ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 201

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
30 juli 2019


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1271 van de Commissie van 25 juli 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 wat betreft het bedrag dat voor Roemenië beschikbaar is voor de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van de kredieten die zijn overgedragen van het begrotingsjaar 2018

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1272 van de Commissie van 29 juli 2019 tot rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen en van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 tot verlening van een vergunning voor een uitbreiding van het gebruik van β-glucanen uit gist als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

3

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1273 van de Commissie van 26 juli 2019 tot vaststelling van bepaalde tijdelijke beschermende maatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest in Slowakije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 5777)  ( 1 )

6

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1274 van de Commissie van 29 juli 2019 betreffende de gelijkwaardigheid van het juridisch en toezichtkader dat van toepassing is op de benchmarks in Australië overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

9

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1275 van de Commissie van 29 juli 2019 betreffende de gelijkwaardigheid van het in Singapore op benchmarks toepasselijke rechts- en toezichtkader overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

13

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1276 van de Commissie van 29 juli 2019 tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2012/627/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Australië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

17

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1277 van de Commissie van 29 juli 2019 tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2012/630/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Canada als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

20

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1278 van de Commissie van 29 juli 2019 tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/248/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Singapore als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

23

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1279 van de Commissie van 29 juli 2019 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten van Amerika als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

26

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1280 van de Commissie van 29 juli 2019 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Mexico als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

30

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1281 van de Commissie van 29 juli 2019 tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/245/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Brazilië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

34

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1282 van de Commissie van 29 juli 2019 tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/246/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Argentinië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

37

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1283 van de Commissie van 29 juli 2019 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Japan als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

40

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/1284 van de Commissie van 29 juli 2019 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Hongkong als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus ( 1 )

43

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1271 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2019

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 wat betreft het bedrag dat voor Roemenië beschikbaar is voor de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van de kredieten die zijn overgedragen van het begrotingsjaar 2018

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 26, lid 6,

Na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 van de Commissie (2) zijn de bedragen vastgesteld die ter beschikking van de lidstaten worden gesteld voor de terugbetaling aan de eindontvangers in het begrotingsjaar 2019. Die bedragen stemmen overeen met de daadwerkelijke verlagingen die de lidstaten in het begrotingsjaar 2018 in het kader van de financiële discipline hebben toegepast, op basis van de uitgavendeclaraties van de lidstaten voor de periode van 16 oktober 2017 tot en met 15 oktober 2018.

(2)

Wat Roemenië betreft, was in de gedetailleerde uitgavendeclaratie niet ten volle rekening gehouden met de drempel van 2 000 EUR die overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) geldt in het kader van de financiële discipline. Daarom was in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 met het oog op een goed financieel beheer geen bedrag voor terugbetaling ter beschikking gesteld van Roemenië.

(3)

Roemenië heeft de Commissie vervolgens in kennis gesteld van het correcte bedrag van de financiële discipline dat in Roemenië had moeten worden toegepast voor het begrotingsjaar 2018 wanneer ten volle rekening wordt gehouden met de drempel van 2 000 EUR. Om de terugbetaling van de betrokken bedragen aan Roemeense landbouwers mogelijk te maken, dient de Commissie het overeenkomstige bedrag dat ter beschikking wordt gesteld van Roemenië, vast te stellen.

(4)

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Aangezien de wijziging waarin deze verordening voorziet, gevolgen heeft voor de toepassing van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848, die met ingang van 1 december 2018 van toepassing is, moet deze verordening ook met ingang van die datum van toepassing worden; deze verordening moet derhalve in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In de tabel in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 wordt na de rij betreffende Portugal het volgende ingevoegd:

“Roemenië

16 669 111 ”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 december 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2019.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1848 van de Commissie van 26 november 2018 inzake de terugbetaling, overeenkomstig artikel 26, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van de kredieten die zijn overgedragen van begrotingsjaar 2018 (PB L 300 van 27.11.2018, blz. 4).

(3)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1272 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

tot rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen en van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 tot verlening van een vergunning voor een uitbreiding van het gebruik van β-glucanen uit gist als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (1), en met name de artikelen 8 en 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2015/2283 moest de Commissie uiterlijk op 1 januari 2018 de Unielijst vaststellen van de krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (2) toegelaten of aangemelde nieuwe voedingsmiddelen.

(2)

De Unielijst van de krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 toegelaten of aangemelde nieuwe voedingsmiddelen is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie (3) vastgesteld.

(3)

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen is gerectificeerd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1023 van de Commissie (4) teneinde er een aantal toegelaten of aangemelde nieuwe voedingsmiddelen in op te nemen die niet op de oorspronkelijke Unielijst waren vermeld.

(4)

Na de bekendmaking van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 en Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1023 heeft de Commissie bijkomende fouten in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 geconstateerd.

(5)

Correcties zijn noodzakelijk om exploitanten van levensmiddelenbedrijven en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten duidelijkheid en rechtszekerheid te verschaffen, en zo te zorgen voor een juiste uitvoering en een juist gebruik van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen.

(6)

Op 22 november 2018 heeft de bevoegde autoriteit van Italië een verzoek om rectificatie van de Unielijst bij de Commissie ingediend in verband met de aanduiding en de specifieke etiketteringsvoorschriften van het nieuwe voedingsmiddel extract van Echinacea purpurea uit celculturen. Dit nieuwe voedingsmiddel was toegelaten volgens de kennisgevingsprocedure van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 258/97. De bevoegde autoriteit van Italië heeft een fout gemaakt door kennis te geven van de verkeerde naam voor de celculturen, en in het verzoek wordt derhalve gevraagd de naam van de celculturen HTN®Vb te vervangen door de naam EchiPure-PC™ in de aanduiding van het nieuwe voedingsmiddel zoals vermeld in de Unielijst en in de specifieke etiketteringsvoorschriften van de levensmiddelen die het bevatten, evenals in de specificaties van het nieuwe voedingsmiddel.

(7)

Een correctie van de aanduiding en van de specifieke etiketteringsvoorschriften in tabel 1 en een correctie van de specificaties in tabel 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 voor het nieuwe voedingsmiddel extract van Echinacea purpurea uit celculturen is derhalve noodzakelijk.

(8)

Het nieuwe voedingsmiddel bèta-glucanen uit gist is onder bepaalde gebruiksvoorwaarden toegelaten bij Uitvoeringsbesluit 2011/762/EU van de Commissie (5). Het gebruik van β-glucanen uit gist in bijkomende levensmiddelencategorieën is later toegelaten bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 van de Commissie (6). In de specificaties voor β-glucanen uit gist in Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 zijn de meeteenheden voor zware metalen onjuist uitgedrukt in mg/g in plaats van mg/kg. Die fout is bijgevolg ook opgenomen in de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 vastgestelde Unielijst. De specificaties voor β-glucanen uit gist met betrekking tot zware metalen in bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 en in tabel 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd.

(9)

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 en Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 moeten dienovereenkomstig worden gerectificeerd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt gerectificeerd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 wordt gerectificeerd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie van 20 december 2017 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen (PB L 351 van 30.12.2017, blz. 72).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1023 van de Commissie van 23 juli 2018 tot rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen (PB L 187 van 24.7.2018, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsbesluit 2011/762/EU van de Commissie van 24 november 2011 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van bèta-glucanen uit gist als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 313 van 26.11.2011, blz. 41).

(6)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 van de Commissie van 10 november 2017 tot verlening van een vergunning voor een uitbreiding van het gebruik van β-glucanen uit gist als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 295 van 14.11.2017, blz. 77).


BIJLAGE

1.   

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt als volgt gerectificeerd:

a)

De vermelding voor extract van Echinacea purpurea uit celculturen in tabel 1 (Toegelaten nieuwe voedingsmiddelen) wordt vervangen door:

Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Voorwaarden waaronder het nieuwe voedingsmiddel mag worden gebruikt

Aanvullende specifieke etiketteringsvoorschriften

Andere voorschriften

Extract van Echinacea purpurea uit celculturen

Gespecificeerde levensmiddelencategorie

Maximumgehalten

Het nieuwe voedingsmiddel wordt op de etikettering van het voedingsmiddel dat het bevat, aangeduid met “gedroogd extract van Echinacea purpurea uit celculturen EchiPure-PC™””.

 

Voedingssupplementen zoals gedefinieerd in Richtlijn 2002/46/EG

Overeenkomstig het normale gebruik in voedingssupplementen van een gelijkaardig extract van bloemen in de bloemhoofdjes van Echinacea purpurea

b)

De vermelding voor extract van Echinacea purpurea uit celculturen in tabel 2 (Specificaties) wordt vervangen door:

Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Specificaties

Extract van Echinacea purpurea uit celculturen

Omschrijving/definitie:

Gedroogd extract van Echinacea purpurea uit celculturen EchiPure-PC™”

c)

De gegevens voor bèta-glucanen uit gist in tabel 2 (Specificaties) onder Zware metalen voor bèta-glucanen uit gist die niet oplosbaar in water maar dispergeerbaar in vele vloeibare matrices zijn worden vervangen door:

 

“Lood: < 0,2 mg/kg

Arseen: < 0,2 mg/kg

Kwik: < 0,1 mg/kg

Cadmium: < 0,1 mg/kg”.

2.   

Bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2078 wordt als volgt gerectificeerd:

De gegevens voor lood, arseen, kwik en cadmium in de tabel Specificaties van β-glucanen uit de gist Saccharomyces cerevisiae worden vervangen door:

“Lood

< 0,2 mg/kg

Arseen

< 0,2 mg/kg

Kwik

< 0,1 mg/kg

Chroom

< 0,1 mg/kg”


BESLUITEN

30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/6


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1273 VAN DE COMMISSIE

van 26 juli 2019

tot vaststelling van bepaalde tijdelijke beschermende maatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest in Slowakije

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 5777)

(Slechts de tekst in de Slowaakse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 3,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire controles in het intra-uniale handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Afrikaanse varkenspest is een virale infectieziekte bij als huisdier gehouden varkens en bij wilde varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de rentabiliteit van de varkenshouderij waardoor de handel in de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord.

(2)

Bij een uitbraak van Afrikaanse varkenspest bestaat het risico dat de ziekteverwekker naar andere varkenshouderijen en naar wilde varkens wordt verspreid. Dan kan de ziekte zich van de ene lidstaat naar de andere en naar derde landen verspreiden door de handel in levende varkens of producten daarvan.

(3)

Bij Richtlijn 2002/60/EG van de Raad (3) zijn in de Unie toe te passen minimummaatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest vastgesteld. Artikel 9 van Richtlijn 2002/60/EG voorziet in de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden bij uitbraken van die ziekte, waar de in de artikelen 10 en 11 van die richtlijn vastgestelde maatregelen moeten worden toegepast.

(4)

Slowakije heeft de Commissie in kennis gesteld van de actuele situatie op het gebied van Afrikaanse varkenspest op zijn grondgebied en heeft overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2002/60/EG beschermings- en toezichtsgebieden ingesteld waar de in de artikelen 10 en 11 van die richtlijn bedoelde maatregelen worden toegepast.

(5)

Om te voorkomen dat de handel in de Unie onnodig wordt verstoord en om te vermijden dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moeten de als beschermings- en toezichtsgebieden voor Afrikaanse varkenspest in Slowakije ingestelde gebieden in samenwerking met die lidstaat op het niveau van de Unie worden omschreven.

(6)

Dienovereenkomstig moeten, in afwachting van de volgende vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, de gebieden die in Slowakije als beschermings- en toezichtsgebieden zijn aangewezen, in de bijlage bij dit besluit worden opgenomen en moet de duur van die regionalisatie worden vastgesteld.

(7)

Dit besluit moet opnieuw worden bekeken tijdens de volgende vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Slowakije ziet erop toe dat de overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2002/60/EG ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden ten minste de gebieden omvatten die in de bijlage bij dit besluit als beschermings- en toezichtsgebieden zijn opgenomen.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing tot en met 30 oktober 2019.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Slowakije.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2019

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)  Richtlijn 2002/60/EG van de Raad van 27 juni 2002 houdende vaststelling van specifieke bepalingen voor de bestrijding van Afrikaanse varkenspest en houdende wijziging van Richtlijn 92/119/EEG met betrekking tot besmettelijke varkensverlamming (Teschenerziekte) en Afrikaanse varkenspest (PB L 192 van 20.7.2002, blz. 27).


BIJLAGE

Slowakije

Gebieden bedoeld in artikel 1

Datum einde geldigheid

Beschermingsgebied

Gemeente Strážne

30 oktober 2019

Toezichtsgebied

Gemeenten Viničky, Ladmovce, Zemplín, Streda n./B., Svätá Mária, Svinice, Rad časť Hrušov, Svätuše, Somotor, M. Kamenec, V. Kamenec, V. Horeš, M. Horeš, Pribeník

30 oktober 2019


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/9


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1274 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

betreffende de gelijkwaardigheid van het juridisch en toezichtkader dat van toepassing is op de benchmarks in Australië overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (1), en met name artikel 30,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2016/1011 voert een gemeenschappelijk kader in om in de Unie de nauwkeurigheid en integriteit te waarborgen van indices die worden gebruikt als benchmarks in financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten.

(2)

Die verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2018 en voor beheerders van buiten de Unie geldt een overgangsperiode die het gebruik van benchmarks van derde landen in de Unie mogelijk maakt. Na het verstrijken van de overgangsperiode mag een benchmark of een combinatie van benchmarks die door een in een derde land gevestigde beheerder wordt aangeboden, in de Unie alleen worden gebruikt indien de benchmark en de beheerder zijn opgenomen in het register dat door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”) wordt bijgehouden na de vaststelling van een gelijkwaardigheidsbesluit door de Commissie, of een erkenning of een bekrachtiging door bevoegde autoriteiten.

(3)

De Commissie is bevoegd om uitvoeringsbesluiten vast te stellen die bepalen dat het juridisch en toezichtkader van een derde land met betrekking tot specifieke beheerders of specifieke benchmarks of families van benchmarks gelijkwaardig is aan de vereisten onder Verordening (EU) 2016/1011. Bij de beoordeling van deze gelijkwaardigheid houdt de Commissie rekening met de vraag of het juridisch kader en de toezichtpraktijk van een derde land de naleving van de IOSCO-beginselen voor financiële benchmarks of, indien van toepassing, van de IOSCO-beginselen voor bureaus voor olieprijsnoteringen (“PRA's”) waarborgt en of dergelijke specifieke beheerders of specifieke benchmarks of families van benchmarks in dat derde land voortdurend aan effectief toezicht en effectieve handhaving zijn onderworpen.

(4)

Benchmarks zoals de Australian Bank Bill Swap Rate en de S&P/ASX 200 Index worden in Australië beheerd en in de Unie gebruikt door een aantal onder toezicht staande entiteiten. Als gevolg daarvan heeft de Commissie de benchmarksregeling in Australië beoordeeld.

(5)

Het wetgevingskader voor de vaststelling van, het toezicht op en het beheer van benchmarks in Australië omvat een vergunningenstelsel en verleent bevoegdheden aan de Australian Securities and Investments Commission (“ASIC”). Het vereist ook dat beheerders van significante benchmarks een benchmarkbeheerdersvergunning van ASIC verkrijgen. Voor benchmarks die door ASIC niet significant zijn verklaard, biedt het wetgevingskader in Australië beheerders de mogelijkheid om in te stemmen met het nationale regelgevingskader door een vergunning aan te vragen bij ASIC in overeenstemming met artikel 908BD van de Corporations Act, waardoor zij onderworpen zijn aan de ASIC-regels voor beheerders en contribuanten.

(6)

ASIC-vergunninghouders zijn onderworpen aan de voorwaarden van de vergunning en aan een reeks juridische vereisten. Juridisch bindende vereisten voor beheerders zijn vastgelegd in de Corporations Act 2001 (“Corporations Act”), de ASIC Financial Benchmark (Administration) Rules 2018 en de ASIC Financial Benchmark (Compelled) Rules 2018. ASIC Regulatory Guide 268, getiteld Licensing regime for financial benchmark administrators (“RG 268”), geeft verdere richtsnoeren voor benchmarkbeheerders. Deel 7.5B van de Corporations Act (zoals gewijzigd bij de Treasury Laws Amendment (2017 Measures No 5) Act 2018) implementeert het wetgevingskader voor de regulering van financiële benchmarks.

