ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 306

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
30 november 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2018/1869 van de Raad van 26 november 2018 betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort

1

 

*

Besluit (EU) 2018/1870 van de Raad van 26 november 2018 betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een gewoon paspoort

4

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2018/1871 van de Commissie van 23 november 2018 tot registratie van een geografische aanduiding van een gedistilleerde drank in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 Карнобатска гроздова ракия/Гроздова ракия от Карнобат/Karnobatska grozdova rakya/Grozdova rakya ot Karnobat (GA)

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1872 van de Commissie van 23 november 2018 tot afwijking van de Verordeningen (EG) nr. 2305/2003, (EG) nr. 969/2006 en (EG) nr. 1067/2008, de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2015/2081 en (EU) 2017/2200, Verordening (EG) nr. 1964/2006, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 en Verordening (EG) nr. 1918/2006 wat betreft de voor 2019 geldende datums voor de indiening van invoercertificaataanvragen en de afgifte van invoercertificaten in het kader van de tariefcontingenten voor granen, rijst en olijfolie, en tot afwijking van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 wat betreft de periode voor het onderzoek van de offertes voor de verkoop van mageremelkpoeder via een openbare inschrijving in het kader van de openbare interventie in 2019

9

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1873 van de Commissie van 28 november 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

12

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1874 van de Commissie van 29 november 2018 betreffende de gegevens die voor 2020 moeten worden verstrekt uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011, met betrekking tot de lijst van variabelen en hun beschrijving ( 1 )

14

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2018/1875 van de Raad van 26 november 2018 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in het comité van technische deskundigen van de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) in te nemen standpunt over bepaalde wijzigingen van de eenvormige technische voorschriften — Algemene bepalingen — Subsystemen (UTP GEN-B) en de eenvormige technische voorschriften telematicatoepassingen voor goederenvervoer (UTP TAF)

50

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1876 van de Commissie van 29 november 2018 betreffende de goedkeuring van de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voor conventionele door een verbrandingsmotor aangedreven lichte bedrijfsvoertuigen als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van lichte bedrijfsvoertuigen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

53

 

 

REGLEMENTEN VAN ORDE EN REGLEMENTEN VOOR DE PROCESVOERING

 

 

Gerecht

 

*

Formulier voor rechtsbijstand

61

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Richtlijn (EU) 2018/852 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval ( PB L 150 van 14.6.2018 )

72

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/1


BESLUIT (EU) 2018/1869 VAN DE RAAD

van 26 november 2018

betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) zijn in het acquis van de Unie inzake visa en grenzen horizontale wijzigingen aangebracht, die onder meer inhouden dat een kort verblijf wordt gedefinieerd als een verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

(2)

Teneinde de regeling van de Unie op het gebied van kort verblijf te harmoniseren, moet deze nieuwe definitie worden opgenomen in de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort (2).

(3)

Op 9 oktober 2014 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om met de Federale Republiek Brazilië onderhandelingen te openen voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort, hierna „de overeenkomst” genoemd. De onderhandelingen over de overeenkomst zijn succesvol afgerond door het paraferen ervan op 31 oktober 2017.

(4)

Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (3); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op dit land.

(5)

Dit besluit houdt een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (4); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op dit land.

(6)

Namens de Unie dient de overeenkomst te worden ondertekend en dienen de tekst van de verklaring in de bijlage bij dit besluit alsook de tekst van de aan deze overeenkomst gehechte gezamenlijke verklaringen te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend tot ondertekening namens de Unie van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (5).

Artikel 2

De tekst van de verklaring in de bijlagebij dit besluit en de aan deze overeenkomst gehechte tekst van de gezamenlijke verklaringen worden namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 26 november 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BOGNER-STRAUSS


(1)  Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, Verordeningen (EG) nr. 1683/95 en (EG) nr. 539/2001 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 1).

(2)  PB L 66 van 12.3.2011, blz. 2.

(3)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(4)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(5)  De tekst van de overeenkomst wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.


BIJLAGE

Verklaring van de Unie over de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2017/2226 tot instelling van het inreis-uitreissysteem (EES) en de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen

Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 is op 29 december 2017 in werking getreden.

Derhalve zal, vanaf de datum van toepassing van Verordening (EU) 2017/2226 (1) voor de toepassing van deze overeenkomst, onder lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen worden verstaan de lidstaten die het inreis-uitreissysteem aan de buitengrenzen gebruiken. De maximumperiode van 90 dagen binnen een periode van 180 dagen wordt berekend op basis van de verblijfsduur in alle lidstaten die het inreis-uitreissysteem aan de buitengrenzen gebruiken.


(1)  De datum van toepassing zal door de Commissie worden vastgesteld overeenkomstig artikel 73 van Verordening (EU) 2017/2226.


30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/4


BESLUIT (EU) 2018/1870 VAN DE RAAD

van 26 november 2018

betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een gewoon paspoort

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) zijn in het acquis van de Unie inzake visa en grenzen horizontale wijzigingen aangebracht, die onder meer inhouden dat een kort verblijf wordt gedefinieerd als een verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

(2)

Teneinde de regeling van de Unie op het gebied van kort verblijf te harmoniseren moet deze nieuwe definitie worden opgenomen in de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een gewoon paspoort (2).

(3)

Op 9 oktober 2014 heeft de Raad de Commissie gemachtigd tot het openen van onderhandelingen met de Federale Republiek Brazilië voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een diplomatiek of dienstpaspoort, hierna „de overeenkomst” genoemd. De onderhandelingen over de overeenkomst zijn succesvol afgerond door het paraferen ervan op 31 oktober 2017.

(4)

Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (3); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op dit land.

(5)

Dit besluit houdt een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (4); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op dit land.

(6)

Namens de Unie dient de overeenkomst te worden ondertekend en dienen de tekst van de verklaring in de bijlage bij dit besluit alsook de tekst van de aan de overeenkomst gehechte gezamenlijke verklaringen te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend tot ondertekening namens de Unie van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf voor houders van een gewoon paspoort, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (5).

Artikel 2

De tekst van de verklaring in de bijlage bij dit besluit en de tekst van de aan de overeenkomst gehechte gezamenlijke verklaringen worden namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 26 november 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BOGNER-STRAUSS


(1)  Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, Verordeningen (EG) nr. 1683/95 en (EG) nr. 539/2001 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 1).

(2)  PB L 255 van 21.9.2012, blz. 4.

(3)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(4)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(5)  De tekst van de overeenkomst wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.


BIJLAGE

Verklaring van de unie over de inwerkingtreding van verordening (EU) 2017/2226 tot instelling van het inreis-uitreissysteem (EES) en de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen

Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011 is op 29 december 2017 in werking getreden.

Derhalve zal, vanaf de datum van toepassing van Verordening (EU) 2017/2226 (1) voor de toepassing van deze overeenkomst, onder lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen worden verstaan de lidstaten die het inreis-uitreissysteem aan de buitengrenzen gebruiken. De maximumperiode van 90 dagen binnen een periode van 180 dagen wordt berekend op basis van de verblijfsduur in alle lidstaten die het inreis-uitreissysteem aan de buitengrenzen gebruiken.


(1)  De datum van toepassing zal door de Commissie worden vastgesteld overeenkomstig artikel 73 van Verordening (EU) 2017/2226.


VERORDENINGEN

30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/7


VERORDENING (EU) 2018/1871 VAN DE COMMISSIE

van 23 november 2018

tot registratie van een geografische aanduiding van een gedistilleerde drank in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 „Карнобатска гроздова ракия”/„Гроздова ракия от Карнобат”/„Karnobatska grozdova rakya”/„Grozdova rakya ot Karnobat” (GA)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (1), en met name artikel 17, lid 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 110/2008 heeft de Commissie de aanvraag van Bulgarije tot registratie van de geografische aanduiding „Карнобатска гроздова ракия”/„Гроздова ракия от Карнобат”/„Karnobatska grozdova rakya”/„Grozdova rakya ot Karnobat” onderzocht.

(2)

Nadat de Commissie tot de conclusie was gekomen dat de aanvraag voldoet aan Verordening (EG) nr. 110/2008, heeft zij de belangrijke specificaties uit het technisch dossier overeenkomstig artikel 17, lid 6, van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 17, lid 7, van Verordening (EG) nr. 110/2008 heeft ontvangen, moet de aanduiding „Карнобатска гроздова ракия”/„Гроздова ракия от Карнобат”/„Karnobatska grozdova rakya”/„Grozdova rakya ot Karnobat” als geografische aanduiding worden geregistreerd in bijlage III bij die verordening.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor gedistilleerde dranken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 wordt in de categorie „wijn-eau-de-vie” de volgende regel toegevoegd:

„Wijn-eau-de-vie

„Карнобатска гроздова ракия”/„Гроздова ракия от Карнобат”/„Karnobatska grozdova rakya”/„Grozdova rakya ot Karnobat”

Bulgarije”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 november 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16.

(2)  PB C 296 van 7.9.2017, blz. 23.


30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1872 VAN DE COMMISSIE

van 23 november 2018

tot afwijking van de Verordeningen (EG) nr. 2305/2003, (EG) nr. 969/2006 en (EG) nr. 1067/2008, de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2015/2081 en (EU) 2017/2200, Verordening (EG) nr. 1964/2006, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 en Verordening (EG) nr. 1918/2006 wat betreft de voor 2019 geldende datums voor de indiening van invoercertificaataanvragen en de afgifte van invoercertificaten in het kader van de tariefcontingenten voor granen, rijst en olijfolie, en tot afwijking van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 wat betreft de periode voor het onderzoek van de offertes voor de verkoop van mageremelkpoeder via een openbare inschrijving in het kader van de openbare interventie in 2019

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 187, onder e),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (2) en met name artikel 28,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Verordeningen (EG) nr. 2305/2003 (3), (EG) nr. 969/2006 (4) en (EG) nr. 1067/2008 (5) van de Commissie en de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2015/2081 (6) en (EU) 2017/2200 (7) van de Commissie bevatten bijzondere bepalingen inzake de indiening van certificaataanvragen en de afgifte van certificaten voor de invoer van gerst in het kader van contingent 09.4126, van maïs in het kader van contingent 09.4131, van zachte tarwe van een andere dan van hoge kwaliteit in het kader van de contingenten 09.4123, 09.4124, 09.4125 en 09.4133 en van bepaalde granen van oorsprong uit Oekraïne in het kader van de contingenten 09.4306, 09.4307, 09.4308, 09.4277, 09.4278 en 09.4279.

(2)

Verordening (EG) nr. 1964/2006 van de Commissie (8) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 van de Commissie (9) bevatten bijzondere bepalingen inzake de indiening van certificaataanvragen en de afgifte van certificaten voor de invoer van rijst van oorsprong uit Bangladesh in het kader van contingent 09.4517 en van breukrijst in het kader van contingent 09.4079.

(3)

Verordening (EG) nr. 1918/2006 van de Commissie (10) bevat bijzondere bepalingen inzake de indiening van certificaataanvragen en de afgifte van certificaten voor de invoer van olijfolie van oorsprong uit Tunesië in het kader van contingent 09.4032.

(4)

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie (11) bevat bijzondere bepalingen inzake de periode waarin een inschrijving voor de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving kan worden ingediend.

(5)

Met het oog op de inachtneming van de betrokken contingenthoeveelheden moeten, in verband met de officiële feestdagen in 2019, voor bepaalde perioden datums voor de indiening van invoercertificaataanvragen en de afgifte van invoercertificaten worden vastgesteld die afwijken van de Verordeningen (EG) nr. 2305/2003, (EG) nr. 969/2006 en (EG) nr. 1067/2008, van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2015/2081 en (EU) 2017/2200, van Verordening (EG) nr. 1964/2006, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 en van Verordening (EG) nr. 1918/2006.

(6)

In verband met de officiële feestdagen in 2019 moeten, voor bepaalde perioden, datums voor de indiening en het onderzoek van offertes worden vastgesteld die afwijken van die in Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Granen

1.   In afwijking van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 2305/2003 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor gerst in het kader van contingent 09.4126 meer worden ingediend na vrijdag 13 december 2019, om 13.00 uur Belgische tijd.

2.   In afwijking van artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 969/2006 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor maïs in het kader van contingent 09.4131 meer worden ingediend na 13 december 2019, om 13.00 uur Belgische tijd.

3.   In afwijking van artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1067/2008 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor zachte tarwe van een andere dan van hoge kwaliteit in het kader van de contingenten 09.4123, 09.4124, 09.4125 en 09.4133 meer worden ingediend na vrijdag 13 december 2019, om 13.00 uur Belgische tijd.

4.   In afwijking van artikel 2, lid 1, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor granen van oorsprong uit Oekraïne in het kader van de contingenten 09.4306, 09.4307 en 09.4308 meer worden ingediend na vrijdag 13 december 2019, om 13.00 uur Belgische tijd.

5.   In afwijking van artikel 2, lid 1, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2200 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor granen van oorsprong uit Oekraïne in het kader van de contingenten 09.4277, 09.4278 en 09.4279 meer worden ingediend na vrijdag 13 december 2019, om 13.00 uur Belgische tijd.

Artikel 2

Rijst

1.   In afwijking van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1964/2006 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor rijst van oorsprong uit Bangladesh in het kader van contingent 09.4517 meer worden ingediend na vrijdag 6 december 2019, om 13.00 uur Belgische tijd.

2.   In afwijking van artikel 2, lid 1, derde alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor breukrijst in het kader van contingent 09.4079 meer worden ingediend na vrijdag 6 december 2019, om 13.00 uur Belgische tijd.

Artikel 3

Olijfolie

In afwijking van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1918/2006 mogen voor 2019 geen aanvragen voor invoercertificaten voor olijfolie van oorsprong uit Tunesië meer worden ingediend na dinsdag 10 december 2019.

Artikel 4

Offertes voor de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving

In afwijking van artikel 2, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 eindigt de periode waarin offertes voor de deelinschrijvingen van januari mogen worden ingediend, voor 2019 op de tweede en de vierde dinsdag van de maand, om 11.00 uur Belgische tijd.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij verstrijkt op 1 januari 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 november 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71.

(3)  Verordening (EG) nr. 2305/2003 van de Commissie van 29 december 2003 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van gerst uit derde landen (PB L 342 van 30.12.2003, blz. 7).

(4)  Verordening (EG) nr. 969/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van maïs uit derde landen (PB L 176 van 30.6.2006, blz. 44).

(5)  Verordening (EG) nr. 1067/2008 van de Commissie van 30 oktober 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van zachte tarwe van een andere dan van hoge kwaliteit uit derde landen en tot afwijking van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 290 van 31.10.2008, blz. 3).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081 van de Commissie van 18 november 2015 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor de invoer van bepaalde granen van oorsprong uit Oekraïne (PB L 302 van 19.11.2015, blz. 81).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2200 van de Commissie van 28 november 2017 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten van de Unie voor de invoer van bepaalde granen uit Oekraïne (PB L 313 van 29.11.2017, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1964/2006 van de Commissie van 22 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de opening en de wijze van beheer van een contingent voor de invoer van rijst van oorsprong uit Bangladesh overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3491/90 van de Raad (PB L 408 van 30.12.2006, blz. 19).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 van de Commissie van 7 juni 2012 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor breukrijst van GN-code 1006 40 00, voor de productie van voor voeding bestemde bereidingen van GN-code 1901 10 00 (PB L 148 van 8.6.2012, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 1918/2006 van de Commissie van 20 december 2006 inzake de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor olijfolie van oorsprong uit Tunesië (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 84).

(11)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie van 25 november 2016 tot opening van de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving (PB L 321 van 29.11.2016, blz. 45).


30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1873 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2018

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3 bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 14 10

Delen zonder been, van pluimvee van de soort Gallus domesticus, bevroren

260,1

12

AR

222,8

23

BR

333,4

0

CL

256,7

13

TH

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

311,9

0

BR

362,7

0

CL

1602 32 11

Bereidingen van pluimvee van de soort Gallus domesticus, niet gekookt en niet gebakken

269,1

5

BR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7).


30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1874 VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2018

betreffende de gegevens die voor 2020 moeten worden verstrekt uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011, met betrekking tot de lijst van variabelen en hun beschrijving

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011 (1), en met name artikel 5, lid 4, en artikel 8, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2018/1091 voorziet in een kader voor Europese statistieken op het niveau van landbouwbedrijven en in het integreren van informatie over hun structuur met informatie over productiemethoden, plattelandsontwikkelingsmaatregelen, agromilieuaspecten en andere daarmee verband houdende informatie.

(2)

De lidstaten moeten gegevens verzamelen die in overeenstemming zijn met de kern, de kaderuitbreiding en de onderwerpen en de gedetailleerde onderwerpen binnen de modules, als bedoeld in Verordening (EU) 2018/1091.

(3)

Het totale aantal kern- en modulevariabelen mag niet meer dan 300 bedragen, in overeenstemming met artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1091.

(4)

Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Verordening (EU) 2018/1091 mogen de in onderhavige verordening vervatte bepalingen voor landbouwbedrijven en de lidstaten geen aanzienlijke bijkomende kosten met zich meebrengen die voor hen een onevenredige en ongerechtvaardigde last zouden inhouden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De variabelen met betrekking tot de structurele kerngegevens als bedoeld in bijlage III bij Verordening (EU) 2018/1091 worden beschreven in bijlage I bij deze verordening.

2.   De lijst met variabelen voor de onderwerpen en de gedetailleerde onderwerpen van elke module wordt beschreven in bijlage II.

3.   De variabelen die de lidstaten moeten gebruiken voor de onderwerpen en de gedetailleerde onderwerpen van elke module zoals opgenomen in bijlage II, worden beschreven in bijlage III.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 november 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 200 van 7.8.2018, blz. 1.


BIJLAGE I

Beschrijving van de variabelen die moeten worden gebruikt voor de structurele kerngegevens en de kaderuitbreiding als bedoeld in bijlage III bij Verordening (EU) 2018/1091

I.

ALGEMENE VARIABELEN

Informatie uit enquêtes

CGNR 001

Identificatiecode van het landbouwbedrijf

De unieke identificatiecode van het landbouwbedrijf is een unieke numerieke code voor de indiening van de gegevens.

Ligging van het landbouwbedrijf

Het landbouwbedrijf is daar gelegen waar de voornaamste landbouwactiviteit van het bedrijf wordt verricht.

CGNR 002

Geografische locatie

De celcode van het 1 km-vak in het statistische eenhedenraster van Inspire voor pan-Europees gebruik (1) waarin het landbouwbedrijf zich bevindt. Deze code wordt alleen met het oog op de indiening gebruikt.

Voor de verspreiding van gegevens wordt het 1km-vak, behalve voor de reguliere controle van de mededeling, alleen gebruikt wanneer in het vak meer dan tien landbouwbedrijven gevestigd zijn; zo niet, dan worden al naargelang de situatie vakken van 5 km, 10 km of groter gebruikt.

CGNR 003

NUTS 3-regio

De code van de NUTS 3 (2) -regio (overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (3)) waarin het landbouwbedrijf zich bevindt.

CGNR 004

Het landbouwbedrijf heeft gebieden met natuurlijke beperkingen in de zin van Verordening (EU) nr. 1305/2013

Overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) moet informatie worden verstrekt over gebieden met natuurlijke beperkingen.

