ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 327

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
21 december 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/2033 van de Commissie van 18 oktober 2018 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren voor de periode 2019-2021

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/2034 van de Commissie van 18 oktober 2018 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2019-2021

8

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/2035 van de Commissie van 18 oktober 2018 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2019-2021

17

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/2036 van de Commissie van 18 oktober 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee

27

 

*

Verordening (EU) 2018/2037 van de Commissie van 17 december 2018 tot vaststelling van een verbod op de visserij op haring in de wateren van de Unie en internationale wateren van 5b, 6b en 6aN door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

41

 

*

Verordening (EU) 2018/2038 van de Commissie van 17 december 2018 tot vaststelling van een verbod op de visserij op zwarte koolvis in de Noorse wateren van 1 en 2 door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

44

 

*

Verordening (EU) 2018/2039 van de Commissie van 17 december 2018 tot vaststelling van een verbod op de visserij op leng in de wateren van de Unie en internationale wateren van 1 en 2 door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

46

 

*

Verordening (EU) 2018/2040 van de Commissie van 17 december 2018 tot vaststelling van een verbod op de visserij op Noord-Atlantische witte tonijn in de Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

48

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2041 van de Commissie van 17 december 2018 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

50

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2042 van de Commissie van 18 december 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152 om de WLTP-testomstandigheden te verduidelijken en te voorzien in controle van de typegoedkeuringsgegevens ( 1 )

53

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2043 van de Commissie van 18 december 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 om de WLTP-testomstandigheden te verduidelijken en te voorzien in controle van de typegoedkeuringsgegevens ( 1 )

58

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2044 van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

63

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/2045 van de Commissie van 19 december 2018 tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × MON 810 (MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8239)  ( 1 )

65

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/2046 van de Commissie van 19 december 2018 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 en genetisch gemodificeerde mais die twee, drie of vier van de afzonderlijke transformatiestappen MON 87427, MON 89034, 1507, MON 88017 en 59122 combineert, en tot intrekking van Besluit 2011/366/EU (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8238)  ( 1 )

70

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/2047 van de Commissie van 20 december 2018 betreffende de gelijkwaardigheid van het wettelijk en toezichtkader dat van toepassing is op effectenbeurzen in Zwitserland in overeenstemming met Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

77

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/2048 van de Commissie van 20 december 2018 inzake de geharmoniseerde norm voor websites en mobiele applicaties opgesteld ter ondersteuning van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad

84

 

*

Besluit (EU) 2018/2049 van de Europese Centrale Bank van 12 december 2018 houdende de goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2019 (ECB/2018/35)

87

 

 

AANBEVELINGEN

 

*

Aanbeveling van de Commissie (EU) 2018/2050 van 19 december 2018 inzake het op elkaar afstemmen van het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor algemene overdrachtsvergunningen voor demonstratie en evaluatie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8598)  ( 1 )

89

 

*

Aanbeveling (EU) 2018/2051 van de Commissie van 19 december 2018 inzake het op elkaar afstemmen van het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor algemene overdrachtsvergunningen voor herstelling en onderhoud als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder d), van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8610)  ( 1 )

94

 

*

Aanbeveling van de Commissie (EU) 2018/2052 van 19 december 2018 inzake het op elkaar afstemmen van het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor algemene overdrachtsvergunningen voor expositie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8611)  ( 1 )

98

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie ( PB L 302 van 28.11.2018 )

102

 

*

Rectificatie van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie ( PB L 138 van 26.5.2016 )

102

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/2033 VAN DE COMMISSIE

van 18 oktober 2018

tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren voor de periode 2019-2021

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6, en artikel 18, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Krachtens artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen teruggooiplannen vast te stellen voor een initiële termijn van ten hoogste drie jaar, die in totaal met nog eens drie jaar kan worden verlengd, op basis van gezamenlijke aanbevelingen die de lidstaten opstellen in overleg met de betrokken adviesraden.

(3)

België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal hebben een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserij in de zuidwestelijke wateren. De Commissie had voor de periode 2016-2018 een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2439 (2), die op grond van een gezamenlijke aanbeveling van België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal uit 2016 is ingetrokken en vervangen door Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 van de Commissie (3). Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 is gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/44 van de Commissie (4).

(4)

Na overleg met de adviesraad voor de zuidwestelijke wateren hebben België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Portugal op 31 mei 2018 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend. De desbetreffende wetenschappelijke instanties hebben een wetenschappelijke bijdrage geleverd, die is beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) (5). Op 11 september 2018 zijn de betrokken maatregelen besproken op een vergadering van een deskundigengroep waaraan vertegenwoordigers van 28 lidstaten en de Commissie deelnamen en waarbij het Europees Parlement als waarnemer aanwezig was.

(5)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 omvatte een vrijstelling van de aanlandingsverplichting voor in de door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) begrensde deelgebieden 8 en 9 met bodemtrawls gevangen langoustines op grond van wetenschappelijk aangetoonde hoge overlevingskansen, rekening houdend met de kenmerken van het tuig dat voor deze soort wordt gebruikt, de visserijpraktijken en het ecosysteem. Het WTECV heeft in zijn evaluatie (6) geconcludeerd dat uit de recentste experimenten en studies van 2016-2018 blijkt dat de overlevingskansen in dezelfde lijn liggen als die welke bij de eerdere werkzaamheden zijn waargenomen. Aangezien de omstandigheden niet veranderd zijn, moet die op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling dus worden gehandhaafd in het teruggooiplan voor demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren voor de periode 2019-2021.

(6)

Voor met alle soorten vistuig in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen roggen zijn geen nadere wetenschappelijke gegevens over overlevingskansen beschikbaar voor alle vlootsegmenten en combinaties die in aanmerking komen voor de vrijstelling. Op een paar uitzonderingen na moeten de overlevingskansen doorgaans echter als hoog worden beschouwd, maar meer gedetailleerde informatie is nodig. Om de nodige gegevens te kunnen verzamelen, zijn verdere visserijactiviteiten nodig en derhalve meent de Commissie dat de vrijstelling moet worden verleend, maar dat de lidstaten verplicht moeten worden de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen elk jaar zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei het volgende in: a) een jaarlijks door het WTECV te evalueren stappenplan om de overlevingskansen te vergroten en om de door het WTECV geconstateerde ontbrekende gegevens in te vullen, b) jaarrapporten over de vorderingen en de eventuele wijzigingen of aanpassingen van de programma's inzake overlevingskansen.

(7)

Bij het onderzoek van de overlevingskansen van roggen werd geconstateerd dat grootoogroggen (Leucoraja naevus) een aanzienlijk lagere overlevingskans hebben dan andere soorten en dat daarover weinig diepgaande wetenschappelijke kennis bestaat. De volledige uitsluiting van deze soort van de vrijstelling zou het echter onmogelijk maken te vissen en door te gaan met een nauwkeurige gegevensverzameling. Daarom is de Commissie van oordeel dat deze vrijstelling slechts voor één jaar moet worden verleend en dat dringend nieuwe studies en maatregelen met het oog op betere overlevingskansen moeten worden ontwikkeld en uiterlijk op 31 mei 2019 aan het WTECV moeten worden voorgelegd voor beoordeling.

(8)

In de nieuwe GA wordt eveneens een op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voorgesteld voor met het ambachtelijke vistuig „voracera” in ICES-sector 9a gevangen zeebrasem. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingspercentages van teruggegooide zeebrasem aan te tonen. Het bewijsmateriaal werd voorgelegd aan het WTECV, dat concludeerde dat de vrijstelling voldoende is gemotiveerd. Bijgevolg moet die vrijstelling worden opgenomen in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021.

(9)

In de nieuwe GA wordt eveneens een op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voorgesteld voor met haken en lijnen in ICES-deelgebied 10 gevangen zeebrasem. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingspercentages van zeebrasem in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal werd voorgelegd aan het WTECV, dat concludeerde dat de vrijstelling voldoende is gemotiveerd. Bijgevolg moet die vrijstelling worden opgenomen in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021.

(10)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 omvatte de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting op grond van artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor in ICES-sectoren 8a en 8b met boomkorren en bodemtrawls gevangen tong en voor in ICES-sectoren 8a en 8b met schakel- en kieuwnetten gevangen tong. Het door de lidstaten in de GA verstrekte bewijsmateriaal voor deze vrijstellingen is beoordeeld door het WTECV (7). De conclusie daarbij was dat de gezamenlijke aanbeveling gefundeerde argumenten bevatte met betrekking tot de moeilijkheid om de selectiviteit te verhogen en tot de disproportioneel hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten. Aangezien de omstandigheden niet veranderd zijn, moeten die de-minimisvrijstellingen dus worden gehandhaafd in het teruggooiplan voor demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren voor de periode 2019-2021.

(11)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 omvatte een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting op grond van artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor in de ICES-deelgebieden 8 en 9 met trawls en zegens gevangen heek. Het door de lidstaten geleverde bewijsmateriaal voor die vrijstelling is beoordeeld door het WTECV, dat concludeerde (8) dat extra proefonderzoek moet worden verricht om de verbeteringen op het gebied van selectiviteit te beoordelen. Om de nodige gegevens te kunnen verzamelen, zijn verdere visserijactiviteiten nodig en derhalve meent de Commissie dat de vrijstelling voorlopig moet worden verleend, maar dat de lidstaten verplicht moeten worden de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. Daarom moet de de-minimisvrijstelling voorlopig worden toegestaan tot en met 31 december 2019. De betrokken lidstaten moeten extra proefonderzoek verrichten en de resultaten zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 31 mei 2019 verstrekken voor beoordeling door het WTECV.

(12)

De nieuwe gezamenlijke aanbeveling bevat nieuwe de-minimisvrijstellingen voor:

met haken en lijnen in ICES-deelgebied 10 gevangen Beryx spp.,

met haken en lijnen in ICES-deelgebied 10 gevangen gaffelkabeljauw,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen horsmakreel,

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en in de gebieden 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf) gevangen horsmakreel,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen makreel,

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en in de Cecaf-gebieden 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 gevangen makreel,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen ansjovis,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen evervis,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen schartong,

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen schartong,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen schol,

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen schol,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen zeeduivel,

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen zeeduivel,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen wijting,

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen wijting,

met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen witte koolvis,

met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9 gevangen witte koolvis,

met trawls en zegens in ICES-sector 9a gevangen gaffelkabeljauw,

met trawls en zegens in ICES-sector 9a gevangen zeebrasem,

met trawls en zegens in ICES-sector 9a gevangen tong.

(13)

De lidstaten hebben informatie verstrekt voor de de-minimisvrijstellingen voor met haken en lijnen in ICES-deelgebied 10 gevangen Beryx spp. en gaffelkabeljauw. Het WTECV heeft dat bewijsmateriaal beoordeeld en heeft geconcludeerd dat de verstrekte informatie gefundeerde argumenten bevatte voor de stelling dat de selectiviteit moeilijk verder te verbeteren valt of de kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten onevenredig hoog uitvallen. Bijgevolg moeten deze de-minimisvrijstellingen worden opgenomen in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021.

(14)

De door de lidstaten verstrekte informatie moet worden aangevuld wat betreft de nieuwe de-minimisvrijstellingen voor deze soorten afzonderlijk:

horsmakreel, makreel, ansjovis, evervis, schartong, schol, zeeduivel, wijting en witte koolvis die zijn gevangen met trawls en zegens in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

schartong, schol, zeeduivel, wijting en witte koolvis die zijn gevangen met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8 en 9;

horsmakreel en makreel die zijn gevangen met kieuwnetten in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en in de Cecaf-gebieden 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0, en

gaffelkabeljauw, zeebrasem en tong die zijn gevangen met trawls en zegens in ICES-sector 9a.

In deze omstandigheden moeten de individuele vrijstellingen voor elke soort tot één jaar worden beperkt en moeten de lidstaten worden verplicht de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. Deze de-minimisvrijstellingen moeten voorlopig worden toegestaan tot en met 31 december 2019. De betrokken lidstaten moeten extra proefonderzoek verrichten en de resultaten zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 31 mei 2019 verstrekken voor beoordeling door het WTECV.

(15)

Met het oog op betrouwbare ramingen van de teruggooiniveaus voor de vaststelling van de totaal toegestane vangsten (TAC's) moeten de lidstaten ervoor zorgen, wanneer de de-minimisvrijstelling is gebaseerd op extrapolatie van situaties waar weinig gegevens beschikbaar zijn en gedeeltelijke vlootinformatie, dat zij nauwkeurige en controleerbare gegevens verstrekken voor de gehele onder deze de-minimisbepaling vallende vloot.

(16)

De in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 15, lid 4, artikel 15, lid 5, onder c), en artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en mogen derhalve in de onderhavige verordening worden opgenomen.

(17)

Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie rekening gehouden met zowel de beoordeling van het WTECV als het feit dat de lidstaten moeten zorgen voor de volledige uitvoering van de aanlandingsverplichting tegen 1 januari 2019. In verscheidene gevallen vergen de vrijstellingen een voortzetting van de visserijactiviteit en van de gegevensvergaring om gevolg te geven aan de opmerkingen van het WTECV. In die gevallen acht de Commissie het een pragmatische en voorzichtige benadering van het visserijbeheer om vrijstellingen toe te staan op tijdelijke basis, met dien verstande dat het anders niet mogelijk zou zijn om de nodige gegevens te vergaren voor een degelijk en gedocumenteerd beheer van de teruggooi in het licht van de volledige inwerkingtreding van de aanlandingsverplichting.

(18)

Aangezien de in de onderhavige verordening vervatte maatregelen rechtstreeks van invloed zijn op economische activiteiten die samenhangen met het visseizoen van de vaartuigen van de Unie en op de programmering van dat visseizoen, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2019,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

In de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en in de gebieden 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Cecaf) is de aanlandingsverplichting van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor de periode 2019-2021 van toepassing op demersale soorten overeenkomstig deze verordening.

Artikel 2

Definities

 

Onder „voracera” wordt verstaan: ambachtelijk vistuig, i.e. een lokaal ontworpen en gebouwde mechanisch aangedreven lijn met haken die wordt gebruikt door de ambachtelijke vloot die in het zuiden van Spanje in ICES-sector 9a op zeebrasem vist.

Artikel 3

Op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor langoustine

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvoor wetenschappelijk vaststaat dat zij hoge overlevingskansen hebben, geldt voor langoustines (Nephrops norvegicus) die zijn gevangen in de ICES-deelgebieden 8 en 9 met bodemtrawls (vistuigcodes (9) OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, TBB, OT, PT en TX).

2.   Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden deze langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

Artikel 4

Op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor roggen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvoor wetenschappelijk vaststaat dat zij hoge overlevingskansen hebben, geldt voor roggen (Rajiformes) die zijn gevangen in de ICES-deelgebieden 8 en 9 met alle soorten vistuig. Bij de teruggooi van roggen die in dat gebied zijn gevangen, worden deze onmiddellijk vrijgelaten.

2.   Lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen jaarlijks aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in lid 1 bedoelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus van elk jaar.

3.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is van toepassing op grootoogroggen tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019.

Artikel 5

Op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor zeebrasem

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvoor wetenschappelijk vaststaat dat zij hoge overlevingskansen hebben, geldt voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo) die is gevangen in ICES-sector 9a met het ambachtelijke vistuig „voracera” en voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo) die is gevangen in ICES-deelgebied 10 met haken en lijnen.

2.   Bij de teruggooi van zeebrasem die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 6

De-minimisvrijstellingen

1.   In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden op grond van artikel 15, lid 5, onder c), van die verordening worden teruggegooid:

a)

voor heek (Merluccius merluccius): tot maximaal 6 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met trawls en zegens (vistuigcodes OTT, OTB, PTB, OT, PT, TBN, TBS, TX, SSC, SPR, TB, SDN, SX en SV);

b)

voor tong (Solea solea): tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-sectoren 8a en 8b op deze soort vissen met boomkorren en bodemtrawls (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT en TX);

c)

voor tong (Solea solea): tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-sectoren 8a en 8b op deze soort vissen met schakel- en kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR en GEN);

d)

voor Beryx spp.: tot maximaal 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in ICES-deelgebied 10 op deze soort vissen met haken en lijnen (vistuigcodes LHP, LHM, LLS en LLD);

e)

voor gaffelkabeljauw (Phycis blennoides): tot maximaal 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in ICES-deelgebied 10 op deze soort vissen met haken en lijnen (vistuigcodes LHP, LHM, LLS en LLD);

f)

voor horsmakreel (Trachurus spp.): tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

g)

voor horsmakreel (Trachurus spp.): tot maximaal 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en in de Cecaf-gebieden 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 op deze soort vissen met kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GND, GNC, GTR en GTN);

h)

voor makreel (Scomber scombrus): tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

i)

voor makreel (Scomber scombrus): tot maximaal 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 en in de Cecaf-gebieden 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 op deze soort vissen met kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GND, GNC, GTR en GTN);

j)

voor ansjovis (Engraulis encrasicolus): tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

k)

voor evervis (Caproidae): tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

l)

voor schartong (Lepidorhombus spp.): tot maximaal 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

m)

voor schartong (Lepidorhombus spp.): tot maximaal 4 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GND, GNC, GTR en GTN);

n)

voor schol (Pleuronectes platessa): tot maximaal 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

o)

voor schol (Pleuronectes platessa): tot maximaal 4 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GND, GNC, GTR en GTN);

p)

voor zeeduivel (Lophiidae): tot maximaal 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

q)

voor zeeduivel (Lophiidae): tot maximaal 4 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GND, GNC, GTR en GTN);

r)

voor wijting (Merlangius merlangus): tot maximaal 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

s)

voor wijting (Merlangius merlangus): tot maximaal 4 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GND, GNC, GTR en GTN);

t)

voor witte koolvis (Pollachius pollachius): tot maximaal 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TBB, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

u)

voor witte koolvis (Pollachius pollachius): tot maximaal 4 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in de ICES-deelgebieden 8 en 9 op deze soort vissen met kieuwnetten (vistuigcodes GNS, GND, GNC, GTR en GTN);

v)

voor gaffelkabeljauw (Phycis blennoides): tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in ICES-sector 9a op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TB, TBN, TBS, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

w)

voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo): tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in ICES-sector 9a op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TB, TBN, TBS, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV);

x)

voor tong (Solea spp.): tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die in ICES-sector 9a op deze soort vissen met boomkorren, bodemtrawls en zegens (vistuigcodes OTB, OTT, PTB, TB, TBN, TBS, OT, PT, TX, SSC, SPR, SDN, SX en SV).

2.   De in lid 1, onder a) en onder f) tot en met x), beschreven de-minimisvrijstellingen zijn voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van deze vrijstellingen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 oktober 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2439 van de Commissie van 12 oktober 2015 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren (PB L 336 van 23.12.2015, blz. 36).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 van de Commissie van 12 oktober 2016 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren (PB L 352 van 23.12.2016, blz. 33).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/44 van de Commissie van 20 oktober 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2374 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de zuidwestelijke wateren (PB L 7 van 12.1.2018, blz. 1).

(5)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(6)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(7)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(8)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(9)  De in de onderhavige verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen. Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter wordt in deze tabel gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/8


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/2034 VAN DE COMMISSIE

van 18 oktober 2018

tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2019-2021

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6, en artikel 18, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Krachtens artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie met het oog op de uitvoering van de aanlandingsverplichting de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen teruggooiplannen vast te stellen voor een initiële termijn van ten hoogste drie jaar, die in totaal met nog eens drie jaar kan worden verlengd, op basis van gezamenlijke aanbevelingen die de lidstaten opstellen in overleg met de betrokken adviesraden.

(3)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2438 van de Commissie (2) is voor de periode 2016-2018 een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren vastgesteld op grond van een gezamenlijk aanbeveling die door België, Spanje, Frankrijk, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bij de Commissie is ingediend. Die verordening is ingetrokken en vervangen door Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie (3).

(4)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 is voor de periode 2017-2018 een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren vastgesteld, zoals voorgesteld in een nieuwe, door België, Spanje, Frankrijk, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bij de Commissie ingediende gezamenlijke aanbeveling. Die verordening is ingetrokken en vervangen door Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 van de Commissie (4).

(5)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 van de Commissie is voor 2018 een teruggooiplan voor bepaalde demersale en diepzeevisserijen in de noordwestelijke wateren vastgesteld op grond van een door België, Spanje, Frankrijk, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk ingediende gezamenlijke aanbeveling.

(6)

België, Spanje, Frankrijk, Ierland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk hebben een rechtstreeks belang bij het visserijbeheer in de noordwestelijke wateren. Na overleg met de adviesraad voor de noordwestelijke wateren en de pelagische adviesraad hebben deze lidstaten op 31 mei 2018 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren voor de periode 2019-2021. De gezamenlijke aanbeveling is op 30 augustus 2018 gewijzigd.

(7)

De ter zake relevante wetenschappelijke instanties hebben wetenschappelijke bijdragen geleverd, die zijn beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) (5). Op 11 september 2018 zijn de betrokken maatregelen besproken in een vergadering van een deskundigengroep waaraan vertegenwoordigers van 28 lidstaten en de Commissie deelnamen en waarbij het Europees Parlement als waarnemer aanwezig was. Voor sommige bestanden, zoals schol, heeft het WTECV vastgesteld dat de overlevingspercentages van individuele exemplaren mogelijk minder naar behoren gemotiveerd zijn dan bij andere soorten. De Commissie heeft echter de relatieve impact van de desbetreffende vrijstelling op het totale bestand, in plaats van op individuele exemplaren, in overweging genomen en heeft de resultaten hiervan afgewogen tegen de noodzaak om de visserijactiviteiten voort te zetten met het oog op het verzamelen van gegevens waarmee gevolg kan worden gegeven aan de opmerkingen van het WTECV. In gevallen waarin het relatieve aandeel van dode exemplaren in de teruggegooide vangsten vrij laag is, acht de Commissie het een pragmatische en voorzichtige benadering van het visserijbeheer om vrijstellingen toe te staan op tijdelijke basis, in de wetenschap dat anders niet de gegevens kunnen worden vergaard die onontbeerlijk zijn voor een gedegen en onderbouwd beheer van teruggooi in het licht van de volledige inwerkingtreding van de aanlandingsverplichting.

(8)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 omvatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor vangsten van langoustines met korven, vallen of kubben in de ICES-deelgebieden 6 en 7, op basis van het wetenschappelijk bewijs voor de overlevingspercentages. Dat bewijs is de voorbije jaren beoordeeld en het WTECV heeft geconcludeerd dat de vrijstelling gerechtvaardigd is (6). In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld de vrijstelling te continueren. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling dus worden gecontinueerd in het teruggooiplan voor 2019-2021.

(9)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor tong kleiner dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte gevangen met ottertrawls met een maaswijdte van 80-99 mm in ICES-sector 7d binnen zes zeemijl uit de kust en buiten bekende kraamgebieden, op basis van wetenschappelijk bewijs voor de overlevingspercentages van de teruggegooide exemplaren. Dat bewijs is in voorgaande jaren beoordeeld en is door het WTECV toereikend bevonden (7). In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld de vrijstelling te continueren. Het WTECV heeft opgemerkt dat er geen nieuwe informatie over de locatie van kraamgebieden is verstrekt (8). Aangezien er op dit moment geen kraamgebieden zijn geïdentificeerd, kan de vrijstelling in het nieuwe teruggooiplan voor de jaren 2019-2021 worden opgenomen, maar zodra dat wel het geval is, moeten de lidstaten de desbetreffende informatie indienen.

(10)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt een vrijstelling op basis van overlevingskansen voorgesteld voor langoustines gevangen met bodemtrawls met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 100 mm en voor langoustines gevangen met bodemtrawls met een maaswijdte van 70-99 mm in combinatie met selectieve vistuigopties (TR1- en TR2-visserij) in ICES-deelgebied 7. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingspercentages van langoustines in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal werd ingediend bij het WTECV, dat concludeerde dat het met een Seltra-trawl verrichte overlevingsonderzoek voldoende gegevens opleverde, maar dat het totale effect op de extensieve visserij op langoustines met ander vistuig moeilijk te beoordelen blijft. Het WTECV merkte op dat het teruggooipercentage in deze visserij relatief laag moet zijn als ervan wordt uitgegaan dat voor alle vistuigen een relatief hoog overlevingspercentage geldt. Bijgevolg moet die vrijstelling worden opgenomen in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021.

(11)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt een vrijstelling op basis van overlevingskansen voorgesteld voor langoustines gevangen in ICES-sector 6a, binnen twaalf zeemijl uit de kust, met ottertrawls met een maaswijdte van 80-110 mm in combinatie met selectieve vistuigopties. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingspercentages van langoustines in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal is ingediend bij het WTECV, dat concludeerde dat de overlevingsstudie robuust is en op een relatief hoog overlevingspercentage wijst. Bijgevolg moet die vrijstelling worden opgenomen in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021.

(12)

Voor met om het even welke soorten vistuig in de ICES-deelgebieden 6 en 7 gevangen roggen zijn geen nadere wetenschappelijke gegevens over overlevingspercentages beschikbaar voor alle vlootsegmenten en combinaties die in aanmerking komen voor de vrijstelling. Op een paar uitzonderingen na moeten de overlevingspercentages doorgaans echter als hoog worden beschouwd, maar er is meer gedetailleerde informatie nodig. Om de nodige gegevens te kunnen verzamelen, zijn verdere visserijactiviteiten nodig en derhalve meent de Commissie dat de vrijstelling moet worden verleend, maar dat de lidstaten verplicht moeten worden de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de rechtvaardigingsgronden en de Commissie een evaluatie kan verrichten. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen elk jaar zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei het volgende in: a) een jaarlijks door het WTECV te evalueren stappenplan om de overlevingskansen te vergroten en om de door het WTECV geconstateerde lacunes in de gegevens op te vullen, b) jaarrapporten over de vorderingen en de eventuele wijzigingen of aanpassingen van de programma's inzake overlevingskansen.

(13)

Bij de bestudering van de overlevingspercentages van roggen werd geconstateerd dat grootoogroggen (Leucoraja naevus) een aanzienlijk lagere overlevingskans hebben dan andere soorten en dat daarover weinig diepgaande wetenschappelijke kennis bestaat. De volledige uitsluiting van deze soort van de vrijstelling zou het echter onmogelijk maken te vissen en door te gaan met een nauwkeurige gegevensverzameling. Daarom is de Commissie van oordeel dat deze vrijstelling slechts voor één jaar moet worden verleend en dat dringend nieuwe studies en maatregelen met het oog op een betere overleving moeten worden ontwikkeld en zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 ter beoordeling aan het WTECV moeten worden voorgelegd.

(14)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling worden vrijstellingen op basis van overlevingskansen voorgesteld voor schol gevangen met schakelnetten of ottertrawls in de ICES-sectoren 7d, 7e, 7f en 7g. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingspercentages voor schol in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal is ingediend bij het WTECV, dat concludeerde dat de overlevingsstudie robuust is en op een betrekkelijk hoog overlevingspercentage wijst. Bijgevolg moet die vrijstelling worden opgenomen in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021.

(15)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling worden vrijstellingen op basis van overlevingskansen voorgesteld voor schol gevangen in de ICES-sectoren 7a-7k door vaartuigen met een maximaal motorvermogen van 221 kW, een maximale lengte van 24 meter, die vissen met boomkorren binnen twaalf zeemijl uit de kust tijdens trekken van niet meer dan 1:30 uur en door vaartuigen met een maximaal motorvermogen van 221 kW die vissen met boomkorren die zijn uitgerust met een touwschot of een ontsnappingspaneel voor benthos. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingspercentages voor schol in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal is ingediend bij het WTECV, dat concludeerde dat de wetenschappelijke informatie van goede kwaliteit is. Het WTECV heeft er echter op gewezen dat de gegevens niet alle betrokken lidstaten betreffen en dat de overleving in die visserijen door verscheidene factoren wordt beïnvloed en zeer variabel is. Het WTECV merkte verder op dat het als gevolg van deze variabiliteit niet mogelijk is om op betrouwbare wijze de waarschijnlijke impact van de vrijstelling te beoordelen. In deze omstandigheden moet de vrijstelling tot één jaar worden beperkt om de verzameling van gegevens mogelijk te maken en moeten de lidstaten worden verplicht de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de rechtvaardigingsgronden en de Commissie een evaluatie kan verrichten. Deze vrijstelling mag daarom tot en met 31 december 2019 in het teruggooiplan worden opgenomen en de betrokken lidstaten moeten zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 extra proefonderzoek verrichten en informatie verstrekken voor beoordeling door het WTECV.

(16)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt een vrijstelling op basis van overlevingskansen voorgesteld voor de soorten gevangen met korven, vallen en kubben in de noordwestelijke wateren (ICES-deelgebieden 5, 6 en 7). De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingspercentages voor in die visserijen gevangen soorten aan te tonen. Het bewijsmateriaal is ingediend bij het WTECV, dat concludeerde dat de overlevingskansen van de soorten die worden teruggegooid in de visserij met vallen en korven waarschijnlijk aanzienlijk zijn. Bijgevolg mag die vrijstelling worden opgenomen in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021.

(17)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 bevatte de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen. Het door de lidstaten geleverde bewijsmateriaal is beoordeeld door het WTECV (9), dat concludeerde dat de door de lidstaten ingediende documenten gefundeerde argumenten bevatten voor de stelling dat de selectiviteit moeilijk verder te verbeteren valt en/of de kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten onevenredig hoog uitvallen, hetgeen in sommige gevallen met een kwalitatieve beoordeling van de kosten is onderbouwd. In het licht van het bovenstaande en rekening houdend met het feit dat de omstandigheden niet zijn veranderd, is het passend de de-minimisvrijstellingen te continueren, in overeenstemming met de percentages die zijn voorgesteld in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling, voor:

wijting gevangen door vaartuigen die bodemtrawls en zegens met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBN, TBS, TB, TX), pelagische trawls (OTM, PTM) en boomkorren (BT2) met een maaswijdte van 80-119 mm gebruiken in ICES-sector 7d;

wijting gevangen door vaartuigen die bodemtrawls en zegens met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBN, TBS, TB, TX), pelagische trawls (OTM, PTM) en boomkorren (BT2) met een maaswijdte van 80-119 mm gebruiken in de ICES-sectoren 7b-c en 7e-k;

tong gevangen door vaartuigen die TBB-tuig met een maaswijdte van 80-119 mm en met een verhoogde selectiviteit gebruiken in de ICES sectoren 7d, 7e, 7f, 7 g en 7h;

tong gevangen door vaartuigen die met schakel- en kieuwnetten op tong vissen in de ICES-sectoren 7d, 7e, 7f en 7 g.

