ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 303

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
28 november 2018


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen

1

 

*

Verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

39

 

*

Verordening (EU) 2018/1807 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie ( 1 )

59

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie

69

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

28.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/1


VERORDENING (EU) 2018/1805 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 november 2018

inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 1, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen.

(2)

De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 algemeen beschouwd wordt als een hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie.

(3)

De bevriezing en de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven behoren tot de meest doeltreffende methoden om criminaliteit te bestrijden. De Unie streeft naar een meer doeltreffende opsporing, confiscatie en herbesteding van criminele vermogensbestanddelen, in overeenstemming met het „Programma van Stockholm — Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger” (2).

(4)

Aangezien criminaliteit vaak grensoverschrijdend van aard is, is een effectieve grensoverschrijdende samenwerking essentieel voor het bevriezen en confisqueren van de hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven.

(5)

Het huidige rechtskader van de Unie inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen bestaat uit de Kaderbesluiten 2003/577/JBZ (3) en 2006/783/JBZ (4) van de Raad.

(6)

De verslagen van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de Kaderbesluiten 2003/577/JBZ en 2006/783/JBZ tonen aan dat de bestaande regelingen voor de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen niet geheel effectief zijn. Die kaderbesluiten worden niet uniform uitgevoerd en toegepast in de lidstaten, waardoor de wederzijdse erkenning onvoldoende is en de grensoverschrijdende samenwerking niet optimaal is geweest.

(7)

Het juridisch kader van de Unie inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen loopt achter op de recente wetgevingsontwikkelingen op Unie- en nationaal niveau. Met name in Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad (5) zijn gemeenschappelijke minimumregels vastgesteld voor de bevriezing en de confiscatie van voorwerpen. Die minimumregels betreffen de confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven, ook in geval van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde, wanneer reeds een strafprocedure met betrekking tot een strafbaar feit is ingesteld, ruimere confiscatie, en confiscatie bij een derde. Die minimumregels hebben tevens betrekking op de bevriezing van voorwerpen met het oog op eventuele latere confiscatie. De soorten bevriezing- en confiscatiebevelen die vallen onder die richtlijn, dienen ook onder het juridisch kader inzake wederzijdse erkenning te vallen.

(8)

Toen zij Richtlijn 2014/42/EU aannamen, maakten het Europees Parlement en de Raad in een verklaring duidelijk dat een doeltreffend systeem voor bevriezing en confiscatie in de Unie intrinsiek samenhangt met een goed functionerende wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen. Gezien de behoefte aan een alomvattend systeem voor de bevriezing en de confiscatie van de hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Unie, verzochten het Europees Parlement en de Raad de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen betreffende de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen.

(9)

In haar mededeling van 28 april 2015 over de „Europese veiligheidsagenda” stelde de Commissie dat justitiële samenwerking in strafzaken afhangt van doeltreffende grensoverschrijdende instrumenten en dat wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen een kernelement van het veiligheidskader is. De Commissie herinnerde ook aan de noodzaak om de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen te verbeteren.

(10)

In haar mededeling van 2 februari 2016 over een „actieplan ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering” wees de Commissie erop dat het van belang is om de vermogensbestanddelen af te nemen van criminelen die terrorisme financieren. Om de georganiseerde criminaliteit waarmee terrorisme wordt gefinancierd te fnuiken, is het volgens de Commissie in haar mededeling van wezenlijk belang om de betrokken criminelen de opbrengsten van hun criminele activiteiten te ontnemen. Daarom dient er volgens de Commissie in haar mededeling in de hele Unie voor te worden gezorgd dat alle soorten bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen optimaal ten uitvoer worden gelegd door toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning.

(11)

Voor een doeltreffende wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen moeten de regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke bevelen worden vastgesteld in een juridisch bindende en rechtstreeks toepasselijke handeling van de Unie.

(12)

De wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen moet worden vergemakkelijkt door de lidstaten te verplichten een door een andere lidstaat in het kader van een procedure in strafzaken uitgevaardigd bevriezingsbevel of confiscatiebevel zonder verdere formaliteiten op hun grondgebied te erkennen en ten uitvoer te leggen.

(13)

Deze verordening dient van toepassing te zijn op alle bevriezingsbevelen en alle confiscatiebevelen die in het kader van procedures in strafzaken worden uitgevaardigd. „Procedures in strafzaken” is een autonoom Unierechtelijk begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, niettegenstaande de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Die term dient derhalve betrekking te hebben op alle soorten bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen die zijn uitgevaardigd naar aanleiding van procedures in verband met een strafbaar feit, dus niet alleen bevelen die vallen onder Richtlijn 2014/42/EU, maar ook andere soorten bevelen zonder definitieve veroordeling. Hoewel dergelijke bevelen in het rechtsstelsel van een lidstaat misschien niet voorkomen, moet de betrokken lidstaat in staat zijn een dergelijk door een andere lidstaat uitgevaardigd bevel te erkennen en ten uitvoer te leggen. Procedures in strafzaken zouden ook betrekking kunnen hebben op strafrechtelijke onderzoeken door de politie en andere rechtshandhavingsinstanties. Bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen die worden uitgevaardigd in civielrechtelijke en administratieve procedures, moeten buiten het toepassingsgebied van deze verordening worden gelaten.

(14)

Deze verordening dient betrekking te hebben op bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen in verband met strafbare feiten die vallen onder Richtlijn 2014/42/EU, alsook op bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen in verband met andere strafbare feiten. De strafbare feiten gedekt door deze verordening dienen dus niet te worden beperkt tot bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, aangezien artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Unie (VWEU) geen dergelijke beperking stelt voor maatregelen tot vaststelling van regels en procedures inzake de wederzijdse erkenning van uitspraken in strafzaken.

(15)

Samenwerking tussen de lidstaten, die is gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning en de onmiddellijke tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, veronderstelt het vertrouwen dat de te erkennen en ten uitvoer te leggen beslissingen steeds zullen worden gegeven overeenkomstig de beginselen van legaliteit, subsidiariteit en evenredigheid. Dergelijke samenwerking veronderstelt dat de rechten van personen ten aanzien van wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, worden gewaarborgd. Die getroffen personen, die natuurlijke of rechtspersonen kunnen zijn, dienen de persoon tegen wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, de persoon die eigenaar is van de voorwerpen waarop het bevel betrekking heeft, en eventuele derden wier rechten met betrekking tot die voorwerpen rechtstreeks worden geschaad door het bevel, met inbegrip van derden te goeder trouw, te omvatten. Of die derden rechtstreeks worden geschaad door een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel, dient overeenkomstig het recht van de uitvoerende staat te worden bepaald.

(16)

Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

(17)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het „Handvest”) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het „EVRM”). Dit houdt ook het principe in dat elke vorm van discriminatie op grond van bijvoorbeeld geslacht, raciale of etnische afkomst, godsdienst, seksuele gerichtheid, nationaliteit, taal of politieke overtuiging, of beperking, moet worden verboden. Deze verordening moet worden toegepast overeenkomstig die rechten en beginselen.

(18)

De procedurele rechten als vastgelegd in de Richtlijnen 2010/64/EU (6), 2012/13/EU (7), 2013/48/EU (8), (EU) 2016/343 (9), (EU) 2016/800 (10) en (EU) 2016/1919 (11) van het Europees Parlement en de Raad, dienen, binnen het toepassingsgebied van die richtlijnen, van toepassing te zijn op strafprocedures die onder deze verordening vallen, wat de door die richtlijnen gebonden lidstaten betreft. In ieder geval dienen de waarborgen van het Handvest te gelden voor alle procedures die onder deze verordening vallen. Met name dienen de in het Handvest neergelegde essentiële waarborgen voor strafprocedures van toepassing te zijn op procedures in strafzaken die geen strafprocedure zijn maar die onder deze verordening vallen.

(19)

De regels voor de toezending, erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen dienen te waarborgen dat de ontneming van criminele vermogensbestanddelen efficiënt verloopt, en dit met inachtneming van de grondrechten.

(20)

Bij het beoordelen van de dubbele strafbaarheid dient de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat na te gaan of de feitelijke elementen die ten grondslag liggen aan het betrokken strafbaar feit, zoals die zijn weergegeven in het door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat overgelegde bevriezings- of confiscatiecertificaat, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de uitvoerende staat op het tijdstip van de beslissing over de erkenning van het bevriezings- of confiscatiebevel, als zodanig ook in de uitvoerende staat op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft.

(21)

De uitvaardigende autoriteit dient er bij het uitvaardigen van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel op toe te zien dat de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid worden geëerbiedigd. Krachtens deze verordening mag een bevriezingsbevel of confiscatiebevel uitsluitend worden uitgevaardigd en aan een uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat worden toegezonden indien een dergelijk bevel tevens in een binnenlandse zaak had kunnen worden afgegeven en gebruikt. De uitvaardigende autoriteit moet in elk afzonderlijk geval met de beoordeling van de noodzaak en evenredigheid van dergelijke bevelen worden belast, aangezien de erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezings- en confiscatiebevelen niet op andere dan de in deze verordening genoemde gronden mogen worden geweigerd.

(22)

In sommige gevallen mag een bevriezingsbevel worden uitgevaardigd door een autoriteit aangesteld door de uitvaardigende staat, die overeenkomstig het nationaal recht in strafzaken bevoegd is om het bevriezingsbevel uit te vaardigen of ten uitvoer te leggen, en die geen rechter, rechtbank of openbare aanklager is. In dergelijke gevallen, moet het bevriezingsbevel worden gevalideerd door een rechter, rechtbank of openbare aanklager alvorens het aan de uitvoerende autoriteit wordt toegezonden.

(23)

De lidstaten moeten een verklaring kunnen afleggen waarin staat dat, wanneer hun een bevriezings- of confiscatiecertificaat wordt toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel, de uitvaardigende autoriteit, tezamen met het bevriezings- of confiscatiecertificaat, het originele exemplaar van het bevriezings- of confiscatiebevel of een gewaarmerkte kopie daarvan moet toezenden. Wanneer de lidstaten een dergelijke verklaring afleggen of intrekken, dienen zij de Commissie daarvan in kennis te stellen. De Commissie moet dergelijke informatie ter beschikking stellen van alle lidstaten en van het Europees justitieel netwerk (EJN) dat is opgezet bij Besluit 2008/976/JBZ van de Raad (12). Het EJN moet die gegevens beschikbaar maken op de website bedoeld in dat Besluit.

(24)

Derhalve dient de uitvaardigende autoriteit een bevriezings- of confiscatiecertificaat in voorkomend geval samen met het bevriezings- of confiscatiebevel rechtstreeks toe te zenden aan de uitvoerende autoriteit of, indien van toepassing, de centrale autoriteit van de uitvoerende staat, op zodanige wijze dat dit schriftelijk kan worden vastgelegd en de uitvoerende autoriteit de echtheid van het certificaat of het bevel kan vaststellen, zoals per aangetekende post en beveiligde e-mail. De uitvaardigende autoriteit moet gebruik kunnen maken van de relevante communicatiekanalen of -middelen, waaronder het beveiligde telecommunicatiesysteem van het EJN, Eurojust, of andere kanalen die door gerechtelijke autoriteiten worden gebruikt.

(25)

Indien de uitvaardigende autoriteit op redelijke gronden vermoedt dat de persoon tegen wie een bevriezings- of confiscatiebevel dat betrekking heeft op een geldsom is uitgevaardigd, voorwerpen of inkomen heeft in een lidstaat, moet het bevriezings- of confiscatiecertificaat in verband met het bevel worden toegezonden aan die lidstaat. Op basis hiervan kan het certificaat bijvoorbeeld worden toegezonden aan de lidstaat waar de natuurlijke persoon tegen wie het bevel is uitgevaardigd, gevestigd is of, indien die persoon geen vast adres heeft, gewoonlijk verblijft. Indien het bevel is uitgevaardigd tegen een rechtspersoon, kan het certificaat worden toegezonden aan de lidstaat waar de rechtspersoon is gevestigd.

(26)

Voor het administratief toezenden en in ontvangst nemen van de certificaten betreffende bevriezings- en confiscatiebevelen moeten de lidstaten een of meer centrale autoriteiten kunnen aanwijzen indien dit vanwege de structuur van hun interne rechtsorde noodzakelijk is. Die centrale autoriteiten kunnen tevens administratieve ondersteuning bieden, een coördinerende rol spelen, en meehelpen bij het verzamelen van statistische gegevens; zo wordt de wederzijdse erkenning van bevriezings- en confiscatiebevelen vergemakkelijkt en gestimuleerd.

(27)

Wanneer een confiscatiecertificaat voor een confiscatiebevel met betrekking tot een geldsom wordt toegezonden aan meer dan een uitvoerende staat, dient de uitvaardigende staat te proberen te voorkomen dat méér voorwerpen worden geconfisqueerd dan nodig en het totale bedrag dat wordt verkregen uit de tenuitvoerlegging van het bevel méér zou bedragen dan het daarin vermelde maximumbedrag. Te dien einde moet de uitvaardigende autoriteit onder meer in het confiscatiecertificaat de waarde van de vermogensbestanddelen, indien bekend, in elke uitvoerende staat aangeven, zodat de uitvoerende autoriteiten daar rekening mee kunnen houden, met de uitvoerende autoriteiten de nodige contacten en dialoog kunnen onderhouden over de voorwerpen die dienen te worden geconfisqueerd, en de betrokken uitvoerende autoriteit of autoriteiten onmiddellijk in kennis kunnen stellen indien zij van mening is dat er een risico bestaat dat het maximumbedrag bij de confiscatie wordt overschreden. In voorkomend geval zou Eurojust binnen zijn mandaat een coördinerende rol kunnen uitoefenen om buitensporige confiscatie te voorkomen.

(28)

De lidstaten moeten worden aangespoord om een verklaring voor te leggen waarin zij bevestigen dat zij, in hun hoedanigheid als uitvoerende staat, in één of meer andere officiële Unietalen opgestelde bevriezings- en/of confiscatiecertificaten aanvaarden.

(29)

De uitvoerende autoriteit moeten bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen erkennen en de nodige maatregelen nemen voor de tenuitvoerlegging ervan. De beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel of het confiscatiebevel moet worden genomen en de bevriezing of de confiscatie moet worden ten uitvoer gelegd met dezelfde snelheid en prioriteit als in vergelijkbare binnenlandse zaken. De termijnen, die overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad (13) moeten worden berekend, moeten worden vastgelegd teneinde te zorgen voor een snelle en efficiënte beslissing over de erkenning van het bevriezingsbevel of confiscatiebevel en een snelle en efficiënte tenuitvoerlegging ervan. Wat betreft bevriezingsbevelen moet de uitvoerende autoriteit beginnen met het nemen van de concrete maatregelen die nodig zijn om die bevelen ten uitvoer te leggen uiterlijk 48 uur nadat de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging daarvan is genomen.

(30)

Bij de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel moeten de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit de vertrouwelijkheid van het onderzoek terdege in acht nemen. In het bijzonder moet de uitvoerende autoriteit de vertrouwelijkheid van de feiten en van de inhoud van het bevriezingsbevel waarborgen. Dit doet geen afbreuk aan de verplichting om de getroffen personen overeenkomstig deze verordening in kennis te stellen van de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel.

(31)

De erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel mag niet op andere dan de in deze verordening genoemde gronden worden geweigerd. Deze verordening moet uitvoerende autoriteiten de mogelijkheid bieden om confiscatiebevelen niet te erkennen of ten uitvoer te leggen op grond van het „ne bis in idem”-beginsel, op grond van de rechten van de getroffen personen, of op grond van het recht om ter terechtzitting aanwezig te zijn.

(32)

Deze verordening moet uitvoerende autoriteiten toestaan confiscatiebevelen niet te erkennen of ten uitvoer te leggen vanwege het feit dat de persoon tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, niet persoonlijk is verschenen op het proces dat heeft geleid tot een confiscatiebevel dat verband houdt met een definitieve veroordeling. Dit mag alleen een grond voor niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging vormen wanneer processen leiden tot confiscatiebevelen die verband houden met een definitieve veroordeling en niet wanneer procedures leiden tot niet op een veroordeling gebaseerde confiscatiebevelen. Opdat een dergelijke grond zou beschikbaar zijn, dienen echter één of meer hoorzittingen te worden gehouden. De grond mag niet beschikbaar zijn indien de toepasselijke nationale procedureregels niet voorzien in een hoorzitting. Dergelijke nationale procedureregels moeten in overeenstemming zijn met het Handvest en met het EVRM, in het bijzonder met betrekking tot het recht op een eerlijk proces. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de zaak vereenvoudigd wordt afgedaan waarbij, geheel of gedeeltelijk, een schriftelijke procedure of een procedure zonder zitting wordt gevolgd.

(33)

In uitzonderlijke omstandigheden moet het mogelijk zijn een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel niet te erkennen of ten uitvoer te leggen, namelijk wanneer de uitvoerende staat door die erkenning of tenuitvoerlegging zijn grondwettelijke bepalingen betreffende de vrijheid van drukpers of de vrijheid van meningsuiting in andere media niet zou kunnen toepassen.

(34)

Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie is gebaseerd op onderling vertrouwen en de veronderstelling dat alle lidstaten zich aan het recht van de Unie houden, met name de grondrechten. In uitzonderlijke situaties, wanneer er gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, moet de uitvoerende autoriteit kunnen besluiten het betreffende bevel niet te erkennen en ten uitvoer te leggen. De in dit verband relevante grondrechten zijn met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging. Het recht op eigendom zou in beginsel niet relevant mogen zijn, daar de bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen per definitie een inmenging in het recht op eigendom van een persoon inhouden en er in dit verband in het Unierecht, onder meer in de onderhavige verordening, reeds in de noodzakelijke waarborgen is voorzien.

(35)

Voordat zij beslist een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel niet te erkennen of ten uitvoer te leggen op basis van een grond voor niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging, moet de uitvoerende autoriteit overleg plegen met de uitvaardigende autoriteit om eventueel noodzakelijke aanvullende informatie te verkrijgen.

(36)

Bij de behandeling van een verzoek van de uitvoerende autoriteit tot beperking van de periode waarbinnen de voorwerpen dienen te worden bevroren, dient de uitvaardigende autoriteit rekening te houden met de omstandigheden van het geval, en met name te bezien of voortzetting van de bevriezing ongerechtvaardigde schade kan toebrengen in de uitvoerende staat. De uitvoerende autoriteit wordt aangespoord om met de uitvaardigende autoriteit overleg te plegen over deze kwestie alvorens een formeel verzoek in te dienen.

(37)

Wanneer een autoriteit van de uitvaardigende staat een geldsom ontvangt die betaald werd in verband met het confiscatiebevel, dient deze de uitvoerende autoriteit hiervan in kennis te stellen, met dien verstande dat de uitvoerende staat enkel in kennis dient te worden gesteld indien het bedrag van de betalingen in verband met het bevel gevolgen heeft voor het uitstaand bedrag dat op grond van het bevel moet worden geconfisqueerd.

(38)

De uitvoerende autoriteit moet de mogelijkheid hebben om de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel uit te stellen, met name als een lopend strafrechtelijk onderzoek zou kunnen worden geschaad. Zodra er geen gronden voor uitstel meer zijn, dient de uitvoerende autoriteit de nodige maatregelen te nemen om het bevel ten uitvoer te leggen.

(39)

Na de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel, en na de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel, dient de uitvoerende autoriteit voor zover mogelijk de haar bekende getroffen personen in kennis te stellen van een dergelijke tenuitvoerlegging of een dergelijke beslissing. Daarom moet de uitvoerende autoriteit alle redelijke inspanningen leveren om vast te stellen wie de getroffen personen zijn, nagaan hoe zij kunnen worden bereikt, en hen in kennis stellen van de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel of van de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel. Bij de uitvoering van die verplichting kan de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit om bijstand verzoeken, bijvoorbeeld wanneer de getroffen personen in de uitvaardigende staat blijken te verblijven. De uit deze verordening voortvloeiende verplichting van de uitvoerende autoriteit om de getroffen personen in kennis te stellen, doet geen afbreuk aan een verplichting van de uitvaardigende autoriteit om informatie te verstrekken aan personen op wie het recht van de uitvaardigende staat van toepassing is, bijvoorbeeld met betrekking tot de uitvaardiging van een bevriezingsbevel of met betrekking tot de bestaande rechtsmiddelen waarin het recht van de uitvaardigende staat voorziet.

(40)

De uitvaardigende autoriteit moet onverwijld in kennis worden gesteld van de onmogelijkheid een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel ten uitvoer te leggen. Een dergelijke onmogelijkheid kan zich voordoen als de voorwerpen reeds zijn geconfisqueerd, zijn verdwenen, zijn vernietigd, niet worden aangetroffen op de door de uitvaardigende autoriteit aangegeven plaats, of als de plaats waar de voorwerpen zich bevinden, niet nauwkeurig genoeg is aangegeven, ondanks overleg tussen de uitvoerende en de uitvaardigende autoriteit. In dergelijke omstandigheden dient de uitvoerende autoriteit niet langer verplicht te zijn het bevel ten uitvoer te leggen. Indien de uitvoerende autoriteit echter vervolgens informatie verkrijgt waardoor zij de voorwerpen kan localiseren, moet zij het bevel ten uitvoer kunnen leggen zonder een nieuw certificaat toe te zenden, zulks overeenkomstig deze verordening.

(41)

Indien het recht van de uitvoerende staat de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of van een confiscatiebevel juridisch onmogelijk maken, dient de uitvoerende autoriteit contact op te nemen met de uitvaardigende autoriteit om de situatie te bespreken en een oplossing te vinden. Een dergelijke oplossing zou kunnen bestaan in de intrekking van het betrokken bevel door de uitvaardigende autoriteit.

(42)

Zodra de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel is voltooid, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit in kennis van de resultaten ervan. Wanneer dit praktisch mogelijk is, dient de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit op dat ogenblik ook in kennis te stellen van de voorwerpen of de geldsom die zijn geconfisqueerd, en van andere gegevens die zij relevant acht.

(43)

Op de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of van een confiscatiebevel moet het recht van de uitvoerende staat van toepassing zijn, en enkel de autoriteiten van die staat dienen bevoegd te zijn om te beslissen over de procedures voor de tenuitvoerlegging. In voorkomend geval moeten de uitvaardigende en de uitvoerende autoriteit Eurojust of het EJN kunnen verzoeken om assistentie bij kwesties in verband met de tenuitvoerlegging van bevriezings- en confiscatiebevelen, voor zover die kwesties onder hun bevoegdheid vallen.

(44)

Een voorwaarde voor de correcte uitvoering van deze verordening is dat er nauwe contacten zijn tussen de bevoegde nationale autoriteiten, met name in het geval van gelijktijdige tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel in meer dan één lidstaat. De bevoegde nationale autoriteiten moeten daarom telkens wanneer dat nodig is met elkaar overleggen, hetzij rechtstreeks, hetzij, in voorkomend geval, via Eurojust of het EJN.

(45)

In grensoverschrijdende zaken mag geen afbreuk worden gedaan aan de rechten van slachtoffers op compensatie en teruggave. In de regels voor het beschikken over bevroren of geconfisqueerde voorwerpen moet prioriteit worden gegeven aan de compensatie van, en de teruggave van voorwerpen aan, slachtoffers. Het begrip „slachtoffer” moet worden uitgelegd overeenkomstig het recht van de uitvaardigende staat, waarin ook bepaald moet kunnen worden dat een rechtspersoon een slachtoffer kan zijn voor de toepassing van deze verordening. Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de regels inzake compensatie van, en teruggave van voorwerpen aan, slachtoffers in nationale procedures.

(46)

Indien de uitvoerende autoriteit in kennis is gesteld van een beslissing van de uitvaardigende autoriteit of een andere bevoegde autoriteit in de uitvaardigende staat tot teruggave van bevroren voorwerpen aan het slachtoffer, dient de uitvoerende autoriteit de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de betrokken voorwerpen worden bevroren en zo spoedig mogelijk aan het slachtoffer worden teruggegeven. De uitvoerende autoriteit moet de voorwerpen kunnen overdragen aan de uitvaardigende staat, zodat laatstgenoemde de vermogensbestanddelen aan het slachtoffer kan teruggeven, dan wel rechtstreeks aan het slachtoffer, mits de uitvaardigende staat daar toestemming voor verleent. De verplichting tot teruggave van bevroren voorwerpen aan het slachtoffer moet aan de volgende voorwaarden gebonden zijn: het eigendomsrecht van het slachtoffer op de voorwerpen mag niet betwist zijn, waarmee wordt bedoeld dat aangenomen wordt dat het slachtoffer de rechtmatige eigenaar van de voorwerpen is en er geen aannemelijke argumenten worden aangevoerd die dit in twijfel te trekken; het voorwerp mag niet worden opgeëist als bewijsstuk in strafprocedures in de uitvoerende staat; en de rechten van getroffen personen, met name die van derden te goeder trouw, mogen niet worden geschaad. De uitvoerende autoriteit mag de bevroren voorwerpen enkel aan het slachtoffer teruggeven indien aan die voorwaarden is voldaan. Indien de uitvoerende autoriteit van oordeel is dat niet aan die voorwaarden is voldaan, moet zij de uitvaardigende autoriteit raadplegen, bijvoorbeeld om aanvullende informatie te vragen of om de situatie te bespreken teneinde een oplossing te vinden. Indien geen oplossing kan worden gevonden, moet de uitvoerende autoriteit kunnen beslissen de bevroren voorwerpen niet aan het slachtoffer terug te geven.

(47)

De lidstaten dienen te overwegen een nationale centrale instantie in het leven te roepen die verantwoordelijk is voor het beheer van bevroren voorwerpen met het oog op een eventuele latere confiscatie, evenals voor het beheer van geconfisqueerde voorwerpen. Bevroren en geconfisqueerde voorwerpen mogen bij voorrang worden ingezet voor projecten op het gebied van rechtshandhaving en preventie van georganiseerde misdaad, en voor andere projecten van publiek belang en maatschappelijk nut.

(48)

De lidstaten dienen te overwegen een nationaal fonds op te richten dat waarborgt dat passende compensatie wordt verstrekt aan slachtoffers van misdrijven, zoals nabestaanden van politiemensen en overheidsfunctionarissen die bij de uitoefening van hun taak gedood of blijvend invalide worden. De lidstaten kunnen een deel van de geconfisqueerde vermogensbestanddelen aan dat fonds toewijzen.

(49)

De lidstaten mogen niet de mogelijkheid hebben om van elkaar een compensatie te vragen voor de kosten die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening. Als de uitvoerende staat hoge of uitzonderlijke kosten heeft gemaakt, bijvoorbeeld omdat de voorwerpen reeds lange tijd zijn bevroren, moet de uitvaardigende autoriteit evenwel voorstellen van de uitvoerende autoriteit om de kosten te delen, in overweging nemen.

(50)

Om problemen die worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud van de certificaten als bedoeld in de bijlagen bij deze verordening in de toekomst zo spoedig mogelijk te kunnen aanpakken, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden overgedragen wat betreft de wijzigingen van die certificaten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(51)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te bereiken.

(52)

Wat betreft veiligstelling van bewijsmateriaal, is Kaderbesluit 2003/577/JBZ al vervangen door Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad (15) voor de lidstaten die gebonden zijn door die richtlijn. Kaderbesluit 2003/577/JBZ moet wat betreft bevriezing van voorwerpen worden vervangen door deze verordening tussen de lidstaten die door deze verordening gebonden zijn. Ook Kaderbesluit 2006/783/JBZ moet worden vervangen door deze verordening tussen de lidstaten die door deze verordening gebonden zijn. De bepalingen van Kaderbesluit 2003/577/JHA wat betreft bevriezing van voorwerpen, evenals die van Kaderbesluit 2006/783/JHA, moeten derhalve van toepassing blijven, niet alleen tussen de lidstaten die niet zijn gebonden door deze verordening, maar ook tussen een lidstaat die niet en een lidstaat die wel gebonden is door deze verordening.

(53)

De rechtsvorm van deze handeling mag geen precedent vormen voor toekomstige rechtshandelingen van de Unie op het gebied van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen in strafzaken. De keuze van de rechtsvorm voor toekomstige rechtshandelingen van de Unie moet zorgvuldig per geval worden beoordeeld op basis van onder meer de doeltreffendheid van de rechtshandeling en de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit.

(54)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat, overeenkomstig Besluit 2007/845/JBZ van de Raad (16), hun bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen onderling samenwerken met het oog op het vergemakkelijken van de opsporing en identificatie van opbrengsten van misdrijven en andere met misdrijven verband houdende voorwerpen die het voorwerp kunnen worden van een bevriezings- of confiscatiebevel.

(55)

Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, heeft het Verenigd Koninkrijk te kennen gegeven dat het aan de vaststelling en toepassing van deze verordening wenst deel te nemen.

(56)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.

(57)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Onderwerp

1.   In deze verordening worden regels vastgesteld op grond waarvan een lidstaat door een andere lidstaat in het kader van procedures in strafzaken uitgevaardigde bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt.

2.   Deze verordening laat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 van het VEU, onverlet.

3.   De uitvaardigende autoriteit zorgt ervoor dat de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit in acht worden genomen bij de uitvaardiging van een bevriezings- of confiscatiebevel.

4.   De verordening is niet van toepassing op bevriezings- en confiscatiebevelen in civielrechtelijke en administratieve procedures.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „bevriezingsbevel”: een beslissing die door een uitvaardigende autoriteit is uitgevaardigd of gevalideerd ter voorkoming van vernietiging, verwerking, verplaatsing, overdracht of vervreemding van voorwerpen met het oog op de confiscatie ervan;

2.   „confiscatiebevel”: een onherroepelijke straf of maatregel, opgelegd door een rechtbank na een procedure in verband met een strafbaar feit, die leidt tot definitieve ontneming van voorwerpen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon;

3.   „voorwerpen”: goederen van enigerlei aard, lichamelijk of onlichamelijk, roerend of onroerend, alsmede rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van die goederen blijken, die door de uitvaardigende autoriteit worden beschouwd als:

a)

de opbrengst van een strafbaar feit dan wel het equivalent daarvan, hetzij de volledige waarde hetzij slechts een deel van de waarde van die opbrengst;

b)

hulpmiddelen voor een strafbaar feit dan wel overeenkomend met de waarde van die hulpmiddelen;

c)

onderworpen aan confiscatie door de toepassing in de uitvaardigende staat van een van de confiscatiebevoegdheden in de zin van Richtlijn 2014/42/EU; of

d)

onderworpen aan confiscatie op grond van andere rechtsvoorschriften betreffende confiscatiebevoegdheden, inclusief confiscatie zonder definitieve veroordeling, van de uitvaardigende staat naar aanleiding van een procedure in verband met een strafbaar feit;

4.   „opbrengst”: elk economisch voordeel dat al dan niet rechtstreeks uit een strafbaar feit is verkregen; dit kunnen voorwerpen van enigerlei aard zijn, met inbegrip van wederbelegging of omzetting van rechtstreekse opbrengsten en andere in geld waardeerbare voordelen;

5.   „hulpmiddelen”: alle voorwerpen die op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, zijn gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt om een strafbaar feit te plegen;

6.   „uitvaardigende staat”: de lidstaat waarin een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel wordt uitgevaardigd;

7.   „uitvoerende staat”: de lidstaat waaraan een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel wordt toegezonden met het oog op erkenning en tenuitvoerlegging;

8.   „uitvaardigende autoriteit”:

a)

met betrekking tot een bevriezingsbevel:

i)

een rechter, rechtbank of openbare aanklager die bevoegd is in de zaak; of

ii)

een andere door de uitvaardigende staat als zodanig aangewezen bevoegde autoriteit die bevoegd is om in strafzaken een bevel tot bevriezing van voorwerpen uit te vaardigen of een bevriezingsbevel ten uitvoer te leggen overeenkomstig het nationale recht. Voordat het bevriezingsbevel aan de uitvoerende autoriteit wordt toegezonden, wordt het gevalideerd door een rechter, een rechtbank of een openbare aanklager in de uitvaardigende staat, nadat is onderzocht of het bevel voldoet aan de voorwaarden voor uitvaardiging van een dergelijk bevel uit hoofde van deze verordening. Wanneer het bevel is gevalideerd door een rechter, een rechtbank of een openbare aanklager, kan die andere bevoegde autoriteit in het kader van de toezending van het bevel ook als uitvaardigende autoriteit worden aangemerkt;

b)

met betrekking tot een confiscatiebevel: een door de uitvaardigende staat als zodanig aangewezen autoriteit die in strafzaken bevoegd is om een door een rechtbank uitgevaardigd confiscatiebevel ten uitvoer te leggen overeenkomstig het nationale recht;

9.   „uitvoerende autoriteit”: een autoriteit die bevoegd is om een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel te erkennen en ten uitvoer te laten leggen in overeenstemming met deze verordening en de uit hoofde van het nationale recht geldende procedures voor de bevriezing en confiscatie van voorwerpen; wanneer die procedures vereisen dat een rechtbank het bevel registreert en toestemming geeft voor de tenuitvoerlegging ervan, is de uitvoerende autoriteit tevens de autoriteit die bevoegd is om om die registratie en toestemming te verzoeken;

10.   „getroffen persoon”: de natuurlijke of rechtspersoon tegen wie een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is uitgevaardigd, de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van de voorwerpen waarop het bevel betrekking heeft, en eventuele derden wier rechten met betrekking tot die voorwerpen rechtstreeks worden geschaad door het bevel op grond van het recht van de uitvoerende staat.

Artikel 3

Strafbare feiten

1.   Bevriezingsbevelen of confiscatiebevelen worden ten uitvoer gelegd zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van de feiten die ten grondslag liggen aan dergelijke bevelen, indien op die feiten in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar staat en die feiten naar het recht van de uitvaardigende staat een of meer van de volgende strafbare feiten vormen:

1.

deelneming aan een criminele organisatie;

2.

terrorisme;

3.

mensenhandel;

4.

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;

5.

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

6.

illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

7.

corruptie;

8.

fraude, met inbegrip van fraude en andere strafbare feiten die de belangen van de Unie schaden zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (17);

9.

witwassen van opbrengsten van misdrijven;

10.

valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro;

11.

computergerelateerde criminaliteit;

12.

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde plantensoorten en -variëteiten;

13.

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf;

14.

moord of doodslag, of zware mishandeling;

15.

illegale handel in menselijke organen en weefsels;

16.

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving of gijzeling;

17.

racisme en vreemdelingenhaat;

18.

georganiseerde of gewapende diefstal;

19.

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen;

20.

oplichting;

21.

chantage (racketeering) en afpersing;

22.

namaak van producten en productpiraterij;

23.

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten;

24.

vervalsing van betaalmiddelen;

25.

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars;

26.

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen;

27.

handel in gestolen voertuigen;

28.

verkrachting;

29.

opzettelijke brandstichting;

30.

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen;

31.

kaping van vliegtuigen of schepen;

32.

sabotage.

2.   Ten aanzien van andere dan de in lid 1 bedoelde strafbare feiten kan de uitvoerende staat de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de feiten die ten grondslag liggen aan het bevriezingsbevel of het confiscatiebevel, naar het recht van de uitvoerende staat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan volgens het recht van de uitvaardigende staat.

HOOFDSTUK II

TOEZENDING, ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN BEVRIEZINGSBEVELEN

Artikel 4

Toezending van bevriezingsbevelen

1.   Een bevriezingsbevel wordt toegezonden via een bevriezingscertificaat. De uitvaardigende autoriteit zendt het in artikel 6 bepaalde bevriezingscertificaat rechtstreeks aan de uitvoerende autoriteit toe, of, indien van toepassing, aan de in artikel 24, lid 2, bedoelde centrale autoriteit, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd en de uitvoerende autoriteit de echtheid van het bevriezingscertificaat kan vaststellen.

2.   De lidstaten kunnen een verklaring afleggen waarin staat dat, wanneer hun een bevriezingscertificaat wordt toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel, de uitvaardigende autoriteit het originele exemplaar van het bevriezingsbevel of een gewaarmerkte kopie daarvan samen met het bevriezingscertificaat moet toezenden. Alleen het bevriezingscertificaat moet evenwel worden vertaald, in overeenstemming met artikel 6, lid 2.

3.   De lidstaten kunnen de in lid 2 bedoelde verklaring vóór de datum van toepassing van deze verordening of op een latere datum afleggen. De lidstaten kunnen een dergelijke verklaring te allen tijde intrekken. Wanneer de lidstaten een dergelijke verklaring afleggen of intrekken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt dergelijke informatie ter beschikking van alle lidstaten en van het EJN.

4.   In geval van een bevriezingsbevel dat betrekking heeft op een geldsom, zendt de uitvaardigende autoriteit, indien deze op redelijke gronden vermoedt dat de persoon tegen wie het bevriezingsbevel is uitgevaardigd, voorwerpen of inkomen heeft in een lidstaat, het bevriezingscertificaat toe aan die lidstaat.

5.   In geval van een bevriezingsbevel dat betrekking heeft op specifieke voorwerpen, zendt de uitvaardigende autoriteit, indien deze op redelijke gronden vermoedt dat die voorwerpen zich in een lidstaat bevinden, het bevriezingscertificaat toe aan die lidstaat.

6.   Het bevriezingscertificaat:

a)

gaat vergezeld van een overeenkomstig artikel 14 toegezonden confiscatiecertificaat; of

b)

bevat de instructie dat de bevriezing van het voorwerp in de uitvoerende staat moet worden gehandhaafd in afwachting van de toezending en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel overeenkomstig artikel 14; in dat geval vermeldt de uitvaardigende autoriteit in het bevriezingscertificaat de datum waarop die toezending naar verwachting zal plaatsvinden.

