de duurzaamheidscriteria van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG voldoende bestrijkt, met uitzondering van artikel 7 ter, lid 2, van Richtlijn 98/70/EG en van artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG. De regeling levert echter nauwkeurige gegevens op over elementen waarover de marktpartijen verderop in de bewakingsketen moeten beschikken om aan te tonen dat de eisen van artikel 7 ter, lid 2, van Richtlijn 98/70/EG en van artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG in acht worden genomen, en zij past een massabalans-methodologie toe die in overeenstemming is met de eisen van artikel 7 quater, lid 1, van Richtlijn 98/70/EG en artikel 18, lid 1, van Richtlijn 2009/28/EG. |
|
(5) |
Uit de evaluatie van de regeling “Universal Feed Assurance Scheme” is gebleken dat zij beantwoordt aan passende normen inzake betrouwbaarheid, transparantie en onafhankelijke auditing, en aan de methodologische eisen van bijlage IV bij Richtlijn 98/70/EG en bijlage V bij Richtlijn 2009/28/EG. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De regeling “Universal Feed Assurance Scheme” (hierna “de regeling” genoemd), waarvoor op 14 juni 2019 een verzoek tot erkenning is ingediend bij de Commissie, toont aan dat leveringen van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in overeenstemming met de in de regeling vastgestelde normen voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 7 ter, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 98/70/EG en artikel 17, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 2009/28/EG.
De regeling bevat ook accurate gegevens voor de toepassing van artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG en artikel 7 ter, lid 2, van Richtlijn 98/70/EG in die zin dat deze waarborgt dat alle relevante informatie van de marktpartijen eerder in de bewakingsketen wordt doorgegeven aan de marktpartijen verderop in de bewakingsketen.
Artikel 2
Indien de inhoud van de regeling, zoals ingediend voor erkenning bij de Commissie op 14 juni 2019, wijzigingen ondergaat die gevolgen kunnen hebben voor de grondslag van dit besluit, worden dergelijke wijzigingen onverwijld aan de Commissie gemeld. De Commissie beoordeelt de gemelde wijzigingen om na te gaan of de regeling nog steeds in de juiste mate voldoet aan de duurzaamheidscriteria waarvoor ze is erkend.
Artikel 3
De Commissie kan dit besluit onder meer in de volgende gevallen intrekken:
|
a) |
als duidelijk wordt aangetoond dat de regeling elementen die van belang voor dit besluit worden geacht, niet ten uitvoer heeft gelegd of als een ernstige en structurele inbreuk op deze elementen heeft plaatsgevonden; |
|
b) |
als de regeling geen jaarlijks verslag indient bij de Commissie overeenkomstig artikel 7 quater, lid 6, van Richtlijn 98/70/EG en artikel 18, lid 6, van Richtlijn 2009/28/EG; |
|
c) |
als de regeling de in uitvoeringshandelingen omschreven normen voor onafhankelijke auditing als bedoeld in artikel 7 quater, lid 5, derde alinea, van Richtlijn 98/70/EG en artikel 18, lid 5, derde alinea, van Richtlijn 2009/28/EG niet toepast of geen verbeteringen uitvoert met betrekking tot andere elementen van de regeling die van belang worden geacht voor een blijvende erkenning. |
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Het is van toepassing tot en met 30 juni 2021.
