ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 138

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
24 mei 2019


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2019/835 van de Raad van 8 april 2019 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

1

 

*

Besluit (EU) 2019/836 van de Raad van 13 mei 2019 betreffende de sluiting van het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden

3

 

 

Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden

5

 

*

Besluit (EU) 2019/837 van de Raad van 14 mei 2019 inzake de sluiting, namens de Unie, van de Regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht

9

 

 

Regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht

11

 

*

Informatie betreffende de inwerkingtreding van het Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden

30

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/838 van de Commissie van 20 februari 2019 inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 415/2007

31

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/839 van de Commissie van 7 maart 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen ( 1 )

70

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/840 van de Commissie van 12 maart 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 wat betreft de invoer van wijn van oorsprong uit Canada en tot vrijstelling van kleinhandelaren van de verplichting om een in- en uitslagregister bij te houden

74

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/841 van de Commissie van 14 maart 2019 tot rectificatie van bepaalde taalversies van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie

76

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/842 van de Commissie van 22 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

79

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/843 van de Commissie van 23 mei 2019 betreffende de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de zesendertigste deelinschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving

81

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2019/844 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende de uitoefening van bevoegdheden door de secretaris-generaal van de Raad met betrekking tot klachten die kandidaten voor het ambt van Europees hoofdaanklager indienen bij de Raad

82

 

*

Besluit (EU) 2019/845 van de Raad van 17 mei 2019 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de Werkgroep geografische aanduidingen die is opgericht bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, wat betreft de vaststelling van zijn reglement van orde

84

 

*

Besluit (EU, Euratom) 2019/846 van de Raad van 21 mei 2019 houdende benoeming van twee leden van de Rekenkamer

89

 

*

Besluit (EU) 2019/847 van de Commissie van 15 mei 2019 over het voorstel voor een burgerinitiatief genaamd Red de bijen! Bescherming van de biodiversiteit en verbetering van habitats voor insecten in Europa (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3800)

90

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/1


BESLUIT (EU) 2019/835 VAN DE RAAD

van 8 april 2019

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 217, in combinatie met artikel 218, lid 6, onder a),

Gezien de Akte van toetreding van de Republiek Kroatië, en met name artikel 6, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds (2) ("de overeenkomst"), is op 25 juni 2001 te Luxemburg ondertekend. De overeenkomst is op 1 juni 2004 in werking getreden.

(2)

De Republiek Kroatië is op 1 juli 2013 toegetreden tot de Europese Unie.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Akte van toetreding van de Republiek Kroatië, dient de toetreding van de Republiek Kroatië tot de overeenkomst te worden geregeld door middel van een protocol bij de overeenkomst tussen de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en de Arabische Republiek Egypte

(4)

Op 14 september 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met de Arabische Republiek Egypte. De onderhandelingen zijn met succes afgerond.

(5)

Overeenkomstig Besluit (EU) 2017/768 van de Raad (3) is het protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, namens de Europese Unie en haar lidstaten ondertekend in Brussel op 10 april 2017.

(6)

Het protocol dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, wordt namens de Europese Unie en haar lidstaten goedgekeurd (4).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie en haar listaten de in artikel 8, lid 1, van het protocol bedoelde kennisgeving, waarmee de instemming van de Unie en haar lidstaten om door het protocol gebonden te zijn, tot uitdrukking wordt gebracht (5).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 8 april 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  Goedkeuring van 12 maart 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 39.

(3)  PB L 115 van 4.5.2017, blz. 1.

(4)  De tekst van het protocol is samen met het ondertekeningsbesluit bekendgemaakt in PB L 115 van 4.5.2017.

(5)  De datum betreffende de inwerkingtreding van het protocol zal door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/3


BESLUIT (EU) 2019/836 VAN DE RAAD

van 13 mei 2019

betreffende de sluiting van het protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, eerste alinea, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring door het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit (EU) 2019/395 van de Raad (2) is het protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden ("het protocol") op 27 maart 2019 ondertekend onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip.

(2)

Ter ondersteuning en versterking van de politiële samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en die van Denemarken bij het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten is het noodzakelijk dat de Unie actie onderneemt om Denemarken in staat te stellen deel te nemen aan de rechtshandhavingsgerelateerde aspecten van Eurodac.

(3)

Het protocol moet worden goedgekeurd.

(4)

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn gebonden door Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) en nemen bijgevolg deel aan de vaststelling van dit besluit.

(5)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op die lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden wordt namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 4, lid 2, van het protocol bedoelde kennisgeving.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  Goedkeuring van 17 april 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2019/395 van de Raad van 7 maart 2019 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van het protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden (PB L 71 van 13.3.2019, blz. 9).

(3)  Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/5


PROTOCOL BIJ DE OVEREENKOMST

tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden

DE EUROPESE UNIE, hierna "de Unie" genoemd,

en

HET KONINKRIJK DENEMARKEN, hierna "Denemarken" genoemd,

hierna gezamenlijk "de partijen" genoemd,

OVERWEGENDE dat op 10 maart 2005 de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (1) (hierna de "overeenkomst van 10 maart 2005" genoemd) is ondertekend,

EROP WIJZENDE dat de Unie op 26 juni 2013 Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (2) heeft vastgesteld,

VERWIJZENDE naar Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), op grond waarvan Denemarken niet heeft deelgenomen aan de vaststelling van Verordening (EU) nr. 603/2013, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaat,

EROP WIJZENDE dat de procedures voor de vergelijking en verzending van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 603/2013, geen wijziging van het Eurodac-acquis inhouden zoals bedoeld in de overeenkomst van 10 maart 2005, en derhalve buiten het toepassingsgebied van de overeenkomst van 10 maart 2005 vallen,

OVERWEGENDE dat er een protocol tussen de Unie en Denemarken dient te worden gesloten teneinde Denemarken in staat te stellen deel te nemen aan de rechtshandhavingsgerelateerde aspecten van Eurodac en daarmee de aangewezen rechtshandhavingsinstanties in Denemarken in staat te stellen verzoeken in te dienen om vergelijking met vingerafdrukgegevens die door andere deelnemende staten in het centrale systeem van Eurodac zijn ingevoerd,

OVERWEGENDE dat de toepassing van Verordening (EU) nr. 603/2013 voor rechtshandhavingsdoeleinden ten aanzien van Denemarken tevens de aangewezen rechtshandhavingsinstanties van de andere deelnemende staten en Europol in staat moet stellen verzoeken in te dienen om vergelijking met vingerafdrukgegevens die door Denemarken in het centrale systeem van Eurodac zijn ingevoerd,

OVERWEGENDE dat de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen rechtshandhavingsinstanties van de deelnemende staten met het oog op het voorkomen, het opsporen of het onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten op grond van dit protocol dient te zijn onderworpen aan normen voor de bescherming van persoonsgegevens volgens nationaal recht die in overeenstemming zijn met Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad (3),

OVERWEGENDE dat Richtlijn (EU) 2016/680 een ontwikkeling inhoudt van de bepalingen van het Schengenacquis uit hoofde van titel V van deel drie van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en dat Denemarken op 26 oktober 2016 overeenkomstig artikel 4 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken aan de Commissie te kennen heeft gegeven dat het die richtlijn in zijn nationale wetgeving zal omzetten. Denemarken moet die richtlijn en de nadere voorwaarden die bij Verordening (EU) nr. 603/2013 zijn vastgesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen autoriteiten van Denemarken met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten bijgevolg toepassen,

OVERWEGENDE dat de nadere voorwaarden die bij Verordening (EU) nr. 603/213 zijn vastgesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen autoriteiten van de deelnemende staten en door Europol met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten, eveneens van toepassing dienen te zijn,

OVERWEGENDE dat slechts toegang mag worden verleend aan de aangewezen autoriteiten van Denemarken op voorwaarde dat vergelijkingen met de nationale vingerafdrukgegevensbanken van de verzoekende staat en met de geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen van alle andere deelnemende staten uit hoofde van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad (4) niet tot de vaststelling van de identiteit van de betrokkene hebben geleid. Bijgevolg dient de verzoekende staat vergelijkingen uit te voeren met de technisch beschikbare geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen van alle andere deelnemende staten uit hoofde van dat besluit, tenzij die verzoekende staat kan aantonen dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat dit niet tot de vaststelling van de identiteit van de betrokkene zou leiden. Dergelijke gegronde redenen bestaan met name wanneer er in het specifieke geval geen enkele operationele of onderzoeksmatige aanknoping is met een bepaalde deelnemende staat. Bijgevolg dient de verzoekende staat, wat dactyloscopische gegevens betreft, eerst te hebben voorzien in de juridische en technische tenuitvoerlegging van dat besluit, aangezien er geen Eurodac-controles voor rechtshandhavingsdoeleinden mogen worden verricht wanneer de bovengenoemde stappen niet vooraf zijn genomen,

OVERWEGENDE dat, alvorens Eurodac te doorzoeken, de aangewezen autoriteiten van Denemarken ook, mits aan de voorwaarden voor een vergelijking is voldaan, het Visuminformatiesysteem moeten raadplegen uit hoofde van Besluit 2008/633/JBZ van de Raad (5),

OVERWEGENDE dat de mechanismen waarin de overeenkomst van 10 maart 2005 voorziet met het oog op wijzigingen, van toepassing moeten zijn op alle wijzigingen wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden,

OVERWEGENDE dat dit protocol deel uitmaakt van de overeenkomst van 10 maart 2005,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

1.   Wat de vergelijking van vingerafdrukgegevens met de in het centrale systeem van Eurodac opgeslagen gegevens voor de in artikel 2, lid 1, onder i), van die verordening omschreven rechtshandhavingsdoeleinden betreft, wordt Verordening (EU) nr. 603/2013 door Denemarken uitgevoerd en is zij overeenkomstig internationaal recht van toepassing in het kader van de betrekkingen van Denemarken met de andere deelnemende staten.

2.   De lidstaten van de Unie, met uitzondering van Denemarken, worden beschouwd als deelnemende staten in de zin van lid 1 van dit artikel. Zij passen de bepalingen van Verordening (EU) nr. 603/2013 die betrekking hebben op de toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden toe ten aanzien van Denemarken.

3.   IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland worden beschouwd als deelnemende staten in de zin van lid 1, voor zover tussen die staten en de Unie een met dit protocol vergelijkbare overeenkomst van kracht is dat Denemarken als een deelnemende staat erkent.

Artikel 2

1.   Richtlijn (EU) 2016/680 is van toepassing ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door Denemarken die uit de toepassing van dit protocol voortvloeit.

2.   Naast lid 1 zijn ook de voorwaarden die bij Verordening (EU) nr. 603/2013 zijn vastgesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens van toepassing op Denemarken in verband met de verwerking van persoonsgegevens door zijn aangewezen autoriteiten voor het in artikel 1, lid 2, van die verordening neergelegde doel.

Artikel 3

De bepalingen van de overeenkomst van 10 maart 2005 inzake wijzigingen zijn van toepassing op alle wijzigingen die betrekking hebben op de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden.

Artikel 4

1.   Dit protocol wordt door de partijen volgens hun eigen procedures bekrachtigd of goedgekeurd.

2.   Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de kennisgeving door de partijen van de beëindiging van hun respectieve daartoe vereiste procedures.

3.   Dit protocol is niet van toepassing voordat hoofdstuk 6 van Besluit 2008/615/JBZ door Denemarken ten uitvoer is gelegd en de evaluatieprocedures uit hoofde van hoofdstuk 4 van de bijlage bij Besluit 2008/616/JBZ van de Raad (6) zijn voltooid wat betreft dactyloscopische gegevens in verband met Denemarken.

Artikel 5

1.   Elke partij kan zich uit dit protocol terugtrekken door de andere partij daarvan in kennis te stellen. Die kennisgeving wordt zes maanden na de datum ervan van kracht.

2.   Dit protocol is niet langer van kracht indien ofwel de Unie ofwel Denemarken zich terugtrekt.

3.   Dit protocol is niet langer van kracht indien de overeenkomst van 10 maart 2005 niet langer van kracht is.

4.   De terugtrekking uit dit protocol of de beëindiging ervan heeft geen gevolgen voor de verdere toepassing van de overeenkomst van 10 maart 2005.

Artikel 6

Dit protocol wordt opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Съставено в Брюксел на двадесет и седми март две хиляди и деветнадесета година.

Hecho en Bruselas, el veintisiete de marzo de dos mil diecinueve.

V Bruselu dne dvacátého sedmého března dva tisíce devatenáct.

Udfærdiget i Bruxelles den syvogtyvende marts to tusind og nitten.

Geschehen zu Brüssel am siebenundzwanzigsten März zweitausendneunzehn.

Kahe tuhande üheksateistkümnenda aasta märtsikuu kahekümne seitsmendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις είκοσι εφτά Μαρτίου δύο χιλιάδες δεκαεννέα.

Done at Brussels on the twenty-seventh day of March in the year two thousand and nineteen.

Fait à Bruxelles, le vingt-sept mars deux mille dix-neuf.

Sastavljeno u Bruxellesu dvadeset sedmog ožujka godine dvije tisuće devetnaeste.

Fatto a Bruxelles, addì ventisette marzo duemiladiciannove.

Briselē, divi tūkstoši deviņpadsmitā gada divdesmit septītajā martā.

Priimta du tūkstančiai devynioliktų metų kovo dvidešimt septintą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenkilencedik év március havának huszonhetedik napján.

Magħmul fi Brussell, fis-sebgħa u għoxrin jum ta’ Marzu fis-sena elfejn u dsatax.

Gedaan te Brussel, zevenentwintig maart tweeduizend negentien.

Sporządzono w Brukseli dnia dwudziestego siódmego marca roku dwa tysiące dziewiętnastego.

Feito em Bruxelas, em vinte e sete de março de dois mil e dezanove.

Întocmit la Bruxelles la douăzeci și șapte martie două mii nouăsprezece.

V Bruseli dvadsiateho siedmeho marca dvetisícdevätnásť.

V Bruslju, dne sedemindvajsetega marca leta dva tisoč devetnajst.

Tehty Brysselissä kahdentenakymmenentenäseitsemäntenä päivänä maaliskuuta vuonna kaksituhattayhdeksäntoista.

Som skedde i Bryssel den tjugosjunde mars år tjugohundranitton.

За Европейския съюз

Рог la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

ЗаКралство Дания

Por el Reino de Dinamarca

Za Dánské království

For Kongeriget Danmark

Für das Königreich Dänemark

Taani Kuningriigi nimel

Για το Βασίλειο της Δανίας

For the Kingdom of Denmark

Pour le Royaume de Danemark

Za Kraljevinu Dansku

Per il Regno di Danimarca

Dānijas Karalistes vārdā –

Danijos Karalystės vardu

A Dán Királyság részéről

Għar-Renju tad-Danimarka

Voor het Koninkrijk Denemarken

W imieniu Królestwa Danii

Pelo Reino da Dinamarca

Pentru Regatul Danemarcei

Za Dánske kráľovstvo

Za Kraljevino Dansko

Tanskan kuningaskunnan puolesta

På Konungariket Danmark


(1)  PB L 66 van 8.3.2006, blz. 38.

(2)  Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).

(3)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).

(4)  Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1).

(5)  Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129).

(6)  Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PB L 210 van 6.8.2008, blz. 12).


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/9


BESLUIT (EU) 2019/837 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

inzake de sluiting, namens de Unie, van de Regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), punt v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) werd het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (het "Agentschap") opgericht.

(2)

In Verordening (EU) nr. 1077/2011 was het volgende bepaald: "Regelingen betreffende onder meer de aard en de omvang van, alsook de nadere regels voor de deelname van de landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen ten aanzien van de financiële bijdragen, het personeel en het stemrecht, worden getroffen krachtens de desbetreffende bepalingen van de associatieovereenkomsten".

(3)

De Commissie heeft namens de Unie onderhandeld over een regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (de "regeling"). Overeenkomstig Besluit (EU) 2018/1549 van de Raad (3) is de regeling op 8 november 2018 ondertekend, in afwachting van de sluiting ervan.

(4)

Op 14 november 2018 werd Verordening (EU) 2018/1726 van het Europees Parlement en de Raad (4) vastgesteld. Verordening (EU) nr. 1077/2011 werd bij Verordening (EU) 2018/1726 ingetrokken. Zoals bepaald in Verordening (EU) 2018/1726 is het bij die verordening opgerichte Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht de vervanger en de opvolger van het Agentschap dat bij Verordening (EU) nr. 1077/2011 is opgericht. Volgens Verordening (EU) 2018/1726 gelden verwijzingen naar de ingetrokken Verordening (EU) nr. 1077/2011 als verwijzingen naar Verordening (EU) 2018/1726 en dienen die verwijzingen te worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage bij die verordening.

(5)

Zoals wordt toegelicht in overweging 52 van Verordening (EU) 2018/1726, neemt het Verenigd Koninkrijk deel aan de aanneming en toepassing van die verordening en is deze bindend voor dat land. Ierland heeft verzocht om deelname aan Verordening (EU) 2018/1726 overeenkomstig protocol nr. 19 betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en heeft kennis gegeven van zijn wens om Verordening (EU) 2018/1726 te aanvaarden overeenkomstig artikel 4 van protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU. Zij dienen dan ook uitvoering te geven aan artikel 42 van Verordening (EU) 2018/1726 door deel te nemen aan dit besluit. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland nemen daarom deel aan dit besluit.

(6)

Zoals wordt toegelicht in overweging 51 van Verordening (EU) 2018/1726, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming en toepassing van die verordening en is deze niet bindend voor dat land. Denemarken neemt dan ook niet deel aan dit besluit. Aangezien dit besluit voortbouwt op het Schengenacquis voor zover het betrekking heeft op het bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5) en bij Besluit 2007/533/JBZ van de Raad (6) ingestelde Schengeninformatiesysteem (SIS II), op het bij Beschikking 2004/512/EG van de Raad (7) ingestelde Visuminformatiesysteem (VIS), op het bij Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad (8) ingestelde inreis-uitreissysteem (EES) en het bij Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad (9) opgerichte Europese reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias), dient Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad dit besluit heeft vastgesteld, te beslissen of het dit instrument in zijn nationaal recht zal omzetten.

Overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (10), moet Denemarken de Commissie ervan in kennis stellen of het de inhoud van dit besluit zal toepassen, voor zover dit betrekking heeft op Eurodac en DubliNet.

(7)

De regeling dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht wordt namens de Unie goedgekeurd (11).

De tekst van de regeling is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Goedkeuring van 13 maart 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 286 van 1.11.2011, blz. 1).

(3)  Besluit (EU) 2018/1549 van de Raad van 11 oktober 2018 betreffende de ondertekening namens de Unie, van de regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 260 van 17.10.2018, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2018/1726 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 99).

(5)  Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4).

(6)  Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63).

(7)  Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5).

(8)  Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 (PB L 327 van 9.12.2017, blz. 20).

(9)  Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L 236 van 19.9.2018, blz. 1).

(10)  PB L 66 van 8.3.2006, blz. 38.

(11)  De datum van inwerkingtreding van de regeling zal in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt door het secretariaat-generaal van de Raad.


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/11


REGELING

tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht

DE EUROPESE UNIE,

enerzijds, en

HET KONINKRIJK NOORWEGEN, hierna "Noorwegen" genoemd,

DE REPUBLIEK IJSLAND, hierna "IJsland" genoemd,

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT, hierna "Zwitserland" genoemd, en

HET VORSTENDOM LIECHTENSTEIN, hierna "Liechtenstein" genoemd,

anderzijds,

Gezien de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (1) (hierna "de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen" genoemd);

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de criteria en de mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat, in IJsland of in Noorwegen wordt ingediend (2) (hierna "de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac" genoemd);

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (3) (hierna "de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen" genoemd);

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend (4) (hierna "de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac" genoemd);

Gezien het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (5) (hierna "het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen" genoemd);

Gezien het Protocol tussen de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend (6) (hierna "het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac" genoemd);

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, hierna "het Agentschap" genoemd, is door de Europese Unie opgericht bij Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(2)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, houdt Verordening (EU) nr. 1077/2011, voor zover zij betrekking heeft op het Schengeninformatiesysteem (SIS II), het Visuminformatiesysteem (VIS) en het inreis-uitreissysteem (EES), een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen. Voor zover zij betrekking heeft op Eurodac en DubliNet, is Verordening (EU) nr. 1077/2011 een nieuwe maatregel in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac.

(3)

Wat Zwitserland betreft, houdt Verordening (EU) nr. 1077/2011, voor zover zij betrekking heeft op SIS II, het VIS en het EES, een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen. Voor zover zij betrekking heeft op Eurodac en DubliNet, is Verordening (EU) nr. 1077/2011 een nieuwe maatregel in de zin van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac.

(4)

Wat Liechtenstein betreft, houdt Verordening (EU) nr. 1077/2011, voor zover zij betrekking heeft op SIS II, het VIS en het EES, een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen. Voor zover zij betrekking heeft op Eurodac en DubliNet, is Verordening (EU) nr. 1077/2011 een nieuwe maatregel in de zin van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac.

(5)

In Verordening (EU) nr. 1077/2011 is bepaald dat regelingen betreffende onder meer de aard en de omvang van, alsook de nadere regels voor de deelname van de bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Dublin- en Eurodac-maatregelen betrokken landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen ten aanzien van de financiële bijdragen, het personeel en het stemrecht, moeten worden getroffen krachtens de desbetreffende bepalingen van de associatieovereenkomsten.

(6)

De wijze waarop Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein worden betrokken bij de activiteiten van nieuwe organen die door de Europese Unie worden opgericht in het kader van de verdere ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen, wordt in de associatieovereenkomsten niet behandeld, en bepaalde aspecten van de betrokkenheid bij het Agentschap moeten worden geregeld in een aanvullende regeling tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de associatieovereenkomsten.

(7)

Omdat de Commissie (Eurostat) geen cijfers van het bruto nationaal product (bnp) meer verzamelt, moeten de financiële bijdragen van Noorwegen en IJsland net als voor Zwitserland en Liechtenstein worden berekend op basis van cijfers van het bruto binnenlands product (bbp), ondanks de verwijzing naar het bnp in de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen en de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Mate van deelname

Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein nemen volledig deel aan de activiteiten van het Agentschap zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1077/2011en overeenkomstig de voorwaarden van deze regeling.

Artikel 2

Raad van bestuur

1.   Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein worden in de raad van bestuur van het Agentschap vertegenwoordigd overeenkomstig artikel 13, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1077/2011.

2.   Hun stemrecht is beperkt tot de informatiesystemen waaraan Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein deelnemen, meer bepaald tot besluiten inzake:

a)

tests en technische specificaties in verband met de ontwikkeling en het operationeel beheer van de systemen en de communicatie-infrastructuur;

b)

taken met betrekking tot opleiding in het technische gebruik van SIS II, het VIS, Eurodac en het EES, op grond van respectievelijk de artikelen 3, 4, 5 en 5 bis van Verordening (EU) nr. 1077/2011, behalve wanneer het de vaststelling van het gemeenschappelijke kerncurriculum betreft;

c)

taken met betrekking tot opleiding in het technische gebruik van andere grootschalige IT-systemen, op grond van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1077/2011, behalve wanneer het de vaststelling van het gemeenschappelijke kerncurriculum betreft;

d)

de vaststelling van de verslagen over de technische werking van SIS II, het VIS en het EES, op grond van artikel 12, lid 1, onder t), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

e)

de vaststelling van het jaarverslag over de activiteiten van het centraal systeem van Eurodac, op grond van artikel 12, lid 1, onder u), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

f)

de vaststelling van de verslagen over de ontwikkeling van het EES, op grond van artikel 12, lid 1, onder s bis), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

g)

de bekendmaking van statistieken over SIS II, op grond van artikel 12, lid 1, onder w), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

(h)

de samenstelling van statistieken over de werkzaamheden van het centraal systeem van Eurodac, op grond van artikel 12, lid 1, onder x), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

i)

de bekendmaking van statistieken over het EES, op grond van artikel 12, lid 1, onder x bis), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

j)

de jaarlijkse bekendmaking van de lijst van bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn tot directe bevraging van de in SIS II opgenomen gegevens, op grond van artikel 12, lid 1, onder y), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

k)

de jaarlijkse bekendmaking van de lijst van diensten overeenkomstig artikel 27, lid 2, van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8), op grond van artikel 12, lid 1, onder z), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

l)

de lijst van bevoegde autoriteiten, op grond van artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226, op grond van artikel 12, lid 1, onder z), van Verordening (EU) nr. 1077/2011;

m)

verslagen over de technische werking van andere grootschalige IT-systemen waarmee het Agentschap is belast uit hoofde van een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel die een ontwikkeling inhoudt van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen of uit hoofde van een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac;

n)

de bekendmaking van statistieken over andere grootschalige IT-systemen waarmee het Agentschap is belast uit hoofde van een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel die een ontwikkeling inhoudt van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen of uit hoofde van een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac;

o)

de jaarlijkse bekendmaking van de lijst van bevoegde autoriteiten die toegang hebben tot de gegevens die zijn geregistreerd in andere grootschalige IT-systemen waarmee het Agentschap is belast uit hoofde van een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel die een ontwikkeling inhoudt van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen of uit hoofde van een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac.