 

L — het landbouwbedrijf bevindt zich in een ander gebied dan een berggebied, met aanzienlijke natuurlijke beperkingen

 

M — het landbouwbedrijf bevindt zich in een berggebied

 

O — het landbouwbedrijf bevindt zich in een ander gebied met specifieke beperkingen

 

N — het landbouwbedrijf bevindt zich niet in een gebied met natuurlijke beperkingen

Rechtspersoonlijkheid van het landbouwbedrijf

De rechtspersoonlijkheid van het landbouwbedrijf is afhankelijk van de rechtspositie van het bedrijfshoofd.

 

De juridische en economische aansprakelijkheid voor het landbouwbedrijf berust bij een:

CGNR 005

Natuurlijke persoon die enig bedrijfshoofd op een zelfstandig landbouwbedrijf is

Een enkele natuurlijke persoon die bedrijfshoofd is van een landbouwbedrijf dat niet door gemeenschappelijk beheer of vergelijkbare regelingen verbonden is met landbouwbedrijven van andere bedrijfshoofden.

Landbouwbedrijven die aan deze voorwaarde voldoen worden landbouwbedrijven met éénhoofdige bedrijfsvoering genoemd.

CGNR 006

Zo ja, is het bedrijfshoofd tevens de bedrijfsleider?

CGNR 007

Zo nee, is de bedrijfsleider een familielid van het bedrijfshoofd?

CGNR 008

Zo ja, is de bedrijfsleider de echtgenoot/echtgenote van het bedrijfshoofd?

CGNR 009

Gedeeld eigenaarschap

Natuurlijke personen die enig bedrijfshoofd zijn van een landbouwbedrijf dat niet verbonden is met landbouwbedrijven van andere bedrijfshoofden en die de eigendom en het beheer van het landbouwbedrijf delen.

CGNR 010

Twee of meer natuurlijke personen die partners zijn op een landbouwbedrijf met meerhoofdige bedrijfsvoering

Partners in een bedrijf met meerhoofdige bedrijfsvoering zijn natuurlijke personen die samen een landbouwbedrijf bezitten, pachten of anderszins beheren, dan wel samen hun individuele bedrijven beheren alsof het één bedrijf is. Een dergelijke samenwerking moet ofwel in overeenstemming zijn met het recht ofwel zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.

CGNR 011

Rechtspersoon

Een juridische eenheid die geen natuurlijke persoon is, maar wel de normale rechten en plichten van een individu heeft en bijvoorbeeld als eiser of verweerder in rechte kan optreden (een algemene juridische capaciteit uit eigen hoofde).

CGNR 012

Zo ja, is het landbouwbedrijf onderdeel van een groep ondernemingen?

Een groep ondernemingen is een verband van ondernemingen waartussen juridische en/of financiële banden bestaan en die door het hoofd van de groep worden gecontroleerd.

Een „onderneming” bestaat uit de kleinste combinatie van juridische eenheden en is een organisatorische eenheid die goederen en diensten voortbrengt en die een zekere zelfstandige beslissingsbevoegdheid heeft, met name ten aanzien van de bestemming van haar vlottende middelen. Een onderneming verricht een of meer activiteiten op een of meer locaties. Een onderneming kan uit één juridische eenheid bestaan.

CGNR 013

Het landbouwbedrijf is een eenheid op gemeenschappelijke grond

In het kader van de gegevensverzameling en -vastlegging wordt onder een landbouwbedrijf dat een „eenheid op gemeenschappelijke grond” is een entiteit verstaan die de oppervlakte cultuurgrond (OCG) omvat die uit hoofde van gemeenschappelijke rechten door andere landbouwbedrijven wordt gebruikt.

CGNR 014

Het bedrijfshoofd ontvangt EU-steun voor grond of dieren op het landbouwbedrijf en valt dus onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS)

Het bedrijfshoofd is een actieve landbouwer in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) en de subsidieaanvraag is gehonoreerd.

CGNR 015

Het bedrijfshoofd is een jonge landbouwer of een nieuwkomer in de landbouw die om die reden in de voorgaande drie jaar financiële steun heeft ontvangen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)

Met financiële steun kan worden bedoeld rechtstreekse betalingen uit hoofde van de artikelen 50 en 51 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 of steun in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's uit hoofde van artikel 19, lid 1, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 (aanloopsteun ten bate van jonge landbouwers).

Bedrijfsleider van het landbouwbedrijf

De bedrijfsleider is de natuurlijke persoon die op het landbouwbedrijf verantwoordelijk is voor de normale dagelijkse gang van zaken op financieel of productiegebied.

Tot de landbouwwerkzaamheden worden alle werkzaamheden gerekend die op het landbouwbedrijf worden verricht ten behoeve van:

i)

de activiteiten als bedoeld in artikel 2, onder a), van Verordening (EU) 2018/1091;

ii)

het onderhoud van de productiemiddelen, of

iii)

de activiteiten die rechtstreeks van deze productieve acties zijn afgeleid.

De tijd die op het landbouwbedrijf aan landbouwwerkzaamheden wordt besteed , is de werkelijk aan landbouwwerkzaamheden voor het landbouwbedrijf bestede arbeidstijd, zonder de tijd die wordt besteed aan werkzaamheden in het huishouden van het bedrijfshoofd of de bedrijfsleider.

De arbeidsjaareenheid (AJE) is het aantal werkzame personen in voltijdequivalenten, d.w.z. het totale aantal gewerkte uren gedeeld door het gemiddelde jaarlijkse aantal in het land in voltijdbanen gewerkte uren.

Voor een voltijdbaan geldt het minimumaantal uren dat krachtens de nationale bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten vereist is. Indien het aantal uren niet is aangegeven, moet 1 800 uur per jaar (225 werkdagen van 8 uur) worden aangehouden.

CGNR 016

Geboortejaar

Het geboortejaar van de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf

CGNR 017

Geslacht

Het geslacht van de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf:

 

M — man

 

F — vrouw

CGNR 018

Landbouwwerkzaamheden op het landbouwbedrijf (behalve huishoudelijk werk)

Percentageklasse van de arbeidsjaareenheden (6) die aan landbouwwerkzaamheden worden verricht door de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf.

CGNR 019

Aanvangsjaar als bedrijfsleider van het landbouwbedrijf

Het jaar waarin de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf in deze functie startte

CGNR 020

Landbouwopleiding van de bedrijfsleider

De hoogste door de bedrijfsleider genoten landbouwopleiding:

 

PRACT — uitsluitend praktijkervaring in de landbouw, wanneer de bedrijfsleider zijn/haar ervaring heeft opgedaan in de praktijk van een landbouwbedrijf

 

BASIC — een basislandbouwopleiding, wanneer de bedrijfsleider een opleiding heeft voltooid aan een lagere landbouwschool en/of in een opleidingscentrum dat tot bepaalde vakgebieden beperkt is (onder meer tuinbouw, wijnbouw, bosbouw, viskwekerij, veeartsenijkunde, landbouwtechnologie en verwante disciplines); ook een afgesloten stageperiode op landbouwgebied wordt als basisopleiding beschouwd

 

FULL — een volledige landbouwopleiding, wanneer de bedrijfsleider een opleiding heeft voltooid van het equivalent van ten minste twee jaar voltijdse opleiding, die na het eind van de leer- dan wel schoolplicht aan een landbouwschool, een hogeschool of een universiteit in een der volgende studierichtingen werd voltooid: landbouw, tuinbouw, wijnbouw, bosbouw, viskwekerij, veeartsenijkunde, landbouwtechnologie of een verwante discipline

CGNR 021

Beroepsopleiding van bedrijfsleider in de voorgaande twaalf maanden

Indien de bedrijfsleider een beroepsopleiding heeft voltooid, een opleidingsmaatregel of activiteit door een opleider of opleidingsinstelling die als hoofddoelstelling heeft de verwerving van nieuwe vaardigheden met betrekking tot de activiteiten op het landbouwbedrijf of activiteiten rechtstreeks verbonden aan het landbouwbedrijf of de ontwikkeling en verbetering van de bestaande vaardigheden.

Exploitatievorm van de OCG (met betrekking tot het bedrijfshoofd)

De exploitatievorm hangt af van de situatie op een referentiedag in het jaar van de enquête.

CGNR 022

Landbouw op eigen grond

Door het landbouwbedrijf geëxploiteerde oppervlakte cultuurgrond in hectaren die eigendom is van het bedrijfshoofd of door hem wordt geëxploiteerd uit hoofde van vruchtgebruik, erfpacht of vergelijkbare exploitatievormen.

CGNR 023

Landbouw op gepachte grond

Oppervlakte cultuurgrond in hectaren die door het landbouwbedrijf tegen een van tevoren vastgestelde prijs (in geld en/of in natura) wordt gepacht op grond van een (schriftelijke of mondelinge) pachtovereenkomst. De oppervlakte cultuurgrond kan maar bij één landbouwbedrijf worden ingedeeld. Indien de oppervlakte cultuurgrond gedurende het referentiejaar aan meer dan een landbouwbedrijf verpacht is geweest, wordt deze gewoonlijk ingedeeld bij het landbouwbedrijf waardoor het op de peildatum van de enquête of het grootste gedeelte van het referentiejaar werd geëxploiteerd.

CGNR 024

Deelpacht of andere exploitatievorm

De oppervlakte cultuurgrond in hectaren die:

a)

wordt gedeeld, oftewel gezamenlijk door het bedrijfshoofd en de deelpachter op basis van een (schriftelijke of mondelinge) deelpachtovereenkomst wordt geëxploiteerd. De (economische of fysieke) output van het pachtareaal wordt krachtens een in de overeenkomst bepaalde verhouding onder hen verdeeld.

b)

op een andere wijze wordt geëxploiteerd die onder geen van de voorgaande rubrieken valt.

CGNR 025

Gemeenschappelijke grond

De oppervlakte cultuurgrond in hectaren die door het landbouwbedrijf wordt gebruikt zonder dat het deze rechtstreeks in eigendom heeft, d.w.z. waarop gemeenschappelijke rechten van toepassing zijn.

CGNR 026

Biologische landbouw

De productie van het landbouwbedrijf valt onder landbouwpraktijken die overeenkomen met een bepaalde reeks normen en voorschriften die zijn vastgelegd in i) Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (7) of Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad (8), of de recentste wetgeving, indien van toepassing, en ii) de bijbehorende nationale uitvoeringsregels inzake biologische productie.

CGNR 027

Totale OCG van het landbouwbedrijf waarop biologische landbouwproductiemethoden worden toegepast die volgens nationale of EU-regels worden gecertificeerd

De oppervlakte cultuurgrond van het landbouwbedrijf in hectaren waarop de toegepaste productiemethode volledig in overeenstemming is met de beginselen van biologische landbouwproductie zoals vastgelegd in i) Verordening (EG) nr. 834/2007 of Verordening (EU) 2018/848, of de recentste wetgeving, indien van toepassing, en ii) de bijbehorende nationale uitvoeringsregels inzake de certificering van biologische productie.

CGNR 028

Totale OCG van het landbouwbedrijf waarop wordt overgeschakeld op biologische landbouwproductiemethoden die volgens nationale of EU-regels zullen worden gecertificeerd

De oppervlakte cultuurgrond van het landbouwbedrijf in hectaren waarop biologische landbouwmethoden worden toegepast tijdens de overgang van niet-biologische naar biologische productie gedurende een bepaalde periode („overgangsperiode”) zoals vastgelegd in i) Verordening (EG) nr. 834/2007 of Verordening (EU) 2018/848, of de recentste wetgeving, indien van toepassing, en ii) de bijbehorende nationale uitvoeringsregels inzake de certificering van biologische productie.

CGNR 029

Deelname aan andere milieucertificeringsregelingen

Het landbouwbedrijf neemt deel aan nationale of regionale milieucertificeringsregelingen zoals die waarnaar wordt verwezen in artikel 43, lid 2, en lid 3, onder b), van of bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (de bestaande certificeringsregelingen die gelijkwaardig zijn aan de vergroeningsbetaling van het GLB), en de subsidieaanvraag is gehonoreerd.


II.   VARIABELEN INZAKE DE GROND

Het totale areaal van het landbouwbedrijf omvat de oppervlakte cultuurgrond (bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik) en het overige landbouwareaal (oppervlakte niet in gebruik zijnde cultuurgrond, bosareaal en niet elders genoemde andere grond).

Het areaal waarvoor per rubriek gegevens moeten worden verzameld is het hoofdareaal en duidt op het fysieke areaal van het perceel/de percelen, ongeacht of er één of meerdere gewassen op werden verbouwd tijdens het oogstjaar. In het geval van eenjarige teelten komt het hoofdareaal overeen met het ingezaaide areaal; in het geval van meerjarige teelten is het hoofdareaal het totale beplante areaal; in het geval opeenvolgende teelten komt het overeen met het areaal dat gedurende het jaar wordt gebruikt voor het hoofdgewas; in het geval van gelijktijdige teelten komt het hoofdareaal overeen met het areaal waar de gewassen naast elkaar worden geteeld. Op deze manier wordt elk areaal slechts één keer opgenomen.

Het hoofdgewas is het gewas dat de hoogste economische waarde vertegenwoordigt. Wanneer op basis van de productiewaarde geen hoofdgewas kan worden aangewezen, dan is het hoofdgewas het gewas dat de grond het langst in beslag neemt.

Onder oppervlakte cultuurgrond wordt het totale areaal verstaan aan bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik van het landbouwbedrijf, ongeacht de exploitatievorm.

Bij gewasrotatie worden op een bepaald stuk grond volgens een gepland patroon of in een geplande volgorde in opeenvolgende oogstjaren afwisselend gewassen verbouwd, zodat gewassen van dezelfde soort niet ononderbroken op hetzelfde stuk grond worden verbouwd. In het geval van gewasrotatie worden de gewassen gewoonlijk jaarlijks geroteerd, maar gewasrotatie is ook mogelijk met meerjarige gewassen.

Akkerbouwmatige teelt en teelt op cultuurgrond onder glas moeten afzonderlijk worden opgegeven.

CLND 001

OCG

Oppervlakte cultuurgrond in hectaren.

CLND 002

Bouwland

Hectaren regelmatig bewerkt land (geploegd of bebouwd) dat gewoonlijk in de gewasrotatie is opgenomen.

CLND 003

Granen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad)

Hectaren met alle droog geoogste granen voor korrelwinning, ongeacht het gebruik.

CLND 004

Zachte tarwe en spelt

Hectaren Triticum aestivum L. emend. Fiori et Paol., Triticum spelta L. en Triticum monococcum L.

CLND 005

Durumtarwe

Hectaren Triticum durum Desf.

CLND 006

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

Hectaren rogge (Secale cereale L.), op welk moment dan ook gezaaid, roggemengsels en andere granen en granenmengsels die voor of tijdens de winter worden gezaaid (mengkoren).

CLND 007

Gerst

Hectaren gerst (Hordeum vulgare L.).

CLND 008

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

Hectaren haver (Avena sativa L.) en andere in de lente gezaaide granen die worden geteeld als mengsels en droog worden geoogst voor korrelwinning, met inbegrip van zaden.

CLND 009

Korrelmaïs en zaad-spilmengsel

Hectaren maïs (Zea mays L.) geoogst voor korrelwinning, als zaad of als zaad-spilmengsel.

CLND 010

Triticale

Hectaren triticale (x Triticosecale Wittmack).

CLND 011

Kafferkoren

Hectaren kafferkoren (Sorghum bicolor (L.) Conrad Moench of Sorghum x sudanense (Piper) Stapf.).

CLND 012

Andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

Hectaren droog geoogste granen voor korrelwinning die niet elders worden genoemd bij de voorgaande rubrieken, zoals gierst (Panicum miliaceum L.), boekweit (Fagopyrum esculentum Mill.), kanariezaad (Phalaris canariensis L.) en andere niet elders genoemde granen.

CLND 013

Rijst

Hectaren rijst (Oryza sativa L.).

CLND 014

Droog geoogste peulvruchten en eiwitrijke gewassen voor korrelwinning (inclusief zaden en mengsels van granen en peulvruchten)

Hectaren droog geoogste peulvruchten en eiwitrijke gewassen voor korrelwinning, ongeacht het gebruik.

CLND 015

Erwten, bonen en niet-bittere lupinen

Hectaren met alle soorten erwten (Pisum sativum L. convar. sativum of Pisum sativum L. convar. arvense L. of convar. speciosum), droog geoogst, plus hectaren met alle rassen tuin- of veldbonen (Vicia faba L. (partim)), droog geoogst, plus hectaren niet-bittere lupinen (Lupinus sp.), droog geoogst voor korrelwinning, met inbegrip van zaad, ongeacht het gebruik.

CLND 016

Hakvruchten

Hectaren met gewassen die worden geteeld om hun wortel, knol of gemodificeerde stengel, met uitzondering van wortel-, knol- en bolgewassen zoals wortels, bieten en koolrapen.

CLND 017

Aardappelen (inclusief pootaardappelen)

Hectaren aardappelen (Solanum tuberosum L.).

CLND 018

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

Hectaren suikerbieten (Beta vulgaris L.) bestemd voor de suikerindustrie en de alcoholproductie.

CLND 019

Andere hakvruchten, niet elders genoemd

Hectaren voederbieten (Beta vulgaris L.) en planten van de familie Brassicae, hoofdzakelijk bestemd voor vervoedering, ongeacht of de wortel of de stengel voor voederdoeleinden wordt geoogst, en andere planten die hoofdzakelijk voor hun voor vervoedering bestemde wortelen worden geteeld, niet elders genoemd.

CLND 020

Industriële gewassen

Hectaren industriële gewassen, die gewoonlijk niet direct voor consumptie worden verkocht omdat ze voor hun eindgebruik industrieel moeten worden verwerkt.

CLND 021

Oliehoudende zaden

Hectaren koolzaad (Brassica napus L.) en raapzaad (Brassica rapa L. var. oleifera (Lam.)), zonnebloemzaad (Helianthus annus L.), soja (Glycine max (L.) Merril), lijnzaad (Linum usitatissimum L.), mosterd (Sinapis alba L.), papaver (Papaver somniferum L.), saffloer (Carthamus tinctorius L.), sesamzaad (Sesamum indicum L.), aardamandel (Cyperus esculentus L.), pinda's (Arachis hypogea L.), pompoenen voor de productie van olie (Cucurbita pepo var. styriaca) en hennep (Cannabis sativa L.), geteeld voor de productie van olie, droog geoogst voor korrelwinning, met uitzondering van katoenzaad (Gossypium spp.).

CLND 022

Kool- en raapzaad

Hectaren koolzaad (Brassica napus L.) en raapzaad (Brassica rapa L. var. oleifera (Lam.)), geteeld voor de productie van olie, droog geoogst voor korrelwinning.

CLND 023

Zonnebloemzaad

Hectaren zonnebloemen (Helianthus annuus L.), droog geoogst voor korrelwinning.

CLND 024

Sojabonen

Hectaren soja (Glycine max L. Merril), droog geoogst voor korrelwinning met het oog op het gebruik van de olie en de proteïnen.

CLND 025

Lijnzaad

Hectaren lijnzaadrassen (Linum usitatissimum L.), die hoofdzakelijk voor de olieproductie worden geteeld en droog worden geoogst voor korrelwinning.