7.   De uitvaardigende autoriteit stelt de uitvoerende autoriteit in kennis van elke haar bekende getroffen persoon. De uitvaardigende autoriteit verstrekt op verzoek de uitvoerende autoriteit alle informatie die relevant is voor elke mogelijke vordering die dergelijke getroffen personen met betrekking tot het voorwerp kunnen hebben, met inbegrip van informatie ter identificatie van die personen.

8.   Wanneer, ondanks de in overeenstemming met artikel 24, lid 3, ter beschikking gestelde informatie, de bevoegde uitvoerende autoriteit niet bekend is voor de uitvaardigende autoriteit, verzoekt de uitvaardigende autoriteit langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het EJN, om inlichtingen om te bepalen welke autoriteit bevoegd is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel.

9.   Wanneer de autoriteit in de uitvoerende staat die een bevriezingscertificaat ontvangt, niet bevoegd is om het bevriezingsbevel te erkennen of de voor de tenuitvoerlegging ervan nodige maatregelen te nemen, zendt die autoriteit het bevriezingscertificaat onmiddellijk aan de bevoegde uitvoerende autoriteit in haar lidstaat toe en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.

Artikel 5

Toezending van een bevriezingsbevel aan één of meer uitvoerende staten

1.   Een bevriezingscertificaat mag slechts aan één uitvoerende staat tegelijk op grond van artikel 4 worden verzonden, tenzij lid 2 of lid 3 van dit artikel van toepassing is.

2.   Wanneer een bevriezingsbevel betrekking heeft op specifieke voorwerpen, mag het bevriezingscertificaat aan meer dan één uitvoerende staat tegelijk worden toegezonden indien:

a)

de uitvaardigende staat op redelijke gronden vermoedt dat verschillende voorwerpen waarop het bevriezingsbevel betrekking heeft, zich in verschillende uitvoerende staten bevinden; of

b)

de bevriezing van een specifiek voorwerp waarop het bevriezingsbevel betrekking heeft, optreden in meer dan één uitvoerende staat zou vergen.

3.   Wanneer een bevriezingsbevel betrekking heeft op een geldsom, mag het bevriezingscertificaat aan meer dan één uitvoerende staat tegelijk worden toegezonden indien de uitvaardigende autoriteit van oordeel is dat daar een specifieke noodzaak toe bestaat, met name wanneer de geschatte waarde van de voorwerpen die in de uitvaardigende staat en in om het even welke uitvoerende staat kunnen worden bevroren, waarschijnlijk niet volstaat om het volledige in het bevriezingsbevel bepaalde bedrag te bevriezen.

Artikel 6

Modelcertificaat voor bevriezingen

1.   Met het oog op de toezending van een bevriezingsbevel, vult de uitvaardigende autoriteit het bevriezingscertificaat van bijlage I in, ondertekent het en verklaart de inhoud ervan voor juist.

2.   De uitvaardigende autoriteit verstrekt de uitvoerende autoriteit een vertaling van het bevriezingscertificaat in een officiële taal van de uitvoerende staat of in een andere taal die de uitvoerende staat in overeenstemming met lid 3 aanvaardt.

3.   Elke lidstaat kan te allen tijde in een bij de Commissie ingediende verklaring meedelen dat hij vertalingen van het bevriezingscertificaat in één of meer officiële talen van de Unie aanvaardt, die verschillend zijn van de officiële taal of talen van die lidstaat. De Commissie stelt de mededelingen ter beschikking van alle lidstaten en van het EJN.

Artikel 7

Erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen

1.   De uitvoerende autoriteit erkent een overeenkomstig artikel 4 toegezonden bevriezingsbevel en neemt de voor de tenuitvoerlegging daarvan nodige maatregelen op dezelfde manier als voor een binnenlands bevriezingsbevel uitgevaardigd door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij de uitvoerende autoriteit een van de in artikel 8 bedoelde gronden voor niet-erkenning en niet-tenuitvoerlegging aanvoert, dan wel een van de in artikel 10 bedoelde gronden voor uitstel.

2.   De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit in kennis van het bevriezingsbevel, met inbegrip van een beschrijving van de bevroren voorwerpen en, indien beschikbaar, een raming van de waarde ervan. Die kennisgeving geschiedt op zodanige wijze dat zij schriftelijk kan worden vastgelegd, zonder onnodige vertraging zodra de uitvoerende autoriteit is meegedeeld dat het bevriezingsbevel ten uitvoer is gelegd.

Artikel 8

Gronden voor niet-erkenning en niet-tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen

1.   De uitvoerende autoriteit mag slechts besluiten een bevriezingsbevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen indien:

a)

de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel in strijd zou zijn met het ne bis in idem-beginsel;

b)

er naar het recht van de uitvoerende staat een voorrecht of immuniteit bestaat waardoor de bevriezing van de betrokken voorwerpen zou worden belet of er regels inzake het bepalen of beperken van de strafrechtelijke aansprakelijkheid bestaan in verband met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media, die de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel beletten;

c)

het bevriezingscertificaat onvolledig of manifest onjuist is en niet is aangevuld na het in lid 2 bedoelde overleg;

d)

het bevriezingsbevel betrekking heeft op een strafbaar feit dat geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is gepleegd en geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de uitvoerende staat is gepleegd, en de gedraging in verband waarmee het bevriezingsbevel is uitgevaardigd geen strafbaar feit is naar het recht van de uitvoerende staat;

e)

in een in artikel 3, lid 2, bedoeld geval de gedraging in verband waarmee het bevriezingsbevel is uitgevaardigd, naar het recht van de uitvoerende staat geen strafbaar feit is; in gevallen met belastingen of heffingen of met regelgeving inzake douanerechten en deviezen, mag de erkenning of tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel evenwel niet worden geweigerd op grond van het feit dat het recht van de uitvoerende staat niet dezelfde soort belastingen of heffingen oplegt, of niet dezelfde soort regelgeving inzake belastingen, heffingen, douanerechten en deviezen kent als het recht van de uitvaardigende staat;

f)

er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van nauwkeurige en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht of de rechten van verdediging.

2.   In alle in lid 1 bedoelde gevallen overlegt de uitvoerende autoriteit, alvorens te besluiten dat zij een bevriezingsbevel, geheel of gedeeltelijk, niet erkent of niet ten uitvoer legt, op passende wijze met de uitvaardigende autoriteit en verzoekt zij indien nodig de uitvaardigende autoriteit onverwijld alle benodigde gegevens te verstrekken.

3.   Een beslissing tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel wordt onverwijld genomen en onmiddellijk meegedeeld aan de uitvaardigende autoriteit, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.

4.   Indien de uitvoerende autoriteit een bevriezingsbevel heeft erkend, maar zij tijdens de uitvoering daarvan constateert dat een van de gronden voor niet-erkenning en niet-tenuitvoerlegging van toepassing is, neemt zij op passende wijze onmiddellijk contact op met de uitvaardigende autoriteit om te bespreken welke passende maatregelen moeten worden genomen. Op die basis kan de uitvaardigende autoriteit besluiten het bevriezingsbevel in te trekken. Indien na deze besprekingen geen oplossing is bereikt, kan de uitvoerende autoriteit besluiten de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel stop te zetten.

Artikel 9

Termijnen voor erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen

1.   De uitvoerende autoriteit neemt de beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel en legt dat bevel onverwijld en met dezelfde snelheid en prioriteit als in een vergelijkbaar binnenlands geval ten uitvoer nadat de uitvoerende autoriteit het bevriezingscertificaat heeft ontvangen.

2.   Indien de uitvaardigende autoriteit in het bevriezingscertificaat heeft aangegeven dat het bevriezingsbevel op een bepaalde datum moet worden ten uitvoer gelegd, houdt de uitvoerende autoriteit daar zo veel mogelijk rekening mee. Indien de uitvaardigende autoriteit te kennen heeft gegeven dat er tussen de betrokken lidstaten coördinatie nodig is, plegen de uitvoerende autoriteit en de uitvaardigende autoriteit overleg teneinde overeenstemming te bereiken over de datum van tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt, beslist de uitvoerende autoriteit over de datum van tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel, en houdt zij daarbij zo veel mogelijk rekening met de belangen van de uitvaardigende autoriteit.

3.   Indien de uitvaardigende autoriteit in het bevriezingscertificaat heeft aangegeven dat onmiddellijke bevriezing noodzakelijk is omdat er legitieme gronden zijn om aan te nemen dat het betrokken voorwerp op korte termijn dreigt te worden verplaatst of vernietigd, of gelet op eventuele onderzoeks- of procedurele verplichtingen in de uitvaardigende staat, beslist de uitvoerende autoriteit, onverminderd lid 5, binnen de 48 uur na ontvangst van het bevriezingsbevel door de uitvoerende autoriteit over de erkenning ervan. De uitvoerende autoriteit neemt uiterlijk 48 uur nadat een dergelijke beslissing is genomen, concrete maatregelen om het bevel ten uitvoer te leggen.

4.   De uitvoerende autoriteit deelt haar beslissing over de erkenning en tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel onverwijld en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, mee aan de uitvaardigende autoriteit.

5.   Wanneer in een specifiek geval de in de lid 3 bepaalde termijnen niet kunnen worden nageleefd, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit hiervan onmiddellijk in kennis, met opgave van de redenen waarom de termijnen niet kunnen worden nageleefd, en overlegt zij met de uitvaardigende autoriteit over een passend tijdschema voor de erkenning en tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel.

6.   Het verstrijken van de in lid 3 bepaalde termijnen ontslaat de uitvoerende autoriteit niet van haar verplichting om onverwijld een beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel te nemen en dat bevel onverwijld ten uitvoer te leggen.

Artikel 10

Uitstel van de tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen

1.   De uitvoerende autoriteit kan de tenuitvoerlegging van een overeenkomstig artikel 4 toegezonden bevriezingsbevel uitstellen indien:

a)

de tenuitvoerlegging een lopend strafrechtelijk onderzoek kan schaden, in welk geval de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel kan worden uitgesteld zolang de uitvoerende autoriteit dat redelijkerwijs noodzakelijk acht;

b)

met betrekking tot het voorwerp reeds een bevriezingsbevel is uitgevaardigd, in welk geval de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel kan worden uitgesteld totdat dat bestaand bevel is ingetrokken; of

c)

met betrekking tot het voorwerp reeds een bevriezingsbevel is uitgevaardigd in de loop van een andere procedure in de uitvoerende staat, in welk geval de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel kan worden uitgesteld totdat het bestaande bevel is ingetrokken; dit punt is echter alleen van toepassing als het bestaand bevel krachtens het nationale recht voorrang heeft boven latere nationale bevriezingsbevelen in strafzaken.

2.   De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit onmiddellijk en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van het uitstel van de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel, met nadere bepaling van de gronden voor het uitstel en indien mogelijk van de verwachte duur van het uitstel.

3.   Zodra er geen gronden voor uitstel meer zijn, neemt de uitvoerende autoriteit onmiddellijk de maatregelen die nodig zijn om het bevriezingsbevel ten uitvoer te leggen en stelt zij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis op zodanige wijze dat dit schriftelijk kan worden vastgelegd.

Artikel 11

Geheimhouding

1.   Tijdens de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit de geheimhouding van het onderzoek in het kader waarvan het bevriezingsbevel werd uitgevaardigd, terdege in acht.

2.   De uitvoerende autoriteit waarborgt de geheimhouding van de feiten en van de inhoud van het bevriezingsbevel in overeenstemming met haar nationale recht, behalve voor zover die gegevens met het oog op de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel moeten worden vrijgegeven. Zodra het bevriezingsbevel ten uitvoer is gelegd, stelt de uitvoerende autoriteit de getroffen personen overeenkomstig artikel 32 daarvan in kennis, zulks onverminderd lid 3 van dit artikel.

3.   Om lopende onderzoeken te beschermen, kan de uitvaardigende autoriteit de uitvoerende autoriteit verzoeken om uitstel van de kennisgeving van de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel aan de getroffen personen krachtens artikel 32. Zodra het niet langer noodzakelijk is de kennisgeving aan getroffen personen uit te stellen om lopende onderzoeken te beschermen, stelt de uitvaardigende autoriteit de uitvoerende autoriteit daarvan in kennis, zodat de uitvoerende autoriteit de getroffen personen overeenkomstig artikel 32 in kennis kan stellen van de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel.

4.   Indien de uitvoerende autoriteit de in dit artikel bedoelde geheimhoudingsplicht niet kan naleven, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onmiddellijk en, indien mogelijk, vóór de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel, in kennis.

Artikel 12

Duur van bevriezingsbevelen

1.   Het voorwerp waarop het bevriezingsbevel betrekking heeft, blijft bevroren in de uitvoerende staat totdat de bevoegde autoriteit van die staat definitief aan het overeenkomstig artikel 14 toegezonden confiscatiebevel heeft voldaan of totdat de uitvaardigende autoriteit de uitvoerende autoriteit in kennis heeft gesteld van een beslissing of maatregel die het bevel niet uitvoerbaar maakt of waardoor het bevel wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 27, lid 1.

2.   De uitvoerende autoriteit kan, rekening houdend met de omstandigheden, de uitvaardigende autoriteit een met redenen omkleed verzoek doen om de duur van de bevriezing van de voorwerpen te beperken. Dergelijk verzoek, inclusief alle relevante ondersteunende informatie, wordt toegezonden op zodanige wijze dat het verzoek schriftelijk kan worden vastgelegd en de uitvaardigende autoriteit de echtheid ervan kan vaststellen. Bij de behandeling van een dergelijk verzoek houdt de uitvaardigende autoriteit rekening met alle belangen, inclusief die van de uitvoerende autoriteit. De uitvaardigende autoriteit antwoordt zo spoedig mogelijk op het verzoek. Als de uitvaardigende autoriteit niet met de beperking instemt, stelt zij de uitvoerende autoriteit in kennis van haar redenen daarvoor. In dat geval wordt de bevriezing van het voorwerp gehandhaafd overeenkomstig lid 1. Als de uitvaardigende autoriteit binnen zes weken na ontvangst van het verzoek daarop niet antwoordt, is de uitvoerende autoriteit niet langer verplicht het bevriezingsbevel ten uitvoer te leggen.

Artikel 13

Onmogelijkheid om een bevriezingsbevel ten uitvoer te leggen

1.   Indien de uitvoerende autoriteit van oordeel is dat het onmogelijk is een bevriezingsbevel ten uitvoer te leggen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.

2.   Voorafgaand aan de in lid 1 bedoelde kennisgeving aan de uitvaardigende autoriteit, pleegt de uitvoerende autoriteit in voorkomend geval overleg met de uitvaardigende autoriteit.

3.   De niet-tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel uit hoofde van dit artikel kan alleen worden gerechtvaardigd indien het voorwerp:

a)

reeds is geconfisqueerd;

b)

is verdwenen;

c)

is vernietigd;

d)

niet wordt aangetroffen op de in het bevriezingscertificaat aangegeven plaats; of

e)

niet wordt aangetroffen omdat de plaats waar het zich bevindt, niet nauwkeurig genoeg is aangegeven, ondanks het in lid 2 bedoelde overleg.

4.   Indien, wat de in lid 3, onder (b), (d) en (e), bedoelde situaties betreft, de uitvoerende autoriteit vervolgens in het bezit komt van informatie op basis waarvan zij kan bepalen waar het voorwerp zich bevindt, mag de uitvoerende autoriteit het bevriezingsbevel ten uitvoer leggen zonder dat daarvoor een nieuw bevriezingscertificaat moet worden toegezonden, op voorwaarde dat de uitvoerende autoriteit, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel, samen met de uitvaardigende autoriteit heeft geverifieerd dat het bevriezingsbevel nog steeds geldig is.

5.   Niettegenstaande lid 3, indien de uitvaardigende autoriteit heeft laten weten dat voorwerpen van gelijke waarde kunnen worden bevroren, is de uitvoerende autoriteit niet verplicht het bevriezingsbevel ten uitvoer te leggen indien een van de in lid 3 bedoelde omstandigheden zich voordoet en er geen voorwerpen van gelijke waarde zijn die kunnen worden bevroren.

HOOFDSTUK III

TOEZENDING, ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN CONFISCATIEBEVELEN

Artikel 14

Toezending van confiscatiebevelen

1.   Een confiscatiebevel wordt toegezonden door middel van een confiscatiecertificaat. De uitvaardigende autoriteit zendt het in artikel 17 bedoelde confiscatiecertificaat rechtstreeks aan de uitvoerende autoriteit toe, of, indien van toepassing, aan de in artikel 24, lid 2, bedoelde centrale autoriteit, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd en de echtheid van het confiscatiecertificaat door de uitvoerende autoriteit kan worden vastgesteld.

2.   De lidstaten kunnen een verklaring afleggen waarin staat dat, wanneer hun een confiscatiecertificaat wordt toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel, de uitvaardigende autoriteit, tezamen met het confiscatiebevel, het originele exemplaar van het confiscatiebevel of een gewaarmerkte kopie daarvan moet toezenden. Alleen het confiscatiecertificaat moet evenwel worden vertaald, in overeenstemming met artikel 17, lid 2.

3.   De lidstaten kunnen de in lid 2 bedoelde verklaring vóór de datum van toepassing van deze verordening of op een latere datum afleggen. De lidstaten kunnen een dergelijke verklaring te allen tijde intrekken. Wanneer de lidstaten een dergelijke verklaring afleggen of intrekken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt dergelijke informatie ter beschikking van alle lidstaten en van het EJN.

4.   In geval van een confiscatiebevel dat betrekking heeft op een geldsom, zendt de uitvaardigende autoriteit, indien zij op redelijke gronden vermoedt dat de betrokkene tegen wie het confiscatiebevel werd uitgevaardigd, voorwerpen of inkomen heeft in een lidstaat, het confiscatiecertificaat toe aan die lidstaat.

5.   In geval van een confiscatiebevel dat betrekking heeft op specifieke voorwerpen, zendt de uitvaardigende autoriteit, indien zij op redelijke gronden vermoedt dat die voorwerpen zich in een lidstaat bevinden, het confiscatiecertificaat toe aan die lidstaat.

6.   De uitvaardigende autoriteit stelt de uitvoerende autoriteit in kennis van elke haar bekende getroffen persoon. De uitvaardigende autoriteit stelt op verzoek de uitvoerende autoriteit in kennis van alle informatie die relevant is voor elke mogelijke vordering die dergelijke getroffen personen met betrekking tot het voorwerp kunnen hebben, met inbegrip van informatie ter identificatie van die personen.

7.   Wanneer, ondanks de in overeenstemming met artikel 24, lid 3, ter beschikking gestelde informatie, de bevoegde uitvoerende autoriteit niet bekend is bij de uitvaardigende autoriteit, verzoekt de uitvaardigende autoriteit langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het EJN, om inlichtingen om te bepalen welke autoriteit bevoegd is voor de erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel.

8.   Wanneer de autoriteit in de uitvoerende staat die een confiscatiecertificaat ontvangt, niet bevoegd is om dat confiscatiebevel te erkennen of de voor de tenuitvoerlegging ervan nodige maatregelen te nemen, zendt de autoriteit het confiscatiecertificaat onmiddellijk aan de bevoegde uitvoerende autoriteit in haar lidstaat toe en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.

Artikel 15

Toezending van een confiscatiebevel aan één of meer uitvoerende staten

1.   Een confiscatiecertificaat mag slechts aan één uitvoerende staat tegelijk op grond van artikel 14 worden verzonden, tenzij lid 2 of lid 3 van dit artikel van toepassing is.

2.   Wanneer een confiscatiebevel betrekking heeft op specifieke voorwerpen, mag het confiscatiecertificaat aan meer dan één uitvoerende staat tegelijk worden toegezonden indien:

a)

de uitvaardigende autoriteit op redelijke gronden vermoedt dat verschillende voorwerpen waarop het confiscatiebevel betrekking heeft, zich in verschillende uitvoerende staten bevinden; of

b)

de confiscatie van een specifiek voorwerp waarop het confiscatiebevel betrekking heeft, meebrengt dat in meer dan één uitvoerende staat moet worden opgetreden.

3.   Wanneer een confiscatiebevel betrekking heeft op een geldsom, mag het confiscatiecertificaat aan meer dan één uitvoerende staat tegelijk worden toegezonden indien de uitvaardigende autoriteit van oordeel is dat daar een specifieke noodzaak toe bestaat, met name indien:

a)

het betrokken voorwerp niet is bevroren uit hoofde van deze verordening; of

b)

de geschatte waarde van de voorwerpen die kunnen worden geconfisqueerd in de uitvaardigende staat en in om het even welke uitvoerende staat, waarschijnlijk niet volstaat om bij de confiscatie het volledige bedrag te dekken dat in het confiscatiebevel is bepaald.

Artikel 16

Gevolgen van de toezending van confiscatiebevelen

1.   Het toezenden van een confiscatiebevel overeenkomstig de artikelen 14 en 15 doet geen afbreuk aan het recht van de uitvaardigende staat om het bevel ten uitvoer te leggen.

2.   De totale opbrengst van de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel dat betrekking heeft op een geldsom mag niet meer bedragen dan het in dat bevel bepaalde maximumbedrag, ongeacht of dat bevel aan één of meer uitvoerende staten werd toegezonden.

3.   De uitvaardigende autoriteit stelt de uitvoerende autoriteit onmiddellijk in kennis, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd indien:

a)

zij van mening is dat het risico bestaat dat het maximumbedrag bij de confiscatie wordt overschreden, met name op basis van informatie waarvan zij door de uitvoerende autoriteit in kennis is gesteld op grond van artikel 21, lid 1, onder b);

b)

het confiscatiebevel geheel of ten dele ten uitvoer is gelegd in de uitvaardigende staat of in een daarvan verschillende uitvoerende staat, met vermelding in dat geval van het bedrag waarvoor het confiscatiebevel nog niet ten uitvoer is gelegd; of

c)

na de toezending van een confiscatiecertificaat overeenkomstig artikel 14 een autoriteit van de uitvaardigende staat een geldsom ontvangt die vrijwillig werd betaald in het kader van het confiscatiebevel.

Als punt a) van de eerste alinea van toepassing is, stelt de uitvaardigende autoriteit de uitvoerende autoriteit zo snel mogelijk in kennis wanneer het in dat punt bedoelde risico niet meer bestaat.

Artikel 17

Modelcertificaat voor confiscaties

1.   Met het oog op de toezending van een confiscatiebevel, vult de uitvaardigende autoriteit het confiscatiebevel van bijlage II in, ondertekent het en verklaart de inhoud ervan voor juist.

2.   De uitvaardigende autoriteit bezorgt de uitvoerende autoriteit een vertaling van het confiscatiecertificaat in een officiële taal van de uitvoerende staat of in een andere taal die de uitvoerende staat in overeenstemming met lid 3 aanvaardt.

3.   Elke lidstaat kan te allen tijde in een bij de Commissie ingediende verklaring meedelen dat hij vertalingen van het confiscatiecertificaat in één of meer andere officiële talen van de Unie aanvaardt die verschillend zijn van de officiële taal of talen van die lidstaat. De Commissie stelt de mededelingen ter beschikking van alle lidstaten en van het EJN.

Artikel 18

Erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen

1.   De uitvoerende autoriteit erkent een overeenkomstig artikel 14 toegezonden confiscatiebevel en neemt de voor de tenuitvoerlegging daarvan nodige maatregelen op dezelfde wijze als in het geval van een door een autoriteit van de uitvoerende staat gegeven binnenlands confiscatiebevel, tenzij de uitvoerende autoriteit een van de in artikel 19 bepaalde gronden voor weigering van erkenning en van tenuitvoerlegging inroept, dan wel een van de in artikel 21 bepaalde gronden voor uitstel.

2.   Wanneer een confiscatiebevel betrekking heeft op een specifiek voorwerp, kunnen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit, indien zulks is bepaald in het recht van de uitvaardigende staat, overeenkomen dat confiscatie in de uitvoerende staat kan gebeuren door confiscatie van een geldsom die overeenstemt met de waarde van het te confisqueren voorwerp.

3.   Indien een confiscatiebevel betrekking heeft op een geldsom en de uitvoerende autoriteit er niet in geslaagd is een betaling te verkrijgen, legt de uitvoerende autoriteit het confiscatiebevel ten uitvoer in overeenstemming met lid 1 ten aanzien van elk voorwerp dat daartoe voorhanden is. Indien nodig, rekent de uitvoerende autoriteit de te confisqueren geldsom om in de valuta van de uitvoerende staat tegen de in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, gepubliceerde dagkoers van de euro.

4.   Ieder deel van de geldsom dat op grond van het confiscatiebevel reeds in een andere dan de uitvoerende staat is geïnd, wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat in de uitvoerende staat moet worden geconfisqueerd.

5.   Wanneer de uitvaardigende autoriteit een confiscatiebevel heeft uitgevaardigd, maar geen bevriezingsbevel, kan de uitvoerende autoriteit als onderdeel van de in lid 1 bepaalde maatregelen ambtshalve besluiten overeenkomstig haar nationale recht tot bevriezing van het betrokken voorwerp, met het oog op latere tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel. In dat geval stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit daarvan onverwijld, en indien mogelijk voordat de bevriezing van het voorwerp plaatsvindt; in kennis.

6.   Zodra de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel is voltooid, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit in kennis van de resultaten van de tenuitvoerlegging, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.

Artikel 19

Gronden voor niet-erkenning en niet-tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen

1.   De uitvoerende autoriteit mag slechts besluiten een confiscatiebevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen indien:

a)

de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in strijd zou zijn met het „non bis in idem”-beginsel;

b)

er naar het recht van de uitvoerende staat een voorrecht of immuniteit bestaat waardoor de confiscatie van de betrokken voorwerpen zou worden belet, of er regels inzake het bepalen of beperken van de strafrechtelijke aansprakelijkheid bestaan in verband met de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting in andere media, die de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel beletten;

c)

het confiscatiecertificaat onvolledig of manifest onjuist is, en niet is aangevuld na het in lid 2 bedoelde overleg;

d)

het confiscatiebevel betrekking heeft op een strafbaar feit dat geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is gepleegd en geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de uitvoerende staat is gepleegd, en de gedraging in verband waarmee het confiscatiebevel is uitgevaardigd geen strafbaar feit naar het recht van de uitvoerende staat is;

e)

de rechten van personen die worden getroffen, de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel volgens het recht van de uitvoerende staat onmogelijk maken, ook wanneer die onmogelijkheid het gevolg is van de toepassing van rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 33;

f)

in een in artikel 3, lid 2, bedoeld geval, de gedraging in verband waarmee het confiscatiebevel is uitgevaardigd, geen strafbaar feit naar het recht van de uitvoerende staat is; in gevallen met belastingen of heffingen of met regelgeving inzake douanerechten en deviezen, mag de erkenning of tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel evenwel niet worden geweigerd op grond van het feit dat het recht van de uitvoerende staat niet dezelfde soort belastingen of heffingen oplegt, of niet dezelfde soort regelgeving inzake belastingen, heffingen, douanerechten en deviezen kent als het recht van de uitvaardigende staat;

g)

de persoon tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, volgens het confiscatiecertificaat niet persoonlijk is verschenen op de terechtzitting die heeft geleid tot een confiscatiebevel dat verband houdt met een definitieve veroordeling, tenzij wanneer op het confiscatiecertificaat is vermeld dat de persoon, overeenkomstig nadere in het recht van de uitvaardigende staat bepaalde procedurevoorschriften:

i)

tijdig persoonlijk gedagvaard is en daarbij op de hoogte is gebracht van de voorgenomen dag en plaats van de terechtzitting die tot het confiscatiebevel heeft geleid, of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de geplande dag en plaats van die terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat die persoon, indien hij niet op de terechtzitting verscheen, op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en tijdig ervan in kennis was gesteld dat een confiscatiebevel kon worden uitgevaardigd;

ii)

op de hoogte was van de geplande terechtzitting, een zelfgekozen of door de staat toegewezen advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die advocaat is verdedigd; of

iii)

nadat het confiscatiebevel aan hem was betekend en de persoon uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een nieuwe proces of een procedure in hoger beroep waarbij de persoon het recht zou hebben aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde behandeld kan worden, met inbegrip van nieuw bewijsmateriaal, en het oorspronkelijke confiscatiebevel herzien kan worden, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij het confiscatiebevel niet betwist, of niet binnen de voorgeschreven termijn om een nieuwe proces heeft verzocht of hoger beroep heeft aangetekend;

h)

er, in uitzonderlijke situaties, gegronde redenen zijn om op basis van specifieke en objectieve gegevens aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in de bijzondere omstandigheden van het geval zou leiden tot een manifeste schending van een relevant, in het Handvest vervat grondrecht, met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht op een onpartijdig gerecht en de rechten van verdediging.

2.   In alle in lid 1 bedoelde gevallen overlegt de uitvoerende autoriteit, alvorens te besluiten dat zij een confiscatiebevel, geheel of gedeeltelijk, niet erkent of niet ten uitvoer legt, op passende wijze met de uitvaardigende autoriteit en verzoekt zij indien nodig de uitvaardigende autoriteit onverwijld alle benodigde gegevens te verstrekken.

3.   Een beslissing tot niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel wordt onverwijld genomen en onmiddellijk meegedeeld aan de uitvaardigende autoriteit, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.

Artikel 20

Termijnen voor erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen

1.   De uitvoerende autoriteit neemt de beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel onverwijld en, onverminderd lid 4, binnen 45 dagen na de ontvangst van het confiscatiecertificaat door de uitvoerende autoriteit.

2.   De uitvoerende autoriteit deelt haar beslissing betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel onverwijld en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, mee aan de uitvaardigende autoriteit.

3.   Tenzij er overeenkomstig artikel 21 gronden tot uitstel bestaan, neemt de uitvoerende autoriteit de voor de onverwijlde tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel nodige maatregelen ten minste met dezelfde snelheid en prioriteit als bij een vergelijkbaar binnenlands geval.

4.   Wanneer in een specifiek geval de in lid 1 genoemde termijn niet kan worden nageleefd, stelt de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit daarvan onverwijld in kennis, met opgave van de redenen waarom de termijn niet kon worden nageleefd, en overlegt zij met de uitvaardigende autoriteit over een passend tijdschema voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel.

5.   Het verstrijken van de in lid 1 bepaalde termijn ontslaat de uitvoerende autoriteit niet van haar verplichting om onverwijld een beslissing betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel te nemen en dat bevel onverwijld ten uitvoer te leggen.

Artikel 21

Uitstel van de tenuitvoerlegging van confiscatiebevelen

1.   De uitvoerende autoriteit kan de erkenning of de tenuitvoerlegging van een overeenkomstig artikel 14 toegezonden confiscatiebevel uitstellen, indien:

a)

de tenuitvoerlegging een lopend strafrechtelijk onderzoek kan schaden, in welk geval de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel kan worden uitgesteld zolang de uitvoerende autoriteit dat redelijkerwijs noodzakelijk acht;

b)

in het geval van een confiscatiebevel dat betrekking heeft op een geldsom, de uitvoerende autoriteit van mening is dat het risico bestaat dat het totale bedrag van de opbrengst van de tenuitvoerlegging van dat confiscatiebevel aanzienlijk hoger zal zijn dan het in het confiscatiebevel bepaalde bedrag, wegens gelijktijdige tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in meer dan één lidstaat;

c)

het voorwerp reeds het voorwerp is van een lopende confiscatieprocedure in de uitvoerende staat; of

d)

een in artikel 33 bedoeld rechtsmiddel wordt ingeroepen.

2.   Niettegenstaande artikel 18, lid 5, neemt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat voor de duur van het uitstel van het confiscatiebevel alle maatregelen die zij in een vergelijkbaar binnenlands geval zou nemen om te voorkomen dat de voorwerpen niet langer beschikbaar zijn voor de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel.

3.   De uitvoerende autoriteit stelt de uitvaardigende autoriteit onverwijld en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van het uitstel van de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel, met inbegrip van de gronden voor het uitstel en indien mogelijk de verwachte duur ervan.

4.   Zodra er geen gronden voor uitstel meer zijn, neemt de uitvoerende autoriteit onverwijld de nodige maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel en stelt zij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.

Artikel 22

Onmogelijkheid om een confiscatiebevel ten uitvoer te leggen

1.   Indien de uitvoerende autoriteit van oordeel is dat het onmogelijk is een confiscatiebevel ten uitvoer te leggen, stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan onverwijld in kennis.

2.   Voorafgaand aan de in lid 1 bedoelde kennisgeving aan de uitvaardigende autoriteit, pleegt de uitvoerende autoriteit, in voorkomend geval, overleg met de uitvaardigende autoriteit, rekening houdend met de in artikel 18, lid 2 of lid 3, vervatte mogelijkheden.

3.   De niet-tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel uit hoofde van dit artikel kan alleen gerechtvaardigd zijn indien het voorwerp:

a)

reeds is geconfisqueerd;

b)

is verdwenen;

c)

is vernietigd;

d)

niet wordt aangetroffen op de in het confiscatiecertificaat aangegeven plaats; of

e)

niet wordt aangetroffen omdat de plaats waar het zich bevindt, niet nauwkeurig genoeg is aangegeven, ondanks het in lid 2 bedoelde overleg.

4.   Indien, wat de in lid 3, onder (b), (d) en (e), bedoelde situaties betreft, de uitvoerende autoriteit vervolgens in het bezit komt van informatie op basis waarvan zij kan bepalen waar het voorwerp zich bevindt, mag zij het confiscatiebevel ten uitvoer leggen zonder dat daarvoor een nieuw certificaat moet worden toegezonden, op voorwaarde dat de uitvoerende autoriteit, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel, samen met de uitvaardigende autoriteit heeft geverifieerd dat het confiscatiebevel nog steeds geldig is.

5.   Niettegenstaande lid 3, indien de uitvaardigende autoriteit heeft laten weten dat voorwerpen van gelijke waarde kunnen worden geconfisqueerd, is de uitvoerende autoriteit niet verplicht het confiscatiebevel ten uitvoer te leggenindien een van de omstandigheden als bedoeld in lid 3 zich voordoet en er geen voorwerpen van gelijke waarde zijn die kunnen worden geconfisqueerd.

HOOFDSTUK IV

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 23

Recht dat van toepassing is op de tenuitvoerlegging

1.   Op de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel is het recht van de uitvoerende staat van toepassing en de autoriteiten van die staat zijn als enige bevoegd te beslissen over de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen.

2.   Een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel dat is uitgevaardigd tegen een rechtspersoon, wordt ten uitvoer gelegd, zelfs als de uitvoerende staat het beginsel van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen niet erkent.

3.   Niettegenstaande artikel 18, leden 2 en 3, mag de uitvoerende staat zonder de toestemming van de uitvaardigende staat geen maatregelen opleggen als alternatief voor het bevriezingsbevel dat is toegezonden op grond van artikel 4 of het confiscatiebevel dat is toegezonden op grond van artikel 14.

Artikel 24

Kennisgeving van de bevoegde autoriteiten

1.   Uiterlijk op19 december 2020 stelt elke lidstaat de Commissie in kennis van de autoriteit(en) als gedefinieerd in artikel 2, punten 8 en 9, die krachtens zijn recht bevoegd is (zijn) in zaken waarbij de lidstaat fungeert respectievelijk als uitvaardigende staat of als uitvoerende staat.

2.   Indien dit noodzakelijk is, vanwege de structuur van zijn interne rechtssysteem, kan iedere lidstaat een of meer centrale autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor het administratief toezenden en in ontvangst nemen van bevriezings- en confiscatiecertificaten en het assisteren van zijn bevoegde autoriteiten. Elke lidstaat deelt de Commissie mee welke autoriteit hij daartoe aanwijst.

3.   De Commissie stelt de op grond van dit artikel ontvangen informatie ter beschikking van alle lidstaten en van het EJN.

Artikel 25

Communicatie

1.   Indien nodig kunnen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit onverwijld met elk geschikt communicatiemiddel overleg plegen met het oog op de efficiënte toepassing van deze verordening.

2.   Alle communicatie, met inbegrip van overleg over problemen in verband met de toezending of waarmerking van een document dat noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel, geschiedt rechtstreeks tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit of, als de lidstaat overeenkomstig artikel 24, lid 2, een centrale autoriteit heeft aangewezen, in voorkomend geval, met de betrokkenheid van die centrale autoriteit.

Artikel 26

Samenloop van bevelen

1.   Indien de uitvoerende autoriteit twee of meer bevriezings- of confiscatiebevelen uit verschillende lidstaten die zijn uitgevaardigd tegen dezelfde persoon ontvangt, en die persoon niet beschikt over voldoende voorwerpen in de uitvoerende staat om aan alle bevelen te voldoen, of indien de uitvoerende autoriteit twee of meer bevriezings- of confiscatiebevelen ontvangt met betrekking tot hetzelfde specifieke voorwerp, beslist de uitvoerende autoriteit welk van de bevelen ten uitvoer moet worden gelegd volgens het recht van de uitvoerende staat, onverminderd de mogelijkheid tot uitstel van de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel overeenkomstig artikel 21.

2.   Bij het nemen van haar beslissing laat de uitvoerende autoriteit, waar mogelijk, de belangen van slachtoffers voorgaan. Zij neemt tevens alle andere relevante omstandigheden in aanmerking, onder meer:

a)

of de vermogensbestanddelen reeds zijn bevroren;

b)

de datums van de betrokken bevelen en de datums van toezending;

c)

de ernst van het betrokken strafbare feit; alsmede

d)

de plaats waar het strafbare feit werd gepleegd.

Artikel 27

Beëindiging van de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel

1.   De uitvaardigende autoriteit trekt het bevriezingsbevel of het confiscatiebevel onverwijld in indien het bevriezingsbevel of het confiscatiebevel niet meer uitvoerbaar is of niet langer geldig is.

2.   De uitvaardigende autoriteit stelt de uitvoerende autoriteit onmiddellijk in kennis, op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, van de intrekking van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel, alsmede van iedere beslissing of maatregel waardoor een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel moet worden ingetrokken.

