ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 125

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
14 mei 2019


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/757 van de Raad van 13 mei 2019 tot uitvoering van artikel 17, lid 3, van Verordening (EU) nr. 224/2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/758 van de Commissie van 31 januari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake de minimumactie en de soort bijkomende maatregelen waartoe krediet- en financiële instellingen verplicht zijn met het oog op het beperken van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in bepaalde derde landen ( 1 )

4

 

*

Verordening (EU) 2019/759 van de Commissie van 13 mei 2019 tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor de toepassing van gezondheidsvoorschriften voor de invoer van levensmiddelen die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten (samengestelde producten) ( 1 )

11

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/760 van de Commissie van 13 mei 2019 tot toelating van het in de handel brengen van biomassa van de gist Yarrowia lipolytica als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie ( 1 )

13

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (GBVB) 2019/761 van de Raad van 13 mei 2019 tot wijziging van Besluit 2014/486/GVDB betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine)

16

 

*

Besluit (GBVB) 2019/762 van de Raad van 13 mei 2019 tot wijziging van Besluit 2014/219/GBVB betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Mali (EUCAP Sahel Mali)

18

 

*

Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2019/763 van de Raad van 13 mei 2019 tot uitvoering van Besluit 2013/798/GBVB betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

21

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten ( PB L 272 van 21.10.2017 )

24

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 487/2013 van de Commissie van 8 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang ( PB L 149 van 1.6.2013 )

26

 

*

Rectificatie van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2019/171 van de Commissie van 16 november 2018 tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, van bijlage III bij Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een vrijstelling voor een toepassing van cadmium en cadmiumverbindingen in elektrische contacten ( PB L 33 van 5.2.2019 )

27

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/757 VAN DE RAAD

van 13 mei 2019

tot uitvoering van artikel 17, lid 3, van Verordening (EU) nr. 224/2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 224/2014 van de Raad van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (1), en met name artikel 17, lid 3,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 10 maart 2014 Verordening (EU) nr. 224/2014 vastgesteld.

(2)

Het Comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, ingesteld krachtens Resolutie 2127 (2013) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, heeft op 18 april 2019 de gegevens met betrekking tot één persoon die aan beperkende maatregelen onderworpen is, geactualiseerd.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 224/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 224/2014 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  PB L 70 van 11.3.2014, blz. 1.


BIJLAGE

In deel A (Personen) van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 224/2014, wordt de vermelding met betrekking tot de onderstaande persoon vervangen door de volgende vermelding:

"12.   Abdoulaye HISSENE (alias: a) Abdoulaye Issène; b) Abdoulaye Hissein; c) Hissene Abdoulaye; d) Abdoulaye Issène Ramadane; e) Abdoulaye Issène Ramadan; f) Issene Abdoulaye)

Geboortedatum: a) 1967; b) 1 januari 1967

Geboorteplaats: a) Ndele, Bamingui-Bangoran, Centraal-Afrikaanse Republiek; b) Haraze Mangueigne, Tsjaad

Nationaliteit: a) Centraal-Afrikaanse Republiek; b) Tsjaad

Paspoortnummer: diplomatiek paspoort nr. D00000897 van de CAR, afgegeven op 5 april 2013 (geldig tot 4 april 2018)

Nationaal identificatienr.: nationale identiteitskaart van Tsjaad nr. 103-00653129-22, afgegeven op 21 april 2009 (geldig tot 21 april 2019)

Adres: a) KM5, Bangui, Centraal-Afrikaanse Republiek; b) Nana-Grebizi, Centraal-Afrikaanse Republiek; c) Ndjari, Ndjamena, Tsjaad

Datum plaatsing op de VN-lijst:17 mei 2017

Overige informatie: Hissène was voorheen minister van Jeugd en Sport en kabinetslid van voormalig president Michel Djotodia van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR). Daarvoor was hij de leider van de Convention of Patriots for Justice and Peace, een politieke partij. Hij wierp zich ook op tot leider van gewapende milities in Bangui, met name in de PK5-wijk (3e district). Naam van de vader: Abdoulaye. Naam van de moeder: Absita Moussa. Foto beschikbaar voor opname in de speciale kennisgeving van Interpol/VN-Veiligheidsraad. Weblink speciale kennisgeving van Interpol/VN-Veiligheidsraad: https://www.interpol.int/en/notice/search/un/6098910

Informatie uit de beschrijving van de redenen die is verstrekt door het Sanctiecomité:

Abdoulaye Hissène is op 17 mei 2017 op grond van de punten 16 en 17(g) van Resolutie 2339 (2017) op de lijst geplaatst omdat hij "handelingen verricht of steunt die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de CAR ondermijnen, waaronder handelingen die het politieke overgangsproces of het stabilisatie- en verzoeningsproces bedreigen of verhinderen, of die het geweld aanwakkeren;" en omdat hij "betrokken is bij het beramen, aansturen, steunen of plegen van aanslagen tegen missies van de Verenigde Naties of internationale veiligheidstroepen, waaronder Minusca, de missies van de Europese Unie en de Franse operaties die hen ondersteunen".

Aanvullende informatie:

Abdoulaye Hissène en andere leden van de ex-Séléka werkten samen met anti-Balaka-plunderaars die geallieerd waren met voormalig president François Bozizé van de Centraal-Afrikaanse Republiek, onder wie Maxime Mokom, om gewelddadige protestacties en rellen aan te moedigen in september 2015, bij de mislukte staatsgreep die de regering van de toenmalige interim-president Catherine Samba-Panza ten val moest brengen terwijl zij de Algemene Vergadering van de VN van 2015 bijwoonde. Mokom, Hissène en anderen werden door de Centraal-Afrikaanse regering aangeklaagd voor verschillende misdrijven, waaronder moord, brandstichting, foltering, en plundering, in de nasleep van de mislukte staatsgreep.

In 2015 werd Hissène een van de belangrijkste leiders van gewapende milities in de PK5-wijk van Bangui, die meer dan honderd man sterk waren. Hij heeft als zodanig de vrijheid van verkeer en de terugkeer van het staatsgezag in het gebied verhinderd, onder meer via illegale belasting van vervoer en commerciële activiteiten. In de tweede helft van 2015 trad Hissène op als vertegenwoordiger van de ex-Séléka "Nairobisten" in Bangui in een toenaderingspoging tot anti-Balaka-strijders onder Mokom. Gewapende mannen onder leiding van Haroun Gaye en Hissène namen deel aan de gewelddadige gebeurtenissen in Bangui tussen 26 september en 3 oktober 2015.

Leden van de groep van Hissène worden verdacht van betrokkenheid bij een aanslag op 13 december 2015 — de dag van het grondwettelijk referendum — op het voertuig van Mohamed Moussa Dhaffane, leider van de ex-Séléka. Hissène wordt beschuldigd van het orkestreren van geweld in het KM5-district van Bangui waarbij vijf mensen om het leven kwamen en twintig gewonden vielen, en waarbij ingezetenen belet werden te gaan stemmen voor het referendum over de grondwet. Hissène bracht de verkiezingen in gevaar door het op gang brengen van een spiraal van vergeldingsacties tussen verschillende groepen.

Op 15 maart 2016 werd Hissène aangehouden door de politie op de M'Poko-luchthaven in Bangui en overgebracht naar de afdeling onderzoek en opsporing van de nationale gendarmerie. Vervolgens werd hij op gewelddadige manier bevrijd door zijn militie, die een wapen stal dat eerder was overgedragen door Minusca in het kader van een verzoek om vrijstelling dat door het Comité was goedgekeurd.

Op 19 juni 2016, na de arrestatie van islamitische handelaren door binnenlandse veiligheidstroepen in PK 12, ontvoerden milities van Gaye en Hissène vijf agenten van de nationale politie in Bangui. Op 20 juni trachtte Minusca de politieagenten te bevrijden. Er waren schotenwisselingen tussen gewapende mannen onder leiding van Hissène Gaye en de vredeshandhavers die probeerden de gijzelaars te bevrijden. Daarbij kwamen ten minste zes personen om en raakte één vredeshandhaver gewond.

