ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 321

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
17 december 2018


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2018/1971 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot instelling van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Bureau voor ondersteuning van Berec (Berec-Bureau), tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1211/2009 ( 1 )

1

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (herschikking) ( 1 )

36

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 321/1


VERORDENING (EU) 2018/1971 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2018

tot instelling van het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie (Berec) en het Bureau voor ondersteuning van Berec (Berec-Bureau), tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1211/2009

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft tot doel binnen de Unie een interne markt voor elektronische communicatie tot stand te brengen, en door meer concurrentie een hoog niveau van investeringen, innovatie en consumentenbescherming te bewerkstelligen. Die richtlijn verleent ook een groot aantal nieuwe taken aan het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie („Berec”), zoals het uitvaardigen van richtsnoeren over bepaalde thema’s, het rapporteren over technische aangelegenheden, het bijhouden van registers, lijsten of databanken, en het uitbrengen van advies over internemarktprocedures voor ontwerpen van nationale marktreguleringsmaatregelen.

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4) worden de regels van het regelgevend kader voor elektronische communicatie met betrekking tot roaming in de gehele Unie aangevuld en aangescherpt, en wordt een aantal taken aan Berec toegewezen.

(3)

Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad (5) stelt extra taken voor Berec vast met betrekking tot open-internettoegang. Bovendien worden de richtsnoeren van Berec van 30 augustus 2016, die handelen over de uitvoering van de Europese Netneutraliteitsregels door de nationale reguleringsinstanties („NRI’s”), beschouwd als een waardevolle verduidelijking van de garantie op een sterk, vrij en open internet, omdat ze de consistente toepassing waarborgen van regels voor de gelijke en niet-discriminerende behandeling van het verkeer bij het aanbieden van internettoegangsdiensten en daaraan verbonden rechten voor de eindgebruiker.

(4)

Met het oog op de ontwikkeling van een consistente regelgevingspraktijk en een consistente toepassing van het regelgevend kader van de Unie voor elektronische communicatie heeft de Commissie bij Besluit 2002/627/EG van de Commissie (6) de Europese groep van regelgevende instanties voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten opgericht, die haar moet adviseren en bijstaan bij de consolidatie van de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en meer in het algemeen, de verbinding moet vormen tussen NRI’s en de Commissie.

(5)

Berec en het Bureau werden opgericht bij Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad (7). Berec verving de Europese Groep van regelgevende instanties en moest enerzijds tot de ontwikkeling en anderzijds tot de betere werking van de interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten bijdragen, door te streven naar een consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie. Berec fungeert als forum voor de samenwerking tussen de NRI’s onderling en tussen de NRI’s en de Commissie bij de uitvoering van al hun taken uit hoofde van het regelgevend kader van de Unie. Berec werd opgericht om expertise te verschaffen en onafhankelijk en transparant te handelen.

(6)

Berec dient ook als orgaan voor beraad, discussie en adviesverlening aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van elektronische communicatie.

(7)

Het Bureau werd opgericht als communautair orgaan met rechtspersoonlijkheid om de in Verordening (EG) nr. 1211/2009 omschreven taken uit te voeren, met name het verstrekken van diensten voor de professionele en administratieve ondersteuning van Berec. Om Berec doeltreffend te kunnen ondersteunen, werd aan het Bureau juridische, administratieve en financiële autonomie verleend.

(8)

Bij Besluit 2010/349/EU (8) besloten de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten dat de zetel van het Bureau in Riga zou worden gevestigd. De zetelovereenkomst tussen de regering van de Republiek Letland en het Bureau trad op 5 augustus 2011 in werking.

(9)

In haar mededeling van 6 mei 2015 met als titel „Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa” kondigde de Commissie aan dat zij in 2016 voorstellen zou indienen voor een ambitieuze revisie van het regelgevend kader voor elektronische communicatie, die onder meer gericht zouden zijn op een doeltreffender institutioneel regelgevend kader, teneinde de regels op het gebied van elektronische communicatie geschikt te maken voor het beoogde doel, waarmee de juiste voorwaarden worden geschapen voor de digitale eengemaakte markt. Daartoe behoren de uitrol van netwerken van zeer hoge capaciteit, een betere coördinatie van het beheer van het radiospectrum voor draadloze netwerken en het creëren van een gelijk speelveld voor geavanceerde digitale netwerken en innovatieve diensten. In die mededeling werd erop gewezen dat de veranderingen in de markt en de technologische omgeving een versterking van het institutionele kader vereisen, met een grotere rol voor Berec.

(10)

In zijn resolutie van 19 januari 2016, met als titel „Naar een akte voor digitale interne markt”, verzocht het Europees Parlement de Commissie te werken aan de verdere integratie van de digitale eengemaakte markt door te zorgen voor een efficiënter institutioneel kader.

(11)

Berec en het Bureau hebben een positieve bijdrage geleverd aan de consistente tenuitvoerlegging van het regelgevend kader voor elektronische communicatie. Toch zijn er nog steeds grote verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot de regelgevingspraktijk, wat nadelig is voor bedrijven die grensoverschrijdend zaken doen of die actief zijn in een aanzienlijk aantal lidstaten, ook die waar er reeds Berec-richtsnoeren bestaan, welke echter nadere ontwikkeling behoeven. Doel van deze verordening is de rol van Berec te versterken, om zo verder bij te dragen aan de ontwikkeling van de interne markt voor elektronische communicatie in de hele Unie, aan de bevordering van de toegang tot en het gebruik van netwerken van zeer hoge capaciteit, aan concurrentie in het aanbod van elektronischecommunicatienetwerken, -diensten en bijbehorende faciliteiten, en aan de belangen van de burgers van de Unie. Een dergelijke versterkte rol zou ook een aanvulling vormen op de grotere rol die Berec speelt krachtens de Verordeningen (EU) nr. 531/2012 en (EU) 2015/2120 en Richtlijn (EU) 2018/1972.

(12)

Gelet op markt- en technologische ontwikkelingen, die vaak tot vergroting van de grensoverschrijdende dimensie leiden, en op de tot dusver opgedane ervaringen bij het proberen bereiken van een consistente tenuitvoerlegging op het gebied van elektronische communicatie, moet worden voortgebouwd op het werk van Berec en het Bureau. Hun governance en activiteiten moeten worden gestroomlijnd en aangepast aan de taken die zij moeten verrichten. Gelet op de vaste procedures en de nieuwe taken die aan Berec en het Bureau zijn toegewezen, en teneinde de doeltreffendheid ervan te vergroten, moet er voor stabieler bestuur ervan worden gezorgd en moet het besluitvormingsproces worden vereenvoudigd.

(13)

Berec moet expertise verstrekken en vertrouwen helpen opbouwen dankzij zijn onafhankelijkheid, de kwaliteit van zijn advies en voorlichting, de transparantie van zijn procedures en werkmethoden, en de zorgvuldigheid waarmee het zijn taken verricht. De onafhankelijkheid van Berec mag niet beletten dat de raad van regulators beraadslaagt op basis van door de werkgroepen opgestelde ontwerpen.

(14)

De nieuwe officiële benaming van het Bureau moet „Agentschap voor de ondersteuning van BEREC” (het „Berec-Bureau”) worden. De benaming „Berec-Bureau” moet als de verkorte naam van het Bureau worden gebruikt. Het Berec-Bureau moet juridisch, bestuurlijk en financieel autonoom zijn. Te dien einde is het noodzakelijk en gepast dat het Berec-Bureau een orgaan van de Unie met rechtspersoonlijkheid is dat de hem toegekende bevoegdheden uitoefent. Als gedecentraliseerd agentschap van de Unie moet het Berec-Bureau binnen zijn mandaat en het bestaande institutionele kader opereren. Het mag niet worden beschouwd als een instantie die een standpunt van de Unie ten aanzien van de buitenwereld vertolkt of wettelijke verbintenissen voor de Unie aangaat.

(15)

De regels voor de governance en het functioneren van het Berec-Bureau moeten bovendien, waar toepasselijk, afgestemd zijn op de beginselen van de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie van 19 juli 2012 over gedecentraliseerde agentschappen.

(16)

De instellingen van de Unie en de NRI’s moeten op bijstand en advies van Berec kunnen rekenen, onder meer omtrent de regelgevingsimpact van aangelegenheden met betrekking tot de algemene dynamiek van digitale markten of omtrent hun betrekkingen, gesprekken en uitwisselingen, en het delen van goede regelgevingspraktijken met derden. Naast het leveren van bijdragen aan de openbare raadpleging van de Commissie moet Berec op verzoek de Commissie tevens advies geven bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen. Berec moet ook advies kunnen verstrekken aan het Europees Parlement en de Raad, hetzij op hun verzoek hetzij op eigen initiatief.

(17)

Als technisch orgaan met expertise op het gebied van elektronische communicatie, bestaande uit vertegenwoordigers van de NRI’s en de Commissie, is Berec bij uitstek geschikt voor taken zoals het bevorderen van efficiënte internemarktprocedures voor ontwerpen van nationale marktreguleringsmaatregelen, het verstrekken van de nodige richtsnoeren aan NRI’s en andere bevoegde autoriteiten met het oog op gemeenschappelijke criteria en een consistente regelgevingsaanpak, en het bijhouden van bepaalde registers, databanken en lijsten op het niveau van de Unie. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de taken die zijn toegewezen aan de NRI’s, die het dichtst bij de markten voor elektronische communicatie en de lokale omstandigheden staan.

(18)

Om zijn taken uit te voeren moet Berec de deskundigheid van de NRI’s blijven bundelen. Berec moet ernaar streven alle NRI’s bij de uitvoering van zijn regulerende taken en bij zijn werking te betrekken. Om Berec sterker en representatiever te maken en zijn expertise, ervaring en kennis van de specifieke situatie van alle nationale markten te bewaren, moet elke lidstaat erop toezien dat zijn NRI over voldoende financiële en personele middelen beschikt om ten volle deel te nemen aan het werk van Berec.

(19)

Gelet op de toenemende convergentie tussen de sectoren die elektronische communicatiediensten leveren en gelet op de horizontale dimensie van reguleringskwesties met betrekking tot de ontwikkeling ervan, moet het Berec en het Berec-Bureau worden toegestaan om samen te werken met — zonder afbreuk te doen aan hun rol — NRI’s, andere organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met name de Beleidsgroep Radiospectrum, opgericht bij Besluit 2002/622/EG van de Commissie (9), de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, ingesteld bij Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (10), het Europees Comité voor gegevensbescherming, ingesteld bij Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (11), de Europese Groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten, opgericht bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad (12), het agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging, opgericht bij Verordening (EU) nr. 526/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13), het Europese GNSS-Agentschap, opgericht bij Verordening (EU) nr. 912/2010 van het Europees Parlement en de Raad (14), het Netwerk voor samenwerking inzake consumentenbescherming, opgericht bij Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (15), het Europees netwerk van mededingingsautoriteiten en de Europese normalisatieorganisaties, alsook met bestaande comités (zoals het Comité voor communicatie en het Radiospectrumcomité). Berec en het Berec-Bureau moeten ook kunnen samenwerken met de relevante, voor mededinging, consumentenbescherming en gegevensbescherming bevoegde, autoriteiten van de lidstaten en met de bevoegde autoriteiten van derde landen, met name de regulerende instanties die bevoegd zijn op het gebied van elektronische communicatie of groepen van die autoriteiten alsmede met internationale organisaties, indien dit nodig is voor het vervullen van hun taken. Berec moet ook belanghebbenden kunnen raadplegen door middel van een openbare raadpleging.

(20)

Berec moet met de bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met de bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties werkafspraken mogen maken, die geen juridisch bindende verplichtingen mogen doen ontstaan. Doel van die werkafspraken kan bijvoorbeeld zijn samenwerkingsverbanden te ontwikkelen en te overleggen over reguleringsvraagstukken. De Commissie moet ervoor zorgen dat de noodzakelijke werkafspraken stroken met het beleid en de prioriteiten van de Unie, en dat Berec binnen zijn mandaat en binnen het bestaande institutionele kader functioneert, en dus niet wordt beschouwd als een instantie die een standpunt van de Unie ten aanzien van de buitenwereld vertolkt of voor de Unie internationale verbintenissen aangaat.

(21)

Berec moet bestaan uit de raad van regulators en werkgroepen. Het roulerende voorzitterschap van de raad van regulators is bedoeld om te zorgen voor continuïteit van de werkzaamheden van Berec. Het instellen van roulerende vicevoorzitters die diverse NRI’s vertegenwoordigen, wordt ook gepromoot.

(22)

Berec moet in het belang van de Unie kunnen handelen, onafhankelijk van externe invloeden, zoals politieke druk of commerciële inmenging. Het is derhalve belangrijk ervoor te zorgen dat de personen die in de raad van regulators worden aangesteld, in persoonlijk en functioneel opzicht zo onafhankelijk mogelijk zijn. Het hoofd van een NRI of een lid van het collegiale orgaan ervan, of de vervanger van een van hen, genieten deze mate van persoonlijke en functionele onafhankelijkheid. Meer in het bijzonder moeten zij onafhankelijk en objectief handelen, mogen zij geen instructies te vragen of te aanvaarden bij de uitoefening van hun taken, en moeten zij worden beschermd tegen willekeurig ontslag. De functie van de plaatsvervanger in de raad van regulators kan ook worden verricht door het hoofd van de NRI, een lid van het collegiale orgaan daarvan, de vervanger van een van hen, of door een ander personeelslid van de NRI, die handelt namens het vervangen lid van de raad van regulators en in overeenstemming met de reikwijdte van het door dit lid verstrekte mandaat.

(23)

Uit de ervaring is gebleken dat de meeste taken van Berec beter worden uitgevoerd via werkgroepen, die er altijd voor moeten zorgen dat de standpunten en bijdragen van alle NRI’s evenveel aandacht krijgen. Daarom moet de raad van regulators werkgroepen oprichten en de voorzitters daarvan benoemen. NRI’s dienen snel te reageren op verzoeken tot aanstelling, teneinde te zorgen voor de snelle oprichting van werkgroepen, met name die welke betrekking hebben op procedures waarvoor termijnen gelden. De werkgroepen moeten openstaan voor deelname door deskundigen van de Commissie. Het personeel van het Berec-Bureau moet ondersteuning verlenen en bijdragen aan de werkzaamheden van de werkgroepen.

(24)

Indien nodig moeten de raad van regulators en de raad van bestuur op ad-hocbasis eenieder van wie het advies dienstig kan zijn, kunnen uitnodigen om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.

(25)

In voorkomend geval moeten, naargelang van de taakverdeling onder autoriteiten in elke lidstaat, de standpunten van andere bevoegde autoriteiten in aanmerking worden genomen in de relevante werkgroep, bijvoorbeeld door raadplegingen op nationaal niveau of door die andere autoriteiten uit te nodigen voor de relevante vergaderingen waar hun expertise nodig is. In elk geval dient de onafhankelijkheid van Berec te worden gehandhaafd.

(26)

De raad van regulators en de raad van bestuur moeten naast elkaar werken, waarbij eerstgenoemde voornamelijk besluit over regelgevingskwesties en laatstgenoemde over bestuurlijke kwesties, zoals begroting, personeel en audits. De vertegenwoordigers van de NRI’s in de raad van bestuur dienen in beginsel, naast de vertegenwoordigers van de Commissie, dezelfde mensen te zijn als die welke zijn benoemd tot lid van de raad van regulators, maar NRI’s moeten andere vertegenwoordigers die aan dezelfde voorwaarden voldoen, kunnen aanstellen.

(27)

Voorheen werden de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag uitgeoefend door de vicevoorzitter van het comité van beheer van het Bureau. Deze verordening bepaalt dat de raad van bestuur de betreffende bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de directeur, die deze bevoegdheden op zijn beurt kan subdelegeren. Dit zou moeten bijdragen tot een efficiënt beheer van het personeel van het Berec-Bureau.

(28)

De raad van regulators en de raad van bestuur moeten ten minste twee gewone vergaderingen per jaar houden. In het licht van de opgedane ervaring en de versterkte rol van Berec kan het nodig zijn dat de raad van regulators en de raad van bestuur extra vergaderingen houden.

(29)

De directeur moet in juridische en bestuurlijke aangelegenheden de vertegenwoordiger van het Berec-Bureau blijven. De raad van bestuur moet de directeur benoemen na een open en transparante selectieprocedure om een strenge beoordeling van de kandidaten en een grote mate van onafhankelijkheid te waarborgen. De ambtstermijn van de administratief directeur van het Bureau bedroeg voorheen drie jaar. Het is noodzakelijk dat de directeur over een voldoende lang mandaat beschikt om het Berec-Bureau stabiliteit en uitzicht op een langetermijnstrategie te bieden.

(30)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie (16) dient op het Berec-Bureau van toepassing te zijn.

(31)

Het Berec-Bureau moet alle nodige professionele en administratieve ondersteuning leveren voor het werk van Berec, onder meer op financieel, organisatorisch en logistiek gebied, en moet bijdragen tot de regulerende werkzaamheden van Berec.

(32)

Om de autonomie en de onafhankelijkheid van het Berec-Bureau te waarborgen en het werk van Berec te ondersteunen, moet het Berec-Bureau over een eigen budget beschikken dat hoofdzakelijk met Uniemiddelen moet worden gefinancierd. Het budget moet toereikend zijn en de taakuitbreiding en de zwaardere rol van Berec en het Berec-Bureau moeten erin terug te zien zijn. Overeenkomstig punt 31 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (17) moet over de financiering van het Berec-Bureau overeenstemming worden bereikt door de begrotingsautoriteit.

(33)

Het Berec-Bureau moet voldoende personeel krijgen om zijn taken te vervullen. Alle aan het Berec-Bureau toebedeelde taken, de diensten die Berec professionele en administratieve ondersteuning bieden bij het uitvoeren van zijn regulerende taken, de naleving van onder meer de financiële regelgeving en het statuut, en het grotere gewicht dat de operationele taken van het Berec-bureau moeten krijgen ten opzichte van zijn administratieve taken, moeten terdege worden beoordeeld en tot uiting komen in de middelenprogrammering van het Berec-Bureau.

(34)

Met het oog op een grotere consistentie in de toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie moeten de raad van regulators, de werkgroepen en de raad van bestuur openstaan voor de deelname van op het gebied van elektronische communicatie bevoegde regulerende instanties van derde landen, indien die derde landen daartoe overeenkomsten met de Unie hebben gesloten, zoals EVA/EER-landen en kandidaat-lidstaten.

(35)

In overeenstemming met het transparantiebeginsel moeten Berec en het Berec-Bureau waar nodig informatie over hun werkzaamheden publiceren op hun webpagina. Berec moet alle definitieve documenten ter ondersteuning van zijn taken, zoals adviezen, richtsnoeren, verslagen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten en beste praktijken, alsmede alle ter ondersteuning van zijn taken bestelde studies, openbaar maken. Berec en het Berec-Bureau moeten ook geactualiseerde lijsten van hun taken en geactualiseerde lijsten van leden, plaatsvervangende leden en andere deelnemers aan de vergaderingen van hun organen bekendmaken, evenals de door de leden van de raad van regulators, door de leden van de raad van bestuur en door de directeur opgestelde belangenverklaringen.

(36)

Berec moet met ondersteuning van het Berec-Bureau binnen het kader van zijn bevoegdheden communicatieactiviteiten kunnen ontplooien, die niet ten koste van zijn kerntaken gaan. De inhoud en de uitvoering van de communicatiestrategie van Berec moeten consistent, objectief en relevant zijn, en worden gecoördineerd met de strategieën en activiteiten van de Commissie en de andere instellingen teneinde rekening te houden met het algemene beeld van de Unie. De communicatieactiviteiten van het Berec-Bureau moeten in overeenstemming zijn met de desbetreffende communicatie- en verspreidingsplannen die zijn vastgesteld door de raad van bestuur.

(37)

Om hun taken doeltreffend uit te oefenen, moeten Berec en het Berec-Bureau het recht hebben alle nodige informatie op te vragen van de Commissie, de NRI’s of, in laatste instantie, andere autoriteiten en ondernemingen. Verzoeken om informatie moeten worden gemotiveerd, moeten proportioneel zijn en mogen geen buitensporige last met zich meebrengen voor de adressaten. De NRI’s moeten met Berec en het Berec-Bureau samenwerken en moeten hen met het oog op de vervulling van hun taken tijdig en accuraat van informatie voorzien. Berec en het Berec-Bureau moeten ook, op grond van het beginsel van loyale samenwerking, alle noodzakelijke informatie delen met de Commissie, de NRI’s en andere bevoegde autoriteiten. Waar nodig moet de vertrouwelijkheid van de informatie worden gewaarborgd. Bij het beoordelen van de vraag of een verzoek naar behoren is gemotiveerd, moet Berec bekijken of de gevraagde informatie verband houdt met de uitvoering van taken die exclusief aan de relevante autoriteiten zijn toegewezen.

(38)

Het Berec-Bureau moet een gemeenschappelijk informatie- en communicatiesysteem opzetten om overlapping van informatieaanvragen te voorkomen en de communicatie tussen alle betrokken instanties te vergemakkelijken.

(39)

Om een hoge mate van vertrouwelijkheid te waarborgen en belangenconflicten te voorkomen, moeten de desbetreffende regels die voor leden van de organen van Berec en het Berec-Bureau gelden, van toepassing zijn op hun plaatsvervangers.

(40)

Aangezien deze verordening nieuwe taken verleent aan Berec en het Berec-Bureau en andere rechtshandelingen van de Unie hun nog aanvullende taken zouden kunnen verlenen, moet de Commissie het functioneren van Berec en het Berec-Bureau en de doeltreffendheid van hun institutionele structuur in een veranderende digitale omgeving, regelmatig evalueren. Indien de Commissie als resultaat van die evaluatie meent dat de institutionele structuur niet geschikt is voor het uitvoeren van de taken van Berec en het Berec-Bureau, en met name voor het waarborgen van consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie, moet zij alle mogelijke opties verkennen voor verbetering van die structuur.

(41)

Het Bureau, dat bij Verordening (EG) nr. 1211/2009 werd opgericht als communautair orgaan met rechtspersoonlijkheid, wordt opgevolgd door het bij de onderhavige verordening opgerichte Berec-Bureau met betrekking tot alle eigendomsrechten, overeenkomsten, met inbegrip van de zetelovereenkomst, wettelijke verplichtingen, arbeidsovereenkomsten, financiële verbintenissen en passiva. Het Berec-Bureau moet het personeel van het Bureau overnemen, van wie de rechten en plichten onverlet moeten worden gelaten. Voor de continuïteit in de werkzaamheden van Berec en het Bureau moeten hun vertegenwoordigers, te weten de voorzitter en vicevoorzitters van de raad van regulators, het beheerscomité en de administratief directeur, hun hele lopende ambtstermijn uitdienen.

(42)

In de meeste lidstaten blijft een aanzienlijk aantal consumenten zich trouw bedienen van traditionele vormen van internationale communicatiemiddelen zoals telefoongesprekken en sms-berichten, ook al heeft een toenemend aantal consumenten toegang tot nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten voor hun behoeften op het gebied van internationale oproepen, en dat tegen lagere tarieven dan voor traditionele diensten of zelfs zonder geldelijke betaling.

(43)

In 2013 diende de Commissie een voorstel in voor een op effecten beoordeelde verordening, met een bepaling betreffende regulerende maatregelen van toepassing op communicaties binnen de EU. Aanvullende gegevens over de markt voor communicaties binnen de EU werden van 2017 tot en met 2018 door Berec en de Commissie verzameld in het kader van een studie van de Commissie en de Eurobarometer. Wat deze gegevens laten zien, is dat er voor zowel vaste als mobiele communicatie aanzienlijke prijsverschillen blijven bestaan tussen spraak- en sms-communicatie in eigen land en diezelfde communicatie met een andere lidstaat, en dat in een context van aanzienlijke prijsvariaties tussen landen, aanbieders en tariefpakketten, alsmede tussen mobiele en vaste spraakcommunicatie. Voor communicaties binnen de EU rekenen aanbieders van openbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten dikwijls op verbruik gebaseerde prijzen aan die ruimschoots boven de prijzen voor binnenlandse tarieven liggen, plus extra kosten. Gemiddeld is de standaardprijs voor een gesprek binnen de EU via vaste of mobiele telefonie ongeveer drie keer zo hoog als de standaardprijs voor een binnenlands gesprek, en is de standaardprijs voor een sms-bericht binnen de EU meer dan twee keer zo hoog als die voor een binnenlands sms-bericht. Achter die rekenkundige gemiddelden schuilen echter aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten. In sommige gevallen kan de standaardprijs voor een gesprek binnen de EU wel oplopen tot acht keer zo hoog als de standaardprijs voor gesprekken in eigen land. Bijgevolg staan de klanten in diverse lidstaten bloot aan zeer hoge prijzen voor communicaties binnen de EU. Dergelijke hoge prijzen gelden vooral voor consumenten, en dan met name die consumenten die niet dikwijls gebruikmaken van dit type communicatie of consumenten met een laag verbruiksvolume, met andere woorden de grote meerderheid van de consumenten die gebruikmaken van communicaties binnen de EU. Tegelijkertijd hebben verscheidene aanbieders speciale aanbiedingen die bij uitstek aantrekkelijk zijn voor zakelijke klanten en consumenten met een aanzienlijk verbruik van communicaties binnen de EU. Dergelijke aanbiedingen behelzen dikwijls geen prijzen op basis van het werkelijke verbruik en kunnen bestaan uit een bepaald aantal belminuten of sms-berichten binnen de EU voor een vast maandbedrag (add-ons), of er kan een bepaald aantal belminuten of sms-berichten binnen de EU in de maandelijkse vaste hoeveelheid belminuten of sms-berichten worden opgenomen, zonder enige toeslag of met een geringe toeslag. De voorwaarden die bij dergelijke aanbiedingen gelden, zijn echter dikwijls niet aantrekkelijk voor consumenten met slechts sporadische, onvoorspelbare of betrekkelijk lage volumes aan communicaties binnen de EU. Bijgevolg lopen die consumenten het risico buitensporige prijzen te moeten betalen voor hun communicaties binnen de EU, en dienen zij te worden beschermd.

(44)

Daarnaast vormen hoge prijzen voor communicaties binnen de EU een belemmering voor de werking van de interne markt omdat zij het zoeken naar en het aankopen van goederen en diensten van een in een andere lidstaat gevestigde aanbieder ontmoedigen. Om dergelijke hoge prijzen uit de wereld te helpen, moeten er derhalve specifieke en evenredige grenzen worden gesteld aan de prijs die aanbieders van openbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten aan consumenten mogen aanrekenen voor communicaties binnen de EU.

(45)

Wanneer aanbieders van openbaar beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten hun consumenten communicaties binnen de EU aanrekenen tegen tarieven die geheel of gedeeltelijk zijn gebaseerd op het verbruik van die diensten, ook in gevallen van verbruiksgebaseerde aftrek op een maandelijkse of vooraf betaalde vaste hoeveelheid van die diensten, mogen die tarieven niet hoger liggen dan 0,19 EUR per minuut voor gesprekken en 0,06 EUR per sms-bericht. Die plafonds komen overeen met de maximumprijzen die thans gelden voor respectievelijk gereguleerde roaminggesprekken en -sms-berichten. Bij roaming binnen de Unie genieten consumenten de bescherming van het euro-spraaktarief en het euro-sms-tarief, die geleidelijk zijn vervangen door roaming tegen thuistarief. Die plafonds worden ook als een geschikt ijkpunt beschouwd voor het bepalen van het maximumtarief voor gereguleerde communicaties binnen de EU gedurende vijf jaar vanaf 15 mei 2019. De huidige hoogte van het plafond vormt een eenvoudige, transparante en beproefde bescherming tegen hoge prijzen en is geschikt als plafond voor de detailhandelsprijzen voor alle gereguleerde communicaties binnen de EU. Roaminggesprekken binnen de Unie hebben een kostenstructuur die vergelijkbaar is met andere gesprekken binnen de EU.

(46)

De plafonds moeten het de aanbieders van openbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten mogelijk maken hun kosten terug te verdienen, en aldus zorgen voor een proportionele ingreep op zowel de mobiele als de vaste spraaktelefoniemarkt. De plafonds zullen alleen rechtstreeks gelden voor op werkelijk verbruik gebaseerde tarieven. Zij dienen ook een disciplinerend effect te hebben op aanbiedingen waarin een bepaald volume communicaties binnen de EU inbegrepen is, zonder dat dit apart wordt aangerekend omdat consumenten de keuze hebben om voor hun communicaties binnen de EU op een verbruiksgebaseerd tarief over te stappen. Voor volumes communicaties binnen de EU die omvangrijker zijn dan die welke deel uitmaken van een pakket en die afzonderlijk in rekening worden gebracht, moet het plafond gelden. De maatregel moet er op een evenredige manier voor zorgen dat consumenten met een laag verbruiksniveau aan communicaties binnen de EU bescherming genieten tegen hoge prijzen, en moet tegelijkertijd slechts een beperkt effect hebben op aanbieders.

(47)

Aanbieders van openbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten moeten hun consumenten alternatieve tariefaanbiedingen kunnen doen voor internationale communicatie met verschillende tarieven voor gereguleerde communicaties binnen de EU, en consumenten moeten in vrijheid en doelbewust voor dergelijke aanbiedingen kunnen kiezen en te allen tijde kosteloos kunnen overstappen, zelfs in samenhang met aanbiedingen waarop consumenten zijn ingegaan voordat die bepalingen in werking zijn getreden. Alleen alternatieve aanbiedingen inzake internationale communicatie, zoals die met een dekking voor alle of sommige derde landen, moeten, indien een consument hiermee akkoord gaat, een aanbieder kunnen ontslaan van diens verplichting om de plafonds voor gereguleerde communicaties binnen de EU niet te overschrijden. Andere voordelen die door aanbieders aan consumenten worden aangeboden, zoals gesubsidieerde eindapparatuur of kortingen op andere elektronische-communicatiediensten, zijn een normale vorm van concurrentie en dienen de toepasselijkheid van de prijsplafonds voor gereguleerde communicaties binnen de EU onverlet te laten.

(48)

Sommige aanbieders van openbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten kunnen aanzienlijk zwaardere gevolgen van een prijsplafond voor gereguleerde communicaties binnen de EU ondervinden dan de meeste andere aanbieders in de Unie. Dat zou met name het geval kunnen zijn voor aanbieders die een bijzonder groot deel van hun inkomsten of bedrijfswinst uit communicaties binnen de EU genereren of wier binnenlandse marge, afgezet tegen de in de bedrijfstak gehanteerde benchmarks, klein is. Als gevolg van margecompressie in verband met gereguleerde communicaties binnen de EU is een aanbieder mogelijk niet in staat zijn binnenlands prijsstellingsmodel aan te houden. Dergelijke scenario’s zijn zeer onwaarschijnlijk omdat de maximumprijzen duidelijk boven de kosten voor het aanbieden van communicaties binnen de EU liggen. Niettemin moeten de NRI’s, om in dergelijke zeer uitzonderlijke scenario’s op een proportionele manier te kunnen optreden, in uitzonderlijke en gerechtvaardigde gevallen op verzoek van die aanbieder een afwijking kunnen toestaan.

(49)

Afwijkingen mogen alleen worden toegestaan indien een aanbieder aan de hand van een relevante, door Berec vastgestelde benchmark kan aantonen dat hij aanzienlijk zwaardere gevolgen ondervindt dan de meeste andere aanbieders in de Unie, en dat die gevolgen het vermogen van die aanbieder om zijn tariefmodel voor binnenlandse communicatie aan te houden, aanzienlijk zouden verzwakken. Indien een NRI een afwijking toestaat, moet zij het maximale prijsniveau bepalen dat een aanbieder voor gereguleerde communicaties binnen de EU zou kunnen toepassen en waarmee deze een concurrerend prijsniveau voor binnenlandse communicatie zou kunnen aanhouden. Dergelijke afwijkingen moeten tot één jaar worden beperkt, en moeten kunnen worden verlengd indien de aanbieder aantoont dat nog steeds aan de voorwaarden voor een afwijking wordt voldaan.

(50)

In het licht van het evenredigheidsbeginsel dient de toepasselijkheid van de prijsplafonds voor gereguleerde communicaties binnen de EU in de tijd te worden beperkt, en vijf jaar na inwerkingtreding te verstrijken. Een dergelijke beperkte duur moet het mogelijk maken de gevolgen van de maatregelen naar behoren te beoordelen, en in te schatten in welke mate de consumenten nog steeds bescherming behoeven.

(51)

Teneinde in de gehele Unie een coherente, tijdige en zo effectief mogelijke bescherming te garanderen voor consumenten die negatieve gevolgen ondervinden van de aanzienlijke prijsverschillen van communicaties binnen de EU, dienen die bepalingen rechtstreeks toepasselijk te zijn en in een verordening te worden verankerd. De meest geschikte verordening daarvoor is Verordening (EU) 2015/2120, die werd vastgesteld na een effectbeoordeling die onder meer een bepaling betreffende communicaties binnen de EU voorstelde als een noodzakelijk middel om de interne markt voor elektronische communicatie te voltooien. De waarschijnlijke effecten op de inkomsten die aanbieders genereren uit het aanbieden van communicaties binnen de EU worden verder afgezwakt door de toepassing van het euro-spraaktarief voor roaming en het euro-sms-tarief voor roaming als plafonds op zowel vaste als mobiele communicatie, hetgeen als een veiligheidsmechanisme fungeert; en doordat Berec in een analyse van 2018 heeft aangetoond dat er sprake is van een aanzienlijke afname in de vastecommunicatievolumes waarop de maatregel in de tussenliggende periode betrekking had. Die bepalingen moeten derhalve worden ingevoegd als wijziging van Verordening (EU) 2015/2120, die tevens moet worden aangepast om ervoor te zorgen dat de lidstaten regels vaststellen inzake sancties voor inbreuken op die bepalingen.

(52)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk zorgen voor de consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie, met name met betrekking tot grensoverschrijdende aspecten en door middel van efficiënte internemarktprocedures voor nationale ontwerpmaatregelen, en ervoor zorgen dat consumenten geen buitensporige prijzen worden aangerekend voor nummergebaseerde interpersoonlijke communicaties vanuit de lidstaat van de binnenlandse aanbieder van de consument naar een vast of mobiel nummer in een andere lidstaat, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van de actie beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(53)

Deze verordening wijzigt Verordening (EG) nr. 1211/2009 en breidt het toepassingsgebied ervan uit. Aangezien de aan te brengen wijzigingen ingrijpend zijn, moet die handeling ter wille van de duidelijkheid worden ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening moeten gelden als verwijzingen naar deze verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie („Berec”) en het Bureau voor ondersteuning van Berec (het „Berec-Bureau”) ingesteld.

2.   Berec en het Berec-Bureau vervangen en volgen het bij Verordening (EG) nr. 1211/2009 opgerichte Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie en het Bureau op.

Artikel 2

Rechtspersoonlijkheid van het Berec-Bureau

1.   Het Berec-Bureau is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.

2.   In elke lidstaat heeft het Berec-Bureau de ruimste handelingsbevoegdheid die bij het nationale recht aan rechtspersonen is toegekend. Het heeft met name het vermogen om roerende en onroerende goederen te verkrijgen of te vervreemden en in rechte op te treden.

3.   Het Berec-Bureau wordt vertegenwoordigd door zijn directeur.

4.   Het Berec-Bureau draagt als enige verantwoordelijkheid voor de hem toebedeelde taken en bevoegdheden.

5.   Het Berec-Bureau heeft zijn zetel in Riga.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN EN TAKEN VAN BEREC

Artikel 3

Doelstellingen van Berec

1.   Berec handelt binnen het toepassingsgebied van Verordeningen (EU) nr. 531/2012 en (EU) 2015/2120 en van Richtlijn (EU) 2018/1972.

2.   Berec streeft de in artikel 3 van de Richtlijn (EU) 2018/1972 vastgestelde doelstellingen na. Berec streeft er met name naar te zorgen voor een consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie binnen het in lid 1 omschreven toepassingsgebied.

3.   BEREC voert zijn taken onafhankelijk, onpartijdig, tijdig en op transparante wijze uit.

4.   Berec maakt gebruik van de expertise die in de nationale regulerende instanties (NRI’s) beschikbaar is.

5.   Overeenkomstig artikel 9, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/1972 zorgt elke lidstaat ervoor dat zijn NRI’s volledig kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van de Berec-organen.

6.   In lidstaten waar meer dan één NRI verantwoordelijk is krachtens Richtlijn (EU) 2018/1972 zorgen die NRI’s voor de nodige onderlinge coördinatie.

Artikel 4

Regulerende taken van Berec

1.   Berec heeft de volgende regulerende taken:

a)

assisteren en adviseren van de NRI’s, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, samenwerken met de NRI’s en de Commissie, hetzij op verzoek, hetzij op eigen initiatief, met betrekking tot alle technische aangelegenheden inzake elektronische communicatie die tot zijn mandaat behoren;

b)

op verzoek, assisteren en adviseren van de Commissie bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen op het gebied van elektronische communicatie, met inbegrip van voorstellen voor wijzigingen van deze verordening of van Richtlijn (EU) 2018/1972;

c)

adviezen verstrekken als bedoeld in Verordening (EU) nr. 531/2012 en Richtlijn (EU) 2018/1972, met name over:

i)

de beslechting van grensoverschrijdende geschillen, in overeenstemming met artikel 27 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

ii)

nationale ontwerpmaatregelen met betrekking tot internemarktprocedures voor marktregulering, in overeenstemming met de artikelen 32, 33 en 68 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

iii)

ontwerpbesluiten en aanbevelingen inzake harmonisatie, in overeenstemming met de artikelen 38 en 93 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

iv)

eind-tot-eind-verbindingen tussen eindgebruikers, in overeenstemming met artikel 61, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

v)

de vaststelling van een enkel Uniebreed maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte en een enkel Uniebreed maximumtarief voor vaste gespreksafgifte, in overeenstemming met artikel 75 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

vi)

het model van summier contract, in overeenstemming met artikel 102 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

vii)

de nationale uitvoering en werking van de algemene machtiging, en de gevolgen daarvan voor de werking van de interne markt, in overeenstemming met artikel 122, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

viii)

in voorkomend geval, de markt en de technologische ontwikkelingen met betrekking tot de verschillende soorten van elektronische-communicatiediensten en de gevolgen daarvan voor de toepassing van titel III van deel III van Richtlijn (EU) 2018/1972, in overeenstemming met artikel 123, lid 1, van die richtlijn;

d)

richtsnoeren verstrekken over de toepassing van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie, met name als bedoeld in Verordeningen (EU) nr. 531/2012 en (EU) 2015/2120 en in Richtlijn (EU) 2018/1972, betreffende:

i)

het model van kennisgeving, in overeenstemming met artikel 12 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

ii)

de coherente uitvoering van verplichtingen wat betreft geografische onderzoeken en prognoses, in overeenstemming met artikel 22 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

iii)

toepasselijke criteria ter bevordering van de consistente toepassing van artikel 61, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

iv)

gemeenschappelijke wijzen van aanpak voor het bepalen van het netwerkaansluitpunt in verschillende netwerktopologieën, in overeenstemming met artikel 61, lid 7, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

v)

gemeenschappelijke wijzen van aanpak om tegemoet te komen aan de vraag van transnationale eindgebruikers, in overeenstemming met artikel 66 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

vi)

minimumcriteria voor een referentieofferte, in overeenstemming met artikel 69 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

vii)

de bevordering van de consistente toepassing door de NRI’s van de voorwaarden beschreven in lid 76, lid 1, van en de criteria beschreven in bijlage IV bij Richtlijn (EU) 2018/1972;

viii)

criteria waaraan een netwerk moet voldoen om als een netwerk met zeer hoge capaciteit te worden beschouwd, in overeenstemming met artikel 82 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

ix)

gemeenschappelijke criteria voor de beoordeling van de bekwaamheid om nummervoorraden te beheren en van het risico van uitputting van nummervoorraden, in overeenstemming met artikel 93 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

x)

de geldende parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening, de toepasselijke meetmethoden, de inhoud en vorm van de informatie, en de kwaliteitscertificeringsmechanismen, in overeenstemming met artikel 104 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

xi)

hoe moet worden beoordeeld of de doeltreffendheid van de publieke waarschuwingssystemen uit hoofde van artikel 110, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/1972 gelijkwaardig is aan de doeltreffendheid van die uit hoofde van lid 1 van dat artikel;

xii)

toegang tot wholesaleroaming, in overeenstemming met artikel 3, lid 8, van Verordening (EU) nr. 531/2012;

xiii)

de uitvoering van de verplichtingen van de NRI’s wat open-internettoegang betreft, in overeenstemming met artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) 2015/2120;

xiv)

de parameters die door de NRI’s in aanmerking moeten worden genomen bij hun beoordeling van de houdbaarheid van binnenlandse tariefmodellen, in overeenstemming met artikel 5 bis, lid 6, van Verordening (EU) 2015/2120;

e)

op eigen initiatief of op verzoek van een NRI, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, het verstrekken van overige richtsnoeren voor de consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie en consistente regelgevingsbesluiten van de NRI’s, met name voor regelgevingskwesties met gevolgen voor een aanzienlijk aantal lidstaten of met grensoverschrijdende aspecten;

f)

in voorkomend geval, deelnemen aan het Peer Review Forum betreffende ontwerpmaatregelen inzake selectieprocedures, in overeenstemming met artikel 35 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

g)

deelnemen aan de behandeling van vraagstukken betreffende zijn marktregulerings- en concurrentiebevoegdheid op het gebied van radiospectrum, in overeenstemming met artikel 4 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

h)

analyses verrichten van mogelijke transnationale markten in overeenstemming met artikel 65 van Richtlijn (EU) 2018/1972, en van de transnationale vraag van eindgebruikers, in overeenstemming met artikel 66 van die richtlijn;

i)

informatie monitoren en vergaren en, in voorkomend geval, actuele informatie over de toepassing van Verordening (EU) nr. 531/2012 algemeen beschikbaar stellen, in overeenstemming met de artikelen 16 en 19 van die verordening;

j)

verslag uitbrengen over technische aangelegenheden die binnen zijn bevoegdheid vallen, met name over:

i)

de praktische toepassing van de adviezen en richtsnoeren als bedoeld in de punten c), d), en e);

ii)

beste praktijken van de lidstaten ter ondersteuning van het bepalen van de adequate breedbandinternettoegangsdienst, in overeenstemming met artikel 84 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

iii)

de ontwikkeling van prijsstellings- en verbruikspatronen voor zowel binnenlandse als roamingdiensten, de ontwikkeling van feitelijke wholesaleroamingtarieven voor ongelijk verkeer, het verband tussen detailhandelsprijzen, wholesaletarieven en wholesalekosten voor roamingdiensten, alsmede over transparantie en vergelijkbaarheid van tarieven, in overeenstemming met artikel 19 van Verordening (EU) nr. 531/2012;

iv)

de resultaten van de jaarlijkse verslagen die de NRI’s verstrekken, in overeenstemming met artikel 5 van Verordening (EU) 2015/2120, door bekendmaking van een jaarlijks samenvattend verslag;

v)

de marktontwikkelingen op het gebied van elektronische communicatie, zulks jaarlijks;

k)

aanbevelingen en gemeenschappelijke standpunten richten tot en goede regelgevingspraktijken verspreiden bij de NRI’s om een consistente en betere uitvoering van het regelgevend kader voor elektronische communicatie te bevorderen;

l)

een database opzetten en bijhouden van:

i)

de kennisgevingen die aan de bevoegde autoriteiten worden toegezonden door ondernemingen die aan een algemene machtiging zijn onderworpen, in overeenstemming met artikel 12 van Richtlijn (EU) 2018/1972;

ii)

de nummervoorraden met recht op extraterritoriaal gebruik binnen de Unie, in overeenstemming met artikel 93, lid 4, vierde alinea, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

iii)

in voorkomend geval, E.164-nummers van noodhulpdiensten van de lidstaten, in overeenstemming met artikel 109, lid 8, derde alinea, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

m)

de behoefte aan innovatie op regelgevingsgebied beoordelen en het optreden van NRI’s coördineren om de ontwikkeling van nieuwe innovatieve elektronische communicatie mogelijk te maken;

n)

bevorderen van het moderniseren, coördineren en standaardiseren van de gegevensvergaring door de NRI’s, waarbij deze gegevens, onverminderd de intellectuele-eigendomsrechten, de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens en het vereiste vertrouwelijkheidsniveau, openbaar worden gemaakt in een open, herbruikbaar en machineleesbaar formaat op de website van Berec en het Europese gegevensportaal;

o)

andere taken uitvoeren die het bij rechtshandelingen van de Unie, met name Verordeningen (EU) nr. 531/2012 en (EU) 2015/2120 en Richtlijn (EU) 2018/1972, zijn toegewezen.

2.   Berec maakt zijn regulerende taken openbaar en werkt die informatie bij telkens wanneer het nieuwe taken toegewezen krijgt.

3.   Berec maakt al zijn definitieve adviezen, richtsnoeren, verslagen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten, beste praktijken en in opdracht uitgevoerde studies openbaar, evenals de betreffende ontwerpdocumenten voor het houden van de openbare raadplegingen als bedoeld in lid 5.

4.   Onverminderd de naleving van het desbetreffende Unierecht houden de NRI’s en de Commissie zo veel mogelijk rekening met de richtsnoeren, adviezen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten en beste praktijken die door Berec zijn aangenomen met het oog op de consistente toepassing van het regelgevend kader voor elektronische communicatie binnen het in artikel 3, lid 1, bedoelde toepassingsgebied.

Een NRI die afwijkt van de in punt e) van lid 1 bedoelde richtsnoeren, geeft hiervoor haar redenen.

5.   Zo nodig raadpleegt Berec belanghebbende partijen en geeft het hun de gelegenheid opmerkingen te maken binnen een naar de complexiteit van de materie te bepalen redelijke termijn. Die termijn mag, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, niet korter zijn dan 30 dagen. Onverminderd artikel 38 stelt Berec de resultaten van dergelijke openbare raadplegingen ter beschikking van het publiek. Die raadplegingen vinden zo vroeg mogelijk in het besluitvormingsproces plaats.

6.   Berec kan indien nodig raadplegingen houden en samenwerken met bevoegde nationale instanties, waaronder de voor mededinging, consumentenbescherming en gegevensbescherming bevoegde instanties.

7.   Berec kan indien nodig samenwerken met bevoegde organen, instanties, agentschappen, en adviesgroepen van de Unie, alsook met de bevoegde autoriteiten van derde landen en internationale organisaties, in overeenstemming met artikel 35, lid 1.

HOOFDSTUK III

TAKEN VAN HET BEREC-BUREAU

Artikel 5

Taken van het Berec-Bureau

Het Berec-Bureau heeft de volgende taken:

a)

verlenen van professionele en administratieve ondersteuning aan Berec, met name bij de uitvoering van diens regulerende taken op grond van artikel 4;

b)

inzamelen van informatie van NRI’s en uitwisselen en doorsturen van informatie over de rol en regulerende taken van Berec op grond van artikel 4;

c)

opstellen, op basis van de in punt b) bedoelde informatie, van regelmatige ontwerpverslagen over specifieke aspecten van ontwikkelingen op de Europese elektronische-communicatiemarkt, zoals roaming- en benchmarkingverslagen, die bij Berec moeten worden ingediend;

d)

verspreiden van goede regelgevingspraktijken onder NRI’s, overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt k);

e)

ondersteunen van Berec bij het opzetten en bijhouden van registers en databanken overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt l);

f)

ondersteunen van Berec bij het opzetten en beheren van een informatie- en communicatiesysteem overeenkomstig artikel 41;

g)

ondersteunen van Berec bij het houden van openbare raadplegingen overeenkomstig artikel 4, lid 5;

h)

verlenen van assistentie bij de werkvoorbereidingen en andere administratieve en inhoudelijke ondersteuning om de soepele werking van de raad van regulators te waarborgen;

i)

op verzoek van de raad van regulators bijstand verlenen bij het opzetten van werkgroepen, bijdragen aan regulerende werkzaamheden en ondersteuning bieden om een soepele werking van deze groepen te waarborgen;

j)

andere taken uitvoeren die bij deze verordening of bij andere rechtshandelingen van de Unie aan dit Bureau zijn toegewezen.

HOOFDSTUK IV

ORGANISATIE VAN BEREC

Artikel 6

Organisatiestructuur van Berec

Berec bestaat uit:

a)

een raad van regulators;

b)

werkgroepen.

Artikel 7

Samenstelling van de raad van regulators

1.   De raad van regulators bestaat uit één lid per lidstaat. Elk lid heeft stemrecht.

Elk lid wordt benoemd door de NRI, die in hoofdzaak is belast met het toezicht op de dagelijkse werking van de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die onder Richtlijn (EU) 2018/1972 vallen. Het lid wordt benoemd uit het hoofd van de NRI, een lid van het collegiale orgaan ervan of de vervanger van een van hen.

2.   Elk lid van de raad van regulators heeft een plaatsvervanger, die door de NRI wordt benoemd. De plaatsvervanger vertegenwoordigt het lid bij diens afwezigheid. De plaatsvervanger wordt benoemd onder het hoofd van de NRI, een lid van het collegiale orgaan ervan, of de vervanger van een van hen, of andere personeelsleden van de NRI.

3.   Leden van de raad van regulators en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun kennis op het gebied van elektronische communicatie, met inachtneming van hun relevante bestuurs-, administratieve en budgettaire vaardigheden. Om de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van regulators te waarborgen, streven alle tot benoeming bevoegde NRI’s ernaar het verloop van hun leden en, voor zover mogelijk, van hun plaatsvervangers, te beperken, en streven zij naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen.

4.   De Commissie neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de raad van regulators en is op een voldoende hoog niveau vertegenwoordigd.

5.   Een actuele lijst van de leden van de raad van regulators en hun plaatsvervangers wordt samen met hun belangenverklaring openbaar gemaakt.

Artikel 8

Onafhankelijkheid van de raad van regulators

1.   Bij de uitoefening van de aan hem toebedeelde taken, en onverminderd het feit dat zijn leden namens hun respectieve NRI’s handelen, handelt de raad van regulators onafhankelijk en objectief in het belang van de Unie, ongeacht enige specifieke nationale of persoonlijke belangen.

2.   Onverminderd de in artikel 3, lid 6, bedoelde coördinatie, vragen noch aanvaarden de leden van de raad van regulators en hun plaatsvervangers instructies van een regering, instelling, persoon of orgaan.

Artikel 9

Taken van de raad van regulators

De raad van regulators heeft de volgende taken:

a)

verrichten van de in artikel 4 vastgelegde regelgevende taken van Berec, namelijk de daarin bedoelde adviezen, richtsnoeren, verslagen, aanbevelingen en gemeenschappelijke standpunten vaststellen en de daarin bedoelde goede praktijken verspreiden, daarbij steunend op het voorbereidende werk van de werkgroepen;

b)

administratieve besluiten nemen met betrekking tot de organisatie van de werkzaamheden van Berec;

c)

het in artikel 21 bedoelde jaarlijkse werkprogramma van Berec vaststellen;

d)

het in artikel 22 bedoelde jaarverslag van de werkzaamheden Berec vaststellen;

e)

regels vaststellen voor de voorkoming en het beheer van belangenconflicten als bedoeld in artikel 42, en met betrekking tot de leden van de werkgroepen;

f)

nadere voorschriften vaststellen met betrekking tot de toegang tot documenten die in het bezit zijn van Berec, overeenkomstig artikel 36;

g)

de in artikel 37, lid 2, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vaststellen, en deze regelmatig bijwerken op basis van een behoeftenanalyse;

h)

bij tweederdemeerderheid van zijn leden zijn reglement van orde vaststellen en het openbaar maken;

i)

samen met de directeur machtiging verlenen tot het sluiten van werkafspraken met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, alsook met bevoegde autoriteiten van derde landen en internationale organisaties overeenkomstig artikel 35;

j)

werkgroepen instellen en de voorzitters ervan benoemen;

k)

de directeur van het Berec-Bureau sturing verstrekken met betrekking tot het vervullen van de taken van het Berec-Bureau.

Artikel 10

Voorzitter en vicevoorzitters van de raad van regulators

1.   De raad van regulators benoemt bij tweederdemeerderheid van zijn leden uit zijn midden de directeur en ten minste twee vicevoorzitters.

2.   Een van de vicevoorzitters neemt automatisch de taken van de voorzitter op zich indien deze niet in staat is zijn taken uit te oefenen.

3.   De voorzitter wordt gekozen voor een termijn van één jaar, die één keer verlengd kan worden. Om de continuïteit van de werkzaamheden van Berec te waarborgen, fungeert de aantredende voorzitter, voor zover mogelijk, één jaar als vicevoorzitter voordat zijn ambtstermijn als voorzitter ingaat. In het reglement van orde wordt een kortere termijn voorzien indien het voor de aantredende voorzitter niet mogelijk is om één jaar als vicevoorzitter te fungeren voordat zijn ambtstermijn als voorzitter ingaat.

4.   Onverminderd de rol van de raad van regulators met betrekking tot de taken van de voorzitter, vraagt noch aanvaardt de voorzitter instructies van een regering, instelling, persoon of orgaan.

5.   De voorzitter brengt desgevraagd verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van de taken van Berec.

Artikel 11

Vergaderingen van de raad van regulators

1.   De voorzitter roept de raad van regulators in vergadering bijeen en stelt de agenda van die vergaderingen vast, welke openbaar wordt gemaakt.

2.   De raad van regulators houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar.

Buitengewone vergaderingen worden bijeengeroepen op initiatief van de voorzitter, op verzoek van ten minste drie leden van de raad van regulators of op verzoek van de Commissie.

3.   De directeur van het Berec-bureau neemt deel aan alle beraadslagingen, maar heeft geen stemrecht.

4.   De raad van regulators kan eenieder van wie het advies dienstig kan zijn, uitnodigen om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.

5.   De leden en de plaatsvervangers van de raad van regulators kunnen, met inachtneming van het reglement van orde, in de vergaderingen worden bijgestaan door hun adviseurs of andere deskundigen.

6.   Het Berec-Bureau verzorgt het secretariaat voor de raad van regulators.

Artikel 12

Stemregels van de raad van regulators

1.   De raad van regulators besluit bij een gewone meerderheid van zijn leden, tenzij anders bepaald in deze verordening of in een andere rechtshandeling van de Unie.

Een tweederdemeerderheid van de leden van de raad van regulators is vereist voor de adviezen bedoeld in artikel 4, lid 1, punt c), onder ii) en v), en de richtsnoeren bedoeld in artikel 4, lid 1, punt d), onder i) tot en met iv), vi), vii) en x).

Niettegenstaande de tweede alinea van dit lid kan de raad van regulators bij gewone meerderheid en per geval besluiten om de in artikel 4, lid 1, punt c), onder ii), van deze verordening bedoelde adviezen, die betrekking hebben op ontwerpmaatregelen die onder artikel 76, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/1972 vallen en waarbij de procedure uit hoofde van artikel 33, lid 5, van die richtlijn wordt ingeleid, bij gewone meerderheid vast te stellen.

De besluiten van de raad van regulators worden openbaar gemaakt, met vermelding van eventuele door de leden gemaakte voorbehouden indien zij daarom verzoeken.

2.   Elk lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid kan zijn plaatsvervanger diens stemrecht uitoefenen.

Bij afwezigheid van een lid en van zijn plaatsvervanger, kan het stemrecht aan een ander lid worden gedelegeerd.

De voorzitter kan in ieder geval zijn stemrecht delegeren. De voorzitter neemt deel aan de stemming, tenzij hij zijn stemrecht heeft gedelegeerd.

3.   In het reglement van orde van de raad van regulators worden de regeling voor de stemmingen, met inbegrip van de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan handelen, de quorumvoorschriften en de kennisgevingstermijnen voor de vergaderingen in detail omschreven. Bovendien waarborgt het reglement van orde dat de leden van de raad van regulators bij elke vergadering van tevoren de volledige agenda en de ontwerpvoorstellen ontvangen zodat zij vóór de stemming amendementen kunnen voorstellen. In het reglement van orde kunnen onder meer een procedure voor stemming bij hoogdringendheid en andere praktische regelingen voor het werk van de raad van regulators worden opgenomen.

Artikel 13

Werkgroepen

1.   Indien gerechtvaardigd, en met name om het jaarlijkse werkprogramma van Berec uit te voeren, kan de raad van regulators werkgroepen instellen.

2.   De raad van regulators benoemt de voorzitters van de werkgroepen, die indien mogelijk verschillende NRI’s vertegenwoordigen.

3.   De werkgroepen staan open voor deelname van deskundigen van alle NRI’s die aan de werkzaamheden van Berec en de Commissie deelnemen.

De werkgroepen staan voorts open voor deelname van het personeel van het Berec-bureau, dat bijdraagt aan de reguleringswerkzaamheden en administratieve ondersteuning aan de werkgroepen levert.

Wat betreft de werkgroepen die worden ingesteld ter uitvoering van de taken bedoeld in artikel 4, lid 1, punt c), onder ii), is niet in de deelname van de deskundigen van de Commissie voorzien.

In de werkgroepen die worden ingesteld ter uitvoering van de taken bedoeld in artikel 4, lid 1, punt c), onder iv), vi), vii) en viii), punt d), onder i), ii), ix), x) en xi), punt j), onder ii), en punt l), van deze verordening en, in voorkomend geval, in artikel 4, lid 1, punt c), onder iii), en punt j), onder i), van deze verordening, wordt rekening gehouden met de mening van deskundigen van andere bevoegde autoriteiten die op grond van artikel 5, lid 4, van Richtlijn (EU) 2018/1972 in kennis zijn gesteld.

Individuele deskundigen die erkend zijn op het betreffende gebied, kunnen door de raad van regulators of door de voorzitters van de werkgroepen worden uitgenodigd om deel te nemen aan vergaderingen van de werkgroepen, zo nodig op ad-hocbasis.

4.   De raad van regulators stelt zijn reglement van orde vast met de praktische regelingen voor het functioneren van de werkgroepen.

HOOFDSTUK V

ORGANISATIE VAN HET BEREC-BUREAU

Artikel 14

Organisatiestructuur van het Berec-Bureau

Het Berec-Bureau bestaat uit:

a)

een raad van bestuur;

b)

een directeur.

Artikel 15

Samenstelling van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur bestaat uit de personen die benoemd zijn tot lid van de raad van regulators en een hoge vertegenwoordiger van de Commissie. Elk lid van de raad van bestuur heeft stemrecht.

Elke tot benoeming bevoegde NRI, als bedoeld in artikel 7, lid 1, tweede alinea, kan een andere persoon dan het lid van de raad van regulators benoemen tot lid van de raad van bestuur. Die persoon is het hoofd van de NRI, een lid van het collegiale orgaan ervan, of de vervanger van een van hen.

2.   Elk lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger die het lid bij diens afwezigheid vertegenwoordigt.

De plaatsvervangers van elk lid zijn de personen die zijn benoemd tot plaatsvervanger van de leden van de raad van regulators. De vertegenwoordiger van de Commissie heeft ook een plaatsvervanger.

Elke tot benoeming bevoegde NRI als bedoeld in artikel 7, lid 1, tweede alinea, kan een andere persoon dan de plaatsvervanger van het lid van de raad van regulators benoemen tot plaatsvervanger van het lid van de raad van bestuur. Die persoon is het hoofd van de NRI, een lid van het collegiale orgaan ervan, de vervanger van een van hen, of een ander personeelslid van de NRI.

3.   De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers vragen noch aanvaarden instructies van een regering, instelling, persoon of orgaan.

4.   Een actuele lijst van leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers wordt samen met hun belangenverklaringen openbaar gemaakt.

Artikel 16

Administratieve taken van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur heeft de volgende administratieve taken:

a)

het algemene beleid uitzetten voor de activiteiten van het Berec-Bureau en jaarlijks het enig programmeringsdocument van het Berec-Bureau vaststellen bij tweederdemeerderheid van zijn leden, rekening houdend met het advies van de Commissie en in overeenstemming met artikel 23;

b)

bij tweederdemeerderheid van zijn leden de jaarlijkse begroting van het Berec-Bureau vaststellen en op grond van hoofdstuk VII de overige taken betreffende de begroting van het Berec-Bureau uitoefenen;

c)

het in artikel 27 bedoelde geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag van het Berec-Bureau goedkeuren, openbaar maken en beoordelen, en het verslag alsmede de beoordeling ervan jaarlijks vóór 1 juli indienen bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer;

d)

de op het Berec-Bureau toepasselijke financiële regels vaststellen overeenkomstig artikel 29;

e)

een fraudebestrijdingsstrategie vaststellen die evenredig is met de frauderisico’s, rekening houdend met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;

f)

een passende follow-up verzekeren van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne of externe auditverslagen en beoordelingen, alsook uit de onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

g)

regels vaststellen voor het voorkomen en beheersen van belangenconflicten als bedoeld in artikel 42, lid 3;

h)

de in artikel 37, lid 2, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vaststellen en deze regelmatig bijwerken op basis van een behoeftenanalyse;

i)

zijn reglement van orde vaststellen;

j)

uitvoeringsbepalingen vaststellen ter uitvoering van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (18), overeenkomstig artikel 110 van het Statuut;

k)

onverminderd het in lid 2, eerste alinea, bedoelde besluit, met betrekking tot het personeel van het Berec-Bureau, de bevoegdheden uitoefenen die krachtens het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden zijn verleend aan respectievelijk het tot aanstelling bevoegde gezag en het tot het sluiten van arbeidscontracten bevoegde gezag (de „bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag”);

l)

de directeur benoemen en, indien van toepassing, zijn ambtstermijn verlengen of hem uit zijn functie ontheffen overeenkomstig artikel 32;

m)

overeenkomstig het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden een rekenplichtige benoemen die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken;

n)

alle besluiten nemen inzake de oprichting van de interne structuren van het Berec-Bureau en deze indien nodig wijzigen, rekening houdend met de werkingsbehoeften van het Berec-Bureau en met het oog op een gezond beheer van de begroting.

Met betrekking tot punt m) van de eerste alinea kan het Berec-Bureau dezelfde rekenplichtige benoemen als een ander orgaan of een andere instelling van de Unie. Met name kunnen het Berec-Bureau en de Commissie overeenkomen dat de rekenplichtige van de Commissie ook optreedt als rekenplichtige van het Berec-Bureau.

2.   De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit krachtens artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de directeur delegeert en nader bepaalt onder welke voorwaarden die gedelegeerde bevoegdheden kunnen worden geschorst. De directeur kan die bevoegdheden op zijn beurt delegeren.

Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur besluiten de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk te schorsen en deze bevoegdheden zelf uit te oefenen of te delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de directeur.

Artikel 17

Voorzitter en vicevoorzitters van de raad van bestuur

1.   De voorzitter en de vicevoorzitters van de raad van bestuur zijn de personen die zijn benoemd tot voorzitter en vicevoorzitters van de raad van regulators. Dezelfde ambtstermijn is van toepassing.

In afwijking van de eerste alinea kan de raad van bestuur, bij tweederdemeerderheid van zijn leden, andere leden van de raad van bestuur tot voorzitter of vicevoorzitter(s) verkiezen, namelijk uit zijn leden die de lidstaten vertegenwoordigen. Hun ambtstermijn is dezelfde als die van de voorzitter en de vicevoorzitters van de raad van regulators.

2.   Een van de vicevoorzitters neemt automatisch de taken van de voorzitter op zich indien deze niet in staat is zijn taken uit te oefenen.

3.   De voorzitter van de raad van bestuur brengt desgevraagd verslag over de uitvoering van de taken van het Berec-Bureau uit aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 18

Vergaderingen van de raad van bestuur

1.   De voorzitter roept de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen.

2.   De directeur van het Berec-Bureau neemt deel aan de beraadslagingen, met uitzondering van de beraadslagingen met betrekking tot artikel 32, maar heeft geen stemrecht.

3.   De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast roept de voorzitter buitengewone vergaderingen bijeen op eigen initiatief, op verzoek van de Commissie of van ten minste drie leden van de raad van bestuur.

4.   De raad van bestuur kan eenieder van wie het advies dienstig kan zijn, uitnodigen om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.

5.   De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers kunnen, met inachtneming van het reglement van orde, in de vergaderingen worden bijgestaan door adviseurs of deskundigen.

6.   Het Berec-Bureau verzorgt het secretariaat voor de raad van bestuur.

Artikel 19

Stemregels in de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur besluit bij een gewone meerderheid van zijn leden, tenzij anders bepaald in deze verordening.

2.   Elk lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een lid kan zijn plaatsvervanger diens stemrecht uitoefenen.

Bij afwezigheid van een lid en van zijn plaatsvervanger kan het stemrecht aan een ander lid worden gedelegeerd.

3.   De voorzitter kan in ieder geval zijn stemrecht delegeren. De voorzitter neemt deel aan de stemming, tenzij hij zijn stemrecht heeft gedelegeerd.

4.   In het reglement van orde van de raad van bestuur wordt de stemprocedure nader uitgewerkt, met name de procedure voor stemming bij hoogdringendheid en de gevallen waarin een lid namens een ander lid kan handelen.

Artikel 20

Verantwoordelijkheden van de directeur

1.   De directeur is verantwoordelijk voor het administratief beheer van het Berec-Bureau. De directeur legt verantwoording af aan de raad van bestuur.

2.   De directeur assisteert de voorzitter van de raad van regulators en de voorzitter van de raad van bestuur bij de voorbereiding van de vergaderingen van hun respectieve organen.

3.   Onverminderd de bevoegdheden van de raad van regulators, de raad van bestuur en de Commissie verricht de directeur zijn taken op onafhankelijke wijze zonder instructies te vragen of te aanvaarden van een regering, instelling, persoon of orgaan.