3.   Zodra zij door de uitvaardigende autoriteit op de hoogte is gesteld in overeenstemming met lid 2, beëindigt de uitvoerende autoriteit de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel, voor zover de tenuitvoerlegging nog niet is afgerond. De uitvoerende autoriteit zendt zonder onnodige vertraging en op zodanige wijze dat dit schriftelijk kan worden vastgelegd, een bevestiging van de beëindiging aan de uitvaardigende staat.

Artikel 28

Beheer van en beschikken over bevroren en geconfisqueerde voorwerpen

1.   Op het beheer van bevroren en geconfisqueerde voorwerpen is het recht van de uitvoerende staat van toepassing.

2.   De uitvoerende staat beheert de bevroren of geconfisqueerde voorwerpen zodanig dat zij niet in waarde verminderen. Daartoe kan de uitvoerende staat bevroren voorwerpen kopen of overdragen, met inachtneming van artikel 10 van Richtlijn 2014/42/EU.

3.   Bevroren voorwerpen en geld verkregen uit de verkoop van die voorwerpen overeenkomstig lid 2 blijven in de uitvoerende staat in afwachting van de doorzending van een confiscatiecertificaat en de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel, onverminderd de mogelijkheid tot teruggave van voorwerpen overeenkomstig artikel 29.

4.   De uitvoerende staat hoeft specifieke voorwerpen waarop het confiscatiebevel betrekking heeft, niet te verkopen of terug te geven indien deze cultuurgoederen betreffen zoals omschreven in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad (18). Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichting tot teruggave van cultuurgoederen krachtens die richtlijn.

Artikel 29

Teruggave van bevroren voorwerpen aan het slachtoffer

1.   Wanneer de uitvaardigende autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat overeenkomstig haar nationale recht een beslissing heeft uitgevaardigd om de bevroren voorwerpen aan het slachtoffer terug te geven, neemt de uitvaardigende autoriteit de informatie over die beslissing op in het bevriezingscertificaat, of deelt zij de informatie over die beslissing in een later stadium mee aan de uitvoerende autoriteit.

2.   Wanneer de uitvoerende autoriteit in kennis is gesteld over een beslissing om bevroren voorwerpen aan het slachtoffer terug te geven, als bedoeld in lid 1, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer de betrokken voorwerpen werden bevroren, die voorwerpen zo spoedig mogelijk worden teruggegeven aan het slachtoffer, overeenkomstig de procedureregels van de uitvoerende staat, indien nodig via de uitvaardigende staat, op voorwaarde dat:

a)

het eigendomsrecht van het slachtoffer op het voorwerp niet wordt betwist;

b)

het voorwerp niet wordt opgeëist als bewijsmiddel in strafprocedures in de uitvoerende staat; en

c)

de rechten van de getroffen personen niet worden geschaad.

De uitvoerende autoriteit deelt de uitvaardigende autoriteit mee wanneer voorwerpen rechtstreeks worden overgedragen aan het slachtoffer.

3.   Indien de uitvoerende autoriteit er niet van overtuigd is dat aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan, raadpleegt zij onverwijld en met alle passende middelen de uitvaardigende autoriteit om een oplossing te vinden. Indien geen oplossing kan worden gevonden, kan de uitvoerende autoriteit beslissen de bevroren voorwerpen niet aan het slachtoffer terug te geven.

Artikel 30

Beschikken over geconfisqueerde voorwerpen of van uit de verkoop daarvan verkregen geld

1.   Wanneer de uitvaardigende autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat overeenkomstig haar nationale recht een beslissing tot teruggave van de geconfisqueerde voorwerpen aan het slachtoffer of tot compensatie van het slachtoffer heeft uitgevaardigd, neemt de uitvaardigende autoriteit informatie over die beslissing op in het confiscatiecertificaat, of deelt zij de informatie over die beslissing in een later stadium mee aan de uitvoerende autoriteit.

2.   Wanneer de uitvoerende autoriteit in kennis is gesteld van een beslissing om geconfisqueerde voorwerpen terug te geven aan het slachtoffer, als bedoeld in lid 1, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer de betrokken voorwerpen werden geconfisqueerd, die voorwerpen zo spoedig mogelijk worden teruggegeven aan het slachtoffer, indien nodig via de uitvaardigende staat. De uitvoerende autoriteit deelt de uitvaardigende autoriteit mee wanneer voorwerpen rechtstreeks worden overgedragen aan het slachtoffer.

3.   Indien de uitvoerende autoriteit niet in staat is de voorwerpen overeenkomstig lid 2 aan het slachtoffer terug te geven, maar er als gevolg van de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel in verband met die voorwerpen geld is verkregen, wordt de overeenkomstige som geld aan het slachtoffer overgedragen, indien nodig via de uitvaardigende staat. De uitvoerende autoriteit deelt de uitvaardigende autoriteit mee wanneer geld rechtstreeks wordt overgedragen aan het slachtoffer. Over eventuele overige voorwerpen wordt beschikt overeenkomstig lid 7.

4.   Wanneer de uitvoerende autoriteit informatie heeft ontvangen over een beslissing tot compensatie van het slachtoffer, als bedoeld in lid 1, en er is als gevolg van de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel geld verkregen, wordt de overeenkomstige som geld, voor zover die het in het certificaat aangegeven bedrag niet overschrijdt, met het oog op de compensatie aan het slachtoffer overgedragen, indien nodig via de uitvaardigende staat. De uitvoerende autoriteit deelt de uitvaardigende autoriteit mee wanneer geld rechtstreeks wordt overgedragen aan het slachtoffer. Over eventuele overige voorwerpen wordt beschikt overeenkomstig lid 7.

5.   Indien een procedure tot teruggave van voorwerpen aan of tot compensatie van het slachtoffer in de uitvaardigende staat hangende is, stelt de uitvaardigende autoriteit de uitvoerende autoriteit daarvan in kennis. De uitvoerende staat beschikt niet over de geconfisqueerde voorwerpen totdat de informatie over de beslissing tot teruggave van voorwerpen aan of tot compensatie van het slachtoffer aan de uitvoerende autoriteit is meegedeeld, zelfs wanneer het confiscatiebevel reeds ten uitvoer is gelegd.

6.   Onverminderd de leden 1 tot en met 5, wordt er over voorwerpen, andere dan geld, die verkregen zijn door de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel, volgens de onderstaande regels beschikt:

a)

het voorwerp kan worden verkocht, in welk geval er over de opbrengsten van de verkoop wordt beschikt overeenkomstig lid 7;

b)

het voorwerp kan aan de uitvaardigende staat worden overgedragen op voorwaarde dat, als het confiscatiebevel betrekking heeft op een geldsom, de uitvaardigende autoriteit haar toestemming tot overdracht van het voorwerp aan de uitvaardigende staat heeft gegeven;

c)

met inachtneming van punt d), indien het niet mogelijk is punt a) of b) toe te passen, kan er over het voorwerp overeenkomstig het recht van de uitvoerende staat op een andere wijze worden beschikt; of

d)

het voorwerp kan worden gebruikt voor het publiek belang of voor maatschappelijke doeleinden in de uitvoerende staat overeenkomstig diens recht, op voorwaarde dat de uitvaardigende staat hiermee instemt.

7.   Tenzij bij het confiscatiebevel een beslissing inzake teruggave van voorwerpen aan het slachtoffer of tot compensatie van laatstgenoemde is gevoegd overeenkomstig de leden 1 tot en met 5, of tenzij door de betrokken lidstaten anders is overeengekomen, wordt er over het geld dat is verkregen als gevolg van de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel door de uitvoerende staat als volgt beschikt:

a)

als het bedrag dat uit de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel is verkregen, gelijk is aan of lager is dan 10 000 EUR, valt het bedrag toe aan de uitvoerende staat; of

b)

als het bedrag dat uit de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel is verkregen, hoger is dan 10 000 EUR, draagt de uitvoerende staat 50 % van het bedrag over aan de uitvaardigende staat.

Artikel 31

Kosten

1.   Elke lidstaat draagt de eigen kosten die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening, onverminderd het bepaalde in artikel 28 inzake het beschikken over geconfisqueerde voorwerpen.

2.   De uitvoerende autoriteit kan bij de uitvaardigende autoriteit een voorstel indienen om de kosten te delen indien voor of na de tenuitvoerlegging van een bevriezings- of confiscatiebevel blijkt dat de tenuitvoerlegging van het bevel hoge of uitzonderlijke kosten meebrengt.

De uitvoerende autoriteit laat dergelijk voorstel vergezeld gaan van een gedetailleerde opgave van de door haar gemaakte kosten. In reactie op dat voorstel plegen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit overleg. Eurojust kan, in voorkomend geval, dat overleg vergemakkelijken.

Het overleg, of ten minste de uitkomst daarvan, wordt geregistreerd, op zodanige wijze dat het schriftelijk kan worden vastgelegd.

Artikel 32

Verplichting om getroffen personen te informeren

1.   Onverminderd artikel 11 stelt de uitvoerende autoriteit na de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of na de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel, voor zover mogelijk, de haar bekende getroffen personen onverwijld op de hoogte van die tenuitvoerlegging en van dat besluit, overeenkomstig de procedures krachtens haar nationale recht.

2.   De informatie die overeenkomstig lid 1 moet worden verstrekt, vermeldt ook de naam van de uitvaardigende autoriteit en de rechtsmiddelen die overeenkomstig het recht van de uitvoerende staat ter beschikking staan. De informatie vermeldt ook, ten minste beknopt, de redenen voor het besluit.

3.   Indien nodig kan de uitvoerende autoriteit de uitvaardigende autoriteit verzoeken om assistentie bij de uitvoering van de in lid 1 bedoelde taken.

Artikel 33

Rechtsmiddelen in de uitvoerende staat tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel of een confiscatiebevel

1.   De getroffen personen hebben het recht om in de uitvoerende staat effectieve rechtsmiddelen aan te wenden tegen de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen op grond van artikel 7 en confiscatiebevelen op grond van artikel 18. Het recht om rechtsmiddelen aan te wenden wordt ingesteld bij een rechtbank in de uitvoerende staat overeenkomstig het recht van die staat. Wat confiscatiebevelen betreft, kan het instellen van een rechtsmiddel schorsende werking hebben, indien het recht van de uitvoerende staat daarin voorziet.

2.   De materiële gronden van het bevriezingsbevel of confiscatiebevel kunnen niet worden aangevochten bij een rechtbank in de uitvoerende staat.

3.   De bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat wordt in kennis gesteld van een overeenkomstig lid 1 ingesteld rechtsmiddel.

4.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing, in de uitvaardigende staat, van waarborgen en rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2014/42/EU.

Artikel 34

Terugbetaling

1.   Indien de uitvoerende staat krachtens diens recht aansprakelijk is voor schade die door een getroffen persoon is geleden door de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel dat hem op grond van artikel 4 of een confiscatiebevel dat hem op grond van artikel 14 is toegezonden, betaalt de uitvaardigende staat aan de uitvoerende staat de aan de getroffen persoon uitgekeerde schadevergoeding volledig terug. Indien de uitvaardigende staat ten overstaan van de uitvoerende staat evenwel kan aantonen dat de schade, of een deel ervan, uitsluitend te wijten was aan het optreden van de uitvoerende staat, bepalen de uitvaardigende staat en de uitvoerende staat in onderling overleg welk bedrag moet worden terugbetaald.

2.   Lid 1 laat het recht van de lidstaten inzake vorderingen tot schadevergoeding door natuurlijke personen of rechtspersonen onverlet.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 35

Statistieken

1.   De lidstaten verzamelen regelmatig uitgebreide statistieken bij de bevoegde autoriteiten. Zij actualiseren die statistieken en zenden ze elk jaar aan de Commissie toe. Die statistieken omvatten naast de in artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2014/42/EU bedoelde informatie, het aantal bevriezings- en confiscatiebevelen die een lidstaat van andere lidstaten heeft ontvangen en die werden erkend en ten uitvoer gelegd en waarvoor de erkenning en tenuitvoerlegging werd geweigerd.

2.   De lidstaten zenden ook elk jaar de volgende statistieken toe aan de Commissie, voor zover die statistieken in de betrokken lidstaat op centraal niveau beschikbaar zijn:

a)

het aantal gevallen waarin een slachtoffer compensatie heeft gekregen voor of teruggave heeft verkregen van de voorwerpen die zijn verkregen door de tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel op grond van deze verordening; en

b)

de gemiddelde tijd die is vereist is voor de tenuitvoerlegging van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen op grond van deze verordening.

Artikel 36

Wijziging van het certificaat en het formulier

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 37 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake wijzigingen van de certificaten in de bijlagen I en II. Die wijzigingen zijn in overeenstemming met deze verordening en doen daaraan geen afbreuk.

Artikel 37

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 36 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 19 december 2020.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 36 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 36 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking als het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of als zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 38

Verslaglegging en evaluatie

Uiterlijk op 20 december 2025, en vervolgens iedere vijf jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening, onder meer wat betreft:

a)

de mogelijkheid voor de lidstaten om uit hoofde van artikel 4, lid 2, en artikel 14, lid 2, verklaringen af te leggen en in te trekken;

b)

de wisselwerking tussen de eerbiediging van de grondrechten en de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen;

c)

de toepassing van de artikelen 28, 29 en 30 inzake het beheer van en het beschikken over bevroren en geconfisqueerde voorwerpen, de teruggave van voorwerpen aan slachtoffers en de compensatie van slachtoffers.

Artikel 39

Vervanging

Deze verordening vervangt met ingang van 19 december 2020 de bepalingen van Kaderbesluit 2003/577/JBZ betreffende de bevriezing van voorwerpen tussen de lidstaten die door deze verordening gebonden zijn.

Deze verordening vervangt met ingang van 19 december 2020 Kaderbesluit 2006/783/JBZ tussen de lidstaten die door deze verordening gebonden zijn.

Voor de lidstaten die door deze verordening gebonden zijn, gelden verwijzingen naar Kaderbesluit 2003/577/JBZ betreffende het bevriezen van de voorwerpen en verwijzingen naar het Kaderbesluit 2006/783/JBZ als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 40

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening is van toepassing op bevriezingscertificaten en confiscatiecertificaten die zijn toegezonden op of na 19 december 2020.

2.   Op de bevriezingscertificaten en confiscatiecertificaten die zijn toegezonden vóór 19 december 2020 zijn Kaderbesluiten 2003/577/JBZ en 2006/783/JBZ van toepassing, tussen de lidstaten die door deze verordening gebonden zijn tot de uiteindelijke tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel of confiscatiebevel.

Artikel 41

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 19 december 2020.

Artikel 24 is evenwel van toepassing met ingang van 18 december 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 14 november 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt)] en besluit van de Raad van 6 november 2018.

(2)  PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

(3)  Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PB L 196 van 2.8.2003, blz. 45).

(4)  Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59).

(5)  Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39).

(6)  Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures (PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1).

(9)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB L 65 van 11.3.2016, blz. 1).

(10)  Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1).

(11)  Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1).

(12)  Besluit 2008/976/JBZ van de Raad van 16 december 2008 betreffende het Europees justitieel netwerk (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 130).

(13)  Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1).

(14)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(15)  Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1).

(16)  Besluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen op het gebied van de opsporing en de identificatie van opbrengsten van misdrijven of andere vermogensbestanddelen die hun oorsprong vinden in misdrijven (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 103).

(17)  Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).

(18)  Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 1).


BIJLAGE I

BEVRIEZINGSCERTIFICAAT

DEEL A:

Uitvaardigende staat: …

Uitvaardigende autoriteit: …

Validerende autoriteit (indien van toepassing): …

Uitvoerende staat: …

Uitvoerende autoriteit (indien bekend): …

DEEL B: Dringende noodzaak en/of gevraagde datum voor tenuitvoerlegging

1.   Specifieke redenen voor de dringende noodzaak:

Legitieme gronden om aan te nemen dat het betrokken voorwerp op korte termijn dreigt te worden verplaatst of vernietigd:

Procedurele of onderzoeksbehoeften in de uitvaardigende staat, te weten:

2.   Datum van tenuitvoerlegging:

Er wordt een specifieke datum aangevraagd, te weten: …

Coördinatie tussen de betrokken lidstaten noodzakelijk

Redenen voor dit verzoek:

DEEL C: Getroffen persoon (personen)

Identiteit van de persoon (personen) tegen wie het bevriezingsbevel is uitgevaardigd, of van de persoon (personen) die eigenaar is (zijn) van de voorwerpen waarop het bevriezingsbevel betrekking heeft (indien meer dan één persoon getroffen is, gelieve de informatie voor elke persoon op te geven):

1.   Identificatiegegevens

i)   Voor natuurlijke personen

Naam: …

Voorna(a)m(en): …

Andere namen, indien van toepassing: …

Aliassen, indien van toepassing: …

Geslacht: …

Nationaliteit: …

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer, indien beschikbaar: …

Aard en nummer van het identiteitsdocument of de identiteitsdocumenten (identiteitskaart of paspoort), indien beschikbaar: …

Geboortedatum: …

Geboorteplaats: …

Verblijfplaats en/of bekend adres (indien onbekend het laatst bekende adres):

Taal (talen) die de getroffen persoon begrijpt: …

Huidige status van de getroffen persoon in de procedure:

persoon tegen wie het bevriezingsbevel is gericht

persoon die eigenaar is van het (de) voorwerp(en) waarop het bevriezingsbevel betrekking heeft

ii)   Voor rechtspersonen

Naam: …

Rechtsvorm: …

Afkorting, gebruikelijke naam of handelsnaam, indien van toepassing: …

Hoofdkantoor: …

Registratienummer: …

Adres: …

Naam van de vertegenwoordiger: …

Huidige status van de getroffen persoon in de procedure:

persoon tegen wie het bevriezingsbevel is gericht

persoon die eigenaar is van het (de) voorwerp(en) waarop het bevriezingsbevel betrekking heeft

2.   Locatie waar het bevriezingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd, indien anders dan bovengenoemd adres:

3.   Derden wier rechten met betrekking tot het (de) voorwerp(en) waarop het bevriezingsbevel betrekking heeft, rechtstreeks door het bevel worden geschaad (identiteit en gronden):

4.   Gelieve alle andere informatie te verstrekken die van belang is voor de tenuitvoerlegging van het bevriezingsbevel:

DEEL D: Informatie over de voorwerpen waarop het bevel betrekking heeft

1.   Het bevel heeft betrekking op:

een geldsom

een specifiek voorwerp (specifieke voorwerpen) (materiële of immateriële, roerende of onroerende)

voorwerpen van gelijke waarde (in de context van waardegebaseerde confiscatie)

2.   Indien het bevel betrekking heeft op een geldsom of een voorwerp dat evenveel waard is als die geldsom:

Het bedrag waarop de tenuitvoerlegging betrekking heeft in de uitvoerende staat, in cijfers en in letters (vermeld valuta): …

Het totaalbedrag dat in het bevel is bepaald, in cijfers en in letters (vermeld valuta):

Aanvullende informatie:

gronden om aan te nemen dat de getroffen persoon voorwerpen/inkomen in de uitvoerende staat heeft:

beschrijving van het voorwerp/de inkomstenbron van de getroffen persoon (indien mogelijk):

exacte locatie van het voorwerp/de inkomstenbron van de getroffen persoon (indien onbekend, de laatste bekende locatie):

Bankgegevens van de getroffen persoon (indien bekend):

3.   Indien het bevel betrekking heeft op een specifiek voorwerp of specifieke voorwerpen, of voorwerpen die evenveel waard zijn als die voorwerpen:

Gronden voor het toezenden van het bevel aan de uitvoerende staat:

het specifieke voorwerp bevindt (de specifieke voorwerpen bevinden) zich in de uitvoerende staat

het specifieke voorwerp is (de specifieke voorwerpen zijn) in de uitvoerende staat geregistreerd

de uitvaardigende autoriteit vermoedt op redelijke gronden dat het voorwerp (de voorwerpen) zich geheel of gedeeltelijk in de uitvoerende staat bevindt (bevinden).

Aanvullende informatie:

gronden om aan te nemen dat het voorwerp (de voorwerpen) zich in de uitvoerende staat bevindt (bevinden):

beschrijving van het voorwerp:

locatie van het voorwerp (indien onbekend, de laatste bekende locatie):

Andere relevante informatie: (bv. aanstelling van een curator)

DEEL E: Gronden voor de uitvaardiging van het bevriezingsbevel

1.   Overzicht van de feiten

Vermeld de redenen voor uitvaardiging van het bevriezingsbevel, met inbegrip van:

een samenvatting van de feiten, met een beschrijving van het strafbare feit (de strafbare feiten):

de fase van het onderzoek:

de redenen voor bevriezing:

andere relevante informatie:

2.   Aard en wettelijke omschrijving van het strafbaar feit of de strafbare feiten in verband waarmee het bevriezingsbevel is uitgevaardigd, en de toepasselijke wetsbepaling:

3.   Wordt het strafbaar feit in verband waarmee het bevriezingsbevel is uitgevaardigd in de uitvaardigende staat bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar en is het strafbaar feit opgenomen in onderstaande lijst van strafbare feiten? (kruis aan wat van toepassing is). Vul, indien het bevriezingsbevel betrekking heeft op verscheidene strafbare feiten, in de onderstaande lijst van strafbare feiten de cijfers in die overeenkomen met de onder de punten 1 en 2 beschreven strafbare feiten.

deelneming aan een criminele organisatie

terrorisme

mensenhandel

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

illegale handel in wapens, munitie en explosieven

corruptie

fraude, met inbegrip van fraude en andere strafbare feiten, die de financiële belangen van de Unie schaden zoals omschreven in Richtlijn (EU) 2017/1371

witwassen van opbrengsten van misdrijven

valsmunterij, met inbegrip van namaak van de euro

computergerelateerde criminaliteit

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde plantensoorten en -variëteiten

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf

moord of doodslag, of zware mishandeling

illegale handel in menselijke organen en weefsels

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving of gijzeling

racisme en vreemdelingenhaat

georganiseerde of gewapende diefstal

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen

oplichting

chantage (racketeering) en afpersing

namaak van producten en productpiraterij

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten

vervalsing van betaalmiddelen

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen

handel in gestolen voertuigen

verkrachting

opzettelijke brandstichting

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen

vliegtuig- of scheepskaping

sabotage

4.   Andere relevante informatie (bv. het verband tussen het voorwerp en het strafbare feit):

DEEL F: Vertrouwelijkheid van het bevel en/of verzoek om specifieke formaliteiten

Vertrouwelijkheid van de informatie in het bevel moet ook na tenuitvoerlegging worden bewaard:

Behoefte aan specifieke formaliteiten op het tijdstip van tenuitvoerlegging:

DEEL G: Verstrek, indien het bevriezingscertificaat aan meer dan één uitvoerende staat is toegezonden, de volgende informatie:

1.   Er is een bevriezingscertificaat toegezonden aan de volgende uitvoerende staat (staten) (vermeld staat en autoriteit):

2.   Er is om de volgende redenen aan meer dan één uitvoerende staat een bevriezingscertificaat toegezonden:

Wanneer het bevriezingsbevel betrekking heeft op specifieke voorwerpen:

Van verschillende specifieke voorwerpen die onder het bevel vallen, wordt aangenomen dat zij zich in verschillende uitvoerende staten bevinden

Voor de bevriezing van een specifiek voorwerp is optreden in meer dan één uitvoerende staat noodzakelijk

Wanneer het bevriezingsbevel betrekking heeft op een geldsom:

De geschatte waarde van de voorwerpen die kunnen worden bevroren in de uitvaardigende staat en in om het even welke uitvoerende staat, volstaat waarschijnlijk niet om het volledige bedrag te bevriezen dat in het bevel is bepaald

Andere specifieke noodzaken:

3.   Waarde van vermogensbestanddelen, indien bekend, in elke uitvoerende staat:

4.   Indien voor de bevriezing van het specifieke voorwerp (de specifieke voorwerpen) optreden in meer dan één uitvoerende staat noodzakelijk is, omschrijving van het in de uitvoerende staat te ondernemen optreden:

DEEL H: Verband met een eerder bevriezingsbevel en/of ander bevel(en) of verzoek(en)

Vermeld of dit bevriezingsbevel betrekking heeft op een eerder bevel of verzoek (bv. bevriezingsbevel, Europees onderzoeksbevel, Europees aanhoudingsbevel en verzoek om wederzijdse rechtshulp). Geef, indien van toepassing, de volgende informatie over het vorige bevel of verzoek:

aard van het bevel/verzoek:

datum van afgifte:

autoriteit waaraan het bevel/verzoek is toegezonden:

referentienummer toegekend door de uitvaardigende autoriteit:

referentienummer(s) toegekend door de uitvoerende autoriteit(en):

DEEL I: Confiscatie

Gelieve te vermelden of:

bij het bevriezingscertificaat een confiscatiecertificaat gevoegd is dat is uitgevaardigd door de uitvaardigende staat (referentienummer van het confiscatiecertificaat):

het voorwerp bevroren blijft in de uitvoerende staat in afwachting van de toezending en tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel (geschatte datum voor indiening van het confiscatiecertificaat, indien mogelijk):

DEEL J: Alternatieve maatregelen

1.   Geef aan of de uitvaardigende staat ermee instemt dat de uitvoerende staat alternatieve maatregelen toepast indien het onmogelijk is het bevriezingsbevel geheel of gedeeltelijk ten uitvoer te leggen:

Ja

Nee

2.   Zo ja, geef aan welke maatregelen van toepassing kunnen zijn:

DEEL K: TERUGGAVE VAN BEVROREN VOORWERPEN

1.   Geef aan of er een beslissing tot teruggave van bevroren voorwerpen aan het slachtoffer is uitgevaardigd:

Ja

Nee

Zo ja, geef de volgende details betreffende de beslissing tot teruggave van bevroren voorwerpen:

Autoriteit die de beslissing heeft genomen (officiële naam):

Datum van de beslissing: …

Referentienummer van de beslissing (indien beschikbaar): …

Beschrijving van de terug te geven voorwerpen: …

Naam van het slachtoffer: …

Adres van het slachtoffer: …

Indien het eigendomsrecht van het slachtoffer op de voorwerpen wordt betwist, gelieve details te verstrekken (personen die het eigendomsrecht betwisten, om welke redenen enz.):

Indien de rechten van getroffen personen geschonden zouden kunnen zijn als gevolg van de teruggave, gelieve details te verstrekken (de getroffen personen, de mogelijk geschonden rechten, om welke redenen enz.):

2.   Is in de uitvaardigende staat een verzoek tot teruggave van bevroren voorwerpen aan het slachtoffer in behandeling?

Nee

Ja, het resultaat zal worden meegedeeld aan de uitvoerende autoriteit

De uitvaardigende autoriteit wordt in kennis gesteld in geval van een rechtstreekse overdracht aan het slachtoffer.

DEEL L: Rechtsmiddelen

Autoriteit in de uitvaardigende staat die verdere gegevens kan verstrekken over procedures voor het aanwenden van rechtsmiddelen in de uitvaardigende staat en over de vraag of juridische bijstand, vertolking en vertaling beschikbaar zijn:

de uitvaardigende autoriteit (zie deel M)

de validerende autoriteit (zie deel N)

Overige:

DEEL M: Gegevens over de uitvaardigende autoriteit

Soort uitvaardigende autoriteit:

rechter, rechtbank, openbaar aanklager

een andere bevoegde autoriteit aangesteld door de uitvaardigende staat

Naam van de autoriteit: …

Naam van de contactpersoon: …

Functie (titel/graad): …

Dossiernummer: …

Adres: …

Telefoonnummer (landnummer) (netnummer): …

Faxnummer (landnummer) (netnummer): …

E-mail: …

Talen waarin met de uitvaardigende autoriteit kan worden gecommuniceerd: …

Indien afwijkend van bovenstaande, gegevens over de contactpersoon (contactpersonen) voor aanvullende informatie of praktische regelingen voor de tenuitvoerlegging van het bevel:

Naam/titel/organisatie: …

Adres: …

E-mail:/telefoonnummer: …

Handtekening van de uitvaardigende autoriteit en/of haar vertegenwoordiger die de juistheid van de inhoud van het bevriezingscertificaat bevestigt: …

Naam: …

Functie (titel/graad): …

Datum: …

Officiële stempel (indien beschikbaar): …

DEEL N: Gegevens over de autoriteit die het bevriezingsbevel heeft gevalideerd

Soort autoriteit die het bevriezingsbevel gevalideerd heeft, indien van toepassing:

rechter of rechtbank

openbare aanklager

Officiële naam van de validerende autoriteit: …

Naam van de contactpersoon: …

Functie (titel/graad): …

Dossiernummer: …

Adres: …

Telefoonnummer (landnummer) (netnummer): …

Faxnummer (landnummer) (netnummer): …

E-mail: …

Talen waarin met de validerende autoriteit kan worden gecommuniceerd: …

Geef aan wat het eerste contactpunt van de uitvoerende autoriteit moet zijn:

de uitvaardigende autoriteit

de validerende autoriteit

Handtekening en gegevens van de validerende autoriteit en/of haar vertegenwoordiger

Naam: …

Functie (titel/graad): …

Datum: …

Officiële stempel (indien beschikbaar): …

DEEL O: Centrale autoriteit

Indien een centrale autoriteit belast is met de administratieve toezending en ontvangst van bevriezingscertificaten in de uitvaardigende staat, geef aan:

Naam van de centrale autoriteit: …

Naam van de contactpersoon: …

Functie (titel/rang): …

Dossiernummer: …

Adres: …

Telefoonnummer (landnummer) (netnummer): …

Faxnummer (landnummer) (netnummer): …

E-mail: …

SECTIE P: Bijlagen

Vermeld alle bij het certificaat gevoegde bijlagen: …


BIJLAGE II

CONFISCATIECERTIFICAAT

DEEL A:

Uitvaardigende staat: …

Uitvaardigende autoriteit: …

Uitvoerende staat: …

Uitvoerende autoriteit (indien bekend): …

DEEL B: Bevel tot confiscatie

1.   Rechtbank die het confiscatiebevel heeft uitgevaardigd (officiële naam):

2.   Referentienummer van het confiscatiebevel (indien beschikbaar):

3.   Het confiscatiebevel is uitgevaardigd op (datum):

4.   Het confiscatiebevel is onherroepelijk geworden op (datum):

DEEL C: Getroffen persoon (personen)

Identiteit van de persoon (personen) tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, of de persoon (personen) die eigenaar is (zijn) van het (de) voorwerp(en) waarop het confiscatiebevel betrekking heeft (indien meer dan één persoon getroffen is, gelieve de informatie voor elke persoon op te geven):

1.   Identificatiegegevens

i)   Voor natuurlijke personen

Naam: …

Voorna(a)m(en): …

Andere namen, indien van toepassing: …

Aliassen, indien van toepassing: …

Geslacht: …

Nationaliteit: …

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer, indien beschikbaar:…

Aard en nummer van het identiteitsdocument of de identiteitsdocumenten (identiteitskaart of paspoort), indien beschikbaar:

Geboortedatum: …

Geboorteplaats: …

Verblijfplaats en/of bekend adres (indien onbekend, vermeld het laatst bekende adres):

Taal (talen) die de getroffen persoon begrijpt: …

Huidige status van de getroffen persoon in de procedure:

persoon tegen wie het confiscatiebevel is gericht

persoon die eigenaar is van het (de) voorwerp(en) waarop het bevel betrekking heeft:

ii)   Voor rechtspersonen

Naam: …

Rechtsvorm: …

Afkorting, gebruikelijke naam of handelsnaam, indien van toepassing:

Hoofdkantoor: …

Registratienummer: …

Adres: …

Naam van de vertegenwoordiger: …

Huidige status van de getroffen persoon in de procedure:

persoon tegen wie het confiscatiebevel is gericht

persoon die eigenaar is van het (de) voorwerp(en) waarop het confiscatiebevel betrekking heeft

2.   Locatie waar het confiscatiebevel ten uitvoer moet worden gelegd, indien anders dan bovengenoemd adres:

3.   Derden wier rechten met betrekking tot het (de) voorwerp(en) waarop het confiscatiebevel betrekking heeft, rechtstreeks door het bevel worden geschaad (identiteit en gronden):

4.   Verstrek alle andere informatie die van belang is voor de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel:

DEEL D: Informatie over het voorwerp waarop het bevel betrekking heeft

1.   De rechtbank heeft besloten dat het voorwerp:

de opbrengst is van een strafbaar feit, dan wel het equivalent daarvan, hetzij het gehele bedrag van de waarde of slechts een deel van waarde van die opbrengst

een hulpmiddel vormt voor een strafbaar feit dan wel overeenkomt met de waarde van dat hulpmiddel

onderworpen is aan confiscatie door de toepassing in de uitvaardigende staat van een van de confiscatiebevoegdheden in de zin van Richtlijn 2014/42/EU (met inbegrip van verlengde confiscatie)

onderworpen is aan confiscatie op grond van andere rechtsvoorschriften van de uitvaardigende staat betreffende bevoegdheden tot confiscatie, inclusief confiscatie zonder definitieve veroordeling in een procedure in verband met een strafbaar feit

2.   Het bevel heeft betrekking op:

een geldsom

een specifiek voorwerp (specifieke voorwerpen) (materiële of immateriële, roerende of onroerende)

voorwerpen van gelijke waarde (in de context van waardegebaseerde confiscatie)

3.   Indien het bevel betrekking heeft op een geldsom of een voorwerp dat evenveel waard is als die geldsom:

het bedrag waarop de tenuitvoerlegging betrekking heeft in de uitvoerende staat, in cijfers en in letters (vermeld valuta): …

het totaalbedrag dat in het bevel is bepaald, in cijfers en in letters (vermeld valuta):

Aanvullende informatie:

gronden om aan te nemen dat de getroffen persoon voorwerpen/inkomen in de uitvoerende staat heeft:

beschrijving van het voorwerp/de inkomstenbron van de getroffen persoon (indien mogelijk):

exacte locatie van het voorwerp/de inkomstenbron van de getroffen persoon (indien onbekend, de laatste bekende locatie):

bankgegevens van de getroffen persoon (indien bekend):

4.   Indien het bevel betrekking heeft op een specifiek voorwerp of specifieke voorwerpen, of voorwerpen die evenveel waard zijn als die voorwerpen:

Gronden waarop het bevel wordt toegezonden aan de uitvoerende staat:

het specifieke voorwerp (de specifieke voorwerpen) bevindt (bevinden) zich in de uitvoerende staat

het specifieke voorwerp (de specifieke voorwerpen) is (zijn) geregistreerd in de uitvoerende staat

de uitvaardigende autoriteit vermoedt op redelijke gronden dat het voorwerp (de voorwerpen) zich geheel of gedeeltelijk in de uitvoerende staat bevindt (bevinden).

Aanvullende informatie:

Gronden om aan te nemen dat het voorwerp (de voorwerpen) zich in de uitvoerende staat bevindt (bevinden):

beschrijving van het voorwerp:

locatie van het voorwerp (indien onbekend, de laatste bekende locatie):

andere relevante informatie (bv. aanstelling van een curator):

5.   Informatie over de omzetting en overdracht van voorwerpen

Als het bevel betrekking heeft op een specifiek voorwerp, vermeld dan of het recht van de uitvaardigende staat erin voorziet dat de confiscatie in de uitvoerende staat kan gebeuren door de confiscatie van een geldsom die overeenstemt met de waarde van de te confisqueren voorwerpen:

Ja

Nee

DEEL E: Bevel tot bevriezing

Geef aan of:

bij het confiscatiebevel een bevriezingsbevel is gevoegd dat is uitgevaardigd door de uitvaardigende staat (referentienummer van het bevriezingscertificaat):

de voorwerpen bevroren zijn op grond van een eerder aan de uitvoerende staat toegezonden bevriezingsbevel

datum van uitvaardiging van het bevriezingsbevel: …

datum van toezending van het bevriezingsbevel: …

autoriteit waaraan het is toegezonden: …

referentienummer toegekend door de uitvaardigende autoriteit: …

referentienummer toegekend door de uitvoerende autoriteiten: …

DEEL F: Gronden waarop het confiscatiebevel is uitgevaardigd

1.   Geef een samenvatting van de feiten en de redenen voor de uitvaardiging van het confiscatiebevel, met inbegrip van een beschrijving van het strafbare feit of de strafbare feiten en andere relevante informatie:

2.   Aard en wettelijke omschrijving van het strafbaar feit of de strafbare feiten in verband waarmee het confiscatiebevel is uitgevaardigd, en de toepasselijke wetsbepaling(en):

3.   Wordt het strafbaar feit in verband waarmee het confiscatiebevel is uitgevaardigd in de uitvaardigende staat bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar en is het strafbaar feit opgenomen in onderstaande lijst? (aankruisen wat van toepassing is). Vul, indien het confiscatiebevel betrekking heeft op verscheidene strafbare feiten, in de onderstaande lijst van strafbare feiten de cijfers in die overeenkomen met de onder de punten 1 en 2 beschreven strafbare feiten.

deelneming aan een criminele organisatie

terrorisme

mensenhandel

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

illegale handel in wapens, munitie en explosieven

corruptie

fraude, met inbegrip van fraude en andere strafbare feiten, die de financiële belangen van de Unie schaden zoals omschreven in Richtlijn (EU) 2017/1371

witwassen van opbrengsten van misdrijven

valsmunterij, met inbegrip van namaak van de euro

computergerelateerde criminaliteit

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde plantensoorten en -variëteiten

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf

moord of doodslag, of zware mishandeling

illegale handel in menselijke organen en weefsels

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving of gijzeling

racisme en vreemdelingenhaat

georganiseerde of gewapende diefstal

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen

oplichting

chantage (racketeering) en afpersing

namaak van producten en productpiraterij

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten

vervalsing van betaalmiddelen

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen

handel in gestolen voertuigen

verkrachting

opzettelijke brandstichting

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen

vliegtuig- of scheepskaping

sabotage

4.   Andere relevante informatie (bv. het verband tussen het voorwerp en het strafbare feit):

DEEL G: Verstrek, indien een confiscatiecertificaat aan meer dan één uitvoerende staat is toegezonden, de volgende informatie:

1.   Een confiscatiecertificaat is toegezonden aan de volgende uitvoerende staat of staten (vermeld staat en autoriteit):

2.   Een confiscatiebevel is om de volgende redenen aan meer dan één uitvoerende staat toegezonden:

Wanneer het confiscatiebevel betrekking heeft op specifieke voorwerpen:

Van verschillende specifieke voorwerpen die onder het bevel vallen, wordt aangenomen dat zij zich in verschillende uitvoerende staten bevinden

Voor de confiscatie van een specifiek voorwerp is optreden in meer dan één uitvoerende staat noodzakelijk

Wanneer het confiscatiebevel betrekking heeft op een geldsom:

De betrokken voorwerpen werden niet bevroren krachtens Verordening (EU) 2018/1805

De geschatte waarde van de voorwerpen die kunnen worden geconfisqueerd in de uitvaardigende staat en in om het even welke uitvoerende staat, volstaat waarschijnlijk niet om het volledige bedrag te confisqueren dat in het bevel is bepaald.

andere specifieke noodzaken:

3.   Waarde van vermogensbestanddelen, indien bekend, in elke uitvoerende staat:

4.   Indien voor de confiscatie van het specifieke voorwerp (de specifieke voorwerpen) optreden in meer dan één uitvoerende staat noodzakelijk is, omschrijving van het in de uitvoerende staat te ondernemen optreden:

DEEL H: Procedure die heeft geleid tot het confiscatiebevel

Is de persoon tegen wie het confiscatiebevel werd uitgevaardigd persoonlijk verschenen op de terechtzitting die heeft geleid tot het confiscatiebevel dat verband houdt met een definitieve veroordeling?

