ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 224

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
28 augustus 2019


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank van 23 juli 2019 inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/23)

1

 

*

Besluit (EU) 2019/1377 van de Europese Centrale Bank van 31 juli 2019 houdende benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/26)

6

 

*

Besluit (EU) 2019/1378 van de Europese Centrale Bank van 9 augustus 2019 houdende wijziging van Besluit ECB/2014/16 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (ECB/2019/27)

9

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van het regelement van orde van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Maart 2019 ( PB L 110 van 25.4.2019 )

12

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

BESLUITEN

28.8.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/1


BESLUIT (EU) 2019/1376 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 23 juli 2019

inzake de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/23)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 1, onder a), b), c), en d), en artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 4, artikel 14, leden 3 en 5, artikel 15, lid 3, en artikel 17, lid 1,

Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (2), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Binnen het kader van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) de exclusieve taak toezicht te houden op kredietinstellingen met het oog op een consistente toepassing van de toezichtnormen, bevordering van de financiële stabiliteit en garantie van gelijke voorwaarden.

(2)

Ingevolge artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 is de ECB exclusief bevoegd om vergunningen van in deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen in te trekken.

(3)

Ingevolge artikel 4, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1014/2013 heeft de ECB de exclusieve bevoegdheid kennisgevingen van verwervingen en afstotingen van gekwalificeerde deelnemingen in kredietinstellingen te beoordelen, uitgezonderd bij de afwikkeling van banken.

(4)

Ingevolge artikel 4, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 is de ECB exclusief bevoegd om met het oog op prudentieel toezicht de taken uit te voeren die toekomen aan de lidstaat van herkomst krachtens het relevante Unierecht voor belangrijke in een deelnemende lidstaat gevestigde kredietinstellingen die een bijkantoor wensen te vestigen of grensoverschrijdende diensten wensen te verlenen in een niet-deelnemende lidstaat. Bovendien moet elke belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor binnen het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat wenst te vestigen ingevolge artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en ingevolge artikel 11, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (3), de nationale bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de belangrijke onder toezicht staande entiteit haar hoofdzetel heeft, op de hoogte te stellen van deze intentie. Ingevolge artikel 11, lid 3, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) mag het bijkantoor zich binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving vestigen en met zijn activiteiten aanvangen voor zover ECB geen andersluidend heeft genomen.

(5)

Ingevolge artikel 4, lid 1, onder b) en d), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 in samenhang met artikel 34, lid 1, onder d), van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) is de ECB exclusief bevoegd om de aan de nationale bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst onder het toepasselijke Unierecht toekomende taak uit te voeren om toestemming te verlenen aan een (belangrijke) kredietinstelling die haar intentie kenbaar heeft gemaakt om zich hoofdelijk borg te stellen voor de verplichtingen van de financiële instelling die haar dochteronderneming is, welke voornemens is om de in bijlage I van Richtlijn 2013/36/EU opgenomen werkzaamheden in een deelnemende lidstaat of in een andere lidstaat te verrichten, hetzij door een bijkantoor op te richten, hetzij door diensten te verlenen.

(6)

Als bevoegde autoriteit moet de ECB jaarlijks een substantieel aantal besluiten nemen inzake paspoortprocedures, de verwervingen van gekwalificeerde deelnemingen in financiële marktdeelnemers en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen. Ter bevordering van het besluitvormingsproces is een delegatiebesluit noodzakelijk betreffende de vaststelling van dergelijke besluiten die de ECB regelmatig moet nemen en die slechts een beperkte beoordelingsmarge kennen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bevestigd dat bevoegdheidsdelegatie noodzakelijk is, opdat een instelling die een aanzienlijk aantal besluiten moet vaststellen, haar taken kan vervullen. Evenzo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de noodzaak van het goed functioneren van het de beslissingsbevoegdheid bezittende orgaan erkend als een beginsel dat inherent is aan alle institutionele stelsels (5).