(18)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling worden de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting voorgesteld voor:

schelvis gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm gebruiken in de ICES-sectoren 7b-c en 7e-k;

kabeljauw gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm gebruiken in de ICES-sectoren 7b-c en 7e-k;

horsmakrelen gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren gebruiken in ICES-deelgebied 6 en de ICES-sectoren 7b-7k;

makrelen gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren gebruiken in ICES-deelgebied 6 en de ICES-sectoren 7b-7k.

(19)

Het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal inzake de nieuwe de-minimisvrijstellingen voor schelvis, kabeljauw, horsmakrelen en makrelen gevangen door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren gebruiken, is geëvalueerd door het WTECV, dat concludeerde (10) dat er nadere informatie moet worden verstrekt. Gelet op de noodzaak om de visserijactiviteit en de gegevensvergaring voor te zetten om deze informatie te verstrekken, moeten individuele vrijstellingen voor elke soort tot één jaar worden beperkt en moeten de lidstaten ertoe worden verplicht de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de rechtvaardigingsgronden en de Commissie een evaluatie kan verrichten. De betrokken lidstaten moeten de extra proefonderzoeken verrichten en de resultaten zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 verstrekken voor beoordeling door het WTECV. Deze vrijstellingen moeten derhalve voorlopig worden toegepast tot en met 31 december 2019.

(20)

Met het oog op betrouwbare ramingen van de teruggooiniveaus voor de vaststelling van de totale toegestane vangsten (TAC's) moeten de lidstaten ervoor zorgen, wanneer de de-minimisvrijstelling is gebaseerd op extrapolatie van situaties met weinig beschikbare gegevens en gedeeltelijke vlootinformatie, dat zij nauwkeurige en controleerbare gegevens verstrekken voor de gehele onder deze de-minimisbepaling vallende vloot.

(21)

Overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder a), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 kunnen de teruggooiplannen ook technische maatregelen omvatten voor onder de aanlandingsverplichting vallende visserijen of soorten. Om de selectiviteit van het vistuig te vergroten en ongewenste vangsten te verminderen in de Keltische Zee en de Ierse Zee, is het passend een aantal selectieve maatregelen voor de demersale visserij op te nemen. Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie heeft het WTECV geconcludeerd dat de voorgestelde wijzigingen ter verhoging van de selectiviteit in de noordwestelijke wateren behoren tot de zeer weinige pogingen van regionale groepen om de problemen met ongewenste vangsten te verminderen. De technische maatregelen moeten daarom in het nieuwe teruggooiplan voor de periode 2019-2021 worden opgenomen.

(22)

De in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 15, lid 4, artikel 15, lid 5, onder c), en artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en mogen derhalve in de onderhavige verordening worden opgenomen.

(23)

Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie rekening gehouden met de beoordeling door het WTECV en met het feit dat de lidstaten moeten zorgen voor de volledige uitvoering van de aanlandingsverplichting met ingang van 1 januari 2019. In verscheidene gevallen vergen de vrijstellingen een voortzetting van de visserijactiviteit en van de gegevensvergaring om gevolg te geven aan de opmerkingen van het WTECV. In die gevallen acht de Commissie het een pragmatische en voorzichtige benadering van het visserijbeheer om vrijstellingen toe te staan op tijdelijke basis, in de wetenschap dat anders niet de gegevens kunnen worden vergaard die onontbeerlijk zijn voor een gedegen en onderbouwd beheer van teruggooi in het licht van de volledige inwerkingtreding van de aanlandingsverplichting.

(24)

In het licht van de nieuwe gezamenlijke aanbeveling moet Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 worden ingetrokken.

(25)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de vaartuigen van de Unie en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2019,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

In de ICES-deelgebieden 5 (met uitzondering van 5a en met inbegrip van enkel de wateren van de Unie van 5b), 6 en 7 is de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting van toepassing op demersale visserijen overeenkomstig de onderhavige verordening voor de periode 2019-2021.

Artikel 2

Definities

1.   „Vlaams paneel”: het achterste trechtervormige netgedeelte van een boomkor, waarvan de achterkant rechtstreeks is bevestigd aan de kuil. Het bovenste en onderste netgedeelte van het paneel hebben een maaswijdte van ten minste 120 mm gemeten tussen de knopen en het paneel heeft in uitgestrekte toestand een lengte van ten minste 3 m.

2.   „Seltra-paneel”: een selectiviteitsvoorziening die:

a)

bestaat uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 270 mm (ruitvormige mazen) geplaatst in een door vier panelen gevormd gedeelte en zodanig gemonteerd dat de samenvoegingsverhouding bij de naad drie mazen van 90 mm per maas van 270 mm bedraagt, of bestaande uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 140 mm (vierkante mazen);

b)

minstens 3 meter lang is;

c)

is aangebracht op niet meer dan 4 meter van de pooklijn, en

d)

de volledige breedte van de bovenkant van het trawlnet in beslag neemt (d.w.z. van naadlijn tot naadlijn);

3.   „selectiviteitsnetrooster” (Netgrid): een selectiviteitsvoorziening bestaande uit een door vier panelen gevormd gedeelte dat wordt aangebracht in een door twee panelen gevormde trawl met een hoeks geplaatst netpaneel met ruitvormige mazen van ten minste 200 mm, zodat aan de bovenkant van de trawl een ontsnappingsgat ontstaat;

4.   „Cefas-Netgrid”: een Netgrid-selectiviteitsvoorziening ontwikkeld door het centrum voor milieu-, visserij- en aquacultuurwetenschappen (Centre for Environment, Fisheries and Aquaculture Science) voor vangsten van Nephrops in de Ierse Zee;

5.   „flipflaptrawl”: een trawl die is uitgerust met een netrooster dat is ontwikkeld om de vangst van kabeljauw, schelvis en wijting in de visserij op langoustines te reduceren;

6.   „touwschot”: een tuigaanpassing op demersale boomkorren om te helpen voorkomen dat stenen en keien de trawl binnenkomen en schade aan zowel het tuig als de vangsten veroorzaken;

7.   „ontsnappingspaneel voor benthos”: een paneel uit netwerk met grotere mazen of vierkante mazen dat is bevestigd in het onderpaneel van een trawl, gewoonlijk een boomkor, om bentisch materiaal en zeebodemafval te lozen voordat het in de kuil terechtkomt;

8.   „beschermingsgebied in de Keltische Zee”: de wateren binnen de ICES-sectoren 7f en 7g en het deel van 7j dat ten noorden van 50° NB en ten oosten van 11° WL ligt.

Artikel 3

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor langoustines

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor:

a)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met korven, vallen of kubben (vistuigcodes (11):FPO en FIX), in de ICES-deelgebieden 6 en 7;

b)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met bodemtrawls met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 100 mm in ICES-deelgebied 7;

c)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met bodemtrawls met een maaswijdte van 70-99 mm in combinatie met opties voor zeer selectief vistuig, zoals vastgesteld in artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2, van de onderhavige verordening, in ICES-deelgebied 7;

d)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met ottertrawls met een maaswijdte van 80-110 mm in combinatie met opties voor zeer selectief vistuig, zoals vastgesteld in artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2, van de onderhavige verordening, in ICES-sector 6a binnen twaalf zeemijl uit de kust.

2.   Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden deze langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

Artikel 4

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor tong

1.   In ICES-sector 7d, binnen zes zeemijl uit de kust maar buiten bekende kraamgebieden, geldt de in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen voor tong (Solea solea) kleiner dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte gevangen met ottertrawls (vistuigcodes: OTT, OTB, TBS, TBN, TB, PTB, OT, PT, TX) met een maaswijdte in de kuil van 80-99 mm, door vaartuigen:

a)

met een lengte van ten hoogste 10 meter en een motorvermogen van ten hoogste 221 kW, en

b)

die vissen in wateren met een diepte van 30 meter of minder tijdens trekken van niet meer dan 1:30 uur.

2.   Bij de teruggooi van tong die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tong onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 5

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor roggen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor de totale toegestane vangsten van roggen (Rajiformes) gedaan met om het even welk vistuig in de noordwestelijke wateren (ICES-deelgebieden 6 en 7).

2.   Lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen jaarlijks zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei aanvullende wetenschappelijke informatie ter onderbouwing van de in lid 1 bedoelde vrijstelling in. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie elk jaar vóór 1 augustus.

3.   De in lid 1 vastgestelde vrijstelling geldt tot en met 31 december 2019 voor grootoogroggen. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019.

4.   Bij de teruggooi van roggen die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de roggen onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 6

Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor schol

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor:

a)

schol (Pleuronectes platessa) gevangen in de ICES-sectoren 7d, 7e, 7f en 7g met schakelnetten;

b)

schol (Pleuronectes platessa) gevangen in de ICES-sectoren 7d, 7e, 7f en 7g met ottertrawls;

c)

schol (Pleuronectes platessa) gevangen in de ICES-sectoren 7a-7k door vaartuigen met een maximaal motorvermogen van meer dan 221 kW, en die boomkorren (BT2) gebruiken die met een touwschot of een ontsnappingspaneel voor benthos zijn uitgerust;

d)

schol (Pleuronectes platessa) gevangen in de ICES-sectoren 7a-7k door boomkorvaartuigen (BT2) met een maximaal motorvermogen van 221 kW of een maximale lengte van 24 meter, die zijn gebouwd om binnen twaalf zeemijl uit de kust te vissen en met trekken van gemiddeld niet meer dan 1:30 uur.

2.   De in lid 1, onder c) en d) bedoelde vrijstellingen zijn voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie ter onderbouwing van die vrijstellingen in. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij beoordeelt deze informatie vóór 1 augustus 2019.

3.   Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt de schol onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 7

Vrijstelling op basis van soorten gevangen met korven, vallen en kubben

1.   In de ICES-deelgebieden 5 (met uitzondering van 5a en met inbegrip van enkel de wateren van de Unie van 5b), 6 en 7 geldt de in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op basis van overlevingskansen voor soorten gevangen met korven, vallen en kubben.

2.   Bij de teruggooi van vis die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt de vis onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 8

De-minimisvrijstellingen

1.   In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden op grond van artikel 15, lid 5, onder c), van die verordening worden teruggegooid:

a)

voor wijting (Merlangius merlangus), tot 6 % in 2019, en tot 5 % in 2020 en 2021, van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die bodemtrawls en zegens met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBN, TBS, TB, TX), pelagische trawls (OTM, PTM) en boomkorren (BT2) met een maaswijdte van 80-119 mm gebruiken in ICES-sector 7d;

b)

voor wijting (Merlangius merlangus), tot 6 % in 2019, en tot 5 % in 2020 en 2021, van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die bodemtrawls en zegens met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm (OTB, OTT, OT, PTB, PT, SSC, SDN, SPR, SX, SV, TBN, TBS, TB, TX), pelagische trawls (OTM, PTM) en boomkorren (BT2) met een maaswijdte van 80-119 mm gebruiken in de ICES-sectoren 7b-c en 7e-k;

c)

voor tong (Solea solea), tot 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die met schakel- en kieuwnetten op tong vissen in de ICES-sectoren 7d, 7e, 7f en 7g;

d)

voor tong (Solea solea), tot 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die met TBB-tuig met een maaswijdte van 80-119 mm uitgerust met een Vlaams paneel op tong vissen in de ICES-sectoren 7d, 7e, 7f, 7g en 7h;

e)

voor schelvis (Melanogrammus aeglefinus), tot 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm gebruiken in de ICES-sectoren 7b-7c en 7e-7k;

f)

voor kabeljauw (Gadus morhua), tot 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soort door vaartuigen die bodemtrawls, zegens en boomkorren met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm gebruiken in de ICES-sectoren 7b-7c en 7e-7k;

g)

voor horsmakrelen (Trachurus spp.), tot 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die met bodemtrawls, zegens en boomkorren op deze soort vissen in ICES-deelgebied 6 en de ICES-sectoren 7b-7k;

h)

voor makreel (Scomber scombrus), tot maximaal 7 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort door vaartuigen die met bodemtrawls, zegens en boomkorren op deze soort vissen in ICES-deelgebied 6 en de ICES-sectoren 7b-7k.

2.   De in lid 1, onder e) tot en met h) vastgestelde de-minimisvrijstellingen zijn van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie ter onderbouwing van deze vrijstellingen in. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019.

Artikel 9

Specifieke technische maatregelen in het beschermingsgebied in de Keltische Zee

1.   Vissersvaartuigen die in het beschermingsgebied in de Keltische Zee vissen met bodemtrawls of zegens gebruiken vanaf 1 juli 2019 een van de volgende vistuigopties:

a)

een kuil met mazen van 110 mm met een paneel met vierkante mazen van 120 mm (12);

b)

een T90-kuil met een maaswijdte van 100 mm;

c)

een kuil met mazen van 100 mm met een paneel met vierkante mazen van 160 mm.

2.   In afwijking van lid 1 gebruiken vaartuigen die met bodemtrawls of zegens vissen en waarvan de vangsten voor meer dan 5 % uit langoustines bestaan, één van de volgende vistuigopties:

a)

een paneel met vierkante mazen van 300 mm; vaartuigen van minder dan 12 meter lengte over alles mogen een paneel met vierkante mazen van 200 mm gebruiken;

b)

een Seltra-paneel;

c)

een sorteerrooster met een afstand tussen de staven van 35 mm zoals gedefinieerd in bijlage XIV bis bij Verordening (EG) nr. 850/98 (13) of een soortgelijke Netgrid-selectiviteitsvoorziening;

d)

een kuil met mazen van 100 mm met een paneel met vierkante mazen van 100 mm.

3.   In afwijking van lid 1 gebruiken vaartuigen die vissen met bodemtrawls of zegens en waarvan de vangsten die voor meer dan 55 % uit wijting bestaan of waarvan zeeduivel, heek en schartong samen meer dan 55 % uitmaken, één van de volgende vistuigopties:

a)

een kuil met mazen van 100 mm met een paneel met vierkante mazen van 100 mm;

b)

een T90-kuil en -tunnel met een maaswijdte van 90 mm;

c)

een kuil met mazen van 80 mm met een paneel met vierkante mazen van 160 mm;

d)

een kuil met mazen van 80 mm met een 2 meter lange cilinder met vierkante mazen van 100 mm.

4.   In afwijking van lid 1 gebruiken vaartuigen die vissen met bodemtrawls of zegens en waarvan de vangsten voor minder dan 10 % uit kabeljauwachtigen (Gadidae) bestaan in ICES-sector 7f ten oosten van 5 WL een kuil met mazen van 80 mm met een paneel met vierkante mazen van 120 mm.

5.   Selectieve vistuigen of voorzieningen die volgens het WTECV dezelfde of hogere selectiviteitskenmerken hebben voor kabeljauw, schelvis en wijting mogen worden toegevoegd als alternatief voor de bovengenoemde vistuigen of voorzieningen.

Artikel 10

Specifieke technische maatregelen in de Ierse Zee

1.   Met ingang van 1 januari 2019 houden vissersvaartuigen die met bodemtrawls of zegens vissen in ICES-sector 7a (Ierse Zee) zich aan de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde technische maatregelen.

2.   Vaartuigen die met bodemtrawls of zegens met een maaswijdte in de kuil gelijk aan of groter dan 70 mm en kleiner dan 100 mm vissen en waarvan de vangsten voor meer dan 5 % uit langoustines bestaan, gebruiken een van de volgende vistuigopties:

a)

een paneel met vierkante mazen van 300 mm; vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter mogen een paneel met vierkante mazen van 200 mm gebruiken;

b)

een Seltra-paneel;

c)

een sorteerrooster met een afstand tussen de staven van 35 mm zoals gedefinieerd in bijlage XIV bis bij Verordening (EG) nr. 850/98;

d)

een Cefas-Netgrid;

e)

een flipflaptrawl.

3.   Vaartuigen die vissen met bodemtrawls of zegens en waarvan de vangsten van schelvis, kabeljauw en roggen samen meer dan 10 % uitmaken, gebruiken één van de volgende vistuigopties:

a)

een kuil met mazen van 120 mm;

b)

een eliminatietrawl met panelen met mazen van 600 mm en een maaswijdte in de kuil van 100 mm.

4.   Vaartuigen die vissen met bodemtrawls of zegens en waarvan de vangsten van schelvis, kabeljauw en roggen samen minder dan 10 % uitmaken, gebruiken een kuil met een maaswijdte van 100 mm met een paneel met vierkante mazen van 100 mm. Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen waarvan de vangsten voor meer dan 30 % uit langoustines bestaan.

5.   Selectieve vistuigen of voorzieningen die volgens het WTECV dezelfde of hogere selectiviteitskenmerken hebben voor kabeljauw, schelvis en wijting mogen worden toegevoegd als alternatief voor de bovengenoemde vistuigen of voorzieningen.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 oktober 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2438 van de Commissie van 12 oktober 2015 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren (PB L 336 van 23.12.2015, blz. 29).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2375 van de Commissie van 12 oktober 2016 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de noordwestelijke wateren (PB L 352 van 23.12.2016, blz. 39).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/46 van de Commissie van 20 oktober 2017 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale en diepzeevisserijen in de noordwestelijke wateren voor 2018 (PB L 7 van 12.1.2018, blz. 13).

(5)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(6)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(7)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(8)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(9)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(10)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(11)  De in de onderhavige verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1). Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter wordt in deze tabel gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.

(12)  Panelen met vierkante mazen worden aangebracht overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1).


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/17


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/2035 VAN DE COMMISSIE

van 18 oktober 2018

tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2019-2021

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (1), en met name artikel 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

(2)

Artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet in de vaststelling van meerjarenplannen met instandhoudingsmaatregelen voor de visserij op bepaalde bestanden in een bepaald geografisch gebied.

(3)

In dergelijke meerjarenplannen worden nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting vastgelegd en kan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om die bepalingen verder uit te werken op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen.

(4)

Bij gebrek aan een meerjarenplan is de Commissie krachtens artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bevoegd om de aanlandingsverplichting uit te voeren via teruggooiplannen op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen.

(5)

België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben een rechtstreeks belang bij het visserijbeheer in de Noordzee. Na overleg met de adviesraad voor de Noordzee hebben die lidstaten op 31 mei 2017 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake een teruggooiplan voor demersale visserijen in de Noordzee. Op basis van die gezamenlijke aanbeveling is bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 van de Commissie (3) een teruggooiplan voor deze visserijen in het jaar 2018 vastgesteld.

(6)

Op 4 juli 2018 hebben het Europees Parlement en de Raad Verordening (EU) 2018/973 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, vastgesteld. Overeenkomstig artikel 11 van die verordening is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen.

(7)

Na overleg met de adviesraad voor de Noordzee en de adviesraad voor pelagische soorten hebben België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk op 30 mei 2018 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend inzake bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale visserijen in de Noordzee. Die gezamenlijke aanbeveling is op 30 augustus 2018 gewijzigd.

(8)

Zoals omschreven in Verordening (EU) 2018/973, omvat de Noordzee de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4.

(9)

De desbetreffende wetenschappelijke instanties hebben een wetenschappelijke bijdrage geleverd, die is beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) (4). Op 11 september 2018 zijn de betrokken maatregelen besproken op een vergadering van een deskundigengroep waaraan vertegenwoordigers van 28 lidstaten en de Commissie deelnamen en waarbij het Europees Parlement als waarnemer aanwezig was.

(10)

Voor sommige bestanden, zoals schol, heeft het WTECV vastgesteld dat de overlevingskansen van individuele exemplaren mogelijk minder naar behoren gemotiveerd zijn dan bij andere soorten. De Commissie heeft echter rekening gehouden met de relatieve impact van die vrijstelling op het totale bestand in plaats van op de individuele exemplaren, en heeft die afgewogen tegen de noodzaak om de visserijactiviteiten voort te zetten met het oog op het verzamelen van gegevens teneinde aan de opmerkingen van het WTECV tegemoet te kunnen komen. In gevallen waarin de teruggegooide vangsten relatief weinig dode exemplaren bevatten, acht de Commissie het een pragmatische en voorzichtige benadering van het visserijbeheer om vrijstellingen toe te staan op tijdelijke basis, met dien verstande dat het anders niet mogelijk zou zijn om de nodige gegevens te vergaren voor een degelijk en weloverwogen beheer van de teruggooi in het licht van de volledige inwerkingtreding van de aanlandingsverplichting.

(11)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 omvat een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte (MCRS) met trawls in ICES-sector 4c, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal inzake de overlevingskansen van teruggegooide exemplaren. Dat bewijsmateriaal is in eerdere jaren beoordeeld en is door het WTECV toereikend bevonden (5). In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld de vrijstelling te handhaven. Het WTECV heeft opgemerkt dat er geen nieuwe informatie over de ligging van kraamgebieden werd verstrekt (6). Aangezien er op dit moment geen kraamgebieden zijn vastgesteld, kan de vrijstelling in deze verordening worden opgenomen, maar zodra dat wel het geval is, moeten de lidstaten de desbetreffende informatie indienen.

(12)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 omvat een vrijstelling op grond van overlevingskansen, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor vangsten van langoustines met korven in de ICES-sectoren 2a, 3a en in ICES-deelgebied 4, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal inzake de overlevingskansen. Dat bewijsmateriaal is in eerdere jaren beoordeeld en is door het WTECV toereikend bevonden (7). In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld de vrijstelling te handhaven. Aangezien de omstandigheden niet veranderd zijn, moet die vrijstelling derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(13)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 omvat een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van langoustines in ICES-deelgebied 4 met bepaalde vistuigen, op voorwaarde dat deze zijn uitgerust met een selectiviteitsnetrooster. Die vrijstelling is beperkt tot de wintermaanden en geldt slechts voor bepaalde functionele eenheden van ICES. In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld die vrijstelling te handhaven en uit te breiden tot de ICES-sectoren 2a en 3a. De lidstaten hebben in 2018 geactualiseerd wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt met betrekking tot de overlevingskansen voor langoustines die worden gevangen met bodemtrawls met een kuil van meer dan 80 mm of met een kuil van ten minste 70 mm en bepaalde selectiviteitsvoorzieningen. Dat bewijsmateriaal is voorgelegd aan het WTECV, dat zijn bezorgdheid heeft geuit (8) ten aanzien van de ramingen van de overleving voor de westkust van de Noordzee en ten aanzien van de representativiteit van die ramingen voor het hele gebied. Het WTECV heeft echter ook opgemerkt dat de ondersteunende wetenschappelijke informatie is gestoeld op een solide aanpak en dat de valideringstechniek die is gebruikt in de context van de grotere vloten, redelijk is. In die omstandigheden kan de vrijstelling worden toegepast tot en met 31 december 2021, maar de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten gegevens indienen over de visserijen voor de westkust van de Noordzee.

(14)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 omvat een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden in de visserij met korven en fuiken, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal inzake de overlevingskansen. Dat bewijsmateriaal is in eerdere jaren beoordeeld en het WTECV heeft geconcludeerd (9) dat de beschikbare gegevens wijzen op een vermoedelijk lage sterfte van teruggegooide vis, terwijl de werkelijke vangsten in die visserij verwaarloosbaar zijn. Aangezien de vangsten gering zijn en de omstandigheden niet gewijzigd zijn, kan de vrijstelling in de onderhavige verordening worden opgenomen.

(15)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld een vrijstelling op grond van overlevingskansen in te voeren voor schol in de visserij met kieuwnetten en schakelnetten in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingskansen van teruggegooide schol in die visserij aan te tonen. Dat bewijsmateriaal is voorgelegd aan het WTECV, dat heeft geconcludeerd (10) dat redelijke informatie is verschaft waaruit zeer hoge overlevingskansen blijken. Die vrijstelling moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(16)

De nieuwe gezamenlijke aanbeveling omvat een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol in de visserij met Deense zegens in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingskansen van teruggegooide schol in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal is voorgelegd aan het WTECV, dat heeft geconcludeerd (11) dat de studie inzake de overlevingskansen op betrouwbare gegevens is gestoeld, ook al zouden er aanvullende factoren in aanmerking kunnen worden genomen om de overlevingskansen te verbeteren. De overlevingskansen nemen immers snel af wanneer de sortering van de schol langer dan dertig minuten in beslag neemt. Die vrijstelling kan derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(17)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld een vrijstelling op grond van overlevingskansen in te voeren voor de vangsten en bijvangsten van schol in de visserij op platvis of rondvis met trawls in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 in de wintermaanden. De lidstaten hebben wetenschappelijk advies verstrekt om de overlevingskansen van teruggegooide schol in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal is voorgelegd aan het WTECV, dat heeft geconcludeerd (12) dat de overlevingskansen in de ondersteunende studie afnamen wanneer de sortering langer dan zestig minuten in beslag nam in de zomermaanden, en dat het op grond van de lage overlevingskansen voor schol in de zomer dan ook gerechtvaardigd was de vrijstelling te beperken tot de wintermaanden. Die vrijstelling moet derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(18)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld een vrijstelling op grond van overlevingskansen in te voeren voor vangsten van schol kleiner dan de MCRS met boomkorren in ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 2a. De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de overlevingskansen in die visserij aan te tonen. Het bewijsmateriaal is voorgelegd aan het WTECV, dat heeft geconcludeerd (13) dat de overlevingskansen in die visserij afhankelijk zijn van veel factoren en aanzienlijk schommelen. Het WTECV heeft ook zijn twijfels bij de relatief hoge indicatieve teruggooicijfers en de relatief lage overlevingskansen, waardoor de verwachting is dat aanzienlijke aantallen teruggegooide schol niet zullen overleven. Om de nodige gegevens te kunnen verzamelen, zijn verdere visserijactiviteiten nodig en derhalve meent de Commissie dat de vrijstelling moet worden verleend, maar dat de lidstaten verplicht moeten worden de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. In die omstandigheden kan de vrijstelling voorlopig worden toegepast tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten het volgende indienen: a) een door het WTECV op wetenschappelijke basis te evalueren stappenplan om de overlevingskansen te vergroten, en b) jaarrapporten over de vorderingen en de wijzigingen/aanpassingen van het programma inzake overlevingskansen.

(19)

Voor met alle soorten vistuig in de ICES-sectoren 2a en 3a en in ICES-deelgebied 4 gevangen roggen zijn voor alle vlootsegmenten en -combinaties die in aanmerking komen voor de vrijstelling, geen nadere wetenschappelijke gegevens over overlevingskansen beschikbaar. Op een paar uitzonderingen na moeten de overlevingskansen doorgaans echter als hoog worden beschouwd, maar meer gedetailleerde informatie is nodig. Om de nodige gegevens te kunnen verzamelen, zijn verdere visserijactiviteiten nodig en derhalve meent de Commissie dat de vrijstelling moet worden verleend, maar dat de lidstaten verplicht moeten worden de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten elk jaar uiterlijk op 31 mei het volgende indienen: a) een jaarlijks door het WTECV te evalueren stappenplan om de overlevingskansen te vergroten en om de door het WTECV geconstateerde ontbrekende gegevens in te vullen, en b) jaarrapporten over de vorderingen en de eventuele wijzigingen of aanpassingen van de programma's inzake overlevingskansen.

(20)

Bij het onderzoek van de overlevingskansen van roggen werd geconstateerd dat grootoogroggen (Leucoraja naevus) een aanzienlijk lagere overlevingskans hebben dan andere soorten en dat daarover weinig diepgaande wetenschappelijke kennis bestaat. De volledige uitsluiting van deze soort van de vrijstelling zou het echter onmogelijk maken te vissen en door te gaan met een nauwkeurige gegevensverzameling. Daarom is de Commissie van oordeel dat deze vrijstelling slechts voor één jaar moet worden verleend en dat dringend nieuwe studies en maatregelen met het oog op betere overlevingskansen moeten worden ontwikkeld en zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 aan het WTECV moeten worden verstrekt voor beoordeling.

(21)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 omvat de-minimisvrijstellingen voor:

tong gevangen met schakel- en kieuwnetten in de ICES-sectoren 2a en 3a en in ICES-deelgebied 4;

tong gevangen met bepaalde met een Vlaams paneel uitgeruste boomkorren in ICES-deelgebied 4;

gecombineerde vangsten van tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis, schol, haring, kever, grote zilvervis en blauwe wijting met bepaalde bodemtrawls in ICES-sector 3a;

gecombineerde vangsten van tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis en heek met kubben in ICES-sector 3a;

wijting die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-sector 3a;

wijting en kabeljauw die worden gevangen met bodemtrawls in ICES-sector 4c.

(22)

De lidstaten hebben bewijsmateriaal ingediend ter ondersteuning van die de-minimisvrijstellingen. Het WTECV (14) heeft dat bewijsmateriaal beoordeeld en heeft geconcludeerd (15) dat in de door de lidstaten ingediende documenten met gefundeerde argumenten wordt aangetoond dat verdere verbeteringen van de selectiviteit moeilijk te realiseren zijn of gepaard gaan met onevenredig hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten. Aangezien de omstandigheden niet veranderd zijn, is het passend de de-minimisvrijstellingen te handhaven, rekening houdend met het percentage en de nodige wijzigingen als voorgesteld in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(23)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling wordt voorgesteld een de-minimisvrijstelling in te voeren voor:

schol die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-deelgebied 4;

alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden en die worden gevangen met boomkorren in de ICES-sectoren 4b en 4c;

wijting en kabeljauw die worden gevangen met bodemtrawls in de ICES-sectoren 4a en 4b;

leng die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls met een maaswijdte van minstens 120 mm en leng die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls met een maaswijdte tussen 100 en 119 mm in ICES-deelgebied 4;

wijting die wordt gevangen met bepaalde boomkorren in ICES-deelgebied 4;

horsmakreel die wordt gevangen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBB) in ICES-deelgebied 4;

makreel die wordt gevangen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBB) in ICES-deelgebied 4.