Indien de in de onder a) tot en met o) genoemde besluiten worden genomen in het kader van het meerjarige of jaarlijkse werkprogramma, moeten de stemprocedures in de raad van bestuur Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein in staat stellen hun stem uit te brengen.

3.   Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein mogen over alle kwesties ten aanzien waarvan zij niet stemgerechtigd zijn, hun standpunt kenbaar maken.

Artikel 3

Adviesgroepen

1.   Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein worden in de adviesgroepen van het Agentschap vertegenwoordigd overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1077/2011.

2.   Zij hebben stemrecht met betrekking tot de adviezen van de adviesgroepen over de in artikel 2, lid 2, bedoelde besluiten.

3.   Zij mogen over alle kwesties ten aanzien waarvan zij niet stemgerechtigd zijn, hun standpunt kenbaar maken.

Artikel 4

Financiële bijdrage

1.   Zowel Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein levert enkel voor de informatiesystemen waaraan het betrokken land deelneemt, een bijdrage aan de ontvangsten van het Agentschap.

2.   De bijdragen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein tot de ontvangsten van het Agentschap bestaan, met betrekking tot SIS II en het VIS, in een jaarlijks bedrag berekend overeenkomstig het percentage van hun bbp in verhouding tot het bbp van alle deelnemende landen overeenkomstig de formule in bijlage I, conform artikel 11, lid 3, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en artikel 3 van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen, waarin wordt verwezen naar het bijdragestelsel als vastgesteld in artikel 11, lid 3, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en in afwijking van artikel 12, lid 1, van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, waarin wordt verwezen naar het bnp.

3.   De bijdragen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein tot de ontvangsten van het Agentschap bestaan, met betrekking tot het EES, in een jaarlijks bedrag berekend overeenkomstig het percentage van hun bbp in verhouding tot het bbp van alle deelnemende landen overeenkomstig de formule in bijlage I, conform artikel 11, lid 3, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en artikel 3 van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen, waarin wordt verwezen naar het bijdragestelsel als vastgesteld in artikel 11, lid 3, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en in afwijking van artikel 12, lid 1, van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, waarin wordt verwezen naar het bnp.

4.   De bijdragen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein tot de ontvangsten van het Agentschap bestaan, met betrekking tot Eurodac, in een jaarlijks bedrag, berekend volgens de formule in bijlage I overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste alinea, van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, artikel 8, lid 1, eerste alinea, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en artikel 6 van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac.

5.   De bijdragen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein tot de ontvangsten van het Agentschap bestaan, met betrekking tot DubliNet, in een jaarlijks bedrag berekend overeenkomstig het percentage van hun bbp in verhouding tot het bbp van alle deelnemende landen overeenkomstig de formule in bijlage I, conform artikel 8, lid 1, tweede alinea, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en artikel 3 van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac, waarin wordt verwezen naar het bijdragestelsel als vastgesteld in artikel 8, lid 1, tweede alinea, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en in afwijking van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, waarin wordt verwezen naar het bnp.

6.   Wat de titels 1 en 2 van de begroting van het Agentschap betreft, is de in de leden 2 en 4 bedoelde financiële bijdrage verschuldigd vanaf 1 december 2012, de datum waarop het Agentschap zijn verantwoordelijkheden heeft opgenomen. De in lid 5 bedoelde financiële bijdrage is verschuldigd vanaf 31 juli 2014, de datum waarop de technische ondersteuning voor het operationeel beheer van DubliNet werd overgedragen aan het Agentschap. De in lid 3 bedoelde financiële bijdrage is verschuldigd vanaf 29 december 2017, de datum waarop het Agentschap werd belast met de ontwikkeling en het operationeel beheer van het EES. De financiële bijdrage is verschuldigd vanaf de dag na de inwerkingtreding van deze regeling, inclusief de bedragen die verschuldigd zijn voor de periode tussen 1 december 2012 en de datum van inwerkingtreding van de regeling.

Wat titel 3 van de begroting van het Agentschap betreft, is de in de leden 2 en 4 bedoelde financiële bijdrage verschuldigd vanaf 1 december 2012, de in lid 5 bedoelde financiële bijdrage vanaf 31 juli 2014 en de in lid 3 bedoelde financiële bijdrage vanaf 29 december 2017 op basis van de respectieve associatieovereenkomsten en het associatieprotocol.

7.   Indien een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel die een ontwikkeling inhoudt van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen, het mandaat van het Agentschap uitbreidt door het Agentschap te belasten met de ontwikkeling en/of het operationeel beheer van andere grootschalige informatiesystemen, bestaan de bijdragen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein aan de ontvangsten van het Agentschap in een jaarlijks bedrag berekend overeenkomstig het percentage van hun bruto binnenlands product (bbp) in verhouding tot het bbp van alle deelnemende landen overeenkomstig de formule in bijlage I, conform artikel 11, lid 3, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en artikel 3 van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen, waarin wordt verwezen naar het bijdragestelsel als vastgesteld in artikel 11, lid 3, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en in afwijking van artikel 12, lid 1, van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, waarin wordt verwezen naar het bnp.

8.   Indien een nieuwe wetgevingshandeling of -maatregel in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac, het mandaat van het Agentschap uitbreidt door het Agentschap te belasten met de ontwikkeling en/of het operationeel beheer van andere grootschalige informatiesystemen, bestaan de bijdragen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein aan de ontvangsten van het Agentschap in een jaarlijks bedrag berekend overeenkomstig het percentage van hun bbp in verhouding tot het bbp van alle deelnemende landen overeenkomstig de formule in bijlage I, conform artikel 8, lid 1, tweede alinea, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en artikel 3 van het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac, waarin wordt verwezen naar het bijdragestelsel als vastgesteld in artikel 8, lid 1, tweede alinea, van de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en in afwijking van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, waarin wordt verwezen naar het bnp.

9.   Indien Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein al in het kader van andere financieringsinstrumenten van de Unie hebben bijgedragen aan de ontwikkeling of het operationeel beheer van een grootschalig IT-systeem, of indien de ontwikkeling en/of het operationeel beheer van een grootschalig IT-systeem wordt gefinancierd door vergoedingen of andere bestemmingsontvangsten, worden de betrokken bijdragen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein aan het Agentschap dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 5

Juridische status

Het Agentschap heeft rechtspersoonlijkheid naar Noors, IJslands, Zwitsers en Liechtensteins recht en geniet in die landen de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die krachtens de wetgeving van die landen aan rechtspersonen wordt verleend. Het Agentschap kan in het bijzonder roerende en onroerende zaken verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.

Artikel 6

Aansprakelijkheid

De aansprakelijkheid van het Agentschap wordt geregeld bij artikel 24, leden 1, 3 en 5, van Verordening (EU) nr. 1077/2011.

Artikel 7

Hof van Justitie van de Europese Unie

Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein erkennen de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het Agentschap in de zin van artikel 24, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 1077/2011.

Artikel 8

Voorrechten en immuniteiten

Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein passen op het Agentschap en op het personeel van het Agentschap regels betreffende voorrechten en immuniteiten toe die zijn afgeleid van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie en zijn vastgesteld in bijlage II, alsook alle regels die uit hoofde van dat protocol zijn vastgesteld met betrekking tot personeelsaangelegenheden van het Agentschap.

Artikel 9

Personeel van het Agentschap

1.   Overeenkomstig artikel 20, lid 1, en artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1077/2011 zijn het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, de regels die gezamenlijk zijn vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie met het oog op de toepassing van dit statuut, en de uitvoeringsbepalingen die door het Agentschap zijn vastgesteld op grond van artikel 20, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1077/2011, van toepassing op onderdanen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein die door het Agentschap worden aangeworven.

2.   In afwijking van artikel 12, lid 2, onder a), en artikel 82, lid 3, onder a), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, kunnen onderdanen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein die in het bezit zijn van al hun burgerrechten, op contractbasis in dienst worden genomen door de uitvoerend directeur van het Agentschap overeenkomstig de door het Agentschap vastgestelde regels voor de selectie en aanwerving van personeel.

3.   Artikel 20, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1077/2011 is van overeenkomstige toepassing op onderdanen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein.

4.   Onderdanen van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein kunnen echter niet worden benoemd tot uitvoerend directeur van het Agentschap.

Artikel 10

Gedetacheerde ambtenaren en deskundigen

Voor gedetacheerde ambtenaren en deskundigen gelden de volgende bepalingen:

a)

alle emolumenten, vergoedingen en andere betalingen die door het Agentschap worden betaald, worden vrijgesteld van nationale belastingen;

b)

mits deze ambtenaren en deskundigen blijven vallen onder het socialezekerheidsstelsel van het land waaruit zij naar het Agentschap worden gedetacheerd, worden zij vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan de socialezekerheidsinstellingen van de landen van vestiging van het Agentschap. Tijdens deze periode worden zij bijgevolg niet gedekt door het socialezekerheidsstelsel van het land van vestiging van het Agentschap waar zij werken, tenzij zij zich vrijwillig aansluiten bij het socialezekerheidsstelsel van dat land.

De bepalingen van dit punt zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van het gezin van de gedetacheerde deskundigen, tenzij zij in dienst zijn van een andere werkgever dan het Agentschap of een socialezekerheidsuitkering ontvangen uit een land van vestiging van het Agentschap.

Artikel 11

Fraudebestrijding

1.   Wat Noorwegen betreft, zijn de bepalingen van artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1077/2011 van toepassing en kunnen het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer hun bevoegdheden uitoefenen.

OLAF en de Rekenkamer stellen Riksrevisjonen tijdig in kennis van hun eventuele voornemen om een controle of audit ter plaatse uit te voeren, zodat deze, indien de Noorse autoriteiten dat wensen, samen met Riksrevisjonen kan worden verricht.

2.   Wat IJsland betreft, zijn de bepalingen van artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1077/2011 van toepassing en kunnen het OLAFen de Rekenkamer hun bevoegdheden uitoefenen.

OLAF en de Rekenkamer stellen Ríkisendurskoðun tijdig in kennis van hun eventuele voornemen om een controle of audit ter plaatse uit te voeren, zodat deze, indien de IJslandse autoriteiten dat wensen, samen met Ríkisendurskoðun kan worden verricht.

3.   Wat Zwitserland betreft, gelden de in bijlage III opgenomen bepalingen betreffende artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1077/2011 inzake de door de Europese Unie in Zwitserland uit te oefenen financiële controle op Zwitserse deelnemers aan activiteiten van het Agentschap.

4.   Wat Liechtenstein betreft, gelden de in bijlage IV opgenomen bepalingen betreffende artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1077/2011 inzake de door de Europese Unie in Liechtenstein uit te oefenen financiële controle op Liechtensteinse deelnemers aan activiteiten van het Agentschap.

Artikel 12

Geschillenbeslechting

1.   Geschillen over de toepassing van deze regeling worden officieel op de agenda van het Gemengd Comité op ministerieel niveau geplaatst.

2.   Vanaf de datum van vaststelling van de agenda waarop het geschil is geplaatst, beschikt het Gemengd Comité over 90 dagen om het geschil te beslechten.

3.   Indien een geschil over Schengen-aangelegenheden niet binnen de in lid 2 genoemde 90 dagen door het Gemengd Comité kan worden beslecht, wordt deze termijn met 30 dagen verlengd om tot een definitieve oplossing te komen. Indien dan nog geen definitieve oplossing is bereikt, wordt deze regeling zes maanden na de termijn van 30 dagen beëindigd ten aanzien van het land waarmee het geschil loopt.

4.   Indien een geschil over Eurodac-aangelegenheden niet binnen de in lid 2 genoemde 90 dagen door het Gemengd Comité kan worden beslecht, wordt deze termijn met 90 dagen verlengd om tot een definitieve oplossing te komen. Indien het Gemengd Comité aan het einde van die periode nog geen besluit heeft genomen, wordt deze regeling aan het einde van de laatste dag van die periode geacht te zijn beëindigd ten aanzien van het land waarmee het geschil loopt.

Artikel 13

Bijlagen

De bijlagen bij deze regeling vormen een integrerend deel van deze regeling.

Artikel 14

Inwerkingtreding

1.   De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie is depositaris voor deze regeling.

2.   De Europese Unie, Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein keuren deze regeling conform hun eigen procedures goed.

3.   Voor de inwerkingtreding van deze regeling is de goedkeuring door de Europese Unie en door ten minste een andere partij bij deze regeling vereist.

4.   Deze regeling treedt ten aanzien van een partij bij deze regeling in werking op de eerste dag van de eerste maand nadat de partij de akte van goedkeuring bij de depositaris heeft neergelegd.

Artikel 15

Geldigheid en beëindiging

1.   Deze regeling wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

2.   Wat IJsland en Noorwegen betreft, vervalt deze regeling zes maanden nadat de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen door IJsland of door Noorwegen of bij besluit van de Raad van de Europese Unie wordt opgezegd of anderszins wordt beëindigd overeenkomstig de procedures van artikel 8, lid 4, artikel 11, lid 3, of artikel 16 van die overeenkomst. Evenzo vervalt deze regeling zes maanden nadat de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac wordt beëindigd of opgezegd overeenkomstig de procedures van artikel 4, lid 7, artikel 8, lid 3, of artikel 15 van die overeenkomst.

In de overeenkomst bedoeld in artikel 17 van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, wordt ook ingegaan op de gevolgen van de beëindiging van deze regeling.

3.   Wat Zwitserland betreft, vervalt deze regeling zes maanden nadat de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen door Zwitserland of bij besluit van de Raad van de Europese Unie wordt opgezegd of anderszins wordt beëindigd overeenkomstig de procedures van artikel 7, lid 4, artikel 10, lid 3, of artikel 17 van die overeenkomst. Evenzo vervalt de regeling zes maanden nadat de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac wordt beëindigd of opgezegd overeenkomstig de procedures van artikel 4, lid 7, artikel 7, lid 3, of artikel 16 van die overeenkomst.

4.   Wat Liechtenstein betreft, vervalt deze regeling zes maanden nadat het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen door Liechtenstein of bij besluit van de Raad van de Europese Unie wordt opgezegd of anderszins wordt beëindigd overeenkomstig de procedures van artikel 3, artikel 5, lid 4, artikel 11, lid 1, of artikel 11, lid 3, van dat protocol. Evenzo vervalt de regeling zes maanden nadat het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac wordt beëindigd of opgezegd overeenkomstig de procedures van artikel 3, artikel 5, lid 7, artikel 11, lid 1, of artikel 11, lid 3, van dat protocol.

5.   Deze regeling wordt opgesteld in een enkel exemplaar in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse, de IJslandse en de Noorse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

Съставено в Брюксел на осми ноември две хиляди и осемнадесета година.

Hecho en Bruselas, el ocho de noviembre de dos mil dieciocho.

V Bruselu dne osmého listopadu dva tisíce osmnáct.

Udfærdiget i Bruxelles den ottende november to tusind og atten.

Geschehen zu Brüssel am achten November zweitausendachtzehn.

Kahe tuhande kaheksateistkümnenda aasta novembrikuu kaheksandal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις οκτώ Νοεμβρίου δύο χιλιάδες δεκαοκτώ.

Done at Brussels on the eighth day of November in the year two thousand and eighteen.

Fait à Bruxelles, le huit novembre deux mille dix-huit.

Sastavljeno u Bruxellesu osmog studenoga godine dvije tisuće osamnaeste.

Fatto a Bruxelles, addì otto novembre duemiladiciotto.

Briselē, divi tūkstoši astoņpadsmitā gada astotajā novembrī.

Priimta du tūkstančiai aštuonioliktų metų lapkričio aštuntą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizennyolcadik év november havának nyolcadik napján.

Magħmul fi Brussell, fit-tmien jum ta' Novembru fis-sena elfejn u tmintax.

Gedaan te Brussel, acht november tweeduizend achttien.

Sporządzono w Brukseli dnia ósmego listopada roku dwa tysiące osiemnastego.

Feito em Bruxelas, em oito de novembro de dois mil e dezoito.

Întocmit la Bruxelles la opt noiembrie două mii optsprezece.

V Bruseli ôsmeho novembra dvetisícosemnásť.

V Bruslju, dne osmega novembra leta dva tisoč osemnajst.

Tehty Brysselissä kahdeksantena päivänä marraskuuta vuonna kaksituhattakahdeksantoista.

Som skedde i Bryssel den åttonde november år tjugohundraarton.

Utferdiget i Brussel, den åttende november totusenogatten.

Gjört í Brussel hinn áttunda dag nóvembermánaðar árið tvö þúsund og átján.

За Европейския съюз

Рог la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image 1

For Kongeriket Norge

Image 2

Fyrir Ísland

Image 3

Für die Schweizerische Eidgenossenschaft

Pour la Confédération suisse

Per la Confederazione Svizzera

Image 4

Für das Fürstentum Liechtenstein

Image 5


(1)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(2)  PB L 93 van 3.4.2001, blz. 40.

(3)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(4)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 5.

(5)  PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.

(6)  PB L 160 van 18.6.2011, blz. 39.

(7)  Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 286 van 1.11.2011, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 (PB L 327 van 9.12.2017, blz. 20).

(8)  Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).


BIJLAGE I

FORMULE VOOR DE BEREKENING VAN DE BIJDRAGE

1.

De in artikel 32, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1077/2011 bedoelde financiële bijdrage van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein aan de ontvangsten van het Agentschap wordt als volgt berekend:

Titel 3

1.1.

Met betrekking tot SIS II, VIS, het EES en andere grootschalige informatiesystemen waarmee het Agentschap wordt belast uit hoofde van een wetgevingshandeling of -maatregel die een ontwikkeling inhoudt van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Schengen en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Schengen, worden de meest actuele definitieve bbp-cijfers van elk geassocieerd land die beschikbaar zijn ten tijde van de facturering in jaar n + 1 voor jaar n, gedeeld door de som van de voor jaar n beschikbare bbp-cijfers van alle aan het Agentschap deelnemende landen. Om de bijdrage voor elk geassocieerd land te berekenen, wordt het aldus verkregen percentage vermenigvuldigd met de totale betalingen die in jaar n in het kader van titel 3 van de begroting van het Agentschap zijn uitgevoerd voor de bovengenoemde systemen.

1.2.

Met betrekking tot Eurodac bestaat de bijdrage van elk geassocieerd land in een vast procentueel jaarlijks aandeel van de betrokken begrotingskredieten voor het begrotingsjaar (0,071 % voor Liechtenstein, 4,995 % voor Noorwegen, 0,1 % voor IJsland en 7,286 % voor Zwitserland). De bijdrage van elk geassocieerd land wordt in jaar n + 1 berekend door het vaste percentage te vermenigvuldigen met de totale betalingen die in jaar n in het kader van titel3 van de begroting van het Agentschap voor Eurodac zijn uitgevoerd.

1.3.

Met betrekking tot DubliNet en andere grootschalige informatiesystemen waarmee het Agentschap wordt belast uit hoofde van een wetgevingshandeling of -maatregel in de zin van de associatieovereenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Dublin/Eurodac, de associatieovereenkomst met Zwitserland inzake Dublin/Eurodac en het associatieprotocol met Liechtenstein inzake Dublin/Eurodac, worden de meest actuele definitieve bbp-cijfers van elk geassocieerd land die beschikbaar zijn ten tijde van de facturering in jaar n + 1 voor jaar n, gedeeld door de som van de voor jaar n beschikbare bbp-cijfers van alle aan het Agentschap deelnemende landen. Om de bijdrage voor elk geassocieerd land te berekenen, wordt het aldus verkregen percentage vermenigvuldigd met de totale betalingen die in jaar n in het kader van titel 3 van de begroting van het Agentschap zijn uitgevoerd voor de bovengenoemde systemen.

Titels 1 en 2

1.4.

De bijdrage die elk geassocieerd land in het kader van de titels 1 en 2 van de begroting van het Agentschap levert voor de in de punten 1.1, 1.2 en 1.3 bedoelde systemen, wordt berekend door de meest recente definitieve bbp-cijfers van ieder geassocieerd land die beschikbaar zijn ten tijde van de facturering in jaar n + 1 voor jaar n, te delen door de som van de voor jaar n beschikbare bbp-cijfers van alle aan het Agentschap deelnemende landen. Het aldus verkregen percentage wordt vermenigvuldigd met de totale betalingen die in jaar n in het kader van de titels 1 en 2 van de begroting van het Agentschap zijn uitgevoerd voor de in de punten 1.1, 1.2 en 1.3 bedoelde systemen.

1.5.

Indien het Agentschap wordt belast met meer grootschalige IT-systemen, waaraan de geassocieerde landen niet deelnemen, wordt de berekening van de bijdrage van de geassocieerde landen in het kader van de titels 1 en 2 dienovereenkomstig aangepast.

2.

De financiële bijdrage wordt betaald in euro.

3.

Elk geassocieerd land betaalt zijn financiële bijdrage uiterlijk 45 dagen na ontvangst van de debetnota. Voor elke te late betaling van de bijdrage is achterstandsrente verschuldigd over het vanaf de vervaldatum nog te betalen bedrag. Het rentepercentage is de in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte rentevoet die de Europese Centrale Bank op de eerste dag van de maanden van de vervaldag toepast voor haar basisherfinancieringstransacties, verhoogd met 3,5 procentpunten.

4.

In geval van wijziging van de financiële bijdrage van de Europese Unie in de algemene begroting van de Europese Unie overeenkomstig artikel 44 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (1) wordt de financiële bijdrage van elk geassocieerd land overeenkomstig deze bijlage aangepast.

(1)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).


BIJLAGE II

VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN

1.

De gebouwen en terreinen van het Agentschap zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van het Agentschap kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.

2.

Het archief van het Agentschap is onschendbaar.

3.

Het Agentschap, zijn bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen.

Over goederen en diensten die voor officieel gebruik uit Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein naar het Agentschap worden geëxporteerd, zijn geen indirecte heffingen of belastingen verschuldigd.

Voor goederen en diensten die in Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein voor officieel gebruik aan het Agentschap worden verstrekt, wordt vrijstelling van btw verleend door middel van terugbetaling of kwijtschelding.

Voor goederen die in Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein voor officieel gebruik aan het Agentschap worden verstrekt, wordt vrijstelling van accijnzen verleend door middel van terugbetaling of kwijtschelding.

Andere indirecte belastingen die het Agentschap in Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein verschuldigd is, worden terugbetaald of kwijtgescholden.

De aanvragen voor terugbetaling worden in beginsel binnen drie maanden verwerkt.

Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut.

De procedure voor de vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen in Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein zijn vastgelegd in de aanhangsels van deze bijlage. Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein stellen de Europese Commissie en het Agentschap in kennis van elke wijziging van het hen betreffende aanhangsel. Deze kennisgeving wordt, indien mogelijk, twee maanden vóór de inwerkingtreding van de wijziging gedaan. De Commissie informeert de lidstaten van de Unie over de wijzigingen.

4.

Het Agentschap is vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor officieel gebruik: de aldus ingevoerde goederen mogen op het grondgebied van het land alwaar zij zijn ingevoerd, niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van dat land zijn goedgekeurd.

Het Agentschap is eveneens vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot zijn publicaties.

5.

Voor zijn officiële mededelingen en het overbrengen van al zijn documenten geniet het Agentschap op het grondgebied van elk geassocieerd land de behandeling, welke door dat land aan diplomatieke missies wordt toegestaan.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van het Agentschap zijn niet aan censuur onderworpen.

6.

De vertegenwoordigers van de lidstaten van de Unie en van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, alsook hun adviseurs en technisch deskundigen genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

7.

