ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 109

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

62e jaargang
24 april 2019


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2019/634 van de Raad van 9 april 2019 inzake de ondertekening, namens de Unie, van de statusovereenkomst tussen de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Bosnië en Herzegovina uitvoert

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/635 van de Commissie van 16 april 2019 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Lechazo de Castilla y León (BGA))

4

 

*

Verordening (EU) 2019/636 van de Commissie van 23 april 2019 tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/637 van de Commissie van 23 april 2019 tot goedkeuring van cholecalciferol als werkzame stof voor gebruik in biociden van productsoort 14 ( 1 )

13

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2019/638 van de Raad van 15 april 2019 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de veertiende Conferentie van de partijen met betrekking tot bepaalde wijzigingen van de bijlagen II, VIII en IX bij het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan

19

 

*

Besluit (EU) 2019/639 van de Raad van 15 april 2019 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de negende vergadering van de Conferentie van de partijen met betrekking tot de wijzigingen van de bijlagen A en B bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen

22

 

*

Besluit (EU) 2019/640 van de Raad van 15 april 2019 inzake de toewijzing van geannuleerde middelen voor projecten van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds ter aanvulling van de Vredesfaciliteit voor Afrika

24

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/641 van de Commissie van 17 april 2019 betreffende de voorwaarden van de toelating voor een 1R-trans-fenothrin bevattende biocidefamilie die overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad door Ierland is doorverwezen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 2837)  ( 1 )

26

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1506 van de Commissie van 10 oktober 2018 inzake uitzonderlijke marktondersteuningsmaatregelen voor de sectoren eieren en pluimveevlees in Italië ( PB L 255 van 11.10.2018 )

28

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2019/50 van de Commissie van 11 januari 2019 tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan residuen van chlorantraniliprole, clomazone, cyclaniliprool, fenazaquin, fenpicoxamid, fluoxastrobin, lambda-cyhalothrin, mepiquat, uienolie, thiacloprid en valifenalaat in of op bepaalde producten ( PB L 10 van 14.1.2019 )

28

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/1


BESLUIT (EU) 2019/634 VAN DE RAAD

van 9 april 2019

inzake de ondertekening, namens de Unie, van de statusovereenkomst tussen de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Bosnië en Herzegovina uitvoert

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 79, lid 2, onder c), in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad (1) dient de Unie, in gevallen waarin de inzet wordt beoogd van Europese grens- en kustwachtteams in een derde land bij acties waarbij de teamleden uitvoerende bevoegdheden zullen hebben, of waarin andere acties in derde landen het vereisen, een statusovereenkomst te sluiten met het betreffende derde land. Die statusovereenkomst moet betrekking hebben op alle aspecten die noodzakelijk zijn om de acties uit te voeren.

(2)

Op 16 oktober 2017 heeft de Raad de Commissie machtiging verleend om met Bosnië en Herzegovina onderhandelingen te openen over een statusovereenkomst inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Bosnië en Herzegovina uitvoert ("de overeenkomst").

(3)

De onderhandelingen zijn succesvol afgerond met de parafering van de overeenkomst in januari 2019.

(4)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (2); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(5)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (3); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(6)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Aangezien dit besluit voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen zes maanden nadat de Raad dit besluit heeft vastgesteld, of het dit besluit in zijn nationale wetgeving zal omzetten.

(7)

De overeenkomst moet derhalve worden ondertekend en de aangehechte gemeenschappelijke verklaring moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend tot de ondertekening, namens de Unie, van de statusovereenkomst tussen de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Bosnië en Herzegovina uitvoert, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (4).

Artikel 2

De gemeenschappelijke verklaring die aan dit besluit is gehecht, wordt namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 9 april 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)  Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).

(2)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(3)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(4)  De tekst van de overeenkomst wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.


BIJLAGE

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE IJSLAND, NOORWEGEN, ZWITSERLAND EN LIECHTENSTEIN

De partijen bij de statusovereenkomst tussen de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Bosnië en Herzegovina uitvoert, nemen nota van de nauwe band tussen de Europese Unie en Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein, met name uit hoofde van de overeenkomsten van 18 mei 1999 en 26 oktober 2004 inzake de wijze waarop deze landen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.

Het is daarom wenselijk dat de autoriteiten van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein enerzijds, en Bosnië en Herzegovina anderzijds, onverwijld bilaterale overeenkomsten sluiten inzake de uitvoering van acties door het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Bosnië en Herzegovina, die vergelijkbaar zijn met de statusovereenkomst tussen de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina inzake acties die het Europees Grens- en kustwachtagentschap in Bosnië en Herzegovina uitvoert.


VERORDENINGEN

24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/635 VAN DE COMMISSIE

van 16 april 2019

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen ("Lechazo de Castilla y León" (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de aanvraag van Spanje tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding "Lechazo de Castilla y León", die bij Verordening (EG) nr. 2107/1999 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier voor de naam "Lechazo de Castilla y León" (BGA) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 april 2019.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 2107/1999 van de Commissie van 4 oktober 1999 tot aanvulling van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het "Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen" bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 258 van 5.10.1999, blz. 3)

(3)  PB C 432 van 30.11.2018, blz. 3.


24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/6


VERORDENING (EU) 2019/636 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2019

tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (1), en met name artikel 7, lid 4, onder a), en lid 5, en artikel 14, leden 2 en 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 850/2004 worden de verplichtingen die zijn vermeld in het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (hierna "het verdrag" genoemd), dat namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij Besluit 2006/507/EG van de Raad (2), en in het Protocol inzake persistente organische verontreinigende stoffen bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, dat namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij Besluit 2004/259/EG van de Raad (3), in het recht van de Unie omgezet.

(2)

Tijdens de zevende vergadering van de Conferentie van de Partijen bij het verdrag, die plaatsvond van 4 tot en met 15 mei 2015, is overeengekomen pentachloorfenol en de zouten en esters daarvan (hierna "pentachloorfenol" genoemd) op te nemen in bijlage A (beëindiging) bij het verdrag.

(3)

Gezien de wijziging van het verdrag moeten de bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 worden gewijzigd, waarbij pentachloorfenol in die bijlagen moet worden opgenomen en de overeenkomstige concentratiegrenswaarden moeten worden vermeld, om te waarborgen dat pentachloorfenolhoudend afval wordt beheerd overeenkomstig de bepalingen van het verdrag.

(4)

De voor de bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 voorgestelde concentratiegrenswaarden zijn vastgesteld door toepassing van dezelfde methode als voor de vaststelling van de grenswaarden in vorige wijzigingen van de bijlagen IV en V (4). De voorgestelde concentratiegrenswaarden worden als de meeste geschikte beschouwd om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te verzekeren door middel van de vernietiging en onomkeerbare omzetting van pentachloorfenol.

(5)

Er moet een voldoende lange periode worden vastgesteld waarin bedrijven en bevoegde instanties zich kunnen aanpassen aan de nieuwe voorschriften.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 31 oktober 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.

