ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 140

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
28 mei 2019


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/855 van de Raad van 27 mei 2019 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/856 van de Commissie van 26 februari 2019 houdende aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds ( 1 )

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/857 van de Commissie van 27 mei 2019 betreffende de verlenging van de vergunning voor Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkschapen en melkgeiten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 226/2007 (vergunninghouder Danstar Ferment AG, vertegenwoordigd door Lallemand SAS) ( 1 )

18

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2019/858 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa) en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2017 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Siofa

21

 

*

Besluit (EU) 2019/859 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO), en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de SPRFMO

27

 

*

Besluit (EU) 2019/860 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), en tot intrekking van het besluit van 19 mei 2014 inzake het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de IOTC

33

 

*

Besluit (EU) 2019/861 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (Seafo), en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Seafo

38

 

*

Besluit (EU) 2019/862 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC), en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen inzake de instandhouding en het beheer van de over grote afstanden trekkende visbestanden in de WCPFC

44

 

*

Besluit (EU) 2019/863 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO), en tot intrekking van het besluit van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de NAFO

49

 

*

Besluit (EU) 2019/864 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (Nasco), en tot intrekking van het besluit van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Nasco

54

 

*

Besluit (EU) 2019/865 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) en tot intrekking van het besluit van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de NEAFC

60

 

*

Besluit (EU) 2019/866 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Unie in te nemen standpunt in die jaarlijkse conferentie

66

 

*

Besluit (EU) 2019/867 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR) en tot intrekking van het besluit van 24 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de CCAMLR

72

 

*

Besluit (EU) 2019/868 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) en tot intrekking van het besluit van 8 juli 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Iccat

78

 

*

Besluit (EU) 2019/869 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) en tot intrekking van het besluit van 19 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de GFCM

84

 

*

Besluit (GBVB) 2019/870 van de Raad van 27 mei 2019 tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

90

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/871 van de Commissie van 26 maart 2019 inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van het Verenigd Koninkrijk betreffende de uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 2357)

94

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/872 van de Commissie van 26 maart 2019 inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van het Verenigd Koninkrijk betreffende de uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 2358)

98

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/873 van de Commissie van 22 mei 2019 inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3817)

103

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/874 van de Commissie van 22 mei 2019 inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3820)

115

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/875 van de Commissie van 27 mei 2019 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 4045)  ( 1 )

123

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/855 VAN DE RAAD

van 27 mei 2019

tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (1), en met name artikel 46, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 maart 2012 heeft de Raad Verordening (EU) nr. 267/2012 vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 46, lid 7, van Verordening (EU) nr. 267/2012 heeft de Raad de lijst van aangewezen personen en entiteiten in bijlage IX en bijlage XIV bij die verordening opnieuw bezien.

(3)

De Raad heeft besloten 17 vermeldingen in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 te actualiseren.

(4)

Verordening (EU) nr. 267/2012 dient derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

N. HURDUC


(1)  PB L 88 van 24.3.2012, blz. 1.


BIJLAGE

Bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Onder de titel "I. Bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen", komen de volgende vermeldingen in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen in de lijst in rubriek "A. Personen":

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"14.

Brigadegeneraal Mohammad NADERI

 

Hoofd van de Iraanse Aviation Industries Organisation (IAIO). Voormalig hoofd van de Aerospace Industries Organisation (AIO). AIO is betrokken geweest bij gevoelige programma's van Iran.

23.6.2008

23.

Davoud BABAEI

 

Huidig hoofd veiligheid van de Organisation of Defensive Innovation and Research (SPND) (organisatie voor innovatie en onderzoek op defensiegebied), het onderzoeksinstituut van het Ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten; het instituut wordt geleid door de op de VN-lijst geplaatste Mohsen Fakhrizadeh-Mahabadi. De IAEA heeft de SPND aangewezen, omdat de IAEA bezorgd is over mogelijke militaire aspecten van het kernprogramma van Iran; Iran weigert in dat verband iedere medewerking. Als hoofd van de veiligheid moet Babaei voorkomen dat informatie bekend raakt, ook bij de IAEA.

1.12.2011

25.

Sayed Shamsuddin BORBORUDI

ook bekend als Seyed Shamseddin BORBOROUDI

Geboortedatum: 21 september 1969

Plaatsvervangend directeur van de door de VN aangewezen Atomic Energy Organisation of Iran, waar hij ondergeschikt is aan de op de VN-lijst geplaatste Feridun Abbasi Davani. Is zeker sedert 2002 betrokken bij het Iraans kernprogramma, onder meer als voormalig hoofd bevoorrading en logistiek bij AMAD, waar hij verantwoordelijk was voor het gebruik van dekmantelbedrijven, zoals Kimia Madan, voor het aankopen van apparatuur en materiaal voor het kernwapenprogramma van Iran.

1.12.2011

27.

Kamran DANESHJOO (ook bekend als DANESHJOU)

 

Voormalig minister van Wetenschap, Onderzoek en Technologie. Hij heeft steun verleend aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran.

1.12.2011"

2)

Onder de titel "I. Bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen", komen de volgende vermeldingen in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen in de lijst in rubriek "B. Entiteiten":

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"12.

Fajr Aviation Composite Industries

Mehrabad Airport, PO Box 13445-885, Teheran, Iran

Een dochteronderneming van de IAIO binnen MODAFL, beide op de EU-lijst geplaatst, die hoofdzakelijk composietmaterialen voor de luchtvaartindustrie produceert.

26.7.2010

95.

Samen Industries

2nd km of Khalaj Road End of Seyyedi St., P.O.Box 91735-549, 91735 Mashhad, Iran, Tel. +98 5113853008, +98 5113870225

Dekmantel voor Khorasan Metallurgy Industries (op de VN-lijst geplaatst), filiaal van Ammunition Industries Group (AMIG).

1.12.2011

153.

Organisation of Defensive Innovation and Research (SPND)

 

The Organisation of Defensive Innovation and Research (SPND) verleent rechtstreekse steun aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran. De IAEA heeft de SPND aangemerkt als een organisatie met mogelijke militaire dimensies ten behoeve van het nucleaire programma van Iran. De SPND wordt geleid door Mohsen Fakhrizadeh-Mahabadi, een door de VN op de lijst geplaatste persoon, en is een onderdeel van het Ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten (MODAFL), dat door de EU op de lijst is geplaatst.

22.12.2012"

3)

Onder titel II komen de volgende vermeldingen in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen in de lijst in rubriek "A. Personen":

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"1.

IRGC-brigadegeneraal Javad DARVISH-VAND

 

Voormalig onderminister en inspecteur-generaal van MODAFL.

23.6.2008

3.

Parviz FATAH

geboren in 1961

Lid van de IRGC. Voormalig minister van Energie.

26.7.2010

4.

IRGC-Brigadegeneraal Seyyed Mahdi FARAHI

 

Voormalig hoofd van de Iraanse Aerospace Industries Organisation (AIO) en voormalig directeur van de op de VN-lijst geplaatste Defence Industries Organisation (DIO). Lid van de IRGC en plaatsvervanger in het Iraanse Ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten (MODAFL).

23.6.2008

5.

IRGC-Brigadegeneraal Ali HOSEYNITASH

 

Lid van de IRGC. Lid van de Hoge Nationale Veiligheidsraad en betrokken bij beleidsontwikkeling inzake nucleaire vraagstukken.

23.6.2008

12.

IRGC-Brigadegeneraal Ali SHAMSHIRI

 

Lid van de IRGC. Heeft hoge functies bekleed in MODAFL.

23.6.2008

13.

IRGC-Brigadegeneraal Ahmad VAHIDI

 

Voormalig minister van MODAFL.

23.6.2008

15.

Abolghassem Mozaffari SHAMS

 

Voormalig hoofd van Khatam Al-Anbia Construction Headquarters.

1.12.2011"

4)

Onder titel II komt de volgende vermelding in de plaats van de overeenkomstige vermelding in de lijst in rubriek "B. Entiteiten":

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"11.

Behnam Sahriyari Trading Company

Postadres: Ziba Building, 10th Floor, Northern Sohrevardi Street, Teheran, Iran

Betrokken bij het transport van wapens namens de Islamitische Revolutionaire Garde.

23.1.2012"

5)

Onder de titel "I. Bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen", wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding toegevoegd:

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"20.

b)

Iran Communications Industries (ICI)

P.O. Box 19295-4731, Pasdaran Avenue, Teheran, Iran; Ander adres: P.O. Box 19575-131, 34 Apadana Avenue, Teheran, Iran; Ander adres: Shahid Langary Street, Nobonyad Square Ave, Pasdaran, Teheran

Iran Communications Industries, een dochteronderneming van Iran Electronics Industries (op de EU-lijst geplaatst), produceert diverse goederen waaronder communicatiesystemen, luchtvaartelektronica, optische en elektro-optische apparatuur, micro-elektronica, IT-systemen, test- en meetapparatuur, telecommunicatiebeveiligingssystemen, elektronische oorlogsvoeringssystemen, radarbuizen (productie en renovatie) en raketwerpers.

26.7.2010"

6)

Onder de titel "I. Bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen", wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding geschrapt:

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"19.

Iran Communications Industries (ICI)

P.O. Box 19295-4731, Pasdaran Avenue, Teheran, Iran; Ander adres: P.O. Box 19575-131, 34 Apadana Avenue, Teheran, Iran; Ander adres: Shahid Langary Street, Nobonyad Square Ave, Pasdaran, Teheran

Iran Communications Industries, een dochteronderneming van Iran Electronics Industries (zie nr. 20), produceert diverse goederen waaronder communicatiesystemen, luchtvaartelektronica, optische en elektro-optische apparatuur, micro-elektronica, IT-systemen, test- en meetapparatuur, telecommunicatiebeveiligingssystemen, elektronische oorlogsvoeringssystemen, radarbuizen (productie en renovatie) en raketwerpers. Deze goederen kunnen worden gebruikt in programma's die op grond van UNSCR 1737 niet zijn toegestaan.

26.7.2010"

7)

Onder titel II wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding toegevoegd:

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"12.

Etemad Amin Invest Co Mobin

Pasadaran Av. Tehran, Iran

Onderneming in eigendom of onder zeggenschap van de IRGC die bijdraagt tot de financiering van de strategische belangen van het regime.

26.7.2010"

8)

onder de titel "I. Bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen", wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding geschrapt:

 

Naam

Nadere gegevens

Redenen

Datum plaatsing op de lijst

"10.

Etemad Amin Invest Co Mobin

Pasadaran Av. Tehran, Iran

Nauw verbonden met Naftar en Bonyad-e Mostazafan; Etemad Amin Invest Co Mobin draagt bij aan de financiering van de strategische belangen van het regime en van de parallelle Iraanse staat.

26.7.2010"


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/6


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/856 VAN DE COMMISSIE

van 26 februari 2019

houdende aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de werking van het innovatiefonds

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (1), en met name de vierde alinea van artikel 10 bis, lid 8, daarvan,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er moeten gedetailleerde regels voor de werking van het innovatiefonds worden vastgesteld met inachtneming van de lering die is getrokken uit het bij Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde en op grond van Besluit 2010/670/EU van de Commissie (2) uitgevoerde NER300-programma, en er moet met name rekening worden gehouden met de conclusies van het verslag van de Rekenkamer (3).

(2)

Om de in vergelijking met conventionele technologieën kleinere winstgevendheid en de grotere technologische risico's van de in aanmerking komende projecten te dekken, moet een substantieel deel van de financiering uit het innovatiefonds worden verstrekt in de vorm van een subsidie. Derhalve moeten gedetailleerde regels over de uitbetaling van subsidies worden vastgesteld.

(3)

Aangezien de risico's en winstgevendheid van in aanmerking komende projecten kunnen verschillen per bedrijfstak en activiteit van die projecten en tevens in de loop der tijd kunnen wijzigen, is het gepast om een deel van de steun uit het innovatiefonds te verstrekken via bijdragen aan blendingverrichtingen overeenkomstig het Unie-instrument voor investeringssteun, evenals in andere vormen waarin bij Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (4) (het "Financieel Reglement") is voorzien.

(4)

In het kader van de financiering uit het innovatiefonds is het passend om het verschil tussen de totale kosten van een in aanmerking komend project en de totale kosten van een gelijkwaardig project met conventionele technologie te beschouwen als relevante kosten. Om evenwel buitensporige administratieve lasten voor kleinschalige projecten te vermijden en ter ondervanging van de specifieke moeilijkheden om zulke projecten gefinancierd te krijgen, moeten bij kleinschalig projecten de totale kapitaaluitgaven van het project als relevante kosten worden beschouwd.

(5)

Om ervoor te zorgen dat er voor de in aanmerking komende projecten tijdig voldoende middelen beschikbaar zijn, moeten subsidies worden uitbetaald op basis van het bereiken van mijlpalen. Voor alle projecten moeten de financiële afsluiting en de aanvang als mijlpalen gelden. Omdat het voor sommige projecten nodig kan zijn dat de steun op een ander tijdstip wordt uitbetaald, moet worden voorzien in de mogelijkheid aanvullende mijlpalen op te nemen in de contractuele documentatie.

(6)

Om de kans van slagen van de projecten te vergroten, moet de mogelijkheid worden geboden een deel van de subsidie uit te betalen voor aanvang van het betrokken project. De uitbetaling van subsidies moet in beginsel aanvangen bij de financiële afsluiting en doorlopen tijdens de ontwikkeling en exploitatie van het project.

(7)

Het grootste deel van de steun uit het innovatiefonds moet afhangen van de geverifieerde vermijding van de emissie van broeikasgassen. Bijgevolg moet het bedrag van de steun die afhankelijk is van de beoogde vermijding, worden verlaagd of teruggevorderd als de prestaties substantieel achterblijven bij de geplande emissievermijding. Het mechanisme voor verlaging en terugvordering moet echter flexibel genoeg zijn om rekening te houden met de innovatieve aard van de door het innovatiefonds gesteunde projecten.

(8)

Subsidies uit het innovatiefonds moeten worden toegekend na een concurrerende selectieprocedure, via oproepen tot het indienen van voorstellen. Om de administratieve last voor indieners van projectvoorstellen te beperken, moet de aanvraagprocedure uit twee fasen bestaan, te weten een blijk van belangstelling en de volledige aanvraag.

(9)

Projecten waarvoor steun uit het innovatiefonds wordt aangevraagd, moeten worden beoordeeld volgens kwalitatieve en kwantitatieve criteria. De combinatie van die criteria moet ervoor zorgen het technologische en zakelijke potentieel van het project volledig beoordeeld kan worden. Om een eerlijke, op verdienste gebaseerde selectie te waarborgen, moeten projecten worden geselecteerd volgens dezelfde criteria, maar moeten ze eerst ten opzichte van andere projecten in dezelfde bedrijfstak en vervolgens ten opzichte van projecten in andere bedrijfstakken worden geëvalueerd en gerangschikt.

(10)

Projecten waarvan de planning, het bedrijfsmodel en de financiële en juridische structuur onvoldoende rijp blijken, met name in het licht van een mogelijk gebrek aan steun door de betrokken lidstaten of het ontbreken van de vereiste nationale vergunningen, mogen niet worden geselecteerd voor steun uit het innovatiefonds. Zulke projecten kunnen echter wel veelbelovend zijn. Om die reden moet de mogelijkheid worden vastgelegd om de ontwikkeling van zulke projecten te ondersteunen. De ondersteuning van projectontwikkeling moet vooral kleinschalige projecten en projecten in minder welvarende lidstaten ten goede komen, om bij te dragen tot een geografisch evenwichtige verdeling van de uit het innovatiefonds verstrekte steun.

(11)

Het is belangrijk dat de uit het innovatiefonds te verstrekken steun geografisch evenwichtig wordt verdeeld. Ter voorkoming van situaties waarin sommige lidstaten onvoldoende zijn gedekt, moet de mogelijkheid worden vastgelegd om in een tweede of volgende oproep tot het indienen van voorstellen aanvullende selectiecriteria op te nemen teneinde een beter geografisch evenwicht te bereiken.

(12)

De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het innovatiefonds. De Commissie moet evenwel in staat worden gesteld sommige van de uitvoeringsactiviteiten, zoals de organisatie van de oproep tot het indienen van voorstellen, de voorselectie van projecten of het contractueel beheer van subsidies, te delegeren aan uitvoerende instanties.

(13)

De opbrengsten van het innovatiefonds, waaronder die uit de emissierechten die te gelde zijn gemaakt via het gemeenschappelijk veilingplatform overeenkomstig Verordening (EU) Nr. 1031/2010 van de Commissie (5), moeten worden beheerd overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG. De Commissie moet die taak daarom zelf verrichten, maar moet haar kunnen delegeren aan de Europese Investeringsbank.

(14)

De Commissie moet verschillende regels toepassen, naargelang de wijze van uitvoering van het innovatiefonds. Bij uitvoering van het innovatiefonds in direct beheer moeten de bepalingen van deze verordening volledig overeenstemmen met de bepalingen van het Financieel Reglement.

(15)

De lidstaten moeten een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van het innovatiefonds. In het bijzonder moet de Commissie de lidstaten raadplegen over de belangrijke uitvoeringsbesluiten en over de ontwikkeling van het innovatiefonds.

(16)

Het innovatiefonds moet worden uitgevoerd overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer zoals vastgelegd in het Financieel Reglement.

(17)

Er moeten duidelijke regelingen worden vastgesteld voor rapportage, verantwoording en financiële controle om ervoor te zorgen dat de Commissie volledig en tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang van de door het innovatiefonds gesteunde projecten, dat de instanties die het innovatiefonds beheren, het beginsel van goed financieel beheer toepassen en dat de lidstaten tijdig worden geïnformeerd over de uitvoering van het innovatiefonds,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening bevat gedetailleerde regels ter aanvulling van Richtlijn 2003/87/EG met betrekking tot:

a)

de operationele doelstellingen van het bij artikel 10 bis, lid 8, van Richtlijn 2003/87/EG opgericht innovatiefonds;

b)

de vormen van steun die worden verstrekt in het kader van het innovatiefonds;

c)

de procedure voor het aanvragen van steun uit het innovatiefonds;

d)

de procedure en criteria voor de selectie van projecten in het kader van het innovatiefonds;

e)

de uitbetaling van steun uit het innovatiefonds;

f)

het beheer van het innovatiefonds;

g)

de rapportage, bewaking, evaluatie, controle en publiciteit inzake de werking van het innovatiefonds.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   "financiële afsluiting": het moment in de ontwikkelingscyclus van een project waarop alle project- en financieringsovereenkomsten zijn ondertekend en aan alle daarin opgenomen vereiste voorwaarden is voldaan;

2.   "aanvang": het moment in de ontwikkelingscyclus van het project waarop alle voor de exploitatie van het project benodigde elementen en systemen zijn getest en waarop de activiteiten die leiden tot de effectieve vermijding van broeikasgasemissie, van start gaan;

3.   "kleinschalig project": een project waarvan de totale kapitaaluitgaven niet hoger zijn dan 7 500 000 EUR.