(7)

Overeenkomstig artikel 908AC van de Corporations Act kan ASIC bij wetgevingsinstrument verklaren dat een financiële benchmark een significante benchmark is. Alleen de benchmarks die voldoen aan de criteria die in de ACT zijn vastgelegd, kunnen als significante benchmarks worden aangewezen. ASIC moet de zekerheid verkregen hebben dat: i) de benchmark systeemrelevant is voor het Australische financiële stelsel, of ii) er een materieel risico van financiële besmetting of systeeminstabiliteit bestaat in Australië als de beschikbaarheid of integriteit van de benchmark wordt verstoord, of iii) er een materiële impact zou zijn op retail of wholesale beleggers in Australië als de beschikbaarheid of integriteit van de benchmark wordt verstoord.

(8)

ASIC heeft verklaard dat een aantal financiële benchmarks significante benchmarks zijn door middel van ASIC Corporations (Significant Financial Benchmarks) Instrument 2018/420. Onderhavig besluit is beperkt tot de beheerders van die benchmarks die zijn opgesomd in de meest recente toepasselijke versie van ASIC Corporations (Significant Financial Benchmark) Instrument 2018/420. Onderhavig besluit heeft geen betrekking op beheerders van financiële benchmarks die kwalificeren voor vrijstelling van het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2016/1011 in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van die verordening.

(9)

ASIC kan een benchmarkbeheerder een vergunning verlenen met betrekking tot een of meer financiële benchmarks. ASIC moet rekening houden met de factoren die zijn vastgesteld in artikel 908BO(2) van de Corporations Act wanneer zij besluit of zij een vergunning verleent, met betrekking tot een vergunning voorwaarden oplegt, wijzigt of intrekt, een vergunning wijzigt, of een vergunning opschort of annuleert. Een persoon wordt geacht een strafbaar feit te plegen als hij een significante benchmark beheert (of beweert te beheren), maar niet in het bezit is van een benchmarkbeheerdersvergunning die de financiële benchmark specificeert.

(10)

ASIC heeft de ASIC Financial Benchmark (Administration) Rules 2018 (“Administration Rules”) vastgesteld op grond van artikel 908CA van de Corporations Act en de ASIC Financial Benchmark (Compelled) Rules 2018 (“Compelled Rules”) op grond van artikel 908CD van de Corporations Act. De Administration Rules stellen vereisten vast voor benchmarkbeheerders met een vergunning en contribuanten, waaronder vereisten op het gebied van governance en toezicht, vereisten voor uitbesteding, vereisten om belangenconflicten te voorkomen, vereisten inzake de opzet en de methode van de benchmark en vereisten inzake inputgegevens. De Compelled Rules regelen de verplichte generatie of het beheer van een significante benchmark of de verplichte indieningen bij een significante financiële benchmark.

(11)

Bij het opstellen van de beheersregels heeft ASIC rekening gehouden met de “Principles for Financial Benchmarks” van IOSCO, zoals vereist op grond van artikel 908CK van de Corporations Act. Daarnaast heeft ASIC rekening gehouden met de juridische en toezichtkaders met betrekking tot benchmarks in derde landen, waaronder Verordening (EU) 2016/1011, alsook met andere Australische regelingen voor financiële vergunningen.

(12)

In de toelichting bij de Administration Rules wordt geschetst hoe in de Administration Rules en Compelled Rules van ASIC de IOSCO-beginselen tot uitdrukking komen. Meer in het bijzonder bepalen de Administration Rules dat regel 2.1.2 overeenkomt met de IOSCO-beginselen inzake governanceregelingen voor financiële benchmarks. Regel 2.1.3 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake het toezicht op derden die betrokken zijn bij het genereren of beheren van elke financiële benchmark die in de benchmarkbeheerdersvergunning van de vergunninghouder is gespecificeerd. Regel 2.1.4 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake belangenconflicten voor beheerders van financiële benchmarks. Regel 2.2.1 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake opzet van benchmarks. Regel 2.2.2 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake toereikendheid van de gegevens en interne controle op de gegevensverzameling. Regel 2.2.3 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake de inhoud van de methodologie die wordt gebruikt om financiële benchmarks vast te stellen. Subregel 2.2.4(1) stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake wijzigingen in de methodologie die wordt gebruikt om financiële benchmarks vast te stellen. Regel 2.3.1 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake het controlekader voor beheerders, aangezien deze betrekking heeft op het beheer van risico's, alsmede de kernvereisten van andere Australische vergunningsregelingen. Regel 2.4.1 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake de planning voor de overgang of beëindiging van een benchmark met vergunning. Regel 2.5.1 stemt overeen met de IOSCO-beginselen inzake een “Submitter Code of Conduct”. Ten slotte komt Regel 2.6.1 overeen met de IOSCO-beginselen inzake transparantie van benchmarkvaststellingen.

(13)

Daarnaast geeft ASIC regelgevende richtsnoeren (RG 268) voor entiteiten die onderworpen zijn aan de Administration Rules en de Compelled Rules. Daarin is de interpretatie door ASIC van de wet vastgelegd en worden praktische richtsnoeren gegeven voor de wijze waarop entiteiten hun verplichtingen op grond van de wet kunnen nakomen.

(14)

De Commissie concludeert derhalve dat de bindende vereisten met betrekking tot de beheerders van significante benchmarks als aangewezen in ASIC Corporations (Significant Financial Benchmarks) Instrument 2018/420 gelijkwaardig zijn aan de overeenkomstige vereisten onder Verordening (EU) 2016/1011.

(15)

Artikel 30 van Verordening (EU) 2016/1011 vereist ook dat de vereisten voortdurend aan effectief toezicht en effectieve handhaving zijn onderworpen in het derde land.

(16)

Benchmarkbeheerders met een vergunning in Australië staan onder voortdurend toezicht en oversight van ASIC. Artikel 908AF van de Corporations Act bepaalt dat ASIC verantwoordelijk is voor het toezicht op financiële benchmarks waarvoor vergunning is verleend. ASIC is ook verantwoordelijk voor het afdwingen van de naleving door benchmarkbeheerders van hun verplichtingen uit hoofde van de Corporations Act, de Administration Rules en de Compelled Rules, en beoordeelt in dit verband periodiek of benchmarkbeheerders hun vergunningverplichtingen nakomen.

(17)

Artikel 908BQ van de Corporations Act en regel 2.8.1 van de Administration Rules vereisen dat benchmarkbeheerders ASIC in kennis stellen van bepaalde zaken, onder meer indien de vergunninghouder niet heeft voldaan of mogelijk niet langer in staat is te voldoen aan een van zijn regelgevende verplichtingen. ASIC is in staat te beoordelen of vergunninghouders voldoen aan de Corporations Act en de Administration Rules, in overeenstemming met de artikelen 908BR en 908BS van de Corporations Act en de regels 2.8.2 en 2.8.3 van de Administration Rules. ASIC kan ook vragen om een rapport over eender welke aangelegenheid in overeenstemming met artikel 908BV van de Corporations Act, en om een auditverklaring over het rapport van de vergunninghouder over die aangelegenheid vragen. Artikel 908BW van de Corporations Act machtigt ASIC om beoordelingsrapporten op te stellen, deze rapporten zo nodig met bepaalde Australische overheidsagentschappen te delen, en dergelijke rapporten te publiceren.

(18)

Indien een benchmarkbeheerder niet aan zijn regelgevende verplichtingen voldoet, kan ASIC op grond van artikel 908BT van de Corporations Act een vergunninghouder een schriftelijke opdracht geven om specifieke acties te ondernemen waarvan ASIC gelooft dat deze ervoor zullen zorgen dat de vergunninghouder aan deze verplichtingen voldoet. Als de vergunninghouder zich niet aan die schriftelijke aanwijzing houdt, kan ASIC de zaak aanhangig maken bij een rechtbank, die vervolgens kan bevelen dat de vergunninghouder zich aan de aanwijzingen van ASIC houdt. Op grond van de artikelen 908CH en 908CI van de Corporations Act kan ASIC kennisgevingen van inbreuken uitvaardigen of toezeggingen aanvaarden van beheerders die niet hebben voldaan aan hun regelgevende vereisten. Artikel 908CG van de Corporations Act biedt een kader waarbinnen een beheerder die zich niet aan de Administration Rules zou hebben gehouden, als alternatief voor een civiele procedure een boete kan betalen, remediërende maatregelen (waaronder onderwijsprogramma's) kan uitvoeren of instellen, of andere sancties kan aanvaarden dan de betaling van een boete. ASIC kan een vergunning in bepaalde omstandigheden ook opschorten of intrekken op grond van artikel 908BI en 908BJ van de Corporations Act.

(19)

De Compelled Rules stellen ASIC in staat om, indien zij van mening is dat dit in het algemeen belang is, een vergunninghouder te dwingen een significante benchmark te blijven genereren of beheren, of een significante benchmark op een bepaalde manier te genereren of te beheren, onder meer door het wijzigen van de methode die wordt gebruikt om een significante benchmark te genereren of beheren. De Compelled Rules stellen ASIC ook in staat om een contribuant te dwingen gegevens of informatie toe te sturen aan een vergunninghouder voor het genereren of beheren van een significante benchmark, of aan ASIC voor doeleinden die verband houden met het genereren of beheren van een significante benchmark.

(20)

De Commissie concludeert dan ook dat de bindende vereisten met betrekking tot de beheerders van alle benchmark die bij ASIC Corporations (Significant Financial Benchmarks) Instrument 2018/420 als significante financiële benchmark zijn bestempeld, voortdurend onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving.

(21)

EU-benchmarkbeheerders hoeven geen vergunning te verkrijgen voor het gebruik van hun benchmarks in Australië, tenzij een benchmark door ASIC als een significante benchmark is aangewezen, of indien een benchmarkbeheerder vrijwillig een vergunning in Australië wil verkrijgen. ASIC heeft de Commissie meegedeeld dat zij niet voornemens is EU-benchmarks als significant aan te wijzen.

(22)

Dit besluit zal worden aangevuld met samenwerkingsregelingen om de effectieve uitwisseling van informatie en coördinatie van toezichtactiviteiten tussen ESMA en ASIC te waarborgen.

(23)

Dit besluit is gebaseerd op de beoordeling van de op het moment van vaststelling van dit besluit geldende juridisch bindende vereisten met betrekking tot benchmarks in Australië. De Commissie zal de marktontwikkelingen, de ontwikkeling van het juridisch en toezichtkader voor benchmarks en de effectiviteit van de samenwerking tussen toezichthouders met betrekking tot de monitoring en handhaving van deze vereisten regelmatig blijven monitoren om ervoor te zorgen dat voortdurend wordt voldaan aan de vereisten op basis waarvan dit besluit is vastgesteld.

(24)

Dit besluit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Commissie om te allen tijde een specifieke evaluatie uit te voeren indien relevante ontwikkelingen het noodzakelijk maken dat de Commissie dit besluit opnieuw beoordeelt.

(25)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 30 van Verordening (EU) 2016/1011 wordt het juridisch en toezichtkader van Australië dat van toepassing is op de beheerders van financiële benchmarks die als significante benchmarks zijn aangemerkt bij ASIC Corporations (Significant Financial Benchmarks) Instrument 2018/420, zoals bepaald in de laatste toepasselijke versie ervan, geacht gelijkwaardig te zijn aan de vereisten van Verordening (EU) 2016/1011 en voortdurend aan effectief toezicht en effectieve handhaving onderworpen te zijn.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1.


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/13


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1275 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

betreffende de gelijkwaardigheid van het in Singapore op benchmarks toepasselijke rechts- en toezichtkader overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (1), en met name artikel 30,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2016/1011 voert een gemeenschappelijk kader in om in de Unie de nauwkeurigheid en integriteit te waarborgen van indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten.

(2)

Die verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2018 en voor beheerders van buiten de Unie geldt een overgangsperiode die het gebruik van benchmarks van derde landen in de Unie mogelijk maakt. Na het verstrijken van de overgangsperiode mag een benchmark of een combinatie van benchmarks die door een in een derde land gevestigde beheerder wordt aangeboden, in de Unie alleen worden gebruikt wanneer de benchmark en de beheerder zijn opgenomen in het register dat door de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority, hierna “de ESMA” genoemd) wordt bijgehouden na de vaststelling van een gelijkwaardigheidsbesluit door de Commissie, dan wel een erkenning of een bekrachtiging door bevoegde autoriteiten.

(3)

De Commissie is bevoegd om uitvoeringsbesluiten vast te stellen die bepalen dat het rechts- en toezichtkader van een derde land met betrekking tot specifieke beheerders of specifieke benchmarks of families van benchmarks gelijkwaardig is aan de vereisten van Verordening (EU) 2016/1011. Bij de beoordeling van deze gelijkwaardigheid houdt de Commissie rekening met de vraag of het rechtskader en de toezichtpraktijk van een derde land de naleving van de IOSCO-beginselen voor financiële benchmarks of, indien van toepassing, van de IOSCO-beginselen voor bureaus voor olieprijsnoteringen (Oil Price Reporting Agencies, hierna “PRA's” genoemd) waarborgen en of dergelijke specifieke beheerders of specifieke benchmarks of families van benchmarks in het derde land voortdurend aan effectief toezicht en effectieve handhaving zijn onderworpen.

(4)

Benchmarks zoals de Singapore Interbank Offered Rates (SIBOR) en de Singapore Dollar Swap Offer Rate (SOR) worden in Singapore beheerd en in de Unie door een aantal onder toezicht staande entiteiten gebruikt. Daarom heeft de Commissie de in Singapore bestaande benchmarkregeling beoordeeld.

(5)

In de Securities and Futures Act (hierna “de SFA” genoemd) en de Securities and Futures (Financial Benchmarks) Regulations 2018 (hierna “de SFA Benchmarks Regulations” genoemd) is het in Singapore bestaande rechts- en toezichtkader vastgelegd voor beheerders van aangewezen benchmarks en voor contribuanten aan die benchmarks. Bij de opstelling van vereisten uit hoofde van de SFA en de SFA Benchmarks Regulations heeft de Monetary Authority of Singapore (hierna “de MAS” genoemd) de bestaande buitenlandse benchmarkregelingen, met inbegrip van Verordening (EU) 2016/1011, bestudeerd.

(6)

Bij Part VIAA van de SFA wordt een nieuw regelgevingskader ingevoerd op grond waarvan alle benchmarkbeheerders en -contribuanten voor een aangewezen benchmark bij de MAS een vergunning als Authorised Benchmark Administrator (hierna “ABA” genoemd) of Authorised Benchmark Submitter (hierna “ABS” genoemd) moeten aanvragen. Voor een ABA en een ABS gelden specifieke verplichtingen en tevens zijn er specifieke voorschriften van toepassing inzake het verplichte beheer van en de verplichte indiening in verband met een aangewezen benchmark. Voorts verleent de SFA regelgevende bevoegdheden aan de MAS. De door de MAS uitgevaardigde regels zijn juridisch bindend.

(7)

In Section 2 van de SFA wordt een financiële benchmark gedefinieerd als een prijs, rentevoet, index of waarde die i) periodiek wordt vastgesteld door de (directe of indirecte) toepassing van een formule of enigerlei andere berekeningsmethode op informatie of meningsuitingen betreffende transacties op, of de stand van, de markt voor één of meer onderliggende zaken; ii) ter beschikking van het publiek wordt gesteld (hetzij gratis, hetzij tegen betaling), en iii) als referentie wordt gebruikt voor de vaststelling van de te betalen rente of andere verschuldigde bedragen op deposito's of kredietfaciliteiten, voor de vaststelling van de prijs of waarde van een beleggingsproduct, of voor de meting van de prestatie van een door een persoon aangeboden product, voorgeschreven bij regelgeving.

(8)

Overeenkomstig Section 123B van de SFA kan de MAS bij in het staatsblad gepubliceerd Order een financiële benchmark als een aangewezen benchmark aanwijzen. De MAS kan daartoe overgaan als zij ervan overtuigd is dat i) de financiële benchmark systeemrelevant is voor het financiële stelsel van Singapore, ii) een verstoring bij de vaststelling van de financiële benchmark afbreuk kan doen aan het vertrouwen van het publiek in de benchmark of in het financiële stelsel van Singapore, iii) de vaststelling van de financiële benchmark vatbaar kan zijn voor manipulatie, of iv) het anderszins in het belang van het publiek is om tot aanwijzing over te gaan.

(9)

De MAS heeft financiële benchmarks aangewezen bij het overeenkomstig Section 123B van de SFA uitgevaardigde Securities and Futures (Designated Benchmarks) Order 2018. Dit besluit heeft enkel betrekking op de beheerders van die benchmarks die in de meest recente toepasselijke versie van de Securities and Futures (Designated Benchmarks) Order zijn vermeld. Dit besluit heeft geen betrekking op beheerders van financiële benchmarks die overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1011 voor uitsluiting van het toepassingsgebied van genoemde verordening in aanmerking komen.