(2)  Besluit 2006/507/EG van de Raad van 14 oktober 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 209 van 31.7.2006, blz. 1).

(3)  Besluit 2004/259/EG van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Protocol inzake persistente organische verontreinigende stoffen bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (PB L 81 van 19.3.2004, blz. 35).

(4)  Verordening (EG) nr. 1195/2006 van de Raad van 18 juli 2006 tot wijziging van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 217 van 8.8.2006, blz. 1), Verordening (EG) nr. 172/2007 van de Raad van 16 februari 2007 tot wijziging van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 55 van 23.2.2007, blz. 1), Verordening (EU) nr. 756/2010 van de Commissie van 24 augustus 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen met betrekking tot de bijlagen IV en V (PB L 223 van 25.8.2010, blz. 20), Verordening (EU) nr. 1342/2014 van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen met betrekking tot de bijlagen IV en V (PB L 363 van 18.12.2014, blz. 67) en Verordening (EU) 2016/460 van de Commissie van 30 maart 2016 tot wijziging van de bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 80 van 31.3.2016, blz. 17).

(5)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).


BIJLAGE

De bijlagen IV en V bij Verordening (EG) nr. 850/2004 worden als volgt gewijzigd:

1)

In de tabel van bijlage IV wordt de volgende rij toegevoegd:

Lijst van stoffen waarvoor de in artikel 7 vermelde bepalingen inzake afvalbeheer gelden

Stof

CAS-nr.:

EG-nr.

In artikel 7, lid 4, onder a), bedoelde concentratiegrenswaarde

"Pentachloorfenol en de zouten en esters daarvan

87-86-5 en andere

201-778-6 en andere

100 mg/kg"

2)

De tabel in bijlage V, deel 2, wordt vervangen door:

"Afvalstoffen overeenkomstig Beschikking 2000/532/EG van de Commissie (1)

Maximale concentratiegrenswaarde voor in bijlage IV vermelde stoffen (2)

Handeling

10

AFVAL VAN THERMISCHE PROCESSEN

Alkanen, C10-C13, chloor- (gechloreerde paraffinen met een korte keten) (SCCP's): 10 000 mg/kg;

Aldrin: 5 000 mg/kg;

Chloordaan: 5 000 mg/kg;

Chloordecon: 5 000 mg/kg;

DDT (1,1,1-trichloor-2,2-bis(4-chloorfenyl)ethaan): 5 000 mg/kg;

Dieldrin: 5 000 mg/kg;

Endosulfan: 5 000 mg/kg;

Endrin: 5 000 mg/kg;

Heptachloor: 5 000 mg/kg;

Hexabroombifenyl: 5 000 mg/kg;

Hexabroomcyclododecaan (3): 1 000 mg/kg;

Hexachloorbenzeen: 5 000 mg/kg;

Hexachloorbutadieen: 1 000 mg/kg;

Hexachloorcyclohexanen, inclusief lindaan: 5 000  mg/kg;

Mirex: 5 000  mg/kg;

Pentachloorbenzeen: 5 000 mg/kg;

Pentachloorfenol en de zouten en esters daarvan: 1 000 mg/kg;

Perfluoroctaansulfonzuur en derivaten daarvan (PFOS)

(C8F17SO2X)

(X = OH, metaalzout (O-M+), halogenide, amide en andere derivaten inclusief polymeren): 50 mg/kg;

Polychloorbifenylen (pcb's) (4): 50 mg/kg;

Polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen: 5 mg/kg;

Polychloornaftalenen (*1): 1 000 mg/kg;

Som van de concentraties van tetrabroomdifenylether (C12H6Br4O), pentabroomdifenylether (C12H5Br5O), hexabroomdifenylether (C12H4Br6O) en heptabroomdifenylether (C12H3Br7O): 10 000  mg/kg;

Toxafeen: 5 000 mg/kg;

Permanente opslag wordt uitsluitend toegestaan wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

1)

de opslag gebeurt in een van de volgende locaties:

veilige, diepe, ondergrondse, harde rotsformaties;

zoutkoepels;

een stortplaats voor gevaarlijke afvalstoffen, mits de afvalstoffen voor zover technisch mogelijk zijn verhard of gedeeltelijk gestabiliseerd, zoals vereist voor de indeling van de afvalstoffen in subhoofdstuk 19 03 van Beschikking 2000/532/EG;

2)

de bepalingen van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad (5) en Beschikking 2003/33/EG van de Raad (6) zijn in acht genomen;

3)

er is aangetoond dat de gekozen handeling uit milieuoogpunt de voorkeur verdient.

10 01

Afval van elektriciteitscentrales en andere verbrandingsinstallaties (exclusief 19)

10 01 14 (*1)

Bij bijstoken vrijkomende bodemas, slakken en ketelstof die gevaarlijke stoffen bevatten

10 01 16 (*1)

Bij bijstoken vrijkomende vliegas die gevaarlijke stoffen bevat

10 02

Afval van de ijzer- en staalindustrie

10 02 07 (*1)

Vast afval van gaszuivering dat gevaarlijke stoffen bevat

10 03

Afval van thermische processen in de aluminiummetallurgie

10 03 04 (*1)

Slakken van primaire productie

10 03 08 (*1)

Zoutslakken van secundaire productie

10 03 09 (*1)

Black drosses van secundaire productie

10 03 19 (*1)

Rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat

10 03 21 (*1)

Overige deeltjes en stof (inclusief kogelmolenstof) die gevaarlijke stoffen bevatten

10 03 29 (*1)

Afval van de behandeling van zoutslakken en black drosses dat gevaarlijke stoffen bevat

10 04

Afval van thermische processen in de loodmetallurgie

10 04 01 (*1)

Slakken van primaire en secundaire productie

10 04 02 (*1)

Dross en skimmings van primaire en secundaire productie

10 04 04 (*1)

Rookgasstof

10 04 05 (*1)

Overige deeltjes en stof

10 04 06 (*1)

Vast afval van gasreiniging

10 05

Afval van thermische processen in de zinkmetallurgie

10 05 03 (*1)

Rookgasstof

10 05 05 (*1)

Vast afval van gasreiniging

10 06

Afval van thermische processen in de kopermetallurgie

10 06 03 (*1)

Rookgasstof

10 06 06 (*1)

Vast afval van gasreiniging

10 08

Afval van thermische processen in de overige non-ferrometallurgie

10 08 08 (*1)

Zoutslakken van primaire en secundaire productie

10 08 15 (*1)

Rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat

10 09

Afval van ijzergieten

10 09 09 (*1)

Rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat

16

NIET ELDERS IN DE LIJST GENOEMD AFVAL

16 11

Ovenpuin

16 11 01 (*1)

Koolstofhoudend ovenpuin van metallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat

16 11 03 (*1)

Overig ovenpuin van metallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat

17

BOUW- EN SLOOPAFVAL (INCLUSIEF AFGEGRAVEN GROND VAN VERONTREINIGDE LOCATIES)