Artikel 3

Operationele doelstellingen

Het innovatiefonds heeft de volgende operationele doelstellingen:

a)

het ondersteunen van projecten ter demonstratie van uiterst innovatieve technologieën, processen of producten die voldoende rijp zijn en een aanzienlijk potentieel hebben om de emissie van broeikasgassen te beperken;

b)

het bieden van financiële steun die is afgestemd op de marktbehoeften en risicoprofielen van in aanmerking komende projecten, onder aantrekking van aanvullende openbare en particuliere middelen;

c)

het waarborgen dat de opbrengsten van het innovatiefonds overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG worden beheerd.

Artikel 4

Vormen van steun uit het innovatiefonds

Uit het innovatiefonds kunnen de volgende vormen van steun worden verstrekt:

a)

subsidies;

b)

bijdragen aan blendingverrichtingen overeenkomstig het Unie-instrument voor investeringssteun;

c)

andere vormen van financiering zoals vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 (het "Financieel Reglement"), met name prijzen en aanbesteding, indien nodig om de doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG te verwezenlijken.

HOOFDSTUK II

Specifieke bepalingen voor subsidies

Artikel 5

Relevante kosten

1.   Voor de toepassing van artikel 10 bis, lid 8, derde alinea, vierde volzin, van Richtlijn 2003/87/EG worden de aanvullende kosten die voor rekening van de aanvrager komen als gevolg van de toepassing van de innovatieve technologie in verband met de reductie of vermijding van broeikasgasemissies beschouwd als relevante kosten. De relevante kosten worden berekend als het verschil tussen de beste raming van de totale kapitaaluitgaven en de netto contante waarde van de exploitatiekosten en -baten gedurende tien jaar na aanvang van het project enerzijds en het resultaat van dezelfde berekening voor een conventionele productie met dezelfde capaciteit wat betreft de effectieve productie van het desbetreffende definitieve product anderzijds.

Als er van de in bovenstaande alinea bedoelde conventionele productie geen sprake is, zijn de relevante kosten de beste raming van de totale kapitaaluitgaven en de netto contante waarde van de exploitatiekosten en -baten in de tien jaar na aanvang van het project.

2.   De relevante kosten van een kleinschalig project zijn de totale kosten van de kapitaaluitgaven van het project.

Artikel 6

Uitbetaling van subsidies

1.   Uit het innovatiefonds verstrekte subsidies worden uitbetaald bij het bereiken van vooraf vastgestelde mijlpalen.

2.   Voor alle projecten worden de in lid 1 bedoelde mijlpalen gebaseerd op de ontwikkelingscyclus van het project; mijlpalen zijn in elk geval:

a)

de financiële afsluiting;

b)

de aanvang.

3.   In de contractuele documentatie kunnen aanvullende specifieke mijlpalen worden opgenomen, afhankelijk van de toegepaste technologie en de specifieke omstandigheden van de bedrijfstak(ken) waarin die wordt toegepast.

4.   Tot 40 % van het totale bedrag dat uit het innovatiefonds als steun wordt verstrekt aan een project, inclusief de bijstand bij de ontwikkeling van het project, wordt bij de financiële afsluiting of bij het bereiken van een specifieke mijlpaal vóór de financiële afsluiting uitbetaald, mits die mijlpaal overeenkomstig lid 3 is vastgesteld.

5.   Voor zover het totale bedrag dat uit het innovatiefonds als steun wordt verstrekt aan een bepaald project, niet is uitbetaald krachtens lid 4, wordt dat bedrag uitbetaald na de financiële afsluiting. Het kan deels voor aanvang worden uitbetaald en in jaartranches na aanvang.

6.   Voor de toepassing van de leden 4 en 5 van dit artikel wordt het bedrag dat uit het innovatiefonds als steun wordt verstrekt aan dat project in de vorm van bijstand voor de ontwikkeling ervan overeenkomstig artikel 13 beschouwd als deel van het totale bedrag dat uit het innovatiefonds als steun wordt verstrekt aan een bepaald project.

Artikel 7

Algemene regels voor terugvordering

1.   De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde activiteiten de financiële belangen van het innovatiefonds worden beschermd door de toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door de terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties.

2.   Terugvorderingen worden overeenkomstig het Financieel Reglement uitgevoerd.

3.   De gronden voor terugvordering en de terugvorderingsprocedures worden nader omschreven in de contractuele documentatie.

Artikel 8

Bijzondere regels voor terugvordering

1.   Het bedrag dat krachtens artikel 6, lid 5, na de financiële afsluiting uit het innovatiefonds als steun wordt uitbetaald, hangt af van de hoeveelheid vermeden broeikasgasemissies, zoals geverifieerd op basis van door de aanvrager ingediende jaarverslagen over een periode van drie tot tien jaar na de aanvang. In het laatste door de aanvrager ingediende jaarverslag wordt opgave gedaan van de totale hoeveelheid broeikasgasemissies die in de gehele verslagperiode is vermeden.

2.   Als de totale hoeveelheid broeikasgasemissies die in de gehele verslagperiode is vermeden, minder is dan 75 % van de totale hoeveelheid broeikasgasemissies die volgens de planning zou worden vermeden, wordt het bedrag dat krachtens artikel 6, lid 5, aan de aanvrager is of zou worden betaald, naar rato teruggevorderd of verlaagd.

3.   Als het project niet aanvangt op het moment dat vooraf is bepaald, of als de aanvrager niet aantoont dat broeikasgasemissievermijding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, wordt het bedrag dat na de financiële afsluiting krachtens artikel 6, lid 5, is betaald, volledig teruggevorderd.

4.   Als de in de leden 2 en 3 bedoelde situaties zich voordoen als gevolg van buitengewone omstandigheden die buiten de macht van de aanvrager vallen en de aanvrager aantoont dat het project het potentieel heeft om meer broeikasgasemissies te vermijden dan de gerapporteerde hoeveelheid, of als de aanvrager aantoont dat met het project belangrijke voordelen in de vorm van koolstofarme innovatie mogelijk zijn, kan de Commissie besluiten de terugvorderingsmechanismen van de leden 2 en 3 niet toe te passen.

5.   De gronden voor terugvordering en de terugvorderingsprocedures worden nader omschreven in de contractuele documentatie.

6.   De in de leden 3 en 4 van dit artikel vastgestelde regels laten de algemene regels voor terugvordering van artikel 7 onverlet.

Artikel 9

Uitnodigingen tot het indienen van voorstellen

1.   De indieners van projectvoorstellen worden uitgenodigd steun uit het innovatiefonds aan te vragen via openbare procedures voor oproepen tot het indienen van voorstellen die door de Commissie worden gepubliceerd.

Voordat de Commissie besluit tot bekendmaking van een oproep tot het indienen van voorstellen, raadpleegt zij de lidstaten over de ontwerptekst van dat besluit.

2.   In het besluit van de Commissie tot bekendmaking van de oproepen tot het indienen van voorstellen is in elk geval het volgende opgenomen:

a)

het totaalbedrag aan steun uit het innovatiefonds dat beschikbaar is voor de oproep;

b)

het maximumbedrag aan steun uit het innovatiefonds dat beschikbaar is voor bijstand bij de ontwikkeling van projecten;

c)

de aard van de beoogde projecten of bedrijfstakken;

d)

een beschrijving van de aanvraagprocedure en een gedetailleerd overzicht van de informatie en documentatie die in elke fase van de aanvraagprocedure moet worden ingediend;

e)

gedetailleerde informatie over de selectieprocedure, inclusief de methode voor evaluatie en rangschikking;

f)

bij toepassing van specifieke aanvraag- en selectieprocedures voor kleinschalige projecten overeenkomstig artikel 10, lid 4, en artikel 12, lid 6, de regels van die specifieke procedures;

g)

als de Commissie een deel van het voor de oproep beschikbare totaalbedrag aan steun uit het innovatiefonds reserveert voor kleinschalige projecten, het bedrag van dat deel;

h)

de aanvullende selectiecriteria ten behoeve van een geografisch evenwichtige verdeling van de steun uit het innovatiefonds overeenkomstig artikel 11, lid 2, in voorkomend geval.

Artikel 10

Aanvraagprocedure

1.   De uitvoerende instantie verzamelt de aanvragen en verdeelt de aanvraagprocedure in twee opeenvolgende fasen:

a)

de blijk van belangstelling;

b)

de volledige aanvraag.

2.   In de fase van de blijk van belangstelling geeft de aanvrager een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van het project zoals in de desbetreffende oproep voorgeschreven, inclusief een beschrijving van de doeltreffendheid, de mate van innovatie en de rijpheid van het project, zoals bedoeld in artikel 11, lid 1, onder a) tot en met c).

3.   In de fase van de volledige aanvraag dient de aanvrager een gedetailleerde beschrijving van het project in, samen met alle ondersteunende documentatie, waaronder het plan voor kennisuitwisseling.

4.   Voor kleinschalige projecten kan een vereenvoudigde aanvraagprocedure worden gevolgd.

Artikel 11

Selectiecriteria

1.   Projecten worden op grond van de volgende criteria geselecteerd voor steun uit het innovatiefonds:

a)

de doeltreffendheid wat betreft het potentieel voor vermijding van de emissie van broeikasgassen, indien van toepassing, ten opzichte van de in artikel 10 bis, lid 2, van Richtlijn 2003/87/EG genoemde benchmarks;

b)

de mate van innovatie van het project ten opzichte van de stand van de technologie;

c)

de rijpheid van het project wat betreft de planning, het bedrijfsmodel, de financiële en juridische opzet en het vooruitzicht dat de financiële afsluiting zal worden bereikt binnen een vooraf bepaalde termijn van niet meer dan vier jaar na het gunningsbesluit;

d)

het technisch en marktpotentieel voor brede toepassing of herhaling, of voor toekomstige kostenbeperkingen;

e)

de doelmatigheid, uitgedrukt als de relevante kosten van het project verminderd met een eventuele bijdrage in die kosten door de aanvrager, gedeeld door de totale geplande hoeveelheid te vermijden broeikasgasemissies of energie die moet worden geproduceerd of opgeslagen of CO2 die moet worden opgeslagen in de eerste tien jaar van de exploitatie.

2.   Om een geografisch evenwichtige verdeling van de steun uit het innovatiefonds te bereiken, mogen aanvullende criteria voor de selectie van projecten worden toegepast.

Artikel 12

Selectieprocedure

1.   Op basis van de tijdens de fase van de blijk van belangstelling ontvangen aanvragen beoordeelt de uitvoerende instantie per project of het in aanmerking komt krachtens artikel 10 bis, lid 8, van Richtlijn 2003/87/EG. Vervolgens gaat de uitvoerende instantie over tot selectie van in aanmerking komende projecten overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel.

2.   De uitvoerende instantie stelt op basis van de aanvragen die tijdens de "blijk van belangstelling"-fase zijn ontvangen een lijst samen van de projecten die beantwoorden aan de selectiecriteria van artikel 11, lid 1, onder a) tot en met c), en nodigt de aanvragers van die projecten uit tot het indienen van een volledige aanvraag.

Als de uitvoerende instantie concludeert dat een project beantwoordt aan de selectiecriteria van artikel 11, lid 1, onder a) en b), maar niet aan het criterium van artikel 11, lid 1, onder c), beoordeelt zij of het project het potentieel heeft om na verdere ontwikkeling wel te beantwoorden aan alle selectiecriteria. Als het project dat potentieel heeft, kan de uitvoerende instantie bijstand bij de ontwikkeling van het project toewijzen of, als de Commissie die taak uitvoert, aan de Commissie voorstellen bijstand bij de ontwikkeling van het project toe te wijzen.

3.   Op basis van de overeenkomstig lid 2 van dit artikel ontvangen volledige aanvraag gaat de uitvoerende instantie over tot evaluatie en rangschikking van het project overeenkomstig alle in artikel 11 vastgestelde selectiecriteria. Voor die evaluatie vergelijkt de uitvoerende instantie het project met projecten in dezelfde bedrijfstak en met projecten in andere bedrijfstakken, en stelt zij een lijst met voorgeselecteerde projecten op.

4.   De in lid 3 genoemde lijst met voorgeselecteerde projecten en, indien van toepassing, het in de tweede alinea van lid 2 bedoelde voorstel worden medegedeeld aan de Commissie en omvatten in elk geval het volgende:

a)

een bevestiging dat het project voor steun in aanmerking komt en voldoet aan de selectiecriteria;

b)

gegevens over de evaluatie en rangschikking van het project;

c)

de totale projectkosten en relevante kosten bedoeld in artikel 5, in euro;

d)

het verzoek om het totaalbedrag aan steun uit het innovatiefonds, in euro,

e)

de hoeveelheid broeikasgasemissies die naar verwachting zal worden vermeden;

f)

de hoeveelheid energie die naar verwachting zal worden geproduceerd of opgeslagen;

g)

de hoeveelheid CO2 die naar verwachting zal worden opgeslagen; en

h)

informatie over de juridische vorm van de door de aanvrager aangevraagde steun uit het innovatiefonds.

5.   De Commissie neemt, na raadpleging van de lidstaten overeenkomstig artikel 21, lid 2, en op basis van hetgeen overeenkomstig lid 4 van dit artikel aan haar is medegedeeld, het gunningsbesluit waarin de steun aan de geselecteerde projecten wordt gespecificeerd en stelt in voorkomend geval een reservelijst op.

6.   Voor kleinschalige projecten kan een specifieke selectieprocedure worden gevolgd.

Artikel 13

Bijstand bij de ontwikkeling van projecten

1.   De Commissie stelt na raadpleging van de lidstaten overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder c), het maximumbedrag vast aan steun uit het innovatiefonds dat beschikbaar is voor bijstand bij de ontwikkeling van projecten.

2.   De bijstand bij de ontwikkeling van projecten wordt door de Commissie of door de uitvoerende instantie overeenkomstig artikel 12, lid 2, toegewezen in de vorm van een subsidie.

3.   De volgende activiteiten kunnen worden gefinancierd als bijstand bij de ontwikkeling van projecten:

a)

verbetering en ontwikkeling van projectdocumentatie of van onderdelen van het projectontwerp, om ervoor te zorgen dat het project voldoende rijp is;

b)

beoordeling van de haalbaarheid van het project, inclusief technische en economische studies;

c)

advies over de financiële en juridisch opzet van het project; en

d)

vergroting van de capaciteit van de aanvrager.

4.   In het kader van bijstand bij de ontwikkeling van projecten zijn alle kosten die samenhangen met projectontwikkeling, relevante kosten. Het innovatiefonds kan tot 100 % van de relevante kosten financieren.

HOOFDSTUK III

Specifieke bepalingen voor andere vormen van steun uit het innovatiefonds dan subsidies

Artikel 14

Verstrekking van steun uit het innovatiefonds via bijdragen aan blendingverrichtingen overeenkomstig het Unie-instrument voor investeringssteun

1.   Als de Commissie besluit steun uit het innovatiefonds uit te betalen via bijdragen aan blendingverrichtingen overeenkomstig het Unie-instrument voor investeringssteun, wordt de steun uit het innovatiefonds uitgevoerd overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op het Unie-instrument voor investeringssteun. Of de projecten in aanmerking komen voor steun, wordt evenwel beoordeeld overeenkomstig artikel 10 bis, lid 8, van Richtlijn 2003/87/EG.

2.   De Commissie neemt na raadpleging van de lidstaten een besluit waarin wordt vermeld of de bijdrage aan blendingverrichtingen de vorm heeft van niet-terugvorderbare steun of terugvorderbare steun of beide, en vermeldt daarbij het bedrag aan steun uit het innovatiefonds dat beschikbaar is voor de uitbetaling via het Unie-instrument voor investeringssteun.

Artikel 15

Verstrekking van steun uit het innovatiefonds in een andere in het Financieel Reglement vastgestelde vorm

1.   Als de Commissie besluit steun uit het innovatiefonds uit te betalen in een andere in het Financieel Reglement vastgestelde vorm dan subsidies, neemt zij, na raadpleging van de lidstaten, een besluit waarin het voor uitbetaling in die vorm beschikbare bedrag aan steun uit het innovatiefonds wordt aangegeven, evenals de regels die van toepassing zijn op de aanvraag van zulke steun, de selectie van de projecten en de uitbetaling van de steun.

2.   Projecten waarvoor steun uit het innovatiefonds wordt ontvangen krachtens dit artikel, voldoen aan de regels van de Unie voor staatshulp.

HOOFDSTUK IV

Beheer

Artikel 16

Uitvoering van het innovatiefonds

1.   De Commissie voert het innovatiefonds uit in direct beheer overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de artikelen 125 tot en met 153 van het Financieel Reglement of in indirect beheer via in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement genoemde instanties.

2.   De kosten in verband met activiteiten voor de uitvoering van het innovatiefonds, met inbegrip van de administratieve en beheerkosten, worden gefinancierd uit het innovatiefonds.

Artikel 17

Aanwijzing van uitvoerende instanties

1.   Als de Commissie besluit bepaalde taken in verband met de uitvoering van het innovatiefonds te delegeren aan een uitvoerende instantie, neemt zij een besluit ter aanwijzing van die uitvoerende instantie.

De Commissie en de aangewezen uitvoerende instantie sluiten een overeenkomst over de specifieke voorwaarden die de uitvoerende instantie in acht moet nemen bij het verrichten van haar taken.

2.   Als de Commissie het innovatiefonds in direct beheer uitvoert en besluit bepaalde uitvoeringstaken te delegeren aan een uitvoerende instantie, wijst zij een uitvoerend agentschap aan als uitvoerende instantie.

3.   Als de Commissie het innovatiefonds in indirect beheer uitvoert, wijst zij als uitvoerende instantie een in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement genoemde instantie aan.

4.   Voor zover de taken in verband met de uitvoering van het innovatiefonds niet worden gedelegeerd aan een uitvoerende instantie, worden die taken verricht door de Commissie.

Artikel 18

Taken van de uitvoerende instantie

De overeenkomstig artikel 17, lid 1, aangewezen uitvoerende instantie kan worden belast met het volledige beheer van de oproep tot het indienen van voorstellen, de uitbetaling van steun uit het innovatiefonds en de bewaking van de uitvoering van geselecteerde projecten. Daartoe kan de uitvoerende instantie worden belast met:

a)

de organisatie van de oproep tot het indienen van voorstellen;

b)

de organisatie van de aanvraagprocedure, met inbegrip van het verzamelen van de aanvragen en analyseren van alle ondersteunende documentatie;

c)

de organisatie van de projectselectie, met inbegrip van de projectevaluatie of het zorgvuldigheidsonderzoek en de rangschikking;

d)

het adviseren van de Commissie over de projecten waaraan steun uit het innovatiefonds moet worden verstrekt en de projecten die op de reservelijst moeten worden geplaatst;

e)

de toekenning of verstrekking van bijstand bij de ontwikkeling van projecten;

f)

de ondertekening van de subsidieovereenkomsten en andere contracten, naargelang de vorm van de steun uit het innovatiefonds;

g)

het opstellen en beheren van de contractuele documentatie met betrekking tot de geselecteerde projecten;

h)

het controleren of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de financiering, en uitbetaling van de opbrengsten van het innovatiefonds aan de indieners van projectvoorstellen;

i)

de bewaking van de uitvoering van de projecten;

j)

communicatie met de indieners van projectvoorstellen;

k)

rapportage aan de Commissie, met inbegrip van rapportage over de algemene richting voor de verdere ontwikkeling van het innovatiefonds;

l)

de financiële verslaglegging;

m)

voorlichtings-, communicatie- en promotieacties, met inbegrip van de productie van promotiemateriaal, en de ontwikkeling van het logo van het innovatiefonds;

n)

het beheer van kennisuitwisseling;

o)

de ondersteuning van de lidstaten bij de bevordering van het innovatiefonds en bij de communicatie met de indieners van projectvoorstellen;

p)

alle eventuele overige taken in verband de uitvoering van het innovatiefonds.