1.

Ja, de betrokken persoon is persoonlijk verschenen op de terechtzitting.

2.

Nee, de betrokken persoon is niet persoonlijk verschenen op de terechtzitting.

3.

Nee, er zijn overeenkomstig het nationale procesrecht geen hoorzittingen gehouden.

4.

Indien u „nee” (keuzemogelijkheid 2) heeft aangekruist, gelieve een van de volgende gevallen te bevestigen:

4.1a. ☐

de betrokken persoon is persoonlijk gedagvaard op … (dag/maand/jaar) en daardoor op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting die tot het confiscatiebevel heeft geleid, en ervan in kennis gesteld dat een confiscatiebevel kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt;

OF

4.1b. ☐

de betrokken persoon is niet persoonlijk gedagvaard, maar is anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting die tot het bevel tot confiscatie heeft geleid, op zodanige wijze dat ondubbelzinnig vaststaat dat hij, indien hij niet op de terechtzitting verschijnt, wel op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting, en ervan in kennis is gesteld dat een confiscatiebevel kan worden gegeven wanneer hij niet op de terechtzitting verschijnt;

OF

4.2. ☐

de betrokken persoon was op de hoogte van de voorgenomen terechtzitting, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen advocaat gemachtigd zijn verdediging op de terechtzitting te voeren, en is op de terechtzitting ook werkelijk door die advocaat verdedigd;

OF

4.3.

het bevel tot confiscatie is op … (dag/maand/jaar) aan de betrokkene betekend en hij is uitdrukkelijk geïnformeerd over zijn recht op een nieuw proces of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van nieuw bewijsmateriaal, en die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke confiscatiebevel;

de betrokken persoon heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij het confiscatiebevel niet betwist;

OF

de betrokken persoon heeft niet binnen de voorgeschreven termijn om een nieuw proces verzocht of hoger beroep aangetekend.

5.

Als u punt 4.1b, 4.2 of 4.3 heeft aangekruist, vermeld op welke wijze aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan: …

DEEL I: Alternatieve maatregelen, waaronder vrijheidsstraffen

1.   Geef aan of de uitvaardigende staat ermee instemt dat de uitvoerende staat alternatieve maatregelen toepast indien het onmogelijk is het confiscatiebevel geheel of gedeeltelijk ten uitvoer te leggen:

Ja

Nee

2.   Zo ja, geef aan en specificeer welke maatregelen kunnen worden toegepast:

Hechtenis (maximumduur):

Taakstraf (of gelijkwaardige maatregel) (maximumduur):

Andere maatregelen (omschrijving):

DEEL J: Beslissing tot teruggave van voorwerpen aan of tot compensatie van het slachtoffer

1.   Geef voor zover van toepassing aan of:

een uitvaardigende autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat een beslissing inzake compensatie van of teruggave aan het slachtoffer heeft genomen voor de volgende geldsom:

een uitvaardigende autoriteit of andere bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat een beslissing heeft genomen tot teruggave aan het slachtoffer van de volgende voorwerpen anders dan geld:

in de uitvaardigende staat een procedure inzake teruggave aan of compensatie van het slachtoffer loopt en de uitkomst daarvan zal worden meegedeeld aan de uitvoerende autoriteit

2.   Details van de beslissing tot teruggave van voorwerpen aan of compensatie van het slachtoffer:

Autoriteit die de beslissing heeft genomen (officiële naam): …

Datum van de beslissing: …

Datum waarop de beslissing onherroepelijk is geworden: …

Referentienummer van de beslissing (indien beschikbaar): …

Beschrijving van de terug te geven voorwerpen: …

Naam van het slachtoffer: …

Adres van het slachtoffer: …

De uitvaardigende autoriteit wordt in kennis gesteld in geval van een rechtstreekse overdracht aan het slachtoffer.

DEEL K: Gegevens over de uitvaardigende autoriteit

Naam van autoriteit: …

Naam van de contactpersoon: …

Functie (titel/graad): …

Dossiernummer: …

Adres: …

Telefoonnummer (landnummer) (netnummer): …

Faxnummer (landnummer) (netnummer): …

E-mail: …

Talen waarin met de uitvaardigende autoriteit kan worden gecommuniceerd:

Indien afwijkend van bovenstaande, gegevens over de contactpersoon (contactpersonen) voor aanvullende informatie of praktische regelingen voor de tenuitvoerlegging van het bevel of de overdracht van de voorwerpen: …

Naam/titel/organisatie: …

Adres: …

E-mail:/telefoonnummer: …

Handtekening van de uitvaardigende autoriteit en/of haar vertegenwoordiger die de juistheid van de inhoud van het confiscatiecertificaat bevestigt: …

Naam: …

Functie (titel/graad): …

Datum: …

Officiële stempel (indien beschikbaar): …

DEEL L: Centrale autoriteit

Indien een centrale autoriteit belast is met de administratieve toezending en ontvangst van confiscatiecertificaten in de uitvaardigende staat, geef aan:

Naam van de centrale autoriteit: …

Naam van de contactpersoon, indien van toepassing: …

Functie (titel/rang): …

Dossiernummer: …

Adres: …

Telefoonnummer (landnummer) (netnummer): …

Faxnummer (landnummer) (netnummer): …

E-mail: …

DEEL M: Betalingsgegevens van de uitvaardigende staat

IBAN-code: …

BIC-code: …

Naam van de bankrekeninghouder: …

DEEL N: Bijlagen

Vermeld alle bij het certificaat gevoegde bijlagen:


28.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/39


VERORDENING (EU) 2018/1806 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 november 2018

tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

(codificatie)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Omwille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)

Deze verordening voorziet in volledige harmonisering met betrekking tot de derde landen waarvan de onderdanen voor het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten die in het bezit moeten zijn van een visum (hierna tevens „de visumplicht” genoemd) en die waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.

(3)

De vaststelling van de derde landen waarvan de onderdanen aan de visumplicht zijn onderworpen of daarvan zijn vrijgesteld, moet geschieden op basis van een toetsing per geval aan een aantal criteria. Die toetsing dient periodiek plaats te vinden en kan leiden tot wetgevingsvoorstellen tot wijziging van bijlage I bij deze verordening, die de lijst vaststelt van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum, en van bijlage II, die de lijst vaststelt van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten van de visumplicht zijn vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, niettegenstaande de mogelijkheid van landenspecifieke wijzigingen van die bijlagen onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als resultaat van een visumliberaliseringsproces of als het uiteindelijke gevolg van een tijdelijke opschorting van de vrijstelling van de visumplicht (hierna tevens „de visumvrijstelling” genoemd).

(4)

De lijsten van derde landen in de bijlagen I en II moeten consistent zijn en blijven met de in deze verordening vastgestelde criteria. Sommige derde landen, waarvan de situatie in verband met deze criteria is gewijzigd, moeten van de ene naar de andere bijlage worden overgebracht.

(5)

Ontwikkelingen in het internationaal recht die veranderingen meebrengen voor de status of de benaming van bepaalde staten of entiteiten moeten tot uiting komen in de bijlagen I en II.

(6)

Daar de onderdanen van IJsland, Liechtenstein en Noorwegen de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (4) van de visumplicht zijn vrijgesteld, dienen die landen niet te worden opgenomen in de lijst in bijlage II.

(7)

Aangezien de tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, gesloten Overeenkomst over het vrije verkeer van personen (5) voorziet in een vrij verkeer zonder visa voor onderdanen van Zwitserland en van de lidstaten, dient Zwitserland niet te worden opgenomen in de lijst in bijlage II.

(8)

Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit door de lidstaten gesloten internationale overeenkomsten en met name de op 20 april 1959 te Straatsburg ondertekende Europese Overeenkomst van de Raad van Europa inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen, dient de vaststelling van de visumplicht of -vrijstelling voor erkende vluchtelingen en staatlozen te geschieden naargelang het derde land waar die personen verblijven en dat hun een reisdocumenten heeft verstrekt. Gelet op de verschillen in het op erkende vluchtelingen en op staatlozen toepasselijke nationale recht, moeten de lidstaten evenwel kunnen bepalen of die categorieën van personen dienen te worden vrijgesteld, indien het derde land waar die personen verblijven en dat hun reisdocumenten heeft verstrekt een van de derde landen is waarvan de onderdanen van de visumplicht zijn vrijgesteld.

(9)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad (6) dient een vrijstelling van de visumplicht te worden vastgesteld voor houders van een vergunning voor klein grensverkeer.

(10)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om vrijstellingen van de visumplicht te verlenen voor houders van bepaalde paspoorten die geen gewone paspoorten zijn.

(11)

In bijzondere gevallen die aanleiding geven tot een specifieke visumregeling, moeten de lidstaten bepaalde categorieën van personen van de visumplicht kunnen vrijstellen of aan die plicht kunnen onderwerpen overeenkomstig het internationaal publiekrecht of het internationaal gewoonterecht.

(12)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om erkende vluchtelingen, alle staatlozen ongeacht of zij onder het Verdrag van de Verenigde Naties van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen vallen, alsmede aan een schoolreis deelnemende scholieren van de visumplicht vrij te stellen, wanneer de personen van deze categorieën in een derde land verblijven dat is opgenomen in de lijst in bijlage II bij deze verordening.

(13)

De regelingen voor vrijstellingen van de visumplicht moeten de huidige praktijken volledig weerspiegelen. Sommige lidstaten verlenen een visumvrijstelling aan onderdanen van derde landen die zijn opgenomen in de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum en die zij zich als lid van de krijgsmacht verplaatsen in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) of het Partnerschap voor de Vrede. Ter wille van de rechtszekerheid moeten deze vrijstellingen, die zijn gebaseerd op internationale verplichtingen die buiten het bestek van het Unierecht vallen, worden genoemd in deze verordening.

(14)

Volledige wederkerigheid op visumgebied is een doel dat de Unie proactief dient na te streven in haar betrekkingen met derde landen om aldus bij te dragen aan verbetering van de geloofwaardigheid en samenhang van het buitenlands beleid van de Unie.

(15)

Er moet worden voorzien in een mechanisme van de Unie dat het mogelijk maakt om het wederkerigheidsbeginsel toe te passen wanneer één van de derde landen die zijn opgenomen in de lijst vin bijlage II een visumplicht toepast op onderdanen van ten minste één lidstaat. Dat mechanisme moet een reactie van de Unie vanuit solidariteitsoverwegingen mogelijk maken indien een dergelijk derde land de visumplicht toepast voor de onderdanen van ten minste één lidstaat.

(16)

Wanneer van een lidstaat een mededeling wordt ontvangen dat de visumplicht wordt toegepast op zijn onderdanen door een derde land dat is opgenomen in de lijst in bijlage II op, dienen alle lidstaten gezamenlijk te reageren en aldus te zorgen voor een reactie van de Unie op een situatie die de Unie als geheel aangaat en tot gevolg heeft dat haar burgers verschillend worden behandeld.

(17)

Teneinde zorg te dragen voor gepaste betrokkenheid van het Europees Parlement en de Raad in de tweede fase van de toepassing van het wederkerigheidsmechanisme, en gezien de politiek zeer gevoelige aard van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor alle onderdanen van een derde land dat is opgenomen in de lijst in bijlage II en de horizontale implicaties ervan voor de lidstaten, de met Schengen geassocieerde landen en de Unie zelf, met name voor hun externe betrekkingen en voor het algemene functioneren van het Schengengebied, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van bepaalde onderdelen van het wederkerigheidsmechanisme. Bij de overdracht van die bevoegdheid aan de Commissie wordt de noodzaak van politieke bespreking van het Uniebeleid inzake visa in het Schengengebied in acht genomen. Ook wordt daarmee ingespeeld op de behoefte aan voldoende transparantie en rechtszekerheid bij de toepassing van het wederkerigheidsmechanisme op alle onderdanen van het betrokken derde land, met name via de corresponderende tijdelijke wijziging van bijlage II bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(18)

Deze verordening dient te voorzien in een mechanisme dat een tijdelijke opschorting van de vrijstelling van de visumplicht mogelijk maakt voor een derde land dat is opgenomen in de lijst in bijlage II („het opschortingsmechanisme”) in geval van een noodsituatie die tot een snelle reactie noopt om de problemen op te lossen waarmee ten minste één lidstaat wordt geconfronteerd, rekening houdend met het algemene effect van de noodsituatie op de Unie als geheel.

(19)

Om te zorgen voor de efficiënte toepassing van het opschortingsmechanisme en van sommige bepalingen van het wederkerigheidsmechanisme, met name opdat alle relevante factoren en de mogelijke gevolgen van de toepassing van die mechanismen afdoende in aanmerking genomen kunnen worden, moeten de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het bepalen van de categorieën onderdanen van het betrokken derde land ten aanzien waarvan de vrijstelling van de visumplicht tijdelijk moet worden opgeschort in het kader van het wederkerigheidsmechanisme, en voor het bepalen van de corresponderende duur van deze opschorting, alsmede met betrekking tot het opschortingsmechanisme. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (8). De onderzoeksprocedure dient te worden gebruikt voor de vaststelling van die uitvoeringshandelingen.

(20)

Het is noodzakelijk dat wordt voorkomen en tegengegaan dat onderdanen van een derde land die een bedreiging vormen voor de openbare orde en de binnenlandse veiligheid van de betrokken lidstaat misbruik maken van de vrijstelling van de visumplicht voor verblijven van korte duur.

(21)

Het opschortingsmechanisme moet het voor de lidstaten mogelijk maken kennis te geven van omstandigheden die tot een mogelijke opschorting leiden, en voor de Commissie het opschortingsmechanisme op eigen initiatief te activeren.

(22)

Meer bepaald zou het gemakkelijker moeten worden om het opschortingsmechanisme te gebruiken met korte referentieperioden en termijnen, waardoor de procedure snel kan verlopen, en tot de mogelijke opschortingsgronden zouden ook een vermindering van de samenwerking inzake overname en een wezenlijke toename van de risico's voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van de lidstaten moeten behoren. Die vermindering van de samenwerking moet met name betrekking hebben op een wezenlijke toename van het percentage afgewezen overnameverzoeken, waaronder voor onderdanen van derde landen die door het betrokken derde land zijn gereisd, wanneer een overnameovereenkomst die tussen de Unie of een lidstaat en dat derde land is gesloten, in een dergelijke overnameverplichting voorziet. De Commissie moet het opschortingsmechanisme ook kunnen activeren indien het derde land geen medewerking verleent aan overname, met name wanneer een overnameovereenkomst is gesloten tussen het betrokken derde land en de Unie.

(23)

Voor de toepassing van het opschortingsmechanisme wordt met een wezenlijke toename een toename bedoeld die de drempel van 50 % overschrijdt. Daarmee kan ook een lagere toename bedoeld worden indien de Commissie dit in het specifieke geval dat door de betrokken lidstaat wordt gemeld, toepasselijk heeft geacht.

(24)

Voor de toepassing van het opschortingsmechanisme wordt met een laag percentage ingewilligde aanvragen bedoeld dat ongeveer 3 à 4 % van de asielaanvragen is ingewilligd. Daarmee kan ook een hoger percentage bedoeld worden indien de Commissie dit in het specifieke geval dat door de betrokken lidstaat wordt gemeld, toepasselijk heeft geacht.

(25)

Misbruik van de visumvrijstelling moet worden voorkomen en tegengegaan indien dat leidt tot een verhoging van de migratiedruk als gevolg van bijvoorbeeld een toename in ongegronde asielaanvragen, en ook wanneer dat leidt tot ongegronde aanvragen voor verblijfstitels.

(26)

Om te waarborgen dat na verloop van tijd nog steeds wordt voldaan aan de specifieke vereisten die zijn gehanteerd om de geschiktheid te beoordelen van een visumvrijstelling die is verleend na een succesvolle voltooiing van een visumliberaliseringsdialoog, dient de Commissie de situatie in de betrokken derde landen te volgen. De Commissie moet bijzondere aandacht besteden aan de mensenrechtensituatie in de betrokken derde landen.

(27)

De Commissie moet gedurende een periode van zeven jaar na de inwerkingtreding van de visumliberalisering voor een bepaald derde land op gezette tijden, ten minste jaarlijks, verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad, en daarna indien de Commissie dit nodig acht of het Europees Parlement of de Raad daarom verzoekt.

(28)

Voordat de Commissie een besluit neemt om de visumvrijstelling voor onderdanen van een derde land tijdelijk op te schorten, dient zij de mensenrechtensituatie in dat derde land in acht te nemen en rekening te houden met de mogelijke gevolgen van een opschorting van de visumvrijstelling voor die situatie.

(29)

De opschorting van de vrijstelling van de visumplicht door vaststelling van een uitvoeringshandeling moet betrekking hebben op bepaalde categorieën onderdanen van het betrokken derde land middels een verwijzing naar de betreffende soorten reisdocumenten en, in voorkomend geval, naar bijkomende criteria, zoals personen die voor het eerst naar het grondgebied van de lidstaten reizen. De uitvoeringshandeling dient te bepalen voor welke categorieën onderdanen de opschorting moet gelden, rekening houdend met de specifieke omstandigheden waarvan een of meer lidstaten of de Commissie melding maakt, en met het evenredigheidsbeginsel.

(30)

Teneinde te zorgen voor gepaste betrokkenheid van het Europees Parlement en de Raad bij de uitvoering van het opschortingsmechanisme, en gezien de politiek gevoelige aard van een opschorting van een vrijstelling van de visumplicht voor alle onderdanen van een derde land dat is opgenomen in de lijst in bijlage II bij deze verordening en de horizontale implicaties ervan voor de lidstaten en de Unie zelf, met name voor hun externe betrekkingen en voor het algemene functioneren van het Schengengebied, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de tijdelijke opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van de betrokken derde landen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(31)

Teneinde voor de transparantie van de visumregeling en de voorlichting van de betrokkenen zorg te dragen, dienen de lidstaten de Commissie en de overige lidstaten in kennis te stellen van de maatregelen die zij in het kader van deze verordening hebben genomen. Om dezelfde redenen dient die informatie tevens in het Publicatieblad van de Europese Unie te worden bekendgemaakt.

(32)

De voorwaarden voor binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten of voor visumafgifte mogen geen afbreuk doen aan de regels inzake de erkenning van de geldigheid van reisdocumenten.

(33)

Overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde evenredigheidsbeginsel is het met het oog op de goede werking van het gemeenschappelijk visumbeleid nodig en passend de weg van een verordening te kiezen om de lijst van de derde landen waarvan de onderdanen voor overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van de derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, vast te stellen.

(34)

Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de toepassing van door de Europese Gemeenschap vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 539/2001 gesloten internationale overeenkomsten die met zich brengen dat moet worden afgeweken van het gemeenschappelijk visumbeleid, en moet rekening houden met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(35)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (9) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (10).

(36)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (11) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punten B en C, van Besluit 1999/437/EG, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (12).

(37)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (13) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punten B en C, van Besluit 1999/437/EG, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (14).

(38)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (15). Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(39)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (16). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze verordening stelt de derde landen vastwaarvan de onderdanen onderworpen zijn aan of vrijgesteld zijn van de visumplicht op basis van een toetsing per geval aan een aantal criteria die onder meer verband houden met illegale immigratie, openbare orde en veiligheid, economische voordelen, in het bijzonder op het gebied van toerisme en buitenlandse handel, en de externe betrekkingen van de Unie met de betrokken derde landen, waarbij in het bijzonder wordt gekeken naar mensenrechten en fundamentele vrijheden alsmede naar de implicaties voor de regionale samenhang en de wederkerigheid.

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder „visum”: een visum als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (17).

Artikel 3

1.   De onderdanen van de in de lijst van bijlage I opgenomen derde landen dienen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit te zijn van een visum.

2.   Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de op 20 april 1959 te Straatsburg ondertekende Europese Overeenkomst van de Raad van Europa inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen, dienen erkende vluchtelingen en staatlozen bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit te zijn van een visum indien het derde land waar zij verblijven en dat hun reisdocumenten heeft afgegeven, voorkomt op de lijst van bijlage I bij deze verordening.

Artikel 4

1.   De onderdanen van de in de lijst van bijlage II opgenomen derde landen zijn van de in artikel 3, lid 1, bedoelde visumplicht vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

2.   Ook de volgende personen zijn vrijgesteld van de visumplicht:

a)

de onderdanen van een in bijlage I bij deze verordening opgenomen derde land die in het bezit zijn van een vergunning voor klein grensverkeer die is afgegeven door de lidstaten op grond van Verordening (EG) nr. 1931/2006 wanneer die houders hun recht uitoefenen in het kader van de regeling klein grensverkeer;

b)

scholieren die onderdaan zijn van een in bijlage I bij deze verordening opgenomen derde land, verblijven in een lidstaat die Besluit 94/795/JBZ van de Raad (18) toepast, en die deelnemen aan een schoolreis als leden van een door een leerkracht van de betrokken school begeleide groep scholieren;

c)

erkende vluchtelingen, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit van enig land die in een lidstaat verblijven en die in het bezit zijn van een door die lidstaat afgegeven reisdocument.

Artikel 5

De onderdanen van nieuwe derde landen die vroeger deel uitmaakten van derde landen die zijn opgenomen in de lijsten van de bijlagen I en II, zijn respectievelijk onderworpen aan de artikelen 3 en 4 tenzij en totdat de Raad volgens de procedure van de toepasselijke bepaling van het VWEU anders besluit.

Artikel 6

1.   Een lidstaat kan voorzien in uitzonderingen op de in artikel 3 bedoelde visumplicht of op de in artikel 4 bedoelde vrijstelling van de visumplicht ten aanzien van:

a)

houders van diplomatieke paspoorten, dienst- of officiële paspoorten of speciale paspoorten;

b)

civiele vliegtuig- en scheepsbemanningsleden in de uitoefening van hun functies;

c)

civiele scheepsbemanningsleden, wanneer zij aan wal gaan, die houder zijn van een identiteitsbewijs voor zeevarenden dat is afgegeven overeenkomstig de Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie nr. 108 van 13 mei 1958 of nr. 185 van 19 juni 2003 of het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie van 9 april 1965 inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee;

d)

bemanningsleden en andere leden van hulp- of reddingsmissies in geval van een ramp of een ongeval;

e)

civiele bemanningen van schepen die internationale binnenwateren bevaren;

f)

houders van reisdocumenten die door intergouvernementele internationale organisaties waarvan ten minste één lidstaat lid is of door andere entiteiten die door de betrokken lidstaat als internationale rechtssubjecten zijn erkend, zijn afgegeven aan ambtenaren van deze organisaties of entiteiten.

2.   Een lidstaat kan vrijstelling van de onder artikel 3 bedoelde visumplicht verlenen aan:

a)

scholieren die onderdaan zijn van een in bijlage I opgenomen derde land, die in een in bijlage II opgenomen derde land of in Zwitserland of Liechtenstein verblijven, en die deelnemen aan een schoolreis als leden van een door een leerkracht van de betrokken school begeleide groep scholieren;

b)

erkende vluchtelingen en staatlozen, indien het land waar zij verblijven en dat hun reisdocumenten heeft afgegeven, is opgenomen in bijlage II;

c)

leden van de krijgsmacht die zich verplaatsen in het kader van de NAVO of het Partnerschap voor de Vrede en die in het bezit zijn van de identiteits- en reisbewijzen die zijn bedoeld in het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951;

d)

onverminderd de vereisten die voortvloeien uit de op 20 april 1959 te Straatsburg ondertekende Europese Overeenkomst van de Raad van Europa inzake de afschaffing van visa voor erkende vluchtelingen, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die in het Verenigde Koninkrijk of Ierland verblijven en die houders zijn van een reisdocument dat is afgegeven door het Verenigd Koninkrijk of Ierland en dat is erkend door de betrokken lidstaat.

3.   Een lidstaat kan voorzien in uitzonderingen op de in artikel 4 bepaalde vrijstelling van de visumplicht voor personen die tijdens hun verblijf een bezoldigde activiteit verrichten.

Artikel 7

Indien een bijlage II vermeld derde land een visumplicht oplegt aan onderdanen van ten minste één lidstaat, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a)

binnen 30 dagen na de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd door het derde land stelt de betrokken lidstaat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan schriftelijk in kennis.

Deze kennisgeving bevat:

i)

de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd en specificeert de betrokken soorten reisdocumenten en visa;

ii)

een uitvoerige beschrijving van de eerste maatregelen die de betrokken lidstaat reeds heeft genomen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, en alle relevante informatie.

Informatie over deze kennisgeving wordt onverwijld door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en bevat informatie over de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd en de betrokken soorten reisdocumenten en visa.

Indien het derde land besluit de visumplicht op te heffen voordat de in de eerste alinea van dit punt bedoelde termijn is verstreken, gebeurt de kennisgeving niet of wordt zij ingetrokken en wordt de informatie niet bekendgemaakt;

b)

de Commissie onderneemt, onmiddellijk na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking en in overleg met de betrokken lidstaat, stappen bij de autoriteiten van het betrokken derde land, met name op politiek, economisch en handelsgebied, met het oog op de herinvoering of invoering van het visumvrij reizen, en brengt het Europees Parlement en de Raad onverwijld van die stappen op de hoogte;

c)

indien het derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 90 dagen na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking niettegenstaande alle stappen die overeenkomstig punt b) zijn ondernomen, kan de betrokken lidstaat de Commissie verzoeken de vrijstelling van de visumplicht voor bepaalde categorieën onderdanen van dat betrokken derde land op te schorten. Indien een lidstaat daarom verzoekt, stelt hij het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis;

d)

de Commissie houdt, bij de afweging van verdere stappen overeenkomstig punt e), f) of h), rekening met het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, met de stappen die overeenkomstig punt b) zijn ondernomen alsook met de gevolgen van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land;

e)

indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven, doet de Commissie, uiterlijk zes maanden na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking en vervolgens met tussenpozen van ten hoogste zes maanden binnen een totale periode die de datum niet mag overschrijden waarop de onder f) bedoelde gedelegeerde handeling in werking treedt of waarop daartegen bezwaar is gemaakt, het volgende:

i)

zij stelt op verzoek van de betrokken lidstaat dan wel op eigen initiatief een uitvoeringshandeling vast waarbij voor bepaalde categorieën onderdanen van het betrokken derde land de vrijstelling van de visumplicht tijdelijk wordt opgeschort voor een periode van hoogstens zes maanden. In die uitvoeringshandeling wordt een datum binnen 90 dagen na de inwerkingtreding ervan vastgesteld waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht ingaat, rekening houdend met de beschikbare middelen in de consulaten van de lidstaten. Bij de vaststelling van volgende uitvoeringshandelingen kan de Commissie de periode van opschorting verlengen met termijnen van hoogstens zes maanden en kan zij de categorieën onderdanen van het betrokken derde land waarvoor de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort, wijzigen.

Die uitvoeringshandelingen worden in overeenstemming met de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Onverminderd artikel 6 moeten alle in de uitvoeringshandelingen bedoelde categorieën onderdanen van het derde land tijdens de periode van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten, of

ii)

zij dient een verslag in bij het in artikel 11, lid 1, bedoelde comité met een beoordeling van de situatie en een motivering van haar besluit om de vrijstelling van de visumplicht niet op te schorten en zij stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis.

In dat verslag wordt rekening gehouden met alle relevante gegevens, zoals de onder d) bedoelde gegevens. Het Europees Parlement en de Raad kunnen op basis van dat verslag een politiek debat voeren;

f)

indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 24 maanden na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 10 een gedelegeerde handeling vast, waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor een periode van twaalf maanden tijdelijk wordt opgeschort voor de onderdanen van dat derde land. In de gedelegeerde handeling wordt een datum binnen 90 dagen na de inwerkingtreding ervan vastgesteld waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht ingaat, rekening houdend met de beschikbare middelen in de consulaten van de lidstaten en wordt bijlage II dienovereenkomstig gewijzigd. Deze wijziging zal geschieden door naast de naam van het betrokken derde land een voetnoot in te voegen waarin aangegeven wordt dat de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort met betrekking tot dat derde land en waarin de termijn van die opschorting wordt vermeld.

Vanaf de datum waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land van kracht wordt of waarop overeenkomstig artikel 10, lid 7, bezwaar tegen de gedelegeerde handeling is gemaakt, vervalt een krachtens punt e) van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling met betrekking tot dat derde land. Wanneer de Commissie een wetgevingsvoorstel als bedoeld onder h) indient, wordt de in de eerste alinea van dit punt bedoelde periode van opschorting van de vrijstelling van de visumplicht met zes maanden verlengd. De in die alinea bedoelde voetnoot wordt dienovereenkomstig gewijzigd.

Onverminderd de toepassing van artikel 6 moeten de onderdanen van het derde land waarop de gedelegeerde handeling van toepassing is tijdens de periodes van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten;

g)

een volgende kennisgeving door een andere lidstaat krachtens punt a) betreffende hetzelfde derde land tijdens de toepassingstermijn van de krachtens punt e) of f) aangenomen maatregelen ten aanzien van dat derde land, wordt opgenomen in de lopende procedures zonder dat de in die punten bedoelde uiterste data of periodes worden verlengd;

h)

indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de onder f) bedoelde gedelegeerde handeling, kan de Commissie een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening indienen om de verwijzing naar het derde land van bijlage II naar bijlage I over te hevelen;

i)

de onder e), f) en h) bedoelde procedures doen geen afbreuk aan het recht van de Commissie om te allen tijde een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in te dienen teneinde de verwijzing naar het betrokken derde land van bijlage II naar bijlage I over te hevelen;

j)

indien het betrokken derde land de visumplicht opheft, stelt de betrokken lidstaat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis. De kennisgeving wordt onverwijld door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Een overeenkomstig punt e) of f) vastgestelde uitvoeringshandeling of gedelegeerde handeling betreffende het betrokken derde land vervalt zeven dagen na de bekendmaking bedoeld in de eerste alinea van dit punt. Indien het betrokken derde land een visumplicht voor onderdanen van twee of meer lidstaten heeft ingevoerd, vervalt de uitvoerings- of gedelegeerde handeling betreffende het betrokken derde land zeven dagen na de bekendmaking van de kennisgeving ten aanzien van de laatste betrokken lidstaat waarvan de onderdanen waren onderworpen aan de visumplicht vanuit dat derde land. De onder f), eerste alinea, bedoelde voetnoot wordt geschrapt bij het vervallen van de betrokken gedelegeerde handeling. De informatie betreffende het vervallen wordt onverwijld door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Indien het betrokken derde land de visumplicht opheft zonder dat de betrokken lidstaat daarvan kennisgeving doet overeenkomstig de eerste alinea van dit punt, gaat de Commissie op eigen initiatief onverwijld over tot de in die alinea bedoelde bekendmaking en wordt de tweede alinea van dit punt van toepassing.

Artikel 8

1.   In afwijking van artikel 4, wordt de vrijstelling van de visumplicht voor onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land overeenkomstig dit artikel tijdelijk geschorst op basis van relevante en objectieve gegevens.

2.   Een lidstaat die over een periode van twee maanden, in vergelijking met dezelfde periode van het voorgaande jaar of met de laatste twee maanden vóór het ingaan van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van een in bijlage II opgenomen derde land, wordt geconfronteerd met een of meer van de volgende omstandigheden, kan de Commissie hiervan in kennis stellen:

a)

een wezenlijke toename van het aantal onderdanen van dat derde land aan wie de toegang wordt geweigerd of van wie wordt vastgesteld dat zij op het grondgebied van de lidstaat verblijven zonder dat zij daartoe gerechtigd zijn;

b)

een wezenlijke toename van het aantal asielaanvragen door onderdanen van dat derde land waarvoor het aantal ingewilligde aanvragen laag is;

c)

een met adequate gegevens onderbouwde vermindering van de samenwerking inzake overname met dat derde land, in het bijzonder een wezenlijke toename van het percentage afgewezen overnameverzoeken die de lidstaat bij dat derde land had ingediend voor zijn eigen onderdanen of voor onderdanen van derde landen die door dat derde land zijn gereisd, wanneer een tussen de Unie of die lidstaat en dat derde land gesloten overnameovereenkomst daarin voorziet;

d)

een toegenomen risico voor of een onmiddellijke bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van de lidstaten, met name een wezenlijke toename van ernstige strafbare feiten, verband houdend met onderdanen van dat derde land en gestaafd door objectieve, concrete en relevante informatie en gegevens van bevoegde autoriteiten.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde kennisgeving is met redenen omkleed en bevat alle relevante gegevens en statistieken, alsmede een uitvoerige beschrijving van de eerste maatregelen die de betrokken lidstaat heeft getroffen om de situatie te verhelpen. De betrokken lidstaat kan in zijn kennisgeving nader bepalen op welke categorieën onderdanen van het betrokken derde land een uitvoeringshandeling uit hoofde van lid 6, onder a), van toepassing dient te zijn, met opgave van de gedetailleerde redenen daarvoor. De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk op de hoogte van dergelijke kennisgeving.

3.   Wanneer de Commissie, rekening houdend met relevante gegevens, verslagen en statistieken, beschikt over concrete en betrouwbare informatie dat de in lid 2, onder a), b), c) of d), bedoelde omstandigheden zich in een of meer lidstaten voordoen of over het feit dat het derde land geen medewerking verleent aan overname, met name wanneer een overnameovereenkomst is gesloten tussen dat derde land en de Unie, stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad onverwijld van deze analyse in kennis, en zijn de bepalingen van lid 6 van toepassing.

Voor de toepassing van de eerste alinea kan het niet-verlenen van medewerking aan overname bijvoorbeeld bestaan in:

het weigeren of nalaten overnameverzoeken tijdig te verwerken;

het niet tijdig binnen de in de overnameovereenkomst gestelde termijnen afgeven van reisdocumenten met het oog op terugkeer, of het niet aanvaarden van Europese reisdocumenten die na het verstrijken van de in de overnameovereenkomst gespecificeerde termijnen zijn afgegeven, of

het beëindigen of opschorten van de overnameovereenkomst.

4.   De Commissie ziet toe op de voortdurende naleving van de op artikel 1 gebaseerde specifieke vereisten die zijn gebruikt om de geschiktheid van visumliberalisering na te gaan door de derde landen waarvan de onderdanen als gevolg van de succesvolle afsluiting van een visumliberaliseringsdialoog tussen de Unie en dat derde land zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij naar het grondgebied van de lidstaten reizen.

Voorts brengt de Commissie gedurende een periode van zeven jaar na de datum van inwerkingtreding van de visumliberalisering voor dat derde land op gezette tijden en ten minste jaarlijks verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, en daarna indien de Commissie dit nodig acht, of het Europees Parlement of de Raad daarom verzoekt. Het verslag is toegespitst op de derde landen die volgens de Commissie op basis van concrete en betrouwbare informatie niet langer aan bepaalde vereisten voldoen.

Indien uit een verslag van de Commissie blijkt dat in verband met een bepaald derde land aan een of meer van de specifieke vereisten niet langer is voldaan, is lid 6 van toepassing.

5.   De Commissie onderzoekt een kennisgeving die krachtens lid 2 is verricht en houdt daarbij rekening met:

a)

het al dan niet aanwezig zijn van een van de in de lid 2 bedoelde omstandigheden;

b)

het aantal lidstaten dat wordt getroffen door een van de in lid 2 bedoelde omstandigheden;

c)

het algemene effect van de in lid 2 bedoelde omstandigheden op de migratiesituatie in de Unie, zoals dat blijkt uit de gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt of waarover de Commissie beschikt;

d)

de verslagen van de Europese grens- en kustwacht, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken of het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), of van een andere instelling of instantie of een ander orgaan van de Unie of een internationale organisatie die bevoegd is voor onder deze verordening vallende aangelegenheden, indien de omstandigheden van het specifieke geval dit vereisen;

e)

de eventuele informatie die de betrokken lidstaat heeft gegeven in zijn kennisgeving in verband met eventuele maatregelen uit hoofde van lid 6, onder a);

f)

algemene overwegingen van openbare orde en binnenlandse veiligheid, in overleg met de betrokken lidstaat.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de resultaten van dit onderzoek.