Op het grondgebied van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein zijn de in artikel 1 van Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 van de Raad (1) bedoelde personeelsleden van het Agentschap, ongeacht hun nationaliteit:

a)

vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen van de Verdragen die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Unie, en voorts op de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om uitspraak te doen in geschillen tussen het Agentschap en zijn personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd;

b)

inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend.

8.

Overeenkomstig de door het Europees Parlement en de Raad vastgestelde voorwaarden en procedure worden de personeelsleden van het Agentschap onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door het Agentschap aan hen betaalde salarissen, lonen en emolumenten.

De in artikel 2 van Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 bedoelde personeelsleden van het Agentschap worden vrijgesteld van nationale, federale, kantonnale, regionale, stedelijke en gemeentelijke belastingen op door het Agentschap betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Wat Zwitserland betreft, wordt deze vrijstelling verleend volgens de beginselen van het Zwitsers nationaal recht.

De personeelsleden van het Agentschap zijn niet verplicht zich aan te sluiten bij het Noorse, IJslandse, Zwitserse of Liechtensteinsesocialezekerheidsstelsel, mits zij vallen onder de regeling inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie van toepassing zijn. Leden van het gezin van de personeelsleden van het Agentschap worden gedekt door het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese Unie, tenzij zij in dienst zijn van een andere werkgever dan het Agentschap of socialezekerheidsuitkeringen ontvangen van een lidstaat van de Unie of van Noorwegen, IJsland, Zwitserland of Liechtenstein.

9.

De in artikel 3 van Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 bedoelde personeelsleden van het Agentschap die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van het Agentschap vestigen op het grondgebied van een andere lidstaat van de Unie dan de staat van de fiscale woonplaats, welke zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij het Agentschap, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de lidstaten van de Unie, enerzijds, en IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland, anderzijds, gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de staat waar zij zich gevestigd hebben als in de staat van de fiscale woonplaats geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien dit hetzij een lidstaat van de Unie, hetzij IJsland, Liechtenstein, Noorwegen of Zwitserland is. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in deze bepaling bedoelde personen.

De roerende goederen welke toebehoren aan de in de vorige alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de EU-lidstaat van verblijf, worden in die staat vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen van internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting.

De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de twee vorige alinea's.

10.

De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden uitsluitend in het belang van de Unie aan de personeelsleden van het Agentschap verleend.

De uitvoerend directeur van het Agentschap is gehouden de immuniteit van een personeelslid van het Agentschap op te heffen wanneer die immuniteit de rechtsgang zou belemmeren en de opheffing ervan naar zijn mening niet in strijd is met de belangen van het Agentschap of de Unie.

11.

Het Agentschap werkt, voor de toepassing van deze bijlage, samen met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken geassocieerde landen of lidstaten van de Unie.

(1)  Verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 van de Raad van 25 maart 1969 ter bepaling van de categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen waarop de bepalingen van de artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen van toepassing zijn (PB L 74 van 27.3.1969, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 371/2009 van de Raad van 27 november 2008 (PB L 121 van 15.5.2009, blz. 1).

Aanhangsel 1 van bijlage II

Noorwegen:

Vrijstelling van btw wordt verleend door middel van teruggave van de betaalde bedragen.

Teruggave van de betaalde btw-bedragen volgt op vertoon van de hiertoe bestemde Noorse formulieren aan de hoofdafdeling van de Noorse belastingsdienst (Skatt Øst). De aanvragen voor terugbetaling worden in beginsel behandeld binnen drie maanden, te rekenen vanaf de indiening van de van de nodige bewijsstukken vergezelde terugbetalingsaanvraag.

Vrijstelling van accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van teruggave van de betaalde bedragen. De procedure is dezelfde als die voor de btw-teruggave.

Aanhangsel 2 van bijlage II

IJsland:

Vrijstelling van btw wordt verleend door middel van teruggave van de betaalde bedragen.

Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een gelijkwaardig document vermelde goederen en diensten (inclusief belastingen) ten minste 36 400 IJslandse króna bedraagt.

Teruggave van de betaalde btw-bedragen volgt op vertoon van de hiertoe bestemde IJslandse formulieren aan de IJslandse belastingsdienst (Ríkisskattstjóri). De aanvragen voor terugbetaling worden in beginsel behandeld binnen drie maanden, te rekenen vanaf de indiening van de van de nodige bewijsstukken vergezelde terugbetalingsaanvraag.

Vrijstelling van accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van teruggave van de betaalde bedragen. De procedure is dezelfde als die voor de btw-teruggave.

Aanhangsel 3 van bijlage II

Zwitserland:

Vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van kwijtschelding van de betaalde bedragen op vertoon van de hiertoe bestemde Zwitserse formulieren aan de leverancier van de goederen of diensten.

Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een gelijkwaardig document vermelde goederen en diensten (inclusief belastingen) ten minste 100 Zwitserse frank bedraagt.

Aanhangsel 4 van bijlage II

Liechtenstein:

Vrijstelling van btw, accijnzen en andere indirecte belastingen wordt verleend door middel van kwijtschelding van de betaalde bedragen op vertoon van de hiertoe bestemde Liechtensteinse formulieren aan de leverancier van de goederen of diensten.

Vrijstelling van btw wordt verleend indien de feitelijke aankoopprijs voor de in de factuur of een gelijkwaardig document vermelde goederen en diensten (inclusief belastingen) ten minste 100 Zwitserse frank bedraagt.


BIJLAGE III

FINANCIËLE CONTROLE MET BETREKKING TOT ZWITSERSE DEELNEMERS AAN DE ACTIVITEITEN VAN HET AGENTSCHAP

Artikel 1

Rechtstreekse communicatie

Het Agentschap en de Commissie onderhouden rechtstreekse contacten met alle in Zwitserland gevestigde personen of entiteiten die betrokken zijn bij de activiteiten van het Agentschap als contractant, als deelnemer aan een programma van het Agentschap, als begunstigde van een betaling uit de begroting van het Agentschap of van de Unie, of als onderaannemer. Deze personen kunnen alle dienstige informatie en documentatie die zij gehouden zijn te verstrekken op grond van de in deze regeling genoemde instrumenten en van de ter uitvoering daarvan gesloten contracten of overeenkomsten, alsmede van de in het kader daarvan genomen besluiten, rechtstreeks aan de Commissie en het Agentschap doen toekomen.

Artikel 2

Audits

1.   Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (1) en de overige instrumenten waarnaar in deze regeling wordt verwezen, kan in de contracten of overeenkomsten die met in Zwitserland gevestigde begunstigden worden gesloten en in de besluiten die in dat kader worden genomen, worden bepaald dat bij deze begunstigden of bij hun onderaannemers op ieder tijdstip wetenschappelijke, financiële of technologische audits of andere controles kunnen worden verricht door functionarissen van het Agentschap en de Commissie of door andere door dezen hiertoe gemachtigde personen.

2.   De functionarissen van het Agentschap en de Commissie alsook de andere door het Agentschap en de Commissie hiertoe gemachtigde personen krijgen passende toegang tot locaties, werkzaamheden en documenten, alsmede tot alle nodige informatie, inclusief informatie in elektronische vorm, om deze audits te kunnen uitvoeren. Dit recht van toegang wordt uitdrukkelijk vermeld in de contracten of overeenkomsten die worden gesloten ter uitvoering van de in deze regeling genoemde instrumenten.

3.   De Europese Rekenkamer heeft dezelfde rechten als de Commissie.

4.   De audits kunnen plaatsvinden tot vijf jaar na het verstrijken van deze regeling dan wel volgens het bepaalde in de contracten of overeenkomsten of in de ter zake genomen besluiten.

5.   De Zwitserse federale financiële controledienst wordt van tevoren over de op het Zwitserse grondgebied te verrichten audits geïnformeerd. Deze kennisgeving is evenwel geen wettelijke voorwaarde voor de uitvoering van deze audits.

Artikel 3

Controles ter plaatse

1.   De Commissie (OLAF) kan in het kader van deze regeling onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, op het Zwitserse grondgebied, overeenkomstig de regels en voorwaarden van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (2) en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3), om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of een andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad.

2.   De controles en verificaties ter plaatse worden door OLAF voorbereid en uitgevoerd in nauwe samenwerking met de Zwitserse federale financiële controledienst of andere door deze dienst aangewezen bevoegde Zwitserse autoriteiten, die tijdig in kennis worden gesteld van het voorwerp, het doel en de juridische grondslag van de controles en verificaties zodat zij alle nodige hulp kunnen bieden. Te dien einde kunnen functionarissen van de bevoegde Zwitserse autoriteiten aan de controles en verificaties ter plaatse deelnemen.

3.   Wanneer de betrokken Zwitserse autoriteiten dat verlangen, worden de controles en verificaties ter plaatse gezamenlijk door OLAF en henzelf uitgevoerd.

4.   Wanneer deelnemers aan het programma zich verzetten tegen een controle of verificatie ter plaatse, verlenen de Zwitserse autoriteiten de onderzoekers van OLAF, overeenkomstig de nationale bepalingen ter zake, de nodige assistentie om laatstgenoemden in staat te stellen de hun opgedragen controles en verificaties ter plaatse tot een goed einde te brengen.

5.   OLAF doet de Zwitserse federale financiële controledienst of andere door deze dienst aangewezen bevoegde Zwitserse autoriteiten ten spoedigste mededeling van elk feit of elke verdenking in verband met een onregelmatigheid waarvan het in verband met de uitvoering van de controle of verificatie ter plaatse kennis heeft gekregen. OLAF stelt in ieder geval de bovengenoemde autoriteiten in kennis van het resultaat van deze controles en verificaties.

Artikel 4

Informatie en overleg

1.   Met het oog op een goede uitvoering van deze bijlage wisselen de bevoegde Zwitserse autoriteiten en autoriteiten van de Unie op gezette tijden informatie uit en plegen zij, op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen, overleg.

2.   De bevoegde Zwitserse autoriteiten stellen het Agentschap en de Commissie onverwijld in kennis van elk feit of elke verdenking waarvan zij kennis hebben gekregen betreffende onregelmatigheden in verband met de sluiting en uitvoering van de overeenkomsten of contracten die worden gesloten ingevolge de in deze regeling genoemde instrumenten.

Artikel 5

Vertrouwelijkheid

Ingevolge deze bijlage meegedeelde of verkregen informatie, in eender welke vorm, valt onder het beroepsgeheim en wordt op dezelfde wijze beschermd als soortgelijke informatie wordt beschermd krachtens het Zwitserse recht en de overeenkomstige bepalingen die gelden voor de instellingen van de Unie.

Deze informatie mag niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke binnen de instellingen van de Unie of in de lidstaten of Zwitserland op grond van hun functie op de hoogte moeten zijn van deze informatie, en mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het waarborgen van een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de overeenkomstsluitende partijen.

Artikel 6

Administratieve maatregelen en sancties

Onverminderd de toepassing van het Zwitserse strafrecht kan het Agentschap of de Commissie administratieve maatregelen en sancties opleggen in overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, met Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013, en Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (4).

Artikel 7

Invordering en tenuitvoerlegging

Besluiten die het Agentschap of de Commissie neemt binnen het toepassingsgebied van dit regeling, welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel in Zwitserland. De executoriale titel wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van het besluit, afgegeven door de daartoe door de Zwitserse regering aangewezen autoriteit, die daarvan kennisgeeft aan het Agentschap of de Commissie. De tenuitvoerlegging vindt plaats volgens de Zwitserse regels. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor de controle van de rechtsgeldigheid van het besluit dat executoriale titel vormt.

Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie die worden gewezen ingevolge een arbitrageclausule, vormen onder dezelfde voorwaarden executoriale titel.


(1)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42).

(2)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(3)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(4)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).


BIJLAGE IV

FINANCIËLE CONTROLE MET BETREKKING TOT LIECHTENSTEINSE DEELNEMERS AAN DE ACTIVITEITEN VAN HET AGENTSCHAP

Artikel 1

Rechtstreekse communicatie

Het Agentschap en de Commissie onderhouden rechtstreekse contacten met alle in Liechtenstein gevestigde personen of entiteiten die betrokken zijn bij de activiteiten van het Agentschap als contractant, als deelnemer aan een programma van het Agentschap, als begunstigde van een betaling uit de begroting van het Agentschap of van de Unie, of als onderaannemer. Deze personen kunnen alle dienstige informatie en documentatie die zij gehouden zijn te verstrekken op grond van de in deze regeling genoemde instrumenten en van de ter uitvoering daarvan gesloten contracten of overeenkomsten, alsmede van de in het kader daarvan genomen besluiten, rechtstreeks aan de Commissie en het Agentschap doen toekomen.

Artikel 2

Audits

1.   In overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, Gedelegeerde Verordening (EU nr. 1271/2013, en met de overige instrumenten waarnaar in deze regeling wordt verwezen, kan in de contracten of overeenkomsten die met in Liechtenstein gevestigde begunstigden worden gesloten en in de besluiten die in dat kader worden genomen, worden bepaald dat bij deze begunstigden of bij hun onderaannemers op ieder tijdstip wetenschappelijke, financiële of technologische audits of andere controles kunnen worden verricht door functionarissen van het Agentschap en de Commissie of door andere door dezen hiertoe gemachtigde personen.

2.   De functionarissen van het Agentschap en de Commissie alsook de andere door het Agentschap en de Commissie hiertoe gemachtigde personen krijgen passende toegang tot locaties, werkzaamheden en documenten, alsmede tot alle nodige informatie, inclusief informatie in elektronische vorm, om deze audits te kunnen uitvoeren. Dit recht van toegang wordt uitdrukkelijk vermeld in de contracten of overeenkomsten die worden gesloten ter uitvoering van de instrumenten waarnaar in deze regeling wordt verwezen.

3.   De Europese Rekenkamer heeft dezelfde rechten als de Commissie.

4.   De audits kunnen plaatsvinden tot vijf jaar na het verstrijken van deze regeling dan wel volgens het bepaalde in de contracten of overeenkomsten of in de ter zake genomen besluiten.

5.   De nationale financiële controledienst van Liechtenstein wordt vooraf in kennis gesteld van audits die op het grondgebied van Liechtenstein worden verricht. Deze kennisgeving is evenwel geen wettelijke voorwaarde voor de uitvoering van deze audits.

Artikel 3

Controles ter plaatse

1.   De Commissie (OLAF) kan in het kader van deze regeling onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, op het Liechtensteinse grondgebied, overeenkomstig de regels en voorwaarden van Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU, Euratom) nr. 883/2013, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of een andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad.

2.   De controles en verificaties ter plaatse worden door OLAF voorbereid en uitgevoerd in nauwe samenwerking met de nationale financiële controledienst van Liechtenstein of andere door deze dienst aangewezen bevoegde Liechtensteinse autoriteiten, die tijdig in kennis worden gesteld van het voorwerp, het doel en de juridische grondslag van de controles en verificaties zodat zij alle nodige hulp kunnen bieden. Te dien einde kunnen functionarissen van de bevoegde Liechtensteinse autoriteiten aan de controles en verificaties ter plaatse deelnemen.

3.   Wanneer de betrokken Liechtensteinse autoriteiten dat verlangen, worden de controles en verificaties ter plaatse gezamenlijk door OLAF en henzelf uitgevoerd.

4.   Wanneer deelnemers aan het programma zich verzetten tegen een controle of verificatie ter plaatse, verlenen de Liechtensteinse autoriteiten de onderzoekers van OLAF, overeenkomstig de nationale bepalingen ter zake, de nodige assistentie om laatstgenoemden in staat te stellen de hun opgedragen controles en verificaties ter plaatse tot een goed einde te brengen.

5.   OLAF doet de nationale financiële controledienst van Liechtenstein of andere door deze dienst aangewezen bevoegde Liechtensteinse autoriteiten ten spoedigste mededeling van elk feit of elke verdenking in verband met een onregelmatigheid waarvan het in verband met de uitvoering van de controle of verificatie ter plaatse kennis heeft gekregen. OLAF stelt in ieder geval de bovengenoemde autoriteiten in kennis van het resultaat van deze controles en verificaties.

Artikel 4

Informatie en overleg

1.   Met het oog op een goede uitvoering van deze bijlage wisselen de bevoegde autoriteiten van Liechtenstein en van de Unie op gezette tijden informatie uit en plegen zij, op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen, overleg.

2.   De bevoegde autoriteiten van Liechtenstein stellen het Agentschap en de Commissie onverwijld in kennis van elk feit of elke verdenking waarvan zij kennis hebben gekregen betreffende onregelmatigheden in verband met de sluiting en uitvoering van de overeenkomsten of contracten die worden gesloten ingevolge de in deze regeling genoemde instrumenten.

Artikel 5

Vertrouwelijkheid

Ingevolge deze bijlage meegedeelde of verkregen informatie, in eender welke vorm, valt onder het beroepsgeheim en wordt op dezelfde wijze beschermd als soortgelijke informatie wordt beschermd krachtens het Liechtensteinse recht en de overeenkomstige bepalingen die gelden voor de instellingen van de Unie. Deze informatie mag niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke binnen de instellingen van de Unie of in de lidstaten of Liechtenstein op grond van hun functie op de hoogte moeten zijn van deze informatie, en mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het waarborgen van een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de overeenkomstsluitende partijen.

Artikel 6

Administratieve maatregelen en sancties

Onverminderd de toepassing van het Liechtensteinse strafrecht kan het Agentschap of de Commissie administratieve maatregelen en sancties opleggen in overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, met Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 en met Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.

Artikel 7

Invordering en tenuitvoerlegging

Besluiten die het Agentschap of de Commissie neemt binnen het toepassingsgebied van dit regeling, welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel in Liechtenstein. De executoriale titel wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van het besluit, afgegeven door de daartoe door de Liechtensteinse regering aangewezen autoriteit, die daarvan kennisgeeft aan het Agentschap of de Commissie. De tenuitvoerlegging vindt plaats volgens de Liechtensteinse regels. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor de controle van de rechtsgeldigheid van het besluit dat executoriale titel vormt.

Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie die worden gewezen ingevolge een arbitrageclausule, vormen onder dezelfde voorwaarden executoriale titel.


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/30


Informatie betreffende de inwerkingtreding van het Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden

Aangezien de procedures voor de inwerkingtreding van het bovengenoemde protocol (1) op 13 mei 2019 zijn voltooid, treedt dit, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het protocol, op 1 juni 2019 in werking.


(1)  Protocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden (zie blz. 5 van dit Publicatieblad).


VERORDENINGEN

24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/838 VAN DE COMMISSIE

van 20 februari 2019

inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 415/2007

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (1), en met name artikel 5, lid 1, onder d),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen, zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 415/2007 van de Commissie (2), moeten worden geactualiseerd en verduidelijkt, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring die is opgedaan met de toepassing ervan en met de technologische vooruitgang en de actualisering van de onderliggende internationale normen.

(2)

De technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen moeten gebaseerd zijn op de technische beginselen zoals beschreven in bijlage II bij Richtlijn 2005/44/EG.

(3)

Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2005/44/EG moet in deze technische specificaties op passende wijze rekening worden gehouden met de door de internationale organisaties verrichte werkzaamheden. De samenhang met de verkeerbeheersdiensten van andere vervoerswijzen, in het bijzonder met het beheer en de informatiediensten van maritiem scheepsverkeer, moet gegarandeerd worden.

(4)

Teneinde de efficiëntie van het vervoer over de binnenwateren te verbeteren, moeten de technische specificaties worden uitgebreid met bepalingen betreffende de specifieke berichten voor tracking- en tracingsystemen voor schepen.

(5)

Om de veiligheid van de scheepvaart te verbeteren, moeten de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen worden uitgebreid met bepalingen met betrekking tot hulpmiddelen voor de navigatie in de binnenvaart.

(6)

Deze verordening moet de bepalingen van Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad (3) houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie onverlet laten.

(7)

Volgens artikel 12, lid 2, van Richtlijn 2005/44/EG moeten de technische specificaties onmiddellijk na de publicatie ervan in werking treden en moeten de lidstaten worden verplicht die specificaties toe te passen uiterlijk twaalf maanden na de inwerkingtreding ervan.

(8)

Verordening (EG) nr. 415/2007 moet bijgevolg worden ingetrokken.

(9)

De in deze verordening opgenomen maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 11 van Richtlijn 2005/44/EG bedoelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen in de binnenvaart zijn die welke in de bijlage bij deze verordening zijn opgenomen.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 415/2007 wordt ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 13 juni 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 februari 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 152.

(2)  Verordening (EG) nr. 415/2007 van de Commissie van 13 maart 2007 inzake de technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen zoals bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB L 105 van 23.4.2007, blz. 35).

(3)  Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).


BIJLAGE

Standaard tracking en tracing van schepen in de binnenvaart

INHOUDSOPGAVE

1.

Algemene bepalingen 37

1.1.

Inleiding 37

1.2.

Referenties 37

1.3.

Definities 38

1.4.

Tracking- en tracingdiensten voor schepen en minimumeisen voor tracking- en tracingsystemen voor schepen 40

2.

Tracking- en tracingfuncties voor binnenschepen 41

2.1.

Inleiding 41

2.2.

Navigatie 41

2.2.1.

Navigatie op middellange termijn 41

2.2.2.

Navigatie op korte termijn 41

2.2.3.

Navigatie op zeer korte termijn 42

2.3.

Vessel traffic management 42

2.3.1.

Vessel traffic services 42

2.3.1.1.

Informatiedienst 42

2.3.1.2.

Dienst voor navigatieassistentie 42

2.3.1.3.

Verkeersbegeleidingsdienst 42

2.3.2.

Sluisplanning en -bediening 43

2.3.2.1.

Sluisplanning op lange termijn 43

2.3.2.2.

Sluisplanning op middellange termijn 43

2.3.2.3.

Sluisbediening 43

2.3.3.

Brugplanning en -bediening 43

2.3.3.1.

Brugplanning op middellange termijn 43

2.3.3.2.

Brugplanning korte termijn 44

2.3.3.3.

Brugbediening 44

2.4.

Calamiteitenbestrijding 44

2.5.

Transportmanagement 44

2.5.1.

Reisplanning 44

2.5.2.

Transportlogistiek 44

2.5.3.

Intermodaal haven- en terminalmanagement 44

2.5.4.

Lading- en vlootmanagement 45

2.6.

Handhaving 45

2.7.

Waterwegheffingen en haveninfrastructuurheffingen 45

2.8.

Informatiebehoeften 45

3.

Technische specificatie voor Inland AIS 46

3.1.

Inleiding 46

3.2.

Toepassingsgebied 47

3.3.

Eisen 48

3.3.1.

Algemene eisen 48

3.3.2.

Inhoud van de informatie 48

3.3.2.1.

Statische scheepsinformatie 49

3.3.2.2.

Dynamische scheepsinformatie 49

3.3.2.3.

Reisgerelateerde scheepsinformatie 50

3.3.2.4.

Aantal personen aan boord 50

3.3.2.5.

Veiligheidsgerelateerde berichten 50

3.3.3.

Meldfrequenties voor informatietransmissie 50

3.3.4.

Technologieplatform 52

3.3.5.

Compatibiliteit met mobiele AIS-stations van klasse A 52

3.3.6.

Unieke identificatiecode 52

3.3.7.

Applicatievereisten 52

3.3.8.

Typegoedkeuring 52

3.4.

Protocolwijzigingen voor mobiele Inland AIS-stations 52

3.4.1.

Tabel 3.2 Positiemelding 52

3.4.2.

Statische en reisgerelateerde scheepsgegevens (bericht 5) 54

3.4.3.

Commando groepsindeling (bericht 23) 57

3.5.

Inland AIS-berichten 57

3.5.1.

Extra Inland AIS-berichten 57

3.5.2.

Applicatie-identificatie voor specifieke applicatieberichten voor Inland AIS 57

3.5.3.

Informatie-inhoud via specifieke applicatieberichten 57

3.5.3.1.

Statische en reisgerelateerde gegevens over binnenschepen (specifiek bericht 10 voor de binnenvaart) 57

3.5.3.2.

Aantal personen aan boord (specifiek binnenvaartbericht FI 55) 58

4.

Overige mobiele AIS-stations op de binnenwateren 59

4.1.

Inleiding 59

4.2.

Algemene eisen voor mobiele AIS-stations van klasse B op de binnenwateren 60

5.

AIS-hulpmiddelen voor de navigatie in de binnenvaart 60

5.1.

Inleiding 60

5.2.

Gebruik van bericht 21: Bericht over navigatiehulpmiddelen 60

5.3.