(24)

De lidstaten hebben wetenschappelijk bewijsmateriaal ingediend ter ondersteuning van de nieuwe de-minimisvrijstellingen, die gebaseerd zijn op moeilijkheden om de selectiviteit te verbeteren en onevenredig hoge kosten voor de behandeling van de vangsten. Dat bewijsmateriaal is door het WTECV beoordeeld tijdens zijn plenaire vergadering van 2-6 juli 2018.

(25)

In verband met de vrijstelling voor wijting en kabeljauw die wordt gevangen met bodemtrawls in de ICES-sectoren 4a en 4b, heeft het WTECV geconcludeerd dat relevante gegevens van bepaalde lidstaten ontbreken. Om die gegevens te kunnen verzamelen, zijn verdere visserijactiviteiten nodig en derhalve meent de Commissie dat de vrijstelling voorlopig moet worden verleend tot en met 31 december 2019, maar dat de lidstaten verplicht moeten worden de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. De betrokken lidstaten moeten extra proefonderzoek verrichten en de resultaten zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 verstrekken aan het WTECV voor beoordeling.

(26)

Het WTECV is op basis van het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal van mening dat het passend is de-minimisvrijstellingen in te voeren voor schol die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls in ICES-deelgebied 4.

(27)

Het WTECV heeft geconcludeerd dat redelijke gegevens zijn verstrekt met het oog op de toekenning van een de-minimisvrijstelling voor de visserij op Noordzeegarnaal met boomkorren in de ICES-sectoren 4b en 4c.

(28)

Met betrekking tot de de-minimisvrijstelling voor leng die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls met een maaswijdte tussen 100 en 119 mm in ICES-deelgebied 4, was het WTECV van oordeel dat de impact van een verbeterde selectiviteit in de betrokken visserij moeilijk exact kan worden beoordeeld. Volgens het WTECV ontbraken relevante gegevens van bepaalde lidstaten. Het WTECV erkende echter dat het in de betrokken visserij gebruikte vistuig reeds selectief is en dat een verdere verbetering van de selectiviteit de visserij onrendabel zal maken. Om die gegevens te kunnen verzamelen, zijn verdere visserijactiviteiten nodig en derhalve meent de Commissie dat de vrijstelling voorlopig moet worden verleend tot en met 31 december 2019, maar dat de lidstaten verplicht moeten worden de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. De lidstaten moeten het volgende indienen: a) gegevens waaruit blijkt dat de selectiviteit in de betrokken visserijen moeilijk verder te verbeteren valt, en b) aanvullende vangst- of vlootinformatie over de vloten van andere lidstaten die ook in die visserijen actief zijn. De betrokken lidstaten moeten extra proefonderzoek verrichten en de resultaten zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 verstrekken aan het WTECV voor beoordeling.

(29)

Op basis van het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal en de conclusies van het WTECV moet een de-minimisvrijstelling worden verleend voor leng die wordt gevangen met bepaalde bodemtrawls met een maaswijdte van minstens 120 mm in ICES-deelgebied 4.

(30)

Het WTECV heeft in zijn conclusies opgemerkt dat gedetailleerde informatie is verstrekt in verband met de de-minimisvrijstelling voor wijting die wordt gevangen met bepaalde boomkorren in ICES-deelgebied 4. Het WTECV heeft er echter ook op gewezen dat de mogelijkheden om de selectiviteit voor wijting te verbeteren beperkt zijn en dat de gehanteerde berekeningswijze van het de-minimispercentage kan leiden tot een lagere selectiviteit voor wijting, aangezien er een mogelijkheid zou bestaan dat alle ongewenste vangsten van wijting worden teruggegooid. In deze omstandigheden moet de vrijstelling worden toegepast op het niveau van de vastgestelde teruggooi (2 %) en moeten de lidstaten worden verplicht de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een jaarlijkse evaluatie kan verrichten. De betrokken lidstaten moeten extra proefonderzoek verrichten en de resultaten zo snel mogelijk vóór 31 mei van elk jaar verstrekken aan het WTECV voor beoordeling.

(31)

Het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal inzake de nieuwe de-minimisvrijstellingen voor horsmakreel en makreel die worden gevangen door vaartuigen met bodemtrawls, zegens en boomkorren, is beoordeeld door het WTECV, dat heeft geconcludeerd dat verdere informatie moet worden verstrekt. Aangezien het met het oog op het verstrekken van die informatie noodzakelijk is om door te gaan met de visserijactiviteiten en de gegevensverzameling, moeten de individuele vrijstellingen voor elke soort tot één jaar worden beperkt en moeten de lidstaten worden verplicht de desbetreffende gegevens in te dienen zodat het WTECV een volledige beoordeling kan maken van de argumenten en de Commissie een evaluatie kan verrichten. De betrokken lidstaten moeten extra proefonderzoek verrichten en de resultaten zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 verstrekken aan het WTECV voor beoordeling. Derhalve moeten die vrijstellingen voorlopig worden toegepast tot en met 31 december 2019.

(32)

Met het oog op betrouwbare ramingen van de teruggooiniveaus voor de vaststelling van de totale toegestane vangsten moeten de lidstaten ervoor zorgen, wanneer de de-minimisvrijstelling is gebaseerd op extrapolatie van situaties met weinig beschikbare gegevens en op gedeeltelijke vlootinformatie, dat zij nauwkeurige en controleerbare gegevens verstrekken voor de gehele onder deze de-minimisbepaling vallende vloot.

(33)

Overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder a), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 kunnen de nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting betrekking hebben op de in artikel 7, lid 2, van die verordening bedoelde technische maatregelen. Om de selectiviteit van het vistuig te vergroten en ongewenste vangsten in het Skagerrak te verminderen, moeten bepaalde technische maatregelen waarover de Unie en Noorwegen in 2011 (16) en 2012 (17) overeenstemming hebben bereikt, behouden blijven en moet het gebruik van het SepNep-selectiviteitsnet worden toegestaan.

(34)

De in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 15, lid 4, artikel 15, lid 5, onder c), en artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en met Verordening (EU) 2018/973, en met name artikel 11, en kunnen derhalve in de onderhavige verordening worden opgenomen.

(35)

Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie rekening gehouden met zowel de beoordeling van het WTECV als het feit dat de lidstaten moeten zorgen voor de volledige uitvoering van de aanlandingsverplichting tegen 1 januari 2019. In verscheidene gevallen vergen de vrijstellingen een voortzetting van de visserijactiviteit en van de gegevensvergaring om gevolg te geven aan de opmerkingen van het WTECV. In die gevallen acht de Commissie het een pragmatische en voorzichtige benadering van het visserijbeheer om vrijstellingen toe te staan op tijdelijke basis, met dien verstande dat het anders niet mogelijk zou zijn om de nodige gegevens te vergaren voor een degelijk en weloverwogen beheer van de teruggooi in het licht van de volledige inwerkingtreding van de aanlandingsverplichting.

(36)

Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) 2018/973 wordt de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen betreffende de aanlandingsverplichting vast te stellen aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 5 augustus 2018. Het is dan ook passend om de gevolgen van de op overlevingskansen gebaseerde vrijstellingen en de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting opnieuw te evalueren in het derde jaar van toepassing van deze verordening.

(37)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de Unievaartuigen en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoering van de aanlandingsverplichting

In de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) is voor de periode 2019-2021 de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting overeenkomstig deze verordening van toepassing op demersale visserijen waarvoor vangstbeperkingen gelden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „seltra-paneel”: een selectiviteitsvoorziening die:

bestaat uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 270 mm (ruitvormige mazen) geplaatst in een door vier panelen gevormd gedeelte en zodanig gemonteerd dat de samenvoegingsverhouding bij de naad drie mazen van 90 mm per maas van 270 mm bedraagt, of bestaande uit een bovenpaneel met een maaswijdte van ten minste 140 mm (vierkante mazen);

minstens 3 meter lang is;

is aangebracht op niet meer dan 4 meter van de pooklijn, en

de volledige breedte van de bovenkant van het trawlnet in beslag neemt (d.w.z. van naadlijn tot naadlijn);

2.   „selectiviteitsnetrooster” (Netgrid): een selectiviteitsvoorziening bestaande uit een door vier panelen gevormd gedeelte dat wordt aangebracht in een door twee panelen gevormde trawl met een hoeks geplaatst netpaneel met ruitvormige mazen van ten minste 200 mm, zodat aan de bovenkant van de trawl een ontsnappingsgat ontstaat;

3.   „Vlaams paneel”: het laatste trechtervormige gedeelte van de netten van een boomkor, waarvan:

de achterkant rechtstreeks aan de kuil is bevestigd;

de boven- en onderkant een maaswijdte van minstens 120 mm hebben, gemeten tussen de knopen;

de lengte in gestrekte toestand minstens 3 meter bedraagt;

4.   „SepNep”: een ottertrawl die:

een maaswijdte tussen 80 en 99 + ≥ 100 mm heeft;

meerdere kuilen heeft met een maaswijdte tussen minstens 80 en 120 mm, die zijn bevestigd aan een enkele tunnel, waarbij de bovenste kuil een maaswijdte van minstens 120 mm heeft en is uitgerust met een scheidingspaneel met een maximale maaswijdte van 105 mm, en

ook kan zijn uitgerust met een optioneel selectierooster met een afstand van minstens 17 mm tussen de staven, mits dit zodanig is vervaardigd dat kleine langoustines kunnen ontsnappen.

Artikel 3

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor langoustines

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) voor de volgende vangsten van langoustines:

a)

vangsten met korven (FPO (18));

b)

vangsten met bodemtrawls (OTB, TBN) met:

1.

een kuil van meer dan 80 mm, of

2.

een kuil met een maaswijdte van ten minste 70 mm die is uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven; of

3.

een kuil van ten minste 35 mm die is uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven.

2.   Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden deze langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

3.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen jaarlijks zo snel mogelijk vóór 31 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in lid 1, onder b), vastgestelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus van elk jaar.

Artikel 4

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor tong

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 4c binnen zes zeemijl voor de kust maar buiten vastgestelde kraamgebieden, voor vangsten van tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met ottertrawls (OTB) met een maaswijdte in de kuil van 80-99 mm.

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is slechts van toepassing voor vaartuigen met een lengte van ten hoogste 10 meter en een motorvermogen van ten hoogste 221 kW die vissen in wateren met een diepte van maximaal 30 meter tijdens een trek van niet langer dan anderhalf uur.

3.   Bij de teruggooi van tong die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tong onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 5

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten met korven en fuiken van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 voor vangsten van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, die worden gedaan met korven en fuiken (FPO, FYK).

2.   Bij de teruggooi van vis die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze vis onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 6

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten en bijvangsten van schol

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 voor:

a)

schol die wordt gevangen met netten (GNS, GTR, GTN, GEN);

b)

schol die wordt gevangen met Deense zegens;

c)

schol die wordt gevangen met bodemtrawls (OTB, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm wanneer gericht wordt gevist op platvis of rondvis in de wintermaanden (van 1 november tot en met 30 april).

2.   Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze schol onmiddellijk vrijgelaten.

Artikel 7

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 voor vangsten van schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm (BT2).

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019.

3.   Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze schol onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 8

Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor roggen

1.   De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) voor vangsten van roggen met alle soorten vistuig.

2.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen jaarlijks zo snel mogelijk vóór 31 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus van elk jaar.

3.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is van toepassing op grootoogroggen tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019.

4.   Bij de teruggooi van roggen die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden die roggen onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.

Artikel 9

De-minimisvrijstellingen

In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden op grond van artikel 15, lid 4, onder c), van die verordening worden teruggegooid:

a)

in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 2a en 3a en van ICES-deelgebied 4 vissen met schakel- en kieuwnetten (GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR, GEN, GNF):

een hoeveelheid tong onder en boven de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

b)

in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren (TBB) met een maaswijdte van 80-119 mm die zijn uitgerust met een Vlaams paneel:

een hoeveelheid tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die in 2019 niet meer dan 6 % en in de rest van de periode niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt;

c)

in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, TBN) met een maaswijdte van ten minste 70 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis en heek onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, Noordse garnaal, kabeljauw, zwarte koolvis en heek uitmaakt;

d)

in de visserij op Noordse garnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB) met een maaswijdte van ten minste 35 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven en met een vrije uitlaat voor de vis:

een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, schol, zwarte koolvis, haring, kever, grote zilvervis en blauwe wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis, schol, Noordse garnaal, heek, kever, grote zilvervis, haring en blauwe wijting uitmaakt;

e)

in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 4c vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm:

een gecombineerde hoeveelheid wijting en kabeljauw onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die in 2019 niet meer dan 6 % en in 2020 en 2021 niet meer dan 5 % van de totale onder de aanlandingsverplichting vallende jaarlijkse vangsten van die soorten onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte uitmaakt; de maximale hoeveelheid kabeljauw die mag worden teruggegooid, is beperkt tot 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort;

f)

in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4a en 4b vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm:

 

een gecombineerde hoeveelheid wijting en kabeljauw onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die in 2019 niet meer dan 6 % van de totale onder de aanlandingsverplichting vallende jaarlijkse vangsten van die soorten onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte uitmaakt; de maximale hoeveelheid kabeljauw die mag worden teruggegooid, is beperkt tot 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort;

 

de in dit punt f) bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019;

g)

in de visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met een maaswijdte van 90-119 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel, of met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met een maaswijdte van ten minste 120 mm:

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte tot ten hoogste 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, kabeljauw, schelvis, wijting, zwarte koolvis, tong, schol en heek;

h)

in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met bodemtrawls met een maaswijdte van 80-99 mm die zijn uitgerust met een SepNep:

een hoeveelheid schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die ten hoogste 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van zwarte koolvis, schol, schelvis, wijting, kabeljauw, Noordse garnaal, tong en langoustines uitmaakt;

i)

in de visserij op Noordzeegarnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met boomkorren:

een hoeveelheid van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, die in 2019 en 2020 niet meer dan 7 % en in 2021 niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden;

j)

in de demersale visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen op leng met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte tussen 100 en 119 mm:

 

een hoeveelheid leng onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die visserij uitmaakt;

 

de in dit punt j) bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen vóór 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019;

k)

in de demersale visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen op leng met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm:

een hoeveelheid leng onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die visserij uitmaakt;

l)

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm:

 

een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van schol en tong uitmaakt;

 

de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen jaarlijks zo snel mogelijk vóór 31 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus van elk jaar;

m)

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in ICES-deelgebied 4 vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm:

 

een hoeveelheid horsmakreel die in 2019 niet meer dan 7 % van de totale jaarlijkse vangsten van horsmakreel in die visserij uitmaakt;

 

de in dit punt m) bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019;

n)

in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in ICES-deelgebied 4 vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm:

 

een hoeveelheid makreel die in 2019 niet meer dan 7 % van de totale jaarlijkse vangsten van makreel in die visserij uitmaakt;

 

de in dit punt n) bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2019. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk vóór 31 mei 2019 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter onderbouwing van die vrijstelling. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie vóór 1 augustus 2019.

Artikel 10

Specifieke technische maatregelen voor het Skagerrak

1.   Het is verboden in het Skagerrak trawls, Deense zegens, boomkorren of soortgelijke sleepnetten met een maaswijdte van minder dan 120 mm aan boord te hebben of te gebruiken.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de volgende trawls worden gebruikt:

a)

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 90 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel of een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven;

b)

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 70 mm (vierkante mazen) die zijn uitgerust met een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven;

c)

trawls met een minimummaaswijdte van minder dan 70 mm wanneer wordt gevist op pelagische of industriële soorten, mits de vangst voor meer dan 80 % uit een of meer pelagische of industriële soorten bestaat;

d)

trawls met een maaswijdte in de kuil van ten minste 35 mm wanneer wordt gevist op Noordse garnaal, mits ze zijn uitgerust met een sorteerrooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven.

3.   Bij de visserij op Noordse garnaal overeenkomstig lid 2, onder d), mag een visretentiesysteem worden gebruikt mits er toereikende vangstmogelijkheden voor de bijvangst zijn en het retentiesysteem:

a)

een bovenpaneel heeft met vierkante mazen met een maaswijdte van ten minste 120 mm;

b)

ten minste 3 meter lang is, en

c)

ten minste even breed is als het sorteerrooster.

Artikel 11

SepNep

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2018/973 is het toegestaan SepNep-netten te gebruiken.

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 oktober 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 179 van 16.7.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/45 van de Commissie van 20 oktober 2017 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee en in de wateren van de Unie van ICES-sector IIa voor het jaar 2018 (PB L 7 van 12.1.2018, blz. 6).

(4)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(5)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(6)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(7)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(8)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(9)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1780485/STECF+PLEN+17-02.pdf

(10)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(11)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(12)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(13)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(14)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf

(15)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(16)  Goedgekeurde notulen van het visserijoverleg tussen Noorwegen en de Europese Unie inzake de reglementering van de visserij in het Skagerrak en het Kattegat voor 2012.

(17)  Goedgekeurde notulen van het visserijoverleg tussen de Europese Unie en Noorwegen over maatregelen voor de uitvoering van een teruggooiverbod en controlemaatregelen in het Skagerrakgebied, 4 juli 2012.

(18)  De in de onderhavige verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1). Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter wordt in deze tabel gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/27


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/2036 VAN DE COMMISSIE

van 18 oktober 2018

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6, en artikel 18, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden en, in de Middellandse Zee, ook vangsten van soorten waarvoor minimummaten gelden zoals vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is de aanlandingsverplichting voor de demersale visserijen in de Middellandse Zee uiterlijk vanaf 1 januari 2017 van toepassing op visserijbepalende soorten en uiterlijk vanaf 1 januari 2019 op alle andere soorten.

(3)

Om de aanlandingsverplichting uit te voeren heeft de Commissie krachtens artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen teruggooiplannen vast te stellen voor een termijn van ten hoogste drie jaar, die met in totaal drie jaar kan worden verlengd, op basis van gezamenlijke aanbevelingen die de lidstaten opstellen in overleg met de betrokken adviesraden.

(4)

Nadat een aantal lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de Middellandse Zee (Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Malta en Slovenië) in 2016 drie gezamenlijke aanbevelingen bij de Commissie hadden ingediend, is bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie (3) een teruggooiplan vastgesteld dat van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 van toepassing is op bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee. Die drie gezamenlijke aanbevelingen betroffen respectievelijk het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee.

(5)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie is gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/153 van de Commissie (4) naar aanleiding van twee gezamenlijke aanbevelingen die zijn ingediend door de betrokken lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer en die het westelijke deel van de Middellandse Zee en de Adriatische Zee betreffen.

(6)

Na overleg met de regionale groep op hoog niveau Pescamed hebben Frankrijk, Italië en Spanje op 4 juni 2018 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend voor een teruggooiplan voor demersale visserijen in het westelijke deel van de Middellandse Zee („de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor het westelijke deel van de Middellandse Zee”). De gezamenlijke aanbeveling is op 27 augustus 2018 gewijzigd.

(7)

Na overleg met de regionale groep op hoog niveau Sudestmed hebben Cyprus, Griekenland, Italië en Malta op 7 juni 2018 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend voor een teruggooiplan voor demersale visserijen in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee („de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee”). De gezamenlijke aanbeveling is op 28 augustus 2018 gewijzigd.

(8)

Na overleg met de regionale groep op hoog niveau Adriatica hebben Kroatië, Italië en Slovenië op 8 juni 2018 bij de Commissie een nieuwe gezamenlijke aanbeveling ingediend voor een teruggooiplan voor demersale visserijen in de Adriatische Zee („de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor de Adriatische Zee”). De gezamenlijke aanbeveling is op 29 augustus 2018 gewijzigd.

(9)

De drie nieuwe gezamenlijke aanbevelingen werden door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeeld tijdens zijn plenaire vergadering van 2-6 juli 2018 (5).

(10)

Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie rekening gehouden met de beoordeling door het WTECV en met het feit dat de lidstaten moeten zorgen voor de volledige uitvoering van de aanlandingsverplichting met ingang van 1 januari 2019. In verscheidene gevallen vergen de vrijstellingen een voortzetting van de visserijactiviteit en van de gegevensvergaring om gevolg te geven aan de opmerkingen van het WTECV. In deze gevallen acht de Commissie het een pragmatische en voorzichtige aanpak van het visserijbeheer om tijdelijk vrijstellingen toe te staan, in de wetenschap dat anders niet de gegevens kunnen worden vergaard die onontbeerlijk zijn voor een gedegen en onderbouwd beheer van teruggooi in het licht van de volledige inwerkingtreding van de aanlandingsverplichting.

(11)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor het westelijke deel van de Middellandse Zee wordt voorgesteld de toepassing van de vrijstellingen op basis van overlevingskansen, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus), tapijtschelpen (Venerupis spp) en venusschelpen (Venus spp.) gevangen met gemechaniseerde dreggen (HMD), te verlengen tot en met 31 december 2021. Die vrijstelling op basis van overlevingskansen is ingevoerd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86. Bij de beoordeling van de nieuwe gezamenlijke aanbeveling heeft het WTECV opgemerkt dat er geen aanvullende ondersteunende informatie werd verstrekt. Er is echter wetenschappelijk bewijs in de literatuur voor de overleving van die soorten. Rekening houdend met de mogelijk hoge overlevingspercentages en met de kenmerken van het vistuig, van de visserijpraktijken en van het ecosysteem is de Commissie van oordeel dat de vrijstelling op basis van overlevingskansen moet worden gecontinueerd, aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd.

(12)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor het westelijke deel van de Middellandse Zee wordt voorgesteld de vrijstelling op basis van overlevingskansen voor langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) te verlengen tot en met 31 december 2021. Die vrijstelling op basis van overlevingskansen is ingevoerd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/153 van de Commissie. In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling werd aanvankelijk voorgesteld deze vrijstelling toe te passen behalve in de maanden juli, augustus en september, die onder een nieuwe de-minimisvrijstelling zouden vallen. Het WTECV was van oordeel dat er geen bewijs was ter ondersteuning van een de-minimisvrijstelling tijdens de zomermaanden en maakte geen verdere opmerkingen. Er is echter wetenschappelijk bewijs voor de overleving van die soort in deze en andere regio's. Rekening houdend met de mogelijk hoge overlevingspercentages en met de kenmerken van het vistuig, van de visserijpraktijken en van het ecosysteem is de Commissie van oordeel dat de het hele jaar geldende vrijstelling op basis van overlevingskansen daarom moet worden gecontinueerd.

(13)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor de Adriatische Zee wordt voorgesteld de vrijstelling op basis van overlevingskansen voor tong (Solea solea) gevangen met de rapido (TBB) te verlengen. Die vrijstelling op basis van overlevingskansen is ingevoerd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie. Het WTECV heeft dit nieuwe verzoek niet beoordeeld. Er is echter een ad-hoconderzoek naar de overlevingskansen van die soort aan de gang in GSA17 in de Adriatische Zee. De Commissie is derhalve van oordeel dat de vrijstelling slechts voor een jaar moet worden gecontinueerd. De betrokken lidstaten moeten de relevante gegevens uiterlijk op 1 mei 2019 verstrekken om de verdere beoordeling door het WTECV mogelijk te maken.

(14)

In de drie nieuwe gezamenlijke aanbevelingen wordt voorgesteld de vrijstelling op basis van overlevingskansen toe te passen op langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met korven en vallen (FPO, FIX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, in de Adriatische Zee en in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee. Het WTECV was van oordeel dat geen specifieke informatie ter ondersteuning van deze vrijstelling was verstrekt. De Commissie is derhalve van oordeel dat de vrijstelling slechts voor een jaar moet worden ingevoerd. De betrokken lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2019 aanvullende relevante gegevens verstrekken om de verdere beoordeling door het WTECV mogelijk te maken.

(15)

In de drie nieuwe gezamenlijke aanbevelingen wordt voorgesteld de vrijstelling op basis van overlevingskansen toe te passen op zeebrasem (Pagellus bogaraveo) gevangen met haken en lijnen (LHP, LHM, LLS, LLD, LL, LTL, LX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee. Het WTECV is van oordeel dat verder bewijs moet worden verstrekt om de voorgestelde vrijstelling ten volle te ondersteunen. De Commissie is derhalve van oordeel dat de vrijstelling slechts voor een jaar moet worden ingevoerd. De betrokken lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2019 aanvullende relevante gegevens verstrekken om de verdere beoordeling door het WTECV mogelijk te maken.

(16)

In de drie nieuwe gezamenlijke aanbevelingen wordt voorgesteld de vrijstelling op basis van overlevingskansen toe te passen op zeekreeft (Homarus gammarus) en langoesten (Palinuridae) gevangen met netten (GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN) en korven en vallen (FPO, FIX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, in de Adriatische Zee en in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee. Het WTECV was van oordeel dat de door de betrokken lidstaten verstrekte studie naar de overlevingspercentages van langoesten een redelijk robuuste studie is die de overlevingspercentages op de korte termijn laat zien, maar merkte daarbij op dat de steekproef klein was. Voor zowel langoesten als zeekreeft moet verder wetenschappelijk bewijs worden verstrekt. De Commissie is derhalve van oordeel dat de vrijstelling slechts voor een jaar moet worden ingevoerd. De betrokken lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2019 aanvullende relevante gegevens verstrekken om de verdere beoordeling door het WTECV mogelijk te maken.

(17)

In de nieuwe gezamenlijke aanbevelingen voor de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee wordt voorgesteld de vrijstelling op basis van overlevingskansen toe te passen op langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) in de Adriatische Zee en in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee. In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling werd aanvankelijk voorgesteld deze vrijstelling toe te passen behalve in de maanden juli, augustus en september, die onder een nieuwe de-minimisvrijstelling zouden vallen. Het WTECV was van oordeel dat er geen bewijs was ter ondersteuning van een de-minimisvrijstelling tijdens de zomermaanden en maakte geen verdere opmerkingen. Er is echter wetenschappelijk bewijs voor de overleving van die soort in andere regio's. Rekening houdend met de mogelijk hoge overlevingspercentages en met de kenmerken van het vistuig, van de visserijpraktijken en van het ecosysteem is de Commissie van oordeel dat de het hele jaar geldende vrijstelling op basis van overlevingskansen daarom moet worden ingevoerd.

(18)

In de drie nieuwe gezamenlijke aanbevelingen wordt verder voorgesteld de toepassing van de de-minimisvrijstelling als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 uit te breiden tot heek (Merluccius merluccius) en zeebarbelen (Mullus spp.), tot 6 % in 2019 en 2020 en tot 5 % in 2021 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten gedaan door vaartuigen die bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT en TX) gebruiken, en tot 1 % in 2019, 2020 en 2021 van de jaarlijkse totale vangsten van die soorten gedaan door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten (GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN) gebruiken, in het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie is een de-minimisvrijstelling voor die soorten ingevoerd. Op basis van de bij die gelegenheid in de gezamenlijke aanbeveling verstrekte en door het WTECV beoordeelde wetenschappelijke gegevens en rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, het hoge aantal bij de visserijactiviteiten betrokken soorten, de visserijpatronen en de specifieke kenmerken van de Middellandse Zee (bijvoorbeeld de overwegend kleinschalige visserij) achtte de Commissie het passend dergelijke de-minimisvrijstellingen vast te stellen om onevenredig hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten te vermijden. Het WTECV heeft de nieuwe aanbeveling inzake bodemtrawls niet beoordeeld. Bij de beoordeling van de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor kieuwnetten en schakelnetten heeft het WTECV opgemerkt dat de door de betrokken lidstaten verstrekte informatie niet volledig genoeg was. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, is de Commissie echter van oordeel dat de de-minimisvrijstelling moet worden voortgezet met de hierboven genoemde percentages.

(19)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor de Adriatische Zee wordt voorgesteld de toepassing van de de-minimisvrijstelling uit te breiden met heek (Merluccius merluccius) en zeebarbelen (Mullus spp.), tot 1 % in 2019, 2020 en 2021 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten gedaan door vaartuigen die de rapido (TBB) gebruiken, en met tong (Solea solea), tot 3 % in 2019, 2020 en 2021 van de totale jaarlijkse vangsten van die soort gedaan door vaartuigen die bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT en TX) gebruiken in de Adriatische Zee. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie is een de-minimisvrijstelling voor die soorten ingevoerd. Op basis van de bij die gelegenheid in de gezamenlijke aanbeveling verstrekte en door het WTECV beoordeelde wetenschappelijke gegevens en rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, het hoge aantal bij de visserijactiviteiten betrokken soorten, de visserijpatronen en de specifieke kenmerken van de Middellandse Zee (bijvoorbeeld de overwegend kleinschalige visserij) achtte de Commissie het passend dergelijke de-minimisvrijstellingen vast te stellen (tot 1 % voor heek en zeebarbelen en tot 3 % voor tong) om onevenredig hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten te vermijden. Bij de beoordeling van de nieuwe gezamenlijke aanbeveling was het WTECV van oordeel dat er geen specifieke informatie was verstrekt ter ondersteuning van een grote verhoging van de toegepaste percentages. Aangezien de omstandigheden voor de toepassing van het huidige percentage niet zijn veranderd, is de Commissie van oordeel dat de de-minimisvrijstelling moet worden gecontinueerd met de hierboven genoemde percentages.

(20)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee wordt voorgesteld de toepassing van de de-minimisvrijstelling uit te breiden met roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), tot 6 % in 2019 en 2020 en tot 5 % in 2021 van de totale jaarlijkse vangsten van die soort gedaan door vaartuigen die bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT en TX) gebruiken in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie is een de-minimisvrijstelling voor die soort ingevoerd. Op basis van de bij die gelegenheid in de gezamenlijke aanbeveling verstrekte en door het WTECV beoordeelde wetenschappelijke gegevens en rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, het hoge aantal bij de visserijactiviteiten betrokken soorten, de visserijpatronen en de specifieke kenmerken van de Middellandse Zee (bijvoorbeeld de overwegend kleinschalige visserij) achtte de Commissie het passend een dergelijke de-minimisvrijstelling vast te stellen om onevenredig hoge kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten te vermijden. Het WTECV heeft de nieuwe aanbeveling niet beoordeeld. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, is de Commissie van oordeel dat deze vrijstelling moet worden gecontinueerd met de hierboven genoemde percentages.