Artikel 19

Specifieke bepalingen met betrekking tot de uitvoering van het innovatiefonds in direct beheer

1.   Als de Commissie een agentschap aanwijst als uitvoerende instantie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van deze verordening, is dat besluit van de Commissie onderworpen aan het resultaat van de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad genoemde kosten-batenanalyse (6) en heeft de in artikel 17, lid 1, tweede alinea van deze verordening genoemde overeenkomst de vorm van een akte van delegatie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003.

2.   Wanneer overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van deze verordening bedragen worden teruggevorderd die in het kader van direct beheer zijn uitbetaald, vormen zulke teruggevorderde bedragen bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21 van het Financieel Reglement en worden zij aangewend ter financiering van de activiteiten uit hoofde van het innovatiefonds.

3.   Voor alle uitvoeringstaken die door de Commissie worden verricht, ook wanneer dat via een uitvoeringsagentschap gebeurt, vormen de opbrengsten van het innovatiefonds externe bestemmingsontvangsten zoals bedoeld in artikel 21, leden 1 en 5, van het Financieel Reglement. Die bestemmingsontvangsten dekken ook alle administratieve kosten in verband met de uitvoering van het innovatiefonds. De Commissie kan maximaal 5 % van de middelen van het innovatiefonds aanwenden ter dekking van de beheerskosten ervan.

4.   Aan een project waaraan in het kader van het innovatiefonds een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De cumulatieve financiering mag de totale subsidiabele kosten van het project niet overschrijden en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend.

Artikel 20

Beheer van de opbrengsten van het innovatiefonds

1.   De Commissie waarborgt dat de voor het innovatiefonds bestemde rechten worden geveild overeenkomstig de in artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG vastgelegde beginselen en modaliteiten en beheert de opbrengsten van het innovatiefonds overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 2003/87/EG.

2.   De Commissie waarborgt dat de in lid 1 genoemde opbrengsten tijdig worden overgeheveld naar de uitvoerende instantie ter financiering van de kosten in verband met de uitvoeringsactiviteiten en uitbetaling aan de gegunde projecten.

3.   De Commissie kan het te gelde maken van de rechten en het beheer van de opbrengsten van het innovatiefonds delegeren aan de Europese Investeringsbank (EIB). In dat geval sluiten de Commissie en de EIB een overeenkomst over de specifieke voorwaarden waaraan de EIB zich moet houden bij het uitvoeren van haar taken in verband met het beheer van de opbrengsten van het innovatiefonds.

4.   Met inachtneming van de bepalingen van Richtlijn 2003/87/EG worden opbrengsten van het innovatiefonds die resteren na afloop van de subsidiabiliteitsperiode voor de gesteunde projecten aangewend ter ondersteuning van nieuwe projecten die voldoen aan de criteria van artikel 10 bis, lid 8, van Richtlijn 2003/87/EG, tot alle opbrengsten voor de doelstellingen van het fonds zijn besteed. Dergelijke nieuwe projecten worden geselecteerd via nieuwe oproepen tot het indienen van voorstellen overeenkomstig artikel 9 of worden ondersteund overeenkomstig de artikelen 14 of 15.

Artikel 21

Rol van de lidstaten

1.   Bij de uitvoering van het innovatiefonds worden de lidstaten door de Commissie geraadpleegd, en steunen zij de Commissie.

2.   De lidstaten worden geraadpleegd over:

a)

de lijst met voorgeselecteerde projecten, met inbegrip van de reservelijst, en de lijst projecten die worden voorgedragen voor bijstand bij de ontwikkeling van projecten overeenkomstig artikel 12, lid 2, voorafgaand aan de toekenning van de steun;

b)

ontwerpbesluiten van de Commissie zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 1;

c)

het maximale bedrag aan steun uit het innovatiefonds dat als bijstand bij de ontwikkeling van projecten beschikbaar wordt gesteld;

3.   De lidstaten adviseren en ondersteunen de Commissie desgevraagd bij:

a)

het vaststellen van de algemene richting van het innovatiefonds;

b)

behandelen van bestaande of nieuwe problemen bij de uitvoering van projecten;

c)

de aanpak van alle overige kwesties die verband houden met de uitvoering van projecten.

4.   De Commissie brengt aan de lidstaten verslag uit over de voortgang die wordt geboekt bij de uitvoering van deze verordening, met name wat betreft de uitvoering van de in artikel 12, lid 5, genoemde gunningsbesluiten.

Artikel 22

Rol van de belanghebbenden

De Commissie kan belanghebbenden betrekken bij besprekingen over de uitvoering van het innovatiefonds, met inbegrip van de in artikel 21, lid 3, vermelde kwesties.

HOOFDSTUK V

Bewaking, rapportage en evaluatie

Artikel 23

Bewaking en rapportage

1.   De uitvoerende instantie bewaakt de werking van het innovatiefonds, met inbegrip van de bedragen aan uit het innovatiefonds uitgekeerde steun.

2.   Teneinde te waarborgen dat de resultaten en de gegevens die nodig zijn voor de in het eerste lid genoemde bewaking tijdig en op efficiënte en doeltreffende wijze worden verzameld, kunnen aan de indieners van projectvoorstellen passende rapportagevereisten worden opgelegd. De indieners van projectvoorstellen nemen in hun rapportage de informatie op over de activiteiten die overeenkomstig artikel 27 met het oog op kennisuitwisseling worden ondernomen.

3.   De uitvoerende instantie brengt regelmatig verslag uit aan de Commissie over de uitvoering van haar taken.

4.   De uitvoerende instantie brengt verslag uit aan de Commissie over de gehele cyclus van de uitbetaling van steun, en met name over de organisatie van de oproepen tot het indienen van voorstellen en over het sluiten van contracten met de indieners van projectvoorstellen.

5.   Steeds nadat een oproep tot het indienen van voorstellen is afgerond, brengt de Commissie verslag uit aan de lidstaten over de uitvoering van die oproep.

6.   De Commissie brengt jaarlijks verslag uit aan de Raad en het Europees Parlement over de voortgang bij de uitvoering van het innovatiefonds.

7.   Uitvoerende instanties, niet zijnde uitvoerende agentschappen, en entiteiten waaraan het beheer van de opbrengsten van het innovatiefonds is gedelegeerd overeenkomstig artikel 20, lid 3, voorzien de Commissie van het volgende:

a)

vóór 15 februari, niet-gecontroleerde financiële staten voor het voorafgaande boekjaar, dat loopt van 1 januari tot en met 31 december, met betrekking tot de aan deze uitvoerende instanties en entiteiten gedelegeerde activiteiten;

b)

vóór 15 maart van het jaar waarin de niet-gecontroleerde financiële staten zijn verzonden, de gecontroleerde financiële staten voor het voorafgaande boekjaar, dat loopt van 1 januari tot en met 31 december, met betrekking tot de aan deze uitvoerende instanties en entiteiten gedelegeerde activiteiten.

De Commissie stelt voor ieder boekjaar, dat loopt van 1 januari tot en met 31 december, de jaarrekening op van het innovatiefonds, op basis van de financiële staten zoals die overeenkomstig a) hierboven beschikbaar zijn gesteld. Die jaarrekening wordt onderworpen aan externe controle door een onafhankelijke accountant.

De financiële staten en jaarrekening zoals voorzien in dit lid worden opgesteld met inachtneming van de in artikel 80 van het Financieel Reglement bedoelde boekhoudregels.

Artikel 24

Evaluatie

1.   De Commissie evalueert de werking van het innovatiefonds elke vijf jaar, voor het eerst in 2025. Die evaluatie is met name, maar niet uitsluitend, gericht op de beoordeling van de synergie tussen het innovatiefonds en andere relevante programma's van de Unie en op de procedure voor uitbetaling van steun uit het innovatiefonds.

2.   Op basis van de resultaten van de in lid 1 van dit artikel genoemde evaluaties doet de Commissie, waar van toepassing, voorstellen om te waarborgen dat het innovatiefonds voortgang boekt bij het verwezenlijken van zijn doelstellingen zoals voorzien in Richtlijn 2003/87/EG en in artikel 3 van deze verordening.

3.   Na afloop van de uitvoering van het innovatiefonds, maar uiterlijk in 2035, verricht de Commissie een laatste evaluatie van de werking van het innovatiefonds.

4.   De Commissie maakt de resultaten van de overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 verrichte evaluaties toegankelijk voor het publiek.

HOOFDSTUK VI

Audits, publiciteit en kennisuitwisseling

Artikel 25

Audits

1.   Audits naar het gebruik van de steun uit het innovatiefonds die worden uitgevoerd door onafhankelijke externe controleurs, daaronder begrepen door andere dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van artikel 26.

2.   Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die steun ontvangt uit het innovatiefonds stemt schriftelijk in met het verlenen van de nodige rechten en toegang zoals bedoeld in artikel 129 van het Financieel Reglement.

Artikel 26

Wederzijds vertrouwen in audits

Indien de financiële staten en verslagen over het gebruik van een bijdrage van de Unie door een onafhankelijk controleur zijn onderworpen aan een audit op basis van internationaal aanvaarde, redelijke zekerheid biedende auditnormen, vormt deze audit, onverminderd bestaande mogelijkheden voor het verrichten van verdere audits, de basis van de algemene zekerheid, zoals, in voorkomend geval, nader bepaald in bedrijfstakspecifieke voorschriften, op voorwaarde dat de onafhankelijkheid en de bekwaamheid van de controleur voldoende zijn aangetoond. Het verslag van de onafhankelijke controleur en de bijbehorende auditdocumentatie wordt op verzoek ter beschikking gesteld van het Europees Parlement, de Commissie, de Rekenkamer en de auditautoriteiten van de lidstaten.

Artikel 27

Communicatie, kennisuitwisseling en publiciteit

1.   Indieners van projectvoorstellen stellen informatie over projecten die uit hoofde van deze verordening worden gesteund op proactieve en systematische wijze via hun websites ter beschikking van het publiek. Die informatie omvat een expliciete verwijzing naar de uit het innovatiefonds ontvangen steun.

2.   De indieners van projectvoorstellen zien erop toe dat meerdere doelgroepen, waaronder de media en het algemene publiek, worden voorzien van samenhangende, doelmatige en gerichte informatie over de uit het innovatiefonds ontvangen steun.

3.   Het logo van het innovatiefonds of ander promotiemateriaal dat volgens de contractuele documentatie is vereist, wordt gebruikt voor alle communicatie- en kennisuitwisselingsactiviteiten en verschijnt op aankondigingsborden die op strategische, voor het publiek goed zichtbare locaties zijn geplaatst.

4.   De indieners van projectvoorstellen verstrekken in het plan voor kennisuitwisseling dat overeenkomstig artikel 10, lid 3, wordt ingediend, gedetailleerde informatie over de geplande acties overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel.

5.   De uitvoerende instantie verricht voorlichtings-, communicatie- en promotieacties in verband met de steun uit het innovatiefonds en de resultaten. De uitvoerende instantie organiseert specifieke seminars, workshops of, indien van toepassing, andere soorten activiteiten, teneinde de uitwisseling van ervaring, kennis en beste praktijken te faciliteren met betrekking tot het ontwerp, de voorbereiding en de uitvoering van projecten, alsook met betrekking tot de doeltreffendheid van de financiering die wordt geboden in het kader van bijstand bij de ontwikkeling van projecten.

HOOFDSTUK VII

Slotbepalingen

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(2)  Besluit 2010/670/EU van de Commissie van 3 november 2010 tot vaststelling van criteria en maatregelen voor de financiering van commerciële demonstratieprojecten ter bevordering van de milieutechnisch veilige afvang en geologische opslag van CO2, alsook voor demonstratieprojecten ter bevordering van innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie in het kader van de bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB L 290 van 6.11.2010, blz. 39).

(3)  Speciaal verslag van 5 september 2018 nr. 24/2018: Demonstratie van koolstofafvang en -opslag en innovatieve hernieuwbare energiebronnen op commerciële schaal in de EU: beoogde vooruitgang in het afgelopen decennium niet gerealiseerd, beschikbaar op de website van de Rekenkamer: https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR18_24/SR_CCS_NL.pdf

(4)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB L 302 van 18.11.2010, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd (PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1).


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/857 VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2019

betreffende de verlenging van de vergunning voor Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkschapen en melkgeiten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 226/2007 (vergunninghouder Danstar Ferment AG, vertegenwoordigd door Lallemand SAS)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures voor het verlenen en verlengen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Voor Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 is bij Verordening (EG) nr. 226/2007 van de Commissie (2) een vergunning verleend voor een periode van tien jaar als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkgeiten en melkschapen.

(3)

Overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is door de houder van die vergunning een aanvraag ingediend voor de verlenging van de vergunning voor Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkgeiten en melkschapen, waarbij is verzocht dat het toevoegingsmiddel in de categorie "zoötechnische toevoegingsmiddelen" wordt ingedeeld. De krachtens artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 5 juli 2018 (3) geconcludeerd dat de aanvrager gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat het toevoegingsmiddel voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning.

(5)

Uit de beoordeling van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. De vergunning voor dat toevoegingsmiddel, zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening, moet daarom worden verlengd.

(6)

Als gevolg van de verlenging van de vergunning voor Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 als toevoegingsmiddel voor diervoeding onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening, moet Verordening (EG) nr. 226/2007 worden ingetrokken.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De vergunning voor het in de bijlage beschreven toevoegingsmiddel, dat behoort tot de categorie "zoötechnische toevoegingsmiddelen" en de functionele groep "darmflorastabilisatoren", wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden verlengd.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 226/2007 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Verordening (EG) nr. 226/2007 van de Commissie van 1 maart 2007 tot verlening van een vergunning voor het gebruik van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 (Levucell SC20 en Levucell SC10 ME) als toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 64 van 2.3.2007, blz. 26).

(3)  EFSA Journal 2018;16(7):5385.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Kve/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren

4b1711

Danstar Ferment AG, vertegenwoordigd door Lallemand SAS

Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077 met een minimumconcentratie van:

1 × 1010 kve/g toevoegingsmiddel (gecoat);

2 × 1010 kve/g toevoegingsmiddel (niet gecoat);

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1077

Analysemethode  (1)

Telling: gietplaatmethode met gebruikmaking van chlooramfenicol-dextrosegistextractagar (EN15789:2009)

Identificatie: polymerasekettingreactiemethode (PCR-methode) CEN/TS 15790:2008

Melkgeiten

5 × 108

1.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en het voormengsel worden de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling vermeld.

2.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel voor diervoeding moet het volgende worden vermeld: "Aanbevolen dosis voor melkgeiten en melkschapen: 4 × 109 kve/dier/dag"

3.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij gebruik te voorkomen. Als die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd of tot een minimum beperkt, worden bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder beschermingsmiddelen voor de ogen en de ademhaling.

17 juni 2029

Melkschapen

1,2 × 109


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium van de Europese Unie voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


BESLUITEN

28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/21


BESLUIT (EU) 2019/858 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa) en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2017 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Siofa

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 2008/780/EG van de Raad (1) heeft de Unie de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa) (2) gesloten, waarbij de vergadering van de partijen bij de Siofa is opgericht.

(2)

De vergadering van de partijen bij de Siofa is verantwoordelijk voor de beheers- en instandhoudingsmaatregelen van de visbestanden in het Siofa-gebied. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Siofa voor de periode 2019-2023, aangezien de door de jaarlijkse vergadering van de partijen bij de Siofa goedgekeurde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (4) en (EG) nr. 1224/2009 (5) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(7)

Het besluit van de Raad van 12 juni 2017 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Siofa voorziet niet in een herziening van het standpunt van de Unie binnen de vergadering van de partijen bij de Siofa vóór de jaarlijkse vergadering van 2022. De overgrote meerderheid van de besluiten van de Raad tot vaststelling van het standpunt van de Unie binnen de verschillende ROVB's waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, dienen echter te worden herzien vóór de jaarlijkse vergaderingen van 2019 van die ROVB's. Om de samenhang tussen het standpunt van de Unie in alle ROVB's te bevorderen en het herzieningsproces te stroomlijnen, is het derhalve passend de herziening van het besluit van 12 juni 2017 te vervroegen en dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het Siofa-gebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de partijen bij de Siofa worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa) is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergadering van de partijen bij de Siofa moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de partijen bij de Siofa in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 12 juni 2017 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa) en tot intrekking van het Besluit van de Raad van 25 oktober 2012 inzake de vaststelling van het door de Unie in te nemen standpunt in het kader van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa) wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 2008/780/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (PB L 268 van 9.10.2008, blz. 27).

(2)  PB L 196 van 18.7.2006, blz. 15.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (Siofa)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de Siofa moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van Siofa-maatregelen en erop toezien dat de in Siofa-verband vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met de SIOF-overeenkomst;

c)

erop toezien dat in Siofa-verband vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het SIOF-overeenkomstgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen (3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de Siofa ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang van het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

k)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat in de Siofa de volgende maatregelen worden vastgesteld:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het overeenkomstgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totale toegestane vangsten (TAC's), quota en regulering van de visserijinspanning of vangstcapaciteit voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de Siofa worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig worden specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden overwogen, teneinde de visserijdruk te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het SIOF-overeenkomstgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het SIOF-overeenkomstgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in Siofa-verband vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het SIOF-overeenkomstgebied in overeenstemming met de SIOF-overeenkomst en de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

waar passend gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

i)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de Siofa.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan

Vóór elke vergadering van de Vergadering van de partijen worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de Vergadering van de partijen bij de Siofa, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de Vergadering van de partijen, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/27


BESLUIT (EU) 2019/859 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO), en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de SPRFMO

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 2012/130/EU van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (2) ("het SPRFMO-verdrag") gesloten, waarbij de SPRFMO-commissie is opgericht.

