ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 283

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
12 november 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1690 van de Commissie van 9 november 2018 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1579 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/163

1

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1690 VAN DE COMMISSIE

van 9 november 2018

tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1579 van de Commissie tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/163

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie („de basisverordening”) (1), en met name artikel 15 en artikel 24, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding

(1)

Op 14 oktober 2017 opende de Europese Commissie („de Commissie”) een antisubsidieonderzoek met betrekking tot de invoer in de Unie van bepaalde nieuwe en van een nieuw loopvlak voorziene banden, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC” of „het betrokken land”). Het onderzoek werd geopend op grond van artikel 10 van de basisverordening. De Commissie heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie („het bericht van opening”) (2).

(2)

De Commissie opende het onderzoek naar aanleiding van een klacht die op 30 augustus 2017 was ingediend door de de coalitie tegen de oneerlijke invoer van banden („de klager”) namens producenten in de Unie die meer dan 25 % van de totale productie in de Unie van bepaalde nieuwe en van een nieuw loopvlak voorziene banden, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121 (TBR-banden) voor hun rekening nemen. Het bij de klacht gevoegde bewijs van subsidiëring en schade als gevolg daarvan volstond om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen.

(3)

Voorafgaand aan de opening van het antisubsidieonderzoek heeft de Commissie overeenkomstig artikel 10, lid 7, van de basisverordening de Chinese overheid (3) ervan in kennis gesteld dat zij een met het nodige bewijsmateriaal gestaafde klacht had ontvangen en haar uitgenodigd voor overleg. Op 10 oktober 2017 vond overleg plaats, maar er kon geen onderling overeengekomen oplossing worden gevonden.

(4)

Op 7 mei 2018 heeft de Commissie een voorlopig antidumpingrecht op hetzelfde product van oorsprong uit de VRC ingesteld (4) („de voorlopige antidumpingverordening”) in een onderzoek dat op 11 augustus 2017 was geopend (5) („het parallelle antidumpingonderzoek”). Op 22 oktober 2018 heeft de Commissie een definitief antidumpingrecht ingesteld op hetzelfde product van oorsprong uit de VRC (6) („de definitieve antidumpingverordening”) in het parallelle antidumpingonderzoek. De analyse van de schade, het oorzakelijke verband en het belang van de Unie in het huidige antisubsidieonderzoek en in het parallelle antidumpingonderzoek is mutatis mutandis dezelfde, aangezien de definitie van de bedrijfstak van de Unie, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en het onderzoektijdvak in beide onderzoeken dezelfde zijn. Alle relevante met deze aspecten verband houdende elementen zijn ook in het onderhavige onderzoek in aanmerking genomen.

1.1.1.   Opmerkingen betreffende de opening

(5)

De Chinese overheid stelde dat geen onderzoek moest worden geopend omdat de klacht niet voldeed aan de vereisten inzake bewijsmateriaal van artikel 11, leden 2 en 3, van de Overeenkomst van de WTO inzake subsidies en compenserende maatregelen en artikel 10, lid 2, van de basisverordening. Volgens de Chinese overheid was er onvoldoende bewijs van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, schade en een oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring en de schade.

(6)

De Commissie wees dit argument af. Het bewijsmateriaal in de klacht bestond uit de gegevens waarover de klager in dat stadium redelijkerwijs kon beschikken. Het was voldoende om in de fase van de opening aan te tonen dat de gestelde subsidies, wat hun bestaan, omvang en aard betreft, aanleiding kunnen geven tot compenserende maatregelen. De klacht bevatte ook voldoende bewijsmateriaal dat als gevolg van de invoer met subsidiëring schade werd berokkend aan de bedrijfstak van de Unie.

(7)

Anders dan de Chinese overheid betoogde, steunde de klacht niet alleen op het beleid inzake de bandenindustrie van 2010, maar omvatte zij (met name in de punten 81 tot en met 92) een aantal andere beleidsdocumenten, plannen en catalogi die betrekking hebben op de bandenindustrie. Bovendien heeft de Commissie (waar nodig) andere beschikbare bronnen geraadpleegd om na te gaan of er sprake was van subsidiëring. Gezien het feit dat de autoriteiten van de VS onlangs vaststellingen betreffende sommige van de betrokken maatregelen hadden gepubliceerd, heeft de Commissie in dit stadium bijvoorbeeld ook al gebruikgemaakt van dit materiaal. Bovendien achtte de Commissie het zinvol om een verwijzing op te nemen naar een nieuw stimuleringsplan voor de industrie van de provincie Hebei van 2016, dat deel uitmaakte van haar dossier, maar niet werd genoemd in de klacht. Deze aanvullende bewijsstukken, die als onderdeel van het memorandum over de toereikendheid van het bewijsmateriaal zijn opgenomen in het niet-vertrouwelijke dossier over de zaak, bevestigen en vervolledigen de in de klacht geformuleerde stellingen ten aanzien van het bestaan en de aard van de vermeende subsidiëring. Voor zover de Chinese overheid heeft gewezen op tekortkomingen met betrekking tot de juistheid en gegrondheid van de klacht, heeft de Commissie die in de loop van het onderzoek onder de loep genomen, maar zag zij geen reden om de stellingen inzake het bestaan en de omvang van de subsidiëring bij de opening van het onderzoek in twijfel te trekken.

(8)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Hämmerling aangevoerd dat de Commissie geen onderzoek kan openen met een algemene verwijzing naar GN-codes die slechts ter informatie waren vermeld. Volgens Hämmerling zijn de GN-codes weliswaar niet bindend voor de interpretatie ervan, maar kan een dergelijke algemene referentie die het betrokken product definieert niet worden aanvaard, aangezien dit afbreuk doet aan de rechtszekerheid voor alle belanghebbenden, met name wat betreft de vraag of zij binnen het onderzoek zullen vallen, en een directe inbreuk vormt op artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna „het Handvest”) en op het recht op behoorlijk bestuur. Bovendien geven een dergelijke verwijzing en onduidelijk taalgebruik waarbij wordt verwezen naar „van de soort gebruikt” de boodschap dat het toepassingsgebied van het onderzoek onzeker was en naar goeddunken in een latere fase van het onderzoek had kunnen worden uitgebreid of beperkt, hetgeen een inbreuk is op het recht van belanghebbenden om te worden gehoord.

(9)

Met betrekking tot dit argument heeft de Commissie vastgesteld dat de partij haar theoretische argument dat het gebruik van GN-codes een inbreuk is op de rechtszekerheid, niet heeft onderbouwd. De Commissie is niet gebonden aan de GN-codes maar aan de productomschrijving zoals vermeld in het bericht van opening. De partij heeft niet beweerd dat de Commissie de productomschrijving zoals vermeld in het bericht van opening niet heeft nageleefd. Dit argument werd derhalve afgewezen.

1.2.   Registratie van de invoer

(10)

De klager heeft op 19 augustus 2017 en op 5 oktober 2017 verzoeken ingediend tot registratie van de invoer van het betrokken product uit de VRC op grond van artikel 14, lid 5, van de antidumpingbasisverordening respectievelijk artikel 24, lid 5, van de basisverordening.

(11)

Op 4 oktober 2017 hebben de China Rubber Industry Association („CRIA”) en de China Chamber of Commerce of Metals, Minerals & Chemicals Importers and Exporters („CCCMC”) opmerkingen over het verzoek tot registratie ingediend. Zij voerden aan dat het verzoek niet voldeed aan de geldende normen voor de bewijsvoering omdat er geen bewijs was van dumping/subsidie in het verleden of van een aanzienlijke toename van de invoer en het waarschijnlijk was dat de invoer de corrigerende werking van het recht ernstig zou ondermijnen. Op 19 oktober 2017 hield de Commissie op verzoek van CRIA een hoorzitting, waar deze haar eerdere opmerkingen herhaalde.

(12)

Op 2 februari 2018 publiceerde de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2018/163 („de registratieverordening”) (7), waarbij de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC met ingang van 3 februari 2018 aan registratie werd onderworpen. De Commissie heeft bij de beoordeling van de gegrondheid van het verzoek tot registratie rekening gehouden met opmerkingen van de belanghebbenden.

(13)

Na de inwerkingtreding van de registratie beweerde Hankook Group (8) dat haar recht van verdediging was geschonden, aangezien zij vóór de inwerkingtreding van de registratieverordening niet in kennis was gesteld van het voornemen van de Commissie om de invoer van het betrokken product aan registratie te onderwerpen. Om die reden stelde Hankook Group ook dat artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie was geschonden.

(14)

De Commissie merkte op dat voorafgaande bekendmaking uit hoofde van artikel 30, lid 2, van de basisverordening verplicht is voordat definitieve maatregelen worden ingesteld. Dat geldt niet voor een verordening tot registratie op grond van artikel 24, lid 5, van de basisverordening. Dat artikel bepaalt alleen dat de lidstaten vooraf tijdig moeten worden geïnformeerd. Bovendien is het recht om te worden gehoord uit hoofde van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alleen van toepassing op nadelige individuele maatregelen. In dit geval heeft de Commissie de douaneautoriteiten van de Unie veeleer opdracht gegeven de invoer te registreren. De registratieverordening is geen individuele maatregel die voor Hankook Group nadelig is. Zij was niet gericht tot Hankook Group en had ook geen individuele negatieve gevolgen voor die groep. In dit verband zij eraan herinnerd dat de registratie van de invoer een passende stap is met het oog op een mogelijk volgende heffing van rechten over de geregistreerde invoer en dat de marktdeelnemers door de registratie naar behoren in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat in het geval van de instelling van definitieve maatregelen rechten over die invoer verschuldigd zijn. Bijgevolg is noch het recht van verdediging van Hankook Group, noch artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden doordat Hankook Group niet vooraf in kennis is gesteld van het besluit tot registratie.

1.3.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(15)

Het onderzoek naar de subsidiëring en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2014 tot eind juni 2017 („de beoordelingsperiode”).

1.4.   Belanghebbenden

(16)

In het bericht van opening heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de klager, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs alsmede de autoriteiten van de Volksrepubliek China en de haar bekende betrokken importeurs, leveranciers, gebruikers, handelaren en verenigingen specifiek op de hoogte gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(17)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en te verzoeken om een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

(18)

Twee door de klager vertegenwoordigde producenten in de Unie namen deze gelegenheid te baat om de Commissie op grond van artikel 29, lid 1, van de basisverordening te verzoeken hun namen geheim te houden, uit vrees voor vergeldingsacties door bij dit onderzoek betrokken afnemers of concurrenten. Bovendien verzochten twee andere medewerkende producenten in de Unie later om dezelfde status.

(19)

De Commissie heeft de gegrondheid van deze verzoeken om vertrouwelijke behandeling onderzocht. Zij heeft vastgesteld dat er voor elk geval inderdaad aanwijzingen waren voor een aanzienlijke kans op vergeldingsacties en is ermee akkoord gegaan de namen van die ondernemingen geheim te houden.

(20)

Twee producenten-exporteurs, Giti Group (9) en China National Tire Group (10), voerden aan dat de anonimiteit van twee door de klager vertegenwoordigde producenten in de Unie ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor het recht van verdediging van de partijen, aangezien het niet mogelijk is na te gaan of de klager inderdaad meer dan 25 % van de totale productie in de Unie vertegenwoordigt. Bovendien maakt de anonimiteit het de belanghebbenden onmogelijk te weten in welk segment (11) de klager actief is en dus om zinvolle opmerkingen in te dienen over de aanmerkelijke schade die hij door de Chinese uitvoer van het betrokken product naar de Unie zou kunnen lijden. Bovendien stelde Giti Group dat de productie van banden van segment 3 in de Unie volgens de klager slechts 16 % van de totale productie in de Unie vertegenwoordigde. Ten slotte betoogden Giti Group en China National Tire Group dat de vertrouwelijkheid de belanghebbenden verhindert te weten of de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie verbonden zijn met Chinese producenten-exporteurs.

(21)

In het licht van deze opmerkingen heeft de Commissie de niet-vertrouwelijke versie van de klacht opnieuw beoordeeld, waarbij zij echter tot de conclusie kwam dat de versie die door de belanghebbenden kan worden ingezien, deze in voldoende mate in staat stelt te beoordelen of aan de vereisten inzake de ontvankelijkheid van de aan dit onderzoek ten grondslag liggende klacht is voldaan. Bovendien stelde de Commissie vast dat de vraag tot welk specifieke marktsegment de klager behoort, niet bepalend is voor de bevinding ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht, aangezien de ontvankelijkheid wordt beoordeeld op basis van de totale productie (ongeacht een eventuele uitsplitsing in segmenten) van het betrokken product. Ten slotte stelde de Commissie vast dat niet voldoende is aangetoond en toegelicht op welke wijze het beweerde gebrek aan kennis over mogelijke connecties tussen de anonieme klagers en Chinese producenten-exporteurs afbreuk zou doen aan het recht van verdediging van de belanghebbenden. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd desbetreffende bewijzen en toelichtingen in te dienen maar er werd geen ander bewijsmateriaal verstrekt. De argumenten tegen het toekennen van vertrouwelijkheid werden daarom afgewezen.

(22)

Artikel 29 van de basisverordening bepaalt dat de Commissie geen informatie mag onthullen die op goede gronden vertrouwelijk wordt geacht, zonder de specifieke toestemming van de verstrekker van die informatie. De Commissie was van oordeel dat de open versie van de klacht de belanghebbenden in staat stelde de representativiteitsvereisten te beoordelen. Bovendien doet de vraag tot welk specifieke marktsegment de klager behoort, niet ter zake, aangezien de ontvankelijkheid van de klacht wordt beoordeeld op basis van de totale productie (ongeacht een eventuele uitsplitsing in segmenten). Ten slotte was de Commissie niet overtuigd door het argument dat het gebrek aan kennis over mogelijke connecties tussen de anonieme klagers en Chinese producenten-exporteurs afbreuk zou doen aan het recht van verdediging van de belanghebbenden. De argumenten tegen het toekennen van vertrouwelijkheid werden daarom afgewezen.

1.5.   Steekproef

(23)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening.

1.5.1.   Producenten in de Unie

(24)

In het bericht van opening kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Bij het samenstellen van de steekproef was de Commissie uitgegaan van het grootste representatieve productie- en verkoopvolume, in combinatie met voldoende geografische spreiding. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen.

(25)

Vier belanghebbenden (China National Tire Group; Giti Group; CRIA en CCCMC) hebben opmerkingen over de voorlopige steekproef ingediend. Zij waren met name van mening dat de voorlopige steekproef geen juist beeld gaf van de marktsegmentatie in drie segmenten en dat de steekproef het percentage van de productie en verkoop van banden van de segmenten 1, 2 en 3 in de totale productie en verkoop in de Unie zo dicht mogelijk moest benaderen.

(26)

Naar aanleiding van die opmerking heeft de Commissie de producenten in de Unie op 25 september 2017 verzocht aanvullende informatie over de segmenten te verstrekken met het oog op de samenstelling van een herziene steekproef van producenten in de Unie.

(27)

Tot de medewerkende producenten in de Unie die de vragenlijst voor de steekproef hebben beantwoord, behoren grote alsmede kleine en middelgrote ondernemingen („kmo's”) (12) die meer dan 50 % van de totale geraamde productie en verkoop in de Unie vertegenwoordigen.

(28)

Om de definitieve steekproef vast te stellen, hield de Commissie rekening met de versnippering van de bandensector in verschillende segmenten en zorgde zij ervoor dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen alle drie segmenten bestreken. Om ervoor te zorgen dat in de schadeanalyse terdege rekening werd gehouden met de situatie van de kmo's, die ongeveer 15 % van het totale verkoopvolume van de producenten in de Unie vertegenwoordigen, was de Commissie daarnaast van oordeel dat ook kmo's in de steekproef vertegenwoordigd moesten zijn.

(29)

Elf producenten in de Unie werden in de steekproef opgenomen op basis van:

de algemene representativiteit met betrekking tot het productie- en verkoopvolume van het betrokken product in 2016;

de representativiteit van de segmenten met betrekking tot het productievolume van het betrokken product in 2016;

de geografische spreiding, en

de representativiteit van de producenten in de Unie met betrekking tot omvang, namelijk tussen kmo's en grotere ondernemingen.

(30)

De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn zowel grote ondernemingen als kmo's. De geselecteerde producenten in de Unie waren gevestigd in zes lidstaten, die samen meer dan 36 % van de door de medewerkende producenten in de Unie gemelde productie en verkoop in de Unie voor hun rekening namen.

(31)

Op 22 december 2017 heeft een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de Poolse producent Geyer & Hosaja, de Commissie medegedeeld dat hij had besloten niet langer aan het onderzoek mee te werken. Het feit dat deze producent zich heeft teruggetrokken, is niet van invloed op de in overweging 30 genoemde percentages aangezien zijn productie minder dan 0,1 % van de totale productie in de Unie vertegenwoordigt. De Commissie concludeerde daarom dat de uiteindelijke steekproef representatief blijft voor de bedrijfstak van de Unie.