Uitbreiding van bericht 21 met specifieke AtoN-types voor de binnenvaart 64

1.   ALGEMENE BEPALINGEN

1.1.   Inleiding

De technische specificaties voor tracking- en tracingsystemen voor schepen (vessel tracking and tracing, VTT) zijn gebaseerd op de werkzaamheden op dit gebied van relevante internationale organisaties, namelijk de reeds bestaande normen en technische specificaties voor de binnenvaart, de zeevaart en andere relevante gebieden.

Door de toepassing van VTT-systemen in gebieden met zowel binnenvaart als zeevaart, zoals zeehavens en kustgebieden, moeten VTT-systemen compatibel zijn met mobiele AIS-stations van klasse A zoals bedoeld in hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.

Als VTT-systemen essentiële diensten leveren zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2016/1148 (1) houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie, zijn de bepalingen van die richtlijn van toepassing.

1.2.   Referenties

In deze bijlage wordt verwezen naar de volgende internationale overeenkomsten, aanbevelingen, normen en richtsnoeren:

Titel document

Instantie

Publicatiedatum

Richtsnoeren en aanbevelingen voor River Information Services van de World Association for Waterborne Transport Infrastructure (PIANC)

PIANC

2011

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), hoofdstuk V — Veiligheid van de navigatie, 1974, als gewijzigd

IMO

1974

Internationale Maritieme Organisatie (IMO)

MSC.74(69) bijlage 3, "Aanbeveling inzake prestatienormen van een automatisch identificatiesysteem (AIS) aan boord van schepen", 1998

IMO

1998

IMO-resolutie A.915(22), "Herziene maritieme beleidsmaatregelen en vereisten voor een toekomstig wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS)", 2002

IMO

2002

IMO-resolutie A.1106(29), "Herziene richtsnoeren voor het operationele gebruik aan boord van een automatisch identificatiesysteem (AIS) aan boord van schepen", 2015

IMO

2015

Aanbeveling ITU-R M.585 van de Internationale Telecommunicatie-unie, "Toewijzing en gebruik van identiteiten in de maritieme mobiele dienst", 2015

ITU

2015

Aanbeveling ITU-R M.1371-1 van de Internationale Telecommunicatie-unie, "Technische kenmerken van een universeel automatisch identificatiesysteem aan boord van schepen waarbij gebruik wordt gemaakt van time division multiple access via de maritieme mobiele VHF-band"

ITU

2014

Internationale standaard IEC 61993-2 van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC),

"Maritieme navigatie- en radiocommunicatieapparatuur en -systemen — Automatisch Identificatiesysteem,

deel 2: Klasse A-scheepsapparatuur voor het universeel automatisch identificatiesysteem (AIS)"

IEC

2018

Internationale standaard IEC 61162-serie, "Maritieme navigatie- en radiocommunicatieapparatuur en -systemen — Digitale interfaces":

deel 1: één spreker en meer luisteraars; deel 2: één spreker en meer luisteraars, transmissie op hoge snelheid

IEC

Deel 1: 2016

Deel 2: 1998

Internationale standaard van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC),

62287-serie, "Maritieme navigatie- en radiocommunicatieapparatuur en -systemen — Klasse B-scheepsapparatuur voor het automatisch identificatiesysteem (AIS)"

Deel 1: Carrier-sense time division multiple access (CSTDMA);

deel 2: Self-organising time division multiple access (SOTDMA)

IEC

2017

Aanbevolen normen voor gedifferentieerde GNSS-diensten van de Radio Technical Commission for Maritime Services (RTCM)

RTCM

2010

VN/ECE-aanbeveling nr. 28, "Codes voor types van vervoermiddelen"

VN/ECE

2010

1.3.   Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a)

Automatisch identificatiesysteem

Automatic identification system (AIS)

"Automatic identification system (AIS, automatisch identificatiesysteem)": een automatisch communicatie- en identificatiesysteem dat bedoeld is om de veiligheid van de navigatie te verbeteren door bij te dragen tot een efficiënt gebruik van vessel traffic services (VTS), scheepsrapportage, vaartuig-vaartuig- en vaartuig-wal-operaties.

Inland AIS

"Inland AIS (AIS voor de binnenvaart)": een AIS voor gebruik in de binnenvaart dat interoperabel is met het AIS voor de zeevaart; dat is technisch mogelijk door het AIS voor de zeevaart te wijzigen en uit te breiden.

Track en trace

"Track en trace": het proces van toezicht op en registratie van de vroegere en actuele verblijfplaats van een scheepslading, terwijl die zich via verschillende afhandelaars en via een netwerk verplaatst naar haar bestemming. Tracing verwijst naar waar het product is geweest, tracking naar waar het product vervolgens heen gaat.

Spoor

"Spoor": het gevolgde of te volgen pad tussen de ene positie en de andere.

b)

Diensten

River Information Services

"River Information Services (RIS)": diensten in de zin van artikel 3, onder a), van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad (2).

Vessel traffic management (VTM)

"Vessel traffic management (VTM, beheer van het scheepvaartverkeer)": het functionele kader van geharmoniseerde maatregelen en diensten om de veiligheid, de beveiliging en de efficiëntie van de scheepvaart en de bescherming van het mariene milieu in alle vaarwateren te verhogen.

Inland vessel traffic services (VTS)

"Inland vessel traffic services (VTS, verkeersbegeleiding voor de binnenvaart)": een dienst in de zin van punt 2.5 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 414/2007 van de Commissie (3).

Navigatie-informatie

"Navigatie-informatie": informatie die aan de schipper wordt verstrekt om de besluitvorming aan boord te ondersteunen.

Tactical traffic information (TTI)

"Tactical traffic information (TTI, tactische verkeersinformatie)": informatie waarop onmiddellijke navigatiebeslissingen in de actuele verkeerssituatie en de nabije geografische omgeving zijn gebaseerd. Tactische verkeersinformatie wordt gebruikt om een tactisch verkeersbeeld genereren.

Strategic traffic information (STI)

"Strategic traffic information (STI, strategische verkeersinformatie)": informatie waarop RIS-gebruikers hun middellange- en langetermijnbeslissingen baseren. Strategische verkeersinformatie wordt gebruikt om een strategisch verkeersbeeld genereren.

Vessel tracking and tracing (VTT)

"Vessel tracking and tracing (VTT, tracking en tracing van schepen)": een functie in de zin van punt 2.12 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 414/2007.

Maritime mobile service identity (MMSI)

"Maritime mobile service identity (MMSI, identiteitsnummer voor maritieme mobiele diensten)": een reeks van negen cijfers die via het radiopad wordt uitgezonden voor de unieke identificatie van schepen, stations en kuststations en groepsgesprekken.

Electronic reporting international (ERI)

"Electronic reporting international (ERI, internationale elektronische rapportering)": de technische richtsnoeren en specificaties die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder b), van Richtlijn 2005/44/EG.

Inland electronic chart display and information system (Inland ECDIS)

"Inland electronic chart display and information system (Inland ECDIS, systeem voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en -informatie)": de technische richtsnoeren en specificaties die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 2005/44/EG.

Betrokkenen

Kapitein

"Kapitein": de persoon aan boord van het schip die de leiding heeft en de bevoegdheid om alle beslissingen te nemen die te maken hebben met navigatie en met de leiding van het schip. De termen "kapitein", "schipper" en "gezagvoerder" worden geacht gelijkwaardig te zijn.

Roerganger

"Roerganger": de persoon die het schip bestuurt volgens de instructies in het reisplan van de kapitein.

Bevoegde instantie voor RIS

"Bevoegde instantie voor RIS": de instantie die door de lidstaat is aangewezen overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2005/44/EG.

RIS-operator

"RIS-operator": een persoon die één of meer taken uitvoert met betrekking tot de levering van RIS.

RIS-gebruikers

"RIS-gebruikers": alle verschillende gebruikersgroepen zoals gedefinieerd in artikel 3, onder g), van Richtlijn 2005/44/EG.

1.4.   Tracking- en tracingdiensten voor schepen en minimumeisen voor tracking- en tracingsystemen voor schepen

VTT-systemen kunnen de volgende diensten ondersteunen:

navigatie;

verkeersinformatie;

verkeersbeheer;

calamiteitenbestrijding;

transportmanagement;

handhaving;

waterwegheffingen en haveninfrastructuurheffingen;

vaarweginformatiediensten;

statistieken.

Dit doet geen afbreuk aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 414/2007 die op die diensten van toepassing zijn.

De belangrijkste VTT-informatie heeft betrekking op de identiteit en de positie van een schip. VTT kan op automatische en periodieke basis ten minste de volgende informatie verstrekken aan andere schepen en kuststations, als die schepen of kuststations over de juiste apparatuur beschikken:

uniek scheepsidentificatienummer: uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI)/nummer van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO-nummer);

naam van het schip;

roepnaam van het schip;

navigatiestatus;

scheeps- of konvooitype;

afmetingen van schip of konvooi;

diepgang;

signaal voor gevaarlijke goederen (aantal blauwe kegels volgens het ADN);

ladingstatus (geladen/ongeladen);

bestemming;

geschatte tijd van aankomst (ETA) op de bestemming;

aantal personen aan boord;

positie (+ kwalitatieve indicatie);

snelheid (+ kwalitatieve indicatie);

koers over de grond (COG) (+ kwalitatieve indicatie);

vaarrichting (HDG) (+ kwalitatieve indicatie);

draaisnelheid (ROT);

informatie over blauw bord;

tijdstempel van de plaatsbepaling.

Deze minimumeisen zijn een indicatie voor de gebruikersbehoeften en de noodzakelijke gegevens voor VTT-systemen voor de binnenvaart.

Een VTT-systeem is zodanig ontworpen dat het in de toekomst voldoende flexibiliteit biedt voor extra eisen.

2.   TRACKING- EN TRACINGFUNCTIES VOOR BINNENSCHEPEN

2.1.   Inleiding

In dit deel worden de eisen met betrekking tot VTT-informatie voor verschillende RIS-categorieën uiteengezet. Bij de eisen voor elke dienstencategorie is een beschrijving van de gebruikersgroepen en het gebruik van de VTT-informatie opgenomen.

Een overzicht van VTT-informatiebehoeften is opgenomen in tabel 2.1 aan het einde van dit deel.

2.2.   Navigatie

Tracking en tracing van schepen kan worden gebruikt om de actieve navigatie aan boord te ondersteunen. Roergangers vormen de belangrijkste gebruikersgroep.

Het navigatieproces kan in drie fasen worden opgesplitst:

a)

navigatie op middellange termijn;

b)

navigatie op korte termijn;

c)

navigatie op zeer korte termijn.

De behoeften van de gebruikers zijn voor elke fase verschillend.

2.2.1.   Navigatie op middellange termijn

Navigatie op middellange termijn is de navigatiefase waarin de kapitein de verkeerssituatie observeert en analyseert, waarbij hij enkele minuten tot een uur vooruitkijkt. Hij overweegt daarbij de mogelijkheden waar hij andere schepen kan tegenkomen, passeren of inhalen.

Het benodigde verkeersbeeld wordt gekenmerkt door de mogelijkheid "om de bocht te kunnen kijken", wat grotendeels buiten het bereik van de boordradar valt.

De updatefrequentie is afhankelijk van de taak en verschilt van de situatie waarin het schip zich bevindt.

2.2.2.   Navigatie op korte termijn

Navigatie op korte termijn betreft de beslissingsfase in het navigatieproces. In deze fase is de verkeersinformatie, inclusief eventuele maatregelen om aanvaringen te voorkomen, van groot belang voor het navigatieproces. Voor deze functie is een goede observatie van andere schepen in de onmiddellijke omgeving noodzakelijk.

De actuele verkeersinformatie wordt minimaal om de 10 seconden ononderbroken uitgewisseld. Voor sommige routes kunnen de autoriteiten vooraf een updatefrequentie vastleggen (maximaal 2 seconden).

2.2.3.   Navigatie op zeer korte termijn

Navigatie op zeer korte termijn is het operationele navigatieproces. Dat omvat het ter plaatse uitvoeren van eerder genomen beslissingen en het toezicht op de gevolgen daarvan. De behoefte die met name in deze situatie bestaat aan verkeersinformatie van andere schepen, heeft betrekking op de situatie van het eigen schip zoals de relatieve positie en de relatieve snelheid. In deze fase is zeer nauwkeurige informatie nodig.

Daarom kan voor navigatie op zeer korte termijn geen tracking- en tracinginformatie worden gebruikt.

2.3.   Vessel traffic management

Vessel traffic management (VTM) omvat ten minste de volgende elementen:

a)

vessel traffic services;

b)

sluisplanning en -bediening;

c)

brugplanning en -bediening.

2.3.1.   Vessel traffic services

Vessel traffic services bestaan uit de volgende diensten:

a)

een informatiedienst;

b)

een dienst voor navigatieassistentie;

c)

een verkeersbegeleidingsdienst.

De gebruikers van vessel traffic services (VTS) zijn VTS-operators en roergangers.

De gebruikersbehoeften op het gebied van verkeersinformatie zijn aangegeven in de punten 2.3.1.1 en 2.3.1.3.

2.3.1.1.   Informatiedienst

Een informatiedienst bestaat uit het uitzenden van informatie op vaste tijden en met vaste tussenpozen, of op momenten dat dit door de VTS nodig wordt geacht of op verzoek van een schip. Deze informatie kan onder meer positierapporten en de identiteit en intenties van andere schepen omvatten, de toestand van de vaarweg, de weersomstandigheden, gevaarlijke situaties en andere factoren die de vaart van het schip kunnen beïnvloeden.

Voor informatiediensten is een overzicht van het verkeer in een netwerk of op een vaarwegtraject nodig.

Als dat nodig is voor een veilige en betrouwbare vaart door het gebied, kan de bevoegde instantie vooraf een updatefrequentie vastleggen.

2.3.1.2.   Dienst voor navigatieassistentie

Een dienst voor navigatieassistentie informeert de roerganger over moeilijke meteorologische of navigatieomstandigheden, of assisteert hem in geval van storingen of problemen. Deze dienst wordt normaal verleend op verzoek van een schip of wanneer een VTS dat noodzakelijk acht.

Om een roerganger gerichte informatie te kunnen bieden, heeft de VTS-operator een gedetailleerd, actueel verkeersbeeld nodig.

De actuele verkeersinformatie moet continu worden uitgewisseld (eens per 3 seconden, bijna in real time of met een andere updatefrequentie die door de bevoegde instantie vooraf is vastgesteld).

Alle overige informatie moet beschikbaar worden gesteld op verzoek van de VTS-operator of in bijzondere gevallen.

2.3.1.3.   Verkeersbegeleidingsdienst

Een verkeersbegeleidingsdienst betreft het operationeel regelen van het verkeer en de planning van het scheepvaartverkeer om opstoppingen en gevaarlijke situaties te voorkomen. Deze dienst speelt met name een belangrijke rol gedurende perioden met een hoge verkeersintensiteit of wanneer speciale transporten de doorstroming van het overige verkeer kunnen beïnvloeden. De dienst kan ook het opzetten en beheren van een systeem voor toestemming tot doorvaart en/of VTS-vaarplannen omvatten met het oog op de prioriteit van scheepvaartbewegingen, toewijzing van ruimte (zoals aanlegplaatsen, sluisplaatsen, vaarroutes), verplichte melding van scheepsbewegingen in het VTS-gebied, te volgen routes, in acht te nemen snelheidsbeperkingen of andere passende maatregelen die de VTS-autoriteit nodig acht.

2.3.2.   Sluisplanning en -bediening

De procedures voor sluisplanning op lange en korte termijn en voor sluisbediening worden beschreven in de punten 2.3.2.1 tot en met 2.3.2.3. De voornaamste gebruikersgroepen zijn sluiswachters, roergangers, kapiteins en vlootmanagers.

2.3.2.1.   Sluisplanning op lange termijn

Sluisplanning op lange termijn is de planning van een sluis waarbij enkele uren tot één dag vooruit wordt gekeken.

In dat geval wordt de verkeersinformatie gebruikt om de informatie over de wacht- en passagetijden bij sluizen, die oorspronkelijk gebaseerd is op statistische informatie, te verbeteren.

De geschatte aankomsttijd (ETA) wordt gemeld op verzoek of wordt uitgewisseld als de door de bevoegde instantie toegestane afwijking van de oorspronkelijke ETA wordt overschreden. De gewenste aankomsttijd (RTA) is de reactie op een ETA-melding of kan vanaf een sluis worden verzonden om een schuttijd voor te stellen.

2.3.2.2.   Sluisplanning op middellange termijn

Sluisplanning op middellange termijn is de planning van een sluis waarbij twee of vier sluiscycli vooruit wordt gekeken.

In dat geval wordt de verkeersinformatie gebruikt om de aankomende schepen in te plannen in de beschikbare sluiscycli. Op grond van die planning worden de roergangers geïnformeerd over de RTA.

De ETA wordt gemeld op verzoek of wordt uitgewisseld als de door de bevoegde instantie toegestane afwijking van de oorspronkelijke ETA wordt overschreden. Alle overige informatie dient één keer beschikbaar te worden gesteld bij het eerste contact of op verzoek. De RTA is de reactie op een ETA-melding of kan vanaf een sluis worden verzonden om een schuttijd voor te stellen.

2.3.2.3.   Sluisbediening

In deze fase vindt het feitelijke schutproces plaats.

De actuele verkeersinformatie moet continu worden uitgewisseld of met een door de bevoegde instantie vooraf vastgestelde updatefrequentie.

De nauwkeurigheid van VTT-informatie laat geen uiterst precieze toepassingen zoals het sluiten van sluisdeuren toe.

2.3.3.   Brugplanning en -bediening

De procedures voor brugplanning op middellange en korte termijn en voor brugbediening worden beschreven in de punten 2.3.3.1 tot en met 2.3.3.3. De voornaamste gebruikersgroepen zijn brugwachters, roergangers, kapiteins en vlootmanagers.

2.3.3.1.   Brugplanning op middellange termijn

Bij brugplanning op middellange termijn wordt ernaar gestreefd de verkeersdoorstroming op een zodanige manier te optimaliseren dat de bruggen op tijd open zijn om schepen door te laten (groene golf). Daarbij wordt 15 minuten tot 2 uur vooruit gepland. Het tijdschema is afhankelijk van de plaatselijke situatie.

De ETA en de positie-informatie worden gemeld op verzoek of worden uitgewisseld zodra de afwijking tussen de geactualiseerde ETA en de oorspronkelijke ETA de door de bevoegde instantie vooraf vastgestelde waarde overschrijdt. Alle overige informatie dient één keer beschikbaar te worden gesteld bij het eerste contact of op verzoek. De RTA is de reactie op een ETA-melding of kan vanaf een brug worden verzonden om een passagetijdstip voor te stellen.

2.3.3.2.   Brugplanning korte termijn

Bij brugplanning op korte termijn worden beslissingen genomen op grond van de strategie voor het openen van de brug.

Actuele verkeersinformatie over de positie, de snelheid en de richting wordt gemeld op verzoek of wordt uitgewisseld met een door de bevoegde instantie vooraf vastgestelde updatefrequentie, bijvoorbeeld om de vijf minuten. De ETA en de positie-informatie worden gemeld op verzoek of worden uitgewisseld zodra de afwijking tussen de geactualiseerde ETA en de oorspronkelijke ETA de door de bevoegde instantie vooraf vastgestelde waarde overschrijdt. Alle overige informatie dient één keer beschikbaar te worden gesteld bij het eerste contact of op verzoek. De RTA is de reactie op een ETA-melding of kan vanaf een brug worden verzonden om een passagetijdstip voor te stellen.

2.3.3.3.   Brugbediening

In deze fase wordt de brug daadwerkelijk geopend en passeert het schip.

De actuele verkeersinformatie moet continu worden uitgewisseld of met een door de bevoegde instantie vastgestelde updatefrequentie.

De nauwkeurigheid van VTT-informatie laat geen uiterst precieze toepassingen zoals het openen of sluiten van een brug toe.

2.4.   Calamiteitenbestrijding

Bij calamiteitenbestrijding ligt de nadruk in dit verband op preventieve maatregelen: reageren op daadwerkelijke ongevallen en bijstand verlenen tijdens noodgevallen. De belangrijkste gebruikersgroepen zijn operators in calamiteitencentra, VTS-operators, roergangers, kapiteins en bevoegde instanties.

Bij een ongeval kan de verkeersinformatie automatisch worden verstrekt of vraagt de verantwoordelijke organisatie de informatie op.

2.5.   Transportmanagement

Transportmanagement (TS) is in vier activiteiten onderverdeeld:

a)

reisplanning;

b)

transportlogistiek;

c)

haven- en terminalmanagement;

d)

lading- en vlootmanagement.

De belangrijkste gebruikersgroepen zijn kapiteins, tussenpersonen in het goederenvervoer, vlootmanagers, consignatiegevers, geconsigneerden, expediteurs, havenautoriteiten, terminalexploitanten, sluiswachters en brugwachters.

2.5.1.   Reisplanning

Bij reisplanning ligt de nadruk in dit verband op de planning tijdens de reis. Tijdens de reis controleert de kapitein zijn oorspronkelijke reisplanning.

2.5.2.   Transportlogistiek

Transportlogistiek bestaat uit de organisatie, planning, uitvoering en aansturing van het transport.

Alle verkeersinformatie is op verzoek beschikbaar voor scheepseigenaren of voor logistieke belanghebbenden.

2.5.3.   Intermodaal haven- en terminalmanagement

Intermodaal haven- en terminalmanagement heeft betrekking op de planning van middelen in havens en terminals.

De terminal- en havenmanager vraagt om verkeersinformatie of geeft in vooraf vastgestelde situaties toestemming om die informatie automatisch toe te sturen.

2.5.4.   Lading- en vlootmanagement

Lading- en vlootmanagement heeft betrekking op de planning en de optimalisatie van het gebruik van schepen, het regelen van de ladingen en het transport.

De verkeersinformatie wordt door de kapitein of rederij opgevraagd of in vooraf vastgestelde situaties toegezonden.

2.6.   Handhaving

De handhavingstaken zijn beperkt tot diensten op het gebied van gevaarlijke stoffen, immigratiecontrole en douane. De belangrijkste gebruikersgroepen zijn douane, bevoegde instanties en kapiteins.

De verkeersinformatie wordt met de bevoegde instanties uitgewisseld. Die uitwisseling vindt plaats op verzoek, op vooraf vastgestelde punten of in door de bevoegde instanties vastgestelde bijzondere omstandigheden.

2.7.   Waterwegheffingen en haveninfrastructuurheffingen

Op verschillende plaatsen in de Unie moet een vergoeding worden betaald voor het gebruik van waterwegen en havens. De belangrijkste gebruikersgroepen zijn bevoegde instanties, kapiteins, vlootmanagers, vaarwegbeheerders en havenautoriteiten.

De verkeersinformatie wordt uitgewisseld op verzoek of op vaste punten die door de bevoegde vaarwegbeheerder of havenautoriteit zijn vastgesteld.

2.8.   Informatiebehoeften

Tabel 2.1 geeft een overzicht van de informatiebehoeften van de diverse diensten.