(10)

Krachtens de SFA (en in het bijzonder de Sections 123D en 123ZC) moeten zowel de beheerders van als de indieners voor aangewezen benchmarks over een vergunning beschikken, tenzij zij anderszins zijn vrijgesteld. De MAS kan met de in de Sections 123F(5), 123F(6), 123F(8), 123J(1) en 123J(6) van de SFA en Regulation 4(1) van de SFA Benchmarks Regulations beschreven factoren rekening houden wanneer zij in verband met een ABA besluit een vergunning te verlenen, op te schorten of in te trekken. Overeenkomstig de Sections 123F(2) en 123F(3) van de SFA kan de MAS ook voor een ABA geldende voorwaarden of beperkingen opleggen, wijzigen of intrekken. Een persoon begaat een strafbaar feit als hij een aangewezen benchmark beheert of zich als beheerder van een aangewezen benchmark uitgeeft zonder over een vergunning te beschikken, tenzij hij van dit vereiste is vrijgesteld.

(11)

Overeenkomstig Section 123O van de SFA moeten benchmarkbeheerders met betrekking tot elk aangewezen benchmark een code opstellen waarin is aangegeven welke normen elke indiener voor de aangewezen benchmark in acht moet nemen. Uit hoofde van Regulation 8 van de SFA Benchmarks Regulations is tevens de oprichting vereist van een toezichtcomité, dat periodieke toetsingen moet verrichten van de reikwijdte, opzet en methodologie van de aangewezen benchmark, alsook van de getroffen regelingen om het beheer van een aangewezen benchmark te faciliteren.

(12)

Krachtens de Sections 123J(4) en 123ZZB van de SFA mag de MAS een ABA ertoe verplichten een aangewezen benchmark te blijven beheren. Op grond van de Sections 123F(2) en 123F(3) van de SFA mag de MAS de ABA voorwaarden opleggen wat het proces voor de vaststelling van de aangewezen benchmark betreft. Krachtens de Sections 123ZI(1) en 123ZJ(1) van de SFA mag de MAS iedere persoon ertoe verplichten een indiener voor een aangewezen benchmark te zijn door de persoon aan te wijzen als een Designated Benchmark Submitter (hierna “DBS” genoemd). De MAS moet rekening houden met de in de Sections 123ZI(2) en 123ZI(3) van de SFA beschreven factoren wanneer zij besluit een persoon als een DBS aan te wijzen of een dergelijke aanwijzing in te trekken. Een DBS is aan dezelfde permanente verplichtingen onderworpen als een ABS.

(13)

Part VIAA van de SFA en de SFA Benchmarks Regulations vormen algemeen genomen een afspiegeling van de IOSCO-beginselen voor financiële benchmarks. Een beheerder is in de eerste plaats verantwoordelijk voor alle aspecten van het beheer van een aangewezen benchmark en onderworpen aan de wettelijke eisen uit hoofde van de SFA en de SFA Benchmarks Regulations. Wanneer een beheerder taken aan een derde uitbesteedt, moet hij de door de MAS uitgevaardigde Guidelines on Outsourcing in acht nemen. Dit alles weerspiegelt de IOSCO-beginselen inzake de algemene verantwoordelijkheid van de beheerder en het toezicht op derden.

(14)

In Section 123A van de SFA staat dat de doelstellingen van het regelgevingskader de bevordering van een eerlijke en transparante vaststelling van financiële benchmarks en de reductie van systeemrisico's zijn. In overeenstemming met deze doelstellingen schrijft Section 123P van de SFA voor dat er steeds adequate governanceregelingen moeten gelden die ervoor zorgen dat de aangewezen benchmark op eerlijke en efficiënte wijze wordt vastgesteld conform het algemene beginsel dat belangenconflicten voor beheerders moeten worden vermeden. Voorts moet erop worden toegezien dat de systemen en controles voor het beheer van een aangewezen benchmark adequaat en passend zijn in het licht van de aard en omvang van de activiteiten van de beheerder, hetgeen in overeenstemming is met het IOSCO-beginsel betreffende het controlekader voor beheerders.

(15)

Aangezien de SFA tevens voorschrijft dat er voor elke aangewezen benchmark een code moet worden opgesteld, waarvoor de beheerder de schriftelijke goedkeuring van de MAS moet verkrijgen, en dat een toezichtcomité moet worden opgericht dat periodieke toetsingen moet verrichten van de reikwijdte en geschiktheid van de definities, alsmede van de opzet en methodologie van de aangewezen benchmark, zijn derhalve ook de beginselen inzake transparantie, methodologie, intern toezicht, periodieke toetsing en de gedragscode van de indiener weerspiegeld.

(16)

Wat het IOSCO-beginsel inzake de overgang betreft, kan de MAS op grond van Section 123J weigeren de vergunning van een ABA in te trekken als dit niet in het algemeen belang is. Section 123S van de SFA en Regulation 13 van de SFA Benchmarks Regulations in combinatie met de Notice on Submission of Periodic Reports for Benchmark Administrators stemmen overeen met het IOSCO-beginsel inzake audits. Section 123R van de SFA en Regulation 12 van de SFA Benchmarks Regulations in verband met benchmarkbeheerders en Section 123ZN(1) van de SFA en Regulation 20 van de SFA Benchmarks Regulations in verband met benchmarkindieners stemmen overeen met het IOSCO-beginsel inzake het controletraject. De Sections 123V en 123ZR van de SFA stemmen overeen met het IOSCO-beginsel inzake de samenwerking met toezichthoudende autoriteiten.

(17)

Daarom kan worden geconcludeerd dat de bindende vereisten met betrekking tot de beheerders van financiële benchmarks die bij de Securities and Futures (Designated Benchmarks) Order als “aangewezen benchmarks” zijn aangewezen, gelijkwaardig zijn aan de overeenkomstige vereisten uit hoofde van Verordening (EU) 2016/1011.

(18)

Artikel 30 van Verordening (EU) 2016/1011 schrijft ook voor dat de bindende vereisten in dat derde land voortdurend aan effectief toezicht en effectieve handhaving moeten worden onderworpen.

(19)

In Singapore staan gereguleerde beheerders en indieners onder voortdurend toezicht en oversight van de MAS. De MAS is verantwoordelijk voor het afdwingen van de naleving door de gereguleerde beheerders en indieners van hun verplichtingen uit hoofde van de SFA en de SFA Benchmarks Regulations; in dit verband beoordeelt zij periodiek of de gereguleerde beheerders en indieners hun verplichtingen nakomen. Bij deze beoordeling kan de MAS rekening houden met alle informatie en verslagen die zij passend acht. In de Sections 123O tot en met 123V van de SFA zijn de algemene verplichtingen vastgelegd, en in de Sections 123F(4) en 123K(6) van de SFA is bepaald dat beheerders moeten voldoen aan alle voorwaarden die aan hun vergunning of vrijstelling verbonden zijn. Op grond van de Sections 123ZZA en 123ZZB van de SFA kan de MAS verdere regelgeving uitvaardigen en aanwijzingen geven waaraan beheerders zich moeten houden.

(20)

Krachtens de Sections 123Q(1) en 123S van de SFA en de Regulations 11, 13(1) en 13(2) van de SFA Benchmarks Regulations moeten beheerders de MAS van bepaalde zaken in kennis stellen, zoals onder meer van het feit dat de beheerder één of meer van zijn regelgevende verplichtingen niet is nagekomen. De MAS beschikt over informatieverzamelingsbevoegdheden, waardoor zij de inachtneming van de SFA door vergunninghouders kan toetsen.

(21)

Bij Section 123ZZB van de SFA wordt de MAS de bevoegdheid verleend aanwijzingen aan beheerders te geven. Zo kan aan de beheerder onder meer een aanwijzing worden gegeven om de MAS een verslag over een duidelijk omschreven aangelegenheid te verstrekken, met inbegrip van een auditverklaring betreffende het verslag over die aangelegenheid. Krachtens de Sections 150 en 150A van de SFA is de MAS bevoegd een beheerder te inspecteren en, in voorkomend geval, het verslag met buitenlandse toezichthouders te delen.

(22)

Indien een benchmarkbeheerder niet aan zijn regelgevende verplichtingen voldoet, kan de MAS op grond van Section 123ZZB van de SFA aanwijzingen geven tot het nemen van duidelijk omschreven maatregelen om de situatie recht te zetten. Op grond van Section 334 van de SFA kan de MAS een beheerder berispen en/of aan het bedrijf of de activiteit van de benchmarkbeheerder voorwaarden of beperkingen opleggen uit hoofde van de Sections 123F(3) en 123K(4) van de SFA. In sommige omstandigheden kan de MAS ook een vergunning of vrijstelling opschorten of intrekken [zie Sections 123J(1), 123J(2), 123J(6), 123N(1) en 123N(3)]. Daarnaast kan de MAS op grond van Section 123ZZC(1) van de SFA een beheerder een verbod opleggen. Bovendien is de niet-naleving van vereisten van de SFA een strafbaar feit. De SFA voorziet in straffen voor inbreuken op de vereisten.

(23)

Tot slot is in artikel 4(n) van het uit hoofde van Section 123E(2) van de SFA uitgegeven Formulier 7 “Application for Authorisation as an Authorised Benchmark Administrator” bepaald dat inachtneming van de IOSCO-beginselen één van de criteria is om een Authorised Benchmark Administrator te zijn. De MAS beoordeelt het beleid en de procedures, alsmede het kader en de controle van een benchmarkbeheerder als onderdeel van het toetsingsproces van een door een benchmarkbeheerder ingediende vergunnings- of vrijstellingsaanvraag. Krachtens Section 123P(1)(a) van de SFA moet een beheerder van een aangewezen benchmark ook alle aan zijn bedrijf en activiteiten verbonden risico's op prudente wijze beheren.

(24)

De Commissie concludeert derhalve dat de bindende vereisten met betrekking tot de beheerders van financiële benchmarks die bij de Securities and Futures (Designated Benchmarks) Order als “aangewezen benchmarks” zijn aangewezen, voortdurend onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving.

(25)

EU-benchmarkbeheerders behoeven geen vergunning aan te vragen voor het gebruik van hun benchmarks in Singapore, tenzij een benchmark door de MAS als een aangewezen benchmark is aangewezen. De MAS heeft de Commissie in kennis gesteld van haar oordeel dat geen van de EU-benchmarks aan de criteria voldoet om in Singapore een aangewezen benchmark te zijn.

(26)

Dit besluit zal worden aangevuld met samenwerkingsregelingen om de effectieve uitwisseling van informatie en de coördinatie van toezichtactiviteiten tussen de ESMA en de MAS te waarborgen.

(27)

Dit besluit is gebaseerd op de beoordeling van de op het moment van vaststelling ervan in Singapore geldende juridisch bindende vereisten met betrekking tot benchmarks. De Commissie zal de marktontwikkelingen, de ontwikkeling van het rechts- en toezichtkader voor benchmarks en de effectiviteit van de samenwerking tussen toezichthouders met betrekking tot de monitoring en handhaving van deze vereisten regelmatig blijven monitoren om ervoor te zorgen dat voortdurend wordt voldaan aan de vereisten op basis waarvan dit besluit is vastgesteld.

(28)

Dit besluit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Commissie om te allen tijde een specifieke evaluatie uit te voeren indien relevante ontwikkelingen het noodzakelijk maken dat de Commissie dit besluit opnieuw beoordeelt.

(29)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 30 van Verordening (EU) 2016/1011 wordt het rechts- en toezichtkader van Singapore dat van toepassing is op de beheerders van financiële benchmarks die bij de meest recente toepasselijke versie van de Securities and Futures (Designated Benchmarks) Order 2018 als aangewezen benchmarks zijn aangewezen, als gelijkwaardig beschouwd aan de vereisten van Verordening (EU) 2016/1011 en geacht voortdurend aan effectief toezicht en effectieve handhaving te zijn onderworpen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1.


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/17


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1276 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2012/627/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Australië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 kan de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit nemen waarin zij verklaart dat het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat in dat derde land toegelaten of geregistreerde ratingbureaus voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de in die verordening vastgestelde vereisten en dat zij onderworpen zijn aan feitelijk toezicht en effectieve handhaving in dat derde land. Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader ten minste voldoen aan de voorwaarden in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(2)

Op 5 oktober 2012 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2012/627/EU (2) aangenomen, waarbij zij heeft vastgesteld dat aan deze drie voorwaarden is voldaan en dat het Australische juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus gelijkwaardig is aan de vereisten van de op dat moment geldende Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(3)

Het Australische juridische en toezichtkader voldoet nog steeds aan de drie voorwaarden die oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 waren neergelegd. Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft aanvullende vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtkader voor die ratingbureaus strenger is geworden. Deze aanvullende vereisten omvatten juridisch bindende regels inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(4)

Artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 bepaalt dat de aanvullende vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing zijn bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(5)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”) om advies gevraagd over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Australië met deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten, en naar haar oordeel gevraagd over het materiële belang van eventuele verschillen.

(6)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technische advies heeft de ESMA geconcludeerd dat het Australische juridische en toezichtkader niet voldoende bepalingen bevat die zouden kunnen voldoen aan de doelstellingen van de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten.

(7)

Bij artikel 3, lid 1, onder w), wordt een definitie van “ratingoutlook” ingevoerd, en bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 worden bepaalde vereisten die op ratings van toepassing zijn, nu uitgebreid tot ratingoutlooks. Ratingoutlooks worden in het Australische juridische en toezichtkader niet expliciet erkend, maar volgens de Australian Securities and Investments Commission vallen ratingoutlooks onder de definitie van “advies over financiële producten” en zijn ze dus onderworpen aan dezelfde vereisten als ratings.

(8)

Om de perceptie van onafhankelijkheid van ratingbureaus ten opzichte van beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten bij Verordening (EU) nr. 462/2013 in artikel 6, lid 4, artikel 6 bis en artikel 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 uitgebreid tot belangenconflicten die worden veroorzaakt door aandeelhouders of leden die een significante positie binnen het ratingbureau bekleden. Overeenkomstig het Australische juridische en toezichtkader moeten ratingbureaus passende regelingen treffen voor het beheer van belangenconflicten die zich voordoen in het kader van hun bedrijfsactiviteit. Belangenconflicten met betrekking tot aandeelhouders komen echter niet expliciet aan bod. Er zijn bijgevolg geen soortgelijke vereisten op grond waarvan het een ratingbureau verboden is een rating af te geven aan een entiteit die een deelneming van meer dan 10 % heeft in het ratingbureau, of consultancy- of adviesdiensten te verlenen aan een entiteit die een deelneming van meer dan 5 % heeft in het ratingbureau.

(9)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert nieuwe bepalingen in om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen wordt gebruikt voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten en wordt beschermd tegen fraude, diefstal of misbruik. Daartoe moeten ratingbureaus op grond van artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie als voorwetenschap behandelen tot aan de openbaarmaking. Het Australische juridische en toezichtkader voorziet in gedetailleerde vereisten met betrekking tot de maatregelen die ratingbureaus moeten nemen om vertrouwelijke informatie over uitgevende instellingen te beschermen. Er is dus een geloofwaardig kader voor de bescherming tegen misbruik van vertrouwelijke informatie.

(10)

Verordening (EU) nr. 462/2013 is erop gericht het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij voert in bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 3, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een verplichting voor ratingbureaus in aan een beoordeelde entiteit de mogelijkheid te bieden om vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook te attenderen op eventuele feitelijke fouten. Het Australische juridische en toezichtkader bevat geen expliciet vereiste voor ratingbureaus om een beoordeelde entiteit te informeren over een rating vóór de publicatie ervan. In plaats daarvan zou een ratingbureau overeenkomstig het Australische juridische en toezichtkader een beoordeelde entiteit slechts informeren wanneer dat haalbaar en passend is, zonder dat een minimale antwoordtermijn geldt.

(11)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in Verordening (EG) nr. 1060/2009 in artikel 8, lid 5a, lid 6, onder a bis) en a ter), en lid 7, waarborgen in om ervoor te zorgen dat wijzigingen in ratingmethodologieën niet leiden tot minder strenge methodologieën. Het Australische juridische en toezichtkader vereist dat beoordeelde entiteiten die worden getroffen door wijzigingen in een methodologie, worden geïnformeerd. Ratingbureaus zijn echter niet verplicht overleg te plegen met marktdeelnemers alvorens een wezenlijke wijziging in een methodologie aan te brengen, de toezichthouder daarvan in kennis te stellen of in een ratingmethodologie vastgestelde fouten te melden op de website van het ratingbureau.