Op 12 augustus 2016 nam Hissène de leiding van een konvooi van zes voertuigen met zwaarbewapende manschappen. Het konvooi, dat Bangui ontvluchtte, werd ten zuiden van Sibut door Minusca onderschept. Het konvooi, dat onderweg was naar het noorden, en interne veiligheidstroepen beschoten elkaar bij verschillende controlepunten. Uiteindelijk werd het 40 km ten zuiden van Sibut tegengehouden door Minusca. Na verscheidene vuurgevechten nam Minusca elf van de mannen gevangen, maar Hissène en verscheidene anderen konden ontkomen. Enkele van de aangehoudenen vertelden aan Minusca dat Hissène de leider was van het konvooi, dat tot doel had Bria te bereiken en deel te nemen aan de vergadering van ex-Séléka-groepen georganiseerd door Nourredine Adam.

In augustus en september 2016 reisde het deskundigenpanel tweemaal naar Sibut om de bezittingen van het konvooi van Hissène, Gaye en Hamit Tidjani, die op 13 augustus door Minusca in beslag waren genomen, te inspecteren. Het panel inspecteerde eveneens de munitie die op 16 augustus in het huis van Hissène in beslag was genomen. Dodelijke en niet-dodelijke militaire uitrusting werd aangetroffen in de zes voertuigen en bij de aangehoudenen. Op 16 augustus 2016 viel de centrale gendarmerie het huis van Hissène in Bangui binnen. Daar werden meer dan 700 wapens aangetroffen.

Op 4 september 2016 opende een groep ex-Séléka-rebellen die op zes motoren uit Kaga-Bandoro kwamen om Hissène en zijn trawanten op te halen, in de buurt van Dékoa het vuur op Minusca. Tijdens dit incident werd één ex-Séléka-strijder gedood, en raakten twee vredeshandhavers en één burger gewond.".


14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/4


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/758 VAN DE COMMISSIE

van 31 januari 2019

tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake de minimumactie en de soort bijkomende maatregelen waartoe krediet- en financiële instellingen verplicht zijn met het oog op het beperken van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in bepaalde derde landen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (1), en met name artikel 45, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krediet- en financiële instellingen zijn verplicht tot het identificeren, beoordelen en beheren van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering waaraan zij worden blootgesteld, met name wanneer zij bijkantoren of meerderheidsdochters in derde landen hebben of omdat zij overwegen bijkantoren of meerderheidsdochters in derde landen te vestigen. Daarom zijn bij Richtlijn (EU) 2015/849 normen vastgesteld om het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering effectief te beoordelen en te beheren op groepsniveau.

(2)

De consistente toepassing van op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering is van essentieel belang voor een krachtig en effectief beheer van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering binnen de groep.

(3)

Er zijn echter omstandigheden waarin een groep bijkantoren of meerderheidsdochters exploiteert in een derde land waar het volgens het recht van dat land niet is toegestaan op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering toe te passen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de groep door het recht van het derde land op het gebied van gegevensbescherming of het bankgeheim beperkt wordt in haar mogelijkheden om toegang te krijgen tot informatie over cliënten van bijkantoren of meerderheidsdochters in het derde land, of om deze informatie te verwerken of uit te wisselen.

(4)

In die omstandigheden, en in situaties waarin de bevoegde autoriteiten geen doeltreffend toezicht kunnen uitoefenen op de naleving van de vereisten van Richtlijn (EU) 2015/849 door de groep doordat zij geen toegang hebben tot relevante informatie die in het bezit is van bijkantoren of meerderheidsdochters in derde landen, zijn met het oog op een effectief beheer van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering bijkomende gedragslijnen en procedures vereist. Deze bijkomende gedragslijnen en procedures kunnen het verkrijgen van de toestemming van cliënten omvatten, wat kan helpen om bepaalde juridische belemmeringen voor de toepassing van op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering in derde landen waar andere opties beperkt zijn, te ondervangen.

(5)

Omdat juridische belemmeringen voor de toepassing van op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures een consistente respons op Unieniveau vergen, is het gerechtvaardigd om specifieke minimummaatregelen vast te stellen die in dergelijke situaties door de krediet- en financiële instellingen moeten worden genomen. Deze bijkomende gedragslijnen en procedures dienen evenwel risicogebaseerd te zijn.

(6)

De krediet- en financiële instellingen moeten tegenover hun bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat de werkingssfeer van de door hen genomen bijkomende maatregelen in verhouding staat tot het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de door een krediet- of financiële instelling genomen bijkomende maatregelen niet volstaan om dat risico te beheren, moet de bevoegde autoriteit deze instelling kunnen opdragen specifieke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de betrokken instelling haar verplichtingen op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering nakomt.

(7)

Bij Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 (2), (EU) nr. 1094/2010 (3) en (EU) nr. 1095/2010 (4) van het Europees Parlement en de Raad worden respectievelijk de Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) gemachtigd tot het geven van richtsnoeren met het oog op de gemeenschappelijke, uniforme en consistente toepassing van het Unierecht. In het kader van de naleving van deze verordening moeten krediet- en financiële instellingen rekening houden met de overeenkomstig artikel 17 en artikel 18, lid 4, van Richtlijn (EU) 2015/849 gegeven richtsnoeren inzake vereenvoudigd en verscherpt cliëntenonderzoek en de factoren voor het beoordelen van het met individuele zakelijke relaties en occasionele transacties verbonden witwasrisico en risico van terrorismefinanciering, en moeten zij alles in het werk stellen om deze richtsnoeren te volgen.

(8)

De bepalingen van deze verordening gelden onverminderd het recht van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst om uit hoofde van artikel 45, lid 5, van Richtlijn (EU) 2015/849 bijkomende toezichtmaatregelen te nemen indien de toepassing van de bij deze verordening vastgestelde bijkomende maatregelen niet blijkt te volstaan.

(9)

De bepalingen van deze verordening gelden ook onverminderd de verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen die krediet- en financiële instellingen moeten nemen ten aanzien van natuurlijke personen of juridische entiteiten die gevestigd zijn in landen die de Commissie op grond van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849 heeft geïdentificeerd als landen met een hoog risico.

(10)

Krediet- en financiële instellingen moeten voldoende tijd krijgen om hun gedragslijnen en procedures in overeenstemming te brengen met de vereisten van deze verordening. Met het oog daarop is het passend dat deze verordening drie maanden nadat ze in werking is getreden van toepassing wordt.

(11)

Deze verordening is gebaseerd op de bij de Commissie ingediende ontwerpen van technische reguleringsnormen die zijn ontwikkeld door de Europese toezichthoudende autoriteiten (de Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de Europese Autoriteit voor effecten en markten).

(12)

De Europese toezichthoudende autoriteiten hebben openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, hebben de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, en hebben de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 opgerichte Stakeholdergroep bankwezen om advies verzocht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening bevat een reeks bijkomende maatregelen, met inbegrip van minimumactie, die krediet- en financiële instellingen moeten nemen om het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering doeltreffend te beheersen wanneer het recht van een derde land niet toestaat dat op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures als bedoeld in artikel 45, leden 1 en 3, van Richtlijn (EU) 2015/849 ten uitvoer worden gelegd door tot de groep behorende bijkantoren of meerderheidsdochters die in het derde land zijn gevestigd.

Artikel 2

Algemene verplichtingen voor elk derde land

De krediet- en financiële instellingen zorgen er met betrekking tot elk derde land waar zij een bijkantoor of een meerderheidsdochter hebben gevestigd, ten minste voor dat:

a)

het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering voor hun groep wordt beoordeeld en dat die beoordeling wordt geregistreerd, geactualiseerd en bewaard zodat ze met de bevoegde autoriteit kan worden gedeeld;

b)

het onder a) bedoelde risico op passende wijze wordt aangepakt in hun op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering;

c)

toestemming van het hoger leidinggevend personeel op groepsniveau wordt verkregen voor de onder a) bedoelde risicobeoordeling en voor de onder b) bedoelde op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering;

d)

relevante personeelsleden in het derde land gericht en doeltreffend worden opgeleid in het herkennen van aanwijzingen voor een witwasrisico of een risico van terrorismefinanciering.

