ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 279I

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
31 oktober 2019


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2019/1795 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2019 tot wijziging van Verordeningen (EU) 2019/501 en (EU) 2019/502 wat de toepassingsperioden betreft ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) 2019/1796 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020)

4

 

*

Verordening (EU) 2019/1797 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2019 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2403 wat betreft vismachtigingen voor vissersvaartuigen van de Unie in wateren van het Verenigd Koninkrijk en visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in wateren van de Unie

7

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Besluit (EU) 2019/1798 van het Europees Parlement en de Raad van 14 oktober 2019 tot benoeming van de Europese hoofdaanklager van het Europees Openbaar Ministerie ( PB L 274 van 28.10.2019 )

11

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

31.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 279/1


VERORDENING (EU) 2019/1795 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 oktober 2019

tot wijziging van Verordeningen (EU) 2019/501 en (EU) 2019/502 wat de toepassingsperioden betreft

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1, en artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (het “Verenigd Koninkrijk”) kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen houden op van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, twee jaar na die kennisgeving, tenzij de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen besluit die termijn te verlengen.

(2)

Ter voorbereiding van de mogelijkheid dat het Verenigd Koninkrijk zich zonder akkoord op 30 maart 2019 uit de Unie zou terugtrekken, zijn op 25 maart 2019 Verordening (EU) 2019/501 van het Europees Parlement en de Raad (3) om de basisconnectiviteit in het vervoer van goederen over de weg en van passagiers tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk te waarborgen en Verordening (EU) 2019/502 van het Europees Parlement en de Raad (4) om het luchtvervoer tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk te waarborgen, aangenomen.

(3)

Nadat op 22 maart 2019 over een eerste verlenging overeenstemming werd bereikt, heeft de Europese Raad op 11 april 2019 Besluit (EU) 2019/584 (5) vastgesteld waarin hij, na een verzoek daartoe van het Verenigd Koninkrijk, instemt met de verdere verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn tot en met 31 oktober 2019. Tenzij een terugtrekkingsakkoord met het Verenigd Koninkrijk in werking is getreden op de dag volgende op die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, of de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot een derde verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn besluit, loopt de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn af op 31 oktober 2019.

(4)

Verordening (EU) 2019/501 houdt op van toepassing te zijn op 31 december 2019 en Verordening (EU) 2019/502 houdt op van toepassing te zijn op 30 maart 2020. Om de impact van de verlenging met zeven maanden van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde periode op te vangen, moet de toepassingsperiode van die verordeningen worden verlengd, rekening houdend met de kernbeginselen die ten grondslag liggen aan de noodmaatregelen en hun aanvankelijk bedoelde toepassingsperioden.

(5)

Gelet op de verlenging met zeven maanden van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde periode moet de toepassingstermijn van Verordening (EU) 2019/501 met zeven maanden worden verlengd tot en met 31 juli 2020 om een toepassingsperiode van negen maanden van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie te behouden, zoals aanvankelijk werd beoogd, en om ervoor te zorgen dat, met betrekking tot de toepassingstermijn, de door die verordening nagestreefde doelstelling om de connectiviteit in het wegvervoer na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie tijdelijk te handhaven, wordt bereikt.

(6)

Er moet worden gewaarborgd dat passagiers tijdens geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van internationaal geregeld vervoer tussen Ierland en Noord-Ierland, in de grensregio van Ierland kunnen worden opgenomen en afgezet tijdens dezelfde periode van zes maanden als aanvankelijk bedoeld. Daarom moet de verwijzing naar de in artikel 2, lid 3, onder d), van Verordening (EU) 2019/501 bedoelde einddatum worden vervangen door een verwijzing naar een periode van zes maanden vanaf de datum van toepassing van die verordening.

(7)

Met het oog op de continuïteit bij het opnemen en afzetten van passagiers in de grensregio van Ierland tijdens geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van internationaal geregeld vervoer tussen Ierland en Noord-Ierland moet de geldigheidsduur van de in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2019/501 bedoelde vergunningen voor exploitanten van touringcar- en autobusdiensten uit het Verenigd Koninkrijk worden aangepast aan de nieuwe datum waarop die verordening ophoudt van toepassing te zijn.

(8)

De termijn waarbinnen de Commissie de in artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2019/501 bedoelde gedelegeerde bevoegdheden mag uitoefenen, moet worden aangepast aan de nieuwe datum waarop die verordening ophoudt van toepassing te zijn.