6.   Indien de Commissie, op basis van de in lid 3 bedoelde analyse, van het in lid 4 bedoelde verslag of van het in lid 5 bedoelde onderzoek, en rekening houdend met de gevolgen van een opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en de lidstaten met het betrokken derde land, terwijl zij nauw samenwerkt met dat derde land aan andere oplossingen voor de langere termijn, besluit dat moet worden opgetreden, of indien een gewone meerderheid van de lidstaten de Commissie in kennis heeft gesteld van het bestaan van de in lid 2, onder a), b), c), of d), bedoelde omstandigheden, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a)

de Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land tijdelijk wordt opgeschort voor een periode van negen maanden. De opschorting is van toepassing op bepaalde categorieën onderdanen van het betrokken derde land, middels een verwijzing naar de betreffende soorten reisdocumenten en, in voorkomend geval, naar aanvullende criteria. Bij het bepalen van de categorieën waarop de opschorting van toepassing is, neemt de Commissie, op basis van de beschikbare informatie, categorieën op die voldoende ruim zijn om in elk specifiek geval efficiënt bij te dragen tot het verhelpen van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde omstandigheden, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De Commissie stelt de uitvoeringshandeling vast binnen een maand nadat zij:

i)

de in lid 2 bedoelde kennisgeving heeft ontvangen;

ii)

kennis heeft gekregen van de in lid 3 bedoelde informatie;

iii)

het in lid 4 bedoelde verslag heeft ingediend, of

iv)

van een gewone meerderheid van de lidstaten de kennisgeving van het bestaan van de in lid 2, onder a), b), c) of d), bedoelde omstandigheden heeft ontvangen.

Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. In de uitvoeringshandeling wordt bepaald op welke datum de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht van kracht wordt.

Tijdens de periode van opschorting onderhoudt de Commissie een intensievere dialoog met het betrokken derde land met het oog op het verhelpen van de betrokken omstandigheden;

b)

indien de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde omstandigheden voortduren, stelt de Commissie uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de in dit lid, onder a), bedoelde periode van negen maanden, overeenkomstig artikel 10 een gedelegeerde handeling vast waarbij de toepassing van bijlage II gedurende een periode van 18 maanden tijdelijk wordt opgeschort voor alle onderdanen van het betrokken derde land. De gedelegeerde handeling wordt van kracht op de datum waarop de in dit lid, onder a), bedoelde uitvoeringshandeling verstrijkt en wijzigt bijlage II dienovereenkomstig. Deze wijziging geschiedt door een voetnoot in te voegen naast de naam van het betrokken derde land, waarin staat dat de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort met betrekking tot dat derde land en waarin de termijn van die opschorting wordt vermeld.

Indien de Commissie krachtens lid 7 een wetgevingsvoorstel heeft ingediend, wordt de periode van opschorting van de vrijstellling van de visumplicht waarin de gedelegeerde handeling voorziet, met zes maanden verlengd. De voetnoot wordt dienovereenkomstig gewijzigd.

Onverminderd artikel 6 moeten de onderdanen van het betrokken derde land tijdens de periode van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten.

Een lidstaat die overeenkomstig artikel 6 voorziet in nieuwe vrijstellingen van de visumplicht voor een categorie onderdanen van het derde land waarop de handeling houdende opschorting van de visumplicht van toepassing is, deelt die maatregelen overeenkomstig artikel 12 mee.

7.   Vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomstig lid 6, onder b), vastgestelde gedelegeerde handeling dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad. Het verslag kan vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening teneinde de verwijzing naar het betrokken derde land van bijlage II naar bijlage I over te hevelen.

8.   Indien de Commissie krachtens lid 7 een wetgevingsvoorstel heeft ingediend, kan zij de geldigheidsduur van de overeenkomstig lid 6, onder a), van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling met ten hoogste twaalf maanden verlengen. Het besluit om de geldigheidsduur van de uitvoeringshandeling te verlengen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 9

1.   Uiterlijk op 10 januari 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de efficiëntie van het in artikel 7 bedoelde wederkerigheidsmechanisme en dient zij, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in. Het Europees Parlement en de Raad handelen naar aanleiding van een dergelijk voorstel volgens de gewone wetgevingsprocedure.

2.   Uiterlijk op 29 maart 2021 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de efficiëntie van het in artikel 8 bedoelde opschortingsmechanisme en dient zij, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening in. Het Europees Parlement en de Raad handelen naar aanleiding van een dergelijk voorstel volgens de gewone wetgevingsprocedure.

Artikel 10

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 7, onder f), bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf 9 januari 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   De in artikel 8, lid 6, onder b), bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 28 maart 2017. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

4.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, onder f), en artikel 8, lid 6, onder b), bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

5.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

6.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

7.   Een overeenkomstig artikel 7, onder f), vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van vier maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

8.   Een overeenkomstig artikel 8, lid 6, onder b), vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken.

Artikel 11

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 12

1.   De lidstaten delen de overige lidstaten en de Commissie de maatregelen die zij krachtens artikel 6 treffen mede binnen vijf werkdagen na de vaststelling van die maatregelen.

2.   De in lid 1 bedoelde mededelingen worden door de Commissie ter informatie in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Artikel 13

Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten tot het erkennen van staten en territoriale eenheden, alsmede paspoorten, identiteitsbewijzen en reisdocumenten die door de autoriteiten daarvan zijn afgegeven.

Artikel 14

Verordening (EG) nr. 539/2001 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 15

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 14 november 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 november 2018.

(2)  Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

(3)  Zie bijlage III.

(4)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(5)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 6.

(6)  Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van regels inzake klein grensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten en tot wijziging van de bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (PB L 405 van 30.12.2006, blz. 1).

(7)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(8)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(9)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(10)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).

(11)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(12)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).

(13)  PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.

(14)  Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).

(15)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(16)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(17)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een communautaire visumcode (visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).

(18)  Besluit 94/795/JBZ van de Raad van 30 november 1994 inzake een gemeenschappelijk optreden, door de Raad aangenomen op basis van artikel K.3, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ter vereenvoudiging van het reizen voor scholieren uit derde landen die in een lidstaat verblijven (PB L 327 van 19.12.1994, blz. 1).


BIJLAGE I

LIJST VAN DERDE LANDEN WAARVAN DE ONDERDANEN BIJ OVERSCHRIJDING VAN DE BUITENGRENZEN VAN DE LIDSTATEN IN HET BEZIT MOETEN ZIJN VAN EEN VISUM

1.   STATEN

Afghanistan

Armenië

Angola

Azerbeidzjan

Bangladesh

Burkina Faso

Bahrein

Burundi

Benin

Bolivia

Bhutan

Botswana

Belarus

Belize

Democratische Republiek Congo

Centraal-Afrikaanse Republiek

Congo

Ivoorkust

Kameroen

China

Cuba

Kaapverdië

Djibouti

Dominicaanse Republiek

Algerije

Ecuador

Egypte

Eritrea

Eswatini

Ethiopië

Fiji

Gabon

Ghana

Gambia

Guinee

Equatoriaal-Guinea

Guinee-Bissau

Guyana

Haïti

Indonesië

India

Irak

Iran

Jamaica

Jordanië

Kenia

Kirgizië

Cambodja

Comoren

Noord-Korea

Koeweit

Kazachstan

Laos

Libanon

Sri Lanka

Liberia

Lesotho

Libië

Marokko

Madagaskar

Mali

Myanmar/Birma

Mongolië

Mauritanië

Maldiven

Malawi

Mozambique

Namibië

Niger

Nigeria

Nepal

Oman

Papoea-Nieuw-Guinea

Filipijnen

Pakistan

Qatar

Rusland

Rwanda

Saudi-Arabië

Sudan

Sierra Leone

Senegal

Somalië

Suriname

Zuid-Sudan

Sao Tomé en Principe

Syrië

Tsjaad

Togo

Thailand

Tadzjikistan

Turkmenistan

Tunesië

Turkije

Tanzania

Uganda

Oezbekistan

Vietnam

Jemen

Zuid-Afrika

Zambia

Zimbabwe

2.   ENTITEITEN EN TERRITORIALE AUTORITEITEN DIE DOOR TEN MINSTE ÉÉN LIDSTAAT NIET ALS STAAT WORDEN ERKEND

Kosovo als gedefinieerd bij Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999

De Palestijnse Autoriteit


BIJLAGE II

LIJST VAN DERDE LANDEN WAARVAN DE ONDERDANEN BIJ OVERSCHRIJDING VAN DE BUITENGRENZEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE VISUMPLICHT ZIJN VRIJGESTELD VOOR EEN VERBLIJF VAN MAXIMAAL 90 DAGEN BINNEN EEN PERIODE VAN 180 DAGEN

1.   STATEN

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (1)

Andorra

Verenigde Arabische Emiraten (2)

Antigua en Barbuda

Albanië (1)

Argentinië

Australië

Bosnië en Herzegovina (1)

Barbados

Brunei

Brazilië

Bahama's

Canada

Chili

Colombia

Costa Rica

Dominica (2)

Micronesia (2)

Grenada (2)

Georgië (3)

Guatemala

Honduras

Israël

Japan

Kiribati (2)

Saint Kitts en Nevis

Zuid-Korea

Saint Lucia (2)

Monaco

Moldavië (4)

Montenegro (5)

Marshalleilanden (6)

Mauritius

Mexico

Maleisië

Nicaragua

Nauru (6)

Nieuw-Zeeland

Panama

Peru (6)

Palau (6)

Paraguay

Servië (uitgezonderd de houders van een Servisch paspoort dat is afgegeven door het Servisch coördinatiedirectoraat (in het Servisch: Koordinaciona uprava)) (5)

Salomonseilanden

Seychellen

Singapore

San Marino

El Salvador

Oost-Timor (6)

Tonga (6)

Trinidad en Tobago

Tuvalu (6)

Oekraïne (7)

Verenigde Staten

Uruguay

Heilige Stoel

Saint Vincent en de Grenadines (6)

Venezuela

Vanuatu (6)

Samoa

2.   SPECIALE ADMINISTRATIEVE REGIO'S VAN DE VOLKSREPUBLIEK CHINA

Speciale Administratieve Regio Hong Kong (8)

Speciale Administratieve Regio Macau (9)

3.   BRITSE BURGERS DIE GEEN ONDERDANEN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND ZIJN VOOR DE TOEPASSING VAN UNIERECHT

British nationals (Overseas)

British overseas territories citizens (BOTC)

British overseas citizen (BOC)

British protected persons (BPP)

British subjects (BS)

4.   ENTITEITEN EN TERRITORIALE AUTORITEITEN DIE DOOR TEN MINSTE ÉÉN LIDSTAAT NIET ALS STAAT WORDEN ERKEND

Taiwan (10)


(1)  De vrijstelling van de visumplicht geldt alleen voor houders van een biometrisch paspoort.

(2)  De vrijstelling van de visumplichtgeldt vanaf de datum van inwerkingtreding van een met de Europese Unie te sluiten visumvrijstellingsovereenkomst.

(3)  De vrijstelling van de visumplicht wordt beperkt tot houders van een biometrisch paspoort dat is afgegeven door Georgië overeenkomstig de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

(4)  De vrijstelling van de visumplicht wordt beperkt tot houders van een biometrisch paspoort dat is afgegeven door Moldavië overeenkomstig de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

(5)  De vrijstelling van de visumplicht geldt alleen voor houders van een biometrisch paspoort.

(6)  De vrijstelling van de visumplicht geldt vanaf de datum van inwerkingtreding van een met de Europese Unie te sluiten visumvrijstellingsovereenkomst.

(7)  De vrijstelling van de visumplicht wordt beperkt tot houders van een biometrisch paspoort dat is afgegeven door Oekraïne overeenkomstig de normen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

(8)  De vrijstelling van de visumplicht geldt alleen voor houders van een paspoort van de „Hong Kong Special Administrative Region”.

(9)  De vrijstelling van de visumplicht geldt alleen voor houders van een paspoort van de „Região Administrativa Especial de Macau”.

(10)  De vrijstelling van de visumplicht geldt alleen voor houders van door Taiwan afgegeven paspoorten waarop een identiteitskaartnummer staat vermeld.


BIJLAGE III

INGETROKKEN VERORDENING MET OVERZICHT VAN DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN

Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad

(PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1)

 

Verordening (EG) nr. 2414/2001 van de Raad

(PB L 327 van 12.12.2001, blz. 1)

 

Verordening (EG) nr. 453/2003 van de Raad

(PB L 69 van 13.3.2003, blz. 10)

 

Toetredingsakte van 2003, bijlage II, punt 18, onder B

 

Verordening (EG) nr. 851/2005 van de Raad

(PB L 141 van 4.6.2005, blz. 3)

 

Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad

(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1)

Uitsluitend artikel 1, lid 1, elfde streepje, wat betreft Verordening (EG) nr. 539/2001, en punt 11.B.3 van de bijlage

Verordening (EG) nr. 1932/2006 van de Raad

(PB L 405 van 30.12.2006, blz. 23)

 

Verordening (EG) nr. 1244/2009 van de Raad

(PB L 336 van 18.12.2009, blz. 1)

 

Verordening (EU) nr. 1091/2010 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 329 van 14.12.2010, blz. 1)

 

Verordening (EU) nr. 1211/2010 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 339 van 22.12.2010, blz. 6)

 

Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad

(PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1)

Uitsluitend artikel 1, lid l, onder k), vierde streepje, en punt 13.B.2 van de bijlage

Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 182 van 29.6.2013, blz. 1)

Uitsluitend artikel 4

Verordening (EU) nr. 1289/2013 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 347 van 20.12.2013, blz. 74)

 

Verordening (EU) nr. 259/2014 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 105 van 8.4.2014, blz. 9)

 

Verordening (EU) nr. 509/2014 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 149 van 20.5.2014, blz. 67)

 

Verordening (EU) 2017/371 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 61 van 8.3.2017, blz. 1)

 

Verordening (EU) 2017/372 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 61 van 8.3.2017, blz. 7)

 

Verordening (EU) 2017/850 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 133 van 22.5.2017, blz. 1)

 


BIJLAGE IV

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 539/2001

Onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 1, lid 1, eerste alinea

Artikel 3, lid 1

Artikel 1, lid 1, tweede alinea

Artikel 3, lid 2

Artikel 1, lid 2, eerste alinea

Artikel 4, lid 1

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, aanhef

Artikel 4, lid 2, aanhef

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, eerste streepje

Artikel 4, lid 2, onder a)

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, tweede streepje

Artikel 4, lid 2, onder b)

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, derde streepje

Artikel 4, lid 2, onder c)

Artikel 1, lid 3

Artikel 5

Artikel 1, lid 4

Artikel 7

Artikel 1 bis, leden 1 en 2

Artikel 8, leden 1 en 2

Artikel 1 bis, lid 2 bis

Artikel 8, lid 3

Artikel 1 bis, lid 2 ter

Artikel 8, lid 4

Artikel 1 bis, lid 3

Artikel 8, lid 5

Artikel 1 bis, lid 4

Artikel 8, lid 6

Artikel 1 bis, lid 5

Artikel 8, lid 7

Artikel 1 bis, lid 6

Artikel 8, lid 8

Artikel 1 ter

Artikel 9, lid 1

Artikel 1 quater

Artikel 9, lid 2

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 4

Artikel 6

Artikel 4 bis

Artikel 11

Artikel 4 ter, leden 1 en 2

Artikel 10, leden 1 en 2

Artikel 4 ter, lid 2 bis

Artikel 10, lid 3

Artikel 4 ter, lid 3

Artikel 10, lid 4

Artikel 4 ter, lid 3 bis

Artikel 10, lid 5

Artikel 4 ter, lid 4

Artikel 10, lid 6

Artikel 4 ter, lid 5

Artikel 10, lid 7

Artikel 4 ter, lid 6

Artikel 10, lid 8

Artikel 5

Artikel 12

Artikel 6

Artikel 13

Artikel 7

Artikel 14

Artikel 8

Artikel 15

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage IV


28.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/59


VERORDENING (EU) 2018/1807 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 november 2018

inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De digitalisering van de economie versnelt. Informatie- en communicatietechnologie is geen geïsoleerde sector meer, maar vormt de basis van alle moderne innovatieve economische systemen en samenlevingen. Elektronische gegevens vormen de kern van die systemen en kunnen grote waarde genereren wanneer zij worden geanalyseerd of gecombineerd met diensten en producten. Tegelijkertijd brengen de snelle ontwikkeling van de gegevenseconomie en opkomende technologieën zoals kunstmatige intelligentie, producten en diensten met betrekking tot het internet der dingen, autonome systemen en 5G nieuwe juridische kwesties met zich mee op het gebied van de toegang tot en het hergebruik van gegevens, alsmede op het gebied van aansprakelijkheid, ethiek en solidariteit. Vooral aan aansprakelijkheidskwesties zal naar verwachting, met name door de toepassing van zelfregulerende gedragscodes en andere beste praktijken, veel aandacht moeten worden besteed en zal daarbij in alle stadia van de waardeketen van gegevensverwerking rekening moeten worden gehouden met aanbevelingen, besluiten en maatregelen die zonder menselijke interactie worden genomen. Werk op dit gebied kan daarnaast onder meer betrekking hebben op passende mechanismen voor het bepalen van de aansprakelijkheid, voor het overdragen van verantwoordelijkheden tussen samenwerkende diensten, voor verzekeringen en voor controles.

(2)

Datawaardeketens zijn opgebouwd uit verschillende gegevensactiviteiten: het creëren en verkrijgen van gegevens; het combineren en organiseren van gegevens; het verwerken van gegevens; het analyseren, marketen en verspreiden van gegevens; het gebruiken en hergebruiken van gegevens. Een essentiële schakel in elke datawaardeketen is een effectief en efficiënt verloop van gegevensverwerking. Het effectieve en efficiënte verloop van gegevensverwerking en de ontwikkeling van de gegevenseconomie in de Unie worden echter in het bijzonder belemmerd door twee soorten obstakels voor de gegevensmobiliteit en voor de interne markt: door de instanties van de lidstaten ingevoerde gegevenslokalisatievereisten en afhankelijkheid van één aanbieder in praktijken in de privésector.

(3)

De vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”) gelden voor gegevensverwerkingsdiensten. Het verrichten van die diensten wordt echter bemoeilijkt en in sommige gevallen verhinderd door nationale, regionale of lokale voorschriften inzake de territoriale lokalisatie van de gegevens.

(4)

Dergelijke obstakels voor het vrije verkeer ten aanzien van gegevensverwerkingsdiensten en voor het recht van vestiging van dienstverleners vloeien voort uit wettelijke voorschriften van de lidstaten die bepalen dat gegevens binnen een specifiek geografisch gebied of een grondgebied gelokaliseerd moeten zijn om te worden verwerkt. Andere regels of administratieve werkmethoden hebben een vergelijkbaar effect doordat zij specifieke eisen stellen die het moeilijker maken om gegevens buiten een welbepaald geografisch gebied of een grondgebied binnen de Unie te verwerken, zoals eisen inzake het gebruik van technologische voorzieningen die binnen een specifieke lidstaat zijn gecertificeerd of erkend. De keuzevrijheid van marktdeelnemers en de overheid inzake de plaats waar gegevens worden verwerkt, wordt verder ingeperkt door rechtsonzekerheid over de reikwijdte van al dan niet legitieme gegevenslokalisatievereisten. Deze verordening beperkt geenszins de vrijheid van bedrijven om overeenkomsten aan te gaan waarin wordt bepaald waar de gegevens moeten worden gelokaliseerd. Deze verordening heeft louter tot doel deze keuzevrijheid te waarborgen door ervoor te zorgen dat een overeengekomen locatie zich eender waar in de Unie kan bevinden.

(5)

Daarnaast wordt de gegevensmobiliteit binnen de Unie ook belemmerd door privaatrechtelijke beperkingen van juridische, contractuele en technische aard die gebruikers van gegevensverwerkingsdiensten belemmeren of verhinderen om hun gegevens van de ene dienstverlener naar de andere of naar hun eigen informatietechnologie (IT)-systemen over te dragen, zelfs na het beëindigen van hun overeenkomst met een dienstverlener.

(6)

De combinatie van die obstakels heeft geleid tot een gebrek aan concurrentie tussen verleners van clouddiensten in de Unie, verscheidene problemen met betrekking tot afhankelijkheid van één aanbieder, en een ernstig gebrek aan gegevensmobiliteit. Evenzo heeft het gegevenslokalisatiebeleid afbreuk gedaan aan het vermogen van onderzoeks- en ontwikkelingsbedrijven om de samenwerking tussen bedrijven, universiteiten en andere onderzoeksorganisaties te vergemakkelijken teneinde hun eigen innovatie te stimuleren.

(7)

Ter wille van de rechtszekerheid en om in de Unie gelijke mededingingsvoorwaarden te garanderen, is een voor alle marktdeelnemers geldend uniform pakket regels van cruciaal belang voor de werking van de interne markt. Om de belemmeringen voor het handelsverkeer en de concurrentieverstoringen die voortvloeien uit verschillen tussen nationale wetten weg te nemen en te voorkomen dat er nog meer belemmeringen voor het handelsverkeer en aanzienlijke concurrentieverstoringen ontstaan, moeten daarom uniforme regels worden vastgesteld die in alle lidstaten van toepassing zijn.

(8)

Deze verordening doet geen afbreuk aan het rechtskader inzake de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en inzake de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens in elektronische communicatie, en met name Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (3) en de Richtlijnen (EU) 2016/680 (4) en 2002/58/EG (5) van het Europees Parlement en de Raad.

(9)

Het snel groeiende internet der dingen, kunstmatige intelligentie en machine-learning zijn belangrijke bronnen van niet-persoonsgebonden gegevens, zoals deze bijvoorbeeld in geautomatiseerde industriële productieprocessen worden ingezet. Onder niet-persoonsgebonden gegevens vallen bijvoorbeeld geaggregeerde en geanonimiseerde gegevenssets die worden gebruikt voor bigdata-analyses, gegevens over precisielandbouw waarmee het gebruik van pesticiden en water kan worden gemonitord en geoptimaliseerd, en gegevens over de onderhoudsbehoeften van industriële machines. Als technologische ontwikkelingen het mogelijk maken om geanonimiseerde niet-persoonsgebonden gegevens om te vormen tot persoonsgegevens, moeten dergelijke gegevens worden behandeld als persoonsgegevens en moet Verordening (EU) 2016/679 dus van toepassing zijn.

(10)

Verordening (EU) 2016/679 bepaalt dat het vrije verkeer van persoonsgegevens in de Unie noch beperkt noch verboden mag worden om redenen die verband houden met de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens. Bij deze verordening wordt hetzelfde beginsel toegepast op het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens binnen de Unie, uitgezonderd wanneer een beperking of een verbod om redenen van openbare veiligheid gerechtvaardigd zou zijn. Verordening (EU) 2016/679 en deze verordening voorzien in een samenhangend geheel van regels inzake het vrije verkeer van verschillende soorten gegevens. Voorts legt deze verordening geen verplichting op om de verschillende soorten gegevens gescheiden op te slaan.

(11)

Om een omgeving tot stand te brengen waarin niet-persoonsgebonden gegevens vrij kunnen circuleren binnen de Unie, de gegevenseconomie zich verder kan ontwikkelen en het bedrijfsleven van de Unie beter kan concurreren, dient een helder, alomvattend en voorspelbaar rechtskader te worden geschapen voor het verwerken van andere dan persoonsgegevens in de interne markt. Een op beginselen gebaseerde benadering die voorziet in samenwerking tussen de lidstaten en zelfregulering moet een zodanig flexibel kader garanderen dat rekening kan worden gehouden met de veranderende behoeften van gebruikers, dienstverleners en nationale autoriteiten in de Unie. Om overlapping met bestaande mechanismen en daarmee meer lasten voor zowel de lidstaten als het bedrijfsleven te voorkomen, hoeven er geen gedetailleerde technische voorschriften te worden uitgevaardigd.

(12)

Deze verordening moet gegevensverwerking die wordt verricht als onderdeel van niet onder het Unierecht vallende activiteiten onverlet laten. Meer bepaald moet in herinnering worden gebracht dat de nationale veiligheid, overeenkomstig artikel 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”), de exclusieve verantwoordelijkheid is van elke lidstaat.

(13)

Het vrije verkeer van gegevens in de Unie zal een belangrijke rol spelen bij het bewerkstelligen van gegevensgestuurde groei en innovatie. Evenals bedrijven en consumenten kunnen de overheden en publiekrechtelijke instellingen van de lidstaten profiteren van een grotere keuzevrijheid inzake gegevensgestuurde dienstverleners, meer concurrerende prijzen en een doeltreffendere dienstverlening aan de burgers. Gezien de grote hoeveelheden gegevens die overheden en publiekrechtelijke instellingen verwerken, is het van het grootste belang dat zij het goede voorbeeld geven door gegevensverwerkingsdiensten te gaan gebruiken en dat zij geen gegevenslokalisatiebeperkingen opleggen wanneer zij gebruikmaken van gegevensverwerkingsdiensten. Daarom dienen overheden en publiekrechtelijke instellingen onder deze verordening te vallen. In dit verband moet het in deze verordening neergelegde beginsel van vrij verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens ook van toepassing zijn op administratieve werkmethoden van algemene en consistente aard en andere gegevenslokalisatievereisten op het gebied van overheidsopdrachten, onverminderd Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (6).

(14)

Net zoals Richtlijn 2014/24/EU geldt deze verordening onverminderd de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die verband houden met de interne organisatie van de lidstaten en die bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het gebied van gegevensverwerking onder overheden en publiekrechtelijke instellingen verdelen zonder contractuele vergoeding van prestaties van particuliere partijen, en onverminderd de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die voorzien in de uitvoering van die bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Hoewel overheden en publiekrechtelijke instellingen worden aangespoord om de economische en andere voordelen van uitbesteding aan externe dienstverleners in overweging te nemen, kunnen zij legitieme redenen hebben om ervoor te kiezen diensten zelf te verlenen of in te besteden. Derhalve zijn de lidstaten uit hoofde van deze verordening geenszins verplicht om af te zien van de verlening van diensten die zij zelf willen verlenen of om deze door externe partijen uit te laten voeren of anders dan via overheidsopdrachten te regelen.

(15)

Deze verordening moet van toepassing zijn op natuurlijke personen of rechtspersonen die gegevensverwerkingsdiensten aanbieden aan gebruikers die in de Unie verblijven of er een vestiging hebben, met inbegrip van personen die in de Unie gegevensverwerkingsdiensten aanbieden zonder er een vestiging te hebben. Deze verordening mag derhalve niet van toepassing zijn op gegevensverwerkingsdiensten die buiten de Unie worden verricht en evenmin op de met die gegevens verband houdende gegevenslokalisatievereisten.

(16)

Deze verordening bevat geen regels voor de bepaling van het toepasselijk recht in handelszaken en geldt daarmee onverminderd Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad (7). In het bijzonder wordt een dienstverleningsovereenkomst, voor zover het op de overeenkomst toepasselijke recht niet volgens die verordening gekozen is, in principe geregeld door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft.

(17)

Deze verordening moet van toepassing zijn op gegevensverwerking in de ruimst mogelijke zin en het gebruik omvatten van alle soorten IT-systemen, ongeacht of zij zich bij de gebruiker zelf bevinden of aan een dienstverlener zijn uitbesteed. Zij moet alle gradaties van gegevensverwerking omvatten, van gegevensopslag („Infrastructure-as-a-Service (IaaS)”) tot de verwerking van gegevens op platformen („Platform-as-a-Service (PaaS)”) of in applicaties („Softwareas-a-Service (SaaS)”).

(18)

Gegevenslokalisatievereisten vormen een onmiskenbaar obstakel voor het vrij verlenen van gegevensverwerkingsdiensten in de Unie en voor de interne markt. Om die reden moeten zij als dusdanig worden verboden, tenzij zij gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare veiligheid in de zin van het Unierecht, in het bijzonder in de zin van artikel 52 VWEU, en in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel van artikel 5 VEU. Om het beginsel van het vrije grensoverschrijdende verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de praktijk te brengen, om ervoor te zorgen dat bestaande gegevenslokalisatievereisten snel worden opgeheven en om op operationele gronden de verwerking van gegevens op verschillende plaatsen in de Unie mogelijk te maken, en omdat deze verordening in maatregelen voorziet die de toegankelijkheid van gegevens voor wettelijke controles waarborgt, mogen de lidstaten enkel de openbare veiligheid kunnen inroepen voor gegevenslokalisatievereisten.

(19)

Het begrip „openbare veiligheid” in de zin van artikel 52 VWEU en zoals uitgelegd door het Hof van Justitie omvat zowel de interne als de externe veiligheid van een lidstaat, alsmede vraagstukken in verband met de openbare veiligheid, met name om ruimte te bieden voor onderzoek, opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het veronderstelt dat er sprake is van een reële en voldoende ernstige bedreiging voor een van de fundamentele belangen van de samenleving, zoals een bedreiging voor het functioneren van de instellingen en de essentiële openbare diensten en voor het overleven van de bevolking, het risico van een ernstige verstoring van de externe betrekkingen of van de vreedzame co-existentie van de volkeren, alsook de aantasting van militaire belangen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moeten gegevenslokalisatievereisten die om redenen van openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn, geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en mogen zij niet verder gaan dan wat nodig is om dat doel te bereiken.

(20)

Om de doeltreffende toepassing van het beginsel van het vrije grensoverschrijdende verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens te garanderen en te voorkomen dat er nieuwe belemmeringen voor een goede werking van de interne markt ontstaan, dienen de lidstaten de Commissie onmiddellijk in kennis te stellen van elke ontwerphandeling die een nieuw gegevenslokalisatievereiste bevat of een bestaand gegevenslokalisatievereiste wijzigt. Die ontwerphandelingen worden ingediend en beoordeeld volgens Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(21)

Bovendien dienen de lidstaten met het oog op het wegnemen van eventuele belemmeringen tijdens een overgangsperiode van 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening de bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van algemene aard waarin gegevenslokalisatievereisten zijn vastgelegd aan een onderzoek te onderwerpen en dergelijke gegevenslokalisatievereisten die naar hun mening stroken met deze verordening, alsmede de rechtvaardiging daarvoor, mee te delen aan de Commissie. Dit moet de Commissie in staat stellen de gegrondheid van resterende gegevenslokalisatievereisten te bestuderen. De Commissie moet waar passend bevoegd zijn om aan de betrokken lidstaat opmerkingen te richten. Die opmerkingen kunnen een aanbeveling bevatten om het gegevenslokalisatievereiste te wijzigen of in te trekken.

(22)

De in deze verordening neergelegde verplichtingen om bestaande gegevenslokalisatievereisten en ontwerphandelingen aan de Commissie mee te delen, moeten gelden voor wettelijke gegevenslokalisatievereisten en ontwerphandelingen van algemene aard, maar niet voor besluiten die tot een welbepaalde natuurlijke of rechtspersoon zijn gericht.

(23)

Ter wille van de transparantie van in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van algemene aard neergelegde gegevenslokalisatievereisten in de lidstaten voor natuurlijke en rechtspersonen, zoals dienstverleners en gebruikers van gegevensverwerkingsdiensten, moeten de lidstaten informatie over dergelijke vereisten bekendmaken op één centraal nationaal online-informatiepunt en die informatie regelmatig bijwerken. Als alternatief moeten de lidstaten bijgewerkte informatie over dergelijke vereisten verstrekken aan een centraal informatiepunt dat bij een andere Uniehandeling is ingesteld. Met het oog op passende voorlichting van natuurlijke en rechtspersonen over in de Unie geldende gegevenslokalisatievereisten, dienen de lidstaten de adresgegevens van dergelijke centrale informatiepunten aan de Commissie mee te delen. De Commissie moet deze gegevens op haar eigen website publiceren, samen met een regelmatig bijgewerkte geconsolideerde lijst van alle gegevenslokalisatievereisten die in de lidstaten van kracht zijn, met inbegrip van beknopte informatie over die vereisten.

(24)

Vaak ligt aan gegevenslokalisatievereisten een gebrek aan vertrouwen in grensoverschrijdende gegevensverwerking ten grondslag dat voortkomt uit de veronderstelling dat gegevens niet toegankelijk zullen zijn voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zoals voor inspectie- en toezichtdoeleinden en voor wettelijk voorgeschreven controles. Het louter nietig verklaren van contractuele bepalingen die bevoegde autoriteiten verbieden om op rechtmatige wijze toegang te verkrijgen tot gegevens om hun officiële taken te kunnen verrichten, volstaat niet om dit vertrouwen terug te winnen. Bijgevolg moet deze verordening uitdrukkelijk bepalen dat zij geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van die autoriteiten om toegang tot gegevens te vragen of te krijgen overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht, alsook dat de bevoegde autoriteiten de toegang tot gegevens niet mag worden geweigerd op grond van het feit dat de gegevens in een andere lidstaat worden verwerkt. Bevoegde autoriteiten kunnen functionele vereisten opleggen ter ondersteuning van de toegang tot gegevens, zoals het vereiste dat systeemdefinities in de betrokken lidstaat moeten worden bewaard.

(25)

Natuurlijke of rechtspersonen die onderworpen zijn aan verplichtingen om aan bevoegde autoriteiten gegevens te verstrekken, kunnen aan die verplichtingen voldoen door de bevoegde autoriteiten effectieve en tijdige elektronische toegang tot de gegevens te bieden en te waarborgen, ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de gegevens worden verwerkt. Dergelijke toegang kan worden gegarandeerd door opname van uitdrukkelijke bepalingen in overeenkomsten tussen de tot toegangsverlening gehouden natuurlijke of rechtspersoon en de dienstverlener.

(26)

Wanneer een natuurlijke of rechtspersoon onderworpen is aan een verplichting tot het verstrekken van toegang tot gegevens en die verplichting niet nakomt, moet de bevoegde autoriteit bijstand kunnen vragen van bevoegde autoriteiten in andere lidstaten. In dergelijke gevallen maken de bevoegde autoriteiten afhankelijk van het onderwerp gebruik van de specifieke Unierechtelijke of krachtens internationale overeenkomsten opgezette samenwerkingsinstrumenten, bijvoorbeeld op het gebied van politiesamenwerking, samenwerking in strafzaken, civiele zaken of administratieve aangelegenheden, Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad (9), Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad (10), het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken (11), Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad (12), Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (13) en Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad (14). Indien dergelijke specifieke samenwerkingsmechanismen ontbreken, moeten de bevoegde autoriteiten onderling samenwerken om toegang te krijgen tot de desbetreffende gegevens door middel van aangewezen centrale aanspreekpunten.

(27)

Wanneer een verzoek om bijstand met zich brengt dat de aangezochte autoriteit toegang krijgt tot gebouwen van een natuurlijke of rechtspersoon en tot gegevensverwerkingsapparatuur en -media, dient zulks te gebeuren met inachtneming van het Unierecht of het nationale procesrecht, met inbegrip van het eventuele vereiste om voorafgaande rechterlijke machtiging te verkrijgen.

(28)

Deze verordening mag gebruikers niet toestaan om de toepassing van het nationale recht te omzeilen. Daarom moet deze verordening voorzien in de oplegging van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties door de lidstaten aan gebruikers die de bevoegde autoriteiten de toegang ontzeggen tot hun gegevens die zij nodig hebben om hun officiële Unie- en nationaalrechtelijke taken te verrichten. In dringende gevallen, wanneer een gebruiker misbruik maakt van zijn recht, moeten de lidstaten strikt evenredige voorlopige maatregelen kunnen nemen. Voorlopige maatregelen die de relokalisatie van gegevens gedurende meer dan 180 dagen vanaf het begin van de relokalisatie vereisen, zouden afwijken van het beginsel van het vrije verkeer van gegevens voor langere duur en zouden derhalve aan de Commissie moeten worden meegedeeld, zodat kan worden bepaald of zij verenigbaar zijn met het Unierecht.

(29)

Onbelemmerde gegevensportabiliteit is cruciaal voor de keuze van de gebruiker en voor doeltreffende mededinging op de markt voor gegevensverwerkingsdiensten. De reële of aangevoelde moeilijkheid om gegevens over de grens over te dragen, vermindert ook het vertrouwen van professionele gebruikers in aanbiedingen in het buitenland en daarmee hun vertrouwen in de interne markt. Terwijl individuele consumenten beter zijn geworden van het bestaande Unierecht, is het voor zakelijke of professionele gebruikers niet gemakkelijker om van dienstverlener te veranderen. Ook consistente, Uniebrede technische vereisten dragen, ongeacht of zij betrekking hebben op technische harmonisatie, wederzijdse erkenning of vrijwillige harmonisatie, bij aan de ontwikkeling van een concurrerende interne markt voor gegevensverwerkingsdiensten.

(30)

Om volop van de concurrentieomgeving te kunnen profiteren, moeten professionele gebruikers geïnformeerde keuzes kunnen maken en de verschillende componenten van op de interne markt aangeboden gegevensverwerkingsdiensten, zoals de contractbepalingen inzake gegevensportabiliteit bij de beëindiging van een overeenkomst, vlot met elkaar kunnen vergelijken. Vanwege het innoverende vermogen van de markt en gelet op de ervaring en de deskundigheid van de dienstverleners en de professionele gebruikers van gegevensverwerkingsdiensten, is het dienstig dat de gedetailleerde voorlichtings- en operationele vereisten inzake gegevensportabiliteit via zelfregulering door de marktdeelnemers — hierbij aangespoord, ondersteund en gemonitord door de Commissie — worden vastgesteld in de vorm van Uniegedragscodes die contractuele modelbepalingen kunnen omvatten.