(7)

De delegatie van besluitvormende bevoegdheden moet beperkt en evenredig zijn en de delegatiereikwijdte moet duidelijk omschreven zijn.

(8)

Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) verduidelijkt de voor de vaststelling van delegatiebesluiten betreffende toezicht te volgen procedure en verduidelijkt tevens aan welke personen besluitvormingsbevoegdheden gedelegeerd mogen worden. Dat besluit doet geen afbreuk aan de vervulling van toezichttaken door de ECB en laat de bevoegdheden van de raad van toezicht onverlet om volledige ontwerpbesluiten aan de Raad van bestuur voor te leggen.

(9)

Indien niet is voldaan aan de in dit besluit vastgelegde criteria voor de vaststelling van een gedelegeerd besluit, moeten besluiten worden vastgesteld overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure van artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013, zoals nader bepaald in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2 (6). Voorts moet de geen-bezwaarprocedure eveneens worden gevolgd indien de hoofden van arbeidseenheden betwijfelen of is voldaan aan de beoordelingscriteria gelet op de complexiteit van de beoordeling.

(10)

ECB-toezichtbesluiten kunnen administratief getoetst worden ingevolge artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en zoals nader bepaald in Besluit ECB/2014/16 (7). In geval van een dergelijke administratieve toetsing houdt de raad van toezicht rekening met het advies van de administratieve raad voor toetsing en legt de Raad van bestuur een nieuw ontwerpbesluit voor ter vaststelling volgens de geen-bezwaarprocedure,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:

1)   “paspoortbesluit”: een besluit van de ECB houdende de oprichting van een bijkantoor door een in een deelnemende of andere lidstaat belangrijke onder toezicht staande entiteit volgens de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 35, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU, in samenhang met artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en de artikelen 11 en 17 van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17).

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder paspoortbesluit ook verstaan een besluit van de ECB dat, in overeenstemming met de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 34, lid 1, onder d), van Richtlijn 2013/36/EU, goedkeuring verleent aan de kennisgeving van een moederonderneming of moederondernemingen om zich hoofdelijk borg te stellen voor de verplichtingen die door de dochteronderneming die voornemens is om de in bijlage I van Richtlijn 2013/36/EU opgenomen activiteiten in een deelnemende of andere lidstaat te verrichten, hetzij door oprichting van een bijkantoor, hetzij door diensten te verlenen, zijn aangegaan;

2)   “bijkantoor”: een bijkantoor zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het van het Europees Parlement en de Raad (8);

3)   “besluit inzake gekwalificeerde deelnemingen”: een besluit van de ECB houdende de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen in een onder toezicht staande entiteit (doelentiteit) ingevolge de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 22 van Richtlijn 2013/36/EU in samenhang met artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

4)   “kredietinstelling”: een kredietinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

5)   “intrekkingsbesluit”: een besluit van de ECB houdende de intrekking van een vergunning van een kredietinstelling gebaseerd op de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU in samenhang met artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

6)   “delegatiebesluit” en “gedelegeerd besluit”: hebben dezelfde betekenis als in artikel 3, respectievelijk punten 2 en 4, van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40);

7)   “hoofden van arbeidseenheden”: hoofden van arbeidseenheden van de ECB aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd om besluiten in het kader van nationale bevoegdheden vast te stellen;

8)   “geen-bezwaarprocedure”: de in artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 opgenomen en in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2 nader bepaalde procedure;

9)   “negatief besluit”: een besluit dat de door de verzoeker aangevraagde vergunning niet of niet volledig verleent, met inbegrip van negatieve besluiten die ingevolge artikel 34, lid 1, onder d), en artikel 35, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU zijn genomen. Een besluit met aanvullende bepalingen, zoals voorwaarden of verplichtingen, wordt als een negatief besluit beschouwd, tenzij die aanvullende bepalingen: a) verzekeren dat de verzoeker voldoet aan de relevante juridische vereisten in artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, en artikel 6, leden 3 en 4, en deze schriftelijk zijn overeengekomen, of b) slechts een of meerdere bestaande vereisten waaraan de verzoeker ingevolge de bepalingen van artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, en artikel 6, leden 3 en 4, moet voldoen, herhalen, of om informatie betreffende de naleving van een of meer van die vereisten verzoeken.