17 01

Beton, stenen, tegels en keramische producten

17 01 06 (*1)

Mengsels van beton, stenen, tegels of keramische producten, of afzonderlijke fracties daarvan, die gevaarlijke stoffen bevatten

17 05

Grond (inclusief afgegraven grond van verontreinigde locaties), stenen en baggerspecie

17 05 03 (*1)

Grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten

17 09

Overig bouw- en sloopafval

17 09 02 (*1)

Bouw- en sloopafval dat pcb's bevat met uitzondering van pcb-houdend materieel

17 09 03 (*1)

Overig bouw- en sloopafval (inclusief gemengd afval) dat gevaarlijke stoffen bevat

19

AFVAL VAN INSTALLATIES VOOR AFVALBEHEER, OFFSITE WATERZUIVERINGSINSTALLATIES EN DE BEREIDING VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER EN WATER VOOR INDUSTRIEEL GEBRUIK

19 01

Afval van de verbranding of pyrolyse van afval

19 01 07 (*1)

Vast afval van gasreiniging

19 01 11 (*1)

Bodemas en slakken die gevaarlijke stoffen bevatten

19 01 13 (*1)

Vliegas die gevaarlijke stoffen bevat

19 01 15 (*1)

Ketelas die gevaarlijke stoffen bevat

19 04

Verglaasd afval en afval van verglazen

19 04 02 (*1)

Vliegas en ander rookgasreinigingsafval

19 04 03 (*1)

Niet-verglaasde vaste fase"

De maximale concentratiegrenswaarde van polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD's en PCDF's) wordt berekend met gebruikmaking van de volgende toxische-equivalentiefactoren (TEF's):

PCDD

TEF

2,3,7,8-TeCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

PCDF

TEF

2,3,7,8-TeCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003


(1)  2000/532/EG: Beschikking van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3).

(2)  Deze grenswaarden gelden alleen voor stortplaatsen voor gevaarlijk afval en zijn niet van toepassing op permanente ondergrondse opslagvoorzieningen voor gevaarlijk afval, waaronder zoutkoepels.

(3)  "Hexabroomcyclododecaan" omvat hexabroomcyclododecaan, 1,2,5,6,9,10-hexabroomcyclododecaan en zijn voornaamste diastereo-isomeren: α-hexabroomcyclododecaan, β-hexabroomcyclododecaan en γ-hexabroomcyclododecaan.

(4)  Hiervoor wordt de berekeningsmethode van de Europese normen EN 12766-1 en EN 12766-2 gebruikt.

(5)  Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).

(6)  Beschikking 2003/33/EG van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG (PB L 11 van 16.1.2003, blz. 27).

(*1)  Elke met een asterisk "*" aangegeven afvalstof wordt beschouwd als een gevaarlijke afvalstof overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG en is onderworpen aan de bepalingen van die richtlijn.


24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/637 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2019

tot goedkeuring van cholecalciferol als werkzame stof voor gebruik in biociden van productsoort 14

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De beoordelende bevoegde autoriteit van Zweden heeft op 19 april 2013 overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) een aanvraag ontvangen om de werkzame stof cholecalciferol op te nemen in bijlage I bij die richtlijn voor gebruik in biociden van productsoort 14 (rodenticiden), zoals omschreven in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG, die overeenstemt met productsoort 14 zoals omschreven in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(2)

Op 15 april 2016 heeft de beoordelende bevoegde autoriteit van Zweden overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 het beoordelingsrapport en haar aanbevelingen ingediend bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen ("het Agentschap").

(3)

Op 13 december 2017 heeft het Comité voor biociden het advies van het Agentschap (3) vastgesteld, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(4)

Volgens dat advies is cholecalciferol een prohormoon en voldoet het dus aan de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 van de Commissie (4) vastgestelde criteria om te worden geacht hormoonontregelende eigenschappen te bezitten die schadelijk kunnen zijn voor de mens. Cholecalciferol voldoet daarom aan het in artikel 5, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 528/2012 vastgestelde uitsluitingscriterium.

(5)

Daarnaast is er volgens dat advies bezorgdheid over primaire en secundaire vergiftiging bij gebruik van producten die cholecalciferol bevatten, zelfs indien strikte risicobeheersmaatregelen worden toegepast, en daarom voldoet cholecalciferol ook aan het in artikel 10, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 528/2012 vastgestelde criterium betreffende het in aanmerking komen voor vervanging.

(6)

Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 kan een werkzame stof die voldoet aan een uitsluitingscriterium alleen worden goedgekeurd indien wordt aangetoond dat aan ten minste een van de voorwaarden voor de in dat artikel geregelde afwijking is voldaan.

(7)

Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 heeft het Agentschap van 17 juli 2017 tot 15 september 2017 een openbare raadpleging gehouden om relevante informatie te verzamelen, met inbegrip van informatie over beschikbare vervangende stoffen (5).

(8)

De Commissie heeft van 7 februari 2018 tot 7 april 2018 ook een specifieke openbare raadpleging gehouden om informatie te verzamelen over de vraag of aan de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 vastgestelde afwijkingsvoorwaarden is voldaan. De Commissie heeft de tijdens die raadpleging ontvangen bijdragen openbaar gemaakt (6).

(9)

De informatie die bij die twee openbare raadplegingen is verkregen, de ervaring met toelatingen voor rodenticiden en de verlenging van de goedkeuring van bloedstollingsremmende werkzame stoffen die worden gebruikt in rodenticiden, en de informatie betreffende de beschikbaarheid van alternatieven voor bloedstollingsremmende rodenticiden in bijlage 1 bij het eindverslag van de Commissie inzake risicobeperkende maatregelen voor bloedstollingsremmende rodenticiden als biociden (7), is met de lidstaten besproken in het Permanent Comité voor biociden.

(10)

Knaagdieren kunnen drager zijn van ziekteverwekkers die verantwoordelijk zijn voor tal van zoönosen, die op hun beurt een ernstig gevaar kunnen vormen voor de gezondheid van mens of dier. Bloedstollingsremmende werkzame stoffen, die momenteel de voornaamste werkzame stoffen zijn die worden gebruikt in rodenticiden, voldoen ook aan de uitsluitingscriteria van artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012, daar zij worden ingedeeld als giftig voor de voortplanting (categorie 1B) en de meeste daarvan persistente, bioaccumulerende en toxische (PBT) dan wel zeer persistente en sterk bioaccumulerende (vPvB) stoffen zijn. Andere alternatieve werkzame stoffen die momenteel zijn goedgekeurd voor productsoort 14 en niet zijn uitgesloten, namelijk koolstofdioxide, alfachloralose, aluminiumfosfide, waterstofcyanide en gemalen maisspil, hebben beperkingen die inherent zijn aan de aard en de beperkte gebruiksvoorwaarden ervan. Niet-chemische bestrijdings- of preventiemethoden voor de bestrijding van knaagdieren, zoals mechanische, elektrische of lijmvallen, zijn mogelijk niet voldoende doeltreffend en kunnen de vraag doen rijzen of ze humaan zijn en onnodig lijden teweegbrengen bij knaagdieren.