(12)

Verordening (EU) nr. 462/2013 versterkt de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, en bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van/bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen duidelijke en eenvoudig te begrijpen richtsnoeren voegen waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in het ratingproces gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Hoewel ratingbureaus op grond van het Australische juridische en toezichtkader verplicht zijn aan te geven of een rating was aangevraagd en of de beoordeelde entiteit heeft deelgenomen, alsook informatie te verstrekken over eventuele beperkingen van ratings, hoeven zij dergelijke richtsnoeren over de methodologie achter de rating niet aan het publiek te verstrekken.

(13)

Om in de ratingsector de mededinging te versterken en de mogelijkheden voor belangenconflicten te beperken, voert Verordening (EU) nr. 462/2013 in bijlage I, afdeling E, onderafdeling II, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste in dat de vergoedingen die ratingbureaus voor ratings en nevendiensten in rekening brengen, niet discriminerend mogen zijn en op werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie openbaar moeten maken. Op grond van het Australische juridische en toezichtkader zijn ratingbureaus verplicht informatie over de inkomstenstromen aan het publiek openbaar te maken en bepaalde informatie door middel van een jaarverslag aan de toezichthouder te verstrekken; deze verplichting geldt niet voor kleine ratingbureaus. Bovendien zijn ratingbureaus niet verplicht voorlopige ratings aan het publiek bekend te maken en hun vergoedingsschema's of vergoedingen die aan klanten in rekening worden gebracht, aan de toezichthouder te melden. Voorts is er geen vereiste dat de vergoedingen die aan klanten in rekening worden gebracht, op kosten zijn gebaseerd en niet discriminerend zijn.

(14)

Gezien de onderzochte factoren voldoet het Australische juridische en toezichtkader voor ratingbureaus niet aan alle in artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgestelde voorwaarden voor gelijkwaardigheid. Het kan daarom niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan het juridische en toezichtkader dat bij die verordening is ingesteld.

(15)

Uitvoeringsbesluit 2012/627/EU moet derhalve worden ingetrokken.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit 2012/627/EU wordt ingetrokken.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2012/627/EU van de Commissie van 5 oktober 2012 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Australië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 274 van 9.10.2012, blz. 30).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/20


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1277 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2012/630/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Canada als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 kan de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit nemen waarin zij verklaart dat het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat in dat derde land toegelaten of geregistreerde ratingbureaus voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de in die verordening vastgestelde vereisten en dat zij onderworpen zijn aan feitelijk toezicht en effectieve handhaving in dat derde land. Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader ten minste voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(2)

Op 5 oktober 2012 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2012/630/EU (2) vastgesteld, waarin wordt verklaard dat deze drie voorwaarden zijn vervuld en het Canadese juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de op dat moment geldende vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt beschouwd.

(3)

Het Canadese juridische en toezichtkader voldoet nog steeds aan de drie voorwaarden die oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 waren neergelegd. Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn aanvullende vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtkader voor die ratingbureaus strenger is geworden. Deze aanvullende vereisten omvatten juridisch bindende regels voor ratingbureaus inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(4)

In artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 is bepaald dat de aanvullende vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing zijn bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(5)

Op 6 juli 2017 heeft de Canadese toezichthoudende autoriteit een “Notice with proposed amendments to National Instrument 25-101 regarding Designated Rating Organisations” gepubliceerd, waarin staat dat deze wijzigingen noodzakelijk zijn om met nieuwe vereisten voor ratingbureaus in de EU rekening te houden opdat de Unie het Canadese juridische en toezichtkader voor toezicht- en regelgevingsdoeleinden in de Unie als gelijkwaardig blijft erkennen.

(6)

Op 13 juli 2017 heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) om advies gevraagd over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Canada aan deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten, en om zijn oordeel over het wezenlijke belang van eventuele verschillen.

(7)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technische advies heeft de ESMA aangegeven dat het Canadese juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus voldoende bepalingen zou bevatten om aan de doelstellingen van de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten te voldoen indien de voorgestelde wijziging in de regelgeving vóór 1 juni 2018 in wetgeving zou worden neergelegd.

(8)

Op 29 maart 2018 heeft de Canadese toezichthoudende autoriteit op haar website bekendgemaakt dat zij nog steeds bezig is met het bestuderen van de opmerkingen die zij heeft ontvangen tijdens de periode waarin opmerkingen konden worden gemaakt, en voornemens was de wijzigingen in NI 25-101 tot een latere datum in 2018 uit te stellen. De Canadese toezichthoudende autoriteit heeft de Commissiediensten er evenwel van in kennis gesteld dat de plannen om National Instrument 25-101 regarding Designated Rating Organisations te wijzigen momenteel zijn opgeschort, zonder dat een nieuwe tijdsindicatie is gegeven. In de beoordeling die aan dit besluit ten grondslag ligt, zijn alle verwachte wijzigingen derhalve buiten beschouwing gelaten.

(9)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 wordt in artikel 3, lid 1, onder w), een definitie van “ratingoutlook” ingevoerd en worden bepaalde vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 die op ratings van toepassing zijn, thans tot ratingoutlooks uitgebreid. In het Canadese kader staat weliswaar met niet zoveel woorden dat een ratingoutlook iets anders is dan een rating, maar er zijn bepaalde verwijzingen naar maatregelen, adviezen en verslagen die zodanig algemeen zijn dat zij impliciet ratingoutlooks omvatten.

(10)

Om de perceptie van de onafhankelijkheid van ratingbureaus tegenover de beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten in artikel 6, lid 4, en de artikelen 6 bis en 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 bij Verordening (EU) nr. 462/2013 uitgebreid tot belangenconflicten veroorzaakt door aandeelhouders of vennoten die een significante positie binnen het ratingbureau innemen. Het Canadese kader is niet even gedetailleerd of prescriptief als de Unieregeling. Hoewel er sprake is van een algemeen vereiste om redelijke interne mechanismen voor het aanpakken van tekortkomingen op te zetten waarvan de toereikendheid en doelmatigheid zou worden gemonitord en beoordeeld, bestaat er geen even gedetailleerd, uitdrukkelijk vereiste om belangenconflicten in verband met significante aandeelhouders aan te pakken. Bovendien is er geen verbod op het afgeven van een rating aan een entiteit indien een bestuurslid van het ratingbureau of een aandeelhouder die meer dan 10 % van het kapitaal of de stemrechten van het ratingbureau bezit, ook meer dan 10 % van het kapitaal in de beoordeelde entiteit bezit. Er bestaat evenmin een verbod voor een persoon of entiteit die meer dan 5 % van het kapitaal of de stemrechten van een ratingbureau bezit, om consultancy- of adviesdiensten te verlenen aan een beoordeelde entiteit van dat ratingbureau.

(11)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert nieuwe bepalingen in om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten wordt gebruikt en tegen fraude, diefstal of misbruik wordt beschermd. Daartoe moeten ratingbureaus op grond van artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie als voorwetenschap behandelen tot aan de openbaarmaking ervan. Het Canadese juridische en toezichtkader bevat een definitie van voorwetenschap, maar ratings en daaraan gelieerde informatie worden niet automatisch als zodanig erkend.

(12)

Verordening (EU) nr. 462/2013 is erop gericht het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij voert in afdeling D, onderafdeling I, punt 3, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een verplichting voor ratingbureaus in om aan een beoordeelde entiteit de kans te geven vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook op eventuele feitelijke fouten te attenderen. Krachtens het Canadese juridische en toezichtkader moet een ratingbureau een beoordeelde entiteit, zonder te specificeren of dat tijdens haar werkuren moet gebeuren, in kennis stellen van de kritische informatie en voornaamste overwegingen waarop een rating zal worden gebaseerd voordat deze wordt gepubliceerd, al is er geen tijdsbestek vastgesteld waarbinnen de beoordeelde entiteit kan reageren.

(13)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in Verordening (EG) nr. 1060/2009 in artikel 8, lid 5a, lid 6, onder a bis) en onder a ter), en lid 7, waarborgen in om ervoor te zorgen dat wijzigingen in ratingmethodologieën niet tot minder strenge methodologieën leiden. Hoewel het Canadese juridische en toezichtkader voorschrijft dat ratings moeten worden afgegeven op basis van methodologieën die door zorgvuldigheid, systematiek en continuïteit worden gekenmerkt en die worden gevalideerd, is er geen expliciet vereiste dat ratings op basis van gepubliceerde methodologieën moeten worden afgegeven. Ratingbureaus zijn niet verplicht marktdeelnemers over wijzigingen in hun methodologieën te raadplegen of om fouten in hun methodologieën te corrigeren. Evenmin is er sprake van een uitdrukkelijk vereiste om de toezichthouder, andere autoriteiten of getroffen entiteiten in kennis te stellen van fouten in een methodologie die een impact op de ratings van het ratingbureau kunnen hebben.

(14)

Verordening (EU) nr. 462/2013 versterkt de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van en afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen duidelijke en eenvoudig te begrijpen richtsnoeren voegen waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in het ratingproces gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Het Canadese juridische en toezichtkader bevat geen strikte verplichting om bij een rating en een ratingmethodologie adequate richtsnoeren te voegen. Evenmin bestaat er een uitdrukkelijke verplichting voor een ratingbureau om in de rating te benadrukken dat de rating het standpunt van het ratingbureau vertegenwoordigt en dat er slechts in beperkte mate op vertrouwd mag worden.

(15)

Om in de ratingbureausector de mededinging te versterken en de kans op belangenconflicten te beperken, wordt bij Verordening (EU) nr. 462/2013 in afdeling E, onderafdeling II, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste ingevoerd dat de vergoedingen die ratingbureaus voor ratings en nevendiensten in rekening brengen, niet discriminerend mogen zijn en op werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie openbaar moeten maken. Het Canadese juridische en toezichtkader verlangt niet systematisch van ratingbureaus dat zij de toezichthouder of de beoordeelde entiteiten hun prijsstellingsbeleid verstrekken, al kan de toezichthouder in geval van een onderzoek wel om deze informatie verzoeken. Voorts is er geen vereiste dat de vergoedingen die aan klanten in rekening worden gebracht, op kosten zijn gebaseerd en niet discriminerend zijn.

(16)

Gezien de onderzochte factoren voldoet het Canadese juridische en toezichtkader niet aan alle in artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgestelde voorwaarden voor gelijkwaardigheid. Het kan daarom niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan het juridische en toezichtkader dat bij die verordening is ingesteld.

(17)

Uitvoeringsbesluit 2012/630/EU moet daarom worden ingetrokken.

(18)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit 2012/630/EU wordt ingetrokken.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2012/630/EU van de Commissie van 5 oktober 2012 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Canada als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 278 van 12.10.2012, blz. 17).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/23


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1278 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/248/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Singapore als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 kan de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit nemen waarin zij verklaart dat het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat in dat derde land toegelaten of geregistreerde ratingbureaus voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de in die verordening vastgestelde vereisten en dat zij onderworpen zijn aan feitelijk toezicht en effectieve handhaving in dat derde land. Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader ten minste voldoen aan de voorwaarden in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(2)

Op 28 april 2014 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2014/248/EU (2) aangenomen, waarbij zij heeft vastgesteld dat aan deze drie voorwaarden is voldaan en dat het Singaporese juridische en toezichtkader voor ratingbureaus gelijkwaardig is aan de vereisten van de op dat moment geldende Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(3)

Het Singaporese juridische en toezichtkader voldoet nog steeds aan de drie voorwaarden die oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 waren neergelegd. Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft echter aanvullende vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtkader voor die ratingbureaus strenger is geworden. Deze aanvullende vereisten omvatten juridisch bindende regels voor ratingbureaus inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(4)

Artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 bepaalt dat de aanvullende vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing zijn bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(5)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”) om advies gevraagd over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Singapore met deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten, en naar haar oordeel gevraagd over het materiële belang van eventuele verschillen.

(6)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technische advies geeft de ESMA aan dat het Singaporese juridische en toezichtkader niet voldoende bepalingen bevat die zouden kunnen voldoen aan de doelstellingen van de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten.

(7)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in artikel 3, lid 1, onder w), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 een definitie van een ratingoutlook in en breidt bepaalde vereisten voor ratings uit tot ratingoutlooks. Het Singaporese juridische en toezichtkader erkent geen ratingoutlooks

(8)

Om de perceptie van onafhankelijkheid van ratingbureaus ten opzichte van beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten bij Verordening (EU) nr. 462/2013 in artikel 6, lid 4, artikel 6 bis en artikel 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 uitgebreid tot belangenconflicten die worden veroorzaakt door aandeelhouders of leden die een significante positie binnen het ratingbureau bekleden. Het Singaporese juridische en toezichtkader is niet zo gedetailleerd of prescriptief als het EU-stelsel. Er is een vereiste om een interne controlefunctie en interne procedures in te stellen om belangenconflicten te identificeren, te beperken en te voorkomen. Er is echter geen expliciet vereiste om belangenconflicten met betrekking tot aandeelhouders aan te pakken. Er is bijgevolg geen verbod op het afgeven van een rating aan een entiteit indien een bestuurslid van het ratingbureau of een aandeelhouder die meer dan 10 % van het kapitaal of de stemrechten van het ratingbureau bezit, meer dan 10 % van het kapitaal in de beoordeelde entiteit bezit. Er bestaat evenmin een verbod voor een persoon of entiteit die meer dan 5 % van het kapitaal of de stemrechten van een ratingbureau bezit, om consultancy- of adviesdiensten te verlenen aan een beoordeelde entiteit van dat ratingbureau.

(9)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert nieuwe bepalingen in om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen wordt gebruikt voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten en wordt beschermd tegen fraude, diefstal of misbruik. Daartoe moeten ratingbureaus op grond van artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie als voorwetenschap behandelen tot aan de openbaarmaking. Het Singaporese juridische en toezichtkader bevat een definitie van voorwetenschap, maar ratings en daaraan gelieerde informatie worden niet automatisch als zodanig erkend.

(10)

Verordening (EU) nr. 462/2013 is erop gericht het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij voert in bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 3, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een verplichting voor ratingbureaus in aan een beoordeelde entiteit de mogelijkheid te bieden om vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook te attenderen op eventuele feitelijke fouten. Het Singaporese juridische en toezichtkader bevat geen expliciet vereiste voor ratingbureaus om een beoordeelde entiteit te informeren over een rating vóór de publicatie ervan. Een ratingbureau moet een beoordeelde entiteit slechts informeren wanneer dat haalbaar en passend is.

(11)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in Verordening (EG) nr. 1060/2009 in artikel 8, lid 5a, lid 6, onder a bis) en onder a ter), en lid 7, waarborgen in om ervoor te zorgen dat wijzigingen in ratingmethodologieën niet leiden tot minder strenge methodologieën. Op grond van het Singaporese juridische en toezichtkader moet een ratingbureau voorzien in een strikte en formele toetsingsfunctie voor de periodieke toetsing van de ratingmethodologieën. Er bestaat echter geen expliciet vereiste voor een ratingbureau om fouten te corrigeren en een raadpleging te houden over wijzigingen in methodologieën Hoewel ratingbureaus elke wezenlijke wijziging in hun methodologieën openbaar moeten maken, zijn ze in een dergelijk geval niet verplicht de toezichthouder of alle betrokken entiteiten daarvan in kennis te stellen.

(12)

Verordening (EU) nr. 462/2013 versterkt de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, en bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van/bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen duidelijke en eenvoudig te begrijpen richtsnoeren voegen waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in het ratingproces gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Op grond van het Singaporese juridische en toezichtkader moet worden voorzien in adequate richtsnoeren voor ratings en methodologieën.

(13)

Om in de ratingsector de mededinging te versterken en de mogelijkheden voor belangenconflicten te beperken, voert Verordening (EU) nr. 462/2013 in bijlage I, afdeling E, onderafdeling II, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste in dat de vergoedingen die ratingbureaus voor ratings en nevendiensten in rekening brengen, niet discriminerend mogen zijn en op werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie openbaar moeten maken. Het Singaporese juridische en toezichtkader verlangt niet systematisch dat ratingbureaus de toezichthouder of de beoordeelde entiteiten hun prijsstellingsbeleid te verstrekken, hoewel de toezichthouder die informatie kan opvragen als onderdeel van zijn toezichthoudende activiteiten. Voorts is er geen vereiste dat de vergoedingen die aan klanten in rekening worden gebracht, op kosten zijn gebaseerd en niet discriminerend zijn.

(14)

Gezien de onderzochte factoren voldoet het Singaporese juridische en toezichtkader niet aan alle in artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgestelde voorwaarden voor gelijkwaardigheid. Het kan daarom niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan het juridische en toezichtkader dat bij die verordening is ingesteld.