Tabel 2.1

Overzicht van informatiebehoeften

 

Identificatie

Naam

Roepnaam

Navigatiestatus

Type

Afmetingen

Diepgang

Gevaarlijke lading

Beladingstoestand

Bestemming

ETA op bestemming

Aantal personen

Positie en tijd

Snelheid

Koers/richting

Vaarrichting

Draaisnelheid

Blauw bord

Overige informatie

Navigatie op middellange termijn

X

X

 

X

X

X

 

X

X

X

 

 

X

X

X

 

 

X

 

Navigatie op korte termijn

X

X

 

X

X

X

 

X

X

X

 

 

X

X

X

X

 

X

 

Navigatie op zeer korte termijn

VTT voldoet momenteel niet aan de eisen

VTM-/VTS-diensten

X

X

 

X

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

 

 

X

 

VTM — sluisbediening

X

X

 

X

X

 

X

X

 

 

 

 

X

 

X

 

 

 

Doorvaar-hoogte

VTM — sluisplanning

X

X

 

X

X

X

X

X

 

 

 

 

X

X

X

 

 

 

Aantal assisterende sleepboten, doorvaar-hoogte, ETA/RTA

VTM — brugbediening

X

X

 

 

X

X

 

 

 

 

 

 

X

X

X

 

 

 

Doorvaar-hoogte

VTM — brugplanning

X

X

 

X

X

X

 

 

 

 

 

 

X

X

X

 

 

 

Doorvaar-hoogte, ETA/RTA

Calamiteiten-bestrijding

X

X

 

 

X

 

 

X

X

X

 

X

X

 

X

 

 

 

 

TM — reisplanning

X

X

 

 

 

X

X

 

X

X

 

 

X

X

 

 

 

 

Doorvaar-hoogte, ETA/RTA

TM — transportlogistiek

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

X

 

X

 

X

 

 

 

 

TM — haven- en terminalmanagement

X

X

 

X

X

X

 

X

X

 

 

 

X

 

X

 

 

 

ETA/RTA

TM — lading- en vlootmanagement

X

X

 

X

 

 

X

 

X

X

 

 

X

 

X

 

 

 

ETA/RTA

Handhaving

X

X

 

X

X

 

 

X

 

X

X

X

X

 

X

 

 

 

 

Waterwegheffingen en haveninfrastructuur-heffingen

X

X

 

 

X

X

X

 

 

X

 

 

X

 

 

 

 

 

 

3.   TECHNISCHE SPECIFICATIE VOOR INLAND AIS

3.1.   Inleiding

De IMO heeft het automatisch identificatiesysteem (AIS) aan boord van zeeschepen geïntroduceerd. Alle zeeschepen op internationale routes die onder hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag vallen, moeten sinds eind 2004 uitgerust zijn met mobiele AIS-stations van klasse A.

Bij Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) is een communautair monitoring- en informatiesysteem ingevoerd voor zeeschepen met gevaarlijke of vervuilende stoffen aan boord waarbij AIS wordt gebruikt voor scheepsrapportage en -monitoring.

AIS wordt beschouwd als een geschikte oplossing voor automatische identificatie en tracking en tracing van binnenvaartschepen. Vooral de real-timewerking van AIS en de beschikbaarheid van wereldwijde normen en richtsnoeren hebben een positief effect op veiligheidstoepassingen.

Om aan de specifieke eisen van de binnenvaart te voldoen, moet AIS verder worden ontwikkeld tot de zogenaamde technische specificatie voor Inland AIS, waarbij gezorgd wordt voor volledige compatibiliteit met AIS voor de zeevaart en de reeds bestaande standaarden en technische specificaties voor de binnenvaart.

Omdat Inland AIS compatibel is met AIS voor de zeevaart, kunnen zeeschepen en binnenvaartschepen die in gebieden met gemengd verkeer varen rechtstreeks gegevens uitwisselen.

AIS is:

een systeem dat door de IMO is ingevoerd om de veiligheid van de navigatie op zee te ondersteunen; een systeem dat alle schepen verplicht aan boord moeten hebben overeenkomstig hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag;

een systeem dat een directe uitwisseling van informatie tussen schepen onderling en tussen schepen en de wal in beide richtingen mogelijk maakt;

een veiligheidssysteem met hoge eisen op het gebied van beschikbaarheid, continuïteit en betrouwbaarheid;

een real-timesysteem, dankzij de directe gegevensuitwisseling tussen schepen onderling;

een autonoom, zelf-structurerend systeem dat functioneert zonder masterstation en zonder centrale aansturende gegevensbank;

gebaseerd op internationale standaarden en procedures in overeenstemming met hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag;

een gecertificeerd systeem met typegoedkeuring om de veiligheid van de navigatie te verhogen;

wereldwijd interoperabel.

Dit deel is bedoeld om alle technische eisen, aanpassingen en uitbreidingen van de bestaande mobiele AIS-stations van klasse A in kaart te brengen die nodig zijn om een mobiel Inland AIS-station voor de binnenvaart te ontwikkelen.

3.2.   Toepassingsgebied

AIS is een op schepen geïnstalleerd radio-informatiesysteem voor de uitwisseling van statische, dynamische en reisgerelateerde scheepsgegevens tussen AIS-schepen onderling en tussen AIS-schepen en kuststations. AIS-stations aan boord van schepen verzenden met regelmatige tussenpozen de identiteit en positie van en andere gegevens over het schip. AIS-schepen of op de wal geïnstalleerde AIS-stations die zich binnen radiobereik bevinden en die dergelijke berichten ontvangen, kunnen AIS-schepen automatisch lokaliseren, identificeren en volgen op een geschikt beeldscherm zoals een radarscherm of een systeem voor elektronische kaartweergave, bijvoorbeeld het systeem voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en -informatie (Inland ECDIS) zoals gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 909/2013 van de Commissie (5). AIS is bedoeld om de veiligheid van de navigatie te vergroten en wordt gebruikt tussen schepen onderling, voor toezicht (VTS), tracking en tracing van schepen en ondersteuning bij calamiteitenbestrijding.

Mobiele AIS-stations worden onderverdeeld in de volgende types:

a)

mobiele AIS-stations van klasse A die moeten worden gebruikt op alle zeeschepen die onder de uitrustingseisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag vallen;

b)

mobiele Inland AIS-stations met volledige klasse A-functionaliteit op VHF Data Link-niveau, met afwijkende extra functies voor gebruik door binnenschepen;

c)

mobiele SO/CS-stations van klasse B met beperkte functionaliteit die kunnen worden gebruikt door schepen die niet onder de uitrustingseisen voor mobiele AIS-stations van klasse A of Inland AIS-stations vallen;

d)

op de wal geïnstalleerde AIS-stations, met inbegrip van AIS-basisstations en AIS-repeaterstations.

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen de volgende communicatievormen:

a)

tussen schepen onderling: alle met AIS uitgeruste schepen kunnen statische en dynamische informatie ontvangen van alle andere AIS-schepen binnen radiobereik;

b)

tussen schepen en de wal: gegevens van AIS-schepen kunnen ook worden ontvangen door AIS-stations aan de wal die zijn verbonden met het RIS-centrum waar een (tactisch en/of strategisch) verkeersbeeld kan worden samengesteld;

c)

tussen de wal en schepen: reis- en veiligheidsgerelateerde gegevens kunnen van de wal naar schepen worden verzonden.

Een kenmerk van AIS is de autonome werking op basis van Self Organizing Time Division Multiple Access (SOTDMA), zonder regelend masterstation. Het radioprotocol is zodanig ontworpen dat een AIS-station aan boord van een schip op een autonome, zelf-structurerende manier functioneert door toegangsparameters voor de verbinding uit te wisselen. De tijd is onderverdeeld in blokken van 1 minuut met 2 250 tijdslots per radiokanaal die worden gesynchroniseerd via de GNSS UTC-tijd. Elke deelnemer regelt zijn toegang tot het radiokanaal door vrije tijdslots te kiezen waarbij rekening wordt gehouden met het toekomstige gebruik van tijdslots door andere stations. Er is geen centrale gegevensbank nodig voor het beheren van de slottoewijzing.

Een mobiel Inland AIS-station bestaat doorgaans uit de volgende onderdelen:

a)

een VHF-transceiver (1 zender, 2 ontvangers);

b)

een GNSS-ontvanger;

c)

een dataprocessor.

Universeel AIS aan boord van schepen, zoals gedefinieerd door de IMO, de ITU en de IEC en aanbevolen voor de binnenvaart, gebruikt SOTDMA in de maritieme mobiele VHF-band. AIS werkt op de internationaal toegewezen VHF-frequenties AIS 1 (161,975 MHz) en AIS 2 (162,025 MHz), maar kan ook overschakelen naar andere frequenties op de maritieme mobiele VHF-band.

Om te voldoen aan de specifieke behoeften van de binnenvaart moet AIS verder worden ontwikkeld tot zogenaamd Inland AIS, waarbij de compatibiliteit met AIS voor de zeevaart behouden blijft.

De systemen voor tracking- en tracing van binnenvaartschepen moeten compatibel zijn met mobiele AIS-stations van klasse A zoals gedefinieerd door de IMO. Inland AIS-berichten moeten daarom de volgende informatie kunnen bevatten:

a)

statische informatie, zoals het officiële scheepsnummer, de roepnaam en de naam van het schip en het scheepstype;

b)

dynamische informatie, zoals de positie van het schip met een nauwkeurigheidsindicatie en de integriteitsstatus;

c)

reisgerelateerde informatie, zoals de lengte en grootste breedte van een konvooi en informatie over gevaarlijke lading;

d)

specifieke binnenvaartinformatie, zoals het aantal blauwe kegels/lampen volgens de ADN of de geschatte tijd van aankomst (ETA) bij een sluis/brug/terminal/grens.

Bij varende schepen bedraagt de updatefrequentie van dynamische informatie op tactisch niveau 2 tot 10 seconden. Voor schepen die voor anker liggen, wordt een updatefrequentie van een aantal minuten aanbevolen of een update die wordt veroorzaakt door een wijziging van de informatie.

Een mobiel Inland AIS-station is niet bedoeld als vervanging maar als ondersteuning van navigatiediensten, zoals radardoelvolging en VTS. Een mobiel Inland AIS-station levert extra input voor nautische informatie, en heeft als toegevoegde waarde dat schepen die met Inland AIS zijn uitgerust, kunnen worden bewaakt en gevolgd. Plaatsbepaling met een mobiel Inland AIS-station dat interne (ongecorrigeerde) GNSS-gegevens gebruikt, is hoogstens tot op 10 meter nauwkeurig. Als de positie wordt gecorrigeerd met behulp van een DGNSS-differentiaalcorrectie van een zeebaken, een AIS-bericht 17 of EGNOS (SBAS), is die minstens tot op 5 meter nauwkeurig. Door hun verschillende eigenschappen vullen een mobiel Inland AIS-station en de radar elkaar aan.

3.3.   Eisen

3.3.1.   Algemene eisen

Een mobiel Inland AIS-station is gebaseerd op een mobiel AIS-station van klasse A in overeenstemming met het SOLAS-verdrag.

Een mobiel Inland AIS-station beschikt over de hoofdfunctionaliteit van een mobiel AIS-station van klasse A en houdt tegelijk rekening met de specifieke eisen van de binnenvaart.

Inland AIS is compatibel met AIS voor de zeevaart en maakt een directe uitwisseling van gegevens mogelijk tussen zeeschepen en binnenvaartschepen die in gebieden met gemengd verkeer varen.

De eisen in de punten 3.3 tot en met 3.5 zijn complementaire of aanvullende eisen voor Inland AIS en anders dan voor mobiele AIS-stations van klasse A.

Bij het ontwerp van een mobiel Inland AIS-station wordt rekening gehouden met de "technische verduidelijkingen bij de norm voor tracking en tracing van schepen".

De standaardinstelling van het transmissievermogen is "hoog" en wordt alleen op "laag" ingesteld op bevel van de bevoegde instantie.

3.3.2.   Inhoud van de informatie

Via Inland AIS-stations worden alleen tracking- en tracinggegevens en veiligheidsgerelateerde informatie verzonden.

De inhoud van de informatie zoals beschreven in de punten 3.3.2.1 tot en met 3.3.2.5 wordt op zodanige wijze ingevuld dat die zonder externe applicatie vanuit een mobiel Inland AIS-station kan worden verzonden.

Inland AIS-berichten bevatten de volgende informatie (elementen met een "*" moeten anders worden verwerkt dan in berichten voor zeeschepen):

3.3.2.1.   Statische scheepsinformatie

Voor zover van toepassing gelden voor statische scheepsinformatie voor binnenvaartschepen dezelfde parameters en structuur als voor mobiele AIS-stations van klasse A. Indien mogelijk worden binnenvaartparameters automatisch omgezet naar zeevaartparameters. Niet gebruikte parametervelden worden ingesteld op "niet beschikbaar".

Voor de binnenvaart specifieke statische scheepsinformatie wordt toegevoegd.

Statische scheepsinformatie wordt autonoom vanaf het schip of op verzoek verzonden.

Gebruikersidentificatie (MMSI)

In alle berichten

Naam van het schip

AIS-bericht 5

Roepnaam van het schip

AIS-bericht 5

IMO-nummer

AIS-bericht 5 (niet beschikbaar voor binnenschepen)

Type schip/konvooi en lading *

AIS-bericht 5 + Inland FI 10

Totale lengte (tot op 0,1 m nauwkeurig) *

AIS-bericht 5 + Inland FI 10

Totale breedte (tot op 0,1 m nauwkeurig) *

AIS-bericht 5 + Inland FI 10

Uniek Europees scheepsidentificatie-nummer (ENI)

Inland FI 10

Referentiepunt voor de gemelde positie van het schip (antennelocatie) *

AIS-bericht 5

3.3.2.2.   Dynamische scheepsinformatie

Voor zover van toepassing gelden voor dynamische scheepsinformatie voor binnenvaartschepen dezelfde parameters en structuur als voor mobiele AIS-stations van klasse A. Niet gebruikte parametervelden worden ingesteld op "niet beschikbaar".

Voor de binnenvaart wordt specifieke dynamische scheepsinformatie toegevoegd.

Dynamische scheepsinformatie wordt autonoom vanaf het schip of op verzoek verzonden.

Positie overeenkomstig het wereldgeodesiesysteem van 1984 (WGS 84)

AIS-bericht 1, 2 en 3

Snelheid over de grond (SOG)

AIS-bericht 1, 2 en 3

Koers (COG)

AIS-bericht 1, 2 en 3

Vaarrichting (HDG)

AIS-bericht 1, 2 en 3

Draaisnelheid (ROT)

AIS-bericht 1, 2 en 3

Positienauwkeurigheid (GNSS/DGNSS)

AIS-bericht 1, 2 en 3

Tijd van het elektronisch plaatsbepalingssysteem

AIS-bericht 1, 2 en 3

Navigatiestatus

AIS-bericht 1, 2 en 3

Status van blauw bord *

AIS-bericht 1, 2 en 3

Kwaliteit snelheidsinformatie

Inland FI 10

Kwaliteit koersinformatie

Inland FI 10

Kwaliteit vaarrichtinginformatie

Inland FI 10

3.3.2.3.   Reisgerelateerde scheepsinformatie

Voor zover van toepassing gelden voor reisgerelateerde scheepsinformatie voor binnenvaartschepen dezelfde parameters en structuur als voor mobiele AIS-stations van klasse A. Niet gebruikte parametervelden worden ingesteld op "niet beschikbaar".

Voor de binnenvaart specifieke reisgerelateerde scheepsinformatie wordt toegevoegd.

Reisgerelateerde scheepsinformatie wordt autonoom vanaf het schip of op verzoek verzonden.

Bestemming (ISRS-locatiecode)

AIS-bericht 5

Categorie gevaarlijke lading

AIS-bericht 5

ETA

AIS-bericht 5

Maximale actuele statische diepgang *

AIS-bericht 5 + Inland FI 10

Indicatie gevaarlijke lading

Inland FI 10

Schip geladen/ongeladen

Inland FI 10

3.3.2.4.   Aantal personen aan boord

Het aantal personen aan boord wordt op verzoek of als de omstandigheden dat vereisen als algemeen of geadresseerd bericht van het schip naar de wal verzonden.

Aantal bemanningsleden aan boord

Inland FI 55

Aantal passagiers aan boord

Inland FI 55

Aantal boordpersoneelsleden aan boord

Inland FI 55

3.3.2.5.   Veiligheidsgerelateerde berichten

Veiligheidsgerelateerde berichten (d.w.z. tekstberichten) worden indien nodig als algemene of geadresseerde berichten verzonden.

Geadresseerd veiligheidsgerelateerd bericht

AIS-bericht 12

Algemeen veiligheidsgerelateerd bericht

AIS-bericht 14

3.3.3.   Meldfrequenties voor informatietransmissie

De verschillende informatietypes van Inland AIS-berichten worden met verschillende meldfrequenties verzonden.

Voor varende schepen op de binnenwateren kan voor de meldfrequentie van dynamische informatie geschakeld worden tussen autonome modus en toegekende modus. In toegekende modus kan de meldfrequentie worden verhoogd tot 2 seconden. Het meldgedrag moet kunnen worden omgeschakeld vanuit een AIS-basisstation (via AIS-bericht 23 voor groepsindeling of bericht 16 voor individuele indeling) en door opdrachten van externe systemen aan boord van een schip via IEC 61162-interface als gedefinieerd in aanhangsel B.

Voor statische en reisgerelateerde informatie bedraagt de meldfrequentie 6 minuten, op verzoek of bij wijziging van de informatie.

De volgende meldfrequenties zijn van toepassing:

Statische scheepsinformatie

Elke 6 minuten, op verzoek of als de gegevens zijn gewijzigd

Dynamische scheepsinformatie

Afhankelijk van de navigatiestatus en de activiteitsmodus van het schip, autonome (standaard) of toegekende modus, zie tabel 3.1

Reisgerelateerde scheepsinformatie

Elke 6 minuten, op verzoek of als de gegevens zijn gewijzigd

Aantal personen aan boord

Zoals vereist of op verzoek

Veiligheidsgerelateerde berichten

Zoals vereist

Specifieke applicatieberichten

Zoals vereist (wordt bepaald door de bevoegde instantie)


Tabel 3.1

Updatefrequentie van dynamische scheepsinformatie

Dynamische scheepscondities

Nominale meldfrequentie

Scheepsstatus "voor anker" en niet sneller varend dan 3 knopen

3 minuten (6)

Scheepsstatus "voor anker" en sneller varend dan 3 knopen

10 seconden (6)

Schip actief in autonome modus, varend met 0 tot 14 knopen

10 seconden (6)

Schip actief in autonome modus, varend met 0 tot 14 knopen en van koers veranderend

3 1/3 seconden (6)

Schip actief in autonome modus, varend met 14 tot 23 knopen

6 seconden (6)

Schip actief in autonome modus, varend met 14 tot 23 knopen en van koers veranderend

2 seconden

Schip actief in autonome modus, sneller dan 23 knopen varend

2 seconden

Schip actief in autonome modus, sneller varend dan 23 knopen en van koers veranderend

2 seconden

Schip actief in toegekende modus (7)

Toegekend tussen 2 seconden en 10 seconden

3.3.4.   Technologieplatform

Het platform voor mobiele Inland AIS-stations is het mobiele AIS-station van klasse A.

De technische oplossing voor mobiele Inland AIS-stations is gebaseerd op dezelfde technische standaarden als voor de mobiele AIS-stations van klasse A (Aanbeveling ITU-R M.1371 en internationale standaard IEC 61993-2).

3.3.5.   Compatibiliteit met mobiele AIS-stations van klasse A

Mobiele Inland AIS-stations zijn compatibel met mobiele AIS-stations van klasse A en kunnen alle AIS-berichten (overeenkomstig Aanbeveling ITU-R M.1371 en de technische verduidelijkingen van Aanbeveling ITU-R M.1371 van de Internationale Associatie van mariene navigatiemiddelen en vuurtoreninstanties (IALA)) en bovendien de in punt 3.4 gedefinieerde berichten ontvangen en verwerken.

3.3.6.   Unieke identificatiecode

Om compatibiliteit met zeeschepen te garanderen, moet het MMSI-nummer worden gebruikt als unieke stationsidentificatie (identificatie van de radioapparatuur) voor mobiele Inland AIS-stations.

3.3.7.   Applicatievereisten

De in punt 3.3.2 bedoelde informatie wordt rechtstreeks ingevoerd, opgeslagen en weergegeven in het mobiele Inland AIS-station.

Het mobiele Inland AIS-station kan voor de binnenvaart specifieke statische gegevens opslaan in het interne geheugen, zodat de informatie behouden blijft als de voeding van de unit uitvalt.

De nodige dataconversies voor het Minimum Keyboard Display (MKD) van de informatie-inhoud van Inland AIS (bv. van knopen naar km/h) of voor MKD-input en de weergave van informatie over types binnenvaartschepen gebeuren in het mobiele Inland AIS-station.

Application specific messages (ASM, specifieke applicatieberichten) moeten worden ingevoerd en weergegeven door een externe applicatie, met uitzondering van AIS ASM DAC = 200 FI = 10 (statische en reisgerelateerde gegevens van een binnenschip) en DAC = 200 FI = 55 (aantal personen aan boord van een binnenschip), die rechtstreeks in het mobiele Inland AIS-station worden ingevoerd.

De digitale-interfacestrings om de specifieke binnenvaartgegevens in de AIS-transponder te programmeren, worden gedefinieerd in aanhangsel B.

Het mobiele Inland AIS-station voorziet ten minste in een externe interface voor de invoer van DGNSS correctie- en betrouwbaarheidsinformatie overeenkomstig de bepalingen van Speciaal Comité 104 inzake DGNSS van de Radio Technical Commission for Maritime Services.

3.3.8.   Typegoedkeuring

Mobiele Inland AIS-stations moeten een typegoedkeuring krijgen waaruit blijkt dat zij in overeenstemming zijn met deze technische specificaties.

3.4.   Protocolwijzigingen voor mobiele Inland AIS-stations

Door de ontwikkeling van Aanbeveling ITU-R M.1371 kunnen voor verschillende parameters nieuwe statuscodes worden gebruikt. Dat is niet nadelig voor de werking van AIS, maar kan ertoe leiden dat onherkenbare statuscodes worden weergegeven op apparatuur die is gebaseerd op vroegere herzieningen van de norm.

3.4.1.   Tabel 3.2 Positiemelding

Tabel 3.2

Positiemelding

Parameter

Aantal bits

Omschrijving

Message ID

6

ID voor dit bericht is 1, 2 of 3

Repeat indicator

2

Door de repeater gebruikt om aan te geven hoe vaak een bericht herhaald is.

0-3: standaard = 0; 3 = niet meer herhalen

User ID (MMSI)

30

MMSI-nummer

Navigational Status

4

0 = op motor onderweg; 1 = voor anker; 2 = niet manoeuvreerbaar; 3 = beperkte manoeuvreerbaarheid; 4 = beperkt door diepgang; 5 = gemeerd; 6 = aan de grond;

7 = bezig met vissen; 8 = varend onder zeil;

9 = gereserveerd voor toekomstige aanpassing van de navigatiestatus voor een hogesnelheidsvaartuig;

10 = gereserveerd voor toekomstige aanpassing van de navigatiestatus voor een grondeffectschip (WIG);

11 = motorvaartuig met sleep aan de achtersteven (regionaal gebruik) (8);

12 = motorvaartuig met duwbak of zijsleep (regionaal gebruik) (8);

13 = gereserveerd voor toekomstig gebruik; 14 = AIS-SART (actief);

15 = niet gedefinieerd = standaard (ook gebruikt door AIS)

Rate of turn ROTAIS

8

0 tot +126 = draait naar rechts met maximaal 708° per min of meer

0 tot – 126 = draait naar links met maximaal 708° per min of meer

Waarden tussen 0 en 708° per min gecodeerd met ROTAIS = 4.733 SQRT(ROTsensor) graden per min waarbij ROTsensor de draaisnelheid is zoals ingevoerd door een externe bochtaanwijzer. ROTAIS wordt afgerond op het dichtstbijzijnde geheel getal.

+ 127 = draait naar rechts met meer dan 5° per 30 s (geen bochtaanwijzer beschikbaar)

– 127 = draait naar links met meer dan 5° per 30 s (geen bochtaanwijzer beschikbaar)

– 128 (80 hexadecimaal) betekent geen bochtinformatie beschikbaar (standaard)

ROT-gegevens mogen niet worden afgeleid uit COG-informatie.

Speed over ground

10

Snelheid over de grond in stappen van 1/10 knoop (0-102,2 knopen)

1 023 = niet beschikbaar; 1 022 = 102,2 knopen of meer (9)

Position accuracy

1

De markering voor positienauwkeurigheid (PA) moet worden vastgesteld in overeenstemming met ITU-R M.1371.