4.   De directeur brengt desgevraagd verslag over de uitvoering van zijn taken uit aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   De directeur is de wettelijke vertegenwoordiger van het Berec-Bureau.

6.   De directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken van het Berec-Bureau volgens de richtsnoeren van de raad van regulators en de raad van bestuur. De directeur is in het bijzonder belast met:

a)

het dagelijkse bestuur van het Berec-Bureau;

b)

het uitvoeren van de bestuurlijke beslissingen die de raad van regulators en de raad van bestuur hebben genomen;

c)

het opstellen van het in artikel 23 bedoelde enig programmeringsdocument en het indienen ervan bij de raad van bestuur;

d)

het bijstaan van de raad van regulators bij het opstellen van het in artikel 22 bedoelde jaarlijkse activiteitenverslag van Berec;

e)

het bijstaan van de raad van regulators bij de voorbereiding van het in artikel 21 bedoelde jaarlijkse werkprogramma van Berec;

f)

het uitvoeren van het enig programmeringsdocument en het rapporteren over de uitvoering ervan aan de raad van bestuur;

g)

het opstellen van het geconsolideerde ontwerpjaarverslag over de in artikel 27 bedoelde activiteiten van het Berec-Bureau en het ter beoordeling en goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;

h)

het opstellen van een actieplan voor de follow-up van de conclusies van interne of externe auditverslagen en beoordelingen, alsmede van onderzoeken van OLAF, en het ten minste eenmaal per jaar rapporteren over de geboekte vooruitgang aan de raad van bestuur;

i)

het beschermen van de financiële belangen van de Unie door toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door het verrichten van effectieve controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve maatregelen, met inbegrip van financiële sancties;

j)

het vaststellen van een fraudebestrijdingsstrategie voor het Berec-Bureau en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;

k)

het opstellen van een ontwerp van financiële voorschriften voor het Berec-Bureau;

l)

het opstellen van de ontwerpraming van ontvangsten en uitgaven van het Berec-Bureau en het uitvoeren van zijn begroting;

m)

het verlenen van machtiging, samen met de raad van regulators, tot het sluiten van werkafspraken met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, en met bevoegde autoriteiten van derde landen en internationale organisaties in overeenstemming met artikel 35.

7.   De directeur neemt, onder het toezicht van de raad van bestuur, de nodige maatregelen, met name met betrekking tot de vaststelling van interne administratieve instructies en de publicatie van berichten, om ervoor te zorgen dat het Berec-Bureau in overeenstemming met deze verordening functioneert.

8.   De directeur besluit, onder voorbehoud van de voorafgaande toestemming van de Commissie, de raad van bestuur en de betrokken lidstaat of lidstaten, of het voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de taken van het Berec-Bureau noodzakelijk is een of meer personeelsleden te vestigen in een of meer lidstaten. In het besluit wordt de reikwijdte van de te verrichten activiteiten op zodanige wijze omschreven dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van het Berec-Bureau worden vermeden. Alvorens een dergelijk besluit wordt genomen, worden de gevolgen ervan voor de toewijzing van personeel en middelen in het in artikel 23, lid 4, bedoelde meerjarige programmeringsdocument beschreven.

HOOFDSTUK VI

PROGRAMMERING VAN BEREC

Artikel 21

Jaarlijkse werkprogramma van Berec

1.   Uiterlijk 31 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop het jaarlijkse werkprogramma betrekking heeft, legt de raad van regulators de grote lijnen van het jaarlijkse werkprogramma vast. Na raadpleging van het Europees Parlement, de Raad, en de Commissie over hun prioriteiten, alsmede van andere belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 4, lid 5, stelt de raad van regulators het definitieve jaarlijkse werkprogramma uiterlijk 31 december van dat jaar vast.

2.   De raad van regulators zendt het jaarlijkse werkprogramma, zodra dit is vastgesteld, toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Artikel 22

Jaarlijkse activiteitenverslag van Berec

1.   De raad van regulators stelt het jaarverslag over de activiteiten van Berec vast.

2.   De raad van regulators zendt het jaarlijks activiteitenverslag van Berec uiterlijk 15 juni van elk jaar toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

HOOFDSTUK VII

BEGROTING EN PROGRAMMERING VAN HET BEREC-BUREAU

Artikel 23

Jaarlijkse en meerjarige programmering

1.   Elk jaar stelt de directeur een ontwerp van programmeringsdocument op dat de jaarlijkse en meerjarige programmering bevat („enig programmeringsdocument”), in overeenstemming met artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013, rekening houdend met de richtsnoeren van de Commissie.

Uiterlijk 31 januari van elk jaar keurt de raad van bestuur het ontwerp van enig programmeringsdocument goed en dient hij het voor advies in bij de Commissie. Het ontwerp van enig programmeringsdocument wordt ook ingediend bij het Europees Parlement en de Raad.

De raad van bestuur stelt het enig programmeringsdocument vervolgens vast, rekening houdend met het advies van de Commissie. Hij dient het enig programmeringsdocument, en alle latere actualiseringen ervan, in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Het enig programmeringsdocument wordt definitief na de vaststelling van de algemene begroting van de Unie en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast.

2.   Het jaarlijkse programmeringsdocument bevat gedetailleerde doelstellingen en verwachte resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren. Het bevat voorts een beschrijving van de te financieren acties en een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere actie worden toegewezen overeenkomstig de beginselen betreffende activiteitsgestuurd begroten en beheer, zoals vermeld in artikel 31. Het jaarlijkse programmeringsdocument is consistent met de grote lijnen van het jaarlijkse werkprogramma en het definitieve jaarlijkse werkprogramma van Berec als bedoeld in artikel 21 en met het in lid 4 van dit artikel bedoelde meerjarige programmeringsdocument van het Berec-Bureau. Het vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.

3.   De raad van bestuur wijzigt het jaarlijkse programmeringsdocument na de vaststelling van het in artikel 21 bedoelde definitieve jaarlijkse werkprogramma van Berec indien nodig en telkens wanneer Berec of het Berec-Bureau met een nieuwe taak wordt belast.

Elke wezenlijke wijziging in het jaarlijkse programmeringsdocument wordt vastgesteld volgens dezelfde procedure als die op basis waarvan het oorspronkelijke jaarlijkse programmeringsdocument is vastgesteld. De raad van bestuur kan aan de directeur de bevoegdheid delegeren om niet-materiële wijzigingen door te voeren in het jaarlijkse programmeringsdocument.

4.   Het meerjarige programmeringsdocument bevat een omschrijving van de algemene strategische programmering, met inbegrip van de doelstellingen, verwachte resultaten en prestatie-indicatoren. Het bevat ook de programmering van de middelen, met inbegrip van de meerjarige begroting en de personele middelen.

Deze programmering van de middelen wordt jaarlijks bijgewerkt. De strategische programmering wordt in voorkomend geval bijgewerkt, met name om rekening te houden met de resultaten van de in artikel 48 bedoelde evaluatie.

5.   Het enig programmeringsdocument van het Berec-Bureau omvat de uitvoering van de strategie van Berec voor betrekkingen met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met bevoegde instanties van derde landen en met internationale organisaties als bedoeld in artikel 35, lid 3, de maatregelen die verband houden met die strategie en de vermelding van de bijbehorende middelen.

Artikel 24

Vaststelling van de begroting

1.   Elk jaar stelt de directeur een voorlopige ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Berec-Bureau („de ontwerpraming”) voor het volgende begrotingsjaar, met inbegrip van de personeelsformatie, en dient deze in bij de raad van bestuur.

De informatie in de ontwerpraming is consistent met het ontwerp van enig programmeringsdocument als bedoeld in artikel 23, lid 1.

2.   De directeur dient de ontwerpraming elk jaar uiterlijk 31 januari in bij de Commissie.

3.   De Commissie dient de ontwerpraming, samen met het ontwerp van algemene begroting van de Unie, in bij de begrotingsautoriteit.

4.   Op basis van de ontwerpraming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie, en de bijdrage ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van algemene begroting van de Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) indient bij de begrotingsautoriteit.

5.   De begrotingsautoriteit keurt de kredieten goed voor de bijdrage aan het Berec-Bureau.

6.   De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Berec-Bureau vast.

7.   De raad van bestuur stelt de begroting van het Berec-Bureau vast. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast.

8.   Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 is van toepassing op alle bouwprojecten die significante gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het Berec-Bureau.

Artikel 25

Structuur van de begroting

1.   Voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar, worden alle ontvangsten en uitgaven van het Berec-Bureau geraamd en vervolgens in de begroting van het Berec-Bureau opgenomen.

2.   De ontvangsten en uitgaven van het Berec-Bureau moeten in evenwicht zijn.

3.   Onverminderd andere middelen bestaan de ontvangsten van het Berec-Bureau uit:

a)

een bijdrage van de Unie;

b)

eventuele vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten of de NRI’s;

c)

vergoedingen voor publicaties en andere diensten van het Berec-Bureau;

d)

eventuele bijdragen van derde landen of van de regulerende instanties die bevoegd zijn op het gebied van elektronische communicatie van derde landen die deelnemen aan de werkzaamheden van het Berec-Bureau, als bedoeld in artikel 35.

4.   De uitgaven van het Berec-Bureau omvatten de bezoldiging van het personeel, uitgaven voor administratie en infrastructuur, en werkingskosten.

Artikel 26

Uitvoering van de begroting

1.   De directeur voert de begroting van het Berec-Bureau uit.

2.   De directeur dient jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 27

Geconsolideerde jaarlijks activiteitenverslag

De raad van bestuur stelt de geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslagen vast overeenkomstig artikel 47 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013, rekening houdend met de richtsnoeren van de Commissie.

Artikel 28

Indiening van de rekeningen en kwijting

1.   De rekenplichtige van het Berec-Bureau dient de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar uiterlijk 1 maart van het volgende begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie en bij de Rekenkamer.

2.   Het Berec-Bureau dient het verslag over het budgettaire en financiële beheer uiterlijk 31 maart van het volgende begrotingsjaar in bij het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

3.   Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Berec-Bureau stelt de rekenplichtige van het Berec-Bureau de definitieve rekeningen van het Berec-Bureau op onder zijn eigen verantwoordelijkheid. De directeur dient de definitieve rekeningen voor advies in bij de raad van bestuur.

4.   De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het Berec-Bureau.

5.   De directeur dient de definitieve rekeningen, samen met het advies van de raad van bestuur, uiterlijk 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

6.   Het Berec-Bureau maakt de definitieve rekeningen uiterlijk 15 november van het volgende jaar bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

7.   De directeur dient uiterlijk 30 september van het volgende begrotingsjaar een antwoord in bij de Rekenkamer op de door haar geformuleerde opmerkingen. De directeur dient dit antwoord eveneens in bij aan de raad van bestuur.

8.   De directeur dient bij het Europees Parlement, op diens verzoek, overeenkomstig artikel 165, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (19), alle inlichtingen in die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.

9.   Vóór 15 mei van het jaar N+2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar N.

Artikel 29

Financiële regels

De financiële regels die op het Berec-Bureau van toepassing zijn, worden na raadpleging van de Commissie vastgesteld door de raad van bestuur. Deze financiële regels mogen slechts afwijken van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 indien een dergelijke afwijking voor de werking van het Berec-Bureau vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.

HOOFDSTUK VIII

PERSONEEL VAN HET BEREC-BUREAU

Artikel 30

Algemene bepaling

Het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, en de regels die in onderling overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie ter uitvoering van dit Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, zijn van toepassing op het personeel van het Berec-Bureau.

Artikel 31

Aantal personeelsleden van het Berec-Bureau

1.   Overeenkomstig het beginsel van activiteitsgestuurd beheer van personele middelen beschikt het Berec-Bureau over de voor het uitoefenen van zijn taken noodzakelijke personeelsleden.

2.   Het aantal personeelsleden en de overeenkomstige financiële middelen worden voorgesteld overeenkomstig artikel 23, leden 2 en 4, en artikel 24, lid 1, rekening houdend met artikel 5, punt a), en alle andere bij deze verordening en andere rechtshandelingen van de Unie aan het Berec-Bureau toegewezen taken, alsmede met de noodzaak te voldoen aan de op alle gedecentraliseerde agentschappen van de Unie toepasselijke verordeningen.

Artikel 32

Benoeming van de directeur

1.   De directeur wordt als tijdelijk functionaris van het Berec-Bureau in dienst genomen overeenkomstig artikel 2, punt a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

2.   De directeur wordt door de raad van bestuur benoemd na een open en transparante procedure op basis van verdienste, beheers-, bestuurs- en budgettaire vaardigheden en de inzake elektronischecommunicatienetwerken en -diensten relevante vaardigheden.

De lijst van kandidaten wordt niet uitsluitend door de voorzitter of een vicevoorzitter voorgesteld. Het reglement van orde van de raad van bestuur geeft een gedetailleerde beschrijving van de regelingen voor een procedure voor het opstellen van een beperkte lijst van in aanmerking komende kandidaten en voor een stemprocedure.

3.   Voor het sluiten van de arbeidsovereenkomst met de directeur wordt het Berec-Bureau vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.

4.   Vóór de benoeming wordt de door de raad van bestuur gekozen kandidaat verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.

5.   De ambtstermijn van de directeur bedraagt vijf jaar. Aan het einde van die termijn verricht de voorzitter van de raad van bestuur een beoordeling waarin rekening wordt gehouden met de evaluatie van de prestaties van de directeur en de taken en uitdagingen van het Berec-Bureau. Die beoordeling wordt bij het Europees Parlement en de Raad ingediend.

6.   Rekening houdend met de in lid 5 bedoelde beoordeling kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de directeur eenmaal verlengen met ten hoogste vijf jaar.

7.   De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. Binnen één maand voorafgaand aan die verlenging kan de directeur worden gevraagd een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.

8.   Een directeur wiens ambtstermijn is verlengd, neemt na afloop van de totale termijn niet deel aan een nieuwe selectieprocedure voor hetzelfde ambt.

9.   Indien de ambtstermijn niet wordt verlengd, blijft de directeur na afloop van de initiële ambtstermijn bij besluit van de raad van bestuur in functie totdat een opvolger wordt benoemd.

10.   De directeur kan alleen uit zijn functie worden ontheven bij besluit van de raad van bestuur op voorstel van een lid.

11.   De raad van bestuur besluit bij tweederdemeerderheid van zijn leden over de benoeming, de verlenging van de ambtstermijn of de ontheffing uit de functie van de directeur.

Artikel 33

Gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden

1.   Het Berec-Bureau kan een beroep doen op gedetacheerde nationale deskundigen of andere personeelsleden die niet bij het Berec-Bureau in dienst zijn. Het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden zijn niet van toepassing op deze personeelsleden.

2.   De regels voor de detachering van nationale deskundigen bij het Berec-Bureau worden vastgesteld bij besluit van de raad van bestuur.

HOOFDSTUK IX

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 34

Voorrechten en immuniteiten

Op het Berec-Bureau en zijn personeel is het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie van toepassing.

Artikel 35

Samenwerking met organen van de Unie, derde landen en internationale organisaties

1.   Voor zover noodzakelijk om de doelstellingen van deze verordening te bereiken en om zijn taken te vervullen, en onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten en de instellingen van de Unie, kunnen Berec en het Berec-Bureau samenwerken met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, bevoegde autoriteiten van derde landen en internationale organisaties.

Daartoe kunnen Berec en het Berec-Bureau, onder voorbehoud van de voorafgaande goedkeuring door de Commissie, werkafspraken maken. Die afspraken doen geen juridische verplichtingen ontstaan.

2.   De raad van regulators, de werkgroepen en de raad van bestuur staan open voor deelname van regulerende instanties van derde landen met primaire bevoegdheid op het gebied van elektronische communicatie, indien die derde landen met de Unie overeenkomsten in die zin hebben gesloten.

Krachtens de betreffende bepalingen van die overeenkomsten worden werkafspraken gemaakt met een omschrijving van met name de aard, de omvang en de manier waarop de regulerende instanties van de betrokken derde landen zonder stemrecht zullen deelnemen aan de werkzaamheden van Berec en het Berec-Bureau, met inbegrip van bepalingen betreffende de deelname aan initiatieven van Berec, financiële bijdragen en personeel van het Berec-Bureau. Wat personeelszaken betreft, voldoen deze regelingen in elk geval aan het Statuut.

3.   In het kader van het in artikel 21 bedoelde jaarlijkse werkprogramma stelt de raad van regulators de strategie van Berec vast voor betrekkingen met bevoegde organen, instanties, agentschappen en adviesgroepen van de Unie, met bevoegde autoriteiten van derde landen en met internationale organisaties inzake aangelegenheden die onder de bevoegdheden van Berec vallen. De Commissie, Berec, en het Berec-Bureau maken passende werkafspraken om ervoor te zorgen dat Berec en het Berec-Bureau binnen hun mandaat en het bestaande institutionele kader handelen.

Artikel 36

Toegang tot documenten en gegevensbescherming

1.   Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (20) is van toepassing op de documenten die in het bezit van Berec en het Berec-Bureau zijn.

2.   De raad van regulators en de raad van bestuur stellen uiterlijk op 21 juni 2019 de nadere regels ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast.

3.   Verordening (EU) 2018/1725 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door Berec en het Berec-Bureau.

4.   De raad van regulators en de raad van bestuur stellen uiterlijk op 21 juni 2019 maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door Berec en het Berec-Bureau, onder meer betreffende de benoeming van de functionaris voor gegevensbescherming van het Berec-Bureau. Die maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

Artikel 37

Transparantie en communicatie

1.   Berec en het Berec-Bureau verrichten hun werkzaamheden met een hoge mate van transparantie. Berec en het Berec-Bureau zorgen ervoor dat het publiek en alle belanghebbende partijen toegang hebben tot passende, objectieve, betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie, met name over hun taken en de resultaten van hun werkzaamheden.

2.   Berec kan, met ondersteuning van het Berec-Bureau, op eigen initiatief communicatieactiviteiten verrichten die binnen zijn bevoegdheidsgebied vallen, zulks overeenkomstig de door de raad van regulators vastgestelde toepasselijke communicatie- en verspreidingsplannen. De toewijzing van middelen binnen de begroting van het Berec-Bureau voor een dergelijke ondersteuning van communicatieactiviteiten doet geen afbreuk aan de doeltreffende uitoefening van de in artikel 4 genoemde taken van Berec of de in artikel 5 genoemde taken van het Berec-Bureau.

De communicatieactiviteiten van het Berec-Bureau worden uitgevoerd in overeenstemming met de desbetreffende door de raad van bestuur vastgestelde communicatie- en verspreidingsplannen.

Artikel 38

Vertrouwelijkheid

1.   Onverminderd artikel 36, lid 1, en artikel 40, lid 2, maken Berec en het Berec-Bureau aan derden geen door hen verwerkte of ontvangen informatie openbaar waarvoor een gemotiveerd verzoek om gehele of gedeeltelijke vertrouwelijke behandeling is ingediend.

2.   Leden en andere deelnemers aan de vergaderingen van de raad van regulators, de raad van bestuur en de werkgroepen, de directeur, gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet in dienst van het Berec-Bureau zijn, leven de vertrouwelijkheidsverplichtingen krachtens artikel 339 VWEU na, zelfs na beëindiging van hun functie.

3.   De raad van regulators en de raad van bestuur stellen de praktische regelingen vast voor de toepassing van de in de leden 1 en 2 bedoelde vertrouwelijkheidsbepalingen.

Artikel 39

Veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

Berec en het Berec-Bureau stellen hun eigen veiligheidsvoorschriften vast die gelijkwaardig zijn aan de veiligheidsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, waaronder voorschriften betreffende de uitwisseling, verwerking en opslag van dergelijke informatie, zoals vastgesteld in de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 (21) en (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (22). Berec of het Berec-Bureau kan tevens een besluit nemen tot overeenkomstige toepassing van de voorschriften van de Commissie.

Artikel 40

Uitwisseling van informatie

1.   Op gemotiveerd verzoek van Berec of het Berec-Bureau verstrekken de Commissie en de in de raad van regulators vertegenwoordigde NRI’s en andere bevoegde autoriteiten Berec of het Berec-Bureau tijdig en accuraat alle informatie die nodig is om hun taken uit te voeren, op voorwaarde dat zij rechtens inzage in de betreffende informatie kunnen verkrijgen en het verzoek om informatie noodzakelijk is gezien de aard van de betrokken taak.

Berec of het Berec-Bureau kan ook verlangen dat deze informatie regelmatig en in een nader omschreven formaat wordt verstrekt. Voor deze verzoeken wordt, waar mogelijk, gebruikgemaakt van gemeenschappelijke rapportageformulieren.

2.   Op gemotiveerd verzoek van de Commissie, of van een NRI, verstrekt Berec of het Berec-Bureau, op grond van het beginsel van loyale samenwerking, tijdig en accuraat alle informatie die nodig is om de Commissie, de NRI of een andere bevoegde autoriteit in staat te stellen haar taken uit te voeren. Wanneer informatie volgens Berec of het Berec-Bureau vertrouwelijk is, garanderen de Commissie, de NRI of de andere bevoegde autoriteit de vertrouwelijkheid overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 1049/2001. De vertrouwelijkheid van bedrijfsgegevens vormt geen belemmering om tijdig informatie uit te wisselen.

3.   Alvorens overeenkomstig dit artikel informatie op te vragen en om dubbele rapportageverplichtingen te vermijden houdt Berec of het Berec-Bureau rekening met alle relevante bestaande informatie die openbaar beschikbaar is.

4.   Wanneer informatie niet tijdig beschikbaar wordt gesteld door de NRI’s, kan Berec of het Berec-Bureau een gemotiveerd verzoek richten tot andere NRI’s en andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, of rechtstreeks tot de betrokken aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken, -diensten en bijbehorende faciliteiten.

Berec of het Berec-Bureau brengt de NRI’s die geen informatie hebben verstrekt, op de hoogte van de verzoeken overeenkomstig de eerste alinea.

Op verzoek van Berec of het Berec-Bureau staan de NRI’s Berec bij het verzamelen van de informatie bij.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de NRI’s en andere bevoegde autoriteiten van andere verantwoordelijke nationale autoriteiten of van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, bijbehorende faciliteiten of bijbehorende diensten kunnen verlangen dat zij alle informatie verstrekken die nodig is voor het uitvoeren van hun taken als bedoeld in dit artikel.

De in de eerste alinea bedoelde andere verantwoordelijke nationale autoriteiten of aanbieders verstrekken die informatie op verzoek terstond en overeenkomstig de vereiste termijnen en mate van gedetailleerdheid.

De lidstaten zorgen ervoor dat de NRI’s en andere bevoegde autoriteiten die verzoeken om informatie kunnen afdwingen door het opleggen van passende, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

Artikel 41

Informatie- en communicatiesysteem

1.   Het Berec-Bureau creëert en beheert een informatie- en communicatiesysteem met ten minste de volgende functies:

a)

een gemeenschappelijk platform voor de uitwisseling van informatie dat Berec, de Commissie en de NRI’s de noodzakelijke informatie verschaft voor een consistente tenuitvoerlegging van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie;

b)

een specifieke interface voor verzoeken om informatie en kennisgeving betreffende die verzoeken bedoeld in artikel 40, toegankelijk voor Berec, het Berec-Bureau, de Commissie en de NRI’s;

c)

een platform voor het vroegtijdig bepalen van de behoefte inzake coördinatie tussen de NRI’s.

2.   De raad van bestuur stelt de technische en functionele specificaties vast teneinde het in lid 1 bedoelde informatie- en communicatiesysteem op te zetten. Dat systeem neemt intellectuele-eigendomsrechten en het vereiste vertrouwelijkheidsniveau in acht.

3.   Het informatie- en communicatiesysteem is uiterlijk op 21 juni 2020 operationeel.

Artikel 42

Belangenverklaringen

1.   De leden van de raad van regulators en van de raad van bestuur, de directeur, de gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet in dienst van het Berec-Bureau zijn, leggen elk een schriftelijke verbintenissenverklaring af over het bestaan van directe of indirecte belangen die hun onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten.

Dergelijke verklaringen worden afgelegd wanneer verantwoordelijkheden worden opgenomen, zijn accuraat en volledig, en worden geactualiseerd telkens er een risico is dat er een direct of indirect belang bestaat dat de onafhankelijkheid van de persoon die de verklaring aflegt, zou kunnen aantasten.

De verklaringen van de leden van de raad van regulators, de leden van de raad van bestuur en de directeur worden openbaar gemaakt.

2.   De leden van de raad van regulators, van de raad van bestuur en van de werkgroepen, en andere deelnemers aan de vergaderingen van die organen, de directeur, de gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet in dienst van het Berec-Bureau zijn, leggen elk uiterlijk bij de aanvang van elke vergadering een nauwkeurige en volledige verklaring af over belangen met betrekking tot agendapunten die hun onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten, en nemen niet deel aan de bespreking van en de stemming over die punten.

3.   De raad van regulators en de raad van bestuur stellen de regels vast voor de preventie en het beheer van belangenconflicten en, in het bijzonder, voor de praktische regelingen voor de toepassing van de leden 1 en 2.

Artikel 43

Fraudebestrijding

1.   Om de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten krachtens Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (23) te bevorderen, treedt het Berec-Bureau uiterlijk op 21 juni 2019 toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (24) en stelt het op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord passende voorschriften vast voor alle personeelsleden van het Berec-Bureau.

2.   De Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van het Berec-Bureau EU-middelen hebben ontvangen, controles op basis van stukken en verificaties ter plaatse te verrichten.

3.   OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (25) onderzoeken verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit of een contract, gefinancierd door het Berec-Bureau.

4.   Onverminderd de leden 1, 2 en 3 worden in samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten bepalingen opgenomen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke controles en onderzoeken te verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

Artikel 44

Aansprakelijkheid

1.   De contractuele aansprakelijkheid van het Berec-Bureau wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de betrokken overeenkomst.

2.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie („het Hof van Justitie”) is bevoegd om uitspraak te doen op grond van arbitrageclausules in door het Berec-Bureau gesloten overeenkomsten.

3.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Berec-Bureau, in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, de door zijn diensten of personeelsleden bij de uitoefening van hun taken veroorzaakte schade.

4.   Het Hof van Justitie heeft rechtsmacht voor geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.

5.   Voor de persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden ten aanzien van het Berec-Bureau gelden de bepalingen van het Statuut of van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

Artikel 45

Administratieve onderzoeken

Overeenkomstig artikel 228 VWEU zijn de activiteiten van Berec en van het Berec-Bureau onderworpen aan onderzoeken door de Europese Ombudsman.

Artikel 46

Talenregeling

1.   Verordening nr. 1 van de Raad (26) is van toepassing op het Berec-Bureau.

2.   De voor het functioneren van het Berec-Bureau vereiste vertaaldiensten worden verricht door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 47

Zetelovereenkomst en voorwaarden voor de werking

1.   De regelingen betreffende de huisvesting van het Berec-Bureau in de gastlidstaat en de door deze lidstaat ter beschikking te stellen faciliteiten, alsmede de specifieke regels die in de gastlidstaat gelden voor de directeur, de leden van de raad van bestuur, de personeelsleden van het Berec-Bureau en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een zetelovereenkomst tussen het Berec-Bureau en de gastlidstaat, die wordt gesloten na goedkeuring door de raad van bestuur en niet later dan 21 december 2020.

2.   De gastlidstaat biedt de noodzakelijke voorwaarden voor de vlotte en efficiënte werking van het Berec-Bureau, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.

Artikel 48

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 21 december 2023 en vervolgens om de vijf jaar verricht de Commissie een evaluatie in overeenstemming met de richtsnoeren van de Commissie om de prestaties van Berec en het Berec-Bureau te toetsen aan hun doelstellingen, mandaat, taken en locatie. De evaluatie richt zich in het bijzonder op de vraag of de structuur of het mandaat van Berec en het Berec-Bureau moet worden gewijzigd en op de financiële gevolgen van een dergelijke wijziging.

2.   Indien de Commissie van oordeel is dat het voortbestaan van Berec of het Berec-Bureau niet langer gerechtvaardigd is in het licht van de doelstellingen, het mandaat en de taken die hun zijn toegewezen, kan zij voorstellen deze verordening dienovereenkomstig te wijzigen of in te trekken.

3.   De Commissie brengt bij het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur verslag uit van de bevindingen van haar evaluatie en maakt deze openbaar.

Artikel 49

Overgangsbepalingen

1.   Het Berec-Bureau volgt het Bureau op dat werd opgericht bij Verordening (EG) nr. 1211/2009 met betrekking tot alle eigendomsrechten, overeenkomsten, wettelijke verplichtingen, arbeidsovereenkomsten, financiële verbintenissen en passiva.

Deze verordening heeft met name geen gevolgen voor de rechten en verplichtingen van het personeel van het Bureau. De arbeidsovereenkomsten van deze personeelsleden kunnen op grond van de onderhavige verordening worden verlengd overeenkomstig het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en in overeenstemming met de budgettaire beperkingen van het Berec-Bureau.

2.   Met ingang van 20 december 2018 treedt de op grond van Verordening (EG) nr. 1211/2009 benoemde administratief directeur op als directeur met de taken waarin deze verordening voorziet. De andere voorwaarden van de arbeidsovereenkomst van de administratief directeur blijven ongewijzigd.

3.   De raad van bestuur kan besluiten de ambtstermijn van de in lid 2 van dit artikel bedoelde directeur met een termijn te verlengen. Artikel 32, leden 5 en 6, is van overeenkomstige toepassing. De totale ambtstermijn van de directeur bedraagt maximaal tien jaar.

4.   De in artikel 7 van deze verordening bedoelde raad van regulators bestaat uit de leden van de raad van regelgevers als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1211/2009, en de in artikel 15 van deze verordening bedoelde raad van bestuur bestaat uit de leden van het comité van beheer als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1211/2009, totdat nieuwe vertegenwoordigers worden benoemd.

5.   De voorzitters en de vicevoorzitters van de raad van regulators en van het comité van beheer die zijn benoemd op basis van Verordening (EG) nr. 1211/2009, blijven voor de resterende tijd van hun eenjarige termijn in functie als voorzitter en vicevoorzitters van de raad van regulators zoals bedoeld in artikel 10 van de onderhavige verordening, en als voorzitter en vicevoorzitters van de raad van bestuur zoals bedoeld in artikel 17 van de onderhavige verordening. Benoemingen op basis van Verordening (EG) nr. 1211/2009 tot voorzitter of vicevoorzitter van de raad van regulators en van het comité van beheer die dateren van vóór 20 december 2018 maar ook na die datum nog effecten sorteren, worden gerespecteerd.

6.   De kwijtingsprocedure met betrekking tot de begrotingen die zijn goedgekeurd op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1211/2009 wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij die verordening vastgestelde voorschriften.

Artikel 50

Wijzigingen van Verordening (EU) 2015/2120

Verordening (EU) 2015/2120 wordt als volgt gewijzigd:

1.

de titel wordt vervangen door:

„Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en retailtarieven voor gereguleerde communicaties binnen de EU en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG en Verordening (EU) nr. 531/2012”;

2.

aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   Bij deze verordening worden tevens gemeenschappelijke regels vastgesteld om ervoor te zorgen dat consumenten geen buitensporige prijzen worden aangerekend voor nummergebaseerde interpersoonlijke communicaties vanuit de lidstaat van de binnenlandse aanbieder van de consument naar een vast of mobiel nummer in een andere lidstaat.”;

3.

Aan artikel 2, tweede alinea, worden de volgende punten toegevoegd:

„3.   „gereguleerde communicaties binnen de EU”: elke nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst vanuit de lidstaat van de binnenlandse aanbieder van de consument naar een vast of mobiel nummer van het nationale nummerplan van een andere lidstaat, die geheel of gedeeltelijk in rekening wordt gebracht op basis van het feitelijke gebruik;

4.   „nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst”: een nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad (*1).

(*1)  Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB L 321 van 17 december 2018, blz. 36).”;"

4.

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 5 bis

Retailtarieven voor gereguleerde communicaties binnen de EU

1.   Vanaf 15 mei 2019 bedraagt de retailprijs (exclusief btw) die aan consumenten wordt aangerekend voor gereguleerde communicaties binnen de EU maximaal 0,19 EUR per minuut voor oproepen en 0,06 EUR per sms-bericht.

2.   Niettegenstaande de in lid 1 genoemde verplichtingen kunnen aanbieders van gereguleerde communicaties binnen de EU daarenboven een door de consument uitdrukkelijk te kiezen tarief voor internationale communicaties, inclusief gereguleerde communicaties binnen de EU, aanbieden dat verschilt van het overeenkomstig lid 1 vastgestelde tarief, waardoor de consument een ander tarief voor gereguleerde communicaties binnen de EU heeft dan wanneer hij deze keuze niet zou hebben gehad. Alvorens consumenten voor dat andere tarief kiezen, informeert de aanbieder van gereguleerde communicaties binnen de EU hen over de aard van de voordelen die daardoor verloren zouden gaan.

3.   Indien een tarief voor gereguleerde communicaties binnen de EU als bedoeld in lid 2 het in lid 1 vastgestelde plafond overschrijdt, krijgen consumenten die niet binnen een periode van twee maanden met ingang van 15 mei 2019 hun keuze voor een in lid 2 bedoeld tarief hebben bevestigd of laten blijken, automatisch de in lid 1 vastgestelde tarieven.

4.   Consumenten kunnen kosteloos overschakelen van of naar een in lid 1 vastgesteld tarief binnen één werkdag na ontvangst door de aanbieder van het verzoek, en de aanbieder zorgt ervoor dat een dergelijke overschakeling geen voorwaarden of beperkingen met betrekking tot andere bestanddelen van het abonnement dan de gereguleerde communicaties binnen de EU inhoudt.

5.   Indien de in lid 1 bedoelde maximumprijzen in een andere munteenheid dan de euro zijn uitgedrukt, worden de initiële grenswaarden in die munteenheden vastgesteld door toepassing van het gemiddelde van de referentiewisselkoersen die op 15 januari, 15 februari en 15 maart 2019 door de Europese Centrale Bank in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt. De grenswaarden in andere munteenheden dan de euro worden vanaf 2020 jaarlijks herzien. De jaarlijks herziene grenswaarden in die munteenheden worden vanaf 15 mei van kracht op basis van het gemiddelde van de referentiewisselkoersen die op 15 januari, 15 februari en 15 maart van hetzelfde jaar zijn bekendgemaakt.

6.   De nationale regelgevende instanties houden toezicht op de markt- en prijsontwikkelingen voor gereguleerde communicaties binnen de EU en brengen verslag uit aan de Commissie.

Indien een aanbieder van gereguleerde communicaties binnen de EU aantoont dat de toepassing van het in lid 1 bedoelde plafond vanwege specifieke en uitzonderlijke omstandigheden die hem van de meeste andere aanbieders in de Unie onderscheiden, aanzienlijke gevolgen zou hebben voor zijn capaciteit om zijn bestaande prijzen voor binnenlandse communicaties aan te houden, kan een nationale regelgevende instantie, op verzoek van die aanbieder, slechts een afwijking van lid 1 toestaan voor zover nodig en voor een hernieuwbare periode van één jaar. De beoordeling van de houdbaarheid van het binnenlands tariefmodel is gebaseerd op relevante objectieve factoren die specifiek zijn voor de aanbieder van gereguleerde communicaties binnen de EU en het binnenlandse prijs- en inkomstenniveau.

Indien de aanbieder die het verzoek heeft ingediend, het vereiste bewijs heeft geleverd, bepaalt de nationale regelgevende instantie voor een of beide plafonds als vastgesteld in lid 1 de maximumtoeslag die onontbeerlijk is om ervoor te zorgen dat het binnenlandse tariefmodel van de aanbieder kan worden aangehouden. Berec maakt richtsnoeren bekend met betrekking tot de parameters waarmee de nationale regelgevende instanties rekening moeten houden bij hun beoordeling.”;

5.

aan artikel 6 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op artikel 5 bis en treffen alle nodige maatregelen om de uitvoering van die sancties te garanderen. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 15 mei 2019 in kennis van de ter uitvoering van artikel 5 bis vastgestelde regels en bepalingen, en delen eventuele latere wijzigingen daarvan zo spoedig mogelijk aan haar mee.”;

6.

aan artikel 10 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   Artikel 5 bis verstrijkt op 14 mei 2024.”.

Artikel 51

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1211/2009 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 52

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 december 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

J. BOGNER-STRAUSS


(1)  PB C 125 van 21.4.2017, blz. 65.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 14 november 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 4 december 2018.

(3)  Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot instelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (zie bladzijde 36 van dit Publicatieblad).

(4)  Verordening (EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 172 van 30.6.2012, blz. 10).

(5)  Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).

(6)  Besluit 2002/627/EG van de Commissie van 29 juli 2002 tot oprichting van de Europese Groep van regelgevende instanties voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (PB L 200 van 30.7.2002, blz. 38).

(7)  Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot oprichting van het orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) en het Bureau (PB L 337 van 18.12.2009, blz. 1).

(8)  Besluit van 31 mei 2010, in onderlinge overeenstemming genomen door de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, betreffende de plaats van vestiging van het Bureau van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec) (2010/349/EU) (PB L 156 van 23.6.2010, blz. 12).

(9)  Besluit 2002/622/EG van de Commissie van 26 juli 2002 tot oprichting van een Beleidsgroep Radiospectrum (PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49).

(10)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21 november 2018, blz. 39).

(11)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(12)  Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) nr. 912/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 tot oprichting van het Europese GNSS-Agentschap, tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad inzake de beheersstructuren van de Europese programma’s voor radionavigatie per satelliet en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 11).

(14)  Verordening (EU) nr. 526/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 460/2004 (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 41).

(15)  Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming („verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming”) (PB L 364 van 9.12.2004, blz. 1).

(16)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42).

(17)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(18)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(19)  Verordening (EU, Euratom) nr. 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014, en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(20)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(21)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).

(22)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(23)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(24)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(25)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(26)  Verordening nr. 1 van de Raad tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).


BIJLAGE

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1211/2009

Deze verordening

Artikel 1, lid 1

Artikel 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 3, lid 1

Artikel 1, lid 3

Artikel 3, leden 2 en 3

Artikel 1, lid 4

Artikel 3, lid 4, en artikel 4, lid 1, onder a) en b)

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4, lid 1

Artikel 6

Artikel 4, lid 2

Artikel 7, leden 1, 2 en 4, artikel 8, leden 1 en 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 11, leden 4 en 5, en artikel 36

Artikel 4, lid 4

Artikel 10, leden 1 tot en met 3

Artikel 4, lid 5

Artikel 10, lid 4

Artikel 4, lid 6

Artikel 11

Artikel 4, lid 7

Artikel 13

Artikel 4, lid 8

Artikel 7, lid 4

Artikel 4, lid 9

Artikel 12, leden 1 en 2

Artikel 4, lid 10

Artikel 12, lid 3

Artikel 4, lid 11

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 4

Artikel 6, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 5

Artikel 6, lid 3

Artikel 14, lid 1

Artikel 6, lid 4

Artikel 2, lid 2

Artikel 6, lid 5

Artikelen 20 en 31

Artikel 7, lid 1

Artikel 15, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 32

Artikel 7, lid 3

Artikel 20, lid 6

Artikel 7, lid 4

Artikel 16, lid 1, onder k)

Artikel 7, lid 5

Artikel 13

Artikel 8

Artikel 32

Artikel 9

Artikel 20

Artikel 10, lid 1

Artikelen 30 en 34

Artikel 10, lid 2

Artikel 16, lid 1, onder j)

Artikel 10, lid 3

Artikel 16, lid 2

Artikel 10, lid 4

Artikel 33

Artikel 11

Artikel 25

Artikel 12

Artikel 24

Artikel 13

Artikel 26

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 29

Artikel 16

Artikel 43

Artikel 17

Artikel 4, lid 5

Artikel 18

Artikel 37

Artikel 19

Artikelen 39 en 40

Artikel 20

Artikel 38

Artikel 21

Artikel 42

Artikel 22

Artikel 36

Artikel 23

Artikel 34

Artikel 24

Artikel 44

Artikel 25

Artikel 48

Artikel 26

Artikel 52


RICHTLIJNEN

17.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 321/36


RICHTLIJN (EU) 2018/1972 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2018

tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

gezien het voorstel van de Europese Commissie,

na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijnen 2002/19/EG (4), 2002/20/EG (5), 2002/21/EG (6) en 2002/22/EC (7) van het Europees Parlement en de Raad zijn ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, moeten die richtlijnen ter wille van de duidelijkheid worden herschikt.

(2)

De werking van de vijf richtlijnen die deel uitmaken van het huidige regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, namelijk Richtlijn 2002/19/EG, Richtlijn 2002/20/EG, Richtlijn 2002/21/EG, Richtlijn 2002/22/EG en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) is onderworpen aan een periodieke toetsing door de Commissie, met name om te bepalen of wijzigingen nodig zijn in het licht van technologische en marktontwikkelingen.

(3)

In haar mededeling van 6 mei 2015 houdende een strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa heeft de Commissie verklaard dat zij bij de herziening van het telecommunicatiekader het accent zou leggen op maatregelen die erop gericht zijn investeringen in snelle breedbandnetwerken te stimuleren, een consistente, op de interne markt gebaseerde, benadering van radiospectrumbeleid en -beheer volgen, de voorwaarden scheppen voor een echte interne markt door versnippering van de regelgeving te bestrijden en zorgen voor de doeltreffende bescherming van consumenten, een gelijk speelveld voor alle marktpartijen en een consequente toepassing van de regels, alsmede een doeltreffender institutioneel regelgevingskader bieden.

(4)

Deze richtlijn maakt deel uit van een initiatief voor gezonde regelgeving (REFIT), dat vier richtlijnen, namelijk de Richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG, en Verordening (EG) nr. 1211/2009 van het Europees Parlement en de Raad (9) omvat. Elk van die vier richtlijnen bevat maatregelen die van toepassing zijn op aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten, een weerspiegeling van de geschiedenis van de regelgeving van de sector, die uit verticaal geïntegreerde ondernemingen bestond, namelijk ondernemingen die zowel netwerken als diensten aanboden. Deze herziening biedt de mogelijkheid tot herschikking van de vier richtlijnen om de huidige structuur te vereenvoudigen teneinde de samenhang en toegankelijkheid ervan te versterken ten aanzien van de REFIT-doelstelling. Ook biedt zij de mogelijkheid de structuur aan te passen aan de nieuwe marktsituatie, waarin het aanbieden van communicatiediensten niet meer per definitie samenhangt met het aanbieden van een netwerk. Zoals bepaald in het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten (10), betekent een herschikking dat een nieuwe wetgevingshandeling wordt vastgesteld, waarin zowel de inhoudelijke wijzigingen die in eerdere besluiten worden aangebracht, als de ongewijzigde bepalingen van die besluiten in één tekst worden gebundeld. Het voorstel voor een herschikking heeft betrekking op de materiële wijzigingen die het in een vorig besluit aanbrengt en omvat daarnaast de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van het vorige besluit met die materiële wijzigingen.

(5)

Deze richtlijn schept een juridisch kader dat waarborgt dat de vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten te leveren slechts wordt beperkt door de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden en eventuele beperkingen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met name maatregelen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, en overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”).

(6)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor iedere lidstaat om noodzakelijke maatregelen te treffen, om voor de bescherming van zijn essentiële veiligheidsbelangen te zorgen, de openbare orde en de openbare veiligheid te garanderen, en het onderzoek, de opsporing en de vervolging van misdrijven mogelijk te maken, in aanmerking nemend dat beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden, met name in de artikelen 7, 8 en 11 daarvan, zoals beperkingen op het verwerken van gegevens, bij wet moeten worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen en aan het evenredigheidsbeginsel moeten voldoen, overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest.

(7)

De convergentie van de sectoren telecommunicatie, media en informatietechnologie houdt in dat alle elektronischecommunicatienetwerken en -diensten zoveel mogelijk binnen eenzelfde in één richtlijn vastgesteld Europees wetboek voor elektronische communicatie moeten vallen, met uitzondering van aspecten waarvoor middels verordeningen rechtstreeks toepasselijke regels worden vastgesteld. Het is noodzakelijk dat de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken en -diensten wordt gescheiden van de regelgeving inzake inhoud. Deze richtlijn bestrijkt derhalve niet de inhoud van de diensten die via elektronischecommunicatienetwerken met behulp van elektronischecommunicatiediensten worden geleverd, zoals de inhoud van omroepprogramma's, financiële diensten en bepaalde diensten van de informatiemaatschappij, en doet geen afbreuk aan maatregelen die door de Unie of lidstaten, overeenkomstig het Unierecht, worden genomen om de culturele en taalkundige verscheidenheid te bevorderen en het pluralisme in de media te garanderen. De inhoud van televisieprogramma's valt onder Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad (11). Het reguleren van audiovisueel beleid en audiovisuele inhoud strekt tot het verwezenlijken van doelstellingen van algemeen belang, zoals vrijheid van meningsuiting, pluralisme van de media, onpartijdigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale insluiting, consumentenbescherming en de bescherming van minderjarigen. De scheiding tussen de regelgeving inzake elektronische communicatie en de regelgeving inzake inhoud doet niet af aan het feit dat rekening wordt gehouden met de verbanden die tussen beide bestaan, met name om pluralisme in de media, culturele verscheidenheid en consumentenbescherming te garanderen. Binnen de grenzen van hun bevoegdheden moeten de bevoegde instanties er mee op toezien dat maatregelen met die doelstellingen worden uitgevoerd.

(8)

Deze richtlijn laat de toepassing van Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad (12) op radioapparatuur onverlet, maar heeft wel betrekking op autoradio-ontvangers en ontvangers voor radio voor consumenten, en op digitaletelevisieapparatuur voor consumenten.

(9)

Om de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties in staat te stellen de doelstellingen van deze richtlijn te behalen, met name wat de eind-tot-eind interoperabiliteit betreft, moet het toepassingsgebied van de richtlijn worden uitgebreid tot bepaalde aspecten van radioapparatuur in de zin van Richtlijn 2014/53/EU en consumentenapparatuur die voor digitale televisie wordt gebruikt, teneinde de toegang voor eindgebruikers met een handicap te vergemakkelijken. Het is belangrijk dat netwerkexploitanten en fabrikanten van apparatuur door nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties worden aangemoedigd om door samenwerking de toegang tot elektronischecommunicatiediensten voor eindgebruikers met een handicap te vergemakkelijken. Deze richtlijn moet eveneens van toepassing zijn op niet-exclusief gebruik van radiospectrum voor persoonlijk gebruik van radioapparaten, zonder verband met een economische activiteit, teneinde een gecoördineerd machtigingsbeleid te waarborgen.

(10)

Bepaalde elektronischecommunicatiediensten die onder deze richtlijn vallen, kunnen ook vallen binnen de reikwijdte van de definitie „dienst van de informatiemaatschappij” in artikel 1 van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad (13). De in die richtlijn opgenomen bepalingen inzake diensten van de informatiemaatschappij zijn op die elektronischecommunicatiediensten van toepassing voor zover noch deze richtlijn, noch andere rechtshandelingen van de Unie meer specifieke regels inzake elektronischecommunicatiediensten bevatten. Elektronischecommunicatiediensten, zoals spraaktelefonie, berichtendiensten en e-maildiensten, vallen wel onder deze richtlijn. Dezelfde onderneming, bijvoorbeeld een verstrekker van internetdiensten, kan een elektronischecommunicatiedienst aanbieden, zoals internettoegang, en diensten die niet onder deze richtlijn vallen, zoals de levering van niet-communicatiegerelateerde internetinhoud.

(11)

Door eenzelfde onderneming, bv. een kabelexploitant, kunnen tegelijkertijd elektronischecommunicatiediensten, zoals het doorgeven van televisiesignalen, en niet onder deze richtlijn vallende diensten, zoals radio- of televisiediensten, worden aangeboden; derhalve kunnen aan een dergelijke onderneming in verband met haar activiteit als aanbieder of verdeler van inhoud bijkomende verplichtingen worden opgelegd overeenkomstig andere bepalingen dan die van deze richtlijn en onverminderd de in een bijlage bij deze richtlijn vastgestelde lijst van voorwaarden.

(12)

Het regelgevingskader moet van toepassing zijn op het gebruik van radiospectrum door alle elektronischecommunicatienetwerken, met inbegrip van persoonlijk gebruik van radiospectrum door nieuwe types netwerken die uitsluitend bestaan uit autonome systemen van mobiele radioapparatuur die draadloos met elkaar is verbonden zonder centraal beheer of een gecentraliseerde netwerkexploitant en niet noodzakelijk aan de uitoefening van een specifieke economische activiteit is gekoppeld. In de zich ontwikkelende 5G-draadlozecommunicatieomgeving zullen dergelijke netwerken zich wellicht verder ontwikkelen, met name buiten gebouwen en op de weg, voor vervoer, energie, onderzoek en ontwikkeling, e-gezondheid, civiele bescherming en rampenbestrijding, het internet der dingen, machine-to-machine en onderling communicerende auto's. Bijgevolg moet de toepassing door de lidstaten, op basis van artikel 7 van Richtlijn 2014/53/EU, van aanvullende nationale regels voor het in gebruik nemen of het gebruiken van dergelijke radioapparatuur, of beide, met betrekking tot het effectieve en efficiënte gebruik van radiospectrum en het vermijden van schadelijke interferentie sporen met de beginselen van de interne markt.

(13)

De eisen ten aanzien van de mogelijkheden van elektronischecommunicatienetwerken liggen steeds hoger. Terwijl het accent in het verleden vooral lag op de algemene beschikbaarheid van toenemende bandbreedte voor elke individuele gebruiker, worden andere parameters zoals de wachttijd, beschikbaarheid en betrouwbaarheid steeds belangrijker. Het huidige antwoord op die vraag bestaat erin optische vezel steeds dichter bij de gebruiker te brengen, en toekomstige netwerken met zeer hoge capaciteit vereisen prestatieparameters die overeenkomen met hetgeen kan worden geboden door een netwerk dat minstens tot aan het distributiepunt uit optische-vezelcomponenten bestaat. Voor vaste netwerkaansluitingen stemt dit overeen met prestaties die vergelijkbaar zijn met die van een glasvezelinstallatie tot bij een meergezinswoning, die als het distributiepunt wordt beschouwd. Voor draadloze aansluitingen stemt dit overeen met prestaties die vergelijkbaar zijn met wat haalbaar is met een glasvezelinstallatie tot bij het basisstation, dat hier als distributiepunt geldt. Om te bepalen of een draadloos netwerk al dan niet vergelijkbare prestaties levert, moet geen rekening worden gehouden met variaties in de eindgebruikerservaring die het gevolg zijn van de uiteenlopende kenmerken van het medium waarmee het netwerk uiteindelijk op het netwerkaansluitpunt is aangesloten. Overeenkomstig het beginsel van technologieneutraliteit mogen andere technologieën en transmissiemedia niet worden uitgesloten wanneer zij prestaties bieden die vergelijkbaar zijn met dat referentiescenario. De uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit zal waarschijnlijk de mogelijkheden van netwerken verder doen toenemen en de weg vrijmaken voor de uitrol van toekomstige generaties draadloze netwerken op basis van een verbeterde etherinterface en een dichtere netwerkarchitectuur.

(14)

De definities moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat ze in overeenstemming zijn met het beginsel van technologieneutraliteit en gelijke tred te houden met de technologische ontwikkeling, waaronder nieuwe vormen van netwerkbeheer, zoals via software-emulatie of softwaregedefinieerde netwerken. Ten gevolge van technologische en marktontwikkelingen zijn netwerken overgeschakeld op internetprotocoltechnologie (IP-technologie) en kunnen eindgebruikers kiezen tussen een reeks concurrerende leveranciers van spraakdiensten. Daarom moet de term „openbare telefoondiensten”, die uitsluitend in Richtlijn 2002/22/EG wordt gebruikt en doorgaans wordt geïnterpreteerd als een verwijzing naar traditionele analoge spraaktelefonie, worden vervangen door de meer hedendaagse en technologieneutrale term „spraakcommunicatiedienst”. De voorwaarden voor de levering van een dienst moeten worden gescheiden van de feitelijke definitie van een spraakcommunicatiedienst, namelijk een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst voor het initiëren en ontvangen, direct dan wel indirect, van nationale of nationale en internationale oproepen met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan, ongeacht of die dienst circuitgeschakeld of pakketgeschakeld is. Een dergelijke dienst is per definitie bidirectioneel, zodat beide partijen kunnen communiceren. Een dienst die niet aan al die voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld een „doorklik”-toepassing op een website van een klantenservice, behoort niet tot dit soort diensten. Spraakcommunicatiediensten omvatten tevens specifieke communicatiemiddelen voor eindgebruikers met een handicap, die gebruikmaken van diensten die spraak omzetten in tekst („text relay”) of van diensten voor totale conversatie.

(15)

De voor communicatie gebruikte diensten en de technische middelen waarmee ze worden geleverd, zijn sterk veranderd. Eindgebruikers maken in plaats van traditionele spraaktelefonie, tekstberichten (SMS) en e-mail steeds meer gebruik van functioneel gelijkwaardige onlinediensten zoals voice over IP, berichtendiensten en webmail. Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers en hun rechten bij het gebruik van functioneel gelijkwaardige diensten dezelfde reële bescherming genieten, moet een toekomstgerichte definitie van elektronischecommunicatiediensten niet uitsluitend gebaseerd zijn op technische parameters maar vanuit functioneel oogpunt worden benaderd. De draagwijdte van de nodige regulering moet afgestemd worden op de doelstellingen van algemeen belang. Hoewel het „overbrengen van signalen” een belangrijke parameter blijft om te bepalen welke diensten onder deze richtlijn vallen, moet de definitie ook van toepassing zijn op andere diensten waarmee communicatie tot stand kan worden gebracht. Vanuit het standpunt van de eindgebruiker heeft het geen belang of de aanbieder zelf signalen overbrengt, dan wel of de communicatie via een internettoegangsdienst tot stand komt. De definitie van elektronischecommunicatiediensten moet derhalve drie types diensten omvatten, die elkaar gedeeltelijk kunnen overlappen, namelijk internettoegangsdiensten als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad (14), interpersoonlijke communicatiediensten als gedefinieerd in deze richtlijn en diensten die hoofdzakelijk of volledig uit het overbrengen van signalen bestaan.De definitie van elektronischecommunicatiediensten moet een einde maken aan de dubbelzinnige situaties bij de toepassing van de definitie zoals die vóór de vaststelling van deze richtlijn bestond en ervoor zorgen dat de specifieke rechten en verplichtingen in het kader van de verschillende soorten diensten doelgericht en per bepaling kunnen worden toegepast. De verwerking van persoonsgegevens door elektronischecommunicatiediensten, al dan niet tegen vergoeding, moet gebeuren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (15).

(16)

Om onder de definitie van elektronischecommunicatiediensten te vallen, moet een dienst normaal gezien tegen vergoeding worden aangeboden. In de digitale economie zijn marktdeelnemers steeds meer van oordeel dat informatie over gebruikers een financiële waarde bezit. Elektronischecommunicatiediensten worden vaak aan de eindgebruiker aangeboden niet alleen in ruil voor geld, maar in toenemende mate ook, en in het bijzonder, in ruil voor de levering van persoonsgegevens of andere gegevens. Het begrip vergoeding moet daarom worden verruimd tot situaties waarin een aanbieder van diensten de eindgebruiker verzoekt persoonsgegevens in de zin van Verordening (EU) 2016/679 te verstrekken en de eindgebruiker die gegevens, of andere gegevens, bewust op directe of indirecte wijze aan de aanbieder verstrekt. Het moet ook van toepassing zijn op situaties waarin de eindgebruiker toegang tot informatie verleent zonder die informatie actief te verstrekken, zoals persoonsgegevens, waaronder het IP-adres, of andere automatisch gegenereerde informatie, zoals informatie die door cookies wordt verzameld en doorgegeven. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) inzake artikel 57 VWEU (16) is er ook sprake van dienstverrichting tegen vergoeding als bedoeld in het VWEU wanneer de aanbieder van de dienst wordt betaald door een derde partij en niet door de ontvanger van de dienst. Het begrip vergoeding moet daarom ook van toepassing zijn op situaties waarin een eindgebruiker als voorwaarde om toegang te krijgen tot de dienst wordt blootgesteld aan reclame, of waarin de dienstverrichter de overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 verzamelde gegevens te gelde maakt.

(17)

Interpersoonlijke communicatiediensten zijn diensten die een interactieve uitwisseling van informatie tussen personen mogelijk maken, zoals traditionele telefoongesprekken tussen twee personen, maar ook alle soorten e-mails, berichtendiensten of groepchats. Interpersoonlijke communicatiediensten omvatten alleen communicatie tussen een door de afzender van de communicatie bepaald aantal, d.w.z. een niet potentieel oneindig aantal, natuurlijke personen. Communicatie waarbij rechtspersonen zijn betrokken, moet onder de definitie vallen wanneer natuurlijke personen namens die rechtspersoon handelen of minstens bij één kant van de communicatie zijn betrokken. Interactieve communicatie betekent dat de dienst de ontvanger van de informatie de mogelijkheid biedt te antwoorden. Diensten die niet aan die eisen voldoen, zoals lineaire uitzendingen, video op verzoek, websites, sociale netwerken, blogs of de uitwisseling van informatie tussen machines, mogen niet als interpersoonlijke communicatiediensten worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen mag een dienst niet als een interpersoonlijke communicatiedienst worden beschouwd wanneer de persoonlijke en interactieve communicatiemogelijkheid slechts een beperkte en louter bijkomstige functie is bij een andere dienst en om objectieve technische redenen niet zonder die hoofddienst kan worden gebruikt en de integratie daarvan geen middel is om de regels inzake elektronischecommunicatiediensten te omzeilen. Als onderdeel van een vrijstelling van de definitie moeten de termen „beperkt” en „louter bijkomstig” restrictief en vanuit een objectief eindgebruikersperspectief worden geïnterpreteerd. Een interpersoonlijke communicatiefunctie kan als beperkt worden beschouwd wanneer het objectieve nut ervan voor een eindgebruiker zeer gering is en wanneer zij in werkelijkheid nauwelijks door eindgebruikers wordt gebruikt. Een voorbeeld van een kenmerk dat buiten het toepassingsgebied van de definitie van interpersoonlijke communicatiediensten zou kunnen vallen, zou, in principe, een communicatiekanaal in onlinespellen kunnen zijn, afhankelijk van de kenmerken van de communicatiemogelijkheid van de dienst.

(18)

Interpersoonlijke communicatiediensten die gebruik maken van nummers uit nationale en internationale nummerplannen staan in verbinding met openbaar toegewezen nummervoorraden. Nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten zijn zowel diensten waaraan eindgebruikers zijn toegewezen om de eind-tot-eindverbinding te waarborgen als diensten waarmee eindgebruikers personen kunnen bereiken aan wie die nummers zijn toegewezen. Het gebruik van een nummer als identificatiemiddel mag niet op gelijke voet worden gesteld met het gebruik van een nummer om verbinding te maken met openbaar toegewezen nummers en volstaat derhalve niet om te besluiten dat een dienst een nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst is. Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten mogen alleen aan verplichtingen worden onderworpen wanneer vanwege het algemeen belang specifieke wettelijke verplichtingen moeten worden opgelegd aan alle types elektronischecommunicatiediensten, ongeacht of voor de verlening van de dienst gebruik wordt gemaakt van nummers. Een verschillende behandeling van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten is gerechtvaardigd omdat die diensten deel uitmaken en derhalve de voordelen genieten van een openbaar gewaarborgd interoperabel ecosysteem.

(19)

Het netwerkaansluitpunt vormt voor regelgevingsdoeleinden een grens tussen het regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de regeling voor telecommunicatie-eindapparatuur. Bepaling van de locatie van netwerkaansluitpunten valt onder de bevoegdheid van de nationale regelgevende instantie. In het licht van de praktijk van de nationale regelgevende instanties en de verschillende situaties inzake vaste en draadloze netwerken, moet het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (Berec), in nauw overleg met de Commissie, richtsnoeren vaststellen inzake een gemeenschappelijke aanpak voor de bepaling van het netwerkaansluitpunt, overeenkomstig deze richtlijn, in diverse concrete situaties.

(20)

Technische ontwikkelingen zorgen ervoor dat eindgebruikers niet alleen via de telefoon maar ook via andere interpersoonlijke communicatiediensten toegang krijgen tot noodhulpdiensten. Het begrip noodcommunicatie moet derhalve alle interpersoonlijke communicatiediensten waarmee de noodhulpdiensten kunnen worden bereikt, bestrijken. Het bouwt voort op de elementen van noodsystemen waarin het Unierecht reeds voorziet, namelijk een alarmcentrale (Public Safety Answering Point — PSAP) en een meest geschikte alarmcentrale zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad (17), en noodhulpdiensten zoals gedefinieerd in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 305/2013 van de Commissie (18).

(21)

Er dient een geharmoniseerde verzameling doelstellingen en beginselen te zijn waarop de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hun acties baseren en aan de hand waarvan zij die, indien nodig, met de instanties van andere lidstaten en met Berec, coördineren bij de uitvoering van hun taken binnen dit regelgevingskader.

(22)

De taken die in deze richtlijn zijn toegewezen aan bevoegde instanties dragen bij tot de verwezenlijking van breder beleid op het gebied van cultuur, werkgelegenheid, milieu, sociale samenhang en ruimtelijke ordening.

(23)

Naast de bestaande drie hoofddoelstellingen, namelijk bevordering van de mededinging, de interne markt en de belangen van de eindgebruiker, moet het regelgevingskader een aanvullende connectiviteitsdoelstelling nastreven, uitgedrukt in resultaten: brede toegang tot en invoering van netwerken met zeer hoge capaciteit voor alle Unieburgers en alle bedrijven in de Unie, op basis van een redelijke prijs en keuze, daadwerkelijke en eerlijke concurrentie, open innovatie, efficiënt gebruik van radiospectrum, gemeenschappelijke regels en een voorspelbare regelgevingsaanpak in de interne markt, en de noodzakelijke sectorspecifieke regels om de belangen van de burgers te beschermen. Voor de lidstaten, nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties en belanghebbenden wordt die connectiviteitsdoelstelling enerzijds vertaald in het streven naar netwerken met een maximale capaciteit en economisch duurzame diensten in een bepaald gebied, en anderzijds in het streven naar territoriale samenhang dankzij de convergentie van de in verschillende gebieden beschikbare capaciteit.

(24)

De verwezenlijking van de algemene doelstellingen van deze richtlijn dient te worden bevorderd door middel van een robuust systeem voor doorlopende evaluatie en benchmarking van de lidstaten door de Commissie, wat de beschikbaarheid betreft van netwerken met zeer hoge capaciteit bij alle belangrijke sociaaleconomische actoren, zoals scholen, vervoersknooppunten, grote aanbieders van openbare diensten en in hoge mate gedigitaliseerde ondernemingen, de beschikbaarheid van ononderbroken 5G-dekking in stedelijke gebieden en op belangrijke transportroutes over land, en de beschikbaarheid voor alle huishoudens in elke lidstaat van elektronischecommunicatienetwerken met een minimale snelheid van 100 Mbps en de mogelijkheid van een snelle upgrade naar gigabitsnelheden. Daartoe moet de Commissie de prestaties van de lidstaten blijven volgen, bijvoorbeeld met indexen van relevante indicatoren van de digitale prestaties van de Unie en indexen die de ontwikkeling van het digitale concurrentievermogen van de lidstaten volgen, zoals de index van de digitale economie en samenleving, en indien nodig nieuwe methoden en nieuwe objectieve, concrete en kwantificeerbare criteria vaststellen voor het benchmarken van de doeltreffendheid van de lidstaten.

(25)

Het principe dat de lidstaten het Unierecht op technologieneutrale wijze moeten toepassen, dat wil zeggen dat een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie het gebruik van een bepaald type technologie niet mag voorschrijven of bevoordelen, sluit niet uit dat evenredige maatregelen worden genomen om bepaalde specifieke diensten te bevorderen wanneer dit gerechtvaardigd is om de doelstellingen van het regelgevingskader te verwezenlijken, bijvoorbeeld digitale televisie als middel om de radiospectrumefficiency te vergroten. Evenmin sluit dat principe uit dat rekening wordt gehouden met het feit dat bepaalde transmissiemedia dankzij hun fysieke kenmerken en architectuur beter scoren op het gebied van kwaliteit van de dienstverlening, capaciteit, onderhoudskosten, energie-efficiëntie, beheerflexibiliteit, betrouwbaarheid, robuustheid en aanpasbaarheid en uiteindelijk beter presteren, wat bepalend kan zijn voor de acties die worden genomen om de regelgevingsdoelstellingen te verwezenlijken.

(26)

Efficiënte investeringen en mededinging moeten tegelijkertijd worden aangemoedigd, teneinde economische groei, innovatie en de keuzevrijheid voor de consument op te voeren.

(27)

De mededinging kan het best worden bevorderd door een in economisch opzicht efficiënt niveau van investeringen in nieuwe en bestaande infrastructuur, indien nodig aangevuld met regelgeving, om daadwerkelijke mededinging bij retaildiensten te bereiken. Een efficiënt niveau van mededinging op basis van infrastructuur is de mate van duplicatie van infrastructuur waarbij van investeerders redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij een correct rendement behalen op basis van redelijke verwachtingen omtrent de ontwikkeling van de marktaandelen.

(28)

Er moeten behoorlijke stimulansen worden geboden ter bevordering van investeringen in nieuwe netwerken met zeer hoge capaciteit die de innovatie in inhoudrijke internetdiensten ondersteunen en het internationale concurrentievermogen van de Unie versterken. Dergelijke netwerken hebben enorme mogelijkheden om consumenten en bedrijven in de hele Unie van dienst te zijn. Het is derhalve van cruciaal belang duurzame investeringen in de ontwikkeling van die nieuwe netwerken te bevorderen, en tegelijkertijd de mededinging op lange termijn te beschermen, aangezien er op het niveau van de infrastructuur knelpunten en toegangsbarrières blijven bestaan, en de keuze voor de consument te vergroten door middel van voorspelbaarheid en consistentie van de regelgeving.