(21)

In de nieuwe gezamenlijke aanbevelingen voor het westelijke deel van de Middellandse Zee wordt voorgesteld de de-minimisvrijstelling toe te passen op zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem(Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem (Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea), goudbrasem (Sparus aurata) en roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) gebruiken; tot 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten, behalve voor roze diepzeegarnaal, door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten (GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN) gebruiken; en tot 1 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten, met uitzondering van zeebrasem en roze diepzeegarnaal, door vaartuigen die haken en lijnen (LHP, LHM, LLS, LLD, LL, LTL, LX) gebruiken;

(22)

In de nieuwe gezamenlijke aanbevelingen voor de Adriatische Zee wordt voorgesteld de de-minimisvrijstelling toe te passen op zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), goudbrasem (Sparus aurata) en roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) gebruiken; tot 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten, met uitzondering van roze diepzeegarnaal, maar met inbegrip van tong, door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten (GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN) gebruiken; en tot 1 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten, met uitzondering van zeebrasem en roze diepzeegarnaal, maar met inbegrip van tong, door vaartuigen die haken en lijnen (LHP, LHM, LLS, LLD, LL, LTL, LX) gebruiken.

(23)

In de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voor het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee wordt voorgesteld de de-minimisvrijstelling toe te passen op zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) gebruiken; tot 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten (GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN) gebruiken; en tot 1 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten, met uitzondering van zeebrasem, door vaartuigen die haken en lijnen (LHP, LHM, LLS, LLD, LL, LTL, LX) gebruiken;

(24)

Tot slot wordt in de drie nieuwe gezamenlijke aanbevelingen voorgesteld de de-minimisvrijstelling toe te passen op ansjovis (Engraulis encrasicolus), sardine (Sardina pilchardus), makrelen (Scomber spp.) en horsmakrelen (Trachurus spp.), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse bijvangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) gebruiken, in het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee.

(25)

Het WTECV heeft opgemerkt dat de in de overwegingen 21, 22 en 23 vermelde vrijstellingen een grote groep soorten met uiteenlopende teruggooipercentages beslaan en dat de verzochte specifieke informatie om de vrijstellingen ten volle te ondersteunen, niet werd verstrekt. De Commissie wijst er echter op dat die vrijstellingen van toepassing zijn op groepen soorten die de rest van de soorten omvatten waarvoor minimummaten als vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 gelden en waarvoor, in dit stadium, geen vangstbeperkingen gelden; daarom is artikel 15, leden 8 en 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 niet van toepassing. Bovendien worden die soorten tegelijk gevangen, in sterk wisselende hoeveelheden, hetgeen een eenbestandsbenadering problematisch maakt. Voorts worden deze soorten gevangen door kleinschalige vissersvaartuigen en aangeland op veel verschillende aanlandingspunten die geografisch gespreid langs de kust liggen; daarom is er een grote waarschijnlijkheid van onevenredig hoge kosten van de behandeling van ongewenste vangsten in de eerste jaren van de volledige tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting. Ook moet in aanmerking worden genomen dat de vrijstellingen in beginsel onder de maximale toegestane limieten liggen. In deze context is de Commissie van oordeel dat die de-minimisvrijstellingen slechts voor een jaar mogen worden ingevoerd. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2019 de relevante gegevens indienen zodat het WTECV de rechtvaardigingsgronden voor de vrijstellingen volledig kan beoordelen en de Commissie de vrijstellingen kan herzien.

(26)

Tot slot merkt de Commissie op dat de lidstaten zich ertoe verbinden de selectiviteit van het vistuig te verhogen overeenkomstig de resultaten van de lopende onderzoeksprogramma's, teneinde de ongewenste vangsten, en met name vangsten kleiner dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, te reduceren en te beperken.

(27)

Tevens merkt de Commissie op dat de betrokken lidstaten, in overeenstemming met de gezamenlijke aanbeveling voor het westelijke deel van de Middellandse Zee, het gebruik van trawls met een kuil en/of tunnel met T90-mazen van 50 mm en de voortzetting van proeven met realtimesluitingen aanmoedigen.

(28)

De in de nieuwe gezamenlijke aanbevelingen voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 15, lid 4, artikel 15, lid 5, onder c), en artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en mogen dus worden opgenomen in het bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 vastgestelde teruggooiplan.

(29)

De de-minimisvrijstellingen voor kleine pelagische soorten in visserijen die deze soorten als doelsoort hebben, zijn vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 van de Commissie (6). De-minimisvrijstellingen voor bijvangsten van kleine pelagische soorten in demersale visserijen moeten daarentegen worden opgenomen in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86.

(30)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(31)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de vaartuigen van de Unie en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet met ingang van 1 januari 2019 van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Vrijstelling op basis van overlevingskansen

1.   De vrijstelling van de aanlandingsverplichting op grond van artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor soorten waarvoor wetenschappelijk vaststaat dat zij hoge overlevingskansen hebben, geldt voor:

a)

tong (Solea solea) gevangen met de rapido (TBB) (*1) in de Adriatische Zee tot en met 31 december 2019;

b)

mediterrane sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus) gevangen met gemechaniseerde dreggen (HMD) in het westelijke deel van de Middellandse Zee;

c)

tapijtschelpen (Venerupis spp.) gevangen met gemechaniseerde dreggen (HMD) in het westelijke deel van de Middellandse Zee;

d)

venusschelpen (Venus spp.) gevangen met gemechaniseerde dreggen (HMD) in het westelijke deel van de Middellandse Zee;

e)

langoustines (Nephrops norvegicus) gevangen met alle bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee;

f)

langoustines (Nephrops norvegicus), gevangen met korven en vallen (FPO, FIX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee tot en met 31 december 2019;

g)

zeebrasem (Pagellus bogaraveo) gevangen met haken en lijnen (LHP, LHM, LLS, LLD, LL, LTL, LX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee tot en met 31 december 2019;

h)

zeekreeft (Homarus gammarus) gevangen met netten (GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN) en korven en vallen (FPO, FIX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee tot en met 31 december 2019;

i)

langoesten (Palinuridae), gevangen met netten (GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN) en met korven en vallen (FPO, FIX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, in de Adriatische Zee en in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee tot en met 31 december 2019.

2.   Tong (Solea solea), mediterrane sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus), tapijtschelpen (Venerupis spp.), venusschelpen (Venus spp.), langoustines (Nephrops norvegicus), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), zeekreeft (Homarus gammarus) en langoesten (Palinuridae) gevangen in de in lid 1 bedoelde omstandigheden worden onmiddellijk vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.

3.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Middellandse Zee stellen de Commissie uiterlijk op 1 mei 2019 in kennis van teruggooigegevens ter aanvulling van die in de gezamenlijke aanbevelingen van juni 2018 zoals gewijzigd in augustus 2018, alsmede van andere ter zake relevante wetenschappelijke informatie ter ondersteuning van de in lid 1, onder a), f), g), h), en i) vastgestelde vrijstellingen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij beoordeelt deze gegevens en informatie uiterlijk in juli 2019.

(*1)  De in deze verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 122 van 30.4.2011, blz. 1). Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan tien meter wordt in deze verordening gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.”."

2)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

De-minimisvrijstelling

1.   In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden van soorten op grond van artikel 15, lid 4, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden teruggegooid:

a)

in het westelijke deel van de Middellandse Zee (punt 1 van de bijlage):

i)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), in 2019 en 2020 tot 6 % en in 2021 tot 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

ii)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), tot 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten gebruiken;

iii)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea), goudbrasem (Sparus aurata) en roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

iv)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten gebruiken;

v)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus erythrinus), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 1 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die haken en lijnen gebruiken;

vi)

voor ansjovis (Engraulis encrasicolus), sardine (Sardina pilchardus), makreel (Scomber spp.) en horsmakreel (Trachurus spp.), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse bijvangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

b)

in de Adriatische Zee (punt 2 van de bijlage):

i)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), in 2019 en 2020 tot 6 % en in 2021 tot 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

ii)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), tot 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten gebruiken;

iii)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), tot 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die de rapido (TBB) gebruiken;

iv)

voor (Solea solea), tot 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

v)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea), goudbrasem (Sparus aurata) en roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

vi)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten gebruiken;

vii)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus erythrinus), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 1 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die haken en lijnen gebruiken;

viii)

voor ansjovis (Engraulis encrasicolus), sardine (Sardina pilchardus), makreel (Scomber spp.) en horsmakreel (Trachurus spp.), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse bijvangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

c)

in het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee (punt 3 van de bijlage):

i)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), in 2019 en 2020 tot 6 % en in 2021 tot 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

ii)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), tot 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten gebruiken;

iii)

voor roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), in 2019 en 2020 tot 6 % en in 2021 tot 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

iv)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken;

v)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus bogaraveo), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem(Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 3 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten gebruiken;

vi)

voor zeebaars (Dicentrarchus labrax), goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte zeebrasem (Diplodus sargus), zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris), tandbaarzen (Epinephelus spp.), zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus), Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne), zeebrasem (Pagellus erythrinus), rode zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem (Pagrus pagrus), wrakbaars (Polyprion americanus), tong (Solea solea) en goudbrasem (Sparus aurata), tot 1 % in 2019 van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten door vaartuigen die haken en lijnen gebruiken;

vii)

voor ansjovis (Engraulis encrasicolus), sardine (Sardina pilchardus), makreel (Scomber spp.) en horsmakreel (Trachurus spp.), tot 5 % in 2019 van de totale jaarlijkse bijvangsten van die soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken.

2.   De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Middellandse Zee stellen de Commissie uiterlijk op 1 mei 2019 in kennis van teruggooigegevens ter aanvulling van die in de gezamenlijke aanbevelingen van juni 2018 zoals gewijzigd in augustus 2018, alsmede van andere ter zake relevante wetenschappelijke informatie ter ondersteuning van de in lid 1, onder a), iii) tot en met vi), lid 1, onder b), v) tot en met viii), en lid 1, onder c),,iv) tot en met vii), vastgestelde vrijstellingen. Het WTECV beoordeelt die gegevens en die informatie uiterlijk in juli 2019.”.

3)

In artikel 6 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Zij is van toepassing van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021.”.

4)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 oktober 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)  Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie van 20 oktober 2016 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee (PB L 14 van 18.1.2017, blz. 4).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/153 van de Commissie van 23 oktober 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee (PB L 29 van 1.2.2018, blz. 1).

(5)  https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf

(6)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/161 van de Commissie van 23 oktober 2017 tot vaststelling van een de-minimisvrijstelling van de aanlandingsverplichting voor bepaalde kleine pelagische visserijen in de Middellandse Zee (PB L 30 van 2.2.2018, blz. 1).


BIJLAGE

1.   Westelijk deel van de Middellandse Zee

Visserij

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX

Langoustines (Nephrops norvegicus)

Roze diepzeegarnaal (Parapaneus longirostris)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte zeebrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

Bijvangsten van:

 

Ansjovis (Engraulis encrasicolus)

 

Sardine (Sardina pilchardus)

 

Makrelen (Scomber spp.)

 

Horsmakrelen (Trachurus spp.)

OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX

Alle bodemtrawls

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte zeebrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Gewone zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

LL, LLS, LLD, LX, LTL, LHP, LHM

Alle beuglijnen

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX

Zeekreeft (Homarus gammarus)

Langoesten (Palinuridae)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte zeebrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakelnetten en kieuwnetten

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Mediterrane sint-jakobsschelp (Pecten jacobaeus)

Tapijtschelpen (Venerupis spp.)

Venusschelpen (Venus spp.)

HMD

Alle gemechaniseerde dreggen

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Langoustines (Nephrops norvegicus)

Zeekreeft (Homarus gammarus)

Langoesten (Palinuridae)

FPO, FIX

Alle korven en vallen

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

2.   Adriatische Zee

Visserij

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX

Langoustines (Nephrops norvegicus)

Roze diepzeegarnaal (Parapaneus longirostris)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte zeebrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

Bijvangsten van:

 

Ansjovis (Engraulis encrasicolus)

 

Sardine (Sardina pilchardus)

 

Makrelen (Scomber spp.)

 

Horsmakrelen (Trachurus spp.)

OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX

Alle bodemtrawls

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte zeebrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

LL, LLS, LLD, LX, LTL, LHP, LHM

Alle beuglijnen

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX

Tong (Solea vulgaris)

Zeekreeft (Homarus gammarus)

Langoesten (Palinuridae)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte ringbrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakelnetten en kieuwnetten

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Mediterrane sint-jakobsschelp (Pecten jacobaeus)

Tapijtschelpen (Venerupis spp.)

Venusschelpen (Venus spp.)

HMD

Alle gemechaniseerde dreggen

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Langoustines (Nephrops norvegicus)

Zeekreeft (Homarus gammarus)

Langoesten (Palinuridae)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Zeebrasem (Pagellus erythrinus), gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo), witte ringbrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

FPO, FIX, FYK

Alle korven en vallen, fuiken

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

3.   Zuidoostelijk deel van de Middellandse Zee

Visserij

Vistuigcode

Beschrijving vistuig

Aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX

Langoustines (Nephrops norvegicus)

Roze diepzeegarnaal (Parapaneus longirostris)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte ringbrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

Bijvangsten van:

 

Ansjovis (Engraulis encrasicolus)

 

Sardine (Sardina pilchardus)

 

Makrelen (Scomber spp.)

 

Horsmakrelen (Trachurus spp.)

OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX

Alle bodemtrawls

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis), spitse ringbrasem ( Diplodus puntazzo)

Witte ringbrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

LL, LLS, LLD, LX, LTL, LHP, LHM

Alle beuglijnen

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Heek (Merluccius merluccius)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX

Tong (Solea vulgaris)

Zeekreeft (Homarus gammarus)

Langoesten (Palinuridae)

Zeebaars (Dicentrarchus labrax)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte ringbrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

Tandbaarzen (Epinephelus spp.)

Zandsteenbaars (Lithognathus mormyrus)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo),

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Wrakbaars (Polyprion americanus)

Tong (Solea vulgaris)

Goudbrasem (Sparus aurata)

GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN

Alle schakelnetten en kieuwnetten

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting

Langoustines (Nephrops norvegicus)

Zeekreeft (Homarus gammarus)

Langoesten (Palinuridae)

Spaanse zeebrasem (Pagellus acarne)

Zeebrasem (Pagellus bogaraveo)

Rode zeebrasem (Pagellus erythrinus)

Gewone zeebrasem (Pagrus pagrus)

Goudgestreepte zeebrasem (Diplodus annularis)

Spitse ringbrasem (Diplodus puntazzo)

Witte ringbrasem (Diplodus sargus)

Zwartkopzeebrasem (Diplodus vulgaris)

FPO, FIX, FYK

Alle korven en vallen, fuiken

Alle vangsten vallen onder de aanlandingsverplichting


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/41


VERORDENING (EU) 2018/2037 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2018

tot vaststelling van een verbod op de visserij op haring in de wateren van de Unie en internationale wateren van 5b, 6b en 6aN door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2018/120 van de Raad (2) zijn quota voor 2018 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2018 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2018 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2018/120 van de Raad van 23 januari 2018 tot vaststelling, voor 2018, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/127 (PB L 27 van 31.1.2018, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

50/TQ120

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

HER/5B6ANB

Soort

Haring (Clupea harengus)

Gebied

Wateren van de Unie en internationale wateren van 5b, 6b en 6aN

Datum van sluiting

26.11.2018


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/44


VERORDENING (EU) 2018/2038 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2018

tot vaststelling van een verbod op de visserij op zwarte koolvis in de Noorse wateren van 1 en 2 door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2018/120 van de Raad (2) zijn quota voor 2018 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2018 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2018 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2018/120 van de Raad van 23 januari 2018 tot vaststelling, voor 2018, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/127 (PB L 27 van 31.1.2018, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

49/TQ120

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

POK/1N2AB.

Soort

Zwarte koolvis (Pollachius virens)

Gebied

Noorse wateren van 1 en 2

Datum van sluiting

26/11/2018


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/46


VERORDENING (EU) 2018/2039 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2018

tot vaststelling van een verbod op de visserij op leng in de wateren van de Unie en internationale wateren van 1 en 2 door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2018/120 van de Raad (2) zijn quota voor 2018 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2018 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2018 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2018/120 van de Raad van 23 januari 2018 tot vaststelling, voor 2018, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/127 (PB L 27 van 31.1.2018, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

48/TQ120

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

LIN/1/2.

Soort

Leng (Molva molva)

Gebied

Wateren van de Unie en internationale wateren van 1 en 2

Datum van sluiting

26.11.2018


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/48


VERORDENING (EU) 2018/2040 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2018

tot vaststelling van een verbod op de visserij op Noord-Atlantische witte tonijn in de Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2018/120 van de Raad (2) zijn quota voor 2018 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2018 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2018 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2018/120 van de Raad van 23 januari 2018 tot vaststelling, voor 2018, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/127 (PB L 27 van 31.1.2018, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

47/TQ120

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

ALB/AN05N

Soort

Noord-Atlantische witte tonijn (Thunnus alalunga)

Gebied

Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB

Datum van sluiting

26.11.2018


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/50


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/2041 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2018

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Stephen QUEST

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie


(1)  PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Kabelconnectoren („mannelijk of vrouwelijk”) voor een spanning van niet meer dan 1 000  volt, vervaardigd uit koper.

Het artikel heeft een stekker (een zogenoemde mannelijke connector) of een contrastekker (een zogenoemde vrouwelijke connector) aan de ene zijde en een contact aan de andere zijde in de vorm van een klem die met een laag isolatiemateriaal is beschermd.

Het artikel wordt gebruikt om draden of kabels, maar geen coaxkabels, te verbinden.

De verbinding wordt tot stand gebracht door de mannelijke connector in de vrouwelijke connector te steken zonder dat daarbij gereedschap wordt gebruikt.

Zie afbeelding (*1).

8536 69 90

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 8536 , 8536 69 en 8536 69 90 .

Het artikel heeft de objectieve kenmerken van een stekker (mannelijke connector) of een contrastekker (vrouwelijke connector) die is voorzien van een ander contact (zie ook de GS-toelichtingen op post 8536 , III, onder A), punt 1), en de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur met betrekking tot onderverdelingen 8536 69 10 tot en met 8536 69 90 ). Indeling onder onderverdeling 8536 90 10 als andere aansluittoestellen en contactverbindingen voor draad en kabels is bijgevolg uitgesloten.

Het artikel moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 8536 69 90 als andere contactdozen en contactstoppen (stekkers).

Image

(*1)  De afbeelding is louter ter informatie.


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/53


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/2042 VAN DE COMMISSIE

van 18 december 2018

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152 om de WLTP-testomstandigheden te verduidelijken en te voorzien in controle van de typegoedkeuringsgegevens

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 13, lid 6, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om rekening te houden met het verschil tussen het niveau van de CO2-emissies die zijn gemeten volgens de New European Test Cycle (nieuwe Europese rijcyclus, NEDC) en de emissies die zijn gemeten volgens de Worldwide Harmonised Light Vehicles Test Procedure (wereldwijd geharmoniseerde testprocedure voor lichte voertuigen, WLTP) is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152 van de Commissie (2) een methode vastgesteld voor het correleren van de CO2-emissiewaarden met betrekking tot lichte bedrijfsvoertuigen.

(2)

De correlatiemethode moet resultaten opleveren die waarborgen dat de in Verordening (EG) nr. 510/2011 vastgestelde reductievereisten even streng zijn onder de oude en de nieuwe testprocedures. De goedkeuringsinstanties en technische diensten moeten er derhalve samen met de fabrikanten naar streven dat de WLTP- en NEDC-testen die voor de toepassing van deze verordening worden uitgevoerd, plaatsvinden onder testomstandigheden die vergelijkbaar en in overeenstemming zijn met de doelstellingen van deze verordening.

(3)

Daartoe is het noodzakelijk bepaalde aspecten van de WLTP-testomstandigheden die van toepassing moeten zijn op de uitgevoerde correlaties te verduidelijken met het oog op het verstrekken van volgens NEDC en WLTP gemeten gegevens betreffende CO2-emissies voor in 2020 nieuw geregistreerde voertuigen. Deze verduidelijkingen moeten worden toegepast onverminderd de in Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (3) vastgestelde procedure en vereisten en zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van typegoedkeuringen die op die grond zijn verleend.

(4)

Het is tevens noodzakelijk te bepalen wat het verschil is in 2020 tussen de door de fabrikant voor de WLTP-typegoedkeuring gedeclareerde CO2-emissiewaarden en de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151 gemeten emissies. Daarom moet van fabrikanten worden vereist dat zij de WLTP-CO2-waarden voor alle in het kalenderjaar 2020 geregistreerde nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen berekenen en aan de Commissie rapporteren, waarbij zij de meetwaarden voor voertuig H en voertuig L als input voor de interpolatiemethode gebruiken.

(5)

Voor een beperkt aantal interpolatiefamilies zullen in 2020 alleen de meetwaarden voor voertuig H beschikbaar zijn. Het aantal van deze families moet nauwlettend worden gecontroleerd en de Commissie moet overwegen deze families buiten beschouwing te laten bij de berekening van de referentiegegevens van 2020 indien er een aanzienlijke toename is van het aantal families ten opzichte van de situatie in 2018.

(6)

De transparantie bij de emissietesten moet worden verbeterd en gegevens over de WLTP-testen en over de correlatieresultaten moeten dan ook ter beschikking worden gesteld van de Commissie. Dit zal de Commissie in staat stellen problemen en mogelijke inconsistenties in verband met de uitvoering van de procedures snel te identificeren en aan te pakken. Daarom moet de inputgegevensmatrix voor elke WLTP-test worden aangevuld en in haar geheel worden toegezonden aan de Commissie in het kader van de uitwisseling van gegevens van de correlatietool. Om de vertrouwelijkheid te waarborgen, moet het inputgegevensbestand worden versleuteld met het oog op zijn verzending.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité klimaatverandering,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het volgende artikel 6 bis wordt toegevoegd:

„Artikel 6 bis

Rapporteren van de WLTP-meetresultaten

1.   Fabrikanten berekenen de gecombineerde CO2-waarde voor elk nieuw licht bedrijfsvoertuig dat in 2020 wordt geregistreerd volgens de formule die is vastgelegd in bijlage XXI, subbijlage 7, punt 3.2.3.2.4, tweede alinea, bij Verordening (EU) 2017/1151, waarbij MCO2-H en MCO2-L voor de desbetreffende interpolatiefamilie worden vervangen door de waarden MCO2,C,5 overgenomen uit de punten 2.5.1.1.3 (voertuig H) en 2.5.1.2.3 van het EG-typegoedkeuringscertificaat zoals aangeduid in het model vastgelegd in bijlage I, aanhangsel 4, bij Verordening (EU) 2017/1151.

Wanneer de gecombineerde CO2-emissies van het individuele voertuig enkel worden bepaald door verwijzing naar voertuig H, verstrekken de fabrikanten de MCO2,C,5-waarde uit punt 2.5.1.1.3 (voertuig H) van het EG-typegoedkeuringscertificaat.

De fabrikant dient deze CO2-emissiewaarden, samen met de voor de berekening gebruikte MCO2,C,5-waarden uiterlijk drie maanden na ontvangst van de kennisgeving door de Commissie van de voorlopige gegevens voor 2020 bij de Commissie in door die gegevens te uploaden naar de account van de fabrikant in het Business Data Repository van het Europees Milieuagentschap.

2.   Wanneer de in lid 1 bedoelde gegevens niet binnen de vastgestelde termijn zijn ingediend, neemt de Commissie de in punt 2.5.1.2.3 van het EG-typegoedkeuringscertificaat geregistreerde waarde in aanmerking en beschouwt zij voor de toepassing van lid 1 die waarde als de gecombineerde CO2-emissies voor alle nieuw geregistreerde voertuigen in de interpolatiefamilie waarvoor het typegoedkeuringscertificaat werd afgegeven, en, indien van toepassing, voor families waarvoor alleen metingen voor voertuig H beschikbaar zijn”.

2.

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende punten 2.2 bis en 2.2 ter worden ingevoegd:

„2.2 bis.   WLTP-testomstandigheden

Om de WLTP-test overeenkomstig bijlage I, punt 2.2, bij deze verordening als relevant te kunnen beschouwen en voor het bepalen van de in punt 2.4 bedoelde inputgegevens moeten de in bijlage XXI bij Verordening (EG) 2017/1151 vastgestelde testomstandigheden worden toegepast, met de volgende preciseringen:

a)

De correctie van de WLTP-testresultaten voor CO2-massa-emissies overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151 is van toepassing op alle dergelijke testresultaten ongeacht het bepaalde in punt 3.4.4, onder a), van dat aanhangsel;

b)

Indien het voertuig is uitgerust met technologieën die van invloed zijn op zijn prestaties op het gebied van de CO2-emissie, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, technologieën die zijn bedoeld in de punten 42 tot en met 50 van de in punt 2.4 vermelde inputgegevensmatrix, en die bedoeld zijn om tijdens de test te functioneren, moeten deze technologieën onverminderd de voorschriften van Verordening (EU) 2017/1151 in werking worden gesteld tijdens de test van het voertuig, ongeacht de toegepaste testprocedure (d.w.z. NEDC of WLTP);

c)

Indien het voertuig is uitgerust met een automatische versnellingsbak, wordt dezelfde door de bestuurder selecteerbare modus gebruikt, ongeacht de toegepaste testprocedure. Wanneer de gunstigste en de ongunstigste modus worden gebruikt voor de WLTP-test overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 8, aanhangsel 6, punt 1.2, onder c), bij Verordening (EU) 2017/1151, moet de ongunstigste modus worden gebruikt als input voor de correlatietool alsmede voor iedere fysieke NEDC-test;

d)

Indien het voertuig is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak moet nmin_drive_set worden bepaald aan de hand van de formule in bijlage XXI, subbijlage 2, punt 2, onder k), 3), bij Verordening (EU) 2017/1151.

Met de goedkeuring van de goedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de technische dienst kan de fabrikant de schakelpunten op verschillende wijze berekenen, mits dit is gerechtvaardigd in het licht van de bestuurbaarheid van het voertuig en de extra vermogensveiligheidsmarge toegepast overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 2, punt 3.4, bij Verordening (EU) 2017/1151 niet meer dan 20 % bedraagt.

De in de punten a) tot en met d), bedoelde testomstandigheden zijn van toepassing voor de uit hoofde van deze verordening verrichte correlatie en doen geen afbreuk aan de bepalingen van Verordening (EU) 2017/1151 en aan de overeenkomstig die verordening verleende typegoedkeuringen.

2.2 ter.   Toepasselijkheid van de WLTP-testomstandigheden

De in punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), bedoelde preciseringen gelden in overeenstemming met het volgende:

a)

Voor nieuwe voertuigtypen, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

b)

Voor bestaande voertuigtypen verstrekken fabrikanten, met betrekking tot de voertuigtypen waaronder in 2020 op de markt gebrachte voertuigen vallen, aan de goedkeuringsinstantie bewijsmateriaal op grond waarvan de goedkeuringsinstantie bevestigt of de in punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), vermelde testomstandigheden in acht werden genomen bij de WLTP-goedkeuringstesten.

Bij die bevestiging worden het identificatiekenmerk van de interpolatiefamilie en de bevestiging met betrekking tot elk van de onder a) tot en met d), bedoelde voorwaarden vermeld. De goedkeuringsinstantie verstrekt de bevestiging aan de fabrikant en zorgt ervoor dat deze wordt opgeslagen en onverwijld ter beschikking kan worden gesteld op verzoek van de Commissie.

Wanneer de goedkeuringsinstantie niet kan bevestigen dat één of meer van de vermelde testomstandigheden in acht werd genomen, zorgt de fabrikant ervoor dat een nieuwe WLTP-test of, indien van toepassing, nieuwe testreeksen overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 6, bij Verordening (EU) 2017/1151 worden uitgevoerd onder toezicht van een goedkeuringsinstantie of, waar van toepassing, een technische dienst, waarbij de in punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), vastgestelde testomstandigheden voor de desbetreffende interpolatiefamilie worden toegepast, met inbegrip van een nieuwe correlatie overeenkomstig deze verordening.

Wanneer enkel de in punt 2.2 bis, onder a), bedoelde testomstandigheid niet in acht werd genomen, kan de fabrikant deze waarde in de invoermatrix corrigeren zonder dat een nieuwe WLTP-test vereist is.

De goedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de aangewezen technische dienst slaat de resultaten van de nieuwe testen of de correctie en de correlatie overeenkomstig bijlage I, punt 5, op, en het volledige correlatiebestand op basis van de inputgegevens van de nieuwe testen wordt uiterlijk op 30 april 2021 bij de Commissie ingediend in overeenstemming met punt 3.1.1.2”.

b)

Punt 2.4 wordt als volgt gewijzigd:

i)

Aan de eerste alinea wordt de volgende zin toegevoegd:

„De inputgegevensmatrix wordt ingevuld voor elke WLTP-test.”

ii)

Tabel 1 wordt als volgt gewijzigd:

bij nummer 56 wordt de tekst in de kolom „Opmerkingen” vervangen door:

„Array: OBD- en rollenbankgegevens, 1 Hz voor OBD en 10 Hz voor de rollenbank, resolutie 0,1 km/h”

bij nummer 57 wordt de tekst in de kolom „Opmerkingen” vervangen door:

„Array: 1 Hz. Theoretisch berekend schakelen moet worden verstrekt voor voertuig H en voertuig L (indien van toepassing)”

bij nummer 61 wordt de tekst in de kolom „Opmerkingen” vervangen door:

„Array: 1 Hz (bemonsteringsfrequentie van het instrument 20 Hz), resolutie 0,1A, externe meetvoorziening die is gesynchroniseerd met de rollenbank”

nummer 67 wordt vervangen door:

„67

Regeneratiefactor Ki multiplicatief/additief voor voertuig H en voertuig L

Bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 1, bij Verordening (EU) 2017/1151

Voor voertuigen zonder periodiek regenererende systemen is deze waarde 1.”

de volgende nieuwe nummers worden toegevoegd:

„69

Verwarmingswaarde brandstof

kWh/l

Bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151

Waarde volgens tabel A6.App2/1 in Verordening (EU) 2017/1151

70

Brandstofverbruik bij de WLTP-test voor voertuig H en voertuig L

l/100 km

Bijlage XXI, subbijlage 7, punt 6, bij Verordening (EU) 2017/1151

Niet-gebalanceerd brandstofverbruik van de test van type 1

71

Nominale spanning van het REESS

V

Volgens DIN EN 60050-482

Voor laagspanningsbatterij als beschreven in bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151

72

ATCT-familiecorrectiefactor

Bijlage XXI, subbijlage 6a, bij Verordening (EU) 2017/1151

ATCT-familiecorrectiefactor (correctie 14 °C)

73

Correctie van de snelheid en afstand van de WLTP-test

Verordening (EU) 2017/1151

Correctie verricht?