1 = hoog (=< 10 m)

0 = laag (> 10 m)

0 = standaard

Longitude

28

Lengtegraad in 1/10 000 min (± 180°, oost = positief (als complement van 2), west = negatief (als complement van 2)

181 = (6791AC0 hexadecimaal) = niet beschikbaar = standaard)

Latitude

27

Breedtegraad in 1/10 000 min (± 90°, noord = positief (als complement van 2), zuid = negatief (als complement van 2) 91 = (3412140 hexadecimaal) = niet beschikbaar = standaard)

Course over ground

12

Koers over de grond in 1/10° (0-3 599 )

3 600 (E10 hexadecimaal) = niet beschikbaar = standaard;

3 601 — 4 095 wordt niet gebruikt

True heading

9

Graden (0-359) (511 betekent niet-beschikbaar = standaard)

Time stamp

6

UTC-seconde wanneer het bericht werd gegenereerd door het elektronisch plaatsbepalingssysteem (EPFS) (0-59, of 60 indien geen tijdstempel beschikbaar is, wat ook de standaardwaarde is, of 61 als het plaatsbepalingssysteem in handmatige invoermodus staat, of 62 als het elektronisch plaatsbepalingssysteem in schattingsmodus (dead reckoning) werkt, of 63 als het plaatsbepalingssysteem niet werkt)

Special manoeuvre indicator: blue sign

2

Geeft aan of blauw bord wordt gevoerd (10)

0 = niet beschikbaar = standaard,

1 = voert geen bijzonder manoeuvre uit = voert geen blauw bord

2 = voert bijzonder manoeuvre uit = voert blauw bord

ja,

3 wordt niet gebruikt

Spare

3

Niet gebruikt. Moet op nul worden gezet. Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

RAIM Flag

1

RAIM-vlag (Receiver Autonomous Integrity Monitoring) van elektronisch plaatsbepalingsapparaat; 0 = RAIM niet in gebruik = standaard; 1 = RAIM in gebruik. De RAIM-vlag moet worden bepaald in overeenstemming met ITU-R M.1371.

Communication state

19

De communicatiestatus moet worden bepaald in overeenstemming met ITU-R M.1371.

Totaal

168

Gebruikt één slot

3.4.2.   Statische en reisgerelateerde scheepsgegevens (bericht 5)

Tabel 3.3

Bericht met statische en dynamische scheepsgegevens

Parameter

Aantal bits

Omschrijving

Message ID

6

ID voor dit bericht is 5

Repeat indicator

2

Door de repeater gebruikt om aan te geven hoe vaak een bericht herhaald is. 0-3: standaard = 0; 3 = niet meer herhalen

User ID (MMSI)

30

MMSI-nummer

AIS version indicator

2

0 = station voldoet aan Aanbeveling ITU-R M.1371-1;

1 = station voldoet aan Aanbeveling ITU-R M.1371-3 (of later);

2 = station voldoet aan Aanbeveling ITU-R M.1371-5 (of later);

3 = station voldoet aan toekomstige versies.

IMO number

30

0 = niet beschikbaar = standaard — niet van toepassing op opsporings- en reddingsvliegtuigen

0000000001-0000999999 niet gebruikt

0001000000-0009999999 = geldig IMO-nummer;

0010000000-1073741823 = officieel vlaggenstaat-nummer. (11)

Call sign

42

7 × 6-bit ASCII-karakters, "@@@@@@@" = niet beschikbaar = standaard

Een vaartuig dat bij een moederschip hoort, gebruikt "A" gevolgd door de laatste 6 tekens van het MMSI-nummer van het moederschip. Het gaat onder meer om gesleepte vaartuigen, hulpverleningsboten, tenders, reddingsboten en reddingsvlotten.

Name

120

Maximaal 20 karakters 6-bit ASCII, zie ITU-R M.1371;

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@ = niet beschikbaar = standaard. Voor opsporings- en reddingsvliegtuigen (SAR) moet dit worden ingesteld op "SAR AIRCRAFT NNNNNNN" waarbij NNNNNNN gelijk is aan het registratienummer van het vliegtuig.

Type of vessel and cargo

8

0 = niet beschikbaar of geen schip = standaard;

1 - 99 = als gedefinieerd in ITU-R M.1371; (12)

100 - 199 = gereserveerd voor regionaal gebruik;

200 - 255 = gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Niet van toepassing op SAR-vliegtuigen.

Overall dimensions of vessel/convoy and reference for position

30

Referentiepunt voor gemelde positie; geeft ook de afmetingen van het schip in meter aan (zie ITU-R M.1371).

Voor SAR-vliegtuigen mag de bevoegde instantie over het gebruik van dit veld beslissen. Als het wordt gebruikt, moeten hier de maximale afmetingen worden vermeld. A = B = C = D moeten standaard worden ingesteld op"0". (13)  (14)  (15)

Type of electronic position fixing device

4

0 = Niet gedefinieerd (standaard)

1 = gps

2 = GLONASS

3 = Combinatie van gps/GLONASS

4 = Loran-C

5 = Chayka

6 = Geïntegreerd navigatiesysteem

7 = Wordt geïnspecteerd

8 = Galileo

9 -14 = niet gebruikt

15 = interne GNSS

ETA

20

ETA; MMDDHHMM UTC

Bits 19 - 16: maand; 1 - 12: 0 = niet beschikbaar = standaard;

Bits 15 - 11: dag; 1 - 31; 0 = niet beschikbaar = standaard;

Bits 10 - 6: uur; 0 - 23; 24 = niet beschikbaar = standaard;

Bits 5 - 0: minuut; 0 - 59; 60 = niet beschikbaar = standaard

Voor SAR-vliegtuigen mag de bevoegde instantie over het gebruik van dit veld beslissen.

Maximum present static draught

8

in 1/10 m, 255 = diepgang 25,5 m of meer, 0 = niet beschikbaar = standaard (16)

Destination

120

Maximaal 20 karakters 6-bit ASCII; @@@@@@@@@@@@@@@@@@@@ = niet beschikbaar. (17)

Data Terminal Equipment (DTE)

1

Dataterminal klaar (0 = beschikbaar, 1 = niet beschikbaar = standaard)

Spare

1

Extra. Niet gebruikt. Wordt op nul gezet. Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Totaal

424

Gebruikt twee slots

Figuur 3.1.

Referentiepunt voor gemelde positie en totale afmetingen van het schip/konvooi

Image 6

 

Aantal bits

Bitvelden

Afstand (m)

 

A

9

Bit 21 - Bit 29

0-511

511 = 511 m of meer

Referentiepunt voor gemelde positie

B

9

Bit 12 - Bit 20

0-511

511 = 511 m of meer

C

6

Bit 6 - Bit 11

0-63

63 = 63 m of meer

D

6

Bit 0 - Bit 5

0-63

63 = 63 m of meer

L = A + B

Gedefinieerd in Inland FI 10

Totale afmeting gebruikt in mobiel Inland AIS-station

W = C + D

De afmeting moet in de richting van de doorgezonden informatie over de vaarrichting (boeg) worden gegeven.

Referentiepunt van de gemelde positie niet beschikbaar, maar afmetingen van het schip/konvooi wel: A = C = 0 en B ≠ 0 en D ≠ 0.

Geen referentiepunt van de gemelde positie, noch afmetingen van het schip/konvooi: A = B = C = D = 0 (= standaard).

Voor gebruik van de berichtentabel: A = belangrijkste veld, D = minst belangrijke veld.

3.4.3.   Commando groepsindeling (bericht 23)

Mobiele Inland AIS-stations worden voor groepsindeling geadresseerd via bericht 23 met gebruik van stationtype "6 = binnenwateren".

3.5.   Inland AIS-berichten

3.5.1.   Extra Inland AIS-berichten

Om aan de informatiebehoeften te voldoen, zijn specifieke Inland AIS-berichten gedefinieerd. Behalve de inhoud van de informatie die rechtstreeks in het Inland AIS-station wordt geïmplementeerd, kan het mobiele Inland AIS-station extra informatie verzenden via application specific messages (ASM, specifieke applicatieberichten). Deze inhoud van de informatie wordt gewoonlijk verwerkt door een externe applicatie, zoals Inland ECDIS.

Het gebruik van ASM voor Inland AIS valt onder de bevoegdheid van de riviercommissie of de bevoegde instanties.

3.5.2.   Applicatie-identificatie voor specifieke applicatieberichten voor Inland AIS

De specifieke applicatieberichten bestaan uit het kader voor mobiele AIS-stations van klasse A overeenkomstig Aanbeveling ITU-R M.1371 (bericht-ID, herhalingsindicator, bron-ID, bestemmings-ID), de applicatie-identificatie (AI = DAC + FI) en de gegevensinhoud (met een variabele lengte tot een bepaald maximum).

De 16-bits applicatie-identificatie (AI = DAC + FI) bestaat uit de volgende onderdelen:

a)

een 10-bits toegekende gebiedscode (DAC): internationaal (DAC = 1) of regionaal (DAC > 1);

b)

een 6-bits functie-identificatie (FI) waardoor 64 unieke specifieke applicatieberichten mogelijk zijn.

Voor Europees geharmoniseerde specifieke applicatieberichten voor Inland AIS wordt DAC "200" gebruikt.

Daarnaast kunnen nationale (regionale) DAC worden gebruikt in lokale ASM, bijvoorbeeld testpiloten. Niettemin wordt sterk aanbevolen het gebruik van regionale ASM te vermijden.

3.5.3.   Informatie-inhoud via specifieke applicatieberichten

Inland AIS ASM DAC = 200 FI = 10 (statische en reisgerelateerde gegevens over binnenschepen) en DAC = 200 FI = 55 (aantal personen aan boord van een binnenschip) worden rechtstreeks in het mobiele Inland AIS-station geïmplementeerd (zie de punten 3.5.3.1 en 3.5.3.2).

3.5.3.1.   Statische en reisgerelateerde gegevens over binnenschepen (specifiek bericht 10 voor de binnenvaart)

Dit bericht wordt uitsluitend door binnenvaartschepen gebruikt om in aanvulling op bericht 5 statische en reisgerelateerde scheepsgegevens te verzenden. Het bericht wordt zo spoedig mogelijk (vanuit AIS-oogpunt) na bericht 5 met binair bericht 8 verzonden.

Tabel 3.4

Melding gegevens binnenvaartschip

 

Parameter

Aantal bits

Omschrijving

Message ID

6

ID voor bericht 8; altijd 8

Repeat indicator

2

Door de repeater gebruikt om aan te geven hoe vaak een bericht herhaald is.

0-3: standaard = 0; 3 = niet meer herhalen

Source ID

30

MMSI-nummer

Spare

2

Wordt niet gebruikt, wordt op nul gezet. Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Binaire gegevens

Application identifier

16

DAC = 200, FI = 10

Unique European vessel identification number (ENI)

48

8*6-bit ASCII-karakters

00000000 = ENI niet toegekend = standaard

Length of vessel/convoy

13

1-8 000 (de rest wordt niet gebruikt); lengte van het schip/konvooi in 1/10 m; 0 = standaard

Beam of vessel/convoy

10

1-1 000 (de rest wordt niet gebruikt); breedte van het schip/konvooi in 1/10 m; 0 = standaard

Vessel and convoy type

14

Numeriek scheeps- en konvooitype als omschreven in aanhangsel C

0 = niet beschikbaar = standaard

Dangerous cargo indication

3

Aantal blauwe kegels/lichten 0 - 3; 4 = B-vlag, 5 = standaard = onbekend

Maximum present static draught

11

1-2 000 (de rest wordt niet gebruikt); diepgang in 1/100 m; 0 = standaard = onbekend

Loaded/unloaded

2

1 = geladen, 2 = ongeladen, 0 = niet beschikbaar/standaard, 3 wordt niet gebruikt

Quality of speed information

1

1 = hoog, 0 = laag/GNSS = standaard (*1)

Quality of course information

1

1 = hoog, 0 = laag/GNSS = standaard (*1)

Quality of heading information

1

1 = hoog, 0 = laag = standaard (*1)

Spare

8

Wordt niet gebruikt, wordt op nul gezet. Gereserveerd voor toekomstig gebruik

 

Totaal

168

Gebruikt één slot

3.5.3.2.   Aantal personen aan boord (specifiek binnenvaartbericht FI 55)

Dit bericht wordt uitsluitend door binnenvaartschepen verzonden om het aantal personen aan boord (passagiers, bemanning, boordpersoneel) door te geven. Het bericht wordt met binair bericht 6 verzonden, bij voorkeur als de omstandigheden dat vereisen of op verzoek, waarbij binair functioneel IAI-bericht 2 wordt gebruikt.

Tabel 3.5

Melding aantal personen aan boord

 

Parameter

Bit

Omschrijving

Message ID

6

ID voor bericht 6; altijd 6

Repeat indicator

2

Door de repeater gebruikt om aan te geven hoe vaak een bericht herhaald is.

0-3: standaard = 0; 3 = niet meer herhalen

Source ID

30

MMSI-nummer van bronstation

Sequence number

2

0-3

Destination ID

30

MMSI-nummer van bestemmingsstation

Retransmit flag

1

Vlag die wordt gebruikt bij hertransmissie: 0 = niet opnieuw gezonden = standaard;

1 = opnieuw gezonden

Spare

1

Niet gebruikt, wordt op nul gezet. Gereserveerd voor toekomstig gebruik

Binaire gegevens

Application identifier

16

DAC = 200, FI = 55

Number of crew members on board

8

0-254 bemanningsleden, 255 = onbekend = standaard

Number of passengers on board

13

0-8 190 passagiers, 8 191 = onbekend = standaard

Number of shipboard personnel on board

8

0-254 boordpersoneelsleden, 255 = onbekend = standaard

Spare

51

Niet gebruikt, wordt op nul gezet. Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

 

Totaal

168

Gebruikt één slot

4.   OVERIGE MOBIELE AIS-STATIONS OP DE BINNENWATEREN

4.1.   Inleiding

Schepen die niet verplicht zijn om mobiele Inland AIS-stations te gebruiken, kunnen andere mobiele AIS-stations gebruiken. De volgende mobiele stations mogen worden gebruikt:

a)

mobiele AIS-stations van klasse A in overeenstemming met artikel 35, leden 2 en 3, van Richtlijn 2014/90/EU van de Commissie (18);

b)

mobiele AIS-stations van klasse B in overeenstemming punt 4.2.

Het gebruik van dergelijke stations op de binnenwateren hangt af van het besluit van de bevoegde instantie voor de scheepvaart in dat gebied.

Als dergelijke stations op vrijwillige basis worden gebruikt, houdt de kapitein de handmatig ingevoerde AIS-gegevens voortdurend bij. Er mogen geen onjuiste gegevens via AIS worden verzonden.

4.2.   Algemene eisen voor mobiele AIS-stations van klasse B op de binnenwateren

De functies van mobiele AIS-stations van klasse B zijn beperkt ten opzichte van mobiele Inland AIS-stations. In vergelijking met mobiele Inland AIS-stations worden berichten door mobiele AIS-stations van klasse B met een lagere prioriteit verzonden.

Als aanvulling op de eisen die voortvloeien uit andere rechtshandelingen van de Unie, met name Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad (19) en Beschikking 2005/53/EG van de Commissie (20), moeten mobiele AIS-stations van klasse B aan boord van schepen die op de binnenwateren van de Unie varen, beantwoorden aan de eisen van:

a)

Aanbeveling ITU-R M.1371;

b)

internationale norm IEC 62287 (met inbegrip van DSC-kanaalbeheer).

Noot:

De bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de scheepvaart in dat gebied, moet zich ervan vergewissen dat mobiele AIS-stations van klasse B conform de normen en eisen in de tweede alinea zijn alvorens een vergunning voor een scheepsstation af te geven of een MMSI-nummer toe te kennen, bijvoorbeeld door een typegoedkeuring van de desbetreffende mobiele AIS-stations van klasse B.

5.   AIS-HULPMIDDELEN VOOR DE NAVIGATIE IN DE BINNENVAART

5.1.   Inleiding

Navigatiehulpmiddelen (aids to navigation, AtoN) zijn markeringen die de navigatie ondersteunen. Het gaat onder meer om markeringen voor vuurtorens, boeien, mistseinen en dagbakens. Een lijst van soorten hulpmiddelen is opgenomen in tabel 5.2.

AIS-technologie biedt de mogelijkheid om informatie over AtoN dynamisch over te brengen.

Voor gebruik in de binnenvaart moet het maritieme AIS-bericht over AtoN (bericht 21) worden uitgebreid met de specifieke kenmerken van het bebakeningssysteem voor de binnenwateren.

Het martieme AIS-bericht over AtoN is gebaseerd op het bebakeningssysteem van de IALA. Voor de binnenvaart moet het AIS-bericht over AtoN rekening houden met het Europees AtoN-systeem voor de binnenvaart als beschreven in deel 5.

In het AIS-bericht over AtoN worden de positie en de betekenis van de AtoN doorgestuurd, en of een boei zich op de vereiste plek bevindt of niet (in positie of uit positie).

5.2.   Gebruik van bericht 21: Bericht over navigatiehulpmiddelen

Voor de binnenwateren wordt het AIS-bericht over AtoN (bericht 21) gebruikt als gedefinieerd in Aanbeveling ITU-R M1371. De extra Europese AtoN-types voor de binnenvaart worden gecodeerd met "AtoN status"-bits.

Tabel 5.1

AIS-bericht over AtoN

Parameter

Aantal bits

Omschrijving

Message ID

6

ID voor dit bericht is 21

Repeat indicator

2

Door de repeater gebruikt om aan te geven hoe vaak een bericht herhaald is.

0-3: standaard = 0; 3 = niet meer herhalen.

ID

30

MMSI-nummer (zie artikel 19 van de herschikkings-verordening en Aanbeveling ITU-R M.585)

Type of Aids-to-Navigation

5

0 = niet beschikbaar = standaard; verwijzing naar de passende definitie van de IALA; zie figuur 5-1 (21)

Name of Aids-to-Navigation

120

Maximaal 20 karakters 6-bits ASCII, als gedefinieerd in tabel 47 "@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@" = niet beschikbaar = standaard.

De naam van de AtoN mag worden uitgebreid met de parameter "Name of Aids-to-Navigation Extension" hieronder.

Position accuracy (PA)

1

1 = hoog (≤ 10 m); 0 = laag (> 10 m); 0 = standaard. De PA-vlag moet worden bepaald in overeenstemming met de tabel "informatie over de vaststelling van de positienauwkeurigheid" van Aanbeveling ITU-R M.1371.

Longitude

28

Lengtegraad van de positie van een AtoN in 1/10 000 min (± 180°, oost = positief, west = negatief; 181 = (6791AC0h) = niet beschikbaar = standaard).

Latitude

27

Breedtegraad van een AtoN in 1/10 000 min (± 90°, noord = positief, zuid = negatief; 91 = (3412140h) = niet beschikbaar = standaard).

Dimension/reference for position

30

Referentiepunt voor gemelde positie; geeft ook de afmetingen van een AtoN aan (m) (zie figuur 5-1), indien relevant (22)

Type of electronic position fixing device

4

0 = niet gedefinieerd (standaard)

1 = gps

2 = GLONASS

3 = combinatie van gps/GLONASS

4 = Loran-C

5 = Chayka

6 = geïntegreerd navigatiesysteem

7 = wordt geïnspecteerd. Voor vaste en virtuele AtoN moet de positie op de kaart worden gebruikt. De nauwkeurige positie versterkt zijn functie als een radarreferentiedoel.

8 = Galileo

9-14 = niet gebruikt

15 = interne GNSS

Tijdstempel

6

UTC-seconde wanneer het bericht werd gegenereerd door het EPFS (0-59, of 60 als geen tijdstempel beschikbaar is, wat ook de standaardwaarde is, of 61 als het plaatsbepalingssysteem in handmatige invoermodus staat, of 62 als het elektronisch plaatsbepalingssysteem in schattingsmodus (dead reckoning) werkt, of 63 als het plaatsbepalingssysteem niet werkt).

Off-position indicator

1

Uitsluitend voor drijvende AtoN: 0 = in positie; 1 = uit positie.

OPMERKING 1 — Deze vlag mag door het ontvangende station alleen als geldig worden beschouwd in geval van drijvende AtoN en als het tijdstempel gelijk aan of lager is dan 59. Voor drijvende AtoN moeten de parameters voor de veiligheidszone bij de installatie worden ingesteld.

AtoN status

8

Gereserveerd voor de aanduiding van de AtoN-status

00000000 = standaard (23)

RAIM flag

1

RAIM-vlag (Receiver Autonomous Integrity Monitoring) van elektronisch plaatsbepalingsapparaat; 0 = RAIM niet in gebruik = standaard; 1 = RAIM in gebruik; zie tabel "informatie over de vaststelling van de positienauwkeurigheid" van Aanbeveling ITU-R M.1371.

Virtual AtoN flag

1

0 = standaard = echte AtoN op vermelde positie; 1 = virtuele AtoN, bestaat niet echt (24)

Assigned mode flag

1

0 = station werkt in autonome en continue modus = standaard; 1 = station werkt in toegekende modus.

Spare

1

Extra. Niet gebruikt. Moet op nul worden gezet. Gereserveerd voor toekomstig gebruik

Name of Aids-to-Navigation Extension

0, 6, 12, 18, 24, 30, 36, … 84

Als voor de naam van de AtoN meer dan 20 karakters nodig zijn, mag deze parameter van maximaal 14 aanvullende 6-bits ASCII-karakters voor een 2-slot-bericht worden gecombineerd met de parameter "Name of Aids-to-Navigation" aan het einde van die parameter. Deze parameter moet worden weggelaten als in totaal niet meer dan 20 karakters nodig zijn voor de naam van de AtoN. Alleen het vereiste aantal karakters mag worden doorgegeven, d.w.z. er mag geen @-karakter worden gebruikt.

Spare

0, 2, 4, of 6

Extra. Wordt alleen gebruikt als de parameter "Name of Aids-to-Navigation Extension" wordt gebruikt. Moet op nul worden gezet. Het aantal extra bits moet worden aangepast in functie van de bytebegrenzingen.

Totaal

272-360

Gebruikt twee slots

Figuur 5-1

Referentiepunt voor de gemelde positie van maritieme AtoN, of afmetingen van AtoN

Image 7

 

Aantal bits

Bitvelden

Afstand (m)

A

9

Bit 21 - Bit 29

0-511

511 - 511 m of meer

B

9

Bit 12 - Bit 20

0-511

511 - 511 m of meer

C

6

Bit 6 - Bit 11

0-63

63 - 63 m of meer

D

6

Bit - Bit 5

0-63

63 - 63 m of meer

Als het door te sturen AtoN-type onder de bestaande AtoN-types van de IALA valt (volgens Tabel 5.2), moet niets worden gewijzigd.

Tabel 5.2

Types navigatiehulpmiddelen

Code

Definitie zeevaart

 

0

Standaard, AtoN-type niet gespecificeerd

 

1

Referentiepunt

 

2

RACON

 

3

Vaste offshore-constructie (boorplatform, windmolenpark)

(OPMERKING 1 — Deze code identificeert een belemmering die is voorzien van een AtoN AIS-station.)

 

4

Noodwrakboei

Vast AtoN

5

Licht, zonder sectoren

6

Licht, met sectoren

7

Geleidelicht voor

8

Geleidelicht achter

9

Baken, hoofdwindstreek N

10

Baken, hoofdwindstreek O

11

Baken, hoofdwindstreek Z

12

Baken, hoofdwindstreek W

13

Baken, bakboord

14

Baken, stuurboord

15

Baken, voorkeurkanaal bakboord

16

Baken, voorkeurkanaal stuurboord

17

Baken, vrijliggend gevaar

18

Baken, veilig water

19

Baken, bijzondere markering

Drijvend AtoN

20

Hoofdwindstreek N

21

Hoofdwindstreek O

22

Hoofdwindstreek Z

23

Hoofdwindstreek W

24

Bakboordmarkering

25

Stuurboordmarkering

26

Voorkeurkanaal bakboord

27

Voorkeurkanaal stuurboord

28

Vrijliggend gevaar

29

Veilig water

30

Bijzondere markering

31

Lichtschip/LANBY/platformen

OPMERKING 1 — Indien van toepassing zijn de hierboven genoemde AtoN-types gebaseerd op het bebakeningssysteem voor de zeevaart van de IALA.

OPMERKING 2 — Er kan verwarring ontstaan bij de beslissing of een hulpmiddel verlicht of onverlicht is. De bevoegde instanties kunnen dit in het regionale/lokale deel van het bericht aangeven.

5.3.   Uitbreiding van bericht 21 met specifieke AtoN-types voor de binnenvaart

Het parameterveld "AtoN status" wordt gebruikt voor de uitbreiding van bericht 21 met specifieke AtoN-types voor de binnenvaart.

Het parameterveld "AtoN status" telt acht bladzijden; bladzijde-ID 0 staat voor 0 = standaard, bladzijde-ID 1 tot en met 3 is voor regionaal gebruik en bladzijde-ID 4 tot en met 7 voor internationaal gebruik. De eerste drie bits van de AtoN-statusveld definiëren de bladzijde-ID, de overige vijf bits bevatten de informatie op de bladzijde.