CLND 026

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

Hectaren andere gewassen die hoofdzakelijk voor hun gehalte aan olie worden geteeld en droog worden geoogst voor korrelwinning, niet elders genoemd (met uitzondering van katoenzaad).

CLND 027

Vezelgewassen

Hectaren vezelvlas (Linum usitatissimum L.), hennep (Cannabis sativa L.), katoen (Gossypium spp.), jute (Corchorus capsularis L.), abaca oftewel manillahennep (Musa textilis Née), kenaf (Hibiscus cannabinus L.) en sisal (Agave sisalana Perrine).

CLND 028

Vezelvlas

Hectaren vezelvlasrassen (Linum usitatissimum L.), voornamelijk geteeld voor de vezels.

CLND 029

Hennep

Hectaren hennep (Cannabis sativa L.), geteeld voor stro.

CLND 030

Katoen

Hectaren katoen (Gossypium spp.), geoogst voor de vezels en/of de oliehoudende zaden.

CLND 031

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

Hectaren andere gewassen die voornamelijk worden geteeld vanwege hun vezelgehalte, niet elders genoemd, zoals jute (Corchorus capsularis L.), abaca oftewel manillahennep (Musa textilis Née), sisal (Agave sisalana Perrine) en kenaf (Hibiscus cannabinus L.).

CLND 032

Tabak

Hectaren tabak (Nicotiana tabacum L.), geteeld voor de bladeren.

CLND 033

Hop

Hectaren hop (Humulus lupulus L.), geteeld voor de zaaddragende kegels.

CLND 034

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

Hectaren aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen, geteeld voor farmaceutische doeleinden, de productie van parfum of menselijke consumptie.

CLND 035

Energiegewassen, niet elders genoemd

Hectaren niet elders genoemde energiegewassen die uitsluitend worden gebruikt voor de productie van hernieuwbare energie en die op bouwland worden geteeld.

CLND 036

Andere industriële gewassen, niet elders genoemd

Hectaren niet elders genoemde andere industriële gewassen.

CLND 037

Groen geoogste akkerbouwgewassen

Hectaren groen geoogste akkerbouwgewassen die voornamelijk bedoeld zijn voor de productie van veevoeder of hernieuwbare energie, te weten granen, grassen, peulgewassen en industriële gewassen en andere groen geoogste en/of gebruikte akkerbouwgewassen.

CLND 038

Tijdelijk grasland en begrazing

Hectaren grasgewassen, bestemd om te worden begraasd, gehooid of ingekuild, als onderdeel van een normale gewasrotatie, die ten minste één oogstjaar maar normaal minder dan vijf jaar op dezelfde grond worden verbouwd en waarvoor het zaaigoed uit zuivere grassoorten of uit mengsels van grassoorten bestaat.

CLND 039

Groen geoogste peulgewassen

Hectaren peulgewassen die groen en als plant in zijn geheel worden geoogst en die hoofdzakelijk voor vervoedering of energie worden gebruikt.

Hieronder vallen mengsels die hoofdzakelijk bestaan uit peulgewassen (gewoonlijk > 80 %) en grassen die groen of als hooi worden geoogst.

CLND 040

Voedermaïs

Hectaren met alle maïssoorten (Zea mays L.) die voor kuilvoer worden geteeld (hele kolf, plantdelen of hele plant) en niet worden geoogst voor korrelwinning.

CLND 041

Andere groen geoogste granen (exclusief snijmaïs)

Hectaren met alle granen (met uitzondering van maïs) die worden geteeld en groen worden geoogst als hele plant, voor vervoedering of voor de productie van hernieuwbare energie (biomassaproductie).

CLND 042

Andere groen geoogste akkerbouwgewassen, niet elders genoemd

Hectaren met andere één- of meerjarige gewassen (doch minder dan vijf jaar) die voornamelijk bestemd zijn als veevoeder en die groen worden geoogst. Hieronder vallen ook de restanten van niet elders genoemde gewassen indien de hoofdoogst is vernietigd, maar de overblijfselen nog bruikbaar zijn (als voeder of voor hernieuwbare energie).

CLND 043

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien

Hectaren met alle koolsoorten, bladgroenten en stengelgroenten, vruchtgroenten, wortel-, knol- en bolgroenten, verse peulvruchten, andere vers (niet droog) geoogste groenten en aardbeien die in de openlucht worden geteeld op bouwland in gewasrotatie met andere land- of tuinbouwgewassen.

CLND 044

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien in gewasrotatie met tuinbouwgewassen (tuinbouwmatig geteeld)

Hectaren verse groenten, meloenen en aardbeien die worden geteeld op bouwland en in vruchtwisseling met andere tuinbouwgewassen.

CLND 045

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien in gewasrotatie met niet-tuinbouwgewassen (akkerbouwmatig geteeld)

Hectaren verse groenten, meloenen en aardbeien die worden geteeld op bouwland en in vruchtwisseling met andere landbouwgewassen.

CLND 046

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)

Hectaren met alle bloemen en sierplanten die worden verkocht als snijbloemen (zoals rozen, anjers, orchideeën, gladiolen, chrysanten, snijgroen en andere snijproducten), als pot-, perk- en balkonbloemen en -planten (zoals rododendrons, azalea's, chrysanten, begonia's, geraniums, vlijtig liesjes en andere pot-, perk- en balkonbloemen en -planten) en als bol- en knolgewassen en andere sierplanten (tulpen, hyacinten, orchideeën, narcissen en andere soorten).

CLND 047

Zaai- en plantgoed

Hectaren zaden van wortels (met uitzondering van aardappels en andere planten waarbij de wortels ook worden gebruikt als zaden), voedergewassen, grassen, industriële gewassen (met uitzondering van oliehoudende zaden) en van zaden en zaailingen van groenten en bloemen.

CLND 048

Overige akkerbouwgewassen, niet elders genoemd

Hectaren niet elders genoemde akkerbouwgewassen.

CLND 049

Braakland

Hectaren al dan niet bewerkt bouwland in gewasrotatie of dat in goede landbouw- en milieuconditie (GLMC (9)) wordt gehouden, waar gedurende een geheel oogstjaar niet wordt geoogst. Het essentiële kenmerk van braakland is dat het met rust wordt gelaten, gewoonlijk gedurende een geheel oogstjaar, met het oog op bodemherstel. Braakland kan in de volgende vormen voorkomen:

i)

kale grond, waarop geen gewassen groeien, of

ii)

grond met spontane plantengroei die als veevoeder kan worden gebruikt of kan worden ondergeploegd, of

iii)

grond die uitsluitend wordt ingezaaid voor de productie van groenbemesting (groene braak).

CLND 050

Blijvend grasland

Hectaren land dat blijvend (gedurende een aantal opeenvolgende jaren, gewoonlijk vijf jaar of meer) wordt gebruikt voor de teelt van kruidachtige voeder- of energiegewassen, ongeacht of deze zijn ingezaaid of dat zij zich zelf hebben uitgezaaid, en dat niet in de gewasrotatie van het landbouwbedrijf is opgenomen.

Het grasland kan worden begraasd of gemaaid ter verkrijging van hooi of kuilvoer of kan voor de productie van hernieuwbare energie worden gebruikt.

CLND 051

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

Hectaren blijvend grasland op grond van goede of redelijke kwaliteit, dat normaal kan worden gebruikt voor intensieve begrazing.

CLND 052

Weiden met geringe opbrengst

Hectaren blijvend grasland met geringe opbrengst, waarvan de grond veelal slecht van kwaliteit is, bijvoorbeeld op heuvelachtige of op grote hoogte gelegen weiden die gewoonlijk niet zijn verbeterd door bemesting, bebouwing, herbezaaiing of drainage. Deze gebieden kunnen gewoonlijk alleen voor extensieve begrazing worden gebruikt en worden niet of extensief gemaaid, aangezien ze geen hoge dierdichtheid aankunnen.

CLND 053

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

Hectaren blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 of de recentste wetgeving, indien van toepassing, in een staat wordt gehouden die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines, en dat voor financiële steun in aanmerking komt.

CLND 054

Meerjarige teelten (inclusief jonge en tijdelijk verlaten aanplant, met uitzondering van gebieden die uitsluitend voor eigen gebruik produceren)

Hectaren met alle fruitbomen, alle citrusfruitbomen, alle notenbomen, alle kleinfruitaanplantingen, alle wijngaarden, alle olijfbomen en alle andere meerjarige teelten voor menselijke consumptie (zoals thee, koffie of johannesbrood) en voor andere doeleinden (zoals boomkwekerijgewassen, kerstbomen of planten voor vlecht- en weefwerk zoals rotan en bamboe).

CLND 055

Fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)

Hectaren boomgaarden met pitvruchten, steenvruchten, bessen, noten en fruit van subtropische en tropische breedten.

CLND 056

Pitvruchten

Hectaren boomgaarden met pitvruchten zoals appels (Malus spp.), peren (Pyrus spp.), kweeperen (Cydonia oblonga Mill.) of mispels (Mespilus germanica, L.).

CLND 057

Steenvruchten

Hectaren boomgaarden met steenvruchten, zoals perziken en nectarines (Prunus persica (L.) Batch), abrikozen (Prunus armeniaca L. en andere soorten), zoete en zure kersen (Prunus avium L., P. cerasus), pruimen (Prunus domestica L. en andere soorten) en andere steenvruchten die niet elders worden genoemd zoals sleedoorn (Prunus spinosa L.) en loquats/Japanse mispels (Eriobotrya japonica (Thunb. Lindl.).

CLND 058

Fruit van subtropische en tropische breedten

Hectaren met al het fruit van subtropische en tropische breedten, zoals kiwi's (Actinidia chinensis Planch.), avocado's (Persea americana Mill.) en bananen (Musa spp.).

CLND 059

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

Hectaren met alle geteelde bessen, zoals zwarte bessen (Ribes nigrum L.), rode bessen (Ribes rubrum L.), frambozen (Rubus idaeus L.) of blauwe bessen (Vaccinium corymbosum L.).

CLND 060

Noten

Hectaren met alle notenbomen: walnoten, hazelnoten, amandelen, kastanjes en andere noten.

CLND 061

Citrusvruchten

Hectaren citrusvruchten (Citrus spp.): sinaasappelen, kleine citrusvruchten, citroenen, limoenen, pomelo's, grapefruits en andere citrusvruchten.

CLND 062

Druiven

Hectaren druivenstokken (Vitis vinifera L.)

CLND 063

Druiven voor de productie van wijn

Hectaren druivenstokken met druivenrassen die gewoonlijk bestemd zijn voor de productie van sap, most en/of wijn.

CLND 064

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

Hectaren druivenstokken met wijndruivenrassen die gewoonlijk bestemd zijn voor de productie van wijn met beschermde oorsprongsbenaming en voldoen aan de voorschriften van i) Verordening (EG) nr. 491/2009 van de Raad (10), of de recentste wetgeving, indien van toepassing, en ii) de bijbehorende nationale regels.

CLND 065

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA)

Hectaren druivenstokken met wijndruivenrassen die gewoonlijk bestemd zijn voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding en voldoen aan de voorschriften van i) Verordening (EG) nr. 491/2009, of de recentste wetgeving, indien van toepassing, en ii) de bijbehorende nationale regels.

CLND 066

Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA)

Hectaren druivenstokken met wijndruivenrassen die gewoonlijk bestemd zijn voor de productie van andere wijnen dan BOB- en BGA-wijnen.

CLND 067

Tafeldruiven

Hectaren druivenstokken met druivenrassen die gewoonlijk bestemd zijn voor de productie van verse druiven.

CLND 068

Druiven voor de productie van rozijnen

Hectaren druivenstokken met druivenrassen die gewoonlijk bestemd zijn voor de productie van krenten en rozijnen.

CLND 069

Olijven

Hectaren olijfbomen (Olea europea L.), geteeld voor de productie van olijven.

CLND 070

Boomkwekerijgewassen

Hectaren boomkwekerijen waar jonge houtachtige planten in de openlucht worden gekweekt, bestemd om later te worden verplant.

CLND 071

Andere meerjarige teelten met inbegrip van andere meerjarige teelten voor menselijke consumptie

Hectaren meerjarige, niet elders genoemde teelten voor menselijke consumptie en als kerstbomen op de oppervlakte cultuurgrond geplante bomen.

CLND 072

Kerstbomen

Hectaren voor commerciële doeleinden geplante kerstbomen, buiten het bosareaal, op de oppervlakte cultuurgrond. Kerstboomplantages die niet langer worden onderhouden en die vallen onder bosareaal blijven buiten beschouwing.

CLND 073

Tuinen voor eigen gebruik

Hectaren grond die normaal worden gebruikt voor onder meer groenten, hakvruchten en meerjarige teelten die zijn bedoeld voor consumptie door het bedrijfshoofd en zijn huishouden, gewoonlijk afgescheiden van de rest van de cultuurgrond en als zodanig herkenbaar.

CLND 074

Andere landbouwgrond

Hectaren niet in gebruik zijnde cultuurgrond (cultuurgrond die om economische, sociale of andere redenen niet meer wordt gebruikt en die niet in de gewasrotatie is opgenomen), het bosareaal en de andere grond die in beslag wordt genomen door gebouwen, erven, wegen, vijvers, steengroeven, onvruchtbare gronden, rotsen enz.

CLND 075

Oppervlakte niet in gebruik zijnde cultuurgrond

Hectaren grond die vroeger voor landbouwdoeleinden werd gebruikt, maar die in het referentiejaar van de enquête niet meer wordt bewerkt en die niet in de gewasrotatie is opgenomen, d.w.z. grond waarvoor geen landbouwgebruik is gepland.

Deze grond kan weer in gebruik worden genomen met de middelen die gewoonlijk op een landbouwbedrijf beschikbaar zijn.

CLND 076

Bosareaal

Hectaren land die met bosbomen of -struiken zijn begroeid, inclusief in of buiten bossen gelegen aanplantingen van populieren en vergelijkbare bomen, en in het bos gelegen bosboomkwekerijen voor de eigen behoeften van het landbouwbedrijf, alsmede voorzieningen in het bos (boswegen, opslagplaatsen voor hout enz.).

CLND 077

Hakhout met korte omlooptijd

Hectaren bosareaal waar houtgewassen met een rotatieperiode van twintig jaar of minder worden geteeld.

De rotatieperiode is de tijd tussen het moment waarop de bomen voor het eerst worden gezaaid of geplant en het tijdstip dat het eindproduct wordt geoogst, waarbij normale beheersactiviteiten als uitdunnen niet tot het oogsten worden gerekend.

CLND 078

Overig areaal (gebouwen, erven, wegen, vijvers en andere niet-productieve oppervlakten)

Hectaren land die deel uitmaken van het totale areaal van het landbouwbedrijf, maar niet behoren tot de oppervlakte cultuurgrond, de oppervlakte niet in gebruik zijnde cultuurgrond of het bosareaal, zoals bebouwde grond (behalve wanneer die wordt gebruikt voor het kweken van paddenstoelen), erven, wegen, vijvers, groeven, onvruchtbare grond of gesteente.

 

 

Bijzondere arealen van het landbouwbedrijf

CLND 079

Gekweekte paddenstoelen

Hectaren gekweekte paddenstoelen die worden geteeld in speciaal voor dit doel gebouwde of aangepaste gebouwen, dan wel in grotten, kelders en andere onderaardse ruimten.

CLND 080

OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Hectaren gewassen die gedurende de gehele groeicyclus of voor het grootste deel daarvan in een kas of onder een vaste of verplaatsbare beschermingsafdekking (glas of hard of flexibel plastic) worden geteeld. Deze arealen dienen niet te worden opgenomen in de bovengenoemde variabelen.

CLND 081

Groenten, met inbegrip van meloenen en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Hectaren met alle koolsoorten, bladgroenten en stengelgroenten, vruchtgroenten, wortel-, knol- en bolgroenten, verse peulvruchten, andere vers (niet droog) geoogste groenten en aardbeien die worden geteeld onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking.

CLND 082

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Hectaren met alle bloemen en sierplanten die worden verkocht als snijbloemen (zoals rozen, anjers, orchideeën, gladiolen, chrysanten, snijgroen en andere snijproducten), als pot-, perk- en balkonbloemen en -planten (zoals rododendrons, azalea's, chrysanten, begonia's, geraniums, vlijtig liesjes en andere pot-, perk- en balkonbloemen en -planten) en als bol- en knolgewassen en andere sierplanten (tulpen, hyacinten, orchideeën, narcissen en andere soorten) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking.

CLND 083

Andere akkerbouwgewassen onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Hectaren andere, niet elders genoemde akkerbouwgewassen die worden geteeld onder glas of een andere betreedbare beschermingsafdekking.

CLND 084

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Hectaren meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking.

CLND 085

Andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd

Oppervlakte cultuurgrond in hectaren, niet elders genoemd, met teelten onder glas of een andere betreedbare beschermingsafdekking.

Biologische landbouw

Het landbouwbedrijf heeft grond waar biologische landbouwproductiemethoden worden toegepast die overeenkomen met een bepaalde reeks normen en voorschriften die zijn vastgelegd in i) Verordening (EG) nr. 834/2007 of Verordening (EU) 2018/848, of de recentste wetgeving, indien van toepassing, en ii) de bijbehorende nationale uitvoeringsregels inzake biologische productie, waaronder tijdens de overgangsperiode.

De gewassen zijn gedefinieerd in afdeling II. VARIABELEN INZAKE DE GROND

CLND 086

Oppervlakte cultuurgrond voor biologische landbouw

CLND 087

Bouwland voor biologische landbouw

CLND 088

Biologische granen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad)

CLND 089

Biologische zachte tarwe en spelt

CLND 090

Biologische durumtarwe

CLND 091

Biologische droog geoogste peulvruchten en eiwitrijke gewassen voor korrelwinning (inclusief zaden en mengsels van granen en peulvruchten)

CLND 092

Biologische hakvruchten

CLND 093

Biologische aardappelen (inclusief pootaardappelen)

CLND 094

Biologische suikerbieten (exclusief zaaizaad)

CLND 095

Biologische industriële gewassen

CLND 096

Biologische oliehoudende zaden

CLND 097

Biologische soja

CLND 098

Biologische groen geoogste akkerbouwgewassen

CLND 099

Biologisch tijdelijk grasland en biologische begrazing

CLND 100

Biologische groen geoogste peulgewassen

CLND 101

Biologische verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien

CLND 102

Biologisch zaai- en plantgoed

CLND 103

Biologisch blijvend grasland

CLND 104

Biologisch blijvend grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

CLND 105

Biologische weiden met geringe opbrengst

CLND 106

Biologische meerjarige teelten (inclusief jonge en tijdelijk verlaten aanplant, met uitzondering van gebieden die uitsluitend voor eigen gebruik produceren)

CLND 107

Biologisch fruit en kleinfruit en biologische noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)

CLND 108

Biologische citrusvruchten

CLND 109

Biologische druiven voor de productie van wijn

CLND 110

Biologische olijven

CLND 111

Biologische groenten, met inbegrip van meloenen en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Irrigatie op bouwland in de openlucht

CLND 112

Totaal irrigeerbaar areaal

Maximale oppervlakte cultuurgrond in hectaren die in de loop van het referentiejaar kan worden geïrrigeerd met behulp van de installaties en een hoeveelheid water die gewoonlijk beschikbaar zijn op het landbouwbedrijf.