(11)

De goedkeuring van cholecalciferol zou een extra werkzame stof op de markt brengen en zou nuttig zijn om de toenemende ontwikkeling van resistentie van knaagdieren tegen bloedstollingsremmende werkzame stoffen te beheersen, aangezien cholecalciferol op een geheel andere wijze werkt dan antistollingsmiddelen. De beschikbaarheid van cholecalciferol kan ook leiden tot een vermindering van het gebruik van bloedstollingsremmende werkzame stoffen en met name van de krachtigste tweede generatie daarvan. Cholecalciferol kan in de toekomst bij een geïntegreerde bestrijding van plagen dus een rol spelen bij de afdoende beheersing van de knaagdierpopulaties, bovenop de genoemde alternatieven die niet onder de uitsluitingscriteria vallen, en kan eventueel het gebruik van bloedstollingsremmende werkzame stoffen in rodenticiden verminderen.

(12)

Bovendien zou een ontoereikende bestrijding van knaagdieren niet alleen aanzienlijke negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van mens of dier of het milieu, maar ook een negatieve invloed kunnen hebben op de perceptie van het publiek van zijn veiligheid wat de blootstelling aan knaagdieren betreft, of op de beveiliging van een aantal economische activiteiten die kwetsbaar kunnen zijn voor knaagdieren, wat economische en sociale gevolgen zou hebben. Ondanks zijn hormoonontregelende eigenschappen kan cholecalciferol worden geacht een beter algemeen toxicologisch en ecotoxicologisch profiel te hebben dan bloedstollingsremmende werkzame stoffen, aangezien het niet is ingedeeld als giftig voor de voortplanting, categorie 1B, noch als PBT- of zPzB-stof. Cholecalciferol is vitamine D3, die — in de juiste dosis — van essentieel belang is voor het menselijk leven, en levert voor de mens naar verwachting minder risico's op dan wanneer bloedstollingsremmende werkzame stoffen worden gebruikt als rodenticide. De uit het gebruik van cholecalciferolbevattende producten voortvloeiende risico's voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu kunnen worden beperkt indien bepaalde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen. Zoals gezegd kan cholecalciferol in de toekomst bij een geïntegreerde bestrijding van plagen bijdragen aan een bevredigende beheersing van de knaagdierpopulaties, bovenop de genoemde alternatieven die niet onder de uitsluitingscriteria vallen, en kan het gebruik van bloedstollingsremmende rodenticiden, die een groter punt van zorg zijn, daardoor eventueel worden verminderd. In dit verband zou de niet-goedkeuring van die werkzame stof de gebruikers een instrument voor de bestrijding van knaagdieren ontzeggen dat een toegevoegde waarde kan bieden en dat ten minste zo geschikt is als vele andere alternatieve stoffen. Uit het voorgaande volgt dat de niet-goedkeuring van cholecalciferol als werkzame stof een onevenredige negatieve impact zou hebben op de maatschappij in vergelijking met de risico's die aan het gebruik van de stof verbonden zijn. Bijgevolg is aan het criterium van artikel 5, lid 2, onder c), voldaan.

(13)

Het is derhalve passend cholecalciferol goed te keuren voor gebruik in biociden van productsoort 14, mits bepaalde specificaties en voorwaarden worden nageleefd.

(14)

Aangezien cholecalciferol voldoet aan het uitsluitingscriterium van artikel 5, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 528/2012, moet de goedkeuring worden verleend voor een periode van ten hoogste vijf jaar, zoals bepaald in artikel 4, lid 1, tweede volzin, van die verordening.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Cholecalciferol wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden van productsoort 14, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(3)  Biocidal Products Committee Opinion on the application for approval of the active substance: Cholecalciferol, Product type: 14, ECHA/BPC/180/2017.

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 van de Commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 301 van 17.11.2017, blz. 1).

(5)  https://echa.europa.eu/potential-candidates-for-substitution-previous-consultations

(6)  https://circabc.europa.eu/w/browse/c29a57c2-e31d-43d8-9675-6aec345218cf

(7)  https://circabc.europa.eu/sd/a/352bffd8-babc-4af8-9d0c-a1c87a3c3afc/Final%20Report%20RMM.pdf


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-benaming

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van de goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Specifieke voorwaarden

Cholecalciferol

IUPAC-benaming:

(3β,5Z,7E)-9,10-secocholesta-5,7,10(19)-trien-3-ol

EG-nr.: 200-673-2

CAS-nr.: 67-97-0

970 g/kg

1 juli 2019

30 juni 2024

14

Cholecalciferol komt in aanmerking voor vervanging overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder a) en e), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende algemene voorwaarden verbonden:

1.

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstelling, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie. Daarnaast moet bij de beoordeling van het product overeenkomstig punt 10 van bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 528/2012 worden geëvalueerd of aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 kan worden voldaan.

2.

De producten mogen enkel worden toegelaten voor gebruik in de lidstaten indien aan ten minste één van de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 vastgestelde voorwaarden wordt voldaan.

3.

Overeenkomstig artikel 19, lid 4, onder d), van Verordening (EU) nr. 528/2012, mag geen toelating worden verleend voor het op de markt aanbieden van een biocide met het oog op gebruik door het publiek.

4.

De nominale concentratie van cholecalciferol in de producten mag niet hoger zijn dan 0,075 % m/m.

5.

De producten moeten een bitterstof en een kleurstof bevatten.

6.

Producten in de vorm van traceerpoeder mogen niet worden toegelaten.

7.

Producten in de vorm van andere contactformuleringen dan traceerpoeder mogen enkel worden toegelaten voor gebruik in binnenruimten door opgeleide professionele gebruikers op plaatsen die noch toegankelijk zijn voor kinderen, noch voor niet tot een doelsoort behorende dieren.

8.

Enkel gebruiksklare producten mogen worden toegelaten.

9.

Zowel primaire als secundaire blootstelling van mensen, dieren die niet tot een doelsoort behoren, en het milieu moet tot een minimum worden beperkt door alle geschikte en beschikbare risicobeperkende maatregelen te overwegen en toe te passen. Dit omvat bijvoorbeeld een beperking van het gebruik tot professionele of opgeleide professionele gebruikers, indien mogelijk, en het vaststellen van aanvullende specifieke voorwaarden per gebruikerscategorie.

10.

Kadavers en niet-opgegeten lokaas moeten worden verwijderd in overeenstemming met de lokale voorschriften. De wijze van verwijdering moet specifiek worden beschreven in de samenvatting van de productkenmerken van de nationale toelating en moet worden weergegeven op het productetiket.

Aan toelatingen voor biociden die bestemd zijn voor gebruik door opgeleide professionele gebruikers worden naast de algemene voorwaarden de volgende voorwaarden verbonden:

1.