De regio, waarop bladzijde-ID 1 tot en met 3 van toepassing is, wordt gedefinieerd door de maritieme identificatiecijfers in het MMSI-nummer van het uitzendende AIS AtoN-station. De bitcodering van de vijf informatiebits in het AtoN-statusveld is bijgevolg alleen van toepassing in die specifieke regio.

Wat de binnenwateren van de Unie betreft, bevat bladzijde-ID 1 van het AtoN-statusveld de lijst van de gebruikte specifieke AtoN-types voor de binnenvaart.

Om in bericht 21 een specifiek AtoN-type voor de binnenvaart in te stellen, moeten twee stappen worden genomen: eerst moet de parameter "Type of aids-to-navigation" in bericht 21 worden ingesteld op "0 = standaard, AtoN-type niet gespecificeerd". Daarna moet de parameter "AIS status" worden ingesteld op bladzijde-ID 1 en moet de toepasselijke code van het specifieke AtoN-type voor de binnenvaart als volgt worden ingesteld:

Bericht 21 — AtoN status:

Bits:

Image 8

Image 9

LSB

Codering:

Bladzijde-ID

AtoN-type (0-31)

 


(1)  Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 152).

(3)  Verordening (EG) nr. 414/2007 van de Commissie van 13 maart 2007 betreffende technische richtsnoeren voor de planning, de toepassing en het operationele gebruik van River Information Services (RIS), zoals vermeld in artikel 5 van Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PB L 105 van 23.4.2007, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 909/2013 van de Commissie van 10 september 2013 tot vaststelling van de technische specificaties voor het systeem voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en -informatie (Inland ECDIS) als bedoeld in Richtlijn 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 258 van 28.9.2013, blz. 1).

(6)  Als een mobiel station bepaalt dat het zelf de semafoor is (zie Aanbeveling ITU-R M.1371, bijlage 2, punt 3.1.1.4), moet de meldfrequentie worden verhoogd naar elke 2 seconden (zie Aanbeveling ITU-R M.1371, bijlage 2, punt 3.1.3.3.2).

(7)  Wordt indien nodig omgeschakeld door de bevoegde instantie.

(8)  Niet van toepassing binnen de Unie in het kader van deze verordening.

(9)  Knopen worden door externe apparatuur aan boord berekend in km/h.

(10)  Wordt alleen beoordeeld als het bericht van een mobiel Inland AIS-station komt en de informatie automatisch wordt gegenereerd ("direct connection to switch").

(11)  Wordt op 0 gezet voor binnenvaartschepen.

(12)  Voor de binnenvaart wordt het type schip gebruikt dat er het meest op lijkt (zie AANHANGSEL C).

(13)  De afmetingen worden vastgesteld aan de hand van de maximale rechthoekomvang van het konvooi.

(14)  De nauwkeurigheid van de binnenvaartinformatie wordt in decimeter naar boven afgerond.

(15)  De informatie over het referentiepunt moet worden afgeleid uit de SSD-interfacestring middels het veld "source identifier" (bron-ID). De informatie over het referentiepunt voor de positie met als bron-ID "AI" moet als een intern gegeven worden opgeslagen. Andere bron-ID's geven referentiepuntinformatie voor het externe referentiepunt.

(16)  De nauwkeurigheid van de binnenvaartinformatie wordt in centimeter naar boven afgerond.

(17)  De ISRS-locatiecodes als onderdeel van de RIS-index worden gebruikt op basis van het Europees beheersysteem voor referentiegegevens (ERDMS) dat wordt bijgehouden door de Europese Commissie.

(*1)  Wordt op 0 gezet als er geen goedgekeurd sensortype (bv. gyro) met de transponder is verbonden.

(18)  Richtlijn 2014/90/EU van de Commissie van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 146).

(19)  Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10).

(20)  Beschikking 2005/53/EG van de Commissie van 25 januari 2005 betreffende de toepassing van artikel 3, lid 3, onder e), van Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad op radioapparatuur die bedoeld is om deel te nemen aan het automatische identificatiesysteem (AIS) (PB L 22 van 26.1.2005, blz. 14).

(21)  Als een AtoN-typecode voor de binnenvaart wordt verzonden, wordt dit veld (type of AtoN) ingesteld op 0 = ongedefinieerd.

(22)  Bij gebruik van figuur 5-1 voor AtoN wordt het volgende in acht genomen:

voor vaste AtoN, virtuele AtoN en offshoreconstructies is afmeting A op het geografische noorden georiënteerd;

voor drijvende hulpmiddelen groter dan 2 m * 2 m worden de afmetingen van de AtoN altijd bij benadering als een cirkel opgegeven, d.w.z. de afmetingen zijn altijd: A = B = C = D ≠ 0 (dat is te wijten aan het feit dat de oriëntatie van de drijvende AtoN niet wordt doorgezonden. Het referentiepunt voor de gemelde positie is het middelpunt van de cirkel);

A = B = C = D = 1 duidt (vaste of drijvende) voorwerpen aan die kleiner zijn dan of gelijk aan 2 m * 2 m (het referentiepunt voor de gemelde positie is het middelpunt van de cirkel);

drijvende offshoreconstructies die niet zijn vastgemaakt, zoals platforms, krijgen typecode 31 van Tabe: 5.2. De parameter "Dimension/reference for position" voor dergelijke constructies wordt vastgesteld als in opmerking 1 hierboven.

Vaste offshorestructuren (typecode 3 in Tabel 5.2) krijgen hun parameter "Afmetingen/referentie voor positie" als vastgesteld in opmerking 1 hierboven. Bijgevolg worden de afmetingen van alle offshore-AtoN en -constructies op dezelfde wijze vastgesteld en worden de werkelijke afmetingen opgenomen in bericht 21.

(23)  Voor een AtoN-bericht in Inland AIS moet dit veld worden gebruikt om het Inland AtoN-type aan te geven met gebruik van pagina 001.

(24)  Als informatie over virtuele AtoN wordt doorgestuurd, d.w.z. als de vlag voor virtuele/pseudo-AtoN is ingesteld op 1, moeten de afmetingen worden ingesteld op A = B=C = D = 0 (standaard). Dat is ook het geval als "reference point"-informatie wordt doorgestuurd.

Aanhangsel A

AFKORTINGEN

AI

Application Identifier (applicatie-identificatie)

AIS

Automatic Identification System (automatisch identificatiesysteem)

ADN

Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren

ASCII

American Standard Code for Information Interchange

ASM

Application Specific Message (specifiek applicatiebericht)

AtoN

Aids to Navigation (navigatiehulpmiddelen)

DAC

Designated Area Code (vastgestelde gebiedscode)

DGNSS

Differentieel GNSS

FI

Functional Identifier (functie-identificatie)

GLONASS

Global Navigation Satellite System ((Russisch) wereldwijd satellietnavigatiesysteem)

GNSS

Global Navigation Satellite System (wereldwijd satellietnavigatiesysteem)

gps

Global Positioning System ((Amerikaans) wereldwijd plaatsbepalingssysteem)

HDG

Vaarrichting

IAI

International Application Identifier (internationale applicatie-identificatie)

ID

Identificatiecode

ITU

Internationale Telecommunicatie-unie

MMSI

Maritieme identificatie voor mobiele diensten als bedoeld in ITU-aanbeveling ITU-R M585

ROT

Rate of turn (draaisnelheid)

Class B SO/CS

Mobiele stations van klasse B die carrier-sense time division multiple access (CSTDMA) gebruiken (CS) of self-organising time division multiple access (SOTDMA) (SO)

SOLAS

Safety Of Life At Sea (Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee)

SQRT

Square Root (vierkantswortel)

UTC

Universal Time Coordinated (gecoördineerde universele tijd)

VHF

Very High Frequency (zeer hoge frequentie)

VTS

Vessel Traffic Services (verkeersbegeleidingsdiensten)

Aanhangsel B

DIGITALE INTERFACE-STRINGS VOOR INLAND AIS

B.1   Input-strings

De seriële digitale interface van AIS wordt ondersteund door de bestaande IEC 61162-strings. Voor een gedetailleerde beschrijving van de digitale interface-strings wordt verwezen naar IEC 61162.

Bovendien zijn de volgende digitale interface-strings gedefinieerd voor mobiele Inland AIS-stations.

B.2   Statische scheepsgegevens voor de binnenwateren

Deze string wordt gebruikt om instellingen te wijzigen die niet onder SSD en VSD vallen.

USDPIWWSSD,cccccccc,xxxx,x.x,x.x,x,x,x,x.x,x.x,x.x,x.x*hh<CR><LF>

field 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

Veld

Formaat

Omschrijving

1

cccccccc

ENI-nummer

2

xxxx

Type binnenvaartschip volgens AANHANGSEL C

3

x.x

Scheepslengte van 0 tot 800,0 meter

4

x.x

Scheepsbreedte van 0 tot 100,0 meter

5

x

Kwaliteit van snelheidsinformatie, 1 = hoog of 0 = laag

6

x

Kwaliteit van koersinformatie, 1 = hoog of 0 = laag

7

x

Kwaliteit van vaarrichtinginformatie, 1 = hoog of 0 = laag

8

x.x

B-waarde voor interne referentiepositie (afstand referentiepunt tot achtersteven)

9

x.x

C-waarde voor interne referentiepositie (afstand referentiepunt tot bakboordzijde)

10

x.x

B-waarde voor externe referentiepositie (afstand referentiepunt tot achtersteven)

11

x.x

C-waarde voor externe referentiepositie (afstand referentiepunt tot bakboordzijde)

B.3   Reisgerelateerde gegevens voor de binnenwateren

Deze string wordt gebruikt om reisgerelateerde scheepsgegevens voor de binnenvaart in te voeren in een mobiel Inland AIS-station. Voor het instellen van die gegevens wordt de string USDPIWWIVD met de volgende inhoud gebruikt:

USDPIWWIVD,x,x,x,x.x,x.x,x,xxx,xxxx,xxx,x.x,x.x,x.x,x.x*hh<CR><LF>

field 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13

Veld

Formaat

Omschrijving

1

x

Zie Aanbeveling ITU-R M.1371, Bericht 23, instellingen voor meldfrequenties, standaardinstelling: 0

2

x

Aantal blauwe kegels 0-3, 4 = B-vlag, 5 = standaard = onbekend

3

x

0 = niet beschikbaar = standaard, 1 = geladen, 2 = ongeladen, de rest wordt niet gebruikt

4

x.x

Statische diepgang van het schip van 0 tot 20,00 meter, 0 = onbekend = standaard, de rest wordt niet gebruikt

5

x.x

Doorvaarhoogte van het schip van 0 tot 40,00 meter, 0 = onbekend = standaard, de rest wordt niet gebruikt

6

x

Aantal assisterende sleepboten 0-6, 7 = standaard = onbekend, de rest wordt niet gebruikt

7

xxx

Aantal bemanningsleden aan boord van 0 tot 254, 255 = onbekend = standaard, de rest wordt niet gebruikt

8

xxxx

Aantal passagiers aan boord van 0 tot 8 190 , 8 191 = onbekend = standaard, de rest wordt niet gebruikt

9

xxx

Aantal boordpersoneelsleden aan boord van 0 tot 254, 255 = onbekend = standaard, de rest wordt niet gebruikt

10

x.x

Konvooi-uitbreiding tot boeg in (meter.decimeter = resolutie in dm)

11

x.x

Konvooi-uitbreiding tot achtersteven in (meter.decimeter = resolutie in dm)

12

x.x

Konvooi-uitbreiding tot bakboordzijde in (meter.decimeter = resolutie in dm)

13

x.x

Konvooi-uitbreiding tot stuurboordzijde in (meter.decimeter = resolutie in dm)

Bij lege velden wordt de overeenkomstige configuratie-instelling niet gewijzigd.

Aanhangsel C

SCHEEPS- EN KONVOOITYPES VOOR DE BINNENVAART

Deze concordantietabel is gebaseerd op een uittreksel van de "Codes voor types van vervoermiddelen" volgens VN/ECE-aanbeveling 28 en de types zeeschepen als gedefinieerd in Aanbeveling ITU-R M.1371 "Technische kenmerken voor een universeel automatisch identificatiesysteem aan boord van schepen waarbij gebruik wordt gemaakt van time division multiple access via de maritieme mobiele VHF-band".

Scheeps- en konvooitype

Type zeeschip

Code

Scheepsnaam

1e cijfer

2e cijfer

8000

Vaartuig, type onbekend

9

9

8010

Motorvrachtschip

7

9

8020

Motortankschip

8

9

8021

Motortankschip, vloeibare lading, type N

8

0

8022

Motortankschip, vloeibare lading, type C

8

0

8023

Motortankschip, droge lading alsof het om een vloeibare lading ging (bv. cement)

8

9

8030

Containerschip

7

9

8040

Gastanker

8

0

8050

Motorvrachtschip, sleepboot

7

9

8060

Motortankschip, sleepboot

8

9

8070

Motorvrachtschip met een of meer schepen langszij

7

9

8080

Motorvrachtschip met tanker

8

9

8090

Motorvrachtschip dat een of meer vrachtschepen voortduwt

7

9

8100

Motorvrachtschip dat ten minste een tankschip voortduwt

8

9

8110

Sleepboot, vrachtschip

7

9

8120

Sleepboot, tankschip

8

9

8130

Gekoppeld sleep-vrachtschip

3

1

8140

Gekoppeld sleep-vracht/tankschip

3

1

8150

Vrachtduwbak

9

9

8160

Tankduwbak

9

9

8161

Tankduwbak, vloeibare lading, type N

9

0

8162

Tankduwbak, vloeibare lading, type C

9

0

8163

Tankduwbak, droge lading alsof het om een vloeibare lading ging (bv. cement)

9

9

8170

Vrachtduwbak met containers

8

9

8180

Gastankduwbak

9

0

8210

Duwboot met een vrachtduwbak

7

9

8220

Duwboot met twee vrachtduwbakken

7

9

8230

Duwboot met drie vrachtduwbakken

7

9

8240

Duwboot met vier vrachtduwbakken

7

9

8250

Duwboot met vijf vrachtduwbakken

7

9

8260

Duwboot met zes vrachtduwbakken

7

9

8270

Duwboot met zeven vrachtduwbakken

7

9

8280

Duwboot met acht vrachtduwbakken

7

9

8290

Duwboot met negen of meer vrachtduwbakken

7

9

8310

Duwboot met een tank- of gastankduwbak

8

0

8320

Duwboot met twee vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8330

Duwboot met drie vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8340

Duwboot met vier vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8350

Duwboot met vijf vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8360

Duwboot met zes vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8370

Duwboot met zeven vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8380

Duwboot met acht vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8390

Duwboot met negen of meer vrachtduwbakken, waarvan minstens een tank- of gastankduwbak

8

0

8400

Sleepboot, losvarend

5

2

8410

Sleepboot met een of meer slepen

3

1

8420

Assisterende sleepboot

3

1

8430

Duwboot, losvarend

9

9

8440

Passagiersschip, veerboot, Rode Kruisschip, cruiseschip

6

9

8441

Veerboot

6

9

8442

Rode Kruisschip

5

8

8443

Cruiseschip

6

9

8444

Passagiersschip zonder accommodatie

6

9

8445

Hogesnelheidsschip voor dagtochten

6

9

8446

Draagvleugelboot voor dagtochten

6

9

8447

Cruisezeilschip

6

9

8448

Passagierszeilschip zonder accommodatie

6

9

8450

Dienstvaartuig, politiepatrouilleboot, havendiensten

9

9

8451

Dienstvaartuig

9

9

8452

Politiepatrouilleboot

5

5

8453

Havendienstvaartuig

9

9

8454

Patrouillevaartuig

9

9

8460

Werkvaartuig, drijvende kraan, kabelschip, betonningsvaartuig, baggermachine

3

3

8470

Niet nader gespecificeerd gesleept object

9

9

8480

Vissersvaartuig

3

0

8490

Bunkerschip

9

9

8500

Duwbak, tanker, chemisch

8

0

8510

Niet nader gespecificeerd object

9

9

1500

Vrachtschip (zee)

7

9

1510

Containerschip (zee)

7

9

1520

Bulkcarrier (zee)

7

9

1530

Tanker

8

0

1540

Gastanker

8

0

1850

Recreatievaartuig, meer dan 20 meter

3

7

1900

Snel schip

4

9

1910

Draagvleugelboot

4

9

1920

Snel vaartuig met twee evenwijdige kielen

4

9


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/70


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/839 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2019

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (1), en met name artikel 8, tweede alinea, en artikel 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 540/2014 bevat voorschriften voor de EU-typegoedkeuring van alle nieuwe voertuigen van de categorieën M (voertuigen voor personenvervoer) en N (voertuigen voor goederenvervoer) wat hun geluidsniveau betreft. Die verordening bevat ook bepalingen met betrekking tot het akoestische voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS) voor hybride elektrische en puur elektrische voertuigen, dat bedoeld is om kwetsbare weggebruikers te waarschuwen.

(2)

Het informatiedocument overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) betreffende de EU-typegoedkeuring van een voertuig wat het toegestane geluidsniveau betreft, moet worden herzien om de gedetailleerde AVAS-voorschriften te weerspiegelen.

(3)

Ingevolge de aanneming, op de 171e zitting van het Wereldforum voor harmonisatie van de regelgeving voor voertuigen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), van wijzigingenreeks 01 van VN/ECE-Reglement nr. 138 betreffende de goedkeuring van stille wegvoertuigen, moet bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 540/2014 worden herzien om het verbod op de AVAS-pauzefunctie in te voeren.

(4)

Verordening (EU) nr. 540/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Aangezien deze verordening een aanpassing bevat om rekening te houden met eisen met betrekking tot de AVAS-pauzefunctie die reeds van toepassing is op grond van de VN/ECE-Overeenkomst van 1958, en voorziet in de nodige overgangsbepalingen voor de toepassing in 2019, moet deze verordening met spoed in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en VIII bij Verordening (EU) nr. 540/2014 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 158 van 27.5.2014, blz. 131.

(2)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).


BIJLAGE

Verordening (EU) nr. 540/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I wordt aanhangsel 1 als volgt gewijzigd:

a)

punt 12.8 wordt geschrapt;

b)

het volgende punt 12.9 wordt toegevoegd:

"12.9.   AVAS

12.9.1.   Goedkeuringsnummer van een voertuigtype wat zijn geluidsemissie betreft, krachtens VN/ECE-Reglement nr. 138 (1)

of

12.9.2.   Volledige verwijzing naar de testresultaten van de AVAS-geluidsemissieniveaus, gemeten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 540/2014 (1)".

2)

Bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel I wordt vervangen door:

"DEEL I

Deze bijlage bevat bepalingen met betrekking tot het akoestische voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS) voor hybride elektrische en puur elektrische voertuigen.

I.1.   Onverminderd punt I.2, onder a) en b), en punt I.3, onder a) en b), zijn de bepalingen van deel II van toepassing op een AVAS dat:

a)

in een vóór 1 juli 2019 goedgekeurd voertuigtype is geïnstalleerd;

b)

geïnstalleerd is in een vóór 1 juli 2021 geregistreerd nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd.

I.2.   Onverminderd punt I.3, onder a) en b), zijn de bepalingen van deel III van toepassing op een AVAS dat:

a)

is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor vóór 1 juli 2019 typegoedkeuring is verleend, als de fabrikant dat wenst;

b)

is geïnstalleerd in een nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd;

c)

is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor na 1 juli 2019 en vóór 1 september 2021 typegoedkeuring is verleend;

d)

is geïnstalleerd in een vóór 1 september 2023 geregistreerd nieuw voertuig dat op het onder c) bedoelde type is gebaseerd.

I.3.   De bepalingen van deel IV zijn van toepassing op een AVAS dat:

a)

is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor vóór 1 september 2021 typegoedkeuring is verleend, als de fabrikant dat wenst;

b)

is geïnstalleerd in een nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd;

c)

is geïnstalleerd in een voertuig waarvoor op of na 1 september 2021 typegoedkeuring is verleend;

d)

is geïnstalleerd in een nieuw voertuig dat op het onder c) bedoelde type is gebaseerd;

e)

is geïnstalleerd in een op of na 1 september 2023 geregistreerd nieuw voertuig.";

b)

het volgende deel IV wordt toegevoegd:

"DEEL IV

De bepalingen van deel III zijn van toepassing, met uitzondering van deel III, punt 2, onder b). Bovendien geldt het volgende:

Schakelaar

Elk mechanisme waarmee de bestuurder de werking van een AVAS kan stopzetten (een "pauzefunctie"), moet voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.6 van VN/ECE-Reglement nr. 138, supplement 1 op de oorspronkelijke versie van het Reglement, wijzigingenreeks 01 (PB L 204 van 5.8.2017, blz. 112).".


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/74


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/840 VAN DE COMMISSIE

van 12 maart 2019

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 wat betreft de invoer van wijn van oorsprong uit Canada en tot vrijstelling van kleinhandelaren van de verplichting om een in- en uitslagregister bij te houden

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 89, onder a), en artikel 147, lid 3, onder d),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 van de Commissie (2) zijn voorschriften vastgesteld voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de begeleidende documenten voor de vrijgave van ingevoerde wijnbouwproducten voor het vrije verkeer in de Unie.

(2)

In artikel 23 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada inzake de handel in wijnen en gedistilleerde dranken (3) (hierna "de overeenkomst" genoemd) is bepaald dat wijn van oorsprong uit Canada, die onder het toezicht en de controle van een van de in bijlage VI bij de overeenkomst genoemde bevoegde instanties is geproduceerd, mag worden ingevoerd volgens de vereenvoudigde certificeringsprocedure waarin de voorschriften van de Unie voorzien. Overeenkomstig artikel 26 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 kunnen wijnproducenten in derde landen het certificeringsdocument opstellen en ondertekenen wanneer zij daartoe individueel zijn gemachtigd door een van de bevoegde instanties van die derde landen en door die bevoegde instantie worden gecontroleerd. Voor de uitvoering van artikel 23 van de overeenkomst moet Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 worden gewijzigd om daarin een bepaling op te nemen op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 26 van die verordening vastgestelde vereenvoudigde procedure voor de invoer van wijn van oorsprong uit Canada in de Unie.

(3)

Krachtens artikel 147, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn natuurlijke of rechtspersonen die voor de uitoefening van hun beroep houder van wijnbouwproducten zijn, verplicht registers van de in- en uitslag van de betrokken producten bij te houden. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 zijn voor bepaalde categorieën marktdeelnemers vrijstellingen van deze verplichting vastgesteld. Doel van deze vrijstellingen is de marktdeelnemers die kleine hoeveelheden wijnbouwproducten verkopen of in voorraad hebben, niet te belasten met buitensporige administratieve lasten. De vrijstellingen gelden echter niet voor kleinhandelaren die zakelijke activiteiten verrichten welke per definitie de verkoop van wijn en most in kleine hoeveelheden omvatten.

(4)

Op grond van Verordening (EG) nr. 436/2009 van de Commissie (4), die is ingetrokken bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273, waren kleinhandelaren vrijgesteld van de verplichting om een in- en uitslagregister bij te houden. De verplichting om een in- en uitslagregister bij te houden, vormt een aanzienlijke administratieve last voor kleinhandelaren, terwijl het opnieuw invoeren van de vrijstelling voor kleinhandelaren een afdoende traceerbaarheid van wijnbouwproducten niet in de weg staat. Het is derhalve passend Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 te wijzigen om kleinhandelaren vrij te stellen van de verplichting om een in- en uitslagregister bij te houden.

(5)

Aangezien deze verordening inhoudt dat de eerder krachtens Verordening (EG) nr. 436/2009 toegekende vrijstelling opnieuw wordt ingevoerd, moet worden vermeden dat de verplichting om een in- en uitslagregister bij te houden geldt voor kleinhandelaren in de periode tussen de inwerkingtreding van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 en de inwerkingtreding van deze verordening. Omwille van de rechtszekerheid dient de vrijstelling daarom met terugwerkende kracht te gelden, met ingang van de inwerkingtreding van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 28, lid 1, wordt het volgende punt c) toegevoegd:

"c)

kleinhandelaren.".

2)

Bijlage VII, deel IV, afdeling B, wordt vervangen door:

"B.