(29)

Deze richtlijn beoogt specifieke sectorregels ex ante steeds meer terug te brengen, naarmate de concurrentie in de markt zich ontwikkelt, en ervoor te zorgen dat elektronische communicatie uiteindelijk volledig wordt geregeld door het mededingingsrecht. In aanmerking genomen dat de markten voor elektronische communicatie de afgelopen jaren een sterke concurrentiedynamiek te zien hebben gegeven, is het essentieel dat ex-ante regulerende verplichtingen alleen worden opgelegd wanneer er op de betrokken markten geen daadwerkelijke en duurzame mededinging is. De doelstelling van interventie ex ante van regelgevende aard moet voordelen voor de eindgebruikers opleveren doordat op duurzame wijze daadwerkelijke concurrentie op de retailmarkten tot stand wordt gebracht. Er moeten op wholesaleniveau verplichtingen worden opgelegd wanneer het ontbreken van dergelijke verplichtingen daadwerkelijk concurrentievermogen van een of meerdere retailmarkten onwaarschijnlijk zou maken. Waarschijnlijk zullen de nationale regelgevende instanties geleidelijk door middel van een proces van marktanalyse constateren dat retailmarkten concurrerend zijn, zelfs als er geen regulering op wholesaleniveau plaatsvindt, in het bijzonder rekening houdend met de verwachte verbeteringen op het gebied van innovatie en concurrentie. In een dergelijk geval moet de nationale regelgevende instantie concluderen dat regelgeving op wholesaleniveau niet langer nodig is, en de desbetreffende relevante wholesalemarkt beoordelen teneinde de ex ante-regelgeving in te trekken. Hierbij dient de nationale regelgevende instantie rekening te houden met eventuele hefboomeffecten tussen wholesale- en retailmarkten, waarbij het nodig kan zijn om toegangsbarrières op het niveau van de infrastructuur weg te werken, teneinde mededinging op lange termijn op de retailmarkt te waarborgen.

(30)

Elektronische communicatie wordt voor steeds meer sectoren essentieel. Het internet der dingen is een voorbeeld van de manier waarop de overdracht van radiosignalen als basis voor elektronische communicatie blijft evolueren en onze maatschappij en ondernemingen beïnvloedt. De invoering en integratie van nieuwe draadloze communicatietechnologieën en -toepassingen op het gebied van radiospectrumbeheer is essentieel om de voordelen van die ontwikkelingen beter te benutten. Aangezien ook de vraag naar andere technologieën en toepassingen op het radiospectrum toeneemt, en nog kan worden versterkt door de integratie of combinatie ervan met elektronische communicatie, moet het radiospectrumbeheer, waar zinvol, sectoroverschrijdend worden aangepakt om ervoor te zorgen dat het radiospectrum efficiënter wordt gebruikt.

(31)

Strategische planning en coördinatie en, indien nodig, harmonisatie op EU-niveau kunnen helpen ervoor te zorgen dat radiospectrumgebruikers ten volle profiteren van de interne markt en dat de belangen van de Unie wereldwijd doeltreffend kunnen worden behartigd. Daartoe moeten zo nodig meerjarenprogramma's voor het radiospectrumbeleid kunnen worden vastgesteld. Het eerste dergelijke programma werd vastgesteld bij Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad (19) om de beleidslijnen en -doelstellingen uiteen te zetten voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik in de Unie. Die beleidslijnen en -doelstellingen moeten kunnen verwijzen naar de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van radiospectrum die nodig zijn voor de totstandbrenging en werking van de interne markt overeenkomstig deze richtlijn.

(32)

De nationale grenzen spelen steeds minder een rol bij het vaststellen van optimaal radiospectrumgebruik. Onnodige versnippering van het nationale beleid leidt tot hogere kosten en gemiste marktkansen voor radiospectrumgebruikers en kan innovatie vertragen ten nadele van de goede werking van de interne markt, en de belangen van de consument en de economie als geheel schaden.

(33)

De bepalingen inzake radiospectrumbeheer in deze richtlijn moeten in overeenstemming zijn met de werkzaamheden van de internationale en regionale organisaties die zich met radiospectrumbeheer bezig houden, zoals de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) en de Europese Conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT), teneinde het doeltreffende beheer en de harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum in de Unie en tussen lidstaten en andere leden van de ITU te waarborgen.

(34)

Overeenkomstig het beginsel van scheiding van regelgevende en operationele functies moeten de lidstaten de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instantie en andere bevoegde instanties waarborgen teneinde ervoor te zorgen dat hun besluiten onpartijdig zijn. Deze eis van onafhankelijkheid doet geen afbreuk aan de institutionele autonomie en de constitutionele verplichtingen van de lidstaten noch aan het beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten, dat is neergelegd in artikel 345 VWEU. De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties moeten over de nodige middelen (personeel, expertise en geldelijke middelen) beschikken om de hun opgedragen taken te kunnen uitvoeren.

(35)

Bepaalde taken op grond van de richtlijn, zoals marktregulering ex ante, met inbegrip van het opleggen van verplichtingen inzake toegang en interconnectie en de beslechting van geschillen tussen ondernemingen, zijn taken die alleen door nationale regelgevende instanties mogen worden uitgevoerd, namelijk instanties die zowel onafhankelijk zijn van de sector als van elke externe politieke interventie of druk. Tenzij anders bepaald, moeten de lidstaten andere regelgevende taken waarin deze richtlijn voorziet, aan de nationale regelgevende instanties of aan andere bevoegde instanties kunnen toewijzen. Tijdens de omzetting moeten de lidstaten de continuïteit van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties bevorderen ten aanzien van de toewijzing van taken die voortvloeien uit de omzetting van het regelgevingskader van de Unie voor elektronische communicatie, zoals gewijzigd in 2009, met name ten aanzien van de taken die verband houden met marktconcurrentie of markttoegang. Wanneer taken aan andere bevoegde instanties worden toegewezen, moeten die andere bevoegde instanties trachten de nationale regelgevende instanties te raadplegen alvorens een besluit te nemen. Op grond van het beginsel van goede samenwerking dienen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties informatie uit te wisselen met het oog op de uitoefening van hun taken.

(36)

Deze richtlijn bevat geen inhoudelijke bepalingen inzake open-internettoegang of roaming en laat de toewijzing van bevoegdheden aan de nationale regelgevende instanties in Verordening (EU) nr. 531/2012 van het Europees Parlement en de Raad (20) en in Verordening (EU) nr. 2015/2120 onverlet. Deze richtlijn bepaalt echter ook dat de nationale regelgevende instanties bevoegd zijn om markttoegangs- en mededingingsvraagstukken die eventueel van invloed kunnen zijn op de rechten van de eindgebruikers op een open-internettoegang, nauwgezet te monitoren en te evalueren.

(37)

De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties is bij de in 2009 afgeronde herziening van het regelgevingskader voor elektronische communicatie versterkt om te zorgen voor een meer doeltreffende toepassing van het regelgevingskader en hun autoriteit en de voorspelbaarheid van hun besluiten te verhogen. Daartoe moesten uitdrukkelijke bepalingen worden opgenomen in de nationale wetgeving om ervoor te zorgen dat een nationale regelgevende instantie, bij het uitoefenen van haar taken, beschermd is tegen externe interventie of politieke druk die haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd in gevaar zouden kunnen brengen. Een dergelijke externe invloed maakt een nationale instantie ongeschikt om volgens het regelgevingskader op te treden als een nationale regelgevende instantie. Met het oog hierop moesten vooraf voorschriften worden opgesteld met betrekking tot de redenen die aanleiding geven voor ontslag van het hoofd van de nationale regelgevende instantie om ervoor te zorgen dat er volstrekt geen twijfels kunnen zijn over de neutraliteit van die instantie en dat de instantie niet gevoelig is voor externe factoren. Teneinde willekeurige ontslagen te vermijden, moeten ontslagen leden het recht krijgen de bevoegde rechtbank te laten onderzoeken of er geldige redenen tot ontslag zijn, onder de redenen waarin deze richtlijn voorziet. Ontslagen mogen alleen verband houden met de persoonlijke of professionele kwalificaties van het hoofd of lid. Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties over hun eigen begroting beschikken, zodat zij met name voldoende gekwalificeerd personeel kunnen aanwerven. Met het oog op transparantie moet die begroting jaarlijks worden gepubliceerd. Binnen de grenzen van hun begroting, moeten zij hun menselijke en financiële middelen autonoom kunnen beheren. Om de onpartijdigheid te waarborgen, dienen lidstaten die eigenaar zijn van, of zeggenschap uitoefenen over, ondernemingen die administratieve bijdragen betalen ten behoeve van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instanties, waarborgen dat er een effectieve structurele scheiding bestaat tussen de activiteiten in verband met de uitoefening van de eigendom of zeggenschap en de uitoefening van de zeggenschap over de begroting.

(38)

De onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties moet worden versterkt om ervoor te zorgen dat het hoofd en de leden van die instanties niet vatbaar zijn voor externe druk, door minimumkwalificaties voor hun aanstelling en een minimumtermijn voor hun mandaat vast te stellen. Om het risico op verkleving te beperken, de continuïteit te waarborgen en de onafhankelijkheid te versterken, moeten de lidstaten overwegen de mogelijkheid tot het verlengen van het mandaat van het hoofd of de leden te beperken en een passende rotatieregeling voor het bestuur en het topmanagement op te zetten. Dat kan door bijvoorbeeld de eerste leden van het collegiale orgaan voor verschillende termijnen te benoemen, zodat hun mandaten en die van hun opvolgers niet op hetzelfde ogenblik verstrijken.

(39)

Nationale regelgevende instanties moeten aansprakelijk zijn voor de uitoefening van hun taken en verplicht worden verslag uit te brengen over de manier waarop zij die uitoefenen. Die verplichting moet normaal de vorm aannemen van een jaarlijkse verslagleggingsplicht in plaats van de verplichting verslagen ad-hoc op te stellen, hetgeen een buitensporige omvang zou kunnen aannemen en de instanties zou kunnen belemmeren hun taken uit te oefenen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie (21) kunnen uitvoerige of onvoorwaardelijke verslagleggingsverplichtingen immers indirect de onafhankelijkheid van een instantie aantasten.

(40)

De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van de contactgegevens van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties. Voor instanties die bevoegd zijn voor de toekenning van toegangsrechten moet die kennisgevingsverplichting kunnen worden vervuld door te verwijzen naar het enkel informatiepunt dat is opgezet op grond van Richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (22).

(41)

Een zo licht mogelijk machtigingssysteem moet worden gehanteerd om het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten mogelijk te maken, teneinde de ontwikkeling van nieuwe communicatiediensten alsmede transnationale communicatienetwerken en -diensten te bevorderen en dienstenaanbieders en consumenten te laten profiteren van de schaalvoordelen van de interne markt.

(42)

Om ervoor te zorgen dat dienstverrichters en eindgebruikers de vruchten van de interne markt kunnen plukken, moet worden geopteerd voor een algemene machtiging voor andere elektronischecommunicatienetwerken en -diensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zonder dat een expliciet besluit of bestuurshandeling van de nationale regelgevende instantie nodig is en waarvoor een declaratoire kennisgeving de enige procedurele vereiste mag zijn. Indien de lidstaten van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten verlangen dat zij kennisgeven van de aanvang van hun activiteiten, mag die kennisgeving voor de aanbieders geen administratieve kosten vergen en kan zij via een meldpunt op de website van de bevoegde instantie mogelijk worden gemaakt. Ter ondersteuning van een effectieve grensoverschrijdende coördinatie, met name voor pan-Europese exploitanten, moet Berec een database van dergelijke kennisgevingen aanleggen en bijhouden. De bevoegde instanties dienen uitsluitend volledige kennisgevingen aan Berec toe te zenden. De lidstaten mogen het aanbieden van netwerken of diensten geenszins verhinderen, ook niet op grond van de onvolledigheid van een aanmelding.

(43)

Kennisgevingen moeten beperkt blijven tot een verklaring waarmee de aanbieder kenbaar maakt dat hij voornemens is om te beginnen met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten. Een aanbieder mag alleen worden gevraagd die verklaring aan te vullen met de in deze richtlijn genoemde informatie. De lidstaten mogen geen extra of afzonderlijke meldingsverplichtingen opleggen.

(44)

In tegenstelling tot andere categorieën van elektronische communicatienetwerken en -diensten als gedefinieerd in deze richtlijn, maken nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten geen gebruik van de openbare nummervoorraden en behoren zij niet tot het openbaar gewaarborgde interoperabele ecosysteem. Derhalve mogen dat soort diensten niet aan de algemene machtigingsregeling worden onderworpen.

(45)

Bij het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum, voor nummervoorraden of rechten om faciliteiten te installeren, dienen de bevoegde instanties de ondernemingen waaraan zij dergelijke rechten verlenen, te informeren over de desbetreffende voorwaarden. De lidstaten moeten die voorwaarden voor het gebruik van radiospectrum kunnen vastleggen in individuele gebruiksrechten of in de algemene machtiging.

(46)

De algemene machtiging mag alleen voorwaarden bevatten die specifiek zijn voor de sector elektronische communicatie. Er mogen geen voorwaarden aan worden opgelegd die reeds van toepassing zijn krachtens andere bestaande nationale wetgeving, met name inzake consumentenbescherming, die niet specifiek is voor de sector communicatie. De bevoegde instanties moeten de ondernemingen bijvoorbeeld kunnen informeren over de toepasselijke regelgeving inzake milieu en ruimtelijke ordening. De in het kader van de algemene machtiging gestelde voorwaarden hebben geen gevolgen voor het bepalen van het toepasselijke recht op grond van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad (23).

(47)

Bij de voorwaarden voor algemene machtigingen moet rekening worden gehouden met specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap en de noodzaak voor overheden en hulpdiensten om onderling en met het publiek te communiceren voor, tijdens of na grote rampen.

(48)

De rechten en plichten van ondernemingen in het kader van algemene machtigingen moeten expliciet in die machtigingen worden opgenomen om een level playing field in de Unie te waarborgen en grensoverschrijdende onderhandelingen over interconnectie tussen openbare elektronischecommunicatienetwerken te vergemakkelijken.

(49)

Algemene machtigingen geven ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan het publiek aanbieden het recht om overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn over interconnectie te onderhandelen. Ondernemingen die andere elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden dan die welke aan het publiek worden aangeboden, kunnen op commerciële basis over interconnectie onderhandelen.

(50)

Wanneer bevoegde instanties voorwaarden voor algemene machtigingen stellen en administratieve lasten opleggen, moeten zij naar behoren rekening houden met situaties waarin elektronische communicatienetwerken of -diensten door natuurlijke personen zonder winstoogmerk worden aangeboden. Het is passend om voor niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten minder en lichtere voorwaarden op te leggen dan gerechtvaardigd is voor openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, of zelfs helemaal geen voorwaarden.

(51)

Specifieke verplichtingen voor ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten aanbieden op grond van het feit dat ze zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht als omschreven in deze richtlijn, die overeenkomstig het Unierecht kunnen worden opgelegd, moeten gescheiden worden van de algemene rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging.

(52)

Het is mogelijk dat ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden een bevestiging nodig hebben van hun rechten in het kader van de algemene machtiging met betrekking tot interconnectie en doorgangsrechten, met name om onderhandelingen met andere, regionale of lokale, overheden of met dienstenaanbieders in andere lidstaten te vergemakkelijken. Daartoe dienen de bevoegde instanties ofwel op verzoek of anders automatisch verklaringen aan ondernemingen af te geven naar aanleiding van een kennisgeving in het kader van de algemene machtiging. Dergelijke verklaringen mogen zelf geen aanspraken op rechten inhouden, en rechten uit hoofde van de algemene machtiging, gebruiksrechten of de uitoefening van dergelijke rechten mogen niet van een dergelijke verklaring afhangen.

(53)

Het moet mogelijk zijn om ondernemingen die elektronischecommunicatiediensten aanbieden een administratieve bijdrage op te leggen ter financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie bij het beheer van het systeem inzake algemene machtiging en het verlenen van gebruiksrechten. Dergelijke bijdragen mogen het bedrag van de feitelijke administratieve kosten van die werkzaamheden niet overschrijden. Daartoe dient te worden gezorgd voor transparantie ter zake van de inkomsten en de uitgaven van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, door middel van een jaarlijkse rapportage over het totale bedrag aan ontvangen bijdragen en de totale administratiekosten, teneinde ondernemingen in staat te stellen te controleren of zij in evenwicht zijn.

(54)

Stelsels voor administratieve bijdragen mogen de concurrentie niet verstoren, noch belemmeringen scheppen voor toegang tot de markt. Een systeem inzake algemene machtiging maakt het onmogelijk administratieve kosten en dus bijdragen op te leggen aan individuele ondernemingen, tenzij voor het verlenen van gebruiksrechten voor nummervoorraden, van radiospectrum en van rechten om faciliteiten te installeren. Eventuele toepasselijke administratieve bijdragen dienen te sporen met de beginselen van een systeem inzake algemene machtiging. Een voorbeeld van een billijk, eenvoudig en transparant alternatief voor die omslagcriteria is een verdeelsleutel gebaseerd op de omzet. Wanneer de administratieve bijdragen zeer laag liggen, kunnen forfaitaire bijdragen, of bijdragen bestaande uit een combinatie van een forfaitair met een omzetgerelateerd bedrag ook een goede mogelijkheid zijn. Voor zover het systeem inzake algemene machtiging ook van toepassing is op ondernemingen met een zeer klein marktaandeel, zoals lokale netwerkaanbieders, of tot dienstverrichters waarvan het verdienmodel zeer weinig inkomsten oplevert, zelfs bij een significante marktpenetratie in termen van volume, moeten de lidstaten beoordelen of het voor het opleggen van administratieve verplichtingen een passende de-minimisdrempel kan worden vastgesteld.

(55)

De lidstaten moeten misschien wijzigingen aanbrengen in rechten, voorwaarden, procedures, bijdragen en vergoedingen met betrekking tot algemene machtigingen en gebruiksrechten indien dat objectief gerechtvaardigd is. Dergelijke voorgestelde wijzigingen moeten tijdig en op passende wijze ter kennis van alle belanghebbende partijen worden gebracht, zodat deze voldoende gelegenheid wordt geboden om hun standpunt ten aanzien van de wijzigingen naar voren te brengen. Onnodige procedures moeten worden vermeden bij kleine wijzigingen van bestaande rechten voor de installatie van faciliteiten of van rechten op het gebruik van radiospectrum of van nummervoorraden, indien die wijzigingen geen impact hebben op de belangen van derden. Kleine wijzigingen van rechten en plichten zijn wijzigingen die hoofdzakelijk van administratieve aard zijn, niet leiden tot verandering van de inhoud van de algemene machtigingen en de individuele gebruiksrechten en derhalve geen concurrentievoordeel voor andere ondernemingen kunnen opleveren.

(56)

Gelet op het belang de rechtszekerheid te waarborgen en teneinde de voorspelbaarheid van de regelgeving te bevorderen met het oog op een veilig investeringsklimaat, met name voor nieuwe draadlozebreedbandcommunicatie, moet elke beperking of intrekking van bestaande rechten op het gebruik van radiospectrum of van nummervoorraden of voor de installatie van faciliteiten verlopen via voorspelbare en transparante verantwoordingen en procedures. Derhalve kunnen strengere eisen of een meldingssysteem worden opgelegd, met name wanneer gebruiksrechten zijn verleend op grond van concurrerende of vergelijkende procedures en in het geval van geharmoniseerde radiospectrumbanden die worden gebruikt voor draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie („draadlozebreedbanddiensten”). Motiveringen met verwijzingen naar efficiënt en doeltreffend gebruik van radiospectrum en technologische ontwikkeling zouden kunnen berusten op uit hoofde van Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad (24) vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen. Indien algemene machtigingen tot en individuele rechten op het gebruik van radiospectrum moeten worden beperkt, ingetrokken of gewijzigd zonder de toestemming van de houder van het recht, kan dit na overleg met de belanghebbende partijen, tenzij de voorgestelde wijzigingen van ondergeschikt belang zijn. Aangezien de beperking of intrekking van algemene machtigingen of rechten aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de houders ervan dienen de bevoegde instanties bijzonder zorgvuldig te werk te gaan en, alvorens maatregelen te treffen, na te gaan welke potentiële nadelige gevolgen dergelijke maatregelen kunnen hebben.

(57)

De nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec moeten informatie van de marktpartijen verzamelen om hun taken doeltreffend te kunnen uitvoeren, onder meer wat betreft de conformiteit van de algemene voorwaarden met deze richtlijn zonder opschorting van de toepasselijkheid van die voorwaarden tijdens de beoordeling. Bij wijze van uitzondering kan het ook noodzakelijk zijn informatie te verzamelen bij andere ondernemingen die actief zijn in sectoren welke nauw verbonden zijn met de sector van de elektronischecommunicatiediensten, zoals aanbieders van inhoud, die over gegevens beschikken die mogelijk nodig zijn voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van het Unierecht. Het kan nodig zijn die informatie te verzamelen voor de Commissie, om haar in staat te stellen haar verplichtingen uit hoofde van het Unierecht na te komen. Verzoeken om informatie moeten proportioneel zijn en mogen geen buitensporige last meebrengen voor ondernemingen. Door nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties verzamelde informatie moet voor het publiek beschikbaar zijn, behalve wanneer die vertrouwelijk is, zulks in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van Unie- en nationale regels betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens.

(58)

Om hun regelgevende taken op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren, moeten de gegevens die de nationale regelgevende instanties bijeenbrengen onder meer gegevens bevatten over de retailmarkten die verbonden zijn aan wholesalemarkten waar een onderneming is aangewezen als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht en die dan ook door de nationale regelgevende instantie worden gereguleerd. Het gaat hierbij ook om gegevens die de nationale regelgevende instantie in staat moeten stellen de naleving van de aan het gebruiksrecht verbonden voorwaarden en de mogelijke effecten te beoordelen van geplande verbeteringen of veranderingen aan de netwerktopologie op de ontwikkeling van concurrentie of op wholesaleproducten die beschikbaar worden gesteld aan andere partijen. Informatie betreffende de naleving van de aan de gebruiksrechten van radiospectrum verbonden dekkingsverplichtingen is essentieel om de volledigheid van het geografisch onderzoek naar netwerkontwikkelingen te waarborgen. Daartoe moet de bevoegde instantie kunnen verlangen dat de vereiste informatie tot op lokaal niveau nauwkeurig is en voldoende fijnmazig is om een geografisch onderzoek van de netwerken te kunnen uitvoeren.

(59)

Om de lasten met betrekking tot rapportage- en informatieverplichtingen voor netwerk- en dienstenaanbieders en voor de betrokken bevoegde instantie te verlichten, behoren dergelijke verplichtingen evenredig en objectief gerechtvaardigd te zijn en beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Met name dubbele verzoeken om informatie van de bevoegde instantie en Berec waarbij systematisch en regelmatig wordt aangetoond dat is voldaan aan alle in het kader van een algemene machtiging geldende of aan de gebruiksrechten verbonden voorwaarden moeten worden vermeden. Ondernemingen moeten zich ervan bewust zijn waarvoor de gevraagde informatie zal worden gebruikt. Het verstrekken van informatie mag geen voorwaarde voor markttoegang zijn. Voor statistische doeleinden kan van de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten kennisgeving van stopzetting van de activiteit worden verlangd.

(60)

De verplichtingen van de lidstaten om alle informatie te verstrekken voor de verdediging van belangen van de Unie op grond van internationale overeenkomsten en rapportageverplichtingen krachtens recht dat niet specifiek is voor de sector elektronische communicatie, zoals het mededingingsrecht, blijven onverminderd van toepassing.

(61)

Het moet mogelijk zijn om met de Commissie, Berec en andere instanties informatie uit te wisselen die door een bevoegde instantie, in overeenstemming met de Unie- en nationale regels betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens en betreffende de bescherming van persoonsgegevens, als vertrouwelijk wordt beschouwd, wanneer die uitwisseling noodzakelijk is voor de toepassing van de bepalingen van het nationale recht tot omzetting van deze richtlijn. De uitgewisselde informatie moet beperkt zijn tot hetgeen relevant is voor en evenredig is met het doel van een dergelijke uitwisseling.

(62)

De technologie, de topologie, het mediumgebruik en de eigendom van breedbandnetwerken voor elektronische communicatie worden steeds diverser. Daarom moet regulering gebaseerd zijn op gedetailleerde informatie over de uitrol van netwerken om de effectiviteit te waarborgen en de inspanningen toe te spitsen op de gebieden waar ze nodig zijn. Die informatie is essentieel om investeringen te bevorderen, de connectiviteit in de hele Unie te doen toenemen en informatie te verstrekken aan alle desbetreffende instanties en burgers. Die informatie moet onderzoeken omvatten over zowel de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit als significante upgrades of uitbreidingen van bestaande koper- of andere netwerken die niet op alle vlakken de prestatiekenmerken van netwerken met zeer hoge capaciteit bezitten, zoals de uitrol van optische vezel tot de kast in combinatie met actieve technologieën zoals vectoring. De betrokken prognoses moeten betrekking hebben op een periode van maximaal drie jaar. De nauwkeurigheid en territoriale fijnmazigheid van de informatie die de bevoegde instanties moeten verzamelen, moet worden bepaald door de regelgevende doelstellingen en moet toereikend zijn voor die regelgevingsdoelstellingen. De omvang van de territoriale eenheid zal dan ook verschillen van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van de regelgevingsbehoeften in de specifieke nationale context en de beschikbaarheid van lokale gegevens. Niveau 3 in de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) zal als territoriale eenheid in de meeste gevallen wellicht niet fijnmazig genoeg zijn.De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties moeten van Berec richtsnoeren krijgen over de beste praktijken voor de aanpak van die taak, waarbij die richtsnoeren voortbouwen op de beschikbare ervaring van de nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties met de uitvoering van geografische onderzoeken van de netwerkontwikkeling. Onverminderd verplichtingen betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens moeten de bevoegde instanties, indien de informatie niet reeds op de markt beschikbaar is, de gegevens vrij beschikbaar stellen in een open format in overeenstemming met Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (25) en zonder beperkingen op hergebruik van in dergelijke onderzoeken vergaarde informatie, en moeten ze de eindgebruikers tools aanreiken met betrekking tot de kwaliteit van de dienstverlening om hen beter bewust te maken van de beschikbare connectiviteitsdiensten. Bij de vergaring van dergelijke informatie moeten alle betrokken instanties het vertrouwelijkheidsbeginsel in acht nemen en mogen zij ondernemingen geen concurrentienadeel berokkenen.

(63)

Om alle burgers van de Unie toegang te bieden tot het internet en digitale diensten is het van essentieel belang dat de digitale kloof binnen de Unie wordt overbrugd. Met het oog daarop moeten de betrokken regelgevende instanties, in het geval van specifieke en duidelijk afgebakende gebieden, ondernemingen en overheden kunnen verzoeken te verklaren dat zij voornemens zijn in die gebieden netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen, waarbij hun genoeg tijd moet worden gegeven om een weloverwogen antwoord te geven. De informatie in de prognoses moet de economische vooruitzichten weergeven voor de sector elektronischecommunicatienetwerken en de investeringsvoornemens van ondernemingen ten tijde van het verzamelen van de gegevens, teneinde de beschikbare connectiviteit in verschillende gebieden te kunnen vaststellen. Indien een onderneming of een overheid verklaart voornemens te zijn om in een gebied over te gaan tot uitrol, moet de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie van andere ondernemingen en overheden kunnen verlangen dat zij verklaren of zij voornemens zijn in dat gebied netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen dan wel hun netwerk significant te moderniseren of uit te breiden tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps. Die procedure zal transparantie scheppen voor ondernemingen en overheden die belangstelling hebben getoond voor uitrol in dit gebied, zodat zij bij het ontwerpen van hun zakelijke plannen kunnen beoordelen of zij concurrentie zullen krijgen van andere netwerken. Het positieve effect van die transparantie is afhankelijk van de vraag of marktdeelnemers te goeder trouw en naar waarheid antwoorden.

(64)

Terwijl marktdeelnemers hun uitrolplannen kunnen wijzigen om onvoorziene, objectieve en gerechtvaardigde redenen, moeten de bevoegde instanties optreden, ook indien overheidsfinanciering wordt beïnvloed, en moeten zij in voorkomend geval sancties opleggen als een onderneming of overheid hun bewust of ten gevolge van grove nalatigheid misleidende, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft. Voor de toepassing van de desbetreffende bepalingen inzake sancties moet grove nalatigheid betrekking hebben op een situatie waarin een onderneming of een overheidsinstantie misleidende, onjuiste of onvolledige informatie verschaft ten gevolge van haar gedrag of interne organisatie waardoor de nodige zorgvuldigheid ten aanzien van de verstrekte informatie duidelijk niet in acht is genomen. Grove nalatigheid betekent niet per se dat de onderneming of de overheid weet dat de verstrekte informatie onvolledig, onjuist of misleidend is, maar dat zij dit zou hebben geweten als zij met de nodige zorgvuldigheid had gehandeld of was georganiseerd. Het is van belang dat de sancties voldoende afschrikkend zijn, gezien de negatieve gevolgen voor de mededinging en door de overheid gefinancierde projecten. De bepalingen inzake sancties mogen geen afbreuk doen aan rechten om een schadevergoeding te eisen overeenkomstig het nationale recht.

(65)

Met het oog op een voorspelbaar investeringsklimaat moeten bevoegde instanties met ondernemingen en overheden die bereid zijn netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen informatie kunnen uitwisselen over de vraag of in het betrokken gebied andere vormen van netwerkverbeteringen, met inbegrip van die met een downloadsnelheid van minder dan 100 Mbps, aan de gang zijn of zijn gepland.

(66)

Het is van belang dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties alle betrokken partijen raadplegen over voorgestelde besluiten, hen — gezien de complexiteit van de materie — voldoende tijd geven om opmerkingen te formuleren en rekening houden met hun opmerkingen voordat zij een definitief besluit nemen. Om ervoor te zorgen dat besluiten op nationaal niveau geen nadelig gevolg hebben voor de werking van de interne markt of andere doelstellingen van het VWEU, moeten de nationale regelgevende instanties bepaalde ontwerpbesluiten eveneens meedelen aan de Commissie en andere nationale regelgevende instanties. Het is passend dat de bevoegde instanties in de in deze richtlijn omschreven gevallen de betrokken partijen raadplegen over alle ontwerpmaatregelen die van invloed zijn op de handel tussen de lidstaten.

(67)

In een concurrerende omgeving moet rekening worden gehouden met de standpunten van de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten. Teneinde op passende wijze aan de belangen van de burger te voldoen, moeten de lidstaten een geschikt raadplegingsmechanisme opzetten. Een dergelijk mechanisme kan de vorm aannemen van een orgaan dat, onafhankelijk van de nationale regelgevende instantie én van de dienstenleveranciers, onderzoek uitvoert over consumentenkwesties, zoals consumentengedrag en mechanismen voor het veranderen van dienstenleverancier, dat op een transparante wijze functioneert en de bestaande mechanismen voor raadpleging van de belanghebbenden aanvult. Bovendien kan een mechanisme worden ingesteld om adequate samenwerking mogelijk te maken inzake kwesties die verband houden met de bevordering van wettelijke inhoud. Samenwerkingsprocedures die op grond van zo'n mechanisme tot stand komen, mogen evenwel geen stelselmatig toezicht op internetgebruik toestaan.

(68)

Buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsprocedures kunnen voor eindgebruikers een snelle en kostenefficiënte manier zijn om hun rechten af te dwingen, met name voor consumenten en micro- en kleine ondernemingen als omschreven in de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (26). De lidstaten moeten de nationale regelgevende instantie of de bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor het behandelen van rechten van de eindgebruiker, of ten minste één onafhankelijk orgaan dat heeft bewezen op dat gebied deskundig te zijn, laten optreden als alternatievegeschillenbeslechtingsorgaan. Met betrekking tot dergelijke geschillenbeslechtingen moeten die instanties niet gebonden zijn aan enige instructie. Aangezien talrijke lidstaten geschillenbeslechtingsprocedures hebben opgezet voor andere eindgebruikers dan consumenten, op wie Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad (27) niet van toepassing is, is het redelijk de sectorspecifieke geschillenbeslechtingsprocedure voor zowel consumenten als, ingeval de lidstaten in die uitbreiding voorzien, voor andere eindgebruikers, met name micro- en kleine ondernemingen te handhaven. Met betrekking tot buitengerechtelijke beslechting van geschillen moeten de lidstaten regels kunnen behouden of invoeren die verder gaan dan de regels die zijn vastgelegd in Richtlijn 2013/11/EU om te zorgen voor een hoger niveau van consumentenbescherming.

(69)

In geval van een geschil tussen ondernemingen in dezelfde lidstaat op een gebied dat onder deze richtlijn valt, bijvoorbeeld in verband met toegang en interconnectie of de wijze waarop eindgebruikerslijsten worden overgedragen, moet een benadeelde partij die te goeder trouw heeft onderhandeld maar geen akkoord heeft kunnen bereiken, een beroep kunnen doen op de nationale regelgevende instantie om het geschil te beslechten. De nationale regelgevende instanties moeten in staat zijn de partijen een oplossing op te leggen. Bij het optreden van een nationale regelgevende instantie in het beslechten van geschillen tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten of bijbehorende faciliteiten in een lidstaat, moet gezorgd worden voor overeenstemming met de verplichtingen krachtens deze richtlijn.

(70)

Naast het recht van beroep waarin het Unierecht of het nationale recht voorziet, bestaat er behoefte aan een eenvoudige procedure die op verzoek van elke partij bij het geschil op gang kan worden gebracht, om grensoverschrijdende geschillen te beslechten tussen ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in verschillende lidstaten aanbieden of daartoe gemachtigd zijn.

(71)

Een belangrijke taak van Berec is in voorkomend geval adviezen te verstrekken in verband met grensoverschrijdende geschillen. De nationale regelgevende instanties moeten in die gevallen bij het opleggen van verplichtingen aan een onderneming of de beslechting van geschillen dan ook rekening houden met de door Berec verstrekte adviezen.

(72)

Een gebrek aan coördinatie tussen lidstaten bij de organisatie van het radiospectrumgebruik op hun grondgebied kan, indien bilaterale onderhandelingen tussen de lidstaten geen oplossing bieden, tot grootschalige interferentieproblemen leiden, die een zware impact hebben op de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt. De lidstaten moeten alle nodige maatregelen treffen om grensoverschrijdende en schadelijke interferentie tussen hen te vermijden. De bij Besluit 2002/622/EG van de Commissie (28) ingestelde Beleidsgroep Radiospectrum moet de opdracht krijgen de nodige grensoverschrijdende coördinatie te ondersteunen en moet het aangewezen forum zijn voor het beslechten van geschillen tussen lidstaten over grensoverschrijdende vraagstukken. Voortbouwend op de door de Beleidsgroep Radiospectrum voorgestelde oplossing is in sommige gevallen een uitvoeringsmaatregel vereist om de grensoverschrijdende interferentie definitief weg te werken of om een op grond van het Unierecht door twee of meer lidstaten middels bilaterale onderhandelingen overeengekomen gecoördineerde oplossing te handhaven. Een gebrek aan coördinatie tussen lidstaten en buurlanden van de Unie kan ook grootschalige interferentieproblemen veroorzaken. De lidstaten moeten passende maatregelen treffen om grensoverschrijdende en schadelijke interferentie met buurlanden van de Unie te voorkomen, en moeten daartoe onderling samenwerken. Op verzoek van lidstaten die te maken hebben met grensoverschrijdende interferentie uit derde landen, moet de Unie haar volle steun verlenen aan die lidstaten.

(73)

De Beleidsgroep Radiospectrum is een adviserende groep op hoog niveau van de Commissie en is opgericht bij Besluit 2002/622/EG teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt en de ontwikkeling van het radiospectrumbeleid op Unieniveau te ondersteunen, rekening houdend met de economische, politieke, culturele, strategische, gezondheids- en maatschappelijke overwegingen, alsook met de technische parameters. De groep moet samengesteld zijn uit de hoofden van de instanties die de algemene politieke verantwoordelijkheid dragen voor het strategisch radiospectrumbeleid. Zij moet de Commissie bijstaan en adviezen verstrekken met betrekking tot het radiospectrumbeleid. Dit moet de zichtbaarheid van het radiospectrumbeleid in de verschillende beleidsterreinen van de Unie bevorderen en de sectoroverschrijdende consistentie op Unieniveau en nationaal niveau helpen waarborgen. Op hun verzoek verleent de groep ook advies aan het Europees Parlement en aan de Raad. Voorts moet de Beleidsgroep Radiospectrum het forum vormen voor de coördinatie tussen de lidstaten bij de naleving van hun verplichtingen op grond van deze richtlijn op het gebied van het radiospectrum en een centrale rol spelen op gebieden die essentieel zijn voor de interne markt, zoals grensoverschrijdende coördinatie of normalisatie. Er kunnen technische werkgroepen of groepen van deskundigen worden opgericht ter ondersteuning van de plenaire vergadering, waar het strategisch beleid wordt uitgestippeld door hoge vertegenwoordigers van de lidstaten en de Commissie. De Commissie heeft te kennen gegeven voornemens te zijn binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn Besluit 2002/622/EG te wijzigen ten einde daarin de nieuwe taken die bij deze richtlijn aan de Beleidsgroep Radiospectrum worden toegekend, te verwerken.

(74)

De bevoegde instanties moeten toezicht houden op en zorgen voor de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging en van het gebruiksrecht, en met name waarborgen dat het radiospectrum effectief en efficiënt wordt gebruikt en dat de verplichtingen inzake dekking en kwaliteit van de dienstverlening worden nageleefd door administratieve sancties op te leggen, waaronder geldelijke sancties of de intrekking van gebruiksrechten, wanneer die voorwaarden niet worden nageleefd. Ondernemingen moeten de bevoegde instanties zo nauwkeurig en volledig mogelijke informatie verstrekken om hen in staat te stellen hun toezichthoudende taken te vervullen.

(75)

De voorwaarden die aan algemene machtigingen en individuele gebruiksrechten zijn verbonden, moeten beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is om de naleving van de voorwaarden en verplichtingen krachtens het nationaal recht en het Unierecht te verzekeren.

(76)

Elke partij die voorwerp is van een besluit van een bevoegde instantie, moet het recht hebben in beroep te gaan bij een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en dat niet is blootgesteld aan externe beïnvloeding of politieke druk die haar onafhankelijkheid bij de beoordeling van de haar voorgelegde kwesties zou kunnen aantasten. Die instantie kan bijvoorbeeld een rechtbank zijn. Voorts moet iedere onderneming die van mening is dat haar verzoeken om het verlenen van de rechten voor het installeren van faciliteiten niet in overeenstemming met de in deze richtlijn vervatte beginselen worden behandeld, het recht hebben om tegen dergelijke besluiten in beroep te gaan. Die beroepsprocedure mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheidsverdeling binnen nationale rechtsstelsels noch aan de rechten van rechtspersonen of natuurlijke personen uit hoofde van het nationale recht. De lidstaten dienen in ieder geval te voorzien in daadwerkelijke beroepsmogelijkheden tegen dergelijke besluiten.

(77)

Om de marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden, moeten de beroepsinstanties hun taken effectief uitoefenen. Met name mag de beroepsprocedure niet te lang zijn. Voorlopige maatregelen die de gevolgen van het besluit van een bevoegde instantie schorsen, dienen alleen in dringende gevallen te worden verleend om te voorkomen dat de partij die om dergelijke maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt en indien het belangenevenwicht alleen op deze wijze kan worden gewaarborgd.

(78)

De manier waarop beroepsinstanties en/of andere bevoegde instanties voorlopige maatregelen hebben toegepast om besluiten van de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties te schorsen, loopt sterk uiteen. Om de verschillende benaderingen meer op elkaar af te stemmen moet een gemeenschappelijke norm worden gehanteerd die spoort met de rechtspraak van het Hof van Justitie. De beroepsinstanties moeten ook gerechtigd zijn beschikbare gegevens die door Berec zijn bekendgemaakt, op te vragen. Aangezien de beroepsprocedures voor de algemene werking van het regelgevingskader van belang zijn, moet er in elke lidstaat een mechanisme worden opgezet dat de informatie over beroepsprocedures inzake, en besluiten tot schorsing van, besluiten van de bevoegde instanties verzamelt en tevens over die informatie aan de Commissie en Berec verslag uitbrengt. Dat mechanisme moet ervoor zorgen dat de Commissie of Berec besluiten of rechtspraak van de lidstaten kan opzoeken met het oog op de ontwikkeling van een databank.

(79)

De transparantie met betrekking tot de toepassing van het Uniemechanisme voor consolidering van de interne markt voor elektronische communicatie moet in het belang van burgers en belanghebbenden worden vergroot, teneinde de betrokken partijen in staat te stellen hun eigen opvattingen kenbaar te maken, onder meer door nationale regelgevende instanties te verplichten om ontwerpmaatregelen bekend te maken op hetzelfde moment dat zij hiervan kennisgeving doen aan de Commissie en Berec, en aan de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten. Zulke ontwerpmaatregelen moeten onderbouwd zijn en een gedetailleerde analyse omvatten.

(80)

De Commissie moet de mogelijkheid hebben om, rekening houdend met het advies van Berec, van een nationale regelgevende instantie te verlangen dat zij haar ontwerpmaatregel intrekt indien het de definitie betreft van relevante markten of het aanwijzen van ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en indien dergelijke besluiten een belemmering zouden opwerpen voor de interne markt, of onverenigbaar zouden zijn met het Unierecht, en in het bijzonder met de beleidsdoelstellingen waardoor de nationale regelgevende instanties zich moeten laten leiden. Die procedure doet geen afbreuk aan de kennisgevingsprocedure van Richtlijn (EU) 2015/1535 en de voorrechten van de Commissie uit hoofde van het VWEU wat betreft inbreuken op het Unierecht.

(81)

De nationale raadpleging van belanghebbende partijen dient te worden uitgevoerd vóór de raadpleging op Unieniveau, teneinde de interne markt voor elektronische communicatie te versterken en in het kader van de procedure voor de consequente toepassing van oplossingen, zodat bij de raadpleging op Unieniveau met de standpunten van de belanghebbende partijen rekening kan worden gehouden. Dit zou een tweede raadpleging op Unieniveau in geval van wijzigingen van een geplande maatregel als gevolg van de nationale raadpleging overbodig maken.

(82)

Het is van belang dat het regelgevingskader tijdig wordt uitgevoerd. Wanneer de Commissie heeft besloten dat een nationale regelgevende instantie een geplande maatregel moet intrekken, moet die instantie haar ontwerpmaatregel intrekken of een herziene versie indienen. Voor de kennisgeving van de herziene maatregel aan de Commissie moet met het oog op meer rechtszekerheid een termijn worden vastgesteld zodat de marktdeelnemers worden geïnformeerd over de duur van de marktherziening.

(83)

Het Uniemechanisme waarmee de Commissie de nationale regelgevende instanties ertoe kan brengen geplande maatregelen in te trekken met betrekking tot de marktdefinitie en het aanwijzen van ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een samenhangende aanpak om vast te stellen onder welke omstandigheden ex-anteregelgeving kan worden toegepast en voor welke ondernemingen zij geldt. Uit ervaringen met de procedures op grond van de artikelen 7 en 7 bis van Richtlijn 2002/21/EG is gebleken dat de nationale regelgevende instanties bij gelijke marktomstandigheden de oplossingen op zeer uiteenlopende manieren toepassen, waardoor de interne markt in elektronische communicatie kan worden ondermijnd. De Commissie en Berec moeten derhalve, binnen de grenzen van hun respectieve verantwoordelijkheden, bijdragen tot het waarborgen van een hoger niveau van samenhang in de toepassing van de oplossingen betreffende de door de nationale regelgevende instanties voorgestelde ontwerpmaatregelen. Daarnaast moet de Commissie voor ontwerpmaatregelen met betrekking tot de uitbreiding van verplichtingen voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, indien nodig om de hoge en niet-tijdelijke economische of fysieke drempels voor replicatie aan te pakken, ten aanzien van ondernemingen ongeacht of deze zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, of met betrekking tot de regelgevende behandeling van nieuwe netwerkelementen van zeer hoge capaciteit, wanneer Berec de bezwaren van de Commissie deelt, van een nationale regelgevende instantie kunnen verlangen dat zij een ontwerpmaatregel intrekt. Om te profiteren van de deskundigheid van de nationale regelgevende instanties inzake de marktanalyse, dient de Commissie, alvorens besluiten te nemen of aanbevelingen te doen, bij Berec te rade te gaan.

(84)

Gezien de korte termijnen in het raadplegingsmechanisme op Unieniveau dient de Commissie de bevoegdheid te worden gegeven om aanbevelingen of richtsnoeren vast te stellen ter vereenvoudiging van de procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de nationale regelgevende instanties, bijvoorbeeld in gevallen die betrekking hebben op stabiele markten of die alleen geringe wijzigingen inhouden van maatregelen waarvan al eerder kennisgeving is gedaan, of om de invoering mogelijk te maken van een vrijstelling van kennisgeving om procedures in bepaalde gevallen te stroomlijnen.

(85)

Nationale regelgevende instanties werken op transparante wijze samen met elkaar, met Berec en met de Commissie om te zorgen voor de consequente toepassing in alle lidstaten van deze richtlijn.

(86)

De beslissingsvrijheid van de nationale regelgevende instanties moet wel verenigbaar zijn met de ontwikkeling van consequente regelgevingspraktijken en een consequente toepassing van het regelgevingskader om doeltreffend bij te dragen tot de ontwikkeling en voltooiing van de interne markt. De nationale regelgevende instanties moeten derhalve steun verlenen aan de interne-marktactiviteiten van de Commissie en van Berec.

(87)

Maatregelen die van invloed zouden kunnen zijn op de handel tussen de lidstaten, zijn maatregelen die direct of indirect, feitelijk of in potentie, van invloed zouden kunnen zijn op het handelspatroon tussen de lidstaten op een wijze die een belemmering kan vormen voor de interne markt. Het gaat om maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op ondernemingen of gebruikers in andere lidstaten, zoals: maatregelen die de prijzen voor gebruikers in andere lidstaten beïnvloeden; maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming om een elektronischecommunicatiedienst te verlenen, in het bijzonder maatregelen die gevolgen hebben voor de mogelijkheid diensten te verlenen op transnationale basis, en maatregelen die gevolgen hebben voor de marktstructuur of de toegang tot de markt, met nadelige gevolgen voor ondernemingen in andere lidstaten.

(88)

Meer convergentie in het gebruik en de definitie van elementen van de selectieprocedures en de voorwaarden die verbonden zijn aan de gebruiksrechten voor radiospectrum die een aanzienlijk effect hebben op de marktomstandigheden en de concurrentie, met inbegrip van voorwaarden voor toetreding en expansie, zou worden bewerkstelligd door een coördinatiemechanisme waarbij de Beleidsgroep Radiospectrum, op verzoek van de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie of bij wijze van uitzondering op eigen initiatief, een forum voor collegiale toetsing bijeenroept om ontwerpmaatregelen te onderzoeken voorafgaand aan de verlening van gebruiksrechten door een bepaalde lidstaat, met als doel een uitwisseling van beste praktijken. Het forum voor collegiale toetsing is een instrument waarmee deelnemers van elkaar kunnen leren. Het moet bijdragen tot een betere uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten en grotere transparantie van de concurrerende of vergelijkende selectieprocedures. Het proces van collegiale toetsing mag geen formele voorwaarde in nationale machtigingsprocedures zijn. De gedachtewisseling moet gebaseerd zijn op informatie die is verstrekt door de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie die om het forum voor collegiale toetsing vraagt, en moet een onderdeel zijn van een bredere nationale maatregel, die in ruimere zin kan bestaan uit de verlening, handel in en verhuur, looptijd, vernieuwing of wijziging van rechten van gebruik. Daarom moet de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie ook informatie kunnen verstrekken over andere nationale ontwerpmaatregelen of aspecten daarvan in verband met de relevante selectieprocedure voor het beperken van rechten voor het gebruik van radiospectrum die niet onder het mechanisme voor collegiale toetsing vallen. Om de administratieve lasten te verminderen moeten de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie dergelijke informatie kunnen indienen door middel van een gemeenschappelijk rapportageformat, indien beschikbaar, voor toezending aan leden van de Beleidsgroep Radiospectrum.

(89)

Wanneer de geharmoniseerde toewijzing van radiospectrum aan bepaalde ondernemingen op het niveau van de Unie is overeengekomen, dienen de lidstaten dergelijke overeenkomsten strikt toe te passen bij het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum vanuit het nationale frequentietoewijzingsplan.

(90)

De lidstaten moeten bij de verlening van gebruiksrechten waarbij het verwachte gebruik ook grensoverschrijdende situaties omvat, kunnen kiezen voor gezamenlijke machtigingsprocedures.

(91)

Besluiten van de Commissie met het oog op de geharmoniseerde toepassing van deze richtlijn, dienen beperkt te zijn tot regelgevende beginselen, benaderingen en methoden. Om twijfel te voorkomen, dienen deze geen details voor te schrijven die normaliter de nationale omstandigheden moeten weerspiegelen, en geen alternatieve benaderingen te verbieden waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze dezelfde uitwerking hebben. Zulke besluiten moeten evenredig zijn en mogen geen invloed hebben op de besluiten van de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die geen belemmering voor de interne markt opwerpen.

(92)

De Unie en de lidstaten zijn in de Wereldhandelsorganisatie verplichtingen aangegaan met betrekking tot normen en het regelgevingskader voor telecommunicatienetwerken en -diensten.

(93)

Normalisatie moet in de eerste plaats een door de markt gestuurd proces blijven. Er kunnen zich echter nog steeds situaties voordoen waarin het wenselijk is dat op Unieniveau bepaalde normen worden opgelegd om interoperabiliteit en de keuzevrijheid van de gebruikers op de interne markt te verbeteren, en interconnectiviteit op de interne markt aan te moedigen. Op nationaal niveau dienen de lidstaten Richtlijn (EU) 2015/1535 na te komen. De normalisatieprocedures volgens deze richtlijn laten de Richtlijnen 2014/30/EU (29) en 2014/35/EU (30) van het Europees Parlement en de Raad enRichtlijn 2014/53/EU onverlet.

(94)

Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken en/of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten moeten verplicht worden de veiligheid van hun netwerken en/of diensten te waarborgen, en de gevolgen van beveiligingsincidenten te voorkomen of tot een minimum te beperken. Gezien de stand van de techniek moeten die maatregelen een veiligheidsniveau van de netwerken en diensten waarborgen dat is afgestemd op de risico's die zich voordoen. Bij beveiligingsmaatregelen moet minstens rekening worden gehouden met alle relevante aspecten van de volgende elementen: met betrekking tot de beveiliging van netwerken en voorzieningen: fysieke en omgevingsbeveiliging, bevoorradingszekerheid, controle op de toegang tot netwerken en integriteit van netwerken; met betrekking tot de behandeling van beveiligingsincidenten: behandelingsprocedures, capaciteit voor beveiligingsincidentdetectie, beveiligingsincidentrapportage en -communicatie; met betrekking tot het beheer van de bedrijfscontinuïteit: strategie inzake continuïteit van de dienstverlening en rampenplannen, herstelcapaciteiten; op het gebied van toezicht, controle en testen: toezicht- en registratiebeleid, oefenen van rampenplannen, testen van de netwerken en diensten, beoordelingen van de beveiliging en toezicht op de conformiteit; en naleving van internationale normen.

(95)

Gezien het toenemende belang van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten moet ervoor worden gezorgd dat ook voor die diensten passende veiligheidsvoorschriften gelden overeenkomstig hun specifieke aard en economisch belang. Aanbieders van dergelijke diensten moeten ook zorgen voor een beveiligingsniveau dat is afgestemd op de risico's die zich voordoen. Aangezien de overbrenging van signalen over het netwerk bij nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten doorgaans niet door de aanbieders van die diensten zelf wordt beheerd, kan het risiconiveau van dergelijke diensten op bepaalde gebieden lager worden geacht dan bij traditionele elektronischecommunicatiediensten. Derhalve moeten voor de aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten lichtere maatregelen worden genomen indien gerechtvaardigd op basis van een reële beoordeling van de betrokken veiligheidsrisico's. Dezelfde aanpak moet mutatis mutandis worden toegepast op internationale communicatiediensten waarbij gebruik wordt gemaakt van nummers en die niet instaan voor het feitelijk beheer van de overbrenging van signalen.

(96)

Aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten moeten gebruikers op de hoogte brengen van specifieke en significante dreigingen voor de veiligheid en van de maatregelen die zij kunnen treffen om de veiligheid van hun communicatie te beschermen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van specifieke soorten software of encryptietechnologieën. De verplichting om gebruikers op de hoogte te brengen van dergelijke bedreigingen mag een dienstenaanbieder niet ontheffen van de verplichting om op eigen kosten onmiddellijk passende maatregelen te treffen om veiligheidsdreigingen te verhelpen en het normale beveiligingsniveau van de dienst te herstellen. Het verstrekken van informatie over veiligheidsdreigingen aan de gebruiker moet kosteloos geschieden.

(97)

Teneinde de beveiliging van netwerken en diensten te waarborgen, en onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun essentiële veiligheidsbelangen en de openbare veiligheid beschermd zijn, en teneinde het onderzoek naar en het opsporen en vervolgen van strafbare feiten mogelijk te maken, moet het gebruik van versleuteling bijvoorbeeld, eind-tot-eind waar passend, worden bevorderd en waar nodig moet versleuteling verplicht zijn, zulks in overeenstemming met de beginselen veiligheid en privacy „by default and by design”;

(98)

De bevoegde instanties moeten er dan ook voor zorgen dat de integriteit en beschikbaarheid van openbare elektronischecommunicatienetwerken worden gewaarborgd. Het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) moet bijdragen tot een betere veiligheid van elektronische communicatie door onder meer expertise en adviezen te verstrekken en de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen. De bevoegde instanties moeten over de nodige middelen beschikken om hun taken te vervullen, met inbegrip van de bevoegdheid om de informatie op te vragen die nodig is voor de beoordeling van de veiligheid van netwerken en diensten. Zij moeten tevens de bevoegdheid krijgen om uitgebreide en betrouwbare gegevens op te vragen over feitelijke incidenten op het gebied van de veiligheid die belangrijke gevolgen hebben gehad voor de exploitatie van netwerken of diensten. Waar nodig moeten zij worden bijgestaan door de op grond van Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad (31) opgerichte Computer Security Incident Response Teams (CSIRT's). De CSIRT's kan met name worden gevraagd om aan de bevoegde instanties informatie te verstrekken over risico's en beveiligingsincidenten die een impact hebben op openbare elektronischecommunicatienetwerken en voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten en aanbevelingen te formuleren om die risico's aan te pakken.

(99)

Wanneer voor het aanbieden van elektronische communicatie een beroep wordt gedaan op openbare middelen waarvan het gebruik een specifieke machtiging vergt, moeten de lidstaten de instantie die bevoegd is voor de verlening van die machtigingen het recht kunnen geven vergoedingen op te leggen om een optimaal gebruik van die middelen te waarborgen overeenkomstig de in deze richtlijn geschetste procedures. Conform de rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen de lidstaten geen heffingen of vergoedingen vragen voor het aanbieden van andere netwerken en elektronischecommunicatiediensten dan die waarin deze richtlijn voorziet. In dit verband dienen de lidstaten een consistent beleid te voeren bij de vaststelling van die heffingen of vergoedingen teneinde geen buitensporige financiële last te koppelen aan de algemene machtigingsprocedures of gebruiksrechten voor aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.

(100)

Om een optimaal gebruik van middelen te waarborgen, moeten de vergoedingen een weergave zijn van de economische en financiële situatie op de betrokken markt en van elke andere belangrijke factor die hun waarde bepaalt. Tegelijk moeten de vergoedingen zodanig worden bepaald dat een efficiënte toewijzing en een efficiënt gebruik van het radiospectrum gewaarborgd zijn. Deze richtlijn laat het doel waarvoor de vergoedingen voor het gebruiksrecht en het recht om faciliteiten te installeren worden aangewend, onverlet. Het moet bijvoorbeeld mogelijk zijn dergelijke vergoedingen te gebruiken voor de financiering van de werkzaamheden van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties die niet voldoende uit de administratieve bijdragen kunnen worden gefinancierd. Wanneer bij toepassing van op vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedures vergoedingen voor het gebruik van radiospectrum uitsluitend of gedeeltelijk bestaan in een eenmalig bedrag, wordt er door middel van passende betalingsregelingen voor gezorgd dat dergelijke vergoedingen in de praktijk niet leiden tot selectie op grond van criteria die niets te maken hebben met de doelstelling een optimaal gebruik van radiospectrum te maken. De Commissie moet regelmatig benchmarkstudies en in voorkomend geval andere richtsnoeren over de beste praktijken met betrekking tot de toewijzing van radiospectrum, de toewijzing van nummervoorraden of het verlenen van doorgangsrechten, kunnen publiceren.

(101)

Vergoedingen die ondernemingen moeten betalen voor rechten voor het gebruik van radiospectrum kunnen van invloed zijn op beslissingen of dergelijke rechten moeten worden aangevraagd en of het radiospectrum moet worden gebruikt. Om een optimaal gebruik van het radiospectrum te waarborgen moeten de lidstaten reserveringsprijzen vaststellen op een wijze die resulteert in de efficiënte toewijzing van die rechten, ongeacht de aard van de gevolgde selectieprocedure. De lidstaten kunnen ook rekening houden met de mogelijke kosten in verband met de naleving van de machtigingsvoorwaarden die worden opgelegd om beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mededingingscontext op de betrokken markt, met inbegrip van de mogelijke alternatieve toepassingen van de middelen.

(102)

Een optimaal gebruik van het radiospectrum wordt bepaald door de beschikbaarheid van degelijke netwerken en bijbehorende faciliteiten. In dat verband moeten de lidstaten ernaar streven dat, wanneer nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties vergoedingen opleggen voor het gebruik van radiospectrum en voor de rechten voor de installatie van faciliteiten, deze instanties ernaar streven de voortdurende ontwikkeling van de infrastructuur te faciliteren om tot een zo efficiënt mogelijk gebruik van de middelen te komen. De lidstaten moeten ernaar streven de toepassing te verzekeren, zo goed als mogelijk, van de regelingen voor de betaling van de vergoedingen voor de rechten voor het gebruik van het radiospectrum, gekoppeld aan de reële beschikbaarheid van middelen en op dusdanige wijze dat de nodige investeringen in die ontwikkeling van infrastructuur, evenals de verlening van de bijbehorende diensten, worden gesteund. De betalingsregelingen moeten op objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende wijze worden gespecificeerd alvorens de procedures voor de verlening van rechten voor radiospectrumgebruik worden geopend.

(103)

Er dient zorg voor te worden gedragen dat er procedures bestaan voor de verlening van faciliteiteninstallatierechten, die snel, niet-discriminerend en transparant zijn, teneinde de voorwaarden voor eerlijke en daadwerkelijke mededinging te waarborgen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale bepalingen betreffende onteigening en het gebruik van eigendom, de normale uitoefening van eigendomsrechten, het normale gebruik van de openbare ruimte of het beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regels in de lidstaten die het eigendomsrecht beheersen.

(104)

Vergunningen die zijn afgegeven aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten zodat zij toegang krijgen tot openbare of particuliere eigendom, zijn fundamentele factoren bij het opzetten van elektronischecommunicatienetwerken of nieuwe netwerkelementen. Onnodige complexiteit en vertraging bij de procedures voor het verlenen van toegangsrechten kunnen derhalve belangrijke obstakels vormen voor de ontwikkeling van concurrentie. Het verwerven van toegangsrechten door erkende ondernemingen dient derhalve te worden vereenvoudigd. Bevoegde instanties moeten het verwerven van toegangsrechten coördineren, en relevante informatie toegankelijk maken op hun websites.

(105)

Het is noodzakelijk de bevoegdheden van de lidstaten ten aanzien van de houders van toegangsrechten te versterken om te zorgen voor een eerlijke, efficiënte en milieuverantwoorde invoering dan wel uitrol van een nieuw netwerk, ongeacht eventuele verplichtingen voor een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht om toegang te verlenen tot zijn elektronischecommunicatienetwerk. Een verbetering van het gezamenlijk gebruik van faciliteiten kan de milieukosten die de invoering van elektronischecommunicatie-infrastructuur meebrengt, sterk verlagen en bijdragen tot de volksgezondheid en de openbare veiligheid alsmede tot stedenbouwkundige en planologische doelstellingen. De bevoegde instanties moeten over de bevoegdheid beschikken om ondernemingen die hebben geprofiteerd van rechten om faciliteiten te installeren op, over of onder openbaar of particulier eigendom, voor te schrijven dergelijke faciliteiten of eigendom te delen (met inbegrip van fysieke colocatie), zulks na een passende periode van openbare raadpleging waarin alle belanghebbende partijen in staat moeten zijn gesteld hun standpunt naar voren te brengen, in de specifieke gebieden waarin dergelijke redenen van algemeen belang aanleiding geven tot een dergelijk gedeeld gebruik. Dat kan het geval zijn wanneer bijvoorbeeld ondergronds sprake is van ernstige congestie of wanneer er een natuurlijke barrière moet worden gepasseerd. De bevoegde instanties moeten met name het gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten zoals kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten, straatkasten, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, gebouwen of toegangen tot gebouwen, en een betere coördinatie van civiele werken kunnen opleggen om redenen op het vlak van het milieu of andere redenen van openbare orde.Het vastleggen van een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom is daarentegen een taak van de nationale regelgevende instanties, waarmee zij zorgen voor een passende verdeling van de beloning voor risico's tussen de betrokken ondernemingen. Gezien de verplichtingen in het kader van Richtlijn 2014/61/EU moeten de bevoegde instanties, met name de plaatselijke instanties, tevens, in samenwerking met de nationale regelgevende instanties, passende coördinatieprocedures met betrekking tot openbare werken en andere passende openbare faciliteiten of eigendom vaststellen, die procedures moeten kunnen omvatten waardoor gewaarborgd wordt dat belanghebbende partijen over informatie betreffende passende openbare faciliteiten of eigendom en lopende en voorgenomen openbare werken beschikken, dat zij tijdig over dergelijke werken worden geïnformeerd en dat gedeeld gebruik zoveel mogelijk wordt vergemakkelijkt.

(106)

Wanneer van exploitanten van mobiele netwerken om milieuredenen wordt geëist dat zij torens of masten delen, zou dit verplichte gedeelde gebruik om redenen van de volksgezondheid kunnen leiden tot een verlaging van de voor elke exploitant toegestane maximum transmissievermogensniveaus, wat er dan weer toe zou kunnen leiden dat de exploitanten meer transmissiestations moeten installeren om te zorgen voor nationale dekking. De bevoegde instanties moeten ernaar streven een evenwicht te vinden tussen overwegingen op het vlak van het milieu en van volksgezondheid, zoveel mogelijk rekening houdend met de voorzorgsbenadering van Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad (32).

(107)

Radiospectrum is een schaars openbaar bezit met een belangrijke publieke en marktwaarde. Het is een essentiële voorwaarde voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die op radioverbindingen zijn gebaseerd en dient dan ook, voor zover het betrekking heeft op die netwerken en diensten, door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties op efficiënte wijze te worden ingedeeld en toegewezen overeenkomstig een verzameling geharmoniseerde doelstellingen en beginselen als basis voor hun optreden, en volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, zulks met inachtneming van de democratische, sociale, taal- en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van radiospectrum. Beschikking nr. 676/2002/EG legt een kader vast voor de harmonisatie van het radiospectrum.

(108)

De activiteiten in de Unie in verband met het radiospectrumbeleid doen geen afbreuk aan op het niveau van de Unie of nationaal niveau in overeenstemming met het Unierecht genomen maatregelen om doelstellingen van algemeen belang na te streven, in het bijzonder met betrekking tot overheids- en defensienetwerken, inhoudsregulering en audiovisueel en mediabeleid, en het recht van de lidstaten om hun radiospectrum te gebruiken en te organiseren met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie.

(109)

Het waarborgen van wijdverspreide connectiviteit in elke lidstaat is essentieel voor de economische en sociale ontwikkeling, de participatie in het openbare leven en sociale en territoriale cohesie. Nu connectiviteit en het gebruik van elektronische communicatiemiddelen een integraal onderdeel van de Europese maatschappij en welvaart worden, moeten de lidstaten zorgen voor draadlozebreedbanddekking over de gehele Unie. Die dekking moet tot stand worden gebracht doordat de lidstaten passende dekkingvereisten invoeren die aangepast moeten zijn aan elk betrokken gebied en beperkt moeten blijven tot een proportionele belasting, zodat de implementatie door dienstenaanbieders niet wordt belemmerd. Gezien de belangrijke rol die systemen zoals lokale radionetwerken (RLAN's) spelen bij het bieden van draadloze breedband van hoge snelheid binnenshuis, moeten de maatregelen erop gericht zijn voldoende radiospectrum vrij te maken in banden die bijzonder waardevol zijn voor de kostenefficiënte uitrol van draadloze netwerken met universele dekking, met name binnenshuis. Voorts moet er met consistente, gecoördineerde maatregelen voor hoogwaardige terrestrische draadloze dekking in de hele Unie, waarbij wordt uitgegaan van de beste nationale praktijken wat betreft de machtigingsverplichtingen voor exploitanten, naar worden gestreefd het in het programma voor het radiospectrumbeleid vastgelegde doel te verwezenlijken, namelijk dat alle burgers van de Unie tegen 2020 zowel binnens- als buitenshuis toegang hebben tot de hoogste breedbandsnelheden van ten minste 30 Mb/s, en moet er een ambitieuze visie voor een gigabitmaatschappij in de Unie worden gerealiseerd. Dergelijke maatregelen zullen innovatieve digitale diensten bevorderen en zorgen voor sociaal-economische voordelen op lange termijn. Naadloze dekking van het grondgebied en connectiviteit in alle lidstaten moeten maximaal en betrouwbaar zijn, teneinde diensten en toepassingen, zoals onderling communicerende auto's en e-gezondheid, in de lidstaten en over hun grenzen heen te bevorderen.