Artikel 3

Individuele risicobeoordelingen

1.   Indien het recht van een derde land, door middel van beperkingen op de toegang tot relevante informatie over cliënten of over uiteindelijk begunstigden of op het gebruik van dergelijke informatie voor cliëntenonderzoek, een verbod of beperking oplegt op de toepassing van gedragslijnen en procedures die nodig zijn om het met een zakelijke relatie of occasionele transactie verbonden witwasrisico en risico van terrorismefinanciering adequaat te identificeren en te beoordelen, zorgen de krediet- en financiële instellingen er ten minste voor dat:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zonder onnodige vertraging en in elk geval uiterlijk 28 kalenderdagen na de identificatie van het derde land in kennis wordt gesteld van:

i)

de naam van het betrokken derde land;

ii)

de wijze waarop de tenuitvoerlegging van het recht van het derde land een verbod of beperking oplegt op de toepassing van gedragslijnen en procedures die nodig zijn voor de identificatie en beoordeling van het met een cliënt verbonden witwasrisico en risico van terrorismefinanciering;

b)

hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters bepalen of de onder a), ii), bedoelde beperkingen of verboden wettelijk kunnen worden ondervangen via toestemming van hun cliënten en, in voorkomend geval, de uiteindelijk begunstigden van hun cliënten;

c)

hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters hun cliënten en, in voorkomend geval, de uiteindelijk begunstigden van hun cliënten om toestemming vragen teneinde de onder a), ii), bedoelde beperkingen of verboden te ondervangen, voor zover zulks verenigbaar is met het recht van het derde land.

2.   Wanneer het niet mogelijk is de in lid 1, onder c), bedoelde toestemming te verkrijgen, nemen de krediet- en financiële instellingen naast hun standaardmaatregelen voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering bijkomende risicobeheersmaatregelen.

Deze bijkomende maatregelen omvatten de in artikel 8, onder c), vervatte bijkomende maatregel en een of meer van de in artikel 8, onder a), b), d), e) en f), van dat artikel vervatte maatregelen.

Indien een krediet- of financiële instelling het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering niet effectief kan beheren aan de hand van de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen, zorgt zij ervoor dat:

a)

het bijkantoor of de meerderheidsdochter de zakelijke relatie beëindigt;

b)

het bijkantoor of de meerderheidsdochter de occasionele transactie niet uitvoert;

c)

de bedrijfsactiviteiten van haar in het derde land gevestigde bijkantoor of meerderheidsdochter volledig of gedeeltelijk worden beëindigd.

3.   De krediet- en financiële instellingen bepalen de reikwijdte van de in de leden 2 en 3 bedoelde bijkomende maatregelen op basis van de risicogevoeligheid en zijn in staat om tegenover hun bevoegde autoriteit aan te tonen dat de reikwijdte van de bijkomende maatregelen in verhouding staat tot het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering.

Artikel 4

De uitwisseling en verwerking van cliëntgegevens

1.   Indien het recht van een derde land een verbod of beperking oplegt op het delen of verwerken van cliëntgegevens met het oog op de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering binnen de groep, zorgen de krediet- en financiële instellingen er ten minste voor dat:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zonder onnodige vertraging en in elk geval uiterlijk 28 kalenderdagen na de identificatie van het derde land in kennis wordt gesteld van:

i)

de naam van het betrokken derde land;

ii)

de wijze waarop de tenuitvoerlegging van het recht van het derde land een verbod of beperking oplegt op het delen of verwerken van cliëntgegevens met het oog op de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering;

b)

hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters bepalen of de onder a), ii), bedoelde beperkingen of verboden wettelijk kunnen worden ondervangen via toestemming van hun cliënten en, in voorkomend geval, de uiteindelijk begunstigden van hun cliënten;

c)

hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters hun cliënten en, in voorkomend geval, de uiteindelijk begunstigden van hun cliënten om toestemming vragen teneinde de onder a), ii), bedoelde beperkingen of verboden te ondervangen, voor zover zulks verenigbaar is met het recht van het derde land.

2.   Wanneer het niet mogelijk is de in lid 1, onder c), bedoelde toestemming te verkrijgen, nemen de krediet- en financiële instellingen naast hun standaardmaatregelen voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering bijkomende risicobeheersmaatregelen. Deze bijkomende maatregelen omvatten de in artikel 8, onder a), of de onder c) van dat artikel vervatte bijkomende maatregel. Indien het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering van zodanige aard is dat verdere bijkomende maatregelen vereist zijn, passen de krediet- en financiële instellingen een of meer van de resterende bijkomende maatregelen toe als vervat in artikel 8, onder a), b) en c).

3.   Indien een krediet- of financiële instelling het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering niet effectief kan beheren aan de hand van de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen, beëindigt zij de bedrijfsactiviteiten van haar in het derde land gevestigde bijkantoor of meerderheidsdochter volledig of gedeeltelijk.

4.   De krediet- en financiële instellingen bepalen de reikwijdte van de in de leden 2 en 3 bedoelde bijkomende maatregelen op basis van de risicogevoeligheid en zijn in staat om tegenover hun bevoegde autoriteit aan te tonen dat de reikwijdte van de bijkomende maatregelen in verhouding staat tot het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering.

Artikel 5

Mededeling van informatie in verband met verdachte transacties

1.   Indien het recht van een derde land een verbod of beperking oplegt op het delen van in artikel 33, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/849 bedoelde informatie tussen in het derde land gevestigde bijkantoren en meerderheidsdochters enerzijds en andere tot de groep behorende entiteiten anderzijds, zorgen de krediet- en financiële instellingen er ten minste voor dat:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zonder onnodige vertraging en in elk geval uiterlijk 28 kalenderdagen na de identificatie van het derde land in kennis wordt gesteld van:

i)

de naam van het betrokken derde land;

ii)

de wijze waarop de tenuitvoerlegging van het recht van het derde land een verbod of beperking oplegt op het delen van de inhoud van in artikel 33, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/849 bedoelde, door een bijkantoor of meerderheidsdochter geïdentificeerde informatie met andere tot de betrokken groep behorende entiteiten, en op het verwerken van die informatie;

b)

het bijkantoor of de meerderheidsdochter het hoger leidinggevend personeel van de krediet- of financiële instelling voorziet van de nodige relevante informatie om het met de exploitatie van dat bijkantoor of die meerderheidsdochter verbonden witwasrisico en risico van terrorismefinanciering, alsook de impact daarvan op de groep te kunnen beoordelen — deze informatie kan bestaan uit:

i)

het aantal verdachte transacties die binnen een vastgestelde periode zijn gemeld;

ii)

geaggregeerde statistische gegevens die een overzicht bieden van de omstandigheden op basis waarvan de verdenking is ontstaan.

2.   De krediet- en financiële instellingen nemen naast hun standaardmaatregelen voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en de in lid 1 bedoelde maatregelen bijkomende risicobeheersmaatregelen.

Deze bijkomende maatregelen omvatten een of meer van de in artikel 8, onder a), b), c), g), h) en i), vervatte maatregelen.

3.   Indien een krediet- of financiële instelling het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering niet effectief kan beheren aan de hand van de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen, beëindigt zij de bedrijfsactiviteiten van haar in het derde land gevestigde bijkantoor of meerderheidsdochter volledig of gedeeltelijk.

4.   De krediet- en financiële instellingen bepalen de reikwijdte van de in de leden 2 en 3 bedoelde bijkomende maatregelen op basis van de risicogevoeligheid en zijn in staat om tegenover hun bevoegde autoriteit aan te tonen dat de reikwijdte van de bijkomende maatregelen in verhouding staat tot het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering.