(9)

Gezien de verlenging met zeven maanden van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn zou Verordening (EU) 2019/502, indien er geen aanpassingen zouden plaatsvinden, voor minder dan de helft van de aanvankelijk beoogde termijn van toepassing zijn indien zij op 30 maart 2020 zou ophouden van toepassing te zijn. Dat zou de periode gedurende welke luchtvaartmaatschappijen uit het Verenigd Koninkrijk vluchten naar de Unie mogen uitvoeren, aanzienlijk beperken. Om de aanvankelijk beoogde toepassingstermijn te weerspiegelen, moet de toepassingstermijn van Verordening (EU) 2019/502 met zeven maanden worden verlengd. Om samen te vallen met de laatste dag van het IATA-zomerseizoen 2020 moet Verordening (EU) 2019/502 uiterlijk op 24 oktober 2020 ophouden van toepassing te zijn.

(10)

Gezien de urgentie die voortvloeit uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, is het nodig gebleken een uitzondering te maken op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(11)

Deze verordening moet dringend in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en moet van toepassing zijn met ingang van de dag volgende op die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk. Deze verordening mag evenwel niet van toepassing zijn indien een overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord uiterlijk op die datum in werking is getreden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2019/501

Verordening (EU) 2019/501 wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 2, lid 3, onder d), wordt vervangen door:

“d)

het opnemen en afzetten van passagiers in de grensregio van Ierland tijdens geregeld internationaal vervoer en bijzondere vormen van internationaal geregeld vervoer tussen Ierland en Noord-Ierland, voor een periode van zes maanden vanaf de toepassingsdatum van deze verordening als bedoeld in het tweede lid van artikel 12;”;

2)

in artikel 4 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Vergunningen die overeenkomstig lid 2 van dit artikel geldig blijven, kunnen, wanneer zij onder dezelfde algemene voorwaarden zijn vernieuwd of wanneer zij zijn gewijzigd met betrekking tot haltes, tarieven of dienstregeling en met inachtneming van de voorschriften en procedures die zijn uiteengezet in de artikelen 6 tot en met 11 van Verordening (EG) nr. 1073/2009, uiterlijk tot en met 31 juli 2020 verder worden gebruikt voor de in lid 1 van dit artikel genoemde doelstellingen.”;

3)

in artikel 11 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   De in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend tot 31 juli 2020.”;

4)

in artikel 12 wordt de vierde alinea vervangen door:

“Deze verordening houdt op van toepassing te zijn op 31 juli 2020.”.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EU) 2019/502

In artikel 16, lid 4, wordt punt b) vervangen door:

“b)

24 oktober 2020.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de dag na die waarop de Verdragen overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk.

Deze verordening is echter niet van toepassing indien een overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord uiterlijk op de dag na die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 24 oktober 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

T. TUPPURAINEN


(1)  Advies van 25 september 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 22 oktober 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 24 oktober 2019.

(3)  Verordening (EU) 2019/501 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 betreffende gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het goederen- en personenvervoer over de weg in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie (PB L 85I van 27.3.2019, blz. 39).

(4)  Verordening (EU) 2019/502 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 betreffende gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het luchtvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie (PB L 85 I van 27.3.2019, blz. 49).

(5)  Besluit (EU) 2019/584 van de Europese Raad vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk van 11 april 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 101 van 11.4.2019, blz. 1).


31.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 279/4


VERORDENING (EU) 2019/1796 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 oktober 2019

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 175, derde alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3) is het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) opgericht voor de looptijd van het meerjarig financieel kader, van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013. Het EFG is opgericht om de Unie in staat te stellen solidariteit te tonen met werknemers die worden ontslagen als gevolg van door de globalisering veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen.

(2)

Het toepassingsgebied van het EFG is in 2009 bij Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) in het kader van het Europees economisch herstelplan uitgebreid om ook steun te verlenen aan werknemers die als direct gevolg van de wereldwijde financiële en economische crisis worden ontslagen.

(3)

Bij Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) is het EFG opgericht voor de looptijd van het meerjarig financieel kader, van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. Daarnaast is het toepassingsgebied van het EFG uitgebreid, zodat niet alleen de ontslagen er onder vallen die worden veroorzaakt door grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen ten gevolge van de globalisering en de ontslagen die voortvloeien uit een ernstige economische ontwrichting, veroorzaakt doordat de in Verordening (EG) nr. 546/2009 behandelde wereldwijde financiële en economische crisis aanhoudt, maar ook de ontslagen die voortvloeien uit een eventuele nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis. Bovendien is Verordening (EU) nr. 1309/2013 bij Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (6) gewijzigd om onder meer regels op te nemen waardoor het EFG uitzonderlijk betrekking kan hebben op collectieve aanvragen door in één regio gelegen kleine en middelgrote ondernemingen die actief zijn in verschillende op het niveau van NACE Revisie 2 gedefinieerde sectoren, wanneer de aanvragende lidstaat aantoont dat dergelijke kleine en middelgrote ondernemingen de belangrijkste of de enige soort bedrijven in die regio zijn.