(110)

Er dient absoluut voor te worden gezorgd dat burgers niet zodanig worden blootgesteld aan elektromagnetische velden dat het schadelijk is voor de volksgezondheid. De lidstaten moeten streven naar consistentie in de hele Unie om dit probleem aan te pakken, met bijzondere aandacht voor de voorzorgsbenadering in Aanbeveling 1999/519/EG, waardoor naar meer consistente implementatievoorwaarden wordt toegewerkt. De lidstaten dienen waar nodig de procedure van Richtlijn (EU) 2015/1535 toe te passen, ook om voor transparantie voor de belanghebbenden te zorgen en andere lidstaten en de Commissie de kans te geven om te reageren.

(111)

De harmonisering en coördinatie van het radiospectrum en de regelgeving inzake apparatuur, gesteund door normalisatie, vullen elkaar aan en moeten zorgvuldig worden gecoördineerd, zodat de gemeenschappelijke doelstellingen worden behaald, met ondersteuning van de Beleidsgroep Radiospectrum. Coördinatie tussen de in het kader van Beschikking nr. 676/2002/EG aan CEPT verstrekte mandaten betreffende inhoud en tijdschema's en aan normalisatie-instellingen, zoals het Europees Instituut voor telecommunicatienormen, gerichte verzoeken betreffende normalisatie, onder meer wat betreft parameters voor radio-ontvangers, moet ervoor zorgen dat de invoering van toekomstige systemen wordt vergemakkelijkt, mogelijkheden voor het gedeeld gebruik van radiospectrum tot stand worden gebracht en een efficiënt beheer van radiospectrum wordt gewaarborgd.

(112)

De vraag naar geharmoniseerd radiospectrum is niet uniform in alle delen van de Unie. Indien er op regionaal of nationaal niveau geen vraag is naar een geheel of gedeeltelijk geharmoniseerde band, zouden de lidstaten bij wijze van uitzondering een alternatief gebruik van de band kunnen toestaan, bijvoorbeeld om een gebrek aan marktaanbod voor bepaalde soorten van gebruik op te vangen, zolang er geen vraag is en op voorwaarde dat het alternatieve gebruik geen afbreuk doet aan het geharmoniseerde gebruik van de band door andere lidstaten, en het alternatieve gebruik wordt stopgezet wanneer er vraag is naar geharmoniseerd gebruik.

(113)

Flexibiliteit bij het beheer van het radiospectrum en toegang tot het radiospectrum is tot stand gebracht door middel van technologie- en dienstenneutrale machtigingen om radiospectrumgebruikers zelf de beste technologieën en diensten te laten kiezen die zij willen toepassen in radiospectrumbanden die beschikbaar zijn verklaard voor elektronische communicatiediensten in de betreffende nationale frequentietoewijzingsplannen in overeenstemming met het Unierecht („beginsel van technologieneutraliteit en beginsel van dienstenneutraliteit”). Technologieën en diensten mogen alleen administratief worden vastgesteld wanneer er doelstellingen van algemeen belang in het geding zijn en moeten terdege worden gemotiveerd en periodiek opnieuw worden onderzocht.

(114)

Beperkingen van het beginsel van technologieneutraliteit moeten passend zijn, en gemotiveerd zijn vanuit de noodzaak schadelijke interferentie te voorkomen, bijvoorbeeld door zendmaskers en limieten voor het zendvermogen op te leggen, om te zorgen voor bescherming van de volksgezondheid door de blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden te beperken, om de goede werking van diensten te waarborgen door een toereikende technische kwaliteit van de dienst zonder dat zulks noodzakelijkerwijs belet dat in dezelfde radiospectrumband meer dan één dienst kan worden gebruikt, om een correct gezamenlijk gebruik van het radiospectrum mogelijk te maken, met name wanneer het gebruik daarvan alleen is onderworpen aan algemene machtigingen, om het efficiënte gebruik van het radiospectrum zeker te stellen, of om een doelstelling van algemeen belang na te streven overeenkomstig het Unierecht.

(115)

Radiospectrumgebruikers moeten ook vrij kunnen bepalen welke diensten zij via het radiospectrum willen aanbieden. Anderzijds moeten, mits noodzakelijk en proportioneel, maatregelen mogelijk zijn voor het leveren van een bepaalde dienst die duidelijk omschreven doeleinden van algemeen belang dient, zoals de veiligheid van het menselijk leven, de noodzaak om de sociale, regionale en territoriale samenhang te bevorderen of het vermijden van een ondoelmatig gebruik van het radiospectrum. Die doelstellingen moeten ook de bevordering van culturele en taaldiversiteit omvatten, alsook mediapluriformiteit zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Unierecht. Behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het menselijk leven te beschermen of, bij wijze van uitzondering, om andere doelstellingen van algemeen belang, zoals gedefinieerd door de lidstaten in overeenstemming met het Unierecht, te verwezenlijken, mogen maatregelen niet leiden tot exclusief gebruik voor bepaalde diensten maar moeten die diensten voorrang krijgen zodat dezelfde radiospectrumband tegelijk zoveel mogelijk door andere diensten of technologieën zou kunnen worden benut. De lidstaten zijn bevoegd de reikwijdte en de aard te definiëren van eventuele uitzonderingen wat betreft het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en mediapluriformiteit.

(116)

Omdat de toewijzing van radiospectrum aan specifieke technologieën of diensten een uitzondering vormt wat betreft de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit en de regel dat aanbieders zelf de dienst die wordt verschaft of de technologie die wordt gebruikt kunnen kiezen, moet een voorstel voor een dergelijke toewijzing transparant zijn en aan een openbare raadpleging worden onderworpen.

(117)

Wanneer de lidstaten in uitzonderlijke gevallen besluiten om de vrijheid van aanbieding van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid in te perken, moeten zij de redenen voor die inperking toelichten.

(118)

Radiospectrum moet zodanig worden beheerd dat schadelijke interferentie wordt vermeden. Het basisconcept van schadelijke interferentie moet dus nauwkeurig worden gedefinieerd opdat de regulering op dit punt beperkt blijft tot hetgeen werkelijk nodig is om dit soort interferentie te voorkomen, mede gelet op de noodzaak rekening te houden met geavanceerde methoden voor de bescherming tegen schadelijke interferentie, met het doel die technologieën en radiospectrumbeheermethoden toe te passen om zoveel mogelijk te vermijden dat het beginsel „interferentievrij en onbeschermd” moet worden toegepast. De sector vervoer heeft een uitgesproken grensoverschrijdend aspect en de digitalisering ervan levert problemen op. Voertuigen (zoals metro’s, bussen, auto's, vrachtwagens en treinen) worden in steeds grotere mate autonoom en geconnecteerd. Op een interne markt gaan voertuigen gemakkelijker nationale grenzen over. Betrouwbare communicatie en het voorkomen van schadelijke interferentie zijn van cruciaal belang voor de veilige en goede werking van voertuigen en de communicatiesystemen die zij aan boord hebben.

(119)

Gezien de toenemende vraag naar radiospectrum en nieuwe, uiteenlopende toepassingen en technologieën die meer flexibiliteit wat betreft de toegang tot en het gebruik van radiospectrum vergen, moeten de lidstaten gedeeld gebruik van radiospectrum bevorderen door de meest geschikte machtigingsstelsels voor elk scenario te bepalen en hiervoor passende en transparante voorschriften en voorwaarden vast te stellen. Door gedeeld gebruik van radiospectrum wordt doeltreffend en efficiënt gebruik ervan in toenemende mate gewaarborgd: meerdere onafhankelijke gebruikers of apparaten krijgen toegang tot dezelfde radiospectrumband in het kader van verschillende soorten wettelijke regelingen, teneinde extra radiospectrumruimte beschikbaar te maken, de efficiëntie van het gebruik te verhogen en de toegang tot radiospectrum voor nieuwe gebruikers te vergemakkelijken. Gedeeld gebruik kan zijn gebaseerd op algemene machtigingen of vergunningvrij gebruik, waarbij meerdere gebruikers onder specifieke omstandigheden inzake gedeeld gebruik toegang krijgen tot hetzelfde radiospectrum, en dat kunnen gebruiken, in verschillende geografische gebieden of op verschillende tijdstippen. Het kan ook zijn gebaseerd op individuele gebruiksrechten in het kader van regelingen zoals vergunningplichtige gedeelde toegang, waarbij alle gebruikers (bestaande gebruikers en nieuwe gebruikers) overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor gedeelde toegang, onder toezicht van de bevoegde instanties, op zodanige wijze dat een minimale gegarandeerde radiotransmissiekwaliteit wordt gewaarborgd. Wanneer de lidstaten gedeeld gebruik in het kader van meerdere machtigingsregelingen toestaan, dienen zij ervoor te zorgen dat de looptijden voor een dergelijk gebruik in het kader van meerdere machtigingsregelingen niet te zeer van elkaar afwijken.

(120)

Algemene machtigingen voor radiospectrumgebruik kunnen het meest effectieve radiospectrumgebruik vergemakkelijken en in sommige gevallen innovatie bevorderen, en zijn concurrentiebevorderend, terwijl individuele gebruiksrechten voor radiospectrum in andere gevallen onder bepaalde specifieke omstandigheden wellicht de geschiktste machtigingsregeling vormen. Individuele gebruiksrechten moeten bijvoorbeeld worden overwogen wanneer gunstige verspreidingskenmerken van het radiospectrum of het beoogde vermogen van de doorgifte impliceren dat algemene machtigingen de interferentieproblemen niet kunnen aanpakken, gelet op de vereiste kwaliteit van dienstverlening. Technische maatregelen zoals oplossingen ter verhoging van de bestendigheid van de ontvanger kunnen het gebruik van algemene machtigingen of gedeeld radiospectrumgebruik mogelijk maken, en misschien de systematische toepassing van het beginsel „interferentievrij en onbeschermd” voorkomen.

(121)

De lidstaten moeten, teneinde de voorspelbaarheid te waarborgen en de rechtszekerheid en investeringsstabiliteit te beschermen, van tevoren passende criteria vaststellen om na te gaan of wordt bijdragen tot de doelstelling betreffende efficiënt radiospectrumgebruik door de houders van de rechten bij de implementatie van de voorwaarden die zijn verbonden aan individuele gebruiksrechten en algemene machtigingen. Belangstellende partijen moeten worden betrokken bij het opstellen van dergelijke voorwaarden, en zij moeten op transparante wijze worden ingelicht over de manier waarop wordt beoordeeld of zij aan hun verplichtingen voldoen.

(122)

Om te voorkomen dat belemmeringen voor de toegang tot de markt ontstaan, met name door het achterhouden van radiospectrumbanden, moeten de aan de radiospectrumrechten verbonden voorwaarden door de lidstaten effectief gehandhaafd worden en moeten alle bevoegde instanties, waar nodig, daaraan meewerken. Er moet een „gebruiken of verliezen”-clausule worden opgenomen in de handhavingsvoorwaarden. Om rechtszekerheid te bieden ten aanzien van mogelijke sancties vanwege het niet-gebruik van radiospectrum, moeten vooraf gebruiksdrempels worden vastgesteld, inclusief wat radiospectrumtijd, -kwantiteit of -identiteit betreft. Het verhandelen of verhuren van radiospectrum moet het effectief gebruik door de oorspronkelijke houder van het recht waarborgen.

(123)

Wanneer de geharmoniseerde voorwaarden voor een radiospectrumband vastgesteld worden in het kader van Beschikking 676/2002/EG, moeten de bevoegde instanties beslissen welke de meest geschikte machtigingsregeling is die in die band of delen daarvan moet worden toegepast. Wanneer het waarschijnlijk is dat alle lidstaten met soortgelijke problemen te maken krijgen en uiteenlopende oplossingen daarvoor tot versnippering van de interne markt voor uitrusting kunnen leiden, en daardoor de uitrol van 5G-systemen vertragen, kan het voor de Commissie nodig zijn, daarbij zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, gemeenschappelijke oplossingen aan te bevelen, met inachtneming van de geldende technische harmonisatiemaatregelen. Dit kan een gemeenschappelijk instrumentarium voor lidstaten opleveren waarmee zij rekening kunnen houden bij de vaststelling van geschikte consistente vergunningsregelingen die moeten worden toegepast op een band of een deel daarvan, afhankelijk van factoren zoals bevolkingsdichtheid, verspreidingskenmerken van banden, verschillen tussen stedelijk en ruraal gebruik, de eventuele noodzaak van bescherming van bestaande diensten en de daaruit voortvloeiende implicaties voor schaalvoordelen bij de productie.

(124)

Gedeeld gebruik van netwerkinfrastructuur, en in sommige gevallen van radiospectrum, kan bijdragen tot een efficiënter gebruik van radiospectrum en ervoor zorgen dat netwerken snel worden uitgerold, met name in dunner bevolkte gebieden. Wanneer de bevoegde instanties voorwaarden vaststellen die worden verbonden aan gebruiksrechten voor radiospectrum, moeten zij ook overwegen toestemming te geven voor vormen van gedeeld gebruik of coördinatie tussen ondernemingen, teneinde doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum of de naleving van dekkingsverplichtingen te waarborgen, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht.

(125)

De eis dat de beginselen van technologieneutraliteit en dienstenneutraliteit worden nageleefd bij het verlenen van gebruiksrechten, en de mogelijkheid om tussen ondernemingen rechten over te dragen, vormen samen de basis voor de vrijheid en de middelen om elektronischecommunicatiediensten aan het publiek te verstrekken, en maken het zo makkelijker doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken. Voor deze richtlijn maakt het niet uit of radiospectrum rechtstreeks aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten wordt toegewezen dan wel aan organen die van die netwerken of diensten gebruik maken. Zulke organen kunnen aanbieders zijn van radio- en televisiediensten. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de voorwaarden verbonden aan het gebruiksrecht voor radiospectrum en de desbetreffende aan de algemene machtiging verbonden voorwaarden berust in elk geval bij de onderneming waaraan het gebruiksrecht voor het radiospectrum is toegewezen. Bepaalde verplichtingen die zijn opgelegd aan omroepen voor het verlenen van audiovisuele mediadiensten kunnen de toepassing van specifieke criteria en procedures voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiospectrum noodzakelijk maken, indien blijkt dat zulks van fundamenteel belang is om te voldoen aan een specifieke doelstelling van algemeen belang als bepaald door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht. De procedure voor het verlenen van dergelijke rechten dient echter in ieder geval objectief, transparant, niet-discriminerend en proportioneel te zijn.

(126)

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten alle nationale beperkingen van de krachtens artikel 56 VWEU gewaarborgde rechten objectief worden gerechtvaardigd en proportioneel zijn en mogen zij niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan. Bovendien mag radiospectrum dat niet via een open procedure is toegewezen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het algemeen belang waarvoor het is toegewezen. In een dergelijk geval moeten de belangstellende partijen de mogelijkheid krijgen binnen een redelijke periode opmerkingen te maken. In het kader van de procedure voor het verlenen van rechten moeten de lidstaten nagaan of de aanvrager wel kan voldoen aan de voorwaarden die aan die rechten worden verbonden. Die voorwaarden moeten worden opgenomen in criteria die op objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende wijze zijn opgesteld, voordat een op mededinging gebaseerde selectieprocedure van start gaat. Voor de toepassing van dergelijke criteria kan de aanvrager worden verzocht de nodige informatie over te leggen waaruit blijkt dat hij in staat is aan die voorwaarden te voldoen. Wordt die informatie niet verstrekt, dan kan de aanvraag voor het gebruiksrecht voor radiospectrum worden afgewezen.

(127)

De lidstaten dienen, voorafgaand aan het verlenen van het recht, uitsluitend verplichtingen op te leggen betreffende de controle van elementen waarvan een zorgvuldig handelende aanvrager redelijkerwijs de nodige gegevens kan verstrekken, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de belangrijke publieke en marktwaarde van radiospectrum, dat een schaars publiek goed is. Dit laat de mogelijkheid onverlet om vervolgens te controleren of aan criteria is voldaan, bijvoorbeeld door middel van te respecteren termijnen, wanneer het aanvankelijk redelijkerwijs niet mogelijk was aan criteria te voldoen. Teneinde het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum in stand te houden, dienen de lidstaten geen rechten te verlenen wanneer uit hun beoordeling blijkt dat aanvragers niet in staat zijn aan de voorwaarden te voldoen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de mogelijkheid om experimenteel gebruik gedurende een beperkte tijd te vergemakkelijken. Door ervoor te zorgen dat de looptijd van machtigingen voor het gebruik van radiospectrum lang genoeg is, neemt de voorspelbaarheid op het vlak van investeringen toe, hetgeen bijdraagt tot een snellere uitrol van netwerken en betere diensten, alsmede tot de stabiliteit ter ondersteuning van de handel in en de verhuur van radiospectrum. Tenzij een machtiging voor het gebruik van radiospectrum voor onbeperkte duur wordt verstrekt, dient bij een dergelijke looptijd rekening te worden gehouden met de nagestreefde doelstellingen en dient die afdoende te zijn om het terugverdienen van de gedane investeringen te vergemakkelijken. Een langere looptijd kan de voorspelbaarheid van investeringen waarborgen, maar maatregelen voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum, zoals de bevoegdheid van de bevoegde instantie om het recht te wijzigen of in te trekken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan de gebruiksrechten zijn verbonden, of de bevordering van de mogelijkheid om radiospectrum te verhandelen of verhuren, zullen ervoor zorgen dat ongepaste accumulatie van radiospectrum wordt voorkomen en dat een grotere flexibiliteit bij de verdeling van radiospectrummiddelen wordt bevorderd. Ook door vaker gebruik te maken van vergoedingen op jaarbasis wordt ervoor gezorgd dat het gebruik van radiospectrum door de houder van de rechten permanent wordt beoordeeld.

(128)

Rekening houdend met het belang van technische innovatie moeten de lidstaten kunnen voorzien in gebruiksrechten voor radiospectrum voor experimentele doeleinden, afhankelijk van specifieke beperkingen en voorwaarden die strikt gemotiveerd moeten worden door de experimentele aard van zulke rechten.

(129)

Wanneer de bevoegde instanties besluiten reeds verleende gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum al of niet te verlengen, dienen zij rekening te houden met de mate waarin verlenging bijdraagt tot de doelstellingen van het regelgevingskader en tot andere doelstellingen in het kader van Unierecht en nationaal recht. Een dergelijk besluit dient te worden genomen aan de hand van een open, niet-discriminerende en transparante procedure en van een beoordeling van de manier waarop is voldaan aan de voorwaarden die aan de rechten zijn verbonden. Bij het beoordelen of gebruiksrechten verlengd moeten worden, dienen de lidstaten een afweging te maken tussen het concurrentie-effect van de verlenging van verleende rechten en de bevordering van een efficiënter gebruik of van innovatieve nieuwe toepassingen als gevolg van de openstelling van de band voor nieuwe gebruikers. De bevoegde instanties moeten in dat verband kunnen toestaan dat rechten slechts voor een beperkte duur worden verlengd, teneinde te voorkomen dat het gevestigde gebruik ernstig wordt verstoord. Bij besluiten inzake de verlenging van rechten die voorafgaand aan de datum van toepassing van deze richtlijn zijn verleend, moeten alle voorschriften die reeds van toepassing zijn in acht worden genomen, maar de lidstaten dienen eveneens te waarborgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van deze richtlijn.

(130)

Wanneer bestaande gebruiksrechten voor geharmoniseerd radiospectrum worden verlengd, dienen de lidstaten, naast de beoordeling van de noodzaak om de rechten te verlengen, tevens de daaraan verbonden vergoedingen te evalueren, teneinde te waarborgen dat door middel van die vergoedingen het optimale gebruik nog steeds wordt bevorderd, onder meer rekening houdend met de marktontwikkelingen en de technologie. Met het oog op de rechtszekerheid is het zinvol dat alle wijzigingen van de bestaande vergoedingen worden gebaseerd op de beginselen die ook van toepassing zijn op het verlenen van nieuwe gebruiksrechten.

(131)

Een doeltreffend beheer van radiospectrum kan worden gewaarborgd door aanhoudend efficiënt gebruik van reeds toegewezen radiospectrum te bevorderen. Teneinde de rechtszekerheid voor de houders van de rechten te waarborgen, dient de mogelijkheid tot verlenging van gebruiksrechten binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het verstrijken van de betrokken rechten in overweging te worden genomen, bijvoorbeeld, wanneer rechten voor 15 jaar of meer zijn toegewezen, ten minste twee jaar voor het verstrijken van die rechten, tenzij de mogelijkheid van verlenging uitdrukkelijk werd uitgesloten op het moment van de toewijzing van de rechten. In het belang van de continuïteit van het beheer van middelen dienen de bevoegde instanties over de mogelijkheid te beschikken om op eigen initiatief of naar aanleiding van een verzoek door de rechtverkrijgende een dergelijk tijdsbestek in overweging te nemen. De verlenging van het gebruiksrecht mag niet tegen de wil van de rechtverkrijgende worden verleend.

(132)

Overdracht van gebruiksrechten voor radiospectrum kan een doeltreffend middel zijn om spectrum efficiënter te gebruiken. Met het oog op de flexibiliteit en efficiëntie en om het mogelijk te maken dat de markt radiospectrum op waarde schat, moeten de lidstaten radiospectrumgebruikers standaard de mogelijkheid bieden om hun gebruiksrechten voor radiospectrum over te dragen of te verhuren aan derden, waarbij een eenvoudige procedure wordt gevolgd en de voorwaarden die zijn verbonden aan dergelijke rechten en aan de mededingingsvoorschriften worden nageleefd, en toezicht wordt gehouden door de verantwoordelijke nationale regelgevende instanties. Teneinde een dergelijke overdracht of verhuur te vergemakkelijken, en mits de op grond van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen in acht zijn genomen, moeten de lidstaten ook verzoeken in overweging nemen die zijn gericht op de opdeling of ontbundeling van radiospectrumrechten en op de evaluatie van voorwaarden voor gebruik.

(133)

Besluiten inzake maatregelen die specifiek zijn gericht op de bevordering van de concurrentie bij het verlenen of verlengen van gebruiksrechten voor radiospectrum, dienen te worden genomen door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, die over de nodige kennis op het vlak van de economie, de technologie en de markt beschikken. Voorwaarden voor de toewijzing van radiospectrum kunnen van invloed zijn op de concurrentiesituatie op de markten voor elektronische communicatie en op voorwaarden voor toegang tot de markt. Beperkte toegang tot radiospectrum, met name wanneer radiospectrum schaars is, kan een toegangsbarrière opwerpen of een belemmering vormen voor investeringen, de uitrol van netwerken, het aanbieden van nieuwe diensten of toepassingen, innovatie en mededinging. Nieuwe gebruiksrechten, met inbegrip van gebruiksrechten die door middel van overdracht of verhuur zijn verworven, en de invoering van nieuwe, flexibele criteria voor radiospectrumgebruik kunnen ook van invloed zijn op de bestaande concurrentie. Wanneer bepaalde, voor de bevordering van de concurrentie gebruikte voorwaarden ten onrechte worden toegepast, kunnen daaruit andere effecten voortvloeien: bijvoorbeeld kunnen radiospectrumlimieten en -reserveringen tot kunstmatige schaarste leiden, kunnen wholesaletoegangsverplichtingen bij ontbreken van marktmacht tot een onterechte beperking van bedrijfsmodellen leiden, en kunnen grenzen voor overdracht de ontwikkeling van secundaire markten belemmeren. Daarom is een consistente en objectieve mededingingstoets ten aanzien van het opleggen van dergelijke voorwaarden noodzakelijk en moet die op consistente wijze worden toegepast. Het gebruik van dergelijke maatregelen moet daarom worden gebaseerd op een grondige en objectieve, door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties uit te voeren, beoordeling van de markt en de concurrentievoorwaarden op die markt. Nationale bevoegde instanties moeten evenwel te allen tijde het doeltreffende en efficiënte gebruik van radiospectrum waarborgen en verstoring van de concurrentie als gevolg van tegen vrije concurrentie indruisende oppotpraktijken voorkomen.

(134)

Voortbouwend op adviezen van de Beleidsgroep Radiospectrum kan de vaststelling van een gemeenschappelijke termijn voor het toestaan van het gebruik van een op grond van Beschikking nr. 676/2002/EG geharmoniseerde radiospectrumband noodzakelijk zijn om grensoverschrijdende interferentie te voorkomen, en gunstig zijn voor het benutten van alle voordelen van de verwante technische harmonisatiemaatregelen voor de markten voor apparatuur, evenals voor de uitrol van netwerken en diensten met zeer hoge capaciteit. Het gebruik van een radiospectrumband toestaan impliceert de toewijzing van radiospectrum volgens een algemenemachtigingsregeling of individuele gebruiksrechten, zodat het gebruik van radiospectrum is toegestaan zodra de toewijzing is voltooid. Voor het toewijzen van radiospectrumbanden kan het nodig zijn een door andere gebruikers gebruikte band vrij te maken en die andere gebruikers te compenseren. Invoering van een gemeenschappelijke termijn voor het toestaan van het gebruik van geharmoniseerde banden voor elektronischecommunicatiediensten, inclusief voor 5G, kan evenwel in een bepaalde lidstaat worden beïnvloed door problemen in verband met onopgeloste kwesties inzake grensoverschrijdende coördinatie tussen lidstaten of met derde landen, en met de complexiteit van de technische migratie van bestaande gebruikers van een band, een beperking van het gebruik van de radiospectrumband op basis van een doelstelling van algemeen belang, het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie, of overmacht. In ieder geval moeten de lidstaten alle maatregelen nemen om vertragingen tot een minimum te beperken in termen van geografische dekking, timing en radiospectrumbereik. Voorts moeten de lidstaten, indien passend, op basis van hun evaluatie van de relevante omstandigheden, de Unie kunnen vragen om juridische, politieke en technische bijstand voor het oplossen van radiospectrumcoördinatieproblemen met derde landen die grenzen aan de Unie, met inbegrip van kandidaat-lidstaten en toetredende landen, zodat de betrokken lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het Unierecht kunnen nakomen.

(135)

Om te zorgen voor een grotere gecoördineerde beschikbaarheid van radiospectrum in 2020 waarmee vaste en draadloze netwerken van zeer hoge snelheid in de context van 5G kunnen worden verwezenlijkt, heeft de Beleidsgroep Radiospectrum de 3,4-3,8 GHz- en 24,25-27,5 GHz-banden aangeduid als prioritaire banden die geschikt zijn voor het bereiken van de doelstellingen van het 5G-actieplan in 2020. Ook de 40,5-43,5 GHz- en 66-71 GHz-banden zijn voor verder onderzoek aangewezen. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat, uiterlijk op 31 december 2020, de 3,4-3,8 GHz- en de 24,25-27,5 GHz-banden of delen daarvan beschikbaar zijn voor terrestrische systemen die in staat zijn tot levering van draadlozebreedbanddiensten volgens geharmoniseerde voorwaarden die zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG, ter aanvulling van Besluit (EU) 2017/899 van het Europees Parlement en de Raad (33), aangezien die banden specifieke kwaliteiten hebben qua dekking en gegevenscapaciteit, waardoor zij passend kunnen worden gecombineerd teneinde te voldoen aan vereisten voor 5G. De lidstaten kunnen echter worden beïnvloed door mogelijke interferentie uit derde landen die, in overeenstemming met de radioregulering van de ITU, die banden hebben aangeduid voor andere diensten dan de internationale mobiele telecommunicatie. Dit zou van invloed kunnen zijn op de verplichting te voldoen aan een gemeenschappelijke uitvoeringsdatum. Het toekomstige gebruik van de 26 GHz-band voor terrestrische draadloze 5G-diensten zal waarschijnlijk onder meer gericht zijn op stedelijke gebieden en voorstedelijke hotspotgebieden, terwijl enige uitrol te verwachten is langs belangrijke wegen en spoorwegen in plattelandsgebieden. Dit biedt de gelegenheid om de 26 GHz-band te gebruiken voor andere diensten dan draadloze 5G-systemen buiten die geografische gebieden, bijvoorbeeld voor bedrijfsspecifieke communicatie of voor gebruik binnenshuis, en biedt zodoende de lidstaten de gelegenheid die band toe te wijzen en beschikbaar te stellen op niet-exclusieve basis.

(136)

Wanneer de vraag naar een radiospectrumband groter is dan de beschikbaarheid ervan en een lidstaat als gevolg daarvan besluit dat de gebruiksrechten voor radiospectrum moeten worden beperkt, moeten passende en transparante procedures worden toegepast bij de verlening van die rechten teneinde discriminatie te voorkomen en een optimaal gebruik van dit schaarse goed te waarborgen. Een dergelijke beperking dient gerechtvaardigd en evenredig te zijn en te worden gebaseerd op een grondige beoordeling van de marktomstandigheden, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de algehele voordelen van de gebruiker en met nationale doelstellingen en doelstellingen inzake de interne markt. De doelstellingen die met beperkingsprocedures worden nagestreefd, moeten van tevoren duidelijk worden omschreven. Bij het afwegen welke de meest geschikte selectieprocedure is, moeten de lidstaten de op Unieniveau getroffen coördinerende maatregelen naleven en moeten zij tijdig en op transparante wijze alle belangstellende partijen raadplegen over de rechtvaardiging, de doelstellingen en de voorwaarden van de procedure. Lidstaten moeten onder meer kunnen gebruikmaken van selectieprocedures op basis van mededinging of van vergelijking voor de toewijzing van radiospectrum of van nummervoorraden met een uitzonderlijke economische waarde. Bij het beheer van dergelijke regelingen dienen de bevoegde instanties rekening te houden met de doelstellingen van deze richtlijn. Indien een lidstaat van mening is dat verdere rechten in een band beschikbaar kunnen worden gesteld, dient hij van start te gaan met het proces daarvoor.

(137)

Door de enorme toename van de vraag naar radiospectrum en van de vraag door eindgebruikers naar draadlozebreedbandcapaciteit zijn alternatieve, complementaire, wat spectrumgebruik betreft efficiënte toegangsoplossingen nodig, waaronder draadloze toegangssystemen met laag vermogen en kort bereik, zoals RLAN's en netwerken van cellulaire toegangspunten met een laag vermogen. Dergelijke complementaire draadloze toegangssystemen, in het bijzonder publiek toegankelijke RLAN-toegangspunten, geven eindgebruikers in toenemende mate toegang tot het internet en bieden mobiele aanbieders de mogelijkheid mobiel verkeer af te wikkelen. RLAN's maken gebruik van geharmoniseerd radiospectrum zonder dat een individuele machtiging of een gebruiksrecht voor radiospectrum vereist is. De meeste RLAN-toegangspunten worden tot dusver door particuliere gebruikers gebruikt als een lokaal draadloos verlengstuk van hun vaste breedbandverbinding. Eindgebruikers mogen er binnen de grenzen van hun eigen internetabonnement niet van worden weerhouden hun RLAN-toegang met anderen te delen, teneinde het aantal beschikbare toegangspunten te vergroten, met name in dichtbevolkte gebieden, de capaciteit op het vlak van draadloze gegevens te maximaliseren door hergebruik van radiospectrum, en een kosteneffectieve complementaire draadlozebreedbandinfrastructuur te creëren die voor andere eindgebruikers toegankelijk is. Onnodige beperkingen op de opstelling en onderlinge koppeling van RLAN-toegangspunten moeten dan ook worden opgeheven.

(138)

Overheden of aanbieders van openbare diensten die RLAN's in hun gebouwen of op hun terreinen voor hun personeel, bezoekers of klanten gebruiken, bijvoorbeeld om de toegang tot e-overheidsdiensten te vergemakkelijken of ten behoeve van informatie over openbaar vervoer of wegverkeersmanagement, kunnen ook toegang tot dergelijke toegangspunten verlenen voor algemeen gebruik door de burgers als aanvulling op de diensten die zij in hun gebouwen of op hun terreinen aanbieden, voor zover dat is toegestaan op grond van de voorschriften inzake mededinging en openbare aanbestedingen. De aanbieder van dergelijke lokale toegang tot elektronischecommunicatienetwerken in of rond een privéwoning of een beperkte openbare ruimte op niet-commerciële basis of als nevendienst voor een andere activiteit die niet van dergelijke toegang afhankelijk is, zoals RLAN-hotspots die op die plaats aan klanten van andere commerciële activiteiten of aan het algemene publiek beschikbaar worden gesteld, kan evenwel verplicht zijn algemene machtigingen voor gebruiksrechten voor radiospectrum na te leven, maar moet niet worden onderworpen aan voorwaarden of vereisten die zijn verbonden aan algemene machtigingen van toepassing op aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of -diensten, noch aan verplichtingen inzake eindgebruikers of interconnectie. Op een dergelijke aanbieder blijven echter wel de voorschriften inzake aansprakelijkheid van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (34) van toepassing. Andere technologieën, zoals LiFi, zijn in opkomst en zullen een aanvulling vormen op de huidige capaciteiten van RLAN's en draadloze toegangspunten betreffende radiospectrum, door middel van toegangspunten op basis van optisch zichtbaar licht, en leiden tot hybride lokale netwerken waarmee optische draadloze communicatie mogelijk is.

(139)

Aangezien draadloze toegangspunten met laag vermogen, zoals femtocellen, picocellen, metrocellen of microcellen, soms zeer klein zijn en gebruikmaken van discrete apparatuur vergelijkbaar met door particulieren gebruikte RLAN-routers, waarvoor geen verdere vergunning nodig is dan die vereist voor het gebruik van radiospectrum, en rekening houdend met het positief effect van zulke toegangspunten op het gebruik van radiospectrum en op de ontwikkeling van draadloze communicatie, moeten beperkingen op de inzet ervan zoveel mogelijk worden beperkt. Als gevolg daarvan mogen de lidstaten, ter vergemakkelijking van de implementatie van draadloze toegangspunten met klein bereik, en onverminderd elke toepasselijke vereiste in verband met radiospectrumbeheer, geen individuele vergunningen opleggen voor de implementatie van dergelijke apparaten op gebouwen die niet officieel beschermd zijn als onderdeel van een aangewezen omgeving, en evenmin officieel beschermd zijn vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, behalve wanneer de openbare veiligheid in het geding is. Daartoe moeten de kenmerken ervan, zoals maximumgrootte, gewicht en emissie-eigenschappen, op Unieniveau worden gespecificeerd op proportionele wijze voor lokale uitrol en om te zorgen voor een hoge mate van bescherming van de volksgezondheid, zoals vastgelegd in Aanbeveling 1999/519/EG. Voor de exploitatie van draadloze toegangspunten met klein bereik moet artikel 7 van Richtlijn 2014/53/EU van toepassing zijn. Dit laat de particuliere eigendomsrechten volgens het Unierecht of het nationale recht onverlet. De procedure voor de behandeling van vergunningsaanvragen moet worden gestroomlijnd, onverminderd eventuele handelsovereenkomsten, en de ermee gepaard gaande administratieve lasten moeten worden beperkt tot de administratieve kosten van de behandeling van de aanvraag. Een verzoek om een vergunning dient zo snel mogelijk te worden beoordeeld, in beginsel binnen vier maanden.

(140)

Openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur worden dagelijks bezocht en gebruikt door een aanzienlijk aantal eindgebruikers die verbonden moeten zijn met netwerken om gebruik te kunnen maken van e-overheid, e-vervoer en andere diensten. Andere publieke infrastructuur, zoals lantaarnpalen en verkeerslichten, vormen bijvoorbeeld op grond van de dichte verspreiding ervan zeer waardevolle locaties voor de plaatsing van kleine cellen. Onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde instanties om de uitrol van draadloze toegangspunten met klein bereik afhankelijk te stellen van voorafgaande individuele vergunningen, moeten exploitanten het recht op toegang tot die openbare locaties krijgen om adequaat te kunnen inspelen op de vraag. In aanvulling op Richtlijn 2014/61/EU en onverminderd de beginselen die zijn vastgelegd in deze richtlijn, dienen de lidstaten er derhalve voor te zorgen dat dergelijke openbare gebouwen en andere publieke infrastructuur op redelijke voorwaarden beschikbaar worden gemaakt voor de uitrol van kleine cellen. Richtlijn 2014/61/EU volgt een functionele aanpak en voorziet slechts in verplichtingen betreffende de toegang tot fysieke infrastructuur in gevallen waarin die deel uitmaakt van een netwerk en eigendom is van of wordt gebruikt door een netwerkexploitant, zodat tal van gebouwen die in bezit zijn van of gebruikt worden door overheden er niet onder vallen. Fysieke infrastructuur, zoals buizen en masten, die wordt gebruikt voor intelligente vervoerssystemen in handen van netwerkexploitanten (aanbieders van vervoersdiensten of aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken) en die ruimte biedt aan onderdelen van een netwerk, vereist geen specifieke verplichting en valt dus binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/61/EU.

(141)

De bepalingen van deze richtlijn met betrekking tot toegang en interconnectie zijn van toepassing op openbare elektronischecommunicatienetwerken. Aanbieders van andere elektronischecommunicatienetwerken dan die welke aan het publiek worden aangeboden, hebben geen verplichtingen inzake toegang en interconnectie uit hoofde van deze richtlijn, maar kunnen, wanneer zij toegang hebben tot publieke netwerken, onderworpen zijn aan de voorwaarden die de lidstaten stellen.

(142)

De term „toegang” heeft velerlei betekenissen en daarom dient nauwkeurig te worden omschreven hoe die term in deze richtlijn wordt gebruikt, ongeacht de betekenis die er in andere maatregelen van de Unie aan wordt gegeven. Een exploitant kan eigenaar zijn van het betrokken netwerk of de betrokken faciliteiten, of kan die geheel of gedeeltelijk huren.

(143)

In een open en concurrentiegerichte markt dienen er geen beperkingen te bestaan die ondernemingen verhinderen onderling toegangs- en interconnectieregelingen, en met name grensoverschrijdende overeenkomsten, aan te gaan, met dien verstande dat de mededingingsregels van het VWEU in acht moeten worden genomen. In het kader van de totstandbrenging van een efficiëntere, echte pan-Europese markt met een reële mededinging, met meer keuze en concurrerende dienstverlening voor de eindgebruiker, moeten ondernemingen die een verzoek om toegang of interconnectie krijgen van andere ondernemingen waarop algemene machtigingen van toepassing zijn voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan het publiek, in beginsel zulke overeenkomsten sluiten, en te goeder trouw onderhandelen.

(144)

In markten waar tussen ondernemingen grote verschillen in onderhandelingscapaciteit blijven bestaan, en waar sommige ondernemingen gebruik maken van door anderen verschafte infrastructuur voor het aanbieden van hun diensten, dient een regelgevingskader te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de markt efficiënt functioneert. De nationale regelgevende instanties moeten de nodige bevoegdheden krijgen om, in gevallen waarin commerciële onderhandelingen mislukken, te zorgen voor passende toegang en interconnectie en voor de nodige interoperabiliteit tussen diensten in het belang van de eindgebruikers. Zij kunnen in het bijzonder de eind-tot-eind-verbinding waarborgen door proportionele verplichtingen op te leggen aan ondernemingen die zijn onderworpen aan een algemene machtiging en die de toegang tot de eindgebruikers controleren. De controle van de toegangsmiddelen kan eigendom of controle van de fysieke verbinding met de eindgebruiker (vast of mobiel), of de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van het nationale nummer (de nationale nummers) voor de toegang tot het aansluitingspunt van de eindgebruiker inhouden. Een dergelijk optreden zou bijvoorbeeld noodzakelijk zijn indien de netwerkexploitanten op onredelijke wijze de keuze aan toegangsmogelijkheden tot internetportalen en -diensten voor eindgebruikers zouden beperken.

(145)

Met het oog op het beginsel van niet-discriminatie dienen de nationale regelgevende instanties te waarborgen dat alle ondernemingen, ongeacht hun omvang en bedrijfsmodel en de vraag of zij verticaal geïntegreerd of gescheiden zijn, op redelijke voorwaarden interconnectie tot stand kunnen brengen, teneinde eind-tot-eindverbindingen en toegang tot het internet te bieden.

(146)

Nationale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die de eisen en voorwaarden voor toegang of interconnectie koppelen aan de activiteiten van de om interconnectie vragende partij, meer bepaald aan de omvang van haar investeringen in netwerkinfrastructuur, en niet aan de aangeboden interconnectie- of toegangsdiensten, kunnen leiden tot verstoring van de markt en als gevolg daarvan onverenigbaar zijn met de mededingingsregels.

(147)

Netwerkexploitanten die de toegang regelen tot hun eigen klanten, doen dat op basis van unieke nummers of adressen uit een gepubliceerde nummer- of adresseringsruimte. Andere netwerkexploitanten moeten in staat zijn die klanten te bereiken en moeten dus in staat zijn direct of indirect interconnectie met elkaar tot stand te brengen. Het is daarom passend rechten en verplichtingen met betrekking tot het voeren van onderhandelingen over interconnectie vast te stellen.

(148)

Interoperabiliteit is in het voordeel van de eindgebruiker en is een belangrijk doel van dat regelgevingskader. Het bevorderen van een goede interoperabiliteit is een van de doelstellingen van de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties die zijn vastgesteld in dat regelgevingskader. Dat kader bepaalt ook dat de Commissie een lijst van standaarden of specificaties met betrekking tot het aanbieden van diensten, technische interfaces of netwerkfuncties moet publiceren als basis voor het stimuleren van harmonisatie inzake elektronische communicatie. De lidstaten dienen het gebruik van de gepubliceerde standaarden of technische specificaties aan te moedigen in zoverre dat strikt noodzakelijk is om de interoperabiliteit van de diensten te waarborgen en de vrije keuze van de gebruiker te verbeteren.

(149)

Momenteel zijn zowel eind-tot-eindverbindingen als de toegang tot noodhulpdiensten ervan afhankelijk dat eindgebruikers gebruikmaken van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten. Toekomstige technologische ontwikkelingen of een toegenomen gebruik van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zouden kunnen leiden tot een gebrek aan afdoende interoperabiliteit tussen communicatiediensten. Er zouden daardoor significante belemmeringen voor de markttoegang en voor verdere innovatie kunnen ontstaan en deze zouden een ernstige bedreiging kunnen vormen voor doeltreffende eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers.

(150)

Indien zich dergelijke problemen op het gebied van interoperabiliteit voordoen, moet de Commissie aan Berec kunnen vragen een verslag uit te brengen dat voorziet in een feitelijke beoordeling van de marktsituatie op het niveau van de Unie en van de lidstaten. Met nauwgezette inachtneming van het verslag van Berec en andere beschikbare bewijsstukken moet de Commissie, rekening houdend met de effecten op de interne markt, besluiten of maatregelen van regelgevende aard door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties noodzakelijk zijn. Indien de Commissie besluit dat de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties dergelijke maatregelen van regelgevende aard in overweging moeten nemen, moet zij uitvoeringsmaatregelen kunnen vaststellen waarin de aard en de werkingssfeer van mogelijke maatregelen van regelgevende aard door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties nader worden omschreven, waaronder met name verplichtingen tot publicatie en toelating van het gebruik, de wijziging en de doorgifte van relevante informatie door de instanties en andere aanbieders, en maatregelen waarbij het verplichte gebruik van normen of specificaties aan alle of specifieke aanbieders wordt opgelegd.

(151)

De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties moeten in het licht van de specifieke nationale omstandigheden beoordelen of het noodzakelijk en gerechtvaardigd is maatregelen te treffen teneinde eind-tot-eindverbindingen te waarborgen, en zo ja, evenredige verplichtingen in overeenstemming met de uitvoeringsmaatregelen van de Commissie opleggen aan aanbieders van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten met een aanzienlijke mate van dekking en benutting door de gebruikers. Het begrip „aanzienlijk” moet zo worden opgevat dat de geografische dekking en het aantal eindgebruikers van de betrokken aanbieder een kritische massa vertegenwoordigen met het oog op het verwezenlijken van eind-tot-eindverbindingen tussen eindgebruikers. Aanbieders met een beperkt aantal eindgebruikers of een beperkte geografische dekking die slechts in geringe mate zouden bijdragen aan die doelstelling, mogen normaliter niet worden onderworpen aan dergelijke interoperabiliteitsverplichtingen.

(152)

In situaties waarin ondernemingen geen toegang hebben tot levensvatbare alternatieven voor niet-repliceerbare bedrading, kabels en bijbehorende faciliteiten in gebouwen of tot aan het eerste concentratie- of distributiepunt en teneinde concurrentie ten behoeve van de eindgebruikers te bevorderen, moeten de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben om toegangsverplichtingen op te leggen aan alle ondernemingen, ongeacht een eventuele aanwijzing als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Daarbij moeten de nationale regelgevende instanties alle technische en economische belemmeringen voor toekomstige replicatie van netwerken in overweging nemen. Aangezien dergelijke verplichtingen in sommige gevallen echter ingrijpend kunnen zijn, de stimulansen voor investeringen kunnen ondermijnen, en de positie van dominante marktdeelnemers zouden kunnen versterken, moeten ze alleen worden opgelegd wanneer dit gerechtvaardigd en evenredig is om te komen tot duurzame concurrentie op de desbetreffende markten. Alleen het feit dat meerdere dergelijke infrastructuurvoorzieningen reeds bestaan, hoeft niet per se zodanig te worden geïnterpreteerd dat de bijbehorende activa repliceerbaar zijn. Indien dit in combinatie met dergelijke toegangsverplichtingen nodig is, moeten ondernemingen tevens een beroep kunnen doen op de verplichtingen betreffende het verlenen van toegang tot fysieke infrastructuur uit hoofde van Richtlijn 2014/61/EU. Door de nationale regelgevende instantie uit hoofde van deze richtlijn opgelegde verplichtingen en besluiten die uit hoofde van Richtlijn 2014/61/EU door andere bevoegde instanties zijn genomen teneinde toegang te waarborgen tot fysieke infrastructuur in gebouwen of tot fysieke infrastructuur tot het eerste toegangspunt, moeten consistent zijn.

(153)

De nationale regelgevende instanties moeten, voor zover dat nodig is, ondernemingen ertoe kunnen verplichten toegang te verschaffen tot de in een bijlage bij deze richtlijn bedoelde faciliteiten, met name Application Programming Interfaces (API's, applicatieprogrammaverbindingen) en elektronische programmagidsen (EPG's), om ervoor te zorgen dat eindgebruikers niet alleen toegang hebben tot digitale radio- en televisieomroepdiensten, maar ook tot gerelateerde aanvullende diensten. Dergelijke aanvullende diensten moeten programmagerelateerde diensten kunnen omvatten die specifiek zijn ontworpen om de toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap te verbeteren, alsmede programmagerelateerde geconnecteerde televisiediensten.

(154)

Wanneer de nationale regelgevende instanties nagaan tot welk concentratie- of distributiepunt zij toegangsverplichtingen willen opleggen, is het belangrijk dat zij een punt overeenkomstig de Berec-richtsnoeren kiezen. De keuze van een punt dat zich dichter bij de eindgebruikers bevindt, zal gunstiger zijn voor de concurrentie op infrastructuurgebied en de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit. De nationale regelgevende instantie moet dus eerst overwegen een punt in een gebouw of net buiten een gebouw te kiezen. Het kan gerechtvaardigd zijn toegangsverplichtingen tot bedrading en kabels uit te breiden tot voorbij het eerste concentratie- of distributiepunt, waarbij die verplichtingen worden beperkt tot punten die zich zo dicht mogelijk bij de eindgebruikers bevinden en een toereikend aantal eindgebruikers kunnen bereiken, indien is aangetoond dat hoge en niet-voorbijgaande fysieke of economische hindernissen duplicatie in de weg staan en leiden tot belangrijke concurrentieproblemen of markttekortkomingen op retailniveau ten nadele van de eindgebruikers. De beoordeling van de repliceerbaarheid van netwerkelementen vergt een marktanalyse die verschillend is van een analyse waarbij aanmerkelijke marktmacht wordt beoordeeld, en de nationale regelgevende instantie hoeft dan ook geen aanmerkelijke marktmacht vast te stellen om die verplichtingen op te leggen. Een dergelijke marktanalyse noopt echter wel tot een adequate economische beoordeling van de marktvoorwaarden, om te bepalen of is voldaan aan de criteria die nodig zijn om verplichtingen voorbij het eerste concentratie- of distributiepunt op te leggen. Zulke uitgebreide toegangsverplichtingen zullen eerder nodig zijn in geografische gebieden waar de businesscase voor de uitrol van alternatieve infrastructuur risicovoller is, bijvoorbeeld vanwege de lage bevolkingsdichtheid of vanwege het beperkte aantal meergezinswoningen.Omgekeerd kan een hoge concentratie aan huishoudens erop wijzen dat het opleggen van zulke verplichtingen niet nodig is. De nationale regelgevende instanties moeten tevens nagaan of dergelijke verplichtingen de positie van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht kunnen versterken. De nationale regelgevende instanties moeten toegangsverplichtingen kunnen opleggen aan actieve of virtuele netwerkelementen die worden gebruikt voor dienstverlening op dergelijke infrastructuur, indien de toegang tot passieve elementen economisch inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar is, en indien de nationale regelgevende instantie van oordeel is dat zonder een dergelijke ingreep het doel van de toegangsverplichting zou worden omzeild. Met het oog op consistentere regelgevingspraktijken in de hele Unie, moet de Commissie van de nationale regelgevende instantie kunnen verlangen dat zij haar ontwerpmaatregelen tot uitbreiding van toegangsverplichtingen voorbij het eerste concentratie- of distributiepunt intrekt, wanneer het Berec de ernstige twijfels van de Commissie betreffende de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregelen met het Unierecht en in het bijzonder met de regelgevingsdoelstellingen van deze richtlijn deelt.

(155)

In dergelijke gevallen kan het passend zijn dat de nationale regelgevende instanties, teneinde te voldoen aan het beginsel van evenredigheid, bepaalde categorieën eigenaren of ondernemingen, of beide, uitsluiten van verplichtingen die verder gaan dan het door de nationale regelgevende instanties te bepalen eerste concentratie- of distributiepunt, op grond van het feit dat een toegangsverplichting die niet is gebaseerd op de aanwijzing van een onderneming als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht, schadelijk kan zijn voor hun businesscase op het gebied van recentelijk geïmplementeerde netwerkelementen, met name bij kleine lokale projecten. Uitsluitend op wholesalemarkten actieve ondernemingen moeten niet aan dergelijke toegangsverplichtingen worden onderworpen indien zij op commerciële basis doeltreffende alternatieve toegang tot een netwerk met zeer hoge capaciteit aanbieden tegen eerlijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden, onder meer wat betreft de prijs. Die vrijstelling moet onder dezelfde voorwaarden kunnen worden uitgebreid tot andere aanbieders. De vrijstelling is mogelijk niet passend voor aanbieders die overheidsmiddelen ontvangen.

(156)

Gedeeld gebruik van passieve infrastructuur die wordt gebruikt voor het aanbieden van draadloze elektronischecommunicatiediensten, in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht, kan uitermate nuttig zijn met het oog op maximale connectiviteit met zeer hoge capaciteit in de hele Unie, met name in gebieden met minder dichte netwerken waarin replicatie praktisch niet uitvoerbaar is en eindgebruikers wellicht geen toegang tot dergelijke connectiviteit krijgen. De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties moeten bij wijze van uitzondering een dergelijk gedeeld gebruik of gelokaliseerde roamingtoegang kunnen opleggen, in overeenstemming met het Unierecht, indien die mogelijkheid duidelijk is vastgelegd in de oorspronkelijke voorwaarden voor verlening van het gebruiksrecht en indien zij kunnen aantonen dat een dergelijk gedeeld gebruik voordelen biedt wat betreft het wegwerken van onoverkomelijke economische of fysieke obstakels die tot gevolg hebben dat nauwelijks of geen toegang tot netwerken of diensten bestaat, waarbij rekening wordt gehouden met diverse factoren, waaronder met name de noodzaak van dekking langs belangrijke transportroutes, de keuze en een betere kwaliteit van dienstverlening voor eindgebruikers evenals de noodzaak om stimulansen voor de uitrol van infrastructuur in stand te houden. In omstandigheden waar eindgebruikers geen toegang hebben en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur alleen niet voldoende is om de situatie te verhelpen, moeten de nationale regelgevende instanties verplichtingen kunnen opleggen ten aanzien van het gedeeld gebruik van actieve infrastructuur. Op die manier behouden de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties de flexibiliteit om de meest geschikte verplichting inzake gedeeld gebruik of toegang te kiezen. Die verplichting moet evenredig en gerechtvaardigd zijn in het licht van de aard van het geconstateerde probleem.

(157)

Hoewel een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie ondernemingen, ongeacht of zij zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, onder sommige omstandigheden verplichtingen kan opleggen om eind-tot-eindverbindingen of interoperabiliteit van diensten tot stand te brengen, moet dit wel gebeuren overeenkomstig het regelgevingskader en met name met de kennisgevingsprocedures. Dergelijke verplichtingen mogen alleen worden opgelegd wanneer dit gerechtvaardigd is om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, en wanneer ze objectief gerechtvaardigd, transparant, evenredig en niet-discriminerend zijn, teneinde doeltreffendheid, duurzame concurrentie, doeltreffende investeringen en innovatie te bevorderen, en wanneer ze de eindgebruikers een maximaal voordeel opleveren en worden opgelegd overeenkomstig de desbetreffende kennisgevingsprocedures.

(158)

Ter verwijdering van onoverkomelijke economische of fysieke obstakels voor het verstrekken aan eindgebruikers van diensten of netwerken die afhankelijk zijn van het gebruik van radiospectrum, kan het dichten van eventuele lacunes in de mobiele dekking toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur of, indien dit niet volstaat, gedeeld gebruik van actieve infrastructuur noodzakelijk maken, dan wel overeenkomsten inzake gelokaliseerde roamingtoegang. Onverminderd de verplichtingen inzake gedeeld gebruik die zijn verbonden aan de gebruiksrechten op basis van andere bepalingen van deze richtlijn, en met name maatregelen om de concurrentie te bevorderen, kan de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties, wanneer zij voornemens zijn maatregelen te nemen betreffende het opleggen van gedeeld gebruik van passieve infrastructuur of, ingeval toegang tot en gedeeld gebruik van passieve infrastructuur niet volstaan, het opleggen van gedeeld gebruik van actieve infrastructuur of van overeenkomsten inzake gelokaliseerde roamingtoegang, echter ook worden verzocht het mogelijke risico voor marktdeelnemers in gebieden met weinig dekking in aanmerking te nemen.

(159)

Mededingingsregels alleen volstaan niet altijd om in het tijdperk van digitale televisie culturele diversiteit en pluraliteit in de media te garanderen. De technologische en marktontwikkelingen maken het noodzakelijk dat verplichtingen om voorwaardelijke toegang op billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden aan te bieden, regelmatig door een lidstaat worden herzien voor zijn nationale markt, met name om na te gaan of het gerechtvaardigd is die verplichtingen uit te breiden tot EPG's en API's, in zoverre dit nodig is om ervoor te zorgen dat eindgebruikers toegang hebben tot specifieke digitale omroepdiensten. De lidstaten moeten met alle wetgevende, regelgevende of administratieve middelen die zij noodzakelijk achten, de digitale omroepdiensten kunnen specificeren waarvoor de toegang van eindgebruikers moet worden gewaarborgd.

(160)

De lidstaten moeten ook kunnen toestaan dat de nationale regelgevende instantie de verplichtingen in verband met de voorwaardelijke toegang tot digitale omroepdiensten opnieuw beziet om met behulp van een marktanalyse na te gaan of er verplichtingen afgeschaft of gewijzigd moeten worden voor ondernemingen die op de betrokken markt geen aanmerkelijke macht hebben. Een eventuele afschaffing of wijziging van verplichtingen mag de toegang voor eindgebruikers tot dergelijke diensten of de vooruitzichten voor werkelijke mededinging niet nadelig beïnvloeden.

(161)

In bepaalde omstandigheden moeten verplichtingen ex ante worden opgelegd om de ontwikkeling van een concurrerende markt te waarborgen, waarbij de voorwaarden gunstig zijn voor de implementatie van en toepassing van netwerken en diensten met zeer hoge capaciteit, en het behalen van maximale voordelen voor de eindgebruiker. De in deze richtlijn gebruikte definitie van aanmerkelijke macht op de markt is gelijkwaardig aan het begrip machtspositie als gedefinieerd in de rechtspraak van het Hof van Justitie.

(162)

Dat twee of meer ondernemingen gezamenlijk een machtspositie hebben, kan niet alleen worden geconstateerd wanneer er structurele of andere banden tussen hen bestaan, maar ook indien de structuur van de betreffende markt gecoördineerde effecten bevordert, dit wil zeggen parallelle of mededingingsverstorende gedragingen op de markt stimuleert.

(163)

Het is essentieel dat regelgevingsverplichtingen ex ante alleen worden opgelegd op een wholesalemarkt waar een of meer ondernemingen zijn met aanmerkelijke marktmacht, teneinde duurzame concurrentie te waarborgen, en wanneer rechtsmiddelen van het mededingingsrecht van de Unie en van het nationale mededingingsrecht ontoereikend zijn om het probleem op te lossen. De Commissie heeft op Unieniveau, overeenkomstig de beginselen van het mededingingsrecht, richtsnoeren opgesteld voor nationale regelgevende instanties aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen of op een bepaalde markt daadwerkelijke mededinging heerst en of er sprake is van aanmerkelijke marktmacht. De nationale regelgevende instanties dienen te analyseren of een bepaalde markt voor producten of diensten daadwerkelijk concurrerend is in een gegeven geografisch gebied, dat het grondgebied of een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat kan zijn, dan wel aangrenzende delen van het grondgebied van lidstaten, die als één geheel worden gezien. Bij een analyse van daadwerkelijke mededinging moet onder meer worden onderzocht of de markt in de toekomst concurrerend zal zijn en dus of een eventueel gebrek aan daadwerkelijke mededinging blijvend is. In die richtsnoeren moet ook worden ingegaan op de problematiek van nieuwe markten waar de feitelijke marktleider waarschijnlijk een groot marktaandeel zal hebben, maar niet dient te worden onderworpen aan ongerechtvaardigde verplichtingen. De Commissie dient de richtsnoeren regelmatig opnieuw te toetsen, met name wanneer bestaande wetgeving wordt herzien, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie, economische overwegingen en opgedane ervaringen met betrekking tot de markt, teneinde te waarborgen dat deze geschikt blijven in een zich snel ontwikkelende markt. De nationale regelgevende instanties zullen met elkaar moeten samenwerken wanneer de relevante markt transnationaal blijkt te zijn.

(164)

Wanneer de nationale regelgevende instanties bepalen of een onderneming aanmerkelijke marktmacht heeft op een specifieke markt, dienen zij te handelen overeenkomstig het Unierecht en de richtsnoeren van de Commissie inzake marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht zorgvuldig in acht te nemen.

(165)

De nationale regelgevende instanties moeten relevante geografische markten op hun grondgebied definiëren en daarbij terdege rekening houden met de aanbeveling van de Commissie („de aanbeveling”) inzake relevante markten voor producten en diensten die op grond van deze richtlijn is vastgesteld, en met de nationale en plaatselijke omstandigheden. De nationale regelgevende instanties moeten daarom ten minste de markten analyseren die in de aanbeveling zijn opgenomen, inclusief de markten die zijn vermeld, maar in de specifieke nationale of lokale context niet meer worden gereguleerd. De nationale regelgevende instanties moeten ook markten analyseren die niet in de aanbeveling zijn opgenomen, maar die op basis van voorafgaande marktanalysen binnen hun bevoegdheidsgebied worden gereguleerd, of andere markten als zij voldoende redenen hebben om ervan uit te gaan dat wellicht aan de drie criteria van deze richtlijn is voldaan.

(166)

Wanneer het door de geografische marktdefinitie is gerechtvaardigd, kunnen transnationale markten worden gedefinieerd, waarbij rekening moet worden gehouden met alle factoren aan de aanbodzijde en de vraagzijde, in overeenstemming met de beginselen van het mededingingsrecht. Berec is de meest geschikte instantie voor het uitvoeren van dergelijke analyses, waarbij wordt geprofiteerd van de ruime collectieve ervaring die de nationale regelgevende instanties bij het definiëren van markten op nationaal niveau hebben opgedaan. Bij het analyseren van potentiële transnationale markten moet rekening worden gehouden met nationale omstandigheden. Indien transnationale markten worden gedefinieerd en maatregelen van regelgevende aard gerechtvaardigd zijn, moeten de betrokken nationale regelgevende instanties samenwerken om de passende reactie van regelgevende aard vast te stellen, onder meer bij het proces van kennisgeving aan de Commissie. Zij kunnen op die manier ook samenwerken wanneer transnationale markten niet worden vastgesteld, maar de marktomstandigheden op hun grondgebied afdoende homogeen zijn om baat te hebben bij een gecoördineerde benadering betreffende regelgeving, bijvoorbeeld wat betreft soortgelijke kosten, marktstructuren of exploitanten, of bij een transnationale of vergelijkbare vraag door de eindgebruikers.

(167)

In sommige omstandigheden worden markten gedefinieerd als nationaal of subnationaal, bijvoorbeeld door de nationale of lokale aard van de uitrol van netwerken waardoor de grenzen van de potentiële marktmacht van ondernemingen wat betreft het wholesaleaanbod worden bepaald, maar er is nog steeds een significante transnationale vraag door één of meerdere categorieën eindgebruikers. Dat kan met name het geval zijn bij de vraag door zakelijke eindgebruikers met activiteiten op meerdere locaties in verschillende lidstaten. Als leveranciers niet in voldoende mate aan die transnationale vraag voldoen, bijvoorbeeld als zij versnipperd zijn door nationale grenzen of op lokaal niveau, ontstaat er een potentiële belemmering voor de interne markt. Berec moet daarom de bevoegdheid hebben om de nationale regelgevende instanties te voorzien van richtsnoeren betreffende gemeenschappelijke regelgevingsbenaderingen opdat op bevredigende wijze aan de transnationale vraag kan worden voldaan om zo een basis voor de interoperabiliteit van wholesaletoegangsproducten in de hele Unie te verschaffen en efficiëntieverbeteringen en schaalvoordelen tot stand te brengen ondanks de versnippering aan de aanbodzijde. De richtsnoeren van Berec moeten bijdragen tot de keuzes die de nationale regelgevende instanties maken bij het nastreven van de internemarktdoelstelling, wanneer zij op nationaal niveau verplichtingen opleggen aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en zij moeten tegelijkertijd als leidraad fungeren voor de harmonisatie van de technische specificaties van wholesaletoegangsproducten waarmee aan een dergelijke geconstateerde transnationale vraag kan worden voldaan, in het belang van de interne markt.

(168)

De uiteindelijke doelstelling van regelgevende maatregelen ex ante is het tot stand brengen van voordelen voor de eindgebruiker wat betreft prijzen, kwaliteit en keuze door ervoor te zorgen dat de retailmarkten op duurzame basis daadwerkelijk concurrerend zijn. Waarschijnlijk constateren de nationale regelgevende instanties geleidelijk dat veel retailmarkten concurrerend zijn, zelfs als er geen regelgeving op wholesaleniveau plaatsvindt, in het bijzonder rekening houdend met de verwachte verbeteringen op het gebied van innovatie en concurrentie.

(169)

Het uitgangspunt van de nationale regelgevende instanties voor de identificatie van wholesalemarkten die aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen, is de analyse van de bijbehorende retailmarkten. De analyse van daadwerkelijke concurrentie op retail- en wholesaleniveau wordt toekomstgericht met betrekking tot een bepaald tijdsbestek uitgevoerd, waarbij wordt uitgegaan van het mededingingsrecht, in voorkomend geval met inbegrip van de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie. Als wordt geconstateerd dat een retailmarkt daadwerkelijk concurrerend zou zijn bij afwezigheid van regelgeving ex ante op wholesaleniveau op de bijbehorende markten, dient de nationale regelgevende instantie hieruit de conclusie te trekken dat regelgeving op wholesaleniveau niet meer noodzakelijk is.

(170)

Tijdens de geleidelijke overgang naar gedereguleerde markten, worden geleidelijk steeds meer commerciële overeenkomsten tussen exploitanten gesloten, met inbegrip van overeenkomsten inzake mede-investeringen en toegang, en indien deze duurzaam zijn en ervoor zorgen dat de concurrentiedynamiek wordt verbeterd, kunnen zij ertoe bijdragen dat wordt geconcludeerd dat op een bepaalde wholesalemarkt regelgeving ex ante niet gerechtvaardigd is. Het omgekeerde zou het geval zijn bij onvoorzienbare beëindiging van commerciële overeenkomsten op een gedereguleerde markt. Bij de analyse van dergelijke overeenkomsten moet ermee rekening worden gehouden dat het vooruitzicht op regelgeving eigenaren van netwerken ertoe kan aanzetten commerciële onderhandelingen aan te gaan. Om ervoor te zorgen dat bij het bepalen of regelgeving ex ante van een bepaalde markt gerechtvaardigd is, voldoende aandacht wordt besteed aan de impact van aan aanverwante markten opgelegde regelgeving, dienen de nationale regelgevende instanties te waarborgen dat markten op consistente wijze, en tegelijkertijd of zo snel mogelijk achter elkaar, worden geanalyseerd.