Artikel 6

Doorgifte van cliëntgegevens aan de lidstaten

Indien het recht van een derde land een verbod of beperking oplegt op het doorgeven van gegevens over cliënten van in het derde land gevestigde bijkantoren en meerderheidsdochters aan een lidstaat met het oog op het toezicht op de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, zorgen de krediet- en financiële instellingen er ten minste voor dat:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zonder onnodige vertraging en in elk geval uiterlijk 28 kalenderdagen na de identificatie van het derde land in kennis wordt gesteld van:

i)

de naam van het betrokken derde land;

ii)

de wijze waarop de tenuitvoerlegging van het recht van het derde land een verbod of beperking oplegt op het doorgeven van gegevens over cliënten met het oog op het toezicht op de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering;

b)

verscherpte evaluaties worden verricht, waaronder — indien zulks in verhouding staat tot het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering verbonden met de exploitatie van de in het derde land gevestigde bijkantoren of dochterondernemingen — controles ter plaatse of onafhankelijke audits, teneinde zich ervan te vergewissen dat de bijkantoren of meerderheidsdochters de op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures effectief toepassen en het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering adequaat identificeren, beoordelen en beheren;

c)

de bevindingen van de onder b) bedoelde evaluaties desgevraagd worden meegedeeld aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst;

d)

de in het derde land gevestigde bijkantoren of dochterondernemingen regelmatig relevante informatie aan het hoger leidinggevend personeel van de krediet- of financiële instelling verstrekken, waaronder ten minste de volgende gegevens:

i)

het aantal cliënten met een hoog risico, en geaggregeerde statistische gegevens die een overzicht bieden van de redenen waarom zij in deze categorie zijn ingedeeld, zoals het bezitten van de status "politiek prominent persoon";

ii)

het aantal geïdentificeerde en gemelde verdachte transacties, en geaggregeerde statistische gegevens die een overzicht bieden van de omstandigheden op basis waarvan de verdenking is ontstaan;

e)

de onder d) bedoelde informatie desgevraagd ter beschikking van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wordt gesteld.

Artikel 7

Bewaring van bewijsstukken

1.   Indien het recht van een derde land een verbod of beperking oplegt op de toepassing van maatregelen voor de bewaring van bewijsstukken die gelijkwaardig zijn aan de in hoofdstuk V van Richtlijn (EU) 2015/849 vervatte maatregelen, zorgen de krediet- en financiële instellingen er ten minste voor dat:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zonder onnodige vertraging en in elk geval uiterlijk 28 kalenderdagen na de identificatie van het derde land in kennis wordt gesteld van:

i)

de naam van het betrokken derde land;

ii)

de wijze waarop de tenuitvoerlegging van het recht van het derde land een verbod of beperking oplegt op de toepassing van maatregelen voor de bewaring van bewijsstukken die gelijkwaardig zijn aan de in hoofdstuk V van Richtlijn (EU) 2015/849 vervatte maatregelen;

b)

wordt vastgesteld of de onder a), ii), bedoelde beperkingen of verboden wettelijk kunnen worden ondervangen via toestemming van de cliënt en, in voorkomend geval, de uiteindelijk begunstigde;

c)

hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters hun cliënten en, in voorkomend geval, de uiteindelijk begunstigden van hun cliënten om toestemming vragen teneinde de onder a), ii), bedoelde beperkingen of verboden te ondervangen, voor zover zulks verenigbaar is met het recht van het derde land.

2.   Wanneer het niet mogelijk is de in lid 1, onder c), bedoelde toestemming te verkrijgen, nemen de krediet- en financiële instellingen naast hun standaardmaatregelen voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en de in lid 1 bedoelde maatregelen bijkomende risicobeheersmaatregelen. Deze bijkomende maatregelen omvatten een of meer van de in artikel 8, onder a), b), c) en j), vervatte maatregelen.

3.   De krediet- en financiële instellingen bepalen de reikwijdte van de in lid 2 bedoelde bijkomende maatregelen op basis van de risicogevoeligheid en zijn in staat om tegenover hun bevoegde autoriteit aan te tonen dat de reikwijdte van de bijkomende maatregelen in verhouding staat tot het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering.

Artikel 8

Bijkomende maatregelen

De krediet- en financiële instellingen nemen de volgende bijkomende maatregelen uit hoofde van, respectievelijk, artikel 3, lid 2, artikel 4, lid 2, artikel 5, lid 2, en artikel 7, lid 2:

a)

zij zorgen ervoor dat hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters enkel financiële producten en diensten aanbieden die vanwege hun aard en soort een laag risico op witwassen en terrorismefinanciering en een geringe impact op de blootstelling van de groep aan deze risico's hebben;

b)

zij zorgen ervoor dat andere entiteiten van dezelfde groep zich niet verlaten op cliëntenonderzoeksmaatregelen die zijn toegepast door een in het derde land gevestigd bijkantoor of een in het derde land gevestigde dochteronderneming, maar in plaats daarvan een cliëntenonderzoek verrichten voor elke cliënt van een in het derde land gevestigd bijkantoor of een in het derde land gevestigde dochteronderneming die gebruik wil maken van producten of diensten die door die andere entiteiten van dezelfde groep worden aangeboden, zelfs indien aan de voorwaarden van artikel 28 van Richtlijn (EU) 2015/849 is voldaan;

c)

zij verrichten verscherpte evaluaties, waaronder — indien zulks in verhouding staat tot het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering verbonden met de exploitatie van de in het derde land gevestigde bijkantoren of dochterondernemingen — controles ter plaatse of onafhankelijke audits, teneinde zich ervan te vergewissen dat de bijkantoren of dochterondernemingen het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering effectief identificeren, beoordelen en beheren;

d)

zij zorgen ervoor dat hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters toestemming aan het hoger leidinggevend personeel van de krediet- of financiële instelling vragen voor het aangaan en onderhouden van zakelijke relaties met een hoger risico en voor het verrichten van een occasionele transactie met een hoger risico;

e)

zij zorgen ervoor dat hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters de bron en, in voorkomend geval, de bestemming verifiëren van de geldmiddelen die in het kader van de zakelijke relatie of occasionele transactie zullen worden gebruikt;

f)

zij zorgen ervoor dat hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters de zakelijke relatie doorlopend verscherpt monitoren, onder meer door een verscherpte monitoring van de transacties, totdat de bijkantoren of meerderheidsdochters redelijke zekerheid hebben omtrent de aard van het met de zakelijke relatie verbonden witwasrisico en risico van terrorismefinanciering;

g)

zij zorgen ervoor dat hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters de krediet- of financiële instelling in kennis stellen van informatie over meldingen van onderliggende verdachte transacties op basis waarvan men wist, vermoedde of redelijkerwijs kon vermoeden dat witwas- of terrorismefinancieringspraktijken hadden plaatsgevonden of dat pogingen daartoe waren ondernomen — deze informatie kan bestaan uit feiten, transacties, omstandigheden en documenten waarop vermoedens zijn gebaseerd, met inbegrip van persoonlijke informatie, voor zover dit mogelijk is uit hoofde van het recht van het derde land;

h)

zij zorgen voor doorlopende verscherpte monitoring van alle cliënten en, in voorkomend geval, alle uiteindelijk begunstigden van cliënten van in het derde land gevestigde bijkantoren of dochterondernemingen van wie bekend is dat zij door andere entiteiten van dezelfde groep gemeld zijn vanwege verdachte transacties;

i)

zij zorgen ervoor dat hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters beschikken over doeltreffende systemen en controles om verdachte transacties te identificeren en te melden;

j)

zij zorgen ervoor dat hun in het derde land gevestigde bijkantoren of meerderheidsdochters het risicoprofiel en de cliëntenonderzoeksinformatie van hun cliënten zo lang mogelijk, en ten minste zolang de zakelijke relatie duurt, actualiseren en veilig bewaren.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 3 september 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(3)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).

(4)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/11


VERORDENING (EU) 2019/759 VAN DE COMMISSIE

van 13 mei 2019

tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor de toepassing van gezondheidsvoorschriften voor de invoer van levensmiddelen die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten (samengestelde producten)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 9, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 853/2004 houdt aanzienlijke wijzigingen in voor de gezondheidsvoorschriften (voedselveiligheidsregels) en procedures die exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten naleven. In het bijzonder bevat die verordening bepaalde voorwaarden voor de invoer in de Unie van levensmiddelen die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten (samengestelde producten).

(2)

Bij Verordening (EU) 2017/185 van de Commissie (2) zijn overgangsmaatregelen vastgesteld die afwijken van deze voorschriften voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levensmiddelen invoeren die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten (samengestelde producten), met uitzondering van de in artikel 3, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 28/2012 van de Commissie (3) bedoelde samengestelde producten, waarvoor op Unie-niveau nog geen gezondheidsvoorschriften voor invoer in de Unie zijn vastgesteld. Deze afwijking geldt tot en met 31 december 2020.