(32)

Tot slot stelde Giti Group dat de Commissie dit onderzoek onmiddellijk had moeten beëindigen omdat de steekproef van producenten in de Unie op een procedureel onjuiste wijze was voorgeselecteerd. De Commissie herinnerde eraan dat de voorlopige samenstelling van een steekproef van producenten in de Unie wettelijk mogelijk is en bevorderlijk is voor een doeltreffend onderzoek binnen krappe termijnen. Zoals in de overwegingen 26 tot en met 30 is aangetoond, werd de voorlopige steekproef naar aanleiding van de opmerkingen van belanghebbenden gewijzigd. Het argument werd derhalve afgewezen.

1.5.2.   Importeurs

(33)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Vijf importeurs hebben zich kenbaar gemaakt, die ongeveer 430 000 eenheden van de invoer uit de VRC vertegenwoordigen. Twee ondernemingen werden in de steekproef opgenomen, die goed zijn voor [70-90 %] van de importeurs die een steekproefformulier hadden ingediend.

1.5.3.   Producenten-exporteurs

(34)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Bovendien heeft zij de autoriteiten van de VRC verzocht eventuele andere producenten-exporteurs die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn te identificeren en/of contact met hen op te nemen.

(35)

44 producenten-exporteurs/groepen van producenten-exporteurs in het betrokken land verstrekten de gevraagde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder b), van de basisverordening heeft de Commissie de volgende steekproef van vier groepen van producenten-exporteurs samengesteld op basis van het grootste representatieve uitvoervolume naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht:

China National Tire Group, China;

Giti Group, China;

Hankook Group, China;

Xingyuan Group, China.

(36)

De in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs vertegenwoordigden meer dan 50 % van de totale invoer van het betrokken product in de Unie.

(37)

Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de Chinese overheid geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef.

(38)

De Commissie heeft opmerkingen over de voorgestelde steekproef ontvangen van de European Retreading Association („BIPAVER”), die aanvoerde dat de uiteindelijk geselecteerde steekproef tot een groot gebrek aan evenwicht in de productmix tussen banden van de segmenten 2 en 3 kon leiden. Volgens die organisatie geven de gemiddelde invoerprijzen wellicht geen nauwkeurig beeld van het deel van het invoervolume dat de bedrijfstak van de Unie het meest schaadt. Derhalve drong de organisatie er bij de Commissie op aan de steekproef te herzien en te wijzigen.

(39)

De Commissie heeft onderzocht of het praktisch haalbaar was de steekproef verder uit te breiden. Zij wees erop dat de voor de steekproef geselecteerde groepen producenten-exporteurs bestonden uit: 1) 13 rechtspersonen die betrokken waren bij de productie en binnenlandse verkoop van het betrokken product, 2) twee buiten de Unie gevestigde verbonden exporteurs en 3) meer dan tien in de Unie gevestigde verbonden importeurs. De door elk van die entiteiten verstrekte gegevens moesten worden verwerkt en gecontroleerd. Daarom was de Commissie van mening dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs niet meer producenten-exporteurs konden worden onderzocht.

(40)

BIPAVER was ook van mening dat twee van de in de steekproef opgenomen ondernemingen niet als representatieve begunstigden van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies kunnen worden beschouwd, omdat hun hoofdkwartier en sommige van hun productiefaciliteiten buiten de VRC zijn gevestigd.

(41)

De Commissie wees erop dat het feit dat een individuele onderneming geen begunstigde is van een specifieke soort gestelde subsidie, geen afbreuk doet aan de representativiteit van de steekproef, aangezien de steekproef tot doel heeft een beeld te geven van de mate waarin de gehele bandenindustrie in de VRC in aanmerking komt voor alle soorten gestelde subsidies. De vier in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs waren representatief wat het in aanmerking komen voor de in de klacht gestelde subsidies betreft. Daarom is de Commissie van mening dat de geselecteerde steekproef een goede basis vormt voor het onderzoek naar het bestaan en de omvang van de gestelde subsidiëring.

(42)

De voorgestelde steekproef strookt dus met artikel 27, lid 1, onder b), van de basisverordening. Bijgevolg besloot de Commissie om de voorgestelde steekproef als definitieve steekproef te behouden.

(43)

Behalve de vier in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs stelden zes producenten-exporteurs dat zij, indien zij niet in de steekproef zouden worden opgenomen, een vragenlijst en andere aanvraagformulieren wilden ontvangen om in te vullen en aldus om een individueel onderzoek te verzoeken op grond van artikel 27, lid 3, van de basisverordening. Overeenkomstig hun verzoek heeft de Commissie een vragenlijst toegezonden aan deze zes producenten-exporteurs. Geen van hen heeft de vragenlijst echter beantwoord.

1.6.   Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken

(44)

De Commissie heeft een vragenlijst toegezonden aan de vier in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(45)

De Commissie heeft antwoorden ontvangen van de vier in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en van tien in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Geen van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs heeft de vragenlijst beantwoord.

(46)

Aan de Chinese overheid is eveneens een vragenlijst toegezonden. Deze omvatte specifieke vragenlijsten voor China Development Bank („CDB”), Export Import Bank of China („EXIM”), Agricultural Bank of China („ABC”), Bank of China („BOC”) en Chinese Export & Credit Insurance Corporation („Sinosure”). Deze financiële instellingen waren in de klacht bij name genoemd als overheidsinstanties of als instanties waaraan het verlenen van subsidies werd toevertrouwd of die hiermee werden belast. Daarnaast werd de Chinese overheid verzocht de specifieke vragenlijst voor financiële instellingen door te sturen naar eventuele andere financiële instellingen die leningen of exportkredieten verstrekken aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen of hun afnemers. De Chinese overheid werd tevens verzocht de door deze financiële instellingen gegeven antwoorden te verzamelen en rechtstreeks toe te zenden aan de Commissie.

(47)

Bovendien omvatte de vragenlijst voor de Chinese overheid specifieke vragenlijsten voor producenten van natuurlijk rubber, synthetisch rubber, carbonblack en nylonkoord die, volgens de klacht, inputs voor een ontoereikende prijs leveren aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen, dat wil zeggen Sinopec, Sinopec Baling Co., ChemChina, Shandong Haohua, Jiangxi Blackcat Carbon Black Co., Ltd, Hangzhou Zhongce Qingquan Industrial Co., Ltd en Suqian Junma Tyre Cord Company Limited. Tevens werd de Chinese overheid verzocht die specifieke vragenlijst toe te zenden aan alle andere producenten en distributeurs van de betrokken grondstoffen die inputs hebben geleverd aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen. De Chinese overheid werd tevens verzocht de door deze producenten gegeven antwoorden te verzamelen en rechtstreeks toe te zenden aan de Commissie.

(48)

De Commissie ontving antwoorden op de vragenlijsten van de Chinese overheid, met inbegrip van antwoorden op de specifieke vragenlijst van EXIM, BOC, ABC en Sinosure.

(49)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van subsidiëring, de schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Er werd een controlebezoek verricht in de kantoren van het Chinese Ministerie van Handel, waaraan ook ambtenaren van andere betrokken ministeries deelnamen. Bij dat controlebezoek waren ook vertegenwoordigers van de volgende financiële instellingen aanwezig:

Export Import Bank of China, Peking, China;

Agricultural Bank of China, Peking, China;

Bank of China, Peking, China;

Sinosure, Peking, China.

(50)

Op grond van artikel 26 van de basisverordening werden voorts controles ter plaatse uitgevoerd bij de volgende ondernemingen:

 

in de steekproef opgenomen producenten in de Unie

Good Year Firma Oponiarska, Polen;

Wetest, Tsjechië;

B.R.P. Pneumatici, Italië;

Bandenfabriek, Nederland;

Marangoni SpA Ltd, Italië;

Roline N.V., Nederland;

vier producenten in de Unie die om vertrouwelijkheid hebben verzocht;

 

In de steekproef opgenomen niet-verbonden importeurs in de Unie

Heuver Bandengroothandel B.V, Nederland;

Hämmerling The Tyre Company GmbH, Duitsland.

 

in de steekproef opgenomen producenten in de VRC

 

China National Tire Group:

Aeolus Tyre Co. Ltd, Jiaozuo, VRC;

Beijing Rubber Research and Design Institute, Peking, VRC;

ChemChina Corporation, Peking, VRC;

ChemChina Finance, Peking, VRC;

China National Tire & Rubber Co. Ltd, Peking, VRC;

Aeolus Tyre (Taiyuan) Co., Ltd (13)., Taiyuan, VRC;

Chonche Auto Repair Group Co. Ltd, Peking, VRC;

Henan Tyre Group Co. Ltd, Jiaozuo, VRC;

Yanzhou Ruiyuan Rubber Plastic Co. Ltd, Jining, VRC;

Yinhe Power Plant Co. Ltd, Jining, VRC;

QingdaoYellow Sea (Rubber) Group Co. Ltd, Qingdao, VRC;

Qingdao Yellow Sea Rubber Co. Ltd, Qingdao, VRC;

Pirelli Tyre Co. Ltd, Jining, VRC (14);

 

Giti Group:

Giti Tire (China) Investment Co., Shanghai, VRC;

Giti Tire (Anhui) Co. Ltd, Hefei, VRC;

GITI Radial Tire (Anhui) Ltd, Hefei, VRC;

Anhui Prime Cord Fabrics Company Ltd, Hefei, VRC;

Giti Tire (Hualin) Co. Ltd, Hualin, VRC;

Giti Tire (Fujian) Co. Ltd, Fujian, VRC;

GITI Tire (Yinchuan) Co. Ltd, Yinchuan, VRC;

GITI Greatwall Tire (Yinchuan) Co. Ltd, Yinchuan, VRC;

GITI Tyre (Chongqing) Company Ltd, Chongqing, VRC;

GITI Steel Cord (Hubei) Company Ltd, Hubei, VRC;

3S Engineering Shanghai Company Ltd, Shanghai, VRC;

Seyen Machinery (Shanghai) Company Ltd, Shanghai, VRC;

 

Hankook Group:

Shanghai Hankook Tire Sales Co. Ltd, Shanghai, VRC;

Chongqing Hankook Tire Co. Ltd, Chongqing, VRC;

Jiangsu Hankook Tire Co. Ltd, Jiangsu, VRC;

 

Xingyuan Group:

Xingyuan Tyre Co. Ltd, Dongying, VRC;

Guangrao Xinhongyuan Tyre Co. Ltd, Dongying, VRC;

Xingyuan International Tyre Co. Ltd, Dongying, VRC;

Guangda Tyre Co Ltd, Dongying, VRC.

1.7.   Niet-instelling van voorlopige maatregelen en vervolg van de procedure

(51)

Aangezien zij in mei 2018 voorlopige maatregelen had ingesteld in de parallelle antidumpingzaak, besloot de Commissie in de huidige zaak geen voorlopige maatregelen in te stellen. Op 13 juli 2018 hebben alle belanghebbenden een informatiedocument ontvangen dat de voorlopige bevindingen van de Commissie bevat over de vermeende subsidieregelingen en de voorlopige conclusies van de Commissie met betrekking tot schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie, zoals uiteengezet in de voorlopige antidumpingverordening.

(52)

Verschillende belanghebbenden hebben schriftelijke opmerkingen over het informatiedocument ingediend. De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

(53)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft Pirelli Tyre Co. Ltd aangevoerd dat zij niet kon worden beschouwd als een verbonden onderneming van China National Tire & Rubber Co. Ltd („CNRC”). In deze zin was Pirelli Company Co. Ltd het niet eens met de toepassing van artikel 127 van de uitvoeringsvoorschriften voor het douanewetboek van de Unie (Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447), hierna het „douanewetboek van de Unie” genoemd, met het oog op de berekening van een gewogen gemiddelde subsidiebedrag voor verbonden ondernemingen. Pirelli Tyre Co. Ltd verwees naar de definitie van artikel 16 van de Overeenkomst inzake compenserende maatregelen (OSCM), waarin voor het vaststellen van de relatie tussen ondernemingen wordt vereist dat de ene onderneming de andere controleert. Pirelli Tyre Co. Ltd voerde vervolgens aan dat Pirelli Tyre Co. Ltd volgens deze norm niet als een verbonden onderneming zou worden beschouwd, aangezien zij niet zou worden gecontroleerd door CNRC. Bovendien merkte Pirelli band Co. Ltd op dat de basisverordening niet verwees naar het douanewetboek van de Unie.

(54)

De Commissie herinnerde eraan dat artikel 16 van de OSCM overeenkomt met artikel 9, lid 2, van de basisverordening. In beide artikelen wordt echter alleen verwezen naar de definitie van de bedrijfstak van de Unie en de relatie van producenten in de Unie met producenten-exporteurs. In dat verband kan een producent in de Unie worden uitgesloten van de definitie van de bedrijfstak van de Unie als hij wordt gecontroleerd door een producent-exporteur. Zowel de OSCM als de basisverordening vermelden geen methode om de relatie tussen producenten-exporteurs onderling te beoordelen met het oog op de vaststelling van het subsidiebedrag. Om ervoor te zorgen dat de maatregelen doeltreffend kunnen worden gehandhaafd, en met name om te voorkomen dat uitvoer plaatsvindt via een verbonden onderneming met het laagste recht, is het de gangbare praktijk van de Commissie om de relatie tussen producenten-exporteurs te bepalen aan de hand van de criteria die zijn vastgesteld in artikel 127 van de uitvoeringsvoorschriften voor het douanewetboek van de Unie (Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van 24 november 2015). Dit is aan het begin van de procedure duidelijk aan alle partijen meegedeeld in het bericht van opening. Bovendien wordt de verwijzing naar artikel 127 van de uitvoeringsvoorschriften voor het douanewetboek van de Unie expliciet vermeld in artikel 2, lid 1, van de basisantidumpingverordening (15) en moet de Commissie partijen in antidumping- en antisubsidiezaken gelijk behandelen (16).

(55)

Artikel 127, onder d), van het douanewetboek bepaalt dat twee personen geacht worden te zijn verbonden indien: een derde partij 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden direct of indirect bezit, houdt of daarover zeggenschap heeft. CNRC is de grootste aandeelhouder van Pirelli Tyre Co. Ltd Tijdens het onderzoektijdvak had zij 65 % van de aandelen in handen. Op dit moment bezit zij nog steeds 46 % van de aandelen. In het kader van dit onderzoek worden Pirelli Tyre Co. Ltd en CNRC derhalve geacht te zijn verbonden. Daarom werd het argument afgewezen.

(56)

Pirelli Tyre Co. Ltd voerde verder aan dat zij slechts kan worden beschouwd als een medewerkende partij en niet als producent-exporteur aangezien de onderneming gestopt is met de productie van het betrokken product in november 2017.

(57)

De Commissie stelde vast dat Pirelli Tyre Co. Ltd tijdens het gehele onderzoektijdvak een producent-exporteur was. Het feit dat de onderneming vervolgens de productie stopzette, verandert niets aan het resultaat van het onderzoek. Het argument werd daarom afgewezen.

(58)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Pirelli zijn argument dat het onafhankelijk van China National Tire Group functioneert. Geen van deze argumenten werd echter met aanvullend bewijsmateriaal gestaafd. Pirelli heeft met name geen bezwaar gemaakt tegen de eigendomsstructuur als beschreven door de Commissie in bijlage 2 bij de mededeling van de definitieve bevindingen. Derhalve verwerpt de Commissie dit argument.

(59)

De Commissie is voortgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(60)

Aangezien de schadeperiode en het onderzoektijdvak dezelfde zijn als in het parallelle antidumpingonderzoek, heeft de Commissie de belanghebbenden op 1 juni 2018 meegedeeld dat ook met de informatie en opmerkingen over schade die zijn ingediend in het kader van het antidumpingonderzoek rekening zou worden gehouden. Geen van de partijen had bezwaar tegen deze aanpak.

(61)

In het parallelle antidumpingonderzoek hebben de partijen op 24 juli 2018 de mededeling van de definitieve bevindingen ontvangen over de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was een definitief antidumpingrecht op de invoer van het betrokken product in de Unie op te leggen. Voorts hebben de belanghebbenden op 10 september 2018 een aanvullende mededeling ontvangen. Zoals beschreven in overweging 60 is in het kader van dit onderzoek ten volle rekening gehouden met de in het kader van deze mededelingen ingediende opmerkingen voor zover zij betrekking hadden op schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie en dat zij, waar van toepassing, in aanmerking zijn genomen en zijn verwerkt in de bevindingen van dit onderzoek.

1.8.   Mededeling van de definitieve bevindingen

(62)

Op 28 september 2018 heeft de Commissie alle partijen ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan zij voornemens was een definitief antisubsidierecht op de invoer van het betrokken product in de Unie op te leggen.