(2)

De SPRFMO-commissie is verantwoordelijk voor het vaststellen van instandhoudings- en beheersmaatregelen om de doelstellingen van het SPRFMO-verdrag te verwezenlijken. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de SPRFMO-commissie voor de periode 2020-2024, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de SPRFMO bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (4) en (EG) nr. 1224/2009 (5) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(7)

Het besluit van de Raad van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de SPRFMO voorziet niet in een herziening van het standpunt van de Unie binnen de SPRFMO-commissie vóór de jaarlijkse vergadering van 2022. De overgrote meerderheid van de besluiten van de Raad tot vaststelling van het standpunt van de Unie binnen de verschillende ROVB's waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, dienen echter te worden herzien vóór de jaarlijkse vergaderingen van 2019 van die ROVB's. Om de samenhang tussen het standpunt van de Unie in alle ROVB's te bevorderen en het herzieningsproces te stroomlijnen, is het derhalve passend de herziening van het besluit van 12 juni 2017 te vervroegen en dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2020-2024.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het SPRFMO-verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de SPRFMO-commissie worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2020-2024 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de commissie van de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO), is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de SPRFMO-commissie moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de SPRFMO-commissie in 2025 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijk deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) en tot intrekking van het besluit van de Raad van 25 oktober 2012 inzake de vaststelling van het door de Unie in te nemen standpunt in de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan, wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 2012/130/EU van de Raad van 3 oktober 2011 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (PB L 67 van 6.3.2012, blz. 1).

(2)  PB L 67 van 6.3.2012, blz. 3.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de SPRFMO moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van SPRFMO-maatregelen en erop toezien dat de in de SPRFMO vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het SPRFMO-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de SPRFMO vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het SPRFMO-verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen(3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de SPRFMO ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

k)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de SPRFMO de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het verdragsgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de SPRFMO worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het verdragsgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de SPRFMO vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het SPRFMO-verdragsgebied in overeenstemming met het SPRFMO-verdrag en de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

i)

waar passend gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de SPRFMO.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan

Vóór elke vergadering van de SPRFMO-commissie worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de SPRFMO-commissie, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de SPRFMO-commissie, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/33


BESLUIT (EU) 2019/860 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), en tot intrekking van het besluit van 19 mei 2014 inzake het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de IOTC

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 95/399/EG van de Raad (1) heeft de Unie de Overeenkomst tot oprichting van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (2) ("de IOTC-overeenkomst") gesloten.

(2)

De IOTC is verantwoordelijk voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het IOTC-overeenkomstgebied. De IOTC stelt instandhoudings- en beheersmaatregelen vast om de instandhouding van de onder de IOTC-overeenkomst vallende visbestanden te garanderen en het optimale gebruik ervan te bevorderen. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de IOTC voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de IOTC bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (4) en (EG) nr. 1224/2009 (5) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(7)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de IOTC, is momenteel vastgesteld in het besluit van de Raad van 19 mei 2014 inzake het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de IOTC. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het IOTC-overeenkomstgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de IOTC worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de IOTC moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de IOTC in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 19 mei 2014 inzake het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC), wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluittreedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 95/399/EG van de Raad van 18 september 1995 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot de Overeenkomst tot oprichting van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (PB L 236 van 5.10.1995, blz. 24).

(2)  PB L 236 van 5.10.1995, blz. 25.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de IOTC moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van IOTC-maatregelen en erop toezien dat de in de IOTC vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met de IOTC-overeenkomst;

c)

erop toezien dat de in de IOTC vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het IOTC-overeenkomstgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen(3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de IOTC ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

k)

coördinatie en samenwerking met andere tonijn-ROVB's stimuleren met betrekking tot kwesties van gemeenschappelijk belang, met name via de reactivatie van het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's en de uitbreiding ervan naar alle ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de IOTC de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het IOTC-overeenkomstgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de IOTC worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig worden specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden overwogen, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het IOTC-overeenkomstgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het IOTC-overeenkomstgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de IOTC vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het IOTC-overeenkomstgebied in overeenstemming met de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om het gebruik van visaantrekkende voorzieningen (FAD's) te beheren, met name om de gegevensverzameling te verbeteren, het gebruik van de FAD's nauwkeurig te kwantificeren, te volgen en te monitoren, de impact ervan op kwetsbare tonijnbestanden te verkleinen, en de mogelijke impact ervan op doelsoorten en niet-doelsoorten en op het ecosysteem te verminderen;

g)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken, en om en de bijdrage aan zwerfvuil op zee te verminderen;

h)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

i)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de organen en werkgroepen van de IOTC.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan

Vóór elke vergadering van de IOTC worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de IOTC, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de IOTC, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/38


BESLUIT (EU) 2019/861 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (Seafo), en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Seafo

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 2002/738/EG van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (2) ("het Seafo-verdrag") gesloten, waarbij de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (Seafo) is opgericht.

(2)

De Seafo-commissie is verantwoordelijk voor het vaststellen van maatregelen die moeten waarborgen dat de visbestanden in het Seafo-verdragsgebied op lange termijn in stand worden gehouden en duurzaam worden gebruikt. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Seafo-commissie voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de Seafo bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (4) en (EG) nr. 1224/2009 (5) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(7)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Seafo-commissie is momenteel vastgesteld in het besluit van de Raad van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Seafo. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het Seafo-verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de Seafo worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de commissie van de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (Seafo), is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de Seafo-commissie moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de Seafo-commissie in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (Seafo) wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 2002/738/EG van de Raad van 22 juli 2002 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (PB L 234 van 31.8.2002, blz. 39).

(2)  PB L 234 van 31.8.2002, blz. 40.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (Seafo)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de Seafo moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van Seafo-maatregelen en erop toezien dat de in de Seafo vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het Seafo-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de Seafo vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het Seafo-verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen(3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de Seafo ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

k)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de Seafo de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het verdragsgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de Seafo worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig worden specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden overwogen, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het verdragsgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de Seafo vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het Seafo-verdragsgebied in overeenstemming met de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

i)

waar passend gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de ondergeschikte organen en de werkgroepen van de Seafo.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan

Vóór elke vergadering van de Seafo-commissie worden, wanneer dat lichaam besluiten dient vast te stellen die voor de Unie bindend kunnen worden, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de Seafo-commissie, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de Seafo-commissie, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/44


BESLUIT (EU) 2019/862 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC), en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen inzake de instandhouding en het beheer van de over grote afstanden trekkende visbestanden in de WCPFC

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 2005/75/EG van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (2) ("het WCPF-verdrag") gesloten, waarbij de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC) is opgericht.

(2)

De WCPFC is verantwoordelijk voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het WCPF-verdragsgebied. De WCPFC neemt instandhoudings- en beheersmaatregelen om de duurzaamheid op lange termijn van over grote afstanden trekkende visbestanden in het WCPF-verdragsgebied te waarborgen en te garanderen dat deze bestanden optimaal worden gebruikt. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de WCPFC voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de WCPFC bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (4) en (EG) nr. 1224/2009 (5) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(7)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de WCPFC is momenteel vastgesteld in het besluit van de Raad van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen inzake de instandhouding en het beheer van de over grote afstanden trekkende visbestanden in de WCPFC. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het WCPF-verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de WCPFC worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC) is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de WCPFC moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de WCPFC in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 12 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen inzake de instandhouding en het beheer van de over grote afstanden trekkende visbestanden in de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC) wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 2005/75/EG van de Raad van 26 april 2004 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (PB L 32 van 4.2.2005, blz. 1).

(2)  PB L 32 van 4.2.2005, blz. 3.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de WCPFC moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van WCPFC-maatregelen en erop toezien dat de in de WCPFC vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het WCPF-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de WCPFC vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen(3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de WCPFC ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

k)

waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's ontwikkelen, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

l)

coördinatie en samenwerking met andere tonijn-ROVB's stimuleren met betrekking tot kwesties van gemeenschappelijk belang, met name via de reactivatie van het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's en de uitbreiding ervan naar alle ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de WCPFC de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het WCPF-verdragsgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's), quota en maatregelen betreffende de visserijinspanning of vangstcapaciteit voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de WCPFC worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijdruk te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het WCPF-verdragsgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de WCPFC vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het WCPF-verdragsgebied in overeenstemming met het WCPF-verdrag, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om het gebruik van visaantrekkende voorzieningen (FAD's) te beheren, met name om de gegevensverzameling te verbeteren, het gebruik van de FAD's nauwkeurig te kwantificeren, te volgen en te monitoren, de impact ervan op kwetsbare tonijnbestanden te verkleinen, en de mogelijke impact ervan op doelsoorten en niet-doelsoorten en op het ecosysteem te verminderen;

g)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken, en om en de bijdrage aan zwerfvuil op zee te verminderen;

h)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

i)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de WCPFC.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan

Vóór elke vergadering van de WCPFC worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de WCPFC, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de WCPFC, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/49


BESLUIT (EU) 2019/863 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO), en tot intrekking van het besluit van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de NAFO

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EEG) nr. 3179/78 van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag inzake samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (2) (het NAFO-verdrag) gesloten, waarbij de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) is opgericht. Op grond van Besluit 2010/717/EU van de Raad (3) heeft de Unie de vierde wijziging van het NAFO-verdrag (4) gesloten, waarbij de commissie van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO-commissie) is opgericht.

(2)

De NAFO-commissie is verantwoordelijk voor de vaststelling van maatregelen met het oog op de instandhouding op de lange termijn en het duurzame gebruik van de visbestanden in het NAFO-verdragsgebied en op de bescherming van de mariene ecosystemen waarin deze bestanden voorkomen. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen op het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie maatregelen moet nemen inzake beheer en instandhouding die gebaseerd zijn op het best beschikbare wetenschappelijke advies; actief steun moet verlenen aan de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies; teruggooi geleidelijk moet uitbannen; en vangstmethoden moet bevorderen die bijdragen tot selectievere visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten, en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen in het kader van haar externe visserijbetrekkingen.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de NAFO-commissie voor de periode 2019-2023 en het besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de NAFO in te trekken, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NAFO bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (6) en (EG) nr. 1224/2009 (7) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(7)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het NAFO-verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke of andere informatie die voor of tijdens de vergaderingen van de NAFO-commissie wordt gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in vergaderingen van de commissie van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie tijdens de vergaderingen van de NAFO-commissie moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de NAFO-commissie in 2024 wordt het in bijlage I vervatte standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO), wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Verordening (EEG) nr. 3179/78 van de Raad van 28 december 1978 betreffende de sluiting door de Europese Economische Gemeenschap van de Overeenkomst inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 378 van 30.12.1978, blz. 1).

(2)  PB L 378 van 30.12.1978, blz. 16.

(3)  Besluit 2010/717/EU van de Raad van 8 november 2010 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van wijzigingen in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (PB L 321 van 7.12.2010, blz. 1).

(4)  PB L 321 van 7.12.2010, blz. 2.

(5)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(6)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de NAFO moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om het effect van visserijactiviteiten op het milieu te beperken, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van NAFO-maatregelen en erop toezien dat de in de NAFO-commissie vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het NAFO-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de NAFO-commissie vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het gereglementeerde gebied van de NAFO gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van deze beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen(3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de NAFO ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

k)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de NAFO de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het gereglementeerde gebied van de NAFO op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, en de voorzorgsbenadering met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de NAFO worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig worden specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden overwogen, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het gereglementeerde gebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het gereglementeerde gebied van de NAFO met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de NAFO vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het gereglementeerde gebied in overeenstemming met het NAFO-verdrag, rekening houdend met de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

i)

de ontwikkeling van benaderingen om de gevolgen te bestrijden van andere dan visserijactiviteiten voor de biologische rijkdommen van de zee in het gereglementeerde gebied;

j)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

k)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de NAFO.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan

Vóór elke vergadering van de NAFO-commissie worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en beleidslijnen.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de NAFO-commissie, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de NAFO-commissie, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/54


BESLUIT (EU) 2019/864 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (Nasco), en tot intrekking van het besluit van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Nasco

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 82/886/EEG van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag inzake de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (2) (het Nasco-verdrag) gesloten, waarbij de Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (Nasco) is opgericht.

(2)

De Raad van de Nasco, die ondersteund wordt door de drie commissies (de Commissie voor Noord-Amerika, de Commissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Commissie voor West-Groenland), is het lichaam dat is opgericht krachtens het Nasco-verdrag met het oog op de instandhouding, het herstel, de vergroting en het rationele beheer van de Atlantische zalmbestanden door middel van internationale samenwerking. De Raad van de Nasco stelt instandhoudings- en beheersmaatregelen vast om de onder zijn bevoegdheid vallende visbestanden te beheren. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Raad van de Nasco, aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de Nasco bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (4) en (EG) nr. 1224/2009 (5) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(7)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Raad van de Nasco, is momenteel vastgesteld in het besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Nasco. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het Nasco-verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de Nasco worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Raad van de Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (Nasco), is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de Raad van de Nasco moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de Raad van de Nasco in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (Nasco), wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 82/886/EEG van de Raad van 13 december 1982 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 24).

(2)  PB L 378 van 31.12.1982, blz. 25.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan (Nasco)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de Nasco moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om het effect van visserijactiviteiten op het milieu te beperken, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

erop toezien dat de in de Nasco vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het Nasco-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de Nasco vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag inzake het recht van de zee en artikel 66 daarvan, de Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen(3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de Nasco ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, en in het bijzonder voor coördinatie met Ospar, waarbij de Unie eveneens verdragsluitende partij is;

k)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de Nasco de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het verdragsgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de Nasco worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig worden specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden overwogen, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het Nasco-verdragsgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de Nasco vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten en aquacultuur op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het Nasco-verdragsgebied in overeenstemming met de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen, wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

i)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de Nasco.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan

Vóór elke vergadering van de Raad van de Nasco worden, wanneer dat lichaam besluiten dient vast te stellen die voor de Unie bindend kunnen worden, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de Raad van de Nasco, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de Raad van de Nasco, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/60


BESLUIT (EU) 2019/865 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) en tot intrekking van het besluit van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de NEAFC

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 81/608/EEG van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (2) gesloten, waarbij de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) is opgericht ("NEAFC -Verdrag"). De wijzigingen van het NEAFC-verdrag van 2004 en 2006 zijn goedgekeurd bij Besluit 2009/550/EG van de Raad (3). De wijzigingen zijn formeel in werking zijn getreden op 29 oktober 2013, al was in overeenstemming met de Verklaring van Londen van 18 november 2005 overeengekomen dat de wijzigingen met ingang van hun goedkeuring op voorlopige basis werden toegepast in afwachting van hun inwerkingtreding.

(2)

De NEAFC is verantwoordelijk voor het vaststellen van maatregelen die moeten waarborgen dat de visbestanden in het NEAFC-verdragsgebied ("het verdragsgebied") op lange termijn in stand worden gehouden en optimaal worden gebruikt. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de NEAFC voor de periode 2019-2023, en het besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de NEAFC in te trekken aangezien de instandhoudings- en handhavingsmaatregelen van de NEAFC bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (5) en (EG) nr. 1224/2009 (6) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(7)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de NEAFC is momenteel vastgesteld in het besluit van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de NEAFC. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de NEAFC worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de NEAFC moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de NEAFC in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 81/608/EEG van de Raad van 13 juli 1981 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 227 van 12.8.1981, blz. 21).

(2)  PB L 227 van 12.8.1981, blz. 22.

(3)  Besluit 2009/550/EG van de Raad van 5 maart 2009 betreffende de goedkeuring van wijzigingen van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan die de instelling van procedures voor de regeling van geschillen, de uitbreiding van de werkingssfeer van het verdrag en een herziening van de doelstellingen van het verdrag mogelijk maken (PB L 184 van 16.7.2009, blz. 12).

(4)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(5)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de NEAFC moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

erop toezien dat de in de NEAFC vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het NEAFC-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de NEAFC vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het gereglementeerde gebied van de NEAFC gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van aanbevelingen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen (3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de NEAFC ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, en in het bijzonder voor coördinatie met Ospar, waarbij de Unie eveneens verdragsluitende partij is;

k)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de NEAFC de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het gereglementeerde gebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de NEAFC worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het gereglementeerde gebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het gereglementeerde gebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de NEAFC vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het gereglementeerde gebied in overeenstemming met de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

i)

waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de NEAFC.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan

Vóór elke vergadering van de NEAFC worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de NEAFC, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de NEAFC, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/66


BESLUIT (EU) 2019/866 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, en tot intrekking van het besluit van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Unie in te nemen standpunt in die jaarlijkse conferentie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Polen is verdragsluitende partij bij het Verdrag voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee (hierna het "Verdrag voor de Beringzee" genoemd). De Unie is geen partij bij dat verdrag. Overeenkomstig artikel 6, lid 9, van de Toetredingsakte van 2003 worden visserijovereenkomsten die lidstaten met derde landen hebben gesloten, beheerd door de Unie, die de in het kader van het Verdrag voor de Beringzee vastgestelde besluiten dient uit te voeren.

(2)

Het besluit van de Raad van 11 april 2016 houdende machtiging van de Republiek Polen om in het belang van de Europese Unie onderhandelingen te openen met het oog op een wijziging van het verdrag voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, waardoor regionale organisaties voor economische integratie, zoals de Europese Unie, partij bij het verdrag zouden kunnen worden, heeft Polen gemachtigd om, in het belang van de Unie, te onderhandelen over een wijziging van het Verdrag voor de Beringzee waardoor de Unie verdragsluitende partij bij dit verdrag zou kunnen worden. Dat mandaat wordt momenteel ten uitvoer gelegd. Er wordt van uitgegaan dat Polen haar lidmaatschap van het verdrag zal opzeggen wanneer de Unie als volwaardige verdragsluitende partij bij het Verdrag voor de Beringzee wordt aanvaard.

(3)

De jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee (hierna "de jaarlijkse conferentie van de partijen" genoemd) is verantwoordelijk voor de beheers- en instandhoudingsmaatregelen van de koolvisbestanden in het betreffende verdragsgebied. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(4)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen op het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie maatregelen moet nemen inzake beheer en instandhouding die gebaseerd zijn op het best beschikbare wetenschappelijke advies; actief steun moet verlenen aan de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies; teruggooi geleidelijk moet uitbannen; en vangstmethoden moet bevorderen die bijdragen tot selectievere visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten, en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen in het kader van haar externe visserijbetrekkingen.

(5)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(6)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(7)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de jaarlijkse conferentie van de partijen voor de periode 2019-2023, aangezien de door die conferentie vastgestelde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (2) en (EG) nr. 1224/2009 (3) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(8)

Het besluit van de Raad van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Unie in te nemen standpunt in de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, voorziet niet in een herziening van het standpunt van de Unie in de jaarlijkse conferentie van de partijen vóór de jaarlijkse vergadering van 2022. De overgrote meerderheid van de besluiten van de Raad betreffende de standpunten van de Unie in de verschillende ROVB's waarbij zij partij is, moeten echter vóór de jaarlijkse vergaderingen van 2019 van die ROVB's worden herzien. Om te zorgen voor meer samenhang tussen de standpunten van de Unie in alle ROVB's en om de herzieningsprocedures te laten samenvallen, is het bijgevolg passend om de herziening van het besluit van 12 juni 2017 naar voren te schuiven en dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(9)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke of andere informatie die voor of tijdens de jaarlijkse conferentie van de partijen wordt gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee, is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee in 2024 wordt het in bijlage I vervatte standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 12 juni 2017 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, en tot intrekking van het besluit van de Raad van 10 juli 2012 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het kader van het Verdrag voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, wordt ingetrokken.