10)   “belangrijke onder toezicht staande entiteit”: een belangrijke onder toezicht staande entiteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17);

11)   “onder toezicht staande entiteit”: een onder toezicht staande entiteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 20, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17);

12)   “groep”: een groep ondernemingen die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen die aan elkaar verbonden zijn door een relatie in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU (9) van het Europees Parlement en de Raad, met inbegrip van enige subgroep;

13)   “nationale bevoegde autoriteit”: een nationale bevoegde autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

14)   “ECB-gids”: een door de Raad van bestuur op voorstel van de raad van toezicht vastgesteld document dat wordt gepubliceerd op de website van de ECB en dat richtsnoeren geeft inzake de uitlegging door de ECB van de wettelijke vereisten.

Artikel 2

Voorwerp en toepassingsgebied

1.   Dit besluit specificeert de criteria voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de ECB voor de vaststelling van paspoortbesluiten, besluiten inzake de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten.

2.   De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden doet geen afbreuk aan de toezichthoudende beoordeling die moet worden uitgevoerd met het oog op het nemen van paspoortbesluiten, besluiten inzake de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten.

Artikel 3

Delegatie van paspoortbesluiten, besluiten inzake gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten

1.   Overeenkomstig artikel 4 van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) delegeert de Raad van bestuur hierbij aan de overeenkomstig artikel 5 van dat besluit door de Raad van bestuur benoemde hoofden van arbeidseenheden van de ECB de bevoegdheid om paspoortbesluiten, besluiten inzake de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten vast te stellen.

2.   Paspoortbesluiten, besluiten inzake de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten worden bij gedelegeerd besluit genomen indien voldaan is aan de in de artikelen 4, 5 en 6 neergelegde vaststellingscriteria voor gedelegeerde besluiten.

3.   Paspoortbesluiten, besluiten inzake de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten worden niet bij gedelegeerd besluit genomen indien de complexiteit van de beoordeling vereist dat ze volgens de geen-bezwaarprocedure worden vastgesteld.

4.   De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden geldt zowel voor de vaststelling van toezichtbesluiten als voor de goedkeuring van positieve beoordelingen door de ECB wanneer een toezichtbesluit niet vereist is.

5.   Negatieve paspoortbesluiten, besluiten inzake de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en intrekkingsbesluiten worden niet bij gedelegeerd besluit vastgesteld.

6.   Wanneer een paspoortbesluit, een besluit inzake de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen of een intrekkingsbesluit niet mag worden vastgesteld bij gedelegeerd besluit, moet het worden vastgesteld overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure.

Artikel 4

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake gekwalificeerde deelnemingen

1.   Besluiten inzake gekwalificeerde deelnemingen worden genomen bij gedelegeerd besluit indien aan een van de volgende criteria is voldaan:

a)

de verwerving van een gekwalificeerde deelneming is het resultaat van de toevoeging of verwijdering van een tussenlaag in de groepsstructuur;

b)

de verwerving van een gekwalificeerde deelneming is het resultaat van een verschuiving in het eigendom van de doelentiteit binnen dezelfde groep;

c)

de verwerving van een gekwalificeerde deelneming is het resultaat van een vergroting van een bestaande gekwalificeerde deelneming, tenzij er materiële wijzigingen zijn opgetreden sinds de laatste beoordeling die aan minstens een van de beoordelingscriteria raakt, of de verwerver verwerft de controle over de doelentiteit.

2.   De beoordeling van de verwervingen van gekwalificeerde deelnemingen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2013/36/EU, zoals omgezet in nationaal recht, daarbij mede de toepasselijke ECB-richtsnoeren of soortgelijke handelingen die door de ECB kunnen worden uitgegeven, alsook de richtsnoeren van de Europese toezichthoudende autoriteiten (10), in aanmerking nemend.