0 = nee | 1 = ja

74

RCB-correctie van de WLTP-test

Bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151

Correctie verricht?

0 = nee | 1 = ja

75

Nummer van de WLTP-test

1, 2 of 3

 

Aangeven of de testgegevens uit de eerste, tweede of derde WLTP-test worden genomen

76

Voor WLTP gedeclareerde waarde voor voertuig H en/of L

g/km

Verklaring fabrikant

Voor WLTP gedeclareerde waarde voor voertuig H en L. De waarde moet alle correcties omvatten (indien van toepassing)

77

Voor WLTP gedeclareerde CO2-meting gecorrigeerd voor voertuig L en/of H

g/km

MCO2,C,5-waarden uit bijlage I, aanhangsel 4, bij Verordening (EU) 2017/1151

Gecombineerde gemeten CO2-emissies voor voertuig H en L na toepassing van alle correcties. In het geval van 2 en 3 WLTP-testen worden alle gemeten resultaten verstrekt.

78

Herhaling WLTP-test

Bijlage I, Punt 2.2 ter, onder b)

Aangeven voor welke testomstandigheden als bedoeld in bijlage I, punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), opnieuw moet worden getest

c)

Punt 3.1.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt geschrapt;

ii)

onder c) wordt punt iii) vervangen door:

„iii)

de inputgegevens zoals vermeld in punt 2.4”;

iii)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„De schriftelijke samenvatting als bedoeld in punt c) wordt versleuteld om de vertrouwelijkheid te waarborgen.”

d)

punt 3.1.1.2 wordt vervangen door:

„3.1.1.2.   Volledig correlatiebestand

Indien het oorspronkelijke correlatieoutputverslag is afgegeven overeenkomstig punt 3.1.1.1, uploadt de typegoedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de aangewezen technische dienst de in punt 3.1.1.1, onder c), bedoelde schriftelijke samenvatting op een server van de Europese Commissie, waarvan een antwoord naar de afzender wordt gestuurd (met de betrokken diensten van de Commissie in kopie), dat een willekeurig gegenereerd geheel getal tussen 0 en 99 bevat, een hashcode van de schriftelijke samenvatting die dat getal ondubbelzinnig verbindt met het oorspronkelijke outputverslag dat digitaal is ondertekend door de server van de Europese Commissie.

Er wordt een volledig correlatiebestand opgesteld door de typegoedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de aangewezen technische dienst, dat het in punt 3.1.1.1 bedoelde oorspronkelijke correlatieoutputverslag en het antwoord van de server van de Europese Commissie bevat. Het bestand wordt door de typegoedkeuringsinstantie bijgehouden als testrapport overeenkomstig bijlage VIII bij Richtlijn 2007/46/EG.”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, lid 2, punten c) en d), zijn van toepassing vanaf 1 februari 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 december 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152 van de Commissie van 2 juni 2017 tot vaststelling van een methode voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om de veranderingen in de regelgevende testprocedure weer te geven, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 293/2012 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 644).

(3)  Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/58


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/2043 VAN DE COMMISSIE

van 18 december 2018

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 om de WLTP-testomstandigheden te verduidelijken en te voorzien in controle van de typegoedkeuringsgegevens

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 13, lid 7, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om rekening te houden met het verschil tussen het niveau van de CO2-emissies die zijn gemeten volgens de New European Test Cycle (nieuwe Europese rijcyclus, NEDC) en de emissies die zijn gemeten volgens de Worldwide Harmonised Light Vehicles Test Procedure (wereldwijd geharmoniseerde testprocedure voor lichte voertuigen, WLTP) is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 van de Commissie (2) een methode vastgesteld voor het correleren van de CO2-emissiewaarden met betrekking tot personenauto's.

(2)

De correlatiemethode moet resultaten opleveren die waarborgen dat de in Verordening (EG) nr. 443/2009 vastgestelde reductievereisten even streng zijn onder de oude en de nieuwe testprocedures. De goedkeuringsinstanties en technische diensten moeten er derhalve samen met de fabrikanten naar streven dat de WLTP- en NEDC-testen die voor de toepassing van deze verordening worden uitgevoerd, plaatsvinden onder testomstandigheden die vergelijkbaar en in overeenstemming zijn met de doelstelling van deze verordening.

(3)

Daartoe is het noodzakelijk bepaalde aspecten van de WLTP-testomstandigheden die van toepassing moeten zijn op de uitgevoerde correlaties te verduidelijken met het oog op het verstrekken van volgens NEDC en WLTP gemeten gegevens betreffende CO2-emissies voor in 2020 nieuw geregistreerde voertuigen. Deze verduidelijkingen moeten worden toegepast onverminderd de in Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (3) vastgestelde procedure en vereisten en zonder afbreuk te doen aan de geldigheid van typegoedkeuringen die op die grond zijn verleend.

(4)

Het is tevens noodzakelijk te bepalen wat het verschil is in 2020 tussen de door de fabrikant voor de typegoedkeuring gedeclareerde CO2-emissiewaarden en de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151 gemeten emissies. Daarom moet van fabrikanten worden vereist dat zij de WLTP-CO2-emissiewaarden voor alle in het kalenderjaar 2020 geregistreerde nieuwe personenauto's berekenen en aan de Commissie rapporteren, waarbij zij de meetwaarden voor voertuig H en voertuig L als input voor de interpolatiemethode gebruiken.

(5)

Voor een beperkt aantal interpolatiefamilies zullen in 2020 alleen de meetwaarden voor voertuig H beschikbaar zijn. Het aantal van deze families moet nauwlettend worden gecontroleerd en de Commissie moet overwegen deze families buiten beschouwing te laten bij de berekening van de referentiegegevens van 2020 indien er een aanzienlijke toename is van het aantal families ten opzichte van de situatie in 2018.

(6)

De transparantie bij de emissietesten moet worden verbeterd en gegevens over de WLTP-testen en over de correlatieresultaten moeten dan ook ter beschikking worden gesteld van de Commissie. Dit zal de Commissie in staat stellen problemen en mogelijke inconsistenties in verband met de uitvoering van de procedures snel te identificeren en aan te pakken. Daarom moet de inputgegevensmatrix voor elke WLTP-test worden aangevuld en in haar geheel worden toegezonden aan de Commissie in het kader van de uitwisseling van gegevens van de correlatietool. Om de vertrouwelijkheid te waarborgen, moet het inputgegevensbestand worden versleuteld met het oog op de verzending.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité klimaatverandering,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Het volgende artikel 7 bis wordt toegevoegd:

„Artikel 7 bis

Rapporteren van de WLTP-meetresultaten

1.   Fabrikanten berekenen de gecombineerde CO2-waarde voor elke nieuwe personenauto die in 2020 wordt geregistreerd volgens de formule die is vastgelegd in bijlage XXI, subbijlage 7, punt 3.2.3.2.4, tweede alinea, bij Verordening (EU) 2017/1151, waarbij MCO2-H en MCO2-L voor de desbetreffende interpolatiefamilie worden vervangen door de waarden MCO2,C,5 overgenomen uit de punten 2.5.1.1.3 (voertuig H) en 2.5.1.2.3. (voertuig L) van het EG-typegoedkeuringscertificaat zoals aangegeven in het model in bijlage I, aanhangsel 4, bij Verordening (EU) 2017/1151.

Wanneer de gecombineerde CO2-emissies van het individuele voertuig enkel worden bepaald door verwijzing naar voertuig H, verstrekken de fabrikanten de MCO2,C,5-waarde uit punt 2.5.1.1.3 (voertuig H) van het EG-typegoedkeuringscertificaat.

De fabrikanten dienen deze CO2-emissiewaarden samen met de voor de berekening gebruikte MCO2,C,5-waarden bij de Commissie in, uiterlijk drie maanden nadat zij de voorlopige gegevens voor 2020 van de Commissie hebben ontvangen, door die gegevens te uploaden naar de account van de fabrikant in het Business Data Repository van het Europees Milieuagentschap.

2.   Wanneer de in lid 1 bedoelde gegevens niet binnen de vastgestelde termijn zijn ingediend, neemt de Commissie de in punt 2.5.1.2.3 van het EG-typegoedkeuringscertificaat geregistreerde waarde in aanmerking en beschouwt zij voor de toepassing van lid 1 die waarde als de gecombineerde CO2-emissies voor alle nieuw geregistreerde voertuigen in de interpolatiefamilie waarvoor het typegoedkeuringscertificaat werd afgegeven, en, indien van toepassing, de in punt 2.5.1.1.3 vermelde waarde voor families waarvoor alleen metingen voor voertuig H beschikbaar zijn.

3.   De Commissie houdt toezicht op het aantal interpolatiefamilies waarvoor de CO2-emissies enkel worden bepaald door verwijzing naar voertuig H voor elke fabrikant, en beoordeelt, in het geval van een toename van het aantal families ten opzichte van de situatie in 2018, het effect van die verhoging op de in lid 1 bedoelde berekening en sluit, in voorkomend geval, die families van deze berekening uit.”

2.

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende punten 2.2 bis en 2.2 ter worden ingevoegd:

„2.2 bis.   WLTP-testomstandigheden

Om de WLTP-test overeenkomstig punt 2.2 als relevant te kunnen beschouwen en voor het bepalen van de in punt 2.4 bedoelde inputgegevens moeten de in bijlage XXI bij Verordening (EG) 2017/1151 vastgestelde testomstandigheden worden toegepast, met de volgende preciseringen:

a)

De correctie van de WLTP-testresultaten voor CO2-massa-emissies overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151 is van toepassing op alle dergelijke testresultaten ongeacht het bepaalde in punt 3.4.4, onder a), van dat aanhangsel;

b)

Indien het voertuig is uitgerust met technologieën die van invloed zijn op zijn prestaties op het gebied van de CO2-emissie, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, technologieën die zijn bedoeld in de punten 42 tot en met 50 van de in punt 2.4 vermelde inputgegevensmatrix, en die bedoeld zijn om tijdens de test te functioneren, moeten deze technologieën onverminderd de voorschriften van Verordening (EU) 2017/1151 in werking worden gesteld tijdens de test van het voertuig, ongeacht de toegepaste testprocedure (d.w.z. NEDC of WLTP);

c)

Indien het voertuig is uitgerust met een automatische versnellingsbak, wordt dezelfde door de bestuurder selecteerbare modus gebruikt, ongeacht de toegepaste testprocedure. Wanneer de gunstigste en de ongunstigste modus worden gebruikt voor de WLTP-testen overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 8, aanhangsel 6, punt 1.2, onder c), bij Verordening (EU) 2017/1151, moet de ongunstigste modus worden gebruikt als input voor de correlatietool alsmede voor iedere fysieke NEDC-test;

d)

Indien het voertuig is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak moet nmin_drive_set worden bepaald aan de hand van de formule in bijlage XXI, subbijlage 2, punt 2, onder k), 3), bij Verordening (EU) 2017/1151.

Met de goedkeuring van de goedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de technische dienst kan de fabrikant de schakelpunten op verschillende wijze berekenen, mits dit is gerechtvaardigd in het licht van de bestuurbaarheid van het voertuig en de extra vermogensveiligheidsmarge toegepast overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 2, punt 3.4, bij Verordening (EU) 2017/1151 niet meer dan 20 % bedraagt.

De in de punten a) tot en met d), bedoelde testomstandigheden zijn van toepassing voor de uit hoofde van deze verordening verrichte correlatie en doen geen afbreuk aan de bepalingen van Verordening (EU) 2017/1151 en aan de overeenkomstig die verordening verleende typegoedkeuringen.

2.2 ter.   Toepasselijkheid van de WLTP-testomstandigheden

De in punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), bedoelde preciseringen gelden in overeenstemming met het volgende:

a)

Voor nieuwe voertuigtypen, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

b)

Voor bestaande voertuigtypen verstrekken fabrikanten, met betrekking tot de voertuigtypen waaronder in 2020 op de markt gebrachte voertuigen vallen, aan de goedkeuringsinstantie bewijsmateriaal op grond waarvan de goedkeuringsinstantie bevestigt of de in punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), vermelde testomstandigheden in acht werden genomen bij de WLTP-goedkeuringstesten.

Bij die bevestiging worden het identificatiekenmerk van de interpolatiefamilie en de bevestiging met betrekking tot elk van de onder a) tot en met d), bedoelde voorwaarden vermeld. De goedkeuringsinstantie verstrekt de bevestiging aan de fabrikant en zorgt ervoor dat deze wordt opgeslagen en onverwijld ter beschikking kan worden gesteld op verzoek van de Commissie.

Wanneer de goedkeuringsinstantie niet kan bevestigen dat één of meer van de vermelde testomstandigheden in acht werd genomen, zorgt de fabrikant ervoor dat een nieuwe WLTP-test of, indien van toepassing, nieuwe testreeksen overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 6, bij Verordening (EU) 2017/1151 worden uitgevoerd onder toezicht van een goedkeuringsinstantie of, waar van toepassing, een technische dienst, waarbij de in punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), vastgestelde testomstandigheden voor de desbetreffende interpolatiefamilie worden toegepast, met inbegrip van een nieuwe correlatie overeenkomstig deze verordening.

Wanneer enkel de in punt 2.2 bis, onder a), bedoelde testomstandigheid niet in acht werd genomen, kan de fabrikant deze waarde in de invoermatrix corrigeren zonder dat een nieuwe WLTP-test vereist is.

De goedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de aangewezen technische dienst slaat de resultaten van de nieuwe testen of de correctie en de correlatie overeenkomstig bijlage I, punt 5, op, en het volledige correlatiebestand op basis van de inputgegevens van de nieuwe testen wordt uiterlijk op 30 april 2021 bij de Commissie ingediend in overeenstemming met punt 3.1.1.2.”

b)

Punt 2.4 wordt als volgt gewijzigd:

i)

Aan de eerste alinea wordt de volgende zin toegevoegd:

„De inputgegevensmatrix wordt ingevuld voor elke WLTP-test.”

ii)

Tabel 1 wordt als volgt gewijzigd:

bij nummer 56 wordt de tekst in de kolom „Opmerkingen” vervangen door:

„Array: OBD- en rollenbankgegevens, 1 Hz voor OBD en 10 Hz voor de rollenbank, resolutie 0,1 km/h”

bij nummer 57 wordt de tekst in de kolom „Opmerkingen” vervangen door:

„Array: 1 Hz. Theoretisch berekend schakelen moet worden verstrekt voor voertuig H en voertuig L (indien van toepassing)”

bij nummer 61 wordt de tekst in de kolom „Opmerkingen” vervangen door:

„Array: 1 Hz (bemonsteringsfrequentie van het instrument 20 Hz), resolutie 0,1A, externe meetvoorziening die is gesynchroniseerd met de rollenbank”

nummer 67 wordt vervangen door:

„67

Regeneratiefactor Ki multiplicatief/additief voor voertuig H en voertuig L

Bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 1, bij Verordening (EU) 2017/1151

Voor voertuigen zonder periodiek regenererende systemen is deze waarde 1.”

de volgende nieuwe nummers worden toegevoegd:

„69

Verwarmingswaarde brandstof

kWh/l

Bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151

Waarde volgens tabel A6.App2/1 in Verordening (EU) 2017/1151

70

Brandstofverbruik bij de WLTP-test voor voertuig H en voertuig L

l/100 km

Bijlage XXI, subbijlage 7, punt 6, bij Verordening (EU) 2017/1151

Niet-gebalanceerd brandstofverbruik van de test van type 1

71

Nominale spanning van het REESS

V

Volgens DIN EN 60050-482

Voor laagspanningsbatterij als beschreven in bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151

72

ATCT-familiecorrectiefactor

Bijlage XXI, subbijlage 6a, bij Verordening (EU) 2017/1151

ATCT-familiecorrectiefactor (correctie 14 °C)

73

Correctie van de snelheid en afstand van de WLTP-test

Verordening (EU) 2017/1151

Correctie verricht?

0 = nee | 1 = ja

74

RCB-correctie van de WLTP-test

Bijlage XXI, subbijlage 6, aanhangsel 2, bij Verordening (EU) 2017/1151

Correctie verricht?

0 = nee | 1 = ja

75

Nummer van de WLTP-testen

1, 2 of 3

 

Aangeven of de testgegevens uit de eerste, tweede of derde WLTP-test worden genomen

76

Voor WLTP gedeclareerde CO2-waarde voor voertuig H en/of L

g/km

Verklaring fabrikant

Voor WLTP gedeclareerde waarde voor voertuig H en L. De waarde moet alle correcties omvatten (indien van toepassing)

77

Voor WLTP gedeclareerde CO2-meting gecorrigeerd voor voertuig L en/of H

g/km

MCO2,C,5-waarden uit bijlage I, aanhangsel 4, bij Verordening (EU) 2017/1151

Gecombineerde gemeten CO2-emissies voor voertuig H en L na toepassing van alle correcties. In het geval van 2 en 3 WLTP-testen worden alle gemeten resultaten verstrekt.

78

Herhaling WLTP-test

Bijlage I, punt 2.2 ter, onder b)

Aangeven voor welke testomstandigheden als bedoeld in bijlage I, punt 2.2 bis, onder a) tot en met d), opnieuw moet worden getest

c)

Punt 3.1.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt geschrapt;

ii)

onder c) wordt punt iii) vervangen door:

„iii)

de inputgegevens zoals vermeld in punt 2.4”;

iii)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„De schriftelijke samenvatting als bedoeld in punt c) wordt versleuteld om de vertrouwelijkheid te waarborgen.”

d)

Punt 3.1.1.2 wordt vervangen door:

„3.1.1.2.   Volledig correlatiebestand

Indien het oorspronkelijke correlatieoutputverslag is afgegeven overeenkomstig punt 3.1.1.1, uploadt de typegoedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de aangewezen technische dienst de in punt 3.1.1.1, onder c), bedoelde schriftelijke samenvatting op een server van de Europese Commissie, waarvan een antwoord naar de afzender wordt gestuurd (met de betrokken diensten van de Commissie in kopie), dat een willekeurig gegenereerd geheel getal tussen 0 en 99 bevat, een hashcode van de schriftelijke samenvatting die dat getal ondubbelzinnig verbindt met het oorspronkelijke outputverslag dat digitaal is ondertekend door de server van de Europese Commissie.

Er wordt een volledig correlatiebestand opgesteld door de typegoedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de aangewezen technische dienst, dat het in punt 3.1.1.1 bedoelde oorspronkelijke correlatieoutputverslag en het antwoord van de server van de Europese Commissie bevat. Het bestand wordt door de typegoedkeuringsinstantie bijgehouden als testrapport overeenkomstig bijlage VIII bij Richtlijn 2007/46/EG.”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, lid 2, punten c) en d), zijn van toepassing vanaf 1 februari 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 december 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 van de Commissie van 2 juni 2017 tot vaststelling van een methode voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om de veranderingen in de regelgevende testprocedure weer te geven, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1014/2010 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 679).

(3)  Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/63


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/2044 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2018

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3 bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 90

Geslacht pluimvee van de soort Gallus domesticus, aanbiedingsvorm 65 %, bevroren

113,4

1

AR

0207 14 10

Delen zonder been, van pluimvee van de soort Gallus domesticus, bevroren

271,2

219,7

333,0

246,1

9

24

0

16

AR

BR

CL

TH

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

340,2

362,7

0

0

BR

CL

1602 32 11

Bereidingen van pluimvee van de soort Gallus domesticus, niet gekookt en niet gebakken

308,2

0

BR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).


BESLUITEN

21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/65


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/2045 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2018

tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × MON 810 (MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8239)

(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2007/701/EG van de Commissie (2) is een vergunning verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603 × MON 810 (hierna „mais NK603 × MON 810” genoemd). De vergunning heeft ook betrekking op het in de handel brengen van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais NK603 × MON 810, voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere mais, met uitzondering van de teelt.

(2)

Op 20 oktober 2016 heeft Monsanto Europe N.V./S.A. overeenkomstig de artikelen 11 en 23 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag bij de Commissie ingediend voor de verlenging van die vergunning.

(3)

Op 26 februari 2018 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies uitgebracht (3). De EFSA heeft geconcludeerd dat de aanvraag tot verlenging geen gegevens bevatte die wijzen op nieuwe gevaren, gewijzigde blootstelling of wetenschappelijke onzekerheden die tot een wijziging van de in 2005 door de EFSA goedgekeurde conclusies van de oorspronkelijke risicobeoordeling van mais NK603 × MON 810 zouden leiden (4).

(4)

De EFSA heeft in haar advies van 26 februari 2018 aandacht besteed aan alle vragen en bezorgdheden van de lidstaten in het kader van de raadpleging van de bevoegde nationale instanties overeenkomstig artikel 6, lid 4, en artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(5)

De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het door de aanvrager ingediende monitoringplan voor de milieueffecten, dat bestaat uit een algemeen toezichtsplan, aansluit bij het beoogde gebruik van de producten.

(6)

Gezien het bovenstaande moet de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais NK603 × MON 810, van diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais NK603 × MON 810, en van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais NK603 × MON 810, voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere mais, met uitzondering van de teelt, worden verlengd.

(7)

Aan mais NK603 × MON 810 is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie (5) een eenduidig identificatienummer toegekend in het kader van de oorspronkelijke vergunning voor mais NK603 × MON 810. Dat eenduidig identificatienummer moet verder worden gebruikt.

(8)

Op grond van het advies van de EFSA lijken voor de onder dit besluit vallende producten geen andere specifieke etiketteringsvoorschriften nodig te zijn dan die van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en die van artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad (6). Om er echter voor te zorgen dat producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais NK603 × MON 810, binnen de grenzen van de door dit besluit verleende vergunning worden gebruikt, moet op het etiket van die producten, met uitzondering van levensmiddelen, duidelijk worden vermeld dat zij niet voor de teelt zijn bedoeld.

(9)

Om verslag uit te brengen over de uitvoering en de resultaten van de in het monitoringplan voor de milieueffecten vermelde activiteiten moet de vergunninghouder jaarverslagen indienen, die worden gepresenteerd overeenkomstig de voorschriften inzake standaardrapportageformulieren van Beschikking 2009/770/EG van de Commissie (7).

(10)

Het advies van de EFSA rechtvaardigt niet dat het in de handel brengen en/of het gebruik en de behandeling van de levensmiddelen en diervoeders aan specifieke voorwaarden of beperkingen worden onderworpen, met inbegrip van eisen voor monitoring na het in de handel brengen bij gebruik voor menselijke en dierlijke consumptie.

(11)

Alle relevante informatie over het verlenen van de vergunning voor de producten moet worden opgenomen in het in artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

(12)

Krachtens artikel 9, lid 1, en artikel 15, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad (8) moeten de partijen bij het aan het Verdrag inzake biologische diversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid van dit besluit in kennis worden gesteld via het uitwisselingscentrum voor bioveiligheid.

(13)

Het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht. Deze uitvoeringshandeling werd nodig geacht en de voorzitter heeft haar voor verder beraad aan het comité van beroep voorgelegd. Het comité van beroep heeft geen advies uitgebracht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Genetisch gemodificeerd organisme en eenduidig identificatienummer

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 wordt aan de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) NK603 × MON 810, die geproduceerd wordt door kruisingen tussen mais die de events MONØØ6Ø3-6 en MON-ØØ81Ø-6 bevat, zoals gespecificeerd in punt b) van de bijlage bij dit besluit, het eenduidig identificatienummer MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6 toegewezen.

Artikel 2

Verlenging van de vergunning

De vergunning voor het in de handel brengen van de volgende producten wordt verlengd overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit:

a)

levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais NK603 × MON 810;

b)

diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais NK603 × MON 810;

c)

andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais NK603 × MON 810, voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere mais, met uitzondering van de teelt.

Artikel 3

Etikettering

1.   Voor de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme „mais”.

2.   De woorden „niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van de producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais NK603 × MON 810, met uitzondering van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten.

Artikel 4

Detectiemethode

Voor de detectie van mais NK603 × MON 810 wordt de in punt d) van de bijlage vermelde methode gebruikt.

Artikel 5

Monitoringplan voor de milieueffecten

1.   De vergunninghouder zorgt ervoor dat het in punt h) van de bijlage vermelde monitoringplan voor de milieueffecten wordt vastgesteld en uitgevoerd.

2.   De vergunninghouder dient jaarlijks een verslag over de uitvoering en de resultaten van het monitoringplan bij de Commissie in overeenkomstig het formulier in Beschikking 2009/770/EG.

Artikel 6

Communautair register

De informatie in de bijlage bij dit besluit wordt opgenomen in het in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

Artikel 7

Vergunninghouder

De vergunninghouder is Monsanto Company, Verenigde Staten van Amerika, vertegenwoordigd door Monsanto Europe SA/N.V., België.

Artikel 8

Geldigheid

Dit besluit is van toepassing gedurende een periode van tien jaar met ingang van de datum van kennisgeving.

Artikel 9

Adressaat

Dit besluit is gericht tot Monsanto Europe SA/N.V., Scheldelaan 460, 2040 Antwerpen, België.

Gedaan te Brussel, 19 december 2018.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  Beschikking 2007/701/EG van de Commissie van 24 oktober 2007 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais NK603Xmon 810 (MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 285 van 31.10.2007, blz. 37).

(3)  Scientific Opinion on assessment of genetically modified maize NK603 × MON 810 for renewal of authorisation under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-RX-007). EFSA Journal 2018;16(2):5163.

(4)  Opinion of the Scientific Panel on Genetically Modified Organisms on an application (Reference EFSA-GMO-UK-2004-01) for the placing on the market of glyphosate-tolerant and insect-resistant genetically modified maize NK603 × MON 810, for food and feed uses under Regulation (EC) No 1829/2003 from Monsanto. EFSA Journal (2005) 309, 1-22.

(5)  Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen (PB L 10 van 16.1.2004, blz. 5).

(6)  Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).

(7)  Beschikking 2009/770/EG van de Commissie van 13 oktober 2009 tot vaststelling van standaardrapportageformulieren voor de presentatie van de resultaten van monitoring van de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, als product of in producten en met het oog op het in de handel brengen, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 275 van 21.10.2009, blz. 9).

(8)  Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen (PB L 287 van 5.11.2003, blz. 1).


BIJLAGE

a)   Aanvrager en vergunninghouder:

Naam

:

Monsanto Company

Adres

:

800 N. Lindbergh Boulevard, St. Louis, Missouri 63167, Verenigde Staten van Amerika

Vertegenwoordigd door Monsanto Europe SA/N.V., Scheldelaan 460, Haven 627, 2040 Antwerpen, België.

b)   Benaming en specificatie van de producten:

1.

levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6;

2.

diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met mais MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6;

3.

andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6, voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere mais, met uitzondering van de teelt.

De genetisch gemodificeerde mais MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6 brengt het CP4 EPSPS-eiwit tot expressie, dat tolerantie oplevert voor het herbicide glyfosaat, en het Cry1Ab-eiwit, dat bescherming biedt tegen bepaalde schadelijke lepidoptera (Ostrinia nubilalis, Sesamia spp.).

c)   Etikettering:

1.

Voor de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme „mais”.

2.

De woorden „niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van de producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit mais MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6, met uitzondering van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten.

d)   Detectiemethode:

1.

Eventspecifieke real-time kwantitatieve PCR-gebaseerde methoden voor genetisch gemodificeerde mais MON-ØØ6Ø3-6 en mais MON-ØØ81Ø-6, gevalideerd op mais MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6.

2.

Gevalideerd door het bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 ingestelde EU-referentielaboratorium, gepubliceerd op http://gmo-crl.jrc.ec.europa.eu/StatusOfDossiers.aspx

3.

Referentiemateriaal: ERM®-BF413 (voor MON-ØØ81Ø-6) en ERM®-BF415 (voor MON-ØØ6Ø3-6), toegankelijk via het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) van de Europese Commissie op https://ec.europa.eu/jrc/en/reference-materials/catalogue/

e)   Eenduidig identificatienummer:

MON-ØØ6Ø3-6 × MON-ØØ81Ø-6

f)   Informatie die vereist is krachtens bijlage II bij het aan het Verdrag inzake biodiversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid:

[uitwisselingscentrum voor bioveiligheid, Record ID number: wordt bij kennisgeving bekendgemaakt in het register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders].

g)   Voorwaarden of beperkingen inzake het in de handel brengen, het gebruik of de behandeling van de producten:

Geen.

h)   Monitoringplan voor de milieueffecten:

Monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG.

[Link: plan bekendgemaakt in het register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders]

i)   Voorschriften voor monitoring na het in de handel brengen bij gebruik van het levensmiddel voor menselijke consumptie:

Geen.

Opmerking: het kan gebeuren dat de links naar documenten na verloop van tijd gewijzigd moeten worden. Dergelijke wijzigingen worden bekendgemaakt door het register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders bij te werken.


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/70


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/2046 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2018

tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 en genetisch gemodificeerde mais die twee, drie of vier van de afzonderlijke transformatiestappen MON 87427, MON 89034, 1507, MON 88017 en 59122 combineert, en tot intrekking van Besluit 2011/366/EU

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8238)

(Slechts de teksten in de Nederlandse en Franse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 november 2013 heeft Monsanto Europe SA/N.V. namens Monsanto Company bij de bevoegde nationale instantie van België en overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 (hierna „de aanvraag” genoemd). De aanvraag betrof ook het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt.