(4)

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord‐Ierland (“het Verenigd Koninkrijk”) kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen zullen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na die kennisgeving, tenzij de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

(5)

Nadat op 22 maart 2019 over een eerste verlenging overeenstemming werd bereikt, heeft de Europese Raad op 11 april 2019 Besluit (EU) 2019/584 (7) vastgesteld waarin hij, na een verzoek daartoe van het Verenigd Koninkrijk, instemt met de verdere verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn tot en met 31 oktober 2019. Tenzij een terugtrekkingsakkoord met het Verenigd Koninkrijk in werking is getreden op de datum volgende op die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, of de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot een derde verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn besluit, loopt de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn af op 31 oktober 2019.

(6)

De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zonder terugtrekkingsakkoord zal naar verwachting negatieve gevolgen hebben voor bepaalde bedrijfstakken en diensten door te leiden tot ontslagen van werknemers in deze sectoren. Verordening (EU) nr. 1309/2013 moet bij deze verordening worden gewijzigd zodat wordt bepaald dat dergelijke ontslagen onder het toepassingsgebied van het EFG vallen. Dit zou garanderen dat het EFG doeltreffend kan reageren door steun te verlenen aan werknemers die werkloos zijn geworden in regio’s, bedrijfstakken, gebieden of arbeidsmarkten die door een ernstige economische ontwrichting worden getroffen als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zonder terugtrekkingsakkoord.

(7)

Gezien de urgentie die voortvloeit uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, is het nodig gebleken een uitzondering te maken op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(8)

Deze verordening moet met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en moet van toepassing zijn met ingang van de dag na die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk. Zij mag echter niet van toepassing zijn indien uiterlijk op die datum een in overeenstemming met artikel 50, lid 2, VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013

In Verordening (EU) nr. 1309/2013 wordt artikel 2, punt a), vervangen door:

“a)

werknemers die werkloos zijn geworden en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, die met name blijken uit een aanzienlijke toename van de invoer in de Unie, een sterke verandering in de handel van de Unie in goederen of diensten, een snelle afname van het marktaandeel van de Unie in een bepaalde sector of een verplaatsing van activiteiten naar derde landen of als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zonder terugtrekkingsakkoord, mits die gedwongen ontslagen een significant negatief effect hebben op de lokale, regionale of nationale economie;”.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de dag na die waarop de Verdragen krachtens artikel 50, lid 3, VEU ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk.

Deze verordening is evenwel niet van toepassing indien, uiterlijk op de datum na die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, een in overeenstemming met artikel 50, lid 2, VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 24 oktober 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D.M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

T. TUPPURAINEN


(1)  Advies van 25 september 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 22 oktober 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 24 oktober 2019.

(3)  Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26).

(5)  Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855).

(6)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(7)  Besluit (EU) 2019/584 van de Europese Raad vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk van 11 april 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 101 van 11.4.2019, blz. 1).


31.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 279/7


VERORDENING (EU) 2019/1797 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 oktober 2019

tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2403 wat betreft vismachtigingen voor vissersvaartuigen van de Unie in wateren van het Verenigd Koninkrijk en visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in wateren van de Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen zullen ophouden van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na die kennisgeving, tenzij de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

(2)

Na een verzoek daartoe van het Verenigd Koninkrijk heeft de Europese Raad op 22 maart 2019 (3) een eerste verlenging verleend. Na een verzoek daartoe van het Verenigd Koninkrijk heeft de Europese Raad op 11 april 2019 besloten (4) tot verdere verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn tot en met 31 oktober 2019. Tenzij een terugtrekkingsakkoord met het Verenigd Koninkrijk in werking is getreden op de dag dat de Verdragen ophouden van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, of de Europese Raad in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen voor een derde keer tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn besluit, loopt de in artikel 50, lid 3, VEU bepaalde termijn af op 31 oktober 2019 en zal het Verenigd Koninkrijk zich zonder akkoord uit de Unie terugtrekken en op 1 november 2019 een derde land worden.

(3)

Het terugtrekkingsakkoord dat op 25 april 2019 werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (5) (het “terugtrekkingsakkoord”) bevat regelingen voor de toepassing van bepalingen van Unierecht op het Verenigd Koninkrijk na de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk. Indien het terugtrekkingsakkoord in werking treedt, zal het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) gedurende de overgangsperiode overeenkomstig het terugtrekkingsakkoord van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk en niet langer van toepassing zijn na het verstrijken van die periode.