Artikel 5

Criteria voor de aanneming van intrekkingsbesluiten

1.   Intrekkingsbesluiten worden genomen bij gedelegeerd besluit indien aan een van de volgende criteria is voldaan:

a)

het besluit is genomen op verzoek van de onder toezicht staande entiteit of naar aanleiding van een fusie, ten gevolge waarvan de onder toezicht staande entiteit ophoudt te bestaan;

b)

er blijven geen deposito's van het publiek bij de onder toezicht staande entiteit over nadat de opname van kracht is geworden;

c)

de intrekking is gekoppeld aan de reorganisatie binnen een groep.

2.   De beoordeling van de intrekking van vergunningen wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU zoals omgezet in nationaal recht, daarbij mede de toepasselijke ECB-richtsnoeren of soortgelijke handelingen die door de ECB kunnen worden uitgegeven, in aanmerking nemend.

Artikel 6

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde paspoortbesluiten

1.   Ingevolge artikel 11 en artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) genomen paspoortbesluiten inzake de vestiging van een bijkantoor door een belangrijke onder toezicht staande entiteit mogen bij gedelegeerd besluit worden genomen indien de totale activa van het bijkantoor zoals geschat in het programma van werkzaamheden niet meer bedraagt dan 10 % van de totale activa van de belangrijke onder toezicht staande entiteit.

2.   Ingevolge relevante bepalingen van nationaal recht tot omzetting van artikel 34, lid 1, onder d), van Richtlijn 2013/36/EU genomen paspoortbesluiten die goedkeuring verlenen aan de kennisgeving van een moederonderneming of moederondernemingen om zich hoofdelijk borg te stellen voor de aangegane verplichtingen door de financiële instelling die haar dochteronderneming is, mogen bij gedelegeerd besluit worden genomen indien de voorgenomen aansprakelijkheid van de moederonderneming uit hoofde van de borgstelling overeenkomstig het bedrijfsplan van de activiteiten die in het kader van het paspoortbesluit worden verricht, niet meer bedraagt dan 10 % van de totale activa van moederonderneming op individueel niveau.

3.   De beoordeling van verzoeken tot het nemen van paspoortbesluiten ingevolge artikel 11 en artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) wordt uitgevoerd in overeenstemming met de relevante bepalingen van nationaal recht tot omzetting van artikel 35, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU, daarbij mede de toepasselijke ECB-richtsnoeren of soortgelijke handelingen die door de ECB kunnen worden uitgegeven, in aanmerking nemend.

4.   De beoordeling van verzoeken tot het nemen van paspoortbesluiten ingevolge de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 34, lid 1, onder d), van Richtlijn 2013/36/EU wordt uitgevoerd in overeenstemming met de relevante bepalingen van nationaal recht tot omzetting van de artikelen 34, 35 en 39 van Richtlijn 2013/36/EU, daarbij mede de toepasselijke ECB-richtsnoeren of soortgelijke handelingen die door de ECB kunnen worden uitgegeven, in aanmerking nemend.

Artikel 7

Overgangsbepaling

Dit besluit is niet van toepassing op gevallen waarin een ontwerpvoorstel voor een gekwalificeerde deelneming door een nationale bevoegde autoriteit is ingediend bij de ECB of waarin de kennisgeving met betrekking tot de belangrijke onder toezicht staande entiteit om een bijkantoor op te richten of zich borg te stellen voor de aangegane verplichtingen door een kredietinstelling die haar dochteronderneming is, is ingediend door de nationale bevoegde autoriteit bij de ECB voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 23 juli 2019.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.

(3)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(5)  Arrest van het Hof van Justitie van 23 september 1986, AKZO Chemie tegen Commissie, 5/85, ECLI:EU:C:1986:328, punt 37, en arrest van het Hof van Justitie van 26 mei 2005, Carmine Salvatore Tralli tegen ECB, C-301/02 P, ECLI:EU:C:2005:306, punt 59.