(3)

Bij Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad ("diergezondheidswetgeving") (4) zijn regels vastgesteld ter voorkoming en bestrijding van op dieren of mensen overdraagbare dierziekten. Zij is van toepassing op producten van dierlijke oorsprong en daarom ook op samengestelde producten in de zin van artikel 2, onder a), van Beschikking 2007/275/EG van de Commissie (5). Bij deze verordening worden, zodra zij van toepassing is, voorschriften vastgesteld voor binnenkomst in de Unie van dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong uit derde landen en gebieden. Deze verordening is van toepassing met ingang van 21 april 2021.

(4)

Om juridische duidelijkheid en consistentie te garanderen en de overgang naar de nieuwe regels voor exploitanten en bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken, moet voor de nieuwe invoervoorwaarden voor samengestelde producten die vallen onder artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. 853/2004 één toepassingsdatum worden aangehouden. Deze overgangsmaatregelen moeten daarom tot en met 20 april 2021 van toepassing blijven.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden overgangsmaatregelen vastgesteld voor de uitvoering van een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 853/2004 voor een overgangsperiode van 1 januari 2021 tot en met 20 april 2021.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt onder "samengesteld product" verstaan samengestelde producten in de zin van artikel 2, onder a), van Beschikking 2007/275/EG.

Artikel 3

Afwijking betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de invoer van levensmiddelen die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten

In afwijking van artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. 853/2004 zijn exploitanten van levensmiddelenbedrijven die levensmiddelen invoeren die zowel producten van plantaardige oorsprong als verwerkte producten van dierlijke oorsprong bevatten, met uitzondering van de in artikel 3, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 28/2012 bedoelde samengestelde producten, vrijgesteld van de verplichtingen van artikel 6, lid 4, van Verordening (EG) nr. 853/2004.

De invoer van dergelijke producten moet voldoen aan de invoervoorschriften inzake volksgezondheid van de lidstaat van invoer.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2021 tot en met 20 april 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(2)  Verordening (EU) 2017/185 van de Commissie van 2 februari 2017 tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor de toepassing van een aantal bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004 en (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 29 van 3.2.2017, blz. 21).

(3)  Verordening (EU) nr. 28/2012 van de Commissie van 11 januari 2012 tot vaststelling van voorschriften voor de certificering van de invoer in en de doorvoer door de Unie van bepaalde samengestelde producten en tot wijziging van Beschikking 2007/275/EG en Verordening (EG) nr. 1162/2009 (PB L 12 van 14.1.2012, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving") (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).

(5)  Beschikking 2007/275/EG van de Commissie van 17 april 2007 betreffende lijsten van dieren en producten die krachtens de Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG van de Raad in grensinspectieposten controles moeten ondergaan (PB L 116 van 4.5.2007, blz. 9).


14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/760 VAN DE COMMISSIE

van 13 mei 2019

tot toelating van het in de handel brengen van biomassa van de gist Yarrowia lipolytica als nieuw voedingsmiddel krachtens Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (1), en met name artikel 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2015/2283 is vastgesteld dat alleen nieuwe voedingsmiddelen die zijn toegelaten en in de Unielijst zijn opgenomen, in de Unie in de handel mogen worden gebracht.

(2)

Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) 2015/2283 is Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie (2) vastgesteld met een Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen.

(3)

De Commissie moet ingevolge artikel 12 van Verordening (EU) 2015/2283 een ontwerpuitvoeringshandeling tot toelating van het in de Unie in de handel brengen van een nieuw voedingsmiddel en tot bijwerking van de Unielijst indienen.

(4)

Op 10 april 2017 heeft Skotan SA ("de aanvrager") overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (3) bij de bevoegde Poolse autoriteit een aanvraag ingediend om biomassa van de gist Yarrowia lipolytica als nieuw voedingsmiddel als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder d), van die verordening in de Unie in de handel te brengen. De aanvraag betrof het gebruik van biomassa van de gist Yarrowia lipolytica in voedingssupplementen. De door de aanvrager voorgestelde maximale gebruiksconcentraties bedragen 3 g per dag voor kinderen van 3 tot en met 9 jaar en 6 g per dag vanaf 10 jaar.

(5)

Op 15 november 2017 heeft de bevoegde Poolse autoriteit haar verslag van de eerste beoordeling uitgebracht. Daarin heeft zij geconcludeerd dat biomassa van de gist Yarrowia lipolytica voldoet aan de criteria voor nieuwe voedingsmiddelen van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 258/97.

(6)

Overeenkomstig artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) 2015/2283 worden alle uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 258/97 bij een lidstaat ingediende aanvragen om een nieuw voedingsmiddel in de Unie in de handel te brengen waarover vóór 1 januari 2018 nog geen definitief besluit is genomen, behandeld als aanvragen uit hoofde van Verordening (EU) 2015/2283.

(7)

De aanvraag om biomassa van de gist Yarrowia lipolytica als nieuw voedingsmiddel in de Unie in de handel te brengen, is overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 258/97 bij een lidstaat ingediend en voldoet ook aan de vereisten van Verordening (EU) 2015/2283.

(8)

Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) 2015/2283 heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 22 juni 2018 verzocht een wetenschappelijk advies uit te brengen op basis van de beoordeling van biomassa van de gist Yarrowia lipolytica als nieuw voedingsmiddel.

(9)

Op 17 januari 2019 heeft de EFSA haar "Scientific Opinion on the safety of Yarrowia lipolytica yeast biomass as a novel food pursuant to Regulation (EU) 2015/2283" (4) uitgebracht. Dat advies voldoet aan de vereisten van artikel 11 van Verordening (EU) 2015/2283.

(10)

In het advies van de EFSA wordt afdoende onderbouwd dat biomassa van de gist Yarrowia lipolytica, bij de voorgestelde toepassing en gebruiksconcentraties, bij gebruik in voedingssupplementen voldoet aan artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2015/2283.

(11)

Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) bevat voorschriften voor voedingssupplementen. Het gebruik van biomassa van de gist Yarrowia lipolytica moet worden toegelaten onverminderd de voorschriften van die richtlijn.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Biomassa van de gist Yarrowia lipolytica, zoals gespecificeerd in de bijlage bij de onderhavige verordening, wordt opgenomen in de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 vastgestelde Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen.

2.   De in lid 1 bedoelde vermelding in de Unielijst omvat de gebruiksvoorwaarden en de etiketteringsvoorschriften zoals vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

3.   De bij dit artikel verleende toelating geldt onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2002/46/EG.

Artikel 2

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 327 van 11.12.2015, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie van 20 december 2017 tot vaststelling van de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen (PB L 351 van 30.12.2017, blz. 72).

(3)  Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1).

(4)  EFSA Journal 2019;17(2):5594.

(5)  Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (PB L 183 van 12.7.2002, blz. 51).


BIJLAGE

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De volgende vermelding wordt in alfabetische volgorde in tabel 1 (Toegelaten nieuwe voedingsmiddelen) ingevoegd:

"Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Voorwaarden waaronder het nieuwe voedingsmiddel mag worden gebruikt

Aanvullende specifieke etiketteringsvoorschriften

Andere voorschriften

Biomassa van de gist Yarrowia lipolytica

Gespecificeerde levensmiddelencategorie

Maximumgehalten

Het nieuwe voedingsmiddel wordt op de etikettering van het voedingsmiddel dat het bevat, aangeduid met "door verhitting gedode biomassa van de gist Yarrowia lipolytica.""

 

Voedingssupplementen als omschreven in Richtlijn 2002/46/EG, met uitzondering van voedingssupplementen voor zuigelingen en peuters

6 g/dag voor kinderen vanaf 10 jaar, adolescenten en de algemene volwassen bevolking

3 g/dag voor kinderen van 3 tot en met 9 jaar

2)

De volgende vermelding wordt in alfabetische volgorde in tabel 2 (Specificaties) ingevoegd:

"Toegelaten nieuw voedingsmiddel

Specificatie

Biomassa van de gist Yarrowia lipolytica

Omschrijving/definitie:

Het nieuwe voedingsmiddel is de gedroogde en door verhitting gedode biomassa van de gist Yarrowia lipolytica.