(31)

Teneinde ervoor te zorgen dat dergelijke gedragscodes doeltreffend zijn en om het voor gebruikers gemakkelijker te maken om van dienstverlener te veranderen en om gegevens over te dragen, moeten deze gedragscodes alomvattend zijn en ten minste een aantal essentiële zaken omvatten die belangrijk zijn tijdens de gegevensoverdracht, zoals processen voor en de locatie van databack-ups, de beschikbare gegevensformaten en -supports, de vereiste IT-configuratie en minimale netwerkbandbreedte, de in acht te nemen wachttijd voordat het overdrachtsproces kan worden ingezet en de termijn waarbinnen de gegevens voor overdracht beschikbaar blijven, en de waarborgen inzake toegang tot de gegevens voor het geval de dienstverlener failliet zou gaan. De gedragscodes moeten bovendien duidelijk maken dat afhankelijkheid van één aanbieder geen aanvaardbare bedrijfspraktijk is, moeten voorzien in technologieën die het vertrouwen vergroten, en moeten regelmatig worden bijgewerkt om aan te sluiten bij de technologische ontwikkelingen. De Commissie moet erop toezien dat alle betrokken belanghebbenden, met inbegrip van associaties van kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, gebruikers en verleners van clouddiensten tijdens het hele proces worden geraadpleegd. De Commissie moet de ontwikkeling en de doeltreffendheid van de tenuitvoerlegging van dergelijke gedragscodes evalueren.

(32)

Bevoegde autoriteiten van een lidstaat die bijstand van een andere lidstaat wensen om op grond van deze verordening toegang tot gegevens te krijgen, richten daartoe via een aangewezen centraal aanspreekpunt een naar behoren gemotiveerd verzoek aan het centrale aanspreekpunt van die andere lidstaat en nemen daarin een schriftelijke toelichting op van de rechtvaardiging voor en rechtsgrondslag van de wens om toegang tot gegevens te verkrijgen. Het centrale aanspreekpunt van de aangezochte lidstaat faciliteert het doorsturen van het verzoek naar de autoriteit die in de aangezochte lidstaat bevoegd is. De autoriteit waarnaar het verzoek wordt doorgestuurd, verleent met het oog op een doeltreffende samenwerking onverwijld bijstand in antwoord op het verzoek of verstrekt informatie over moeilijkheden om een dergelijk verzoek in te willigen of over de redenen waarom het verzoek wordt afgewezen.

(33)

Het vergroten van het vertrouwen in de beveiliging van grensoverschrijdende gegevensverwerking moet de neiging van marktdeelnemers en de overheid om gegevenslokalisatie als substituut voor gegevensbeveiliging te gebruiken, verminderen. Ook moet het ondernemingen meer rechtszekerheid geven inzake de naleving van de geldende beveiligingseisen wanneer zij hun gegevensverwerking uitbesteden aan dienstverleners, waaronder die in een andere lidstaat.

(34)

Beveiligingsvereisten met betrekking tot gegevensverwerking die worden toegepast op een gerechtvaardigde en evenredige manier op grond van het Unierecht of het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht in de lidstaat van verblijf of vestiging van de natuurlijke of rechtspersoon waarvan gegevens betrokken zijn, dienen onverminderd van toepassing te blijven op de verwerking van die gegevens in een andere lidstaat. Deze natuurlijke of rechtspersonen moeten zelf dan wel via bedingen in overeenkomsten met dienstverleners aan dergelijke vereisten kunnen voldoen.

(35)

Op nationaal niveau vastgestelde beveiligingsvereisten moeten noodzakelijk zijn en in verhouding staan tot de risico's voor de veiligheid van gegevensverwerking binnen het toepassingsgebied van het nationale recht waarin deze vereisten zijn gesteld.

(36)

Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad (15) voorziet in wettelijke maatregelen om het algemene cyberbeveiligingsniveau in de Unie op te trekken. Gegevensverwerkingsdiensten behoren tot de digitale diensten die onder die richtlijn vallen. Overeenkomstig die richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat de verleners van digitale diensten de risico's voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die zij gebruiken identificeren en passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen nemen om die risico's te beheersen. Zulke maatregelen moeten zorgen voor een beveiligingsniveau dat is afgestemd op de risico's die zich voordoen en moeten rekening houden met de beveiliging van systemen en voorzieningen, de behandeling van incidenten, het beheer van de bedrijfscontinuïteit, toezicht, controle en testen, en inachtneming van de internationale normen. Deze aspecten worden nader gespecificeerd in uitvoeringshandelingen die de Commissie op grond van de richtlijn vaststelt.

(37)

De Commissie moet een verslag over de tenuitvoerlegging van deze verordening indienen, met name om na te gaan of deze moet worden gewijzigd in het licht van technologische of marktontwikkelingen. Dat verslag moet met name een evaluatie bevatten van deze verordening, in het bijzonder van de toepassing ervan op gegevenssets die bestaan uit zowel persoonsgegevens als niet-persoonsgebonden gegevens, alsook van de toepassing van de uitzondering in verband met de openbare veiligheid. Alvorens deze verordening van toepassing wordt, moet de Commissie ook richtsnoeren publiceren over de manier waarop moet worden omgegaan met gegevenssets die bestaan uit zowel persoonsgegevens als niet-persoonsgebonden gegevens, zodat bedrijven, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, de wisselwerking tussen deze verordening en Verordening (EU) 2016/679 beter begrijpen en om ervoor te zorgen dat beide verordeningen worden nageleefd.

(38)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend en dient te worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig die rechten en beginselen, waaronder het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie en de vrijheid van ondernemerschap.

(39)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk vrij verkeer van gegevens, anders dan persoonsgebonden gegevens, binnen de Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om dat doel te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening beoogt het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens binnen de Unie te waarborgen door regels vast te leggen met betrekking tot gegevenslokalisatievereisten, de beschikbaarheid van gegevens voor bevoegde autoriteiten en de portabiliteit van gegevens voor professionele gebruikers.

Artikel 2

Werkingssfeer

1.   Deze verordening is van toepassing op de verwerking van elektronische niet-persoonsgebonden gegevens in de Unie die:

a)

als dienst wordt verleend aan gebruikers die in de Unie verblijven of er een vestiging hebben, ongeacht of de dienstverlener in de Unie is gevestigd, of

b)

wordt verricht door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die in de Unie verblijft of er een vestiging heeft, voor eigen intern gebruik.

2.   Indien een gegevensset bestaat uit zowel persoonsgegevens als niet-persoonsgebonden gegevens is deze verordening van toepassing op het deel niet-persoonsgebonden gegevens van de gegevensset. Wanneer persoonsgegevens en niet-persoonsgebonden gegevens in een set onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, laat deze verordening de toepassing van Verordening (EU) 2016/679 onverlet.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op activiteiten die niet onder de werkingssfeer van het Unierecht vallen.

Deze verordening doet geen afbreuk aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die verband houden met de interne organisatie van de lidstaten, waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor gegevensverwerking worden verdeeld onder of toegekend aan overheidsinstanties of publiekrechtelijke instellingen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 4), van Richtlijn 2014/24/EU zonder contractuele vergoeding van particuliere partijen, en doet evenmin afbreuk aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die voorzien in de toepassing van die bevoegdheden en verantwoordelijkheden.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „gegevens”: andere gegevens dan persoonsgegevens als gedefinieerd in artikel 4, punt 1), van Verordening (EU) 2016/679;

2.   „verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen die al dan niet op geautomatiseerde wijze met betrekking tot gegevens of een geheel van gegevens in elektronische vorm zijn uitgevoerd, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, bekendmaken door middel van doorzending, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen, op een lijn brengen of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;

3.   „ontwerphandeling”: een tekst die is uitgewerkt met de bedoeling deze als een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van algemene strekking vast te stellen of uiteindelijk te doen vaststellen en die zich in een stadium bevindt waarin nog belangrijke wijzigingen kunnen worden aangebracht;

4.   „dienstverlener”: een natuurlijke of rechtspersoon die gegevensverwerkingsdiensten verleent;

5.   „gegevenslokalisatievereiste”: elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde, beperking die of ander vereiste dat is vastgelegd in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat of voortvloeit uit een algemene en vaste publiekrechtelijke praktijk in een lidstaat en binnen publiekrechtelijke instellingen, ook op het gebied van overheidsopdrachten, onverminderd Richtlijn 2014/24/EU, die gegevensverwerking op het grondgebied van een welbepaalde lidstaat verplicht stelt of die gegevensverwerking in een andere lidstaat belemmert;

6.   „bevoegde autoriteit”: een instantie van een lidstaat of een andere entiteit die krachtens het nationaal recht bevoegd is om een openbare functie te bekleden of openbaar gezag uit te oefenen, die uit hoofde van haar taken op grond van het Unie- of nationale recht bevoegd is om toegang te hebben tot gegevens die worden verwerkt door een natuurlijke of rechtspersoon;

7.   „gebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van een openbaar lichaam of een publiekrechtelijke instelling, die gebruikmaakt van of verzoekt om een gegevensverwerkingsdienst;

8.   „professionele gebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van een openbaar lichaam of een publiekrechtelijke instelling, die gebruikmaakt van of verzoekt om een gegevensverwerkingsdienst voor zijn handel, bedrijf, ambacht, beroep of taak.

Artikel 4

Vrij verkeer van gegevens binnen de Unie

1.   Gegevenslokalisatievereisten zijn verboden, behalve wanneer zij in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel om redenen van openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.

De eerste alinea van dit lid geldt onverminderd lid 3 en onverminderd gegevenslokalisatievereisten die op basis van het bestaande Unierecht zijn vastgesteld.

2.   De lidstaten delen onverwijld elke ontwerphandeling waarbij een nieuw gegevenslokalisatievereiste wordt ingevoerd of een bestaand gegevenslokalisatievereiste wordt gewijzigd, mee aan de Commissie overeenkomstig de procedures waarin de artikelen 5, 6 en 7 van Richtlijn (EU) 2015/1535 voorzien.

3.   De lidstaten doen het nodige opdat alle bestaande in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van algemene strekking vastgelegde gegevenslokalisatievereisten die niet in overeenstemming zijn met lid 1 van dit artikel uiterlijk op 30 mei 2021 worden ingetrokken.

Bestaande maatregelen die gegevenslokalisatievereisten bevatten en die volgens een lidstaat in overeenstemming zijn met lid 1 van dit artikel en bijgevolg van toepassing kunnen blijven, dienen met opgave van de redenen daarvoor uiterlijk op 30 mei 2021 aan de Commissie te worden meegedeeld. Onverminderd artikel 258 VWEU beoordeelt de Commissie binnen zes maanden na ontvangst van een dergelijke mededeling of die maatregel in overeenstemming is met lid 1 van dit artikel en maakt zij ten aanzien van de betrokken lidstaat waar passend opmerkingen, waaronder zo nodig in de vorm van aanbevelingen tot wijziging of intrekking van de maatregel.

4.   De lidstaten maken de details van de in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van algemene strekking vastgelegde gegevenslokalisatievereisten, die op hun grondgebied van toepassing zijn, voor het publiek beschikbaar door middel van een centraal nationaal online-informatiepunt waarvan zij de actualiteit bewaken, of voorzien een overeenkomstig een andere Uniehandeling ingesteld centraal informatiepunt van actuele informatie over deze gegevensvereisten.

5.   De lidstaten delen de Commissie het adres mee van hun in lid 4 bedoelde centrale informatiepunt. De Commissie zet de koppeling(en) naar dit informatiepunt/deze informatiepunten op haar website, samen met een regelmatig bijgewerkte, geconsolideerde lijst van alle gegevenslokalisatievereisten als bedoeld in lid 4, met beknopte informatie over die vereisten.

Artikel 5

Beschikbaarheid van gegevens voor bevoegde autoriteiten

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten om met het oog op de uitvoering van hun taken om toegang tot gegevens te verzoeken en deze te verkrijgen overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht. De toegang tot gegevens mag bevoegde autoriteiten niet worden geweigerd op grond van het feit dat de gegevens in een andere lidstaat worden verwerkt.

2.   Wanneer een bevoegde autoriteit geen toegang tot gebruikersgegevens krijgt nadat zij hierom heeft verzocht, en indien er op grond van het Unierecht of internationale overeenkomsten geen specifiek samenwerkingsmechanisme bestaat voor de uitwisseling van gegevens tussen bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten, mag die bevoegde autoriteit overeenkomstig de in artikel 7 uiteengezette procedure om bijstand van een autoriteit in een andere lidstaat verzoeken.

3.   Wanneer een verzoek om bijstand met zich brengt dat de aangezochte autoriteit zich toegang moet verschaffen tot gebouwen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van dataverwerkingsapparatuur en -media, dient zulks te gebeuren met inachtneming van het Unierecht of het nationale procesrecht.

4.   De lidstaten mogen overeenkomstig het Unie- en nationale recht voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor de niet-nakoming van een verplichting om gegevens te verstrekken.

In het geval van rechtsmisbruik door een gebruiker mogen de lidstaten ten aanzien van die gebruiker, rekening houdend met de belangen van de betrokken partijen, strikt evenredige voorlopige maatregelen nemen, wanneer dit wordt gerechtvaardigd door de spoedeisendheid om toegang te verkrijgen tot de gegevens. Indien een voorlopige maatregel de relokalisatie van gegevens gedurende meer dan 180 dagen vanaf het begin van de relokalisatie oplegt, wordt deze binnen de periode van 180 dagen aan de Commissie meegedeeld. De Commissie bestudeert de maatregel en de verenigbaarheid ervan met het Unierecht zo spoedig mogelijk en neemt in voorkomend geval de nodige maatregelen. De Commissie wisselt informatie over ervaringen op dit gebied uit met de in artikel 7 bedoelde centrale aanspreekpunten van de lidstaten.

Artikel 6

Gegevensportabiliteit

1.   De Commissie zal het opstellen van zelfregulerende gedragscodes op Unieniveau („gedragscodes”) bevorderen en faciliteren, om bij te dragen aan een concurrerende gegevenseconomie op basis van de beginselen van transparantie en interoperabiliteit en terdege rekening houdend met open normen over onder meer de volgende aspecten:

a)

beste praktijken ter vergemakkelijking van het veranderen van dienstverlener en gegevensportabiliteit in een gestructureerde, algemeen gangbare en machineleesbare vorm, met inbegrip van open standaardformaten als dat noodzakelijk is of als de dienstverlener die de gegevens ontvangt, daarom verzoekt;

b)

minimale informatievereisten om ervoor te zorgen dat professionele gebruikers voor de sluiting van een gegevensverwerkingsovereenkomst voldoende gedetailleerde, duidelijke en transparante informatie krijgen over de toepasselijke processen, technische vereisten, termijnen en kosten wanneer professionele gebruikers van dienstverlener willen veranderen of gegevens terug naar hun eigen IT-systemen willen overdragen;

c)

benaderingen van certificeringsregelingen voor producten en diensten op het gebied van gegevensverwerking, teneinde professionele gebruikers de mogelijkheid te geven om de kwaliteit van deze producten en diensten beter te vergelijken, waarbij rekening wordt gehouden met gevestigde nationale of internationale normen; dergelijke benaderingen kunnen betrekking hebben op onder meer kwaliteitsbeheer, beheer van de informatiebeveiliging, beheer van de bedrijfscontinuïteit en milieubeheer;

d)

multidisciplinaire stappenplannen voor communicatie, teneinde de gedragscodes bij de betrokken belanghebbenden onder de aandacht te brengen.

2.   De Commissie ziet erop toe dat de gedragscodes worden uitgewerkt in nauwe samenwerking met alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van samenwerkingsverbanden van kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, gebruikers en verleners van clouddiensten.

3.   De Commissie spoort dienstverleners aan om de ontwikkeling van de gedragscodes uiterlijk op 29 november 2019 te voltooien en deze uiterlijk op 29 mei 2020 op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen.

Artikel 7

Procedure voor samenwerking tussen autoriteiten

1.   Elke lidstaat wijst een centraal aanspreekpunt aan dat voor de uitvoering van deze verordening samenwerkt met de aanspreekpunten van de andere lidstaten en met de Commissie. De lidstaten delen de Commissie mee welke instantie zij als centraal aanspreekpunt hebben aangewezen en brengen wijzigingen ter kennis van de Commissie.

2.   Bevoegde autoriteiten van een lidstaat die op grond van artikel 5, lid 2, bijstand van een andere lidstaat wensen om toegang tot gegevens te krijgen, dienen daartoe een gemotiveerd verzoek in bij het centrale aanspreekpunt van die andere lidstaat. Dit verzoek omvat een schriftelijke toelichting van de rechtvaardiging voor en rechtsgrondslag van de wens om toegang tot gegevens te verkrijgen.

3.   Het centrale aanspreekpunt gaat na welke autoriteit in zijn lidstaat bevoegd is en stuurt het in lid 2 bedoelde verzoek door naar die autoriteit.

4.   Zo spoedig mogelijk en binnen een termijn die in verhouding staat tot de urgentie van het verzoek verstrekt de aldus aangezochte bevoegde autoriteit een antwoord, waarin ofwel de gevraagde gegevens worden meegedeeld, ofwel aan de verzoekende bevoegde autoriteit wordt meegedeeld dat de aangezochte autoriteit van oordeel is dat het verzoek niet aan de uit deze verordening voortvloeiende voorwaarden voor verzoeken om bijstand voldoet.

5.   Alle informatie die in het kader van de verzochte bijstand wordt uitgewisseld en verstrekt overeenkomstig artikel 5, lid 2, wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van de aangelegenheid waarvoor zij is aangevraagd.

6.   De centrale aanspreekpunten verstrekken gebruikers algemene informatie over deze verordening, waaronder over de gedragscodes.

Artikel 8

Evaluatie en richtsnoeren

1.   Uiterlijk op 29 november 2022 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement, bij de Raad en bij het Europees Economisch en Sociaal Comité, waarin zij de tenuitvoerlegging van deze verordening evalueert, met name wat betreft:

a)

de toepassing van deze verordening, in het bijzonder de toepassing ervan op gegevenssets die bestaan uit zowel persoonsgegevens als niet-persoonsgebonden gegevens, met name in het licht van markt- en technologische ontwikkelingen waardoor meer mogelijkheden kunnen ontstaan om de anonimiteit van gegevens op te heffen;

b)

de tenuitvoerlegging van artikel 4, lid 1, door de lidstaten, en met name de uitzondering in verband met de openbare veiligheid, en

c)

de ontwikkeling en doeltreffende tenuitvoerlegging van de gedragscodes en de doeltreffende verstrekking van informatie door dienstverleners.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie de informatie die noodzakelijk is om het in lid 1 bedoelde verslag op te stellen.

3.   De Commissie publiceert uiterlijk op 29 mei 2019 richtsnoeren inzake de wisselwerking tussen deze verordening en Verordening (EU) 2016/679 wat betreft gegevenssets die bestaan uit zowel persoonsgegevens als niet-persoonsgebonden gegevens.

Artikel 9

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening wordt zes maanden na de bekendmaking ervan van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 14 november 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  PB C 227 van 28.6.2018, blz. 78.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 oktober 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 november 2018.

(3)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(4)  Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).

(5)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

(6)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(7)  Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6).

(8)  Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1).

(9)  Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89).

(10)  Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1).

(11)  Verdrag van de Raad van Europa, CETS nr. 185.

(12)  Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).

(13)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(14)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).

(15)  Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).


RICHTLIJNEN

28.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/69


RICHTLIJN (EU) 2018/1808 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 november 2018

tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1, en artikel 62,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De laatste materiële wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad (4), vervolgens gecodificeerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad (5), vond plaats in 2007 door middel van de vaststelling van Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (6). Sindsdien is de markt voor audiovisuele mediadiensten significant en snel veranderd als gevolg van de toenemende convergentie van televisie- en internetdiensten. Door technische ontwikkelingen zijn nieuwe types diensten en gebruikerservaringen mogelijk geworden. Kijkgewoontes, met name van jongere generaties, zijn aanzienlijk veranderd. Het televisiescherm blijft een belangrijk toestel voor het delen van audiovisuele ervaringen, maar veel kijkers zijn overgestapt op andere, draagbare toestellen waarop zij audiovisuele inhoud bekijken. Traditionele televisie-inhoud neemt nog steeds een belangrijk deel van de gemiddelde dagelijkse kijktijd voor zijn rekening.

Nieuwe types inhoud, zoals videoclips of door gebruikers gegenereerde inhoud, zijn echter steeds belangrijker geworden, en nieuwe spelers, waaronder aanbieders van diensten voor video-op-aanvraag en van videoplatforms, zijn intussen gevestigde waarden. Door deze convergentie van media is een gemoderniseerd rechtskader nodig om de marktontwikkelingen weer te geven en tot een evenwicht te komen tussen toegankelijkheid van online-inhoudsdiensten, consumentenbescherming en concurrentievermogen.

(2)

Op 6 mei 2015 heeft de Commissie een mededeling goedgekeurd met de titel „Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa”, waarin een herziening van Richtlijn 2010/13/EU werd aangekondigd.

(3)

Richtlijn 2010/13/EU moet uitsluitend van toepassing blijven op diensten met als hoofddoel de levering van programma's ter informatie, vermaak of educatie. De vereiste inzake het hoofddoel moet ook worden geacht te zijn nageleefd indien de dienst een audiovisuele inhoud en vorm heeft die kan worden afgescheiden van de hoofdactiviteit van de aanbieder van de diensten, zoals op zichzelf staande delen van onlinekranten die audiovisuele programma's of door gebruikers gegenereerde video's bevatten, wanneer die delen als afscheidbaar van hun hoofdactiviteit kunnen worden beschouwd. Een dienst moet worden geacht louter een niet-afscheidbare aanvulling op de hoofdactiviteit te vormen indien er een verband bestaat tussen het audiovisuele aanbod en de hoofdactiviteit, zoals het aanbieden van nieuws in schriftelijke vorm. Zodoende kunnen kanalen of andere audiovisuele diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder vallen, op zichzelf audiovisuele mediadiensten vormen, zelfs als deze worden aangeboden op een videoplatform waarvoor geen redactionele verantwoordelijkheid geldt. In dergelijke gevallen zijn het de aanbieders met redactionele verantwoordelijkheid die Richtlijn 2010/13/EU moeten naleven.

(4)

Videoplatformdiensten bieden audiovisuele inhoud aan die in toenemende mate wordt geraadpleegd door het algemene publiek, met name door jongeren. Dit is ook het geval met betrekking tot socialemediadiensten, die een belangrijk kanaal zijn geworden voor het delen van informatie en voor vermaak en educatie, onder meer door toegang te verstrekken tot programma's en door gebruikers gegenereerde video's. Die socialemediadiensten moeten onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/13/EU vallen omdat zij wedijveren om dezelfde doelgroepen en inkomsten als de audiovisuele mediadiensten. Voorts hebben zij ook in die zin een aanzienlijk effect dat zij de mogelijkheid voor gebruikers om de standpunten van andere gebruikers te vormen en te beïnvloeden, vergemakkelijken. Daarom moeten die diensten, ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van alle burgers tegen aanzetten tot haat, geweld en terrorisme, onder Richtlijn 2013/13/EU vallen voor zover en in de mate dat zij voldoen aan de definitie van videoplatformdienst.

(5)

Hoewel het doel van Richtlijn 2010/13/EU er niet in bestaat socialemediadiensten als zodanig te reguleren, moeten een socialemediadienst daaronder vallen indien de levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's een essentiële functie van die dienst vormen. De levering van programma's en door gebruikers gegenereerde video's kan worden beschouwd als een essentiële functie van de socialemediadienst indien de audiovisuele inhoud niet louter een aanvulling vormt op of een klein deel uitmaakt van de activiteiten van die socialemediadienst. Ter wille van de duidelijkheid, doeltreffendheid en consistentie bij de uitvoering ervan, moet de Commissie, indien nodig, na raadpleging van het contactcomité, richtsnoeren opstellen betreffende de praktische toepassing van het criterium van de essentiële functie als bedoeld in de definitie van „videoplatformdienst”. Die richtsnoeren moeten worden opgesteld met inachtneming van de doelstellingen van algemeen belang die moeten worden bereikt door de door aanbieders van videoplatforms te nemen maatregelen en het recht op vrijheid van meningsuiting.

(6)

Wanneer een afscheidbaar gedeelte van een dienst voor de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU een videoplatformdienst vormt, moet enkel dat gedeelte onder de bepalingen van die richtlijn vallen die van toepassing zijn op videoplatforms, en uitsluitend ten aanzien van programma's en door gebruikers gegenereerde video's. Videoclips die zijn ingebed in de redactionele inhoud van elektronische versies van kranten en tijdschriften, en bewegende beelden zoals GIF's mogen niet onder Richtlijn 2010/13/EU te vallen. De definitie van videoplatformdienst mag geen betrekking hebben op niet-economische activiteiten zoals het aanbieden van audiovisuele inhoud op websites van particulieren en niet-commerciële groepen met gemeenschappelijke belangen.

(7)

Om de doeltreffende uitvoering van Richtlijn 2010/13/EU te waarborgen, is het van essentieel belang dat de lidstaten actuele gegevens bijhouden betreffende onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten en aanbieders van videoplatforms en dat zij die regelmatig delen met hun bevoegde onafhankelijke regulerende instanties of organen en de Commissie. Deze gegevens moeten informatie omvatten over de criteria waarop deze bevoegdheid is gebaseerd.

(8)

Voor de vaststelling van de bevoegdheid dient een beoordeling van de feitelijke situaties aan de hand van de criteria van Richtlijn 2010/13/EU te worden uitgevoerd. De beoordeling van die feitelijke situaties kan tegenstrijdige resultaten opleveren. Bij de toepassing van in die richtlijn bedoelde samenwerkingsprocedures is het van belang dat de Commissie haar bevindingen op betrouwbare feiten kan baseren. De Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (European Regulators Group for Audiovisual Media Services – „ERGA”) dient daarom te worden gemachtigd om op verzoek van de Commissie adviezen betreffende de bevoegdheid te verstrekken. Indien de Commissie bij de toepassing van die samenwerkingsprocedures besluit om ERGA te raadplegen, dient zij het contactcomité te informeren, onder meer over kennisgevingen van lidstaten in het kader van deze samenwerkingsprocedures, en over het advies van ERGA.

(9)

Voor zowel lineaire als niet-lineaire diensten dienen dezelfde procedures en voorwaarden voor het beperken van de vrijheid van het verrichten en ontvangen van audiovisuele mediadiensten te gelden.

(10)

Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het „Hof”) kan de krachtens het Verdrag gegarandeerde vrijheid om diensten te verrichten worden beperkt om dwingende redenen van algemeen belang, zoals het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming, op voorwaarde dat dergelijke beperkingen gerechtvaardigd, evenredig en noodzakelijk zijn. Derhalve dient een lidstaat bepaalde maatregelen te kunnen nemen om te zorgen voor de eerbiediging van zijn regels inzake consumentenbescherming die niet onder de door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden vallen. De door een lidstaat genomen maatregelen tot handhaving van zijn nationale regeling inzake consumentenbescherming, ook met betrekking tot reclame voor kansspelen, zullen gerechtvaardigd, evenredig aan het nagestreefde doel en noodzakelijk moeten zijn, zoals vereist in de jurisprudentie van het Hof. In elk geval mag een lidstaat van ontvangst geen maatregelen treffen die ertoe zouden leiden dat de doorgifte op zijn grondgebied van televisie- uitzendingen uit een andere lidstaat wordt voorkomen.

(11)

Wanneer een lidstaat aan de Commissie meldt dat een aanbieder van mediadiensten zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om de strengere voorschriften op door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden te omzeilen - voorschriften die op die aanbieder van toepassing zouden zijn indien hij in de kennisgevende lidstaat zou zijn gevestigd - moet hij geloofwaardige en met bewijsmateriaal gestaafde informatie in die zin verstrekken. Dat bewijsmateriaal dient in detail een reeks bevestigende feiten toe te lichten zodat de omzeiling redelijkerwijs kan worden vastgesteld.

(12)

In haar mededeling aan het Europees Parlement en de Raad „Betere regelgeving voor betere resultaten - Een EU-agenda”, heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij het onderzoeken van beleidsoplossingen zou kijken naar zowel regelgevende maatregelen als niet-regelgevende instrumenten, waarbij wordt uitgegaan van de communautaire praktijk en de beginselen voor betere zelf- en coregulering. Bij meerdere gedragscodes die zijn vastgesteld op de door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden is gebleken dat deze overeenkomstig de beginselen voor betere zelf- en coregulering goed doordacht zijn. De aanwezigheid van een achtervangregeling op wetgevingsgebied werd beschouwd als een belangrijke succesfactor bij het bevorderen van de naleving van gedragscodes op basis van zelf- of coregulering. Van even groot belang is dat dergelijke gedragscodes specifieke streefcijfers en doelstellingen omvatten, zodat regelmatige, transparante en onafhankelijke monitoring en evaluatie van de door de gedragscodes nagestreefde doelstellingen mogelijk is. De gedragscodes moeten ook voorzien in doeltreffende handhaving. Met deze beginselen dient rekening te worden gehouden in de zelf- of coreguleringscodes die worden vastgesteld op de door Richtlijn 2010/13/EU gecoördineerde gebieden.

(13)

De ervaring heeft uitgewezen dat zowel zelf- als coreguleringsinstrumenten die worden toegepast overeenkomstig de verschillende wetgevingstradities van de lidstaten, een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming. Maatregelen ter verwezenlijking van doelen van algemeen belang in de opkomende sector van audiovisuele mediadiensten zijn doeltreffender als zij worden genomen met actieve steun van de aanbieders van de diensten zelf.

(14)

Zelfregulering is een soort vrijwillig initiatief dat economische actoren, de sociale partners, niet-gouvernementele organisaties en verenigingen in staat stelt onderling en voor zichzelf gezamenlijke richtsnoeren vast te stellen. Zij zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling, de monitoring, en handhaving van de naleving van die richtsnoeren. De lidstaten moeten, overeenkomstig hun uiteenlopende rechtstradities, de rol erkennen die doeltreffende zelfregulering kan spelen als aanvulling op de bestaande wetgevende, gerechtelijke en bestuursrechtelijke mechanismen, alsook de nuttige bijdrage die zij kan leveren tot verwezenlijking van de doelen van Richtlijn 2010/13/EU. Zelfregulering kan dus een aanvullende manier zijn om bepaalde voorschriften van Richtlijn 2010/13/EU toe te passen, maar mag niet in de plaats treden van de verplichtingen van de nationale wetgever. Coregulering in haar minimale vorm verschaft een juridische schakel tussen zelfregulering en de nationale wetgever overeenkomstig de wetgevingstradities van de lidstaten. Bij coregulering wordt de regulerende rol gedeeld tussen de belanghebbenden en de regering of de nationale regulerende instanties of organen. De rol van de relevante overheidsinstanties omvat dus de erkenning van de coreguleringsregeling, de controle van de processen ervan en de financiering van de regeling. Coregulering dient de mogelijkheid te bieden voor overheidsoptreden indien de doelstellingen ervan niet worden bereikt. Onverminderd de formele verplichtingen van de lidstaten inzake omzetting moedigt Richtlijn 2010/13/EU het gebruik van zelf en coregulering aan. Dit verplicht de lidstaten echter niet te voorzien in zelf- of coreguleringsregimes, of beide, en mag evenmin leiden tot het verstoren of in gevaar brengen van reeds bestaande, doeltreffend functionerende coreguleringsinitiatieven in de lidstaten.

(15)

Transparantie inzake media-eigendom houdt rechtstreeks verband met de vrijheid van meningsuiting, een hoeksteen van democratische stelsels. Informatie over de eigendomsstructuur van aanbieders van mediadiensten, wanneer die eigendom resulteert in de controle over of de uitoefening van een aanzienlijke invloed op de inhoud van de aangeboden diensten, stelt gebruikers in staat geïnformeerd te oordelen over die inhoud. De lidstaten dienen zelf te kunnen bepalen of en in hoeverre informatie over de eigendomsstructuur van een aanbieder van mediadiensten toegankelijk moet zijn voor gebruikers, op voorwaarde dat de wezenlijke inhoud van de betrokken grondrechten en fundamentele vrijheden wordt geëerbiedigd en die maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn.

(16)

Vanwege het specifieke karakter van audiovisuele mediadiensten, in het bijzonder het effect van die diensten op de wijze waarop mensen opinies vormen, hebben gebruikers er een legitiem belang bij te weten wie voor de inhoud van die diensten verantwoordelijk is. Teneinde vrijheid van meningsuiting te versterken en, bij uitbreiding, pluralisme in de media te bevorderen en belangenconflicten te vermijden, is het belangrijk dat de lidstaten ervoor zorgen dat de gebruikers te allen tijde gemakkelijk en rechtstreeks toegang hebben tot de informatie over de aanbieder van mediadiensten. Het is aan de lidstaten om dit te bepalen, met name wat betreft de informatie die kan worden verstrekt over eigendomsstructuur en uiteindelijke begunstigden.

(17)

Met het oog op het waarborgen van samenhang en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten dient het begrip „aanzetten tot geweld of haat” op passende wijze te worden begrepen in de zin van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad (7).

(18)

Gezien de evolutie van de middelen waarmee inhoud via elektronische-communicatienetwerken wordt verspreid, is het belangrijk om het algemene publiek te beschermen tegen het aanzetten tot terrorisme. Richtlijn 2010/13/EU moet er derhalve voor zorgen dat audiovisuele mediadiensten niet het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf omvatten. Met het oog op het waarborgen van samenhang en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven en de autoriteiten van de lidstaten dient het begrip „publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf” te worden begrepen in de zin van Richtlijn (EU) 2017/541van het Europees Parlement en de Raad (8).

(19)

Om de kijkers, waaronder ouders en minderjarigen, in staat te stellen weloverwogen besluiten te nemen over de inhoud die zij willen bekijken, moeten de aanbieders van mediadiensten voldoende informatie verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een systeem van inhoudsbeschrijvingen, een akoestische waarschuwing, een visueel symbool of een ander middel ter nadere omschrijving van de aard van de inhoud.

(20)

De passende maatregelen voor de bescherming van minderjarigen die van toepassing zijn op televisie-uitzendingen, moeten ook gelden voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Dat moet het niveau van bescherming verhogen. De benadering van minimale harmonisatie biedt de lidstaten de mogelijkheid een hoger niveau van bescherming te ontwikkelen voor inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. De meest schadelijke inhoud, die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten maar niet noodzakelijkerwijs strafbaar is, moet onderworpen zijn aan de strengste maatregelen zoals versleuteling en doeltreffend ouderlijk toezicht, waarbij de mogelijkheid voor de lidstaten tot het vaststellen van strengere maatregelen onverlet wordt gelaten.

(21)

In Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (9) wordt onderkend dat kinderen specifieke bescherming behoeven in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens. Het instellen van kinderbeschermingsmechanismen door aanbieders van mediadiensten leidt onvermijdelijk tot de verwerking van de persoonsgegevens van minderjarigen. Aangezien die mechanismen zijn gericht op het beschermen van kinderen, mogen persoonsgegevens van minderjarigen die in het kader van technische kinderbeschermingsmaatregelen worden verwerkt, niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt.

(22)

Het waarborgen van de toegankelijkheid van audiovisuele inhoud behoort tot de essentiële vereisten in het kader van de uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap aangegane verplichtingen. In het kader van Richtlijn 2010/13/EU dient het begrip „personen met een handicap” te worden uitgelegd in het licht van de aard van de onder deze richtlijn vallende diensten, te weten audiovisuele mediadiensten. Het recht van personen met een beperking en van ouderen om te participeren en te integreren in het maatschappelijke en culturele leven van de Unie houdt verband met het aanbieden van toegankelijke audiovisuele mediadiensten. De lidstaten dienen dan ook onverwijld te verzekeren dat aanbieders van mediadiensten die onder hun bevoegdheid vallen, er actief naar streven om inhoud toegankelijk te maken voor personen met een handicap, in het bijzonder een visuele of auditieve beperking. Toegankelijkheidsvereisten moeten door middel van een gestaag en continu proces worden gerealiseerd, rekening houdend met de praktische en onvermijdelijke beperkingen die volledige toegankelijkheid in de weg kunnen staan, zoals programma's of evenementen die rechtstreeks worden uitgezonden. Om de vooruitgang te meten die aanbieders van mediadiensten hebben geboekt bij het geleidelijk toegankelijk maken van hun diensten voor personen met een visuele of auditieve handicap, moeten de lidstaten op hun grondgebied gevestigde aanbieders van mediadiensten verplichten regelmatig verslag uit te brengen.

(23)

De middelen om in het kader van Richtlijn 2010/13/EU de toegankelijkheid van audiovisuele mediadiensten te verwezenlijken, dienen minstens gebarentaal, ondertiteling voor doven en slechthorenden, gesproken ondertiteling en audiodescriptie te omvatten. Die richtlijn heeft echter geen betrekking op de kenmerken of diensten die toegang verschaffen tot audiovisuele mediadiensten, en evenmin op de toegankelijkheid van elektronische programmagidsen („EPG's”). Die richtlijn doet dan ook geen afbreuk aan Uniewetgeving die is gericht op het harmoniseren van de toegankelijkheid van diensten die toegang verschaffen tot audiovisuele mediadiensten, zoals websites, onlinetoepassingen en EPG's, of informatie verstrekken over toegankelijkheid en in toegankelijke vormen.

(24)

In sommige gevallen is het niet mogelijk noodinformatie te verstrekken op een wijze die toegankelijk is voor personen met een handicap. Dergelijke uitzonderlijke gevallen mogen echter niet verhinderen dat noodinformatie via audiovisuele mediadiensten openbaar wordt gemaakt.