(6)  Besluit ECB/2004/2 van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33).

(7)  Besluit ECB/2014/16 van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (PB L 175 van 14.6.2014, blz. 47).

(8)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(10)  Europese Bankautoriteit, Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en Europese Autoriteit voor effecten en markten, Joint Guidelines on the prudential assessment of acquisitions and increases of qualifying holdings in the financial sector, JC/GL/2016/01.


28.8.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/6


BESLUIT (EU) 2019/1377 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 31 juli 2019

houdende benoeming van hoofden van arbeidseenheden voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (ECB/2019/26)

DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 11.6,

Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (1), en met name de artikelen 4 en 5,

Gezien Besluit (EU) 2019/1376 van de Europese Centrale Bank van 23 juli 2019 houdende de delegatie van de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen (2), en met name artikel 3,

Gezien Besluit ECB/2004/2 van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (3), en met name artikel 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om het hoofd te kunnen bieden aan het aanzienlijk aantal besluiten dat de Europese Centrale Bank (ECB) voor de vervulling van haar toezichttaken moet vaststellen, is een procedure ingericht voor de vaststelling van specifieke gedelegeerde besluiten.

(2)

Een delegatiebesluit is van toepassing vanaf de vaststelling van een besluit door de directie waarbij één of meerdere hoofden van arbeidseenheden worden benoemd om besluiten op basis van een gedelegeerd besluit te nemen.

(3)

De directie houdt bij de benoeming van hoofden van arbeidseenheden rekening met het belang van het delegatiebesluit en het aantal geadresseerden aan wie gedelegeerde besluiten gestuurd moeten worden.

(4)

De voorzitter van de raad van toezicht werd geraadpleegd over de hoofden van arbeidseenheden aan wie de bevoegdheid tot de vaststelling van besluiten inzake paspoortprocedures, de verwerving van gekwalificeerde deelnemingen en de intrekking van vergunningen van kredietinstellingen moet worden gedelegeerd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de in artikel 1 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) opgenomen definities.

Artikel 2

Gedelegeerde besluiten inzake gekwalificeerde deelnemingen

1.   Gedelegeerde besluiten krachtens de artikelen 3 en 4 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) waarbij belangrijke onder toezicht staande entiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (4) zijn betrokken worden vastgesteld door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Secretariaat van de raad van toezicht, of bij ontstentenis van deze personen, door het hoofd van de Autorisatiedivisie, en een van de volgende hoofden van arbeidseenheden:

a)

de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht I, indien toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-Generaal Microprudentieel Toezicht I;

b)

de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht II, indien toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht II.

Indien bij een gedelegeerd besluit krachtens de artikelen 3 en 4 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) meer dan één belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is, is de belangrijke onder toezicht staande entiteit de onder toezicht staande entiteit of groep waarin de gekwalificeerde deelneming wordt verworven.

2.   Gedelegeerde besluiten krachtens de artikelen 3 en 4 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) en waarbij geen belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn betrokken, worden vastgesteld door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel toezicht III.

Artikel 3

Gedelegeerde intrekkingsbesluiten

1.   Gedelegeerde intrekkingsbesluiten krachtens de artikelen 3 en 5 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) aangaande belangrijke onder toezicht staande entiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) worden vastgesteld door de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Secretariaat van de raad van toezicht, of bij ontstentenis van deze personen, door het hoofd van de Autorisatiedivisie, en een van de volgende hoofden van arbeidseenheden:

a)

de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht I, indien toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht I;

b)

de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht II, indien toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht II

2.   Gedelegeerde intrekkingsbesluiten krachtens de artikelen 3 en 5 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) aangaande minder belangrijke onder toezicht staande entiteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) worden vastgesteld door de directeur-generaal of de plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel toezicht III.