(63)

Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen over de mededeling van de definitieve bevindingen (namelijk 8 oktober 2018). Verschillende belanghebbenden hebben verzocht om een verlenging van de termijn. De Commissie heeft de termijn voor het indienen van opmerkingen voor deze partijen verlengd tot 10 oktober 2018 10:00.

(64)

CCCMC, CRIA, drie van de vier in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en twee niet-verbonden importeurs hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt over de mededeling van de definitieve bevindingen.

(65)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde China National Tire Group aan dat haar recht op verweer door de Commissie was geschonden toen zij haar verzoek om een verdere termijnverlenging voor het indienen van opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen verwierp. Volgens haar zou de Commissie de termijn van tien dagen niet als vaste termijn moeten beschouwen. Voorts zou de Commissie bij de vaststelling van de termijn rekening moeten houden met de bijzonderheden van de zaak en voldoende tijd moeten bieden voor zowel schriftelijke als mondelinge opmerkingen. Wat deze argumenten betreft, merkte de Commissie op dat zij volledig had voldaan aan de in artikel 30, lid 5, van de basisverordening vastgestelde minimale termijn van tien dagen voor opmerkingen over de definitieve bevindingen. Bovendien heeft zij gezien de urgentie van de zaak de termijn voor alle belanghebbenden in de procedure die daarom hadden verzocht overeenkomstig hetzelfde artikel verlengd.

(66)

Hämmerling verzocht om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur om juridische kwesties in verband met het huidige onderzoek en bepaalde horizontale kwesties betreffende gegevensbescherming van vertrouwelijke en niet-vertrouwelijke informatie als opgenomen in de TRON TDI-databank en de huidige praktijk van het toekennen van toegang tot niet-vertrouwelijke dossiers aan betrokken partijen buiten het grondgebied van de Unie middels die databank aan de orde te stellen.

(67)

De Commissie merkte op dat de EU-instellingen wettelijk niet gebonden zijn aan de algemene verordening gegevensbescherming (17), maar aan Verordening (EG) nr. 45/2001 (18). Bovendien bevestigde Hämmerling dat de kwestie inzake de bescherming van persoonsgegevens niet rechtstreeks verband houdt met een eventuele specifieke belemmering van haar rechten van verdediging op grond van de EU-wetgeving inzake handelsbescherming. De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat Hämmerlings status als belanghebbende partij in de procedure en zijn rechten van verdediging niet rechtstreeks waren aangetast.

(68)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Hämmerling zijn argument dat „het recht op bescherming van persoonsgegevens een onafhankelijk recht is, waarbij voor het aantonen van een schending ervan geen concreet voorbeeld is vereist, maar enkel sprake moet zijn van de mogelijkheid dat zij op ongepaste wijze worden gebruikt, bijvoorbeeld door terbeschikkingstelling aan ongeverifieerde gebruikers van gegevensbanken in derde landen zonder een adequate beoordeling van de naleving van de wetgeving inzake gegevensbescherming”.

(69)

Met betrekking tot dit argument verwijst de Commissie naar artikel 9, lid 6, van Verordening (EG) nr. 45/2001, op grond waarvan de Commissie persoonsgegevens mag doorgeven indien de doorgifte noodzakelijk of wettelijk verplicht is voor de verdediging van een recht in rechte, en op grond van het feit dat alle betrokkenen de gebruiksvoorwaarden van TRON moeten ondertekenen (waarin onder meer is bepaald dat geen gegevens uit TRON mogen worden vrijgegeven zonder toestemming) wanneer zij voor het eerst toegang krijgen tot TRON als belanghebbende in een zaak. Zij is derhalve van mening dat het gebruik van TRON in overeenstemming is met de regels inzake gegevensbescherming.

(70)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Giti Group verzocht om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur met het argument dat haar rechten van verdediging door de Commissie waren geschonden, aangezien zij de regeling voor de terugbetaling van rechten zeer laat in de procedure had opgenomen en tot onjuiste conclusies was gekomen. De raadadviseur-auditeur was van mening dat het bericht van opening ruimte liet om de desbetreffende regeling te bestrijken. Bovendien had Giti Group moeten beseffen dat deze regeling onder de procedure valt en had zij voldoende tijd om al haar opmerkingen bij de Commissie in te dienen. De raadadviseur-auditeur concludeerde derhalve dat de rechten van verdediging van Giti Group waren gerespecteerd.

(71)

Verschillende andere belanghebbenden hebben dezelfde bezwaren herhaald als die welke na het informatiedocument waren geuit en de Commissie verzocht nadere inlichtingen te verstrekken.

(72)

De Commissie was van oordeel dat het niet-vertrouwelijke dossier, het informatiedocument en de mededeling van de definitieve bevindingen voldoende gegevens bevatten om alle belanghebbenden in staat te stellen hun rechten van verdediging ten volle uit te oefenen. Bovendien was een dossiernotitie (19) met verduidelijkingen over het informatiedocument vóór de mededeling van de definitieve bevindingen opgenomen in het niet-vertrouwelijke dossier. Zij heeft derhalve het verzoek om verdere verduidelijkingen afgewezen.

(73)

Ten slotte voerden de partijen aan dat hun rechten van verdediging zelfs met de verlenging sterk waren aangetast omdat de termijn voor het maken van opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen te kort was en daarbij geen rekening was gehouden met de bijzonderheden van dit onderzoek.

(74)

Wat de vastgestelde termijn betreft, herhaalde de Commissie dat zij de wettelijke termijn op grond van artikel 30, lid 5, van de basisverordening had nageleefd, zoals in overweging 65 nader is uiteengezet. Zij voegde daaraan toe dat de partijen in juli 2018 een uitgebreide mededeling van feiten en overwegingen hadden ontvangen in de vorm van het informatiedocument, waarin de voornaamste overwegingen en conclusies voor alle subsidies al waren uiteengezet, met uitzondering van te hoge terugbetalingen van natuurlijk rubber en elektriciteit geleverd tegen een ontoereikende prijs. In dat stadium kregen de partijen 25 dagen de tijd om opmerkingen in te dienen. Aangezien de meeste problemen dus bij alle partijen bekend waren, waren ook de opmerkingen die na de mededeling van de definitieve bevindingen werden ontvangen aanzienlijk, variërend van 8 tot 63 bladzijden.

(75)

In verband met het schadeaspect van dit onderzoek heeft de Commissie vastgesteld dat de partijen ook in het kader van het parallelle antidumpingonderzoek een mededeling van de definitieve bevindingen en een aanvullende definitieve mededeling van feiten en overwegingen hebben ontvangen. In het kader van dit onderzoek is ingegaan op de opmerkingen die naar aanleiding van de twee mededelingen van feiten en overwegingen zijn ontvangen. Daarom was de Commissie van oordeel dat het niet-vertrouwelijke dossier en de mededelingen van feiten en overwegingen reeds voldoende informatie bevatten om alle belanghebbenden in staat te stellen hun rechten van verdediging ten volle uit te oefenen binnen de termijn die in het document met de definitieve bevindingen was uiteengezet. Om deze redenen heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de rechten van verdediging van alle belanghebbenden in deze procedure ten volle zijn geëerbiedigd.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(76)

Bij het betrokken product gaat het om bepaalde nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens, met een belastingsindex van meer dan 121, van oorsprong uit de VRC, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 4011 20 90 en ex 4012 12 00 (Taric-code 4012120010). Deze GN- en Taric-codes worden slechts ter informatie vermeld.

(77)

Het betrokken product betreft zowel nieuwe als van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden voor autobussen of voor vrachtwagens die dezelfde essentiële fysieke, chemische en technische kenmerken hebben.

(78)

De beide vormen van het betrokken product worden vervaardigd uit dezelfde inputs (ook al kan de technologie verschillen) en hebben een soortgelijke structuur. De uiteenlopende grondstoffen en structuur leiden tot verschillende prestatiekenmerken.

2.1.1.   Productieproces

2.1.1.1.   Nieuwe banden

(79)

Het productieproces van nieuwe banden voor vrachtwagens en autobussen bestaat uit: 1) het samenstellen en mengen van rubber, 2) het voorbereiden van de componenten van de band, 3) de (groene) opbouw van de band, 4) het drogen (vulkaniseren) en 5) de eindinspectie. Alle banden voor vrachtwagens en autobussen zijn gemaakt van dezelfde basisgrondstoffen, namelijk natuurlijk rubber, synthetisch rubber, staal, carbonblack, andere chemicaliën en oliën, en weefsel en hebben dezelfde componenten, namelijk loopvlakgordels, zijwanden, binnenbekleding, hieldraden, staalgordels en karkaskoorden, ook al is er tussen de verschillende producenten van dit product enige variatie.

(80)

Ook in het productieproces van de nieuwe banden voor vrachtwagens en autobussen blijkt gebruikgemaakt te worden van verschillende technologieën, hetgeen echter geen invloed had op de algemene bevindingen inzake substitueerbaarheid.

2.1.1.2.   Van een nieuw loopvlak voorziene banden (coverbanden)

(81)

Loopvlakvernieuwing is in wezen een recyclingproces waarbij versleten banden worden vernieuwd door het loopvlak op een oud karkas te vervangen. Karkassen zijn belangrijke elementen van het loopvlakvernieuwingsproces en een aanzienlijk deel van de activiteiten van een loopvlakvernieuwingsbedrijf bestaat dan ook in het selecteren en aankopen van karkassen die geschikt zijn voor loopvlakvernieuwing. Karkassen zijn daardoor de belangrijkste input van het productieproces en vormen — afhankelijk van hun kwaliteit — een echt „halffabricaat” of een afvalstof.

(82)

Ook bij dit procedé kan gebruikgemaakt worden van verschillende technologieën, zonder dat dit gevolgen heeft voor de bevindingen van de Commissie inzake substitueerbaarheid.

2.1.2.   Gebruik en type banden

(83)

Banden voor vrachtwagens en autobussen worden geproduceerd in een grote verscheidenheid van typen en maten die op basis van hun specificaties inzake grootte en belastingsindex te vinden zijn op een breed scala van bedrijfsvoertuigen, van lokale bestelwagens en bussen in stedelijke of regionale omgevingen tot vrachtwagens en bussen voor lange afstanden. Zij zijn niet geschikt voor gebruik op personenauto's of andere lichte bedrijfsvoertuigen, noch voor terreinvoertuigen zoals landbouwtrekkers.

(84)

Banden voor vrachtwagens of autobussen worden in twee vormen en vier categorieën verkocht. Banden met een binnenband zijn de meer traditionele vorm; zij hebben een binnenband met een eigen ventiel, binnenin de band. Bij een binnenbandloze band vormen de band en de velg van het wiel een luchtdichte afsluiting, waarbij het ventiel rechtstreeks op de velg is gemonteerd. De overgrote meerderheid van de in de Unie verkochte banden voor vrachtwagens of autobussen hebben geen binnenband. De vier categorieën banden voor vrachtwagens of autobussen zijn: banden voor gestuurde wielen, voor aandrijfwielen, voor aanhangwagens en voor alle posities. Banden voor gestuurde wielen zijn bedoeld om te worden gebruikt op de vooras als hulp bij het sturen, maar kunnen worden gebruikt in alle posities op vrachtwagens of autobussen, afhankelijk van het gebruik van het voertuig. Banden voor aandrijfwielen zijn bedoeld voor de aandrijflijn en zorgen voor betere tractie. Banden voor aanhangwagens zijn ontworpen om op een aanhangwagen te worden gemonteerd, terwijl banden voor alle posities zijn ontworpen om in alle posities te worden gebruikt, afhankelijk van het gebruik van het voertuig.

(85)

Voor nieuwe of van een nieuw loopvlak voorziene banden gelden op de markt van de Unie dezelfde veiligheidsvoorschriften, namelijk die van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (20).

2.2.   Indeling van de bandenmarkt van de Unie in drie segmenten

(86)

Blijkens de door de Commissie verzamelde en ontvangen informatie bestaat de markt van de Unie voor banden voor autobussen en voor vrachtwagens uit drie segmenten. Hoewel er geen duidelijke grenzen zijn tussen de segmenten, bestaat er tussen de belanghebbenden algemene overeenstemming over de bevindingen van de Commissie inzake de volgende indeling.

(87)

Banden van segment 1 zijn nieuwe kwaliteitsbanden van het toonaangevende merk van de belangrijkste fabrikanten. Merkherkenning is een belangrijke factor voor banden in dit segment en rechtvaardigt aanzienlijk hogere prijzen voor verwachte hoge prestaties en bijzonder grote marketinginvesteringen. Banden voor eerste uitrusting van vrachtwagen- of autobusfabrikanten komen in eerste instantie uit dat segment. De kwaliteit van banden van segment 1 zorgt ervoor dat ze uitermate geschikt zijn voor loopvlakvernieuwing omdat ze ontworpen zijn als „multilife”-banden, waardoor het aanzienlijke kilometrage van het oorspronkelijke product nog verder toeneemt (maximaal drie loopvlakvernieuwingen bij normaal gebruik). Banden van segment 1 worden ook geassocieerd met een hoger veiligheidsniveau en profiteren vaak van een goede klantenservice.

(88)

Banden van segment 2 zijn de meeste banden van een lagere kwaliteit, zowel nieuwe als van een nieuw loopvlak voorziene banden, met prijzen die variëren tussen ongeveer 65 % en 80 % van de prijs van banden van segment 1. Banden voor eerste uitrusting van fabrikanten van opleggers kunnen uit dat segment komen. Merkherkenning blijft belangrijk in dit segment en merken zijn gewoonlijk bekend bij afnemers die ook in staat zijn de bandenfabrikanten te identificeren. Over het algemeen kunnen ze ten minste eenmaal van een nieuw loopvlak worden voorzien en leveren ze, hoewel beperkter dan banden van segment 1, goede kilometrageprestaties.

(89)

Banden van segment 3 zijn zowel nieuwe als van een nieuw loopvlak voorziene banden met lagere kilometrageprestaties en zijn slechts in zeer beperkte mate of helemaal niet geschikt voor loopvlakvernieuwing. Ze worden gewoonlijk geprijsd tegen minder dan 65 % van de prijs van banden van segment 1. In dit segment is er nauwelijks sprake van merkbekendheid en is de prijs de bepalende factor bij de aankoopbeslissing van de klant. Er wordt doorgaans geen klantenservice bij aangeboden.

(90)

Coverbanden kunnen worden ingedeeld in de segmenten 2 of 3. Hoewel sommige Chinese banden van een nieuw loopvlak kunnen worden voorzien, wordt in China slechts zeer weinig loopvlakvernieuwing toegepast. Loopvlakvernieuwing is echter vrij ruim verspreid in de Unie en op andere markten, bijvoorbeeld Brazilië. De loopvlakvernieuwingssector in de Unie bestaat uit:

geïntegreerde loopvlakvernieuwingsbedrijven die onder de naam of het merk of in opdracht van een producent van nieuwe banden handelen. Zij worden gezien als een voortzetting van de merken die de nieuwe banden verkopen. Dit komt overeen met banden van segment 2;

onafhankelijke loopvlakvernieuwingsbedrijven, die gewoonlijk veel kleinere geografische markten en volumes bestrijken. Zij verkopen banden onder hun eigen naam of merk en vertrouwen op hun eigen expertise. De meeste zijn kmo's (ten minste 380 bedrijven in de Unie). Dit komt overeen met banden van segment 3.

(91)

De Commissie heeft de nieuwe en van een nieuw loopvlak voorziene banden per merk in kaart gebracht op basis van door de klager verstrekte informatie, die op 27 oktober 2017 aan alle belanghebbenden ter beschikking is gesteld.

2.3.   Argumenten inzake de indeling van de bandenmarkt van de Unie in segmenten

(92)

Zoals in overweging 86 is vermeld, waren de belanghebbenden het in het algemeen eens met het beginsel van de indeling van de markt in drie segmenten.

(93)

De in de mededeling in het dossier van 27 oktober 2017 beschreven indeling van de markt van bandenmerken in segmenten werd door de belanghebbenden in het algemeen onderschreven, met uitzondering van de volgende voorstellen van belanghebbenden om bepaalde merken in andere segmenten in te delen. Meer bepaald beschouwde China National Tire Group de banden van haar Aeolus-merk als banden van segment 3 (in plaats van segment 2); twee importeurs die het Double Coin-merk invoeren, stelden dat dit merk in segment 2 (in plaats van segment 3) moest worden ingedeeld; Hankook Group was van mening dat haar Aurora-merk tot segment 2 (in plaats van segment 3) behoort; Giti Group stelde in haar antwoord op de vragenlijst dat haar Primewell- en GT Radial-merken tot segment 2 (in plaats van segment 3) behoren, en een onafhankelijke importeur stelde dat het Sailun-merk moet worden ingedeeld in segment 2 (in plaats van segment 3).