(25)

Richtlijn 2010/13/EU doet geen afbreuk aan het vermogen van de lidstaten om verplichtingen op te leggen ter waarborging van passende zichtbaarheid van inhoud van algemeen belang op grond van gedefinieerde doelstellingen betreffende het algemeen belang, zoals pluralisme in de media, vrijheid van meningsuiting en culturele diversiteit. Die verplichtingen dienen uitsluitend te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht duidelijk gedefinieerde doelstellingen van algemeen belang. Wanneer lidstaten besluiten om voorschriften inzake passende zichtbaarheid op te leggen, dienen zij uitsluitend evenredige verplichtingen aan ondernemingen op te leggen die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

(26)

Om de redactionele verantwoordelijkheid van aanbieders van mediadiensten en de audiovisuele waardeketen te beschermen, is het van essentieel belang in staat te zijn de integriteit van de programma's en audiovisuele mediadiensten, geleverd door aanbieders van mediadiensten, te kunnen waarborgen. Programma's en audiovisuele mediadiensten mogen niet ingekort, gewijzigd of onderbroken of met een overlay voor commerciële doeleinden, worden uitgezonden, tenzij de aanbieders van mediadiensten daarvoor uitdrukkelijk toestemming verlenen. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat voor overlays waartoe de ontvanger van de dienst voor privégebruik het initiatief heeft genomen of de toestemming heeft verleend, zoals overlays die voortvloeien uit diensten voor individuele communicatie, geen toestemming van de aanbieder van mediadiensten nodig is. Besturingselementen van gebruikersinterfaces die nodig zijn om het apparaat te bedienen of tussen de programma's te navigeren, zoals volumebalkjes, zoekfuncties, navigatiemenu's of lijsten van kanalen, mogen hier niet onder te vallen. Ook legitieme overlays zoals waarschuwingen, informatie van algemeen belang, ondertiteling of commerciële communicatie die door de aanbieder van mediadiensten wordt aangeboden, mogen niet onder de bepaling vallen. Onverminderd artikel 3, lid3, van Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad (10) mogen datacompressietechnieken die de omvang van een gegevensbestand verkleinen en andere technieken die een dienst aan de distributiewijze aanpassen (zoals resolutie en codering), zonder de inhoud te wijzigen, niet onder de bepaling te vallen.

Maatregelen ter bescherming van de integriteit van programma's en audiovisuele mediadiensten dienen te worden opgelegd voor zover deze noodzakelijk zijn om te voldoen aan door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht duidelijk gedefinieerde doelstellingen van algemeen belang. Met zulke maatregelen dienen evenredige verplichtingen aan ondernemingen te worden opgelegd die het belang van gerechtvaardigde overwegingen van openbaar beleid dienen.

(27)

Met uitzondering van sponsoring en productplaatsing, moet audiovisuele commerciële communicatie over alcoholhoudende dranken in audiovisuele mediadiensten op aanvraag voldoen aan de criteria die van toepassing zijn op televisiereclame en telewinkelen met betrekking tot alcoholhoudende dranken zoals vastgelegd in Richtlijn 2010/13/EU. De gedetailleerdere criteria voor televisiereclame en telewinkelen met betrekking tot alcoholhoudende dranken worden beperkt tot reclamespots, die door hun aard los staan van het programma, en sluiten dus andere commerciële communicatie uit die gekoppeld zijn aan het programma of er een integraal onderdeel van vormen, zoals sponsoring en productplaatsing. Die criteria mogen derhalve niet van toepassing zijn op sponsoring en productplaatsing in audiovisuele mediadiensten op aanvraag.

(28)

Op nationaal en internationaal niveau bestaan er algemeen erkende richtsnoeren inzake voedingswaarde, zoals het model voor voedingsprofielen van het Regionaal Bureau voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarmee in de context van voor kinderen bestemde televisiereclame voor voedingsmiddelen een onderscheid wordt gemaakt tussen voedingsmiddelen op basis van de nutritionele samenstelling. De lidstaten moeten worden aangemoedigd te waarborgen dat zelf- en coregulering, onder meer via gedragscodes, worden benut voor het daadwerkelijk verminderen van de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende voedingsmiddelen en dranken die een hoog gehalte aan zout, suikers, vetten, verzadigde vetten of transvetzuren bevatten of die om andere redenen niet voldoen aan die nationale of internationale voedingsrichtsnoeren.

(29)

De lidstaten dienen eveneens te worden aangemoedigd te waarborgen dat gedragscodes op basis van zelf- en coregulering worden benut om de blootstelling van kinderen en minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholische dranken daadwerkelijk te verminderen. Op Unie- en nationaal niveau bestaan er bepaalde systemen op basis van zelf- of coregulering, die zijn gericht op de verantwoorde marketing van alcoholische dranken, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie. Deze systemen dienen verder te worden aangemoedigd, met name wanneer zij tot doel hebben te waarborgen dat audiovisuele commerciële communicatie betreffende alcoholhoudende dranken vergezeld gaat van boodschappen inzake verantwoord drinken.

(30)

Het is belangrijk dat minderjarigen op doeltreffende wijze worden beschermd tegen blootstelling aan audiovisuele commerciële communicatie ter promotie van kansspelen. In dit verband bestaan er op Unie- en nationaal niveau verscheidene systemen op basis van zelf- of coregulering voor de bevordering van verantwoorde kansspelen, onder meer in audiovisuele commerciële communicatie.

(31)

Teneinde belemmeringen voor het vrije verkeer van grensoverschrijdende diensten in de Unie weg te nemen, moet de doeltreffendheid van maatregelen op basis van zelf- en coregulering die met name gericht zijn op de bescherming van consumenten of de volksgezondheid, worden gewaarborgd.

(32)

De markt voor televisieomroepdiensten heeft een ontwikkeling doorgemaakt en er is derhalve behoefte aan meer flexibiliteit met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie, met name wat betreft kwantitatieve voorschriften voor lineaire audiovisuele mediadiensten en productplaatsing. De opkomst van nieuwe diensten, waaronder diensten zonder reclame, heeft ertoe geleid dat de kijkers meer keuze hebben en gemakkelijker op alternatieve aanbiedingen kunnen overstappen.

(33)

De liberalisering van productplaatsing heeft niet geleid tot het verwachte gebruik van deze vorm van audiovisuele commerciële communicatie. Met name heeft het algemene verbod op productplaatsing, ofschoon met enkele uitzonderingen, niet geleid tot rechtszekerheid voor de aanbieders van mediadiensten. Productplaatsing dient derhalve te worden toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten, waarbij rekening dient te worden gehouden met uitzonderingen.

(34)

Productplaatsing mag niet worden toegestaan in nieuws- en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's. Met name is gebleken dat productplaatsing en ingebedde reclame het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden aangezien kinderen dikwijls niet in staat zijn om de commerciële inhoud te herkennen. Het verbod op productplaatsing in kinderprogramma's moet daarom in stand worden gehouden. Programma's over consumentenzaken zijn programma's waarin advies aan de kijkers wordt gegeven of die beoordelingen betreffende de aankoop van producten en diensten omvatten. Als productplaatsing in dergelijke programma's wordt toegestaan, zouden de kijkers, die in dergelijke programma's wellicht een echte en eerlijke beoordeling van producten of diensten verwachten, moeilijker een onderscheid kunnen maken tussen reclame en redactionele inhoud.

(35)

Aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag dienen de productie en distributie van Europese producties te bevorderen door ervoor te zorgen dat hun catalogi een minimumaandeel aan Europese producties bevatten en dat daaraan voldoende aandacht wordt besteed. Het aanmerken in de metagegevens van audiovisuele inhoud die onder de noemer Europese producties valt, dient te worden aangemoedigd zodat die metagegevens beschikbaar zijn voor aanbieders van mediadiensten. Aandacht omvat het bevorderen van Europese producties door de toegang tot deze werken te faciliteren. Aandacht kan worden verzekerd op verschillende manieren, zoals een vanaf de startpagina van de dienst toegankelijke aan Europese producties gewijde sectie, de mogelijkheid in de als onderdeel van die dienst beschikbare zoekfunctie naar Europese producties te zoeken, het gebruik van Europese producties in de campagnes van die dienst of een minimumpercentage Europese producties die in de catalogus van die dienst worden aanbevolen, bijvoorbeeld door gebruik van banners of vergelijkbare instrumenten.

(36)

Opdat in Europese producties voldoende wordt geïnvesteerd, dienen de lidstaten in staat te zijn financiële verplichtingen op te leggen aan op hun grondgebied gevestigde aanbieders van mediadiensten. Deze verplichtingen kunnen bestaan uit rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties. De lidstaten zouden ook heffingen ten gunste van een fonds kunnen opleggen op basis van inkomsten die worden gegenereerd door audiovisuele mediadiensten die worden geleverd op en gericht zijn op hun grondgebied. Deze richtlijn voorziet erin dat, gezien het rechtstreekse verband tussen financiële verplichtingen en het uiteenlopende culturele beleid van de lidstaten, een lidstaat dergelijke financiële verplichtingen ook mag opleggen aan in een andere lidstaat gevestigde aanbieders van mediadiensten die op het grondgebied van die lidstaat zijn gericht. In dat geval moeten de financiële verplichtingen enkel worden geheven op de inkomsten die gegenereerd zijn via het publiek in de lidstaat waarop de diensten zijn gericht. Aanbieders van mediadiensten die moeten bijdragen aan filmfinancieringsregelingen in een lidstaat waarop de diensten gericht zijn, moeten, zelfs als zij in die lidstaat geen vestiging hebben, op niet-discriminerende wijze de steun kunnen genieten die beschikbaar is in het kader van de desbetreffende filmfinancieringsregelingen voor aanbieders van mediadiensten.

(37)

Omroepen investeren tegenwoordig meer in Europese audiovisuele producties dan aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Als een lidstaat waarop de diensten gericht zijn, besluit een omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een andere lidstaat valt, een financiële verplichting op te leggen, dient er rekening te worden gehouden met de rechtstreekse bijdragen aan de totstandbrenging van Europese producties en aan de verwerving van rechten betreffende Europese producties, in het bijzonder coproducties, die door die omroeporganisatie worden geleverd, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om, overeenkomstig hun cultureel beleid en als een en ander verenigbaar is met staatssteunregels, de hoogte vast te stellen van de financiële bijdragen die onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verschuldigd zijn.

(38)

Bij de individuele beoordeling of een in een andere lidstaat gevestigde audiovisuele mediadienst op aanvraag is gericht op een publiek op het grondgebied van de betrokken lidstaat, dient die lidstaat te verwijzen naar indicatoren zoals reclame of andere promotieactiviteiten die specifiek op klanten op zijn grondgebied zijn gericht, de voornaamste taal van de dienst of de aanwezigheid van inhoud of commerciële communicatie die specifiek gericht is op het publiek in de lidstaat van ontvangst.

(39)

Wanneer een lidstaat aanbieders van mediadiensten verplicht tot financiële bijdragen, dienen die bijdragen te worden ingezet voor een adequate bevordering van Europese producties, waarbij moet worden vermeden dat aanbieders van mediadiensten dubbele verplichtingen worden opgelegd. Indien de lidstaat waar de aanbieder van mediadiensten is gevestigd een dergelijke financiële bijdrage oplegt, dient deze lidstaat rekening te houden met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten gericht zijn.

(40)

Om ervoor te zorgen dat verplichtingen inzake de bevordering van Europese producties de marktontwikkeling niet ondermijnen en om de toetreding van nieuwe marktdeelnemers mogelijk te maken, mogen dergelijke vereisten niet te gelden voor aanbieders zonder significante aanwezigheid op de markt. Dit is met name het geval voor aanbieders met een lage omzet of een klein publiek. Een publiek kan bijvoorbeeld als klein worden aangemerkt op basis van kijktijd of verkoop, afhankelijk van de aard van de dienst, terwijl om een omzet als laag aan te merken rekening moet worden gehouden met de verschillen in omvang van de audiovisuele markten in de lidstaten. Het zou evenmin passend zijn die verplichtingen op te leggen in gevallen waarin deze, gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele mediadiensten, onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn.

(41)

Het is belangrijk dat de omroeporganisaties meer flexibiliteit krijgen en in staat worden gesteld te beslissen wanneer zij reclame invoegen, zodat de vraag van de adverteerders en de kijkersstroom worden gemaximaliseerd. Het is echter ook noodzakelijk om in dit verband een voldoende hoog niveau van consumentenbescherming in stand te houden aangezien kijkers door die flexibiliteit mogelijk aan een buitensporige hoeveelheid reclame worden blootgesteld tijdens primetime. Daarom dienen er tussen 6.00 uur en 18.00 uur en tussen 18.00 en 24.00 uur specifieke beperkingen te gelden.

(42)

Neutrale frames scheiden redactionele inhoud van televisiereclame- of telewinkelspots en scheiden eveneens de afzonderlijke spots van elkaar. De kijker kan op die manier duidelijk zien wanneer het ene soort audiovisuele inhoud eindigt en het andere begint. Verduidelijkt moet worden dat neutrale frames worden uitgezonderd van de kwantitatieve beperkingen voor televisiereclame. Reden hiervoor is dat de tijd voor de neutrale frames aldus niet van de reclametijd afgaat en er dus geen derving van reclame-inkomsten plaatsvindt.

(43)

De zendtijd die is toegewezen aan aankondigingen door de omroeporganisatie in verband met haar eigen programma's en met rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten of aan mededelingen van de overheid en liefdadigheidsinstanties die gratis worden uitgezonden, met uitzondering van de kosten die worden gemaakt voor het uitzenden van die oproepen, mag niet tot de maximale zendtijd voor televisiereclame en telewinkelen te worden gerekend. Daarnaast maken veel omroepen deel uit van grotere omroeporganisaties en zenden zij boodschappen uit die niet alleen betrekking hebben op hun eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten, maar ook op programma's en audiovisuele mediadiensten van andere entiteiten die tot dezelfde omroeporganisatie behoren. Zendtijd die is toegewezen aan die boodschappen dient evenmin tot de maximale zendtijd voor televisiereclame en telewinkelen te worden gerekend.

(44)

De aanbieders van videoplatforms op wie Richtlijn 2010/13/EU betrekking heeft, leveren diensten van de informatiemaatschappij in de zin van Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (11). Indien deze aanbieders in een lidstaat zijn gevestigd, moeten zij derhalve de bepalingen betreffende de interne markt van die richtlijn naleven. Het is passend ervoor te zorgen dat dezelfde voorschriften ook van toepassing zijn op aanbieders van videoplatforms die niet in een lidstaat zijn gevestigd, teneinde de doeltreffendheid van de in Richtlijn 2010/13/EU vastgestelde maatregelen ter bescherming van minderjarigen en het algemene publiek te waarborgen en zoveel mogelijk te zorgen voor een gelijk speelveld, voor zover dergelijke aanbieders een moederbedrijf of een dochteronderneming met vestiging in een lidstaat hebben of wanneer dergelijke aanbieders deel uitmaken van een groep en een andere onderneming van die groep in een lidstaat is gevestigd. Derhalve dienen de definities vervat in Richtlijn 2010/13/EU op beginselen gebaseerd te zijn en ervoor te zorgen dat een onderneming zich niet aan de toepassing van die richtlijn kan onttrekken door een groepsstructuur te creëren met verschillende lagen ondernemingen die binnen of buiten de Unie zijn gevestigd. De Commissie dient te worden ingelicht over de aanbieders die onder de bevoegdheid van elke lidstaat vallen, op grond van de voorschriften inzake vestiging bepaald in Richtlijnen 2000/31/EG en 2010/13/EU.

(45)

Er dienen zich nieuwe uitdagingen aan, met name in verband met videoplatforms waarop gebruikers, en met name minderjarigen, in toenemende mate gebruikmaken van audiovisuele inhoud. In deze context geven schadelijke inhoud en haatzaaiende uitlatingen die op videoplatforms worden aangeboden, steeds vaker aanleiding tot bezorgdheid. Teneinde minderjarigen en het algemene publiek tegen die inhoud te beschermen, moeten er betreffende deze kwesties evenredige voorschriften worden vastgesteld.

(46)

Voor commerciële communicatie op videoplatformdiensten zijn reeds voorschriften vastgesteld in Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (12), op basis waarvan oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten verboden zijn, met inbegrip van misleidende en agressieve praktijken die zich voordoen bij diensten van de informatiemaatschappij.

Wat betreft commerciële communicatie betreffende tabaks- en aanverwante producten op videoplatforms, wordt gewaarborgd dat de consumenten afdoende worden beschermd tegen tabaks- en aanverwante producten door de in Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) vastgestelde verbodsbepalingen, alsmede door de verbodsbepalingen die overeenkomstig Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad (14) van toepassing zijn op commerciële communicatie betreffende elektronische sigaretten en navulverpakkingen. Aangezien gebruikers in toenemende mate een beroep doen op videoplatformdiensten om toegang te krijgen tot audiovisuele inhoud, moet er gezorgd worden voor een afdoend niveau van consumentenbescherming door de regels betreffende audiovisuele commerciële communicatie in passende mate op elkaar af te stemmen voor alle aanbieders. Daarom is het belangrijk dat audiovisuele commerciële communicatie op videoplatforms duidelijk wordt geïdentificeerd en een reeks minimale kwaliteitsvereisten respecteert.

(47)

Een belangrijk deel van de op videoplatformdiensten aangeboden inhoud valt niet onder de redactionele verantwoordelijkheid van de aanbieders van videoplatforms. Gewoonlijk bepalen deze aanbieders echter de wijze van organisatie van de inhoud, namelijk programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie, onder meer met automatische middelen of algoritmen. Die aanbieders dienen daarom verplicht te worden passende maatregelen te treffen om minderjarigen te beschermen tegen inhoud die hun lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling kan aantasten. Zij moeten ook verplicht worden passende maatregelen te treffen ter bescherming van het algemene publiek tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op één van de gronden bedoeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het „Handvest”), of waarvan de verspreiding een strafbaar feit is krachtens het Unierecht.

(48)

Gezien de aard van de betrokkenheid van de aanbieders bij de op videoplatformdiensten aangeboden inhoud, dienen de passende maatregelen ter bescherming van minderjarigen en het algemene publiek betrekking te hebben op de wijze waarop de inhoud is georganiseerd en niet op de inhoud als zodanig. De met betrekking daartoe in Richtlijn 2010/13/EU vastgestelde vereisten dienen daarom de artikelen 12 tot en met 14 van Richtlijn 2000/31/EG onverlet te laten, die voorzien in een vrijstelling van aansprakelijkheid met betrekking tot illegale informatie die wordt uitgezonden of automatisch, tussentijds en tijdelijk wordt opgeslagen, of wordt opgeslagen door bepaalde aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij. Bij de levering van diensten die onder de artikel 12 tot en met 14 van Richtlijn 2000/31/EG vallen, dienen die vereisten te gelden onverminderd artikel 15 van die richtlijn, op grond waarvan aan dergelijke aanbieders geen algemene verplichtingen mogen worden opgelegd om toe te zien op dergelijke informatie, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, wat echter niet geldt voor toezichtverplichtingen in specifieke gevallen en met name geen afbreuk doet aan maatregelen van nationale autoriteiten in overeenstemming met nationaal recht.

(49)

Het is wenselijk om de aanbieders van videoplatforms zo veel mogelijk te betrekken bij de uitvoering van de op grond van Richtlijn 2010/13/EU te treffen passende maatregelen. Coregulering dient daarom te worden aangemoedigd. Aanbieders van videoplatforms moeten ook over de mogelijkheid blijven beschikken om op vrijwillige basis strengere maatregelen te treffen in overeenstemming met het Unierecht, met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting en informatie en van pluralisme in de media.

(50)

Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces zijn grondrechten die zijn opgenomen in artikel 47 van het Handvest. De bepalingen van Richtlijn 2010/13/EU mogen derhalve niet aldus te worden uitgelegd dat partijen verhinderd zouden worden hun recht op toegang tot de rechter uit te oefenen.

(51)

Wanneer overeenkomstig Richtlijn 2010/13/EU passende maatregelen worden getroffen ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke inhoud en van het algemene publiek tegen inhoud waarin wordt aangezet tot geweld, haat en terrorisme, moeten deze nauwkeurig worden afgewogen ten opzichte van de toepasselijke grondrechten die zijn vastgesteld in het Handvest. Met name en naargelang het geval dient rekening te worden gehouden met het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, met de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het verbod op discriminatie en de rechten van het kind.

(52)

Het contactcomité wil een doeltreffende uitvoering van Richtlijn 2010/13/EU bevorderen en moet daarom geregeld worden geraadpleegd over alle praktische problemen die voortvloeien uit de toepassing ervan. De werkzaamheden van het contactcomité mogen niet beperkt blijven tot het bestaande audiovisueel beleid, maar dienen ook de relevante ontwikkelingen in deze sector te omvatten. Het contactcomité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de relevante nationale autoriteiten van de lidstaten. De lidstaten worden aangemoedigd om bij de benoeming van hun vertegenwoordigers de genderpariteit in de samenstelling van het contactcomité te bevorderen.

(53)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun nationale regulerende instanties of organen juridisch van de overheid zijn gescheiden. Dit mag de lidstaten er echter niet van weerhouden toezicht uit te oefenen overeenkomstig hun nationale grondwet. De nationale regulerende instanties of organen worden geacht de vereiste mate van onafhankelijkheid te hebben bereikt indien deze instanties of organen, inclusief die welke als overheidsinstantie of -orgaan zijn ingesteld, functioneel en daadwerkelijk onafhankelijk zijn van hun respectieve overheden en van alle andere openbare of particuliere organen. Dit wordt als cruciaal beschouwd om te waarborgen dat de besluiten van nationale regulerende instanties of organen onpartijdig zijn. Het vereiste van onafhankelijkheid laat onverlet dat de lidstaten regulerende instanties kunnen instellen die toezicht houden op meerdere sectoren, zoals de audiovisuele en de telecommunicatiesector. Nationale regulerende instanties of organen moeten beschikken over de handhavingsbevoegdheden en middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken wat betreft personeel, deskundigheid en financiële middelen. Bij de uitvoering van activiteiten door op grond van Richtlijn 2010/13/EU opgerichte nationale regulerende instanties of organen dient rekening te worden gehouden met de doelstellingen betreffende pluralisme van de media, culturele diversiteit, consumentenbescherming, de goede werking van de interne markt en de bevordering van eerlijke mededinging.

(54)

Het dienen van de belangen van personen en het vormen van een publieke opinie is één van doelstellingen van audiovisuele mediadiensten en daarom is het van wezenlijk belang dat die diensten de mensen en de samenleving zo volledig mogelijk en met de hoogste mate van verscheidenheid kunnen informeren. Die doelstelling kan alleen maar worden bereikt als redactionele beslissingen gevrijwaard blijven van staatsinmenging of invloed door nationale regulerende instanties of organen die verder gaat dan louter de uitvoering van wetgeving en die niet dient ter vrijwaring van een wettelijk beschermd recht dat ongeacht een bepaalde mening, moet worden behoed.

(55)

Er moeten op nationaal niveau doeltreffende beroepsmechanismen bestaan. De beroepsinstantie in kwestie moet onafhankelijk zijn van de betrokken partijen. Een dergelijke instantie kan een rechtbank zijn. De beroepsprocedure dient de verdeling van bevoegdheden binnen de nationale rechtsstelsels onverlet te laten.

(56)

De Commissie heeft bij besluit van de Commissie van 3 februari 2014 ERGA opgericht met als doel de samenhangende toepassing van het EU-regelgevingskader voor de audiovisuele sector in alle lidstaten (15). De rol van ERGA is de Commissie technische deskundigheid te leveren bij haar werkzaamheden met het oog op een samenhangende uitvoering van Richtlijn 2010/13/EU in alle lidstaten en om de samenwerking tussen de nationale regulerende instanties of organen onderling en tussen de nationale regulerende instanties of organen en de Commissie te vergemakkelijken.

(57)

ERGA heeft een positieve bijdrage geleverd aan een samenhangende regelgevingspraktijk en heeft de Commissie op hoog niveau advies verstrekt over kwesties van tenuitvoerlegging. De rol van ERGA dient daarom in Richtlijn 2010/13/EU formeel te worden erkend en versterkt. ERGA moet derhalve krachtens die richtlijn worden ingesteld.

(58)

De Commissie moet ERGA vrijelijk kunnen raadplegen betreffende elke kwestie in verband met audiovisuele mediadiensten en videoplatforms. ERGA moet de Commissie ondersteunen door technische deskundigheid en adviezen ter beschikking te stellen en door de uitwisseling van beste praktijken, onder meer inzake gedragscodes op basis van zelf- en coregulering, te vergemakkelijken. Met name dient de Commissie ERGA te raadplegen betreffende de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU teneinde de geharmoniseerde tenuitvoerlegging ervan te vergemakkelijken. Op verzoek van de Commissie dient ERGA niet-bindende adviezen te verstrekken met betrekking tot de bevoegdheid, maatregelen die afwijken van de vrijheid van ontvangst en maatregelen ter bestrijding van de omzeiling van bevoegdheid. ERGA moet tevens in staat zijn technisch advies te verstrekken over elke reguleringsaangelegenheid in verband met het kader voor audiovisuele mediadiensten, onder meer op het gebied van haatzaaiende uitlatingen en de bescherming van minderjarigen alsmede over de inhoud van audiovisuele commerciële communicatie over voedingsmiddelen met een hoog vet-, zout of natrium- en suikergehalte.

(59)

„Mediageletterdheid” heeft betrekking op vaardigheden, kennis en inzicht die burgers in staat stellen media op doeltreffende en veilige wijze te gebruiken. Als burgers toegang willen hebben tot informatie en in staat willen zijn media-inhoud kritisch te beoordelen en op een verantwoorde en veilige wijze media-inhoud te maken, moeten zij gevorderde vaardigheden op het gebied van mediageletterdheid hebben. Mediageletterdheid mag niet beperkt blijven tot het leren over hulpmiddelen en technologieën, maar moet tot doel hebben burgers de nodige vaardigheden tot kritisch nadenken aan te reiken om een oordeel te kunnen vellen, complexe feiten te kunnen analyseren en het verschil tussen mening en feit te zien. Daarom moet de ontwikkeling van mediageletterdheid in alle lagen van de samenleving, voor burgers van alle leeftijden en voor alle media worden aangemoedigd, zowel door aanbieders van mediadiensten als door aanbieders van videoplatforms en in samenwerking met alle relevante spelers, en moet de vooruitgang op dat gebied van nabij worden gevolgd.

(60)

Richtlijn 2010/13/EU doet geen afbreuk aan de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen. Zij eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest zijn erkend. In het bijzonder streeft Richtlijn 2010/13/EU ernaar het recht op vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op rechterlijke toetsing volledig te eerbiedigen, en de toepassing van de rechten van het kind die zijn vastgelegd in het Handvest, te bevorderen.

(61)

Maatregelen die door de lidstaten worden genomen krachtens Richtlijn 2010/13/EU dienen de vrijheid van meningsuiting en informatie en het pluralisme in de media, evenals culturele en taalkundige verscheidenheid, te eerbiedigen, overeenkomstig het Unesco-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

(62)

Het recht van toegang tot politieke nieuwsprogramma's is van cruciaal belang voor de waarborging van het grondrecht op het vergaren van informatie en om ervoor te zorgen dat de belangen van de kijkers in de Unie volledig en naar behoren worden beschermd. Gezien het groeiende belang van audiovisuele mediadiensten voor samenlevingen en de democratie dienen in de Unie uitzendingen over politiek nieuws zo veel mogelijk grensoverschrijdend ter beschikking te worden gesteld, waarbij de voorschriften inzake auteursrechten onverlet worden gelaten.

(65)

Richtlijn 2010/13/EU heeft geen betrekking op voorschriften van het internationaal privaatrecht, met name voorschriften betreffende de rechterlijke bevoegdheid, noch op die van het recht dat van toepassing is op contractuele en niet-contractuele verbintenissen.

(64)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (16) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(65)

Richtlijn 2010/13/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2010/13/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 1, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) wordt vervangen door:

„a)   „audiovisuele mediadienst”:

i)

een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, indien het hoofddoel van de dienst of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma's voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronische communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG; bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd onder e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd onder g) van dit lid;

ii)

audiovisuele commerciële communicatie;”;

b)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„a bis)   „videoplatformdienst”: een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, indien het hoofddoel van de dienst of een daarvan losstaand gedeelte of een essentiële functie van de dienst bestaat in het aanbieden van programma's, door gebruikers gegenereerde video's, of beide, aan het algemene publiek, waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt, ter informatie, vermaak of educatie via elektronische-communicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2002/21/EG en waarvan de organisatie wordt bepaald door de aanbieder van het videoplatform, onder meer met automatische middelen of algoritmen, met name door weergeven, taggen en rangschikken.”;

c)

punt b) wordt vervangen door:

„b)   „programma”: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama;”;

d)

de volgende punten worden ingevoegd:

„b bis)   „door gebruikers gegenereerde video”: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt, die door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload;

b ter)   „redactionele beslissing”: een beslissing die op regelmatige basis wordt genomen met het oog op de uitoefening van redactionele verantwoordelijkheid en verband houdt met het dagelijkse beheer van de audiovisuele mediadienst;”;

e)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„d bis)   „aanbieder van videoplatforms”: de natuurlijke of rechtspersoon die een videoplatformdienst aanbiedt;”;

f)

punt h) wordt vervangen door:

„h)   „audiovisuele commerciële communicatie”: beelden, al dan niet met geluid, welke dienen om rechtstreeks of niet-rechtstreeks de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten; dergelijke beelden vergezellen of maken deel uit van een programma of van een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie. Vormen van audiovisuele commerciële communicatie zijn onder meer televisiereclame, sponsoring, telewinkelen en productplaatsing;”;

g)

punt k) wordt vervangen door:

„k)   „sponsoring”: elke bijdrage van publieke of particuliere ondernemingen of natuurlijke personen die zich niet bezighouden met het aanbieden van audiovisuele mediadiensten of videoplatformdiensten of met de vervaardiging van audiovisuele werken, aan de financiering van audiovisuele mediadiensten, videoplatformdiensten, door gebruikers gegenereerde video's of programma's met het doel hun naam, handelsmerk, imago, activiteiten of producten meer bekendheid te geven;”;

h)

punt m) wordt vervangen door:

„m)   „productplaatsing”: elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie die bestaat in het opnemen van, of het verwijzen naar, een product of dienst of een desbetreffend handelsmerk in het kader van een programma of een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding;”;

2)

de titel van hoofdstuk II wordt vervangen door:

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR AUDIOVISUELE MEDIADIENSTEN”;

3)

artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt punt b) vervangen door:

„b)

indien een aanbieder van mediadiensten zijn hoofdkantoor in een lidstaat heeft, maar de redactionele beslissingen betreffende de audiovisuele mediadienst in een andere lidstaat worden genomen, wordt die aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteit van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is. Indien in elk van die lidstaten een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is, wordt de aanbieder van de mediadienst geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar hij zijn hoofdkantoor heeft. Indien in geen van die lidstaten een aanzienlijk deel van het bij de programmagerelateerde activiteiten van de audiovisuele mediadienst betrokken personeel werkzaam is, wordt de aanbieder van mediadiensten geacht gevestigd te zijn in de lidstaat waar hij het eerst met zijn activiteiten is begonnen overeenkomstig het recht van die lidstaat, mits hij een duurzame en reële band met de economie van die lidstaat onderhoudt;”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„5 bis.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van mediadiensten de bevoegde nationale regulerende instanties of organen informeren over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op het bepalen van de bevoegdheid overeenkomstig de leden 2, 3 en 4.

5 ter.   De lidstaten maken en handhaven een actuele lijst met de aanbieders van mediadiensten ten aanzien van wie zij bevoegd zijn en vermelden op welke van de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde criteria hun bevoegdheid is gebaseerd. De lidstaten verstrekken die lijst, met inbegrip van actualiseringen daarvan, aan de Commissie.

De Commissie zorgt ervoor dat die lijsten beschikbaar zijn in een centrale gegevensbank. In het geval van tegenstrijdigheden tussen de lijsten neemt de Commissie contact op met de betrokken lidstaten om een oplossing te vinden. De Commissie waarborgt dat de nationale regulerende instanties of organen toegang hebben tot die gegevensbank. De Commissie maakt informatie in de gegevensbank openbaar.

5 quater.   Wanneer de betrokken lidstaten bij de toepassing van artikel 3 of artikel 4 geen overeenstemming bereiken over welke lidstaat bevoegd is, lichten zij de Commissie onverwijld in over deze kwestie. De Commissie kan de Europese Groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) verzoeken een advies over de kwestie te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d). ERGA verstrekt een dergelijk advies binnen 15 werkdagen na indiening van het verzoek door de Commissie. De Commissie houdt het bij artikel 29 ingestelde contactcomité naar behoren geïnformeerd.

Wanneer de Commissie een besluit neemt op grond van artikel 3, lid 2 of lid 3, of artikel 4, lid 5, besluit zij ook welke lidstaat bevoegd is.”;

4)

artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

1.   De lidstaten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren de doorgifte op hun grondgebied van audiovisuele mediadiensten uit andere lidstaten niet om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen.

2.   Een lidstaat mag tijdelijk afwijken van lid 1 van dit artikel indien een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 6, lid 1, onder a), of artikel 6 bis, lid 1, of afbreuk doet aan de volksgezondheid of een belangrijk en ernstig risico daarop vormt.

Voor de in de eerste alinea bedoelde afwijking gelden de volgende voorwaarden:

a)

tijdens de voorafgaande 12 maanden heeft de aanbieder van mediadiensten al minstens tweemaal gedrag vertoond zoals beschreven in de eerste alinea;

b)

de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de lidstaat voornemens is te treffen indien een dergelijke inbreuk opnieuw plaatsvinden;

c)

de betrokken lidstaat heeft de rechten van verdediging van de aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder de mogelijkheid gegeven zijn standpunt inzake de vermeende inbreuken kenbaar te maken; en

d)

overleg met de lidstaat die ten aanzien van de aanbieder van mediadiensten bevoegd is en met de Commissie, heeft binnen een maand na de ontvangst door de Commissie van de onder b) bedoelde kennisgeving niet tot een minnelijke schikking geleid.

Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen en nadat zij ERGA verzocht heeft een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), neemt de Commissie een besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. De Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd. Indien de Commissie besluit dat die maatregelen niet verenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat deze maatregelen onverwijld beëindigt.

3.   Een lidstaat mag tijdelijk afwijken van lid 1 van dit artikel, indien een audiovisuele mediadienst die wordt geleverd door een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk pleegt op artikel 6, lid 1, onder b), of afbreuk doet aan of een belangrijk en ernstig risico vertoont dat afbreuk zal worden gedaan aan de openbare veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de nationale veiligheid en defensie, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld.

Voor de in de eerste alinea bedoelde afwijking gelden de volgende voorwaarden:

a)

tijdens de voorgaande 12 maanden is het in de eerste alinea bedoelde gedrag minstens eenmaal vertoond;

en

b)

de betrokken lidstaat heeft de aanbieder van mediadiensten, de lidstaat die ten aanzien van die aanbieder bevoegd is en de Commissie schriftelijk in kennis gesteld van de vermeende inbreuken en van de evenredige maatregelen die de lidstaat voornemens is te treffen indien die inbreuken opnieuw plaatsvinden.

De betrokken lidstaat eerbiedigt de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten en geeft met name deze aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid zijn standpunt inzake de vermeende inbreuken kenbaar te maken.

Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen en nadat zij ERGA verzocht heeft een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), neemt de Commissie een besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. De Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd. Indien de Commissie besluit dat die maatregelen niet verenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat deze maatregelen onverwijld beëindigt.

4.   De leden 2 en 3 doen geen afbreuk aan de toepassing van procedures, corrigerende maatregelen of sancties met betrekking tot de desbetreffende inbreuken in de lidstaat die bevoegd is ten aanzien van de betrokken aanbieder van mediadiensten.

5.   Lidstaten kunnen in dringende gevallen, niet later dan een maand na de vermeende inbreuk, afwijken van de in lid 3, onder a) en b), vastgestelde voorwaarden. In dat geval moeten de getroffen maatregelen zo spoedig mogelijk, met opgave van de redenen waarom de lidstaat van oordeel is dat het om een dringend geval gaat, worden meegedeeld aan de Commissie en de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt. De Commissie gaat zo spoedig mogelijk na of de maatregelen waarvan zij in kennis is gesteld, verenigbaar zijn met het Unierecht. Indien zij concludeert dat de maatregelen onverenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat die maatregelen met spoed te beëindigt.

6.   Indien de Commissie niet over voldoende informatie beschikt om een besluit te nemen op grond van lid 2 of 3, verzoekt zij de betrokken lidstaat binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving om alle informatie die nodig is om dat besluit te nemen. De termijn waarbinnen de Commissie het besluit moet nemen, wordt geschorst totdat die lidstaat die nodige informatie heeft bezorgd. De schorsing van deze termijn duurt nooit langer dan een maand.

7.   De lidstaten en de Commissie wisselen in het kader van het contactcomité en ERGA op gezette tijden ervaringen en beste praktijken uit betreffende de procedure in dit artikel.”;

5)

artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

1.   Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat die regels in overeenstemming zijn met het Unierecht.

2.   Indien een lidstaat:

a)

op grond van de hem door lid 1 geboden vrijheid meer gedetailleerde of strengere regels van algemeen belang heeft aangenomen, en

b)

van oordeel is dat een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten een audiovisuele mediadienst aanbiedt die volledig of hoofdzakelijk op zijn grondgebied is gericht,

kan hij de bevoegde lidstaat verzoeken zich over in verband met dit lid vastgestelde problemen te buigen. Beide lidstaten werken loyaal en vlot samen om tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

Bij ontvangst van een met redenen omkleed verzoek als bedoeld in de eerste alinea, verzoekt de bevoegde lidstaat de aanbieder van mediadiensten de desbetreffende regels van algemeen belang na te leven. De bevoegde lidstaat informeert de verzoekende lidstaat regelmatig over de stappen die zijn ondernomen om deze problemen aan te pakken. Binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek licht de bevoegde lidstaat de verzoekende lidstaat en de Commissie in over de verkregen resultaten en licht toe waarom geen oplossing kon worden gevonden.