Lijst van derde landen als bedoeld in artikel 26:

Australië

Canada

Chili

Verenigde Staten van Amerika".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, lid 1, is van toepassing met ingang van 3 maart 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 maart 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 van de Commissie van 11 december 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het vergunningenstelsel voor het aanplanten van wijnstokken, het wijnbouwkadaster, begeleidende documenten en certificering, het in- en uitslagregister, de verplichte opgaven, meldingen en de bekendmaking van meegedeelde informatie, tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepasselijke controles en sancties, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 555/2008, (EG) nr. 606/2009 en (EG) nr. 607/2009 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 436/2009 van de Commissie en Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/560 van de Commissie (PB L 58 van 28.2.2018, blz. 1).

(3)  Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Canada inzake de handel in wijnen en gedistilleerde dranken van 16 september 2003 als gewijzigd en opgenomen in de brede economische en handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds (PB L 11 van 14.1.2017, blz. 23).

(4)  Verordening (EG) nr. 436/2009 van de Commissie van 26 mei 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad met betrekking tot het wijnbouwkadaster, de verplichte opgaven en de samenstelling van gegevens voor het volgen van de markt, de begeleidende documenten voor zendingen van wijnbouwproducten en de bij te houden registers in de wijnsector (PB L 128 van 27.5.2009, blz. 15).


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/76


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/841 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2019

tot rectificatie van bepaalde taalversies van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name de artikelen 7, 62, 156, 160, 212 en 253,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Duitse taalversie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (2) van de Commissie bevat een fout in de definitie in artikel 1, punt 21, wat betreft de goederen voor persoonlijk gebruik, waardoor de reikwijdte van de definitie verandert.

(2)

De Slowaakse taalversie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bevat een fout in artikel 128, lid 2, ingevoerd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 (3), wat betreft de waarde van de goederen met de douanestatus van Uniegoederen, waardoor de betekenis van de bepaling tegenovergesteld is aan de bedoelde betekenis.

(3)

De Italiaanse taalversie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 bevat een fout in artikel 226, lid 1, onder b), wat betreft de daarin vermelde werknemer.

(4)

The Estse taalversie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 bevat een fout in de inleidende zin van artikel 226, lid 3, waardoor de betekenis van de bepaling tegenovergesteld is aan de bedoelde betekenis.

(5)

De Deense, de Duitse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Nederlandse en de Spaanse taalversie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 bevatten een fout in bijlage 22-01 wat betreft de in die bijlage vermelde goederen.

(6)

De Deense, de Duitse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Slowaakse en de Spaanse en taalversie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 moeten daarom dienovereenkomstig worden gerectificeerd. De andere taalversies bevatten deze fouten niet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 wordt als volgt gerectificeerd:

1)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

2)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

3)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

4)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

5)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

6)

in bijlage 22-01, afdeling XI:

a)

In hoofdstuk 50, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5007, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

b)

In hoofdstuk 51, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5111, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

c)

In hoofdstuk 51, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5112, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

d)

In hoofdstuk 51, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5113, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

e)

In hoofdstuk 52, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5208, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

f)

In hoofdstuk 52, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5209, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

g)

In hoofdstuk 52, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5210, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

h)

In hoofdstuk 52, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5211, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

i)

In hoofdstuk 52, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5212, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

j)

In hoofdstuk 53, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5309, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

k)

In hoofdstuk 53, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5310, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

l)

In hoofdstuk 53, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code ex 5311 (a), wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

m)

In hoofdstuk 54, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5407, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

n)

In hoofdstuk 54, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5408, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

o)

In hoofdstuk 55, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5512, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

p)

In hoofdstuk 55, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5513, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

q)

In hoofdstuk 55, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5514, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

r)

In hoofdstuk 55, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5515, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

s)

In hoofdstuk 55, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5516, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

t)

In hoofdstuk 59, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5903, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

u)

In hoofdstuk 59, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5905, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

v)

In hoofdstuk 59, derde kolom van de tabel, de rij betreffende GS 2017-code 5907, wordt de derde alinea vervangen door:

"Bedrukken of verven van weefsels, ongebleekt of voorgebleekt, gepaard gaande met voorbehandelingen of eindbewerkingen";

7)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

8)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

9)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

10)

(heeft geen betrekking op het Nederlands);

11)

(heeft geen betrekking op het Nederlands).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016, blz. 1).


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/79


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/842 VAN DE COMMISSIE

van 22 mei 2019

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2019.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).


BIJLAGE

"BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3 bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 90

Geslacht pluimvee van de soort Gallus domesticus, aanbiedingsvorm 65 %, bevroren

120,2

0

AR

0207 14 10

Delen zonder been, van pluimvee van de soort Gallus domesticus, bevroren

255,6

13

AR

207,8

28

BR

219,7

24

TH

1602 32 11

Bereidingen van pluimvee van de soort Gallus domesticus, niet gekookt en niet gebakken

276,2

3

BR

"

(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/81


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/843 VAN DE COMMISSIE

van 23 mei 2019

betreffende de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de zesendertigste deelinschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (2), en met name artikel 32,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie (3) is de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving geopend.

(2)

In het licht van de inschrijvingen die voor de zesendertigste deelinschrijving zijn ontvangen, moet een minimumverkoopprijs worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de zesendertigste deelinschrijving voor de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving, waarvoor de inschrijvingen uiterlijk op 21 mei 2019 moesten zijn ingediend, bedraagt de minimumverkoopprijs 167,50 EUR per 100 kg.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2019.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie van 25 november 2016 tot opening van de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving (PB L 321 van 29.11.2016, blz. 45).


BESLUITEN

24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/82


BESLUIT (EU) 2019/844 VAN DE RAAD

van 14 mei 2019

betreffende de uitoefening van bevoegdheden door de secretaris-generaal van de Raad met betrekking tot klachten die kandidaten voor het ambt van Europees hoofdaanklager indienen bij de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 van de Raad van 13 juli 2018 over de werkwijze van de selectiecommissie als bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) (1), en met name de regels VI.1 en VII.1 van de bijlage,

Gezien het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (2) ("het Statuut"), en met name artikel 2 en artikel 90, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens regel VI.1 van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 ("de werkwijze van de selectiecommissie") kunnen kandidaten die van de selectieprocedure voor de benoeming van de Europese hoofdaanklager zijn uitgesloten, een klacht indienen bij de Raad overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut.

(2)

Krachtens regel VII.1 van de werkwijze van de selectiecommissie kunnen kandidaten die niet zijn opgenomen in de door de selectiecommissie voor de benoeming van de Europese hoofdaanklager opgestelde lijst van geschikte kandidaten, een klacht indienen bij de Raad overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut.

(3)

Artikel 2 van het Statuut vereist dat iedere instelling bepaalt wie de door het Statuut toegekende bevoegdheden uitoefent, met inbegrip van de in artikel 90, lid 2, van dat statuut bepaalde bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag.

(4)

Overeenkomstig artikel 240, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt de Raad bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal.

(5)

De bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag met betrekking tot klachten in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut die kandidaten van de selectieprocedure voor de benoeming van de Europese hoofdaanklager indienen bij de Raad overeenkomstig de regels VI.1 en VII.1 van de werkwijze van de selectiecommissie, moeten door de secretaris-generaal van de Raad worden uitgeoefend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij artikel 90, lid 2, van het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag verleende bevoegdheden met betrekking tot klachten die overeenkomstig regel VI.1 of VII.1 van de werkwijze van de selectiecommissie worden ingediend bij de Raad door kandidaten die van de selectieprocedure zijn uitgesloten of die niet zijn opgenomen in de door de selectiecommissie voor de benoeming van de Europese hoofdaanklager opgestelde lijst van geschikte kandidaten, worden uitgeoefend door de secretaris-generaal van de Raad namens en onder leiding van de Raad.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  PB L 282 van 12.11.2018, blz. 8.

(2)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/84


BESLUIT (EU) 2019/845 VAN DE RAAD

van 17 mei 2019

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de Werkgroep geografische aanduidingen die is opgericht bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, wat betreft de vaststelling van zijn reglement van orde

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (1), ("de overeenkomst") is bij Besluit (EU) 2015/2169 van de Raad (2) door de Unie gesloten. De overeenkomst is op 13 december 2015 in werking getreden.

(2)

Bij artikel 15.3, lid 1, van de overeenkomst is de Werkgroep geografische aanduidingen opgericht, die onder toezicht staat van het Handelscomité dat bij artikel 15.1, lid 1, van de overeenkomst is opgericht.

(3)

Krachtens artikel 15.4 van het reglement van orde van het Handelscomité, dat is goedgekeurd bij Besluit nr. 1 van het Handelscomité EU-Korea (3), kan elke werkgroep zijn eigen reglement van orde vaststellen, dat aan het Handelscomité moet worden meegedeeld.

(4)

Het reglement van orde van de Werkgroep geografische aanduidingen moet worden vastgesteld.

(5)

Het is wenselijk het standpunt inzake het reglement van orde van de Werkgroep geografische aanduidingen te bepalen dat namens de Unie in die werkgroep moet worden ingenomen, aangezien dit reglement bindend zal zijn voor de Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Werkgroep geografische aanduidingen, wat betreft de vaststelling van zijn reglement van orde, berust op het bij het onderhavige besluit gevoegde ontwerpbesluit van deze werkgroep.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

E.O. TEODOROVICI


(1)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 6.

(2)  Besluit (EU) 2015/2169 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (PB L 307 van 25.11.2015, blz. 2).

(3)  Besluit nr. 1 van het Handelscomité EU-Korea van 23 december 2011 betreffende de vaststelling van het reglement van orde van het Handelscomité [2013/110/EU] (PB L 58 van 1.3.2013, blz. 9).


BESLUIT Nr. 1/2019 VAN DE EU-KOREA-WERKGROEP GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

van …

tot vaststelling van zijn reglement van orde

DE EU-KOREA-WERKGROEP GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN,

Gezien de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (1) ("de overeenkomst"),

Gezien Besluit nr. 1 van het Handelscomité EU-Korea van 23 december 2011 betreffende de vaststelling van het reglement van orde van het Handelscomité [2013/110/EU] (2), en met name artikel 15.4 van de bijlage daarbij,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 15.4 van het reglement van orde van het Handelscomité, dat is goedgekeurd bij Besluit nr. 1 van het Handelscomité EU-Korea, kan elk gespecialiseerd comité en elke werkgroep zijn eigen reglement van orde vaststellen, dat aan het Handelscomité moet worden meegedeeld.

(2)

Het reglement van orde van de Werkgroep geografische aanduidingen moet worden vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het reglement van orde van de Werkgroep geografische aanduidingen, zoals opgenomen in de bijlage, wordt hierbij vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te …,

Voor de Werkgroep geografische aanduidingen

Teamleider

Hoofd van de eenheid

Ministerie van Handel, Industrie en Energie van de Republiek Korea

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling van de Europese Commissie

Medevoorzitter van de Werkgroep geografische aanduidingen

Medevoorzitter van de Werkgroep geografische aanduidingen


(1)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 6.

(2)  PB L 58 van 1.3.2013, blz. 9.

BIJLAGE

REGLEMENT VAN ORDE VAN DE WERKGROEP GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Artikel 1

Samenstelling en voorzitterschap

(1)   De Werkgroep geografische aanduidingen ("de GA-werkgroep"), die is opgericht overeenkomstig artikel 15.3.1, onder g), van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds ("de overeenkomst"), voert zijn taken uit zoals bepaald in artikel 10.25 van de overeenkomst.

(2)   De GA-werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de Republiek Korea ("Korea"), enerzijds, en vertegenwoordigers van de Europese Unie, anderzijds.

(3)   Krachtens artikel 15.3.3, van de overeenkomst wordt de GA-werkgroep gezamenlijk voorgezeten door vertegenwoordigers van Korea en de Europese Unie.

(4)   Elke medevoorzitter kan alle medevoorzittertaken of een deel daarvan delegeren aan een benoemde plaatsvervanger, in welk geval alle navolgende bepalingen betreffende de medevoorzitter eveneens gelden voor de benoemde plaatsvervanger.

(5)   Elke medevoorzitter wijst een contactpunt aan voor alle aangelegenheden betreffende de GA-werkgroep. Die contactpunten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de vervulling van de secretariaatstaken van de GA-werkgroep.

Artikel 2

Bijeenkomsten

Krachtens artikel 10.25.2 van de overeenkomst komt de werkgroep bij toerbeurt bij de ene of bij de andere partij bijeen. De GA-werkgroep komt bijeen op een plaats en een tijdstip en op een wijze, waaronder eventueel per videoconferentie, die onderling door de partijen worden overeengekomen, maar niet later dan 90 dagen nadat het verzoek door een van beide partijen is gedaan.

Artikel 3

Correspondentie

(1)   De correspondentie aan de voorzitters van de GA-werkgroep wordt ter verspreiding onder de leden van de GA-werkgroep toegezonden aan de contactpunten.

(2)   De correspondentie kan schriftelijk worden gevoerd, waaronder per e-mail.

(3)   Krachtens artikel 15 van het reglement van orde van het Handelscomité wordt het Handelscomité geïnformeerd over de door de GA-werkgroep aangewezen contactpunten. Alle correspondentie, alle documenten en mededelingen, met inbegrip van de e-mails tussen de contactpunten van de GA-werkgroep, betreffende de uitvoering van de overeenkomst worden tegelijkertijd aan het secretariaat van het Handelscomité, de delegatie van de Europese Unie in de Republiek Korea en de missie van de Republiek Korea bij de Europese Unie toegezonden.

Artikel 4

Agenda van de bijeenkomsten

(1)   Vóór elke bijeenkomst stellen de contactpunten een voorlopige agenda op. Deze wordt samen met de desbetreffende documenten uiterlijk 15 dagen vóór de bijeenkomst toegezonden aan de leden van de GA-werkgroep, met inbegrip van de medevoorzitters van de GA-werkgroep. De voorlopige agenda kan elk onderwerp omvatten dat onder artikel 10.25 van de overeenkomst valt.

(2)   Elk van beide partijen kan ten minste 21 dagen vóór de bijeenkomst verzoeken om een onderwerp dat onder artikel 10.25 van de overeenkomst valt, op de voorlopige agenda te zetten. Dat onderwerp wordt dan op de voorlopige agenda gezet.

(3)   Ten minste vijf dagen vóór de bijeenkomst wordt de laatste versie van de voorlopige agenda onder de medevoorzitters verspreid.

(4)   De agenda wordt bij het begin van elke bijeenkomst unaniem goedgekeurd door de medevoorzitters. Indien beide medevoorzitters zulks overeenkomen, kan een punt dat niet op de voorlopige agenda staat, aan de agenda worden toegevoegd.

Artikel 5

Verzoeken tot wijziging van bijlage 10-A of bijlage 10-B bij de overeenkomst

(1)   Elk van beide partijen kan in een brief die door de medevoorzitter van de betrokken partij is ondertekend, verzoeken om toevoeging of schrapping van afzonderlijke geografische aanduidingen aan respectievelijk uit bijlage 10-A of bijlage 10-B bij de overeenkomst.

(2)   Overeenkomstig de artikelen 10.25.1 en 10.25.3 van de overeenkomst kan de GA-werkgroep bij consensus besluiten tot wijziging van de bijlagen 10-A en 10-B, teneinde daarin geval voor geval geografische aanduidingen van de Europese Unie of Korea op te nemen nadat de in de overeenkomst bedoelde procedure ter zake is afgesloten. De GA-werkgroep kan ook bij consensus besluiten om de toevoeging of schrapping van geografische aanduidingen voor een definitief besluit in het Handelscomité overeenkomstig artikel 10.21.4 en de artikelen 10.24 en 10.25 aan te bevelen.

(3)   Op grond van artikel 15.3.5 kan het Handelscomité de taak van de GA-werkgroep zelf uitvoeren en besluiten tot wijziging van de bijlagen 10-A en 10-B. Voorts kan het Handelscomité op grond van artikel 15.5.2 besluiten tot wijziging van de bijlagen 10-A en 10-B en kunnen de partijen het besluit goedkeuren volgens hun respectieve toepasselijke wettelijke vereisten en procedures.

(4)   Bij besluiten tot wijziging van de bijlagen 10-A en 10-B houden de partijen naar behoren rekening met de belangen van beide partijen met betrekking tot geografische aanduidingen.

Artikel 6

Besluiten en aanbevelingen

(1)   Overeenkomstig artikel 10.25 van de overeenkomst worden door de GA-werkgroep bij consensus aanbevelingen gedaan en besluiten genomen.

(2)   De aanbevelingen van de GA-werkgroep in de zin van artikel 10.25 van de overeenkomst worden gericht tot de partijen en dragen de handtekening van de medevoorzitters.

(3)   De besluiten van de GA-werkgroep in de zin van artikel 10.25 van de overeenkomst dragen de handtekening van de medevoorzitters. In elk besluit wordt de datum van inwerkingtreding vermeld.

(4)   Besluiten en aanbevelingen van de GA-werkgroep zijn voorzien van een volgnummer, de datum van vaststelling en een beschrijving van het onderwerp.

Artikel 7

Schriftelijke procedure

(1)   Een aanbeveling of een besluit van de GA-werkgroep kan via een schriftelijke procedure worden vastgesteld wanneer beide partijen daarmee instemmen. De schriftelijke procedure bestaat in een uitwisseling van nota's tussen de medevoorzitters van de GA-werkgroep.

(2)   De medevoorzitter van de partij die de toepassing van de schriftelijke procedure voorstelt, dient de ontwerpaanbeveling of het ontwerpbesluit in bij de medevoorzitter van de andere partij, die in zijn of haar reactie daarop aangeeft of hij of zij de ontwerpaanbeveling of het ontwerpbesluit al dan niet aanvaardt. De medevoorzitter van de andere partij kan ook wijzigingen voorstellen of om extra bedenktijd vragen. Indien over het ontwerp overeenstemming wordt bereikt, wordt het goedgekeurd overeenkomstig artikel 6.

Artikel 8

Notulen

(1)   Binnen 21 dagen na elke bijeenkomst stellen de contactpunten de ontwerpnotulen van de bijeenkomst op. De ontwerpnotulen vermelden de vastgestelde aanbevelingen en besluiten en de andere conclusies.

(2)   De notulen worden binnen 28 dagen na de bijeenkomst of uiterlijk op een andere door de partijen overeengekomen datum schriftelijk goedgekeurd door beide partijen. Na de goedkeuring worden twee originelen van de notulen door de medevoorzitters ondertekend. Elk van beide medevoorzitters bewaart een origineel van de notulen.

Artikel 9

Verslagen

Overeenkomstig artikel 15.3.4 van de overeenkomst brengt de GA-werkgroep op elke regelmatige bijeenkomst van het Handelscomité aan dit comité verslag uit over zijn activiteiten.

Artikel 10

Kosten

(1)   Elke partij draagt zelf de kosten die zij in verband met haar deelname aan de bijeenkomsten van de GA-werkgroep maakt.

(2)   Uitgaven in verband met de organisatie van de bijeenkomsten en de reproductie van documenten komen ten laste van de partij die als gastheer voor de bijeenkomst optreedt.

Artikel 11

Openbaarheid en vertrouwelijkheid

(1)   De bijeenkomsten van de GA-werkgroep zijn niet openbaar, tenzij de medevoorzitters anders besluiten.

(2)   Wanneer een partij informatie die zij ingevolge haar wet- en regelgeving als vertrouwelijk beschouwt, aan de GA-werkgroep overlegt, wordt die informatie door de andere partij vertrouwelijk behandeld, zoals bepaald in artikel 15.1.7 van de overeenkomst.

(3)   Elke partij kan besluiten tot de bekendmaking van de besluiten en aanbevelingen van de GA-werkgroep in haar publicatieblad of staatsblad.


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/89


BESLUIT (EU, Euratom) 2019/846 VAN DE RAAD

van 21 mei 2019

houdende benoeming van twee leden van de Rekenkamer

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 286, lid 2,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien de voordrachten van Roemenië en de Republiek Kroatië,

Gezien de adviezen van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het mandaat van de heer George PUFAN verstrijkt op 30 juni 2019.

(2)

Het mandaat van de heer Neven MATES verstrijkt op 14 juli 2019.

(3)

Er moeten derhalve twee nieuwe leden van de Rekenkamer worden benoemd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende personen worden benoemd tot leden van de Rekenkamer:

a)

De heer Viorel ȘTEFAN voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2025;

b)

Mevrouw Ivana MALETIĆ voor de periode van 15 juli 2019 tot en met 14 juli 2025.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 21 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)  Adviezen van 16 april 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).


24.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/90


BESLUIT (EU) 2019/847 VAN DE COMMISSIE

van 15 mei 2019

over het voorstel voor een burgerinitiatief genaamd "Red de bijen! Bescherming van de biodiversiteit en verbetering van habitats voor insecten in Europa"

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 3800)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief (1), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het voorgestelde burgerinitiatief "Red de bijen! Bescherming van de biodiversiteit en verbetering van habitats voor insecten in Europa" heeft betrekking op: "Insecten zijn onmisbaar voor onze ecosystemen en onze voedselzekerheid. De Commissie moet wetgeving vaststellen voor de instandhouding en verbetering van habitats voor insecten als indicatoren voor een onbeschadigd milieu".

(2)

De doelstellingen van het voorgestelde burgerinitiatief worden als volgt omschreven: "Om de natuurlijke leefomgeving aantoonbaar te verbeteren, moeten bindende doelstellingen worden vastgesteld: om van de bevordering van de biodiversiteit een overkoepelende doelstelling van het GLB te maken; om het gebruik van pesticiden drastisch te verminderen, schadelijke pesticiden zonder uitzondering te verbieden en de subsidiabiliteitscriteria te veranderen; om de structurele diversiteit in het agrarische landschap te bevorderen; om het gehalte aan nutriënten effectief te reduceren (bv. via Natura 2000); om effectief beschermingsgebieden in te richten (bv. via de kaderrichtlijn water); om de inspanningen op het gebied van onderzoek en monitoring op te voeren en het onderwijs te verbeteren".

(3)

Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) geeft meer inhoud aan het burgerschap van de Unie en verbetert de democratische werking van de Unie door onder meer te bepalen dat iedere burger het recht heeft aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen door middel van een Europees burgerinitiatief.

(4)

De procedures en voorwaarden voor het burgerinitiatief moeten duidelijk, eenvoudig, gebruiksvriendelijk en evenredig met de aard van het burgerinitiatief zijn, om burgerparticipatie aan te moedigen en de Unie toegankelijker te maken.

(5)

Rechtshandelingen van de Unie ter uitvoering van de Verdragen kunnen worden vastgesteld:

voor de instelling van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en de vaststelling van de overige bepalingen die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven, op grond van artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

voor de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen, op grond van artikel 114 VWEU;

voor het aannemen van maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid, op grond van artikel 168, lid 4, onder b), VWEU;

voor de vaststelling van een meerjarenkaderprogramma waarin alle activiteiten van de Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling zijn opgenomen, op basis van artikel 182, lid 1, VWEU;

voor het ondernemen van activiteiten om de doelstellingen te verwezenlijken op het gebied van behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en op het gebied van behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, op grond van artikel 192, lid 1, VWEU, in samenhang met artikel 191, lid 1, eerste en derde streepje, VWEU.

(6)

Om deze redenen valt het voorgestelde burgerinitiatief niet zichtbaar buiten het kader van de bevoegdheden van de Commissie om een voorstel in te dienen voor een rechtshandeling van de Unie ter uitvoering van de Verdragen, als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder b), van de verordening.

(7)

Bovendien is een burgercomité gevormd en zijn contactpersonen aangewezen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de verordening, en levert het voorgestelde burgerinitiatief geen misbruik op, is het niet lichtzinnig of ergerlijk en druist het niet duidelijk in tegen de in artikel 2 VEU vastgelegde waarden van de Unie.

(8)

Het voorgestelde burgerinitiatief "Red de bijen! Bescherming van de biodiversiteit en verbetering van habitats voor insecten in Europa" moet daarom worden geregistreerd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het voorgestelde burgerinitiatief "Red de bijen! Bescherming van de biodiversiteit en verbetering van habitats voor insecten in Europa" wordt hierbij geregistreerd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 27 mei 2019.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de organisatoren (leden van het burgercomité) van het voorgestelde burgerinitiatief "Red de bijen! Bescherming van de biodiversiteit en verbetering van habitats voor insecten in Europa", vertegenwoordigd door mevrouw Manuela RIPA en mevrouw Clara BORASIO, die als contactpersonen optreden.

Gedaan te Brussel, 15 mei 2019.

Voor de Commissie

Frans TIMMERMANS

Eerste vicevoorzitter


(1)  PB L 65 van 11.3.2011, blz. 1.