(94)

De Commissie heeft deze beweringen getoetst aan het door de belanghebbenden ingediende bewijsmateriaal en de tijdens het onderzoek ambtshalve verzamelde informatie. In overeenstemming met de in overweging 81 genoemde kenmerken heeft de Commissie geanalyseerd in hoeverre de banden van de specifieke merken 1) geschikt zijn voor loopvlakvernieuwing, 2) gebruikt worden voor de eerste uitrusting van autobussen en vrachtwagens en 3) op de markt worden gebracht in een bepaald segment naar het eigen oordeel van elke onderneming.

(95)

Wat Hankook Group betreft, heeft de Commissie ermee ingestemd het Aurora-merk zoals gevraagd in segment 2 in te delen. Zij kwam echter ook tot de bevinding dat het Hankook-merk in segment 1 moet worden ingedeeld. Voor het Hankook-merk is er een juridische garantie dat haar banden ten minste eenmaal van een nieuw loopvlak kunnen worden voorzien. Bovendien treedt zij op als leverancier van eerste uitrusting voor Europese bedrijven zoals Scania, MAN en Mercedes-Benz. Het Hankook-merk wordt op de website van Hankook Group als „kwaliteitsbanden” aangemerkt en uit een intern document van een verbonden importeur dat tijdens de verificatie werd overhandigd, blijkt dat het merk naar segment 1 is overgestapt.

(96)

Wat Giti Group betreft, heeft de Commissie ermee ingestemd de Primewell- en GT Radial-merken zoals gevraagd in segment 2 in te delen. De Commissie heeft ook vastgesteld dat Giti-banden geschikt zijn voor loopvlakvernieuwing. De activiteiten inzake eerste uitrusting van Giti Group strekken zich echter niet uit tot vrachtwagens en autobussen, maar hebben betrekking op banden voor personenwagens. Overigens vindt Giti Group dat haar merken behoren tot segment 2. Daarom zijn de merken van de groep ingedeeld in segment 2.

(97)

Voor China National Tire Group willigde de Commissie voorlopig het verzoek van de onderneming om indeling van het Aeolus-merk in segment 3 in, op basis van de bewering dat die banden doorgaans niet van een nieuw loopvlak kunnen worden voorzien en niet worden verkocht op de markt voor eerste uitrusting.

(98)

De importeurs die argumenten aanvoerden inzake de merken Double Coin en Sailun waren niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, zodat de Commissie hun argumenten in dit stadium niet kon onderzoeken. Aangezien zij niet in de steekproef waren opgenomen, heeft hun indeling in segment 2 of 3 geen invloed op de uitkomst van het onderzoek. Hoewel de Commissie de door de importeurs verstrekte gegevens over hun ervaringen met hun klanten inzake de banden van die merken niet in twijfel trekt, heeft zij in dit stadium daarom geen standpunt ingenomen over hun argumenten.

(99)

Verscheidene belanghebbenden merkten op dat de segmentering per merk alleen voor de Unie geldt en dat de segmentering op andere markten zeer verschillend kan zijn. Met name kan de segmentering in de Unie niet naar de Chinese markt worden omgezet. De Commissie onderstreepte dat de segmentering per merk in dit onderzoek werd gebruikt om de situatie op de markt van de Unie te analyseren en geen juridische betekenis had voor andere markten.

2.3.1.   Verzoeken tot uitsluiting van producten

(100)

CRIA, CCCMC en China National Tire Group voerden aan dat ofwel nieuwe banden ofwel coverbanden van de definitie van het betrokken product moeten worden uitgesloten, omdat:

nieuwe banden en coverbanden verschillende essentiële fysieke, technische en chemische eigenschappen hebben;

coverbanden een kortere levensduur hebben dan nieuwe banden;

nieuwe banden en coverbanden voor andere doeleinden worden gebruikt, andere verkoopkanalen en toepassingen hebben en een andere perceptie bij de consument genieten. Coverbanden worden met name niet in de markt voor eerste uitrusting gebruikt en worden doorgaans niet gemonteerd op de gestuurde as en op vrachtwagens die gevaarlijke goederen vervoeren;

nieuwe banden en coverbanden verschillende GN-codes hebben.

(101)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Pirelli opnieuw een gelijkaardig argument aangevoerd.

(102)

Die partijen merkten ook op dat de Commissie en het Hof van Justitie in verscheidene mededingingszaken tot de conclusie waren gekomen dat nieuwe banden en van een nieuw loopvlak voorziene banden twee verschillende relevante markten vormen met betrekking tot prijs, aanbodstructuur, vraagstructuur, aanbodkanalen en substitueerbaarheid (21). CRIA en CCCMC wezen er ook op dat andere antidumpingonderzoeksinstanties nieuwe banden en coverbanden afzonderlijk behandelen (22). Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Hämmerling opnieuw een gelijkaardig argument aangevoerd.

(103)

CRIA en CCCMC voerden aan dat de Commissie de relevante factoren onjuist heeft beoordeeld door nieuwe banden en coverbanden niet afzonderlijk te behandelen.

(104)

Volgens Giti Group moeten banden die van een nieuw loopvlak kunnen worden voorzien of „multilife”-banden worden uitgesloten van de definitie van het betrokken product, aangezien zij meer gesofisticeerd zijn dan banden die niet van een nieuw loopvlak kunnen worden voorzien, en typische technische kenmerken hebben.

(105)

De Commissie is tot de conclusie gekomen dat bij het loopvlakvernieuwingsproces de voornaamste kenmerken, de componenten en de structuur van de band die bij het oorspronkelijke productieproces zijn ontstaan, behouden blijven. Met name worden de belangrijkste technische specificaties van de band, namelijk maat, belastingsindex en snelheidscategorie, tijdens de loopvlakvernieuwingsfase niet gewijzigd. Nieuwe banden (die al dan niet van een nieuw loopvlak kunnen worden voorzien) en coverbanden zijn gemaakt van dezelfde grondstoffen en dezelfde componenten en hebben een soortgelijke structuur.

(106)

Het belangrijkste verschil in technische kenmerken tussen een nieuw geproduceerde band en een coverband die op zijn karkas is gebouwd, is dat een coverband inderdaad een kortere levensduur kan hebben en dat de coverband als een minder veilige optie kan worden beschouwd. Tussen twee nieuwe banden uit verschillende segmenten bestaan echter precies dezelfde verschillen op het gebied van techniek, kwaliteit en veiligheidsperceptie. Banden van het lagere segment hebben met name ook een lager kilometrage en zullen geen voorkeursoptie zijn voor voertuigen die aan zeer hoge veiligheidsnormen moeten voldoen, namelijk voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren.

(107)

De Commissie heeft daarom het argument dat nieuwe banden (die al dan niet van een nieuw loopvlak kunnen worden voorzien) en coverbanden andere fysieke, chemische en technische basiseigenschappen hebben, van de hand gewezen.

(108)

De Commissie stelde verder vast dat zowel nieuwe banden als coverbanden worden gebruikt door eigenaren van vrachtwagens of autobussen die voornamelijk actief zijn in de sector van het vervoer van personen of goederen over een korte tot lange afstand. Het essentiële eindgebruik van nieuwe banden en van coverbanden is derhalve hetzelfde. De Commissie heeft ook vastgesteld dat nieuwe banden en coverbanden dezelfde vier hoofdtoepassingen hebben, namelijk sturing, aandrijving, aanhangwagens en alle bandposities, en op de markt van de Unie zijn onderworpen aan dezelfde veiligheidsvoorschriften die in de desbetreffende wetgeving zijn vastgesteld.

(109)

Het argument dat nieuwe banden en coverbanden verschillende toepassingen hebben, werd daarom van de hand gewezen.

(110)

De Commissie is het ermee eens dat coverbanden, nu zij niet op de markt voor eerste uitrusting worden verkocht, verschillen van nieuwe banden van segment 1. De Commissie stelde ook vast dat precies hetzelfde geldt voor banden van segment 3 en in grote mate voor merken van banden van segment 2, die evenmin op de markt voor eerste uitrusting worden verkocht.

(111)

De Commissie heeft het argument dat nieuwe banden en coverbanden verschillende verkoopkanalen hebben, daarom van de hand gewezen.

(112)

Wat betreft de mededingingsbeschikkingen van de Commissie en het arrest van het Hof van Justitie (23) waarin coverbanden als een afzonderlijke productmarkt werden beschouwd, is dit in feite irrelevant voor de productomschrijving in onderzoeken in verband met handelsbescherming. De marktdefinitie in een concentratiezaak is gericht op substitutie aan de vraag- en de aanbodzijde (24). In een antidumpingonderzoek wordt de markt bepaald door de fysieke, technische en chemische kenmerken van het betrokken product. Derhalve verwerpt de Commissie dit argument.

(113)

Wat het argument betreffende de productomschrijving in antidumpingzaken in derde landen betreft, wees de Commissie erop dat de productomschrijving binnen de ruime discretionaire bevoegdheid van de onderzoekende autoriteit in handelsbeschermingszaken valt (25). Derhalve kan de wijze waarop de onderzoeksinstanties in derde landen in dit verband van hun discretionaire bevoegdheid gebruik hebben gemaakt, de discretionaire bevoegdheid van de Commissie in het kader van dit onderzoek niet beperken.

(114)

Ook werd aangevoerd dat het betrokken product niet onder verschillende GN-codes mag vallen. In dat verband herinnerde de Commissie er in de eerste plaats aan dat het zeer gebruikelijk is dat een enkel betrokken product onder verschillende GN-codes valt. Dit vloeit voort uit de opzet van de gecombineerde nomenclatuur. Bovendien werd in het bericht van opening duidelijk gesteld dat de GN-codes slechts ter informatie waren vermeld. In de tweede plaats is geen bewijsmateriaal aangevoerd en heeft de Commissie geen informatie gevonden waaruit blijkt dat het betrokken product aldus is omschreven dat ingevoerde coverbanden en nieuwe banden niet konden worden beschouwd als alternatieven voor en directe concurrenten van coverbanden en nieuwe banden die zijn geproduceerd in de Unie. Hetzelfde geldt voor de perceptie door de producenten en de consumenten, de distributiekanalen, of andere factoren betreffende het bestaan van een of meer productcategorieën in tegenstelling tot het onderscheid tussen nieuwe banden en coverbanden in het kader van dit onderzoek.

(115)

Tot slot hebben belanghebbenden aangevoerd dat als gevolg van de segmentering van de markt in de Unie, coverbanden worden geacht van mindere kwaliteit te zijn dan nieuwe banden van segment 1, ook als zij zijn gemaakt van een karkas van een band van segment 1.

(116)

De Commissie heeft dit argument aanvaard, dat strookt met de voor dit onderzoek in kaart gebrachte segmentering, en nam alleen coverbanden van de segmenten 2 en 3 in aanmerking.

2.4.   Soortgelijk product

(117)

Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysieke basiskenmerken en dezelfde basistoepassingen hebben:

het betrokken product;

het in de Unie door de bedrijfstak van de Unie vervaardigde en verkochte product.

(118)

De Commissie besliste in dit stadium dan ook dat die producten soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 2, onder c), van de basisverordening.

3.   SUBSIDIËRING

3.1.   Inleiding: presentatie van plannen, projecten en andere documenten van de overheid

(119)

Alvorens de gestelde subsidiëring in de vorm van specifieke subsidies of subsidieprogramma's te onderzoeken, heeft de Commissie plannen, projecten en andere documenten van de overheid die relevant zijn voor meer dan één van de subsidies of subsidieprogramma's beoordeeld. Zij stelde vast dat alle beoordeelde subsidies en subsidieprogramma's een onderdeel vormen van de tenuitvoerlegging van de centrale planning van de Chinese overheid met het oog op stimulering van de bandenindustrie, en wel om de volgende redenen.

(120)

In het Dertiende vijfjarenplan voor de nationale economische en sociale ontwikkeling van de VRC („het Dertiende vijfjarenplan”), dat de periode 2016-2020 bestrijkt, wordt de nadruk gelegd op de strategische visie van de Chinese overheid om de belangrijkste industrietakken te verbeteren en te bevorderen. Het plan legt voorts de nadruk op de rol van technologische innovatie voor de economische ontwikkeling van de VRC en op het blijvende belang van „groene” ontwikkelingsbeginselen. Volgens hoofdstuk 5 is een van de belangrijkste ontwikkelingslijnen de bevordering van de modernisering van de traditionele industriestructuur, zoals reeds het geval was in het Twaalfde vijfjarenplan. Dat idee wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 22, waarin de strategie wordt uiteengezet om de traditionele industrie in de VRC te moderniseren door de technologische omschakeling ervan te bevorderen. Dienaangaande wordt in het Dertiende vijfjarenplan gesteld dat ondernemingen zullen worden ondersteund om „over heel de lijn te verbeteren op gebieden als producttechnologie, industriële uitrusting, milieubescherming en energie-efficiëntie”. In dit verband heeft vak 7 specifieke betrekking op projecten betreffende afgeleide petrochemische producten (waaronder banden). Milieubescherming wordt nader behandeld in hoofdstuk 44. Volgens dat hoofdstuk zal in een aantal belangrijke industrietakken worden gezorgd voor een „omschakeling” naar schone productie, en in vak 16 wordt dienaangaande specifiek de petrochemische industrie genoemd.

(121)

Meer specifiek heeft de Chinese overheid daarnaast het Dertiende vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de chemische en petrochemische industrie („Dertiende vijfjarenplan petrochemie”) bekendgemaakt, dat ook de bandenindustrie omvat en gebaseerd is op het Dertiende vijfjarenplan. In de inleiding bij dit plan wordt vermeld dat de petrochemische en chemische industrie een belangrijke industriële pijler vormt voor de nationale economie van de VRC. Het plan bevat een verdere uitwerking van de in het Dertiende vijfjarenplan genoemde beginselen van technologische innovatie, structurele aanpassing en groene ontwikkeling, en verbindt die met meer specifieke prioriteiten in de petrochemische industrie (zie hoofdstuk III — Belangrijkste taken) en met verschillende fiscale en financiële steunmaatregelen (zie hoofdstuk IV — Vrijwaringsmaatregelen: deel 4 — Versterking van de beleidsondersteuning).

(122)

Bovendien heeft de Chinese overheid een specifiek plan voor de bandenindustrie bekendgemaakt dat erop is gericht het Dertiende vijfjarenplan petrochemie ten uitvoer te leggen, en dat het beleid voor de bandenindustrie formuleert (26). In dit beleidsplan wordt benadrukt dat de structurele aanpassing, technologische hervorming en emissiereducties in de bandenindustrie voor de Chinese overheid de grootste prioriteit hebben. Volgens artikel 6 wordt de ontwikkeling van hoogwaardige radiaalbanden en binnenbandloze TBR-banden gestimuleerd. Daarnaast wordt in de preambule van de beleidsnota inzake de bandenindustrie vermeld dat „dit industriebeleid dient als basis voor alle bevoegde departementen voor zover het gaat om de verschillende aspecten van investeringsbeheer, grond, bestemmingsplannen, milieubeoordelingen, energiebesparende maatregelen, veiligheidsvergunningen, financiering van kredieten en elektriciteitsvoorziening voor projecten van de bandenindustrie zoals de bouw van productiefaciliteiten en technologische ontwikkeling.”

(123)

Tot slot worden in dit document ook voorwaarden voor toegang tot de markt vastgesteld, aangezien alleen ondernemingen die een bepaalde minimale productiecapaciteit behalen en aan de milieu-eisen voldoen, kunnen toetreden tot de markt (27).

(124)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft de Chinese overheid haar basispositie over de vijfjarenplannen van de VRC herhaald, met het argument dat zij niet bindend zijn en slechts als „richtsnoeren” moeten worden beschouwd. De Commissie was het niet eens met deze positie — in hoofdstuk 17 van het 13e vijfjarenplan staat: „De nationale ontwikkelingsstrategie en het nationale ontwikkelingsplan zullen een leidende en dwingende rol spelen.” (28) Bovendien wordt in hoofdstuk IV van het Dertiende vijfjarenplan petrochemie de uitvoering van het plan georganiseerd en wordt erop gewezen dat van ondernemingen wordt verwacht dat zij: „kerntaken in het plan uitvoeren, zelfregulering toepassen en tijdig feedback geven problemen met de uitvoering van het plan” (29). Ten slotte wordt in de preambule bij het Beleid inzake de bandenindustrie vermeld dat het „door alle betrokken entiteiten dienovereenkomstig moet worden uitgevoerd.” Die plannen bevatten dus niet alleen algemene aanmoedigingen, maar bevatten taalgebruik dat wijst op hun verbindende aard.