De producten mogen worden toegelaten voor gebruik in riolen, open ruimten of afvalstortplaatsen.

2.

De producten mogen worden toegelaten voor gebruik in bedekte en beschermde lokaaspunten, op voorwaarde dat het niveau van bescherming dat zij bieden aan niet tot een doelsoort behorende soorten en mensen hetzelfde is als bij manipulatiebestendige ("tamper-resistant") lokaasdozen.

3.

De producten mogen enkel worden toegelaten voor gebruik in permanente behandelingen op terreinen met een hoog risico op een nieuwe invasie, nadat andere bestrijdingsmethoden ontoereikend zijn gebleken.

4.

De producten mogen niet worden toegelaten voor gebruik in behandelingen waarbij op gefaseerde wijze ("pulse-baiting") lokaas wordt uitgelegd.

5.

Personen die producten voor opgeleide professionele gebruikers op de markt aanbieden, moeten ervoor zorgen dat die producten niet aan andere personen dan opgeleide professionele gebruikers worden geleverd.

Aan toelatingen voor biociden die bestemd zijn voor gebruik door professionele gebruikers worden naast de algemene voorwaarden de volgende voorwaarden verbonden:

1.

De producten mogen niet worden toegelaten voor gebruik in riolen, open ruimten of afvalstortplaatsen.

2.

De producten mogen niet worden toegelaten voor gebruik in behandelingen waarbij op permanente of gefaseerde wijze ("pulse-baiting") lokaas wordt uitgelegd.

3.

De producten mogen enkel worden toegelaten voor gebruik in manipulatiebestendige ("tamper-resistant") lokaasdozen.

4.

Personen die producten voor professionele gebruikers op de markt aanbieden, moeten ervoor zorgen dat die producten niet aan het publiek worden geleverd.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid is de minimale zuiverheidsgraad van de beoordeelde werkzame stof. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, mits bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.


BESLUITEN

24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/19


BESLUIT (EU) 2019/638 VAN DE RAAD

van 15 april 2019

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de veertiende Conferentie van de partijen met betrekking tot bepaalde wijzigingen van de bijlagen II, VIII en IX bij het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (het "Verdrag") is in 1992 in werking getreden en werd door de Unie gesloten door middel van Besluit 93/98/EEG van de Raad (1).

(2)

Aan het Verdrag en Besluit C(2001)107/FINAL van de Raad van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake de herziening van Besluit C(92)39/FINAL betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing (het "OESO-besluit") wordt in de Unie uitvoering gegeven door Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(3)

Overeenkomstig het Verdrag overweegt de Conferentie van de partijen wijzigingen van het Verdrag en neemt zij die aan, naargelang de situatie vereist. Wijzigingen aan het Verdrag moeten worden vastgesteld tijdens een vergadering van de Conferentie van de partijen.

(4)

De Conferentie van de partijen zal tijdens haar veertiende vergadering naar verwachting wijzigingen aan de bijlagen bij het Verdrag overwegen en die aannemen. Die wijzigingen zouden vermeldingen toevoegen aan de bijlagen II en VIII bij het Verdrag en vermelding B3010 van bijlage IX bij het Verdrag herzien.

(5)

De partijen hebben op 26 oktober 2018 voorstellen van Noorwegen tot wijziging van de bijlagen II, VIII en IX bij het Verdrag ontvangen. Op 6 december 2018 hebben de partijen een gecorrigeerde versie van het voorstel tot wijziging van bijlage IX ontvangen. Op grond van de voorstellen zouden plastic afvalstoffen die speciale aandacht vereisen en gevaarlijke plastic afvalstoffen als bepaald in de nieuwe vermeldingen in de bijlagen II en VIII onder het controlesysteem van het Verdrag vallen, terwijl landen de handel in niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen die in bijlage IX bij het Verdrag onder de herziene vermelding B3010 vallen, zouden kunnen voortzetten onder de huidige voorwaarden als die van het Verdragen.

(6)

De Unie dient de doelstellingen van de voorstellen tot wijzigingen van de bijlagen bij het Verdrag te steunen, aangezien die zullen bijdragen tot betere controles op de uitvoer van plastic afvalstoffen; tot het voorkomen van de uitvoer van plastic afvalstoffen naar landen met een tekortschietende infrastructuur voor de doeltreffende inzameling en een ecologisch verantwoord beheer van afvalstoffen; tot het ondersteunen van ecologisch verantwoord beheer van plastic afvalstoffen; tot het verminderen van het risico dat plastic afvalstoffen in het milieu terechtkomen en tot het voorkomen van het wereldwijde milieuprobleem van zwerfvuil in zee. De Unie dient echter ook wijzigingsvoorstellen te doen en te steunen met betrekking tot de door Noorwegen voorgestelde wijzigingen aan de bijlagen bij het Verdrag, teneinde de werkingssfeer van die wijzigingen te verduidelijken en de formulering ervan te verbeteren, en de datum waarop die wijzigingen van toepassing worden uit te stellen tot een geschikte datum na de in artikel 18 van het Verdrag voorziene datum, ten behoeve van een soepelere uitvoering en handhaving van de bijlagen.

(7)

Voor de overbrenging binnen de Unie en de EER van niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen, waaronder bepaalde mengsels van niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen, moet de huidige situatie behouden blijven en daarom moet daarvoor geen gebruik worden gemaakt van het controlesysteem dat resulteert uit de toevoeging van een vermelding aan bijlage II bij het Verdrag. De Unie dient daarvoor, voor zover nodig, gebruik te maken van de procedures van het OESO-Besluit en de inwerkingtreding van bilaterale, multilaterale of regionale overeenkomsten of regelingen met partijen of niet-partijen ten aanzien van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen of andere afvalstoffen overeenkomstig het Verdrag, om te voorkomen dat er als gevolg van de vaststelling van de wijziging aan bijlage II bij het Verdrag of de herziening van vermelding B3010 in bijlage IX bij het Verdrag extra controles komen op de overbrenging binnen de Unie en de EER van niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen, waaronder mengsels van niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen.