(15)

Uitvoeringsbesluit 2014/248/EU moet derhalve worden ingetrokken.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit 2014/248/EU wordt ingetrokken.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2014/248/EU van de Commissie van 28 april 2014 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Singapore als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 73).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/26


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1279 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten van Amerika als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 machtigt de Commissie om een gelijkwaardigheidsbesluit aan te nemen indien het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat ratingbureaus met een vergunning of een registratie in dat derde land aan de juridisch bindende vereisten van die verordening voldoen en aan effectief toezicht en effectieve handhaving in dat derde land onderworpen zijn.

(2)

Het doel van dit gelijkwaardigheidsbesluit is om ratingbureaus uit de Verenigde Staten, voor zover zij niet systeemrelevant zijn voor de financiële stabiliteit of de integriteit van de financiële markten van een of meer lidstaten, in staat te stellen een certificering aan te vragen bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”, European Securities and Markets Authority). Dit gelijkwaardigheidsbesluit biedt de ESMA de mogelijkheid om die ratingbureaus per geval te beoordelen en een vrijstelling te verlenen van sommige organisatorische vereisten voor ratingbureaus die actief zijn in de Europese Unie, inclusief het vereiste van een fysieke aanwezigheid in de Europese Unie.

(3)

Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader van een derde land ten minste voldoen aan de drie voorwaarden van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(4)

Op 5 oktober 2012 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2012/628/EU (2) vastgesteld, waarin wordt verklaard dat deze drie voorwaarden zijn vervuld en dat het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de op dat moment geldende vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt beschouwd.

(5)

Volgens de eerste voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan vergunning of registratie en moeten zij ook doorlopend onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten schrijft voor dat ratingbureaus zich bij de Securities and Exchange Commission (SEC) als een Nationally Recognized Statistical Ratings Organization (NRSRO) moeten laten registreren opdat hun ratings voor regelgevingsdoeleinden kunnen worden gebruikt. Daarna zijn zij doorlopend aan toezicht van de SEC onderworpen. De SEC beschikt over een breed scala aan toezichtbevoegdheden waardoor zij in staat is na te gaan of ratingbureaus hun wettelijke verplichtingen nakomen. Het betreft onder meer de bevoegdheid om documenten in te zien, om onderzoeken en inspecties ter plaatse te verrichten, alsook om toegang tot gegevens over opgenomen telefoongesprekken en elektronische communicatie op te eisen. De SEC kan deze bevoegdheden niet alleen ten aanzien van ratingbureaus, maar ook ten aanzien van andere bij ratingactiviteiten betrokken personen uitoefenen. Overeenkomstig het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten moet de SEC ten minste jaarlijks een onderzoek naar elke NRSRO instellen en over de bevindingen van deze onderzoeken verslag uitbrengen. Wanneer de SEC heeft vastgesteld dat een NRSRO een uit de toepasselijke voorschriften voortvloeiende verplichting heeft geschonden, kan zij kiezen uit een breed scala aan toezichtmaatregelen om een einde aan de inbreuk te maken. Deze maatregelen omvatten onder meer de bevoegdheid om de registratie in te trekken, om het gebruik van ratings voor regelgevingsdoeleinden op te schorten en om ratingbureaus te bevelen een einde aan de inbreuk te maken. De SEC kan ratingbureaus ook zware straffen opleggen omdat zij de geldende voorschriften hebben overtreden. De NRSRO's zijn bijgevolg doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving onderworpen. De tussen de ESMA en de SEC gesloten samenwerkingsovereenkomst voorziet in de uitwisseling van informatie over de ten aanzien van grensoverschrijdende ratingbureaus getroffen handhavings- en toezichtmaatregelen.

(6)

Overeenkomstig de tweede voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan juridisch bindende regels die gelijkwaardig zijn aan die van de artikelen 6 tot en met 12 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en bijlage I bij die verordening. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten wordt geacht gelijkwaardig te zijn aan Verordening (EG) nr. 1060/2009 wat betreft het beheer van belangenconflicten, de organisatorische processen en procedures die een ratingbureau dient te hebben ingesteld, de kwaliteit van ratings en ratingmethodologieën, de openbaarmaking van ratings en de algemene en periodieke openbaarmaking van ratingactiviteiten. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten voorziet derhalve in een gelijkwaardige bescherming wat integriteit, transparantie, goed bestuur van ratingbureaus en betrouwbaarheid van de ratingactiviteiten betreft.

(7)

Overeenkomstig de derde voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet de regelgeving in een derde land bemoeienis van toezichthoudende autoriteiten en andere overheden van dat derde land met de inhoud van ratings en methodologieën uitsluiten. In dit verband zij erop gewezen dat het de SEC en enigerlei andere overheid in de Verenigde Staten bij wet verboden is zich met de inhoud van ratings en ratingmethodologieën te bemoeien.

(8)

Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten voldoet nog steeds aan de drie oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgelegde voorwaarden. Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft echter aanvullende vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtkader voor die ratingbureaus strenger is geworden. Deze aanvullende vereisten omvatten juridisch bindende regels voor ratingbureaus inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, veranderingen in ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(9)

In artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 is bepaald dat de aanvullende vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing zijn bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(10)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 de ESMA om advies gevraagd over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer de Verenigde Staten aan deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten, en om zijn oordeel over het wezenlijke belang van eventuele verschillen.

(11)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technische advies heeft de ESMA aangegeven dat het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten met betrekking tot ratingbureaus voldoende bepalingen bevat om te voldoen aan de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten.

(12)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 wordt in artikel 3, lid 1, onder w), een definitie van ratingoutlook ingevoerd en worden bepaalde vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 die op ratings van toepassing zijn, thans tot ratingoutlooks uitgebreid. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten erkent ratingwatches, een soort ratingoutlook in de zin van Verordening (EG) nr. 1060/20092, en deze vallen onder het toepassingsgebied ervan.

(13)

Om de perceptie van de onafhankelijkheid van ratingbureaus tegenover de beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten in artikel 6, lid 4, en de artikelen 6 bis en 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 bij Verordening (EU) nr. 462/2013 uitgebreid tot belangenconflicten veroorzaakt door aandeelhouders of vennoten die een significante positie binnen het ratingbureau innemen. Ook het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten bevat bepalingen die bescherming bieden in een situatie waarin aandeelhouders van een NRSRO belangenconflicten voor ratingbureaus kunnen veroorzaken.

(14)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert nieuwe bepalingen in om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten wordt gebruikt en tegen fraude, diefstal of misbruik wordt beschermd. Daartoe moeten ratingbureaus op grond van artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie als voorwetenschap behandelen tot aan de openbaarmaking ervan. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten erkent dat een niet-gepubliceerde ratingactie voorwetenschap kan vormen. Een NRSRO moet over een beleid en procedures beschikken om selectieve en ongepaste openbaarmaking te vermijden van materiële, niet-openbare informatie die in verband met het verlenen van ratingdiensten is verkregen. Er bestaat dus een geloofwaardig kader voor de bescherming van vertrouwelijke informatie tegen misbruik.

(15)

Verordening (EU) nr. 462/2013 is erop gericht het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij voert in afdeling D, onderafdeling I, punt 3, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een verplichting voor ratingbureaus in om aan een beoordeelde entiteit de kans te geven vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook op eventuele feitelijke fouten te attenderen. In het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten is een dergelijk vereiste niet opgenomen, maar een NRSRO moet over procedures beschikken om beoordeelde debiteuren en emittenten van beoordeelde effecten of geldmarktinstrumenten over ratingbesluiten te informeren en om tegen definitieve en hangende ratingbesluiten beroep in te stellen.

(16)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in Verordening (EG) nr. 1060/2009 in artikel 8, lid 5a, lid 6, onder a bis) en onder a ter), en lid 7, waarborgen in om ervoor te zorgen dat wijzigingen in ratingmethodologieën niet tot minder strenge methodologieën leiden. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten schrijft voor dat elke NRSRO degelijk opgestelde gedragsregels moet vaststellen, instandhouden, handhaven en documenteren om ervoor te zorgen dat materiële wijzigingen in procedures en methodologieën terstond worden gepubliceerd op een gemakkelijk toegankelijk deel van de website van de NRSRO. Er bestaat geen specifieke verplichting om een geconstateerde fout in een methodologie te corrigeren, maar een dergelijke verplichting vloeit voort uit meer algemene bepalingen betreffende de kwaliteit van methodologieën.

(17)

Verordening (EU) nr. 462/2013 versterkt de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van en afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen duidelijke en eenvoudig te begrijpen richtsnoeren voegen waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in het ratingproces gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten bevat vereisten die waarborgen dat een ratingactie of -methodologie vergezeld gaat van passende richtsnoeren. Tevens bestaan er vereisten om ervoor te zorgen dat een rating alle relevant geachte informatie weerspiegelt.

(18)

Om in de ratingbureausector de concurrentie te versterken en de kans op belangenconflicten te beperken, wordt bij Verordening (EU) nr. 462/2013 in afdeling E, onderafdeling II, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste ingevoerd dat de vergoedingen die ratingbureaus voor ratings en nevendiensten in rekening brengen, niet discriminerend mogen zijn en op werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie openbaar moeten maken. Het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten omvat algemene verplichtingen betreffende de registratie en bewaring van informatie over vergoedingen en cliëntcommunicatie welke ertoe bijdragen dat de doelstelling van transparantie, concurrentie en verkleining van de kans op belangenconflicten wordt verwezenlijkt, en schrijft tevens voor dat NRSRO's jaarlijks een aantal financiële verslagen bij de SEC moeten indienen.

(19)

Het evenredigheidsbeginsel en een risicogebaseerde aanpak vormen voor de Commissie de leidraad bij de beoordeling van een regelgevingsstelsel van een derde land. Gezien de gezamenlijk onderzochte factoren en het technische advies van ESMA voldoet het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten inzake ratingbureaus aan de voorwaarden van artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en moet het nog steeds als gelijkwaardig aan het bij die verordening ingestelde juridische en toezichtkader worden beschouwd.

(20)

Omwille van de rechtszekerheid moet een nieuw uitvoeringsbesluit worden aangenomen en moet Uitvoeringsbesluit 2012/628/EU dan ook worden ingetrokken.

(21)

De Commissie, bijgestaan door de ESMA, moet de ontwikkeling van de juridische en toezichtsregelingen voor ratingbureaus, de marktontwikkelingen en de effectiviteit van de samenwerking op het gebied van toezicht met betrekking tot monitoring en handhaving in de Verenigde Staten van Amerika regelmatig blijven monitoren om voortdurende naleving te waarborgen.

(22)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 beschouwd.

Artikel 2

Uitvoeringsbesluit 2012/628/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2012/628/EU van de Commissie van 5 oktober 2012 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van de Verenigde Staten van Amerika als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 274 van 9.10.2012, blz. 32).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/30


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1280 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Mexico als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 machtigt de Commissie om een gelijkwaardigheidsbesluit aan te nemen indien het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat ratingbureaus met een vergunning of een registratie in dat derde land aan de juridisch bindende vereisten van die verordening voldoen en aan effectief toezicht en effectieve handhaving in dat derde land onderworpen zijn.

(2)

Het doel van dit gelijkwaardigheidsbesluit is om ratingbureaus uit Mexico, voor zover zij niet systeemrelevant zijn voor de financiële stabiliteit of de integriteit van de financiële markten van een of meer lidstaten, in staat te stellen een certificering aan te vragen bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”, European Securities and Market Authority). Dit gelijkwaardigheidsbesluit biedt de ESMA de mogelijkheid om die ratingbureaus per geval te beoordelen en een vrijstelling te verlenen van sommige organisatorische vereisten voor ratingbureaus die actief zijn in de Europese Unie, inclusief het vereiste van een fysieke aanwezigheid in de Europese Unie.

(3)

Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader van een derde land ten minste voldoen aan de drie voorwaarden van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(4)

Op 28 april 2014 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2014/247/EU (2) vastgesteld, waarin wordt verklaard dat deze drie voorwaarden zijn vervuld en dat het Mexicaanse juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de op dat moment geldende vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt beschouwd.

(5)

Volgens de eerste voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan vergunning of registratie en moeten zij ook doorlopend onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving. Het Mexicaanse kader schrijft voor dat een ratingbureau een vergunning moet hebben en onder toezicht moet staan van de Mexicaanse Commissie voor het bankwezen en het effectenbedrijf (“CNBV”, Comisión Nacional Bancaria y de Valores) om activiteiten te mogen ontplooien en ratingdiensten te mogen verlenen. De CNBV is gemachtigd om alle handelingen of kwesties te onderzoeken die (eventueel) een inbreuk op de wetgeving kunnen vormen. De CNBV beschikt over de bevoegdheid om alle soorten informatie en documenten op te vragen, inspecties ter plaatse uit te voeren en iedere persoon die een bijdrage aan het onderzoek kan leveren op te roepen om voor haar te verschijnen. Ratingbureaus kunnen permanent of tijdelijk een verbod op de uitoefening van werkzaamheden opgelegd krijgen, worden geschorst of hun vergunning moeten inleveren. De CNBV is gemachtigd om bestuurlijke geldboeten op te leggen. De CNBV heeft bij de geregistreerde ratingbureaus jaarlijkse nalevingstoetsingen uitgevoerd en, indien nodig, sancties opgelegd. De tussen de ESMA en de CNBV gesloten samenwerkingsovereenkomst voorziet in de uitwisseling van informatie over de ten aanzien van grensoverschrijdende ratingbureaus getroffen handhavings- en toezichtmaatregelen.

(6)

Overeenkomstig de tweede voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan juridisch bindende regels die gelijkwaardig zijn aan die van de artikelen 6 tot en met 12 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en bijlage I bij die verordening. Overeenkomstig het Mexicaanse juridische en toezichtkader op het gebied van corporate governance moeten ratingbureaus een raad van bestuur hebben die bestaat uit ten hoogste 21 bestuurders, van wie ten minste 25 % aan de onafhankelijkheidsvereisten moet voldoen. Onder meer de onafhankelijke bestuurders moeten bevoegd zijn voor de ontwikkeling van het ratingbeleid en de ratingmethodologieën, de doelmatigheid van het internecontrolesysteem en het toezicht op de compliance- en governanceprocessen. Belangenconflicten moeten worden opgespoord en weggewerkt en, indien van toepassing, moet de compliance officer worden ingelicht over elk potentieel belangenconflict dat ratings kan beïnvloeden. Wanneer een ratingbureau belangenconflicten ontdekt die zijn ratings kunnen beïnvloeden, moet het afzien van het verlenen van diensten. Het Mexicaanse juridische en toezichtkader bevat uitgebreide organisatorische vereisten op het gebied van het bijhouden van gegevens en de geheimhouding, en bepaalt dat ratingbureaus volledig aansprakelijk blijven voor alle uitbestede werkzaamheden. Entiteiten die uitbestedingsdiensten ten behoeve van ratingbureaus verrichten, staan ook onder toezicht van de CNBV. Ratingbureaus moeten voorzien in een formele toetsingsfunctie voor de toetsing van ratingmethodologieën en -modellen. Het Mexicaanse kader bevat tevens een breed scala aan openbaarmakingsverplichtingen met betrekking tot ratings en ratingactiviteiten. Daarom wordt het Mexicaanse juridische en toezichtkader als gelijkwaardig aan Verordening (EG) nr. 1060/2009 beschouwd wat betreft het beheer van belangenconflicten, de organisatorische vereisten, de kwaliteit van de ratings en ratingmethodologieën, de informatieverschaffing over ratings en de algemene en periodieke informatieverschaffing over ratingactiviteiten. Het voorziet zodoende in een gelijkwaardige bescherming wat integriteit, transparantie en goed bestuur van ratingbureaus en betrouwbaarheid van de ratingactiviteiten betreft.

(7)

Overeenkomstig de derde voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet de regelgeving in een derde land bemoeienis van toezichthoudende autoriteiten en andere overheden van dat derde land met de inhoud van ratings en methodologieën uitsluiten. In de Mexicaanse grondwet is bepaald dat bestuursrechtelijke autoriteiten pas mogen optreden wanneer zij daartoe uit hoofde van het toepasselijke recht uitdrukkelijk gemachtigd of bevoegd zijn. Er bestaat geen enkele wettelijke bepaling die de CNBV of een andere overheidsinstantie de bevoegdheid verleent de inhoud van ratings of ratingmethodologieën te beïnvloeden.