(171)

De nationale regelgevende instanties moeten bij de beoordeling van regelgeving op wholesaleniveau teneinde problemen op retailniveau op te lossen ermee rekening houden dat meerdere wholesalemarkten wholesale-upstreaminputs voor een bepaalde retailmarkt kunnen leveren, of — omgekeerd — één wholesalemarkt wholesale-upstreaminputs voor uiteenlopende retailmarkten kan leveren. De concurrentiedynamiek op een bepaalde markt kan verder worden beïnvloed door aangrenzende markten die geen verticale relatie hebben, bijvoorbeeld in het geval van bepaalde vaste en mobiele markten. De nationale regelgevende instanties dienen die beoordeling uit te voeren voor elke afzonderlijke wholesalemarkt die voor regelgeving in aanmerking komt, te beginnen bij corrigerende maatregelen voor de toegang tot civiele infrastructuur, aangezien dergelijke maatregelen gewoonlijk bevorderlijk zijn voor een verbetering van de duurzaamheid van de concurrentie, met inbegrip van concurrentie op het vlak van infrastructuur, en vervolgens alle wholesalemarkten te analyseren die in aanmerking komen voor regelgeving ex ante, in volgorde van waarschijnlijke geschiktheid om geconstateerde concurrentieproblemen op retailniveau aan te pakken. Wanneer de nationale regelgevende instanties een besluit nemen over de specifieke op te leggen corrigerende maatregel, moeten zij de technische haalbaarheid ervan beoordelen en een kosten-batenanalyse uitvoeren, waarbij de mate van geschiktheid om de geconstateerde problemen op retailniveau aan te pakken in acht wordt genomen en waarbij concurrentie op grond van differentiatie en technologieneutraliteit mogelijk is. De nationale regelgevende instanties moeten de consequenties van het opleggen van elke specifieke corrigerende maatregel in overweging nemen: als een maatregel slechts bij bepaalde netwerktopologieën haalbaar is, kan dat een belemmering vormen voor de uitrol van netwerken met een zeer hoge capaciteit ten bate van de eindgebruiker.

(172)

Onverminderd het beginsel van technologieneutraliteit moeten de nationale regelgevende instanties via de opgelegde corrigerende maatregelen voorzien in stimulansen en, waar dat mogelijk is vóór de uitrol van de infrastructuur, voorzien in de ontwikkeling van een flexibele en open netwerkarchitectuur, die uiteindelijk de lasten en complexiteit van de in een latere fase opgelegde corrigerende maatregelen zal beperken. De nationale regelgevende instantie moet tijdens elke fase van de beoordeling, voordat zij bepaalt of een aanvullende, zwaardere corrigerende maatregel aan de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht wordt opgelegd, ernaar streven te bepalen of de betrokken retailmarkt daadwerkelijk concurrerend zou zijn, mede rekening houdend met een eventuele relevante commerciële regeling of andere omstandigheden op de wholesalemarkt, met inbegrip van andere soorten regelgeving die al van kracht zijn, zoals algemene toegangsverplichtingen met betrekking tot niet-repliceerbare activa of verplichtingen die op grond van Richtlijn 2014/61/EU zijn opgelegd, en in het kader van elke regelgeving die de nationale regelgevende instantie als passend beschouwt voor een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Een dergelijke beoordeling, die moet garanderen dat alleen de meest geschikte corrigerende maatregelen voor het effectief aanpakken van de in de marktanalyse geconstateerde problemen worden opgelegd, belet niet dat een nationale regelgevende instantie oordeelt dat een mix van dergelijke maatregelen, ook al zijn die van verschillende intensiteit, conform het evenredigheidsbeginsel, de minst ingrijpende manier is om het probleem aan te pakken. Zelfs als dergelijke verschillen niet leiden tot de definitie van afgebakende geografische markten, moeten deze als rechtvaardiging kunnen dienen van differentiatie van de passende corrigerende maatregelen die worden opgelegd met het oog op de uiteenlopende intensiteit van de concurrentiedruk.

(173)

Regelgeving ex ante die op wholesaleniveau wordt opgelegd, is in beginsel minder ingrijpend dan regelgeving op retailniveau en wordt als afdoende beschouwd om eventuele mededingingsproblemen op de aanverwante downstreamretailmarkt of markten aan te pakken. De gemaakte vorderingen wat betreft de werking van de mededinging sinds het regelgevingskader voor elektronische communicatie in werking is getreden, blijken uit de geleidelijke deregulering van de retailmarkten in de hele Unie. Verder moeten indien mogelijk de voorschriften betreffende het opleggen van corrigerende maatregelen ex ante aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht worden vereenvoudigd en meer voorspelbaar worden gemaakt. Daarom moet het opleggen van regelgevingscontroles ex ante op basis van de aanwijzing van een onderneming als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht op wholesalemarkten vooropstaan.

(174)

Wanneer een nationale regelgevende instantie regelgeving op wholesaleniveau intrekt, moet zij een passende opzeggingstermijn vaststellen om een duurzame overgang naar een gedereguleerde markt te waarborgen. Bij het bepalen van die opzeggingstermijn moet de nationale regelgevende instantie rekening houden met bestaande overeenkomsten tussen aanbieders van toegang en toegangvragende partijen die op basis van de opgelegde regelgevingsverplichtingen zijn gesloten. Dergelijke overeenkomsten kunnen in het bijzonder toegangvragende partijen gedurende een bepaalde periode contractuele wettelijke bescherming bieden. De nationale regelgevende instantie moet ook rekening houden met de mogelijkheid dat marktdeelnemers gebruikmaken van op de markt beschikbare commerciële aanbiedingen betreffende wholesaletoegang of mede-investering, en met de noodzaak om een langere periode van mogelijke regelgevingsarbitrage te voorkomen. In door de nationale regelgevende instantie vastgestelde overgangsregelingen moet rekening worden gehouden met de reikwijdte en termijnen betreffende regelgevend toezicht op bestaande overeenkomsten, zodra de opzeggingstermijn begint.

(175)

Om marktdeelnemers zekerheid te verschaffen over regelgevingsvoorwaarden, moet een termijn worden vastgesteld voor marktherzieningen. Daarom moeten marktanalyses regelmatig en binnen een redelijke en passende tijdspanne worden uitgevoerd. Wanneer een nationale regelgevende instantie verzuimt binnen de vastgestelde termijn een marktanalyse uit te voeren, dan bestaat het risico dat dit de interne markt in gevaar brengt en dat de normale inbreukprocedures niet tijdig het gewenste effect opleveren. Anders moet de betrokken nationale regelgevende instantie Berec om bijstand kunnen verzoeken om de marktanalyse te voltooien. Dergelijke bijstand kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een specifieke taskforce bestaande uit vertegenwoordigers van de andere nationale regelgevende instanties.

(176)

Aangezien de sector van elektronische communicatie een snel evoluerende sector is die gekenmerkt wordt door technologische innovatie en zeer dynamische markten, moet de regelgeving op gecoördineerde en geharmoniseerde wijze op Unieniveau kunnen worden aangepast omdat gebleken is dat uiteenlopende opvattingen van de nationale regelgevende instanties over de uitvoering van het regelgevingskader de interne markt zouden kunnen belemmeren.

(177)

In het belang van meer stabiliteit en voorspelbaarheid van regelgevende maatregelen, dient de maximale toegestane periode tussen marktanalyses echter te worden verlengd van drie tot vijf jaar, mits veranderingen op de markt in de tussenliggende periode geen nieuwe analyse vergen. Wanneer wordt bepaald of een nationale regelgevende instantie heeft voldaan aan haar verplichting om ten minste om de vijf jaar markten te analyseren en kennis te geven van de bijbehorende ontwerpmaatregel, wordt een nieuwe marktcyclus van vijf jaar uitsluitend geacht van start te gaan bij indiening van een kennisgeving met een nieuwe beoordeling van de marktafbakening en van aanmerkelijke marktmacht. Louter met een kennisgeving van nieuwe of gewijzigde regelgevende maatregelen die worden opgelegd op basis van een voorgaande en ongewijzigde markanalyse, wordt niet aan die verplichting voldaan. De niet-naleving door een nationale regelgevende instantie van de in deze richtlijn vastgestelde verplichting op gezette tijden een marktanalyse te verrichten, mag op zich niet worden beschouwd als een grond voor de ongeldigheid of niet-toepasselijkheid van bestaande verplichtingen die door die nationale regelgevende instantie voor de markt in kwestie zijn opgelegd.

(178)

Het opleggen van een specifieke verplichting aan een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht vereist geen extra marktanalyse, maar wel een verantwoording dat de verplichting in kwestie passend en evenredig aan de aard van het probleem op de desbetreffende markt en op de verwante retailmarkt is.

(179)

Bij de beoordeling van de evenredigheid van de op te leggen verplichtingen en voorwaarden houden de nationale regelgevende instanties rekening met de verschillende mededingingsvoorwaarden in de verschillende regio's in hun lidstaat en nemen zij in het bijzonder de resultaten van het overeenkomstig deze richtlijn uitgevoerde geografische onderzoek in acht.

(180)

Bij de overweging of maatregelen om de prijzen in de hand te houden worden opgelegd, en zo ja, in welke vorm, moeten de nationale regelgevende instanties voor een specifiek nieuw investeringsproject een billijke beloning voor de investeerder mogelijk maken. Met name bestaan er risico's verbonden aan investeringsprojecten die specifiek zijn voor nieuwe toegangsnetwerken die producten steunen waarvoor de vraag op het moment van investeren onzeker is.

(181)

Door middel van beoordelingen van de verplichtingen van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht in het tijdsbestek van een marktanalyse moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn rekening te houden met de impact van nieuwe ontwikkelingen op de concurrentievoorwaarden, bijvoorbeeld van recentelijk gesloten vrijwillige overeenkomsten tussen ondernemingen, zoals overeenkomsten inzake toegang en mede-investeringen, waardoor wordt voorzien in de flexibiliteit die in het bijzonder noodzakelijk is in de context van langere regelgevingscycli. Bij onvoorzienbare schendingen of beëindigingen van commerciële overeenkomsten, of indien het effect van een dergelijke overeenkomst afwijkt van de marktanalyse, moet een vergelijkbare logica gelden. Indien de beëindiging van een bestaande overeenkomst zich voordoet op een gedereguleerde markt, kan een nieuwe marktanalyse noodzakelijk zijn. Indien er zich op de markt geen afzonderlijke belangrijke veranderingen voordoen, maar de markt dynamisch is, kan het noodzakelijk zijn vaker dan om de vijf jaar een marktanalyse uit te voeren, maar bijvoorbeeld niet vaker dan om de drie jaar, zoals tot de datum van toepassing van deze richtlijn het geval was. De markt moet als dynamisch worden beschouwd indien de patronen van de technologische evolutie en de vraag van eindgebruikers naar verwachting dermate veranderen dat de conclusies van de analyses op de middellange termijn achterhaald zouden zijn voor een significante groep van geografische gebieden of van eindgebruikers binnen de door de nationale regelgevende instantie vastgestelde geografische en productmarkt.

(182)

Transparantie van de eisen en voorwaarden inzake toegang en interconnectie, ook wat prijzen betreft, bespoedigt onderhandelingen, helpt conflicten voorkomen en zorgt ervoor dat de marktpartijen erop vertrouwen dat een dienst niet op discriminerende voorwaarden wordt verleend. Openheid en transparantie van technische interfaces kunnen van bijzonder belang zijn voor de interoperabiliteit. Indien een nationale regelgevende instantie de verplichting oplegt om informatie openbaar te maken, moet zij eveneens kunnen preciseren hoe de informatie beschikbaar moet worden gesteld, alsook of de informatie gratis is, rekening houdend met het soort informatie en het doel ervan.

(183)

Gezien de verscheidenheid van de netwerktopologieën, toegangsproducten en marktomstandigheden die sinds 2002 zijn ontstaan, kunnen de doelstellingen van bijlage II bij Richtlijn 2002/19/EG, met betrekking tot de ontbundeling van het lokale netwerk, en toegangsproducten voor aanbieders van digitaletelevisie- en radiodiensten, beter en op een meer flexibele wijze worden verwezenlijkt door richtsnoeren te verstrekken inzake de minimumcriteria voor een referentieaanbod, die door Berec opgesteld en op gezette tijden bijgewerkt worden. Die bijlage moet daarom worden geschrapt.

(184)

Het beginsel van non-discriminatie zorgt ervoor dat ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht geen concurrentievervalsing veroorzaken, met name wanneer het verticaal geïntegreerde ondernemingen betreft die diensten verlenen aan ondernemingen waarmee zij op downstreammarkten concurreren.

(185)

Om discriminerend gedrag op grond van andere factoren dan de prijs aan te pakken en te voorkomen, is Equivalence of Inputs (EoI) in beginsel de beste manier om tot doeltreffende bescherming tegen discriminatie te komen. Anderzijds is het waarschijnlijk dat het aanbieden van gereguleerde wholesale-inputs op EoI-basis leidt tot hogere nalevingskosten dan bij andere vormen van verplichtingen inzake niet-discriminatie. Die hogere nalevingskosten moeten worden afgewogen tegen de voordelen van scherpere concurrentie downstream, en van de relevantie van garanties op het gebied van niet-discriminatie in omstandigheden waarin de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht niet wordt onderworpen aan rechtstreekse prijscontrole. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties in overweging nemen dat het aanbieden van wholesale-inputs via nieuwe systemen naar verwachting voldoende nettovoordelen zal opleveren en dat de incrementele nalevingskosten om te waarborgen dat de nieuwe aangelegde systemen aan de EoI-eisen voldoen, lager zijn, zodat er aan het evenredigheidsbeginsel wordt voldaan. Anderzijds moeten de nationale regelgevende instanties ook nagaan of verplichtingen evenredig zijn voor de betrokken ondernemingen, bijvoorbeeld door rekening te houden met de implementatiekosten en mogelijke negatieve prikkels voor de uitrol van nieuwe systemen af te wegen tegen meer incrementele moderniseringen, indien het eerstgenoemde zou worden onderworpen aan meer beperkende regelgevingsverplichtingen. In lidstaten met een groot aantal kleinschalige ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht kan het onevenredig zijn om EoI aan al die ondernemingen op te leggen.

(186)

Gescheiden boekhoudingen maken het mogelijk overboekingen van prijselementen zichtbaar te maken en stellen de nationale regelgevende instanties in staat de naleving van de verplichtingen inzake non-discriminatie te toetsen. In dit verband heeft de Commissie Aanbeveling 2005/698/EG (35) gepubliceerd.

(187)

Civieltechnische activa waarvan een elektronischecommunicatienetwerk gebruikmaakt, zijn van essentieel belang voor de geslaagde uitrol van nieuwe netwerken vanwege de hoge kosten voor het dupliceren van die activa, en de significante besparingen die kunnen worden verwezenlijkt wanneer deze kunnen worden hergebruikt. Daarom is, als aanvulling op de in Richtlijn 2014/61/EU vastgestelde voorschriften inzake fysieke infrastructuur, een specifieke maatregel nodig wanneer civieltechnische activa eigendom zijn van een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht. Wanneer civieltechnische activa beschikbaar en herbruikbaar zijn, is het effect van de totstandbrengingen van daadwerkelijke toegang tot die activa op de uitrol van concurrerende infrastructuur uiterst positief, en het is daarom noodzakelijk te waarborgen dat de toegang tot dergelijke activa kan worden gebruikt als een op zichzelf staande maatregel voor de verbetering van de concurrentie- en implementatiedynamiek op alle downstreammarkten, hetgeen in overweging moet worden genomen voordat de noodzaak om andere potentiële corrigerende maatregelen op te leggen wordt beoordeeld, en niet enkel als een aanvullende maatregel op andere wholesaleproducten of -diensten, of als een maatregel die is beperkt tot ondernemingen die dergelijke andere wholesaleproducten of -diensten gebruiken. De nationale regelgevende instanties moeten de waarde van herbruikbare civieltechnische activa bepalen aan de hand van de wettelijk voorgeschreven boekwaarde, zonder de cumulatieve afschrijvingen op het tijdstip van de berekening en geïndexeerd op basis van een toepasselijke prijsindex, zoals de consumentenprijzenindex, waarbij gedurende een periode van ten minste 40 jaar volledig afgeschreven, maar nog gebruikte activa worden uitgesloten.

(188)

Bij het opleggen van verplichtingen voor de toegang tot nieuwe en betere infrastructuur moeten de nationale regelgevende instanties ervoor zorgen dat de voorwaarden voor de toegang de omstandigheden weerspiegelen die aan het besluit tot investering ten grondslag lagen en onder meer rekening houden met de ontwikkelingskosten, de verwachte aanvaarding van de nieuwe producten en diensten en het verwachte prijsniveau voor de consument. Voorts moeten de nationale regelgevende instanties, om de investeerders zekerheid over hun planning te bieden, in staat zijn zo nodig voorwaarden voor de toegang vast te stellen die consistent zijn gedurende geschikte herzieningsperioden. Indien prijscontrole passend wordt geacht, kunnen die voorwaarden ook prijsafspraken inhouden die overeenkomstig het Unierecht afhangen van de omvang of duur van een contract, en mits deze niet discriminerend werken. Bij de opgelegde voorwaarden voor de toegang moet rekening worden gehouden met de noodzaak om daadwerkelijke concurrentie bij de dienstverlening aan consumenten en bedrijven in stand te houden.

(189)

Het verplicht opleggen van het verlenen van toegang tot de netwerkinfrastructuur kan verantwoord zijn als een middel om de concurrentie te vergroten, maar de nationale regelgevende instanties moeten de rechten van een infrastructuureigenaar om zijn infrastructuur te eigen bate te exploiteren afwegen tegen de rechten van andere dienstenaanbieders om toegang te krijgen tot faciliteiten die voor hen van essentieel belang zijn om concurrerende diensten te kunnen aanbieden.

(190)

Op markten waar in de toekomst een groter aantal toegangsnetwerken kan worden verwacht, is het waarschijnlijker dat eindgebruikers kunnen profiteren van verbeterde netwerkkwaliteit dankzij concurrentie op basis van de infrastructuur dan op markten waar slechts één netwerk beschikbaar is. De toereikendheid van de concurrentie en andere parameters, zoals prijzen en keuze, is waarschijnlijk afhankelijk van de nationale en lokale concurrentieomstandigheden. Bij het beoordelen van de toereikendheid van de concurrentie met betrekking tot die parameters en de noodzaak van maatregelen van regelgevende aard, moeten de nationale regelgevende instanties ook rekening houden met de vraag of wholesaletoegang voor elke belangstellende onderneming op redelijke commerciële voorwaarden beschikbaar is, waardoor duurzame concurrentie-uitkomsten voor eindgebruikers op de retailmarkt mogelijk zijn. De toepassing van algemene voorschriften inzake mededinging op markten die worden gekenmerkt door duurzame en doeltreffende concurrentie op basis van infrastructuur, moet afdoende zijn.

(191)

Wanneer ondernemingen verplicht zijn om in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot en gebruik van specifieke netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten, kunnen dergelijke verzoeken alleen worden afgewezen op basis van objectieve criteria als technische haalbaarheid of de noodzaak om de integriteit van het netwerk te handhaven. In geval van weigering van toegang moet de benadeelde partij de zaak ter beslechting volgens de procedures krachtens deze richtlijn kunnen voorleggen. Van een onderneming met verplichtingen inzake machtiging tot toegang kan niet worden geëist dat zij vormen van toegang verleent die niet onder haar bevoegdheid vallen. Dat de nationale regelgevende instanties het verlenen van toegang verplicht stellen om op korte termijn de concurrentie te bevorderen, mag er niet toe leiden dat concurrenten minder gestimuleerd worden om te investeren in alternatieve faciliteiten die op langere termijn voor meer duurzame concurrentie of betere prestaties en meer voordelen voor de eindgebruiker zullen zorgen. De nationale regelgevende instanties zouden bij het kiezen van de minst ingrijpende regelgevende manier, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, bijvoorbeeld kunnen beslissen de verplichtingen te evalueren die zijn opgelegd aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, en eerdere besluiten te wijzigen, onder meer door verplichtingen in te trekken of al dan niet nieuwe toegangsverplichtingen op te leggen indien dat in het belang is van de gebruikers en van duurzame dienstenconcurrentie. De nationale regelgevende instanties moeten de aanbieder of houders van een machtiging tot toegang overeenkomstig de wetgeving van de Unie technische en operationele voorwaarden kunnen stellen. Met name het opleggen van technische voorwaarden moet voldoen aan Richtlijn (EU) 2015/1535.

(192)

Prijscontrole kan noodzakelijk zijn wanneer uit de analyse van een specifieke markt blijkt dat er sprake is van inefficiënte concurrentie. Met name dienen ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht zich ervan te onthouden zodanige prijzen te hanteren dat het verschil tussen hun detailprijzen en de interconnectieprijzen of toegangsprijzen die zij aanrekenen aan concurrenten die op detailhandelsniveau vergelijkbare diensten aanbieden, onvoldoende is om een duurzame concurrentie te waarborgen. Wanneer een nationale regelgevende instantie de kosten berekent die worden verricht om een dienst tot stand te brengen waarvoor krachtens deze richtlijn een machtiging is verleend, is het wenselijk een redelijke opbrengst toe te staan uit het geïnvesteerde kapitaal, met inbegrip van relevante arbeidskosten en bouwkosten, indien nodig na aanpassing van de waarde van het kapitaal aan de actuele waarde van de activa en de efficiëntie van de bedrijfsvoering. De methode voor het terugverdienen van de kosten moet aangepast zijn aan de omstandigheden, rekening houdend met de noodzaak om efficiëntie, duurzame concurrentie en de implementatie van netwerken met zeer hoge capaciteit te bevorderen en daardoor de voordelen voor de eindgebruikers te maximaliseren, waarbij de noodzaak van voorspelbare en stabiele wholesaleprijzen ten behoeve van alle exploitanten die beogen nieuwe en verbeterde netwerken te implementeren in acht moet worden genomen, overeenkomstig Aanbeveling 2013/466/EU van de Commissie (36).

(193)

Aangezien onzeker is hoe snel de vraag naar de levering van breedbanddiensten van de volgende generatie toeneemt, is het vanuit het oogpunt van de bevordering van efficiënte investeringen en innovatie van belang dat dergelijke exploitanten die in nieuwe of gemoderniseerde netwerken investeren over een bepaalde mate van flexibiliteit wat betreft prijsstelling beschikken. De nationale regelgevende instanties moeten ertoe kunnen besluiten om voor netwerken van de nieuwe generatie gereguleerde wholesaletoegangsprijzen in stand te houden of er geen op te leggen, indien de mededinging voldoende gewaarborgd is. Meer bepaald om buitensporige prijzen te voorkomen op markten met ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, dient flexibiliteit wat betreft prijsstelling vergezeld te gaan van aanvullende waarborgen ter bescherming van de concurrentie en de belangen van de eindgebruiker, zoals strikte verplichtingen inzake niet-discriminatie, maatregelen ter waarborging van de technische en economische repliceerbaarheid van downstreamproducten, en een aantoonbare retailprijsbeperking als gevolg van concurrentie op infrastructuurgebied of een prijsanker dat afkomstig is van andere gereguleerde toegangsproducten, of beide. Die waarborgen voor de concurrentie doen geen afbreuk aan het vaststellen door de nationale regelgevende instanties van andere omstandigheden waarin het passend zou zijn geen gereguleerde toegangsprijzen voor bepaalde wholesale-inputs op te leggen, bijvoorbeeld wanneer het door een grote mate van prijselasticiteit van de vraag van eindgebruikers voor de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht niet winstgevend is om prijzen te berekenen die aanzienlijk boven het concurrerende niveau liggen of wanneer een lage bevolkingsdichtheid de prikkels voor de ontwikkeling van netwerken met zeer hoge capaciteit reduceert en de nationale regelgevende instantie constateert dat er door middel van uit hoofde van deze richtlijn opgelegde verplichtingen is gezorgd voor doeltreffende en niet-discriminerende toegang.

(194)

Wanneer een nationale regelgevende instantie de invoering van een kostentoerekeningssysteem verplicht stelt met het oog op prijscontrole, moet zij een jaarlijkse controle kunnen uitvoeren om te garanderen dat het kostentoerekeningssysteem wordt nageleefd als zij daartoe over het nodige gekwalificeerde personeel beschikt, of moet zij die controle kunnen laten uitvoeren door een andere gekwalificeerde instantie die onafhankelijk is van de betrokken onderneming.

(195)

Het tariferingsysteem in de Unie is gebaseerd op Calling Party Network Pays. Uit een analyse van de substitueerbaarheid aan de vraag- en de aanbodzijde blijkt dat er momenteel en in de nabije toekomst geen substituten op wholesaleniveau zijn waardoor de vaststelling van de tarieven voor afgifte in een bepaald netwerk zou kunnen worden beperkt. Gelet op het feit dat afgiftemarkten toegankelijk zijn vanuit twee richtingen vormt ook kruissubsidiëring tussen exploitanten een potentieel concurrentieprobleem. Dat potentiële concurrentieprobleem kan zich voordoen bij zowel vaste als mobiele gespreksafgiftemarkten. Omdat het in het belang van de exploitanten van gespreksafgifte is om de prijzen vast te stellen op een niveau dat ver boven de kosten ligt, wordt kostenoriëntatie beschouwd als de meest geschikte oplossing op middellange termijn. Toekomstige marktontwikkelingen kunnen de dynamiek van die markten in zoverre wijzigen dat regelgeving niet meer nodig is.

(196)

Teneinde de regeldruk bij het aanpakken van de concurrentieproblemen in verband met wholesalegespreksafgifte in de hele Unie consistent te verlagen, dient de Commissie door middel van een gedelegeerde handeling één enkel maximumtarief voor gespreksafgifte voor mobiele diensten en één enkel maximumtarief voor gespreksafgifte voor vaste diensten vast te stellen die in de hele Unie gelden.

(197)

Met deze richtlijn moeten gedetailleerde criteria en parameters worden vastgesteld op basis waarvan de waarden van gespreksafgiftetarieven worden bepaald. De gespreksafgiftetarieven zijn in de hele Unie consistent gedaald en zullen naar verwachting nog verder dalen. Wanneer de Commissie in de eerste gedelegeerde handeling die zij op grond van deze richtlijn vaststelt, de maximale afgiftetarieven bepaalt, dient zij eventuele ongerechtvaardigde uitzonderlijke nationale afwijkingen van die trend niet in overweging te nemen.

(198)

Aangezien momenteel onzeker is hoe snel de vraag naar breedbanddiensten met een zeer hoge capaciteit toeneemt, en wanneer algemene schaal- en dichtheidsvoordelen zich voordoen, bieden overeenkomsten inzake mede-investeringen significante voordelen wat betreft het bundelen van kosten en risico's, waardoor kleinere ondernemingen in staat zijn op in economisch opzicht rationele voorwaarden te investeren, zodat duurzame concurrentie op lange termijn wordt bevorderd, onder meer in gebieden waar concurrentie op basis van infrastructuur wellicht niet efficiënt is. Die mede-investeringen kunnen verschillende vormen aannemen, waaronder mede-eigendom van netwerkactiva of langetermijnrisicodeling door medefinanciering of door koopovereenkomsten. In dat verband brengen koopovereenkomsten die mede-investeringen vormen, de verwerving mee van specifieke rechten op capaciteit van structurele aard, die een zekere mate van medezeggenschap inhouden en mede-investeerders in staat stellen daadwerkelijk en duurzaam op lange termijn te concurreren op downstreammarkten waar de onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht, actief is. Commerciële overeenkomsten inzake toegang die beperkt zijn tot het huren van capaciteit, leiden daarentegen niet tot die rechten en mogen derhalve niet als mede-investeringen worden beschouwd.

(199)

Wanneer een onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden een aanbieding doet om mede te investeren in netwerken met zeer hoge capaciteit die tot aan de gebouwen van de eindgebruiker of het basisstation uit optische-vezelcomponenten bestaan, en daarbij ondernemingen van verschillende omvang en financiële capaciteit de kans biedt mede-investeerders in infrastructuur te worden, moet de nationale regelgevende instantie de mogelijkheid hebben af te zien van het opleggen van verplichtingen op grond van deze richtlijn aan het nieuwe netwerk met zeer hoge capaciteit indien ten minste één potentiële mede-investeerder een mede-investeringsovereenkomst heeft gesloten met die onderneming. Wanneer een nationale regelgevende instantie besluit een aanbieding inzake mede-investering die niet tot een overeenkomst heeft geleid, bindend te maken, en besluit geen aanvullende regelgevingsverplichtingen op te leggen, kan zij dat doen, op voorwaarde dat de overeenkomst wordt gesloten voordat de dereguleringsmaatregel van kracht wordt. Indien het technisch niet haalbaar is optische-vezelcomponenten tot aan de gebouwen van de eindgebruiker uit te rollen, moeten netwerken met zeer hoge capaciteit bestaande uit optische-vezelcomponenten tot in de onmiddellijke nabijheid van die gebouwen, dat wil zeggen er net buiten, van dezelfde regelgevende behandeling kunnen genieten.

(200)

Wanneer wordt beslist af te zien van het opleggen van verplichtingen, dient de nationale regelgevende instantie dergelijke stappen te ondernemen nadat zij zich ervan heeft vergewist dat de aanbiedingen betreffende mede-investering in overeenstemming zijn met de toepasselijke criteria en te goeder trouw zijn gedaan. De verschillende regelgevende behandeling van nieuwe netwerken met zeer hoge capaciteit moet in daaropvolgende marktanalyses worden geëvalueerd, waarna, met name na verloop van enige tijd, de regelgevende behandeling mogelijk moet worden aangepast. In naar behoren gemotiveerde omstandigheden moeten de nationale regelgevende instanties verplichtingen voor zulke nieuwe netwerkelementen kunnen opleggen als zij vaststellen dat bepaalde markten door het ontbreken van regelgevingsinterventie met aanzienlijke mededingingsproblemen te maken zouden krijgen. Met name zouden de nationale regelgevende instanties, wanneer er meerdere downstreammarkten zijn die niet dezelfde mate van mededinging hebben bereikt, specifieke asymmetrische oplossingen kunnen verlangen om daadwerkelijke concurrentie te bevorderen, bijvoorbeeld, maar niet beperkt tot, nicheretailmarkten, zoals elektronischecommunicatieproducten voor zakelijke eindgebruikers. Om het concurrentievermogen van de markten te handhaven, dienen de nationale regelgevende instanties ook de rechten te waarborgen van toegangvragende partijen die niet deelnemen aan een bepaalde mede-investering. Dat moet worden bewerkstelligd door de handhaving van bestaande toegangsproducten of, wanneer na verloop van tijd legacy-netwerkelementen buiten bedrijf worden gesteld, door het opleggen van toegangsproducten met ten minste een vergelijkbare functionaliteit en kwaliteit als de voorheen via de legacy-infrastructuur beschikbare toegangsproducten, in beide gevallen met inachtneming van een geschikt aanpasbaar mechanisme dat door de nationale regelgevende instantie is gevalideerd en de prikkels voor mede-investeerders niet ondermijnt.

(201)

Met het oog op consistentere regelgevingspraktijken in de Unie moet de Commissie, indien de nationale regelgevende instanties tot de conclusie zijn gekomen dat aan de voorwaarden van de aanbieding betreffende mede-investering is voldaan, van de nationale regelgevende instantie kunnen verlangen dat deze haar ontwerpmaatregelen intrekt, hetzij door geen verplichtingen op te leggen hetzij door regelgevende verplichtingen op te leggen teneinde aanzienlijke mededingingsproblemen aan te pakken, wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie over de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het Unierecht en met name de regelgevingsdoelstellingen van deze richtlijn deelt. Ten behoeve van de efficiëntie moet een nationale regelgevende instantie bij de Commissie één enkele kennisgeving betreffende een ontwerpmaatregel kunnen indienen die betrekking heeft op een mede-investeringsregeling die voldoet aan de relevante voorwaarden. Indien de Commissie geen gebruik maakt van haar bevoegdheid om de intrekking van de ontwerpmaatregel te verlangen, zou het onevenredig zijn de daaropvolgende vereenvoudigde kennisgevingen van individuele ontwerpbesluiten van de nationale regelgevende instantie op basis van dezelfde regeling, die bovendien bewijs bevatten van de daadwerkelijke sluiting van een overeenkomst met ten minste één mede-investeerder, te onderwerpen aan een besluit waarbij de intrekking wordt verlangd als de omstandigheden niet gewijzigd zijn. Voorts blijven de verplichtingen die op grond van deze richtlijn of Richtlijn 2014/61/EU aan ondernemingen worden opgelegd, ongeacht of ze zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, van toepassing. Verplichtingen in verband met mede-investeringsovereenkomsten laten de toepassing van het Unierecht onverlet.

(202)

Met functionele scheiding waarbij een verticaal geïntegreerde onderneming operationeel gescheiden bedrijfseenheden moet oprichten, wil men bewerkstelligen dat alle downstreamexploitanten, met inbegrip van de eigen downstreamafdelingen van de verticaal geïntegreerde exploitant, volledig gelijkwaardige toegangsproducten kunnen worden geleverd. Met functionele scheiding kan de concurrentie in verschillende relevante markten worden verbeterd door discriminatie minder aantrekkelijk te maken en door het makkelijker te maken om na te gaan of de niet-discriminatieverplichtingen worden nageleefd en door hierop toezicht te houden. In uitzonderlijke gevallen moet zulke scheiding kunnen worden toegestaan als instrument wanneer men er maar niet in slaagt binnen een redelijke termijn in verschillende markten een situatie te verwezenlijken waarin geen discriminatie plaatsvindt en waar geen of weinig vooruitzicht is op concurrentie op infrastructuurgebied en men reeds een beroep heeft gedaan op een of meer andere maatregelen die eerder geschikt werden geacht. Het is uiterst belangrijk ervoor te zorgen dat met het opleggen van dit instrument de prikkels van de onderneming in kwestie om te investeren in haar netwerk niet worden weggenomen en negatieve gevolgen te voorkomen voor het welzijn van de consument. Het opleggen van functionele scheiding vereist een gecoördineerde analyse van verschillende relevante markten die verband houden met het toegangsnetwerk, in overeenstemming met de marktanalyseprocedure. Bij het uitvoeren van de marktanalyse en het bepalen van de details van de maatregel moeten de nationale regelgevende instanties met name aandacht besteden aan de producten die door de afzonderlijke bedrijfseenheden worden beheerd, rekening houdend met de uitrol van de netwerken en de mate van technologische vooruitgang, die van invloed kunnen zijn op de substitueerbaarheid van vaste en draadloze diensten. Om verstoring van de concurrentie op de interne markt te vermijden is voorafgaande goedkeuring van de voorstellen voor functionele scheiding door de Commissie vereist.

(203)

De tenuitvoerlegging van functionele scheiding belet niet dat er passende coördinatiemechanismen zijn tussen de afzonderlijke bedrijfseenheden om er voor te zorgen dat de rechten van de moedermaatschappij op economisch toezicht en beheertoezicht beschermd worden.

(204)

Wanneer een verticaal geïntegreerde onderneming een groot deel of alle plaatselijke toegangsnetwerkactiva wil onderbrengen in een afzonderlijk rechtspersoon met een andere eigenaar of door een afzonderlijke bedrijfseenheid op te richten die zich bezighoudt met toegangsproducten, moet de nationale regelgevende instantie nagaan welk effect de beoogde transactie, inclusief alle door die onderneming aangeboden afspraken inzake toegang, heeft op de bestaande regelgevingsverplichtingen die zijn opgelegd aan de verticaal geïntegreerde onderneming om ervoor te zorgen dat eventuele nieuwe regelingen verenigbaar zijn met deze richtlijn. De desbetreffende nationale regelgevende instantie moet een nieuwe analyse uitvoeren van de markten waarop de gescheiden eenheid actief is en dienovereenkomstig verplichtingen opleggen, handhaven, wijzigen of intrekken. Daartoe moet de nationale regelgevende instantie de onderneming kunnen verzoeken informatie te verstrekken.

(205)

Het is momenteel op sommige markten al mogelijk dat de ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht als onderdeel van de marktanalyse afspraken kunnen aanbieden die erop gericht zijn de door de nationale regelgevende instantie geconstateerde mededingingsproblemen aan te pakken en waarmee de nationale regelgevende instantie dan rekening houdt bij het besluit inzake passende regelgevingsverplichtingen. Bij het besluit inzake de meest passende corrigerende maatregelen moet rekening worden gehouden met eventuele nieuwe marktontwikkelingen. Onverminderd de bepalingen betreffende de regelgevende behandeling van mede-investeringen vormt de aard van de aangeboden afspraken op zich echter geen beperking voor de discretionaire bevoegdheid die aan de nationale regelgevende instantie is verleend om maatregelen te nemen ten aanzien van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht. Teneinde de transparantie te verhogen en rechtszekerheid in de hele Unie te verschaffen, moet deze richtlijn voorzien in de procedure aan de hand waarvan afspraken door ondernemingen worden aangeboden en door nationale regelgevende instanties worden beoordeeld, rekening houdend met de standpunten van de marktdeelnemers door middel van een markttoets, en aan de hand waarvan die afspraken in voorkomend geval bindend kunnen worden gemaakt voor de betrokken onderneming en door de nationale regelgevende instantie afdwingbaar zijn. Tenzij de nationale regelgevende instantie afspraken betreffende mede-investeringen bindend heeft gemaakt en zij beslist heeft geen verplichtingen op te leggen, doet die procedure geen afbreuk aan de toepassing van de marktanalyse, noch aan de verplichting passende en evenredige corrigerende maatregelen op te leggen ter remediëring van de geconstateerde markttekortkoming.

(206)

De nationale regelgevende instanties moeten de afspraken geheel of gedeeltelijk bindend kunnen maken voor een specifieke periode die niet langer mag zijn dan de periode waarvoor ze zijn aangeboden, na een markttoets te hebben verricht door middel van een openbare raadpleging van belanghebbenden. Indien de afspraken bindend zijn gemaakt, moet de nationale regelgevende instantie met de gevolgen van dit besluit rekening houden in haar marktanalyse en deze in overweging nemen bij de keuze van de meest passende regelgevingsmaatregelen. De nationale regelgevende instanties dienen de tot stand gekomen afspraken te beschouwen vanuit een toekomstgericht oogpunt van duurzaamheid, met name wanneer zij de periode bepalen waarvoor deze bindend worden gemaakt, en zij dienen rekening te houden met de waarde die de belanghebbenden tijdens de openbare raadpleging hebben gehecht aan stabiele en voorspelbare marktomstandigheden. Bindende afspraken in het kader van vrijwillige scheiding door een verticaal geïntegreerde onderneming die is aangewezen als onderneming met aanmerkelijke marktmacht op één of meer relevante markten, kunnen zorgen voor voorspelbaarheid en transparantie, doordat het proces van de uitvoering van de beoogde scheiding wordt geschetst, bijvoorbeeld in de vorm van een stappenplan voor de uitvoering met duidelijke mijlpalen en voorspelbare consequenties indien bepaalde mijlpalen niet worden bereikt.

(207)

De afspraken kunnen de aanwijzing van een monitoring trustee omvatten, wiens identiteit en mandaat moeten worden goedgekeurd door de nationale regelgevende instantie, alsmede de verplichting voor de onderneming die de afspraken aanbiedt om op gezette tijden uitvoeringsverslagen te verstrekken.

(208)

Eigenaren van netwerken waarvan het bedrijfsmodel is beperkt tot het aanbieden van wholesalediensten aan anderen, kunnen een gunstige invloed hebben op de totstandbrenging van een bloeiende wholesalemarkt, hetgeen positieve effecten heeft op de retailconcurrentie downstream. Voorts kan hun bedrijfsmodel aantrekkelijk zijn voor potentiële investeerders in minder vluchtige infrastructuuractiva, met perspectieven op de langere termijn betreffende de implementatie van netwerken met zeer hoge capaciteit. De aanwezigheid van een onderneming die uitsluitend op de wholesalemarkt actief is, heeft echter niet per se daadwerkelijk concurrerende retailmarkten tot gevolg, en ondernemingen die uitsluitend op de wholesalemarkt actief zijn kunnen worden aangemerkt als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht, met name op productmarkten en geografische markten. Bepaalde concurrentierisico's die voortvloeien uit het gedrag van ondernemingen met uitsluitend op wholesalemarkten gerichte bedrijfsmodellen kunnen kleiner zijn dan bij verticaal geïntegreerde ondernemingen, mits het bedrijfsmodel daadwerkelijk uitsluitend op wholesalemarkten is gericht en er geen stimulansen zijn om te discrimineren tussen downstreamaanbieders. De reactie van regelgevende aard moet daarom in evenredige mate minder ingrijpend zijn, maar de mogelijkheid om verplichtingen met betrekking tot een eerlijke en redelijke prijsstelling in te voeren, moet worden behouden. Anderzijds moeten de nationale regelgevende instanties kunnen ingrijpen indien zich concurrentieproblemen voordoen waaronder de eindgebruikers te lijden hebben. Een op wholesalemarkten actieve onderneming die alleen retaildiensten levert aan bedrijven die groter zijn dan kleine en middelgrote ondernemingen, moet worden beschouwd als een uitsluitend op wholesalemarkten actieve onderneming.

(209)

Om de migratie van legacy-kopernetwerken naar netwerken van de volgende generatie te vergemakkelijken, hetgeen in het belang van de eindgebruiker is, moeten de nationale regelgevende instanties in staat zijn om toezicht te houden op de initiatieven die netwerkexploitanten op dit gebied ontplooien, en om, indien vereist, de voorwaarden voor een passend migratieproces vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van voorafgaande kennisgeving, transparantie en beschikbaarheid van alternatieve toegangsproducten van ten minste vergelijkbare kwaliteit, zodra de eigenaar van het netwerk zijn voornemen en bereidheid om over te schakelen naar opgewaardeerde netwerken heeft aangetoond. Teneinde ongerechtvaardigde vertragingen met betrekking tot de migratie te voorkomen, moeten de nationale regelgevende instanties de bevoegdheid hebben toegangsverplichtingen in verband met het kopernetwerk in te trekken zodra een adequaat migratieproces is vastgesteld en de inachtneming van de voorwaarden en het proces voor de migratie van legacy-infrastructuur is gewaarborgd. Netwerkeigenaars moeten legacy-netwerken echter buiten bedrijf kunnen stellen. Toegangvragende partijen die migreren van toegangsproducten op basis van een legacy-infrastructuur naar een toegangsproduct op basis van een geavanceerdere technologie of geavanceerder medium, moeten, indien zij dit wensen, hun toegang kunnen opwaarderen naar om het even welk gereguleerd product met een hogere capaciteit, maar mogen hier niet toe worden verplicht. In het geval van een opwaardering moeten toegangvragende partijen voldoen aan de wettelijke voorwaarden voor toegang tot een toegangsproduct met een hogere capaciteit, zoals door de nationale regelgevende instanties in de marktanalyse is vastgesteld.

(210)

De liberalisering van de telecommunicatiesector en de toenemende concurrentie en keuzemogelijkheden op het gebied van communicatiediensten gaan hand in hand met een parallelle actie tot invoering van een geharmoniseerd regelgevingskader dat de levering van de universele dienst moet garanderen. Het concept van de universele dienst moet evolueren teneinde gelijke tred te houden met de technologische vooruitgang, de marktontwikkelingen en de veranderingen in de behoeften van de gebruiker.

(211)

Krachtens artikel 169 VWEU moet de Unie bijdragen tot de bescherming van de consument.

(212)

Universele dienstverlening is een vangnet waarmee wordt gewaarborgd dat ten minste de reeks minimumdiensten beschikbaar is voor alle eindgebruikers en tegen een betaalbare prijs voor consumenten, aangezien het risico op sociale uitsluiting door het ontbreken van dergelijke toegang ertoe kan leiden dat burgers op sociaal en economisch vlak niet volledig aan de maatschappij kunnen deelnemen.

(213)

Basisbreedbandinternettoegang is nagenoeg universeel beschikbaar in de hele Unie en wordt op zeer grote schaal gebruikt voor uiteenlopende activiteiten. Het algehele gebruikspercentage blijft echter achter bij de beschikbaarheid, aangezien er nog steeds burgers zijn die geen aansluiting hebben omdat zij niet zijn ingelicht, vanwege de kosten en het ontbreken van de nodige vaardigheden, en omdat zij daarvoor hebben gekozen. Betaalbare adequate breedbandinternettoegang is momenteel van cruciaal belang voor de maatschappij en de economie in bredere zin. Het biedt de basis voor deelname aan de digitale economie en maatschappij door middel van essentiële online-internetdiensten.

(214)

Een fundamentele eis die aan de universele dienst moet worden gesteld, is dat wordt gewaarborgd dat alle consumenten tegen een betaalbare prijs toegang hebben tot beschikbare adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten, op een vaste locatie. De lidstaten moeten ook over de mogelijkheid beschikken om te zorgen voor de betaalbaarheid van adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten die niet op een vaste locatie, maar aan burgers die zich verplaatsen worden aangeboden, wanneer zij dit nodig achten om te waarborgen dat consumenten sociaal en economisch volledig aan de samenleving kunnen deelnemen. In dat verband moet er in het bijzonder op worden toegezien dat eindgebruikers met een handicap gelijkwaardige toegang hebben. Er mogen geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de aansluiting wordt gerealiseerd, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien van de categorie aanbieders die alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen.

(215)

De snelheid van de toegang tot internet voor een willekeurige gebruiker kan afhankelijk zijn van een aantal factoren, zoals van de aanbieders van internettoegang alsmede van de specifieke toepassing waarvoor een aansluiting wordt gebruikt. Het is aan de lidstaten om, rekening houdend met het Berec-verslag over beste praktijken, adequate breedbandinternettoegang te definiëren op basis van de nationale omstandigheden en van de minimumbandbreedte waarover de meerderheid van de consumenten op het grondgebied van een lidstaat beschikt, teneinde een passend niveau van sociale inclusie en participatie in de digitale economie en maatschappij op hun grondgebied mogelijk te maken. De betaalbare adequate breedbandinternettoegangsdienst moet toereikende bandbreedte hebben om toegang tot en gebruik van ten minste een minimumreeks basisdiensten te ondersteunen die overeenkomen met de diensten die worden gebruikt door de meerderheid van de eindgebruikers. Daartoe moet de Commissie ontwikkelingen in het gebruik van het internet monitoren om te bepalen welke onlinediensten door de meerderheid van eindgebruikers in de hele Unie worden gebruikt en die nodig zijn voor de sociale en economische participatie aan de samenleving, en de lijst dienovereenkomstig actualiseren. De eisen van het Unierecht inzake open-internettoegang, met name van Verordening (EU) 2015/2120, moeten van toepassing zijn op elke adequate breedbandinternettoegangsdienst.

(216)

Consumenten mogen niet worden verplicht om gebruik te maken van diensten die zij niet wensen, en daarom moeten de desbetreffende consumenten de mogelijkheid hebben om de betaalbare universele dienst op verzoek te beperken tot spraakcommunicatiediensten.

(217)

De lidstaten moeten maatregelen inzake betaalbaarheid en maatregelen inzake controle van de uitgaven kunnen uitbreiden tot micro-ondernemingen, kleine en middelgrote ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, mits zij aan de toepasselijke voorwaarden voldoen.

(218)

De nationale regelgevende instanties moeten, in samenspraak met andere bevoegde instanties, de evolutie en het niveau van de retailtarieven voor diensten die binnen de werkingssfeer van de universeledienstverplichtingen vallen, kunnen monitoren. Die monitoring moet zo plaatsvinden dat hierdoor geen bovenmatige administratieve lasten aan de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties of aan aanbieders van die diensten worden opgelegd.

(219)

Een betaalbare prijs betekent een prijs die de lidstaten op nationaal niveau bepalen in het licht van specifieke nationale omstandigheden. Wanneer lidstaten concluderen dat de retailprijzen voor adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten niet betaalbaar zijn voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, met inbegrip van ouderen, eindgebruikers met een handicap en consumenten die in plattelands- of geografisch geïsoleerde gebieden wonen, moeten zij passende maatregelen nemen. Daartoe zouden de lidstaten die consumenten directe steun voor communicatiedoeleinden kunnen verlenen, die deel zou kunnen uitmaken van de sociale toelagen, of de vorm kan aannemen van vouchers voor of rechtstreekse betalingen aan die consumenten. Dit kan een geschikt alternatief vormen, gelet op de noodzaak om verstoringen van de markt tot een minimum te beperken. In de plaats van of in aanvulling op die maatregelen zouden de lidstaten van alle aanbieders van zulke diensten kunnen verlangen dat zij basistariefopties of -pakketten aan die consumenten aanbieden.

(220)

Betaalbaarheid verzekeren kan speciale tariefopties of pakketten behelzen die zijn afgestemd op de behoeften van gebruikers met een laag inkomen of gebruikers met bijzondere sociale behoeften. Die aanbiedingen moeten met basiskenmerken worden gedaan, om te voorkomen dat de marktwerking wordt verstoord. Voor consumenten moet betaalbaarheid gebaseerd zijn op hun recht om een overeenkomst te sluiten met een aanbieder, de beschikbaarheid van een nummer, de blijvende verbinding van de dienst en hun vermogen om hun uitgaven te controleren en te beheersen.

(221)

Wanneer een lidstaat aanbieders ertoe verplicht consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften tariefopties of pakketten aan te bieden die verschillend zijn van die welke onder normale commerciële voorwaarden worden aangeboden, moeten die tariefopties of pakketten door alle aanbieders van internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten worden aangeboden. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel mag het feit dat alle aanbieders van internettoegangs- en spraakcommunicatiediensten ertoe verplicht worden tariefopties of pakketten aan te bieden, niet leiden tot overmatige administratieve of financiële lasten voor die aanbieders of lidstaten. Wanneer een lidstaat op basis van een objectieve beoordeling zulke overmatige administratieve of financiële lasten aantoont, kan hij bij wijze van uitzondering besluiten dat de verplichting om speciale tariefopties of pakketten aan te bieden, alleen aan aangewezen aanbieders wordt opgelegd. In de objectieve beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de voordelen die voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften voortvloeien uit het feit dat zij een aanbieder kunnen kiezen, alsmede met de voordelen die voor alle aanbieders voortvloeien uit het feit dat zij universeledienstaanbieders kunnen zijn. Wanneer een lidstaat bij wijze van uitzondering besluit dat de verplichting om speciale tariefopties of pakketten aan te bieden, alleen aan aangewezen aanbieders wordt opgelegd, moeten zij ervoor zorgen dat consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften een keuze kunnen maken tussen aanbieders die sociale tarieven aanbieden. In bepaalde situaties kunnen de lidstaten wellicht echter geen keuze aan aanbieders garanderen, bijvoorbeeld wanneer slechts één onderneming diensten aanbiedt in het woongebied van de begunstigde, of wanneer het bieden van een keuze overmatige bijkomende organisatorische en financiële lasten voor de lidstaten met zich zou brengen.

(222)

De betaalbaarheid mag voor consumenten niet langer een obstakel zijn om toegang te krijgen tot het minimumpakket van connectiviteitsdiensten. Het recht om een overeenkomst te sluiten met een aanbieder, moet betekenen dat consumenten die te maken zouden kunnen krijgen met afwijzing, in het bijzonder die met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften, de mogelijkheid moeten hebben om een overeenkomst te sluiten voor de levering van betaalbare adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten, ten minste op een vaste locatie met een aanbieder die dergelijke diensten verleent op die locatie of met een aangewezen aanbieder, wanneer een lidstaat bij wijze van uitzondering heeft besloten een of meer aanbieders aan te wijzen voor het aanbieden van die tariefopties of pakketten. Om de financiële risico’s, zoals niet-betaling van rekeningen, tot een minimum te beperken, moeten aanbieders vrij zijn om de overeenkomst aan te bieden onder voorafbetalingsvoorwaarden, op basis van betaalbare individuele vooraf betaalde eenheden.

(223)

Om ervoor te zorgen dat burgers bereikbaar zijn via spraakcommunicatiediensten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een nummer beschikbaar is voor een redelijke termijn, ook tijdens perioden waarin de spraakcommunicatiediensten niet worden gebruikt. Aanbieders moeten de mogelijkheid hebben om mechanismen in te stellen om na te gaan of de consument nog steeds geïnteresseerd is in de beschikbaarheid van het nummer.

(224)

Het vergoeden van de aanbieders die onder zulke omstandigheden in dergelijke diensten voorzien, hoeft niet tot concurrentieverstoring te leiden indien de specifieke nettokosten van dergelijke aanbieders worden vergoed en de nettolast gecompenseerd wordt op een uit mededingingsoogpunt neutrale wijze.

(225)

Om de behoefte aan maatregelen inzake betaalbaarheid te kunnen beoordelen, moeten de nationale regelgevende instanties, in onderlinge samenspraak met andere bevoegde instanties, toezicht kunnen houden op de ontwikkelingen en details van de aangeboden tariefopties of pakketten voor consumenten met een laag inkomen of bijzondere sociale behoeften.

(226)

De lidstaten moeten maatregelen nemen om te bevorderen dat een markt ontstaat voor betaalbare producten en diensten, met functies voor consumenten met een handicap, inclusief uitrusting met hulptechnologie. Dat is onder meer mogelijk door verwijzing naar Europese normen, of door ondersteuning van de uitvoering van eisen uit hoofde van het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. De lidstaten moeten geschikte maatregelen introduceren overeenkomstig de nationale situatie, wat hun de flexibiliteit geeft om specifieke maatregelen te nemen, bijvoorbeeld wanneer de markt geen betaalbare producten en diensten levert met functies voor consumenten met een handicap in normale economische omstandigheden. Die maatregelen kunnen directe financiële steun aan eindgebruikers omvatten. De kosten van bemiddelingsdiensten voor consumenten met een handicap moeten overeenstemmen met de gemiddelde kosten van spraakcommunicatiediensten.

(227)

Bemiddelingsdiensten zijn diensten die mogelijk maken dat zich ver uit elkaar bevindende eindgebruikers van verschillende communicatiewijzen (bijvoorbeeld tekst, gebarentaal, spraak) in beide richtingen kunnen communiceren door omzetting van de ene naar de andere communicatiewijze aan te bieden, doorgaans door een menselijke ingreep. Realtimetekst wordt overeenkomstig het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten gedefinieerd en heeft betrekking op een vorm van schriftelijke conversatie tussen twee punten of in meerpuntenconferenties, waarbij de ingevoerde tekst op zodanige wijze wordt verzonden dat het bericht door de gebruiker wordt ervaren als doorlopend en letter per letter tot stand komend.

(228)

Voor datacommunicatie met datasnelheden die toereikend zijn voor een adequate breedbandinternettoegang zijn vaste aansluitingen bijna universeel beschikbaar en ze worden gebruikt door een meerderheid van de burgers van de Unie. In 2015 was er voor 97 % van de woningen standaard breedbanddekking en -beschikbaarheid in de Unie, met een gemiddelde benuttingsgraad van 72 %, en de diensten op basis van draadloze technologieën hebben zelfs nog een groter bereik. Er zijn echter verschillen tussen de lidstaten wat betreft de beschikbaarheid en betaalbaarheid van vaste breedband in stedelijke en plattelandsgebieden.

(229)

De markt heeft een belangrijke rol te vervullen bij het waarborgen van de beschikbaarheid van toegang tot breedbandinternet met voortdurend toenemende capaciteit. In gebieden waar de markt dat niet doet, lijken andere publieke beleidsinstrumenten ter bevordering van de beschikbaarheid van adequate breedbandinternettoegangsverbindingen in beginsel kosteneffectiever en minder marktverstorend dan universeledienstverplichtingen, bijvoorbeeld het aanwenden van financiële instrumenten, zoals die welke beschikbaar zijn in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, het gebruik van publieke financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen, het verbinden van dekkingsverplichtingen aan gebruiksrechten voor radiospectrum ter ondersteuning van de uitrol van breedbandnetwerken in minder dichtbevolkte gebieden en overheidsinvesteringen in overeenstemming met de staatssteunregels van de Unie.

(230)

Als, na een gepaste beoordeling, rekening houdend met de resultaten van het geografisch onderzoek van de netwerkuitrol door de bevoegde instantie, of met de meest recente informatie waarover de lidstaten beschikken voordat de resultaten van het eerste geografische onderzoek beschikbaar zijn, blijkt dat waarschijnlijk noch de markt, noch mechanismen voor overheidsinterventie eindgebruikers in bepaalde gebieden zullen kunnen uitrusten met een verbinding die adequate breedbandinternettoegangsdienst, zoals door de lidstaten gedefinieerd, en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie mogelijk maakt, moeten de lidstaten bij wijze van uitzondering verschillende aanbieders of groepen aanbieders van die diensten kunnen aanwijzen in de verschillende relevante delen van het nationale grondgebied. Naast het geografische onderzoek moeten de lidstaten waar nodig een beroep kunnen doen op alle aanvullende onderbouwing waarmee zij kunnen vaststellen in hoeverre adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie beschikbaar zijn. Die aanvullende onderbouwing kan onder meer gegevens omvatten waarover de nationale regelgevende instanties beschikken in het kader van de marktanalyseprocedure en de gegevens van de gebruikers. De lidstaten moeten universeledienstverplichtingen ter ondersteuning van de beschikbaarheid van een adequate breedbandinternettoegangsdienst kunnen beperken tot de hoofdlocatie of verblijfplaats van de eindgebruiker. Er mogen geen beperkingen worden gesteld aan de technische middelen waarmee de adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie worden aangeboden, zodat zowel draadverbindingen als draadloze verbindingen mogelijk zijn, noch beperkingen ten aanzien waarvan ondernemingen alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan vervullen.

(231)

Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel is het aan de lidstaten om aan de hand van objectieve criteria te beslissen welke ondernemingen als universeledienstaanbieders worden aangewezen, waar nodig rekening houdend met de capaciteit en de bereidheid van die ondernemingen om alle universeledienstverplichtingen of een gedeelte daarvan te aanvaarden. Dit sluit niet uit dat de lidstaten in de aanwijzingsprocedure specifieke voorwaarden om redenen van doeltreffendheid kunnen opnemen, zoals het groeperen van geografische gebieden of componenten of een minimumperiode voor de aanwijzing.

(232)

De kosten voor het waarborgen van de beschikbaarheid van een verbinding waarmee een adequate breedbandinternettoegangsdienst zoals gedefinieerd overeenkomstig deze richtlijn en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie tegen een betaalbare prijs in het kader van de universeledienstverplichtingen kunnen worden geleverd, moeten worden geraamd, met name door de verwachte financiële lasten voor aanbieders en gebruikers in de elektronischecommunicatiesector te beoordelen.

(233)

A priori zullen eisen om dekking van het nationale territorium te waarborgen, die worden opgelegd in de aanwijzingsprocedure, waarschijnlijk bepaalde ondernemingen uitsluiten of ontmoedigen zich kandidaat te stellen als universeledienstaanbieders. Het aanwijzen van aanbieders met universeledienstverplichtingen voor een buitensporig lange of onbepaalde periode zou ook kunnen leiden tot een a priori uitsluiting van bepaalde aanbieders. Wanneer een lidstaat besluit een of meer aanbieders aan te wijzen om redenen van betaalbaarheid, moeten dat andere aanbieders kunnen zijn dan de aanbieders die zijn aangewezen voor het onderdeel beschikbaarheid van de universele dienst.

(234)

Wanneer een aanbieder die bij wijze van uitzondering is aangewezen om tariefopties of pakketten in te dienen die afwijken van wat er wordt aangeboden onder normale commerciële omstandigheden zoals gedefinieerd overeenkomstig deze richtlijn, of om te zorgen voor de beschikbaarheid op een vaste locatie van een adequate breedbandinternettoegangsdienst of spraakcommunicatiediensten zoals gedefinieerd overeenkomstig deze richtlijn, tegen de achtergrond van zijn verplichting tot universele dienstverlening besluit om een aanzienlijk deel of het geheel van zijn netwerkactiva voor plaatselijke toegang op het nationale grondgebied af te staan aan een afzonderlijke rechtspersoon in ander eindeigendom, moet de bevoegde instantie de gevolgen van de transactie beoordelen om de continuïteit van de verplichtingen tot universele dienstverlening op het geheel of in delen van het nationale grondgebied te waarborgen. Te dien einde moet de bevoegde instantie die de verplichtingen tot universele dienstverlening heeft opgelegd, door de aanbieder op de hoogte worden gesteld vóór het afstaan. De beoordeling door de bevoegde instantie mag de afronding van de transactie niet in gevaar brengen.

(235)

Om te zorgen voor stabiliteit en een geleidelijke overgang mogelijk te maken, moeten de lidstaten kunnen blijven zorgen voor het aanbieden van andere universele diensten op hun grondgebied dan adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten op een vaste locatie, die zijn opgenomen in de werkingssfeer van hun universeledienstverplichtingen op grond van Richtlijn 2002/22/EG op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, op voorwaarde dat die diensten of vergelijkbare diensten niet beschikbaar zijn onder normale commerciële omstandigheden. De mogelijkheid openbare betaaltelefoons te blijven aanbieden aan het grote publiek door gebruik van munten, krediet- of debetkaarten, of vooruitbetaalde telefoonkaarten, waaronder kaarten voor gebruik met netnummers, telefoongidsen en telefooninlichtingendiensten in het kader van de universeledienstregeling, zolang de noodzaak daarvan blijft aangetoond, zou de lidstaten de nodige flexibiliteit geven om terdege rekening te houden met de uiteenlopende nationale omstandigheden. Dat kan inhouden dat er op belangrijke toegangspunten tot het land, zoals luchthavens of trein- en busstations, evenals op plekken die in noodgevallen door personen worden gebruikt, zoals ziekenhuizen, politiebureaus en noodlocaties langs de snelweg, wordt voorzien in openbare telefooncellen, zodat wordt voldaan aan de redelijke behoeften van eindgebruikers, met inbegrip van met name eindgebruikers met een handicap.

(236)

De lidstaten moeten de situatie van consumenten wat betreft hun gebruik van adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten en met name ter zake van de betaalbaarheid blijven volgen. De betaalbaarheid van adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten houdt verband met de informatie die de gebruikers ontvangen over de uitgaven voor het gebruik en de relatieve kosten van het gebruik in verhouding tot die van andere diensten, en houdt ook verband met hun vermogen om de uitgaven te beheersen. Betaalbaarheid betekent bijgevolg de consumenten rechten verlenen door verplichtingen op te leggen aan aanbieders. Die verplichtingen omvatten een bepaald niveau van detaillering van de rekeningen, de mogelijkheid voor consumenten tot selectieve nummerblokkering, zoals dure gesprekken met tariefnummers, tot beheersing van de uitgaven door middel van vooruitbetaling en tot compensatie van de voorafgaande aansluitkosten. Het kan nodig zijn die maatregelen te herzien en te wijzigen in het licht van de marktontwikkelingen. Gespecificeerde facturen over het gebruik van internettoegang mogen alleen het tijdstip, de duur en de omvang aangeven van het gebruik tijdens een gebruikssessie, maar niet de websites of interneteindpunten waarmee tijdens die sessie verbinding is gemaakt.

(237)

Behalve in het geval van aanhoudend te laat of niet betaalde rekeningen, dienen consumenten die recht hebben op betaalbare tarieven, in afwachting van een regeling van het geschil, te worden beschermd tegen onmiddellijke afsluiting van het netwerk op grond van een onbetaalde rekening en, met name bij een geschil over hoge rekeningen voor betaalnummers, dienen zij toegang te behouden tot essentiële spraakcommunicatiediensten en een minimumdienstverleningsniveau van internettoegang zoals gedefinieerd door de lidstaten. De lidstaten moeten kunnen beslissen dat dergelijke toegang alleen gehandhaafd blijft indien de abonnee de huur van de lijn of de basisinternetkosten blijft betalen.

(238)

Wanneer het aanbieden van adequate breedbandinternettoegangs- en spraakcommunicatiediensten of het aanbieden van andere diensten overeenkomstig deze richtlijn leidt tot een onredelijke last voor een aanbieder, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de kosten en inkomsten en met de immateriële voordelen van het aanbieden van de betrokken diensten, kan die onredelijke last worden opgenomen in de berekening van de nettokosten van universeledienstverplichtingen.

(239)

De lidstaten moeten, waar nodig, mechanismen voor het financieren van de nettokosten van universeledienstverplichtingen invoeren wanneer is aangetoond dat de verplichtingen alleen kunnen worden vervuld met verlies of tegen nettokosten die buiten normale commerciële normen vallen. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de nettokosten van universeledienstverplichtingen juist worden berekend en dat de financiering een zo gering mogelijk verstorend effect heeft op de markt en op ondernemingen, en verenigbaar is met de artikelen 107 en 108 VWEU.

(240)

Bij het berekenen van de nettokosten van universeledienstverplichtingen moet naar behoren rekening worden gehouden met kosten en inkomsten, alsmede met de immateriële voordelen van het aanbieden van de universele dienst, terwijl geen belemmering mag ontstaan voor het algemene streven naar prijsstructuren die een weergave van de kosten vormen. Nettokosten van universeledienstverplichtingen moeten aan de hand van transparante procedures worden berekend.

(241)

Onder rekening houden met alle immateriële voordelen wordt verstaan dat om de totale financiële kosten te bepalen de financiële raming van de indirecte voordelen die een onderneming ingevolge haar positie als universeledienstaanbieder geniet, moet worden afgetrokken van de rechtstreekse nettokosten van de universeledienstverplichtingen.