III.   VARIABELEN INZAKE VEE

De dieren zijn niet noodzakelijk eigendom van het bedrijfshoofd. Het vee kan zich op het landbouwbedrijf (op de oppervlakte cultuurgrond of in door het landbouwbedrijf gebruikte stallen) bevinden of daarbuiten (op gemeenschappelijke weiden, in rondtrekkende kudden enz.).

 

 

Runderen

Verwijst naar runderen (Bos taurus L.) en waterbuffels (Bubalus bubalis L.), met inbegrip van hybride vormen zoals de Beefalo.

CLVS 001

Runderen jonger dan een jaar

Stuks runderen, mannelijk en vrouwelijk, jonger dan een jaar.

CLVS 002

Runderen tussen een en twee jaar oud

Stuks runderen tussen een en twee jaar oud.

CLVS 003

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

Stuks mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud.

CLVS 004

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

Stuks vrouwelijke runderen tussen een en twee jaar oud.

 

 

 

Runderen van twee jaar en ouder

CLVS 005

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

Stuks mannelijke runderen van twee jaar en ouder.

CLVS 006

Vrouwelijke runderen van twee jaar en ouder

Stuks vrouwelijke runderen van twee jaar en ouder.

CLVS 007

Vaarzen van twee jaar en ouder

Stuks vrouwelijke runderen van twee jaar en ouder die nog niet hebben gekalfd.

CLVS 008

Koeien

Stuks vrouwelijke runderen van twee jaar en ouder die al hebben gekalfd.

CLVS 009

Melkkoeien

Stuks vrouwelijke runderen die al hebben gekalfd (inclusief runderen van minder dan twee jaar oud) en die door hun ras of aanleg uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van melk die bestemd is voor menselijke consumptie of voor de verwerking tot zuivelproducten.

CLVS 010

Andere koeien

Stuks vrouwelijke runderen die al hebben gekalfd (inclusief runderen van minder dan twee jaar oud) en die door hun ras of aanleg uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van kalveren en waarvan de melk niet bestemd is voor menselijke consumptie of voor de verwerking tot zuivelproducten.

CLVS 011

Buffelkoeien

Stuks buffelkoeien (vrouwelijke dieren van de soort Bubalus bubalis, L.) die al hebben gekalfd (met inbegrip van dieren die minder dan twee jaar oud zijn).

CLVS 012

Schapen (alle leeftijden)

Stuks huisdieren van de soort Ovis aries L.

CLVS 013

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

Stuks gedekte ooien en ooilammeren, ongeacht of het zuivel- of vleesschapen zijn.

CLVS 014

Andere schapen

Stuks van alle andere schapen dan vrouwelijke dieren voor de voortplanting.

CLVS 015

Geiten (alle leeftijden)

Stuks huisdieren van de ondersoort Capra aegagrus hircus L.

CLVS 016

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

Stuks geiten die al hebben gelammerd en gedekte geiten.

CLVS 017

Andere geiten

Stuks van alle andere geiten dan vrouwelijke dieren voor de voortplanting.

 

 

Varkens

Verwijst naar huisdieren van de soort Sus scrofa domesticus Erxleben.

CLVS 018

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

Stuks biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg.

CLVS 019

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

Stuks fokzeugen van 50 kg en meer, ongeacht of ze al hebben gebigd.

CLVS 020

Andere varkens

Stuks varkens, niet elders genoemd.

 

 

Pluimvee

Verwijst naar gedomesticeerde hennen en kippen (Gallus gallus L.), kalkoenen (Meleagris spp.), eenden (Anas spp. and Cairina moschata L.), ganzen (Anser anser domesticus L.), struisvogels (Struthio camelus L.) en andere pluimveesoorten die niet elders genoemd zijn, zoals kwartels (Coturnix spp.), fazanten (Phasianus spp.), parelhoenders (Numida meleagris domestica L.) en duiven (Columbinae spp.). In gevangenschap grootgebrachte vogels bedoeld voor de jacht en niet gehouden voor vlees/eieren blijven evenwel buiten beschouwing.

CLVS 021

Mesthoenders

Stuks huisdieren van de soort Gallus gallus L. die worden gehouden voor hun vlees.

CLVS 022

Leghennen

Stuks legrijpe huisdieren van de soort Gallus gallus L. die worden gehouden voor de productie van eieren.

CLVS 023

Ander pluimvee

Stuks pluimvee dat niet genoemd is onder mesthoenders of leghennen. Kuikens blijven buiten beschouwing.

CLVS 024

Kalkoenen

Stuks huisdieren van het geslacht Meleagris.

CLVS 025

Eenden

Stuks huisdieren van het geslacht Anas en de soort Cairina moschata L.

CLVS 026

Ganzen

Stuks huisdieren van de soort Anser anser domesticus L.

CLVS 027

Struisvogels

Stuks struisvogels (Struthio camelus L.)

CLVS 028

Ander pluimvee, niet elders genoemd

Stuks ander pluimvee, niet elders genoemd.

 

 

Konijnen

Verwijst naar huisdieren van het geslacht Oryctolagus.

CLVS 029

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

Stuks vrouwelijke konijnen (Oryctolagus spp.) voor het fokken van vleeskonijnen en die al hebben geworpen.

CLVS 030

Bijen

Aantal bijenkorven bevolkt door bijen (Apis mellifera L.) die voor de honingproductie worden gehouden.

CLVS 031

Herten

De aanwezigheid van dieren zoals edelherten (Cervus elaphus L.), sikaherten (Cervus nippon Temminck), rendieren (Rangifer tarandus L.) en damherten (Dama dama L.) voor de productie van vlees.

CLVS 032

Pelsdieren

De aanwezigheid van dieren zoals nertsen (Neovison vison Schreber), bunzingen (Mustela putorius L.), vossen (Vulpes spp. en andere soorten), wasbeerhonden (Nyctereutes spp.) of chinchilla's (Chinchilla spp.) voor de productie van bont.

CLVS 033

Dieren, niet elders genoemd

De aanwezigheid van productiedieren die niet elders in deze afdeling worden genoemd.

Biologische productiemethoden toegepast op de dierlijke productie

Het landbouwbedrijf houdt dieren volgens landbouwpraktijken die overeenkomen met een bepaalde reeks normen en voorschriften die zijn vastgelegd in i) Verordening (EG) nr. 834/2007 of Verordening (EU) 2018/848, of de recentste wetgeving, indien van toepassing, en ii) de bijbehorende nationale uitvoeringsregels inzake biologische productie, waaronder tijdens de overgangsperiode.

De dieren zijn gedefinieerd in afdeling III. VARIABELEN INZAKE VEE

CLVS 034

Runderen, biologische landbouw

Stuks runderen, biologische landbouw

CLVS 035

Melkkoeien, biologische landbouw

Stuks melkkoeien, biologische landbouw

CLVS 036

Andere koeien, biologische landbouw

Stuks andere koeien, biologische landbouw

CLVS 037

Buffelkoeien, biologische landbouw

Stuks buffelkoeien, biologische landbouw

CLVS 038

Schapen (alle leeftijden), biologische landbouw

Stuks schapen, biologische landbouw

CLVS 039

Geiten (alle leeftijden), biologische landbouw

Stuks geiten, biologische landbouw

CLVS 040

Varkens, biologische landbouw

Stuks varkens, biologische landbouw

CLVS 041

Pluimvee, biologische landbouw

Stuks pluimvee, biologische landbouw

CLVS 042

Mesthoenders, biologische landbouw

Stuks mesthoenders, biologische landbouw

CLVS 043

Leghennen, biologische landbouw

Stuks leghennen, biologische landbouw


(1)  Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens. (PB L 323 van 8.12.2010, blz. 11).

(2)  NUTS: nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek.

(3)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(5)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(6)  Arbeidsjaareenheid (AJE), percentageklasse 2: (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75-< 100), (100).

(7)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(10)  Verordening (EG) nr. 491/2009 van de Raad van 25 mei 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB L 154 van 17.6.2009, blz. 1).


BIJLAGE II

Lijst met variabelen per module

MODULE 1. ARBEIDSKRACHTEN EN ANDERE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN

Variabelen

Eenheden/categorieën

Onderwerp: beheer landbouwbedrijf

 

 

Gedetailleerde onderwerpen: bedrijfshoofd en genderevenwicht

 

MLFO 001

Geslacht van het bedrijfshoofd

Man/vrouw

MLFO 002

Geboortejaar

Jaar

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput

 

MLFO 003

Landbouwwerkzaamheden van het bedrijfshoofd op het landbouwbedrijf

AJE-klasse 1 (1)

 

Gedetailleerd onderwerp: veiligheidsmaatregelen, inclusief een veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf

 

MLFO 004

Veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf

Ja/Neen

Onderwerp: familiearbeidskrachten

 

 

Gedetailleerde onderwerpen: arbeidsinput, aantal betrokken personen en genderevenwicht

 

MLFO 005

Mannelijke familieleden die landbouwwerkzaamheden verrichten

Aantal personen per AJE-klasse 2 (2)

MLFO 006

Vrouwelijke familieleden die landbouwwerkzaamheden verrichten

Aantal personen per AJE-klasse 2 (2)

Onderwerp: niet-familiearbeidskrachten

 

 

Gedetailleerde onderwerpen: arbeidsinput, aantal werkzame personen en genderevenwicht

 

 

 

Niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn

 

MLFO 007

Mannelijke niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn

Aantal personen per AJE-klasse 2 (2)

MLFO 008

Vrouwelijke niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn

Aantal personen per AJE-klasse 2 (2)

 

Gedetailleerd onderwerp: niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten in dienst van het landbouwbedrijf

 

MLFO 009

Niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten, niet-familieleden: mannen en vrouwen

Voltijdse werkdagen

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput door contractanten

 

MLFO 010

Personen die niet rechtstreeks in dienst zijn van het landbouwbedrijf en die niet in de eerdere categorieën zijn opgenomen.

Voltijdse werkdagen

Onderwerp: andere rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

 

 

Gedetailleerd onderwerp: soorten activiteiten

 

MLFO 011

Verstrekking van gezondheids-, maatschappelijke of onderwijsdiensten

Ja/Neen

MLFO 012

Toerisme, accommodatie en andere vormen van vrijetijdsbesteding

Ja/Neen

MLFO 013

Ambachten

Ja/Neen

MLFO 014

Verwerking van landbouwproducten

Ja/Neen

MLFO 015

Opwekking van hernieuwbare energie

Ja/Neen

MLFO 016

Houtverwerking

Ja/Neen

MLFO 017

Aquacultuurproducten

Ja/Neen

 

 

Loonwerk (met behulp van productiemiddelen van het landbouwbedrijf)

 

MLFO 018

Loonwerk in de landbouw

Ja/Neen

MLFO 019

Loonwerk buiten de landbouw

Ja/Neen

MLFO 020

Bosbouw

Ja/Neen

MLFO 021

Andere, niet elders genoemde rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

Ja/Neen

 

Gedetailleerd onderwerp: belang voor het landbouwbedrijf

 

MLFO 022

Het in percentage uitgedrukte aandeel van andere, rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de uiteindelijke output van het landbouwbedrijf.

Percentageklassen (3)

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput

 

MLFO 023

Het bedrijfshoofd verricht andere winstgevende werkzaamheden (die verband houden met het landbouwbedrijf).

M/S/N (4)

MLFO 024

Familiearbeidskrachten die op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en die andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als belangrijkste werkzaamheden hebben.

Aantal personen

MLFO 025

Familiearbeidskrachten die op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en die andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als ondergeschikte werkzaamheden hebben.

Aantal personen

MLFO 026

Niet-familieabeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en die andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als belangrijkste werkzaamheden hebben.

Aantal personen

MLFO 027

Niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en die andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als ondergeschikte werkzaamheden hebben.

Aantal personen

Onderwerp: andere niet rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

 

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput

 

MLFO 028

Het enig bedrijfshoofd dat tevens de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf met éénhoofdige bedrijfsvoering is, verricht andere winstgevende werkzaamheden (die geen verband houden met het landbouwbedrijf).

M/S/N (4)

MLFO 029

Familieleden van een enig bedrijfshoofd (indien het enig bedrijfshoofd de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf is), die werkzaam zijn op het landbouwbedrijf en andere winstgevende werkzaamheden verrichten (die geen verband houden met het landbouwbedrijf) als belangrijkste werkzaamheden.

Aantal personen

MLFO 030

Familieleden van een enig bedrijfshoofd (indien het enig bedrijfshoofd de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf is), die werkzaam zijn op het landbouwbedrijf en andere winstgevende werkzaamheden verrichten (die geen verband houden met het landbouwbedrijf) als ondergeschikte werkzaamheden.

Aantal personen

MODULE 2. PLATTELANDSONTWIKKELING

Variabelen

Eenheden/categorieën

Onderwerp: landbouwbedrijven ondersteund door plattelandsontwikkelingsmaatregelen

 

MRDV 001

Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten

Ja/Neen

MRDV 002

Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

Ja/Neen

MRDV 003

Investeringen in materiële activa

Ja/Neen

MRDV 004

Herstel van door natuurrampen of rampzalige gebeurtenissen beschadigd agrarisch productiepotentieel en invoering van passende preventieve acties

Ja/Neen

 

 

Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen

 

MRDV 005

Aanloopsteun ten bate van jonge landbouwers

Ja/Neen

MRDV 006

Aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven

Ja/Neen

MRDV 007

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen voor Kroatië

Ja/Neen

MRDV 008

Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen

Ja/Neen

 

 

Agromilieubetalingen klimaatbetalingen

 

MRDV 009

Agromilieuklimaat

Ja/Neen

MRDV 010

Bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding

Ja/Neen

MRDV 011

Biologische landbouw

Ja/Neen

MRDV 012

Betalingen in het kader van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water

Ja/Neen

MRDV 013

Betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

Ja/Neen

MRDV 014

Dierenwelzijn

Ja/Neen

MRDV 015

Risicobeheer

Ja/Neen

MODULE 3. HUISVESTING VAN DIEREN EN MESTBEHEER

Variabelen

Eenheden/categorieën

Onderwerp: huisvesting van dieren

 

 

Gedetailleerd onderwerp: huisvesting van runderen

 

MAHM 001

Melkkoeien

Gemiddeld aantal

MAHM 002

Melkkoeien in stallen met halsbeugels (drijfmest)

Plaatsen

MAHM 003

Melkkoeien in stallen met halsbeugels (vaste mest)

Plaatsen

MAHM 004

Melkkoeien in loopstallen/stallen met boxen (drijfmest)

Plaatsen

MAHM 005

Melkkoeien in loopstallen/stallen met boxen (vaste mest)

Plaatsen

MAHM 006

Melkkoeien in andersoortige verblijven (drijfmest)

Plaatsen

MAHM 007

Melkkoeien in andersoortige verblijven (vaste mest)

Plaatsen

MAHM 008

Melkkoeien, altijd buiten

Plaatsen

MAHM 009

Melkkoeien, deels buiten (begrazing)

Maanden

MAHM 010

Melkkoeien met toegang tot een uitloop naar buiten

Ja/Neen

MAHM 011

Andere runderen

Gemiddeld aantal

MAHM 012

Andere runderen in stallen met halsbeugels (drijfmest)

Plaatsen

MAHM 013

Andere runderen in stallen met halsbeugels (vaste mest)

Plaatsen

MAHM 014

Andere runderen in loopstallen/stallen met boxen (drijfmest)

Plaatsen

MAHM 015

Andere runderen in loopstallen/stallen met boxen (vaste mest)

Plaatsen

MAHM 016

Andere runderen in andersoortige verblijven (drijfmest)

Plaatsen

MAHM 017

Andere runderen in andersoortige verblijven (vaste mest)

Plaatsen

MAHM 018

Andere runderen, altijd buiten

Plaatsen

MAHM 019

Andere runderen, deels buiten (begrazing)

Maanden

MAHM 020

Andere runderen met toegang tot een uitloop naar buiten

Ja/Neen

 

Gedetailleerd onderwerp: huisvesting van varkens

 

MAHM 021

Fokzeugen

Gemiddeld aantal

MAHM 022

Fokzeugen op een volledige roostervloer

Plaatsen

MAHM 023

Fokzeugen op een gedeeltelijke roostervloer

Plaatsen

MAHM 024

Fokzeugen in verblijven met een vaste ondergrond (met uitzondering van diep strooisel)

Plaatsen

MAHM 025

Fokzeugen op een oppervlak dat geheel is voorzien van diep strooisel

Plaatsen

MAHM 026

Fokzeugen in andersoortige verblijven

Plaatsen

MAHM 027

Fokzeugen, buiten (scharrel)

Plaatsen

MAHM 028

Fokzeugen, buiten (scharrel)

Maanden

MAHM 029

Andere varkens

Gemiddeld aantal

MAHM 030

Andere varkens op een volledige roostervloer

Plaatsen

MAHM 031

Andere varkens op een gedeeltelijke roostervloer

Plaatsen

MAHM 032

Andere varkens in verblijven met een vaste ondergrond (met uitzondering van diep strooisel)

Plaatsen

MAHM 033

Andere varkens op een oppervlak dat geheel is voorzien van diep strooisel

Plaatsen

MAHM 034

Andere varkens in andersoortige verblijven

Plaatsen

MAHM 035

Andere varkens, buiten (scharrel)

Plaatsen

MAHM 036

Andere varkens met toegang tot een uitloop naar buiten

Ja/Neen

 

Gedetailleerd onderwerp: huisvesting van leghennen

 

MAHM 037

Leghennen

Gemiddeld aantal

MAHM 038

Leghennen in verblijven met diep strooisel

Plaatsen

MAHM 039

Leghennen in een volière (zonder strooisel)

Plaatsen

MAHM 040

Leghennen in kooien met mestbanden

Plaatsen

MAHM 041

Leghennen in kooien met kunstmatig geventileerde mestput (deep pit)

Plaatsen

MAHM 042

Leghennen in kooien met natuurlijk geventileerde mestput (stilt house)

Plaatsen

MAHM 043

Leghennen in andersoortige verblijven

Plaatsen

MAHM 044

Leghennen, buiten (scharrel)

Plaatsen

Onderwerp: gebruik van voedingsstoffen en mest op het landbouwbedrijf

 

 

Gedetailleerd onderwerp: bemeste OCG

 

MAHM 045

Totale OCG bemest met minerale meststoffen

ha

MAHM 046

Totale OCG bemest met mest

ha

 

Gedetailleerd onderwerp: door het landbouwbedrijf uitgevoerde of ingevoerde mest

 

 

 

Netto-uitvoer van mest van het landbouwbedrijf

 

MAHM 047

Netto-uitvoer van drijfmest/gier van het landbouwbedrijf

m3

MAHM 048

Netto-uitvoer van vaste mest van het landbouwbedrijf

ton

 

Gedetailleerd onderwerp: biologische en op afval gebaseerde meststoffen, anders dan dierlijke mest

 

MAHM 049

Op het landbouwbedrijf gebruikte biologische en op afval gebaseerde meststoffen, anders dan dierlijke mest

ton

Onderwerp: bemestingstechnieken

 

 

Gedetailleerd onderwerp: onderwerkingstijd per soort toediening

 

 

 

Breedstrooien

 

MAHM 050

Onderwerking binnen vier uur

%-klassen (5)

MAHM 051

Onderwerking na vier uur

%-klassen (5)

MAHM 052

Geen onderwerking

%-klassen (5)

 

 

Bandbreedte

 

MAHM 053

Sleepslang

%-klassen (5)

MAHM 054

Sleepvoet

%-klassen (5)

 

 

Injectie

 

MAHM 055

Zode-injectie/open sleuven

%-klassen (5)

MAHM 056

Mestinjectie/dichte sleuven

%-klassen (5)

Onderwerp: voorzieningen voor mest

 

 

Gedetailleerd onderwerp: mestopslagvoorzieningen en -capaciteit

 

MAHM 057

Opslag van vaste mest in hopen

%

MAHM 058

Mest opgeslagen in composthopen

%

MAHM 059

Mest opgeslagen in putten onder het dierenverblijf

%

MAHM 060

Mest opgeslagen in systemen met diep strooisel

%

MAHM 061

Opslag van gier/drijfmest zonder afdekking

%

MAHM 062

Opslag van gier/drijfmest met doorlatende afdekking

%

MAHM 063

Opslag van gier/drijfmest met niet-doorlatende afdekking

%

MAHM 064

Mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

%

MAHM 065

Dagelijkse toediening

%

MAHM 066

Mest opgeslagen in composthopen

Maanden

MAHM 067

Mestopslag in putten onder het dierenverblijf

Maanden

MAHM 068

Mestopslag in systemen met diep strooisel

Maanden

MAHM 069

Opslag van gier/drijfmest

Maanden

MAHM 070

Mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

Maanden


(1)  Arbeidsjaareenheid (AJE), percentageklasse 1: (0), (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75-< 100), (100).