(8)

Het Mexicaanse juridische en toezichtkader voldoet nog steeds aan de drie oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgelegde voorwaarden. Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn echter aanvullende vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtkader voor die ratingbureaus strenger is geworden. Deze aanvullende vereisten omvatten juridisch bindende regels voor ratingbureaus inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(9)

In artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 is bepaald dat de aanvullende vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing zijn bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(10)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 de ESMA om advies verzocht over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Mexico met deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten, en naar haar oordeel gevraagd over het materiële belang van eventuele verschillen.

(11)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technische advies heeft de ESMA aangegeven dat het Mexicaanse juridische en toezichtkader met betrekking tot ratingbureaus voldoende bepalingen bevat om aan de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten te voldoen.

(12)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 wordt in artikel 3, lid 1, onder w), een definitie van ratingoutlook ingevoerd en worden bepaalde vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 die op ratings van toepassing zijn, thans tot ratingoutlooks uitgebreid. In het Mexicaanse juridische en toezichtkader staat niet met zoveel woorden dat een ratingoutlook iets anders is dan een rating, maar als een rating tot ratingoutlooks aanleiding geeft, verwacht de CNBV dat een ratingoutlook aan dezelfde transparantie- onafhankelijkheids- en openbaarmakingsvereisten voldoet als een rating. Daarnaast monitort de CNBV in het kader van haar toezichtuitoefening de geschiktheid van ratingoutlooks samen met de bijbehorende ratings.

(13)

Om de perceptie van de onafhankelijkheid van ratingbureaus tegenover de beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten in artikel 6, lid 4, en de artikelen 6 bis en 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 bij Verordening (EU) nr. 462/2013 uitgebreid tot belangenconflicten veroorzaakt door aandeelhouders of vennoten die een significante positie binnen het ratingbureau innemen. Het Mexicaanse juridische en toezichtkader voorziet in een voor aandeelhouders en bestuursleden geldend algemeen verbod op het directe of indirecte bezit van aandelen van de beoordeelde entiteit. Voorts mogen ratingbureaus geen diensten verlenen aan cliënten die meer dan 5 % van hun kapitaal in handen hebben.

(14)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 worden nieuwe bepalingen ingevoerd om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten wordt gebruikt en tegen fraude, diefstal of misbruik wordt beschermd. Daartoe moeten ratingbureaus op grond van artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie als voorwetenschap behandelen tot aan de openbaarmaking ervan. Het Mexicaanse juridische en toezichtkader voorziet in gedetailleerde vereisten met betrekking tot de maatregelen die ratingbureaus moeten nemen om vertrouwelijke informatie over uitgevende instellingen te beschermen. Er bestaat dus een geloofwaardig kader voor de bescherming van vertrouwelijke informatie tegen misbruik.

(15)

Verordening (EU) nr. 462/2013 is erop gericht het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij voert in afdeling D, onderafdeling I, punt 3, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een verplichting voor ratingbureaus in om aan een beoordeelde entiteit de kans te geven vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook op eventuele feitelijke fouten te attenderen. Het Mexicaanse juridische en toezichtkader schrijft voor dat een ratingbureau een beoordeelde entiteit van een rating in kennis moet stellen voordat deze wordt gepubliceerd. Het staat het ratingbureau en de beoordeelde entiteit toe onderling overeen te komen of het ratingbureau de cliënt van tevoren in kennis moet stellen en, zo ja, over hoeveel tijd de entiteit beschikt om opmerkingen te formuleren voordat de rating wordt gepubliceerd.

(16)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in Verordening (EG) nr. 1060/2009 in artikel 8, lid 5a, lid 6, onder a bis) en onder a ter), en lid 7, waarborgen in om ervoor te zorgen dat wijzigingen in ratingmethodologieën niet tot minder strenge methodologieën leiden. Overeenkomstig het Mexicaanse juridische en toezichtkader moet een ratingbureau overgaan tot de bekendmaking op zijn website van alle methodologieën en procedures die worden gehanteerd voor het onderzoek naar, de analyse van, de oordeelsvorming over en de beoordeling en inachtneming van de kredietkwaliteit voordat deze worden gebruikt; tevens moet het ratingbureau alle materiële wijzigingen in zijn methodologieën bekendmaken zodat het beleggerspubliek deze kan raadplegen. Evenzo moeten ratingbureaus hun methodologieën en modellen toetsen, al is er geen sprake van een uitdrukkelijke verplichting om marktdeelnemers te raadplegen voordat zij hun methodologieën wijzigen, en om in hun methodologieën geconstateerde fouten te corrigeren. Indien een ratingbureau echter aanzienlijke wijzigingen in de ratingmethodologieën aanbrengt, moet het de CNVB in kennis stellen van de in de ratingmethodologie aangebrachte wijzigingen en deze aan het publiek bekendmaken zonder de redenen daarvan te moeten onthullen. Ingeval er sprake is van een wijziging in de ratingmodellen en -methodologieën van een ratingbureau, moet het ratingbureau alle eerder afgegeven ratings herbekijken.

(17)

Verordening (EU) nr. 462/2013 versterkt de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van en afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen duidelijke en eenvoudig te begrijpen richtsnoeren voegen waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in het ratingproces gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Het Mexicaanse juridische en toezichtkader schrijft voor dat een ratingbureau in een rating moet benadrukken dat deze de mening van het ratingbureau weergeeft en waarborgen bevat die ervoor zorgen dat daarin enkel voor de rating relevante informatie is vervat. Er bestaan ook vereisten om te waarborgen dat ratingbureaus voldoende richtsnoeren geven om gebruikers van ratings in staat te stellen deze te begrijpen.

(18)

Om in de ratingbureausector de concurrentie te versterken en de kans op belangenconflicten te beperken, wordt bij Verordening (EU) nr. 462/2013 in afdeling E, onderafdeling II, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste ingevoerd dat de vergoedingen die ratingbureaus voor ratings en nevendiensten in rekening brengen, niet discriminerend mogen zijn en op werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie openbaar moeten maken. Krachtens het Mexicaanse juridische en toezichtkader moet een ratingbureau de CNBV gegevens over aan individuele cliënten in rekening gebrachte vergoedingen verstrekken, waarbij melding moet worden gemaakt van de van iedere cliënt afkomstige inkomsten en tevens een gedetailleerd overzicht moet worden gegeven van alle diensten die tijdens het onmiddellijk voorafgaande jaar aan iedere cliënt zijn verleend. Ratingbureaus moeten bekendmaken of zij van dezelfde beoordeelde entiteit vergoedingen in verband met andere diensten dan ratingdiensten hebben ontvangen en met welk percentage van de met ratingdiensten verband houdende vergoedingen zij overeenstemmen. Bovendien geldt voor de CNVB een algemene verplichting om te waarborgen dat alle cliënten van ratingbureaus eerlijk worden behandeld.

(19)

Het evenredigheidsbeginsel en een risicogebaseerde aanpak vormen voor de Commissie de leidraad bij de beoordeling van een regelgevingsstelsel van een derde land. Gezien de onderzochte factoren voldoet het Mexicaanse juridische en toezichtkader voor ratingbureaus aan de voorwaarden van artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en moet het nog steeds als gelijkwaardig aan het bij die verordening ingestelde juridische en toezichtkader worden beschouwd.

(20)

Omwille van de rechtszekerheid moet een nieuw uitvoeringsbesluit worden aangenomen en moet Uitvoeringsbesluit 2014/247/EU dan ook worden ingetrokken.

(21)

De Commissie, bijgestaan door de ESMA, moet de ontwikkeling van de juridische en toezichtsregelingen voor ratingbureaus, de marktontwikkelingen en de effectiviteit van de samenwerking op het gebied van toezicht met betrekking tot monitoring en handhaving in Mexico regelmatig blijven monitoren om voortdurende naleving te waarborgen.

(22)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt het Mexicaanse juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 beschouwd.

Artikel 2

Uitvoeringsbesluit 2014/247/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2014/247/EU van de Commissie van 28 april 2014 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Mexico als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 71).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/34


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1281 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/245/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Brazilië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 kan de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit nemen waarin zij verklaart dat het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat in dat derde land toegelaten of geregistreerde ratingbureaus voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de in die verordening vastgestelde vereisten en dat zij onderworpen zijn aan feitelijk toezicht en effectieve handhaving in dat derde land. Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader ten minste voldoen aan de voorwaarden in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(2)

Op 28 april 2014 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2014/245/EU (2) vastgesteld, waarin wordt verklaard dat deze drie voorwaarden zijn vervuld en het Braziliaanse juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de op dat moment geldende vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt beschouwd.

(3)

Het Braziliaanse juridische en toezichtkader voldoet nog steeds aan de drie voorwaarden die oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 waren neergelegd. Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft echter aanvullende vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtkader voor die ratingbureaus strenger is geworden. Deze aanvullende vereisten omvatten juridisch bindende regels voor ratingbureaus inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(4)

Artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 bepaalt dat de aanvullende vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing zijn bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(5)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) om advies gevraagd over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Brazilië aan deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten, en om zijn oordeel over het wezenlijke belang van eventuele verschillen.

(6)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technische advies heeft de ESMA geconcludeerd dat het Braziliaanse juridische en toezichtkader niet voldoende bepalingen bevat die zouden kunnen voldoen aan de doelstellingen van de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten.

(7)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 wordt in artikel 3, lid 1, onder w), een definitie van “ratingoutlook” ingevoerd en bepaalde vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 die op ratings van toepassing zijn, zijn nu uitgebreid tot ratingoutlooks. Het Braziliaanse kader erkent ratingoutlooks niet uitdrukkelijk als een afzonderlijk item dat losstaat van ratings, maar de effectencommissie van Brazilië (“Comissão de Valores Mobiliários”) verwacht dat de productie van ratingoutlooks zal voldoen aan al dezelfde vereisten voor de overeenkomstige ratings.

(8)

Om de perceptie van de onafhankelijkheid van ratingbureaus tegenover de beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten in artikel 6, lid 4, en de artikelen 6 bis en 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 bij Verordening (EU) nr. 462/2013 uitgebreid tot belangenconflicten veroorzaakt door aandeelhouders of vennoten die een significante positie binnen het ratingbureau hebben. Het Braziliaanse juridische en toezichtkader vereist dat een ratingbureau passende en doeltreffende organisatorische en administratieve procedures instelt om elk belangenconflict te voorkomen, op te sporen, weg te nemen, te corrigeren en openbaar te maken. Het Braziliaanse juridische en toezichtkader vereist echter niet uitdrukkelijk dat ratingbureaus verantwoording moeten afleggen voor belangenconflicten met betrekking tot aandeelhouders. Er is bijgevolg geen verbod op het afgeven van een rating aan een entiteit indien een bestuurslid van het ratingbureau of een aandeelhouder die meer dan 10 % van het kapitaal of de stemrechten van het ratingbureau bezit, meer dan 10 % van het kapitaal in de beoordeelde entiteit bezit. Er bestaat evenmin een verbod voor een persoon of entiteit die meer dan 5 % van het kapitaal of de stemrechten van een ratingbureau bezit, om consultancy- of adviesdiensten te verlenen aan een beoordeelde entiteit van dat ratingbureau.

(9)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert nieuwe bepalingen in om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen wordt gebruikt voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten en wordt beschermd tegen fraude, diefstal of misbruik. Daartoe moeten ratingbureaus op grond van artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie als voorwetenschap behandelen tot aan de openbaarmaking. Het Braziliaanse juridische en toezichtkader biedt aldus bescherming tegen het misbruik van vertrouwelijke informatie.

(10)

Verordening (EU) nr. 462/2013 is erop gericht het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij voert in bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 3, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een verplichting voor ratingbureaus in aan een beoordeelde entiteit de mogelijkheid te bieden om vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook te attenderen op eventuele feitelijke fouten. Het Braziliaanse juridische en toezichtkader vereist niet dat ratingbureaus de beoordeelde entiteit informeren voorafgaand aan de publicatie van een rating.

(11)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in Verordening (EG) nr. 1060/2009 in artikel 8, lid 5a, lid 6, onder a bis) en onder a ter), en lid 7, waarborgen in om ervoor te zorgen dat wijzigingen in ratingmethodologieën niet leiden tot minder strenge methodologieën. Hoewel het Braziliaanse juridische en toezichtkader erin voorziet dat een ratingbureau aan de regulator en de markt alle wezenlijke wijzigingen in zijn methodologieën moet bekendmaken, heeft het geen vereisten voor ratingbureaus om een raadpleging te houden over wijzigingen in methodologieën of om fouten in hun methodologieën te corrigeren. Hoewel de verplichting bestaat mee te delen in welke mate beoordeelde entiteiten beïnvloed worden door wijzigingen in een methodologie, is er geen verplichting om de reden daarvoor toe te lichten of de toezichthouder daarvan in kennis te stellen.

(12)

Verordening (EU) nr. 462/2013 versterkt de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, en bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van/bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen duidelijke en eenvoudig te begrijpen richtsnoeren voegen waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in het ratingproces gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Het Braziliaanse juridische en toezichtkader vereist dat ratingrapporten methodologieën bevatten die zijn gebruikt om de rating te bepalen, om ervoor te zorgen dat externe partijen de redenen voor een rating begrijpen. Voorts is er geen verplichting om te vermelden dat een rating het standpunt van het ratingbureau vertegenwoordigt en dat er slechts in beperkte mate op vertrouwd mag worden.

(13)

Om in de ratingsector de mededinging te versterken en de mogelijkheden voor belangenconflicten te beperken, voert Verordening (EU) nr. 462/2013 in bijlage I, afdeling E, onderafdeling II, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste in dat de vergoedingen die ratingbureaus voor ratings en nevendiensten in rekening brengen, niet discriminerend mogen zijn en op werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie openbaar moeten maken. Hoewel de Comissão de Valores Mobiliários in het kader van haar toezichtactiviteiten om informatie kan verzoeken, verlangt het Braziliaanse juridische en toezichthoudende kader niet systematisch van ratingbureaus dat zij de toezichthouders of het publiek hun prijsstellingsbeleid verstrekken. Voorts is er geen vereiste dat de vergoedingen die aan klanten in rekening worden gebracht, op kosten zijn gebaseerd en niet discriminerend zijn.

(14)

Gezien de onderzochte factoren voldoet het Braziliaanse juridische en toezichtkader niet aan alle in artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgestelde voorwaarden voor gelijkwaardigheid. Het kan daarom niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan het juridische en toezichtkader dat bij die verordening is ingesteld.

(15)

Uitvoeringsbesluit 2014/245/EU moet daarom worden ingetrokken.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit 2014/245/EU wordt ingetrokken.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2014/245/EU van de Commissie van 28 april 2014 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Brazilië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 65).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/37


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1282 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2014/246/EU van de Commissie betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Argentinië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 kan de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit nemen waarin zij verklaart dat het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat in dat derde land toegelaten of geregistreerde ratingbureaus voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de in die verordening vastgestelde vereisten en dat zij onderworpen zijn aan feitelijk toezicht en effectieve handhaving in dat derde land. Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader van een derde land ten minste voldoen aan de drie voorwaarden van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(2)

Op 28 april 2014 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2014/246/EU (2) vastgesteld, waarin wordt verklaard dat deze drie voorwaarden zijn vervuld en het Argentijnse juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de op dat moment geldende vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt beschouwd.

(3)

Het Argentijnse juridische en toezichtkader voldoet nog steeds aan de drie voorwaarden die oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 waren neergelegd. Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft echter aanvullende vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtkader voor die ratingbureaus strenger is geworden. Deze aanvullende vereisten omvatten juridisch bindende regels voor ratingbureaus inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(4)

Artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 bepaalt dat de aanvullende vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing zijn bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(5)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) om advies gevraagd over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Argentinië aan deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten, en om haar oordeel gevraagd over het materiële belang van eventuele verschillen.

(6)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technische advies heeft de ESMA geconcludeerd dat het Argentijnse juridische en toezichtkader onvoldoende bepalingen bevat die zouden kunnen voldoen aan de doelstellingen van de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde aanvullende vereisten.

(7)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 wordt in artikel 3, lid 1, onder w), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 een definitie van “ratingoutlook” ingevoerd en worden bepaalde vereisten die op ratings van toepassing zijn, uitgebreid tot ratingoutlooks. Hoewel ratingoutlooks een kenmerk van de markt voor ratings vormen, bevat het Argentijnse juridische en toezichtkader hierover geen bepalingen. Aangezien ratingoutlooks niet onder de toezichtsbevoegdheid inzake ratingbureaus van de “Commission Nacional de Valores” (CNV) vallen, kan de CNV niet om informatie over ratingoutlooks verzoeken.