Gedaan te Brussel, 26 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/56 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1972 VAN DE COMMISSIE
van 26 november 2019
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 8396)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU van de Commissie (3) zijn maatregelen op het gebied van de diergezondheid vastgesteld in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten. Deze maatregelen omvatten een verbod op de verzending van zendingen tamme varkens en producten van tamme varkens uit bepaalde gebieden. De in dat uitvoeringsbesluit vastgestelde maatregelen op het gebied van de diergezondheid zijn parallel van toepassing met de in Richtlijn 2001/89/EG van de Raad (4) vastgestelde maatregelen en hebben tot doel de verspreiding van klassieke varkenspest te bestrijden, met name op het niveau van de Unie. |
|
(2) |
Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU voorziet ook in afwijkingen van het verbod op de verzending van levende varkens uit bepaalde gebieden, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. |
|
(3) |
Bij het bepalen van de geldigheidsduur van de bij Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU vastgestelde maatregelen moet rekening worden gehouden met de epidemiologie van klassieke varkenspest en de doeltreffendheid van de diergezondheidsmaatregelen van de in de lijst in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU opgenomen lidstaten ten aanzien van de doelstellingen van de wetgeving van de Unie. Rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de Unie en in aangrenzende derde landen en de inspanningen die nodig zijn om die ziekte te bestrijden, en om te vermijden dat onnodige handelsbeperkingen worden opgelegd, moet de geldigheidsduur van Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU derhalve worden verlengd. |
|
(4) |
In het licht van de huidige epidemie van klassieke varkenspest is het belangrijk dat de maatregelen tegen die ziekte op het niveau van de Unie worden voortgezet en daarom moet bij de verlenging van de geldigheidsduur van Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU rekening worden gehouden met het feit dat met ingang van 21 april 2021 Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (5), die voorziet in beschermingsmaatregelen in geval van dierziekten, van toepassing is. |
|
(5) |
Rekening houdend met de doeltreffendheid van de algemene maatregelen die overeenkomstig Richtlijn 2001/89/EG in Kroatië worden toegepast, het toezicht en de bestaande maatregelen die aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders zijn voorgelegd, moeten bovendien alle gebieden in Kroatië die momenteel in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU zijn opgenomen, nu uit die bijlage worden geschrapt gezien de gunstige epidemiologische situatie van de ziekte in die lidstaat. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU wordt als volgt gewijzigd:In artikel 10 wordt de datum “ 31 december 2019 ” vervangen door “ 21 april 2021 ”.
Artikel 2
Punt 2 van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU wordt geschrapt.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 26 november 2019.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(3) Uitvoeringsbesluit 2013/764/EU van de Commissie van 13 december 2013 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met klassieke varkenspest in sommige lidstaten (PB L 338 van 17.12.2013, blz. 102).
(4) Richtlijn 2001/89/EG van de Raad van 23 oktober 2001 betreffende maatregelen van de Gemeenschap ter bestrijding van klassieke varkenspest (PB L 316 van 1.12.2001, blz. 5).
(5) Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/58 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1973 VAN DE COMMISSIE
van 27 november 2019
tot niet-goedkeuring van zilverkoperzeoliet als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden van de productsoorten 2 en 7
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Die lijst omvat zilverkoperzeoliet (EG-nr.: n.v.t.; CAS-nr.: 130328-19-7). |
|
(2) |
Zilverkoperzeoliet is beoordeeld voor gebruik in producten van productsoort 2 (desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt) en productsoort 7 (filmconserveringsmiddelen). zoals omschreven in de bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012. |
|
(3) |
Zweden is als lidstaat-rapporteur aangewezen en de bevoegde autoriteit van Zweden heeft de beoordelingsverslagen en haar conclusies op 12 juni 2017 bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen ingediend. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 17 oktober 2018 de adviezen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (3) aangenomen, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit. |
|
(5) |
Uit die adviezen blijkt dat van biociden van de productsoorten 2 en 7 die zilverkoperzeoliet bevatten, niet kan worden verwacht dat zij voldoen aan de criteria van artikel 19, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 528/2012 omdat voldoende werkzaamheid niet is aangetoond. |
|
(6) |
Rekening houdend met de adviezen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen mag zilverkoperzeoliet niet worden goedgekeurd voor gebruik in biociden van de productsoorten 2 en 7, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012. |
|
(7) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Zilverkoperzeoliet (EG-nr.: n.v.t.; CAS-nr.: 130328-19-7) wordt niet goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden van de productsoorten 2 en 7.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 27 november 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).
(3) Comité voor biociden (BPC): Advies over de aanvraag voor de goedkeuring van de werkzame stof zilverkoperzeoliet, productsoort: 2, ECHA/BPC/210/2018, aangenomen op 17 oktober 2018; Comité voor biociden (BPC): Advies over de aanvraag voor de goedkeuring van de werkzame stof zilverkoperzeoliet, productsoort: 7, ECHA/BPC/213/2018, aangenomen op 17 oktober 2018.
Rectificaties
|
28.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 307/60 |
Rectificatie van Besluit (GBVB) 2019/1296 van de Raad van 31 juli 2019 ter ondersteuning van de aanscherping van de biologische veiligheid en beveiliging in Oekraïne in overeenstemming met de uitvoering van Resolutie 1540 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inzake de non-proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor
(Publicatieblad van de Europese Unie L 204 van 2.8.2019)
Bladzijde 33, bijlage, punt 3.2.:
in plaats van:
“3.2. Duurzaam diergeneeskundig toezicht op BTP-ziekten in Oekraïne”,
lezen:
“3.2. Duurzaam diergeneeskundig toezicht op aan bijzonder gevaarlijke ziekteverwekkers gerelateerde ziekten in Oekraïne”.