(2)  Arbeidsjaareenheid (AJE), percentageklasse 2: (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75-< 100), (100).

(3)  Uiteindelijke output van het bedrijf in percentageklassen: (≥ 0-≤ 10), (> 10-≤ 50), (> 50-< 100).

(4)  M — belangrijkste werkzaamheden, S — ondergeschikte werkzaamheden, N — geen betrokkenheid

(5)  Percentageklassen voor bemesting per specifieke techniek: (0), (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75-< 100), (100).


BIJLAGE III

Beschrijving van de variabelen die moeten worden gebruikt voor de gegevensmodules voor het landbouwbedrijf als bedoeld in bijlage II bij deze uitvoeringsverordening

MODULE 1. ARBEIDSKRACHTEN EN ANDERE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN

BESCHRIJVING VAN DE VARIABELEN INZAKE DE ARBEIDSKRACHTEN

Bedrijfshoofd

Het bedrijfshoofd is de natuurlijke persoon (of de geselecteerde natuurlijke persoon in het geval van een bedrijf met meerhoofdige bedrijfsvoering) voor wiens rekening en op wiens naam het bedrijf wordt geëxploiteerd en die juridisch en economisch voor het bedrijf aansprakelijk is. Indien het bedrijfshoofd een rechtspersoon is, worden er geen gegevens over het bedrijfshoofd verzameld.

Landbouwwerkzaamheden worden gedefinieerd in bijlage I. ALGEMENE VARIABELEN

Onderwerp: beheer landbouwbedrijf

 

Gedetailleerde onderwerpen: bedrijfshoofd en genderevenwicht

MLFO 001

Geslacht van het bedrijfshoofd

Geslacht van het bedrijfshoofd

 

M — man

 

F — vrouw

MLFO 002

Geboortejaar

Geboortejaar van het bedrijfshoofd

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput

MLFO 003

Landbouwwerkzaamheden van het bedrijfshoofd op het landbouwbedrijf

Percentageklasse van arbeidsjaareenheden aan landbouwwerkzaamheden op het landbouwbedrijf door het bedrijfshoofd, met uitzondering van huishoudelijke werkzaamheden.

 

Gedetailleerd onderwerp: veiligheidsmaatregelen, inclusief een veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf

MLFO 004

Veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf

Om de werkgerelateerde risico's te verminderen, heeft het landbouwbedrijf voor de werkplek een risicobeoordeling uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een schriftelijk document (zoals een „veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf”).

Onderwerp: familiearbeidskrachten

 

Gedetailleerde onderwerpen: arbeidsinput, aantal betrokken personen en genderevenwicht

 

Familieleden die landbouwwerkzaamheden verrichten

Deze rubriek is alleen van toepassing op landbouwbedrijven met éénhoofdige bedrijfsvoering, omdat bedrijven met meerhoofdige bedrijfsvoering en rechtspersonen worden geacht geen familiearbeidskrachten te hebben.

Familieleden die landbouwwerkzaamheden verrichten (uitgezonderd huishoudelijke werkzaamheden) omvatten de echtgenoot, familieleden in op- of neergaande lijn, alsmede broers en zussen van het bedrijfshoofd of diens echtgeno(o)t(e) in het geval van bedrijven met éénhoofdige bedrijfsvoering. In voorkomend geval valt ook de bedrijfsleider hieronder, als die een familielid van het bedrijfshoofd is.

MLFO 005

Mannelijke familieleden die landbouwwerkzaamheden verrichten

Aantal mannelijke familieleden per percentageklasse van arbeidsjaareenheden

MLFO 006

Vrouwelijke familieleden die landbouwwerkzaamheden verrichten

Aantal vrouwelijke familieleden per percentageklasse van arbeidsjaareenheden

Onderwerp: niet-familiearbeidskrachten

 

Gedetailleerde onderwerpen: arbeidsinput, aantal werkzame personen en genderevenwicht

 

 

Niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn

Regelmatig werkzame arbeidskrachten zijn andere personen dan het bedrijfshoofd en familieleden die in de twaalf maanden voorafgaand aan de peildatum van de enquête wekelijks landbouwwerkzaamheden verrichtten op het landbouwbedrijf, ongeacht de duur van de werkweek en of zij daarvoor enige vergoeding ontvingen (salaris, loon, winst of andere betalingen, met inbegrip van betalingen in natura). Het betreft ook personen die niet gedurende de hele periode in staat waren om te werken, om redenen zoals:

i)

bijzondere productieomstandigheden op specialistische landbouwbedrijven, of

ii)

afwezigheid vanwege vakantie, vervulling van de dienstplicht, ziekte, ongeval of overlijden, of

iii)

begin of beëindiging van het dienstverband op het landbouwbedrijf, of

iv)

volledige stilstand van het werk op het landbouwbedrijf door bijzondere oorzaken (overstroming, brand enz.).

MLFO 007

Mannelijke niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn

Aantal mannelijke niet-familiearbeidskrachten, per percentageklasse van arbeidsjaareenheden.

MLFO 008

Vrouwelijke niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn

Aantal vrouwelijke niet-familiearbeidskrachten, per percentageklasse van arbeidsjaareenheden.

 

Gedetailleerd onderwerp: niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten in dienst van het landbouwbedrijf

 

 

Niet-regelmatig werkzame niet-familiearbeidskrachten zijn degenen die tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan de peildatum van de enquête niet iedere week op het landbouwbedrijf hebben gewerkt om andere redenen dan die welke zijn genoemd onder regelmatig werkzame niet-familiearbeidskrachten.

Voor het aantal werkdagen van niet-regelmatig werkzame niet-familiearbeidskrachten telt iedere dag van zodanige lengte dat de werker salaris of enige andere vergoeding (loon, winst of andere betalingen, met inbegrip van betalingen in natura) voor een volle dag werk krijgt, waarop werk wordt verricht dat gewoonlijk door een landbouwarbeidskracht met een volledige dagtaak wordt gedaan. Verlof- en ziektedagen gelden niet als werkdagen.

MLFO 009

Niet-regelmatig werkzame niet-familiearbeidskrachten: mannen en vrouwen

Totaal aantal voltijdse werkdagen van personen die niet regelmatig werkzaam zijn op het landbouwbedrijf.

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput door contractanten

MLFO 010

Personen die niet rechtstreeks in dienst zijn van het landbouwbedrijf en die niet in de eerdere categorieën zijn opgenomen

Totaal aantal voltijdse werkdagen op het landbouwbedrijf, gewerkt door personen die niet rechtstreeks werkzaam zijn voor het landbouwbedrijf (bijv. onderaannemers die in dienst zijn bij derden).

Onderwerp: andere rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

Er wordt informatie over andere winstgevende werkzaamheden verzameld voor:

i)

de bedrijfshoofden van bedrijven met één- of meerhoofdige bedrijfsvoering

ii)

de familieleden op bedrijven met éénhoofdige bedrijfsvoering

en, in het geval van andere rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden, ook voor:

iii)

niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn.

Er wordt geen informatie over andere winstgevende werkzaamheden verzameld voor rechtspersonen.

Andere rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden zijn andere winstgevende werkzaamheden:

a)

op het landbouwbedrijf, of

b)

buiten het landbouwbedrijf.

Andere rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarbij hetzij de middelen (grond, gebouwen, machines enz.) hetzij de producten van het landbouwbedrijf worden gebruikt. Zowel niet-landbouwwerkzaamheden als landbouwwerkzaamheden voor andere landbouwbedrijven zijn inbegrepen. Zuiver financiële investeringen blijven buiten beschouwing. Verpachting van grond voor diverse werkzaamheden zonder verdere betrokkenheid bij de werkzaamheden blijft eveneens buiten beschouwing.

 

Gedetailleerd onderwerp: soorten activiteiten

MLFO 011

Verstrekking van gezondheids-, maatschappelijke of onderwijsdiensten

Het plaatsvinden van elke activiteit die verband houdt met de verstrekking van gezondheids-, maatschappelijke of onderwijsdiensten en/of maatschappelijke bedrijfsactiviteiten, waarvoor hetzij de middelen hetzij de primaire producten van het landbouwbedrijf worden gebruikt.

MLFO 012

Toerisme, accommodatie en andere vormen van vrijetijdsbesteding

Het plaatsvinden van alle activiteiten op het gebied van toerisme, accommodatie, openstelling van het landbouwbedrijf voor toeristen of andere groepen, sport en recreatie enz., waarvoor de grond, de gebouwen of andere middelen van het landbouwbedrijf worden gebruikt.

MLFO 013

Ambachten

Het plaatsvinden van de ambachtelijke productie van voorwerpen op het landbouwbedrijf, door het bedrijfshoofd of diens familieleden, of door niet-familiearbeidskrachten, ongeacht hoe de producten worden verkocht.

MLFO 014

Verwerking van landbouwproducten

Het plaatsvinden van de verwerking van een primair landbouwproduct tot een verwerkt secundair product op het landbouwbedrijf, ongeacht of de grondstoffen op het landbouwbedrijf worden geproduceerd of elders worden gekocht.

MLFO 015

Opwekking van hernieuwbare energie

Het plaatsvinden van de opwekking van hernieuwbare energie voor de markt, inclusief biogas, biobrandstof en elektriciteit, met windturbines of andere installaties of uit landbouwgrondstoffen. Hernieuwbare energie die alleen voor het eigen gebruik van het landbouwbedrijf wordt geproduceerd, blijft buiten beschouwing.

MLFO 016

Houtverwerking

Het op het landbouwbedrijf plaatsvinden van de verwerking van ruw hout voor de markt (zagen enz.).

MLFO 017

Aquacultuurproducten

Het plaatsvinden van de productie van vis, rivierkreeft enz. op het landbouwbedrijf. Werkzaamheden die alleen het vissen betreffen, blijven buiten beschouwing.

 

 

Loonwerk (met behulp van productiemiddelen van het landbouwbedrijf)

Loonwerk waarbij de installaties van het bedrijf worden gebruikt, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen werk binnen en buiten de landbouwsector.

MLFO 018

Loonwerk in de landbouw

Verrichting van werk binnen de landbouwsector.

MLFO 019

Loonwerk buiten de landbouw

Verrichting van werk buiten de landbouwsector, bv. sneeuwruimen, vervoer, landschapsonderhoud, diensten in de landbouw of op milieugebied enz.

MLFO 020

Bosbouw

Het plaatsvinden van bosbouw waarbij zowel de landbouwarbeidskrachten als de gewoonlijk voor landbouwdoeleinden gebruikte machines en installaties van het landbouwbedrijf worden gebruikt.

MLFO 021

Andere, niet elders genoemde rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

Het plaatsvinden van andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf, niet elders genoemd.

 

Gedetailleerd onderwerp: belang voor het landbouwbedrijf

MLFO 022

Het in percentage uitgedrukte aandeel van andere, rechtstreeks met het landbouw bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de uiteindelijke output van het landbouwbedrijf

De percentageklasse van andere, rechtstreeks met het landbouw bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de output van het landbouwbedrijf. Het aandeel van de andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf in de output van het landbouwbedrijf wordt geschat als het aandeel van de omzet van de andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf in de som, van de totale omzet van het landbouwbedrijf en de rechtstreekse betalingen van dat bedrijf, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 of recentere wetgeving.

Formula

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput

Deze rubriek is van toepassing op:

i)

de bedrijfshoofden van bedrijven met één- of meerhoofdige bedrijfsvoering;

ii)

de familieleden op bedrijven met éénhoofdige bedrijfsvoering, alsmede

iii)

niet-familieleden die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn.

Er wordt geen informatie verzameld voor rechtspersonen.

MLFO 023

Het bedrijfshoofd verricht andere winstgevende werkzaamheden (die verband houden met het landbouwbedrijf)

Het bedrijfshoofd van bedrijven met één- of meerhoofdige bedrijfsvoering verricht andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf:

 

M — belangrijkste werkzaamheden

 

S — ondergeschikte werkzaamheden

 

N — geen betrokkenheid

De werkzaamheden kunnen worden verricht op het landbouwbedrijf (niet-landbouwwerkzaamheden op het landbouwbedrijf) of daarbuiten.

MLFO 024

Familiearbeidskrachten die op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als belangrijkste werkzaamheden hebben

Aantal familieleden die andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf, als belangrijkste werkzaamheden verrichten.

MLFO 025

Familiearbeidskrachten die op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als ondergeschikte werkzaamheden hebben

Aantal familieleden die andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf, als ondergeschikte werkzaamheden verrichten.

MLFO 026

Niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als belangrijkste werkzaamheden hebben

Aantal niet-familieleden die andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf, als belangrijkste werkzaamheden verrichten, in bedrijven met een één- of meerhoofdige bedrijfsvoering.

MLFO 027

Niet-familiearbeidskrachten die regelmatig op het landbouwbedrijf werkzaam zijn en andere winstgevende werkzaamheden (met betrekking tot het landbouwbedrijf) als ondergeschikte werkzaamheden hebben

Aantal niet-familieleden die andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf, als ondergeschikte werkzaamheden verrichten, in bedrijven met een één- of meerhoofdige bedrijfsvoering.

Onderwerp: andere niet rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

Verwijst naar niet-landbouwwerkzaamheden op het landbouwbedrijf en werkzaamheden buiten het landbouwbedrijf. Dit omvat elke werkzaamheid waarvoor een vergoeding wordt ontvangen (salaris, loon, winst of andere betalingen, met inbegrip van betalingen in natura), anders dan:

i)

de landbouwwerkzaamheden op het landbouwbedrijf: alsmede

ii)

andere winstgevende werkzaamheden van het bedrijfshoofd die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf.

Andere niet met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden zijn andere winstgevende werkzaamheden:

a)

op het landbouwbedrijf (niet-landbouwwerkzaamheden op het landbouwbedrijf), of

b)

buiten het landbouwbedrijf.

 

Gedetailleerd onderwerp: arbeidsinput

MLFO 028

Het enig bedrijfshoofd dat tevens de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf met éénhoofdige bedrijfsvoering is, verricht andere winstgevende werkzaamheden (die geen verband houden met het landbouwbedrijf)

Het bedrijfshoofd verricht andere niet rechtstreeks met het landbouwbedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden:

 

M — belangrijkste werkzaamheden

 

S — ondergeschikte werkzaamheden

 

N — geen betrokkenheid

De werkzaamheden kunnen worden verricht op het landbouwbedrijf (niet-landbouwwerkzaamheden op het landbouwbedrijf) of daarbuiten.

MLFO 029

Familieleden van een enig bedrijfshoofd (indien het enig bedrijfshoofd de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf is), die werkzaam zijn op het landbouwbedrijf en andere winstgevende werkzaamheden verrichten (die geen verband houden met het landbouwbedrijf) als belangrijkste werkzaamheden

Aantal familieleden die winstgevende werkzaamheden die geen verband houden met het landbouwbedrijf, als belangrijkste werkzaamheden verrichten.

MLFO 030

Familieleden van een enig bedrijfshoofd (indien het enig bedrijfshoofd de bedrijfsleider van het landbouwbedrijf is), die werkzaam zijn op het landbouwbedrijf en andere winstgevende werkzaamheden verrichten (die geen verband houden met het landbouwbedrijf) als ondergeschikte werkzaamheden

Aantal familieleden die winstgevende werkzaamheden die geen verband houden met het landbouwbedrijf, als ondergeschikte werkzaamheden verrichten.

MODULE 2. PLATTELANDSONTWIKKELING

BESCHRIJVING VAN DE VARIABELEN INZAKE PLATTELANDSONTWIKKELING

Onderwerp: landbouwbedrijven ondersteund door plattelandsontwikkelingsmaatregelen

Het landbouwbedrijf wordt geacht in de afgelopen drie jaar voordeel te hebben genoten uit hoofde van de plattelandsontwikkelingsmaatregelen als bedoeld in titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, overeenkomstig bepaalde normen en regels die zijn vastgelegd in de meest recente wetgeving en ongeacht of de betaling is verricht in de referentieperiode, mits er een positief besluit is genomen over de toekenning van die maatregel (bijvoorbeeld indien een subsidieaanvraag is gehonoreerd).

MRDV 001

Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 002

Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 003

Investeringen in materiële activa

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 004

Herstel van door natuurrampen of rampzalige gebeurtenissen beschadigd agrarisch productiepotentieel en invoering van passende preventieve acties

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

 

 

Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen

Plattelandsontwikkelingsmaatregelen uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en in het geval van Kroatië tevens uit hoofde van artikel 40 van die verordening.

MRDV 005

Aanloopsteun ten bate van jonge landbouwers

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 19, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 006

Aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 19, onder a), iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 007

Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in Kroatië

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 008

Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en de verbetering van de levensvatbaarheid van bossen

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

 

 

Agromilieubetalingen klimaatbetalingen

MRDV 009

Agromilieuklimaat

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 010

Bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 011

Biologische landbouw

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 012

Betalingen in het kader van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 013

Betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 014

Dierenwelzijn

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MRDV 015

Risicobeheer

Het landbouwbedrijf heeft voordeel genoten uit hoofde van plattelandsontwikkelingsmaatregelen krachtens artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

MODULE 3. HUISVESTING VAN DIEREN EN MESTBEHEER

BESCHRIJVING VAN DE VARIABELEN INZAKE DE HUISVESTING VAN DIEREN EN MESTBEHEER

Onderwerp: huisvesting van dieren

Plaatsen in dierenverblijven voor runderen, varkens en pluimvee. De term „plaatsen” verwijst naar het gebruikelijke aantal dieren dat tijdens het referentiejaar aanwezig is in de dierenverblijven. Dit betekent dat het aantal dieren op de referentiedag gecorrigeerd moet worden indien de omstandigheden niet normaal zijn (overbezetting of onderbezetting van de stal, leegmaken om sanitaire redenen, speciale productieprogramma's enz.). Alleen stallen die gedurende de referentieperiode in gebruik zijn, moeten worden opgenomen. Ook het aantal tijdelijk lege plaatsen in de dierenverblijven tijdens de referentieperiode wordt vastgelegd.