Kenmerken/samenstelling:

Eiwitten: 45-55 g/100 g

Voedingsvezels: 24-30 g/100 g

Suikers: < 1,0 g/100 g

Vetten: 7-10 g/100 g

Asgehalte: ≤ 12 %

Watergehalte: ≤ 5 %

Drogestofgehalte: ≥ 95 %

Microbiologische criteria:

Totaal aeroob kiemgetal: ≤ 5 × 103 kve/g

Totaal kiemgetal gisten en schimmels: ≤ 102 kve/g

Levensvatbare cellen van Yarrowia lipolytica  (1): < 10 kve/g (d.w.z. detectiegrens)

Coliformen: ≤ 10 kve/g

Salmonella spp.: afwezig in 25 g


(1)  Moet onmiddellijk na de warmtebehandeling worden getest. Er moeten maatregelen worden genomen om kruisbesmetting met levensvatbare cellen van Yarrowia lipolytica tijdens de verpakking en/of de opslag van het nieuwe voedingsmiddel te voorkomen."


BESLUITEN

14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/16


BESLUIT (GBVB) 2019/761 VAN DE RAAD

van 13 mei 2019

tot wijziging van Besluit 2014/486/GVDB betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 22 juli 2014 Besluit 2014/486/GBVB (1) betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) vastgesteld.

(2)

De Raad heeft op 20 november 2017 Besluit (GBVB) 2017/2161 (2) vastgesteld, waarbij het mandaat van de missie EUAM Ukraine werd verlengd tot en met 31 mei 2019 en waarbij werd voorzien in een financieel referentiebedrag voor diezelfde periode. Op 18 december 2017 werd dat financieel referentiebedrag verhoogd bij Besluit (GBVB) 2017/2371 van de Raad (3).

(3)

Het Politiek en Veiligheidscomité heeft op 5 maart 2019 naar aanleiding van een strategische evaluatie van EUAM Ukraine aanbevolen deze missie te verlengen tot en met 31 mei 2021.

(4)

Besluit 2014/486/GBVB moet derhalve worden verlengd tot en met 31 mei 2021.

(5)

EUAM Ukraine zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2014/486/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

aan artikel 14, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met EUAM Ukraine voor de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 mei 2021 bedraagt 54 138 700 EUR.";

2)

in artikel 19 wordt de tweede alinea vervangen door:

"Het is van toepassing tot en met 31 mei 2021.".

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  Besluit 2014/486/GVDB van de Raad van 22 juli 2014 betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (PB L 217 van 23.7.2014, blz. 42).

(2)  Besluit (GBVB) 2017/2161 van de Raad van 20 november 2017 tot wijziging van Besluit 2014/486/GBVB betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (PB L 304 van 21.11.2017, blz. 48).

(3)  Besluit (GBVB) 2017/2371 van de Raad van 18 december 2017 tot wijziging van Besluit 2014/486/GBVB betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (PB L 337 van 19.12.2017, blz. 34).


14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/18


BESLUIT (GBVB) 2019/762 VAN DE RAAD

van 13 mei 2019

tot wijziging van Besluit 2014/219/GBVB betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Mali (EUCAP Sahel Mali)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 15 april 2014 Besluit 2014/219/GBVB (1) betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Mali (EUCAP Sahel Mali) vastgesteld.

(2)

Op 21 februari 2019 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2019/312 (2) vastgesteld waarbij EUCAP Sahel Mali werd verlengd en voorzien van een financieel referentiebedrag tot 14 januari 2021.

(3)

De Raad heeft op 25 juni 2018 in zijn conclusies over de Sahel/Mali gewezen op "het belang van regionalisering van het GVDB in de Sahel, waar nodig gericht op versterking van de civiele en militaire steun aan grensoverschrijdende samenwerking, van de regionale samenwerkingsstructuren - in het bijzonder die van de G5 Sahel — en van het vermogen en de eigen inbreng van de G5-landen om de veiligheidsuitdagingen in de regio aan te pakken".

(4)

Op 15 februari 2019 verwelkomde de minister van Buitenlandse Zaken van de Islamitische Republiek Mauritanië de beoogde inzet van EUCAP Sahel Mali ter ondersteuning van de G5 Sahel en de nationale vermogens van Mauritanië.

(5)

Op 18 februari 2019 heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan een gezamenlijk civiel-militair operatieconcept inzake de regionalisering van de GVDB-acties in de Sahel.

(6)

Besluit 2014/219/GBVB dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(7)

EUCAP Sahel Mali zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zou kunnen hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2014/219/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 worden de leden 3 en 4 vervangen door:

"3.   EUCAP Sahel Mali draagt, onverminderd haar kerntaak in Mali, bij tot de regionalisering van de GVDB-acties in de Sahel door bij te dragen aan de verbetering van de interoperabiliteit en coördinatie tussen de binnenlandse veiligheidstroepen van de G5-Sahellanden, alsmede door ondersteuning te bieden aan grensoverschrijdende samenwerking en regionale samenwerkingsstructuren en bij te dragen aan de verbetering van de nationale vermogens van G5-Sahellanden. EUCAP Sahel Mali kan die activiteiten uitvoeren in de G5-Sahellanden. Daartoe verstrekt EUCAP Sahel Mali opleiding, advies en andere specifieke steun aan G5-Sahellanden, binnen de grenzen van zijn middelen en capaciteiten, op verzoek van het betrokken land en met inachtneming van de veiligheidssituatie.

4.   Om haar doel te bereiken opereert EUCAP Sahel Mali overeenkomstig de strategische operatierichtlijnen die zijn vastgelegd in het op 17 maart 2014 door de Raad goedgekeurde crisisbeheersingsconcept en die verder zijn uitgewerkt in de door de Raad goedgekeurde operationele planningsdocumenten, met inbegrip van het gezamenlijke civiel-militaire operatieconcept inzake regionalisering van de GVDB-acties in de Sahel. Alvorens een nieuwe activiteit in een nieuw G5-Sahelland wordt ontplooid wordt het Politiek en Veiligheidscomité daarvan in kennis gesteld.".

2)

Aan artikel 14, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

"Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met EUCAP Sahel Mali voor de periode van 1 maart 2019 tot en met 14 januari 2021 bedraagt 69 150 000 000 EUR.".

3)

Artikel 14 bis wordt vervangen door

"1.   Binnen EUCAP Sahel Mali wordt een regionale advies- en coördinatiecel (RACC) ingesteld.

2.   De RACC bestaat uit personeel dat bij EUCAP Sahel Mali is ondergebracht en uit deskundigen op het gebied van binnenlandse veiligheid en defensie (Internal Security and Defence Experts, "ISDE") gehuisvest in de delegaties van de Unie in Burkina Faso, Tsjaad, Mali, Mauritanië en Niger. De RACC verplaatst geleidelijk aan het personeel van Bamako naar Nouakchott overeenkomstig lid 7 en met inachtneming van de veiligheidssituatie.

3.   De RACC streeft, in nauwe samenwerking met de delegaties van de Unie en de bestaande GVDB-missies in de Sahel, de volgende doelstellingen na:

a)

bijdragen aan het omgevingsbewustzijn van de Unie over de veiligheids- en defensiebehoeften en -leemten van de G5-Sahellanden inzake regionale grensoverschrijdende samenwerking en de aanpak van veiligheidsuitdagingen;

b)

ondersteuning bieden aan de G5-Sahelstructuren en -landen om regionale samenwerking en operationele vermogens op het gebied van defensie en veiligheid te versterken, in overeenstemming met het internationaal recht, de mensenrechten en de strategische aanpak van de EU inzake vrouwen, vrede en veiligheid, die de Raad in zijn conclusies van 10 december 2018 heeft vastgesteld;

c)

faciliteren van de organisatie van opleiding, het verstrekken van advies en andere specifieke steun voor G5-Sahellanden door GVDB-missies van de Unie in de Sahel, met name de organisatie van opleidingscursussen voor de veiligheids- en defensiestagiaires van die landen.

4.   De ISDE verzamelen informatie in verband met veiligheids- en defensieaangelegenheden in hun respectieve gastlanden. Zij verstrekken die informatie en, waar passend, aanbevelingen aan het hoofd van de RACC. Zij houden het hoofd van de delegatie van de Unie op de plaats waar zij zijn gevestigd, naar behoren op de hoogte.