(125)

Ook in de volgende documenten wordt de bandenindustrie als een strategische, prioritaire en/of aangemoedigde bedrijfstak aangemerkt:

Besluit nr. 40 van de Staatsraad tot afkondiging en implementatie van de Tijdelijke bepalingen inzake de bevordering van de aanpassing van de industriële structuur („Besluit nr. 40”). Volgens dat besluit zijn de „Richtsnoeren voor de aanpassing van de industriële structuur”, een uitvoeringsmaatregel van Besluit nr. 40, een belangrijke basis voor investeringsbeslissingen. Zij leiden de Chinese overheid ook bij het beheer van investeringsprojecten en bij het formuleren en afdwingen van beleid inzake overheidsfinanciën, belastingen, kredietverlening, land, invoer en uitvoer (30). De bandenindustrie, en meer specifiek de productie van bepaalde banden, zoals „hoogwaardige radiaalbanden (met inbegrip van binnenbandloze banden voor vrachtwagens)”, wordt in hoofdstuk VIII van deze richtsnoeren (31) genoemd als sector van de bevorderde categorie. Aangaande de juridische aard ervan merkte de Commissie op dat Besluit nr. 40 een besluit is van de Staatsraad, het hoogste bestuursorgaan in de VRC. In dat opzicht is het besluit juridisch bindend voor andere overheidsinstanties en de marktdeelnemers (32).

Het Nationale plan voor de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling op middellange en lange termijn (2006-2020) ondersteunt volgens de hoofdstukken III.1, III.5 en VIII ervan de ontwikkeling van centrale domeinen en prioritaire thema's, en moedigt financiële en fiscale steun voor die centrale domeinen en prioriteiten aan. In de hoofdstukken III.1 en III.5 van dit document wordt de (petro)chemische industrie duidelijk genoemd in verband met de prioritaire thema's nr. 1 („industriële energie-efficiëntie”) en nr. 31 („grondstoffen”). In hoofdstuk VIII wordt financiële en fiscale steun voor deze prioritaire thema's aangemoedigd.

In de door de Chinese overheid opgestelde „Catalogus van nieuwe en hightech exportproducten uit China” (33) worden „nieuwe radiaalluchtbanden, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens (van rubber, met een doorsnede ≥ 24 inch)” genoemd als producten waarvan de uitvoer wordt bevorderd.

Op regionaal niveau is de provincie Shandong de provincie met de meest omvangrijke bandenproductiesector in de VRC. Deze provincie heeft eveneens plannen afgekondigd ter bevordering van de bandenindustrie. Zo heeft de provinciale overheid van Shandong bijvoorbeeld in oktober 2014 een Uitvoeringsplan voor de transformatie en modernisering van de bandenindustrie in de provincie Shandong (34) bekendgemaakt, waarin onder meer productiedoelstellingen zijn vastgelegd voor radiaalbanden voor vrachtwagens en bussen van 91 miljoen eenheden in 2017 en 120 miljoen eenheden in 2020, en in steun is voorzien voor producenten van banden voor vrachtwagens en bussen die de ruggengraat van de plaatselijke economie vormen.

(126)

Kortom, de bandenindustrie wordt beschouwd als een centrale/strategische industrietak, waarvan de ontwikkeling door de Chinese overheid als beleidsdoelstelling actief wordt aangemoedigd.

3.2.   Gedeeltelijke niet-medewerking en gebruik van de beschikbare gegevens

3.2.1.   Toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening aangaande de verstrekking van preferentiële leningen, voor een ontoereikende prijs verstrekte inputs en exportkredietverzekeringen

(127)

Om administratieve redenen heeft de Commissie de Chinese overheid verzocht specifieke vragenlijsten door te sturen naar vier specifieke in de klacht genoemde staatsbanken, naar Sinosure en naar eventuele andere financiële instellingen die leningen of exportkredieten hebben verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen of hun afnemers. Tevens heeft de Commissie de Chinese overheid verzocht specifieke vragenlijsten door te sturen naar producenten van natuurlijk rubber, synthetisch rubber, carbonblack en nylonkoord die volgens de klacht inputs voor een ontoereikende prijs hebben geleverd aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen, alsook naar andere producenten en distributeurs van de betrokken grondstoffen die inputs aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben geleverd.

(128)

Aanvankelijk reageerde de Chinese overheid niet op dit verzoek van de Commissie. In haar aanmaningsbrief heeft de Commissie haar verzoek derhalve herhaald om financiële instellingen en toeleveranciers zo veel mogelijk bij het onderzoek te kunnen betrekken opdat de Commissie over de nodige informatie kan beschikken om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van subsidiëring, en zo ja, in welke omvang. Naar aanleiding van de aanmaningsbrief heeft de Chinese overheid daadwerkelijk contact opgenomen met de hierboven genoemde financiële instellingen en leveranciers. De vragenlijst is echter door slechts drie van de door de klager specifiek genoemde staatsbanken en Sinosure beantwoord.

3.2.1.1.   Preferentiële leningen

(129)

Volgens de Chinese overheid was zij niet bevoegd om de staatsbanken die de vragenlijst niet hebben beantwoord, om informatie te vragen, aangezien die banken onafhankelijk van haar optreden.

(130)

De Commissie deelde dit standpunt niet. Ten eerste gaat de Commissie ervan uit dat de gewenste informatie van overheidsentiteiten (zowel ondernemingen als publieke en financiële instellingen) voor de Chinese overheid toegankelijk is voor alle entiteiten waarin zij een meerderheidsbelang of het grootste aandeel heeft. Volgens de wet van de VRC inzake staatsdeelnemingen (35) worden namelijk de taken en bevoegdheden van een investeerder in ondernemingen waarin de staat een belang heeft, door toezicht- en beheersbureaus die zijn opgezet door de commissie voor toezicht op en beheer van staatsactiva van de Staatsraad, en door lokale instanties in de VRC uitgeoefend namens de Chinese overheid. Dergelijke bureaus hebben dus recht op inkomsten uit die investeringen en medezeggenschap bij belangrijke besluitvorming en de selectie van directieleden van ondernemingen met overheidskapitaal. Bovendien staan ondernemingen met overheidskapitaal volgens artikel 17 van de hierboven genoemde wet inzake staatsdeelnemingen onder beheer en toezicht van de overheid en bevoegde overheidsdiensten en -instanties en zijn zij verantwoording verschuldigd aan hun investeerders.

(131)

Daarnaast beschikt de Chinese overheid over de nodige bevoegdheden voor een uitwisseling van informatie met financiële instellingen ook al zijn deze niet in staatsbezit, aangezien zij onder de jurisdictie van de China Banking Regulatory Commission („CBRC”) vallen. Zo is bijvoorbeeld de CBRC volgens de artikelen 33 en 36 van de wet inzake het bankentoezicht (36) bevoegd alle in de VRC gevestigde financiële instellingen te verplichten informatie in te dienen, zoals jaarrekeningen, statistische verslagen en gegevens over bedrijfsactiviteiten en bedrijfsvoering. De CBRC kan financiële instellingen tevens opdracht geven informatie mede te delen aan het publiek.

(132)

Bovendien hebben de medewerkende staatsbanken weliswaar een aantal algemene toelichtingen gegeven op de werking van hun systemen voor leningverstrekking en risicobeheer, maar geen van die banken heeft specifieke mededelingen gedaan over leningen die zij aan in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben verstrekt, op grond dat zij zich moeten houden aan wettelijke en bestuursrechtelijke eisen en contractuele bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van informatie betreffende de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(133)

Om die redenen heeft de Commissie de in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs verzocht toegang te verlenen tot de ondernemingsspecifieke informatie die in handen is van particuliere en staatsbanken waarvan zij leningen hebben gekregen. Ondanks het feit dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen ermee hebben ingestemd dat toegang wordt verleend tot hen betreffende bankgegevens, hebben de banken geweigerd gedetailleerde informatie te verstrekken.

(134)

Uiteindelijk heeft de Commissie enkel van de drie in overweging 48 genoemde staatsbanken informatie ontvangen over hun bedrijfs- en eigendomsstructuren, maar niet van de overige financiële instellingen die leningen hebben verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Bovendien heeft geen van de financiële instellingen enige informatie verstrekt die specifiek betrekking heeft op de risicobeoordeling inzake de leningen aan de in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs.

(135)

Omdat zij over de meeste staatsbanken die leningen hebben verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen geen informatie heeft kunnen inwinnen, noch specifieke informatie over de door de medewerkende banken verstrekte leningen, was de Commissie van mening dat zij cruciale informatie over dit aspect van het onderzoek niet had ontvangen.

(136)

Daarom deelde de Commissie de Chinese overheid mee dat zij bij het onderzoek naar het bestaan en de omvang van de gestelde subsidiëring door middel van preferentiële leningen overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening wellicht zou moeten teruggrijpen op de beschikbare gegevens.

(137)

In het antwoord op de brief van de Commissie en in de opmerkingen bij het informatiedocument en bij de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Chinese overheid bezwaar gemaakt tegen de toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening met betrekking tot preferentiële leningen. De Chinese overheid herhaalde dat zij geen enkele bevoegdheid had ten aanzien van de banken. De Chinese overheid was voorts van mening dat zij naar haar beste vermogen had meegewerkt, dat de Commissie haar een onredelijke extra belasting had opgelegd en dat de ontbrekende informatie niet „nodig” was in de zin van artikel 28 van de basisverordening, aangezien zij reeds beschikbaar was via de antwoorden op de vragenlijsten.

(138)

De Commissie bleef om de in de overwegingen 130 en 131 uiteengezette redenen bij haar standpunt dat de Chinese overheid de bevoegdheid heeft om informatie op te vragen bij de banken. Zij erkende dat de Chinese overheid de desbetreffende vragenlijsten naar de banken heeft doorgestuurd en dat zij antwoorden van drie staatsbanken heeft ontvangen. Zij heeft de aldus verstrekte informatie gebruikt deze uitsluitend voor de ontbrekende onderdelen aangevuld met beschikbare gegevens.

(139)

Deze ontbrekende informatie betreft voornamelijk twee aspecten: ten eerste informatie over de eigendoms- en governance-structuur van de niet-medewerkende banken. Deze informatie had de Commissie nodig om te bepalen of deze banken overheidsinstanties zijn of niet. Ten tweede was bedrijfsspecifieke informatie van de medewerkende banken, zoals bijvoorbeeld het interne proces voor leningverstrekking van de bank en de kredietwaardigheidsbeoordeling van de banken voor de aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen verstrekte leningen, nodig in de zin van artikel 28 van de basisverordening om te bepalen of leningen tegen preferentiële tarieven waren verstrekt aan in de steekproef opgenomen ondernemingen. Bovendien kunnen dergelijke interne documenten alleen door de banken ter beschikking worden gesteld en kunnen zij dus niet worden verstrekt via de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(140)

Ten slotte was de Commissie niet van oordeel dat zij de Chinese overheid een onredelijke last had opgelegd. Vanaf het begin had de Commissie haar onderzoek beperkt tot die financiële instellingen die leningen hadden verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen. De Commissie heeft de Chinese overheid ook niet belast met de identificatie van die financiële instellingen, aangezien de lijst met namen en adressen van de banken en het verzoek om de vragenlijsten door te sturen helemaal aan het begin van het onderzoek, in december 2017, aan de Chinese overheid was verstrekt. Dit gaf de Chinese overheid ruim tijd om te voldoen aan het verzoek van de Commissie. De vragenlijsten van de Commissie werden echter pas op 28 maart 2018 effectief door de Chinese overheid aan de banken toegezonden, met een termijn van drie werkdagen voor de banken om te antwoorden. Deze vertraging kan niet aan de Commissie worden toegeschreven. Zij was daarom van mening dat zij alles in het werk had gesteld om de van de Chinese overheid verlangde taken te vergemakkelijken.

(141)

De Commissie bleef daarom bij het standpunt dat zij zich bij het onderzoek van het bestaan en de omvang van de gestelde subsidiëring door middel van preferentiële leningen ten dele moest baseren op de beschikbare gegevens.

3.2.1.2.   Exportkredietverzekering

(142)

Sinosure heeft de specifieke vragenlijst over aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen verstrekte exportkredietverzekeringen gedeeltelijk beantwoord. Sinosure heeft echter niet de gevraagde ondersteunende documentatie over haar corporate governance overgelegd, zoals haar jaarverslag of haar statuten, omdat het volgens Sinosure vertrouwelijke informatie betrof.

(143)

Evenmin heeft Sinosure specifieke informatie verstrekt over aan de bandenindustrie verleende exportkredietverzekeringen of de hoogte van haar premies, noch gedetailleerde cijfers met betrekking tot haar activiteiten op het gebied van exportkredietverzekering.

(144)

Bij gebreke van dergelijke informatie was de Commissie van mening dat zij cruciale informatie over dit aspect van het onderzoek niet had ontvangen.

(145)

De Commissie gaat ervan uit dat de gewenste informatie van overheidsentiteiten (zowel ondernemingen als publieke en financiële instellingen) voor de Chinese overheid toegankelijk is voor alle entiteiten waarin zij een meerderheidsbelang of het grootste aandeel heeft. Dit geldt ook voor Sinosure, een entiteit die volledig in handen is van de overheid. Daarom deelde de Commissie de Chinese overheid mee dat zij bij het onderzoek naar het bestaan en de omvang van de gestelde subsidiëring door middel van exportkredietverzekeringen overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening wellicht zou moeten teruggrijpen op de beschikbare gegevens.

(146)

In het antwoord op de brief van de Commissie en in de opmerkingen bij het informatiedocument en bij de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Chinese overheid bezwaar gemaakt tegen de toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening met betrekking tot exportkredietverzekering, door te wijzen op het feit dat Sinosure de vragenlijst had verstrekt en had geantwoord op de vragen van de Commissie tijdens de controle ter plaatse.

(147)

Sinosure verstrekte inderdaad een antwoord op de vragenlijst en vertegenwoordigers van Sinosure waren aanwezig bij de controle in de kantoren van de Chinese overheid. Zoals vermeld in de overwegingen 142 en 143, was de verstrekte informatie echter onvolledig en kon de Commissie op grond daarvan geen conclusies trekken over cruciale onderdelen van het onderzoek met betrekking tot exportkredietverzekering, namelijk of Sinosure een overheidsinstantie is en of de door de in de steekproef opgenomen ondernemingen in rekening gebrachte premies marktconform waren.

(148)

De Commissie concludeerde derhalve dat zij zich voor haar bevindingen inzake exportkredietverzekering deels had moeten baseren op beschikbare gegevens.

3.2.1.3.   Verstrekking van inputs voor een ontoereikende prijs

(149)

Geen enkele producent van natuurlijk rubber, synthetisch rubber, carbonblack of nylonkoord die inputs heeft verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen, heeft de door de Chinese overheid doorgestuurde specifieke vragenlijst beantwoord.

(150)

Volgens de Chinese overheid was zij niet bevoegd om de leveranciers in overheidshanden die de vragenlijst niet hebben beantwoord, om informatie te verzoeken, aangezien zij onafhankelijk van haar optreden. De Commissie deelt dit standpunt niet. De Commissie gaat ervan uit dat de gewenste informatie van overheidsentiteiten (zowel ondernemingen als publieke en financiële instellingen) voor de Chinese overheid toegankelijk is voor alle entiteiten waarin zij een meerderheidsbelang of het grootste aandeel heeft.

(151)

Bovendien weigerde de Chinese overheid een overzicht te verstrekken van de namen en de eigendomsstructuur van de Chinese producenten van de onderzochte inputs, omdat het volgens haar vertrouwelijke informatie betrof.

(152)

Omdat de Commissie over de corporate governance van de producenten in overheidshanden die inputs hebben verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen, geen informatie heeft kunnen inwinnen, noch bedrijfsspecifieke informatie over de prijsstelling voor inputs die door leveranciers aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen zijn verstrekt, was de Commissie van mening dat zij cruciale informatie over dit aspect van het onderzoek niet had ontvangen.

(153)

Daarom deelde de Commissie de Chinese overheid mee dat zij bij het onderzoek naar het bestaan en de omvang van de gestelde subsidiëring door middel van de verstrekking van inputs voor een ontoereikende prijs overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening wellicht zou moeten teruggrijpen op de beschikbare gegevens.

(154)

In het antwoord op de brief van de Commissie en in de opmerkingen bij het informatiedocument maakte de Chinese overheid bezwaar tegen de toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening met betrekking tot de verstrekking van inputs voor een ontoereikende prijs, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in overweging 137. Wat betreft het feit dat de Chinese overheid niet bevoegd is om de producenten om informatie te verzoeken en het bestaan van een onredelijke belasting voor de Chinese overheid, bleef de Commissie bij haar argumentatie als beschreven in de overwegingen 138 en 140, die ook van toepassing is op de leveranciers van inputs voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(155)

Deze ontbrekende informatie betreft voornamelijk twee aspecten: ten eerste informatie over de eigendoms- en governance-structuur van de niet-medewerkende producenten. Zonder dergelijke informatie kon de Commissie niet vaststellen of deze producenten al dan niet overheidsinstanties zijn. In de tweede plaats bedrijfsspecifieke informatie van de niet-medewerkende producenten, zoals bijvoorbeeld informatie over de prijsstelling van de inputs die aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen zijn verstrekt. Dergelijke informatie is nodig in de zin van artikel 28 van de basisverordening om te bepalen of inputs waren verstrekt voor een ontoereikende prijs aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Bovendien kan dergelijke informatie alleen door de producenten ter beschikking worden gesteld en kunnen zij dus niet worden verstrekt via de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(156)

De Commissie bleef derhalve bij haar standpunt dat zij zich overeenkomstig artikel 28, lid 1, ook moest baseren op de beschikbare feiten voor haar bevindingen inzake de verstrekking van natuurlijk rubber, synthetisch rubber, carbonblack en nylonkoord voor een ontoereikende prijs.