De dieren zijn gedefinieerd in afdeling III. VARIABELEN INZAKE VEE

 

Gedetailleerd onderwerp: huisvesting van runderen

MAHM 001

Melkkoeien

Gemiddeld aantal melkkoeien in het referentiejaar.

MAHM 002

Melkkoeien in stallen met halsbeugels (drijfmest)

Aantal plaatsen voor melkkoeien in stallen met halsbeugels, met beheer van drijfmest.

MAHM 003

Melkkoeien in stallen met halsbeugels (vaste mest)

Aantal plaatsen voor melkkoeien in stallen met halsbeugels, met beheer van vaste mest.

MAHM 004

Melkkoeien in loopstallen/stallen met boxen (drijfmest)

Aantal plaatsen voor melkkoeien in loopstallen/stallen met boxen, met beheer van drijfmest.

MAHM 005

Melkkoeien in loopstallen/stallen met boxen (vaste mest)

Aantal plaatsen voor melkkoeien in loopstallen/stallen met boxen, met beheer van vaste mest.

MAHM 006

Melkkoeien in andersoortige verblijven (drijfmest)

Aantal plaatsen voor melkkoeien in niet elders genoemde andersoortige verblijven, met beheer van drijfmest.

MAHM 007

Melkkoeien in andersoortige verblijven (vaste mest)

Aantal plaatsen voor melkkoeien in niet elders genoemde andersoortige verblijven, met beheer van vaste mest.

MAHM 008

Melkkoeien, altijd buiten

Aantal plaatsen voor melkkoeien die altijd buiten verblijven.

MAHM 009

Melkkoeien, deels buiten (begrazing)

Aantal maanden dat de melkkoeien buiten grazen.

MAHM 010

Melkkoeien met toegang tot een uitloop naar buiten

Aanwezigheid van uitlopen naar buiten voor melkkoeien.

MAHM 011

Andere runderen

Gemiddeld aantal runderen in het referentiejaar.

MAHM 012

Andere runderen in stallen met halsbeugels (drijfmest)

Aantal plaatsen voor andere runderen in stallen met halsbeugels, met beheer van drijfmest.

MAHM 013

Andere runderen in stallen met halsbeugels (vaste mest)

Aantal plaatsen voor andere runderen in stallen met halsbeugels, met beheer van vaste mest.

MAHM 014

Andere runderen in loopstallen/stallen met boxen (drijfmest)

Aantal plaatsen voor andere runderen in loopstallen/stallen met boxen, met beheer van drijfmest.

MAHM 015

Andere runderen in loopstallen/stallen met boxen (vaste mest)

Aantal plaatsen voor andere runderen in loopstallen/stallen met boxen, met beheer van vaste mest.

MAHM 016

Andere runderen in andersoortige verblijven (drijfmest)

Aantal plaatsen voor andere runderen in niet elders genoemde andersoortige verblijven, met beheer van drijfmest.

MAHM 017

Andere runderen in andersoortige verblijven (vaste mest)

Aantal plaatsen voor andere runderen in niet elders genoemde andersoortige verblijven, met beheer van vaste mest.

MAHM 018

Andere runderen, altijd buiten

Aantal plaatsen voor andere runderen die altijd buiten verblijven.

MAHM 019

Andere runderen, deels buiten (begrazing)

Aantal maanden dat de andere runderen buiten grazen.

MAHM 020

Andere runderen met toegang tot een uitloop naar buiten

Aanwezigheid van uitlopen naar buiten voor andere runderen.

 

Gedetailleerd onderwerp: huisvesting van varkens

MAHM 021

Fokzeugen

Gemiddeld aantal fokzeugen in het referentiejaar.

MAHM 022

Fokzeugen op een volledige roostervloer

Aantal plaatsen voor fokzeugen in verblijven met een volledige roostervloer.

MAHM 023

Fokzeugen op een gedeeltelijke roostervloer

Aantal plaatsen voor fokzeugen in verblijven met een gedeeltelijke roostervloer.

MAHM 024

Fokzeugen in verblijven met een vaste ondergrond (met uitzondering van diep strooisel)

Aantal plaatsen voor fokzeugen in verblijven met een vaste ondergrond met uitzondering van diep strooisel.

MAHM 025

Fokzeugen op een oppervlak dat geheel is voorzien van diep strooisel

Aantal plaatsen voor fokzeugen in verblijven met diep strooisel.

MAHM 026

Fokzeugen in andersoortige verblijven

Aantal plaatsen voor fokzeugen in andersoortige verblijven.

MAHM 027

Fokzeugen, buiten (scharrel)

Aantal plaatsen voor fokzeugen in systemen met scharrelruimte.

MAHM 028

Fokzeugen, buiten (scharrel)

Maanden dat fokzeugen buiten grazen in systemen met scharrelruimte.

MAHM 029

Andere varkens

Gemiddeld aantal andere varkens in het referentiejaar.

MAHM 030

Andere varkens op een volledige roostervloer

Aantal plaatsen voor andere varkens in verblijven met een volledige roostervloer.

MAHM 031

Andere varkens op een gedeeltelijke roostervloer

Aantal plaatsen voor andere varkens in verblijven met een gedeeltelijke roostervloer.

MAHM 032

Andere varkens in verblijven met een vaste ondergrond (met uitzondering van diep strooisel)

Aantal plaatsen voor andere varkens in verblijven met een vaste ondergrond met uitzondering van diep strooisel.

MAHM 033

Andere varkens op een oppervlak dat geheel is voorzien van diep strooisel

Aantal plaatsen voor andere varkens in verblijven met diep strooisel.

MAHM 034

Andere varkens in andersoortige verblijven

Aantal plaatsen voor andere varkens in andersoortige verblijven.

MAHM 035

Andere varkens, buiten (scharrel)

Aantal plaatsen voor andere varkens buiten, in systemen met scharrelruimte.

MAHM 036

Andere varkens met toegang tot een uitloop naar buiten

Aanwezigheid van uitlopen naar buiten voor andere varkens (met uitzondering van scharrelruimte).

 

Gedetailleerd onderwerp: huisvesting van leghennen

MAHM 037

Leghennen

Gemiddeld aantal leghennen in het referentiejaar.

MAHM 038

Leghennen in verblijven met diep strooisel

Aantal plaatsen voor leghennen in verblijven met diep strooisel.

MAHM 039

Leghennen in een volière (zonder strooisel)

Aantal plaatsen voor leghennen in volières.

MAHM 040

Leghennen in kooien met mestbanden

Aantal plaatsen voor leghennen in kooien met mestbanden.

MAHM 041

Leghennen in kooien met kunstmatig geventileerde mestput (deep pit)

Aantal plaatsen voor leghennen in kooien met kunstmatig geventileerde mestput (deep pit).

MAHM 042

Leghennen in kooien met natuurlijk geventileerde mestput (stilt house)

Aantal plaatsen voor leghennen in kooien met natuurlijk geventileerde mestput (stilt house).

MAHM 043

Leghennen in andersoortige verblijven

Aantal plaatsen voor leghennen in andersoortige verblijven.

MAHM 044

Leghennen, buiten (scharrel)

Aantal plaatsen voor leghennen in systemen met scharrelruimte.

Onderwerp: gebruik van voedingsstoffen en mest op het landbouwbedrijf

 

Gedetailleerd onderwerp: Bemeste OCG

MAHM 045

Totale OCG bemest met minerale meststoffen

Oppervlakte cultuurgrond in hectaren die met minerale meststoffen wordt bemest.

MAHM 046

Totale OCG bemest met mest

Oppervlakte cultuurgrond in hectaren die met dierlijke mest wordt bemest.

 

Gedetailleerd onderwerp: door het landbouwbedrijf uitgevoerde of ingevoerde mest

De nettohoeveelheid dierlijke mest die wordt ingevoerd naar of uitgevoerd van het landbouwbedrijf.

 

 

Netto uitvoer van mest van het landbouwbedrijf

De nettohoeveelheid dierlijke mest die wordt ingevoerd naar of uitgevoerd van het landbouwbedrijf.

MAHM 047

Netto-uitvoer van drijfmest/gier van het landbouwbedrijf

Kubieke meters gier/drijfmest die wordt ingevoerd naar of uitgevoerd van het landbouwbedrijf om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt gekocht, verkocht of om niet wordt uitgewisseld. Hieronder valt ook gier/drijfmest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.

MAHM 048

Netto-uitvoer van vaste mest van het landbouwbedrijf

Tonnen vaste mest die wordt ingevoerd naar of uitgevoerd van het landbouwbedrijf om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt gekocht, verkocht of om niet wordt uitgewisseld. Hieronder valt ook vaste mest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.

 

Gedetailleerd onderwerp: biologische en op afval gebaseerde meststoffen, anders dan dierlijke mest

MAHM 049

Op het landbouwbedrijf gebruikte biologische en op afval gebaseerde meststoffen, anders dan dierlijke mest

Tonnen op het landbouwbedrijf voor landbouwdoeleinden gebruikte biologische en op afval gebaseerde meststoffen, anders dan dierlijke mest.

Onderwerp: bemestingstechnieken

Technieken voor het bemesten

 

Gedetailleerd onderwerp: onderwerkingstijd per soort toediening

 

 

Breedstrooien

De mest wordt over het oppervlak van een stuk land of gewas verspreid zonder gebruik te maken van rijenbemesting of injectietechnieken.

MAHM 050

Onderwerking binnen vier uur

De percentageklasse van de totale gebruikte mest waarbij er binnen vier uur na het breedstrooien mechanische onderwerking in de grond is uitgevoerd.

MAHM 051

Onderwerking na vier uur

De percentageklasse van de totale gebruikte mest waarbij er tussen vier en 24 uur na de bemesting mechanische onderwerking in de grond is uitgevoerd.

MAHM 052

Geen onderwerking

Percentageklasse van de totale hoeveelheid toegediende mest waarbij de mest niet of niet binnen 24 uur na het breedstrooien is ondergewerkt in de bodem.

 

 

Rijenbemesting

Gier of drijfmest wordt aangebracht in parallelle rijen zonder mest tussen de rijen in, met gebruik van een machine (rijenbemester) die aan het uiteinde van een tank of tractor wordt bevestigd om de gier of drijfmest op grondniveau te verspreiden.

MAHM 053

Sleepslang

Percentageklasse van gier of drijfmest die met een sleepslangbemester wordt aangebracht.

MAHM 054

Sleepvoet

Percentageklasse van gier of drijfmest die met een sleepvoetbemester wordt aangebracht.

 

 

Injectie

Gier of drijfmest wordt gebruikt door deze aan te brengen in sleuven die in de bodem zijn gemaakt op verschillende diepten, afhankelijk van de gebruikte soort injector.

MAHM 055

Zode-injectie/open sleuven

Percentageklasse van de drijfmest of gier die wordt toegediend in ondiepe sleuven (gewoonlijk ongeveer 50 mm diep), ongeacht of de sleuven na toediening open blijven of dichtgemaakt worden.

MAHM 056

Mestinjectie/dichte sleuven

Percentageklasse van de drijfmest of gier die wordt toegediend in diepe sleuven (gewoonlijk ongeveer 150 mm diep), die na toediening worden dichtgemaakt.

Onderwerp: voorzieningen voor mest

 

Gedetailleerd onderwerp: mestopslagvoorzieningen en -capaciteit

Faciliteiten voor de opslag van mest

Met de capaciteit van de mestopslagvoorzieningen wordt het aantal maanden bedoeld dat de op het landbouwbedrijf geproduceerde mest kan worden bewaard in de opslagfaciliteiten zonder risico van wegstromen en zonder de faciliteiten tussendoor te legen.

MAHM 057

Opslag van vaste mest in hopen

Het percentage mest dat in niet-omheinde stapels of hopen of in een omheinde open ruimte wordt opgeslagen, doorgaans gedurende enkele maanden.

MAHM 058

Mest opgeslagen in composthopen

Het percentage mest dat wordt opgeslagen in omheinde composthopen, die worden geventileerd en/of gemengd.

MAHM 059

Mest opgeslagen in putten onder het dierenverblijf

Het percentage mest dat (nagenoeg) zonder toevoeging van water wordt opgeslagen, gewoonlijk onder een roostervloer in een omheind dierenverblijf en doorgaans voor de duur van minder dan een jaar.

MAHM 060

Mest opgeslagen in systemen met diep strooisel

Het percentage mest dat tijdens een productiecyclus, die zes of twaalf maanden kan duren, wordt opgehoopt.

MAHM 061

Opslag van gier/drijfmest zonder afdekking

Het percentage mest dat wordt opgeslagen in niet-afgedekte tanks, of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar.

MAHM 062

Opslag van gier/drijfmest met doorlatende afdekking

Het percentage mest dat wordt opgeslagen in tanks of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar, en dat wordt afgedekt met een doorlatende bovenlaag (zoals klei, stro of een natuurlijke korst).

MAHM 063

Opslag van gier/drijfmest met niet-doorlatende afdekking

Het percentage mest dat wordt opgeslagen in tanks of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar, en dat wordt afgedekt met een niet-doorlatende bovenlaag (zoals polyethyleen met een hoge dichtheid of afdekkingen op basis van negatieve druk).

MAHM 064

Mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

Het percentage mest (vaste mest dan wel drijfmest of gier) dat wordt opgeslagen in niet elders genoemde andere faciliteiten.

MAHM 065

Dagelijkse toediening

Het percentage mest dat stelselmatig wordt verwijderd uit een opslagfaciliteit en binnen 24 uur na uitscheiding wordt toegediend op bouw- of weiland.

MAHM 066

Mest opgeslagen in composthopen

Het aantal maanden dat de vaste mest kan worden opgeslagen in omheinde composthopen.

MAHM 067

Mestopslag in putten onder het dierenverblijf

Het aantal maanden dat mest kan worden opgeslagen in de gierputten op het landbouwbedrijf.

MAHM 068

Mestopslag in systemen met diep strooisel

Het aantal maanden dat de mest kan worden opgeslagen in systemen met diep strooisel.

MAHM 069

Opslag van gier/drijfmest

Het aantal maanden dat de mest kan worden opgeslagen in opslagsystemen voor drijfmest/gier, ongeacht de afdekking.

MAHM 070

Mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

Het aantal maanden dat de mest (vaste mest dan wel drijfmest of gier) kan worden opgeslagen in niet elders genoemde andere faciliteiten.


BESLUITEN

30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/50


BESLUIT (EU) 2018/1875 VAN DE RAAD

van 26 november 2018

tot vaststelling van het namens de Europese Unie in het comité van technische deskundigen van de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) in te nemen standpunt over bepaalde wijzigingen van de eenvormige technische voorschriften — Algemene bepalingen — Subsystemen (UTP GEN-B) en de eenvormige technische voorschriften telematicatoepassingen voor goederenvervoer (UTP TAF)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie is bij Besluit 2013/103/EU van de Raad (1) toegetreden tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, zoals gewijzigd door het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999 (het „Cotif-verdrag”).

(2)

Alle lidstaten, met uitzondering van Cyprus en Malta, zijn verdragsluitende partijen bij het Cotif-verdrag en passen het toe.

(3)

Op grond van artikel 8 van het Cotif-verdrag is het comité van technische deskundigen (Committee of Technical Experts — „CTE”) van de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer opgericht. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, onder b), van het Cotif-verdrag en de artikelen 6 en 8 bis van aanhangsel F (APTU) is het CTE bevoegd om besluiten te nemen over de aanneming van eenvormige technische voorschriften (Uniform Technical Prescriptions — „UTP's”) of van een bepaling tot wijziging van een UTP op basis van aanhangsel F (APTU) en aanhangsel G (ATMF) van het Cotif-verdrag.

(4)

Naar aanleiding van de 11e vergadering van het CTE op 12 en 13 juni 2018 heeft het CTE besloten om via schriftelijke procedure wijzigingen aan te nemen van de punten 2.1, 2.2 en 2.3 van UTP GEN-B, ten einde overwegen en andere bouwkundige structuren zoals bruggen op te nemen in de definitie van het subsysteem infrastructuur, zoals uiteengezet in de bijlage bij dit besluit.

(5)

Het doel van die wijzigingen is de definitie van subsystemen in UTP GEN-B aan te passen aan die van de Unie in bijlage II bij Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad (2) door de opname van overwegen en andere bouwkundige structuren zoals bruggen in de definitie van het subsysteem infrastructuur.

(6)

De voorgestelde wijzigingen zijn in overeenstemming met het recht en de strategische doelstellingen van de Unie, aangezien ze bijdragen tot de aanpassing van de wetgeving van de OTIF aan de relevante bepalingen van het Unierecht, en moeten daarom door de Unie worden gesteund.

(7)

Het is passend het namens de Unie in het CTE in te nemen standpunt vast te stellen aangezien de wijzigingen van de punten 2.1, 2.2 en 2.3 van UTP GEN-B op basis van aanhangsel F (APTU) van het Cotif-verdrag bindend zullen zijn voor de Unie. Bovendien is het passend de aanpassing van UTP TAF aan de technische specificaties inzake de interoperabiliteit in de Unie (TSI TAF) te steunen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het comité van technische deskundigen van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980 in te nemen standpunt over de wijzigingen van de punten 2.1, 2.2 en 2.3 van de eenvormige technische voorschriften — Algemene bepalingen — Subsystemen (UTP GEN-B) en van de eenvormige technische voorschriften telematicatoepassingen voor goederenvervoer (UTP TAF), is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

De besluiten van het CTE worden, na de vaststelling ervan, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, met vermelding van de datum van hun inwerkingtreding.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 26 november 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

J. BOGNER-STRAUSS


(1)  Besluit 2013/103/EU van de Raad van 16 juni 2011 betreffende de ondertekening en sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer tot toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (Cotif) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999 (PB L 51 van 23.2.2013, blz. 1).

(2)  Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44).


BIJLAGE

Voorgestelde wijzigingen voor aanneming via de schriftelijke procedure door het comité van technische deskundigen van de OTIF

1.

Een positieve stem uitbrengen over de door het CTE voorgestelde wijzigingen van de punten 2.1, 2.2 en 2.3 van de eenvormige technische voorschriften UTP GEN-B zoals vastgesteld in werkdocument TECH-18010-CTE11-5 van het CTE en hieronder beschreven:

„2.1.   Infrastructuur

Het Cotif omvat infrastructuur […] in zoverre die verband houdt met de raakvlakken met de voertuigen. […]

2.2.   Energie

Het Cotif omvat het energiesysteem uitsluitend in zoverre dat verband houdt met raakvlakken met de voertuigen. Daarom betreft het subsysteem energie uitsluitend de bovenleidingen en de kwaliteit van de stroomtoevoer.

2.3.   Besturing en seingeving langs het spoor

Het Cotif omvat besturing en seingeving langs het spoor […] in zoverre die verband houdt met de raakvlakken met de voertuigen.”.

2.

Een positieve stem uitbrengen over de door het CTE voorgestelde wijzigingen van de UTP TAF, die een aanpassing inhouden van de lijst van technische documenten in UTP TAF aan de dienovereenkomstige nieuwe herziene lijst in (aanhangsel I) van de TSI TAF.