(2)

Daarnaast betrof de aanvraag het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met vijfentwintig subcombinaties van de afzonderlijke transformatiestappen van mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122. Voor twaalf van die subcombinaties is al een vergunning verleend: 1507 × 59122, waarvoor bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1110 van de Commissie een vergunning is verleend (2); MON 89034 × MON 88017, waarvoor bij Besluit 2011/366/EU van de Commissie een vergunning is verleend (3); MON 87427 × MON 89034, waarvoor bij Besluit (EU) 2018/2011 van de Commissie een vergunning is verleend (4); en MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122, MON 89034 × 1507 × MON 88017, MON 89034 × 1507 × 59122, MON 89034 × MON 88017 × 59122, 1507 × MON 88017 × 59122, MON 89034 × 1507, MON 89034 × 59122, 1507 × MON 88017, MON 88017 × 59122, waarvoor bij Uitvoeringsbesluit 2013/650/EU van de Commissie een vergunning is verleend (5).

(3)

Monsanto Europe SA/N.V., de vergunninghouder voor een van die twaalf subcombinaties — namelijk subcombinatie MON 89034 × MON 88017— waarvoor al een vergunning is verleend, heeft de Commissie verzocht Besluit 2011/366/EU in te trekken en dat besluit in het toepassingsgebied van het onderhavige besluit te integreren.

(4)

Dit besluit heeft betrekking op veertien subcombinaties: vier subcombinaties van vier transformatiestappen (MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017, MON 87427 × MON 89034 × 1507 × 59122, MON 87427 × MON 89034 × MON 88017 × 59122 en MON 87427 × 1507 × MON 88017 × 59122); zes subcombinaties van drie transformatiestappen (MON 87427 × MON 89034 × 1507, MON 87427 × MON 89034 × MON 88017, MON 87427 × MON 89034 × 59122, MON 87427 × 1507 × MON 88017, MON 87427 × 1507 × 59122 en MON 87427 × MON 88017 × 59122); en vier subcombinaties van twee transformatiestappen (MON 87427 × 1507, MON 87427 × MON 88017, MON 87427 × 59122 en MON 89034 × MON 88017).

(5)

Overeenkomstig artikel 5, lid 5, en artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 omvatte de aanvraag zowel gegevens en conclusies inzake de overeenkomstig de beginselen van bijlage II bij Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) uitgevoerde risicobeoordeling als de uit hoofde van de bijlagen III en IV bij die richtlijn vereiste informatie. De aanvraag omvatte eveneens een monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG.

(6)

Op 5 september 2017 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig advies uitgebracht (7). De EFSA kwam tot de conclusie dat de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 even veilig en voedzaam is als het niet genetisch gemodificeerde vergelijkingsmateriaal en als de geteste niet genetisch gemodificeerde referentievariëteiten binnen de reikwijdte van de aanvraag. Er zijn geen nieuwe veiligheidsproblemen voor de al eerder beoordeelde subcombinaties vastgesteld en daarom blijven de eerdere conclusies over die subcombinaties geldig. Wat de overige subcombinaties betreft, is de EFSA tot de conclusie gekomen dat ze naar verwachting even veilig zijn als de afzonderlijke transformatiestappen MON 87427, MON 89034, 1507, MON 88017 en 59122, de eerder beoordeelde subcombinaties en de in vijf transformatiestappen gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122.

(7)

De EFSA heeft in haar advies aandacht besteed aan de vragen en bezorgdheden die de lidstaten aan de orde hebben gesteld in het kader van de raadpleging van de bevoegde nationale instanties, zoals bedoeld in artikel 6, lid 4, en artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(8)

De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het door de aanvrager ingediende monitoringplan voor de milieueffecten, dat bestaat uit een algemeen toezichtsplan, aansloot bij het beoogde gebruik van de producten. Zoals aanbevolen door de EFSA, heeft de Commissie het monitoringplan echter herzien om er ook de onder dit besluit vallende subcombinaties in op te nemen.

(9)

Gezien het bovenstaande moet een vergunning worden verleend voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 en van de veertien in overweging 4 en de aanvraag vermelde subcombinaties.

(10)

Om redenen van vereenvoudiging moet Besluit 2011/366/EU worden ingetrokken.

(11)

Aan elk genetisch gemodificeerd organisme dat onder dit besluit valt, moet een eenduidig identificatienummer worden toegekend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie (8). Het bij Besluit 2011/366/EU toegekende eenduidige identificatienummer moet verder worden gebruikt.

(12)

Op grond van het advies van de EFSA lijken voor de onder dit besluit vallende producten geen andere specifieke etiketteringsvoorschriften nodig te zijn dan die van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en die van artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad (9). Om er echter voor te zorgen dat die producten binnen de grenzen van de door dit besluit verleende vergunning worden gebruikt, moet op het etiket van die producten, met uitzondering van levensmiddelen, duidelijk worden vermeld dat zij niet voor de teelt zijn bedoeld.

(13)

De vergunninghouder moet elk jaar een verslag indienen over de uitvoering en de resultaten van de activiteiten die in het plan voor monitoring van de milieueffecten zijn opgenomen. Die resultaten moeten worden gepresenteerd overeenkomstig de voorschriften inzake standaardrapportageformulieren van Beschikking 2009/770/EG van de Commissie (10).

(14)

Het advies van de EFSA rechtvaardigt niet het opleggen van specifieke voorwaarden of beperkingen voor het in de handel brengen en/of specifieke voorwaarden of beperkingen voor het gebruik en de behandeling, met inbegrip van voorschriften voor monitoring na het in de handel brengen betreffende de consumptie van de levensmiddelen en diervoeders, of specifieke voorwaarden voor de bescherming van bepaalde ecosystemen/het milieu en/of geografische gebieden, als bedoeld in artikel 6, lid 5, onder e), en artikel 18, lid 5, onder e), van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(15)

Alle relevante informatie over het verlenen van de vergunning voor de producten moet worden opgenomen in het in artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

(16)

Krachtens artikel 9, lid 1, en artikel 15, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad (11) moeten de partijen bij het aan het Verdrag inzake biologische diversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid van dit besluit in kennis worden gesteld via het uitwisselingscentrum voor bioveiligheid.

(17)

Het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht. Deze uitvoeringshandeling werd nodig geacht en de voorzitter heeft haar voor verder beraad aan het comité van beroep voorgelegd. Het comité van beroep heeft geen advies uitgebracht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Genetisch gemodificeerde organismen en eenduidige identificatienummers

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 worden aan genetisch gemodificeerde mais — zoals gespecificeerd in punt b) van de bijlage bij dit besluit — de volgende eenduidige identificatienummers toegewezen:

a)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122;

b)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017;

c)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 89034 × 1507 × 59122;

d)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 89034 × MON 88017 × 59122;

e)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × 1507 × MON 88017 × 59122;

f)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 89034 × 1507;

g)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-88Ø17-3 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 89034 × MON 88017;

h)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 89034 × 59122;

i)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × 1507 × MON 88017;

j)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × 1507 × 59122;

k)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 88017 × 59122;

l)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × 1507;

m)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × MON-88Ø17-3 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × MON 88017;

n)

het eenduidige identificatienummer MON-87427-7 × DAS-59122-7 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 87427 × 59122;

o)

het eenduidige identificatienummer MON-89Ø34-3 × MON-88Ø17-3 voor de genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.) MON 89034 × MON 88017.

Artikel 2

Verlenen van een vergunning

Overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit wordt voor de doeleinden van artikel 4, lid 2, en artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een vergunning verleend voor de volgende producten:

a)

levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de in artikel 1 bedoelde genetisch gemodificeerde mais;

b)

diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de in artikel 1 bedoelde genetisch gemodificeerde mais;

c)

producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de in artikel 1 bedoelde genetisch gemodificeerde mais, voor ander gebruik dan bedoeld onder a) en b) van dit artikel, met uitzondering van de teelt.

Artikel 3

Etikettering

1.   Voor de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme „mais”.

2.   De woorden „niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de in artikel 1 bedoelde genetisch gemodificeerde mais, met uitzondering van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten.

Artikel 4

Detectiemethode

Voor de detectie van de in artikel 1 bedoelde genetisch gemodificeerde mais wordt de in punt d) van de bijlage vermelde methode gebruikt.

Artikel 5

Monitoringplan voor de milieueffecten

1.   De vergunninghouder zorgt ervoor dat het in punt h) van de bijlage vermelde monitoringplan voor de milieueffecten wordt vastgesteld en uitgevoerd.

2.   De vergunninghouder dient jaarlijks een verslag over de uitvoering en de resultaten van het monitoringplan bij de Commissie in overeenkomstig Beschikking 2009/770/EG.

Artikel 6

Communautair register

De informatie in de bijlage bij dit besluit wordt opgenomen in het in artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

Artikel 7

Vergunninghouder

De vergunninghouder is Monsanto Company, Verenigde Staten van Amerika, vertegenwoordigd door Monsanto Europe SA/N.V., België.

Artikel 8

Intrekking

Besluit 2011/366/EU wordt ingetrokken.

Artikel 9

Geldigheid

Dit besluit is van toepassing gedurende een periode van tien jaar met ingang van de datum van kennisgeving.

Artikel 10

Adressaat

Dit besluit is gericht tot Monsanto Europe SA/N.V., Scheldelaan 460, 2040 Antwerpen, België.

Gedaan te Brussel, 19 december 2018.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1110 van de Commissie van 3 augustus 2018 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais 1507 × 59122 × MON 810 × NK603 en genetisch gemodificeerde mais die twee of drie van de afzonderlijke transformatiestappen 1507, 59122, MON 810 en NK603 combineert, en tot intrekking van Beschikking 2009/815/EG en de Besluiten 2010/428/EU en 2010/432/EU (PB L 203 van 10.8.2018, blz. 13).

(3)  Besluit 2011/366/EU van de Commissie van 17 juni 2011 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × MON 88017 (MON-89Ø34-3 x MON-88Ø17-3) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 163 van 23.6.2011, blz. 55).

(4)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1111 van de Commissie van 3 augustus 2018 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 87427 × MON 89034 × NK603 (MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-ØØ6Ø3-6) en genetisch gemodificeerde maisrassen die twee van de transformatiestappen MON 87427, MON 89034 en NK603 combineren, en tot intrekking van Besluit 2010/420/EU (PB L 203 van 10.8.2018, blz. 20).

(5)  Uitvoeringsbesluit 2013/650/EU van de Commissie van 6 november 2013 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde mais MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 (MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7), vier gerelateerde genetisch gemodificeerde maissoorten die drie afzonderlijke transformatiestappen combineren (MON 89034 × 1507 × MON 88017 (MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3), MON 89034 × 1507 × 59122 (MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × DAS-59122-7), MON 89034 × MON 88017 × 59122 (MON-89Ø34-3 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7), 1507 × MON 88017 × 59122 (DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7)) en vier gerelateerde genetisch gemodificeerde maissoorten die twee afzonderlijke transformatiestappen combineren (MON 89034 × 1507 (MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1), MON 89034 × 59122 (MON-89Ø34-3 × DAS-59122-7), 1507 × MON 88017 (DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3), MON 88017 × 59122 (MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7)) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 302 van 13.11.2013, blz. 47).

(6)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).

(7)  Ggo-panel van de EFSA (Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen), 2017. Scientific Opinion on application EFSA-GMO-BE-2013-118 for authorisation of genetically modified maize MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 and subcombinations independently of their origin, for food and feed uses, import and processing submitted under Regulation (EC) No 1829/2003 by Monsanto Company. EFSA Journal 2017;15(8):4921, 32 blz. https://doi.org/10.2903/j.efsa.2017.4921

(8)  Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen (PB L 10 van 16.1.2004, blz. 5).

(9)  Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).

(10)  Beschikking 2009/770/EG van de Commissie van 13 oktober 2009 tot vaststelling van standaardrapportageformulieren voor de presentatie van de resultaten van monitoring van de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, als product of in producten en met het oog op het in de handel brengen, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 275 van 21.10.2009, blz. 9).

(11)  Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen (PB L 287 van 5.11.2003, blz. 1).


BIJLAGE

a)   Aanvrager en vergunninghouder:

Naam

:

Monsanto Company

Adres

:

800 N. Lindbergh Boulevard, St. Louis, Missouri 63167, Verenigde Staten van Amerika

Vertegenwoordigd door Monsanto Europe SA/N.V., Scheldelaan 460, 2040 Antwerpen, België.

b)   Benaming en specificatie van de producten:

1.

levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de in punt e) bedoelde genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.);

2.

diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de in punt e) bedoelde genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.);

3.

producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de in punt e) bedoelde genetisch gemodificeerde mais (Zea mays L.), voor ander gebruik dan bedoeld in de punten 1) en 2), met uitzondering van de teelt.

Mais MON-87427-7 brengt het CP4 EPSPS-eiwit tot expressie, dat tolerantie geeft voor op glyfosaat gebaseerde herbiciden.

Mais MON-89Ø34-3 brengt de Cry1A.105- en Cry2Ab2-eiwitten tot expressie, die bescherming bieden tegen bepaalde schadelijke lepidoptera.

Mais DAS-Ø15Ø7-1 brengt het Cry1F-eiwit tot expressie, dat bescherming biedt tegen bepaalde schadelijke lepidoptera, alsook het PAT-eiwit, dat tolerantie geeft voor op glufosinaat-ammonium gebaseerde herbiciden.

Mais MON-88Ø17-3 brengt een gemodificeerd Cry3Bb1-eiwit tot expressie, dat bescherming biedt tegen bepaalde schadelijke coleoptera, alsook het CP4 EPSPS-eiwit, dat tolerantie geeft voor op glyfosaat gebaseerde herbiciden.

Mais DAS-59122-7 brengt de Cry34Ab1- en Cry35Ab1-eiwitten tot expressie, die bescherming bieden tegen bepaalde schadelijke coleoptera, alsook het PAT-eiwit, dat tolerantie geeft voor op glufosinaat-ammonium gebaseerde herbiciden.

c)   Etikettering:

1.

Voor de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme „mais”.

2.

De woorden „niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van de producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de in punt e) gespecificeerde mais, met uitzondering van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten.

d)   Detectiemethode:

1.

Voor de detectie van mais MON 87427 × MON 89034 × 1507 × MON 88017 × 59122 gelden de kwantitatieve modificatiespecifieke PCR-methoden die zijn gevalideerd voor de genetisch gemodificeerde maislijnen MON-87427-7, MON-89Ø34-3, DAS-Ø15Ø7-1, MON-88Ø17-3 en DAS-59122-7.

2.

Gevalideerd door het bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 ingestelde EU-referentielaboratorium, gepubliceerd op http://gmo-crl.jrc.ec.europa.eu/statusofdossiers.aspx;

3.

Referentiemateriaal: ERM®-BF418 (voor DAS-Ø15Ø7-1) en ERM®-BF424 (voor DAS-59122-7) zijn toegankelijk via het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Europese Commissie op https://ec.europa.eu/jrc/en/reference-materials/catalogue/ en AOCS 0512-A (voor MON-87427-7), AOCS 0906-E (voor MON-89Ø34-3) en AOCS 0406-D (voor MON-88Ø17-3) zijn toegankelijk via de American Oil Chemists Society op https://www.aocs.org/crm#maize.

e)   Eenduidige identificatienummers:

 

MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7;

 

MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3;

 

MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1 × DAS-59122-7;

 

MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7;

 

MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7;

 

MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-Ø15Ø7-1;

 

MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × MON-88Ø17-3;

 

MON-87427-7 × MON-89Ø34-3 × DAS-59122-7;

 

MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1 × MON-88Ø17-3;

 

MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1 × DAS-59122-7;

 

MON-87427-7 × MON-88Ø17-3 × DAS-59122-7;

 

MON-87427-7 × DAS-Ø15Ø7-1;

 

MON-87427-7 × MON-88Ø17-3;

 

MON-87427-7 × DAS-59122-7;

 

MON-89Ø34-3 × MON-88Ø17-3;

f)   Informatie die vereist is krachtens bijlage II bij het aan het Verdrag inzake biodiversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid:

[Uitwisselingscentrum voor bioveiligheid, Record ID number: wordt bij kennisgeving bekendgemaakt in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders].

g)   Voorwaarden of beperkingen inzake het in de handel brengen, het gebruik of de behandeling van de producten:

Geen.

h)   Monitoringplan voor de milieueffecten:

Monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG.

[Link: plan bekendgemaakt in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders]

i)   Voorschriften voor monitoring, na het in de handel brengen, van het gebruik van het levensmiddel voor menselijke consumptie:

Geen.

Opmerking: het kan gebeuren dat de links naar documenten na verloop van tijd gewijzigd moeten worden. Dergelijke wijzigingen worden bekendgemaakt door het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders bij te werken.


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/77


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/2047 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2018

betreffende de gelijkwaardigheid van het wettelijk en toezichtkader dat van toepassing is op effectenbeurzen in Zwitserland in overeenstemming met Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 25, lid 4, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (2) vereist dat beleggingsondernemingen ervoor zorgen dat de transacties die zij verrichten in aandelen die tot de handel op gereglementeerde markten zijn toegelaten of op handelsplatforms worden verhandeld, plaatsvinden op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten (MTF's) of beleggingsondernemingen met systematische interne afhandeling (MTF's) of handelsplatforms in derde landen die door de Commissie overeenkomstig artikel 25, lid 4, onder a), van Richtlijn 2014/65/EU als gelijkwaardig zijn beoordeeld.

(2)

Artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 is alleen van toepassing op een handelsverplichting met betrekking tot aandelen. De handelsverplichting omvat geen andere eigenvermogensinstrumenten, zoals certificaten van aandelen, beursverhandelde fondsen (exchange-traded funds, ETF's), certificaten en andere vergelijkbare financiële instrumenten.

(3)

De in artikel 25, lid 4, onder a), van Richtlijn 2014/65/EU vervatte gelijkwaardigheidsprocedure voor in derde landen gevestigde handelsplatforms heeft tot doel beleggingsondernemingen in staat te stellen aandelen die aan de handelsverplichting in de Unie onderworpen zijn, te verhandelen op als gelijkwaardig erkende handelsplatforms in derde landen. Op verzoek van de bevoegde autoriteit van een lidstaat moet de Commissie beoordelen of het wettelijk en toezichtkader van een derde land garandeert dat een handelsplatform waaraan in dat derde land vergunning is verleend, voldoet aan wettelijk bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten die voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3), uit titel III van Richtlijn 2014/65/EU, uit titel II van Verordening (EU) nr. 600/2014 en uit Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), en die in dat derde land aan effectief toezicht en effectieve handhaving zijn onderworpen. Dit moet worden gelezen in het licht van de doelstellingen van die handeling, met name haar bijdrage tot de instelling en de werking van de interne markt, de integriteit van de markt, de bescherming van investeerders en tot slot, maar daarom niet minder belangrijk, de financiële stabiliteit. Op 30 juli 2018 heeft de Duitse financiële toezichthouder gevraagd dat de Commissie haar beoordeling van het Zwitserse wettelijk en toezichtkader hernieuwt en een gelijkwaardigheidsbesluit voor de Zwitserse effectenbeurzen vaststelt.

(4)

In overeenstemming met artikel 25, lid 4, onder a), vierde alinea, van Richtlijn 2014/65/EU kan een wettelijk en toezichtkader van een derde land als gelijkwaardig worden beschouwd indien dat kader ten minste voldoet aan de volgende voorwaarden: a) de markten zijn voortdurend onderworpen aan vergunningverlening en aan effectief toezicht en effectieve handhaving; b) er zijn duidelijke en transparante regels inzake de toelating van effecten tot de handel vastgesteld, zodat deze effecten op een eerlijke, ordelijke en efficiënte wijze kunnen worden verhandeld en vrij verhandelbaar zijn; c) emittenten van effecten moeten onderworpen zijn aan periodieke en voortdurende informatievereisten die een hoog niveau van beleggersbescherming waarborgen, en d) markttransparantie en -integriteit moeten worden gewaarborgd door marktmisbruik in de vorm van handel met voorwetenschap en marktmanipulatie te voorkomen.

(5)

Deze gelijkwaardigheidsbeoordeling heeft onder meer tot doel na te gaan of de wettelijk bindende vereisten die in Zwitserland van toepassing zijn op effectenbeurzen die daar zijn gevestigd en vergunning hebben gekregen onder toezicht van de Zwitserse toezichthoudende autoriteit voor de financiële markten („FINMA”) gelijkwaardig zijn aan de vereisten die voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 596/2014, uit titel III van Richtlijn 2014/65/EU, uit titel II van Verordening (EU) nr. 600/2014 en uit Richtlijn 2004/109/EG, en of de effectenbeurzen onderworpen zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving in dat derde land.

(6)

Artikel 26, onder b), van de federale wet betreffende de infrastructuren van de financiële markten en het marktgedrag bij de handel in effecten en derivaten („Wet financiële marktinfrastructuur”, „FMIA”), definieert een effectenbeurs als een instelling voor multilaterale effectenhandel waar effecten genoteerd staan, die tot doel heeft de gelijktijdige uitwisseling van prijsopgaven tussen meerdere deelnemers en het sluiten van contracten op basis van niet-discretionaire regels. Een effectenbeurs geniet geen discretionaire bevoegdheid over de wijze waarop zij transacties uitvoert en mag niet voor eigen rekening handelen of aan matched principal trading deelnemen. Bovendien moet een effectenbeurs deelnemers onpartijdige en niet-discriminerende toegang tot haar markten en diensten aanbieden. Te dien einde is een effectenbeurs verplicht regels in werking te stellen die voorschrijven op welke wijze een effectenhandelaar of andere onder toezicht van FINMA staande partijen, alsmede buitenlandse deelnemers die daartoe door FINMA vergunning hebben verkregen, deelnemerschap kunnen aanvragen. Ingevolge artikel 27, lid 4, FMIA juncto artikel 25, lid 1, van de Ordonnantie betreffende de infrastructuren van de financiële markten en het marktgedrag bij de handel in effecten en derivaten („Ordonnantie financiële marktinfrastructuur”, „FMIO”) is FINMA belast met de evaluatie en goedkeuring van de regelgeving en de wijzigingen daarvan betreffende de toelating, taken en uitsluiting van deelnemers in verband met een effectenbeurs. Een effectenbeurs moet het lidmaatschap weigeren aan een deelnemer die geen vergunning heeft gekregen van FINMA en kan het lidmaatschap weigeren aan elke deelnemer die onderworpen is aan een wettelijke diskwalificatie.

(7)

De vier voorwaarden vervat in artikel 25, lid 4, onder a), vierde alinea, van Richtlijn 2014/65/EU moeten vervuld zijn om vast te stellen dat de wettelijke en toezichtregelingen van een derde land met betrekking tot de aldaar vergunninghoudende handelsplatforms gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 2014/65/EU.

(8)

Volgens de eerste voorwaarde moeten handelsplatforms in derde landen voortdurend onderworpen zijn aan vergunningverlening en effectief toezicht en effectieve handhaving.

(9)

Een effectenbeurs moet van FINMA een vergunning krijgen voordat deze operationeel kan worden. Ingevolge de artikelen 4 en 5 van de FMIA verleent FINMA vergunning als zij oordeelt dat aan de toepasselijke voorwaarden en vereisten ten aanzien van de aanvrager is voldaan. De vergunningsvereisten zijn vervat in de FMIA en de bijbehorende ordonnanties die van kracht zijn. De FMIA vereist dat een effectenbeurs regelingen in werking heeft gesteld om alle vormen van handelingen en activiteiten aan te pakken die een kandidaat wil verrichten. Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de FMIA moet een effectenbeurs onder toezicht van FINMA haar eigen regelgevende en toezichthoudende organisatie instellen die geschikt is voor haar activiteiten. Met goedkeuring van FINMA wordt de zelfregulering van de effectenbeurs bindend en afdwingbaar. Overeenkomstig artikel 27 van de FMIA juncto artikel 24, lid 1, van de FMIO vereist een geschikte regelgevende en toezichthoudende organisatie de oprichting van een orgaan dat regelgevende taken vervult, een toezichthoudend orgaan voor de handel, een orgaan dat verantwoordelijk is voor de toelating van effecten tot de handel en een beroepsinstantie. Deze organen moeten organisatorisch en met betrekking tot het personeel onafhankelijk zijn van de bedrijfsvoering van de effectenbeurs. In het kader van de zelfregulerende en toezichthoudende organisatie monitort en handhaaft het desbetreffende verantwoordelijke orgaan de naleving van de regels en voorschriften van de effectenbeurs door de deelnemers aan de effectenbeurs.

(10)

Verder vereist artikel 18 van de FMIA dat effectenbeurzen deelnemers en marktmakers niet-discriminerende en open toegang verlenen. FINMA zorgt er zowel tijdens het vergunningsproces als doorlopend voor dat de beursregels aan dit vereiste voldoen (zie de artikelen 3 tot en met 5 van het SSX-Reglement in samenhang met SSX-richtlijn 1 en de artikelen 3 tot en met 5 van het BX Swiss-Reglement). Het weigeren van toegang is alleen toegestaan om redenen van veiligheid en efficiëntie en onder voorbehoud van een strenge evenredigheidstoets (artikel 18 FMIA, artikel 17 FMIO). Aanvragers aan wie de toegang is ontzegd, kunnen in beroep gaan bij een onafhankelijke beroepscommissie (artikel 8 van het SSX-Reglement en artikel 15 van het BX Swiss-Reglement). De naleving door de beurzen van artikel 18 FMIA en artikel 17 FMIO is onderworpen aan het toezicht van FINMA. De vaststelling van regels en wijzigingen daarvan vereisen de voorafgaande goedkeuring van FINMA, de uitvoering ervan kan worden gecontroleerd door personeel van FINMA, audits, verzoeken om informatie of remediërende maatregelen ingevolge de artikelen 24 e. v. van de federale wet betreffende de Zwitserse toezichthoudende autoriteit voor de financiële markten („wet toezicht financiële markten”, „FINMASA”).

(11)

Wat effectief toezicht betreft, vormen de FINMASA, de federale wet inzake effectenbeurzen en effectenhandel („wet effectenbeurs”, „SESTA”) en de FMIA de belangrijkste primaire wetgeving die een wettelijk afdwingbare regeling voor de handel in effecten in Zwitserland invoert. De FINMASA, de SESTA en de FMIA verlenen FINMA ruime bevoegdheden voor alle aspecten van de effectenbranche, waaronder de bevoegdheid om effectenhandelaren, centrale tegenpartijen, centrale effectenbewaarinstellingen, transactieregisters en betalingssystemen vergunning te verlenen en er toezicht op te houden. De FMIA en de FMIO identificeren ook bepaalde soorten gedragingen op de markten en verbieden deze en verlenen FINMA disciplinaire bevoegdheden ten aanzien van gereglementeerde entiteiten en daarmee verbonden personen. Op grond van artikel 29 van de FINMASA heeft FINMA omvattende toegang tot alle relevante informatie van alle onder toezicht staande personen en entiteiten, hun auditkantoren en auditors. Volgens het Zwitserse kader zijn effectenbeurzen in de eerste plaats verantwoordelijk voor het vaststellen van de regels waaronder hun deelnemers activiteiten uitoefenen en voor de monitoring van de manieren waarop hun deelnemers activiteiten uitoefenen. FINMA monitort de voorschriften van de effectenbeurzen rechtstreeks om ervoor te zorgen dat deze in lijn zijn met het wettelijk kader. Alle voorschriften en wijzigingen daarvan moeten ter goedkeuring aan FINMA worden voorgelegd (artikel 27, lid 4, FMIA). De onderzoeken door FINMA worden op gang gebracht hetzij door meldingen van potentiële inbreuken op de wet die door effectenbeurzen aan FINMA worden gedaan, hetzij op basis van haar eigen vermoedens.

(12)

Zodra een effectenbeurs een vergunning heeft gekregen, monitort FINMA doorlopend of deze blijft voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de vergunning (artikel 83 FMIA). Een effectenbeurs is wettelijk verplicht om FINMA in kennis te stellen van alle wijzigingen in de omstandigheden waarop haar vergunning of goedkeuring oorspronkelijk gebaseerd was. Als de wijzigingen materieel zijn, moet de financiëlemarktinfrastructuur vooraf vergunning of goedkeuring krijgen van FINMA om haar activiteiten voort te zetten (artikel 7 FMIA). Belangrijkste vereisten zijn het voldoen aan organisatorische vereisten; het bestaan en de effectiviteit van het interne controlesysteem; de geschiktheid van IT-systemen, en goede bedrijfsvoering. Het toezicht van FINMA, met inbegrip van haar taken op het gebied van handelstoezicht en sanctionering, strekt zich uit tot alle organen van de effectenbeurs. Ingevolge artikel 24, artikel 24 bis van de FINMASA, kan FINMA rechtstreeks of onrechtstreeks via auditbedrijven met een licentie al dan niet ter plaatse audits uitvoeren. De artikelen 27, 30 en 34 van de FMIA vereisen ook dat alle effectenbeurzen met een vergunning de naleving door hun emittenten, deelnemers en met hun deelnemers verbonden personen kunnen handhaven van de bepalingen van de FMIA en FMIO, de bijbehorende wetten en voorschriften en hun eigen regels en voorschriften. In het kader van haar taak om de naleving door haar leden te handhaven, is de effectenbeurs verantwoordelijk voor het onderzoeken en disciplineren van alle inbreuken op de toepasselijke wetten en regels.

(13)

Wat de effectieve handhaving betreft, beschikt FINMA over een reeks administratieve mechanismen om haar bevoegdheden en autoriteit te handhaven. Indien inbreuken op de wet of onregelmatigheden worden vastgesteld, neemt FINMA de nodige corrigerende maatregelen, die administratieve handhavingsprocedures kunnen omvatten. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel legt FINMA de maatregelen op die zij het meest geschikt acht om naleving van de wet te waarborgen. Tot de beschikbare maatregelen behoren berispingen, specifieke instructies om de wet opnieuw te doen naleven, verbodsbepalingen voor personen in de uitoefening van hun beroep, verbodsbepalingen voor handelaars die zakendoen en intrekking van licenties. FINMA kan ook onrechtmatig gegenereerde winsten of onrechtmatig vermeden verliezen in beslag nemen en de publicatie van een definitieve en bindende uitspraak gelasten. Om ervoor te zorgen dat een effectenbeurs weer voldoet aan de toepasselijke bepalingen, kan FINMA haar administratieve bevoegdheden ook aanwenden voor het verwijderen van bestuursleden of personeelsleden ten aanzien van wie twijfel bestaat over de onberispelijkheid van hun zakelijk handelen. De eigen administratieve mechanismen van FINMA worden ondersteund door bepalingen inzake strafrechtelijke sancties in verband met de in hoofdstuk 4 van FINMASA beschreven strafbare feiten. Bepalingen inzake strafrechtelijke sancties zijn ook opgenomen in de artikelen 147 e. v. van de FMIA en de artikelen 42 bis en 43 van de SESTA. FINMA draagt deze zaken over aan de bevoegde vervolgingsautoriteiten. FINMA en de bevoegde vervolgingsautoriteit coördineren hun onderzoek, voor zover dit praktisch uitvoerbaar en noodzakelijk is. In het algemeen vervolgt en berecht de Federale Overheidsdienst Juridische Zaken van Financiën schendingen van de strafrechtelijke bepalingen van FINMASA en van de wetten inzake de financiële markten. Het federaal openbaar ministerie is echter bevoegd voor de vervolging van misdrijven inzake handel met voorkennis en prijsmanipulatie op grond van de FMIA.