(242)

Ingeval een universeledienstverplichting een onredelijke last voor een aanbieder vormt, moeten de lidstaten regelingen voor een efficiënte dekking van de nettokosten kunnen invoeren. Het gebruik van overheidsmiddelen is één methode voor het dekken van de nettokosten van universeledienstverplichtingen. Een andere methode is het delen van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen tussen de aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. De lidstaten dienen in staat te zijn om de nettokosten van verschillende elementen van de universele dienst te financieren met behulp van verschillende regelingen of om de nettokosten van enkele of alle elementen te financieren door middel van een van de regelingen of een combinatie van beide. Adequate breedbandinternettoegang biedt niet alleen voordelen voor de sector elektronische communicatie maar ook voor de bredere online-economie en voor de samenleving als geheel. Het aanbieden van een verbinding ter ondersteuning van breedbandsnelheden voor een groter aantal eindgebruikers, stelt hen in staat gebruik te maken van onlinediensten en op die manier actief deel te nemen aan de digitale maatschappij. Het waarborgen van dergelijke verbindingen op basis van universeledienstverplichtingen dient zowel het publieke belang als de belangen van aanbieders van elektronische communicatie. Die feiten moeten door de lidstaten in aanmerking worden genomen bij het kiezen en ontwerpen van mechanismen voor dekking van de nettokosten.

(243)

In het geval van kostendekking door middel van het delen van de nettokosten van universeledienstverplichtingen tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de methode van toewijzing onder aanbieders op objectieve en niet-discriminerende criteria is gebaseerd en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel belet niet dat lidstaten nieuwkomers kunnen vrijstellen zolang deze geen significante positie op de markt hebben verworven. De toegepaste financieringsregeling moet waarborgen dat de marktpartijen alleen bijdragen aan de financiering van universeledienstverplichtingen en niet aan andere activiteiten die niet direct samenhangen met het vervullen van universeledienstverplichtingen. Het dekkingsmechanisme moet stroken met de beginselen van het Unierecht en, in het geval van een fonds voor gezamenlijke financiering, met de beginselen niet-discriminatie en evenredigheid. Een financieringsmechanisme moet waarborgen dat gebruikers in een lidstaat niet bijdragen aan kosten van het vervullen van universeledienstverplichtingen in een andere lidstaat. De nettokosten van de universeledienstverplichtingen moeten kunnen worden gedeeld door alle of specifieke groepen aanbieders. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de gezamenlijke financieringsregeling voldoet aan de beginselen transparantie, minimale verstoring van de markt, niet-discriminatie en evenredigheid. Onder minimale verstoring van de markt moet worden verstaan dat de bijdragen zo moeten worden geïnd dat de financiële gevolgen voor de eindgebruikers zo klein mogelijk zijn, bijvoorbeeld doordat de bijdragen zo veel mogelijk worden gespreid.

(244)

Aanbieders die gebruikmaken van een fonds voor de universele dienst moeten over de specifieke elementen die financiering behoeven, aan de nationale regelgevende instanties voldoende gedetailleerde informatie verschaffen om hun verzoek te verantwoorden. De regelingen van de lidstaten voor de kostenberekening en financiering van universeledienstverplichtingen worden ter kennis gebracht van de Commissie, die nagaat of deze verenigbaar zijn met het VWEU. De lidstaten moeten zorgen voor daadwerkelijke transparantie en controle op de bedragen die in rekening worden gebracht voor de financiering van universeledienstverplichtingen. De berekening van de nettokosten van het aanbieden van een universele dienst moet gebaseerd zijn op een objectieve en transparante methode teneinde te waarborgen dat de meest kosteneffectieve universele dienst wordt aangeboden en gelijke voorwaarden voor marktdeelnemers te bevorderen. Het vooraf, vóór de berekening, bekendmaken van de methode die wordt gebruikt om de nettokosten van de individuele universele dienst te berekenen, kan bijdragen tot een grotere transparantie.

(245)

De lidstaten mogen de marktdeelnemers geen financiële bijdragen opleggen die voortvloeien uit maatregelen die geen deel uitmaken van de universeledienstverplichtingen. Het staat elke lidstaat afzonderlijk vrij bijzondere maatregelen in te voeren (buiten de reikwijdte van universeledienstverplichtingen) en deze te financieren overeenkomstig het Unierecht, maar niet door middel van bijdragen van de marktdeelnemers.

(246)

Met het oog op een doeltreffende ondersteuning van het vrije verkeer van goederen, diensten en personen binnen de Unie, moet het mogelijk zijn gebruik te maken van bepaalde nationale nummervoorraden, met name bepaalde niet-geografische nummers, op extraterritoriale wijze, dat wil zeggen buiten het grondgebied van de toekennende lidstaat. Gelet op het aanzienlijke risico van fraude met betrekking tot interpersoonlijke communicatie, mag dergelijk extraterritoriaal gebruik uitsluitend worden toegestaan voor het aanbieden van andere elektronischecommunicatiediensten dan interpersoonlijke communicatiediensten. Handhaving van de toepasselijke nationale wetten, in het bijzonder de voorschriften inzake consumentenbescherming en andere voorschriften inzake het gebruik van nummervoorraden, moet worden gewaarborgd door de lidstaten, ongeacht waar de gebruiksrechten zijn verleend en waar de nummers binnen de Unie worden gebruikt. De lidstaten blijven bevoegd om hun nationale wetgeving toe te passen op nummervoorraden die op hun grondgebied worden gebruikt, ook wanneer rechten zijn verleend in een andere lidstaat.

(247)

De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de lidstaten waar de nummervoorraden vanuit een andere lidstaat worden gebruikt, hebben geen gezag over die nummervoorraden. Het is dan ook van essentieel belang dat de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie van de lidstaat die de rechten van extraterritoriaal gebruik verleent, ook zorgt voor de doeltreffende bescherming van de eindgebruikers in de lidstaten waar die nummers worden gebruikt. Met het oog op de totstandbrenging van doeltreffende bescherming moet de nationale regelgevende instanties of een andere bevoegde instantie die rechten verlenen voor extraterritoriaal gebruik, ook voorwaarden stellen overeenkomstig deze richtlijn inzake de naleving door de aanbieder van de consumentenbeschermingsvoorschriften en van andere voorschriften in verband met het gebruik van nummervoorraden in de lidstaten waar die voorraden zullen worden gebruikt.

(248)

De nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de lidstaten waar nummervoorraden worden gebruikt, moeten de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die de rechten hebben verleend voor het gebruik van de nummervoorraden, kunnen vragen te helpen bij de handhaving van de regels. Handhavingsmaatregelen van de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties die de gebruiksrechten hebben verleend, moeten afschrikkende sancties inhouden, met name, in het geval van een ernstige inbreuk, de intrekking van het recht op extraterritoriaal gebruik voor de nummervoorraden die zijn toegekend aan de betrokken onderneming. De vereisten inzake extraterritoriaal gebruik mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om, per geval, de toegang tot nummers of diensten te blokkeren wanneer dat gerechtvaardigd is vanwege fraude of misbruik. Het extraterritoriale gebruik van nummervoorraden mag geen afbreuk doen aan de voorschriften van de Unie die verband houden met het aanbieden van roamingdiensten, met inbegrip van die welke betrekking hebben op afwijkend gebruik of misbruik van roamingdiensten die onderworpen zijn aan de regulering van retailprijzen en die profiteren van gereguleerde wholesaleroamingtarieven. De lidstaten moeten de mogelijkheid behouden om met derde landen specifieke overeenkomsten te sluiten over extraterritoriaal gebruik van nummervoorraden.

(249)

De lidstaten moeten etherdistributie van nummervoorraden bevorderen om het overstappen naar een andere aanbieder van elektronische communicatie te faciliteren. Etherdistributie van nummervoorraden maakt de herprogrammering van identificatoren van communicatieapparatuur mogelijk zonder fysieke toegang tot de betrokken apparaten. Die eigenschap is met name relevant voor intermachinale diensten, dat wil zeggen diensten die een automatische overdracht van gegevens en informatie inhouden tussen apparaten of op software gebaseerde toepassingen met weinig of geen menselijke tussenkomst. Aanbieders van dergelijke diensten voor intermachinale communicatie kunnen mogelijk geen beroep doen op fysieke toegang tot hun apparaten vanwege het gebruik ervan op afstand, of vanwege het grote aantal gebruikte apparaten of hun gebruikspatronen. Met het oog op de opkomende markt van intermachinale communicatie en nieuwe technologieën, moeten de lidstaten trachten te zorgen voor technologieneutraliteit bij de bevordering van etherdistributie.

(250)

De toegang tot nummervoorraden op basis van transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria is essentieel voor ondernemingen die in de elektronischecommunicatiesector willen concurreren. De lidstaten moeten gebruiksrechten voor nummervoorraden kunnen verlenen aan andere ondernemingen dan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten gelet op het toenemende belang van nummers voor uiteenlopende diensten inzake het internet der dingen. Alle elementen van de nationale nummerplannen moeten door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties worden beheerd, met inbegrip van de puntcodes die worden gebruikt bij netwerkadressering. Wanneer nummervoorraden in de Unie moeten worden geharmoniseerd om de ontwikkeling van pan-Europese diensten of grensoverschrijdende diensten, met name nieuwe, op intermachinale communicatie gebaseerde diensten, zoals communicerende auto’s te ondersteunen, en wanneer niet aan de vraag kan worden voldaan op basis van de bestaande nummervoorraden kan de Commissie uitvoeringsmaatregelen nemen met bijstand van Berec.

(251)

Aan de eis om besluiten betreffende de verlening van gebruiksrechten voor nummervoorraden bekend te maken, moet kunnen worden voldaan door die besluiten via een website openbaar te maken.

(252)

Gezien de specifieke aspecten betreffende het melden van vermiste kinderen moeten de lidstaten zich blijven inzetten om ervoor te zorgen dat een goed werkend meldpunt voor vermiste kinderen daadwerkelijk op hun grondgebied beschikbaar is op het nummer 116000. De lidstaten moeten passende maatregelen nemen om te zorgen voor een toereikend kwaliteitsniveau bij het beheer van het nummer 116000.

(253)

Naast het nummer 116000 van het meldpunt voor vermiste kinderen zorgen veel lidstaten er tevens voor dat kinderen op het nummer 116111 toegang hebben tot een kindvriendelijke telefonische hulplijn voor kinderen die behoefte hebben aan zorg en bescherming. Die lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat burgers, en in het bijzonder kinderen en de nationale systemen voor kinderbescherming, zich ervan bewust worden dat de 116111-hulplijn bestaat.

(254)

Een interne markt houdt in dat de eindgebruikers toegang hebben tot alle nummers die zijn opgenomen in de nationale nummerplannen van andere lidstaten, en toegang krijgen tot diensten die gebruik maken van niet-geografische nummers, met inbegrip van freephonenummers en betaalnummers, binnen de Unie, behalve wanneer de opgeroepen eindgebruiker om commerciële redenen ervoor heeft gekozen de toegang vanuit bepaalde geografische gebieden te beperken. Eindgebruikers moeten ook toegang kunnen krijgen tot universele internationale freephonenummers (Universal International Freephone Numbers, UIFN). Er mag geen beperking zijn op de grensoverschrijdende toegang tot nummervoorraden en de daarmee verband houdende diensten, tenzij in objectief gerechtvaardigde gevallen, bijvoorbeeld wanneer dit nodig is om fraude of misbruik te bestrijden (zoals bij bepaalde betaalnummerdiensten), wanneer het nummer uitsluitend als een nationaal nummer is gedefinieerd (bijvoorbeeld een nationaal kort nummer), of wanneer dit economisch gezien niet haalbaar is. Aan van buiten de betrokken lidstaat oproepende partijen behoeven niet dezelfde tarieven in rekening te worden gebracht als aan van binnen die lidstaat oproepende partijen. De gebruikers moeten van tevoren duidelijk en volledig worden geïnformeerd over alle kosten in verband met freephonenummers, zoals internationale oproepkosten voor nummers die toegankelijk zijn via de standaard internationale oproepcodes. Wanneer inkomsten uit interconnectie of andere diensten door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten om redenen van fraude of misbruik worden ingehouden, moeten de lidstaten waarborgen dat ingehouden inkomsten uit diensten zo mogelijk worden terugbetaald aan de eindgebruikers die door die gevallen van fraude en misbruik zijn benadeeld.

(255)

In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel mag een aantal bepalingen inzake eindgebruikersrechten van deze richtlijn niet gelden voor micro-ondernemingen die enkel nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten aanbieden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, die micro-ondernemingen omvat, in enge zin worden geïnterpreteerd. Opdat uitsluitend ondernemingen die echte onafhankelijke micro-ondernemingen zijn, in aanmerking komen, dient te worden gekeken naar de structuur van micro-ondernemingen die een economische groep vormen waarvan de macht groter is dan de macht van een micro-onderneming, en dient ervoor te worden gezorgd dat de definitie van micro-onderneming niet met zuiver formele middelen wordt omzeild.

(256)

De voltooiing van de interne markt voor elektronische communicatie vereist het wegnemen van belemmeringen voor eindgebruikers met betrekking tot de grensoverschrijdende toegang tot elektronischecommunicatiediensten binnen de Unie. Aanbieders van elektronischecommunicatiediensten aan het publiek mogen eindgebruikers de toegang niet ontzeggen of beperken of hen discrimineren op grond van hun nationaliteit, lidstaat van verblijf of lidstaat van vestiging. Differentiatie moet echter mogelijk zijn op basis van objectief gerechtvaardigde verschillen in kosten en risico’s, niet beperkt tot de maatregelen van Verordening (EU) nr. 531/2012 ten aanzien van misbruik of afwijkend gebruik van gereguleerde retailroamingdiensten.

(257)

De uiteenlopende tenuitvoerlegging van de voorschriften betreffende de bescherming van eindgebruikers heeft geleid tot ernstige belemmeringen voor de interne markt, die gevolgen hebben voor zowel aanbieders als eindgebruikers van elektronischecommunicatiediensten. Die belemmeringen moeten worden weggenomen door de toepassing van dezelfde regels die zorgen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming in de gehele Unie. Een gekalibreerde volledige harmonisatie van de rechten van de eindgebruiker die onder deze richtlijn vallen, moet aanzienlijk meer rechtszekerheid bieden voor zowel de eindgebruikers als de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, en moeten de toegangsdrempels en onnodige nalevingslasten als gevolg van de versnippering van de regelgeving aanzienlijk verlagen. Volledige harmonisatie helpt bij het verwijderen van belemmeringen op de werking van de interne markt als gevolg van dergelijke nationale bepalingen betreffende eindgebruikersrechten, die tegelijkertijd nationale aanbieders beschermen tegen concurrentie uit andere lidstaten. Om een hoog gemeenschappelijk niveau van bescherming te bereiken, moeten in verschillende bepalingen betreffende eindgebruikersrechten redelijke verbeteringen in deze richtlijn worden aangebracht in het licht van de beste praktijken in de lidstaten. Volledige harmonisatie van rechten van eindgebruikers vergroot hun vertrouwen in de interne markt omdat zij profiteren van een even hoog niveau van bescherming bij het gebruik van elektronischecommunicatiediensten, niet alleen in hun eigen land, maar ook wanneer zij in andere lidstaten wonen, werken of reizen. Volledige harmonisatie moet worden beperkt tot de onderwerpen die vallen onder de bepalingen inzake de rechten van de eindgebruiker in deze richtlijn. Daarom mag harmonisatie geen afbreuk doen aan het nationale recht met betrekking tot de aspecten van de bescherming van de eindgebruiker, inclusief sommige aspecten van transparantiemaatregelen die niet onder die bepalingen vallen. Zo moeten bijvoorbeeld maatregelen met betrekking tot transparantieverplichtingen die niet onder deze richtlijn vallen, worden beschouwd als verenigbaar met het beginsel volledige harmonisatie, terwijl aanvullende voorschriften inzake transparantieaangelegenheden die door deze richtlijn worden bestreken, zoals de bekendmaking van informatie, moeten worden beschouwd als zijnde onverenigbaar. Voorts moeten de lidstaten nationale voorschriften kunnen handhaven of invoeren voor aangelegenheden die niet specifiek door deze richtlijn worden behandeld, in het bijzonder om het hoofd te bieden aan nieuwe problemen die zich aandienen.

(258)

Contracten vormen een belangrijk hulpmiddel voor eindgebruikers om transparantie van de informatie en rechtszekerheid te waarborgen. De meeste aanbieders van diensten in een concurrerende omgeving sluiten contracten met hun klanten om redenen van commerciële wenselijkheid. Buiten deze richtlijn zijn de voorschriften van bestaande Uniewetgeving inzake consumentenbescherming met betrekking tot contracten, met name Richtlijn 93/13/EEG van de Raad (37) en Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (38), van toepassing op consumententransacties met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. De opneming van informatievereisten in deze richtlijn, die ook vereist zouden kunnen zijn op grond van Richtlijn 2011/83/EU, mag niet leiden tot duplicatie van de informatie in precontractuele en contractuele documenten. Ter zake doende informatie die in verband met deze richtlijn wordt verstrekt, inclusief eventuele prescriptievere en uitvoerigere informatievereisten, moet worden geacht aan de overeenkomstige vereisten op grond van Richtlijn 2011/83/EU te voldoen.

(259)

Sommige van die bepalingen inzake de bescherming van de eindgebruiker die a priori alleen van toepassing zijn op consumenten, namelijk die inzake informatie over het contract, de maximale looptijd van contracten en bundels, moeten niet alleen de consumenten ten goede komen, maar ook de micro-ondernemingen en kleine ondernemingen, evenals organisaties zonder winstoogmerk zoals gedefinieerd in het nationale recht. De onderhandelingspositie van die categorieën van ondernemingen en organisaties is vergelijkbaar met die van consumenten en daarom moeten zij hetzelfde niveau van bescherming genieten, tenzij zij uitdrukkelijk afzien van die rechten. Verplichtingen in deze richtlijn inzake informatie over contracten, met inbegrip van de in de onderhavige richtlijn aangehaalde verplichtingen van Richtlijn 2011/83/EU, moeten gelden ongeacht of er een betaling wordt gedaan en ongeacht het bedrag dat de klant moet betalen. De verplichtingen inzake contractinformatie, met inbegrip van die welke in Richtlijn 2011/83/EU zijn vastgesteld, moeten automatisch van toepassing zijn op micro-ondernemingen en kleine ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, tenzij zij verkiezen met aanbieders van elektronischecommunicatiediensten te onderhandelen over geïndividualiseerde contractvoorwaarden. Anders dan micro-ondernemingen, kleine ondernemingen en organisaties zonder winstoogmerk, hebben grotere ondernemingen doorgaans een sterkere onderhandelingspositie en zijn zij daarom niet afhankelijk van dezelfde contractuele-informatievereisten als consumenten. Andere bepalingen, zoals over overdraagbaarheid van nummers, die ook voor grotere ondernemingen van belang zijn, moeten van toepassing blijven op alle eindgebruikers. Organisaties zonder winstoogmerk zijn juridische entiteiten die geen winst maken voor de eigenaars of leden ervan. Normaal gesproken zijn organisaties zonder winstoogmerk liefdadigheidsinstellingen of andere soorten organisaties van openbaar belang. Derhalve is het, gezien de vergelijkbare situatie, legitiem om die organisaties, wat de rechten van eindgebruikers betreft, op dezelfde wijze te behandelen als micro-ondernemingen of kleine ondernemingen in het kader van deze richtlijn.

(260)

De specifieke kenmerken van de sector elektronische communicatie vereisen, naast horizontale contractregels, een beperkt aantal aanvullende bepalingen ter bescherming van de eindgebruiker. Eindgebruikers moeten onder meer worden geïnformeerd over de kwaliteit van de aangeboden dienstverleningsniveaus, de voorwaarden voor promoties en beëindiging van contracten, de toepasselijke tariefplannen en de tarieven voor diensten waarvoor bijzondere prijsstellingsvoorwaarden gelden. Die informatie is van betekenis voor aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan transmissiediensten voor het verlenen van intermachinale diensten. Onverminderd de toepasselijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens mag een aanbieder van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten niet onderworpen zijn aan de verplichtingen inzake informatievereisten voor contracten waarbij de aanbieder en daaraan gelieerde ondernemingen of personen geen vergoeding ontvangen die direct of indirect verband houdt met het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten, zoals in het geval van een universiteit die bezoekers gratis toegang geeft tot haar wifinetwerk op de campus zonder een vergoeding te ontvangen voor het aanbieden van haar elektronischecommunicatiedienst, noch door betaling vanwege de gebruikers, noch door reclame-inkomsten.

(261)

Om de eindgebruiker in staat te stellen een weloverwogen keuze te maken is het van essentieel belang dat de vereiste relevante informatie wordt verstrekt vóór de sluiting van het contract en in duidelijke en begrijpelijke taal en op een duurzame drager of, indien haalbaar en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de definitie van duurzame drager in Richtlijn 2011/83/EU, in een door de aanbieder aan de gebruiker beschikbaar gesteld en toegezonden document, dat gemakkelijk is te downloaden, te openen en te raadplegen over apparaten en veelvuldig wordt gebruikt door consumenten. Om het maken van een keuze te vereenvoudigen, moeten aanbieders ook een samenvatting van de belangrijkste contractvoorwaarden verstrekken. Om vergelijkingen te vergemakkelijken en nalevingskosten te verlagen, moet de Commissie, na overleg met Berec, een model voor dergelijke samenvattingen goedkeuren. De informatie die vóór de sluiting van het contract wordt verstrekt en het model voor de samenvatting van de contractvoorwaarden maken integraal deel uit van het definitieve contract. De samenvatting van het contract moet beknopt en gemakkelijk leesbaar zijn, het liefst niet meer dan het equivalent van één vel enkelzijdig A-vier of, wanneer verschillende diensten in één contract worden gebundeld, het equivalent van maximaal drie vellen enkelzijdig A-vier.

(262)

Na de vaststelling van Verordening (EU) 2015/2120 zijn de bepalingen van deze richtlijn inzake informatie over voorwaarden voor de beperking van de toegang tot of het gebruik van diensten en toepassingen, en inzake informatie over verkeersbeheer, achterhaald en moeten deze worden ingetrokken.

(263)

Met betrekking tot de eindapparatuur moeten in het klantencontract alle voorwaarden worden gespecificeerd die de aanbieder verbindt aan het gebruik van de apparatuur, bijvoorbeeld via 'simlocken' van mobiele apparaten, indien dergelijke voorwaarden niet door het nationale recht verboden zijn, alsmede alle kosten die bij het aflopen van het contract vóór of op de afgesproken einddatum verschuldigd zijn, inclusief de kosten die worden opgelegd om de apparatuur te mogen behouden. Wanneer de eindgebruiker de eindapparatuur wenst te behouden die bij de sluiting van het contract aan dat contract werd verbonden, mag de verschuldigde vergoeding niet meer bedragen dan de waarde pro rata temporis berekend op basis van de waarde op het ogenblik dat het contract werd gesloten of het resterende gedeelte van de servicevergoeding tot het aflopen van het contract, naargelang welk bedrag het laagst is. De lidstaten moeten andere methodes kunnen kiezen voor de berekening van de vergoeding, indien die vergoeding gelijk is aan of minder is dan de berekende vergoeding. Eventuele beperkingen van het gebruik van eindapparatuur op andere netwerken moeten kosteloos door de aanbieder worden opgeheven, ten laatste bij de betaling van een dergelijke vergoeding.

(264)

Zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de materiële verplichting voor de aanbieder betreffende veiligheid krachtens deze richtlijn, moet in het contract het soort actie worden gespecificeerd dat de aanbieder kan ondernemen in geval van beveiligingsincidenten, dreigingen en kwetsbaarheden. Ook moet in het contract worden aangegeven welke vergoedingen en terugbetalingsregelingen er zijn indien een aanbieder niet adequaat reageert op een beveiligingsincident, ook wanneer een aan de aanbieder ter kennis gebracht beveiligingsincident het gevolg is van bekende zwakke plekken in soft- of hardware waarvoor een programmawijziging is gegeven door de fabrikant of ontwikkelaar, en de dienstverlener die wijziging niet heeft doorgevoerd noch andere passende tegenmaatregelen heeft genomen.

(265)

De beschikbaarheid van transparante, actuele en vergelijkbare informatie over aanbiedingen en diensten is een cruciaal element voor consumenten op concurrerende markten waar verscheidene dienstverleners hun diensten aanbieden. De eindgebruikers moeten in staat zijn gemakkelijk de prijzen van de diverse op de markt aangeboden diensten te vergelijken, gebaseerd op informatie die in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekend wordt gemaakt. Om hen in staat te stellen gemakkelijk prijzen en diensten te vergelijken, moeten de bevoegde instanties, indien relevant samen met de nationale regelgevende instanties, van aanbieders van internettoegangsdiensten of voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten, een grotere transparantie kunnen eisen op het gebied van informatie, met inbegrip van tarieven, kwaliteit van de dienst, voorwaarden inzake de geleverde eindapparatuur en andere relevante statistieken. Elke dergelijke vereiste moet terdege rekening houden met de specifieke kenmerken van die netwerken en diensten. Zij moeten er ook voor zorgen dat derden het recht hebben om kosteloos gebruik te maken van de voor het publiek beschikbare informatie die zulke bedrijven bekendmaken, met het oog op het aanbieden van vergelijkingsinstrumenten.

(266)

Eindgebruikers zijn zich vaak niet bewust van de kosten van hun gebruiksgedrag of hebben het moeilijk om de tijd of het gegevensgebruik in te schatten bij het gebruik van elektronischecommunicatiediensten. Met het oog op een grotere transparantie en een betere controle van hun communicatiebudget is het belangrijk dat eindgebruikers kunnen beschikken over voorzieningen die hen in staat stellen hun gebruik op de voet te volgen. Daarnaast moeten de lidstaten, om eindgebruikers voor onverwachts hoge rekeningen te behoeden, bepalingen met betrekking tot gebruikslimieten kunnen handhaven of invoeren, ook met betrekking tot betaalnummerdiensten en andere diensten waarvoor bijzondere prijsvoorwaarden gelden. Dat stelt de bevoegde instanties in staat om informatie over die diensten te verlangen voordat ze worden aangeboden, en doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de lidstaten om met het oog op de daadwerkelijke bescherming van eindgebruikers algemene verplichtingen voor betaalnummerdiensten te handhaven of in te voeren.

(267)

Onafhankelijke vergelijkingsinstrumenten, zoals websites, zijn een effectief middel voor eindgebruikers om de merites van verschillende aanbieders van internettoegangsdiensten en openbare interpersoonlijke communicatiediensten te beoordelen, voor zover de dienst wordt verleend tegen terugkerende of verbruikgerelateerde rechtstreekse betaling, en om onpartijdige informatie te verkrijgen, met name door op één plaats prijzen, tarieven en kwaliteitsparameters te vergelijken. Dergelijke instrumenten moeten onafhankelijk van de aanbieders werken, mogen geen enkele aanbieder een voorkeursbehandeling geven wat de zoekresultaten betreft. Dergelijke instrumenten moeten als doel hebben informatie te verstrekken die zowel duidelijk en beknopt als volledig en alomvattend is. Zij moeten ook trachten een zo breed mogelijk scala aan aanbiedingen te presenteren, zodat een representatief overzicht wordt gegeven, en een significant deel van de markt bestrijken. De informatie die over dergelijke instrumenten wordt verstrekt, moet betrouwbaar, onpartijdig en transparant zijn. Eindgebruikers moeten ervan op de hoogte worden gebracht dat dergelijke instrumenten beschikbaar zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat eindgebruikers op hun eigen grondgebied kosteloos toegang hebben tot ten minste één dergelijk instrument. Indien er in een lidstaat slechts één vergelijkingsinstrument bestaat en dit instrument niet meer operationeel is of niet langer aan de kwaliteitscriteria voldoet, dient de lidstaat erop toe te zien dat eindgebruikers binnen een redelijke termijn op nationaal niveau toegang hebben tot een andere vergelijkingswebsite.

(268)

Onafhankelijke vergelijkingsinstrumenten kunnen worden toegepast door particuliere ondernemingen of door of namens bevoegde instanties, maar zij moeten voldoen aan bepaalde kwaliteitscriteria, daaronder begrepen het vereiste dat de gegevens betreffende de eigenaars worden meegedeeld, dat er nauwkeurige en actuele informatie wordt verstrekt, dat het meest recente tijdstip van de actualisering wordt vermeld, en dat er duidelijke, objectieve criteria voor de vergelijking worden gehanteerd; ook moet het instrument een breed scala aan aanbiedingen presenteren, dat een significant deel van de markt bestrijkt. De lidstaten moeten kunnen bepalen hoe vaak de informatie die door vergelijkingsinstrumenten aan eindgebruikers wordt verstrekt, moet worden herzien en geactualiseerd, rekening houdend met de frequentie waarmee aanbieders van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten, hun tarief- en kwaliteitsinformatie in het algemeen actualiseren.

(269)

Om kwesties van algemeen belang met betrekking tot het gebruik van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten aan te pakken en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden te bevorderen, moeten de lidstaten met de hulp van aanbieders van dergelijke diensten informatie van algemeen belang over het gebruik van dergelijke diensten kunnen produceren en verspreiden of laten verspreiden. Dergelijke informatie moet informatie van algemeen belang kunnen omvatten over de meest voorkomende inbreuken en de rechtsgevolgen daarvan, bijvoorbeeld over schending van het auteursrecht, ander onwettig gebruik en de verspreiding van schadelijke inhoud, en ook advies over en manieren om zich te beschermen tegen gevaren voor de persoonlijke veiligheid, bijvoorbeeld gevaren als gevolg van de vrijgave van persoonlijke informatie in bepaalde omstandigheden, en tegen gevaren voor de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, evenals het beschikbaar zijn van gemakkelijk te gebruiken en configureerbare software of softwareopties ter bescherming van kinderen of kwetsbare personen. De informatieverstrekking kan worden gecoördineerd volgens de samenwerkingsprocedure die is vastgesteld in deze richtlijn. Dergelijke informatie van algemeen belang dient zo nodig te worden geactualiseerd en in door de lidstaten te bepalen, eenvoudig te begrijpen formats te worden gepresenteerd, alsmede op de websites van de nationale overheden te worden aangeboden. De lidstaten moeten aanbieders van internettoegangsdiensten en voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten kunnen verplichten die gestandaardiseerde informatie te verspreiden naar al hun klanten op een manier die de nationale overheden geschikt achten. De verspreiding van die informatie mag de aanbieders echter niet buitensporig belasten. Als dat toch het geval is, moeten de lidstaten verlangen dat die informatie wordt verspreid via de kanalen die de aanbieders voor de normale zakelijke communicatie met eindgebruikers gebruiken.

(270)

Bij ontstentenis van relevante rechtsregels van de Unie worden inhoud, toepassingen en diensten als legaal of als schadelijk beschouwd overeenkomstig het nationaal materieel en procesrecht. Het is aan de lidstaten en niet aan de aanbieders van de elektronischecommunicatienetwerken of -diensten om, overeenkomstig de juiste gerechtelijke procedures, te bepalen of inhoud, toepassingen of diensten al dan niet legaal of schadelijk zijn. Deze richtlijn en Richtlijn 2002/58/EG gelden onverminderd Richtlijn 2000/31/EG, die onder andere een „mere conduit”-regel (doorgeefluikregel) bevat voor dienstverleners die als tussenpersoon optreden, zoals aldaar gedefinieerd.

(271)

Nationale regelgevende instanties in samenspraak met andere bevoegde instanties, of indien relevant, andere bevoegde instanties samen met nationale regelgevende instanties, moeten bevoegd zijn om de kwaliteit van de diensten te controleren en om systematisch informatie in te winnen over de kwaliteit van de diensten die internettoegangsdiensten voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten aanbieden, voor zover deze in staat zijn een minimaal dienstverleningsniveau aan te bieden; zij voeren die controle uit door minstens een aantal elementen van het netwerk te controleren of door middel van een overeenkomst inzake dienstverleningsniveau, waarbij ook de kwaliteit wordt gecontroleerd van diensten die worden aangeboden aan eindgebruikers met een handicap. Die informatie moet worden ingewonnen op basis van criteria die vergelijkingen tussen aanbieders van diensten en tussen lidstaten mogelijk maken. Aanbieders van dergelijke elektronischecommunicatiediensten zijn actief in een concurrerende omgeving, en maken gewoonlijk om redenen van commercieel voordeel toereikende en actuele informatie over hun diensten voor het publiek beschikbaar. Nationale regelgevende instanties moeten, samen met andere bevoegde instanties, of indien opportuun, andere bevoegde instanties samen met nationale regelgevende instanties, evenwel de openbaarmaking van dergelijke informatie kunnen eisen, indien wordt aangetoond dat die informatie in feite niet beschikbaar is voor het publiek. Indien de kwaliteit van voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiediensten afhangt van externe factoren zoals het beheer van het overbrengen van signalen of netwerkconnectiviteit, moeten de nationale regelgevende instanties, in samenspraak met andere bevoegde instanties, van aanbieders van die diensten kunnen verlangen dat zij hun consumenten daarvan in kennis stellen.

(272)

De nationale regelgevende instanties moeten, in samenspraak met andere bevoegde instanties, ook de door de dienstaanbieders toe te passen meetmethoden vaststellen, teneinde de vergelijkbaarheid van de verstrekte gegevens te verbeteren. Om de vergelijkbaarheid in heel de Unie te vergemakkelijken en de nalevingskosten te verlagen, moet Berec richtsnoeren vaststellen over de relevante parameters voor de kwaliteit van de dienstverlening, waarmee nationale regelgevende instanties, in samenspraak met andere bevoegde instanties, zoveel mogelijk rekening moeten houden.

(273)

Om ten volle te kunnen profiteren van de mededinging, moeten de consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken en van aanbieder kunnen veranderen wanneer dat in hun belang is. Het is essentieel dat zij dit kunnen doen zonder gehinderd te worden door juridische, technische of praktische belemmeringen, met inbegrip van contractuele voorwaarden, procedures en heffingen. Dit sluit niet uit dat aanbieders in contracten met consumenten een redelijke minimumcontractperiode van maximaal 24 maanden opnemen. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid hebben om in het licht van nationale omstandigheden, zoals concurrentieniveaus en de stabiliteit van netwerkinvesteringen, bepalingen inzake een kortere maximumperiode te handhaven of in te voeren, en consumenten toe te staan om naar een ander tariefplan over te stappen of binnen de looptijd van het contract dat contract zonder extra kosten te beëindigen. Onafhankelijk van het contract voor een elektronischecommunicatiedienst kunnen consumenten een langere terugbetalingstermijn voor fysieke verbindingen verkiezen en daar baat bij hebben. Dergelijke consumentenafspraken kunnen een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit tot aan of tot zeer dicht bij de gebouwen van de eindgebruiker, onder meer door regelingen betreffende bundeling van de vraag, waardoor investeerders in netwerken initiële risico’s kunnen verminderen. De rechten van de consument om te kunnen overstappen naar een andere aanbieder van elektronischecommunicatiediensten, zoals vastgesteld bij deze richtlijn, mogen echter niet worden beperkt door dergelijke terugbetalingstermijnen in contracten betreffende fysieke verbindingen, en dergelijke contracten mogen geen eindapparatuur of internettoegangsapparatuur, zoals handsets, routers of modems, omvatten. De lidstaten moeten zorgen voor gelijke behandeling van entiteiten, met inbegrip van exploitanten, die de aanleg van een fysieke aansluiting met zeer hoge capaciteit in de gebouwen van een eindgebruiker financieren, ook in gevallen waarin de financiering plaatsvindt in de vorm van een contract op afbetaling.

(274)

Het is tevens mogelijk om contracten met betrekking tot elektronischecommunicatiediensten automatisch te verlengen. In dat geval moeten de eindgebruikers bij het verstrijken van de contractperiode hun contract kosteloos kunnen beëindigen.

(275)

Alle wijzigingen van de contractvoorwaarden die worden voorgesteld door de aanbieders van andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten en die niet ten voordele zijn van de eindgebruiker, bijvoorbeeld met betrekking tot kosten, tarieven, datavolumebeperkingen, datasnelheden, dekking of verwerking van persoonsgegevens, moeten aanleiding geven tot het recht van de eindgebruiker om het contract kosteloos te beëindigen, zelfs indien naast de betrokken wijzigingen ook wijzigingen ten voordele van de eindgebruiker worden aangebracht. Elke wijziging van de contractvoorwaarden door de aanbieder moet voor de eindgebruiker een grond zijn om het contract te beëindigen, tenzij elke wijziging afzonderlijk ten voordele is van die eindgebruiker of de wijzigingen louter van administratieve aard zijn, zoals een wijziging in het adres van de aanbieder, en zij voor de eindgebruiker geen nadeel inhouden, of de wijzigingen worden opgelegd bij wet- of regelgeving, zoals nieuwe voorlichtingsvoorschriften met betrekking tot contracten die door uniaal of nationaal recht worden opgelegd. De vraag of de wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is, moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria. Het recht van de eindgebruiker om het contract te beëindigen mag alleen worden uitgesloten indien de aanbieder kan aantonen dat elke contractuele wijziging uitsluitend in het voordeel van de eindgebruiker is of louter van administratieve aard is, en geen negatieve gevolgen heeft voor de eindgebruiker.

(276)

Eindgebruikers moeten door middel van een duurzaam medium op de hoogte worden gebracht van elke wijziging van de contractuele voorwaarden. Andere eindgebruikers dan consumenten, micro-ondernemingen of kleine ondernemingen of organisaties zonder winstoogmerk mogen niet de beëindigingsrechten bij contractwijzigingen genieten indien het transmissiediensten voor het verlenen van intermachinale diensten betreft. De lidstaten moeten wat contractbeëindiging betreft, kunnen voorzien in specifieke bescherming van de eindgebruiker die van verblijfplaats verandert. De bepalingen betreffende de beëindiging van het contract moeten gelden onverminderd andere bepalingen van het Unierecht of het nationale recht waarop aanbieders of eindgebruikers zich met betrekking tot gronden voor contractbeëindiging of wijziging van contractvoorwaarden kunnen beroepen.

(277)

De mogelijkheid om over te stappen naar een andere aanbieder is van cruciaal belang voor daadwerkelijke concurrentie in een concurrerende omgeving. De beschikbaarheid van transparante, accurate en tijdige informatie over de overstap moet het vertrouwen van de eindgebruiker in de overstap verhogen en zijn bereidheid verhogen om actief deel te nemen aan de concurrentie. Aanbieders van diensten moeten de continuïteit van de dienst waarborgen, zodat eindgebruikers naar een andere aanbieder kunnen overstappen zonder gehinderd te worden door het risico van een onderbreking van de dienst en, waar technisch mogelijk, op de door de eindgebruikers gevraagde datum.

(278)

Nummeroverdraagbaarheid is een essentieel element voor de keuzevrijheid van de consument en voor daadwerkelijke mededinging in concurrerende elektronischecommunicatiemarkten. Eindgebruikers die daarom verzoeken, moeten hun nummers kunnen behouden ongeacht de dienstaanbieder en gedurende een beperkte periode tijdens het overstappen naar een andere dienstaanbieder. Deze richtlijn is niet van toepassing op het aanbieden van nummeroverdraagbaarheid tussen aansluitingen op het openbare telefoonnetwerk op vaste en mobiele locaties. De lidstaten moeten evenwel bepalingen kunnen toepassen inzake het overdragen van nummers tussen netwerken die diensten op een vaste locatie aanbieden en mobiele netwerken.

(279)

Het effect van nummeroverdraagbaarheid wordt aanzienlijk versterkt wanneer er transparante tariefinformatie beschikbaar is voor zowel eindgebruikers die hun nummer overdragen als voor de eindgebruikers die personen bellen die hun nummer hebben overgedragen. De nationale regelgevende instanties moeten waar mogelijk passende tarieftransparantie bevorderen als onderdeel van de uitvoering van nummeroverdraagbaarheid.

(280)

De prijsstelling voor interconnectie in verband met nummeroverdraagbaarheid moet kostengeoriënteerd zijn; de nationale regelgevende instanties moeten daarbij ook rekening kunnen houden met de prijzen op vergelijkbare markten.

(281)

Nummeroverdraagbaarheid is een essentieel element voor de keuzevrijheid van de consument en voor daadwerkelijke mededinging in concurrerende elektronischecommunicatiemarkten en moet onverwijld worden uitgevoerd zodat het nummer binnen één werkdag geactiveerd en operationeel is en de dienst voor de eindgebruiker vanaf de overeengekomen datum niet langer dan een werkdag onderbroken is. Het recht om het nummer over te dragen, moet worden verleend aan de eindgebruiker die het betrokken (al dan niet vooraf betaald) contract met de aanbieder heeft gesloten. Ter vergemakkelijking van een éénloketsysteem waarmee de ervaring van een naadloze overstap voor eindgebruikers mogelijk wordt, moet het overstapproces worden geleid door de ontvangende aanbieder van elektronische communicatie aan het publiek. De nationale regelgevende instanties of, indien relevant, andere bevoegde instanties moeten de globale procedure voor het overstappen en voor het overdragen van nummers kunnen voorschrijven, met inachtneming van nationale bepalingen inzake contracten en technologische ontwikkelingen. Dit moet, waar beschikbaar, een vereiste inhouden die stelt dat procedure voor nummeroverdracht moet verlopen via etherdistributie, tenzij anders gevraagd door een eindgebruiker. De ervaring in sommige lidstaten heeft geleerd dat het risico bestaat dat eindgebruikers te maken krijgen met een verandering van aanbieder zonder hun instemming. Dit is een kwestie die voornamelijk door de rechtshandhavingsinstanties moet worden aangepakt, maar de lidstaten moeten met betrekking tot de overstapprocedure de passende minimummaatregelen kunnen opleggen, onder meer adequate sancties, die nodig zijn om het genoemde risico zo veel mogelijk te beperken, en ervoor kunnen zorgen dat eindgebruikers gedurende de gehele overstapprocedure worden beschermd zonder de procedure voor hen minder aantrekkelijk te maken. Het recht om nummers over te dragen, mag niet door contractvoorwaarden worden beperkt.

(282)

Teneinde te garanderen dat het overstappen en het overdragen van nummers plaatsvinden binnen de in deze richtlijn vastgestelde termijnen, moeten de lidstaten erin voorzien dat eindgebruikers vlot en tijdig door aanbieders worden gecompenseerd wanneer een overeenkomst tussen een aanbieder en een eindgebruiker niet wordt nageleefd. Dergelijke maatregelen moeten evenredig zijn met de duur van de periode waarin de aanbieder de overeenkomst niet naleeft. Eindgebruikers moeten ten minste worden gecompenseerd indien de activering van de dienstverlening, de nummeroverdracht of het uitvallen van een dienst langer dan een werkdag duurt, en wanneer aanbieders niet komen opdagen op afspraken met betrekking tot dienstverlening of installatie. Een aanvullende compensatie kan ook plaatsvinden in de vorm van een automatische vermindering van de vergoeding voor wanneer de overdragende aanbieder de diensten moet blijven verstrekken totdat die van de ontvangende aanbieder zijn geactiveerd.

(283)

Bundels bestaande uit ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst, alsook andere diensten zoals voor het publiek beschikbare nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten, lineaire omroep en intermachinale diensten, of eindapparatuur, komen steeds vaker voor en vormen een belangrijk onderdeel van de concurrentie. Voor de toepassing van deze richtlijn moet een bundel worden geacht te bestaan in situaties waarin de onderdelen van de bundel worden verstrekt of verkocht door dezelfde aanbieder onder hetzelfde of een verwant of daaraan verbonden contract. Hoewel bundels vaak leiden tot voordelen voor de consumenten, kunnen zij het overstappen bemoeilijken of duurder maken en het risico meebrengen van een contractuele „lock-in”. Indien verschillende diensten en eindapparatuur binnen in een bundel onderworpen zijn aan uiteenlopende regels voor de beëindiging van het contract en het overstappen of voor contractuele verbintenissen inzake de aankoop van eindapparatuur, worden de consumenten effectief belemmerd in hun rechten uit hoofde van deze richtlijn om over te schakelen naar concurrerende aanbiedingen voor de hele bundel of delen daarvan. Sommige essentiële bepalingen van deze richtlijn inzake contractsamenvattende informatie, transparantie, contractduur, beëindiging van contracten en overstappen moeten daarom van toepassing zijn op alle onderdelen van een bundel, met inbegrip van eindapparatuur, andere diensten zoals digitale inhoud of digitale diensten, en elektronischecommunicatiediensten die niet rechtstreeks onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen. Alle eindgebruikersverplichtingen die uit hoofde van deze richtlijn van toepassing zijn op een bepaalde elektronischecommunicatiedienst die als een op zichzelf staande dienst wordt verstrekt of verkocht, moeten eveneens van toepassing zijn wanneer die dienst deel uitmaakt van een bundel met ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst.Andere contractuele aangelegenheden, zoals de rechtsmiddelen die van toepassing zijn in geval van gebrek aan overeenstemming met het contract, moeten worden beheerst door de regels die van toepassing zijn op het desbetreffende onderdeel van de bundel, bijvoorbeeld door contractrechtelijke bepalingen voor de verkoop van goederen of de levering van digitale inhoud. Een recht om enig onderdeel van een bundel die ten minste een internettoegangsdienst of een voor het publiek beschikbare nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst omvat, vóór het einde van de overeengekomen contracttermijn te beëindigen vanwege non-conformiteit of leveringsverzuim, moet de consument echter het recht geven om alle onderdelen van de bundel te beëindigen. Tevens mogen consumenten, voor het behoud van hun mogelijkheid om gemakkelijk van aanbieder te veranderen, niet bij een aanbieder ingesloten worden („lock-in”) door middel van een contractuele feitelijke verlenging van de initiële contractperiode.

(284)

De aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten hebben de verplichting toegang te verlenen tot noodhulpdiensten via noodhulpcommunicatie. In uitzonderlijke omstandigheden, namelijk bij gebrek aan technische haalbaarheid is het mogelijk dat zij niet in staat zijn toegang te verlenen tot noodhulpdiensten of tot de locatie van de oproeper, of tot beide. In die gevallen moeten zij hun klanten adequaat informeren in het contract. Die aanbieders moeten hun klanten voorzien van duidelijke en transparante informatie in het initiële klantencontract en deze bijwerken in het geval van een wijziging in het verlenen van toegang tot noodhulpdiensten, bijvoorbeeld in facturen. Die informatie moet alle beperkingen omvatten wat territoriale dekking betreft, op basis van de geplande technische operationele parameters van de communicatie dienst en de beschikbare infrastructuur. Als de dienst niet wordt geleverd via een verbinding die wordt beheerd om een bepaalde kwaliteit van dienstverlening te geven, moet de informatie ook het betrouwbaarheidsniveau van de toegang en van de informatie over de locatie van de oproeper omvatten in vergelijking met een dienst die via een dergelijke verbinding wordt geleverd, rekening houdend met de huidige technologie en kwaliteitsnormen, alsmede de overeenkomstig deze richtlijn gespecificeerde parameters inzake de kwaliteit van de dienstverlening.

(285)

Eindgebruikers moeten kosteloos en zonder enig betaalmiddel te moeten gebruiken toegang hebben tot de noodhulpdiensten via noodhulpcommunicatie, vanaf elk apparaat dat nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten mogelijk maakt, inclusief bij het gebruik van roamingdiensten in een lidstaat. Noodhulpcommunicatie is een communicatiemiddel dat niet alleen spraakcommunicatiediensten omvat, maar ook sms, berichten, video of andere vormen van communicatie, bijvoorbeeld realtimetekst, totale conversatie en bemiddelingsdiensten. De lidstaten moeten, rekening houdend met de capaciteit en technische uitrusting van de alarmcentrales, kunnen bepalen welke nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten geschikt zijn voor noodhulpdiensten, en zij moeten daarbij ook de mogelijkheid hebben om die opties te beperken tot spraakcommunicatiediensten en het equivalent ervan voor eindgebruikers met een handicap, of om extra opties toe te voegen in overleg met de nationale alarmcentrales. Noodhulpcommunicatie kan namens een persoon tot stand komen door een noodoproep vanuit een voertuig of een eCall zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/758.

(286)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten betrouwbare en accurate toegang leveren tot noodhulpdiensten, waarbij rekening wordt gehouden met nationale specificaties en criteria en de capaciteit van de nationale alarmcentrales. De lidstaten moeten nagaan of de alarmcentrale noodhulpcommunicatie in meer dan één taal aankunnen. Wanneer de nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst niet wordt verleend via een verbinding die een bepaalde kwaliteit van dienstverlening beoogt te bieden, is het mogelijk dat de aanbieder er niet voor kan zorgen dat noodhulpoproepen die via die dienst plaatsvinden, naar de meest geschikte alarmcentrale met dezelfde betrouwbaarheid worden doorgestuurd. Voor aanbieders die onafhankelijk zijn van netwerken, met name aanbieders die niet geïntegreerd zijn met een aanbieder van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk, kan het verstrekken van informatie over de locatie van de oproeper technisch niet altijd haalbaar zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat zo snel mogelijk normen worden ingevoerd die nauwkeurige en betrouwbare routering en verbinding met de noodhulpdiensten waarborgen, zodat netwerkonafhankelijke aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten de verplichtingen kunnen nakomen die verband houden met het verlenen van toegang tot noodhulpdiensten en informatie over de locatie van de oproeper op een niveau dat vergelijkbaar is met het niveau dat voor andere aanbieders van dergelijke communicatiediensten is vereist. Wanneer dergelijke normen en de bijbehorende alarmcentralesystemen niet zijn ingevoerd, mag van netwerkonafhankelijke aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten niet worden verlangd dat zij toegang bieden tot noodhulpdiensten, tenzij op een manier die technisch haalbaar of economisch rendabel is. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat een lidstaat één enkele, centrale alarmcentrale aanwijst voor de ontvangst van noodcommunicatie. Niettemin moeten dergelijke aanbieders de eindgebruikers ervan op de hoogte brengen dat de toegang tot het uniforme Europese alarmnummer 112 of informatie over de locatie van de oproeper niet wordt ondersteund.

(287)

Ter verbetering van de rapportage en prestatiemeting door de lidstaten met betrekking tot het beantwoorden en afhandelen van noodhulpoproepen, moet de Commissie om de twee jaar verslag uitbrengen bij het Europees Parlement en de Raad over de doeltreffendheid van de invoering van het uniforme Europese alarmnummer 112.

(288)

De lidstaten moeten specifieke maatregelen treffen om te waarborgen dat de noodhulpdiensten, inclusief het uniforme Europese alarmnummer 112, gelijkelijk toegankelijk zijn voor eindgebruikers met een handicap, met name eindgebruikers die doof of slechthorend zijn, spraakmoeilijkheden hebben of doofblind zijn, in overeenstemming met het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. Dit kan inhouden dat speciale eindapparatuur aan eindgebruikers met een handicap wordt verstrekt indien andere communicatiemethoden voor hen niet geschikt zijn.

(289)

Het is belangrijk het bewustzijn betreffende het bestaan van het uniforme Europese alarmnummer 112 te vergroten teneinde het niveau van bescherming en veiligheid van burgers die in de Unie reizen, te versterken. Te dien einde moet aan de burger duidelijk worden gemaakt dat bij reizen in alle lidstaten gebruik kan worden gemaakt van het uniforme Europese alarmnummer 112 als uniform alarmnummer in de gehele Unie; dit moet met name gebeuren via informatie die wordt verstrekt in internationale busterminals, treinstations, havens of luchthavens en in telefoongidsen, documenten van eindgebruikers en afrekeningen. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar de Commissie moet voortgaan zowel met de ondersteuning als met de aanvulling van de initiatieven van de lidstaten om de bekendheid van het uniforme Europese alarmnummer 112 te bevorderen en de kennis ervan bij de bevolking periodiek te evalueren.

(290)

Informatie over de locatie van de oproeper, die van toepassing is op alle noodhulpcommunicatie, verbetert het beschermingsniveau en de veiligheid van de eindgebruikers en helpt de noodhulpdiensten hun taken uit te voeren, op voorwaarde dat de doorschakeling van noodhulpcommunicatie en bijbehorende gegevens naar de betrokken noodhulpdiensten is gewaarborgd door het nationale systeem van alarmcentrales. De ontvangst en het gebruik van informatie over de locatie van de oproeper, die zowel netwerkgebaseerde locatiegegevens als, waar beschikbaar, verbeterde handsetgebaseerde locatiegegevens van de oproeper omvat, moeten in overeenstemming zijn met het relevante Unierecht op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens en van beveiligingsmaatregelen. Ondernemingen die netwerkgebaseerde locatiegegevens verstrekken, moeten informatie over de oproeper beschikbaar stellen aan de noodhulpdiensten zodra de oproep die dienst bereikt, ongeacht de gebruikte technologie. Handsetgebaseerde locatietechnologieën zijn echter accurater en kosteneffectiever gebleken vanwege de beschikbaarheid van gegevens die worden verstrekt door de European Geostationary Navigation Overlay Service en het Galileo-satellietsysteem, en door andere wereldwijde satellietnavigatiesystemen en wifi-gegevens. Daarom moet uit de handset afgeleide informatie over de locatie van de oproeper netwerkgebaseerde informatie over de locatie aanvullen, ook al is het mogelijk dat de handsetgebaseerde informatie pas beschikbaar wordt nadat de noodhulpcommunicatie tot stand komt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de uit de handset afgeleide informatie over de locatie van de oproeper, indien beschikbaar, aan de meest geschikte alarmcentrale wordt verstrekt. Dit is wellicht niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de locatie niet op de handset of via de gebruikte interpersoonlijke communicatiedienst voorhanden is, of wanneer het technisch niet haalbaar is die informatie te verkrijgen. De lidstaten moeten er voorts voor zorgen dat de alarmcentrales de beschikbare informatie over de locatie van de oproeper kunnen opvragen en beheren, waar dat mogelijk is. De vaststelling en de doorgifte van informatie over de locatie van de oproeper moeten kosteloos zijn, zowel voor de eindgebruiker als voor de instantie die de noodhulpcommunicatie behandelt, ongeacht de wijze van vaststelling, bijvoorbeeld via de handset of het netwerk, of de wijze van doorgifte, bijvoorbeeld via spraak, sms of op IP-basis.

(291)

Om te kunnen reageren op technologische ontwikkelingen in verband met nauwkeurige informatie over de locatie van de oproeper, gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap en oproeproutering naar de meest geschikte alarmcentrale moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om door middel van een gedelegeerde handeling de maatregelen te nemen die nodig zijn om de compatibiliteit, interoperabiliteit, kwaliteit, betrouwbaarheid en continuïteit van noodhulpcommunicatie in de Unie te waarborgen, zoals functionele bepalingen tot vaststelling van de rol van de verschillende partijen in de communicatieketen, bijvoorbeeld aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten, netwerkexploitanten en alarmcentrales, evenals uit technische bepalingen tot vaststelling van de technische middelen om de functionele bepalingen te doen naleven. Dergelijke maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de organisatie van de noodhulpdiensten in de lidstaten.

(292)

Een burger in één lidstaat die contact moet opnemen met de noodhulpdiensten in een andere lidstaat, kan dat niet doen omdat de noodhulpdiensten misschien niet beschikken over de contactgegevens van de noodhulpdiensten in andere lidstaten. Daarom moet een beveiligde Uniebrede database met telefoonnummers van overkoepelende noodhulpdiensten in elk land, worden aangelegd. Daartoe moet Berec een veilige database met E.164-nummers van de noodhulpdiensten van de lidstaten bijhouden indien een dergelijke database niet wordt bijgehouden door een andere organisatie, teneinde te bewerkstelligen dat de noodhulpdiensten in de ene lidstaat contact kunnen opnemen met de noodhulpdiensten in een andere lidstaat.

(293)

Er is uiteenlopende nationale wetgeving ontwikkeld met betrekking tot de doorzending door elektronischecommunicatiediensten van publieke waarschuwingen inzake dreigende of zich ontwikkelende grote noodsituaties en rampen. Om de wetgeving op dit gebied te harmoniseren moet deze richtlijn derhalve bepalen dat, wanneer publieke waarschuwingssystemen voorhanden zijn, publieke waarschuwingen door aanbieders van mobiele nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten dienen te worden toegezonden aan alle betrokken eindgebruikers. De betrokken eindgebruikers dienen die eindgebruikers geacht te zijn die zich tijdens de waarschuwingsperiode bevinden in geografische gebieden die mogelijk worden getroffen door dreigende of zich ontwikkelende grote noodsituaties en rampen, zoals vastgesteld door de bevoegde instanties.

(294)

Wanneer het zeker is dat alle betrokken eindgebruikers, ongeacht hun plaats of lidstaat van verblijf, daadwerkelijk worden bereikt en aan het hoogste niveau van gegevensbeveiliging is voldaan, moeten de lidstaten kunnen voorzien in de doorzending van publieke waarschuwingen via andere voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten dan mobiele, nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten en transmissiediensten voor radio- en televisieomroep, of via mobiele applicaties die worden doorgegeven via internettoegangsdiensten. Teneinde eindgebruikers die een lidstaat binnenkomen, op de hoogte te brengen van het bestaan van zulke publieke waarschuwingssystemen, moet die lidstaat ervoor zorgen dat die eindgebruikers automatisch via sms, zonder onnodige vertraging en kosteloos, eenvoudig te begrijpen informatie ontvangen over hoe zij publieke waarschuwingen kunnen ontvangen, onder meer door middel van mobiele eindapparatuur die niet ingeschakeld is voor internettoegangsdiensten. Andere publieke waarschuwingen dan die welke afhankelijk zijn van mobiele, nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten moeten aan eindgebruikers worden toegezonden op een manier die de ontvangst ervan eenvoudig maakt. Indien een publiek waarschuwingssysteem afhankelijk is van een applicatie, mogen eindgebruikers er niet toe worden verplicht in te loggen of zich te registreren bij de instanties of de aanbieder van de applicatie. De locatiegegevens van de eindgebruiker moeten in overeenstemming met Richtlijn 2002/58/EG worden gebruikt. De toezending van publieke waarschuwingen moet kosteloos zijn voor eindgebruikers. Bij haar herziening van de uitvoering van deze richtlijn kan de Commissie tevens nagaan of het mogelijk is, in overeenstemming met het Unierecht en indien zulks haalbaar is, één Uniebreed publiek waarschuwingssysteem in te voeren dat het publiek waarschuwt bij een dreigende of een zich voltrekkende ramp, of een ernstige noodsituatie in verschillende lidstaten.

(295)

De lidstaten moeten kunnen nagaan of voorstellen voor andere alternatieve systemen dan die welke afhankelijk zijn van mobiele, nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten echt gelijkwaardig zijn, waarbij de desbetreffende Berec-richtsnoeren nauwgezet in acht worden genomen. Die richtsnoeren moeten worden opgesteld na overleg met de nationale noodhulpinstanties, opdat noodhulpdeskundigen worden betrokken bij de opstelling ervan en de noodhulpinstanties van verschillende lidstaten tot een gemeenschappelijk opvatting komen van wat er nodig is voor de volledige implementatie van zulke publieke waarschuwingssystemen in de lidstaten, opdat de burgers van de Unie daadwerkelijk worden beschermd wanneer zij in een andere lidstaat reizen.

(296)

Overeenkomstig de doelstellingen van het Handvest en de verplichtingen die zijn neergelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, moet het regelgevingskader ervoor zorgen dat alle eindgebruikers, met inbegrip van eindgebruikers met een handicap, ouderen en gebruikers met bijzondere sociale behoeften, op eenvoudige wijze gelijkwaardig toegang hebben tot betaalbare kwalitatief goede diensten, ongeacht hun verblijfplaats in de Unie. Verklaring 22, gehecht aan de Slotakte van Amsterdam bepaalt dat de instellingen van de Unie bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 114 VWEU rekening moeten houden met de behoeften van personen met een handicap.

(297)

Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers met een handicap kunnen profiteren van de mededinging en van de keuze tussen aanbieders van diensten waarover de meerderheid van de eindgebruikers beschikt, moeten de bevoegde instanties, indien nodig en afhankelijk van de nationale omstandigheden, en na raadpleging van eindgebruikers met een handicap, bepalen aan welke voorschriften inzake consumentenbescherming voor eindgebruikers met een handicap de aanbieders van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten moeten voldoen. Die voorschriften kunnen met name inhouden dat aanbieders ervoor moeten zorgen dat eindgebruikers met een handicap van hun diensten gebruik kunnen maken op dezelfde gelijkwaardige voorwaarden, prijzen, tarieven en kwaliteit daaronder begrepen, als die welke aan hun andere eindgebruikers worden aangeboden, ongeacht de eventuele extra kosten die daarvoor door die aanbieders gemaakt moeten worden. Andere voorschriften kunnen ook wholesaleregelingen tussen aanbieders betreffen. Om te vermijden dat buitensporige lasten worden gecreëerd voor aanbieders van diensten, moeten de bevoegde instanties nagaan of de doelstellingen van gelijkwaardige toegang en keuze kunnen worden bereikt zonder dergelijke maatregelen.

(298)

In aanvulling op het Unierecht tot harmonisering van de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten voorziet deze richtlijn in nieuwe, strengere eisen inzake betaalbaarheid en beschikbaarheid van eindapparatuur en specifieke apparatuur en specifieke diensten voor gebruikers met een handicap. Daarom is de desbetreffende verplichting in Richtlijn 2002/22/EG die bepaalt dat de lidstaten de beschikbaarheid van eindapparatuur voor eindgebruikers met een handicap moeten bevorderen, achterhaald en moet deze worden ingetrokken.

(299)

Er is daadwerkelijke mededinging tot stand gekomen in de aanbieding van inlichtingendiensten en telefoongidsen overeenkomstig onder meer artikel 5 van Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie (39). Om die daadwerkelijke mededinging te handhaven, moeten alle aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten die nummers uit een nummerplan aan hun eindgebruikers toekennen, verplicht blijven de desbetreffende informatie op een eerlijke, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende wijze ter beschikking te stellen.

(300)

De eindgebruikers moeten worden geïnformeerd over hun recht om te bepalen of zij wensen te worden opgenomen in een telefoongids. Aanbieders van nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiediensten moeten de beslissing van eindgebruikers eerbiedigen wanneer zij gegevens beschikbaar stellen aan verstrekkers van telefoongidsdiensten. Artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG waarborgt het recht op persoonlijke levenssfeer van de eindgebruikers met betrekking tot opname van persoonlijke informatie in een openbare gids.

(301)

Maatregelen op wholesalegebied om te zorgen voor opneming van de gegevens van eindgebruikers in gegevensbanken moeten voldoen aan de waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens krachtens Verordening (EU) 2016/679en artikel 12 van Richtlijn 2002/58/EG. Er moet een kostengebaseerde levering van die gegevens aan aanbieders van diensten aanwezig zijn, met de mogelijkheid dat de lidstaten een gecentraliseerd mechanisme opzetten voor de verstrekking van volledige, gebundelde gegevens aan aanbieders van telefoonboeken, en de verlening van toegang tot het net op redelijke en transparante voorwaarden, om te waarborgen dat de eindgebruikers ten volle kunnen profiteren van de mededinging, die ruimschoots heeft bijgedragen tot de volledige afschaffing van regulering van die dienst op retailniveau en tot de aanbieding van gidsdiensten op redelijke en transparante voorwaarden.

(302)

Na de afschaffing van de universeledienstverplichting voor gidsdiensten en gezien het bestaan van een functionerende markt voor dergelijke diensten, is het recht op toegang tot telefooninlichtingendiensten niet langer noodzakelijk. De nationale regelgevende instanties moeten echter nog steeds verplichtingen en voorwaarden kunnen opleggen aan ondernemingen die de toegang tot eindgebruikers controleren, om te zorgen voor toegang tot en concurrentie op die markt.

(303)

Eindgebruikers moeten de garantie hebben dat alle apparatuur die in de Unie wordt verkocht voor de ontvangst van radio in nieuwe voertuigen van categorie M en van digitale televisie, aan de vereiste interoperabiliteit voldoet. De lidstaten moeten voor dergelijke apparatuur minimale geharmoniseerde normen kunnen voorschrijven. Die normen kunnen van tijd tot tijd worden aangepast aan technologische en marktontwikkelingen.

(304)

Indien lidstaten besluiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/1535 maatregelen vast te stellen voor de interoperabiliteit van ontvangers voor radio voor consumenten, moeten zij in staat zijn via digitale terrestrische radio-uitzendingen of via IP-netwerken geleverde radiodiensten te ontvangen en weer te geven, zodat de interoperabiliteit wordt gehandhaafd. Dit kan ook de openbare veiligheid ten goede komen, doordat gebruikers gebruik kunnen maken van een breder scala van technologieën voor toegang tot en ontvangst van informatie over noodsituaties in de lidstaten.

(305)

Het is wenselijk dat consumenten in staat worden gesteld een zo volledig mogelijke aansluiting op digitaletelevisietoestellen tot stand te brengen. Interoperabiliteit is een evoluerend concept op dynamische markten. Normalisatie-instellingen moeten al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat normen de ontwikkeling van betrokken technologieën op passende wijze volgen. Van even groot belang is het ervoor te zorgen dat in digitaletelevisietoestellen connectoren aangebracht zijn die alle noodzakelijke elementen van een digitaal signaal kunnen doorlaten, met inbegrip van audio- en video-streams, voorwaardelijke toegang tot informatie, service-informatie, informatie over de applicatieprogramma-interface (API) en kopieerbeveiligingsinformatie. Derhalve moet met deze richtlijn worden gewaarborgd dat de functionaliteit verbonden met of geïmplementeerd in connectoren niet wordt beperkt door netwerkexploitanten, dienstverleners of fabrikanten van apparatuur, en dat zij de technologische ontwikkelingen verder blijft volgen. Voor de weergave en presentatie van geconnecteerde televisiediensten wordt de vaststelling van een gemeenschappelijke norm met behulp van een marktgestuurd mechanisme als een voordeel voor de consument erkend. De lidstaten en de Commissie moeten met de verdragen verenigbare beleidsinitiatieven kunnen nemen om die ontwikkeling aan te moedigen.