Artikel 5

1.   In geval van toetreding van de Unie tot het Verdrag voor de Beringzee vertegenwoordigt de Commissie de Unie op de vergaderingen van de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee.

2.   In afwachting van die toetreding verwoordt Polen het standpunt van de Unie op de vergaderingen van de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee.

3.   Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(2)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee

1.   BEGINSELEN

In het kader van het Verdrag voor de Beringzee moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

erop toezien dat de in het kader van de jaarlijkse conferentie van de partijen bij het Verdrag voor de Beringzee vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met dat verdrag;

c)

erop toezien dat de in het kader van de jaarlijkse conferentie van de partijen vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van deze beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen(3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de jaarlijkse conferentie van de partijen ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

k)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de jaarlijkse conferentie van de partijen de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het verdragsgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van toegestane oogstniveaus en individuele nationale quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de jaarlijkse conferentie van de partijen worden gereguleerd, waaronder ook een wijziging van de bijlage bij het Verdrag voor de Beringzee, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het verdragsgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in het kader van de jaarlijkse conferentie van de partijen vastgestelde maatregelen te garanderen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het verdragsgebied in overeenstemming met de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

i)

waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de jaarlijkse conferentie van de partijen.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de jaarlijkse conferentie van de partijen

Vóór elke jaarlijkse conferentie van de partijen worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en beleidslijnen.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke jaarlijkse conferentie van de partijen, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een jaarlijkse conferentie van de partijen, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/72


BESLUIT (EU) 2019/867 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR) en tot intrekking van het besluit van 24 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de CCAMLR

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 81/691/EEG van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (2) ("CAMLR-verdrag") gesloten, dat op 7 april 1982 in werking is getreden en waarbij de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR) is opgericht. België, Spanje, Frankrijk, Duitsland, Italië, Polen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk zijn eveneens verdragsluitende partijen bij het CAMLR-verdrag. Griekenland, Nederland en Finland zijn verdragsluitende partijen bij het CAMLR-verdrag, maar geen leden van de CCAMLR.

(2)

Op grond van artikel IX, lid 1, van het CAMLR-verdrag is de CCAMLR verantwoordelijk voor het vaststellen, tijdens haar jaarlijkse vergaderingen, van instandhoudingsmaatregelen die moeten waarborgen dat de levende rijkdommen in de Antarctische wateren in stand worden gehouden, wat ook inhoudt dat zij rationeel worden gebruikt. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de CCAMLR voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudingsmaatregelen van de CCAMLR bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1035/2001 (4), (EG) nr. 600/2004 (5), (EG) nr. 601/2004 (6), (EG) nr. 1005/2008 (7) en (EG) nr. 1224/2009 (8) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(7)

Dat standpunt moet aangelegenheden betreffen die onder gedeelde bevoegdheid van de Unie vallen enkel voor zover zij betrekking hebben op gemeenschappelijke Unieregels. Overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-626/15 en C-659/16 (10), moet de Unie de vaststelling van beschermde mariene gebieden (MPA's) in het CCAMLR-gebied enkel ondersteunen samen met haar lidstaten. Dit besluit mag geen afbreuk doen aan de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en haar lidstaten.

(8)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de CCAMLR is momenteel vastgesteld in het besluit van de Raad van 24 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de CCAMLR. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(9)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het CAMLR-verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de CCAMLR worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR) is opgenomen in bijlage I. Dat standpunt betreft aangelegenheden die onder gedeelde bevoegdheid van de Unie vallen enkel voor zover zij betrekking hebben op gemeenschappelijke Unieregels.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de CCAMLR moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de CCAMLR in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 24 juni 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR) wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 81/691/EEG van de Raad van 4 september 1981 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (PB L 252 van 5.9.1981, blz. 26).

(2)  PB L 252 van 5.9.1981, blz. 27.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1035/2001 van de Raad van 22 mei 2001 tot invoering van een documentatieregeling voor de vangst van Dissostichus spp. (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 600/2004 van de Raad tot vaststelling van bepaalde technische maatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16).

(7)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).

(10)  ECLI:EU:C:2018:925.


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de CCAMLR moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van CCAMLR-maatregelen en erop toezien dat de in de CCAMLR vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het CAMLR-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de CCAMLR vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de standpunten van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het CAMLR-verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen (3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de CCAMLR ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

samen met de lidstaten actieve steun bieden voor het tot stand brengen van een representatief netwerk van beschermde mariene gebieden in de Zuidelijke Oceaan, mede door samen met de lidstaten specifieke voorstellen inzake beschermde mariene gebieden in te dienen bij de CCAMLR;

k)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

l)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de CCAMLR de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het CAMLR-verdragsgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de CCAMLR worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het CAMLR-verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen, verdere uitwisseling van informatie met ROVB's, "cross-listing" met andere ROVB's en gerichte maatregelen tegen vaartuigen zonder nationaliteit;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het CAMLR-verdragsgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de CCAMLR vastgestelde maatregelen, met inbegrip van een versterkte controle van overladingsactiviteiten voor de door de CCAMLR beheerde bestanden en de herziening van de vangstdocumentatieregeling (VDR) van de CCAMLR voor ijsheek om mogelijke achterpoortjes bij de handel in die soorten te sluiten, en contacten met naburige ROVB's bevorderen met het oog op samenwerking met de VDR van de CCAMLR;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het CAMLR-verdragsgebied in overeenstemming met de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

h)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

i)

waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de ondergeschikte organen en de werkgroepen van de CCAMLR;

k)

samen met de lidstaten beschermde mariene gebieden tot stand brengen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, zulks met het oog op de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en de mariene biodiversiteit, evenals de bescherming van kwetsbare ecosystemen en milieukenmerken.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren

Vóór elke jaarlijkse vergadering van de CCAMLR worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke jaarlijkse vergadering van de CCAMLR, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de CCAMLR, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/78


BESLUIT (EU) 2019/868 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) en tot intrekking van het besluit van 8 juli 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Iccat

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 86/238/EEG van de Raad (1) heeft de Unie het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (2) gesloten, waarbij de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) is opgericht (het "Iccat-verdrag").

(2)

De Iccat is verantwoordelijk voor het vaststellen van maatregelen die moeten waarborgen dat de visbestanden in het Iccat-verdragsgebied op lange termijn in stand worden gehouden en duurzaam worden gebruikt, en die de mariene ecosystemen waarin deze bestanden voorkomen, moeten beschermen. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Iccat voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudingsmaatregelen van de Iccat bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1936/2001 (4), (EG) nr. 1984/2003 (5), (EG) nr. 520/2007 (6), (EG) nr. 1005/2008 (7) en (EG) nr. 1224/2009 (8) van de Raad en Verordeningen (EU) 2016/1627 (9) en (EU) 2017/2403 (10) van het Europees Parlement en de Raad.

De door de Iccat vastgestelde aanbevelingen kunnen de verplichtingen in de bestaande Uniewetgeving namelijk aanvullen, wijzigen of vervangen.

(7)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Iccat is momenteel vastgesteld in het besluit van de Raad van 8 juli 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Iccat. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(8)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het Iccat-verdragsgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de Iccat worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de Iccat moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de Iccat in 2024 wordt het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 8 juli 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat) wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 86/238/EEG van de Raad van 9 juni 1986 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen, gewijzigd bij het Protocol gehecht aan de op 10 juli 1984 te Parijs ondertekende Slotakte van de conferentie van gevolmachtigden van de Staten die partij zijn bij het Verdrag (PB L 162 van 18.6.1986, blz. 33).

(2)  PB L 162 van 18.6.1986, blz. 34.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad van 27 september 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 263 van 3.10.2001, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1984/2003 van de Raad van 8 april 2003 tot invoering in de Gemeenschap van een regeling voor de statistische registratie van zwaardvis en grootoogtonijn (PB L 295 van 13.11.2003, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 973/2001 (PB L 123 van 12.5.2007, blz. 3).

(7)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (Iccat)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de Iccat moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van Iccat-maatregelen en erop toezien dat de in de Iccat vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het Iccat-verdrag;

c)

erop toezien dat de in de Iccat vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

e)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;

f)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

g)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

h)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het verdragsgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;

i)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen (3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de Iccat ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

j)

ijveren voor meer coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, en in het bijzonder de samenwerking met Ospar, Helcom en het Verdrag van Barcelona, waarbij de Unie eveneens verdragsluitende partij is, bevorderen;

k)

coördinatie en samenwerking met andere tonijn-ROVB's stimuleren met betrekking tot kwesties van gemeenschappelijk belang, met name via de reactivatie van het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's en de uitbreiding ervan naar alle ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de Iccat de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het Iccat-verdragsgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totaal toegestane vangsten (TAC's) en quota of regulering van de visserijinspanning voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de Iccat worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het verdragsgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het verdragsgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de Iccat vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten en aquacultuur op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het Iccat-verdragsgebied in overeenstemming met de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om het gebruik van visaantrekkende voorzieningen (FAD's) te beheren, met name om de gegevensverzameling te verbeteren, het gebruik van de FAD's nauwkeurig te kwantificeren, te volgen en te monitoren, de impact ervan op kwetsbare tonijnbestanden te verkleinen, en de mogelijke impact ervan op doelsoorten en niet-doelsoorten en op het ecosysteem te verminderen;

g)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken, en om en de bijdrage aan zwerfvuil op zee te verminderen;

h)

maatregelen waarbij visserij die louter gericht is op het verkrijgen van haaienvinnen wordt verboden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien al hun vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam moeten vastzitten;

i)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

j)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de hulporganen en werkgroepen van de Iccat.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen

Vóór elke vergadering van de Iccat worden, wanneer dat lichaam besluiten dient vast te stellen die voor de Unie bindend kunnen worden, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de Iccat, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de Iccat, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/84


BESLUIT (EU) 2019/869 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) en tot intrekking van het besluit van 19 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de GFCM

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 98/416/EG van de Raad (1) heeft de Unie de Overeenkomst inzake de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (hierna "de GFCM-overeenkomst" genoemd) gesloten. Ook Bulgarije, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Malta, Roemenië en Slovenië zijn overeenkomstsluitende partij bij de GFCM-overeenkomst.

(2)

De Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) is bevoegd voor de vaststelling van maatregelen met het oog op de instandhouding op de lange termijn en het duurzame gebruik van de visbestanden en op de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in het GFCM-overeenkomstgebied. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. In die verordening is eveneens bepaald dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen op het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is ook bepaald dat de Unie maatregelen moet nemen inzake beheer en instandhouding die gebaseerd zijn op het best beschikbare wetenschappelijke advies; actief steun moet verlenen aan de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies; teruggooi geleidelijk moet uitbannen; en vangstmethoden moet bevorderen die bijdragen tot selectievere visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten, en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Bovendien is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen in het kader van haar externe visserijbetrekkingen.

(4)

Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.

(5)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie" wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.

(6)

Zoals tot uiting kwam in de conclusies van de ministeriële conferentie inzake de duurzaamheid van de visserij in de Middellandse Zee, die op 30 maart 2017 de ministeriële verklaring van Malta MedFish4Ever heeft goedgekeurd, en de conclusies van de conferentie op hoog niveau over visserij en aquacultuur in de Zwarte Zee, die op 7 juni 2018 de ministeriële verklaring van Sofia heeft goedgekeurd, spelen de volgende elementen een centrale rol in het optreden van de Unie in de GFCM: de bevordering van maatregelen ter ondersteuning en verbetering van gegevensverzameling en wetenschappelijke evaluatie, een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer, een cultuur van naleving om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te beëindigen, een duurzame kleinschalige visserij en aquacultuur, en meer solidariteit en samenwerking.

(7)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de GFCM voor de periode 2019-2023, aangezien de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de GFCM bindend zullen zijn voor de Unie en een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, namelijk Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 (3) en (EG) nr. 1224/2009 (4) van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(8)

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de GFCM is momenteel vastgesteld in het besluit van de Raad van 19 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de GFCM. Het is passend dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.

(9)

In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het GFCM-overeenkomstgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke of andere relevante informatie die voor of tijdens de vergaderingen van de GFCM wordt gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in vergaderingen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) is opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie tijdens de vergaderingen van de GFCM moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Uiterlijk tegen de jaarlijkse vergadering van de GFCM in 2024 wordt het in bijlage I vervatte standpunt van de Unie door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het besluit van de Raad van 19 mei 2014 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) wordt ingetrokken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 98/416/EG van de Raad van 16 juni 1998 betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (PB L 190 van 4.7.1998, blz. 34).

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM)

1.   BEGINSELEN

In het kader van de GFCM moet de Unie:

a)

handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsbenadering en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;

b)

werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereiding van GFCM-maatregelen en erop toezien dat de in de GFCM vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met de GFCM-overeenkomst;

c)

erop toezien dat de in de GFCM vastgestelde maatregelen in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag van 1982 inzake het recht van de zee, de VN-Overeenkomst van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, de Overeenkomst van 1993 om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen, en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;

d)

ernaar streven uitvoering te geven aan de acties en verbintenissen die zijn vermeld in de ministeriële verklaring MedFish4Ever, die op 30 maart 2017 in Malta is ondertekend, en in de ministeriële verklaring van Sofia, die op 7 juni 2018 is ondertekend, die met name gericht zijn op de verbetering van gegevensverzameling en wetenschappelijke evaluatie, de vaststelling van een kader voor een ecosysteemgericht visserijbeheer, de ontwikkeling van een cultuur van naleving om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij uit te bannen, de ondersteuning van duurzame kleinschalige visserij en aquacultuur, en het waarborgen van meer solidariteit en samenwerking in het Middellandse Zeegebied;

e)

aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;

f)

streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar beleid inzake, met name, buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling en onderzoek en innovatie;

g)

erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;

h)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over een mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1);

i)

ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het GFCM-overeenkomstgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van deze beginselen en normen;

j)

zich voegen naar de Conclusies van de Raad (2) over Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen (3), een gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de GFCM ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;

k)

ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang het geval, binnen hun mandaten, waar passend;

l)

samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.

2.   RICHTSNOEREN

De Unie zet zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de GFCM de volgende maatregelen vaststelt:

a)

instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de visbestanden in het GFCM-overeenkomstgebied op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van gebieds- en tijdsgebonden sluitingen, selectiviteitsmaatregelen of vangstmogelijkheden voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de GFCM worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig omvatten die instandhoudings- en beheersmaatregelen specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden, teneinde de visserijinspanning te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden; in het licht van artikel 29 van de GVB-verordening moet met eventuele meerjarenplannen voor bepaalde bestanden of groepen bestanden in de Middellandse Zee rekening worden gehouden wanneer zij betrekking hebben op de uitvoering van de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde doelstelling in verband met de maximale duurzame opbrengst;

b)

maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het GFCM-overeenkomstgebied, met inbegrip van plaatsing op de lijst van IOO-vaartuigen;

c)

maatregelen om de verzameling van wetenschappelijke visserijgegevens te versterken en een betere samenwerking tussen de visserijsector en wetenschappers te bevorderen;

d)

monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het GFCM-overeenkomstgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de GFCM vastgestelde maatregelen;

e)

maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten en aquacultuur op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om mariene verontreiniging terug te dringen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het GFCM-overeenkomstgebied in overeenstemming met de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten, met name van kwetsbare mariene soorten, zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, en om teruggooi geleidelijk uit te bannen;

f)

maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te verminderen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;

g)

acties ter bevordering van de ontwikkeling van duurzame aquacultuur in overeenstemming met het toepasselijke recht van de Unie;

h)

waar passend, gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;

i)

aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de organen en werkgroepen van de GFCM;

j)

aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);

k)

maatregelen in overeenstemming met de verbintenissen van de ministeriële verklaring MedFish4Ever en de ministeriële verklaring van Sofia.


(1)  Doc. 7087/12 REV 1 ADD 1 COR 1.

(2)  Doc. 7348/1/17 REV 1 van 24.3.2017.

(3)  JOIN (2016) 49 final van 10.11.2016.


BIJLAGE II

Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen in de vergaderingen van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM)

Vóór elke vergadering van de GFCM worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante informatie, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en beleidslijnen.

Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de GFCM, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt.

Indien tijdens een vergadering van de GFCM, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/90


BESLUIT (GBVB) 2019/870 VAN DE RAAD

van 27 mei 2019

tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (1), en met name artikel 23, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 juli 2010 heeft de Raad Besluit 2010/413/GBVB vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 26, lid 3, van Besluit 2010/413/GBVB van de Raad heeft de Raad de lijst van aangewezen personen en entiteiten in bijlage II bij dat besluit opnieuw bezien.

(3)

De Raad heeft besloten 17 vermeldingen in bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB te actualiseren.

(4)

Besluit 2010/413/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

N. HURDUC


(1)  PB L 195 van 27.7.2010, blz. 39.


BIJLAGE

Bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

Onder de titel "I. Personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen" komen de volgende vermeldingen in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen in de lijst in rubriek "A. Natuurlijke personen":

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"14.

Brigadegeneraal Mohammad NADERI

 

Hoofd van de Iraanse Aviation Industries Organisation (IAIO). Voormalig hoofd van de Aerospace Industries Organisation (AIO). AIO is betrokken geweest bij gevoelige programma's van Iran.

23.6.2008

23.

Davoud BABAEI

 

Huidig hoofd veiligheid van de Organisation of Defensive Innovation and Research (SPND) (organisatie voor innovatie en onderzoek op defensiegebied), het onderzoeksinstituut van het Ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten; het instituut wordt geleid door de op de VN-lijst geplaatste Mohsen Fakhrizadeh-Mahabadi. De IAEA heeft de SPND aangewezen, omdat de IAEA bezorgd is over mogelijke militaire aspecten van het kernprogramma van Iran; Iran weigert in dat verband iedere medewerking. Als hoofd van de veiligheid moet Babaei voorkomen dat informatie bekend raakt, ook bij de IAEA.

1.12.2011

25.

Sayed Shamsuddin BORBORUDI

(ook bekend als Seyed Shamseddin BORBOROUDI)

Geboortedatum: 21 september 1969

Plaatsvervangend directeur van de door de VN aangewezen Atomic Energy Organisation of Iran, waar hij ondergeschikt is aan de op de VN-lijst geplaatste Feridun Abbasi Davani. Is zeker sedert 2002 betrokken bij het Iraans kernprogramma, onder meer als voormalig hoofd bevoorrading en logistiek bij AMAD, waar hij verantwoordelijk was voor het gebruik van dekmantelbedrijven, zoals Kimia Madan, voor het aankopen van apparatuur en materiaal voor het kernwapenprogramma van Iran.

1.12.2011

27.