3.2.2.   Toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening op één producent-exporteur met betrekking tot exportkredietverzekering

(157)

Xingyuan Group heeft in haar antwoord op de vragenlijst aangegeven dat zij gedurende het onderzoektijdvak geen enkele exportkredietverzekeringsovereenkomst heeft gesloten. Na het controlebezoek heeft de Commissie echter vastgesteld dat de onderneming subsidies heeft ontvangen in de vorm van vergoedingen voor exportkredietverzekeringspremies voor het jaar 2016, die dus wel binnen het onderzoektijdvak vallen. Uit de overgelegde documenten komt niet naar voren of dergelijke vergoedingen overeenkomen met het totale bedrag van de door de onderneming voor exportverzekering betaalde premies, of slechts een deel daarvan.

(158)

In dit licht was de Commissie van mening dat zij onjuiste of misleidende informatie had ontvangen.

(159)

Daarom heeft de Commissie de onderneming ervan in kennis gesteld dat zij overwoog haar bevindingen overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening ten dele op de beschikbare gegevens te baseren (voor zover het om de informatie met betrekking tot exportkredietverzekering ging).

(160)

In haar antwoord op de brief van de Commissie heeft de onderneming bezwaar gemaakt tegen de toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening met betrekking tot de exportkredietverzekering. Zij voerde aan dat aangezien zij niet rechtstreeks uitvoerde, zij geen kredietrisico's had. Daarom had de onderneming geen exportkredietverzekeringen nodig en kon zij geen terugbetalingen ontvangen van premies die zij niet had betaald.

(161)

De Commissie heeft aanvaard dat de onderneming enkel indirect naar de EU uitvoerde. Het argument van de onderneming dat zij geen exportkredietverzekering nodig had en geen terugbetalingen kon ontvangen voor een verzekeringspremie die zij niet had betaald, was echter in tegenspraak met het bewijsmateriaal in het dossier, waaruit bleek dat de onderneming wel degelijk een terugbetaling had ontvangen. De onderneming heeft niet uitgelegd waarom de overheid een terugbetaling zou hebben verstrekt voor een premie die niet zou zijn betaald. De Commissie heeft ook vastgesteld dat de omschrijving van de rechten en verplichtingen tussen de onderneming en haar handelaren die aan de EU verkopen, niet duidelijk was. De onderneming verrichtte wel degelijk enkele uitvoerformaliteiten namens de handelaren die tijdens het onderzoektijdvak aan de EU verkochten, en zij ontving vrijstellingen van invoerrechten voor natuurlijk rubber dat werd gebruikt in uitgevoerde banden, ook al voerde zij die producten niet rechtstreeks uit.

(162)

Bij gebreke van nieuwe andersluidende informatie van de onderneming kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat de onderneming onjuiste en onvolledige informatie had verstrekt over de tijdens het onderzoektijdvak ontvangen exportkredietverzekering. Haar bevindingen met betrekking tot exportkredietverzekering voor deze onderneming, waarvoor deze van alle in de steekproef opgenomen ondernemingen het hoogste bedrag aan subsidies heeft ontvangen, heeft de Commissie derhalve gebaseerd op de beschikbare gegevens.

3.2.3.   Toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening op één producent-exporteur met betrekking tot preferentiële financiering

(163)

Huaqin Rubber Industry Group en Yanzhou Yinhe Power Plant Co. Ltd hebben onvolledige informatie verstrekt over hun leningovereenkomsten.

(164)

Daarom heeft de Commissie de desbetreffende ondernemingen ervan in kennis gesteld dat zij overwoog haar bevindingen overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening ten dele op de beschikbare gegevens te baseren (voor zover het om de informatie met betrekking tot deze overeenkomsten ging). In haar antwoord op de brief van de Commissie waarin de desbetreffende ondernemingen werden gewezen op de mogelijke toepassing van artikel 28, lid 1, van de basisverordening, hebben zij in algemene zin bezwaar gemaakt tegen deze toepassing.

(165)

Aangezien geen aanvullend bewijsmateriaal werd ingediend met betrekking tot de in overweging 163 genoemde leningovereenkomsten, bleef de Commissie zich echter deels baseren op de beschikbare gegevens voor haar bevindingen met betrekking tot deze leningovereenkomsten.

3.3.   Subsidies en subsidieprogramma's die onder dit onderzoek vallen

(166)

Op grond van de informatie in de klacht, het bericht van opening en de antwoorden op de vragenlijst van de Commissie werd de gestelde subsidiëring via de volgende subsidies van de Chinese overheid onderzocht:

i)

beleidsgestuurde preferentiële leningen, kredietlijnen, exportkredieten ten gunste van verkopende ondernemingen en exportkredieten ten gunste van hun afnemers, andere vormen van financiering en garanties;

ii)

preferentiële exportkredietverzekering;

iii)

subsidieprogramma's:

Famous Brands-programma;

subsidies voor assistentie bij uitvoer, zoals beloningen voor geavanceerde uitvoerondernemingen of uitvoerprestaties, beloningen voor veredelingsverkeer, en subsidies voor buitenlandse investeringen;

milieubeschermingssubsidies, zoals het speciale fonds voor energiebesparende technologische vernieuwing, het fonds voor schone productietechnologie, en stimulansen voor milieubescherming en behoud van hulpbronnen;

subsidies voor technologische modernisering of omschakeling, zoals subsidies uit het Staatsfonds voor projecten voor belangrijke technologieën, de bevordering van O & O-activiteiten in het kader van steunprogramma's voor wetenschap en technologie, en bevordering van de aanpassing, wederopleving en technologische vernieuwing van belangrijke industrietakken;

ad-hocsubsidies van gemeenten/provincies;

iv)

gederfde inkomsten vanwege programma's voor vrijstelling en vermindering van directe belastingen:

voorrechten inzake vennootschapsbelasting voor ondernemingen in de sectoren nieuwe en geavanceerde technologieën;

verrekening van vennootschapsbelasting voor onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten;

preferentieel belastingbeleid voor de westelijke regio;

vrijstelling of vermindering van grondbelasting;

vermindering van plaatselijke belastingen;

v)

gederfde inkomsten vanwege programma's inzake indirecte belastingen en invoerrechten:

btw-vrijstellingen en kortingen op invoerrechten voor het gebruik van ingevoerde apparatuur en technologie;

vrijstellingen van invoerrechten over het veredelingsverkeer;

vi)

verstrekking van goederen en diensten door de overheid voor een ontoereikende prijs:

verstrekking door de overheid van natuurlijk rubber voor een ontoereikende prijs;

verstrekking door de overheid van synthetisch rubber voor een ontoereikende prijs;

verstrekking door de overheid van carbonblack voor een ontoereikende prijs;

verstrekking door de overheid van nylonkoord voor een ontoereikende prijs;

verstrekking door de overheid van elektriciteit voor een ontoereikende prijs;

verstrekking door de overheid van grond en grondgebruiksrechten voor een ontoereikende prijs.

3.4.   Preferentiële financiering en verzekering: leningen

(167)

Volgens de informatie die is verstrekt door de vier in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs, hebben zij leningen ontvangen van 32 in de VRC gevestigde financiële instellingen. 27 van die 32 financiële instellingen waren staatsbanken (37). De resterende vijf financiële instellingen waren in particulier bezit. Slechts drie staatsbanken hebben echter de specifieke vragenlijst ingevuld, ondanks een verzoek aan de Chinese overheid dat betrekking had op alle financiële instellingen die leningen aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen hadden verstrekt.

3.4.1.   Staatsbanken die optreden als overheidsinstellingen

(168)

De Commissie onderzocht of de staatsbanken handelden als overheidsinstanties in de zin van artikel 3 en artikel 2, onder b), van de basisverordening. Om vast te stellen of een staatsonderneming een overheidsinstantie is, moet het volgende worden getoetst (38): „Doorslaggevend is of een entiteit bevoegd is om overheidsfuncties uit te oefenen, ongeacht de wijze waarop dat gebeurt. Er zijn heel veel verschillende manieren waarop de overheid in enge zin entiteiten bevoegdheid kan verlenen. Derhalve kunnen verschillende soorten bewijs relevant zijn om aan te tonen dat aan een bepaalde entiteit een dergelijke bevoegdheid is verleend. Bewijs dat een entiteit de facto overheidsfuncties uitoefent, kan dienen als bewijs dat zij beschikt over overheidsgezag of daarmee is bekleed, in het bijzonder wanneer dat bewijs wijst op een aanhoudende en systematische praktijk. Hieruit volgt ons inziens dat het bewijs dat een overheid betekenisvolle zeggenschap uitoefent over een entiteit en haar gedrag, in bepaalde omstandigheden kan bewijzen dat de betrokken entiteit met overheidsgezag is bekleed en dat gezag uitoefent bij de uitvoering van overheidsfuncties. Wij benadrukken echter dat, afgezien van een uitdrukkelijke delegatie van bevoegdheid in een rechtsinstrument, het bestaan van louter formele banden tussen een entiteit en de overheid in enge zin waarschijnlijk niet zal volstaan om het vereiste bezit van overheidsgezag aan te tonen. Zo bewijst bijvoorbeeld de enkele omstandigheid dat een overheid meerderheidsaandeelhouder van een entiteit is, niet dat zij betekenisvolle zeggenschap uitoefent over de gedragingen van die entiteit, en a fortiori niet dat zij haar overheidsgezag heeft verleend. In sommige gevallen waarin uit het bewijsmateriaal blijkt dat er vele formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid zijn en er ook bewijs is dat die zeggenschap betekenisvol was, kan dat bewijsmateriaal echter tot de gevolgtrekking leiden dat de betrokken entiteit overheidsgezag uitoefent.” In deze zaak is de conclusie dat de staatsbanken over de nodige bevoegdheden beschikken om overheidstaken uit te oefenen gebaseerd op formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid en op bewijzen dat die zeggenschap betekenisvol was.

(169)

De Commissie verzamelde informatie over het eigenaarschap van de staat en formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid in de staatsbanken. Zij heeft ook onderzocht of de zeggenschap betekenisvol was. Als gevolg van de weigering van de Chinese overheid en de staatsbanken om bewijsstukken over te leggen betreffende het besluitvormingsproces dat had geresulteerd in de verstrekking van preferentiële leningen, moest de Commissie zich bij dat onderzoek ten dele baseren op de beschikbare gegevens.

(170)

Met het oog op die analyse heeft de Commissie eerst informatie onderzocht betreffende de drie staatsbanken die de specifieke vragenlijst hebben ingevuld en een controlebezoek hebben toegestaan.

3.4.1.1.   Medewerkende staatsbanken

(171)

De volgende drie staatsbanken hebben een antwoord op de vragenlijst ingediend, dat ter plaatse is gecontroleerd: EXIM, ABC en BOC.

a)    Eigendom en formele aanwijzingen voor zeggenschap van de Chinese overheid

(172)

Op grond van de informatie die zij heeft verkregen uit de antwoorden op de vragenlijst en tijdens het controlebezoek heeft de Commissie vastgesteld dat de Chinese overheid, al dan niet rechtstreeks, meer dan 50 % van de aandelen van elk van deze financiële instellingen in handen had.

(173)

Aangaande de formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid in de drie medewerkende staatsbanken heeft de Commissie hen allen als „essentiële openbare financiële instellingen” aangemerkt. Met name luidt het in de Tijdelijke regeling betreffende de raad van toezicht in essentiële openbare financiële instellingen: „De in deze regeling genoemde essentiële openbare financiële instellingen zijn in handen van de overheid zijnde beleidsbanken, handelsbanken, vermogensbeheerders, effectenmakelaars, verzekeringsmaatschappijen enz. (hierna „financiële instellingen in staatsbezit” genoemd), waarvan de Staatsraad de raad van toezicht benoemt”.

(174)

De raad van toezicht van de essentiële openbare financiële instellingen wordt aangewezen overeenkomstig de Tijdelijke regeling betreffende de raad van toezicht in essentiële openbare financiële instellingen. Op basis van de artikelen 3 en 5 van deze tijdelijke regeling stelde de Commissie vast dat de leden van de raad van toezicht worden aangewezen door en verantwoording verschuldigd zijn aan de Staatsraad, hetgeen illustreert dat de staat institutionele zeggenschap heeft over de commerciële activiteiten van de medewerkende staatsbanken. Naast deze algemeen toepasselijke aanwijzingen stelde de Commissie met betrekking tot de drie staatsbanken het volgende vast:

EXIM

(175)

EXIM is opgericht en werkt in overeenstemming met het Besluit van de Staatsraad tot oprichting van de Export-Import Bank of China en met de statuten van EXIM. Volgens de statuten wordt de directie van EXIM rechtstreeks door de staat benoemd. De raad van commissarissen wordt door de Staatsraad aangesteld in overeenstemming met de „Tijdelijke bepalingen betreffende de raden van toezicht van belangrijke financiële instellingen in staatsbezit” (decreet nr. 282 van de Staatsraad) en andere wet- en regelgeving, en is verantwoording verschuldigd aan de Staatsraad.

(176)

In de statuten is tevens vermeld dat het partijcomité van EXIM een leidende en centrale politieke rol speelt om te waarborgen dat het beleid en belangrijke taken van de Communistische Partij en de staat door EXIM worden uitgevoerd. De leidinggevende rol van de Partij strekt zich uit tot alle aspecten van corporate governance.

(177)

In de statuten is voorts bepaald dat EXIM ernaar streeft de ontwikkeling van de buitenlandse handel en economische samenwerking, grensoverschrijdende investeringen, het initiatief „One Belt, One Road” en de samenwerking met het oog op internationale capaciteiten en vervaardiging van apparatuur te bevorderen. De zakelijke activiteiten van EXIM omvatten op korte, middellange en lange termijn verstrekte leningen die zijn goedgekeurd in het kader van het beleid inzake buitenlandse handel en het „naar buiten” gerichte beleid van de VRC, zoals exportkredieten, importkredieten, leningen voor de uitvoering van werken voor buitenlandse opdrachtgevers, leningen voor buitenlandse investeringen, leningen van de Chinese overheid voor buitenlandse hulp en leningen voor afnemers van exporterende ondernemingen.

ABC

(178)

Volgens artikel 137 van de statuten van ABC kan de Chinese overheid als hoofdaandeelhouder (met 79,62 %) alle leden van de raad van bestuur benoemen. Krachtens artikel 204 van de statuten geldt dat ook voor de raad van commissarissen.

(179)

Krachtens de statuten van ABC is het bovendien de raad van bestuur die beslist over de strategie en de begroting van de bank en investeringsbesluiten neemt, de voorzitter en de secretaris van de bank benoemt en het risicomanagementsysteem van de bank vaststelt en monitort. Deze niet-uitputtende lijst van verantwoordelijkheden illustreert de institutionele zeggenschap van de staat over de dagelijkse werkzaamheden van ABC.

(180)

De Commissie heeft tevens geconstateerd dat financiële instellingen in handen van de overheid, zoals ABC en BOC, hun statuten in 2017 hebben gewijzigd om de rol van de Chinese Communistische Partij („CCP”) op het hoogste besluitvormingsniveau van de banken te versterken.

(181)

In deze nieuwe statuten is bepaald dat:

(182)

de functie van voorzitter van de raad van bestuur wordt bekleed door de secretaris van het partijcomité;

(183)

de CCP ten taak heeft ervoor te zorgen en erop toe te zien dat de bank de beleidslijnen en richtsnoeren van de CCP en de staat ten uitvoer legt, en een leidende rol speelt en een poortwachtersfunctie uitoefent bij de aanstelling van personeel (met inbegrip van het hoger management), en

(184)

de raad van bestuur bij elke belangrijke beslissing rekening houdt met de mening van het partijcomité.

BOC

(185)

Volgens artikel 125 van de statuten kan de Chinese overheid als hoofdaandeelhouder (met 64,63 %) de uitvoerende en niet-uitvoerende leden benoemen die samen de raad van bestuur vormen.

(186)

Krachtens de statuten van BOC is het bovendien de raad van bestuur die beslist over de strategische beginselen voor de financiële instelling, bedrijfsplannen en grote investeringsplannen, en die leidinggevend personeel zoals de voorzitter en de secretaris van de raad van bestuur, de vicevoorzitter en andere leden van het hoger management benoemt of ontslaat. De raad besluit voorts over de tenuitvoerlegging van de resoluties van de aandeelhoudersvergadering en keurt gedragslijnen op het gebied van corporate governance goed. Deze niet-uitputtende lijst van verantwoordelijkheden illustreert de institutionele zeggenschap van de staat over de dagelijkse werkzaamheden van BOC.