Artikel 4

Gedelegeerde besluiten inzake paspoortprocedures

Gedelegeerde besluiten krachtens de artikelen 3 en 6 van Besluit (EU) 2019/1376 (ECB/2019/23) worden aangenomen door een van de volgende hoofden van arbeidseenheden:

a)

de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht I, indien toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht I;

b)

de directeur-generaal of een plaatsvervangend directeur-generaal van het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht II, indien toezicht op de betrokken onder toezicht staande entiteit of groep wordt uitgeoefend door het directoraat-generaal Microprudentieel Toezicht II.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 31 juli 2019.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.

(2)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(3)  PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33

(4)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening)(ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).


28.8.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/9


BESLUIT (EU) 2019/1378 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 9 augustus 2019

houdende wijziging van Besluit ECB/2014/16 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (ECB/2019/27)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 24,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het licht van de opgedane ervaring sinds de oprichting van de administratieve raad voor toetsing dienen bepaalde aspecten van de in Besluit ECB/2014/16 (2) neergelegde werkwijze te worden verduidelijkt en waar passend te worden aangepast, in het bijzonder met betrekking tot de rol van de plaatsvervangers.

(2)

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft een methodologie ontwikkeld voor de omslag van de door de aanvragers en door de ECB gemaakte kosten in het kader van de interne administratieve herziening door de administratieve raad voor toetsing van besluiten van de ECB krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013. Deze methodologie dient te worden opgenomen in de werkwijze.

(3)

Besluit ECB/2014/16 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Besluit ECB/2014/16 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   De administratieve raad bestaat uit vijf leden die worden vervangen door twee plaatsvervangers krachtens de in de leden 3 en 4 vastgelegde voorwaarden.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   Een plaatsvervanger vervangt een lid van de administratieve raad bij tijdelijke ongeschiktheid. In het kader van een specifiek toetsingsverzoek vervangt een plaatsvervanger tijdelijk een lid van de administratieve raad in de volgende gevallen:

a)

in alle situaties waarin een belangenconflict kan ontstaan als bedoeld in artikel 11.1 van de Gedragscode voor hoge ambtenaren van de ECB (*1);

b)

het lid is niet beschikbaar op gerechtvaardigde gronden.

(*1)  PB C 89 van 8.3.2019, blz. 2”;"

c)

de volgende leden 4 en 5 worden toegevoegd:

“4.   Een plaatsvervanger zal een lid van de administratieve raad permanent vervangen ingeval van permanente ongeschiktheid, overlijden, ingediend ontslag dan wel ontzetting uit het ambt. In een dergelijk geval zijn zij geen plaatsvervanger meer en wordt de plaatsvervanger door de Raad van bestuur als volwaardig lid van de administratieve raad aangewezen. Een plaatsvervanger zal in hun plaats worden benoemd met inachtneming van de in artikel 4 neergelegde procedure.

5.   De plaatsvervangers nemen volwaardig deel aan de toetsingsprocedures, hetzij door de leden van de administratieve raad tijdelijk te vervangen, hetzij als waarnemer.”.

2)

In artikel 4 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   De ambtstermijn voor de leden van de administratieve raad en de twee plaatsvervangers bedraagt vijf jaar en kan één keer worden verlengd. Indien een plaatsvervangend lid een lid van de administrative raad permanent vervangt in overeenstemming met de voorwaarden in artikel 3, lid 4, wordt een dergelijke vervanging niet beschouwd als een nieuwe benoeming of verlenging en wordt het mandaat geacht te zijn aangevangen op de datum van de benoeming als plaatsvervanger.”.

3)

In artikel 7 wordt lid 5 vervangen door:

“5.   De kennisgeving van toetsing vermeldt duidelijk alle contactgegevens van de verzoeker, zodat de secretaris de verzoeker of diens vertegenwoordiger, al naargelang het geval, mededelingen kan sturen. De secretaris stuurt de verzoeker onverwijld een ontvangstbevestiging, die vermeldt of de kennisgeving van toetsing al dan niet compleet is.”.