(14)

Derhalve kan worden geconcludeerd dat Zwitserse effectenbeurzen voortdurend onderworpen zijn aan vergunningverlening en aan effectief toezicht en effectieve handhaving.

(15)

Volgens de tweede voorwaarde moeten handelsplatforms in derde landen over duidelijke en transparante regels beschikken voor de toelating van effecten tot de handel, zodat die effecten op een eerlijke, ordentelijke en efficiënte wijze kunnen worden verhandeld en vrij verhandelbaar zijn.

(16)

De Zwitserse wetgeving vereist dat effectenbeurzen voorschriften uitvaardigen inzake de toelating van effecten tot de handel (artikelen 35 en 36 FMIA). Deze voorschriften moeten door FINMA worden goedgekeurd. De voorschriften houden rekening met erkende internationale normen en bevatten met name bepalingen inzake de verhandelbaarheid van effecten; de publicatie van informatie waarop beleggers zich baseren om de kenmerken van effecten en de kwaliteit van de emittent te beoordelen; de taken van de emittent, zijn vertegenwoordigers en derden voor de hele duur van de notering of toelating van effecten tot de handel; de verplichting om, met betrekking tot de toelating van gewone aandelen, te voldoen aan de artikelen 7 en 81 van de federale wet van 16 december 2005 betreffende het verlenen van licenties aan en het toezicht op auditors. De toelating tot de handel van effecten en de notering, een gekwalificeerde vorm van een toelating tot de handel, van effecten op effectenbeurzen worden hoofdzakelijk geregeld door de noteringsregels en de aanvullende regels voor notering en toelating tot de handel. De effectenbeurs evalueert de door de emittent ingediende aanvraag voor elk effect en gaat na of alle relevante vereisten zijn vervuld. Voor elke aanvraag maakt de effectenbeurs een schriftelijk besluit bekend. De informatie over een toelatingsbesluit is publiek beschikbaar. Met de notering van een effect is de emittent onderworpen aan instandhoudingsverplichtingen met betrekking tot periodieke rapportageverplichtingen zoals bijvoorbeeld verplichtingen inzake financiële verslaggeving en corporate governance, maar ook op gebeurtenissen gebaseerde rapportageverplichtingen zoals regelmatige rapportageverplichtingen, openbaarmaking van managementtransacties en publiciteit ad hoc. Overeenkomstig artikel 35, lid 3, van de FMIA monitort de effectenbeurs de naleving van deze regels door de emittent en legt zij de contractueel overeengekomen sancties op bij schendingen. Volgens artikel 33, lid 1, van de FMIO garandeert een effectenbeurs dat alle tot de handel toegelaten effecten en alle genoteerde effecten op een eerlijke, efficiënte en ordelijke manier kunnen worden verhandeld. Wat gewone aandelen betreft, voorzien de noteringsregels in vereisten inzake vrije verhandelbaarheid om ervoor te zorgen dat dergelijke effecten efficiënt kunnen worden verhandeld. De onafhankelijke organen van de effectenbeurs kunnen de handel in effecten tijdelijk opschorten als ongewone omstandigheden, en met name de inbreuk op belangrijke openbaarmakingsverplichtingen door de emittent, erop wijzen dat een dergelijke opschorting raadzaam is. Zij kunnen de notering van effecten annuleren als er ernstige twijfel bestaat over de solvabiliteit van de emittent, of als er reeds een insolventie- of liquidatieprocedure is ingeleid. FINMA kan een effectenbeurs ook dwingen om de handel in een bepaald effect op te schorten door gebruik te maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 31 van de FINMASA om de bepalingen van de FMIA weer te doen naleven of tegen andere onregelmatigheden op te treden.

(17)

Het Zwitserse regelgevingskader omvat vereisten voor het verstrekken van informatie vóór de handel aan marktdeelnemers. Transparantie vóór de handel vindt haar rechtsgrondslag in artikel 29, lid 1, van de FMIA, dat bepaalt dat de effectenbeurs de vijf beste bied- en laatprijzen voor elk aandeel en andere effecten alsmede de omvang van de handelsposities tegen deze prijzen realtime publiceert. Hetzelfde geldt ook voor tot actie aanleiding gevende blijken van belangstelling (artikel 27, lid 3, van de FMIO). Er zijn vrijstellingen mogelijk voor referentieprijssystemen, systemen die alleen bestaan om reeds overeengekomen transacties te formaliseren, orders die in een faciliteit voor orderadministratie van de effectenbeurs worden gehouden in afwachting van openbaarmaking en orders die een grote omvang hebben in vergelijking met de normale marktomvang. Het Zwitserse regelgevingskader omvat ook vereisten voor het verstrekken van informatie na de handel. Transparantie na de handel vindt zijn grondslag in artikel 29, lid 2, van de FMIA, dat bepaalt dat de effectenbeurs onmiddellijk informatie publiceert over de transacties die op en buiten de beurs plaatsvinden voor alle tot de handel toegelaten effecten. Met name moeten de prijs, het volume en het tijdstip van de transacties worden bekendgemaakt. Voor transparantie na de handel gelden dezelfde vrijstellingen als voor transparantie vóór de handel. Ook informatie over bepaalde atypische transacties wordt onverwijld gepubliceerd. De diensten voor het verstrekken van gegevens vóór en na de handel zijn volledig transparant en worden op niet-discriminerende basis aan alle deelnemers aan de beurs aangeboden. Met vertraging verstrekte gegevens zijn gratis beschikbaar voor alle gebruikers.

(18)

Derhalve kan worden geconcludeerd dat de Zwitserse effectenbeurzen duidelijke en transparante regels hebben voor de toelating van effecten tot de handel, zodat die effecten op een eerlijke, ordentelijke en efficiënte wijze kunnen worden verhandeld en vrij verhandelbaar zijn.

(19)

Volgens de derde voorwaarde moeten emittenten van effecten onderworpen zijn aan vereisten inzake periodieke en voortdurende informatieverstrekking die een hoog niveau van bescherming van de beleggers waarborgen.

(20)

In de voorschriften van de effectenbeurzen betreffende de toelating tot de handel moet vervat zijn welke informatie moet worden gepubliceerd om beleggers in staat te stellen de kenmerken van de effecten en de kwaliteit van de emittent te beoordelen teneinde een hoog niveau van beleggersbescherming te waarborgen. Emittenten waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een Zwitserse effectenbeurs zijn verplicht tot het publiceren van jaarlijkse en tussentijdse financiële verslagen. De uitgevende instelling moet haar jaarrekening beschikbaar stellen op haar website. Effecten die tot de handel op een Zwitserse effectenbeurs zijn toegelaten, kunnen ook op een ander platform worden verhandeld. De rapportageverplichting die op dergelijke rapporterende emittenten van toepassing is, geldt ongeacht op welk platform de afzonderlijke transacties plaatsvinden. De openbaarmaking van omvattende en tijdige informatie over emittenten van effecten stelt beleggers in staat de bedrijfsprestaties van emittenten te beoordelen en zorgt voor passende transparantie voor beleggers via een regelmatige stroom van informatie.

(21)

Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat emittenten waarvan de effecten zijn toegelaten tot de Zwitserse effectenbeurzen onderworpen zijn aan periodieke en doorlopende informatievereisten die een hoog niveau van beleggersbescherming waarborgen.

(22)

Volgens de vierde voorwaarde moet het wettelijk en toezichtkader van het derde land transparantie en integriteit van de markt waarborgen door marktmisbruik in de vorm van handel met voorwetenschap en marktmanipulatie te voorkomen.

(23)

De artikelen 142 en 143 FMIA verbieden handel met voorkennis en marktmanipulatie door enige persoon. Bovendien vormen, onder de voorwaarden van de artikelen 154 en 155 FMIA, de exploitatie of poging tot exploitatie van voorwetenschap en prijsmanipulatie misdrijven. De effectenbeurs moet voorschriften uitvaardigen met betrekking tot de openbaarmaking van voorwetenschap door emittenten. Op grond van de noteringsregels van een effectenbeurs moet de emittent de markt in kennis stellen van alle koersgevoelige feiten die zich in zijn activiteitsgebied hebben voorgedaan of zich zullen voordoen, zodra hij daarvan kennis krijgt. Prijsgevoelige feiten zijn feiten die een significante wijziging in de marktprijzen kunnen teweegbrengen. Openbaarmaking moet zodanig geschieden dat alle marktdeelnemers gelijk worden behandeld. Voorts zijn de Zwitserse effectenbeurzen op grond van artikel 31, lid 1, FMIA verplicht om de koersvorming en de beurstransacties te monitoren teneinde handel met voorkennis, prijs- en marktmanipulatie en andere inbreuken op wet- en regelgeving op te sporen. Te dien einde moet een effectenbeurs ook transacties evalueren die buiten het handelsplatform worden uitgevoerd en die eraan worden gerapporteerd of op een andere wijze onder de aandacht ervan worden gebracht (artikel 31, lid 1, FMIA). Deze toezichttaak moet worden uitgevoerd door een onafhankelijk orgaan van de effectenbeurs. Emittenten moeten op basis van hun informatieverplichting FINMA op verzoek een lijst van ingewijden kunnen verstrekken, met inbegrip van alle bijkomende informatie en documenten die FINMA nodig heeft om haar taken uit te voeren (artikel 29, lid 1, FINMASA in samenhang met artikel 145 FMIA). Een effectenbeurs moet FINMA op de hoogte brengen van vermoedelijke overtredingen van de wet of andere onregelmatigheden. Indien er bij de inbreuken in kwestie sprake is van strafbare feiten, moet zij ook de bevoegde vervolgingsautoriteit hiervan onverwijld in kennis stellen (artikel 31, lid 2, FMIA). FINMA onderzoekt informatie over overtredingen van de wet die van effectenbeurzen wordt ontvangen, alsook op basis van haar eigen marktmonitoring met het oog op de handhaving van de bepalingen van de toezichtwet die marktmisbruik verbieden.

(24)

Derhalve kan worden geconcludeerd dat het Zwitserse wettelijk en toezichtkader de transparantie en integriteit van de markt waarborgt door marktmisbruik in de vorm van handel met voorwetenschap en marktmanipulatie te voorkomen.

(25)

Derhalve kan verder worden geconcludeerd dat het wettelijk en toezichtkader voor effectenbeurzen zoals vervat in de bijlage bij dit besluit en die in Zwitserland onder toezicht van de FINMA geëxploiteerd worden, voldoet aan de vier bovengenoemde voorwaarden voor wettelijke en toezichtregelingen en derhalve moet worden geacht te voorzien in een systeem dat gelijkwaardig is aan de vereisten voor handelsplatforms die zijn vastgesteld in Richtlijn 2014/65/EU, Verordening (EU) nr. 600/2014, Verordening (EU) nr. 596/2014 en Richtlijn 2004/109/EG.

(26)

Aangezien een significant aantal aandelen die worden uitgegeven en tot de handel in Zwitserland zijn toegelaten, ook op handelsplatforms in de Unie worden verhandeld, is het aangewezen ervoor te zorgen dat alle beleggingsondernemingen die onderworpen zijn aan de handelsverplichting als vervat in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 de mogelijkheid behouden om transacties te verrichten in aandelen die zijn toegelaten tot de handel op de Zwitserse beurzen waar hun primaire liquiditeit zich bevindt. Aangezien de primaire liquiditeit van aandelen die tot de handel op de Zwitserse beurzen zijn toegelaten zich op deze beurzen bevindt, zou de erkenning van het wettelijk en toezichtkader van Zwitserland beleggingsondernemingen in staat te stellen om aandelen te verhandelen die tot de handel in Zwitserland op Zwitserse beurzen zijn toegelaten en om hun verplichting tot optimale uitvoering van orders ten aanzien van hun cliënten na te komen.

(27)

De handel van de Unie in een groot aantal aandelen die op de Zwitserse beurzen zijn toegelaten, komt over het geheel genomen zo frequent voor dat beleggingsondernemingen in de Unie geen gebruik konden maken van de in artikel 23, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 600/2014 vervatte uitzondering. Dit houdt in dat de handelsverplichting vervat in artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 van toepassing zou zijn op een significant aantal tot de handel in Zwitserland toegelaten aandelen.

(28)

Dit besluit moet worden aangevuld met samenwerkingsregelingen om te zorgen voor de effectieve uitwisseling van informatie en coördinatie van toezichtactiviteiten tussen de nationale bevoegde autoriteiten en FINMA.

(29)

Dit besluit is gebaseerd op de wettelijk bindende vereisten die op het tijdstip van de vaststelling van dit besluit op de Zwitserse effectenbeurzen van toepassing zijn. De Commissie moet de ontwikkeling van de wettelijke en toezichtregelingen voor Zwitserse effectenbeurzen en de inachtneming van de voorwaarden op basis waarvan dit besluit is genomen regelmatig blijven monitoren.

(30)

Dit besluit houdt ook rekening met de conclusies van de Raad van 28 februari 2017 op grond waarvan een basisvoorwaarde voor verdere ontwikkeling van de sectorale aanpak met Zwitserland de vaststelling blijft van een gemeenschappelijk institutioneel kader voor bestaande en toekomstige akkoorden via welke Zwitserland deelneemt aan de eengemaakte markt van de Unie. Bij haar besluit over de verlenging van de toepasselijkheid van dit besluit heeft de Commissie rekening gehouden met de huidige stand van zaken betreffende de voortgang met de ondertekening van een overeenkomst tot vaststelling van dat gemeenschappelijk institutioneel kader. De onderhandelaars van de EU en Zwitserland hebben overeenstemming bereikt over een volledig ontwerp van de overeenkomst. De Zwitserse Bondsraad heeft nota genomen van deze overeenkomst en heeft besloten een fase van binnenlandse raadplegingen in te leiden die tot het voorjaar 2019 zal duren.

(31)

De Commissie moet de wettelijke en toezichtregelingen die op effectenbeurzen in Zwitserland van toepassing zijn regelmatig evalueren. Die evaluaties doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de Commissie om eerder een bepaalde evaluatie uit te voeren, indien relevante ontwikkelingen het nodig maken dat de Commissie een nieuwe beoordeling maakt van de bij dit besluit verleende gelijkwaardigheid. Elke herbeoordeling kan tot de intrekking van dit besluit leiden.

(32)

Om de integriteit van de financiële markten in de Unie te garanderen in het licht van, met name, de voortgang in de richting van de totstandbrenging van een gemeenschappelijk institutioneel kader via welk Zwitserland aan de eengemaakte markt van de Unie deelneemt, moet dit besluit aflopen op 30 juni 2019.

(33)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2441 van de Commissie (5) betreffende de gelijkwaardigheid van het wettelijk en toezichtkader dat van toepassing is op effectenbeurzen in Zwitserland in overeenstemming met Richtlijn 2014/65/EU verstrijkt op 31 december 2018. Daarom is het nodig dat dit besluit met spoed in werking treedt en dat het van toepassing is vanaf 1 januari 2019.

(34)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 wordt het wettelijk en toezichtkader dat van toepassing is op effectenbeurzen in Zwitserland vervat in de bijlage bij dit besluit geacht gelijkwaardig te zijn aan de uit Richtlijn 2014/65/EU, Verordening (EU) nr. 600/2014, Verordening (EU) nr. 596/2014 en Richtlijn 2004/109/EG voortvloeiende vereisten en onderworpen te zijn aan effectief toezicht en effectieve handhaving.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2019.

Het verstrijkt op 30 juni 2019.

Gedaan te Brussel, 20 december 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(2)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).

(3)  Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).

(5)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/2441 van de Commissie van 21 december 2017 betreffende de gelijkwaardigheid van het wettelijk en toezichtkader dat van toepassing is op effectenbeurzen in Zwitserland in overeenstemming met Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 23.12.2017, blz. 52).


BIJLAGE

Effectenbeurzen in Zwitserland die als gelijkwaardig worden beschouwd met gereglementeerde markten als gedefinieerd in Richtlijn 2014/65/EU:

a)

SIX Swiss Exchange AG

b)

BX Swiss AG


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/84


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/2048 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2018

inzake de geharmoniseerde norm voor websites en mobiele applicaties opgesteld ter ondersteuning van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 10, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2) wordt de content van websites en mobiele applicaties die voldoet aan geharmoniseerde normen of delen daarvan, waarvan de referenties door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, vermoed conform te zijn met de in artikel 4 van die richtlijn omschreven toegankelijkheidseisen die door die normen, of door delen daarvan, worden gedekt.

(2)

Bij Uitvoeringsbesluit C(2017) 2585 (3) heeft de Commissie het Europees Comité voor normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI) verzocht geharmoniseerde normen op basis van EN 301 549 V1.1.2 (2015-04) op te stellen, met inbegrip van alle noodzakelijke bepalingen ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van artikel 4 van Richtlijn (EU) 2016/2102. EN 301 549 V1.1.2 (2015-04) kwam voort uit normalisatiemandaat 376 van de Commissie (4) en bevatte reeds een aantal bepalingen die van belang waren voor de toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties alsmede voor andere ICT-producten en -diensten.

(3)

Op basis van Uitvoeringsbesluit C(2017) 2585 hebben CEN, Cenelec en ETSI de werkzaamheden inzake de gevraagde geharmoniseerde norm afgerond en hebben zij de Commissie de geharmoniseerde Europese norm EN 301 549 V2.1.2 (2018-08) verstrekt waarin onder meer de technische eisen worden omschreven inzake de toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties. De geharmoniseerde Europese norm EN 301 549 V2.1.2 (2018-08) bevat onder meer een tabel waarin een overzicht wordt gegeven van de bepalingen van de norm die relevant zijn voor de in artikel 4 van Richtlijn (EU) 2016/2102 vastgestelde toegankelijkheidseisen.

(4)

De Commissie heeft samen met CEN, Cenelec en ETSI beoordeeld of de relevante bepalingen van de door CEN, Cenelec en ETSI verstrekte geharmoniseerde Europese norm EN 301 549 V2.1.2 (2018-08) voldoen aan het in Uitvoeringsbesluit C(2017) 2585 omschreven verzoek.

(5)

De relevante bepalingen van de geharmoniseerde Europese norm EN 301 549 V2.1.2 (2018-08) voldoen aan de vereisten die zij beogen te dekken en die zijn omschreven in bijlage II bij Uitvoeringsbesluit C(2017) 2585. Het is derhalve aangewezen de referentie van deze norm bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(6)

Door voldoening aan een geharmoniseerde norm wordt een vermoeden van conformiteit verleend met de overeenstemmende essentiële vereisten die in de harmonisatiewetgeving van de Unie zijn opgenomen, vanaf de datum van bekendmaking van de referentie van deze norm in het Publicatieblad van de Europese Unie. Dit besluit dient derhalve in werking te treden op de datum van de bekendmaking ervan,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij dit besluit vermelde referentie van de geharmoniseerde norm voor websites en mobiele applicaties die is opgesteld ter ondersteuning van Richtlijn (EU) 2016/2102, wordt hierbij bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 december 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12.

(2)  Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsbesluit C (2017) 2585 van de Commissie van 27 april 2017 inzake een normalisatieverzoek aan de Europese normalisatie-instellingen ter ondersteuning van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties.

(4)  Normalisatiemandaat 376 van 7 december 2005 aan CEN, Cenelec en ETSI ter ondersteuning van Europese toegankelijkheidseisen bij overheidsopdrachten voor producten en diensten op ICT-gebied.


BIJLAGE

Nr.

Referentie van de norm

1.

EN 301 549 V2.1.2 (2018-08)

Toegankelijkheidseisen voor ICT-producten en diensten


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/87


BESLUIT (EU) 2018/2049 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 12 december 2018

houdende de goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2019 (ECB/2018/35)

DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 128, lid 2,

Gezien Besluit (EU) 2015/2332 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2015 betreffende het procedurele kader voor de goedkeuring van de euromuntenuitgifteomvang (ECB/2015/43) (1), en met name artikel 2, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft sinds 1 januari 1999 het alleenrecht de muntenuitgifteomvang door de eurogebiedlidstaten goed te keuren.

(2)

De 19 eurogebiedlidstaten hebben hun verzoeken voor goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2019 bij de ECB ingediend met een toelichting betreffende de gevolgde schattingsmethodologie. Sommige lidstaten hebben tevens aanvullende informatie verstrekt over circulatiemunten, indien dergelijke informatie beschikbaar is en de lidstaten die informatie van belang achten om het goedkeuringsverzoek te staven.

(3)

Aangezien de lidstaten onder voorbehoud van goedkeuring van de uitgifteomvang door de Europese Centrale Bank munten in euro kunnen uitgeven, mogen de lidstaten de door de ECB goedgekeurde hoeveelheden zonder voorafgaande goedkeuring door de ECB niet overschrijden.

(4)

Krachtens artikel 2, lid 9, van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43) is de bevoegdheid tot vaststelling van besluiten inzake de jaarlijkse goedkeuringsverzoeken voor wat betreft de jaarlijkse muntenuitgifteomvang, ingediend door de lidstaten die de euro als munt hanteren, gedelegeerd aan de directie indien een wijziging van de verzochte muntenuitgifteomvang niet is vereist,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de euromuntenuitgifteomvang in 2019

De ECB verleent hierbij goedkeuring aan de in de onderstaande tabel beschreven euromuntenuitgifteomvang in 2019 door de eurogebiedlidstaten:

 

Voor uitgifte in 2019 goedgekeurde euromuntenomvang

Circulatiemunten

Munten voor verzamelaars

(niet bestemd voor circulatie)

Muntenuitgifteomvang

(in miljoenen euro)

(in miljoenen euro)

(in miljoenen euro)

België

46,0

1,0

47,0

Duitsland

401,0

231,0

632,0

Estland

10,2

0,3

10,5

Ierland

11,0

0,5

11,5

Griekenland

110,9

0,6

111,5

Spanje

357,2

30,0

387,2

Frankrijk

235,8

50,1

285,9

Italië

204,2

2,1

206,3

Cyprus

13,5

0,1

13,6

Letland

15,7

0,2

15,9

Litouwen

22,0

0,7

22,7

Luxemburg

12,4

0,2

12,6

Malta

9,0

0,2

9,2

Nederland

25,0

3,0

28,0

Oostenrijk

73,2

153,4

226,6

Portugal

43,1

2,5

45,6

Slovenië

22,0

1,5

23,5

Slowakije

17,0

1,2

18,2

Finland

15,0

10,0

25,0

Totaal

1 644,2

488,6

2 132,8

Artikel 2

Inwerkingtreding

Dit Besluit treedt in werking op de dag van notificatie aan de geadresseerden.

Artikel 3

Geadresseerden

Dit Besluit is gericht tot de lidstaten die de euro als munt hebben.

Gedaan te Frankfurt am Main, 12 december 2018.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 328 van 12.12.2015, blz. 123.


AANBEVELINGEN

21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/89


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE (EU) 2018/2050

van 19 december 2018

inzake het op elkaar afstemmen van het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor algemene overdrachtsvergunningen voor demonstratie en evaluatie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8598)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten de lidstaten ten minste vier algemene overdrachtsvergunningen publiceren.

(2)

Algemene overdrachtsvergunningen zijn een essentieel onderdeel van het bij Richtlijn 2009/43/EG ingevoerde vereenvoudigde vergunningsstelsel.

(3)

Verschillen in het toepassingsgebied van de door de lidstaten gepubliceerde algemene overdrachtsvergunningen voor wat betreft de daaronder vallende defensiegerelateerde producten en uiteenlopende op overdrachten van deze producten toegepaste voorwaarden, kunnen een belemmering vormen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/43/EG en de verwezenlijking van de daarmee beoogde vereenvoudiging. Het is belangrijk de nationale benaderingen met betrekking tot het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor overdrachten onder door lidstaten gepubliceerde algemene overdrachtsvergunningen op elkaar af te stemmen om de aantrekkelijkheid en het gebruik van deze vergunningen te waarborgen.

(4)

De Raad herhaalde in zijn conclusies van 18 mei 2015 dat implementatie en toepassing van onder meer Richtlijn 2009/43/EG nodig is. Na de vaststelling van de twee vorige aanbevelingen inzake algemene overdrachtsvergunningen voor strijdkrachten (2) en voor gecertificeerde afnemers (3) heeft de Commissie in het Europees defensieactieplan (4) en in het verslag over de evaluatie van de overdrachtenrichtlijn (5) aangekondigd zich te concentreren op de resterende twee algemene overdrachtsvergunningen voor overdrachten met het oog op demonstratie, evaluatie, expositie, herstelling en onderhoud.

(5)

Het initiatief voor deze aanbeveling is sterk gesteund door de vertegenwoordigers van de lidstaten in het bij artikel 14 van Richtlijn 2009/43/EG ingestelde comité. De in de aanbeveling neergelegde richtsnoeren weerspiegelen het resultaat van de besprekingen van een deskundigengroep onder de auspiciën van dit Comité.

(6)

Deze aanbeveling is van toepassing op de lijst van defensiegerelateerde producten (gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen), zoals vastgesteld in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG. Deze aanbeveling zal zo nodig worden bijgewerkt om rekening te houden met toekomstige bijwerkingen van de lijst van defensiegerelateerde producten.

(7)

Op basis van de besprekingen met de lidstaten en met inachtneming van de kenmerken van de producten (met inbegrip van uitzonderingen), zoals hun gevoeligheid, vormen de defensiegerelateerde producten die zijn vermeld in punt 1.1 van deze aanbeveling een minimale en niet-uitputtende lijst van producten waarvoor de lidstaten krachtens hun GTL-DE overdracht toestaan. Dit betekent dat de door een lidstaat gepubliceerde GTL-DE ook de mogelijkheid kan bieden tot overdracht van andere defensiegerelateerde producten die zijn opgenomen in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG, maar niet in deze aanbeveling.

(8)

In de context van de besprekingen inzake deze aanbeveling hebben de lidstaten in herinnering gebracht dat zij gebonden zijn door verplichtingen op grond van Europees recht, zoals het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad (6), alsook door internationale verplichtingen op het gebied van exportcontrole. In dit verband hebben de lidstaten de verklaring „Politieke inzet van de lidstaten voor voorzieningszekerheid” (7) erkend,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.   ALGEMENE OVERDRACHTSVERGUNNINGEN VOOR DEMONSTRATIE EN EVALUATIE

De lidstaten wordt aanbevolen hun algemene overdrachtsvergunningen voor demonstratie en evaluatie in overeenstemming met de volgende elementen aan te passen.

1.1.   Defensiegerelateerde producten die in aanmerking komen voor overdracht onder de algemene overdrachtsvergunning voor tentoonstelling en evaluatie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2009/43/EG

De volgende ML-categorieën vormen een subset van de lijst van defensiegerelateerde producten in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG. De algemene overdrachtsvergunning voor demonstratie- en evaluatie (GTL-DE) moet ten minste de overdracht toestaan van defensiegerelateerde producten die in de hieronder vermelde ML-categorieën worden gespecificeerd. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om meer ML-categorieën met de overeenkomstige defensiegerelateerde producten in hun GTL-DE op te nemen.

Minimumlijst van ML-categorieën:

ML 3. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

submunitie die valt onder het Verdrag inzake clustermunitie;

tot aan het doel geleide projectielen;

munitie, projectielen en stuwstoffen, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

ML 5. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt 5.b) Systemen voor het detecteren, identificeren, verkennen of volgen van het doelwit en voor het bepalen van de schootsafstand; apparatuur voor opsporing, herkenning en identificatie; en apparatuur voor sensorintegratie;

punt 5.c) Apparatuur voor tegenmaatregelen voor goederen als bedoeld onder ML5.a en ML5.b.

Alle goederen worden geleverd zonder coderingsonderdeel en zonder geïntegreerde database.

ML 6. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

complete voertuigen die onder punt ML6.a) vallen;

chassis en koepels die onder punt ML6.a) vallen;

apparatuur en onderdelen van apparatuur die in de andere ML-categorieën zijn uitgesloten.

ML 7. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt 7.f) Veiligheids- en decontaminatieapparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, onderdelen en chemische mengsels;

punt 7.g) Apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, ontworpen of aangepast voor opsporing en identificatie van stoffen als genoemd in ML7.a, ML7.b of ML7.d, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

ML 8. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

alle stoffen met alle volgende kenmerken:

detoneringssnelheid gelijk aan of groter dan 8 000 m/s;

dichtheid gelijk aan of maximaal 1,80 g/cm3.

alle explosieven, als volgt, en verwante mengsels:

punt 8.a.15) HNS (hexanitrostilbeen) (CAS 20062-22-0);

punt 8.a.21) RDX en derivaten, als hieronder:

RDX (cyclotrimethyleentrinitramine, cycloniet, T4, hexahydro-1,3,5-trinitro-1,3,5-triazine, 1,3,5-trinitro-1,3,5-triazacyclohexaan, hexogen of hexogeen) (CAS 121-82-4);

Keto-RDX (K-6 of 2,4,6-trinitro-2,4,6-triazacyclohexanon) (CAS 115029-35-1);

punt 8.a.23) TATB (triaminotrinitrobenzeen) (CAS 3058-38-6).

alle stoffen die direct of indirect kunnen worden gebruikt bij de productie van submunitiewapens die vallen onder het Verdrag inzake clustermunitie dat op 3 december 2008 in Oslo werd ondertekend, behalve ten aanzien van de lidstaten die het Verdrag inzake clustermunitie hebben geratificeerd.