Beide lidstaten kunnen het contactcomité verzoeken de zaak te gelegener tijd te onderzoeken.

3.   De betrokken lidstaat kan passende maatregelen tegen de betrokken aanbieder van mediadiensten nemen indien:

a)

hij van oordeel is dat het resultaat van de toepassing van lid 2 niet bevredigend is; en

b)

hij bewijs overlegt dat de betrokken aanbieder van mediadiensten zich in de bevoegde lidstaat heeft gevestigd om de strengere voorschriften op door deze richtlijn gecoördineerde gebieden te omzeilen, welke voorschriften op hem van toepassing zouden zijn indien hij in de betrokken lidstaat zou zijn gevestigd; aan de hand van dat bewijs kan de omzeiling redelijkerwijs worden vastgesteld, zonder dat moet worden bewezen dat de aanbieder van de mediadienst die strengere voorschriften beoogt te omzeilen.

Die maatregelen zijn objectief noodzakelijk, worden op niet-discriminerende wijze toegepast en staan in verhouding tot de beoogde doelstellingen.

4.   Een lidstaat mag slechts maatregelen uit hoofde van lid 3 nemen wanneer alle volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

de lidstaat heeft de Commissie en de lidstaat waarin de aanbieder van mediadiensten is gevestigd, in kennis gesteld van zijn voornemen om die maatregelen te nemen, met opgave van de redenen waarop hij zijn beoordeling heeft gebaseerd;

b)

de lidstaat heeft de rechten van verdediging van de betrokken aanbieder van mediadiensten geëerbiedigd en heeft met name die aanbieder van mediadiensten de mogelijkheid gegeven zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de vermeende omzeiling en de maatregelen die de kennisgevende lidstaat voornemens is te nemen; en

c)

de Commissie heeft, nadat zij ERGA heeft verzocht een advies te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d), besloten dat de maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht, en in het bijzonder dat de beoordeling door de lidstaat die de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde maatregelen neemt, gegrond is; de Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd.

5.   Binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in lid 4, onder a), neemt de Commissie het besluit over de vraag of die maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht. Indien de Commissie besluit dat die maatregelen niet verenigbaar zijn met het Unierecht, eist zij dat de betrokken lidstaat de beoogde maatregelen niet neemt.

Indien de Commissie niet over voldoende informatie beschikt om het besluit te nemen op grond van de eerste alinea, verzoekt zij de betrokken lidstaat binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving om alle nodige informatie om dat besluit te nemen. De termijn waarbinnen de Commissie het besluit moet nemen, wordt geschorst tot die lidstaat die nodige informatie heeft bezorgd. De schorsing van deze termijn duurt nooit langer dan een maand.

6.   De lidstaten zorgen er in het kader van hun nationale recht met passende middelen voor dat de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten deze richtlijn daadwerkelijk naleven.

7.   Richtlijn 2000/31/EG is van toepassing, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Indien Richtlijn 2000/31/EG in strijd is met een bepaling van onderhavige richtlijn, prevaleert de onderhavige richtlijn, tenzij in de onderhavige richtlijn anders is bepaald.”;

6)

het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 4 bis

1.   De lidstaten stimuleren het gebruik van coregulering en de bevordering van zelfregulering door middel van op nationaal niveau vastgestelde gedragscodes betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden, voor zover hun rechtsstelsels dat toestaan. Die gedragscodes:

a)

zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden in de betrokken lidstaten;

b)

vermelden duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen;

c)

voorzien in regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen worden bereikt; en

d)

voorzien in doeltreffende handhaving, met inbegrip van doeltreffende en evenredige sancties.

2.   De lidstaten en de Commissie kunnen zelfregulering stimuleren door middel van Uniegedragscodes die zijn opgesteld door aanbieders van mediadiensten, aanbieders van videoplatformdiensten of organisaties die hen vertegenwoordigen, indien nodig in samenwerking met andere sectoren zoals industrie, handel, beroepsverenigingen of -organisaties en consumentenverenigingen of -organisaties. Die gedragscodes zijn dusdanig dat zij in brede kring worden aanvaard door de belangrijkste belanghebbenden op Unieniveau, en voldoen aan de vereisten van lid 1, onder b), c) en d). De Uniegedragscodes doen geen afbreuk aan de nationale gedragscodes.

Waar passend, faciliteert de Commissie in samenwerking met de lidstaten de ontwikkeling van Uniegedragscodes, in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

De ondertekenaars van Uniegedragscodes verstreken de ontwerpen van die codes en wijzigingen daaraan aan de Commissie. De Commissie raadpleegt het contactcomité over die ontwerpgedragscodes of wijzigingen ervan.

De Commissie maakt de Uniegedragscodes openbaar en kan hen passende bekendheid geven.

3.   Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen, met inachtneming van deze richtlijn en het Unierecht, onder meer indien hun nationale onafhankelijke regulerende instanties of organen concluderen dat een gedragscode of delen ervan niet doeltreffend genoeg blijken te zijn. De lidstaten melden dergelijke regels onverwijld aan de Commissie.”;

7)

de titel van hoofdstuk III wordt vervangen door:

VOOR AUDIOVISUELE MEDIADIENSTEN GELDENDE BEPALINGEN”;

8)

artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat een onder zijn bevoegdheid vallende aanbieder van mediadiensten ten minste de volgende informatie gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ter beschikking stelt aan de ontvangers van een dienst:

a)

zijn naam;

b)

het geografische adres waar hij gevestigd is;

c)

nadere gegevens, waaronder zijn e-mailadres of webadres, zodat hij snel, rechtstreeks en doeltreffend kan worden bereikt;

d)

de naam van de lidstaat onder wiens bevoegdheid hij valt, en die van de bevoegde regulerende instanties of organen of toezichthoudende organen.

2.   Lidstaten kunnen wetgevingsmaatregelen aannemen die erin voorzien dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten, naast de in lid 1 genoemde informatie, informatie ter beschikking stellen over hun eigendomsstructuur, met inbegrip van uiteindelijke begunstigden. Die maatregelen eerbiedigen de betrokken grondrechten, zoals het privé-, en familieleven van uiteindelijke begunstigden. Dergelijke maatregelen zijn noodzakelijk en evenredig en streven een algemeen belang na.”;

9)

artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

1.   Onverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen, zorgen de lidstaten er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten:

a)

het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden;

b)

het publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn (EU) 2017/541.

2.   De voor de toepassing van dit artikel genomen maatregelen zijn nodig en evenredig, eerbiedigen de rechten en leven de beginselen als vastgesteld in het Handvest na.”;

10)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 6 bis

1.   De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verstrekte audiovisuele mediadiensten die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen zouden kunnen aantasten, uitsluitend zodanig beschikbaar worden gesteld dat minderjarigen deze normaliter niet te horen of te zien krijgen. Het kan hierbij onder meer gaan om selectie van de tijd van uitzending, instrumenten voor leeftijdscontrole of andere technische maatregelen. De maatregelen zijn evenredig aan de mogelijke schade die het programma kan berokkenen.

Voor de meest schadelijke inhoud, zoals nodeloos geweld en pornografie, worden de strengste maatregelen getroffen.

2.   Door aanbieders van mediadiensten op grond van lid 1 verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van mediadiensten voldoende informatie aan de kijkers verstrekken over inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten. Daartoe maken de aanbieders van mediadiensten gebruik van een systeem met de nadere omschrijving van het potentieel schadelijke karakter van de inhoud van een audiovisuele mediadienst.

Voor de toepassing van dit lid worden de lidstaten aangemoedigd gebruik te maken van coregulering als bepaald in artikel 4 bis, lid 1.

4.   De Commissie moedigt aanbieders van mediadiensten aan beste praktijken inzake gedragscodes op basis van coregulering uit te wisselen. Voor de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten en de Commissie zelfregulering door middel van de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde Uniegedragscodes stimuleren.”;

11)

artikel 7 wordt vervangen door:

„Artikel 7

1.   De lidstaten zorgen er onverwijld voor dat de diensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden geboden, door middel van evenredige maatregelen voortdurend en in toenemende mate toegankelijker worden gemaakt voor personen met een handicap.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van mediadiensten op regelmatige basis bij de nationale regulerende instanties of organen verslag uitbrengen over de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in lid 1. De lidstaten brengen uiterlijk op 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar, verslag uit aan de Commissie over de toepassing van lid 1.

3.   De lidstaten moedigen aanbieders van mediadiensten aan om actieplannen voor toegankelijkheid te ontwikkelen in verband met het voortdurend en in toenemende mate toegankelijker maken van hun diensten voor personen met een handicap. Die actieplannen worden medegedeeld aan de nationale regulerende instanties of organen.

4.   Elke lidstaat wijst een enkel, gemakkelijk toegankelijk, ook voor personen met een handicap, en openbaar beschikbaar onlinecontactpunt aan om informatie te verstrekken en klachten te ontvangen betreffende toegankelijkheidskwesties als bedoeld in dit artikel.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat noodinformatie, met inbegrip van openbare mededelingen en aankondigingen bij natuurrampen, die via audiovisuele mediadiensten beschikbaar wordt gesteld aan het publiek, wordt verstrekt op een wijze die toegankelijk is voor personen met een handicap.”;

12)

de volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 7 bis

De lidstaten kunnen maatregelen nemen om passende aandacht voor audiovisuele mediadiensten van algemeen belang te waarborgen.

Artikel 7 ter

De lidstaten nemen passende en evenredige maatregelen om ervoor te zorgen dat de door aanbieders van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadiensten geen overlay krijgen voor commerciële doeleinden of worden gewijzigd zonder de uitdrukkelijke toestemming van die aanbieders.

Voor de toepassing van dit artikel specificeren de lidstaten in dit verband de nadere regelgeving, waaronder de uitzonderingen, met name wat betreft het beschermen van de gerechtvaardigde belangen van de gebruikers, rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van de aanbieders van mediadiensten die de audiovisuele mediadiensten oorspronkelijk hebben geleverd.”;

13)

artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

1.   De lidstaten zien erop toe dat audiovisuele commerciële communicatie door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

zij is gemakkelijk als zodanig herkenbaar; audiovisuele commerciële communicatie in de vorm van sluikreclame is verboden;

b)

er worden geen subliminale technieken gebruikt;

c)

zij mag niet:

i)

de menselijke waardigheid aantasten;

ii)

enige vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, nationaliteit, godsdienst of levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid bevatten of bevorderen;

iii)

aansporen tot gedrag dat schadelijk is voor de gezondheid of veiligheid;

iv)

aansporen tot gedrag dat in hoge mate schadelijk is voor het milieu;

d)

elke vorm van audiovisuele commerciële communicatie over sigaretten en andere tabaksproducten, alsook over elektronische sigaretten en navulverpakkingen is verboden;

e)

audiovisuele commerciële communicatie over alcoholische dranken mag niet specifiek gericht zijn tot minderjarigen en mag niet tot overmatig gebruik van dergelijke dranken aanzetten;

f)

audiovisuele commerciële communicatie over geneesmiddelen en medische behandelingen die alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt, is verboden;

g)

audiovisuele commerciële communicatie mag minderjarigen geen lichamelijke, geestelijke of morele schade berokkenen; derhalve mag zij minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten om een product of dienst te kopen of te huren door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, mag zij hen niet rechtstreeks aanmoedigen om hun ouders of anderen te overreden de aangeprezen goederen of diensten te kopen, mag zij het bijzondere vertrouwen dat minderjarigen in ouders, leerkrachten of andere personen stellen niet uitbuiten, en mag zij niet ongegrond minderjarigen in gevaarlijke situaties tonen.

2.   Audiovisuele commerciële communicatie voor alcoholische dranken in audiovisuele mediadiensten op aanvraag, uitgezonderd sponsoring en productplaatsing, moet aan de criteria van artikel 22 voldoen.

3.   De lidstaten moedigen het gebruik van coregulering en het stimuleren van zelfregulering aan middels gedragscodes als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, ten aanzien van ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie over alcoholische dranken. Met die codes wordt beoogd de blootstelling van minderjarigen aan audiovisuele commerciële communicatie over alcoholische dranken daadwerkelijk te verminderen.

4.   De lidstaten moedigen het gebruik van coregulering en het stimuleren van zelfregulering aan middels gedragscodes als bedoeld in artikel 4 bis, lid 1, ten aanzien van ongeschikte audiovisuele commerciële communicatie die kinderprogramma's vergezelt of daarvan deel uitmaakt, voor voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen en andere stoffen met nutritionele en fysiologische effecten bevatten, met name vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers, waarvan een buitensporig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is.

Met die codes wordt beoogd de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie over dergelijke voedingsmiddelen en dranken daadwerkelijk te verminderen. Met die codes wordt er tevens voor gezorgd dat audiovisuele commerciële communicatie de positieve kwaliteit van dergelijke voedingsmiddelen en dranken niet benadrukt.

5.   Voor de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten en de Commissie zelfregulering door middel van de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde Uniegedragscodes stimuleren.”;

14)

artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Audiovisuele mediadiensten of programma's mogen niet worden gesponsord door ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Nieuws- en actualiteitenprogramma's mogen niet worden gesponsord. De lidstaten kunnen de sponsoring van kinderprogramma's verbieden. De lidstaten mogen het tonen van een logo van een sponsor tijdens kinderprogramma's, documentaires en religieuze programma's verbieden.”;

15)

artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

1.   Dit artikel is uitsluitend van toepassing op programma's die na 19 december 2009 zijn geproduceerd.

2.   Productplaatsing is toegestaan in alle audiovisuele mediadiensten, behalve in nieuws- en actualiteitenprogramma's, programma's over consumentenzaken, religieuze programma's en kinderprogramma's.

3.   Programma's die productplaatsing bevatten, voldoen aan de volgende voorschriften:

a)

de inhoud en de programmering ervan in een schema, in het geval van televisie-uitzendingen, of de opneming ervan in een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag, worden nooit zodanig beïnvloed dat de verantwoordelijkheid en de redactionele onafhankelijkheid van de aanbieder van mediadiensten worden aangetast;

b)

zij sporen niet rechtstreeks aan tot aankoop of huur van goederen of diensten, in het bijzonder door specifieke aanprijzing van die goederen of diensten;

c)

het betrokken product krijgt geen overmatige aandacht;

d)

de kijker wordt door een geschikte aanduiding duidelijk gewezen op de aanwezigheid van productplaatsing, en wel aan het begin en aan het eind van het programma, alsook wanneer een programma na een reclamepauze wordt hervat, zulks teneinde te voorkomen dat de kijker in verwarring wordt gebracht.

De lidstaten mogen bij wijze van afwijking afzien van de onder d) genoemde voorschriften, behalve voor programma's die door een aanbieder van mediadiensten of door een aan die aanbieder van mediadiensten verbonden onderneming geproduceerd of besteld zijn.

4.   Programma's mogen in geen geval productplaatsing bevatten:

a)

voor sigaretten en andere tabaksproducten, alsmede elektronische sigaretten en navulverpakkingen, of productplaatsing van ondernemingen waarvan de voornaamste activiteit bestaat in de vervaardiging of verkoop van die producten;

b)

voor specifieke geneesmiddelen of medische behandelingen die alleen op voorschrift beschikbaar zijn in de lidstaat onder wiens bevoegdheid de aanbieder van mediadiensten valt.”;

16)

de titel van hoofdstuk IV wordt geschrapt;

17)

artikel 12 wordt geschrapt;

18)

artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag een aandeel van ten minste 30 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi en dat die producties aandacht krijgen.

2.   Indien de lidstaten onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten verplichten een financiële bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van Europese producties, onder meer door middel van directe investeringen in inhoud en bijdragen aan nationale fondsen, kunnen zij ook van aanbieders van mediadiensten die zich tot publiek op hun grondgebied richten maar in andere lidstaten zijn gevestigd, verlangen dat zij dergelijke financiële bijdragen leveren, die proportioneel en niet-discriminerend zijn.

3.   In het in lid 2 bedoelde geval wordt de financiële bijdrage uitsluitend gebaseerd op de inkomsten die zijn gegenereerd in de lidstaten waarop de diensten gericht zijn. Indien de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd, een dergelijke financiële bijdrage oplegt, houdt deze lidstaat rekening met eventuele financiële bijdragen die zijn opgelegd door lidstaten waarop de diensten gericht zijn. Elke financiële bijdrage dient te voldoen aan het Unierecht, en in het bijzonder de staatssteunregels.

4.   De lidstaten brengen uiterlijk op 19 december 2021 en vervolgens om de twee jaar verslag uit aan de Commissie over de toepassing van de leden 1 en 2.

5.   De Commissie brengt op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie en een onafhankelijke studie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de leden 1 en 2, rekening houdend met de marktontwikkelingen, de technologische vooruitgang en de nagestreefde culturele diversiteit.

6.   De verplichting uit hoofde van lid 1 en het voorschrift voor aanbieders van mediadiensten die zich tot publiek in andere lidstaten richten in de zin van lid 2, gelden niet voor aanbieders van mediadiensten met een lage omzet of een klein publiek. De lidstaten kunnen ook ontheffing van deze verplichtingen of voorschriften verlenen wanneer deze praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zouden zijn gezien de aard of het onderwerp van de audiovisuele mediadiensten.

7.   De Commissie stelt na raadpleging van het contactcomité richtsnoeren vast voor het berekenen van het aandeel Europese producties als bedoeld in lid 1, alsook voor het definiëren van de begrippen „klein publiek” en „lage omzet”, als bedoeld in lid 6.”;

19)

in artikel 19 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Afzonderlijke televisiereclame- en telewinkelspots zijn toegestaan in het kader van sportevenementen. Afzonderlijke televisiereclame- en telewinkelspots blijven een uitzondering, behalve in uitzendingen van sportevenementen.”;

20)

in artikel 20 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Uitzendingen van televisiefilms (met uitsluiting van series, feuilletons en documentaires), cinematografische producties, en nieuwsprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor televisiereclame, telewinkelen, of beide. Uitzendingen van kinderprogramma's mogen één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 30 minuten worden onderbroken voor televisiereclame, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan 30 minuten bedraagt. Uitzendingen van telewinkelen zijn verboden tijdens kinderprogramma's. Uitzendingen van religieuze diensten mogen niet worden onderbroken voor televisiereclame of telewinkelen.”;

21)

artikel 23 wordt vervangen door:

„Artikel 23

1.   Het aandeel televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tussen 6.00 uur en 18.00 uur niet meer dan 20 % van dat tijdvak. Het aandeel televisiereclame- en telewinkelspots bedraagt tussen 18.00 uur en 24.00 niet meer dan 20 % van dat tijdvak.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op:

a)

boodschappen van de omroeporganisatie in verband met eigen programma's en rechtstreeks daarvan afgeleide ondersteunende producten of met programma's en audiovisuele mediadiensten van andere entiteiten die tot dezelfde omroeporganisatie behoren;

b)

sponsorboodschappen;

c)

productplaatsing;

d)

neutrale frames tussen redactionele inhoud en televisiereclame of telewinkelspots, en tussen individuele spots.”;

22)

hoofdstuk VIII wordt geschrapt;

23)

het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK IX BIS

VOOR VIDEOPLATFORMDIENSTEN GELDENDE BEPALINGEN

Artikel 28 bis

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn valt een aanbieder van videoplatforms die op het grondgebied van een lidstaat is gevestigd in de zin van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2000/31/EG, onder de bevoegdheid van die lidstaat.

2.   Een aanbieder van videoplatforms die niet op grond van lid 1 op het grondgebied van een lidstaat is gevestigd, wordt geacht voor de toepassing van deze richtlijn op het grondgebied van een lidstaat te zijn gevestigd indien die aanbieder van videoplatforms:

a)

een moederonderneming of een dochteronderneming heeft die op het grondgebied van die lidstaat is gevestigd; of

b)

deel uitmaakt van een groep en een andere onderneming van die groep op het grondgebied van die lidstaat is gevestigd.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)   „moederonderneming”: een onderneming die zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen;

b)   „dochteronderneming”: een onderneming waarover een moederonderneming zeggenschap heeft, met inbegrip van elke dochteronderneming van een uiteindelijke moederonderneming;

c)   „groep”: een moederonderneming, al haar dochterondernemingen en alle andere ondernemingen die er op organisatorisch gebied economische en juridische banden mee hebben.

3.   Indien de moederonderneming, de dochteronderneming of de andere ondernemingen van de groep allemaal in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms voor de toepassing van lid 2 geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarin de moederonderneming van de aanbieder is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, in de lidstaat waarin de dochteronderneming is gevestigd of, bij gebreke van een dergelijke vestiging, in de lidstaat waarin de andere onderneming van de groep is gevestigd.

4.   Indien er meerdere dochterondernemingen zijn die allemaal in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms voor de toepassing van lid 3 geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarin een van de dochterondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van die lidstaat onderhoudt.

Indien meerdere andere ondernemingen deel uitmaken van de groep en deze allemaal in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wordt de aanbieder van videoplatforms geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarin een van deze ondernemingen voor het eerst met haar activiteiten is begonnen, mits die aanbieder een duurzame en reële band met de economie van die lidstaat onderhoudt.

5.   Voor de toepassing van deze richtlijn zijn artikel 3 en de artikelen 12 tot en met 15 van Richtlijn 2000/31/EG van toepassing op aanbieders van videoplatforms die worden geacht in een lidstaat te zijn gevestigd overeenkomstig lid 2 van dit artikel.

6.   De lidstaten maken en handhaven een actuele lijst met de aanbieders van videoplatforms die op hun grondgebied zijn gevestigd of worden geacht te zijn gevestigd, en vermelden op welke van de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde criteria hun bevoegdheid is gebaseerd. De lidstaten verstrekken die lijst, met inbegrip van actualiseringen ervan, aan de Commissie.

De Commissie zorgt ervoor dat die lijsten beschikbaar zijn in een centrale gegevensbank. In het geval van tegenstrijdigheden tussen de lijsten neemt de Commissie contact op met de betrokken lidstaten om een oplossing te vinden. De Commissie waarborgt dat de nationale regulerende instanties of organen toegang hebben tot die gegevensbank. De Commissie maakt informatie in de gegevensbank openbaar.

7.   Wanneer de betrokken lidstaten bij de toepassing van dit artikel geen overeenstemming bereiken over welke lidstaat bevoegd is, lichten zij de Commissie onverwijld in over deze kwestie. De Commissie kan ERGA verzoeken een advies over de kwestie te verstrekken overeenkomstig artikel 30 ter, lid 3, onder d). ERGA verstrekt een dergelijk advies binnen 15 werkdagen na de indiening van het verzoek door de Commissie. De Commissie houdt het contactcomité naar behoren geïnformeerd.

Artikel 28 ter

1.   Onverminderd de artikelen 12 tot en met 15 van Richtlijn 2000/31/EG zorgen de lidstaten ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om:

a)

minderjarigen te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie die hun lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling kunnen aantasten, overeenkomstig artikel 6 bis, lid 1;

b)

het algemene publiek te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie die aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden;

c)

het algemene publiek te beschermen tegen programma's, door gebruikers gegenereerde video's en audiovisuele commerciële communicatie met inhoud waarvan de verspreiding een activiteit inhoudt die krachtens het Unierecht een misdrijf is, met name het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf bepaald in artikel 5 van Richtlijn (EU) 2017/541, strafbare feiten met betrekking tot kinderpornografie bepaald in artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1), en strafbare feiten op het gebied van racisme en vreemdelingenhaat bepaald in artikel 1 van Kaderbesluit 2008/913/JBZ.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms voldoen aan de in artikel 9, lid 1, bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders in de handel gebracht, verkocht en georganiseerd wordt.

De lidstaten zorgen ervoor dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passende maatregelen nemen om te voldoen aan de in artikel 9, lid 1, bedoelde voorschriften met betrekking tot audiovisuele commerciële communicatie die door deze aanbieders van videoplatforms niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt, rekening houdend met de beperkte controle van deze videoplatforms op die audiovisuele commerciële communicatie.

De lidstaten zorgen ervoor dat aanbieders van videoplatforms gebruikers duidelijk informeren indien programma's en door gebruikers gegenereerde video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten mits die communicatie overeenkomstig lid 3, derde alinea, onder c), wordt vermeld of de aanbieder van dat feit op de hoogte is.

De lidstaten moedigen het gebruik van coregulering en de toepassing van zelfregulering aan middels gedragscodes als bepaald in artikel 4 bis, lid 1, teneinde de blootstelling van kinderen aan audiovisuele commerciële communicatie over voedingsmiddelen en dranken die voedingsstoffen bevatten, en stoffen met nutritionele en fysiologische effecten, met name vetten, transvetzuren, zout of natrium en suikers, waarvan een buitensporig gebruik in het algehele voedingspatroon niet aanbevolen is, daadwerkelijk te verminderen. Via dergelijke gedragscodes moet ervoor worden gezorgd dat in deze audiovisuele commerciële communicatie geen nadruk wordt gelegd op de positieve kwaliteit van de nutritionele aspecten van dergelijke voedingsmiddelen en dranken.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden de passende maatregelen bepaald aan de hand van de aard van de desbetreffende inhoud, de schade die deze inhoud kan berokkenen, de kenmerken van de te beschermen categorie personen alsmede de in het geding zijnde rechten en gerechtvaardigde belangen, waaronder die van de aanbieders van videoplatforms en de gebruikers die de inhoud hebben gecreëerd of geüpload, alsmede het algemeen belang.

De lidstaten zorgen ervoor dat alle onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van videoplatforms passen dergelijke maatregelen toepassen. Die maatregelen zijn uitvoerbaar en proportioneel, rekening houdend met de omvang van de videoplatformdienst en de aard van de verleende dienst. Die maatregelen leiden niet tot eventuele controlemaatregelen vooraf of filtering bij het uploaden van inhoud die niet voldoen aan artikel 15 van Richtlijn 2000/31/EC. Ter bescherming van minderjarigen, als bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel, gelden voor de meest schadelijke inhoud de meest strikte toegangscontrolemaatregelen.

Die maatregelen omvatten naargelang het geval:

a)

opnemen en toepassen, in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in lid 1 bedoelde voorschriften;

b)

opnemen en toepassen in de voorwaarden van de videoplatformdiensten, van de in artikel 9, lid 1 bedoelde voorschriften inzake audiovisuele commerciële communicatie die door de aanbieders van videoplatformdiensten niet in de handel gebracht, verkocht of georganiseerd wordt;

c)

beschikken over een functie waarmee gebruikers die door gebruikers gegenereerde video's uploaden, kunnen verklaren of die video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten, voor zover zij zulks weten of redelijkerwijs zouden kunnen weten;

d)

tot stand brengen en gebruiken van transparante en gebruiksvriendelijke mechanismen waarmee gebruikers van een videoplatform de in lid 1 bedoelde, op het platform van de betrokken aanbieder van videoplatforms aangeboden inhoud bij die aanbieder kunnen rapporteren of markeren;

e)

tot stand brengen en gebruiken van systemen waarmee aanbieders van videoplatforms aan de gebruikers ervan kunnen uitleggen welk gevolg er is gegeven aan de in onder d) genoemde rapportage en markeringen;

f)

tot stand brengen en gebruiken van systemen voor leeftijdscontrole van gebruikers van videoplatforms met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

g)

tot stand brengen en gebruiken van gemakkelijk te bedienen systemen waarmee de gebruikers van videoplatforms een beoordeling van de in lid 1 bedoelde inhoud kunnen geven;

h)

ter beschikking stellen van systemen voor ouderlijk toezicht die door de eindgebruiker worden beheerd met betrekking tot inhoud die de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kan aantasten;

i)

tot stand brengen en gebruiken van transparante, gemakkelijk te gebruiken en doeltreffende procedures voor de behandeling en afhandeling van klachten van de gebruikers bij de aanbieder van videoplatforms omtrent de uitvoering van de onder d) tot en met h) genoemde maatregelen;

j)

voorzien in doeltreffende maatregelen en instrumenten op het gebied van mediageletterdheid en vergroten van de bekendheid van gebruikers met die maatregelen en instrumenten.

Door aanbieders van videoplatforms op grond van de derde alinea, onder f) en h), verzamelde of op andere wijze gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen, worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden, zoals direct marketing, profilering en op gedrag gerichte reclame.

4.   Voor de uitvoering van de in de leden 1 en 3 van dit artikel genoemde maatregelen moedigen de lidstaten het gebruik aan van coregulering overeenkomstig artikel 4 bis, lid 1.

5.   De lidstaten stellen de nodige mechanismen vast om de geschiktheid van de door de aanbieders van videoplatforms getroffen maatregelen, die zijn bedoeld in lid 3, te beoordelen. De lidstaten belasten de nationale regulerende instanties of organen met de beoordeling van die maatregelen.

6.   De lidstaten kunnen aanbieders van videoplatforms maatregelen opleggen die gedetailleerder of strenger zijn dan de in lid 3 van dit artikel genoemde maatregelen. Bij de vaststelling van die maatregelen voldoen de lidstaten aan de in het toepasselijke Unierecht vastgestelde voorschriften, zoals de voorschriften van de artikelen 12 tot en met 15 van Richtlijn 2000/31/EG of artikel 25 van Richtlijn 2011/93/EU.

7.   De lidstaten waarborgen dat mechanismen beschikbaar zijn voor buitengerechtelijke beslechting van geschillen tussen gebruikers en aanbieders van videoplatforms wat betreft de toepassing van de leden 1 en 3. Door middel van deze mechanismen is het mogelijk geschillen op onpartijdige wijze te beslechten en zij ontnemen de gebruiker niet het recht op juridische bescherming overeenkomstig het nationaal recht.

8.   De lidstaten zien erop toe dat gebruikers hun rechten met betrekking tot aanbieders van videoplatforms op grond van de leden 1 en 3 voor een gerechtelijke instantie kunnen laten gelden.

9.   De Commissie moedigt aanbieders van videoplatforms aan beste praktijken inzake de in lid 4 bedoelde gedragscodes op basis van coregulering te delen.

10.   De lidstaten en de Commissie kunnen zelfregulering door middel van de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde Uniegedragscodes stimuleren.

(*1)  Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).”;"

24)

de titel van hoofdstuk XI wordt vervangen door:

REGULERENDE INSTANTIES EN ORGANEN VAN DE LIDSTATEN”;

25)

artikel 30 wordt vervangen door:

„Artikel 30

1.   Elke lidstaat wijst een of meer nationale regulerende instanties, organen, of beide aan. De lidstaten zorgen ervoor dat deze juridisch van de overheid zijn gescheiden en functioneel onafhankelijk zijn van hun respectieve overheden en van alle andere openbare of particuliere organen. Dit laat onverlet dat de lidstaten regulerende instanties kunnen oprichten die toezicht houden op meerdere sectoren.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regulerende instanties of organen hun bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze uitoefenen, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn, met name wat betreft pluralisme van de media, culturele en taalkundige verscheidenheid, consumentenbescherming, toegankelijkheid, non-discriminatie, de goede werking van de interne markt en de bevordering van eerlijke concurrentie.

De nationale regulerende instanties of organen vragen of aanvaarden geen instructies van andere instanties in verband met de uitoefening van de taken die hun op grond van het nationale recht tot omzetting van het Unierecht zijn toegewezen. Dit vormt geen beletsel voor toezicht overeenkomstig de nationale grondwet.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegdheden van de nationale regulerende instanties of organen, alsmede de wijze waarop deze verantwoording afleggen, duidelijk bij wet worden omschreven.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regulerende instanties of organen over adequate financiële en personele middelen en handhavingsbevoegdheden beschikken om hun functies op doeltreffende wijze uit te voeren en bij te dragen aan de werkzaamheden van ERGA. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regulerende instanties of organen beschikken over hun eigen jaarlijkse begrotingen, die openbaar worden gemaakt.

5.   De lidstaten stellen in hun nationale recht de voorwaarden en procedures vast voor de benoeming en het ontslag van de hoofden van nationale regulerende instanties en organen of de leden van het collegiale orgaan dat die functie uitvoert, met inbegrip van de duur van het mandaat. De procedures zijn transparant en niet-discriminerend en waarborgen de vereiste graad van onafhankelijkheid. Ontslag van het hoofd van een nationale regulerende instantie of een nationaal regulerend orgaan, of van de leden van het collegiale orgaan dat deze functie binnen een nationale regulerende instantie of een nationaal regulerend - orgaan uitvoert, is mogelijk indien zij niet langer voldoen aan de voorwaarden voor de uitoefening van hun taken die vooraf op nationaal niveau zijn vastgesteld. Een besluit tot ontslag wordt naar behoren gemotiveerd, wordt vooraf bekendgemaakt en is beschikbaar voor het publiek.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat op nationaal niveau doeltreffende regelingen voor het instellen van beroep voorhanden zijn. Het beroepsorgaan, bijvoorbeeld een rechtbank, is onafhankelijk van de bij het beroep betrokken partijen.

In afwachting van de uitkomst van het beroep wordt het besluit van de nationale regulerende instantie of het nationaal regulerend orgaan gehandhaafd, behalve wanneer overeenkomstig het nationaal recht voorlopige maatregelen worden verleend.”;

26)

de volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 30 bis

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat nationale regulerende instanties of organen passende maatregelen nemen om elkaar en de Commissie de informatie te verschaffen die nodig is voor de toepassing van deze richtlijn, en met name de artikelen 2, 3 en 4.

2.   In het kader van de informatie-uitwisseling als bedoeld in lid 1, wanneer nationale regulerende instanties of organen door een onder hun bevoegdheid vallende aanbieder van mediadiensten ervan in kennis worden gesteld dat hij een dienst zal verlenen die geheel of hoofdzakelijk op het publiek van een andere lidstaat is gericht, stelt de nationale regulerende instantie of het nationaal regulerend orgaan van de bevoegde lidstaat de nationale regulerende instantie of het nationaal regulerend orgaan van de lidstaat waarop de diensten gericht zijn, daarvan in kennis.

3.   Indien de regulerende instantie of het regulerend orgaan van een lidstaat waarop de diensten van een onder de bevoegdheid van een andere lidstaat vallende aanbieder van mediadiensten zijn gericht, aan de regulerende instantie of het regulerend orgaan van de lidstaat die bevoegd is ten aanzien van die aanbieder, een verzoek betreffende de activiteiten van die aanbieder zendt, doet deze laatste instantie of dit laatste orgaan al het mogelijke om het verzoek binnen twee maanden te behandelen, onverminderd striktere termijnen die uit hoofde van deze richtlijn van toepassing zijn. Op verzoek verstrekt de regulerende instantie of het regulerend orgaan van de lidstaat waarop de diensten gericht zijn, de regulerende instantie en/of het regulerend orgaan van de lidstaat die bevoegd is, alle informatie die nuttig kan zijn voor de behandeling van het verzoek.

Artikel 30 ter

1.   De Europese groep van regulerende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA) wordt opgericht.

2.   ERGA is samengesteld uit vertegenwoordigers van de nationale regulerende instanties of organen op het gebied van audiovisuele mediadiensten die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de audiovisuele mediadiensten, of, wanneer er geen nationale regulerende instantie of nationaal regulerend orgaan is, door andere vertegenwoordigers die volgens hun procedures zijn gekozen. Een vertegenwoordiger van de Commissie neemt deel aan de bijeenkomsten van ERGA.

3.   ERGA heeft de volgende taken:

a)

de Commissie technische deskundigheid leveren:

bij haar taak ter waarborging van een samenhangende uitvoering van deze richtlijn in alle lidstaten;

betreffende zaken die verband houden met audiovisuele mediadiensten waarvoor ze bevoegd is;

b)

ervaringen en beste praktijken betreffende de toepassing van het regelgevingskader voor audiovisuele mediadiensten uitwisselen, ook over toegankelijkheid en mediageletterdheid;

c)

met de leden ervan samenwerken en deze de informatie verstrekken die noodzakelijk is voor de toepassing van deze richtlijn, en met name de artikelen 3, 4 en 7;

d)

indien de Commissie daarom verzoekt, adviezen verstrekken over de technische en feitelijke aspecten van de aangelegenheden op grond van artikel 2, lid 5 quater, artikel 3, leden 2 en 3, artikel 4, lid 4, onder c), en artikel 28 bis, lid 7.

4.   ERGA stelt haar reglement van orde op.”;

27)

artikel 33 wordt vervangen door:

„Artikel 33

De Commissie controleert de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten.

Uiterlijk op 19 december 2022 en daarna om de drie jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn.

Uiterlijk op 19 december 2026 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een ex-postevaluatie in die, indien passend, vergezeld gaat van voorstellen voor herziening van de richtlijn, teneinde de impact van deze richtlijn en de meerwaarde ervan na te gaan.

De Commissie houdt het contactcomité en ERGA naar behoren geïnformeerd over de werkzaamheden en activiteiten van de ander.

De Commissie zorgt ervoor dat informatie van de lidstaten over elke maatregel die zij hebben genomen betreffende de door deze richtlijn gecoördineerde toepassingsgebieden, aan het contactcomité en ERGA wordt meegedeeld.”;

28)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 33 bis

1.   De lidstaten bevorderen en nemen maatregelen voor het ontwikkelen van de mediageletterdheid.

2.   De lidstaten brengen uiterlijk op 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit bij de Commissie over de toepassing van lid 1.

3.   Na raadpleging van het contactcomité stelt de Commissie richtsnoeren vast voor het toepassingsgebied van die verslagen.”.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 19 september 2020 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 14 november 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 157.

(2)  PB C 185 van 9.6.2017, blz. 41.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 2 oktober 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 november 2018.

(4)  Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).

(5)  Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27).

(7)  Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55).

(8)  Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).

(9)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).

(11)  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

(12)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken) (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22).

(13)  Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (PB L 152 van 20.6.2003, blz. 16).

(14)  Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1).

(15)  Besluit C(2014) 462 final van de Commissie van 3 februari 2014 tot oprichting van een Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten.

(16)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.