(187)

Daarnaast zijn de in overweging 181 bedoelde nieuwe bepalingen met betrekking tot de rol van de CCP ook van toepassing op BOC.

b)    Bewijzen dat de overheid betekenisvolle zeggenschap over de gedragingen van die instellingen heeft uitgeoefend

(188)

De Commissie verzamelde daarnaast informatie inzake de vraag of de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap had over het gedrag van de drie medewerkende staatsbanken met betrekking tot hun leenbeleid en risicobeoordeling bij de verstrekking van leningen aan de bandenindustrie. Dienaangaande is rekening gehouden met de volgende regelgevende documenten:

artikel 34 van de wet van de VRC inzake handelsbanken („bankenwet”),

artikel 15 van de Algemene regels betreffende leningen (toegepast door de People's Bank of China);

hoofdstuk 4 van het Dertiende vijfjarenplan petrochemie;

Besluit nr. 40;

de preambule bij het Beleid inzake de bandenindustrie;

Uitvoeringsmaatregelen van de CBRC inzake administratieve vergunningen voor commerciële banken met Chinees kapitaal (verordening van de CBRC [2017] nr. 1);

Uitvoeringsmaatregelen van de CBRC inzake administratieve vergunningen voor banken met buitenlands kapitaal (verordening van de CBRC [2015] nr. 4);

Administratieve maatregelen inzake de beroepsbekwaamheid van leden van de directie en het hoger management van financiële instellingen in de banksector (CBRC [2013] nr. 3).

(189)

Bij de analyse van deze regelgevende documenten stelde de Commissie vast dat de financiële instellingen in de VRC handelen in een algemeen juridisch kader dat hen verplicht om bij het nemen van financiële beslissingen te zorgen voor overeenstemming met de doelstellingen van het industriebeleid van de Chinese overheid; zij doet deze vaststelling om de hieronder uiteengezette redenen.

(190)

Wat EXIM betreft, is het overheidsmandaat daarvan vastgesteld in het Besluit tot oprichting van de Export-Import Bank of China en in haar statuten.

(191)

Op algemeen niveau bepaalt artikel 34 van de bankenwet, die geldt voor alle banken die actief zijn in China, dat „handelsbanken kredieten verlenen in overeenstemming met de behoeften van de nationale economische en sociale ontwikkeling en overeenkomstig het industriebeleid van de staat”. Hoewel in artikel 4 van de bankenwet het volgende is bepaald: „Handelsbanken verrichten hun bedrijfsactiviteiten overeenkomstig de wet zonder inmenging van enige entiteit of particulier. Handelsbanken staan met het volledige vermogen van de rechtspersoon onafhankelijk in voor hun wettelijke aansprakelijkheid”, is uit het onderzoek gebleken dat artikel 4 van de bankenwet behoudens artikel 34 van de bankenwet wordt toegepast, d.w.z. dat de banken het door de staat vastgestelde overheidsbeleid uitvoeren en de instructies van de staat volgen.

(192)

Bovendien luidt artikel 15 van de Algemene regels betreffende leningen als volgt: „Overeenkomstig het beleid van de Staat mogen de betrokken departementen rentesubsidies verlenen voor leningen, teneinde de groei van bepaalde bedrijfstakken en de economische ontwikkeling in bepaalde gebieden te bevorderen.

(193)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument merkte de Chinese overheid op dat de Commissie artikel 34 van de bankenwet verkeerd had geïnterpreteerd. Artikel 34 zou niet op zichzelf moeten worden gelezen en artikel 4, dat deel uitmaakt van de algemene bepalingen, heeft een overkoepelend effect op de resterende artikelen van de wet. De bevindingen van het onderzoek (en de bevindingen van de Commissie in eerdere onderzoeken met betrekking tot hetzelfde subsidieprogramma) (39) bieden echter geen steun aan het argument dat banken bij het nemen van beslissingen inzake leningen geen rekening houden met het beleid en de plannen van de overheid. Zoals beschreven in de overwegingen 202 tot en met 206, bevestigen zij eerder het tegendeel. Daarom stelde de Commissie vast dat artikel 4 van de bankenwet handelsbanken niet belet om rekening te houden met het industriebeleid en de plannen van de overheid.

(194)

De Chinese overheid verzocht ook om geen rekening te houden met artikel 15 van de Algemene regels betreffende leningen, aangezien het meer dan 20 jaar geleden werd vastgesteld, en lange tijd inactief is gebleven. De Chinese overheid erkende echter tegelijkertijd dat de Algemene regels betreffende leningen nog niet formeel waren ingetrokken. De Commissie was derhalve van mening dat de verwijzing naar de Algemene regels betreffende leningen geldig blijft.

(195)

Het industriebeleid van de staat wordt vastgesteld via centrale planning, zoals beschreven in deel 3.1. Met betrekking tot de bandenindustrie voorziet hoofdstuk 5 van het Dertiende vijfjarenplan petrochemie in: „de versterking van de band tussen het financieel, fiscaal en handelsbeleid en het industriebeleid; de totstandbrenging van onderlinge banden tussen banken en ondernemingen en beleid voor samenwerking op productiegebied; de versterking van de financiële steun voor cruciale ondernemingen en projecten; de benutting van de bestaande speciale kapitaalstromen (specifieke projecten en fondsen enz.) om steun te blijven verlenen voor industriële modernisering en technische vernieuwing”.

(196)

Bovendien dient het Beleid inzake de bandenindustrie als „basis voor alle relevante departementen” voor wat betreft „kredietfinanciering voor dergelijke projecten van de bandensector”.

(197)

Zo ook verplicht Besluit nr. 40 alle financiële instellingen kredieten specifiek te verstrekken aan „bevorderde” projecten. Zoals reeds toegelicht in deel 3.1, vallen projecten van de bandenindustrie in de categorie „bevorderde” projecten. Besluit nr. 40 bevestigt derhalve de eerdere bevinding inzake de bankenwet, namelijk dat banken overheidsgezag uitoefenen in de vorm van de verlening van preferentiële kredieten.

(198)

In antwoord op het informatiedocument merkte de Chinese overheid op dat Besluit nr. 40 alleen kredietondersteuning toestaat indien het op de beginselen van de kredietverlening is gebaseerd. De Commissie erkende dat de artikelen 17 en 18 van hetzelfde besluit de banken ook vragen om de beginselen van de kredietverlening in acht te nemen. Zoals nader uiteengezet in de overwegingen 202 tot en met 206, kon de Commissie tijdens het onderzoek echter niet vaststellen dat dit in de praktijk gebeurde.

(199)

De Commissie heeft tevens geconstateerd dat de China Banking and Regulatory Commission („CBRC”) verstrekkende goedkeuringsbevoegdheden heeft die alle aspecten van het management van alle in de VRC gevestigde financiële instellingen (met inbegrip van particuliere instellingen en instellingen in buitenlandse handen) betreffen, zoals (40):

goedkeuring van de benoeming van het gehele management van de financiële instellingen, zowel op het niveau van het hoofdkwartier als op het niveau van lokale filialen. De toestemming van de CBRC is vereist voor de werving van leidinggevenden op alle niveaus van het management, van de hoogste functies tot aan filiaalhoofden, en zelfs voor leidinggevenden die worden aangesteld in buitenlandse filialen en leidinggevenden in ondersteunende functies (zoals IT-managers), en

allerlei administratieve goedkeuringsprocedures, waaronder goedkeuring voor de oprichting van nieuwe filialen, voor het ontplooien van nieuwe bedrijfsactiviteiten of het verkopen van nieuwe producten, voor de wijziging van de statuten van de bank, voor de verkoop van meer dan 5 % van de aandelen van de bank, voor kapitaalverhogingen, voor een verplaatsing van de zetel, voor wijzigingen in de organisatiestructuur enz.

(200)

De bankenwet is juridisch verbindend. In deel 3.1 is bepaald dat de vijfjarenplannen en Besluit nr. 40 bindend zijn. Het bindende karakter van de regelgeving van de CBRC berust op de bevoegdheden waarover zij als regelgevende autoriteit beschikt. Het bindende karakter van andere documenten blijkt uit de daarin vervatte bepalingen inzake toezicht en evaluatie.

(201)

Op basis daarvan concludeerde de Commissie dat de Chinese overheid een normatief kader heeft gecreëerd waaraan de managers en toezichthouders die door de Chinese overheid zijn benoemd en die aan haar verantwoording verschuldigd zijn, gebonden zijn. Derhalve baseerde de Chinese overheid zich op het normatief kader om, telkens wanneer de drie medewerkende staatsbanken leningen verstrekten aan de bandenindustrie, betekenisvolle zeggenschap over hun gedrag uit te oefenen.

(202)

De Commissie heeft ook concrete bewijzen van de uitoefening van betekenisvolle zeggenschap over concrete leningen verzameld. Tijdens het controlebezoek stelden de drie medewerkende staatsbanken dat zij in de praktijk bij de toekenning van de litigieuze leningen gebruik hadden gemaakt van geavanceerde beleidsmodellen voor kredietrisicobeoordeling. Tijdens de controlebezoeken bij de Chinese overheid, ABC en BOC hebben hun vertegenwoordigers tevens aangegeven dat zij hun totale kredietposities in de bandenindustrie in de twee jaar daarvoor hadden teruggebracht, omdat zij problemen voorzagen in verband met overcapaciteiten in de sector.

(203)

Zij hebben echter geen concrete voorbeelden gegeven die betrekking hadden op in de steekproef opgenomen ondernemingen. De drie medewerkende staatsbanken weigerden om wettelijke en contractuele redenen om informatie over de in de steekproef opgenomen ondernemingen, zoals specifieke risicobeoordelingen betreffende die ondernemingen, te verstrekken, hoewel de Commissie de banken documenten heeft doen toekomen waarin de in de steekproef opgenomen ondernemingen afstand deden van hun recht op vertrouwelijke behandeling.

(204)

Bij gebreke van concreet bewijs dat de kredietwaardigheid was beoordeeld, onderzocht de Commissie daarom het algemene rechtskader dat is uiteengezet in de overwegingen 188 tot en met 201, in combinatie met het gedrag van de drie medewerkende staatsbanken wat de leningen aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen betreft. Dit gedrag was in tegenspraak met hun officiële standpunt tijdens het controlebezoek, aangezien zij in de praktijk niet handelden op basis van een grondige, op de markt gebaseerde risicobeoordeling.

(205)

Uit de controlebezoeken bleek dat — met uitzondering van bepaalde leningen in vreemde valuta — leningen aan de vier groepen van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden verstrekt tegen een rente die de benchmarkrentevoet van de People's Bank of China („PBOC”) benaderde, ongeacht de financiële situatie en het kredietrisicoprofiel van de ondernemingen. De leningen werden dus verstrekt tegen een rente die lager lag dan de marktrente die overeenstemt met het risicoprofiel van de vier in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Bovendien ontvingen de in de steekproef opgenomen ondernemingen doorlopende leningen, waardoor zij het op leningen terugbetaalde kapitaal op de vervaldag onmiddellijk kunnen vervangen door vers kapitaal uit nieuwe leningen. In het geval van twee in de steekproef opgenomen ondernemingen was er sprake van een herstructurering van de aflossingsregeling of werden schulden kwijtgescholden omdat zij in financiële moeilijkheden verkeerden.

(206)

De Commissie heeft ook vastgesteld dat leningen die door de banken als niet-normale leningen hadden moeten zijn aangemeld, door de drie medewerkende staatsbanken niet altijd als zodanig zijn opgenomen in het nationaal centraal kredietregister. De aanmeldingsplicht voor dergelijke „buitengewone leningen” geldt met name wanneer leningen zijn geherstructureerd, wanneer de debiteur zijn betalingsverplichting niet is nagekomen of wanneer doorlopende leningen zijn verstrekt. Zulks is vastgesteld voor alle vier in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs. Volgens de richtsnoeren van de CBRC inzake de risicogebaseerde classificatie van leningen hadden al deze gevallen moeten worden vermeld in het centraal kredietregister. Dit gebrek aan verslaglegging door de financiële instellingen leidt tot een vertekend beeld van de kredietsituatie van de onderneming in het centraal kredietregister, aangezien het register niet de echte kredietwaardigheid van de onderneming weerspiegelt. Zelfs indien een kredietinstelling een op de markt gebaseerde risicobeoordeling zou verrichten, zou zij dat dientengevolge hebben gedaan op grond van onjuiste informatie.

(207)

De Commissie kwam daarom tot de conclusie dat de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap had over het gedrag van de drie medewerkende staatsbanken met betrekking tot hun leenbeleid en risicobeoordeling ten aanzien van de bandenindustrie.

c)    Conclusie inzake medewerkende financiële instellingen

(208)

De Commissie stelde vast dat het hierboven uiteengezette rechtskader door de drie medewerkende financiële instellingen die in overheidshanden zijn, ten uitvoer wordt gelegd in uitoefening van overheidsfuncties met betrekking tot de bandensector, waarbij zij optreden als overheidsinstanties in de zin van artikel 2, onder b), van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening en in overeenstemming met de desbetreffende rechtspraak van de WTO.

3.4.1.2.   Niet-medewerkende staatsbanken

(209)

Zoals uiteengezet in deel 3.2, heeft geen van de andere staatsbanken die leningen hebben verstrekt aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen, de specifieke vragenlijst ingevuld. Derhalve heeft de Commissie overeenkomstig de conclusies in de overwegingen 127 tot en met 136 besloten de beschikbare gegevens te gebruiken om te bepalen of die staatsbanken als overheidsinstellingen moeten worden aangemerkt.

(210)

In het antisubsidieonderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China (41) heeft de Commissie vastgesteld dat de volgende banken die leningen hebben verstrekt aan de vier in het kader van het onderhavige onderzoek in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs, geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de staat of van rechtspersonen die in handen zijn van de staat: China Development Bank, China Construction Bank, Industrial and Commercial Bank of China, Bank of Communications, China Everbright Bank, Postal Savings Bank, China Merchants Bank, Shanghai Pudong Development Bank, China Industrial Bank, Shenyang Rural Commercial Bank, Bank of Shanghai, Ningbo Bank, China CITIC Bank, China Guangfa Bank, China Bohai Bank en Huaxia Bank.

(211)

Met gebruikmaking van algemeen beschikbare informatie, zoals de websites van de banken, jaarverslagen, informatie in bankregisters of op internet, heeft de Commissie bovendien vastgesteld dat de volgende banken die leningen hebben verstrekt aan de vier in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs, geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de staat of van rechtspersonen die in handen zijn van de staat:

Naam van de bank

Informatie over de eigendomsstructuur

Hankou Bank

ten minste 34,86 % van de aandelen in handen van entiteiten die in handen zijn van de staat

Hubei Bank

ten minste 42,55 % van de aandelen in handen van lokale overheden en staatsondernemingen

Huishang Bank

voor het grootste deel in handen van de staat, waarbij de aandelen verdeeld zijn over tal van staatsondernemingen en entiteiten die gelieerd zijn aan lokale overheden

Dongying Bank

Dongying City Bureau of Finance heeft 20,88 % in handen, Dongying State-owned Assets Operation Co., Ltd 11,14 %

Bank of Tianjin

ten minste 40,2 % van de aandelen in handen van lokale overheden en staatsondernemingen

Bank of Kunlun

in eigendom van het staatsbedrijf China National Petroleum Corporation

Shanghai Rural Commercial Bank

35,52 % van het aandelenkapitaal is in handen van staatsondernemingen

China Industrial International Trust Limited

dochteronderneming van Industrial Bank, waarvan in het kader van het antisubsidieonderzoek betreffende WPP is geconstateerd dat zij in handen is van de staat (42)

Daye Trust Co., Ltd.

dochteronderneming van China Orient Asset Mgt Co. Ltd (vermogensbeheerder in handen van de staat)

Sinotruk Finance Co., Ltd.

in eigendom van het staatsbedrijf Sinotruk

(212)

Bij gebreke van specifieke informatie van de betrokken financiële instellingen die het tegendeel bewijst, stelde de Commissie om dezelfde redenen als die welke reeds zijn vermeld in deel 3.4.1.1 voorts vast dat er sprake is van eigendom en formele aanwijzingen voor zeggenschap van de Chinese overheid. Op basis van de beschikbare gegevens wordt met name aangenomen dat de managers en toezichthouders in de niet-medewerkende staatsbanken op dezelfde wijze als in de drie medewerkende staatsbanken zijn benoemd door en verantwoording verschuldigd zijn aan de Chinese overheid.