30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/53


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/1876 VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2018

betreffende de goedkeuring van de in efficiënte alternatoren van 12 V gebruikte technologie voor conventionele door een verbrandingsmotor aangedreven lichte bedrijfsvoertuigen als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van lichte bedrijfsvoertuigen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 12, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2017 heeft de toeleverancier Mitsubishi Electric Corporation (MELCO), in de Unie vertegenwoordigd door MELCO Electric Automotive Europe B.V., een aanvraag ingediend voor de goedkeuring van de alternator MELCO GXi als eco-innovatie voor voertuigen van categorie N1. De aanvraag is beoordeeld overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 510/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 van de Commissie (2).

(2)

Uit de in de aanvraag verstrekte informatie blijkt dat aan de in artikel 12 van Verordening (EU) nr. 510/2011 en in de artikelen 2 en 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 bedoelde voorwaarden en criteria is voldaan. Als gevolg daarvan moet het gebruik van de alternator MELCO GXi in voertuigen van categorie N1 worden goedgekeurd als eco-innovatie.

(3)

Bij de Uitvoeringsbesluiten 2013/341/EU (3), 2014/465/EU (4), (EU) 2015/158 (5), (EU) 2015/295 (6), (EU) 2015/2280 (7) en (EU) 2016/588 (8) heeft de Commissie zes aanvragen goedgekeurd die betrekking hebben op technologieën die bijdragen tot de verbetering van het rendement van alternatoren voor voertuigen van categorie M1. Op basis van de bij de beoordeling van die aanvragen opgedane ervaring en de informatie in de aanvraag van MELCO Electric Automotive Europe B.V., naar aanleiding waarvan dit besluit wordt vastgesteld, is bevredigend en overtuigend aangetoond dat de alternator MELCO GXi voor voertuigen van categorie N1, een alternator van 12 V met een minimaal rendement dat afhankelijk van de aandrijflijn varieert van 73,4 % tot en met 74,2 %, voldoet aan de in artikel 12 van Verordening (EU) nr. 510/2011 en de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 bedoelde criteria, en dat deze alternator goed is voor een vermindering van de CO2-emissies met ten minste 1 g CO2/km ten opzichte van een basisalternator met een efficiëntie van 67 %.

(4)

Het is daarom passend de fabrikanten de mogelijkheid te bieden bij een goedkeuringsinstantie een aanvraag in de zin van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) in te dienen voor de certificering van de CO2-besparingen van voertuigen die zijn uitgerust met efficiënte alternatoren van 12 V die aan die voorwaarden voldoen. Om te waarborgen dat alleen de CO2-besparingen voor voertuigen die zijn uitgerust met alternatoren die aan die voorwaarden voldoen, worden gecertificeerd, moet van de fabrikanten worden verlangd dat zij samen met de aanvraag voor certificering een verificatierapport van een onafhankelijke controle-instantie ter bevestiging van de overeenstemming aan de typegoedkeuringsinstantie verstrekken.

(5)

Indien de typegoedkeuringsinstantie oordeelt dat de alternator van 12 V niet voldoet aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden, moet de aanvraag voor certificering van de besparingen worden afgewezen.

(6)

Het is passend de testmethode voor de bepaling van de CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van efficiënte alternatoren van 12 V goed te keuren.

(7)

Teneinde de CO2-besparingen van een voertuig dat is uitgerust met een efficiënte alternator van 12 V te kunnen bepalen, is het nodig de basistechnologie vast te stellen ten opzichte waarvan het rendement van de alternator moet worden beoordeeld. Op basis van de opgedane ervaring is het aangewezen een alternator van 12 V met een rendement van 67 % als geschikte basistechnologie te beschouwen.

(8)

De CO2-besparingen van een voertuig dat is uitgerust met een efficiënte alternator van 12 V kunnen gedeeltelijk worden aangetoond aan de hand van de in bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (10) bedoelde test. Daarom is het nodig ervoor te zorgen dat deze gedeeltelijke dekking in aanmerking wordt genomen bij de testmethode voor de CO2-besparingen van voertuigen die zijn uitgerust met efficiënte alternatoren van 12 V.

(9)

Teneinde een bredere verspreiding van efficiënte alternatoren van 12 V in nieuwe voertuigen te vergemakkelijken, moet de fabrikant ook de mogelijkheid krijgen door middel van een enkele certificeringsaanvraag de certificering van de CO2-besparingen van voertuigen die zijn uitgerust met verschillende efficiënte alternatoren van 12 V aan te vragen. Het is echter passend te waarborgen dat, wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, een mechanisme wordt toegepast waarmee alleen de inzet van de efficiëntste alternatoren wordt gestimuleerd.

(10)

Om de algemene eco-innovatiecode vast te stellen die overeenkomstig de bijlagen I, VIII en IX bij Richtlijn 2007/46/EG in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumenten moet worden vermeld, moet voor de innoverende technologie de individuele code worden gespecificeerd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring

De in de alternator MELCO GXi gebruikte technologie voor voertuigen van categorie N1 wordt goedgekeurd als innoverende technologie in de zin van artikel 12 van Verordening (EU) nr. 510/2011.

Artikel 2

Aanvraag voor certificering van CO2-besparingen

1.   Een fabrikant kan de certificering aanvragen van de CO2-besparingen van één of meer efficiënte alternatoren van 12 V die zijn bestemd voor gebruik in voertuigen van categorie N1, op voorwaarde dat elke alternator een onderdeel is dat uitsluitend wordt gebruikt voor het opladen van de voertuigaccu en voor de voeding van het elektrisch systeem van het voertuig terwijl de verbrandingsmotor draait, en dat die alternator voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

a)

indien de massa van de efficiënte alternator van 12 V niet groter is dan de massa van de basisalternator van 7 kg, bedraagt het overeenkomstig de bijlage bepaalde rendement van de alternator ten minste:

i)

73,8 % voor benzinevoertuigen;

ii)

73,4 % voor benzineturbovoertuigen;

iii)

74,2 % voor dieselvoertuigen;

b)

indien de massa van de efficiënte alternator van 12 V groter is dan de massa van de basisalternator van 7 kg, voldoet het met deze alternator uitgeruste voertuig aan de te bereiken minimumbeperking van 1 g CO2/km zoals beschreven in artikel 9, lid 1, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014; bij de bepaling van deze beperking wordt rekening gehouden met de extra massa volgens formule 10 in de bijlage bij dit besluit; de extra massa moet worden geverifieerd en bevestigd in het samen met de aanvraag voor certificering bij de typegoedkeuringsinstantie in te dienen verificatierapport.

2.   Een aanvraag voor de certificering van de besparingen als gevolg van het gebruik van een of meer efficiënte alternatoren gaat vergezeld van een onafhankelijk opgesteld verificatierapport waarin wordt gecertificeerd dat de alternator of de alternatoren aan de voorwaarden van lid 1 voldoen en waarin de massa van de alternator wordt geverifieerd en bevestigd.

3.   De typegoedkeuringsinstantie wijst de certificeringsaanvraag af indien zij oordeelt dat de alternator of de alternatoren niet aan de voorwaarden van lid 1 voldoen.

Artikel 3

Certificering van CO2-besparingen

1.   De CO2-emissiereductie door het gebruik van een in artikel 2, lid 1, bedoelde efficiënte alternator wordt bepaald volgens de in de bijlage beschreven methode.

2.   Wanneer een fabrikant de certificering van de CO2-besparing aanvraagt voor één voertuiguitvoering uitgerust met meer dan één efficiënte alternator zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, bepaalt de typegoedkeuringsinstantie welke van de geteste alternatoren de geringste CO2-besparing oplevert, en vermeldt zij de laagste waarde in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumentatie. Die waarde wordt overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 in het certificaat van overeenstemming vermeld.

Artikel 4

Eco-innovatiecode

De eco-innovatiecode 24 wordt vermeld in de typegoedkeuringsdocumentatie wanneer overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 naar dit besluit wordt verwezen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 november 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 van de Commissie van 25 april 2014 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van lichte bedrijfsvoertuigen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 125 van 26.4.2014, blz. 57).

(3)  Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU van de Commissie van 27 juni 2013 betreffende de goedkeuring van de Valeo Efficient Generation Alternator als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 179 van 29.6.2013, blz. 98).

(4)  Uitvoeringsbesluit 2014/465/EU van de Commissie van 16 juli 2014 betreffende de goedkeuring van de efficiënte alternator van DENSO als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU van de Commissie (PB L 210 van 17.7.2014, blz. 17).

(5)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/158 van de Commissie van 30 januari 2015 betreffende de goedkeuring van twee hoogrendementsalternatoren van Robert Bosch GmbH als innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 26 van 31.1.2015, blz. 31).

(6)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/295 van de Commissie van 24 februari 2015 betreffende de goedkeuring van de efficiënte alternator MELCO GXi als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 53 van 25.2.2015, blz. 11).

(7)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2280 van de Commissie van 7 december 2015 betreffende de goedkeuring van de efficiënte alternator van DENSO als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 322 van 8.12.2015, blz. 64).

(8)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/588 van de Commissie van 14 april 2016 betreffende de goedkeuring van efficiënte alternatoren van 12 V als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 101 van 16.4.2016, blz. 25).

(9)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1).


BIJLAGE

METHODE VOOR DE BEPALING VAN DE CO2-BESPARINGEN ALS GEVOLG VAN HET GEBRUIK VAN EEN EFFICIËNTE ALTERNATOR VAN 12 V VOOR CONVENTIONELE DOOR EEN VERBRANDINGSMOTOR AANGEDREVEN VOERTUIGEN VAN CATEGORIE N1

1.   Inleiding

Om te bepalen welke CO2-besparingen aan het gebruik van een efficiënte alternator in een voertuig van categorie N1 kunnen worden toegeschreven, moet het volgende worden gespecificeerd:

1)

de testomstandigheden;

2)

de testapparatuur;

3)

de bepaling van het rendement van de efficiënte alternator en dat van de basisalternator;

4)

de berekening van de CO2-besparingen;

5)

de berekening van de statistische fout.

Symbolen, parameters en eenheden

Latijnse symbolen

Formula

CO2-besparingen [g CO2/km]

CO2

Kooldioxide

CF

Omrekeningsfactor (l/100 km – (g CO2/km) [gCO2/l] zoals gedefinieerd in tabel 3

h

Frequentie zoals gedefinieerd in tabel 1

I

Stroomsterkte waarbij de meting wordt verricht [A]

m

Aantal metingen van het monster

M

Koppel [Nm]

n

Toerental [min-1] zoals gedefinieerd in tabel 1

P

Vermogen [W]

Formula

Standaardafwijking van het rendement van de eco-innoverende alternator [%]

Formula

Standaardafwijking van het gemiddelde rendement van de eco-innoverende alternator [%]

Formula

Standaardafwijking van de totale CO2-besparingen [g CO2/km]

U

Testspanning waarbij de meting wordt verricht [V]

v

Gemiddelde rijsnelheid van de nieuwe Europese rijcyclus (NEDC) [km/h]

VPe

Verbruik van effectief vermogen [l/kWh] zoals gedefinieerd in tabel 2

Formula

Gevoeligheid van berekende CO2-besparingen gerelateerd aan het rendement van de eco-innoverende alternator

Griekse symbolen

Δ

Verschil

η

Rendement van de basisalternator [%]

ηEI

Rendement van de efficiënte alternator [%]

Formula

Gemiddeld rendement van de eco-innoverende alternator op werkingspunt i [%]

Indices

Index i verwijst naar het werkingspunt

Index j verwijst naar meting van het monster

EI

Eco-innoverend

m

Mechanisch

RW

Werkelijke omstandigheden

TA

Typegoedkeuringsomstandigheden

B

Basis

2.   Testomstandigheden en -apparatuur

De testomstandigheden moeten voldoen aan de voorschriften van ISO 8854:2012 (1).

De testapparatuur moet voldoen aan de voorschriften van ISO 8854:2012.

3.   Metingen en bepaling van het rendement

Het rendement van de efficiënte alternator wordt bepaald volgens ISO 8854:2012, met uitzondering van de in dit punt beschreven elementen.

De metingen worden verricht op verschillende werkingspunten i, zoals bepaald in tabel 1. De stroomsterkte van de alternator wordt gedefinieerd als de helft van de nominale stroom voor alle werkingspunten. Voor alle snelheden moeten de spanning en uitgangsstroom van de alternator constant worden gehouden, en moet de spanning 14,3 V bedragen.

Tabel 1

Werkingspunten

Werkingspunt

i

Wachttijd

[s]

Toerental

ni [min–1]

Frequentie

hi

1

1 200

1 800

0,25

2

1 200

3 000

0,40

3

600

6 000

0,25

4

300

10 000

0,10

Het rendement wordt berekend volgens formule 1.

Formule 1

Formula

Alle rendementsmetingen worden ten minste vijf (5) keer achter elkaar uitgevoerd. Het gemiddelde van de metingen op elk werkingspunt (Formula) moet worden berekend.

Het rendement van de eco-innoverende alternator (ηEI) wordt berekend volgens formule 2.

Formule 2

Formula

De efficiënte alternator leidt tot besparingen van het mechanisch vermogen in werkelijke omstandigheden (ΔPmRW) en typegoedkeuringsomstandigheden (ΔPmRW) and type approval conditions (ΔPmTA) zoals gedefinieerd in formule 3.

Formule 3

Formula

Het bespaarde mechanisch vermogen in werkelijke rijomstandigheden (ΔPmRW) wordt berekend volgens formule 4 en het bespaarde mechanisch vermogen in typegoedkeuringsomstandigheden (ΔPmRW) is calculated in accordance with Formula 4 and the saved mechanical power under typeapproval conditions (ΔPmTA) wordt berekend volgens formule 5.

Formule 4

Formula

Formule 5

Formula

waarbij:

PRW : vereist vermogen in „werkelijke omstandigheden” [W], te weten 750 W.

PTA : vereist vermogen in typegoedkeuringsomstandigheden [W], te weten 350 W.

ηB : rendement van de basisalternator [%], te weten 67 %.

4.   Berekening van de CO2-besparingen

Voor de berekening van de CO2-besparingen van de efficiënte alternator moet de volgende formule worden gebruikt.

Formule 6

Formula

waarbij:

v: gemiddelde rijsnelheid van de NEDC [km/h], te weten 33,58 km/h.

VPe : verbruik van effectief vermogen zoals gespecificeerd in onderstaande tabel 2.

Tabel 2

Verbruik van effectief vermogen

Motortype

Verbruik van effectief vermogen (VPe)

[l/kWh]

Benzine

0,264

Benzine turbo

0,280

Diesel

0,220

CF: de factor zoals gespecificeerd in onderstaande tabel 3

Tabel 3

Omrekeningsfactor voor brandstof

Brandstoftype

Omrekeningsfactor (l/100 km) – (g CO2/km) (CF)

[gCO2/l]

Benzine

2 330

Diesel

2 640

5.   Berekening van de statistische fout

Statistische fouten in de resultaten van de testmethode als gevolg van de metingen moeten worden gekwantificeerd. Voor elk werkingspunt wordt de standaardafwijking berekend zoals gedefinieerd in de volgende formule:

Formule 7

Formula

De standaardafwijking van de rendementswaarde van de efficiënte alternator (Formula) wordt berekend volgens formule 8.

Formule 8

Formula

De standaardafwijking van de efficiëntie van de alternator (Formula) resulteert in een fout in de CO2-besparingen (Formula) leads to an error in the CO2 savings (Formula). Die fout wordt berekend volgens formule 9.

Formule 9

Formula

Statistische significantie

Voor elk type, elke variant en elke uitvoering van een voertuig dat met de efficiënte alternator is uitgerust, moet worden aangetoond dat de fout in de CO2-besparingen berekend volgens formule 9 niet groter is dan het verschil tussen de totale CO2-besparingen en de te bereiken minimumbeperking voor besparingen zoals vermeld in artikel 9, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 427/2014 (zie formule 10).

Formule 10

Formula

waarbij:

MT: minimumbeperking [g CO2/km]

Formula : totale CO2-besparingen [g CO2/km]

Formula : standaardafwijking van de totale CO2-besparingen [g CO2/km]

Formula : CO2-correctiecoëfficiënt vanwege het positieve massaverschil tussen de efficiënte alternator en de basisalternator. Formula wordt berekend overeenkomstig tabel 4:

Tabel 4

CO2-correctiecoëfficiënt vanwege de extra massa

Benzine (

Formula

) [g CO2/km kg]

0,0277 · Δm

Diesel (

Formula

) [g CO2/km kg]

0,0383 · Δm

In tabel 4 is Δm de extra massa vanwege de installatie van de alternator. Deze is gelijk aan het positieve verschil tussen de massa van de efficiënte alternator en de massa van de basisalternator. De massa van de basisalternator is 7 kg. Met betrekking tot de evaluatie van de extra massa moet de fabrikant geverifieerde documentatie aan de typegoedkeuringsinstantie verstrekken.

Test- en evaluatieverslag

Het verslag moet het volgende bevatten:

model en massa van de geteste alternatoren,

omschrijving van de testbank,

testresultaten (gemeten waarden),

berekende resultaten en bijbehorende formules.

De in voertuigen te monteren efficiënte alternator

De typegoedkeuringsinstantie moet de CO2-besparingen certificeren op basis van metingen van de efficiënte alternator en de basisalternator door middel van de in deze bijlage vastgelegde testmethode. Indien de CO2-emissiebesparingen minder zijn dan de minimumbeperking van artikel 9, lid 1, is artikel 11, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 427/2014 van toepassing.


(1)  ISO 8854:2012 Wegvoertuigen — Wisselstroomdynamo's met regelaars — Beproevingsmethoden en algemene eisen.

Referentienummer: ISO 8854:2012 van 1.6.2012.


REGLEMENTEN VAN ORDE EN REGLEMENTEN VOOR DE PROCESVOERING

Gerecht

30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/61


FORMULIER VOOR RECHTSBIJSTAND

Iedere natuurlijke of rechtspersoon die, al of niet bijgestaan door een advocaat, rechtsbijstand wil aanvragen met het oog op het instellen van een beroep bij het Gerecht of in het kader van een zaak waarin hij partij is, wordt verzocht de hiernavolgende informatie aandachtig te lezen alvorens de verschillende rubrieken van het formulier in te vullen.

1.   Toepasselijke bepalingen

De bepalingen over rechtsbijstand zijn opgenomen in het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (artikelen 146-150) en in de Praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (punten 1, 17-19, 33, 51, 57, 120, 121 en 198-207) (hierna „praktische uitvoeringsbepalingen” genoemd).

Het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en de praktische uitvoeringsbepalingen zijn beschikbaar op de website van het Hof van Justitie van de Europese Unie (http://curia.europa.eu), onder „Gerecht” en vervolgens „Procedure”.

2.   Regels inzake de vertegenwoordiging voor het Gerecht

Om bij het Gerecht een beroep te kunnen instellen, moeten natuurlijke en rechtspersonen worden vertegenwoordigd door een advocaat die is toegelaten tot de uitoefening van zijn beroep bij een rechterlijke instantie van een lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering). Deze regel legt het beginsel van de verplichte vertegenwoordiging van de verzoekende partij door een advocaat vast.