(306)

De bepalingen inzake interoperabiliteit van radio- en televisieapparatuur voor consumenten verhinderen niet dat autoradio-ontvangers in voertuigen van categorie M in staat zijn via analoge terrestrische radio-uitzendingen geleverde radiodiensten te ontvangen en weer te geven, en die bepalingen beletten de lidstaten niet verplichtingen op te leggen om ervoor te zorgen dat digitaleradio-ontvangers in staat zijn analoge terrestrische radio-uitzendingen te ontvangen en weer te geven.

(307)

Onverminderd het Unierecht, belet deze richtlijn de lidstaten niet om technische voorschriften met betrekking tot digitale terrestrische televisieapparatuur vast te stellen, teneinde zich op de migratie van consumenten naar nieuwe terrestrische omroepnormen voor te bereiden, en apparatuur die niet aan de in te voeren normen voldoet, tegen te houden.

(308)

Het moet voor de lidstaten mogelijk zijn, in het belang van gewettigde beleidsoverwegingen, onder hen ressorterende ondernemingen evenredige doorgifteverplichtingen („must carry”) op te leggen. Dergelijke verplichtingen mogen echter alleen worden opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken die overeenkomstig het Unierecht door de lidstaten duidelijk zijn omschreven, en zij moeten evenredig en transparant zijn. Doorgifteverplichtingen moeten kunnen worden opgelegd met betrekking tot welbepaalde radio- en televisieomroepkanalen en extra faciliteiten die door een gespecificeerde aanbieder van mediadiensten worden aangeboden. Door de lidstaten opgelegde verplichtingen moeten redelijk zijn, dat wil zeggen: zij moeten evenredig en transparant zijn in het licht van duidelijk omschreven doelstellingen van algemeen belang. De lidstaten moeten de doorgifteverplichtingen die zij opleggen, objectief motiveren in hun nationale wetgeving zodat wordt gewaarborgd dat deze transparant, evenredig en duidelijk gedefinieerd zijn. De verplichtingen moeten zodanig ontworpen worden dat zij voldoende stimulansen bieden voor efficiënte investeringen in infrastructuur.

(309)

Doorgifteverplichtingen moeten regelmatig, ten minste om de vijf jaar, worden herzien om ze aan te passen aan de technologische en marktontwikkelingen en ervoor te zorgen dat zij evenredig blijven met het beoogde doel. Die verplichtingen kunnen in voorkomend geval een bepaling betreffende een evenredige vergoeding behelzen die in het nationale recht moet worden opgenomen. Indien dat het geval is, dient het nationaal recht eveneens de toepasselijke methode voor de berekening van een passende vergoeding voor te schrijven. Die methode moet inconsistentie voorkomen in corrigerende maatregelen inzake toegang die door de nationale regelgevende instanties kunnen worden opgelegd aan aanbieders van voor omroep gebruikte transmissiediensten die zijn aangewezen als aanbieders met aanmerkelijke marktmacht. Wanneer echter een vóór 20 december 2018 ondertekende overeenkomst met een vaste looptijd in een andere methode voorziet, moet die methode voor de duur van de overeenkomst kunnen blijven worden toegepast. Bij het ontbreken van een nationale bepaling inzake een vergoeding moeten aanbieders van radio- en televisieomroepkanalen en aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken die voor de transmissie van die radio- of televisieomroepkanalen worden gebruikt, een contract over een evenredige vergoeding kunnen sluiten.

(310)

Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten die worden gebruikt voor de distributie van openbare radio- en televisie-uitzendingen, omvatten kabeltelevisie en IPTV, alsmede satelliet- en terrestrische omroepnetwerken. Voorts kunnen zij andere netwerken omvatten voor zover een significant aantal eindgebruikers die netwerken gebruikt als hun belangrijkste middel voor de ontvangst van radio- en televisie-uitzendingen. Doorgifteverplichtingen in verband met analoge transmissies van televisieomroepkanalen mogen uitsluitend worden overwogen wanneer het ontbreken van dergelijke verplichtingen voor een aanzienlijk deel van de eindgebruikers een ernstige verstoring zou betekenen of wanneer er geen andere transmissiemiddelen voor bepaalde televisieomroepkanalen zijn. Doorgifteverplichtingen kunnen de doorgifte inhouden van diensten die specifiek bestemd zijn voor het verschaffen van gelijkwaardige toegang aan eindgebruikers met een handicap. Dienovereenkomstig omvatten extra faciliteiten diensten voor betere toegankelijkheid voor eindgebruikers met een handicap, zoals videotekstdiensten, ondertiteling voor eindgebruikers die doof of slechthorend zijn, audiobeschrijving, gesproken ondertitels of vertaling in gebarentaal, en mogelijk tevens toegang tot de desbetreffende onbewerkte gegevens waar dat nodig is. Gezien de groei van aanbod en ontvangst van geconnecteerde televisiediensten en het aanhoudende belang van EPG's voor de keuze van de eindgebruiker, kan de doorgifte van programmagerelateerde gegevens die nodig zijn voor de ondersteuning van geconnecteerde televisiediensten en EPG-diensten, worden opgenomen in doorgifteverplichtingen. Die programmagerelateerde gegevens moeten informatie kunnen bevatten over de inhoud van het programma en de manier waarop toegang daartoe kan worden verkregen, maar niet de inhoud van het programma zelf.

(311)

Faciliteiten voor de identificatie van de oproeper zijn in de regel beschikbaar bij moderne telefooncentrales en kunnen bijgevolg in toenemende mate tegen geringe kosten of kosteloos worden aangeboden. De lidstaten zijn niet verplicht het aanbieden van die faciliteiten op te leggen indien deze reeds beschikbaar zijn. Richtlijn 2002/58/EG garandeert de privacy van de gebruiker met betrekking tot de gespecificeerde rekeningen, door hem de mogelijkheid te bieden om zijn recht op privacy te beschermen wanneer identificatie van de oproepende lijn mogelijk is. De ontwikkeling van die diensten op pan-Europese basis zal de consument ten goede komen en wordt door deze richtlijn gestimuleerd. Een gebruikelijke praktijk van aanbieders van internettoegangsdiensten is klanten een e-mailadres te verstrekken waarop hun handelsnaam of -merk staat. Om ervoor te zorgen dat eindgebruikers geen lock-ineffecten ondervinden als gevolg van het risico van verlies van toegang tot hun e-mails wanneer zij van internettoegangsdienst veranderen, moeten de lidstaten verplichtingen kunnen opleggen aan aanbieders van dergelijke diensten om, hetzij op verzoek toegang tot hun e-mails te bieden, hetzij e-mails door te sturen naar het e-mailadres. Die faciliteit moet kosteloos zijn en geldig zijn voor een tijdsduur die passend wordt geacht door de nationale regelgevende instantie.

(312)

De publicatie van informatie door de lidstaten zal ervoor zorgen dat marktpartijen en potentiële nieuwe aanbieders hun rechten en verplichtingen kennen en weten waar zij nadere gegevens kunnen vinden. Publicatie in nationale publicatiebladen draagt ertoe bij dat geïnteresseerde partijen in andere lidstaten de nodige informatie kunnen verkrijgen.

(313)

Teneinde de effectiviteit en doelmatigheid van de pan-Europese elektronischecommunicatiemarkt te waarborgen, dient de Commissie controle uit te oefenen op en informatie te publiceren over de kosten aan de hand waarvan de prijs aan de eindverbruiker wordt berekend.

(314)

Om te kunnen nagaan of het Unierecht correct wordt toegepast dient de Commissie te weten welke ondernemingen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht zijn aangewezen en welke verplichtingen door de nationale regelgevende instanties aan marktpartijen zijn opgelegd. Het is dus noodzakelijk dat de lidstaten die informatie niet alleen publiceren op nationaal niveau, maar ook bij de Commissie indienen. Als de Commissie van de lidstaten informatie verlangt, moet die informatie met elektronische middelen kunnen worden toegezonden, mits passende verificatieprocedures worden overeengekomen.

(315)

Teneinde rekening te houden met markt-, sociale en technologische ontwikkelingen, met inbegrip van de ontwikkeling van technische normen, de risico’s voor de beveiliging van netwerken en diensten te ondervangen, en te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de vaststelling van een uniform Uniebreed tarief voor gespreksafgifte in vaste en mobiele markten, de vaststelling van maatregelen inzake noodcommunicatie in de Unie en de aanpassing van de bijlagen bij deze richtlijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (40). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(316)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om besluiten te nemen om grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen lidstaten op te lossen; om een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak voor te schrijven voor het aanpakken van de inconsequente uitvoering, door de nationale regelgevende instanties, van algemene regelgeving betreffende elektronischecommunicatiemarkten, alsook van de nummering, met inbegrip van nummerreeksen, de overdraagbaarheid van nummers en identificatienummers, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot de hulpdiensten via het uniforme Europese alarmnummer 112; om de tenuitvoerlegging van normen of specificaties verplicht te stellen, of normen of specificaties uit het verplichte deel van de lijst van normen te verwijderen; om de technische en organisatorische maatregelen te nemen om de risico's voor de veiligheid van de netwerken of diensten, de omstandigheden, de formats en de procedures die gelden voor kennisgeving van beveiligingsincidenten, goed te beheersen; om de relevante details in verband met verhandelbare individuele rechten voor het publiek beschikbaar te maken in een gestandaardiseerd elektronisch format zodra de gebruiksrechten voor radiospectrum tot stand zijn gebracht; om de fysieke en technische kenmerken van draadloze toegangspunten met klein bereik vast te stellen; om toe te staan of te verhinderen dat een nationale regelgevende instantie aan ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht bepaalde verplichtingen met betrekking tot toegang of interconnectie oplegt; om specifieke nummers of nummerreeksen te harmoniseren met het doel tegemoet te komen aan een onbeantwoorde grensoverschrijdende of pan-Europese vraag naar nummervoorraden; en om het model van de samenvatting van het contract voor gebruikers vast te leggen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (41).

(317)

Ten slotte moet de Commissie, indien nodig, en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, aanbevelingen kunnen vaststellen met betrekking tot de identificatie van de relevante product- en dienstenmarkten, de kennisgevingen in het kader van de procedure voor het consolideren van de interne markt en de geharmoniseerde toepassing van de bepalingen van het regelgevingskader.

(318)

De Commissie moet de werking van deze richtlijn op gezette tijden evalueren, met name om na te gaan of zij in het licht van veranderende technologische of marktomstandigheden moeten worden gewijzigd.

(319)

Bij de evaluatie van de werking van deze richtlijn moet de Commissie beoordelen of er, gelet op de ontwikkelingen op de markt en zowel met betrekking tot de mededinging als tot de consumentenbescherming, nog steeds behoefte is aan de bepalingen betreffende sectorspecifieke regulering ex-ante dan wel of deze bepalingen moeten worden gewijzigd of ingetrokken. Aangezien deze richtlijn voorziet in nieuwe benaderingen van de regelgeving inzake elektronische communicatie, waaronder de mogelijkheid om de toepassing uit te breiden van symmetrische verplichtingen voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie en van de regelgevende behandeling van mede-investeringen, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de beoordeling van hun prestaties.

(320)

Toekomstige technologische en marktontwikkelingen, met name veranderingen in het gebruik van verschillende elektronischecommunicatiediensten en hun vermogen om te zorgen voor daadwerkelijke toegang tot noodhulpdiensten, kunnen de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn inzake de rechten van eindgebruikers in het gedrang brengen. Daarom moet Berec die ontwikkelingen in de lidstaten volgen en regelmatig adviezen uitbrengen, met inbegrip van een beoordeling van de gevolgen van die ontwikkelingen voor de toepassing in de praktijk van de bepalingen van deze richtlijn die betrekking hebben op eindgebruikers. De Commissie moet, zo veel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, een verslag publiceren en een wetgevingsvoorstel indienen indien zij dit noodzakelijk acht om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken.

(321)

Richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG, 2002/22/EG en artikel 5 van Besluit nr. 243/2012/EU moeten worden ingetrokken.

(322)

De Commissie dient toe te zien op de overgang van het bestaande kader naar het nieuwe kader.

(323)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de totstandbrenging van een geharmoniseerd en vereenvoudigd kader voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, van de voorwaarden voor de vergunning van netwerken en diensten, van radiospectrumgebruik en van nummervoorraden, van de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten en van de bescherming van de eindgebruiker, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(324)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (42) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(325)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de ingetrokken richtlijnen substantieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de ingetrokken richtlijnen.

(326)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassingsdata van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

DEEL I

KADER (ALGEMENE REGELS VOOR DE ORGANISATIE VAN DE SECTOR)

TITEL I

TOEPASSINGSGEBIED, DOEL, DOELSTELLINGEN EN DEFINITIES

HOOFDSTUK I

Onderwerp, doel en definities

Artikel 1

Onderwerp, toepassingsgebied en doelen

1.   Bij deze richtlijn wordt een geharmoniseerd kader voor de regelgeving inzake elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, evenals inzake bepaalde aspecten van eindapparatuur vastgesteld. De richtlijn legt taken van de nationale regelgevende instanties en, indien van toepassing, van andere bevoegde instanties vast, alsmede een reeks procedures om de geharmoniseerde toepassing van het regelgevingskader in de gehele Unie te waarborgen.

2.   Deze richtlijn heeft tot doel:

a)

een interne markt voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten te realiseren, die leidt tot het opzetten en benutten van netwerken met zeer hoge capaciteit, duurzame concurrentie, interoperabiliteit van elektronischecommunicatiediensten, toegankelijkheid, veiligheid van netwerken en diensten en voordelen voor de eindgebruiker; en

b)

ervoor te zorgen dat door middel van daadwerkelijke mededinging en keuzevrijheid in de gehele Unie voor het publiek beschikbare diensten van hoge kwaliteit tegen een betaalbare prijs worden aangeboden, maatregelen vast te stellen voor situaties waarin de markt niet op bevredigende wijze voorziet in de behoeften van eindgebruikers, met inbegrip van de behoefte van eindgebruikers met een handicap om op voet van gelijkheid met anderen toegang te hebben tot de diensten, en de noodzakelijke rechten van eindgebruikers vast te stellen.

3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan:

a)

verplichtingen die door het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht of door het Unierecht zijn opgelegd met betrekking tot diensten die worden geleverd met behulp van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten;

b)

de maatregelen die op Unie- of nationaal niveau overeenkomstig het Unierecht zijn genomen voor de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder wat betreft de bescherming van persoonsgegevens en privacy, regulering van de inhoud en audiovisueel beleid;

c)

de acties die door de lidstaten zijn genomen met het oog op de openbare orde, de openbare veiligheid en defensie;

d)

Verordeningen (EU) nr. 531/2012 en (EU) 2015/2120, en Richtlijn 2014/53/EU.

4.   De Commissie, het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie („Berec”) en de betrokken instanties zorgen ervoor dat bij de verwerking van persoonsgegevens de voorschriften van de Unie inzake gegevensbescherming worden nageleefd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)

„elektronischecommunicatienetwerk”: de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;

2)

„netwerk met zeer hoge capaciteit”: hetzij een netwerk voor elektronische communicatie dat ten minste tot aan het distributiepunt volledig uit optische-vezelelementen bestaat, hetzij een elektronischecommunicatienetwerk dat, in gebruikelijke piekomstandigheden, in staat is om soortgelijke netwerkprestaties te bieden wat betreft downlink- en uplinkbandbreedte, veerkrachtigheid van het netwerk, parameters met betrekking tot fouten, latentietijden en de veranderingen daarin; de netwerkprestaties kunnen ook als vergelijkbaar worden beschouwd als de eindgebruiker een andere gebruikservaring heeft vanwege de inherent verschillende kenmerken van het medium dat op het netwerk wordt aangesloten;

3)

„transnationale markten”: overeenkomstig artikel 65 gedefinieerde markten die de Unie of een aanzienlijk, zich over meer dan één lidstaat uitstrekkend, deel daarvan beslaan;

4)

„elektronischecommunicatiedienst”: een gewoonlijk tegen vergoeding via elektronischecommunicatienetwerken aangeboden dienst, die, met uitzondering van diensten waarbij met behulp van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten overgebrachte inhoud wordt geleverd of redactioneel wordt gecontroleerd, de volgende soorten diensten omvat:

a)

„internettoegangsdienst” in de zin van artikel 2, tweede alinea, punt 2, van Verordening (EU) 2015/2120;

b)

interpersoonlijke communicatiedienst; en

c)

diensten die geheel of hoofdzakelijk bestaan in het overbrengen van signalen zoals transmissiediensten die voor het verlenen van intermachinale diensten en voor omroep worden gebruikt;

5)

„interpersoonlijke communicatiedienst”: een gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden dienst die directe persoonlijke en interactieve uitwisseling van informatie via elektronischecommunicatienetwerken tussen een eindig aantal personen mogelijk maakt, waarbij de personen die de communicatie starten of eraan deelnemen, bepalen welke de ontvangers zijn, en die geen diensten omvat die persoonlijke en interactieve communicatie mogelijk maken als een louter bijkomstig kenmerk dat onlosmakelijk verbonden is met een andere dienst;

6)

„nummergebaseerde interpersoonlijke communicatiedienst”: een interpersoonlijke communicatiedienst die verbinding maakt met openbaar toegewezen nummervoorraden, namelijk een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen, of die communicatie mogelijk maakt met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen;

7)

„nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst”: een interpersoonlijke communicatiedienst die geen verbinding maakt met openbaar toegewezen nummervoorraden, namelijk een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen, of die geen communicatie mogelijk maakt met een nummer of een aantal nummers in nationale of internationale nummerplannen;

8)

„openbaar elektronischecommunicatienetwerk”: een elektronischecommunicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aan te bieden ter ondersteuning van de overdracht van informatie tussen netwerkaansluitpunten;

9)

„netwerkaansluitpunt”: het fysieke punt waarop een eindgebruiker de toegang tot een openbaar elektronischecommunicatienetwerk wordt geboden, en dat, in het geval van netwerken met schakelings- of routeringsfuncties, wordt bepaald door middel van een specifiek netwerkadres dat met een nummer of naam van een eindgebruiker kan zijn verbonden;

10)

„bijbehorende faciliteiten”: de bij een elektronischecommunicatienetwerk of een elektronischecommunicatiedienst behorende diensten, fysieke infrastructuren en andere faciliteiten of elementen die het aanbieden van diensten via dat netwerk of dienst mogelijk maken of ondersteunen of het potentieel hiertoe bezitten en gebouwen of toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, antennes, torens en andere ondersteunende constructies, kabelgoten, kabelbuizen, masten, mangaten en straatkasten omvatten;

11)

„bijbehorende dienst”: een bij een elektronischecommunicatienetwerk of een elektronischecommunicatiedienst behorende dienst die het aanbieden, het zelf verstrekken of het geautomatiseerd aanbieden van diensten via dat netwerk of dienst mogelijk maakt of ondersteunt of het potentieel hiertoe bezit en nummervertaalsystemen of systemen met soortgelijke functies, voorwaardelijke toegangssystemen en elektronische programmagidsen (EPG's), alsmede andere diensten zoals identiteit, locatie en presentie-informatiediensten omvat;

12)

„systeem voor voorwaardelijke toegang”: elke technische maatregel, authenticatiesysteem en/of regeling waarbij toegang tot een beschermde radio- of televisieomroepdienst in begrijpelijke vorm afhankelijk wordt gemaakt van een abonnement of een andere vorm van voorafgaande individuele machtiging;

13)

„gebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst;

14)

„eindgebruiker”: een gebruiker die geen openbaar elektronischecommunicatienetwerk of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbiedt;

15)

„consument”: een natuurlijke persoon die gebruik maakt van of verzoekt om een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst voor andere dan bedrijfs- of beroepsdoeleinden;

16)

„aanbieden van een elektronischecommunicatienetwerk”: het bouwen, exploiteren, leiden of beschikbaar stellen van een dergelijk netwerk;

17)

„geavanceerde digitale eindapparatuur”: kastjes met converter en decoder en geïntegreerde digitaletelevisietoestellen voor de ontvangst van de digitale interactieve televisiediensten;

18)

„Application Programming Interface” (toepassingsprogrammaverbinding) of „API”: een software interface tussen externe toepassingen, die beschikbaar is gesteld door omroepen, dienstenleveranciers, alsmede de hulpmiddelen in de eindapparatuur;

19)

„radiospectrumtoewijzing”: de aanwijzing van een specifieke radiospectrumband voor gebruik door een of meer soorten radiocommunicatiediensten, in voorkomend geval onder duidelijk omschreven voorwaarden;

20)

„schadelijke interferentie”: interferentie die het functioneren van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsvoorzieningen in gevaar brengt, of die een overeenkomstig de geldende internationale, Unie- of nationale voorschriften werkende radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig verslechtert, hindert of herhaaldelijk onderbreekt;

21)

„beveiliging van netwerken en diensten”: het vermogen van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten om met een bepaalde mate van betrouwbaarheid bestand te zijn tegen acties die de beschikbaarheid, authenticiteit, integriteit en vertrouwelijkheid van die netwerken en diensten, van de opgeslagen, verzonden of verwerkte gegevens, of van de daaraan gerelateerde diensten die via die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten worden aangeboden of toegankelijk zijn, in gevaar brengen;

22)

„algemene machtiging”: regelgeving door een lidstaat waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, overeenkomstig deze richtlijn;

23)

„draadloos toegangspunt met een klein bereik”: draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, gebruikmaakt van vergunningsplichtig of vergunningvrij radiospectrum of van een combinatie van beide, deel kan uitmaken van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk, uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact, en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is;

24)

„Radio Local Area Network” of „RLAN”: een draadloos toegangssysteem met laag vermogen dat binnen een klein bereik werkt, met een laag risico op interferentie met andere dergelijke systemen die in de nabijheid door andere gebruikers zijn opgesteld, dat op niet-exclusieve basis geharmoniseerd radiospectrum gebruikt;

25)

„geharmoniseerd radiospectrum”: radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden in verband met de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik ervan zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG;

26)

„gedeeld gebruik van radiospectrum”: toegang door twee of meer gebruikers om gebruik te maken van dezelfde radiospectrumbanden in het kader van een bepaalde regeling inzake gedeeld gebruik, toegestaan op basis van een algemene machtiging, individuele gebruiksrechten voor radiospectrum of een combinatie daarvan, met inbegrip van regelgevingsbenaderingen, zoals vergunningsplichtige gedeelde toegang, die als doel hebben het gedeeld gebruik van een radiospectrumband te vergemakkelijken, en onderworpen aan een bindende overeenkomst tussen alle betrokken partijen, overeenkomstig de regels inzake gedeeld gebruik die zijn opgenomen in hun gebruiksrechten voor radiospectrum, zodat aan alle gebruikers voorspelbare en betrouwbare regelingen inzake delen kunnen worden gewaarborgd, en zonder afbreuk te doen aan de toepassing van het mededingingsrecht;

27)

„toegang”: het beschikbaar stellen van faciliteiten of diensten aan een andere onderneming, onder uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij op exclusieve, hetzij op niet-exclusieve basis, met het oog op het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of het aanbieden van diensten van de informatiemaatschappij of inzake inhoud voor radio- en televisieomroepen. Deze term omvat onder meer toegang tot netwerkelementen en verwante faciliteiten waarbij eventueel apparatuur kan worden verbonden met vaste of niet-vaste middelen (dit houdt met name toegang in tot het aansluitnet en tot faciliteiten en diensten die noodzakelijk zijn om diensten te kunnen aanbieden via het aansluitnet); toegang tot materiële infrastructuur waaronder gebouwen, kabelgoten en masten; toegang tot relevante programmatuursystemen waaronder operationele ondersteuningssystemen; toegang tot informatiesystemen of databases voor reservering, levering, bestelling, onderhouds- en herstelverzoeken en facturering; toegang tot nummervertaling of systemen met vergelijkbare functionaliteit; toegang tot vaste en mobiele netwerken, met name voor roaming; toegang tot voorwaardelijke toegangssystemen voor digitaletelevisiediensten en toegang tot virtuele netwerkdiensten;

28)

„interconnectie”: een specifiek type toegang dat tussen exploitanten van openbare netwerken wordt gerealiseerd door het fysiek en logisch verbinden van openbare elektronischecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere onderneming worden gebruikt om het de gebruikers van een onderneming mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere onderneming of toegang te hebben tot diensten die door een andere onderneming worden aangeboden, wanneer die diensten worden aangeboden door de betrokken partijen of andere partijen die toegang hebben tot het netwerk;

29)

„exploitant”: onderneming die een openbaar elektronischecommunicatienetwerk of een bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is deze aan te bieden;

30)

„aansluitnet”: fysiek pad dat door elektronischecommunicatiesignalen wordt gebruikt en dat het netwerkaansluitpunt verbindt met een verdeler of een soortgelijke voorziening in het vaste openbare elektronischecommunicatienetwerk;

31)

„oproep”: door middel van een voor het publiek beschikbare interpersoonlijke communicatiedienst tot stand gebrachte verbinding die tweewegspraakcommunicatie mogelijk maakt;

32)

„spraakcommunicatiedienst”: een voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiedienst voor direct of indirect uitgaande en binnenkomende nationale of nationale en internationale gesprekken, met behulp van een nummer of een aantal nummers in een nationaal of internationaal nummerplan;

33)

„geografisch nummer”: een nummer van een nationaal nummerplan waarvan een deel van de cijferstructuur een geografische betekenis heeft die wordt gebruikt voor het routeren van gesprekken naar de fysieke locatie van het netwerkaansluitpunt;

34)

„niet-geografisch nummer”: een nummer van een nationaal nummerplan dat geen geografisch nummer is, zoals nummers voor mobiel bellen, kosteloze nummers en betaalnummers;

35)

„dienst voor totale conversatie”: een multimediale dienst voor realtime conversatie die bidirectionele symmetrische realtime overdracht van videofilm, realtime tekst en stem tussen gebruikers in twee of meer locaties biedt;

36)

„alarmcentrale” of „PSAP” (Public Safety Answering Point): de fysieke locatie waar noodcommunicatie eerst wordt ontvangen onder de verantwoordelijkheid van een openbare instantie of een door de overheid erkende private organisatie;

37)

„meest geschikte alarmcentrale”: een alarmcentrale die door de bevoegde instanties is opgericht om noodcommunicatie uit een bepaald gebied of van een bepaald type te behandelen;

38)

„noodcommunicatie”: communicatie door middel van interpersoonlijke communicatiediensten tussen een eindgebruiker en de alarmcentrale met het doel noodhulp te vragen en te ontvangen van hulpdiensten;

39)

„noodhulpdienst”: een als zodanig door de lidstaat erkende dienst die onmiddellijk spoedhulp verleent in situaties waarin er met name sprake is van direct gevaar voor lijf en leden, de individuele of volksgezondheid of de individuele of openbare veiligheid, eigendommen van particulieren of van de overheid of het milieu, overeenkomstig het nationale recht;

40)

„informatie over de locatie van de oproeper”: in een openbaar mobiel netwerk, de verwerkte gegevens, afkomstig van netwerkinfrastructuur of van handsets, waaruit de geografische positie van de mobiele eindapparatuur van een eindgebruiker blijkt en, in een openbaar vast netwerk, de gegevens over het fysieke adres van het netwerkaansluitpunt;

41)

„eindapparatuur”: eindapparatuur in de zin van artikel 1, punt 1, van Richtlijn 2008/63/EG van de Commissie (43);

42)

„beveiligingsincident”: een gebeurtenis met een daadwerkelijk schadelijk effect op de beveiliging van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten.

HOOFDSTUK II

Doelstellingen

Artikel 3

Algemene doelstellingen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die noodzakelijk en evenredig zijn voor de verwezenlijking van de in lid 2 genoemde doelstellingen. Ook de lidstaten, de Commissie, de Beleidsgroep Radiospectrum en Berec dragen bij tot de verwezenlijking van die doelstellingen.

De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties dragen binnen hun bevoegdheden bij tot het waarborgen van de uitvoering van beleid ter bevordering van de vrijheid van meningsuiting en van informatie, culturele en talendiversiteit en pluriformiteit in de media.

2.   De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, alsmede Berec, de Commissie en de lidstaten streven in het kader van deze richtlijn de volgende — in willekeurige volgorde weergegeven — algemene doelstellingen na:

a)

bevorderen van de connectiviteit met en de toegang tot, alsmede de benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, met inbegrip van vaste, mobiele en draadloze netwerken, voor alle burgers en bedrijven van de Unie;

b)

bevorderen van de mededinging bij het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, met inbegrip van efficiënte concurrentie op basis van infrastructuur, en bij het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende diensten;

c)

bijdragen tot de ontwikkeling van de interne markt door het opheffen van resterende belemmeringen voor en het bevorderen van convergerende voorwaarden voor investeringen in en het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten, bijbehorende faciliteiten en bijbehorende diensten, in de gehele Unie, door het ontwikkelen van gemeenschappelijke regels en voorspelbare regelgeving, en door het bevorderen van doeltreffend, efficiënt en gecoördineerd gebruik van het radiospectrum, open innovatie, het opzetten en ontwikkelen van trans-Europese netwerken, de verstrekking, de beschikbaarheid en de interoperabiliteit van pan-Europese diensten, en eind-tot-eind connectiviteit;

d)

bevorderen van de belangen van de burgers van de Unie, door te zorgen voor connectiviteit met, en ruime beschikbaarheid en benutting van netwerken met een zeer hoge capaciteit, waaronder vaste, mobiele en draadloze netwerken, en van elektronischecommunicatiediensten, door erop toe te zien dat op basis van daadwerkelijke mededinging optimaal kan worden geprofiteerd wat betreft keuze, prijs en kwaliteit, door de beveiliging van netwerken en diensten te handhaven, door een hoog gemeenschappelijk beschermingsniveau voor eindgebruikers te waarborgen via de nodige sectorspecifieke regels, en door aandacht te schenken aan de behoeften, zoals betaalbare prijzen, van specifieke maatschappelijke groeperingen, met name eindgebruikers met een handicap, oudere eindgebruikers en eindgebruikers met speciale sociale behoeften, evenals keuzevrijheid en gelijkwaardige toegang voor eindgebruikers met een handicap.

3.   Indien de Commissie benchmarks en verslagen over de doeltreffendheid van de maatregelen van de lidstaten opstelt ter verwezenlijking van de in lid 2 bedoelde doelstellingen, wordt zij zo nodig bijgestaan door de lidstaten, de nationale regelgevende instanties, Berec en de Beleidsgroep Radiospectrum.

4.   Bij het nastreven van de in lid 2 bedoelde en in dit lid gespecificeerde beleidsdoelstellingen doen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties onder meer het volgende:

a)

zij bevorderen de voorspelbaarheid van de regelgeving door middel van een consistente aanpak van de regelgeving tijdens geschikte herzieningsperioden en door samen te werken met elkaar, met Berec, met de Beleidsgroep Radiospectrum en met de Commissie;

b)

zij waarborgen dat er bij gelijke omstandigheden geen discriminatie plaatsvindt bij de behandeling van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten;

c)

zij passen het Unierecht toe op technologisch neutrale wijze, voor zover dat in overeenstemming is met de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 2;

d)

zij bevorderen efficiënte investeringen en innovatie in nieuwe en betere infrastructuur, onder meer door ervoor te zorgen dat er in de toegangsverplichtingen voldoende rekening wordt gehouden met de risico's die de investerende ondernemingen lopen, en door samenwerkingsafspraken toe te staan tussen investeerders en partijen die toegang willen hebben teneinde het investeringsrisico te spreiden, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de mededinging op de markt en het non-discriminatiebeginsel niet in het gedrang komen;

e)

zij houden naar behoren rekening met de uiteenlopende omstandigheden betreffende infrastructuur, mededinging, de omstandigheden van eindgebruikers en met name van consumenten die in de verschillende geografische gebieden binnen een lidstaat bestaan, inclusief lokale infrastructuur die door natuurlijke personen zonder winstoogmerk wordt beheerd;

f)

zij leggen voorafgaande regelgevende verplichtingen uitsluitend op voor zover dit noodzakelijk is om, in het belang van de eindgebruiker, effectieve en duurzame mededinging te waarborgen, en zij verlichten die verplichtingen of heffen ze op zodra er aan die voorwaarde is voldaan.

De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties onpartijdig, objectief, transparant en op niet-discriminerende en evenredige wijze handelen.

Artikel 4

Strategische planning en coördinatie van het radiospectrumbeleid

1.   De lidstaten werken met elkaar en met de Commissie samen bij de strategische planning, coördinatie en harmonisatie van het gebruik van het radiospectrum in de Unie, overeenkomstig het Uniebeleid voor de totstandbrenging en werking van de interne markt voor elektronische communicatie. Daartoe houden zij onder meer rekening met de economische, veiligheids- en gezondheidsaspecten van het Uniebeleid, met maatschappelijke belangen, met de vrije meningsuiting, met culturele, wetenschappelijke, sociale en technische aspecten van het Uniebeleid, alsmede met de uiteenlopende belangen van de kringen van radiospectrumgebruikers, met het oog op de optimalisatie van het gebruik van het radiospectrum en het vermijden van schadelijke interferentie.

2.   Door met elkaar en met de Commissie samen te werken, bevorderen de lidstaten de coördinatie van het radiospectrumbeleid in de Unie en, in voorkomend geval, de harmonisatie van de voorwaarden inzake beschikbaarheid en efficiënt gebruik van het radiospectrum die vereist zijn voor het tot stand brengen en het functioneren van de interne markt op het gebied van elektronische communicatie.

3.   De lidstaten werken via de Beleidsgroep Radiospectrum samen met elkaar en met de Commissie, overeenkomstig lid 1, en, op hun verzoek, met het Europees Parlement en met de Raad, ter ondersteuning van de strategische planning en de coördinatie van het radiospectrumbeleid in de Unie, en wel door:

a)

met het oog op de uitvoering van deze richtlijn beste praktijken te ontwikkelen voor zaken die verband houden met het radiospectrum;

b)

met het oog op de uitvoering van deze richtlijn en ander Unierecht, alsook om bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt, de coördinatie tussen de lidstaten te vergemakkelijken;

c)

hun beleid voor de toekenning van radiospectrum en de machtiging van radiospectrumgebruik te coördineren en rapporten of adviezen uit te brengen over zaken die verband houden met radiospectrum.

Berec neemt deel aan de samenwerking als het gaat om zijn bevoegdheden betreffende marktregulerings- en mededingingsbevoegdheden op radiospectrumvlak.

4.   De Commissie kan, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, wetgevingsvoorstellen bij het Europees Parlement en de Raad indienen tot vaststelling van meerjarenprogramma’s voor het radiospectrumbeleid, tot uitstippeling van de beleidslijnen en -doelstellingen voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik overeenkomstig deze richtlijn en tot beschikbaarstelling van een geharmoniseerd radiospectrum voor gedeeld of niet aan individuele gebruiksrechten verbonden gebruik.

TITEL II

INSTITUTIONELE STRUCTUUR EN GOVERNANCE

HOOFDSTUK I

Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties

Artikel 5

Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle taken die in deze richtlijn zijn vastgesteld, door een bevoegde instantie worden uitgevoerd.

Binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn de nationale regelgevende instanties ten minste bevoegd om:

a)

marktregulering ex ante uit te voeren, met inbegrip van het opleggen van verplichtingen op het gebied van toegang en interconnectie;

b)

ervoor te zorgen dat geschillen tussen ondernemingen worden opgelost;

c)

radiospectrumbeheer en -besluiten uit te voeren dan wel, indien die taken aan andere bevoegde instanties worden toegewezen, advies te verstrekken over de marktvormings- en mededingingselementen van nationale procedures in verband met radiospectrumgebruiksrechten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten;

d)

bij te dragen aan de bescherming van de rechten van de eindgebruiker in de sector van de elektronische communicatie, in voorkomend geval in coördinatie met andere bevoegde instanties;

e)

marktvormings- en mededingingsvraagstukken inzake open-internettoegang te beoordelen en nauwlettend te volgen;

f)

de oneerlijke belasting te beoordelen en de nettokosten te berekenen van het aanbieden van universele dienst;

g)

nummeroverdraagbaarheid tussen aanbieders te waarborgen;

h)

alle andere taken uit te voeren die door deze richtlijn aan nationale regelgevende instanties worden voorbehouden.

De lidstaten kunnen andere taken waarin deze richtlijn en ander Unierecht voorzien, toewijzen aan nationale regelgevende instanties, met name taken in verband met marktconcurrentie of markttoegang, zoals algemene machtiging, en taken in verband met eender welke aan Berec toegekende rol. Indien die taken in verband met marktconcurrentie of markttoegang worden toegewezen aan andere bevoegde instanties, trachten deze, voordat er een besluit wordt genomen, de nationale regelgevende instantie te raadplegen. Teneinde bij te dragen aan de taken van Berec mogen nationale regelgevende instanties de benodigde gegevens en andere informatie van marktdeelnemers verzamelen.

De lidstaten kunnen daarnaast, uit hoofde van nationaal recht, met inbegrip van nationaal recht tot uitvoering van Unierecht, andere taken aan nationale regelgevende instanties toewijzen.

De lidstaten bevorderen, bij het omzetten van deze richtlijn wat betreft de toewijzing van taken die voortvloeien uit het regelgevend kader van de Unie voor elektronische communicatie, zoals gewijzigd in 2009, in het bijzonder de stabiliteit van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties.

2.   Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties van dezelfde lidstaat of van verschillende lidstaten maken, waar nodig, samenwerkingsafspraken met elkaar ter bevordering van samenwerking op het gebied van regelgeving.

3.   De lidstaten maken de door de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties uit te voeren taken op een gemakkelijk toegankelijke wijze bekend, met name wanneer die taken aan meer dan één instantie worden toegewezen. De lidstaten zorgen in voorkomend geval voor overleg en samenwerking tussen die instanties onderling en tussen die instanties en de nationale instanties belast met de uitvoering van het mededingingsrecht of het consumentenrecht, in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang. Indien meer dan één instantie bevoegd is om die aangelegenheden te behandelen, zorgen de lidstaten ervoor dat de respectieve taken van elke instantie in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt worden.

4.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties waaraan krachtens deze richtlijn taken zijn opgedragen, en van hun onderscheiden verantwoordelijkheden, alsook van eventuele wijzigingen daarvan.

Artikel 6

Onafhankelijkheid van nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties

1.   De lidstaten waarborgen de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties en van andere bevoegde instanties door ervoor te zorgen dat zij juridisch gezien onderscheiden zijn van en functioneel onafhankelijk zijn van een natuurlijke of rechtspersoon die elektronischecommunicatienetwerken, -apparatuur of -diensten aanbieden. Lidstaten die de eigendom van of de zeggenschap over ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden, behouden, zorgen voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze en tijdig uitoefenen. De lidstaten zien erop toe dat zij over voldoende technische, financiële en menselijke middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren.

Artikel 7

Benoeming en ontslag van leden van nationale regelgevende instanties

1.   Het hoofd van een nationale regelgevende instantie of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult binnen een nationale regelgevende instantie, of hun plaatsvervangers, worden benoemd voor een ambtstermijn van ten minste drie jaar uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring, op basis van verdienste, vaardigheden, kennis en ervaring, en na een open en transparante selectieprocedure. De lidstaten zorgen voor continuïteit in de besluitvorming.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat het hoofd van een nationale regelgevende instantie of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult binnen een nationale regelgevende instantie, of hun plaatsvervangers, tijdens hun ambtstermijn alleen kunnen worden ontslagen indien zij niet meer aan de vóór hun benoeming in de nationale wetgeving vastgestelde eisen voor de uitoefening van dat ambt voldoen.

3.   Het besluit om het hoofd, of, in voorkomend geval, de leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de betrokken nationale regelgevende instantie te ontslaan, wordt openbaar gemaakt op het moment van ontslag. Het ontslagen hoofd of, in voorkomend geval, de ontslagen leden van het collegiale orgaan dat die functie vervult, van de nationale regelgevende instantie ontvangen een motivering en hebben het recht de openbaarmaking daarvan te verlangen. Indien die motivering niet openbaar gemaakt is, dan wordt zij op aanvraag van die persoon openbaar gemaakt. De lidstaten zorgen ervoor dat dat besluit aan rechterlijke toetsing kan worden onderworpen, zowel wat feitenkwesties betreft, als wat rechtsvragen betreft.

Artikel 8

Politieke onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht van de nationale regelgevende instanties

1.   Onverminderd artikel 10 treden de nationale regelgevende instanties onafhankelijk en objectief op, ook bij het ontwikkelen van interne procedures en de organisatie van het personeel, functioneren zij op transparante wijze en leggen zij daarvoor overeenkomstig het Unierecht verantwoording af, en vragen of aanvaarden zij geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van de nationale wetgeving tot omzetting van het Unierecht zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig het nationale grondwettelijke recht. Alleen beroepsinstanties die zijn opgezet in overeenstemming met artikel 31, zijn bevoegd besluiten van de nationale regelgevende instanties te schorsen of ongedaan te maken.

2.   De nationale regelgevende instanties brengen jaarlijks verslag uit, onder meer over de toestand van de markt voor elektronische communicatie, over de besluiten die zij nemen, over hun personele en financiële middelen en hoe die middelen worden toegewezen, en over toekomstige plannen. Die verslagen worden openbaar gemaakt.

Artikel 9

Regelgevingscapaciteit van nationale regelgevende instanties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties over afzonderlijke jaarlijkse begrotingen en over autonomie in de uitvoering van de toegewezen begroting beschikken. Die begrotingen worden openbaar gemaakt.

2.   Onverminderd de verplichting om ervoor te zorgen dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële en personele middelen beschikken om de hun toegewezen taken uit te voeren, belet de financiële autonomie niet dat er toezicht of controle is overeenkomstig het nationale grondwettelijke recht. Elke controle op de begroting van de nationale regelgevende instanties wordt op een transparante manier uitgevoerd en openbaar gemaakt.

3.   De lidstaten zorgen er eveneens voor dat de nationale regelgevende instanties over voldoende financiële middelen en personeel beschikken om hen in staat te stellen actief deel te nemen en bij te dragen aan Berec.

Artikel 10

Deelname van de nationale regelgevende instanties aan Berec

1.   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de doelstellingen van Berec wat het bevorderen van de coördinatie van de regelgeving en van de consistentie betreft, actief worden ondersteund door hun respectieve nationale regelgevende instanties.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de aanneming van hun beslissingen voor hun nationale markten zeer zorgvuldig rekening houden met door Berec aangenomen richtsnoeren, adviezen, aanbevelingen, gemeenschappelijke standpunten, beste praktijken en methodologieën.

Artikel 11

Samenwerking met nationale instanties

De nationale regelgevende instanties, andere in het kader van deze richtlijn bevoegde instanties en de nationale mededingingsinstanties leveren elkaar de informatie die nodig is voor de toepassing van deze richtlijn. Ten aanzien van de uitgewisselde informatie zijn de voorschriften van de Unie inzake gegevensbescherming van toepassing en is de ontvangende instantie gehouden hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid in acht te nemen als dat van de informatieverstrekkende instantie.

HOOFDSTUK II

Algemene machtiging

Afdeling 1

Algemeen deel

Artikel 12

Algemene machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten

1.   De lidstaten waarborgen de vrijheid om, mits aan de door deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldaan is, elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden. Te dien einde mogen de lidstaten een onderneming niet beletten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden, tenzij dat noodzakelijk is om de in artikel 52, lid 1, VWEU vermelde redenen. Elke dergelijke beperking van de vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden, wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de Commissie.

2.   Het aanbieden van andere elektronischecommunicatienetwerken of -diensten dan nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten kan, onverminderd de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, en de gebruiksrechten van de artikelen 46 en 94, alleen worden onderworpen aan een algemene machtiging.

3.   Indien een lidstaat van oordeel is dat een kennisgevingsvereiste gerechtvaardigd is voor ondernemingen die aan een algemene machtiging zijn onderworpen, mag die lidstaat van dergelijke ondernemingen uitsluitend verlangen dat zij bij de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie een kennisgeving indienen. De lidstaat mag van die ondernemingen niet verlangen dat zij een expliciet besluit of andere bestuurshandeling van die instantie of van een andere instantie verkrijgen alvorens de uit de algemene machtiging voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen.

Na de eventueel vereiste kennisgeving kan een onderneming haar activiteiten aanvangen, waar nodig met inachtneming van de bepalingen inzake gebruiksrechten krachtens deze richtlijn.

4.   De in lid 3 bedoelde kennisgeving behelst niet meer dan een verklaring waarmee een natuurlijke of rechtspersoon de nationale regulerende of andere bevoegde instantie in kennis stelt van zijn voornemen om te beginnen met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en de indiening van de minimuminformatie die nodig is om Berec en die instantie in staat te stellen een register of lijst van aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten bij te houden. Die informatie moet beperkt blijven tot:

a)

de naam van de aanbieder;

b)

de rechtsstatus, de vorm en het registratienummer van de aanbieder, de plaats waar de aanbieder ingeschreven staat in een handelsregister of een soortgelijk openbaar register in de Unie;

c)

in voorkomend geval, het geografische adres van de hoofdvestiging van de aanbieder in de Unie en, in voorkomend geval, van elk bijkantoor in een lidstaat;

d)

in voorkomend geval, het websiteadres van de aanbieder dat wordt gebruikt voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten;

e)

een contactpersoon en contactgegevens;

f)

een korte beschrijving van de aan te bieden netwerken of diensten;

g)

de betrokken lidstaten; en

h)

de datum waarop de activiteiten vermoedelijk van start gaan.

De lidstaten leggen geen aanvullende of afzonderlijke kennisgevingseisen op.

Om de kennisgevingsvoorschriften te harmoniseren, publiceert Berec richtsnoeren voor het model van kennisgeving en onderhoudt het een Uniedatabank met de aan de bevoegde instanties toegezonden kennisgevingen. Daartoe zenden de bevoegde instanties Berec onverwijld langs elektronische weg alle ontvangen kennisgevingen toe. Kennisgevingen aan de bevoegde instanties vóór 21 december 2020 worden uiterlijk op 21 december 2021 aan Berec toegezonden.

Artikel 13

Voorwaarden die aan de algemene machtiging en de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden kunnen worden verbonden, en specifieke verplichtingen

1.   De algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en de gebruiksrechten voor radiospectrum en gebruiksrechten voor nummervoorraden kunnen alleen aan de in bijlage I genoemde voorwaarden worden onderworpen. Die voorwaarden moeten niet-discriminerend, evenredig en transparant zijn. In het geval van gebruiksrechten voor radiospectrum verzekeren die voorwaarden het doeltreffende en doelmatige gebruik ervan, en zijn ze in overeenstemming met de artikelen 45 en 51, en, in het geval van gebruiksrechten voor nummervoorraden, met artikel 94.

2.   Specifieke verplichtingen die kunnen worden opgelegd aan ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden krachtens artikel 61, leden 1 en 5, en de artikelen 62, 68 en 83 of aan ondernemingen die zijn aangewezen voor het aanbieden van de universele dienst overeenkomstig deze richtlijn, moeten juridisch gescheiden zijn van de rechten en verplichtingen in het kader van de algemene machtiging. Met het oog op transparantie worden de criteria en procedures voor het opleggen van dergelijke specifieke verplichtingen aan individuele ondernemingen in de algemene machtiging genoemd.

3.   In de algemene machtiging worden alleen voorwaarden opgenomen die specifiek zijn voor de betrokken sector en die genoemd zijn in de delen A, B en C van bijlage I, en worden geen voorwaarden opgenomen die reeds krachtens andere nationale rechtsregels voor ondernemingen gelden.

4.   De lidstaten leggen de voorwaarden van de algemene machtiging niet nogmaals op wanneer zij het gebruiksrecht voor radiospectrum of voor nummervoorraden verlenen.

Artikel 14

Verklaringen om de uitoefening van rechten om faciliteiten te installeren en interconnectierechten te vergemakkelijken

De bevoegde instanties geven binnen een week na het verzoek van een onderneming, standaardverklaringen af waarin, in voorkomend geval, wordt bevestigd dat de onderneming een kennisgeving heeft verricht overeenkomstig artikel 12, lid 3. In die verklaringen wordt gestipuleerd onder welke voorwaarden elke onderneming die uit hoofde van de algemene machtiging elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbiedt, een aanvraag kan indienen met het oog op het recht faciliteiten te installeren, te onderhandelen over interconnectie en toegang of interconnectie te verkrijgen teneinde de uitoefening van die rechten, bijvoorbeeld op andere bestuursniveaus of tegenover andere ondernemingen, te vergemakkelijken. In voorkomend geval kunnen dergelijke verklaringen ook automatisch worden afgegeven naar aanleiding van een in artikel 12, lid 3, bedoelde kennisgeving.

Afdeling 2

Rechten en verplichtingen betreffende de algemene machtiging

Artikel 15

Minimumlijst van uit de algemene machtiging voortvloeiende rechten

1.   Ondernemingen die op grond van artikel 12 zijn onderworpen aan de algemene machtiging, hebben het recht:

a)

elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden;

b)

op behandeling van hun aanvragen voor de nodige rechten voor het installeren van faciliteiten overeenkomstig artikel 43;

c)

radiospectrum te gebruiken in het kader van elektronischecommunicatiediensten en -netwerken, met inachtneming van de artikelen 13, 46 en 55;

d)

op behandeling van hun aanvragen voor de nodige rechten voor het gebruik van nummervoorraden overeenkomstig artikel 94.

2.   Indien dergelijke ondernemingen openbare elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden, krijgen zij door de algemene machtiging het recht:

a)

te onderhandelen over interconnectie met en eventueel toegang of interconnectie te verkrijgen van andere aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten die in de Unie onderworpen zijn aan een algemene machtiging overeenkomstig deze richtlijn;

b)

in staat te worden gesteld om te worden aangewezen om verschillende onderdelen van de universele dienst aan te bieden op het gehele nationale grondgebied of op een deel daarvan, overeenkomstig artikel 86 of 87.

Artikel 16

Administratieve bijdragen

1.   Administratieve bijdragen die worden opgelegd aan ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in het kader van de algemene machtiging aanbieden of waaraan een gebruiksrecht is verleend:

a)

dienen uitsluitend ter dekking van de administratiekosten die voortvloeien uit het beheer, de controle van en het toezicht op de naleving van het systeem inzake algemene machtiging en van de gebruiksrechten en van de in artikel 13, lid 2, bedoelde specifieke verplichtingen, die ook de kosten kunnen omvatten voor internationale samenwerking, harmonisatie en normering, marktanalyse, controle op de naleving en ander markttoezicht, alsmede regelgevende werkzaamheden in het kader van de opstelling en handhaving van afgeleide wetgeving en administratieve besluiten, zoals besluiten betreffende toegang en interconnectie; en

b)

worden opgelegd aan individuele ondernemingen volgens een objectieve, transparante en evenredige verdeling, die de extra administratiekosten en daarmee samenhangende bijdragen tot een minimum beperkt.

De lidstaten mogen ervoor kiezen om geen administratieve bijdragen op te leggen aan ondernemingen waarvan de omzet kleiner is dan een bepaalde drempel of waarvan de activiteiten niet een bepaald minimaal marktaandeel uitmaken of zeer beperkt territoriaal verspreid zijn.

2.   Indien de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties administratieve bijdragen heffen, publiceren zij een jaarlijks overzicht van hun administratieve kosten en het totale bedrag van de geïnde bijdragen. Indien er een verschil bestaat tussen het totale bedrag aan vergoedingen en het totale bedrag aan administratieve kosten, vinden de nodige aanpassingen plaats.

Artikel 17

Scheiding van boekhoudingen en financiële verslaglegging

1.   De lidstaten eisen van ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden die in dezelfde of in een andere lidstaat over bijzondere of uitsluitende rechten voor het aanbieden van diensten in andere sectoren beschikken, dat zij:

a)

voor de activiteiten in verband met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten een gescheiden boekhouding voeren, in dezelfde mate als vereist zou zijn wanneer de betrokken activiteiten door juridisch onafhankelijke entiteiten zouden worden verricht, teneinde alle kosten en inkomsten, met de daarvoor gebruikte berekeningsgrondslag en gedetailleerde toewijzingsmethoden, aan te geven die betrekking hebben op die activiteiten met inbegrip van een puntsgewijs overzicht van de vaste activa en de structurele kosten; of

b)

een structurele scheiding hebben voor de activiteiten in verband met het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten.

De lidstaten kunnen afzien van de toepassing van de in de eerste alinea genoemde eisen op ondernemingen waarvan de jaaromzet in activiteiten in verband met elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in de Unie minder bedraagt dan 50 miljoen EUR.

2.   Indien ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden, niet onderworpen zijn aan de vereisten van het vennootschapsrecht en niet beantwoorden aan de kmo-criteria voor de in het Unierecht vastgelegde regels inzake financiële verslaglegging, worden hun financiële verslagleggingen opgesteld, aan een onafhankelijke accountantscontrole onderworpen en gepubliceerd. De accountantscontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de relevante nationale voorschriften en voorschriften van de Unie.

De eerste alinea van dit lid geldt ook voor de krachtens punt a) van lid 1 vereiste gescheiden boekhoudingen.

Afdeling 3

Wijziging en intrekking

Artikel 18

Wijziging van rechten en verplichtingen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden of rechten om faciliteiten te installeren alleen kunnen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden.

2.   Tenzij de voorgestelde wijzigingen minimaal zijn en daarover overeenstemming is bereikt met de houder van de rechten of van de algemene machtiging, zal het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, op passende wijze worden bekendgemaakt. Aan belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, wordt een adequate termijn toegekend om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken. Die termijn bedraagt behalve in uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken.

Wijzigingen worden openbaar gemaakt, met vermelding van de redenen daarvoor.

Artikel 19

Beperking of intrekking van rechten

1.   Onverminderd artikel 30, leden 5 en 6, mogen de lidstaten de rechten om faciliteiten te installeren of gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden niet vóór het verstrijken van de periode waarvoor zij verleend zijn, beperken of intrekken, behalve in met redenen omklede gevallen op grond van lid 2 van dit artikel, en, waar nodig, in overeenstemming met bijlage I en op grond van de relevante nationale bepalingen inzake compensatie voor de intrekking van rechten.

2.   Overeenkomstig de noodzaak te zorgen voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum of de uitvoering van de krachtens artikel 4 van Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen, kunnen de lidstaten toestaan dat gebruiksrechten voor radiospectrum, met inbegrip van de in artikel 49 van deze richtlijn bedoelde rechten, worden beperkt of ingetrokken op basis van vooraf vastgestelde en duidelijk omschreven procedures en in overeenstemming met de beginselen van evenredigheid en non-discriminatie. In dergelijke gevallen kunnen de houders van die rechten, waar nodig en in overeenstemming met het Unierecht en de relevante nationale bepalingen, naar behoren worden gecompenseerd.

3.   Een wijziging in het gebruik van radiospectrum als gevolg van de toepassing van artikel 45, lid 4 of 5, rechtvaardigt op zichzelf niet de intrekking van een recht om radiospectrum te gebruiken.

4.   Elk voornemen om rechten in het kader van de algemene machtiging of individuele gebruiksrechten voor radiospectrum of voor nummervoorraden te beperken of in te trekken zonder toestemming van de houder van de rechten, wordt aan overleg met de belanghebbenden onderworpen overeenkomstig artikel 23.

HOOFDSTUK III

Verstrekking van informatie, onderzoeken en raadplegingsmechanisme

Artikel 20

Verzoek om informatie aan ondernemingen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aanbieden, bijbehorende faciliteiten, of bijbehorende diensten, alle, ook financiële, informatie verstrekken die de nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec nodig hebben om de naleving te waarborgen van deze richtlijn en Verordening (EU) 2018/1971 van het Europees Parlement en de Raad (44), en van de besluiten en adviezen die in overeenstemming daarmee worden vastgesteld. Met name kunnen de nationale regelgevende instanties en, indien dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken, andere bevoegde instanties van die ondernemingen verlangen dat zij informatie verstrekken met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen van hun netwerk of diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de diensten op wholesaleniveau die zij beschikbaar stellen aan concurrenten, alsmede informatie over elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten die uitgesplitst is op lokaal niveau en voldoende gedetailleerd is om het geografische onderzoek en de aanwijzing van gebieden overeenkomstig artikel 22 mogelijk te maken.

Wanneer de overeenkomstig de eerste alinea verzamelde informatie voor de nationale regelgevende instanties, andere bevoegde instanties en Berec niet volstaat om hun reguleringstaken uit hoofde van het Unierecht uit te voeren, kan die informatie worden gevraagd aan andere relevante ondernemingen die actief zijn in de sector elektronische communicatie of in nauw verbonden sectoren.

Van ondernemingen die zijn aangewezen als ondernemingen met aanmerkelijke macht op wholesalemarkten kan ook worden verlangd dat zij gegevens verstrekken over de retailmarkten die verbonden zijn met die wholesalemarkten.

Nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties kunnen ook de centrale informatiepunten die zijn opgericht op grond van Richtlijn 2014/61/EU, om informatie verzoeken.

Ieder verzoek om informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taak en dient met redenen te worden omkleed.

Ondernemingen verstrekken de verzochte informatie onverwijld, volgens de gestelde termijnen en met de nodige mate van detail.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de Commissie, op met redenen omkleed verzoek, de informatie verstrekken die zij nodig heeft om haar taken uit hoofde van het VWEU te vervullen. De door de Commissie gevraagde informatie dient in evenredigheid te zijn met de uitvoering van die taken. Indien de verstrekte informatie betrekking heeft op informatie die voordien door ondernemingen op verzoek van de instantie is verstrekt, worden die ondernemingen daarvan in kennis gesteld. Tenzij de instantie die de informatie verschaft een uitdrukkelijk en met redenen omkleed andersluidend verzoek indient, stelt de Commissie de verstrekte informatie voor zover nodig aan een andere dergelijke instantie in een andere lidstaat beschikbaar.

Met inachtneming van de vereisten van lid 3 zorgen de lidstaten ervoor dat de aan een instantie verstrekte informatie aan een andere regelgevende instantie in dezelfde of in een andere lidstaat en aan Berec na een met redenen omkleed verzoek ter beschikking kan worden gesteld, indien zulks nodig is om de respectieve instanties of Berec in staat te stellen hun taken uit hoofde van het Unierecht te vervullen.

3.   Wanneer informatie die op grond van lid 1 is verzameld, met inbegrip van in het kader van een geografisch onderzoek verzamelde informatie, door een nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie in overeenstemming met de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens als vertrouwelijk wordt beschouwd, garanderen de Commissie, Berec en elke andere bevoegde instantie het vertrouwelijke karakter van de verstrekte informatie. Die voorschriften betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens vormen geen belemmering voor de onderlinge tijdige uitwisseling van informatie tussen de bevoegde instantie, de Commissie, Berec en elke andere bevoegde instantie met het oog op de beoordeling en bewaking van en het toezicht op de toepassing van deze richtlijn.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, handelend in overeenstemming met de nationale regels inzake de toegang van het publiek tot informatie en met inachtneming van de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens en de bescherming van persoonsgegevens, informatie publiceren die bijdraagt tot een open en concurrerende markt.

5.   De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren de voorwaarden voor de toegang van het publiek tot informatie als bedoeld in lid 4, met inbegrip van de procedures voor het verkrijgen van die toegang.

Artikel 21

Informatie die moet worden verstrekt wat betreft de algemene machtiging, gebruiksrechten en specifieke verplichtingen

1.   Onverminderd eventuele op grond van artikel 20 vereiste informatie en de informatie- en rapportageverplichtingen krachtens andere nationale rechtsregels dan de algemene machtiging, mogen de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties de ondernemingen wat betreft de algemene machtiging, de gebruiksrechten of de specifieke verplichtingen bedoeld in artikel 13, lid 2, verzoeken om informatie die passend en objectief gerechtvaardigd is, met name voor:

a)

het verifiëren, hetzij systematisch, hetzij per geval, van de naleving van voorwaarde 1 van deel A, de voorwaarden 2 en 6 van deel D, en de voorwaarden 2 en 7 van deel E van bijlage I en van de naleving van de in artikel 13, lid 2, genoemde verplichtingen;

b)

het verifiëren, per geval, van de naleving van de voorwaarden genoemd in bijlage I indien een klacht is ontvangen, de bevoegde instantie andere redenen heeft om aan te nemen dat aan een voorwaarde niet wordt voldaan of de bevoegde instantie op eigen initiatief een onderzoek heeft verricht;

c)

het uitvoeren van procedures voor en de evaluatie van aanvragen om verlening van gebruiksrechten;

d)

het publiceren van vergelijkende overzichten van kwaliteit en prijs van diensten ten behoeve van de consumenten;

e)

het verzamelen van duidelijk omschreven statistieken, verslagen of onderzoeken;

f)

het verrichten van marktonderzoeken voor de toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van gegevens over de downstream- of retailmarkten die verband houden met of verbonden zijn aan de markten waarop het marktonderzoek betrekking heeft;

g)

het waarborgen van efficiënt gebruik en efficiënt beheer van radiospectrum en van nummervoorraden;

h)

het evalueren van toekomstige ontwikkelingen van het netwerk of de diensten die gevolgen zouden kunnen hebben voor de wholesalediensten die beschikbaar zijn gesteld aan concurrenten, voor de territoriale dekking, voor de voor eindgebruikers beschikbare connectiviteit of voor de aanwijzing van gebieden op grond van artikel 22;

i)

het uitvoeren van geografische onderzoeken;

j)

het beantwoorden van met redenen omklede verzoeken om informatie van Berec.

De in de punten a) en b) en d) tot en met j) van de eerste alinea bedoelde informatie mag niet worden vereist vóór of als voorwaarde voor de toegang tot de markt.

Berec kan modellen voor informatieverzoeken ontwikkelen als dat nodig is om een geconsolideerde presentatie en analyse van de verkregen informatie te vergemakkelijken.

2.   Wat de gebruiksrechten voor radiospectrum betreft, heeft de in lid 1 bedoelde informatie met name betrekking op het doeltreffend en efficiënt gebruik van radiospectrum alsmede op de naleving van dekking en kwaliteit van de dienstverplichtingen die zijn verbonden aan de gebruiksrechten voor radiospectrum en de verificatie ervan.

3.   Indien de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties ondernemingen verplichten informatie te verstrekken als bedoeld in lid 1, delen zij hun mee voor welk specifiek doel de informatie zal worden gebruikt.

4.   Nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties verzoeken niet nogmaals om informatie waar Berec reeds op grond van artikel 40 van Verordening (EU) 2018/1971 om heeft verzocht, indien Berec de ontvangen informatie ter beschikking van die instanties heeft gesteld.

Artikel 22

Geografisch onderzoek van de uitrol van netwerken

1.   De nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties voeren uiterlijk op 21 december 2023 een geografisch onderzoek uit naar het bereik van elektronischecommunicatienetwerken die breedbanddiensten kunnen leveren („breedbandnetwerken”) en actualiseren dat onderzoek minstens om de drie jaar.

Het geografisch onderzoek omvat een onderzoek van het actuele geografische bereik van breedbandnetwerken op hun grondgebied, zoals vereist voor de taken van nationale regelgevende en/of andere bevoegde instanties uit hoofde van deze richtlijn en voor de onderzoeken voor de toepassing van de regels inzake staatssteun.

Het geografische onderzoek kan ook een prognose voor een door de relevante instantie bepaalde periode omvatten van het bereik van breedbandnetwerken, met inbegrip van netwerken met zeer hoge capaciteit binnen hun grondgebied.

Die prognose bevat alle relevante informatie, mede over de geplande uitrol door ondernemingen of door de overheid van netwerken met zeer hoge capaciteit en belangrijke moderniseringen of uitbreidingen van netwerken tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps. Daartoe verzoeken de nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties ondernemingen en overheden om dergelijke informatie te verstrekken voor zover die informatie beschikbaar is en middels redelijke inspanningen kan worden verstrekt.

De nationale regelgevende instantie bepaalt, met betrekking tot de krachtens deze richtlijn specifiek aan haar toegekende taken, in hoeverre het passend is te vertrouwen op alle of een deel van de in het kader van een dergelijke prognose verzamelde informatie.

Indien een geografisch onderzoek niet door de nationale regelgevende instantie wordt verricht, geschiedt dit in samenwerking met die instantie voor zover dit voor haar taken relevant kan zijn.

De in het geografische onderzoek verzamelde informatie is voldoende lokaal gedetailleerd, bevat voldoende informatie over de kwaliteit van de diensten en de parameters daarvan en wordt behandeld in overeenstemming met artikel 20, lid 3.

2.   De nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties kunnen een territoriaal duidelijk afgebakend gebied aanwijzen waarvoor op basis van de op grond van lid 1 verzamelde informatie en eventueel opgestelde prognose is vastgesteld dat voor de duur van de betrokken prognoseperiode geen onderneming of overheid een netwerk met zeer hoge capaciteit heeft uitgerold en dat ook niet van plan is, of van plan is haar netwerk aanzienlijk te moderniseren of uit te breiden tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps. De nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties maken de aangewezen gebieden bekend.

3.   In een aangewezen gebied kunnen de relevante instanties ondernemingen en overheden verzoeken te verklaren dat zij voornemens zijn netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen voor de duur van de betrokken prognoseperiode. Indien dit verzoek uitmondt in een verklaring door een onderneming of overheid dat zij inderdaad dit voornemen heeft, kan de relevante instantie andere ondernemingen en overheden vragen om te verklaren of zij eventueel voornemens zijn om in dit gebied netwerken met zeer hoge capaciteit uit te rollen, of er hun netwerk aanzienlijk te moderniseren of uit te breiden tot een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps. De relevante instantie specificeert de informatie die in dergelijke inschrijvingen moet worden opgenomen, om ten minste een soortgelijke mate van detail te garanderen als die waarmee rekening is gehouden in een eventuele prognose op grond van lid 1. Zij deelt ook elke onderneming of overheid die blijk geeft van belangstelling, mee of het aangewezen gebied wordt gedekt of waarschijnlijk zal worden gedekt door een netwerk van de volgende generatie dat downloadsnelheden biedt van minder dan 100 Mbps, op basis van de informatie die op grond van lid 1 is verzameld.