(8)

Er dient een standpunt te worden bepaald dat namens de Unie op de veertiende vergadering van de Conferentie van de partijen betreffende de wijzigingen aan de bijlagen II, VIII en IX bij het Verdrag moet worden ingenomen, omdat die wijzigingen bindend zullen zijn voor de Unie en beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het Unierecht, meer specifiek op Verordening (EG) nr. 1013/2006,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het standpunt dat namens de Unie dient te worden ingenomen tijdens de veertiende vergadering van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (het "Verdrag") luidt dat de vaststelling van de wijzigingen aan de bijlagen II, VIII en IX bij het Verdrag die vermeldingen voor plastic afvalstoffen toevoegen of herzien, wordt gesteund, met dien verstande dat:

a)

de Unie de wijzigingsvoorstellen van Noorwegen tot toevoeging van een nieuwe vermelding voor niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen aan bijlage II bij het Verdrag steunt (die onder het controlesysteem van het Verdrag vallen), mits wordt verduidelijkt dat die vermelding tevens betrekking heeft op mengsels van niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen en dat die vermelding duidelijk wordt gedefinieerd, onder meer door een duidelijke formulering van vermelding B3010 in bijlage IX bij het Verdrag, teneinde de uitvoering en handhaving van de verplichtingen van de partijen in verband met de nieuwe vermelding voor niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen in bijlage II bij het Verdrag te faciliteren;

b)

de Unie de wijzigingsvoorstellen van Noorwegen tot toevoeging van een nieuwe vermelding voor gevaarlijke plastic afvalstoffen aan bijlage VIII bij het Verdrag steunt (die onder het controlesysteem vallen), mits wordt verduidelijkt dat die vermelding tevens betrekking heeft op mengsels van gevaarlijke plastic afvalstoffen;

c)

de Unie het voorstel van Noorwegen tot herziening van vermelding B3010 voor niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen in bijlage IX bij het Verdrag steunt (die niet onder het controlesysteem vallen, tenzij dergelijke afvalstoffen een tot een categorie van bijlage I bij het Verdrag behorende stof in zulke mate bevatten dat zij een in bijlage III bij het Verdrag opgenomen gevaarlijke eigenschap vertonen), mits dat voorstel aangepast wordt teneinde:

i)

de werkingssfeer ervan te verduidelijken, zodat uitsluitend niet-gemengde plasticmaterialen die bestemd zijn voor recycling of voor het gereedmaken voor hergebruik, en bij voorkeur beperkt tot handeling R3 in bijlage IV bij het Verdrag, worden opgenomen in die vermelding;

ii)

de tekst van vermelding B3010 in bijlage IX bij het Verdrag te verbeteren en de definitie ervan te vereenvoudigen, teneinde de uitvoering en handhaving van de verplichtingen van de partijen in verband met de herziening van die vermelding, met name daar die vermelding gekoppeld is aan de voorgestelde vermelding voor niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen van bijlage II bij het Verdrag, te faciliteren;

d)

de Unie voorstelt en steun verleent om voor de wijzigingen een toepassingsdatum vast te stellen die later is dan de in artikel 18 van het Verdrag voorziene datum.

2.   Indien er tijdens de veertiende vergadering van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag een nieuwe vermelding voor niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen in bijlage II of de herziene vermelding B3010 wordt vastgesteld, of beide, doet de Unie voor zover nodig al hetgeen waartoe zij op grond van het OESO-besluit en artikel 11 van het Verdrag verplicht is om te waarborgen dat de bestaande controles op de overbrenging van niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen, waaronder bepaalde mengsels van niet-gevaarlijke plastic afvalstoffen, binnen de Unie en de EER onverlet blijven.

Artikel 2

De vertegenwoordigers van de Unie kunnen in het licht van ontwikkelingen tijdens de veertiende vergadering van de Conferentie van de partijen het in artikel 1 bedoelde standpunt in overleg met de lidstaten nader uitwerken en goedkeuren, tijdens coördinatievergaderingen ter plaatse zonder een nader besluit van de Raad.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 15 april 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 93/98/EEG van de Raad van 1 februari 1993 betreffende de sluiting namens de Gemeenschap van het Verdrag inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (Verdrag van Bazel) (PB L 39 van 16.2.1993, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).


24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/22


BESLUIT (EU) 2019/639 VAN DE RAAD

van 15 april 2019

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de negende vergadering van de Conferentie van de partijen met betrekking tot de wijzigingen van de bijlagen A en B bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (het "Verdrag") is op 17 mei 2004 in werking getreden en is door de Unie gesloten door middel van Besluit 2006/507/EG van de Raad (1).

(2)

Aan het Verdrag wordt in de Unie uitvoering gegeven door Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(3)

Overeenkomstig artikel 8 van het Verdrag kan de Conferentie van de partijen chemische stoffen in de bijlagen A, B en/of C bij het Verdrag opnemen, met vermelding van de controlemaatregelen in verband met die chemische stoffen.

(4)

Ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen verdere vrijkomingen van dicofol, perfluoroctaanzuur (PFOA), zouten daarvan en aanverwante stoffen, moeten de productie en het gebruik van die chemische stoffen op mondiaal niveau worden beperkt of beëindigd en moet hun opname in de relevante bijlagen bij het Verdrag worden ondersteund. Bovendien moet het gebruik van perfluoroctaansulfonzuur (PFOS), zouten daarvan en perfluoroctaansulfonylfluoride (PFOSF), verder worden beperkt of beëindigd door wijziging of schrapping van de acceptabele doelen en/of specifieke uitzonderingen in bijlage B bij het Verdrag.

(5)

Tijdens haar negende vergadering zal de Conferentie van de partijen naar verwachting besluiten nemen om die chemische stoffen in bijlage A bij het Verdrag op te nemen en om bestaande vermeldingen in bijlage B bij het Verdrag te wijzigen.

(6)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens de negende vergadering van de Conferentie van de partijen betreffende de wijzigingen van de bijlagen A en B bij het Verdrag, aangezien die wijzigingen voor de Unie bindend zullen zijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt tijdens de negende vergadering van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (het "Verdrag") bestaat erin, met inachtneming van de desbetreffende aanbevelingen van de Toetsingscommissie persistente organische verontreinigende stoffen, haar steun te geven aan:

a)

de vermelding van dicofol in bijlage A bij het Verdrag zonder specifieke uitzonderingen;

b)

de vermelding van perfluoroctaanzuur (PFOA), zouten daarvan en aanverwante verbindingen in bijlage A bij het Verdrag, waaronder de invoeging van een nieuw deel [X] in bijlage A bij het Verdrag, met specifieke uitzonderingen voor:

i)

de productie van halfgeleiders of daarmee verband houdende elektronische apparaten, met inbegrip van een vrijstelling voor reserveonderdelen voor productieapparatuur voor halfgeleiders of daarmee verband houdende elektronische apparaten voor een termijn van 10 jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingen;

ii)

fotografische coatings voor films;

iii)

olie- en waterafstotend textiel voor de bescherming van werknemers tegen gevaarlijke vloeistoffen die risico's voor hun gezondheid en veiligheid inhouden;

iv)

invasieve en implanteerbare medische hulpmiddelen;

v)

blusschuim voor de bestrijding van dampen van vloeibare brandstoffen en branden van vloeibare brandstoffen, dat al in geïnstalleerde, zowel mobiele als vaste, installaties aanwezig is;

vi)

het gebruik van perfluoroctyljodide voor de productie van perfluoroctylbromide voor de productie van farmaceutische producten tot en met 2036, onder voorbehoud van periodieke beoordeling;

c)