ML 9. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

volledige oorlogsschepen (zowel oppervlakteschepen als onderzeeboten) die onder punt ML9.a) vallen;

volledige rompen;

punt ML9.a)2.d) actieve systemen voor tegenmaatregelen tegen wapens als bedoeld in ML4.b), ML5.c) of ML11.a);

punt ML9.b)4. Speciaal voor onderzeeërs ontworpen „luchtonafhankelijke voortstuwingssystemen”;

punt ML9.d) Netten voor het tegenhouden van onderzeeboten en torpedo's, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

toestellen van ML9.c) voor opsporing onder water, speciaal ontworpen voor militair gebruik, besturingsapparaten daarvoor en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

ML 10. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

complete luchtvaartuigen lichter dan lucht, onbemande voertuigen die vallen onder punt ML10.a), ML10.b of ML10.c);

rompen voor gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters;

motoren voor gevechtsvliegtuigen;

apparatuur en onderdelen van apparatuur die in de andere ML-categorieën zijn uitgesloten.

ML 11. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt ML11.a)g. Geleidings- en navigatieapparatuur, met uitzondering van producten die speciaal zijn ontworpen voor of aangepast voor geleide projectielen, raketten, ruimtelanceersystemen en onbemande luchtvaartuigen („UAV”);

punt ML11.a)h. Digitale transmissieapparatuur voor troposcatter-radiocommunicatie;

punt ML11.a)j. Geautomatiseerde commando- en besturingssystemen.

ML 13. Alle goederen worden opgenomen.

ML 15. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt ML15.f).

ML 16. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

enig goed dat verband houdt met ballistische technologie en proliferatie van CBRN.

ML 17. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt ML17.b) Constructieapparatuur, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

punt ML17.d) Genieapparatuur, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

punt ML17.j) Mobiele herstellingswerkplaatsen, speciaal ontworpen of aangepast voor het onderhouden van militaire apparatuur;

punt ML17.k) Veldgeneratoren, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik;

punt ML17.l) Containers, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik;

punt ML17.m) Veerboten die niet elders in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen worden bedoeld, bruggen en pontons, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

punt ML17.o) Apparatuur ter bescherming tegen laserstralen, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

ML 21. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt ML21.a) Programmatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor de in de algemene overdrachtsvergunning genoemde goederen;

punt ML21.b)4. Programmatuur, speciaal ontworpen voor militair gebruik of speciaal ontworpen voor toepassingen voor commando, communicatie, controle en informatie (C3I), of voor commando, communicatie, controle, computer en informatie (C4I).

ML 22. Deze rubriek omvat:

alleen de technologie die noodzakelijk is voor het gebruik van de goederen als in dezelfde algemene overdrachtsvergunning toegestaan.

1.2.   Voorwaarden die moeten worden opgenomen in de algemene overdrachtsvergunning voor demonstratie en evaluatie

De volgende lijst is niet uitputtend. Andere voorwaarden die door een lidstaat worden toegevoegd, mogen echter niet in strijd zijn met of afdoen aan de hieronder genoemde voorwaarden.

Geografische geldigheid

:

Europese Economische Ruimte (8).

Overdracht voor demonstratie

:

Overdracht van een defensiegerelateerd product voor gebruik in een omgeving waarbij operationele omstandigheden worden nagebootst. De term „overdracht voor demonstratie” omvat het testen van het afvuren van wapens.

Overdracht voor evaluatie

:

Overdracht van een defensiegerelateerd product voor het testen van het product en het delen van testresultaten. De term „overdracht voor evaluatie” omvat de overdracht van technologie voor het delen van testresultaten.

Retournering

:

De lidstaten moeten kiezen voor een van de volgende opties voor de retournering van het defensiegerelateerde product na de demonstratie of evaluatie:

a)

vrijstelling van de verplichting van een voorafgaande vergunning in overeenstemming met artikel 4, lid 2, onder e), van richtlijn 2009/43/EG;

b)

bekendmaking van een specifieke algemene overdrachtsvergunning voor terugkeer van defensiegerelateerde producten na demonstratie of evaluatie, indien nodig, met ten minste dezelfde lijst van defensiegerelateerde producten;

c)

retourneringsoverdracht moet worden opgenomen in de algemene overdrachtsvergunning voor demonstratie en/of evaluatie.

Looptijd

:

De lidstaten van herkomst kunnen een termijn stellen voor de retournering van het defensiegerelateerde product, welke moet worden geëerbiedigd door de leverancier ten opzichte van de bevoegde autoriteit in de lidstaat van herkomst. De lidstaten van waaruit het defensiegerelateerde product moet worden geretourneerd, kunnen ook een termijn stellen voor de retournering welke moet worden geëerbiedigd door de leverancier, of diens vertegenwoordiger.

2.   FOLLOW-UP

De lidstaten wordt verzocht uiterlijk op 1 juli 2019 uitvoering te geven aan deze aanbeveling.

De lidstaten worden aangemoedigd de Commissie op de hoogte te brengen van alle ter uitvoering van deze aanbeveling genomen maatregelen.

3.   ADRESSATEN

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 december 2018.

Voor de Commissie

Elżbieta BIEŃKOWSKA

Lid van de Commissie


(1)  Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1).

(2)  PB L 329 van 3.12.2016, blz. 101.

(3)  PB L 329 van 3.12.2016, blz. 105.

(4)  COM(2016) 950 final.

(5)  COM(2016) 760 final.

(6)  Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).

(7)  Aangenomen door de vertegenwoordigers van de regeringen van de aan het Europees Defensieagentschap deelnemende lidstaten, die bijeen zijn gekomen in het kader van de Raad tijdens zijn 3551e zitting op 19 juni 2017.

(8)  Besluit nr. 111/2013 van het Gemengd Comité van de EER van 14 juni 2013 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst (PB L 318 van 28.11.2013, blz. 12), waarmee Richtlijn 2009/43/EG in de EER-overeenkomst is opgenomen, bevat de expliciete aangepaste tekst: „Deze richtlijn is niet van toepassing op Liechtenstein.”.


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/94


AANBEVELING (EU) 2018/2051 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2018

inzake het op elkaar afstemmen van het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor algemene overdrachtsvergunningen voor herstelling en onderhoud als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder d), van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8610)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten de lidstaten ten minste vier algemene overdrachtsvergunningen publiceren.

(2)

Algemene overdrachtsvergunningen zijn een essentieel onderdeel van het bij Richtlijn 2009/43/EG ingevoerde vereenvoudigde vergunningsstelsel.

(3)

Verschillen in het toepassingsgebied van de door de lidstaten gepubliceerde algemene overdrachtsvergunningen voor wat betreft de daaronder vallende defensiegerelateerde producten en uiteenlopende op overdrachten van deze producten toegepaste voorwaarden, kunnen een belemmering vormen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/43/EG en de verwezenlijking van de daarmee beoogde vereenvoudiging. Het is belangrijk de nationale benaderingen met betrekking tot het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor overdrachten onder door lidstaten gepubliceerde algemene overdrachtsvergunningen op elkaar af te stemmen om de aantrekkelijkheid en het gebruik van deze vergunningen te waarborgen.

(4)

De Raad herhaalde in zijn conclusies van 18 mei 2015 dat implementatie en toepassing van onder meer Richtlijn 2009/43/EG nodig is. Na de vaststelling van de twee vorige aanbevelingen inzake algemene overdrachtsvergunningen voor strijdkrachten (2) en voor gecertificeerde afnemers (3) heeft de Commissie in het Europees defensieactieplan (4) en in het verslag over de evaluatie van de overdrachtenrichtlijn (5) aangekondigd zich te concentreren op de resterende twee algemene overdrachtsvergunningen voor overdrachten met het oog op demonstratie, evaluatie, expositie, herstelling en onderhoud.

(5)

Het initiatief voor deze aanbeveling is sterk gesteund door de vertegenwoordigers van de lidstaten in het bij artikel 14 van Richtlijn 2009/43/EG ingestelde comité. De in de aanbeveling neergelegde richtsnoeren weerspiegelen het resultaat van de besprekingen van een in het kader van dit comité ingestelde deskundigengroep.

(6)

Deze aanbeveling is van toepassing op de lijst van defensiegerelateerde producten (gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen), zoals vastgesteld in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG. Deze aanbeveling zal zo nodig worden bijgewerkt om rekening te houden met toekomstige bijwerkingen van de lijst van defensiegerelateerde producten.

(7)

Op basis van de besprekingen met de lidstaten en met inachtneming van de kenmerken van de producten (met inbegrip van uitzonderingen), zoals hun gevoeligheid, vormen de defensiegerelateerde producten die zijn vermeld in punt 1.1 van deze aanbeveling een minimale en niet-uitputtende lijst van producten waarvoor de lidstaten krachtens hun GTL-RM overdracht toestaan. Dit betekent dat de door een lidstaat gepubliceerde GTL-RM ook de mogelijkheid kan bieden tot overdracht van andere defensiegerelateerde producten die zijn opgenomen in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG, maar niet in deze aanbeveling.

(8)

In de context van de besprekingen inzake deze aanbeveling hebben de lidstaten in herinnering gebracht dat zij gebonden zijn door verplichtingen op grond van Europees recht, zoals het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad (6), alsook door internationale verplichtingen op het gebied van exportcontrole. In dit verband hebben de lidstaten de verklaring „Politieke inzet van de lidstaten voor voorzieningszekerheid” (7) erkend,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.   ALGEMENE OVERDRACHTSVERGUNNINGEN VOOR HERSTELLING EN ONDERHOUD

De lidstaten wordt aanbevolen hun algemene overdrachtsvergunningen voor herstelling en onderhoud in overeenstemming met de volgende elementen aan te passen.

1.1.   Defensiegerelateerde producten die in aanmerking komen voor overdracht onder de algemene overdrachtsvergunning voor herstelling en onderhoud als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder d), van Richtlijn 2009/43/EG

De volgende ML-categorieën vormen een subset van de lijst van defensiegerelateerde producten in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG. De algemene overdrachtsvergunning voor herstelling en onderhoud („GTL-RM”) moet ten minste de overdracht toestaan van defensiegerelateerde producten die in de hieronder vermelde ML-categorieën worden gespecificeerd. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om meer ML-categorieën met de overeenkomstige defensiegerelateerde producten in hun GTL-RM op te nemen.

Minimumlijst van ML-categorieën:

ML 3. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

submunitie die valt onder het Verdrag inzake clustermunitie;

tot aan het doel geleide projectielen;

munitie, projectielen en stuwstoffen, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

ML 4. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt 4.a) bommen, torpedo's, raketten, geleide projectielen, andere mechanismen en ladingen en speciaal voor militair gebruik ontworpen of aangepaste onderdelen;

punt 4.b) speciaal ontworpen onderdelen voor het lanceren, leggen, misleiden, storen of onderbreken die onder ML4.a) vallen;

ML 5. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt 5.b) Systemen voor het detecteren, identificeren, verkennen of volgen van het doelwit en voor het bepalen van de schootsafstand; apparatuur voor opsporing, herkenning en identificatie; en apparatuur voor sensorintegratie;

punt 5.c) Apparatuur voor tegenmaatregelen voor goederen als bedoeld onder ML5.a en ML5.b.

Alle goederen moeten worden geleverd zonder coderingsonderdeel en zonder geïntegreerde database;

ML 6. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

complete voertuigen;

chassis en koepels die onder punt ML6.a) vallen;

apparatuur en onderdelen van apparatuur die in de andere ML-categorieën zijn uitgesloten;

ML 7. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt 7.f) Veiligheids- en decontaminatieapparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, onderdelen en chemische mengsels;

punt 7.g) Apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, ontworpen of aangepast voor opsporing en identificatie van stoffen als genoemd in ML7.a, ML7.b of ML7.d., en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

ML 8. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

alle stoffen met alle volgende kenmerken:

detoneringssnelheid gelijk aan of groter dan 8 000 m/s;

dichtheid gelijk aan of maximaal 1,80 g/cm3;

alle explosieven, als volgt, en verwante mengsels:

punt 8.a.15) HNS (hexanitrostilbeen) (CAS 20062-22-0);

punt 8.a.21) RDX en derivaten, als hieronder:

RDX (cyclotrimethyleentrinitramine, cycloniet, T4, hexahydro-1,3,5-trinitro-1,3,5-triazine, 1,3,5-trinitro-1,3,5-triazacyclohexaan, hexogen of hexogeen) (CAS 121-82-4);

Keto-RDX (K-6 of 2,4,6-trinitro-2,4,6-triazacyclohexanon) (CAS 115029-35-1);

punt 8.a.23) TATB (triaminotrinitrobenzeen) (CAS 3058-38-6);

alle stoffen die direct of indirect kunnen worden gebruikt bij de productie van submunitiewapens die vallen onder het Verdrag inzake clustermunitie dat op 3 december 2008 in Oslo werd ondertekend, behalve ten aanzien van de lidstaten die het Verdrag inzake clustermunitie hebben geratificeerd;

ML 9. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

volledige oorlogsschepen (zowel oppervlakteschepen als onderzeeboten) die onder punt ML9.a) vallen;

volledige rompen;

toestellen van ML9.c) voor opsporing onder water, speciaal ontworpen voor militair gebruik, besturingsapparaten daarvoor en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

ML 10. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

complete luchtvaartuigen lichter dan lucht, onbemande voertuigen die vallen onder punt ML10.a) of ML10.c);

rompen voor gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters;

motoren voor gevechtsvliegtuigen;

apparatuur en onderdelen van apparatuur die in de andere ML-categorieën zijn uitgesloten;

ML 11. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt ML11.a)g. Geleidings- en navigatieapparatuur, met uitzondering van producten die speciaal zijn ontworpen voor of aangepast voor geleide projectielen, raketten, ruimtelanceersystemen en onbemande luchtvaartuigen („UAV”);

punt ML11.a)h. Digitale transmissieapparatuur voor troposcatter-radiocommunicatie;

punt ML11.a)j. Geautomatiseerde commando- en besturingssystemen;

ML 13. Alle goederen worden opgenomen;

ML 14. Alle goederen worden opgenomen;

ML 15. Alle goederen worden opgenomen;

ML 16. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

enig goed dat verband houdt met ballistische technologie en proliferatie van CBRN;

ML 17. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt ML17.b) Constructieapparatuur, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

punt ML17.d) Genieapparatuur, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

punt ML17.j) Mobiele herstellingswerkplaatsen, speciaal ontworpen of aangepast voor het onderhouden van militaire apparatuur;

punt ML17.k) Veldgeneratoren, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik;

punt ML17.l) Containers, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik;

punt ML17.m) Veerboten die niet elders in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen worden bedoeld, bruggen en pontons, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

punt ML17.o) Apparatuur ter bescherming tegen laserstralen, speciaal ontworpen voor militair gebruik;

ML 21. Hieronder vallen de volgende goederen:

punt ML21.a) Programmatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor de in de algemene overdrachtsvergunning genoemde goederen;

punt ML21.b)4. Programmatuur, speciaal ontworpen voor militair gebruik of speciaal ontworpen voor toepassingen voor commando, communicatie, controle en informatie (C3I), of voor commando, communicatie, controle, computer en informatie (C4I);

ML 22. Deze rubriek omvat:

de vereiste technologie voor het gebruik van in dezelfde algemene overdrachtsvergunning toegestane goederen.

1.2.   Voorwaarden die moeten worden opgenomen in de algemene overdrachtsvergunning voor herstelling en onderhoud

De volgende lijst van voorwaarden is niet uitputtend. Andere voorwaarden die door een lidstaat worden toegevoegd, mogen echter niet strijdig zijn met of afdoen aan de hieronder genoemde voorwaarden.

Geografische geldigheid

:

Europese Economische Ruimte (8)

Overdracht voor herstelling

:

Overdracht van een defensiegerelateerd product voor herstelling ervan en niet voor modernisering of verbetering in termen van verbetering van prestaties

Overdracht voor onderhoud

:

Overdracht van een defensiegerelateerd product voor onderhoud ervan en niet voor modernisering of verbetering in termen van verbetering van prestaties

Retourneren

:

De lidstaten kunnen verlangen dat er een eerdere vergunning is voor de oorspronkelijke overdracht van het goed dat na herstelling wordt geretourneerd. De lidstaten moeten een van de volgende opties kiezen voor het retourneren van het defensiegerelateerde product na herstelling of onderhoud:

a)

vrijstelling van de verplichting van een voorafgaande vergunning in overeenstemming met artikel 4, lid 2, onder e), van richtlijn 2009/43/EG;

b)

bekendmaking van een specifieke algemene overdrachtsvergunning voor retournering van defensiegerelateerde producten na herstelling of onderhoud, met ten minste dezelfde lijst van daarvoor in aanmerking komende defensiegerelateerde producten;

c)

retournering moet worden opgenomen in de algemene overdrachtsvergunning voor herstelling en/of onderhoud.

Looptijd

:

De lidstaten kunnen een termijn voor de retournering van het defensiegerelateerde product vastleggen.

2.   FOLLOW-UP

De lidstaten wordt verzocht uiterlijk op 1 juli 2019 uitvoering te geven aan deze aanbeveling.

De lidstaten worden aangemoedigd de Commissie op de hoogte te brengen van alle ter uitvoering van deze aanbeveling genomen maatregelen.

3.   ADRESSATEN

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 december 2018.

Voor de Commissie

Elżbieta BIEŃKOWSKA

Lid van de Commissie


(1)  Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1).

(2)  PB L 329 van 3.12.2016, blz. 101.

(3)  PB L 329 van 3.12.2016, blz. 105.

(4)  COM(2016) 950 final.

(5)  COM(2016) 760 final.

(6)  Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).

(7)  Aangenomen door de vertegenwoordigers van de regeringen van de aan het Europees Defensieagentschap deelnemende lidstaten, die bijeen zijn gekomen in het kader van de Raad tijdens zijn 3 551e zitting op 19 juni 2017.

(8)  Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 111/2013 van 14 juni 2013 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst (PB L 318 van 28.11.2013, blz. 12), waarmee Richtlijn 2009/43/EG in de EER-overeenkomst is opgenomen, bevat de expliciete aangepaste tekst: „Deze richtlijn is niet van toepassing op Liechtenstein.”


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/98


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE (EU) 2018/2052

van 19 december 2018

inzake het op elkaar afstemmen van het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor algemene overdrachtsvergunningen voor expositie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 8611)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten de lidstaten ten minste vier algemene overdrachtsvergunningen publiceren.

(2)

Algemene overdrachtsvergunningen zijn een essentieel onderdeel van het bij Richtlijn 2009/43/EG ingevoerde vereenvoudigde vergunningsstelsel.

(3)

Verschillen in het toepassingsgebied van de door de lidstaten gepubliceerde algemene overdrachtsvergunningen voor wat betreft de daaronder vallende defensiegerelateerde producten en uiteenlopende op overdrachten van deze producten toegepaste voorwaarden, kunnen een belemmering vormen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/43/EG en de verwezenlijking van de daarmee beoogde vereenvoudiging. Het is belangrijk de nationale benaderingen met betrekking tot het toepassingsgebied van en de voorwaarden voor overdrachten onder door lidstaten gepubliceerde algemene overdrachtsvergunningen op elkaar af te stemmen om de aantrekkelijkheid en het gebruik van deze vergunningen te waarborgen.

(4)

De Raad herhaalde in zijn conclusies van 18 mei 2015 dat implementatie en toepassing van onder meer Richtlijn 2009/43/EG nodig is. Na de vaststelling van de twee vorige aanbevelingen inzake algemene overdrachtsvergunningen voor strijdkrachten (2) en voor gecertificeerde afnemers (3) heeft de Commissie in het Europees defensieactieplan (4) en in het verslag over de evaluatie van de overdrachtenrichtlijn (5) aangekondigd zich te concentreren op de resterende twee algemene overdrachtsvergunningen voor overdrachten met het oog op demonstratie, evaluatie, expositie, herstelling en onderhoud.

(5)

Het initiatief voor deze aanbeveling is sterk gesteund door de vertegenwoordigers van de lidstaten in het bij artikel 14 van Richtlijn 2009/43/EG ingestelde comité. De in de aanbeveling neergelegde richtsnoeren weerspiegelen het resultaat van de besprekingen van een deskundigengroep onder de auspiciën van dit Comité.

(6)

Deze aanbeveling is van toepassing op de lijst van defensiegerelateerde producten (gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen), zoals vastgesteld in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG. Deze aanbeveling zal zo nodig worden bijgewerkt om rekening te houden met toekomstige bijwerkingen van de lijst van defensiegerelateerde producten.

(7)

Op basis van de besprekingen met de lidstaten en met inachtneming van de kenmerken van de producten (met inbegrip van uitzonderingen), zoals hun gevoeligheid, vormen de defensiegerelateerde producten die zijn vermeld in punt 1.1 van deze aanbeveling een minimale en niet-uitputtende lijst van producten waarvoor de lidstaten krachtens hun GTL-EX overdracht toestaan. Dit betekent dat de door een lidstaat gepubliceerde GTL-EX ook de mogelijkheid kan bieden tot overdracht van andere defensiegerelateerde producten die zijn opgenomen in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG, maar niet in deze aanbeveling.

(8)

In de context van de besprekingen inzake deze aanbeveling hebben de lidstaten in herinnering gebracht dat zij gebonden zijn door verplichtingen op grond van Europees recht, zoals het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad (6), alsook door internationale verplichtingen op het gebied van exportcontrole.

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.   ALGEMENE OVERDRACHTSVERGUNNINGEN VOOR EXPOSITIE

De lidstaten wordt aanbevolen hun algemene overdrachtsvergunningen voor expositie in overeenstemming met de volgende elementen aan te passen.

1.1.   Defensiegerelateerde producten die in aanmerking komen voor overdracht onder de algemene overdrachtsvergunning voor expositie als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder c), van Richtlijn 2009/43/EG

De volgende ML-categorieën vormen een subset van de lijst van defensiegerelateerde producten in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG. De algemene overdrachtsvergunning voor expositie (GTL-EX) moet ten minste de overdracht toestaan van defensiegerelateerde producten die in de hieronder vermelde ML-categorieën worden gespecificeerd. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om meer ML-categorieën met de overeenkomstige defensiegerelateerde producten in hun GTL-EX op te nemen.

Minimumlijst van ML-categorieën:

ML 1. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

wapens speciaal ontworpen voor militair gebruik;

trommels en afsluiterblokken voor wapens die speciaal voor militair gebruik zijn ontworpen.

ML 2. Punten c) en d). Alle goederen worden opgenomen.

ML 3. Hieronder vallen de volgende goederen:

munitie inert model.

ML 4. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt 4.a) Alle goederen zijn uitgesloten, met uitzondering van inerte modellen die zijn opgenomen;

punt 4.b) Speciaal ontworpen onderdelen voor het lanceren, leggen, misleiden, storen, onderbreken die onder 4.a) vallen.

ML 5. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt 5.c) Apparatuur voor tegenmaatregelen voor goederen als genoemd in ML5.a) of ML5.b).

Alle goederen moeten worden geleverd zonder coderingsonderdeel en zonder geïntegreerde database.

ML 6. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

complete voertuigen die vallen onder punt ML 6.a);

chassis en koepels; die vallen onder punt ML 6.a).

ML 7. Alle goederen zijn uitgezonderd, behalve:

punt 7.f) Veiligheids- en decontaminatieapparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, onderdelen en chemische mengsels;

punt 7.g) Apparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, ontworpen of aangepast voor opsporing en identificatie van stoffen als genoemd in de punten ML7.a., ML7.b. of ML7.d., en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

ML 9. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

volledige oorlogsschepen (zowel oppervlakteschepen als onderzeeboten);

volledige rompen;

goederen die vallen onder punt ML9.c) Toestellen voor opsporing onder water, speciaal ontworpen voor militair gebruik, besturingsapparaten daarvoor en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen voor militair gebruik.

ML 10. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

complete vliegtuigen;

rompen voor gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters;

motoren voor gevechtsvliegtuigen.

ML 11. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt ML11.a)a. Elektronische apparatuur voor het hinderen en tegenhinderen, met inbegrip van apparatuur voor storen en tegenstoren;

punt ML11.a)b. buizen met frequency agility;

punt ML11.a)c. Elektronische systemen of apparatuur ontworpen voor ofwel het observeren en volgen van het elektromagnetisch spectrum voor militaire inlichtingen of veiligheidsdoeleinden, ofwel het tegengaan van dergelijke observatie- en volgactiviteiten;

punt ML11.a)d. Apparatuur voor tegenmaatregelen voor onderwatergebruik, met inbegrip van apparatuur voor het akoestisch en magnetisch hinderen en misleiden, speciaal ontworpen om vreemde of onjuiste signalen in te voeren in sonarontvangtoestellen;

punt ML11.a)e. Beveiligingsapparatuur voor gegevensverwerking, voor gegevens en voor transmissie- en signaallijnen, waarbij wordt gebruikgemaakt van coderingsprocedures;

punt ML11.a)f. Apparatuur voor identificatie, authenticatie en het invoeren van identificatiesleutels en apparatuur voor het beheren, vervaardigen en distribueren van identificatiesleutels;

punt ML11.a)i. Speciaal voor Signals Intelligence ontworpen digitale demodulatoren;

punt ML11.b) Apparatuur voor het storen van wereldwijde satellietnavigatiesystemen (GNSS) en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor;

punt ML11.c) „Ruimtevaartuigen” speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, en onderdelen van „ruimtevaartuigen” speciaal ontworpen voor militair gebruik.

ML 13. Alle goederen worden opgenomen.

ML 14. Alle goederen worden opgenomen.

ML 15. Alle goederen worden opgenomen.

ML 16. Alle goederen worden opgenomen.

ML 17. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt ML17.f) Bibliotheekprogramma's speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, met systemen, apparatuur of onderdelen als bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen;

punt ML17.g) Apparatuur voor het opwekken van nucleaire energie of voortstuwingsapparatuur, met inbegrip van „kernreactoren”, speciaal ontworpen voor militair gebruik en onderdelen daarvoor, speciaal ontworpen of „aangepast” voor militair gebruik;

punt ML17.h) Apparatuur en materiaal, bekleed of behandeld voor signatuuronderdrukking van herkenningstekens, speciaal ontworpen voor militair gebruik, andere dan die welke reeds elders in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen zijn bedoeld;

punt ML17.i) Simulators speciaal ontworpen voor militaire kernreactoren.

ML 18. Alle goederen worden opgenomen.

ML 21. Alle goederen worden opgenomen, met uitzondering van:

punt ML21.a). „Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor:

ontwikkeling, productie, bediening of onderhoud van apparatuur bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen;

ontwikkeling of productie van materialen bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, of

ontwikkeling, productie, bediening of onderhoud van programmatuur bedoeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

Programmatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor het gebruik van in deze algemene overdrachtsvergunning vermelde goederen.

ML 22. Deze rubriek omvat:

alleen de technologie die noodzakelijk is voor het gebruik van de goederen als in dezelfde algemene overdrachtsvergunning toegestaan.

1.2.   Voorwaarden die moeten worden opgenomen in de algemene overdrachtsvergunning voor expositie

De volgende lijst is niet uitputtend. Andere voorwaarden die door een lidstaat worden toegevoegd, mogen echter niet in strijd zijn met of afdoen aan de hieronder genoemde voorwaarden.

Geografische geldigheid

:

Europese Economische Ruimte (7)

Overdracht voor expositie

:

Overdracht van een defensiegerelateerd product met het oog op de expositie ervan in een lidstaat, niet te gebruiken in operationele omstandigheden en niet voor demonstratie of evaluatie bestemd.

Retournering

:

De lidstaten moeten kiezen voor een van de volgende opties voor de retournering van het defensiegerelateerde product na de expositie, naargelang van het geval:

a)

vrijstelling van de verplichting van een voorafgaande vergunning in overeenstemming met artikel 4, lid 2, onder e), van richtlijn 2009/43/EG;

b)

bekendmaking van een specifieke algemene overdrachtsvergunning voor overdracht van defensiegerelateerde producten na de expositie, met ten minste dezelfde lijst van defensiegerelateerde producten;

c)

retourneringsoverdracht moet worden opgenomen in de algemene overdrachtsvergunning voor expositie.

Looptijd

:

De lidstaten van herkomst kunnen een termijn stellen voor de retournering van het defensiegerelateerde product, welke moet worden geëerbiedigd door de leverancier ten opzichte van de bevoegde autoriteit in de lidstaat van herkomst. De lidstaten van waaruit het defensiegerelateerde product moet worden geretourneerd, kunnen ook een termijn stellen voor de retournering welke moet worden geëerbiedigd door de leverancier, of diens vertegenwoordiger.

2.   FOLLOW-UP

De lidstaten wordt verzocht uiterlijk op 1 juli 2019 uitvoering te geven aan deze aanbeveling.

De lidstaten worden aangemoedigd de Commissie op de hoogte te brengen van alle ter uitvoering van deze aanbeveling genomen maatregelen.

3.   ADRESSATEN

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 december 2018.

Voor de Commissie

Elżbieta BIEŃKOWSKA

Lid van de Commissie


(1)  Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1).

(2)  PB L 329 van 3.12.2016, blz. 101.

(3)  PB L 329 van 3.12.2016, blz. 105.

(4)  COM(2016) 950 final.

(5)  COM(2016) 760 final.

(6)  Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).

(7)  Besluit nr. 111/2013 van het Gemengd Comité van de EER van 14 juni 2013 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst (PB L 318 van 28.11.2013, blz. 12), waarmee Richtlijn 2009/43/EG in de EER-overeenkomst is opgenomen, bevat de expliciete aangepaste tekst: „Deze richtlijn is niet van toepassing op Liechtenstein.”.


Rectificaties

21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/102


Rectificatie van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie

( Publicatieblad van de Europese Unie L 302 van 28 november 2018 )

Deze rectificatie dient als nietig te worden beschouwd.


21.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/102


Rectificatie van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie

( Publicatieblad van de Europese Unie L 138 van 26 mei 2016 )

Bladzijde 53, artikel 2, lid 14:

in plaats van:

„14.   „verbetering”: erkzaamheden waarbij een subsysteem of een deel daarvan aanzienlijk wordt gewijzigd, …”,

lezen:

„14.   „verbetering”: belangrijke werkzaamheden waarbij een subsysteem of een deel daarvan aanzienlijk wordt gewijzigd, …”.