4)

In artikel 16 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   De raad voor toetsing neemt een advies aan inzake de toetsing binnen een termijn die passend is gelet op de urgentie van de zaak en niet later dan twee maanden vanaf de datum van ontvangst van het volledige verzoek om toetsing dat alle in overeenstemming met artikel 7, lid 4, in te dienen documenten omvat, de ontvangst waarvan wordt bevestigd overeenkomstig artikel 7, lid 5.”.

5)

In artikel 17 wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Het nieuwe ontwerpbesluit van de raad van toezicht dat het oorspronkelijke besluit vervangt door een besluit waarvan de inhoud identiek is aan die van het oorspronkelijke besluit, of het oorspronkelijke besluit intrekt of wijzigt wordt binnen 30 werkdagen na ontvangst van het advies van de administratieve raad bij de Raad van bestuur ingediend.”

6)

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 3 en 4 worden geschrapt;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

“5.   De Raad van bestuur besluit over de kostenverdeling overeenkomstig de procedure van artikel 13 g.2 van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank, op basis van de methodologie voor het toewijzen van kosten als uiteengezet in de bijlage bij dit besluit.”.

7)

De tekst in bijlage bij dit Besluit wordt ingevoegd als een nieuwe bijlage bij Besluit ECB/2014/16.

Artikel 2

Slotbepaling

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 9 augustus 2019.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  Besluit ECB/2014/16 van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (PB L 175 van 14.6.2014, blz. 47).


BIJLAGE

“BIJLAGE

Methodologie voor de omslag van de door de aanvrager en ECB gemaakte kosten in het kader van een toetsing door de administratieve raad

In de gevallen waarin de Raad van bestuur een oorspronkelijk besluit intrekt of het dispositief wijzigt ten gevolge van een kennisgeving van toetsing, zal de ECB de door de aanvrager gemaakte kosten in het kader van de toetsing vergoeden, met uitzondering van onevenredige kosten die door de aanvrager zijn gemaakt bij het indienen van schriftelijk of mondeling bewijs en kosten betreffende de juridische vertegenwoordiging, die voor rekening van de aanvrager komen. In elk geval overschrijdt de vergoeding van de door de aanvrager gemaakte kosten door de ECB het bedrag van 50 000 EUR per individuele toetsing door de administratieve raad niet.

In gevallen waarin de Raad van bestuur het oorspronkelijke besluit vervangt door een besluit waarvan de inhoud identiek is aan die van het oorspronkelijke besluit, of enkel het niet-operatieve deel (*1) van het oorspronkelijke besluit wijzigt ten gevolge van de kennisgeving van toetsing, zal de aanvrager bijdragen in de door de ECB in het kader van de toetsing gemaakte kosten. Natuurlijke personen moeten een bedrag ineens van 500 EUR betalen. Rechtspersonen moeten een bedrag ineens van 5 000 EUR betalen. De betaling van dit bedrag ineens laat de toepassing van artikel 13 van dit besluit onverlet.

In de gevallen waarin de aanvrager een kennisgeving van toetsing intrekt overeenkomstig artikel 7, lid 6, van dit besluit, zullen de aanvrager en de ECB de eventuele door henzelf gemaakte kosten dragen.


(*1)  Onder het “niet-operatieve deel” wordt verstaan elk deel van het besluit waarin de gronden en motivering van het ECB-besluit zijn opgenomen, ongeacht de bewoordingen die in het besluit zelf worden gebruikt om dat deel aan te geven.”


Rectificaties

28.8.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/12


Rectificatie van het regelement van orde van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Maart 2019

( Publicatieblad van de Europese Unie L 110 van 25 april 2019 )

Bladzijde 43:

De bekendmaking van het regelement van orde van het Europees Economisch en Sociaal Comité — Maart 2019 dient als nietig te worden beschouwd.