wijziging van lid 3, punt b), van deel [X] van bijlage A bij het Verdrag betreffende PFOA, zouten daarvan en aanverwante verbindingen: toevoeging van de volgende zin: "Er mogen tests worden uitgevoerd om de goede werking na te gaan van een geïnstalleerd systeem dat al blusschuim bevat dat PFOA, zouten daarvan en aanverwante verbindingen bevat of kan bevatten, op voorwaarde dat de emissies naar het milieu worden voorkomen en het opgevangen afvalwater op een milieuverantwoorde wijze wordt verwijderd, overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Verdrag.";

d)

de schrapping van de volgende "acceptabele doelen" in de vermelding betreffende perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) en derivaten daarvan in bijlage B bij het Verdrag: fotografische toepassingen, fotoresist- en antireflectiecoatings voor halfgeleiders, etsmiddel voor samengestelde halfgeleiders en keramische filters, hydraulische vloeistoffen voor de luchtvaart, bepaalde medische apparatuur (bijv. ethyleentetrafluorethyleen-copolymeerlagen (ETFE-lagen) en productie van radio-opake ETFE, medische apparatuur voor in-vitrodiagnostiek en CCD-kleurfilters);

e)

de schrapping van de volgende "specifieke uitzonderingen" in de vermelding betreffende PFOS en derivaten daarvan in bijlage B bij het Verdrag: fotomaskers in de industrieën van halfgeleiders en elementen met vloeibare kristallen (LCD), metaalbekleding (hardmetalen bekleding), metaalbekleding (decoratieve bekleding), elektrische en elektronische onderdelen voor sommige kleurenprinters en kleurenkopieermachines, insecticiden voor de bestrijding van rode vuurmieren en termieten, chemisch aangedreven oliewinning;

f)

de wijziging van het "acceptabele doel" voor PFOS en derivaten daarvan voor de productie van blusschuim en het gebruik ervan in een "specifieke uitzondering" voor het gebruik van blusschuim voor de bestrijding van dampen van vloeibare brandstoffen en branden van vloeibare brandstoffen;

g)

de wijziging van het "acceptabele doel" voor PFOS en derivaten daarvan voor de productie van metaalbekleding (hardmetalen bekleding) en het gebruik ervan uitsluitend in gesloten systemen, in een "specifieke uitzondering" voor dat gebruik;

h)

de wijziging van het "acceptabele doel" voor PFOS en derivaten daarvan voor gebruik in insectenlokstoffen voor de bestrijding van bladsnijdersmieren Atta spp. en Acromyrmex spp. door sulfluramide op te nemen en te preciseren dat het "acceptabele doel" uitsluitend betrekking heeft op gebruik in de landbouw.

Artikel 2

In het licht van de ontwikkelingen tijdens de negende vergadering van de Conferentie van de partijen kunnen de vertegenwoordigers van de Unie, in overleg met de lidstaten tijdens de coördinatievergaderingen ter plaatse, instemmen met kleine wijzigingen in het in artikel 1 bedoelde standpunt, zonder een nader besluit van de Raad.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 15 april 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  Besluit 2006/507/EG van de Raad van 14 oktober 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 209 van 31.7.2006, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7).


24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/24


BESLUIT (EU) 2019/640 VAN DE RAAD

van 15 april 2019

inzake de toewijzing van geannuleerde middelen voor projecten van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds ter aanvulling van de Vredesfaciliteit voor Afrika

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (hierna "het Intern Akkoord" genoemd) (1), en met name artikel 1, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) heeft de Unie tot dusver in totaal 1 627 300 000 EUR vastgelegd voor de Vredesfaciliteit voor Afrika om financiële steun te verlenen voor de aanpak van de Afrikaanse Unie van bestaande en opkomende veiligheidscrises in Afrika. Deze inzet voor vrede en veiligheid op het Afrikaanse continent moet worden voortgezet in de periode 2019-2020.

(2)

De behoeften van de Vredesfaciliteit voor Afrika voor de periode 2019-2020 worden geraamd op 814 860 000 EUR.

(3)

Het is passend om gebruik te maken van geannuleerde middelen van projecten in het kader van het tiende EOF om de financiering van de Vredesfaciliteit voor Afrika tot eind 2020 te garanderen.

(4)

Met die middelen moeten de activiteiten van de Vredesfaciliteit voor Afrika worden gefinancierd, met name steun aan de operationalisering van de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur, steun aan initiatieven die gericht zijn op het voorkomen en beheren van gewelddadige conflicten in geval van dringende en onvoorziene behoeften in crisissituaties (mechanisme voor vroege respons) en steun aan door Afrika geleide vredesoperaties, en moeten door de Commissie gedane ondersteunende uitgaven worden gedekt.

(5)

Die middelen moeten worden benut overeenkomstig de relevante meerjarige actieprogramma's van de Vredesfaciliteit voor Afrika en overeenkomstig de regelingen en procedures die van toepassing zijn op het elfde EOF, zoals vastgesteld in Verordeningen (EU) 2015/322 (2) en (EU) 2018/1877 (3) van de Raad,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt een bedrag van maximaal 445 860 000 EUR aan geannuleerde middelen voor projecten van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) toegewezen ter aanvulling van de Vredesfaciliteit voor Afrika voor de periode 2019-2020.

Van dat bedrag wordt maximaal 14 860 000 EUR toegewezen aan door de Commissie gedane ondersteunende uitgaven.

Die middelen worden gebruikt overeenkomstig de regelingen en procedures die van toepassing zijn op het elfde EOF.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de vaststelling ervan.

Gedaan te Luxemburg, 15 april 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

P. DAEA


(1)  PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2015/322 van de Raad van 2 maart 2015 inzake de uitvoering van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (PB L 58 van 3.3.2015, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323 (PB L 307 van 3.12.2018, blz. 1).


24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/26


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2019/641 VAN DE COMMISSIE

van 17 april 2019

betreffende de voorwaarden van de toelating voor een 1R-trans-fenothrin bevattende biocidefamilie die overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad door Ierland is doorverwezen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 2837)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 36, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 20 augustus 2015 heeft de onderneming CSI-Europe ("de aanvrager") bij de bevoegde autoriteiten van een aantal lidstaten, waaronder Duitsland, ("de betrokken lidstaten") een aanvraag ingediend voor de parallelle wederzijdse erkenning van een biocidefamilie van insecticiden voor de bestrijding van mieren met lokaas die de werkzame stof 1R-trans-fenothrin bevat ("de omstreden productfamilie"). Ierland trad op als lidstaat die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de aanvraag als bedoeld in artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 ("de referentielidstaat").

(2)

Overeenkomstig artikel 35, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 heeft Duitsland op 30 juni 2017 aan de coördinatiegroep en de aanvrager bezwaren doorverwezen en aangegeven dat de omstreden productfamilie niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 19, lid 1, onder b), i), van die verordening.