Kamran DANESHJOO (ook bekend als DANESHJOU)

 

Voormalig minister van Wetenschap, Onderzoek en Technologie. Hij heeft steun verleend aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran.

1.12.2011"

2)

Onder de titel "I. Personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen" komen de volgende vermeldingen in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen in de lijst in rubriek "B. Entiteiten":

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"12.

Fajr Aviation Composite Industries

Mehrabad Airport, PO Box 13445-885, Teheran, Iran

Een dochteronderneming van de IAIO binnen MODAFL, beide op de EU-lijst geplaatst, die hoofdzakelijk composietmaterialen voor de luchtvaartindustrie produceert.

26.7.2010

95.

Samen Industries

2nd km of Khalaj Road End of Seyyedi St., PO Box 91735-549, 91735 Mashhad, Iran, Tel.: +98 511 3853008, +98 511 3870225

Dekmantel voor Khorasan Metallurgy Industries (op de VN-lijst geplaatst), filiaal van Ammunition Industries Group (AMIG).

1.12.2011

153.

Organisation of Defensive Innovation and Research (SPND)

 

The Organisation of Defensive Innovation and Research (SPND) verleent rechtstreekse steun aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran. De IAEA heeft de SPND aangemerkt als een organisatie met mogelijke militaire dimensies ten behoeve van het nucleaire programma van Iran. De SPND wordt geleid door Mohsen Fakhrizadeh- Mahabadi, een door de VN op de lijst geplaatste persoon, en is een onderdeel van het Ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten (MODAFL), dat door de EU op de lijst is geplaatst.

22.12.2012"

3)

Onder de titel "II. Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC)" komen de volgende vermeldingen in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen in de lijst in rubriek "A. Natuurlijke personen":

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"1.

IRGC-brigadegeneraal Javad DARVISH-VAND

 

Voormalig onderminister en inspecteur-generaal van MODAFL.

23.6.2008

3.

Parviz FATAH

geboren in 1961

Lid van de IRGC. Voormalig minister van Energie.

26.7.2010

4.

IRGC-Brigadegeneraal Seyyed Mahdi FARAHI

 

Voormalig hoofd van de Iraanse Aerospace Industries Organisation (AIO) en voormalig directeur van de op de VN-lijst geplaatste Defence Industries Organisation (DIO). Lid van de IRGC en plaatsvervanger in het Iraanse Ministerie van Defensie en Logistiek van de Strijdkrachten (MODAFL).

23.6.2008

5.

IRGC-Brigadegeneraal Ali HOSEYNITASH

 

Lid van de IRGC. Lid van de Hoge Nationale Veiligheidsraad en betrokken bij beleidsontwikkeling inzake nucleaire vraagstukken.

23.6.2008

12.

IRGC-Brigadegeneraal Ali SHAMSHIRI

 

Lid van de IRGC. Heeft hoge functies bekleed in MODAFL.

23.6.2008

13.

IRGC-Brigadegeneraal Ahmad VAHIDI

 

Voormalig minister van MODAFL.

23.6.2008

15.

Abolghassem Mozaffari SHAMS

 

Voormalig hoofd van Khatam Al-Anbia Construction Headquarters.

1.12.2011"

4)

Onder de titel "II. Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC)" komt de volgende vermelding in de plaats van de overeenkomstige vermelding in de lijst in rubriek "B. Entiteiten":

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"11.

Behnam Sahriyari Trading Company

Postadres: Ziba Building, 10th Floor, Northern Sohrevardi Street, Teheran, Iran

Betrokken bij het transport van wapens namens de Islamitische Revolutionaire Garde.

23.1.2012"

5)

Onder de titel "I. Personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen" wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding toegevoegd:

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"20.

b) Iran Communications Industries (ICI)

PO Box 19295-4731, Pasdaran Avenue, Teheran, Iran Alternatief adres: PO Box 19575-131, 34 Apadana Avenue, Teheran, Iran Alternatief adres: Shahid Langary Street, Nobonyad Square Ave, Pasdaran, Teheran

Iran Communications Industries, een dochteronderneming van Iran Electronics Industries (op de EU-lijst geplaatst), produceert diverse goederen waaronder communicatiesystemen, luchtvaartelektronica, optische en elektro-optische apparatuur, micro-elektronica, IT-systemen, test- en meetapparatuur, telecommunicatiebeveiligingssystemen, elektronische oorlogsvoeringssystemen, radarbuizen (productie en renovatie) en raketwerpers.

26.7.2010"

6)

Onder de titel "I. Personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen" wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding geschrapt:

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"19.

Iran Communications Industries (ICI)

PO Box 19295-4731, Pasdaran Avenue, Teheran, Iran Alternatief adres: PO Box 19575-131, 34 Apadana Avenue, Teheran, Iran Alternatief adres: Shahid Langary Street, Nobonyad Square Ave, Pasdaran, Teheran

Iran Communications Industries, een dochteronderneming van Iran Electronics Industries (zie nr. 20), produceert diverse goederen waaronder communicatiesystemen, luchtvaartelektronica, optische en elektro-optische apparatuur, micro-elektronica, IT-systemen, test- en meetapparatuur, telecommunicatiebeveiligingssystemen, elektronische oorlogsvoeringssystemen, radarbuizen (productie en renovatie) en raketwerpers. Deze goederen kunnen worden gebruikt in programma's die op grond van UNSCR 1737 niet zijn toegestaan.

26.7.2010"

7)

Onder de titel "II. Islamitische Revolutionaire Garde (IRG)" wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding toegevoegd:

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"12.

Etemad Amin Invest Co Mobin

Pasadaran Av. Teheran, Iran

Onderneming in eigendom of onder zeggenschap van de IRGC die bijdraagt tot de financiering van de strategische belangen van het regime.

26.7.2010"

8)

Onder de titel "I. Personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen" wordt in rubriek "B. Entiteiten" de volgende vermelding geschrapt:

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

"10.

Etemad Amin Invest Co Mobin

Pasadaran Av. Teheran, Iran

Nauw verbonden met Naftar en Bonyad-e Mostazafan; Etemad Amin Invest Co Mobin draagt bij aan de financiering van de strategische belangen van het regime en van de parallelle Iraanse staat.

26.7.2010"


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/94


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/871 VAN DE COMMISSIE

van 26 maart 2019

inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van het Verenigd Koninkrijk betreffende de uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 2357)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 51,

Na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet de Commissie vóór 31 mei van het jaar na het betrokken begrotingsjaar de rekeningen van de in artikel 7 van die verordening bedoelde betaalorganen goedkeuren op basis van de door de lidstaten ingediende jaarrekeningen, vergezeld van de voor de goedkeuring van de rekeningen benodigde informatie en een auditoordeel over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen en de verslagen die door de certificerende instanties zijn opgesteld.

(2)

Zoals bepaald in artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, begint het landbouwbegrotingsjaar op 16 oktober van het jaar N-1 en eindigt het op 15 oktober van het jaar N. In het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 2018 moeten de uitgaven in aanmerking worden genomen die het Verenigd Koninkrijk in de periode van 16 oktober 2017 tot en met 15 oktober 2018 heeft gedaan, conform artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (2).

(3)

Aangezien het Verenigd Koninkrijk de Commissie al de nodige boekhoudkundige informatie heeft verstrekt, is het passend over te gaan tot de vaststelling van het desbetreffende besluit tot goedkeuring van de rekeningen overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(4)

Krachtens artikel 33, lid 2, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 moet het bedrag dat als gevolg van het in artikel 33, lid 1, van die verordening bedoelde besluit tot goedkeuring van de rekeningen moet worden teruggevorderd van of betaald aan elke lidstaat, worden vastgesteld door de maandelijkse betalingen voor het betrokken begrotingsjaar af te trekken van de overeenkomstig artikel 33, lid 1, voor datzelfde jaar erkende uitgaven.

(5)

Na de toezending van de informatie door het Verenigd Koninkrijk, gevolgd door de nodige controles en wijzigingen, kan de Commissie voor de uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven een besluit nemen over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen van de betaalorganen "Department of Agriculture, Environment and Rural Affairs", "The Scottish Government Rural Payments and Inspections Directorate", "Welsh Government" en "Rural Payments Agency". De Commissie heeft de door het Verenigd Koninkrijk verstrekte informatie gecontroleerd en heeft het land vóór de datum van vaststelling van dit besluit in kennis gesteld van de resultaten van haar controles en van de aan te brengen wijzigingen.

(6)

Voor deze betaalorganen volstaan de jaarrekeningen en de begeleidende stukken om de Commissie in staat te stellen een besluit te nemen over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de ingediende jaarrekeningen.

(7)

Overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 (3) van de Commissie moet met overschrijdingen van betalingstermijnen in de maanden augustus, september en oktober rekening worden gehouden in het besluit tot goedkeuring van de rekeningen. Een deel van de door het Verenigd Koninkrijk voor die maanden van 2018 gedeclareerde uitgaven is na de uiterste betalingsdatum verricht. Daarom moeten de betrokken verlagingen bij dit besluit worden vastgesteld.

(8)

De Commissie heeft op grond van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk reeds een aantal maandelijkse betalingen voor het begrotingsjaar 2018 verlaagd wegens de niet-inachtneming van betalingstermijnen. De Commissie moet in dit besluit rekening houden met die verlaagde bedragen om te vermijden dat onterechte of niet-tijdige betalingen worden gedaan of dat bedragen worden vergoed die later het voorwerp van een financiële correctie kunnen worden. De bedragen kunnen indien nodig worden onderzocht in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure op grond van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(9)

Op grond van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de financiële gevolgen van de niet-inning van een in verband met onregelmatigheden teruggevorderd bedrag voor 50 % door de betrokken lidstaat worden gedragen indien geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank. Krachtens artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de lidstaten een gecertificeerde tabel met de bedragen die zij op grond van artikel 54, lid 2, van die verordening zelf moeten dragen, bijvoegen bij de jaarrekeningen die zij op grond van artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bij de Commissie moeten indienen. Uitvoeringsbepalingen voor de verplichting van de lidstaten om de te innen bedragen mee te delen, zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014. Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bevat het model voor de tabel waarin de lidstaten informatie over de te innen bedragen moeten verstrekken. Op basis van de door de lidstaten ingevulde tabellen moet de Commissie een besluit vaststellen over de financiële gevolgen van de bedragen die in verband met onregelmatigheden zijn teruggevorderd, maar na vier of na acht jaar nog niet zijn geïnd.

(10)

Op grond van artikel 54, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kunnen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een dergelijk besluit kan alleen worden genomen indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het te innen bedrag of indien de inning onmogelijk blijkt als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid. Als het besluit is genomen binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum indien over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële gevolgen van de niet-inning voor 100 % door de begroting van de Unie gedragen. Indien het Verenigd Koninkrijk besluit de terugvordering niet voort te zetten, moeten de desbetreffende bedragen en de redenen voor dat besluit worden vermeld in het samenvattend verslag als bedoeld in artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, in samenhang met artikel 102, lid 1, eerste alinea, onder c), iv), van die verordening. Deze bedragen mogen derhalve niet ten laste van het Verenigd Koninkrijk worden gebracht en worden dus gedragen door de begroting van de Unie.

(11)

Overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 mag dit besluit geen afbreuk doen aan de besluiten die de Commissie later eventueel neemt om uitgaven die niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn gedaan, te onttrekken aan Uniefinanciering,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De rekeningen van de Britse betaalorganen "Department of Agriculture, Environment and Rural Affairs", "The Scottish Government Rural Payments and Inspections Directorate", "Welsh Government" en "Rural Payments Agency" die betrekking hebben op de uitgaven over het begrotingsjaar 2018 die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) zijn gefinancierd, worden goedgekeurd.

De bedragen die op grond van dit besluit moeten worden teruggevorderd van of betaald aan het Verenigd Koninkrijk, met inbegrip van de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, zijn vermeld in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit doet geen afbreuk aan latere conformiteitsgoedkeuringsbesluiten die de Commissie krachtens artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 eventueel neemt om uitgaven die niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn gedaan, aan Uniefinanciering te onttrekken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 26 maart 2019.

Voor de Commissie

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 18).


BIJLAGE

GOEDKEURING VAN DE REKENINGEN VAN DE BETAALORGANEN

BEGROTINGSJAAR 2018

Van de lidstaat terug te vorderen of aan de lidstaat te betalen bedrag

LS

 

2018 – Uitgaven/bestemmingsontvangsten van de betaalorganen waarvan de rekeningen zijn

Totaal a + b

Verlagingen en schorsingen voor het hele begrotingsjaar (1)

Overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan te rekenen bedrag

Totaal na verlagingen en schorsingen

Betalingen aan de lidstaat voor het begrotingsjaar

Van de lidstaat terug te vorderen (–) of aan de lidstaat te betalen (+) bedrag (2)

goedgekeurd

afgesplitst

= in de jaardeclaratie opgenomen uitgaven/bestemmings-ontvangsten

= totaal van de in de maanddeclaraties opgenomen uitgaven/bestemmings-ontvangsten

 

 

a

b

c=a+b

d

e

f=c+d+e

g

h=f–g

UK

GBP

0,00

0,00

0,00

0,00

– 81 567,52

– 81 567,52

0,00

– 81 567,52

UK

EUR

3 134 431 581,76

0,00

3 134 431 581,76

– 7 568 165,96

0,00

3 126 863 415,80

3 131 942 681,20

– 5 079 265,40

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

LS

 

Uitgaven (3)

Bestemmingsontvangsten (3)

Artikel 54, lid 2 (=e)

Totaal (=h)

 

05 07 01 06

6701

6702

i

j

k

l = i+j+k

UK

GBP

0,00

0,00

– 81 567,52

– 81 567,52

UK

EUR

0,00

– 5 079 265,40

0,00

– 5 079 265,40

NB:

Nomenclatuur 2019: 05 07 01 06, 6701, 6702


(1)  De verlagingen en schorsingen omvatten die welke in het kader van de regeling voor de betalingen zijn verricht, en voorts met name de correcties wegens de in de maanden augustus, september en oktober 2018 geconstateerde overschrijdingen van de betalingstermijn en andere correcties in het kader van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(2)  Voor de berekening van het van de lidstaat terug te vorderen of aan de lidstaat te betalen bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de jaarlijkse declaratie bij de goedgekeurde uitgaven (kolom a) en van het totaal van de maandelijkse declaraties bij de afgesplitste uitgaven (kolom b). Toe te passen wisselkoers: artikel 11, lid 1, eerste alinea, tweede zin, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014.

(3)  Post 05 07 01 06 moet overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden onderverdeeld in negatieve correcties, die bestemmingsontvangsten in hfdst. 67 01 worden, en positieve correcties ten gunste van een LS, die voortaan aan de uitgavenzijde van 05 07 01 06 moeten worden opgenomen.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/98


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/872 VAN DE COMMISSIE

van 26 maart 2019

inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van het Verenigd Koninkrijk betreffende de uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 2358)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 51,

Na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet de Commissie vóór 31 mei van het jaar na het betrokken begrotingsjaar de rekeningen van de in artikel 7 van die verordening bedoelde betaalorganen goedkeuren op basis van de door de lidstaten ingediende jaarrekeningen, vergezeld van de voor de goedkeuring van de rekeningen benodigde informatie en een auditoordeel over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen en de verslagen die door de certificerende instanties zijn opgesteld.

(2)

Zoals bepaald in artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, begint het landbouwbegrotingsjaar op 16 oktober van jaar N-1 en eindigt het op 15 oktober van jaar N. Om de referentieperiode voor de uitgaven uit hoofde van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) af te stemmen op die voor de uitgaven uit hoofde van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) moeten, in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 2018, de uitgaven in aanmerking worden genomen die het Verenigd Koninkrijk in de periode van 16 oktober 2017 tot en met 15 oktober 2018 heeft gedaan, conform artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (2).

(3)

Aangezien het Verenigd Koninkrijk de Commissie al de nodige boekhoudkundige informatie heeft verstrekt, is het passend over te gaan tot de vaststelling van het desbetreffende besluit tot goedkeuring van de rekeningen overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(4)

Krachtens artikel 33, lid 2, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 moet het bedrag dat als gevolg van het in artikel 33, lid 1, van die verordening bedoelde besluit tot goedkeuring van de rekeningen moet worden teruggevorderd van of betaald aan elke lidstaat, worden vastgesteld door de tussentijdse betalingen voor het betrokken begrotingsjaar af te trekken van de overeenkomstig artikel 33, lid 1, voor datzelfde jaar erkende uitgaven.

(5)

Na de toezending van de informatie door het Verenigd Koninkrijk, gevolgd door de nodige controles en wijzigingen, kan de Commissie voor de uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven een besluit nemen over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen van de betaalorganen "Department of Agriculture, Environment and Rural Affairs", "The Scottish Government Rural Payments and Inspections Directorate" en "Rural Payments Agency". De Commissie heeft de door het Verenigd Koninkrijk verstrekte informatie gecontroleerd en heeft het land vóór de datum van vaststelling van dit besluit in kennis gesteld van de resultaten van haar controles en van de aan te brengen wijzigingen.

(6)

Voor deze betaalorganen volstaan de jaarrekeningen en de begeleidende stukken om de Commissie in staat te stellen een besluit te nemen over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de ingediende jaarrekeningen.

(7)

De door het Britse betaalorgaan "Welsh Government" verstrekte informatie is van dien aard dat nog aanvullend onderzoek nodig is, zodat de rekeningen van dat betaalorgaan niet bij dit besluit kunnen worden goedgekeurd.

(8)

Op grond van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de financiële gevolgen van de niet-inning van een in verband met onregelmatigheden teruggevorderd bedrag voor 50 % door de betrokken lidstaat worden gedragen indien geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank. Krachtens artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de lidstaten een gecertificeerde tabel met de bedragen die zij op grond van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zelf moeten dragen, bijvoegen bij de jaarrekeningen die zij op grond van artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bij de Commissie moeten indienen. Uitvoeringsbepalingen voor de verplichting van de lidstaten om de te innen bedragen mee te delen, zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014. Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bevat het model voor de tabel waarin de lidstaten informatie over de te innen bedragen moeten verstrekken. Op basis van de door de lidstaten ingevulde tabellen moet de Commissie een besluit vaststellen over de financiële gevolgen van de bedragen die in verband met onregelmatigheden zijn teruggevorderd, maar na vier of na acht jaar nog niet zijn geïnd.

(9)

Op grond van artikel 54, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kunnen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een dergelijk besluit kan alleen worden genomen indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het te innen bedrag of indien de inning onmogelijk blijkt als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid. Als het besluit is genomen binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum indien over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële gevolgen van de niet-inning voor 100 % door de begroting van de Unie gedragen. Indien het Verenigd Koninkrijk besluit de terugvordering niet voort te zetten, moeten de desbetreffende bedragen en de redenen voor dat besluit worden vermeld in het samenvattend verslag als bedoeld in artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, in samenhang met artikel 102, lid 1, eerste alinea, onder c), iv), van die verordening. Deze bedragen mogen derhalve niet ten laste van het Verenigd Koninkrijk worden gebracht en worden dus gedragen door de begroting van de Unie.