5.   De civiele operationele commandant oefent, onder het politieke toezicht en de strategische leiding van het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en onder algemeen gezag van de HV, het strategisch commando over en de strategische controle op de RACC uit. In afwijking van artikel 6, lid 1, ressorteert het hoofd van de RACC rechtstreeks onder de civiele operationele commandant en handelt hij overeenkomstig diens instructies. Het hoofd van de RACC geeft instructies aan al het personeel van de RACC.

6.   Het hoofd van de missie oefent overeenkomstig artikel 6, leden 2 tot en met 4, en artikel 11 gezag uit over het personeel van de RACC, onverminderd lid 7 van dit artikel.

7.   EUCAP Sahel Mali treft de noodzakelijke bestuursrechtelijke regelingen met de delegaties van de Unie in Burkina Faso, Tsjaad, Mali, Mauritanië en Niger met betrekking tot de steun die aan haar personeel moet worden verleend.

In die bestuursrechtelijke regelingen wordt met name bepaald dat:

a)

de personeelsleden van EUCAP Sahel Mali, met name van de RACC, de voor het uitoefenen van hun taken noodzakelijke logistieke en veiligheidssteun krijgen;

b)

hoofden van de delegaties gezag uitoefenen over personeelsleden van EUCAP Sahel Mali, met name van de RACC, in de respectieve delegaties van de Unie, met name zodat zij zich van hun zorgplicht kunnen kwijten, de naleving van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften kunnen waarborgen en kunnen bijdragen tot de uitoefening van het tuchtrechtelijk toezicht, en dergelijke personeelsleden hen naar behoren op de hoogte houden van hun activiteiten;

c)

hoofden van de delegaties erop toezien dat de personeelsleden van EUCAP Sahel Mali, met name van de RACC, indien zij in een delegatie van de Unie zijn gevestigd, dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke zijn verleend aan het personeel in die delegatie van de Unie.".

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  Besluit 2014/219/GBVB van de Raad van 15 april 2014 betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Mali (EUCAP Sahel Mali) (PB L 113 van 16.4.2014, blz. 21).

(2)  Besluit (GBVB) 2019/312 van de Raad van 21 februari 2019 tot wijziging en verlenging van Besluit 2014/219/GBVB betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Mali (EUCAP Sahel Mali) (PB L 51 van 22.2.2019, blz. 29).


14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/21


UITVOERINGSBESLUIT (GBVB) 2019/763 VAN DE RAAD

van 13 mei 2019

tot uitvoering van Besluit 2013/798/GBVB betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,

Gezien Besluit 2013/798/GBVB van de Raad van 23 december 2013 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (1), en met name artikel 2 quater,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 23 december 2013 Besluit 2013/798/GBVB vastgesteld.

(2)

Het Comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, ingesteld krachtens Resolutie 2127 (2013) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, heeft op 18 april 2019 de gegevens met betrekking tot één persoon die aan beperkende maatregelen onderworpen is, geactualiseerd.

(3)

De bijlage bij Besluit 2013/798/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Besluit 2013/798/GBVB wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  PB L 352 van 24.12.2013, blz. 51.


BIJLAGE

In deel A (Personen) van de bijlage bij Besluit 2013/798/GBVB, wordt de vermelding met betrekking tot de onderstaande persoon vervangen door de volgende vermelding:

"12.   Abdoulaye HISSENE (alias: a) Abdoulaye Issène; b) Abdoulaye Hissein; c) Hissene Abdoulaye; d) Abdoulaye Issène Ramadane; e) Abdoulaye Issene Ramadan; f) Issene Abdoulaye)

Geboortedatum: a) 1967; b) 1 januari 1967

Geboorteplaats: a) Ndele, Bamingui-Bangoran, Centraal-Afrikaanse Republiek; b) Haraze Mangueigne, Tsjaad

Nationaliteit: a) Centraal-Afrikaanse Republiek; b) Tsjaad

Paspoortnummer: diplomatiek paspoort nr. D00000897 van de CAR, afgegeven op 5 april 2013 (geldig tot 4 april 2018)

Nationaal identificatienr.: nationale identiteitskaart van Tsjaad nr. 103-00653129-22, afgegeven op 21 april 2009 (geldig tot 21 april 2019)

Adres: a) KM5, Bangui, Centraal-Afrikaanse Republiek; b) Nana-Grebizi, Centraal-Afrikaanse Republiek; c) Ndjari, Ndjamena, Tsjaad

Datum plaatsing op de VN-lijst:17 mei 2017

Overige informatie: Hissène was voorheen minister van Jeugd en Sport en kabinetslid van voormalig president Michel Djotodia van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR). Daarvoor was hij de leider van de Convention of Patriots for Justice and Peace, een politieke partij. Hij wierp zich ook op tot leider van gewapende milities in Bangui, met name in de PK5-wijk (3e district). Naam van de vader: Abdoulaye. Naam van de moeder: Absita Moussa. Foto beschikbaar voor opname in de speciale kennisgeving van Interpol/VN-Veiligheidsraad. Weblink speciale kennisgeving van Interpol/VN-Veiligheidsraad: https://www.interpol.int/en/notice/search/un/6098910

Informatie uit de beschrijving van de redenen die is verstrekt door het Sanctiecomité:

Abdoulaye Hissène is op 17 mei 2017 op grond van de punt 16 en punt 17, onder g), van Resolutie 2339 (2017) op de lijst geplaatst omdat hij "handelingen verricht of steunt die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de CAR ondermijnen, waaronder handelingen die het politieke overgangsproces of het stabilisatie- en verzoeningsproces bedreigen of verhinderen, of die het geweld aanwakkeren;" en omdat hij "betrokken is bij het beramen, aansturen, steunen of plegen van aanslagen tegen missies van de Verenigde Naties of internationale veiligheidstroepen, waaronder Minusca, de missies van de Europese Unie en de Franse operaties die hen ondersteunenf".

Aanvullende informatie:

Abdoulaye Hissène en andere leden van de ex-Séléka werkten samen met anti-Balaka-plunderaars die geallieerd waren met voormalig president François Bozizé van de Centraal-Afrikaanse Republiek, onder wie Maxime Mokom, om gewelddadige protestacties en rellen aan te moedigen in september 2015, bij de mislukte staatsgreep die de regering van de toenmalige interim-president Catherine Samba-Panza ten val moest brengen terwijl zij de Algemene Vergadering van de VN van 2015 bijwoonde. Mokom, Hissène en anderen werden door de Centraal-Afrikaanse regering aangeklaagd voor verschillende misdrijven, waaronder moord, brandstichting, foltering, en plundering, in de nasleep van de mislukte staatsgreep.

In 2015 werd Hissène een van de belangrijkste leiders van gewapende milities in de PK5-wijk van Bangui, die meer dan honderd man sterk waren. Hij heeft als zodanig de vrijheid van verkeer en de terugkeer van het staatsgezag in het gebied verhinderd, onder meer via illegale belasting van vervoer en commerciële activiteiten. In de tweede helft van 2015 trad Hissène op als vertegenwoordiger van de ex-Séléka "Nairobisten" in Bangui in een toenaderingspoging tot anti-Balaka-strijders onder Mokom. Gewapende mannen onder leiding van Haroun Gaye en Hissène namen deel aan de gewelddadige gebeurtenissen in Bangui tussen 26 september en 3 oktober 2015.

Leden van de groep van Hissène worden verdacht van betrokkenheid bij een aanslag op 13 december 2015 — de dag van het grondwettelijk referendum — op het voertuig van Mohamed Moussa Dhaffane, leider van de ex-Séléka. Hissène wordt beschuldigd van het orkestreren van geweld in het KM5-district van Bangui waarbij vijf mensen om het leven kwamen en twintig gewonden vielen, en waarbij ingezetenen belet werden te gaan stemmen voor het referendum over de grondwet. Hissène bracht de verkiezingen in gevaar door het op gang brengen van een spiraal van vergeldingsacties tussen verschillende groepen.

Op 15 maart 2016 werd Hissène aangehouden door de politie op de M'Poko-luchthaven in Bangui en overgebracht naar de afdeling onderzoek en opsporing van de nationale gendarmerie. Vervolgens werd hij op gewelddadige manier bevrijd door zijn militie, die een wapen stal dat eerder was overgedragen door Minusca in het kader van een verzoek om vrijstelling dat door het Comité was goedgekeurd.