(8)

Om de perceptie van de onafhankelijkheid van ratingbureaus tegenover de beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten in artikel 6, lid 4, en de artikelen 6 bis en 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 bij Verordening (EU) nr. 462/2013 uitgebreid tot belangenconflicten veroorzaakt door aandeelhouders of vennoten die een significante positie binnen het ratingbureau hebben. Het Argentijnse juridische en toezichtkader vereist wel dat een ratingbureau passende en doeltreffende organisatorische en administratieve procedures instelt om elk belangenconflict te voorkomen, op te sporen, weg te nemen, te corrigeren en openbaar te maken. Het Argentijnse juridische en toezichtkader vereist echter niet uitdrukkelijk dat ratingbureaus verantwoording afleggen voor belangenconflicten met betrekking tot aandeelhouders. Er is bijgevolg geen verbod voor een ratingbureau op het afgeven van een rating aan een entiteit die meer dan 10 % van zijn aandelen bezit, of om consultancy- of adviesdiensten te verlenen aan een entiteit die meer dan 5 % van zijn aandelen bezit.

(9)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert nieuwe bepalingen in om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen wordt gebruikt voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten en wordt beschermd tegen fraude, diefstal of misbruik. Daartoe moeten ratingbureaus op grond van artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie als voorwetenschap behandelen tot aan de openbaarmaking. Het Argentijnse juridische en toezichtkader omvat gedetailleerde voorschriften met betrekking tot de stappen die de ratingbureaus moeten nemen ter bescherming van de vertrouwelijke informatie over emittenten waarover zij beschikken. Er bestaat dus een geloofwaardig kader om vertrouwelijke informatie tegen misbruik te beschermen.

(10)

Verordening (EU) nr. 462/2013 is erop gericht het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij voert in bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 3, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een verplichting voor ratingbureaus in aan een beoordeelde entiteit de mogelijkheid te bieden om vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook te attenderen op eventuele feitelijke fouten. Het Argentijnse juridische en toezichtkader verplicht ratingbureaus er niet toe de beoordeelde entiteit in de gelegenheid te stellen om een rating vóór de publicatie ervan te controleren op feitelijke fouten. Een rating moet worden gepubliceerd zodra zij door het ratingcomité is goedgekeurd met het oog op de beleggersbescherming en om ervoor te zorgen dat de markt onverwijld op de hoogte wordt gesteld van elke wijziging van de rating.

(11)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in Verordening (EG) nr. 1060/2009 in artikel 8, lid 5a, lid 6, onder a bis) en onder a ter), en lid 7, waarborgen in om ervoor te zorgen dat wijzigingen in ratingmethodologieën niet leiden tot minder strenge methodologieën. Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen het Argentijnse juridische en toezichtkader en het kader van de Unie. Hoewel volgens het Argentijnse juridische en toezichtkader ratings enkel mogen worden afgegeven in overeenstemming met gepubliceerde methodologieën en deze methodologieën periodiek worden herzien, is er voor ratingbureaus geen expliciete verplichting om een raadpleging te houden over wijzigingen in methodologieën of om fouten in hun methodologieën te corrigeren. Er is evenmin een verplichting om alle betrokken beoordeelde entiteiten van fouten in een ratingmethodologie in kennis te stellen.

(12)

Verordening (EU) nr. 462/2013 versterkt de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, en bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van/bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen duidelijke en eenvoudig te begrijpen richtsnoeren voegen waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in het ratingproces gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Het Argentijnse juridische en toezichtkader omvat bepalingen om te waarborgen dat ratingbureaus voldoende richtsnoeren geven om gebruikers van ratings in staat te stellen deze te begrijpen. Er is voor ratingbureaus echter geen expliciete verplichting om informatie op te nemen die relevant is voor de kredietbeoordeling van de entiteit in een rating. Er is voor het ratingbureau evenmin een verplichting om er in de rating op te wijzen dat de rating het standpunt van het ratingbureau is en dat er slechts in beperkte mate op vertrouwd mag worden.

(13)

Om in de ratingsector de mededinging te versterken en de mogelijkheden voor belangenconflicten te beperken, voert Verordening (EU) nr. 462/2013 in bijlage I, afdeling E, onderafdeling II, bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste in dat de vergoedingen die ratingbureaus voor ratings en nevendiensten in rekening brengen, niet discriminerend mogen zijn en op werkelijke kosten moeten zijn gebaseerd. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie openbaar moeten maken. Volgens het Argentijnse juridische en toezichtkader zijn ratingbureaus enkel verplicht de regulator informatie verstrekken over de vergoedingen die zij elke cliënt voor hun ratingdiensten in rekening brengen, per entiteit en/of instrument en effect. Ratingbureaus moeten op hun websites de minimum- en maximumvergoedingen voor hun ratingdiensten bekendmaken om te waarborgen dat hun cliënten op billijke wijze worden behandeld, maar er is geen verplichting dat de vergoedingen die aan cliënten in rekening worden gebracht op kosten gebaseerd en niet-discriminerend zijn.

(14)

Gezien de onderzochte factoren voldoet het Argentijnse juridische en toezichtkader niet aan alle in artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgestelde voorwaarden voor gelijkwaardigheid. Het kan daarom niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan het juridische en toezichtkader dat bij die verordening is ingesteld.

(15)

Uitvoeringsbesluit 2014/246/EU moet daarom worden ingetrokken.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit 2014/246/EU wordt ingetrokken.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2014/246/EU van de Commissie van 28 april 2014 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Argentinië als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 68).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/40


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1283 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Japan als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 machtigt de Commissie om een gelijkwaardigheidsbesluit aan te nemen indien het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat ratingbureaus met een vergunning of een registratie in dat derde land aan de juridisch bindende vereisten van die verordening voldoen en aan effectief toezicht en effectieve handhaving in dat derde land onderworpen zijn.

(2)

Het doel van dit gelijkwaardigheidsbesluit is om ratingbureaus uit Japan, voor zover zij niet systeemrelevant zijn voor de financiële stabiliteit of de integriteit van de financiële markten van een of meer lidstaten, in staat te stellen een certificering aan te vragen bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”). Dit gelijkwaardigheidsbesluit biedt de ESMA de mogelijkheid om die ratingbureaus per geval te beoordelen en een vrijstelling te verlenen van sommige organisatorische vereisten voor ratingbureaus die actief zijn in de Europese Unie, inclusief het vereiste van een fysieke aanwezigheid in de Europese Unie.

(3)

Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader van een derde land ten minste voldoen aan de drie voorwaarden van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(4)

Op 28 september 2010 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2010/578/EU (2) aangenomen, waarbij zij heeft vastgesteld dat aan deze drie voorwaarden is voldaan en dat het Japanse juridische en toezichtkader voor ratingbureaus gelijkwaardig is aan de vereisten van de op dat moment geldende Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(5)

Volgens de eerste voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan toelating of registratie en moeten zij ook doorlopend onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving. Krachtens het Japanse juridische en toezichtkader moet een ratingbureau bij het Financial Services Agency van Japan (JFSA) in het register zijn ingeschreven opdat zijn ratings in Japan voor regelgevingsdoeleinden kunnen worden gebruikt. JFSA voorziet in juridisch bindende verplichtingen voor en houdt doorlopend toezicht op ratingbureaus. JFSA beschikt over een breed en veelomvattend scala aan bevoegdheden en kan een aantal maatregelen, waaronder sancties, tegen ratingbureaus treffen in geval van inbreuken op de bepalingen van de wet inzake financiële instrumenten en markten met betrekking tot de regulering van ratingbureaus.

(6)

Volgens de tweede voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan juridisch bindende voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die van de artikelen 6 tot en met 12 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en bijlage I bij die verordening. Het Japanse juridische en toezichtkader is gebaseerd op de plicht om te goeder trouw te handelen. Een ratingbureau moet operationele controlesystemen instellen met het oog op een eerlijke en passende uitoefening van het ratingbedrijf middels een groot aantal gedetailleerde en bindende voorschriften, uitvoerige bepalingen met het oog op het vermijden, beheren en openbaar maken van belangenconflicten, en de plicht om informatie te bewaren en openbaar te maken aan zowel het JFSA als het brede publiek Het Japanse juridische en toezichtkader wordt beschouwd als gelijkwaardig aan Verordening (EG) nr. 1060/2009 wat betreft het beheer van belangenconflicten, de organisatorische vereisten, de waarborgen voor de kwaliteit van ratings en ratingmethodologieën, de verplichting tot openbaarmaking van ratings en de verplichting tot algemene en periodieke openbaarmaking van ratingactiviteiten. Het Japanse juridische en toezichtkader voorziet derhalve in een gelijkwaardige bescherming wat integriteit, transparantie, goed bestuur van ratingbureaus en betrouwbaarheid van ratingactiviteiten betreft.

(7)

Volgens de derde voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet de regelgeving in een derde land bemoeienis van de bevoegde autoriteiten en andere overheden van dat derde land met de inhoud van ratings en methodologieën uitsluiten. In dit verband zij erop gewezen dat het het JFSA bij wet verboden is zich met de inhoud van ratings en ratingmethodologieën te bemoeien.

(8)

Het Japanse juridische en toezichtkader voldoet nog steeds aan de drie oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 vastgelegde voorwaarden. Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn echter extra vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtsregime voor die ratingbureaus strenger wordt. Deze extra vereisten omvatten regels inzake ratingoutlooks, het beheer van belangenconflicten, vertrouwelijkheidsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën en de presentatie en openbaarmaking van ratings.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 zijn de extra vereisten met ingang van 1 juni 2018 van toepassing voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van juridische en toezichtkaders van derde landen.

(10)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 ESMA om advies verzocht over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Japan met deze bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde extra vereisten, en naar haar oordeel gevraagd over het materiële belang van eventuele verschillen.

(11)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technisch advies geeft ESMA aan dat het juridische en toezichtkader van Japan met betrekking tot ratingbureaus voldoende bepalingen bevat om te voldoen aan de bij Verordening (EU) nr. 462/2013 ingevoerde extra vereisten.

(12)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 wordt in artikel 3, lid 1, onder w) een definitie van een ratingoutlook ingevoerd en bij Verordening (EG) nr. 1060/2009 worden bepaalde vereisten voor ratings uitgebreid tot ratingoutlooks. Het Japanse juridische en toezichtkader erkent in wezen ratingoutlooks. Het beschouwt een ratingoutlook als onderdeel van de rating en machtigt het JFSA om de geschiktheid van ratingoutlooks in combinatie met de bijbehorende ratings te monitoren.

(13)

Om de perceptie van onafhankelijkheid van ratingbureaus ten opzichte van beoordeelde entiteiten te verbeteren, worden de regels inzake belangenconflicten bij Verordening (EU) nr. 462/2013 in artikel 6, lid 4, artikel 6 bis en artikel 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 uitgebreid tot belangenconflicten die worden veroorzaakt door aandeelhouders of leden die een significante positie binnen het ratingbureau bekleden. Het Japanse juridische en toezichtkader vereist dat ratingbureaus maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het ratingbureau de belangen van beleggers bij het bepalen van een rating niet schaadt, met name wanneer een beoordeelde entiteit een deelneming van 5 % of meer heeft in het ratingbureau. Voorts is het een ratingbureau algemeen verboden een rating uit te voeren wanneer het ratingbureau een belang heeft in de beoordeelde entiteit.

(14)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 worden nieuwe bepalingen ingevoerd om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen wordt gebruikt voor doeleinden in verband met ratingactiviteiten, en wordt beschermd tegen fraude, diefstal of misbruik. Met het oog hierop vereist artikel 10, 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 dat alle ratings, ratingoutlooks en daaraan gelieerde informatie tot het moment dat ze openbaar worden gemaakt, als voorwetenschap worden beschouwd. Het Japanse juridische en toezichtkader voorziet in gedetailleerde vereisten met betrekking tot de maatregelen die ratingbureaus moeten nemen om vertrouwelijke informatie over uitgevende instellingen te beschermen. Er is dus een geloofwaardig kader voor de bescherming tegen misbruik van vertrouwelijke informatie.

(15)

Verordening (EU) nr. 462/2013 heeft tot doel de transparantie en de kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij verplicht in Bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 3, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratingbureaus om een beoordeelde entiteit de kans te geven vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook op feitelijke fouten te attenderen. Het Japanse juridische en toezichtkader vereist dat ratingbureaus een ratingbeleid vaststellen dat voorziet in een methodologie voor de bepaling en openbaarmaking van hun ratings. Het ratingbeleid moet voorzien in richtsnoeren en methoden om een beoordeelde entiteit in staat te stellen vóór de publicatie van een rating na te gaan of er sprake is van een verkeerde voorstelling van feiten, en haar mening over de rating binnen een redelijke termijn kenbaar te maken.

(16)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voorziet in artikel 8, lid 5 bis, lid 6, onder a bis) en a ter), en lid 7 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 in waarborgen om ervoor te zorgen dat wijzigingen van ratingmethodologieën niet in minder rigoureuze methodologieën resulteren. Evenzo vereist het Japanse juridische en toezichtkader dat een ratingbureau over maatregelen beschikt om ervoor te zorgen dat de informatie die wordt gebruikt bij de bepaling van een rating van voldoende kwaliteit is en dat ratingmethodologieën rigoureus en systematisch zijn.

(17)

Bij Verordening (EU) nr. 462/2013 worden de vereisten inzake de presentatie en openbaarmaking van ratings aangescherpt. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, en bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 2a, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 voegt een ratingbureau bij de gepubliceerde informatie over de ratingmethodologieën, modellen en belangrijke aan ratings ten grondslag liggende aannamen, richtsnoeren waarin de aannamen, parameters, beperkingen en onzekerheden van de in die ratings gebruikte modellen en methodologieën worden toegelicht. Het Japanse juridische en toezichtkader bevat vereisten om te waarborgen dat ratingbureaus voldoende richtsnoeren geven om gebruikers van ratings in staat te stellen deze te begrijpen. Bovendien zijn er vereisten om te waarborgen dat ratingbureaus de nauwkeurigheid van de openbaarmaking van hun informatie aan de belanghebbenden handhaven.

(18)

Om de concurrentie te versterken en belangenconflicten in de sector van de ratingbureaus te beperken, wordt bij Verordening (EU) nr. 462/2013 in bijlage I, afdeling E, onderafdeling II, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste ingevoerd dat de door ratingbureaus in rekening gebrachte vergoedingen voor ratings en nevendiensten niet mogen discrimineren en op werkelijke kosten gebaseerd moeten zijn. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie moeten verschaffen. Met betrekking tot de bescherming van klanten van ratingbureaus en het vereiste dat de vergoedingen kostengebaseerd en niet-discriminerend moeten zijn, bevat het Japanse juridische en toezichtkader vergelijkbare vereisten om ervoor te zorgen dat ratingbureaus hun activiteiten eerlijk en nauwkeurig uitvoeren. Het vereist dat ratingbureaus elk boekjaar een activiteitenverslag voor de toezichthouder opstellen met vermelding van de 20 belangrijkste klanten en de door elk van hen gedurende het belastingjaar betaalde vergoedingen, en machtigt de toezichthouder om relevante informatie op te vragen over hun prijsbeleid en specifieke aangerekende vergoedingen.

(19)

Het evenredigheidsbeginsel en een risicogebaseerde aanpak vormen voor de Commissie de leidraad bij de beoordeling van een regelgevingsstelsel van een derde land. Gezien de onderzochte factoren voldoet het juridische en toezichtkader voor ratingbureaus van Japan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en moet het nog steeds als gelijkwaardig aan het bij die verordening ingestelde juridische en toezichtkader worden beschouwd.

(20)

Omwille van de rechtszekerheid moet een nieuw uitvoeringsbesluit worden aangenomen en moet Besluit 2010/578/EU derhalve worden ingetrokken.

(21)

De Commissie, bijgestaan door ESMA, moet de ontwikkeling van de juridische en toezichtsregelingen voor ratingbureaus, de marktontwikkelingen en de effectiviteit van de samenwerking op het gebied van toezicht met betrekking tot monitoring en handhaving in Japan regelmatig blijven monitoren om voortdurende naleving te waarborgen.

(22)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt het Japanse juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 beschouwd.

Artikel 2

Besluit 2010/578/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Besluit 2010/578/EU van de Commissie van 28 september 2010 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Japan als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 254 van 29.9.2010, blz. 46).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).


30.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/43


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/1284 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2019

betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Hongkong als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (1), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 machtigt de Commissie om een gelijkwaardigheidsbesluit aan te nemen indien het juridische en toezichtkader van een derde land waarborgt dat ratingbureaus met een vergunning of een registratie in dat derde land aan de juridisch bindende vereisten van die verordening voldoen en aan effectief toezicht en effectieve handhaving in dat derde land onderworpen zijn.