4.   Maatregelen op grond van lid 3 worden genomen volgens een efficiënte, objectieve, transparante en niet-discriminerende procedure, waarbij geen enkele onderneming a priori wordt uitgesloten.

5.   De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties, en de lokale, regionale en nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor de toewijzing van openbare middelen voor de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken, voor het ontwerp van nationale breedbandplannen, voor het vaststellen van aan gebruiksrechten voor radiospectrum verbonden dekkingsverplichtingen en voor de controle van de beschikbaarheid van diensten die onder de universeledienstverplichting op hun grondgebied vallen, rekening houden met de resultaten van het geografisch onderzoek en van op grond van de leden 1, 2 en 3 aangewezen gebieden.

De lidstaten zien erop toe dat de instanties die het geografisch onderzoek uitvoeren, die resultaten verstrekken, op voorwaarde dat de ontvangende instantie hetzelfde niveau van vertrouwelijkheid en bescherming van bedrijfsgeheimen als de informatieverstrekkende instantie waarborgt, en de partijen die de informatie hebben verstrekt, daarvan in kennis stellen. Die resultaten worden ook ter beschikking gesteld van Berec en de Commissie, op hun verzoek en onder dezelfde voorwaarden.

6.   Indien de desbetreffende informatie niet beschikbaar is op de markt, maken de bevoegde instanties gegevens uit de geografische onderzoeken waarop geen vertrouwelijkheid van handelsgegevens van toepassing is, rechtstreeks toegankelijk in overeenstemming met Richtlijn 2003/98/EG, zodat deze opnieuw kunnen worden gebruikt. Indien dergelijke instrumenten niet op de markt beschikbaar zijn, stellen zij tevens informatie-instrumenten beschikbaar die eindgebruikers in staat stellen de beschikbaarheid van connectiviteit in verschillende gebieden te bepalen met een mate van gedetailleerdheid die nuttig is ter staving van hun keuze van exploitant of dienstenaanbieder.

7.   Uiterlijk op 21 juni 2020 stelt Berec met het oog op de consistente toepassing van geografische onderzoeken en prognoses, na raadpleging van de belanghebbenden en in nauwe samenwerking met de Commissie en de relevante nationale instanties, richtsnoeren vast om nationale regelgevende instanties en/of andere bevoegde instanties te helpen bij de consistente uitvoering van de krachtens dit artikel op hen rustende verplichtingen.

Artikel 23

Raadpleging en transparantie

1.   Behalve in gevallen die vallen onder artikel 26 of 27 of artikel 32, lid 10, zorgen de lidstaten ervoor dat, wanneer de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties voornemens zijn krachtens deze richtlijn maatregelen te nemen, dan wel wanneer zij voornemens zijn krachtens artikel 45, leden 4 en 5, beperkingen vast te stellen die een belangrijke impact op de betrokken markt hebben, de belanghebbende partijen de mogelijkheid wordt geboden binnen een redelijke periode opmerkingen over de ontwerpmaatregel in te dienen, rekening houdend met de complexiteit van de materie, en in elk geval niet binnen een periode van minder dan 30 dagen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden.

2.   Voor de toepassing van artikel 35, informeren de bevoegde instanties de Beleidsgroep Radiospectrum op het moment van de publicatie over de ontwerpmaatregelen die onder het toepassingsgebied van de vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedure op grond van artikel 55, lid 2, vallen en betrekking hebben op het gebruik van het radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG om gebruik ervan voor draadlozebreedbandnetwerken en -diensten voor elektronische communicatie(„draadlozebreedbandnetwerken en -diensten”) mogelijk te maken.

3.   De nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties publiceren hun nationale raadplegingsprocedures.

De lidstaten dragen zorg voor de oprichting van een enkel informatiepunt waar inzage verkregen kan worden in alle lopende raadplegingsprocedures.

4.   De resultaten van de raadpleging worden voor het publiek beschikbaar gemaakt, behalve in geval van vertrouwelijke informatie overeenkomstig de nationale en Unievoorschriften betreffende de vertrouwelijkheid van handelsgegevens.

Artikel 24

Overleg met belanghebbenden

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, in passende mate rekening houden met de standpunten van eindgebruikers, in het bijzonder consumenten en eindgebruikers met een handicap), fabrikanten en ondernemingen die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden over aangelegenheden die verband houden met alle eindgebruikers- en consumentenrechten, waaronder een gelijkwaardige toegang en keuze voor eindgebruikers met een handicap, met betrekking tot voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten, met name wanneer zij een belangrijke invloed hebben op de markt.

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, een raadplegingsmechanisme opzetten dat toegankelijk is voor eindgebruikers met een handicap en dat waarborgt dat bij hun besluitvorming inzake vraagstukken die verband houden met alle rechten van eindgebruikers en consumenten wat voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten betreft op passende wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de consument op het gebied van elektronische communicatie.

2.   Belanghebbende partijen kunnen, met advies van de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, mechanismen ontwikkelen, waarbij consumenten, gebruikersgroepen en aanbieders van diensten worden betrokken, teneinde de algehele kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren door onder meer gedragscodes en functioneringsnormen te ontwikkelen en bij te houden.

3.   Onverminderd de met het Unierecht strokende nationale voorschriften ter bevordering van doelstellingen op het gebied van cultuur- en mediabeleid, zoals culturele en taaldiversiteit en mediapluriformiteit, kunnen de bevoegde instanties, in voorkomend geval in coördinatie met de nationale regelgevende instanties, de samenwerking bevorderen tussen de ondernemers die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden en de sectoren die geïnteresseerd zijn in de bevordering van wettelijke inhoud in elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Die samenwerking kan ook de coördinatie omvatten van de informatie van algemeen belang die op grond van artikel 103, lid 4, ter beschikking moet worden gesteld.

Artikel 25

Buitengerechtelijke beslechting van geschillen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor, of ten minste één onafhankelijk orgaan met bewezen deskundigheid in, de toepassing van de artikelen 102 tot en met 107 en artikel 115 van deze richtlijn, is opgenomen in de lijst van entiteiten voor alternatieve geschillenbeslechting overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2013/11/EU, teneinde geschillen tussen aanbieders en consumenten te beslechten die in het kader van deze richtlijn ontstaan en die betrekking hebben op de prestaties van contracten. De lidstaten kunnen door die instantie of dat orgaan verleende toegang tot procedures voor alternatieve geschillenbeslechting uitbreiden tot andere eindgebruikers dan consumenten, met name micro-ondernemingen en kleine ondernemingen.

2.   Indien partijen uit verschillende lidstaten bij het geschil betrokken zijn, coördineren de lidstaten hun inspanningen om het geschil te beslechten, onverminderd Richtlijn 2013/11/EU.

Artikel 26

Beslechting van geschillen tussen ondernemingen

1.   Wanneer op een onder deze richtlijn vallend gebied een geschil in verband met de bestaande verplichtingen ontstaat tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in een lidstaat, of tussen dergelijke ondernemingen en andere ondernemingen in de lidstaat die profiteert van de verplichtingen op het gebied van toegang of interconnectie, of tussen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten in een lidstaat en aanbieders van bijbehorende faciliteiten, neemt de betrokken nationale regelgevende instantie op verzoek van een van beide partijen en onverminderd lid 2, op basis van duidelijke en efficiënte procedures, een bindend besluit om het geschil te beslechten, en wel zo spoedig mogelijk of in ieder geval binnen vier maanden behalve in uitzonderlijke omstandigheden. De betrokken lidstaten zorgen ervoor dat alle partijen volledig met de nationale regelgevende instantie samenwerken.

2.   De lidstaten kunnen bepalen dat de nationale regelgevende instanties kunnen besluiten een geschil niet op te lossen indien er andere mechanismen bestaan, met inbegrip van bemiddeling, die beter zouden bijdragen tot het tijdige beslechten van het geschil overeenkomstig de in artikel 3 genoemde doelstellingen. De nationale regelgevende instantie stelt de partijen daarvan onverwijld in kennis. Indien het geschil na vier maanden niet is beslecht en indien het geschil door de eisende partij nog niet voor de rechter is gebracht, neemt de nationale regelgevende instantie op verzoek van een van de partijen een bindend besluit om het geschil zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen vier maanden, te beslechten.

3.   Bij het beslechten van een geschil laat de nationale regelgevende instantie zich leiden door het nastreven van de doelstellingen van artikel 3. De verplichtingen die de nationale regelgevende instantie aan een onderneming oplegt in het kader van het oplossen van een geschil voldoen aan deze richtlijn.

4.   Het besluit van de nationale regelgevende instantie wordt openbaar gemaakt, met inachtneming van de voorschriften betreffende vertrouwelijkheid van handelsgegevens. De nationale regelgevende instantie verstrekt aan de betrokken partijen een volledig verslag van de redenen waarop het besluit is gebaseerd.

5.   De procedure van de leden 1, 3 en 4 laat het recht van elk der partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

Artikel 27

Beslechting van grensoverschrijdende geschillen

1.   Wanneer op een onder deze richtlijn vallend gebied een geschil ontstaat tussen ondernemingen in verschillende lidstaten, zijn de leden 2, 3 en 4 van toepassing. Die bepalingen zijn niet van toepassing op geschillen betreffende radiospectrumcoördinatie die onder artikel 28 vallen.

2.   Elke partij kan het geschil voorleggen aan de betrokken nationale regelgevende instantie of instanties. Indien het geschil gevolgen heeft voor de handel tussen lidstaten, wordt het door de bevoegde nationale regelgevende instantie of instanties ter kennis van Berec gebracht om er een consistente beslechting van het geschil voor te vinden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 3.

3.   Indien een dergelijke kennisgeving is gedaan, brengt Berec een advies uit waarin de nationale regelgevende instantie of instanties wordt verzocht specifieke maatregelen te nemen om het geschil te beslechten of om geen maatregelen te nemen, zulks op zo kort mogelijke termijn en in elk geval binnen vier maanden behalve in uitzonderlijke omstandigheden.

4.   De betrokken nationale regelgevende instanties wachten het advies van Berec af alvorens maatregelen te nemen om het geschil te beslechten. In uitzonderlijke omstandigheden kan een bevoegde nationale regelgevende instantie, indien er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de mededinging of de belangen van eindgebruikers te beschermen, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op eigen initiatief, voorlopige maatregelen vaststellen.

5.   Alle door een nationale regelgevende instantie aan een onderneming opgelegde verplichtingen als onderdeel van de oplossing van een geschil nemen deze richtlijn in acht, zoveel mogelijk rekening houden met de door Berec gegeven aanbeveling en binnen een maand na die aanbeveling worden vastgesteld.

6.   De procedure van lid 2 laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.

Artikel 28

Radiospectrumcoördinatie tussen de lidstaten

1.   De lidstaten en hun nationale bevoegde instanties zorgen ervoor dat het gebruik van radiospectrum op hun grondgebied zodanig wordt georganiseerd dat geen andere lidstaat wordt verhinderd op zijn grondgebied het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum overeenkomstig het Unierecht toe te staan, in het bijzonder door grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen de lidstaten.

De lidstaten nemen daartoe alle nodige maatregelen onverminderd hun verplichtingen krachtens het internationaal recht en de toepasselijke internationale overeenkomsten, zoals de radioregelgeving van de ITU en de regionale overeenkomsten voor radio van de ITU.

2.   De lidstaten werken met elkaar en, waar passend, via de Beleidsgroep Radiospectrum samen inzake de grensoverschrijdende coördinatie van het gebruik van radiospectrum teneinde:

a)

de naleving van lid 1 te waarborgen;

b)

alle problemen of geschillen op te lossen in verband met de grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie tussen lidstaten en met derde landen, waardoor lidstaten worden verhinderd het geharmoniseerde radiospectrum op hun grondgebied te gebruiken.

3.   Om de naleving van lid 1 te garanderen, kan elke betrokken lidstaat de Beleidsgroep Radiospectrum verzoeken om van haar goede diensten gebruik te maken om een probleem of geschil met betrekking tot grensoverschrijdende coördinatie of grensoverschrijdende schadelijke interferentie aan te pakken. In voorkomend geval kan de Beleidsgroep Radiospectrum in een advies een gecoördineerde oplossing voor dat probleem of geschil voorstellen.

4.   Indien de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen het probleem of het geschil niet hebben beslecht, en op verzoek van een betrokken lidstaat, kan de Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met een eventueel advies van de Beleidsgroep Radiospectrum waarin een gecoördineerde oplossing op grond van lid 3 wordt aanbevolen, besluiten vaststellen die worden gericht tot de lidstaten die betrokken zijn bij de onopgeloste schadelijke interferentie door middel van uitvoeringshandelingen om grensoverschrijdende schadelijke interferenties tussen twee of meerdere lidstaten op te lossen die hen verhinderen het geharmoniseerde radiospectrum op hun grondgebied te gebruiken.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 118, lid 4.

5.   Op verzoek van een betrokken lidstaat geeft de Unie juridische, politieke en technische bijstand voor het oplossen van radiospectrumcoördinatieproblemen met derde landen die grenzen aan de Unie, met inbegrip van kandidaat-lidstaten en toetredende landen, zodat de betrokken lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het Unierecht kunnen nakomen. Bij het verlenen van die bijstand bevordert de Unie de uitvoering van het Uniebeleid.

TITEL III

UITVOERING

Artikel 29

Sancties

1.   De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties, zo nodig met inbegrip van boetes en niet-strafrechtelijke vooraf vastgestelde of periodieke sancties, die van toepassing zijn op inbreuken op de nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn of krachtens een bindend besluit van de Commissie, de nationale regelgevende instantie of een andere op grond van deze richtlijn bevoegde instantie, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. Binnen de grenzen van het nationale recht beschikken de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties over de bevoegdheid om dergelijke sancties op te leggen. De aldus vastgestelde sancties zijn passend, doeltreffend, evenredig en ontmoedigend.

2.   De lidstaten voorzien, in het kader van de in artikel 22, lid 3, bedoelde procedure, enkel in sancties indien een onderneming of overheid bewust of uit grove nalatigheid misleidende, foutieve of onvolledige informatie verstrekt.

Bij het bepalen van de hoogte van de aan een onderneming of overheid opgelegde boetes of periodieke sancties voor het bewust of uit grove nalatigheid verstrekken van misleidende, foutieve of onvolledige informatie in het kader van de procedure bedoeld in artikel 22, lid 3, wordt onder meer beoordeeld of het gedrag van de onderneming of overheid een negatief effect op de mededinging heeft gehad, en met name of de onderneming of overheid, in tegenspraak met de oorspronkelijk verstrekte informatie of met geactualiseerde versies daarvan, een netwerk heeft uitgerold, uitgebreid of gemoderniseerd, of een netwerk niet heeft uitgerold, en geen objectieve motivering voor die verandering van de plannen heeft verstrekt.

Artikel 30

Nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of voor gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, en nakoming van specifieke verplichtingen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun relevante bevoegde instanties toezicht houden op de naleving van de voorwaarden van de algemene machtiging of van het gebruik van gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, van de specifieke in artikel 13, lid 2, bedoelde verplichtingen en van de verplichting om radiospectrum effectief en efficiënt te gebruiken overeenkomstig artikel 4, artikel 45, lid 1, en artikel 47.

De bevoegde instanties kunnen eisen dat ondernemingen die onderworpen zijn aan de algemene machtiging of gebruiksrechten hebben voor radiospectrum of voor nummervoorraden, de nodige informatie verstrekken om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of aan de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of artikel 47, overeenkomstig artikel 21.

2.   Indien een bevoegde instantie van oordeel is dat een onderneming niet voldoet aan een of meer voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of aan de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, deelt zij dit aan de onderneming mee en geeft zij de onderneming de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn haar standpunt kenbaar te maken.

3.   De bevoegde instantie kan eisen dat de in lid 2 bedoelde inbreuk wordt gestopt, hetzij onmiddellijk hetzij binnen een redelijke termijn en neemt passende en evenredige maatregelen met het oog op naleving.

In dit verband geven de lidstaten de bevoegde instanties de bevoegdheid het volgende op te leggen:

a)

waar zulks passend is, ontmoedigende geldelijke sancties, waaronder eventueel periodieke sancties met terugwerkende kracht; en

b)

de instructie om de levering van een dienst of dienstenbundel te staken die bij voortzetting zou leiden tot een aanzienlijke verstoring van de mededinging, zolang de toegangsverplichtingen die na een marktanalyse uitgevoerd overeenkomstig artikel 67 zijn opgelegd, niet worden nageleefd.

De bevoegde autoriteiten stellen de onderneming onverwijld in kennis van de maatregelen en de daaraan ten grondslag liggende redenen met opgave van een redelijke termijn binnen welke de onderneming aan de maatregel moet voldoen.

4.   Niettegenstaande de leden 2 en 3 van dit artikel geven de lidstaten de bevoegde instantie de bevoegdheid om, waar zulks passend is, geldelijke sancties op te leggen aan ondernemingen indien zij binnen een door de bevoegde instantie bepaalde redelijke termijn geen informatie verstrekken overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van artikel 21, lid 1, onder a) of b), of van artikel 69.

5.   De lidstaten geven de bevoegde instanties de bevoegdheid om bij ernstige niet-nakoming en herhaaldelijke niet-nakoming van de voorwaarden voor de algemene machtiging of de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden, of van de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of van artikel 47, lid 1 of 2, wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde maatregelen om naleving van de voorwaarden te verzekeren hebben gefaald, een onderneming te kunnen beletten verder elektronischecommunicatienetwerken of -diensten aan te bieden, of die gebruiksrechten te kunnen schorsen of intrekken. De lidstaten geven de bevoegde instantie de bevoegdheid om sancties op te leggen die doelmatig, evenredig en ontmoedigend zijn. Die sancties kunnen worden toegepast om de periode van een inbreuk te bestrijken, zelfs indien de inbreuk vervolgens is rechtgezet.

6.   Niettegenstaande de leden 2, 3 en 5 van dit artikel kan de bevoegde instantie, indien zij over bewijzen beschikt dat een inbreuk op de voorwaarden voor de algemene machtiging, op de gebruiksrechten voor radiospectrum en voor nummervoorraden of op de specifieke verplichtingen van artikel 13, lid 2, of artikel 47, lid 1 of 2, een directe en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, of ernstige economische of bedrijfstechnische problemen voor andere aanbieders of gebruikers van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten tot gevolg zal hebben, in afwachting van een definitief besluit tussentijdse spoedmaatregelen nemen om een eind te maken aan de situatie. De bevoegde autoriteiten bieden de betrokken onderneming een redelijke gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken en oplossingen voor te stellen. In voorkomend geval kan de bevoegde instantie de voorlopige maatregelen bevestigen; deze zijn maximaal drie maanden geldig, maar kunnen in omstandigheden waarin de handhavingsprocedures niet zijn afgerond, met nog een periode van maximaal drie maanden worden verlengd.

7.   Ondernemingen hebben overeenkomstig de in artikel 31 bedoelde procedure het recht beroep in te stellen tegen uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen.

Artikel 31

Recht van beroep

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat er op nationaal niveau doeltreffende regelingen voorhanden zijn krachtens welke iedere gebruiker of onderneming die elektronischecommunicatienetwerken of -diensten of bijbehorende faciliteiten aanbiedt, die door een beslissing van een bevoegde instantie is getroffen, het recht heeft om tegen die beslissing beroep in te stellen bij een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van elke externe interventie of politieke druk die afbreuk zou kunnen doen aan haar onafhankelijke oordeel over de vraagstukken die haar worden voorgelegd. Die instantie, bijvoorbeeld een rechtbank, bezit de nodige deskundigheid om haar taken effectief te kunnen uitoefenen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de feiten van de zaak naar behoren in aanmerking worden genomen.

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt de beslissing van de bevoegde instantie gehandhaafd, tenzij overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend.

2.   Indien de in lid 1 van dit artikel genoemde beroepsinstantie geen rechtscollege is, moeten haar beslissingen altijd schriftelijk met redenen worden omkleed. Voorts moet het in dat geval mogelijk zijn tegen die beslissingen beroep in te stellen bij een rechterlijke instantie in de zin van artikel 267 VWEU.

De lidstaten zien erop toe dat het beroepsmechanisme doeltreffend is.

3.   De lidstaten verzamelen informatie over het algemene voorwerp van de beroepen, het aantal verzoeken voor beroep, de duur van de beroepsprocedures en het aantal besluiten om voorlopige maatregelen te verlenen. De lidstaten verstrekken die gegevens alsook de besluiten en rechterlijke beslissingen aan de Commissie, respectievelijk aan Berec ingevolge hun met redenen omkleed verzoek.

TITEL IV

INTERNEMARKTPROCEDURES

HOOFDSTUK I

Artikel 32

Consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie

1.   De nationale regelgevende instanties houden bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven taken zoveel mogelijk rekening met de doelstellingen van artikel 3.

2.   Nationale regelgevende instanties dragen bij tot de ontwikkeling van de interne markt door op transparante wijze met elkaar en met de Commissie en Berec samen te werken om te zorgen voor de consistente toepassing in alle lidstaten van deze richtlijn. Hiertoe moeten zij met name samenwerken met de Commissie en Berec om na te gaan welke soorten instrumenten en oplossingen het meest geschikt zijn om bepaalde soorten situaties op de markt aan te pakken.

3.   Tenzij anders bepaald in aanbevelingen of richtsnoeren die zijn vastgesteld op grond van artikel 34 na afronding van de eventueel noodzakelijke openbare raadpleging uit hoofde van artikel 23, maakt een nationale regelgevende instantie, indien zij voornemens is een maatregel te nemen die:

a)

valt binnen de draagwijdte van artikel 61, 64, 67, 68 of 83; en

b)

van invloed is op de handel tussen de lidstaten,

de ontwerpmaatregel bekend en deelt zij deze mee aan de Commissie, aan Berec en aan de nationale regelgevende instanties in andere lidstaten, vergezeld van een motivering overeenkomstig artikel 20, lid 3. De nationale regelgevende instanties, Berec en de Commissie krijgen een maand de tijd om opmerkingen over die ontwerpmaatregel in te dienen. De periode van één maand wordt niet verlengd.

4.   De ontwerpmaatregel als bedoeld in lid 3 van dit artikel wordt met nog eens twee maanden uitgesteld indien die maatregel betrekking heeft op:

a)

het definiëren van een relevante markt die verschilt van de markten die in de aanbeveling zoals bedoeld in artikel 64, lid 1, zijn gedefinieerd; of

b)

het aanwijzen van een onderneming die, hetzij individueel of gezamenlijk met anderen, aanmerkelijke marktmacht bezit overeenkomstig artikel 67, lid 3 of 4;

en van invloed zou zijn op de handel tussen de lidstaten, en de Commissie de nationale regelgevende instantie heeft meegedeeld dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt of indien zij ernstige twijfels heeft omtrent de verenigbaarheid van de ontwerpmaatregel met het Unierecht en met name met de in artikel 3 genoemde doelstellingen. Die periode van twee maanden kan niet worden verlengd. De Commissie stelt Berec en de nationale regelgevende instanties in dat geval in kennis van haar voorbehouden en maakt deze tegelijkertijd openbaar.

5.   Berec maakt een advies bekend over de in lid 4 genoemde voorbehouden van de Commissie, geeft aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken en doet hiertoe zo nodig specifieke voorstellen.

6.   De Commissie kan binnen de in lid 4 genoemde periode van twee maanden hetzij:

a)

een besluit nemen waarmee zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt dat deze de ontwerpmaatregel intrekt; of

b)

besluiten haar in lid 4 bedoelde voorbehouden in te trekken.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het advies van Berec alvorens een besluit te nemen.

Besluiten zoals bedoeld in punt a) gaan vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging ervan.

7.   Uiterlijk zes maanden na de dag waarop de Commissie overeenkomstig lid 6, punt a), van dit artikel een besluit heeft genomen waarmee van de nationale regelgevende instantie wordt verlangd dat deze een ontwerpmaatregel intrekt, trekt de nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel in dan wel wijzigt zij deze. Indien de ontwerpmaatregel wordt gewijzigd houdt de nationale regelgevende instantie een openbare raadpleging in overeenstemming met artikel 23, en stelt zij de Commissie in kennis van de gewijzigde ontwerpmaatregel overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

8.   De betrokken nationale regelgevende instantie houdt zoveel mogelijk rekening met opmerkingen van andere nationale regelgevende instanties, van Berec en van de Commissie en kan, uitgezonderd in de in lid 4 en lid 6, punt a), genoemde gevallen, de uiteindelijke ontwerpmaatregel goedkeuren en deelt die, in voorkomend geval, aan de Commissie mee.

9.   De nationale regelgevende instantie deelt de Commissie en Berec alle aangenomen definitieve maatregelen mee die onder de punten a) en b) van lid 3 vallen.

10.   In uitzonderlijke omstandigheden kan een nationale regelgevende instantie die oordeelt dat er een dringende noodzaak is om te handelen, in afwijking van de procedure genoemd in de leden 3 en 4, teneinde de concurrentie te waarborgen en de belangen van de gebruikers te beschermen, onmiddellijk evenredige en voorlopige maatregelen vaststellen. Zij deelt die maatregelen onverwijld volledig met redenen omkleed mede aan de Commissie, aan de andere nationale regelgevende instanties en aan Berec. Een besluit van de nationale regelgevende instantie om dergelijke maatregelen permanent te maken of de periode waarvoor zij van toepassing zijn, te verlengen, valt onder de leden 3 en 4.

11.   Een nationale regelgevende instantie kan een ontwerpmaatregel te allen tijde intrekken.

Artikel 33

Procedure voor de consequente toepassing van oplossingen

1.   Indien een voorgenomen maatregel in het kader van artikel 32, lid 3, bedoeld is om een verplichting voor een onderneming op te leggen, te wijzigen of in te trekken in toepassing van artikel 61 of 67 in samenhang met de artikelen 69 tot en met 76 en artikel 83, kan de Commissie, binnen de periode van één maand zoals bedoeld in artikel 32, lid 3, de betrokken nationale regelgevende instantie en Berec in kennis stellen van de redenen waarom zij vindt dat de ontwerpmaatregel een belemmering voor de interne markt opwerpt, of van de ernstige twijfels die zij heeft omtrent de verenigbaarheid van de maatregel met het Unierecht. In een dergelijk geval wordt het vaststellen van de maatregel uitgesteld tot drie maanden na de kennisgeving van de Commissie.

Bij uitblijven van een dergelijke kennisgeving kan de betrokken nationale regelgevende instantie de ontwerpmaatregel vaststellen, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met eventuele opmerkingen die door de Commissie, Berec of door andere nationale regelgevende instanties zijn gemaakt.

2.   Binnen de in lid 1 van dit artikel genoemde periode van drie maanden werken de Commissie, Berec en de betrokken nationale regelgevende instantie nauw samen om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen in het licht van de doelstellingen van artikel 3, waarbij rekening wordt gehouden met de standpunten van marktdeelnemers en de noodzaak om te zorgen voor de ontwikkeling van een consequente regelgevingspraktijk.

3.   Binnen zes weken vanaf het begin van de in lid 1 genoemde periode van drie maanden brengt Berec advies uit over de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de Commissie, geeft het aan of het van mening is dat de ontwerpmaatregel moet worden gewijzigd of ingetrokken en doet het hiertoe zo nodig specifieke voorstellen. Dat advies is met redenen omkleed en wordt openbaar gemaakt.

4.   Indien Berec in zijn advies de ernstige twijfels van de Commissie deelt, werkt het nauw samen met de betrokken nationale regelgevende instantie om de meest geschikte en effectieve maatregel vast te stellen. Vóór het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden kan de nationale regelgevende instantie hetzij:

a)

de ontwerpmaatregel wijzigen of intrekken, zoveel mogelijk rekening houdend met de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de Commissie en het advies van Berec; of

b)

de ontwerpmaatregel handhaven.

5.   De Commissie kan binnen een maand na het einde van de in lid 1 bedoelde periode van drie maanden en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec:

a)

een aanbeveling doen waarin zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt de ontwerpmaatregel te wijzigen of in te trekken, en waarin zij haar aanbeveling met redenen omkleedt, met name wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie niet deelt, en specifieke voorstellen hiertoe voorstellen;

b)

besluiten haar overeenkomstig lid 1 aangegeven voorbehouden in te trekken; of

c)

voor ontwerpmaatregelen die onder artikel 61, lid 3, tweede alinea, of onder artikel 76, lid 2, vallen, een besluit nemen waarbij zij van de betrokken nationale regelgevende instantie verlangt de ontwerpmaatregel in te trekken, wanneer Berec de ernstige twijfels van de Commissie deelt. Het besluit gaat vergezeld van een gedetailleerde en objectieve analyse van de redenen waarom de Commissie van mening is dat de ontwerpmaatregel niet dient te worden genomen, samen met specifieke voorstellen tot wijziging van de ontwerpmaatregel die onderworpen is aan de in artikel 32, lid 7, bedoelde procedure, die van overeenkomstige toepassing is.

6.   Binnen een maand na de aanbeveling van de Commissie overeenkomstig lid 5, punt a), of de intrekking van haar voorbehouden overeenkomstig lid 5, punt b), deelt de betrokken nationale regelgevende instantie de vastgestelde definitieve maatregel aan de Commissie en aan Berec mee.

Die periode kan worden verlengd om de nationale regelgevende instantie in staat te stellen overeenkomstig artikel 23 een openbare raadpleging te houden.

7.   Indien de nationale regelgevende instantie besluit de ontwerpmaatregel niet te wijzigen of in te trekken op basis van de overeenkomstig lid 5, punt a), gedane aanbeveling, dient zij dit met redenen te omkleden.

8.   De nationale regelgevende instantie kan de voorgestelde ontwerpmaatregel op elk moment tijdens de procedure intrekken.

Artikel 34

Uitvoeringsbepalingen

Na een openbare raadpleging en na raadpleging van de nationale regelgevende instanties en zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec, kan de Commissie in verband met artikel 32 aanbevelingen of richtsnoeren aannemen tot vaststelling van het format, de inhoud en de gedetailleerdheid van de in artikel 32, lid 3, bedoelde kennisgeving, alsmede van de omstandigheden waaronder kennisgeving niet vereist zou zijn, en de wijze waarop de termijnen worden berekend.

HOOFDSTUK II

Consistente toewijzing van radiospectrum

Artikel 35

Peerreviewprocedure

1.   Indien de nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie voornemens is om overeenkomstig artikel 55, lid 2, een selectieprocedure te volgen in verband met radiospectrum waarvoor geharmoniseerde voorwaarden zijn vastgesteld door middel van technische uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG om het gebruik ervan voor draadlozebreedbandnetwerken en -dienstenmogelijk te maken, stelt zij op grond van artikel 23 de Beleidsgroep Radiospectrum in kennis van eventuele ontwerpmaatregelen die onder het toepassingsgebied van de vergelijkende of op mededinging gebaseerde selectieprocedure op grond van artikel 55, lid 2, vallen en geeft zij aan of en wanneer zij de Beleidsgroep Radiospectrum zal verzoeken een peerreviewforum bijeen te roepen.

Op verzoek organiseert de Beleidsgroep Radiospectrum een peerreviewforum om te debatteren en van gedachten te wisselen over de toegezonden ontwerpmaatregelen en faciliteert zij de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken in verband met die ontwerpmaatregelen.

Het peerreviewforum bestaat uit de leden van de Beleidsgroep Radiospectrum en wordt door een vertegenwoordiger ervan georganiseerd en voorgezeten.

2.   Uiterlijk tijdens de openbare raadpleging op grond van artikel 23 kan de Beleidsgroep Radiospectrum bij wijze van uitzondering het initiatief nemen om volgens de toepasselijke organisatieregels een peerreviewforum bijeen te roepen om ervaringen en beste praktijken met betrekking tot een ontwerpmaatregel betreffende een selectieprocedure uit te wisselen indien de ontwerpmaatregel naar haar oordeel aanzienlijk afbreuk zou doen aan het vermogen van de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie om de in de artikelen 3, 45, 46 en 47 vervatte doelstellingen te verwezenlijken.

3.   De Beleidsgroep Radiospectrum omschrijft van tevoren de objectieve criteria voor het bij wijze van uitzondering bijeenroepen van het peerreviewforum en maakt deze bekend.

4.   Tijdens het peerreviewforum legt de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie uit hoe de ontwerpmaatregel:

a)

de ontwikkeling van de interne markt, de grensoverschrijdende verlening van diensten en de mededinging bevordert en tevens de voordelen voor de consumenten maximaliseert, en in het algemeen de in de artikelen 3, 45, 46 en 47 van deze richtlijn, alsmede in Beschikking nr. 676/2002/EG en Besluit nr. 243/2012/EU vervatte doelstellingen verwezenlijkt;

b)

een doeltreffend en doelmatig gebruik van radiospectrum waarborgt; en

c)

stabiele en voorspelbare investeringsvoorwaarden voor bestaande en toekomstige radiospectrumgebruikers garandeert bij de uitrol van netwerken voor de verrichting van elektronischecommunicatiediensten die afhankelijk zijn van radiospectrum.

5.   Het peerreviewforum staat open voor vrijwillige deelname door deskundigen van andere bevoegde instanties en van Berec.

6.   Het peerreviewforum wordt tijdens de algemene nationale voorbereiding en raadpleging in verband met één selectieprocedure voor een of meer radiospectrumbanden slechts eenmaal bijeengeroepen, tenzij de nationale regelgevende instantie of de andere bevoegde instantie verlangt dat het opnieuw wordt bijeengeroepen.

7.   Op verzoek van de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie die om de bijeenkomst heeft verzocht, kan de Beleidsgroep Radiospectrum een verslag aannemen waarin wordt uiteengezet hoe de ontwerpmaatregel de in lid 4 vermelde doelstellingen verwezenlijkt, en waarin de gedachtewisseling in het peerreviewforum wordt weergegeven.

8.   De Beleidsgroep Radiospectrum brengt elk jaar in februari verslag uit over de op grond van de leden 1 en 2 besproken ontwerpmaatregelen. Het verslag maakt melding van de vastgestelde ervaringen en beste praktijken.

9.   Na afloop van het peerreviewforum kan de Beleidsgroep Radiospectrum op verzoek van de nationale regelgevende of een andere bevoegde instantie die om de bijeenkomst heeft verzocht, een advies over de ontwerpmaatregel aannemen.

Artikel 36

Geharmoniseerde toewijzing van radiospectrum

Wanneer het gebruik van radiospectrum is geharmoniseerd, de voorwaarden en procedures voor toegang zijn overeengekomen en de ondernemingen waaraan het radiospectrum zal worden toegewezen, geselecteerd zijn overeenkomstig de internationale overeenkomsten en de Unieregels, verlenen de lidstaten dienovereenkomstig het gebruiksrecht voor radiospectrum. Als in het geval van een gezamenlijke selectieprocedure aan alle aan het gebruiksrecht van de betrokken radiospectrum verbonden voorwaarden is voldaan, mogen de lidstaten geen nadere voorwaarden, bijkomende criteria of procedures opleggen die de correcte toepassing van de gemeenschappelijke toewijzing van dergelijk radiospectrum beperken, wijzigen of uitstellen.

Artikel 37

Gezamenlijke machtigingsprocedure voor de verlening van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum

Twee of meer lidstaten kunnen met elkaar en met de Beleidsgroep Radiospectrum samenwerken, rekening houdend met door marktdeelnemers getoonde belangstelling, door gezamenlijk de gemeenschappelijke aspecten van een machtigingsprocedure vast te stellen en, in voorkomend geval, ook de selectieprocedure voor de verlening van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum te voeren.

Wanneer zij de gezamenlijke machtigingsprocedure opstellen, kunnen de lidstaten de volgende criteria overwegen:

a)

de individuele nationale machtigingsprocedures worden ingeleid en uitgevoerd door de bevoegde instanties volgens een onderling overeengekomen schema;

b)

zij voorziet in voorkomend geval in gezamenlijke voorwaarden en procedures voor de selectie en verlening van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum aan de betrokken lidstaten;

c)

zij voorziet in voorkomend geval in gezamenlijke of vergelijkbare voorwaarden die worden verbonden aan de individuele gebruiksrechten voor radiospectrum voor de betrokken lidstaten, wat onder meer de toekenning van gelijkaardige radiospectrumblokken aan gebruikers mogelijk maakt;

d)

zij staat te allen tijde open voor andere lidstaten totdat de gezamenlijke machtigingsprocedure is uitgevoerd.

Indien de lidstaten, ondanks de door marktdeelnemers geuite belangstelling, niet gezamenlijk handelen, stellen zij die marktdeelnemers in kennis van de redenen van hun beslissing.

HOOFDSTUK III

Harmonisatieprocedures

Artikel 38

Harmonisatieprocedures

1.   De Commissie kan, wanneer zij vaststelt dat verschillen bij de tenuitvoerlegging door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de in deze richtlijn gespecificeerde reguleringstaken, obstakels zouden kunnen opwerpen voor de interne markt, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec of, in voorkomend geval, van de Beleidsgroep Radiospectrum, aanbevelingen vaststellen of met inachtneming van lid 3 van dit artikel besluiten vaststellen door middel van uitvoeringshandelingen om de geharmoniseerde toepassing van deze richtlijn bij de verwezenlijking van de in artikel 3 vermelde doelstellingen te garanderen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties en andere bevoegde instanties bij de uitvoering van hun taken zoveel mogelijk rekening houden met de in lid 1 bedoelde aanbevelingen. Indien een nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie besluit om een aanbeveling niet op te volgen, brengt zij de Commissie daarvan op de hoogte met vermelding van de motivering van haar standpunt.

3.   Op grond van lid 1 genomen besluiten schrijven enkel voor de volgende aangelegenheden een geharmoniseerde of gecoördineerde aanpak voor:

a)

de inconsequente uitvoering, door de nationale regelgevende instanties, van algemene regelgeving betreffende elektronischecommunicatiemarkten ter toepassing van de artikelen 64 en 67, indien dit een obstakel opwerpt voor de interne markt. Dergelijke besluiten hebben geen betrekking op de specifieke kennisgevingen die op grond van artikel 32 door de nationale regelgevende instanties worden gedaan; in een dergelijk geval stelt de Commissie alleen een ontwerpbesluit voor:

i)

na ten minste twee jaar volgend op de goedkeuring van een aanbeveling van de Commissie over hetzelfde onderwerp; en

ii)

zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van Berec over de vaststelling van een dergelijk besluit, dat binnen drie maanden na het verzoek van de Commissie door Berec wordt ingediend;

b)

de nummering, met inbegrip van nummerreeksen, de overdraagbaarheid van nummers en identificatienummers, nummer- en adresvertaalsystemen en toegang tot de hulpdiensten via het uniforme Europese alarmnummer 112.

4.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 118, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Berec kan de Commissie op eigen initiatief advies verstrekken over de vraag of maatregelen moeten worden genomen op grond van lid 1.

6.   Indien de Commissie geen aanbeveling of besluit heeft vastgesteld binnen één jaar na de datum van vaststelling van een Berec-advies waarin wordt aangegeven dat er bij de tenuitvoerlegging door de nationale regelgevende instanties of andere bevoegde instanties van de in deze richtlijn gespecificeerde regelgevingstaken verschillen bestaan die obstakels voor de interne markt zouden kunnen opwerpen, stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de redenen waarom zij dit niet heeft gedaan, en maakt zij die redenen openbaar.

Indien de Commissie overeenkomstig lid 1 een aanbeveling heeft vastgesteld, maar de inconsistente tenuitvoerlegging die obstakels voor de interne markt opwerpt, twee jaar daarna nog steeds aanhoudt, stelt de Commissie, met inachtneming van lid 3, een besluit vast door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig lid 4.

Indien de Commissie één jaar na een op grond van de tweede alinea vastgestelde aanbeveling geen besluit heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad in kennis van de redenen waarom zij dit niet gedaan, en maakt zij die redenen openbaar.

Artikel 39

Normalisatie

1.   De Commissie stelt een lijst van niet-verplichte normen of specificaties op die moet dienen als basis voor het aanmoedigen van het geharmoniseerde aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken, elektronischecommunicatiediensten en bijbehorende faciliteiten en diensten, en publiceert deze in het Publicatieblad van de Europese Unie. Waar nodig kan de Commissie na raadpleging van het bij Richtlijn (EU) 2015/1535 ingestelde Comité, verzoeken dat er normen worden opgesteld door de Europese normalisatieorganisaties (de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI)).

2.   De lidstaten moedigen het gebruik aan van de in lid 1 bedoelde normen of specificaties voor het aanbieden van diensten, technische interfaces of netwerkfuncties, voor zover dat strikt nodig is om interoperabiliteit van diensten, eind-tot-eind verbindingen, facilitering van de overstap naar een andere aanbieder en overdraagbaarheid van nummers en identificatienummers te waarborgen en de keuzevrijheid van de gebruikers te verbeteren.

Indien de normen of specificaties niet zijn gepubliceerd overeenkomstig lid 1, moedigen de lidstaten de toepassing aan van normen of specificaties die zijn vastgesteld door Europese normalisatieorganisaties.

Indien dergelijke normen of specificaties ontbreken, moedigen de lidstaten de toepassing aan van internationale normen of aanbevelingen die door de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU), de Europese Conferentie van de administraties van posterijen en van telecommunicatie (CEPT), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) zijn aangenomen.

Indien er internationale normen bestaan, moedigen de lidstaten de Europese normalisatieorganisaties aan om die normen of de relevante onderdelen daarvan te gebruiken als basis voor de normen die zij ontwikkelen, tenzij dergelijke internationale normen of relevante onderdelen daarvan ondoeltreffend zouden zijn.

Geen van de normen en specificaties bedoeld in lid 1 of in het onderhavige lid belet toegang als krachtens deze richtlijn vereist kan zijn, waar dat uitvoerbaar is.

3.   Indien de in lid 1 bedoelde normen of specificaties niet in toereikende mate zijn toegepast, zodat de interoperabiliteit van diensten in één of meer lidstaten niet kan worden gewaarborgd, kan de toepassing van die normen of specificaties verplicht worden gesteld overeenkomstig lid 4, voor zover dat strikt noodzakelijk is om de interoperabiliteit te waarborgen en de keuzevrijheid van de gebruikers te verbeteren.

4.   Indien de Commissie voornemens is de toepassing van bepaalde normen of specificaties verplicht te stellen, publiceert zij een mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie en nodigt zij alle betrokken partijen uit om hun opmerkingen openbaar mee te delen. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de toepassing van de relevante normen verplicht door deze te vermelden als verplichte normen in de lijst van normen of specificaties die wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   Indien de Commissie van mening is dat de in lid 1 bedoelde normen of specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronischecommunicatiediensten, niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, schrapt zij die normen of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen of specificaties.

6.   Indien de Commissie van mening is dat de in lid 4 bedoelde normen of specificaties niet langer bijdragen tot de levering van geharmoniseerde elektronischecommunicatiediensten, niet langer beantwoorden aan de behoeften van de consument of de technologische ontwikkeling in de weg staan, schrapt zij door middel van uitvoeringshandelingen die normen of specificaties van de in lid 1 bedoelde lijst van normen of specificaties.

7.   De uitvoeringshandelingen bedoeld in de leden 4 en 6 van dit artikel worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 118, lid 4.

8.   Dit artikel geldt niet voor de essentiële vereisten, interfacespecificaties of geharmoniseerde normen waarop Richtlijn 2014/53/EU van toepassing is.

TITEL V

VEILIGHEID

Artikel 40

Veiligheid van netwerken en diensten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen nemen om de risico's voor de veiligheid van hun netwerken of diensten goed te beheersen. Die maatregelen zorgen, gezien de stand van de techniek, voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op de risico's die zich voordoen. Er worden met name maatregelen, waaronder in voorkomend geval versleuteling, genomen om de impact van beveiligingsincidenten op gebruikers en op andere netwerken en diensten zo laag mogelijk te houden.

Het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) faciliteert, in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 526/2013 van het Europees Parlement en de Raad (45), de coördinatie tussen de lidstaten om te voorkomen dat de nationale voorschriften uiteenlopen, hetgeen zou kunnen leiden tot veiligheidsrisico's en obstakels voor de interne markt.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of van voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten de bevoegde instantie zonder onnodige vertraging in kennis stellen van beveiligingsincidenten die een belangrijke impact hadden op het functioneren van netwerken of diensten.

Om te bepalen of een beveiligingsincident een belangrijke impact heeft, wordt, voor zover beschikbaar, met name met de volgende parameters rekening gehouden:

a)

het aantal gebruikers dat gevolgen ondervindt van het beveiligingsincident;

b)

de duur van het beveiligingsincident;

c)

de geografische spreiding van het door het beveiligingsincident getroffen gebied;

d)

de mate waarin het functioneren van het netwerk of de dienst wordt aangetast;

e)

de omvang van de impact op de economische en maatschappelijke activiteiten.

In voorkomend geval brengt de betrokken bevoegde instantie de bevoegde instanties in andere lidstaten en Enisa op de hoogte. De betrokken bevoegde instantie kan het publiek hiervan op de hoogte brengen of eisen dat de aanbieders dit doen, indien zij de bekendmaking van het beveiligingsincident in het algemeen belang acht.

Eenmaal per jaar dient de betrokken bevoegde instantie bij de Commissie en bij Enisa een samenvattend verslag in over de kennisgevingen die zij heeft ontvangen en de maatregelen die overeenkomstig dit lid zijn genomen.

3.   De lidstaten zien erop toe dat de aanbieders van openbare communicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten, in geval van een specifieke en significante dreiging van een beveiligingsincident voor die netwerken of diensten, hun gebruikers die gevolgen van die dreiging kunnen ondervinden, informeren over mogelijke beschermingsmaatregelen of oplossingen die de gebruikers kunnen toepassen. Waar passend stellen de aanbieders de gebruikers ook van de dreiging zelf in kennis.

4.   Dit artikel doet geen afbreuk aan Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG.

5.   De Commissie kan, zo veel mogelijk rekening houdend met het advies van Enisa, uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de in lid 1 bedoelde technische en organisatorische maatregelen, alsmede van de omstandigheden, de formats en de procedures die op grond van lid 2 gelden voor kennisgevingsvereisten. Zij worden zoveel mogelijk gebaseerd op Europese en internationale normen, en beletten niet dat de lidstaten aanvullende eisen vaststellen om te voldoen aan de in de lid 1 genoemde doelstellingen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 118, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 41

Toepassing en handhaving

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties met het oog op de uitvoering van artikel 40 de bevoegdheid hebben om aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten bindende instructies te geven, onder meer betreffende de maatregelen die nodig zijn om een beveiligingsincident op te lossen of te voorkomen wanneer een significante dreiging is vastgesteld, en betreffende het tijdschema voor de uitvoering.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties de bevoegdheid hebben om van aanbieders van openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten te verlangen dat zij:

a)

de informatie verschaffen die nodig is om de veiligheid van hun netwerken en diensten te beoordelen, met inbegrip van gedocumenteerde beveiligingsmaatregelen; en

b)

een veiligheidscontrole laten uitvoeren door een gekwalificeerde onafhankelijke instantie of een bevoegde instantie en de resultaten ervan beschikbaar stellen aan de bevoegde instantie; de kosten van de controle worden door de aanbieder gedragen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instanties alle nodige bevoegdheden hebben om gevallen van niet-naleving te onderzoeken, evenals de effecten ervan op de beveiliging van de netwerken en diensten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat, ter uitvoering van artikel 40, de bevoegde instanties de bevoegdheid hebben om de hulp in te roepen van een „Computer Security Incident Response Team” (CSIRT), dat op grond van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/1148 is aangewezen met betrekking tot kwesties die vallen onder de taken van de CSIRT's op grond van punt 2 van bijlage I bij die richtlijn.

5.   Waar nodig en in overeenstemming met het nationale recht werken de bevoegde instanties samen met, en overleggen zij met, de relevante nationale rechtshandhavingsinstanties, de bevoegde instanties als omschreven in artikel 8, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/1148 en de nationale instanties voor gegevensbescherming.

DEEL II

NETWERKEN

TITEL I

TOEGANG TOT DE MARKT EN IMPLEMENTATIE

HOOFDSTUK I

Vergoedingen

Artikel 42

Vergoedingen voor gebruiksrechten voor radiospectrum en rechten om faciliteiten te installeren

1.   De lidstaten kunnen de bevoegde instantie toestaan de gebruiksrechten voor radiospectrum of rechten om faciliteiten die worden gebruikt voor de levering van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en aanverwante faciliteiten te installeren op, over of onder openbare of particuliere eigendom, te onderwerpen aan vergoedingen die een optimaal gebruik van die middelen waarborgen. De lidstaten zorgen ervoor dat die vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn, en in verhouding staan tot het beoogde doel en zij houden rekening met de algemene doelstellingen van deze richtlijn.

2.   Met betrekking tot de gebruiksrechten voor radiospectrum trachten de lidstaten ervoor te zorgen dat de toepasselijke vergoedingen worden vastgesteld op een niveau dat efficiënte toewijzing en gebruik van radiospectrum garandeert, onder andere door:

a)

reserveprijzen vast te stellen als minimumvergoeding voor gebruiksrechten voor radiospectrum door rekening te houden met de waarde van die rechten bij hun mogelijke alternatieve toepassingen;

b)

rekening te houden met de kosten die worden gemaakt als gevolg van aan die rechten verbonden voorwaarden; en

c)

zo veel mogelijk de betalingsregelingen in verband met de daadwerkelijke beschikbaarheid voor het gebruik van het radiospectrum toe te passen.

HOOFDSTUK II

Toegang tot grond

Artikel 43

Toegangsrechten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een bevoegde instantie een aanvraag behandelt voor het verlenen van rechten:

om faciliteiten te installeren op, over of onder openbare of particuliere eigendom, aan een onderneming die gemachtigd is om openbare elektronischecommunicatienetwerken aan te bieden, of

om faciliteiten te installeren op, over of onder openbare eigendom aan een onderneming die gemachtigd is om niet-openbare elektronischecommunicatienetwerken aan te bieden,

die bevoegde instantie:

a)

handelt op basis van eenvoudige, efficiënte, transparante en voor het publiek beschikbare procedures die zonder discriminatie en onverwijld worden toegepast, en in ieder geval een besluit neemt binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag, behalve in geval van onteigening, en

b)

de beginselen van transparantie en non-discriminatie volgt bij het verbinden van voorwaarden aan die rechten.

De in de punten a) en b) genoemde procedures kunnen variëren naargelang de aanvrager al dan niet openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbiedt.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien lokale of andere overheden de eigendom behouden van of de zeggenschap behouden over ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken of voor het publiek beschikbare elektronischecommunicatiediensten aanbieden, er een daadwerkelijke structurele scheiding is tussen de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de in lid 1 bedoelde rechten en de activiteiten die verband houden met de eigendom of zeggenschap.

Artikel 44

Colocatie en gedeeld gebruik van netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten voor aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken

1.   Indien een exploitant krachtens het nationale recht gebruik heeft gemaakt van het recht om faciliteiten op, over of onder openbare of particuliere eigendom te installeren, of een procedure voor de onteigening of het gebruik van eigendom heeft toegepast, kunnen de bevoegde instanties colocatie en gedeeld gebruik van op die basis geïnstalleerde netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten opleggen om het milieu, de volksgezondheid of de openbare veiligheid te beschermen of om bij te dragen tot stedenbouwkundige of planologische doelstellingen.

Colocatie of gedeeld gebruik van geïnstalleerde netwerkelementen en faciliteiten en gedeeld gebruik van eigendom kan uitsluitend worden opgelegd als gedurende een passende periode een openbare raadpleging heeft plaatsgevonden, waarbij alle belangstellende partijen de mogelijkheid krijgen hun standpunten tot uitdrukking te brengen, en uitsluitend in de specifieke gebieden waarin dergelijk gedeeld gebruik nodig wordt geacht met het oog op de verwezenlijking van de in de eerste alinea genoemde doelstellingen. De bevoegde instanties kunnen gedeeld gebruik opleggen met betrekking tot dergelijke faciliteiten of eigendom, met inbegrip van terreinen, gebouwen, toegangen tot gebouwen, bekabeling van gebouwen, masten, antennes, torens en andere ondersteuningsgebouwen, kabelgoten, leidingen, mangaten, straatkasten of maatregelen om de coördinatie van publieke werken te vergemakkelijken. Indien nodig kan een lidstaat een nationale regelgevende instantie of andere bevoegde instantie aanwijzen voor één of meer van de volgende taken:

a)

coördineren van de procedure waarin dit artikel voorziet,

b)

optreden als enig informatiepunt,

c)

vaststellen van een omslagregeling voor de kosten van het gedeeld gebruik van faciliteiten of eigendom en van de coördinatie van civieltechnische werken.

2.   Maatregelen die door een bevoegde instantie zijn genomen in overeenstemming met dit artikel moeten objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn. In voorkomend geval worden die maatregelen in overleg met de nationale regelgevende instanties uitgevoerd.

HOOFDSTUK III

Toegang tot radiospectrum

Afdeling 1

Machtigingen

Artikel 45

Beheer van radiospectrum

1.   Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiospectrum een publiek goed is dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat radiospectrum voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten op hun grondgebied efficiënt wordt beheerd overeenkomstig de artikelen 3 en 4. Zij zorgen ervoor dat de toewijzing van, de afgifte van algemene machtigingen met betrekking tot, en de verlening van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten door de bevoegde instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, concurrentiebevorderende, niet-discriminerende en proportionele criteria.

Bij de toepassing van dit artikel eerbiedigen de lidstaten de desbetreffende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de radioregelgeving van de ITU en andere overeenkomsten die in het kader van de ITU zijn gesloten en die van toepassing zijn op radiospectrum, zoals de op de Regionale Radiocommunicatieconferentie van 2006 gesloten overeenkomst, en mogen zij overwegingen van openbare orde in aanmerking nemen.

2.   De lidstaten bevorderen de harmonisatie van het gebruik van radiospectrum voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten in de Unie in overeenstemming met de noodzaak een daadwerkelijk en efficiënt gebruik daarvan te waarborgen en met als doel voordelen voor de consumenten, zoals concurrentie, schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten en netwerken. Zij handelen daarbij in overeenstemming met artikel 4 van onderhavige richtlijn en Beschikking nr. 676/2002/EG door onder meer:

a)

te streven naar dekking met hoogwaardige en snelle draadloze breedband van hun nationale grondgebied en hun bevolking, en dekking van belangrijke nationale en Europese transportroutes, met inbegrip van het trans-Europese vervoersnetwerk zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (46);

b)

de snelle ontwikkeling in de Unie van nieuwe technologieën en toepassingen op het gebied van draadloze communicatie te bevorderen, waarbij indien passend een sectoroverschrijdende aanpak wordt gehanteerd;

c)

te zorgen voor voorspelbaarheid en consistentie bij de verlening, verlenging, wijziging, beperking en intrekking van gebruiksrechten voor radiospectrum teneinde langetermijninvesteringen te bevorderen;

d)

te zorgen voor de preventie van grensoverschrijdende of nationale schadelijke interferentie overeenkomstig respectievelijk de artikelen 28 en 46, en daartoe passende preventieve en corrigerende maatregelen te treffen;

e)

het gedeeld gebruik van radiospectrum voor soortgelijke of verschillende toepassing van radiospectrum te bevorderen in overeenstemming met het mededingingsrecht;

f)

het meest passende en minst bezwarende machtigingssysteem in overeenstemming met artikel 46 toe te passen met het oog op een optimale mate van flexibiliteit, gedeeld gebruik en efficiëntie bij het gebruik van radiospectrum;

g)

de voorschriften voor het verlenen, overdragen, verlengen, aanpassen en intrekken van gebruiksrechten inzake radiospectrum, die duidelijk en transparant zijn geformuleerd, toe te passen teneinde rechtszekerheid, consistentie en voorspelbaarheid te waarborgen;

h)

in de hele Unie te streven naar consistentie en voorspelbaarheid wat betreft de manier waarop machtigingen voor het gebruik van radiospectrum worden verleend met het oog op de bescherming van de volksgezondheid, met inachtneming van Aanbeveling 1999/519/EG.

Voor de toepassing van de eerste alinea en in de context van de ontwikkeling van technische uitvoeringsmaatregelen voor een radiospectrumband krachtens Beschikking nr. 676/2002/EG, kan de Commissie de Beleidsgroep Radiospectrum om een advies vragen met een aanbeveling voor de meest geschikte machtigingsregelingen voor het gebruik van radiospectrum in die band of delen daarvan. In voorkomend geval, en zoveel mogelijk rekening houdend met dat advies, kan de Commissie een aanbeveling vaststellen met het oog op de bevordering van een consistente aanpak binnen de Unie met betrekking tot de machtigingsregelingen voor het gebruik van die band.

Indien de Commissie de vaststelling van maatregelen overeenkomstig artikel 39, leden 1, 4, 5 en 6, overweegt, kan zij de Beleidsgroep Radiospectrum verzoeken haar standpunt te geven met betrekking tot de effecten van een dergelijke norm of specificatie inzake de coördinatie, harmonisatie en beschikbaarheid van radiospectrum. De Commissie houdt bij alle stappen die zij vervolgens neemt, terdege rekening met het standpunt van de Beleidsgroep Radiospectrum.

3.   Indien er op nationaal of regionaal niveau op de markt geen vraag is naar het gebruik van een band in het geharmoniseerde radiospectrum, kunnen de lidstaten overeenkomstig de leden 4 en 5 van dit artikel een alternatief gebruik van die gehele band of een gedeelte daarvan, met inbegrip van het bestaande gebruik, toestaan, mits:

a)

de conclusie dat er op de markt geen vraag is naar het gebruik van een dergelijke band, gebaseerd is op een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 23, met inbegrip van een toekomstgerichte beoordeling van de marktvraag;

b)

een dergelijk alternatief gebruik de beschikbaarheid of het gebruik van een dergelijke band in andere lidstaten niet onmogelijk maakt of schaadt; en

c)

de betrokken lidstaat terdege rekening houdt met de beschikbaarheid en het gebruik op lange termijn van een dergelijke band in de Unie en met de schaalvoordelen betreffende apparatuur als gevolg van het gebruik van geharmoniseerd radiospectrum in de Unie.

Elk besluit dat op uitzonderlijke gronden een alternatief gebruik toestaat, wordt regelmatig opnieuw beoordeeld en wordt in elk geval onmiddellijk opnieuw beoordeeld naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek door een potentiële gebruiker aan de bevoegde instantie met betrekking tot gebruik van de band in overeenstemming met de technische uitvoeringsmaatregel. De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van zijn besluit en de bijbehorende motivering, alsook van de resultaten van een eventuele beoordeling.

4.   Onverminderd de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten technologie die worden gebruikt voor het verstrekken van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten, kunnen worden gebruikt op het radiospectrum dat in overeenstemming met het Unierecht beschikbaar is verklaard voor elektronischecommunicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen.

De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten voor elektronischecommunicatiediensten gebruikte technologie, indien dat nodig is om:

a)

schadelijke interferentie te vermijden;

b)

de volksgezondheid te beschermen tegen elektromagnetische velden, terdege rekening houdend met Aanbeveling 1999/519/EG;

c)

de technische kwaliteit van de dienst te garanderen;

d)

te zorgen voor zoveel mogelijk gedeeld gebruik van radiospectrum;

e)

een efficiënt radiospectrumgebruik te waarborgen; of

f)

een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken overeenkomstig lid 5.

5.   Onverminderd de tweede alinea zorgen de lidstaten ervoor dat alle soorten elektronischecommunicatiediensten kunnen worden aangeboden op het radiospectrum dat in overeenstemming met het Unierecht beschikbaar is verklaard voor elektronischecommunicatiediensten in hun nationale frequentietoewijzingsplannen. De lidstaten kunnen echter proportionele en niet-discriminerende beperkingen opleggen met betrekking tot de soorten elektronischecommunicatiediensten die worden aangeboden, ook, waar nodig, om te voldoen aan vereisten van de radioregelgeving van de ITU.

Maatregelen die vereisen dat een elektronischecommunicatiedienst in een specifieke voor elektronischecommunicatiediensten beschikbare band wordt aangeboden, worden gerechtvaardigd door de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de wetgeving van de Unie bepaald, zoals, maar niet beperkt tot:

a)

de veiligheid van het menselijk leven;

b)

het bevorderen van de sociale, regionale of territoriale samenhang;

c)

het vermijden van een inefficiënt gebruik van radiospectrum; of

d)

het bevorderen van culturele en taalkundige diversiteit en pluriformiteit van de media, bijvoorbeeld het aanbieden van radio- en televisieomroepdiensten.

Een maatregel die het verlenen van iedere andere elektronischecommunicatiedienst in een specifieke band verbiedt, mag alleen worden opgelegd wanneer hij gerechtvaardigd is op grond van de noodzaak de veiligheid van het menselijk leven te beschermen. De lidstaten mogen een dergelijke maatregel in uitzonderingsgevallen ook uitvaardigen voor de verwezenlijking van andere doelstellingen van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de wetgeving van de Unie gedefinieerd.

6.   De lidstaten beoordelen geregeld de noodzaak van de in de leden 4 en 5 bedoelde beperkingen en maatregelen en maken de resultaten van die beoordelingen bekend.

7.   Beperkingen die vóór 25 mei 2011 zijn vastgesteld, voldoen uiterlijk op 20 december 2018 aan de leden 4 en 5.

Artikel 46

Machtiging voor het gebruik van radiospectrum

1.   De lidstaten vergemakkelijken het gebruik van radiospectrum, met inbegrip van gedeeld gebruik, in het kader van algemene machtigingen en zij beperken het verlenen van individuele gebruiksrechten voor radiospectrum tot situaties waarin dergelijke rechten noodzakelijk zijn om het efficiënt gebruik in het licht van de vraag te optimaliseren, rekening houdend met de in de tweede alinea vastgestelde criteria. In alle andere gevallen stellen zij de voorwaarden voor het gebruik van radiospectrum vast in een algemene machtiging.

Daartoe nemen de lidstaten een besluit inzake de meest geschikte regeling voor het machtigen van het gebruik van radiospectrum, rekening houdend met:

a)

de specifieke kenmerken van het betrokken radiospectrum;

b)

de noodzaak van bescherming tegen schadelijke interferentie;

c)

in voorkomend geval, de ontwikkeling van duidelijke voorwaarden voor gedeeld gebruik van radiospectrum;

d)

de noodzaak om de technische kwaliteit van communicatie of de dienst te verzekeren;

e)

andere doelstellingen van algemeen belang die door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht worden bepaald;

f)

de noodzaak om een efficiënt radiospectrumgebruik te waarborgen.

Indien de lidstaten overwegen om een algemene machtiging of individuele gebruiksrechten voor het geharmoniseerde radiospectrum te verlenen, rekening houdend met de overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG vastgestelde technische uitvoeringsmaatregelen, spannen zij zich in om problemen in verband met schadelijke interferentie zoveel mogelijk te beperken, ook in gevallen van gedeeld gebruik van radiospectrum op basis van een combinatie van een algemene machtiging en individuele gebruiksrechten.

Indien gepast overwegen de lidstaten de mogelijkheid om machtigingen voor het gebruik van radiospectrum te verstrekken op basis van een combinatie van een algemene machtiging en individuele gebruiksrechten, daarbij rekening houdend met de mogelijke effecten van verschillende combinaties algemene machtigingen en individuele gebruiksrechten, en van geleidelijke overgangen van de ene categorie naar de andere, op concurrentie, innovatie en markttoegang.

De lidstaten streven ernaar zo min mogelijk beperkingen te stellen aan het gebruik van radiospectrum door terdege rekening te houden met technische oplossingen om schadelijke interferentie tegen te gaan, teneinde een machtigingsregeling met minimale administratieve lasten in te stellen.

2.   Wanneer de bevoegde instanties op grond van lid 1 een besluit nemen teneinde het gedeeld gebruik van radiospectrum te vergemakkelijken, waarborgen zij dat de voorwaarden met betrekking tot het gedeeld gebruik van radiospectrum duidelijk zijn geformuleerd. Die voorwaarden bevorderen een efficiënt gebruik van radiospectrum, evenals mededinging en innovatie.

Artikel 47

Voorwaarden verbonden aan individuele gebruiksrechten voor radiospectrum

1.   De bevoegde instanties stellen voorwaarden vast in verband met individuele rechten betreffende het gebruik van radiospectrum overeenkomstig artikel 13, lid 1, waarbij zij zorgen voor het optimale en het meest doeltreffende en efficiënte gebruik van radiospectrum. De bevoegde instanties geven voordat zij overgaan tot toekenning of verlenging van die rechten, een duidelijke omschrijving van dergelijke voorwaarden, met inbegrip van het vereiste gebruiksniveau en de mogelijkheid om die verplichting na te leven door te verhandelen en te verhuren, teneinde de uitvoering van die voorwaarden overeenkomstig artikel 30 te waarborgen. Voorwaarden verbonden aan de verlenging van gebruiksrechten voor radiospectrum mogen voor bestaande houders van dergelijke rechten geen onrechtmatige voordelen opleveren.

In dergelijke voorwaarden worden de toepasselijke parameters gespecificeerd, waaronder de eventuele deadline voor de uitoefening van de gebruiksrechten; indien deze niet worden nagekomen, heeft de bevoegde instantie het recht het gebruiksrecht in te trekken of andere maatregelen op te leggen.

De bevoegde instanties raadplegen en informeren de belanghebbende partijen tijdig en op transparante wijze over de voorwaarden verbonden aan individuele gebruiksrechten voordat deze worden opgelegd. De bevoegde insta