(4)

Krachtens het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (6) en de Overeenkomst van de Verenigde Naties van 4 augustus 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden (7) zijn de partijen ertoe verplicht door middel van passende instandhoudings- en beheersmaatregelen te waarborgen dat de levende rijkdommen van de zee op niveaus worden gehouden waarop zij geen gevaar van overexploitatie lopen.

(5)

Bijgevolg moet ervoor worden gezorgd dat de gecombineerde vangstmogelijkheden die beschikbaar zijn voor de Unie en voor het Verenigd Koninkrijk, een duurzaam beheer van de betrokken bestanden waarborgen.

(6)

In Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (8) zijn de regels vastgesteld voor de afgifte en het beheer van vismachtigingen voor vissersvaartuigen die visserijactiviteiten verrichten in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land vallen en voor vissersvaartuigen van derde landen die visserijactiviteiten verrichten in de wateren van de Unie.

(7)

Verordening (EU) 2017/1403 is bij Verordening (EU) 2019/498 van het Europees Parlement en de Raad (9) gewijzigd wat betreft vismachtigingen voor Unievissersvaartuigen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in de wateren van de Unie. Die wijziging zou in de mogelijkheid van blijvende toegang voor vissersvaartuigen van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk tot elkaars wateren voorzien. Tevens werd in een flexibel systeem voorzien dat de Unie in staat zou stellen quota uit te wisselen met het Verenigd Koninkrijk nadat de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk. De periode van toepassing van die bepalingen moet worden verlengd om de afgifte van vismachtigingen voor visserijactiviteiten in elkaars wateren mogelijk te maken bij gebreke van een met het Verenigd Koninkrijk als derde land gesloten visserijovereenkomst, op voorwaarde dat het beheer van de betrokken bestanden duurzaam blijft en in overeenstemming blijft met de voorwaarden die zijn vastgesteld in de voorschriften van het GVB en in de verordeningen van de Raad tot vaststelling van de vangstmogelijkheden.

(8)

De vangstmogelijkheden voor 2019, en voor diepzeebestanden voor 2019 en 2020, werden vastgesteld in 2018 (10), toen het Verenigd Koninkrijk nog een lidstaat was. Die regelingen en de daarin vastgestelde vangstmogelijkheden vormen de basis voor de duurzaamheid van die visserijactiviteiten. Voor alle andere vangstmogelijkheden voor 2020 is het essentieel dat de duurzaamheid van de vangstmogelijkheden wordt gewaarborgd.

(9)

Indien het terugtrekkingsakkoord niet uiterlijk op 31 oktober 2019 wordt geratificeerd, en het Verenigd Koninkrijk zich op 1 november 2019 uit de Unie terugtrekt, is het voor de Unie en het Verenigd Koninkrijk mogelijk niet haalbaar om tijdig vóór de zitting van de Raad van visserijministers in december 2019, die is gepland om de vangstmogelijkheden voor het volgende jaar vast te stellen, een gemeenschappelijke regeling inzake de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden voor 2020 te sluiten. Op zich belet het ontbreken van een gemeenschappelijke regeling de Unie en het Verenigd Koninkrijk echter niet om elkaar toegang tot elkaars wateren te verlenen. In dat geval kunnen zij vismachtigingen aan elkaars vissersvaartuigen afgeven, op voorwaarde dat zij beide aan de voorwaarden voor een duurzaam beheer van de betrokken bestanden voldoen.

(10)

In het licht van de bepalingen en voorwaarden van Verordening (EU) 2017/2403, en als noodzakelijke voorwaarde voor de afgifte van vismachtigingen, moet de Unie daarom beoordelen of het gecombineerde effect van de visserijactiviteiten die zijn vastgesteld in de door de Unie en het Verenigd Koninkrijk voor 2020 ingestelde beheersmaatregelen in overeenstemming is met het duurzame beheer van de betrokken bestanden.

(11)

De verenigbaarheid van de gecombineerde vangstmogelijkheden van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk met het duurzame beheer van de betrokken bestanden moet worden beoordeeld in het licht van het beste beschikbare wetenschappelijke advies voor de betrokken bestanden, de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11) en de criteria en parameters die zijn vastgesteld in de vigerende, ter zake relevante beheersplannen en de desbetreffende verordeningen van de Raad tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2020.

(12)

Indien dergelijke verenigbaarheid kan worden gewaarborgd, is het belangrijk dat de mogelijkheid wordt behouden voor regelingen voor blijvende wederzijdse toegang van vissersvaartuigen van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk tot elkaars wateren in 2020, gezien het belang van de visserij voor het levensonderhoud van tal van kustgemeenschappen.