Op 19 juni 2016, na de arrestatie van islamitische handelaren door binnenlandse veiligheidstroepen in PK 12, ontvoerden milities van Gaye en Hissène vijf agenten van de nationale politie in Bangui. Op 20 juni trachtte Minusca de politieagenten te bevrijden. Er waren schotenwisselingen tussen gewapende mannen onder leiding van Hissène Gaye en de vredeshandhavers die probeerden de gijzelaars te bevrijden. Daarbij kwamen ten minste zes personen om en raakte één vredeshandhaver gewond.

Op 12 augustus 2016 nam Hissène de leiding van een konvooi van zes voertuigen met zwaarbewapende manschappen. Het konvooi, dat Bangui ontvluchtte, werd ten zuiden van Sibut door Minusca onderschept. Het konvooi, dat onderweg was naar het noorden, en interne veiligheidstroepen beschoten elkaar bij verschillende controlepunten. Uiteindelijk werd het 40 km ten zuiden van Sibut tegengehouden door Minusca. Na verscheidene vuurgevechten nam Minusca elf van de mannen gevangen, maar Hissène en verscheidene anderen konden ontkomen. Enkele van de aangehoudenen vertelden aan Minusca dat Hissène de leider was van het konvooi, dat tot doel had Bria te bereiken en deel te nemen aan de vergadering van ex-Séléka-groepen georganiseerd door Nourredine Adam.

In augustus en september 2016 reisde het deskundigenpanel tweemaal naar Sibut om de bezittingen van het konvooi van Hissène, Gaye en Hamit Tidjani, die op 13 augustus door Minusca in beslag waren genomen, te inspecteren. Het panel inspecteerde eveneens de munitie die op 16 augustus in het huis van Hissène in beslag was genomen. Dodelijke en niet-dodelijke militaire uitrusting werd aangetroffen in de zes voertuigen en bij de aangehoudenen. Op 16 augustus 2016 viel de centrale gendarmerie het huis van Hissène in Bangui binnen. Daar werden meer dan 700 wapens aangetroffen.

Op 4 september 2016 opende een groep ex-Séléka-rebellen die op zes motoren uit Kaga-Bandoro kwamen om Hissène en zijn trawanten op te halen, in de buurt van Dékoa het vuur op Minusca. Tijdens dit incident werd één ex-Séléka-strijder gedood, en raakten twee vredeshandhavers en één burger gewond.".


Rectificaties

14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/24


Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1926 van de Commissie van 31 mei 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2010/40/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het aanbieden van EU-brede multimodale reisinformatiediensten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 272 van 21 oktober 2017 )

Bladzijde 6, artikel 2, punt 6:

in plaats van:

"historische reisgegevens",

lezen:

"historische verkeersgegevens".

Bladzijde 6, artikel 2, punt 15:

in plaats van:

"de beschikbaarheid van actuele gegevens op een voor de gebruikers en eindgebruikers nuttig tijdstip vóór de reis;",

lezen:

"de tijdige beschikbaarheid van actuele gegevens op een voor de gebruikers en eindgebruikers nuttig tijdstip;".

Bladzijde 7, artikel 3, lid 2:

in plaats van:

"nationale contactpunten",

lezen:

"nationale toegangspunten".

Bladzijde 8, artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 2:

in plaats van:

"het nationaal contactpunt",

lezen:

"het nationale toegangspunt".

Bladzijde 11, bijlage, punt 1.1, onder a), iii):

in plaats van:

"Potentiële attractiepolen",

lezen:

"Potentiële bestemmingen voor reizigers".

Bladzijde 11, bijlage, punt 1.1, onder d), vi):

in plaats van:

"Amplitude",

lezen:

"Tijden waarop de dienstverlening beschikbaar is".

Bladzijde 11, bijlage, punt 1.1, onder d), vii):

in plaats van:

"Voorzieningen knooppunten (m.i.v. informatie op perrons, onthaal/infopunt, loket, liften/trappen, in- en uitgangen)",

lezen:

"Haltevoorzieningen op knooppunten (m.i.v. informatie op perrons, servicepunt/infopunt, loket, liften/trappen, in- en uitgangen)".

Bladzijde 11, bijlage, punt 1.1, onder d), viii):

in plaats van:

"lagevloer",

lezen:

"lage vloer".

Bladzijde 11, bijlage, punt 1.1, onder d), x):

in plaats van:

"Beschikbaarheid van bijstand (b.v. bijstand ter plaatse)",

lezen:

"Beschikbaarheid van assistentie (b.v. assistentieverlening ter plaatse)".

Bladzijde 12, bijlage, punt 1.2, onder c), i):

in plaats van:

"Algemene basistarieven (alle geregeld vervoer)",

lezen:

"Algemene standaardtarieven (alle geregeld vervoer) (globaal)".

Bladzijde 12, bijlage, punt 1.2, onder c), i), tweede streepje:

in plaats van:

"standaardtariefstructuur",

lezen:

"structuur van de standaardtarieven".

Bladzijde 12, bijlage, punt 1.3, onder a):

in plaats van:

"Gedetailleerd opzoeken van gemeenschappelijke bijzondere tarieven (alle geregeld vervoer)",

lezen:

"Opzoeken van algemene standaardtarieven en bijzondere tarieven (alle geregeld vervoer) (gedetailleerd)".

Bladzijde 12, bijlage, punt 1.3, onder a), ii):

in plaats van:

"Gemeenschappelijke tariefformules",

lezen:

"Algemene tariefformules".

Bladzijde 13, bijlage, punt 1.3, onder c), i):

in plaats van:

"Exacte kenmerken van het fietsroutenetwerk",

lezen:

"Gedetailleerde kenmerken van het fietsroutenetwerk".

Bladzijde 13, bijlage, punt 2.2, onder a), ii):

in plaats van:

"Huidige reistijd via de weg",

lezen:

"Actuele reistijd via de weg".

Bladzijde 13, bijlage, punt 2.2, onder b):

in plaats van:

"Openbare laadstations voor",

lezen:

"Beschikbaarheid van openbare laadstations voor".


14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/26


Rectificatie van Verordening (EU) nr. 487/2013 van de Commissie van 8 mei 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang

( Publicatieblad van de Europese Unie L 149 van 1 juni 2013 )

Bladzijde 58, bijlage VI tot wijziging van deel 1 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, punt 1, onder a) en b):

in plaats van:

"1.

Deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in tabel 1.1 wordt de volgende regel

"Ontvlambaar gas

Ontvl. Gas 1

Ontvl. Gas 2"

vervangen door:

"Ontvlambaar gas

Ontvl. Gas 1

Ontvl. Gas 2

Chem. instab. Gas A

Chem. instab. Gas B"

b)

in tabel 1.1 wordt de volgende regel

"Ontvlambare aerosol

Ontvl. aerosol 1

Ontvl. aerosol 2"

vervangen door:

"Aerosol

Aerosol 1

Aerosol 2

Aerosol 3""

lezen:

"1.

Deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in tabel 1.1 wordt de volgende regel

"Ontvlambaar gas

Flam. Gas 1

Flam. Gas 2"

vervangen door:

"Ontvlambaar gas

Flam. Gas 1

Flam. Gas 2

Chem. Unst. Gas A

Chem. Unst. Gas B"

b)

in tabel 1.1 wordt de volgende regel

"Ontvlambare aerosol

Flam. Aerosol 1

Flam. Aerosol 2"

vervangen door:

"Aerosol

Aerosol 1

Aerosol 2

Aerosol 3""


14.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/27


Rectificatie van Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2019/171 van de Commissie van 16 november 2018 tot wijziging, met het oog op aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, van bijlage III bij Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een vrijstelling voor een toepassing van cadmium en cadmiumverbindingen in elektrische contacten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 33 van 5 februari 2019 )

Bladzijde 13, de tabel in de bijlage, derde kolom, tweede rij, tot wijziging van bijlage III van Richtlijn 2011/65/EU:

in plaats van:

"Geldt voor de categorieën 1, 7 en 10, en verstrijkt op 21 juli 2021.",

lezen:

"Geldt voor de categorieën 1 tot en met 7 en 10, en verstrijkt op 21 juli 2021.".