(10)

In dit besluit moet ook rekening worden gehouden met de bedragen die nog met betrekking tot de programmeringsperiode 2007-2013 in het kader van het Elfpo ten laste van het Verenigd Koninkrijk moeten worden gebracht als gevolg van de toepassing van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(11)

Overeenkomstig artikel 36, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 mogen tussentijdse betalingen worden verricht zolang geen overschrijding plaatsvindt van de totale geprogrammeerde financiële Elfpo-bijdrage. Krachtens artikel 23, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 moet in het geval dat de gecumuleerde uitgavendeclaraties het voor een plattelandsontwikkelingsprogramma geprogrammeerde totaalbedrag overschrijden, het te betalen bedrag worden begrensd tot het geprogrammeerde bedrag, onverminderd het maximum als bedoeld in artikel 34, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013. De Commissie zal later, na vaststelling van het gewijzigde financiële plan of bij afsluiting van de programmeringsperiode, nog een vergoeding vaststellen voor het begrensde bedrag.

(12)

Overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 mag dit besluit geen afbreuk doen aan de besluiten die de Commissie later eventueel neemt om uitgaven die niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn gedaan, aan Uniefinanciering te onttrekken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De rekeningen van de Britse betaalorganen "Department of Agriculture, Environment and Rural Affairs", "The Scottish Government Rural Payments and Inspections Directorate" en "Rural Payments Agency" die betrekking hebben op de uitgaven over het begrotingsjaar 2018 die uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) zijn gefinancierd, worden goedgekeurd.

De bedragen die op grond van dit besluit in het kader van elk plattelandsontwikkelingsprogramma moeten worden teruggevorderd van of betaald aan het Verenigd Koninkrijk, zijn vermeld in bijlage I.

Artikel 2

Voor het begrotingsjaar 2018 vallen de rekeningen van het Britse betaalorgaan "Welsh Government" die betrekking hebben op de uitgaven voor de in bijlage II vermelde plattelandsontwikkelingsprogramma's die uit het Elfpo zijn gefinancierd in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020, niet onder het onderhavige besluit; voor die rekeningen wordt later een goedkeuringsbesluit vastgesteld.

Artikel 3

De bedragen die als gevolg van de toepassing van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in het kader van het Elfpo ten laste van het Verenigd Koninkrijk moeten worden gebracht met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020 en de programmeringsperiode 2007-2013, zijn vermeld in bijlage III bij dit besluit.

Artikel 4

Dit besluit doet geen afbreuk aan latere conformiteitsgoedkeuringsbesluiten die de Commissie krachtens artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 eventueel neemt om uitgaven die niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn gedaan, aan Uniefinanciering te onttrekken.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 26 maart 2019.

Voor de Commissie

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59).


BIJLAGE I

GOEDGEKEURDE ELFPO-UITGAVEN OVER HET BEGROTINGSJAAR 2018 PER PLATTELANDSONTWIKKELINGSPROGRAMMA

VAN DE LIDSTAAT TERUG TE VORDEREN OF AAN DE LIDSTAAT TE BETALEN BEDRAG PER PROGRAMMA

Goedgekeurde programma's waarvoor Elfpo-uitgaven zijn gedeclareerd voor de periode 2014-2020

in EUR

LS

CCI

Uitgaven 2018

Correcties

Totaal

Niet opnieuw te gebruiken bedragen

Voor het BJ 2018 goedgekeurd bedrag

Tussentijdse betalingen aan de lidstaat voor het begrotingsjaar

Van de lidstaat terug te vorderen (–) of aan de lidstaat te betalen (+) bedrag

 

 

i

ii

iii = i + ii

iv

v = iii – iv

vi

vii = v – vi

UK

2014UK06RDRP001

341 029 324,58

0,00

341 029 324,58

0,00

341 029 324,58

340 987 294,18

42 030,40

UK

2014UK06RDRP002

17 901 684,45

0,00

17 901 684,45

0,00

17 901 684,45

17 901 330,80

353,65

UK

2014UK06RDRP003

127 217 147,23

0,00

127 217 147,23

0,00

127 217 147,23

127 388 490,41

– 171 343,18


BIJLAGE II

GOEDKEURING VAN DE REKENINGEN VAN DE BETAALORGANEN

BEGROTINGSJAAR 2018 – ELFPO

Lijst van de betaalorganen en programma's waarvoor de rekeningen worden afgesplitst en in een later goedkeuringsbesluit zullen worden behandeld

Lidstaat

Betaalorgaan

Programma

Verenigd Koninkrijk

Welsh Government

2014UK06RDRP004


BIJLAGE III

GOEDKEURING VAN DE REKENINGEN VAN DE BETAALORGANEN

BEGROTINGSJAAR 2018 – ELFPO

Correcties overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013

 

 

Correcties met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020

Correcties met betrekking tot de programmeringsperiode 2007-2013

Lidstaat

Valuta

in nationale munt

in EUR

in nationale munt

in EUR

UK (*1)

GBP

48 141,99


(*1)  Met betrekking tot de betaalorganen waarvoor de rekeningen zijn afgesplitst, wordt de in artikel 54, lid 2, bedoelde verlaging toegepast zodra wordt voorgesteld om de rekeningen goed te keuren.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/103


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/873 VAN DE COMMISSIE

van 22 mei 2019

inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3817)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 51,

Na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet de Commissie vóór 31 mei van het jaar na het betrokken begrotingsjaar de rekeningen van de in artikel 7 van die verordening bedoelde betaalorganen goedkeuren op basis van de door de lidstaten ingediende jaarrekeningen, vergezeld van de voor de goedkeuring van de rekeningen benodigde informatie en een auditoordeel over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen en de verslagen die door de certificerende instanties zijn opgesteld.

(2)

Zoals bepaald in artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, begint het landbouwbegrotingsjaar op 16 oktober van het jaar N – 1 en eindigt het op 15 oktober van het jaar N. Om de referentieperiode voor de uitgaven uit hoofde van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) af te stemmen op die voor de uitgaven uit hoofde van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) moeten, in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 2018, de uitgaven in aanmerking worden genomen die de lidstaten in de periode van 16 oktober 2017 tot en met 15 oktober 2018 hebben gedaan overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (2).

(3)

Krachtens artikel 33, lid 2, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 moet het bedrag dat als gevolg van het in artikel 33, lid 1, van die verordening bedoelde besluit tot goedkeuring van de rekeningen moet worden teruggevorderd van of betaald aan elke lidstaat, worden vastgesteld door de tussentijdse betalingen voor het betrokken begrotingsjaar af te trekken van de overeenkomstig artikel 33, lid 1, voor datzelfde jaar erkende uitgaven. Dat bedrag moet door de Commissie worden afgetrokken van of opgeteld bij de volgende tussentijdse betaling.

(4)

De Commissie heeft de door de lidstaten verstrekte informatie gecontroleerd en de lidstaten vóór 30 april 2019 in kennis gesteld van de resultaten van haar controles en van de aan te brengen wijzigingen.

(5)

Voor sommige betaalorganen volstaan de jaarrekeningen en de begeleidende stukken om de Commissie in staat te stellen een besluit te nemen over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de ingediende jaarrekeningen.

(6)

De door bepaalde andere betaalorganen verstrekte informatie is echter van dien aard dat nog aanvullend onderzoek nodig is, met als gevolg dat de rekeningen van die betaalorganen niet bij dit besluit kunnen worden goedgekeurd.

(7)

Overeenkomstig artikel 83 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 kan de betalingstermijn voor tussentijdse betalingen, waaronder de tussentijdse betaling van artikel 36, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, maximaal zes maanden worden uitgesteld om aanvullende verificaties te verrichten naar aanleiding van informatie waaruit blijkt dat die betalingen verband houden met een onregelmatigheid met ernstige financiële gevolgen. Bij het vaststellen van het onderhavige besluit moet de Commissie rekening houden met de uitgestelde bedragen om te vermijden dat onterechte of niet-tijdige betalingen worden verricht.

(8)

Op grond van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de financiële gevolgen van niet-inning voor 50 % door de betrokken lidstaat worden gedragen indien geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank. Krachtens artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de lidstaten een gecertificeerde tabel met de bedragen die zij op grond van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zelf moeten dragen, bijvoegen bij de jaarrekeningen die zij op grond van artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bij de Commissie moeten indienen. Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de verplichting van de lidstaten om de te innen bedragen mee te delen, zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014. Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bevat het model voor de tabel waarin de lidstaten informatie over de te innen bedragen moeten verstrekken. Op basis van de door de lidstaten ingevulde tabellen moet de Commissie een besluit vaststellen over de financiële gevolgen van de bedragen die in verband met onregelmatigheden zijn teruggevorderd, maar na vier of na acht jaar nog niet zijn geïnd.

(9)

Op grond van artikel 54, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kunnen de lidstaten in behoorlijk gemotiveerde gevallen besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een dergelijk besluit kan alleen worden genomen indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het te innen bedrag of indien de inning onmogelijk blijkt als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid. Als het besluit is genomen binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum indien over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële gevolgen van de niet-inning voor 100 % door de begroting van de Unie gedragen. Indien een lidstaat besluit de terugvordering niet voort te zetten, moeten de desbetreffende bedragen en de redenen voor dat besluit worden vermeld in het samenvattend verslag als bedoeld in artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, in samenhang met artikel 102, lid 1, eerste alinea, onder c), iv), van die verordening. Deze bedragen mogen niet ten laste van de betrokken lidstaten worden gebracht en worden dus gedragen door de begroting van de Unie.

(10)

In het onderhavige besluit moet ook rekening worden gehouden met bedragen die nog ten laste van de lidstaten moeten worden gebracht als gevolg van de toepassing van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 met betrekking tot de programmeringsperiode 2007-2013 voor het Elfpo.

(11)

De Commissie heeft op grond van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 reeds een aantal tussentijdse betalingen voor het begrotingsjaar 2018 verlaagd of geschorst wegens uitgaven die niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn gedaan. In het onderhavige besluit moet de Commissie rekening houden met die op grond van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verlaagde of geschorste bedragen om te vermijden dat onverschuldigde of niet-tijdige betalingen worden verricht of bedragen worden vergoed die later het voorwerp van een financiële correctie kunnen worden.

(12)

Overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet het onderhavige besluit de besluiten die de Commissie later eventueel neemt om niet overeenkomstig de Unievoorschriften gedane uitgaven van Uniefinanciering uit te sluiten, onverlet laten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de uitgaven over het begrotingsjaar 2018 die uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd en betrekking hebben op de programmeringsperiode 2014-2020 worden, behalve voor de in artikel 2 bedoelde betaalorganen, goedgekeurd.

De bedragen die op grond van dit besluit in het kader van elk programma voor plattelandsontwikkeling moeten worden teruggevorderd van of betaald aan elke lidstaat, worden vastgesteld in bijlage I.

Artikel 2

Voor het begrotingsjaar 2018 worden de rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de uitgaven voor de in bijlage II bedoelde plattelandsontwikkelingsprogramma's die uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd en betrekking hebben op de programmeringsperiode 2014-2020, afgesplitst van het onderhavige besluit, en voor die rekeningen wordt later een goedkeuringsbesluit vastgesteld.

Artikel 3

De bedragen die als gevolg van de toepassing van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 ten laste van de lidstaten moeten worden gebracht met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020 en de programmeringsperiode 2007-2013 voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), zijn opgenomen in bijlage III bij dit besluit.

Artikel 4

Dit besluit laat latere conformiteitsgoedkeuringsbesluiten die de Commissie krachtens artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 eventueel neemt om niet overeenkomstig de Unievoorschriften gedane uitgaven van Uniefinanciering uit te sluiten, onverlet.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2019.

Voor de Commissie

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59).


BIJLAGE I

GOEDGEKEURDE ELFPO-UITGAVEN OVER HET BEGROTINGSJAAR 2018 PER PLATTELANDSONTWIKKELINGSPROGRAMMA

VAN DE LIDSTAAT TERUG TE VORDEREN OF AAN DE LIDSTAAT TE BETALEN BEDRAG PER PROGRAMMA

Goedgekeurde programma's waarvoor Elfpo-uitgaven zijn gedeclareerd voor de periode 2014-2020

(in EUR)

LS

CCI

Uitgaven 2018

Correcties

Totaal

Niet opnieuw te gebruiken bedragen

Voor het BJ 2018 goedgekeurd bedrag

Tussentijdse betalingen aan de lidstaat voor het begrotingsjaar

Van de lidstaat terug te vorderen (–) of aan de lidstaat te betalen (+) bedrag

 

 