(13)

De toepassing van alle maatregelen betreffende visserijactiviteiten waarin in de uit hoofde van Verordening (EU) 2019/498 vastgestelde noodmaatregelen wordt voorzien, moet derhalve worden uitgebreid tot het jaar 2020, en Verordening (EU) 2017/2403 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De territoriale werkingssfeer van deze verordening en elke hierin vervatte verwijzing naar het Verenigd Koninkrijk heeft geen betrekking op Gibraltar.

(15)

Deze verordening moet met spoed in werking treden en moet van toepassing zijn met ingang van de datum na die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, tenzij uiterlijk op die datum een met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden. Zij moet van toepassing zijn tot en met 31 december 2020.

(16)

Gezien de urgentie die voortvloeit uit de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, is het nodig gebleken een uitzondering te maken op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(17)

Om zowel de exploitanten van de Unie als die van het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen te blijven vissen overeenkomstig de desbetreffende aan hen toegewezen vangstmogelijkheden, mogen vismachtigingen voor activiteiten in wateren van de Unie alleen aan vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk worden verleend indien en voor zover de Commissie de zekerheid heeft dat het Verenigd Koninkrijk op basis van wederkerigheid toegangsrechten verleent aan vissersvaartuigen van de Unie om visserijactiviteiten te verrichten in wateren van het Verenigd Koninkrijk,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) 2017/2403 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 18 bis wordt “31 december 2019” vervangen door “31 december 2020”.

2.

In artikel 38 bis wordt “31 december 2019” vervangen door “31 december 2020”.

3.

Artikel 38 ter wordt vervangen door:

Artikel 38 ter

Visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk

Vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk mogen visserijactiviteiten verrichten in wateren van de Unie overeenkomstig de voorwaarden die zijn uiteengezet in de verordeningen van de Raad tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2019 en 2020, op voorwaarde dat de vangstmogelijkheden die door zowel de Unie als het Verenigd Koninkrijk zijn vastgesteld gecombineerd in overeenstemming zijn met het duurzame beheer van de betrokken bestanden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013.”.

4.

In artikel 38 quater, lid 2, wordt punt f) vervangen door:

“f)

waar van toepassing, vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van artikel 38 ter.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de datum na die waarop de Verdragen op grond van artikel 50, lid 3, VEU ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is evenwel niet van toepassing indien, uiterlijk op de datum na die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, een terugtrekkingsakkoord in werking is getreden dat overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU met het Verenigd Koninkrijk is gesloten.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 24 oktober 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

De voorzitter

Voor de Raad

T. TUPPURAINEN


(1)  Advies van 25 september 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 22 oktober 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 24 oktober 2019.

(3)  Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk, van 22 maart 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 80I van 22.3.2019, blz. 1).

(4)  Besluit (EU) 2019/584 van de Europese Raad vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk van 11 april 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 101 van 11.4.2019, blz. 1).

(5)  Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB C 144I van 25.4.2019, blz. 1).

(6)  Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).

(7)  PB L 189 van 3.7.1998, blz. 16.

(8)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).

(9)  Verordening (EU) 2019/498 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2403 wat betreft vismachtigingen voor Unievissersvaartuigen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in de wateren van de Unie (PB L 85I van 27.3.2019, blz. 25).

(10)  Verordening (EU) 2019/124 van de Raad van 30 januari 2019 tot vaststelling, voor 2019, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 29 van 31.1.2019, blz. 1) en Verordening (EU) 2018/2025 van de Raad van 17 december 2018 tot vaststelling, voor 2019 en 2020, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen (PB L 325 van 20.12.2018, blz. 7).

(11)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr.639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).


Rectificaties

31.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 279/11


Rectificatie van Besluit (EU) 2019/1798 van het Europees Parlement en de Raad van 14 oktober 2019 tot benoeming van de Europese hoofdaanklager van het Europees Openbaar Ministerie

( Publicatieblad van de Europese Unie L 274 van 28 oktober 2019 )

Op de omslag, in de inhoudsopgave, en op bladzijde 1, in de titel:

in plaats van:

“Besluit (EU) 2019/1798 van het Europees Parlement en de Raad van 14 oktober 2019 tot benoeming van de Europese hoofdaanklager van het Europees Openbaar Ministerie”,

lezen:

”Besluit (EU) 2019/1798 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 tot benoeming van de Europese hoofdaanklager van het Europees Openbaar Ministerie”;

in plaats van:

op bladzijde 2:

“Gedaan te Luxemburg, 14 oktober 2019.”,

lezen:

“Gedaan te Straatsburg, 23 oktober 2019.”.