(2)

Het doel van dit gelijkwaardigheidsbesluit is om ratingbureaus uit Hongkong, voor zover zij niet systeemrelevant zijn voor de financiële stabiliteit of de integriteit van de financiële markten van een of meer lidstaten, in staat te stellen een certificering aan te vragen bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”). Dit gelijkwaardigheidsbesluit biedt ESMA de mogelijkheid om die ratingbureaus per geval te beoordelen en een vrijstelling te verlenen van sommige organisatorische vereisten voor ratingbureaus die actief zijn in de Europese Unie, inclusief het vereiste van een fysieke aanwezigheid in de Europese Unie.

(3)

Om als gelijkwaardig te worden beschouwd, moet het juridische en toezichtkader van een derde land ten minste voldoen aan de drie voorwaarden van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(4)

Op 28 april 2014 heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit 2014/249/EU (2) aangenomen, waarbij zij heeft vastgesteld dat aan deze drie voorwaarden was voldaan en dat het juridische en toezichtkader van Hongkong voor ratingbureaus gelijkwaardig was aan de vereisten van de op dat moment geldende Verordening (EG) nr. 1060/2009.

(5)

Volgens de eerste voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan vergunning of registratie en moeten zij ook doorlopend onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving. Het juridische en toezichtkader van Hongkong vereist dat ratingbureaus en hun ratinganalisten die in Hongkong ratingdiensten aanbieden, over een vergunning voor het aanbieden van ratingdiensten beschikken en onderworpen zijn aan het toezicht van de Securities and Futures Commission (SFC) van Hongkong. Het juridische en toezichtkader van Hongkong verleent SFC een breed scala aan bevoegdheden, waardoor zij in staat is na te gaan of ratingbureaus hun wettelijke verplichtingen nakomen. SFC kan zowel ongereguleerde als gereguleerde personen verplichten voor het onderzoek relevante informatie en documenten, zoals transactiegegevens, bankgegevens, overzichten van telefoon- en internetverkeer, en informatie over de uiteindelijke begunstigde, te verstrekken. Deze bevoegdheid is van toepassing op zowel personen tegen wie een onderzoek loopt, als personen voor wie SFC gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij in het bezit zijn van informatie die relevant is voor het onderzoek. Als wordt gevreesd voor de vernietiging of verwijdering van bewijsmateriaal of voor de vlucht van de persoon tegen wie het onderzoek is gericht, of als er andere redenen tot bezorgdheid zijn, beschikt SFC bovendien over de bevoegdheid om zich op grond van een door een rechterlijke instantie verleend huiszoekingsbevel toegang te verschaffen tot particuliere eigendommen van zowel ongereguleerde als gereguleerde personen. Daarnaast beschikt SFC over een volledig scala aan bevoegdheden om straf-, civiel- of bestuursrechtelijke maatregelen te nemen. Daartoe behoort onder meer de bestuursrechtelijke bevoegdheid om tuchtmaatregelen op te leggen aan vergunninghoudende of bij SFC geregistreerde personen, aan vergunninghoudende of geregistreerde personen beperkingen op te leggen wat hun bedrijfsactiviteiten betreft, de vergunning of registratie van een vergunninghoudende of geregistreerde persoon in te trekken of op te schorten, en aan de vergunninghoudende of geregistreerde persoon een berisping te geven en verplichtingen of een boete op te leggen. SFC kan zich tot de bevoegde rechtbank wenden voor corrigerende of dwangmaatregelen. SFC verricht niet alleen inspecties ter plaatse, maar oefent ook toezicht op afstand uit via interacties met vergunninghoudende ratingbureaus om inzicht te verwerven in hun bedrijfsmodellen en -plannen en in de risico's die aan hun activiteiten verbonden zijn, met de bedoeling de risico's op te sporen en te beoordelen die uit hun bedrijfsactiviteiten voortvloeien. Via rapportages aan SFC wordt informatie ingewonnen over vergunninghoudende ratingbureaus. Deze rapportages omvatten onder meer maar niet uitsluitend gecontroleerde jaarrekeningen en jaarlijkse controleverslagen. SFC onderzoekt klachten en zelfgemelde inbreuken. De tussen ESMA en SFC gesloten samenwerkingsovereenkomst voorziet in de uitwisseling van informatie over de ten aanzien van grensoverschrijdende ratingbureaus getroffen handhavings- en toezichtmaatregelen.

(6)

Overeenkomstig de tweede voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moeten ratingbureaus in een derde land onderworpen zijn aan juridisch bindende regels die gelijkwaardig zijn aan die van de artikelen 6 tot en met 12 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en bijlage I bij die verordening. In het juridische en toezichtkader van Hongkong zijn gedetailleerde vereisten inzake corporate governance vastgelegd. De raad van bestuur en de voor de gereguleerde activiteiten verantwoordelijke functionarissen dragen de hoofdverantwoordelijkheid voor het waarborgen van zowel de naleving van passende gedragsregels als de inachtneming van de geëigende procedures door het ratingbureau. Ratingbureaus moeten twee verantwoordelijke functionarissen hebben, die allebei door SFC moeten worden goedgekeurd. Krachtens de SFO moet ten minste één van beiden een uitvoerend bestuurder zijn. Met betrekking tot belangenconflicten gelden uitgebreide voorschriften op grond waarvan ratingbureaus verplicht zijn belangenconflicten op te sporen en weg te nemen of te beheren en zich op zodanige wijze te organiseren dat wordt voorkomen dat hun zakelijke belangen afbreuk doen aan de onafhankelijkheid en juistheid van hun ratings, alsook organisatorische voorschriften met betrekking tot onder meer uitbesteding, het bijhouden van gegevens en geheimhouding. Wat organisatorische vereisten betreft moeten ratingbureaus voldoen aan vereisten zoals die met betrekking tot de gedragslijnen en procedures die zij moeten volgen om hun wettelijke verplichtingen na te komen en vereisten met betrekking tot een permanente en effectieve compliancefunctie. Ratingbureaus zijn ook verplicht in een toetsingsfunctie te voorzien voor de periodieke toetsing van de ratingmethodologieën en -modellen en van de significante wijzigingen die daarin worden aangebracht. Het juridische en toezichtkader van Hongkong bevat een breed scala aan openbaarmakingsverplichtingen, die onder meer betrekking hebben op de openbaarmaking van ratings en op de jaarlijkse informatieverstrekking over rating- en nevenactiviteiten. Daarom wordt het juridische en toezichtkader van Hongkong als gelijkwaardig aan de Ratingbureauverordening beschouwd wat betreft het beheer van belangenconflicten, de organisatorische vereisten, de kwaliteit van de ratings en ratingmethodologieën, de informatieverschaffing over ratings en de algemene en periodieke informatieverschaffing over ratingactiviteiten. Het zou zodoende in een gelijkwaardige bescherming moeten voorzien wat integriteit, transparantie en goed bestuur van ratingbureaus en betrouwbaarheid van de ratingactiviteiten betreft.

(7)

Overeenkomstig de derde voorwaarde van artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 moet de regelgeving in een derde land bemoeienis van toezichthoudende autoriteiten en andere overheden van dat derde land met de inhoud van ratings en methodologieën uitsluiten. Er bestaat geen enkele wettelijke bepaling die SFC of een andere overheidsinstantie de bevoegdheid verleent de inhoud van ratings of ratingmethodologieën te beïnvloeden.

(8)

Het juridische en toezichtskader van Hongkong voldoet nog steeds aan de drie voorwaarden die oorspronkelijk in artikel 5, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 waren vastgesteld. Verordening ((EU) nr. 462/2013) van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft echter extra vereisten voor in de Unie geregistreerde ratingbureaus ingevoerd, waardoor het juridische en toezichtsregime voor die ratingbureaus strenger wordt. Deze extra vereisten omvatten juridisch bindende regels voor ratingbureaus inzake ratingoutlooks, beheer van belangenconflicten, geheimhoudingsvereisten, de kwaliteit van ratingmethodologieën, en de presentatie van en informatieverschaffing over ratings.

(9)

Overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, punt 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 462/2013 zijn de extra vereisten vanaf 1 juni 2018 van toepassing voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de juridische en toezichtkaders van derde landen.

(10)

Tegen deze achtergrond heeft de Commissie op 13 juli 2017 ESMA om advies gevraagd over de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichtkader van onder meer Hongkong met deze bijkomende vereisten die bij Verordening (EU) nr. 462/2013 zijn ingevoerd, en om haar oordeel gevraagd over het materiële belang van alle verschillen.

(11)

In haar op 17 november 2017 gepubliceerde technisch advies heeft ESMA aangegeven dat het juridische en toezichtkader van Hongkong met betrekking tot ratingbureaus voldoende bepalingen omvat om te voldoen aan de extra vereisten die bij Verordening (EU) nr. 462/2013 zijn ingevoerd.

(12)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in artikel 3, lid 1, onder w), een definitie van ratingoutlook in en Verordening (EG) nr. 1060/2009 breidt nu bepaalde vereisten voor ratings uit tot ratingoutlooks. Hoewel in het juridische en toezichtkader van Hongkong niet met zoveel woorden staat dat een ratingoutlook iets anders is dan een rating, verwacht SFC dat, aangezien rating een ruim begrip is volgens het juridische en toezichtkader van Hongkong, bij het opstellen van ratingoutlooks aan dezelfde vereisten als bij het opstellen van ratings wordt voldaan.

(13)

Om de perceptie van onafhankelijkheid van ratingbureaus ten opzichte van beoordeelde entiteiten te verbeteren, breidt Verordening (EU) nr. 462/2013 in artikel 6, lid 4, artikel 6 bis en artikel 6 ter van Verordening (EG) nr. 1060/2009 de regels inzake belangenconflicten uit tot belangenconflicten die veroorzaakt worden door aandeelhouders of leden die een significante positie binnen het ratingbureau bekleden. Het juridische en toezichtskader van Hongkong schrijft voor dat ratingbureaus passende en doeltreffende regelingen moeten instellen om belangenconflicten te voorkomen, te identificeren en te elimineren of te beheren en er informatie over te verschaffen en ervoor te zorgen dat deze niet worden beïnvloed door zakelijke relaties. Hoewel in de wetgeving van Hongkong niet expliciet sprake is van aandeelhouders, mag een ratingbureau die activiteiten niet uitvoeren als een belangenconflict mogelijk is.

(14)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert nieuwe bepalingen in om ervoor te zorgen dat vertrouwelijke informatie alleen wordt gebruikt voor doeleinden die verband houden met ratingactiviteiten en is beschermd tegen fraude, diefstal of misbruik. Te dien einde schrijft artikel 10, lid 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 voor dat ratingbureaus alle ratings, ratingoutlooks en informatie dienaangaande tot aan het tijdstip van informatieverschaffing als voorwetenschap behandelen. Door nadere vereisten vast te stellen, verplicht het juridische en toezichtkader van Hongkong ratingbureaus ertoe procedures en mechanismen in te voeren om de vertrouwelijke informatie over uitgevende instellingen te beschermen. Er bestaat dus een geloofwaardig kader voor de bescherming tegen misbruik van vertrouwelijke informatie.

(15)

Verordening (EU) nr. 462/2013 heeft tot doel het niveau van transparantie en kwaliteit van ratingmethodologieën te verhogen. Zij verplicht in bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 3, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 ratingbureaus om een beoordeelde entiteit de mogelijkheid te bieden om eventuele feitelijke fouten te melden vóór de publicatie van de rating of de ratingoutlook. Door een hogere voorrang te geven aan het onverwijld aan de markt meedelen van de rating, bevat het juridische en toezichtkader van Hongkong geen strikte vereiste voor ratingbureaus om een beoordeelde entiteit vóór de publicatie van een rating te informeren over de rating. Integendeel, ratingbureaus dienen een beoordeelde entiteit alleen over essentiële informatie en de belangrijkste overwegingen waarop een rating gebaseerd zal zijn te informeren wanneer dit haalbaar en passend is.

(16)

Verordening (EU) nr. 462/2013 voert in artikel 8, lid 5 bis, lid 6, onder a bis) en a ter en a ter, en lid 7, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 waarborgen in om ervoor te zorgen dat geen wijziging van ratingmethodologieën leidt tot minder strenge methodologieën. Op grond van het juridische en toezichtskader van Hongkong moeten ratingbureaus over elke materiële wijziging van hun methodologieën volledig en publiekelijk informatie verschaffen. Bovendien dient het ratingbureau, indien haalbaar en passend, over dergelijke materiële wijzigingen informatie te verschaffen voordat zij van kracht worden. Indien methodologieën, modellen of essentiële aan ratings ten grondslag liggende aannamen bij de opstelling van zijn ratings op enige wijze worden gewijzigd, moet het ratingbureau onmiddellijk informatie verstrekken over het feit welke ratings hiervan invloed zullen ondervinden, waarbij gebruik wordt gemaakt van dezelfde communicatiemiddelen als bij de verspreiding van de betrokken ratings.

(17)

Verordening (EU) nr. 462/2013 verscherpt de vereisten inzake de presentatie en informatieverschaffing met betrekking tot ratings. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, en bijlage I, afdeling D, onderafdeling I, punt 2 bis, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 laat een ratingbureau de informatieverschaffing over ratingmethodologieën, -modellen en essentiële aan ratings ten grondslag liggende aannamen vergezeld gaan van duidelijke en begrijpelijke richtsnoeren waarin alle aannamen, de paramaters, limieten en alle onzekerheden met betrekking tot de bij het ratingproces gehanteerde modellen en methodologieën worden toegelicht. Het juridische en toezichtsstelsel van Hongkong omvat vereisten om te waarborgen dat ratingbureaus voldoende richtsnoeren geven om gebruikers van ratings in staat te stellen deze te begrijpen. Ook moeten ratingbureaus de toezichthouder om de 6 maanden informatie verstrekken over hun bedrijfsactiviteiten.

(18)

Om de concurrentie te versterken en belangenconflicten in de sector van de ratingbureaus te beperken, voert Verordening (EU) nr. 462/2013 in bijlage I, afdeling E, onderafdeling II, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 een vereiste in dat de door ratingbureaus in rekening gebrachte vergoedingen voor ratings en nevendiensten niet mogen discrimineren en op werkelijke kosten gebaseerd moeten zijn. Zij schrijft voor dat ratingbureaus bepaalde financiële informatie moeten verschaffen. Op grond van het juridische en toezichtkader van Hongkong moeten ratingbureaus gedurende een bepaalde periode hun bedrijfsadministratie in overeenstemming met alle wettelijke vereisten bewaren, over hun beloningsregelingen met beoordeelde entiteiten algemene informatie verstrekken en hun totale inkomsten uit het aanbieden van ratingdiensten, en mag de toezichthouder deze informatie opvragen. Betreffende maatregelen om cliënten te beschermen en ervoor te zorgen dat zij eerlijk worden behandeld bestaat een algemene verplichting om cliënten eerlijk te behandelen.

(19)

Het evenredigheidsbeginsel en een risicogebaseerde aanpak vormen voor de Commissie de leidraad bij de beoordeling van een regelgevingsstelsel van een derde land. Gezien de gezamenlijk onderzochte factoren en het technische advies van ESMA voldoet het juridische en toezichtkader voor ratingbureaus van Hongkong aan de voorwaarden van artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 en moet het nog steeds als gelijkwaardig aan het bij die verordening ingestelde juridische en toezichtkader worden beschouwd.

(20)

Omwille van de rechtszekerheid moet een nieuw uitvoeringsbesluit worden aangenomen en moet Uitvoeringsbesluit 2014/249/EU dan ook worden ingetrokken.

(21)

De Commissie, bijgestaan door ESMA, moet de ontwikkeling van de juridische en toezichtsregelingen voor ratingbureaus, de marktontwikkelingen en de effectiviteit van de samenwerking op het gebied van toezicht met betrekking tot monitoring en handhaving in Hongkong regelmatig blijven monitoren om voortdurende naleving te waarborgen.

(22)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt het juridische en toezichtkader inzake ratingbureaus van Hongkong als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 beschouwd.

Artikel 2

Uitvoeringsbesluit 2014/249/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2014/249/EU van de Commissie van 28 april 2014 betreffende de erkenning van het juridische en toezichtkader van Hongkong als gelijkwaardig aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake ratingbureaus (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 76).

(3)  Verordening (EU) nr. 462/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1060/2009 inzake ratingbureaus (PB L 146 van 31.5.2013, blz. 1).