i

ii

iii = i + ii

iv

v = iii – iv

vi

vii = v – vi

AT

2014AT06RDNP001

522 020 035,12

0,00

522 020 035,12

0,00

522 020 035,12

512 890 738,99

9 129 296,13

BE

2014BE06RDRP001

38 520 111,32

0,00

38 520 111,32

0,00

38 520 111,32

38 520 095,94

15,38

BE

2014BE06RDRP002

30 294 877,02

0,00

30 294 877,02

0,00

30 294 877,02

30 319 674,43

– 24 797,41

BG

2014BG06RDNP001

205 686 970,07

0,00

205 686 970,07

0,00

205 686 970,07

206 442 232,26

– 755 262,19

CY

2014CY06RDNP001

14 520 014,26

0,00

14 520 014,26

0,00

14 520 014,26

14 520 014,26

0,00

CZ

2014CZ06RDNP001

323 611 581,76

0,00

323 611 581,76

0,00

323 611 581,76

323 613 468,79

– 1 887,03

DE

2014DE06RDRN001

676 761,19

0,00

676 761,19

0,00

676 761,19

676 761,19

0,00

DE

2014DE06RDRP003

85 593 723,78

0,00

85 593 723,78

0,00

85 593 723,78

85 594 307,99

– 584,21

DE

2014DE06RDRP004

192 663 260,91

0,00

192 663 260,91

0,00

192 663 260,91

192 663 260,91

0,00

DE

2014DE06RDRP007

107 756 134,37

0,00

107 756 134,37

0,00

107 756 134,37

107 756 187,14

– 52,77

DE

2014DE06RDRP010

37 547 775,80

0,00

37 547 775,80

0,00

37 547 775,80

37 547 775,80

0,00

DE

2014DE06RDRP011

106 103 576,84

0,00

106 103 576,84

0,00

106 103 576,84

106 103 576,84

0,00

DE

2014DE06RDRP012

159 980 251,69

0,00

159 980 251,69

0,00

159 980 251,69

159 980 251,69

0,00

DE

2014DE06RDRP015

74 846 524,24

0,00

74 846 524,24

0,00

74 846 524,24

74 863 576,45

– 17 052,21

DE

2014DE06RDRP017

28 525 458,51

0,00

28 525 458,51

0,00

28 525 458,51

28 525 458,51

0,00

DE

2014DE06RDRP018

5 712 422,22

0,00

5 712 422,22

0,00

5 712 422,22

5 712 422,22

0,00

DE

2014DE06RDRP019

96 236 434,91

0,00

96 236 434,91

0,00

96 236 434,91

96 236 434,91

0,00

DE

2014DE06RDRP020

82 615 965,52

0,00

82 615 965,52

0,00

82 615 965,52

82 615 967,05

– 1,53

DE

2014DE06RDRP021

50 602 977,48

0,00

50 602 977,48

0,00

50 602 977,48

50 602 995,25

– 17,77

DE

2014DE06RDRP023

88 724 913,44

0,00

88 724 913,44

0,00

88 724 913,44

88 789 431,82

– 64 518,38

DK

2014DK06RDNP001

88 173 489,16

0,00

88 173 489,16

0,00

88 173 489,16

90 286 808,00

– 2 113 318,84

EE

2014EE06RDNP001

128 116 444,94

0,00

128 116 444,94

0,00

128 116 444,94

128 116 573,13

– 128,19

ES

2014ES06RDNP001

17 496 370,85

0,00

17 496 370,85

0,00

17 496 370,85

17 496 370,83

0,02

ES

2014ES06RDRP001

159 160 971,25

0,00

159 160 971,25

0,00

159 160 971,25

159 160 882,11

89,14

ES

2014ES06RDRP002

59 746 787,83

0,00

59 746 787,83

0,00

59 746 787,83

59 746 781,59

6,24

ES

2014ES06RDRP003

29 251 334,24

0,00

29 251 334,24

0,00

29 251 334,24

29 257 571,77

– 6 237,53

ES

2014ES06RDRP004

11 807 069,47

0,00

11 807 069,47

0,00

11 807 069,47

11 826 785,09

– 19 715,62

ES

2014ES06RDRP005

27 976 434,37

0,00

27 976 434,37

0,00

27 976 434,37

27 976 434,38

– 0,01

ES

2014ES06RDRP006

14 557 450,46

0,00

14 557 450,46

0,00

14 557 450,46

14 557 451,27

– 0,81

ES

2014ES06RDRP007

113 236 476,41

0,00

113 236 476,41

0,00

113 236 476,41

113 221 366,35

15 110,06

ES

2014ES06RDRP008

97 338 070,90

0,00

97 338 070,90

0,00

97 338 070,90

97 335 793,72

2 277,18

ES

2014ES06RDRP009

43 693 511,34

0,00

43 693 511,34

0,00

43 693 511,34

43 693 511,02

0,32

ES

2014ES06RDRP010

89 910 498,20

0,00

89 910 498,20

0,00

89 910 498,20

89 910 463,71

34,49

ES

2014ES06RDRP011

131 571 942,91

0,00

131 571 942,91

0,00

131 571 942,91

131 571 922,68

20,23

ES

2014ES06RDRP012

4 328 278,65

0,00

4 328 278,65

0,00

4 328 278,65

4 328 277,55

1,10

ES

2014ES06RDRP013

31 330 225,16

0,00

31 330 225,16

0,00

31 330 225,16

31 330 220,23

4,93

ES

2014ES06RDRP015

17 357 722,06

0,00

17 357 722,06

0,00

17 357 722,06

17 357 732,12

– 10,06

ES

2014ES06RDRP016

9 152 786,14

0,00

9 152 786,14

0,00

9 152 786,14

9 152 782,54

3,60

ES

2014ES06RDRP017

23 179 771,16

0,00

23 179 771,16

0,00

23 179 771,16

23 179 771,15

0,01

FI

2014FI06RDRP001

348 074 461,43

0,00

348 074 461,43

0,00

348 074 461,43

348 076 443,41

– 1 981,98

FI

2014FI06RDRP002

3 711 545,03

0,00

3 711 545,03

0,00

3 711 545,03

3 711 545,03

0,00

FR

2014FR06RDNP001

197 685 587,50

0,00

197 685 587,50

0,00

197 685 587,50

197 685 587,50

0,00

FR

2014FR06RDRN001

1 833 799,23

0,00

1 833 799,23

0,00

1 833 799,23

1 833 799,23

0,00

FR

2014FR06RDRP001

24 153 447,95

0,00

24 153 447,95

0,00

24 153 447,95

24 153 456,07

– 8,12

FR

2014FR06RDRP002

6 561 044,21

0,00

6 561 044,21

0,00

6 561 044,21

6 561 044,19

0,02

FR

2014FR06RDRP003

5 760 322,88

0,00

5 760 322,88

0,00

5 760 322,88

5 760 322,88

0,00

FR

2014FR06RDRP004

37 876 388,14

0,00

37 876 388,14

0,00

37 876 388,14

37 876 380,02

8,12

FR

2014FR06RDRP006

4 879 050,25

0,00

4 879 050,25

0,00

4 879 050,25

4 879 050,25

0,00

FR

2014FR06RDRP011

7 620 346,22

0,00

7 620 346,22

0,00

7 620 346,22

7 620 346,23

– 0,01

FR

2014FR06RDRP021

22 926 000,33

0,00

22 926 000,33

0,00

22 926 000,33

22 926 000,32

0,01

FR

2014FR06RDRP022

8 204 484,56

0,00

8 204 484,56

0,00

8 204 484,56

8 204 484,58

– 0,02

FR

2014FR06RDRP023

8 862 307,25

0,00

8 862 307,25

0,00

8 862 307,25

8 862 307,25

0,00

FR

2014FR06RDRP024

48 604 047,72

0,00

48 604 047,72

0,00

48 604 047,72

48 604 047,72

0,00

FR

2014FR06RDRP025

44 564 654,55

0,00

44 564 654,55

0,00

44 564 654,55

44 564 654,56

– 0,01

FR

2014FR06RDRP026

79 594 052,61

0,00

79 594 052,61

0,00

79 594 052,61

79 594 052,60

0,01

FR

2014FR06RDRP031

12 002 300,22

0,00

12 002 300,22

0,00

12 002 300,22

12 002 300,22

0,00

FR

2014FR06RDRP041

41 062 964,63

0,00

41 062 964,63

0,00

41 062 964,63

41 062 964,64

– 0,01

FR

2014FR06RDRP042

12 973 287,27

0,00

12 973 287,27

0,00

12 973 287,27

12 973 287,25

0,02

FR

2014FR06RDRP043

60 350 115,32

0,00

60 350 115,32

0,00

60 350 115,32

60 350 115,31

0,01

FR

2014FR06RDRP052

65 791 635,41

0,00

65 791 635,41

0,00

65 791 635,41

65 791 635,39

0,02

FR

2014FR06RDRP053

59 541 153,53

0,00

59 541 153,53

0,00

59 541 153,53

59 541 153,54

– 0,01

FR

2014FR06RDRP054

60 363 799,95

0,00

60 363 799,95

0,00

60 363 799,95

60 363 799,96

– 0,01

FR

2014FR06RDRP072

84 473 332,28

0,00

84 473 332,28

0,00

84 473 332,28

84 473 332,28

0,00

FR

2014FR06RDRP073

213 889 042,17

0,00

213 889 042,17

0,00

213 889 042,17

213 889 042,15

0,02

FR

2014FR06RDRP074

88 417 755,10

0,00

88 417 755,10

0,00

88 417 755,10

88 417 755,09

0,01

FR

2014FR06RDRP082

150 503 849,61

0,00

150 503 849,61

0,00

150 503 849,61

150 503 849,60

0,01

FR

2014FR06RDRP083

174 012 973,41

0,00

174 012 973,41

0,00

174 012 973,41

174 012 973,41

0,00

FR

2014FR06RDRP091

89 559 508,54

0,00

89 559 508,54

0,00

89 559 508,54

89 559 508,48

0,06

FR

2014FR06RDRP093

78 272 207,24

0,00

78 272 207,24

0,00

78 272 207,24

78 272 207,23

0,01

EL

2014GR06RDNP001

579 944 680,26

0,00

579 944 680,26

0,00

579 944 680,26

579 944 679,97

0,29

HR

2014HR06RDNP001

206 317 522,64

0,00

206 317 522,64

0,00

206 317 522,64

206 367 510,78

– 49 988,14

HU

2014HU06RDNP001

385 929 543,71

0,00

385 929 543,71

0,00

385 929 543,71

385 929 564,57

– 20,86

IE

2014IE06RDNP001

318 665 239,75

0,00

318 665 239,75

0,00

318 665 239,75

318 693 515,27

– 28 275,52

IT

2014IT06RDNP001

112 491 724,71

0,00

112 491 724,71

0,00

112 491 724,71

112 491 671,79

52,92

IT

2014IT06RDRN001

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

IT

2014IT06RDRP001

10 085 080,90

0,00

10 085 080,90

0,00

10 085 080,90

10 086 920,19

– 1 839,29

IT

2014IT06RDRP002

31 172 695,15

0,00

31 172 695,15

0,00

31 172 695,15

31 173 334,82

– 639,67

IT

2014IT06RDRP003

55 799 478,01

0,00

55 799 478,01

0,00

55 799 478,01

55 716 038,08

83 439,93

IT

2014IT06RDRP004

14 395 930,94

0,00

14 395 930,94

0,00

14 395 930,94

14 395 931,16

– 0,22

IT

2014IT06RDRP005

37 431 739,83

0,00

37 431 739,83

0,00

37 431 739,83

37 432 438,25

– 698,42

IT

2014IT06RDRP006

7 876 005,89

0,00

7 876 005,89

0,00

7 876 005,89

7 876 005,97

– 0,08

IT

2014IT06RDRP007

41 819 104,69

0,00

41 819 104,69

0,00

41 819 104,69

41 823 648,02

– 4 543,33

IT

2014IT06RDRP008

16 380 168,96

0,00

16 380 168,96

0,00

16 380 168,96

16 380 168,83

0,13

IT

2014IT06RDRP009

63 175 360,10

0,00

63 175 360,10

0,00

63 175 360,10

63 175 359,91

0,19

IT

2014IT06RDRP010

39 645 804,71

0,00

39 645 804,71

0,00

39 645 804,71

39 645 804,22

0,49

IT

2014IT06RDRP011

16 604 563,71

0,00

16 604 563,71

0,00

16 604 563,71

16 604 563,76

– 0,05

IT

2014IT06RDRP012

35 345 143,27

0,00

35 345 143,27

0,00

35 345 143,27

35 354 956,27

– 9 813,00

IT

2014IT06RDRP013

9 687 512,97

0,00

9 687 512,97

0,00

9 687 512,97

9 687 512,88

0,09

IT

2014IT06RDRP014

63 566 185,57

0,00

63 566 185,57

0,00

63 566 185,57

63 566 205,10

– 19,53

IT

2014IT06RDRP015

14 815 565,50

0,00

14 815 565,50

0,00

14 815 565,50

14 815 565,50

0,00

IT

2014IT06RDRP016

64 784 415,43

0,00

64 784 415,43

0,00

64 784 415,43

64 785 375,84

– 960,41

IT

2014IT06RDRP017

29 206 933,27

0,00

29 206 933,27

0,00

29 206 933,27

29 206 933,08

0,19

IT

2014IT06RDRP018

91 232 709,95

0,00

91 232 709,95

0,00

91 232 709,95

91 232 707,48

2,47

IT

2014IT06RDRP019

127 792 613,65

0,00

127 792 613,65

0,00

127 792 613,65

127 792 612,64

1,01

IT

2014IT06RDRP020

61 337 381,19

0,00

61 337 381,19

0,00

61 337 381,19

61 420 145,93

– 82 764,74

IT

2014IT06RDRP021

101 184 836,76

0,00

101 184 836,76

0,00

101 184 836,76

101 185 876,24

– 1 039,48

LT

2014LT06RDNP001

217 968 916,81

0,00

217 968 916,81

0,00

217 968 916,81

217 968 915,16

1,65

LU

2014LU06RDNP001

14 421 021,16

0,00

14 421 021,16

0,00

14 421 021,16

14 423 917,80

– 2 896,64

LV

2014LV06RDNP001

192 664 100,71

0,00

192 664 100,71

0,00

192 664 100,71

192 664 100,71

0,00

MT

2014MT06RDNP001

9 391 258,52

0,00

9 391 258,52

0,00

9 391 258,52

9 391 233,59

24,93

NL

2014NL06RDNP001

78 454 999,06

0,00

78 454 999,06

0,00

78 454 999,06

78 872 015,79

– 417 016,73

PL

2014PL06RDNP001

944 566 130,00

0,00

944 566 130,00

0,00

944 566 130,00

944 571 175,78

– 5 045,78

PT

2014PT06RDRP001

42 549 866,78

0,00

42 549 866,78

0,00

42 549 866,78

42 549 858,14

8,64

PT

2014PT06RDRP002

440 013 783,91

0,00

440 013 783,91

0,00

440 013 783,91

440 007 910,96

5 872,95

PT

2014PT06RDRP003

20 033 947,26

0,00

20 033 947,26

0,00

20 033 947,26

20 033 941,68

5,58

RO

2014RO06RDNP001

1 151 317 715,84

– 5 183 398,75

1 146 134 317,09

0,00

1 146 134 317,09

1 146 256 355,04

– 122 037,95

SE

2014SE06RDNP001

195 643 074,19

0,00

195 643 074,19

0,00

195 643 074,19

195 664 681,71

– 21 607,52

SI

2014SI06RDNP001

111 078 221,00

0,00

111 078 221,00

0,00

111 078 221,00

111 078 257,04

– 36,04

SK

2014SK06RDNP001

200 198 632,37

0,00

200 198 632,37

0,00

200 198 632,37

200 196 935,13

1 697,24


BIJLAGE II

GOEDKEURING VAN DE REKENINGEN VAN DE BETAALORGANEN

BEGROTINGSJAAR 2018 – ELFPO

Lijst van de betaalorganen en programma's waarvoor de rekeningen worden afgesplitst en in een later goedkeuringsbesluit zullen worden behandeld

Lidstaat

Betaalorgaan

Programma

ES

Departamento de Desarrollo Rural, Medio Ambiente y Administración Local del Gobierno de Navarra

2014ES06RDRP014

FR

Office du Développement Agricole et Rural de Corse

2014FR06RDRP094


BIJLAGE III

GOEDKEURING VAN DE REKENINGEN VAN DE BETAALORGANEN

BEGROTINGSJAAR 2018 – ELFPO

Correcties overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013  (*1)

 

 

Correcties met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020

Correcties met betrekking tot de programmeringsperiode 2007-2013

Lidstaat

Valuta

in nationale munt

in EUR

in nationale munt

in EUR

AT

EUR

BE

EUR

651,26

BG

BGN

443 050,55

CY

EUR

CZ

CZK

838 197,75

DE

EUR

287 200,70

DK

DKK

721 265,67

EE

EUR

148 651,02

ES (*1)

EUR

992 954,85

FI

EUR

34 956,43

FR (*1)

EUR

728,90

1 877 775,76

EL

EUR

480 848,59

HR

HRK

HU

HUF

582 882 245,00

IE

EUR

364,95

409 240,92

IT

EUR

422 224,89

LT

EUR

56 868,65

LU

EUR

LV

EUR

34 361,54

MT

EUR

14 557,28

NL

EUR

6 180,20

PL

PLN

1 961 962,42

PT

EUR

1 226 109,23

RO

RON

664 129,21

SE

SEK

151 557,03

SI

EUR

25 660,59

SK

EUR

309 851,55


(*1)  Met betrekking tot de betaalorganen waarvoor de rekeningen zijn afgesplitst, wordt de in artikel 54, lid 2, bedoelde verlaging toegepast zodra de rekeningen voor goedkeuring worden voorgesteld.


28.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/115


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/874 VAN DE COMMISSIE

van 22 mei 2019

inzake de goedkeuring van de rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3820)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 51,

Na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet de Commissie vóór 31 mei van het jaar na het betrokken begrotingsjaar de rekeningen van de in artikel 7 van die verordening bedoelde betaalorganen goedkeuren op basis van de door de lidstaten ingediende jaarrekeningen, vergezeld van de voor de goedkeuring van de rekeningen benodigde informatie en een auditoordeel over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de rekeningen en de verslagen die door de certificerende instanties zijn opgesteld.

(2)

Zoals bepaald in artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, begint het landbouwbegrotingsjaar op 16 oktober van het jaar N-1 en eindigt het op 15 oktober van het jaar N. In het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 2018 moeten de uitgaven in aanmerking worden genomen die de lidstaten in de periode van 16 oktober 2017 tot en met 15 oktober 2018 hebben gedaan overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (2).

(3)

Krachtens artikel 33, lid 2, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 moet het bedrag dat als gevolg van het in artikel 33, lid 1, van die verordening bedoelde besluit tot goedkeuring van de rekeningen moet worden teruggevorderd van of betaald aan elke lidstaat, worden vastgesteld door de maandelijkse betalingen voor het betrokken begrotingsjaar af te trekken van de overeenkomstig artikel 33, lid 1, voor datzelfde jaar erkende uitgaven. Dat bedrag moet door de Commissie worden afgetrokken van of opgeteld bij de maandelijkse betaling voor de uitgaven die zijn gedaan in de tweede maand na het besluit tot goedkeuring van de rekeningen.

(4)

De Commissie heeft de door de lidstaten verstrekte informatie gecontroleerd en de lidstaten vóór 30 april 2019 in kennis gesteld van de resultaten van haar controles en van de aan te brengen wijzigingen.

(5)

Voor alle betrokken betaalorganen volstaan de jaarrekeningen en de begeleidende stukken om de Commissie in staat te stellen een besluit te nemen over de volledigheid, de nauwkeurigheid en de waarheidsgetrouwheid van de ingediende jaarrekeningen.

(6)

Overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie (3) moet met eventuele overschrijdingen van betalingstermijnen in de maanden augustus, september en oktober rekening worden gehouden in het besluit tot goedkeuring van de rekeningen. Een deel van de door sommige lidstaten voor die maanden van 2018 gedeclareerde uitgaven is na de uiterste betalingsdatum verricht. Daarom moeten de betrokken verlagingen bij dit besluit worden vastgesteld.

(7)

De Commissie heeft op grond van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 reeds een aantal maandelijkse betalingen voor het begrotingsjaar 2018 verlaagd of geschorst wegens de niet-inachtneming van financiële maxima of betalingstermijnen of wegens tekortkomingen in de controlesystemen. In het onderhavige besluit moet de Commissie rekening houden met die verlaagde of geschorste bedragen om te vermijden dat onterechte of niet-tijdige betalingen worden verricht of bedragen worden vergoed die later het voorwerp van een financiële correctie kunnen worden. De bedragen kunnen indien nodig worden onderzocht in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure op grond van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(8)

Op grond van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de financiële gevolgen van niet-inning voor 50 % door de betrokken lidstaat worden gedragen indien geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank. Krachtens artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de lidstaten een gecertificeerde tabel met de bedragen die zij op grond van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zelf moeten dragen, bijvoegen bij de jaarrekeningen die zij op grond van artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bij de Commissie moeten indienen. Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de verplichting van de lidstaten om de te innen bedragen mee te delen, zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014. Bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 bevat het model voor de tabel waarin de lidstaten informatie over de te innen bedragen moeten verstrekken. Op basis van de door de lidstaten ingevulde tabellen moet de Commissie een besluit vaststellen over de financiële gevolgen van de bedragen die in verband met onregelmatigheden zijn teruggevorderd, maar na vier of na acht jaar nog niet zijn geïnd.

(9)

Op grond van artikel 54, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kunnen de lidstaten in behoorlijk gemotiveerde gevallen besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een dergelijk besluit kan alleen worden genomen indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het te innen bedrag of indien de inning onmogelijk blijkt als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid. Als het besluit is genomen binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum indien over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële gevolgen van de niet-inning voor 100 % door de begroting van de Unie gedragen. Indien een lidstaat besluit de terugvordering niet voort te zetten, moeten de desbetreffende bedragen en de redenen voor dat besluit worden vermeld in het samenvattend verslag als bedoeld in artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, in samenhang met artikel 102, lid 1, eerste alinea, onder c), iv), van die verordening. Deze bedragen mogen niet ten laste van de betrokken lidstaten worden gebracht en worden dus gedragen door de begroting van de Unie.

(10)

De in bijlage I (kolom e) opgevoerde verlagingen overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 hebben betrekking op het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF). De bedragen die als gevolg van de toepassing van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 ten laste van de lidstaten moeten worden gebracht in verband met het overgangsinstrument voor plattelandsontwikkeling (OIPO), dat uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL) werd gefinancierd (4), zijn opgenomen in bijlage II.

(11)

Overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet het onderhavige besluit de besluiten die de Commissie later eventueel neemt om niet overeenkomstig de Unievoorschriften gedane uitgaven van Uniefinanciering uit te sluiten, onverlet laten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De rekeningen van de betaalorganen van de lidstaten betreffende de uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde uitgaven over het begrotingsjaar 2018 worden goedgekeurd.

De bedragen die op grond van dit besluit moeten worden teruggevorderd van of betaald aan elke lidstaat, met inbegrip van de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, worden vastgesteld in de bijlagen I en II bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit laat latere conformiteitsgoedkeuringsbesluiten die de Commissie krachtens artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 eventueel neemt om niet overeenkomstig de Unievoorschriften gedane uitgaven van Uniefinanciering uit te sluiten, onverlet.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2019.

Voor de Commissie

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 18).

(4)  Verordening (EG) nr. 27/2004 van de Commissie van 5 januari 2004 houdende overgangsbepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad met betrekking tot de financiering door het EOGFL, afdeling Garantie, van de maatregelen voor plattelandsontwikkeling in Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 36).


BIJLAGE I

GOEDKEURING VAN DE REKENINGEN VAN DE BETAALORGANEN

BEGROTINGSJAAR 2018

Van de lidstaat terug te vorderen of aan de lidstaat te betalen bedrag

LS

 

2018 — Uitgaven/bestemmingsontvangsten van de betaalorganen waarvan de rekeningen zijn

Totaal a + b

Verlagingen en schorsingen voor het hele begrotingsjaar (1)

Overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan te rekenen bedrag

Totaal na verlagingen en schorsingen

Betalingen aan de lidstaat voor het begrotingsjaar

Van de lidstaat terug te vorderen (–) of aan de lidstaat te betalen (+) bedrag (2)

goedgekeurd

afgesplitst

= in de jaardeclaratie opgenomen uitgaven/bestemmingsontvangsten

= totaal van de in de maanddeclaraties opgenomen uitgaven/bestemmingsontvangsten

 

 

a

b

c=a+b

d

e

f=c+d+e

g

h=f-g

AT

EUR

716 420 978,95

0,00

716 420 978,95

– 37 170,38

0,00

716 383 808,57

715 609 830,36

773 978,21

BE

EUR

601 303 115,40

0,00

601 303 115,40

– 114 596,75

– 1 626,78

601 186 891,87

601 394 318,15

– 207 426,28

BG

BGN

0,00

0,00

0,00

0,00

– 1 063 919,18

– 1 063 919,18

0,00

– 1 063 919,18

BG

EUR

807 146 800,18

0,00

807 146 800,18

– 334 145,99

0,00

806 812 654,19

807 673 988,10

– 861 333,91

CY

EUR

56 393 523,10

0,