(3)

Volgens Duitsland zijn de door de aanvrager verstrekte en door de referentielidstaat beoordeelde gegevens over de werkzaamheid niet aanvaardbaar. Duitsland is niet overtuigd dat de smakelijkheid van de lokaasproducten in de laboratoriumtests voldoende is aangetoond. Daarnaast betwijfelt het de geldigheid van het veldonderzoek, omdat dit niet in het voorjaar heeft plaatsgevonden, alsook de geldigheid van de door de aanvrager uitgevoerde statistische analyse. Bovendien is Duitsland het niet eens met de door de referentielidstaat genomen beslissingen op basis van deskundige adviezen, als bedoeld in bijlage VI, punt 12, bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(4)

Het secretariaat van de coördinatiegroep heeft de betrokken lidstaten en de aanvrager uitgenodigd schriftelijke opmerkingen in te dienen over de doorverwijzing. België, Duitsland, Luxemburg, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de aanvrager hebben opmerkingen ingediend. De doorverwijzing is ook besproken tijdens de vergadering van de coördinatiegroep van 26 september 2017.

(5)

Aangezien in de coördinatiegroep geen overeenstemming kon worden bereikt, heeft de referentielidstaat de bezwaren waarover geen overeenstemming is bereikt overeenkomstig artikel 36, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 op 16 januari 2018 doorverwezen naar de Commissie. De referentielidstaat deed de Commissie een gedetailleerde verklaring toekomen van de punten waarover de lidstaten geen overeenstemming hebben kunnen bereiken en van de motivering ter zake. Een kopie van die verklaring werd doorgestuurd naar de betrokken lidstaten en de aanvrager.

(6)

Op 16 februari 2018 heeft de Commissie het Europees Agentschap voor chemische stoffen ("het Agentschap") op grond van artikel 36, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 verzocht om een advies over een aantal vragen betreffende de bezwaren waarover geen overeenstemming is bereikt.

(7)

Het Agentschap heeft op 18 oktober 2018 advies uitgebracht (2).

(8)

Volgens het Agentschap wordt de smakelijkheid van de bij de omstreden productfamilie behorende lokaasproducten voor het gestelde gebruik voldoende aangetoond.

(9)

Het Agentschap geeft in zijn advies bovendien aan dat het veldonderzoek geldig is, omdat erin wordt aangetoond dat de mierenpopulatie in de behandelde nesten sterker is afgenomen dan in de controlenesten. Ook is het Agentschap van oordeel dat de door de aanvrager uitgevoerde statistische analyse van de resultaten van het veldonderzoek aanvaardbaar is. Rekening houdend met de overeengekomen richtsnoeren van de Unie (3) die op het moment van indiening van de aanvraag van toepassing waren, concludeert het Agentschap dat de werkzaamheid van de omstreden productfamilie voor het gestelde gebruik voldoende wordt aangetoond met de door de aanvrager verstrekte gegevens.

(10)

In het licht van het advies van het Agentschap is de omstreden productfamilie voldoende werkzaam, zoals voorgeschreven bij artikel 19, lid 1, onder b), i), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

(11)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Dit besluit is van toepassing op de biocidefamilie die in het biocidenregister onder het nummer BC-LR019221-36 is vermeld.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde biocidefamilie voldoet aan de voorwaarde van artikel 19, lid 1, onder b), i), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 17 april 2019.

Voor de Commissie

Jyrki KATAINEN

Vicevoorzitter


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  ECHA opinion of 18 October 2018 on a request according to Article 38 of Regulation (EU) No 528/2012 on "Questions on unresolved objections during mutual recognition of a PT 18 biocidal product family containing 1R-trans phenothrin for use against ants" (ECHA/BPC/216/2018).

(3)  Technical Notes for Guidance on Product Evaluation (2012) — Efficacy tests for product type 18 — insecticides, acaricides and products to control other arthropods and product type 19 — repellents and attractants (only concerning arthropods).

https://echa.europa.eu/documents/10162/16960215/bpd_guid_tnsg_efficacy_pt18-19_final_en.pdf/9c72241e-0eea-4f23-8e5f-f52d00a83382


Rectificaties

24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/28


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1506 van de Commissie van 10 oktober 2018 inzake uitzonderlijke marktondersteuningsmaatregelen voor de sectoren eieren en pluimveevlees in Italië

( Publicatieblad van de Europese Unie L 255 van 11 oktober 2018 )

Bladzijde 4, artikel 3, lid 1, onder d), i):

in plaats van:

"0,1815 EUR per vleeskuiken van GN-code 0105 94 00, voor maximaal 853 692 dieren,",

lezen:

"0,1815 EUR per week per vleeskuiken van GN-code 0105 94 00, voor maximaal 853 692 dieren,".

Bladzijde 4, artikel 3, lid 1, onder d), ii):

in plaats van:

"1,2225 EUR per kalkoen van GN-code 0105 99 30, voor maximaal 48 050 dieren.",

lezen:

"1,2225 EUR per week per kalkoen van GN-code 0105 99 30, voor maximaal 48 050 dieren.".


24.4.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/28


Rectificatie van Verordening (EU) 2019/50 van de Commissie van 11 januari 2019 tot wijziging van de bijlagen II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan residuen van chlorantraniliprole, clomazone, cyclaniliprool, fenazaquin, fenpicoxamid, fluoxastrobin, lambda-cyhalothrin, mepiquat, uienolie, thiacloprid en valifenalaat in of op bepaalde producten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 10 van 14 januari 2019 )

Bladzijde 12, bijlage, in de wijzigingen van de kolommen voor clomazone, fluoxastrobin, lambda-cyhalothrin, mepiquat en thiacloprid in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005, in de tabel, in de titel van de kolom voor lambda-cyhalothrin:

in plaats van:

"Lambda-cyhalothrin (F) (R)",

lezen:

"Lambda-cyhalothrin (met inbegrip van gamma-cyhalothrin) (som van R,S- en S,R-isomeren) (F)".

Bladzijde 17, bijlage, in de wijzigingen van de kolommen voor clomazone, fluoxastrobin, lambda-cyhalothrin, mepiquat en thiacloprid in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005, in de tabel, in de vermelding voor katoenzaad:

in plaats van:

"0401090

Katoenzaad

 

0,01 (*)

0,2

0,5 (+)

0,15"

lezen:

"0401090

Katoenzaad

 

0,01 (*)

0,2

5 (+)

0,15"

Bladzijde 22, bijlage, in de wijzigingen van de kolommen voor clomazone, fluoxastrobin, lambda-cyhalothrin, mepiquat en thiacloprid in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005, in de voetnoten onder de tabel:

in plaats van:

"Lambda-cyhalothrin (F) (R)

(R)

=

voor de volgende combinaties van bestrijdingsmiddel en codenummer geldt een andere residudefinitie:

Lambda-cyhalothrin - code 1000000 met uitzondering van 1040000: lambda-cyhalothrin, inclusief andere gemengde isomere bestanddelen (som van de isomeren)",

lezen:

"Lambda-cyhalothrin (met inbegrip van gamma-cyhalothrin) (som van R,S- en S,R-isomeren) (F)".