Indien deze persoon, gezien zijn financiële situatie, geheel of ten dele niet in staat is om de proceskosten te dragen, voorziet het Reglement voor de procesvoering erin dat hij voor rechtsbijstand in aanmerking moet kunnen komen (artikel 146, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering). Anders dan bij het beroep, dat moet worden neergelegd door een advocaat die de verzoekende partij vertegenwoordigt, kan de aanvraag voor rechtsbijstand worden ingediend met of zonder bijstand van een advocaat.

3.   Bevoegdheden van het Gerecht en voorwaarden voor ontvankelijkheid

Het Gerecht kan geen rechtsbijstand toekennen wanneer het kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van de rechtsvordering waarvoor hij wordt aangevraagd (artikel 146, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering).

Krachtens de Verdragen en het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is het Gerecht bevoegd om uitspraak te doen op:

de rechtstreekse beroepen die worden ingesteld door particulieren of door de lidstaten (1) die ertoe strekken om de nietigverklaring van handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie te verkrijgen, een onrechtmatig verzuim van laatstgenoemden om te handelen te doen vaststellen of om vergoeding van de geleden schade te verkrijgen en de beroepen gebaseerd op een arbitragebeding;

de beroepen die strekken tot nietigverklaring van de beslissingen van de kamers van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO).

Daaruit volgt dat een aanvraag voor rechtsbijstand zal worden geweigerd wegens onbevoegdheid van het Gerecht om op het beroep uitspraak te doen, wanneer het wordt ingesteld om:

de wettigheid te bestrijden van een handeling die door nationale autoriteiten is vastgesteld (ongeacht of dit administratieve of gerechtelijke autoriteiten zijn);

een beslissing te bestrijden van een internationale instantie die niet onder het institutionele stelsel van de Europese Unie valt (bijvoorbeeld het Europees Hof voor de Rechten van de Mens).

Rechtsbijstand kan evenmin worden toegekend indien de rechtsvordering waarvoor hij wordt aangevraagd, kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond voorkomt (artikel 146, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering).

Daaruit volgt onder meer dat een aanvraag die wordt ingediend vóór het beroep waarop hij betrekking heeft, maar na het verstrijken van de beroepstermijn voor dat beroep, zal worden afgewezen, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk zou worden verklaard omdat het te laat is ingesteld.

4.   Verplicht formulier voor rechtsbijstand

Het formulier voor rechtsbijstand, dat in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd, is beschikbaar op de website van het Hof van Justitie van de Europese Unie, onder „Gerecht” en vervolgens „Procedure”.

Van dit formulier moet verplicht gebruik worden gemaakt om rechtsbijstand aan te vragen, zowel voorafgaand aan de instelling van een beroep als in het kader van een aanhangige zaak. Een aanvraag voor rechtsbijstand die niet per formulier wordt gedaan, wordt niet in aanmerking genomen (artikel 147 van het Reglement voor de procesvoering en punt 198 van de praktische uitvoeringsbepalingen).

Een aanvraag voor rechtsbijstand die bij het Gerecht wordt ingediend nadat het Gerecht de beslissing heeft gegeven waarbij het uitspraak doet op het beroep waarop deze aanvraag betrekking heeft, wordt niet in aanmerking genomen.

5.   Inhoud van de aanvraag voor rechtsbijstand en bewijsstukken

Het formulier voor rechtsbijstand strekt ertoe het Gerecht overeenkomstig artikel 147, leden 3 en 4, van het Reglement voor de procesvoering de nodige informatie te verschaffen om naar behoren op de aanvraag voor rechtsbijstand te kunnen beslissen. Het gaat om:

gegevens betreffende de financiële situatie van de aanvrager en,

ingeval het beroep nog niet is ingesteld, gegevens over het voorwerp van dit beroep, de feiten van de zaak en de aangevoerde argumenten (punt 201 van de praktische uitvoeringsbepalingen).

a)   Financiële situatie van de aanvrager

De aanvraag voor rechtsbijstand moet vergezeld gaan van de nodige gegevens en bewijzen op grond waarvan de financiële situatie van de aanvrager kan worden beoordeeld, zoals een van de bevoegde nationale autoriteiten afkomstige verklaring die deze financiële situatie bevestigt (artikel 147, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering).

De financiële draagkracht van de aanvrager wordt beoordeeld aan de hand van elementen die zijn behoeftigheid aantonen:

een natuurlijk persoon kan er dus niet mee volstaan om het Gerecht te voorzien van gegevens over zijn inkomsten, maar moet bijvoorbeeld ook belastingaangiften, salarisstroken, verklaringen van socialebijstandsinstanties of de werkloosheidsverzekering, verklaringen van de bank of rekeninguittreksels en gegevens op basis waarvan zijn kapitaal kan worden beoordeeld (waarde van roerende of onroerende goederen) overleggen;

een rechtspersoon kan er niet mee volstaan om zijn onvermogen om te betalen aan te voeren, maar moet inlichtingen over zijn rechtsvorm, zijn eventuele winstoogmerk en de financiële draagkracht van zijn venno(o)t(en) of aandeelhouders verschaffen en bijvoorbeeld boekhoudkundige balansen of enig ander bewijs van zijn boekhoudkundige situatie overleggen, alsook alle bewijs ter ondersteuning van een gestelde staat van faillissement, gerechtelijke bewindvoering, staking van betaling of gerechtelijke afwikkeling.

Plechtige verklaringen die door de aanvrager zelf zijn opgesteld en ondertekend, volstaan niet voor het bewijs van zijn behoeftigheid.

De in het formulier vermelde gegevens betreffende de financiële situatie van de aanvrager en de tot staving van deze gegevens overgelegde bewijsstukken strekken ertoe een volledig beeld te geven van zijn financiële situatie.

Een aanvraag die niet rechtens genoegzaam aantoont dat de aanvrager niet tot betaling van de proceskosten in staat is, zal worden afgewezen.

b)   Voorwerp van het voorgenomen beroep

Indien de aanvraag voor rechtsbijstand wordt ingediend voordat het beroep waarop hij betrekking heeft is ingesteld, moet de aanvrager een summiere uiteenzetting geven van het voorwerp van dit beroep, de feiten van de zaak en de argumenten die hij ter ondersteuning van dit beroep wil aanvoeren. Daarvoor is een rubriek voorzien in het formulier voor rechtsbijstand.

Als bijlage moeten afschriften van alle bewijsstukken die relevant zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het in te stellen beroep worden gevoegd. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om correspondentie met de toekomstige verwerende partij of, in geval van een beroep om nietigverklaring, het besluit waarvan de wettigheid wordt bestreden.

Het formulier voor rechtsbijstand moet naar behoren worden ingevuld en de bewijsstukken moeten begrijpelijk zijn op zich.

c)   Aanvulling

De aanvraag voor rechtsbijstand kan niet achteraf worden aangevuld door de neerlegging van addenda. Indien dergelijke addenda worden ingediend zonder dat het Gerecht daarom heeft verzocht, worden zij geweigerd. Het is dus van wezenlijk belang om alle nodige informatie in het formulier op te nemen en om een afschrift bij te voegen van elk document dat deze informatie kan staven.

In buitengewone gevallen kunnen evenwel bewijsstukken betreffende de behoeftigheid van de aanvrager achteraf nog worden aanvaard, mits een passende uitleg wordt gegeven voor de te late indiening ervan (punt 205 van de praktische uitvoeringsbepalingen).

6.   Indiening van de aanvraag

a)   Door de aanvrager zelf

De indiener van een aanvraag voor rechtsbijstand die niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, moet de papieren versie van het naar behoren ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de daarin vermelde bewijsstukken, toezenden aan of neerleggen bij de griffie van het Gerecht, die zich op het volgende adres bevindt:

Griffie van het Gerecht van de Europese Unie

Rue du Fort Niedergrünewald

L-2925 Luxemburg

Het formulier moet met de hand worden ondertekend door de aanvrager (artikel 147, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering en punt 199 van de praktische uitvoeringsbepalingen). Wanneer het niet met de hand is ondertekend, wordt het formulier niet in behandeling genomen.

b)   Door de advocaat van de aanvrager

Wanneer de indiener van de aanvraag voor rechtsbijstand wordt vertegenwoordigd door een advocaat ten tijde van de indiening van het formulier voor rechtsbijstand, moet laatstgenoemde het formulier met behulp van de applicatie e-Curia indienen, met inachtneming van de vereisten in de „Gebruiksvoorwaarden voor de applicatie e-Curia” (punt 200 van de praktische uitvoeringsbepalingen).

7.   Schorsing en hervatting van de beroepstermijn

De indiening van een aanvraag voor rechtsbijstand schorst voor de aanvrager de voor de instelling van het beroep voorziene termijn tot en met de datum van betekening van de beschikking waarbij op die aanvraag wordt beslist, of, wanneer in deze beschikking geen advocaat wordt aangewezen om de betrokkene te vertegenwoordigen, tot en met de datum van betekening van de beschikking waarbij een advocaat wordt aangewezen die met de vertegenwoordiging van de indiener van de aanvraag wordt belast (artikel 147, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering).

De beroepstermijn loopt dus niet gedurende de periode waarin de aanvraag voor rechtsbijstand door het Gerecht wordt onderzocht.

Na de betekening van de beschikking waarbij op die aanvraag wordt beslist, of, wanneer in deze beschikking geen advocaat wordt aangewezen om de betrokkene te vertegenwoordigen, de beschikking waarbij een advocaat wordt aangewezen die met de vertegenwoordiging van de indiener van de aanvraag wordt belast, kan de resterende beroepstermijn voor neerlegging van het verzoekschrift zeer kort zijn. De begunstigde van de rechtsbijstand, die naar behoren door een advocaat wordt vertegenwoordigd, wordt aanbevolen er bijzonder nauwlettend op toe te zien dat de wettelijke termijn in acht wordt genomen (punt 207 van de praktische uitvoeringsbepalingen).

8.   Aanvullende precisering

De originelen van de overgelegde bewijsstukken worden niet teruggezonden. Aangeraden wordt dus om fotokopieën van de bewijsstukken over te leggen.


(1)  Met uitzondering van die welke het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voorbehoudt aan het Hof van Justitie.


AANVRAAG VOOR RECHTSBIJSTAND

INDIENER VAN DE AANVRAAG VOOR RECHTSBIJSTAND

NATUURLIJKE PERSOON

Mevrouw

De heer

Uw naam: …

Uw voorna(a)m(en): …

Uw adres: …

Postcode: …

Gemeente: …

Land: …

Telefoon (facultatief): …

E-mail: (facultatief): …

Uw huidige beroep of uw huidige situatie: …

RECHTSPERSOON (1)

Naam van de onderneming: …

Rechtsvorm: …

Entiteit met winstoogmerk:

☐ Ja

☐ Neen

Adres: …

Postcode: …

Gemeente: …

Land: …

Telefoon (facultatief): …

E-mail: (facultatief): …

PARTIJ TEGEN WIE U BEROEP WILT INSTELLEN (2)

De aandacht wordt er opnieuw op gevestigd dat het Gerecht bevoegd is om kennis te nemen van beroepen van natuurlijke personen of rechtspersonen tegen een instelling, orgaan of instantie van de Unie. Het kan niet de wettigheid toetsen van besluiten van:

internationale instanties die niet onder het institutionele stelsel van de Europese Unie vallen, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

de nationale autoriteiten van een lidstaat;

de nationale rechterlijke instanties.

Partij(en) tegen wie het voorgenomen beroep zal worden ingesteld:

VERWERENDE PARTIJ(EN)

ADRES

 

 

Indien u te weinig plaats heeft, kunt u deze lijst aanvullen op een blanco pagina die u bij uw aanvraag voegt.

VOORWERP VAN HET BEROEP (3)

Indien de aanvraag voor rechtsbijstand voorafgaand aan de instelling van het beroep wordt ingediend, moet de aanvrager een summiere uiteenzetting geven van het voorwerp van het in te stellen beroep, de feiten van de zaak en de argumenten ter ondersteuning van het beroep. De aanvraag dient vergezeld te gaan van de desbetreffende bewijsstukken (artikel 147, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering).

Gelieve het voorwerp van het beroep dat u wilt instellen, de feiten van de zaak en de argumenten ter ondersteuning van het beroep te omschrijven:

 

Alle relevante bewijsstukken voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het in te stellen beroep dienen bij dit formulier te worden gevoegd en in de lijst van bewijsstukken te worden vermeld.

De originelen van de overgelegde bewijsstukken worden niet teruggezonden.

FINANCIËLE SITUATIE VAN DE AANVRAGER

NATUURLIJK PERSOON

INKOMSTEN

De aanvraag voor rechtsbijstand moet vergezeld gaan van de nodige gegevens en bewijzen op grond waarvan de financiële situatie van de aanvrager kan worden beoordeeld, zoals een van de bevoegde nationale autoriteiten afkomstige verklaring die deze financiële situatie bevestigt (artikel 147, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering).

Indien uw inkomsten op het ogenblik van de aanvraag niet gewijzigd zijn ten opzichte van het voorgaande jaar, worden de inkomsten in aanmerking genomen die u voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande jaar bij de nationale autoriteiten heeft aangegeven.

Indien uw financiële situatie is gewijzigd, worden uw huidige inkomsten, ontvangen in de periode van 1 januari van het lopende jaar tot de datum van uw aanvraag in aanmerking genomen.

 

Uw inkomsten

Inkomsten van uw echtgeno(o)t(e), levenspartner of de persoon met wie u samenwoont

Inkomsten van een andere persoon die gewoonlijk bij het gezin inwoont (kind of persoon ten laste). Specificeer:

a.

Geen inkomen

 (*1)

 

 

b.

Belastbaar nettoloon (vermeld op uw loonstroken)

 

 

 

c.

Inkomsten anders dan uit loondienst (landbouw-, industriële, commerciële of niet-commerciële inkomsten)

 

 

 

d.

Kinderbijslag

 

 

 

e.

Werkloosheidsuitkeringen

 

 

 

f.

Dagvergoedingen (ziekte, moederschap, beroepsziekte, arbeidsongeval)

 

 

 

g.

Pensioenen, renten en vervroegde pensioenen

 

 

 

h.

Alimentatie-uitkeringen (daadwerkelijk aan u gestort bedrag)

 

 

 

i.

Andere inkomsten (bijv. huurontvangsten, inkomsten uit kapitaal, inkomsten uit effecten, …)

 

 

 

Indien u te weinig plaats heeft, kunt u deze lijst aanvullen op een blanco pagina die u bij uw aanvraag voegt.

Gelieve de aard en de waarde van uw roerende goederen (aandelen, obligaties, vermogen, ...) en het adres en de waarde van uw onroerende goederen (woning, grond, ...) op te geven, ook al leveren zij geen inkomsten op:

 

LASTEN

Gelieve de kinderen en personen die te uwen laste komen of die gewoonlijk bij u inwonen, op te geven:

Na(a)m(en) en voorna(a)m(en)

Familieband

(bijv.: zoon, neef, moeder)

Geboortedatum

(dd/mm/jjjj)

…/…/…

…/…/…

…/…/…

…/…/…

Indien u te weinig plaats heeft, kunt u deze lijst aanvullen op een blanco pagina die u bij uw aanvraag voegt.

Gelieve de alimentatie-uitkeringen die u aan derden betaalt, op te geven:

 

Indien u dat wenst, kunt u aanvullende informatie over uw situatie (voor de inkomsten of voor de lasten) verstrekken:

 

De hierboven verstrekte inlichtingen moeten worden gestaafd met bewijsstukken op basis waarvan uw financiële situatie kan worden beoordeeld (artikel 147, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering).

De lijst van bewijsstukken, in voorkomend geval met inbegrip van een verklaring van een bevoegde nationale instantie die deze financiële situatie bevestigt, dient bij het onderhavige formulier te worden gevoegd.

De originelen van de overgelegde bewijsstukken worden niet teruggezonden.

RECHTSPERSOON

Wanneer de rechtsbijstand wordt aangevraagd voor een rechtspersoon, dient u bij deze aanvraag een recent bewijs van het bestaan rechtens ervan (een uittreksel uit het handelsregister, een uittreksel uit het verenigingsregister of enig ander officieel stuk) over te leggen (artikel 147, lid 5, gelezen in samenhang met artikel 78, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering).

Gelieve de financiële situatie van de aanvrager en in voorkomend geval die van zijn venno(o)t(en) of aandeelhouders te omschrijven:

 

De hierboven verstrekte inlichtingen moeten worden gestaafd met bewijsstukken op basis waarvan de financiële situatie van de aanvrager en, in voorkomend geval, die van zijn venno(o)t(en) of aandeelhouders kan worden beoordeeld (artikel 147, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering).

De lijst van bewijsstukken, in voorkomend geval met inbegrip van een verklaring van een bevoegde nationale instantie die deze financiële situatie bevestigt, dient bij het onderhavige formulier te worden gevoegd.

De originelen van de overgelegde bewijsstukken zullen niet worden teruggezonden.

EVENTUEEL VOORSTEL VOOR EEN ADVOCAAT

Mocht u een advocaat hebben gekozen die tot de uitoefening van zijn beroep is toegelaten bij een rechterlijke instantie van een lidstaat of een andere staat die partij is bij de EER-overeenkomst, dan dient u de volgende inlichtingen te verstrekken:

De heer/Mevrouw: …

Adres: …

Postcode: …

Gemeente: …

Land: …

Telefoon: …

E-mail: (facultatief): …

VERKLARING OP EREWOORD

Ondergetekende verklaart op erewoord dat de inlichtingen in deze aanvraag voor rechtsbijstand juist zijn:

Datum:…/…/…

Handtekening van de aanvrager of zijn advocaat:

LIJST VAN BEWIJSSTUKKEN

Bewijsstukken op basis waarvan uw financiële situatie kan worden beoordeeld:

Indien het beroep nog niet is ingesteld, relevant(e) bewijsstuk(ken) voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het in te stellen beroep:


(1)  Gelieve bij deze aanvraag een recent bewijs van uw bestaan rechtens (uittreksel uit het handelsregister, uittreksel uit het verenigingsregister of enig ander officieel stuk) te voegen.

(2)  Wanneer het beroep en de aanvraag voor rechtsbijstand tegelijkertijd worden ingediend of wanneer de aanvraag voor rechtsbijstand wordt ingediend nadat het beroep is ingesteld, hoeft de rubriek „Partij(en) tegen wie u beroep wilt instellen” niet te worden ingevuld.

(3)  Wanneer het beroep en de aanvraag voor rechtsbijstand tegelijkertijd worden ingediend of wanneer de aanvraag voor rechtsbijstand wordt ingediend nadat het beroep is ingesteld, hoeft de rubriek „Voorwerp van het beroep” niet te worden ingevuld.

(*1)  Indien dit vak wordt aangekruist, dient de aanvrager uit te leggen hoe hij in zijn behoeften voorziet.


Rectificaties

30.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/72


Rectificatie van Richtlijn (EU) 2018/852 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval

( Publicatieblad van de Europese Unie L 150 van 14 juni 2018 )

Bladzijde 153, bijlage, punt 2, onder b), iii), titel van de tabel:

in plaats van:

„Herbruikbaar verpakkingsmateriaal”,

lezen:

„Herbruikbare verkoopverpakkingen”.