(213)

Wat de uitoefening van betekenisvolle zeggenschap betreft, was de Commissie van oordeel dat de bevindingen betreffende de drie medewerkende financiële instellingen, die goed waren voor een groot deel van de leningen aan de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen tijdens het onderzoektijdvak (variërend van 30 % tot 50 %, afhankelijk van de onderneming), ook representatief kunnen worden geacht voor de niet-medewerkende financiële instellingen die in handen zijn van de staat. Het in deel 3.4.1.1, onder b), geanalyseerde normatief kader is gelijkelijk op hen van toepassing. Bij gebreke van enig bewijs van het tegendeel geldt het ontbreken van concrete aanwijzingen dat kredietwaardigheidsbeoordelingen zijn verricht, op grond van de beste beschikbare gegevens op dezelfde wijze als voor de drie medewerkende staatsbanken, zodat de analyse betreffende de concrete toepassing van het normatief kader in deel 3.4.1.1, onder b), gelijkelijk op hen van toepassing is.

(214)

Bovendien heeft de Commissie vastgesteld dat het merendeel van de leningovereenkomsten die de Commissie van de in de steekproef opgenomen ondernemingen had ontvangen, vergelijkbare voorwaarden bevatte en dat de overeengekomen rentevoeten vergelijkbaar waren en gedeeltelijk samenvallen met die van de drie medewerkende staatsbanken.

(215)

Wegens die gelijkende voorwaarden en rentevoeten en de representativiteit van de drie gecontroleerde financiële instellingen was de Commissie derhalve van oordeel dat de bevindingen voor de drie medewerkende staatsbanken overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening moeten worden aangemerkt als de beschikbare gegevens voor de beoordeling van de andere staatsbanken.

(216)

Op grond daarvan concludeerde de Commissie dat de andere staatsbanken die leningen verstrekken aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen, overheidsinstanties zijn in de zin van artikel 3 en artikel 2, onder b), van de basisverordening.

3.4.1.3.   Conclusie inzake financiële instellingen in handen van de overheid

(217)

Op grond van de voorgaande overwegingen stelde de Commissie vast dat alle Chinese financiële instellingen die in handen zijn van de overheid en leningen hebben verstrekt aan de vier in de steekproef opgenomen groepen medewerkende producenten-exporteurs, overheidsinstanties zijn in de zin van artikel 3 en artikel 2, onder b), van de basisverordening.

(218)

Zelfs indien de financiële instellingen in handen van de overheid niet als overheidsinstanties mochten worden beschouwd, stelde de Commissie om dezelfde redenen als uiteengezet in de overwegingen 220 tot en met 223 verder vast dat ook moet worden aangenomen dat de Chinese overheid aan hen functies die zij normaal zelf zou vervullen heeft toevertrouwd of hen daarmee heeft belast in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iv), van de basisverordening. Hun gedragingen zouden dus hoe dan ook aan de Chinese overheid worden toegerekend.

3.4.2.   Het toevertrouwen van functies aan particuliere financiële instellingen en het hen daarmee belasten

(219)

De Commissie richtte haar aandacht vervolgens op de overige financiële instellingen. De volgende vijf financiële instellingen werden geacht in particulier bezit te zijn, op basis van de bevindingen die zijn vastgesteld in de zaak-WPP (43), en aangevuld met openbare informatie: JPMorgan Chase Bank (China), HSBC, Ping An Bank, Bank of Qingdao, Bank of Beijing. De Commissie heeft onderzocht of deze financiële instellingen door de Chinese overheid zijn belast met de verlening van subsidies aan de bandensector of dat hun die functie is toevertrouwd in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iv), van de basisverordening.

(220)

Volgens de beroepsinstantie van de WTO komt „toevertrouwen van functies” voor wanneer een overheid een verantwoordelijkheid geeft aan een particulier lichaam, en verwijst „belasten met functies” naar situaties waarin de overheid haar gezag uitoefent ten aanzien van een particulier lichaam (44). In de beide gevallen gebruikt de overheid een particulier lichaam als gevolmachtigde om de financiële bijdrage te leveren en „in de meeste gevallen kan men verwachten dat het toevertrouwen van functies aan of het belasten met functies van een particulier lichaam gepaard gaat met een vorm van dreiging of aansporing” (45). Tegelijkertijd mogen leden overeenkomstig punt iv) geen compenserende maatregelen instellen tegen producten „indien de overheid louter haar algemene regelgevende bevoegdheden uitoefent” (46) of indien overheidsinterventie „al dan niet een bepaald resultaat als gevolg kan hebben, enkel gebaseerd op de gegeven feitelijke omstandigheden en op de uitoefening van vrije keuze door de deelnemers aan die markt” (47). Het toevertrouwen van functies of belasten met functies impliceert eigenlijk „een actievere rol van de overheid dan louter aansporing” (48).

(221)

De Commissie stelde vast dat het in de overwegingen 188 tot en met 201 beschreven normatief kader met betrekking tot de bandenindustrie van toepassing is op alle financiële instellingen in de VRC, met inbegrip van particuliere financiële instellingen. Zo hebben de bankenwet en de verschillende verordeningen van de CBRC bijvoorbeeld zowel betrekking op alle banken met Chinees kapitaal als op alle banken met buitenlands kapitaal die onder het toezicht van de CBRC staan.

(222)

Bovendien is uit de controlebezoeken bij de in de steekproef opgenomen ondernemingen gebleken dat het merendeel van de leningovereenkomsten die de Commissie van de in de steekproef opgenomen ondernemingen had ontvangen, vergelijkbare voorwaarden bevatten en dat de rentevoeten van de particuliere financiële instellingen vergelijkbaar waren en gedeeltelijk samenvielen met die van de financiële instellingen die in handen zijn van de overheid.

(223)

Bij gebreke van enige afwijkende informatie van de particuliere financiële instellingen concludeerde de Commissie dat, voor zover het de bandenindustrie betreft, aan alle financiële instellingen (inclusief particuliere financiële instellingen) die in China actief zijn onder toezicht van de CBRC door de staat functies zijn toevertrouwd of dat zij daarmee zijn belast in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iv), eerste streepje, van de basisverordening, teneinde het overheidsbeleid te steunen en aan de bandenindustrie leningen tegen preferentiële tarieven te verstrekken.

(224)

Op grond van deze bevindingen stelde de Commissie ten aanzien van Hankook Group vast dat het normatief kader niet van toepassing was op sommige buitenlandse financiële instellingen die leningen aan Hankook Group hebben verstrekt. Die instellingen stonden inderdaad niet onder het toezicht van de CBRC, aangezien zij buiten de VRC waren gevestigd en buitenlandse leningen in vreemde valuta verstrekten. Daarom kwam de Commissie tot de conclusie dat aan deze financiële instellingen door de staat geen functies zijn toevertrouwd en dat zij daarmee niet zijn belast in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iv), eerste streepje, van de basisverordening.

(225)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument hebben zowel de Chinese overheid als Hankook Group aangevoerd dat niet kan worden geoordeeld dat particuliere financiële instellingen, waaronder JPMorgan Chase Bank (China), door de Chinese overheid functies zijn toevertrouwd of dat zij daarmee zijn belast in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iv), van de basisverordening om tegen preferentiële tarieven leningen te verstrekken. Zij voerden aan dat de twee verordeningen betreffende de CBRC die zijn vermeld in de overwegingen 188 en 199, gemeenschappelijk zijn voor alle regelgevende bankautoriteiten en de basisbeginselen voor effectief bankentoezicht weerspiegelen, zoals aanbevolen door het Bazels Comité voor bankentoezicht. Bovendien stelde Hankook Group dat de Commissie de feitelijke omstandigheden voor elke financiële instelling van geval tot geval had moeten onderzoeken, in plaats van te verwijzen naar het normatieve kader als geheel.

(226)

De Commissie wees deze argumenten van de hand omdat het door de CBRC uitgeoefende toezicht en de door haar verleende goedkeuringen verder gaan dan de kernbeginselen van het bankentoezicht die worden aanbevolen door het Bazels Comité voor bankentoezicht. Het normatieve kader van het Bazels Comité voor bankentoezicht legt immers de primaire verantwoordelijkheid voor het monitoren van de toereikendheid van de kapitaalniveaus in verband met risico's duidelijk neer bij het bankmanagement zelf. De rol van de toezichthoudende autoriteiten bestaat erin de door de banken ingestelde interne processen, de controles en het risicobeheer te toetsen en te evalueren. In de kernbeginselen voor een effectief bankentoezicht in het Bazelse Comité voor bankentoezicht wordt duidelijk gesteld dat „de nadruk van de toetsing van de bankautoriteiten op de kwaliteit van het risicobeheer en de controles van de bank moet liggen; het mag er niet toe leiden dat de toezichthouders als bankmanagement fungeren”.

(227)

Zoals echter al in overweging 199 is uiteengezet, is de goedkeuring van de CBRC vereist voor de aanwerving van niet alleen het hoger management op het hoofdkantoor van een bank, maar alle niveaus van het management, zelfs managers die worden aangesteld in overzeese filialen en managers die verantwoordelijk zijn voor ondersteunende functies (bv. IT-managers); en zelfs voor kleine wijzigingen is administratieve goedkeuring vereist, zoals voor de verkoop van meer dan 5 % van de aandelen van een bank of een wijziging van woonplaats. Feitelijk bepaalt het Bazelse Comité voor bankentoezicht alleen dat de toezichthouder de bevoegdheid heeft om prudentiële voorwaarden te toetsen, af te wijzen en op te leggen inzake voorstellen om aanzienlijk eigendom of meerderheidsbelang over te dragen. Volgens de Commissie vallen dergelijke activiteiten eerder onder de verantwoordelijkheid van het bankmanagement, zonder dat de toezichthoudende autoriteit hoeft in te stemmen met de kernbeginselen voor een effectief bankentoezicht van het Bazels Comité voor bankentoezicht.

(228)

Daarnaast is het normatieve kader dat van toepassing is op alle banken in China veel ruimer dan alleen de twee verordeningen die van toepassing zijn op de CBRC, zoals uiteengezet in overweging 188, en het volledige pakket regelgevende documenten is juridisch verbindend, zoals uiteengezet in overweging 200, zodat zij meer dan louter aanmoediging inhouden. Bovendien is uit de controlebezoeken bij de in de steekproef opgenomen ondernemingen geen aanzienlijke verschillen aan het licht gebracht tussen de leningvoorwaarden of rentevoeten van de particuliere financiële instellingen en die van financiële instellingen die in handen zijn van de overheid.

(229)

Ten slotte merkte de Commissie op dat, ondanks haar uitdrukkelijke verzoek, JPMorgan Chase Bank (China) besloot niet mee te werken aan dit onderzoek. De Commissie was derhalve niet in staat om op individuele basis feitelijke omstandigheden te onderzoeken met betrekking tot JPMorgan Chase Bank (China).

(230)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Hankook Group haar opmerkingen over het toevertrouwen van functies aan en het belasten met functies van JPMorgan Chase Bank (China), waarbij zij er met name op wees dat indien Hankook Group had geweten dat de bank moest meewerken met het onderzoek, zij de bank daarom hadden kunnen verzoeken. In dit verband merkte de Commissie op dat de onderneming reeds in de vragenlijst aan de producenten-exporteurs om een bankvergunning was verzocht, om de Commissie in staat te stellen de door de financiële instellingen te verstrekken informatie te beoordelen. De correspondentie tussen de Chinese overheid en de Commissie over de medewerking van financiële instellingen was beschikbaar in het niet-vertrouwelijke dossier en de niet-medewerking van JPMorgan Chase Bank (China) is in het informatiedocument aan de onderneming meegedeeld. De Commissie was dan ook van oordeel dat dit argument ongegrond was.

3.4.3.   Specificiteit

(231)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 188 tot en met 201, worden de financiële instellingen er uit hoofde van verschillende rechtsinstrumenten die specifiek gericht zijn tot ondernemingen in de bandensector mee belast leningen tegen preferentiële tarieven aan de bandenindustrie te verstrekken. Uit die instrumenten blijkt dat de financiële instellingen alleen preferentiële leningen verstrekken aan een beperkt aantal sectoren/ondernemingen die zich conformeren aan het desbetreffende beleid van de Chinese overheid.

(232)

De Commissie concludeerde bijgevolg dat subsidies in de vorm van preferentiële leningen niet algemeen beschikbaar zijn, maar specifiek zijn in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening. Bovendien heeft geen enkele belanghebbende bewijsmateriaal overgelegd waaruit zou blijken dat de preferentiële leningen gebaseerd zijn op objectieve criteria of voorwaarden in de zin van artikel 4, lid 2, onder b), van de basisverordening.

3.4.4.   Voordeel en berekening van de hoogte van de subsidie

(233)

De Commissie berekende vervolgens de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie. Voor die berekening beoordeelde zij het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak genoten. Overeenkomstig artikel 6, onder b), van de basisverordening is het aan de ontvangers toegekende voordeel het verschil tussen de interest die de onderneming betaalt voor de lening van de overheid en de interest die de onderneming zou betalen voor een vergelijkbare commerciële lening die zij op de markt zou kunnen verkrijgen.

(234)

In dit verband constateerde de Commissie een aantal specifieke kenmerken van de Chinese bandenmarkt. Zoals uiteengezet in de delen 3.4.1 tot en met 3.4.3, zijn de door Chinese financiële instellingen verstrekte leningen het gevolg van aanzienlijke overheidsinmenging, en weerspiegelen zij niet de rentevoeten die normaal gesproken op een functionerende markt van toepassing zouden zijn.

(235)

De algemene financiële situatie van de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen is verschillend. Elk van hen ontving in het onderzoektijdvak verschillende soorten leningen; deze verschilden onder meer wat looptijd, zekerheden, garanties en andere voorwaarden betreft. Om deze beide redenen had elke onderneming een andere gemiddelde rentevoet op basis van de leningen die zij ontving.

(236)

De Commissie heeft de financiële situatie van elke in de steekproef opgenomen groep producenten-exporteurs afzonderlijk beoordeeld om met die specifieke kenmerken rekening te houden. In dit verband volgde de Commissie de berekeningsmethode voor preferentiële leningen die is vastgesteld in het kader van het antisubsidieonderzoek betreffende warmgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de VRC (49) en die in de overwegingen hieronder wordt toegelicht. Als gevolg daarvan berekende de Commissie het voordeel dat de preferentiële leningpraktijken voor elke in de steekproef opgenomen groep producenten-exporteurs opleverden op individuele basis, en wees zij dat voordeel toe aan het betrokken product.

3.4.4.1.   Kredietratings

(237)

In het kader van het antisubsidieonderzoek betreffende warmgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de VRC heeft de Commissie — op basis van een door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gepubliceerde studie (50) waarin een discrepantie tussen internationale en Chinese ratings werd aangetoond, en in combinatie met de bevindingen van dat onderzoek met betrekking tot de in de steekproef opgenomen ondernemingen — reeds geconstateerd dat de binnenlandse kredietratings die aan Chinese ondernemingen zijn toegekend, niet betrouwbaar zijn. Volgens het IMF is door lokale ratingbureaus namelijk aan 90 % van de Chinese obligaties een rating van AA tot AAA toegekend. Deze situatie is niet vergelijkbaar met die op andere markten, zoals de EU of de VS. Op de markt van de VS heeft bijvoorbeeld minder dan 2 % van de ondernemingen dergelijke uitstekende ratings. De Chinese kredietratingbureaus neigen dus sterk tot ratings aan het hoogste uiteinde van de ratingschaal. Zij hanteren zeer globale ratingtrappen en poolen vaak obligaties met zeer uiteenlopende wanbetalingsrisico's binnen een en dezelfde brede ratingcategorie (51).

(238)

Bovendien wordt de basisrating van de emittent door buitenlandse ratingbureaus, zoals Standard & Poor's en Moody's, bij de beoordeling van Chinese obligaties doorgaans met een of meer trappen verhoogd naargelang het strategische belang van de betrokken onderneming voor de Chinese overheid en de omvang van eventuele impliciete garanties (52). Zo geeft Fitch in voorkomend geval bijvoorbeeld aan dat dergelijke garanties een belangrijke factor zijn voor haar kredietbeoordeling van Chinese ondernemingen (53).

(239)

Tijdens het onderzoek heeft de Commissie verdere informatie kunnen vergaren om deze analyse te vervolledigen. Ten eerste heeft de Commissie geconstateerd dat de staat een bepaalde mate van invloed kan uitoefenen op de markt voor kredietrating. Volgens twee in 2016 gepubliceerde studies waren er ongeveer 12 kredietratingbureaus werkzaam op de Chinese markt, waarvan het merendeel in handen van de staat was. In totaal werd 60 % van alle bedrijfsobligaties in China beoordeeld door ratingbureaus in overheidshanden (54).

(240)

De Chinese overheid heeft bevestigd dat er tijdens het onderzoektijdvak 12 kredietratingbureaus actief waren op de Chinese markt voor obligaties, waarvan 10 binnenlandse ratingbureaus, waaronder Global Credit Rating Co. Ltd, Shanghai Brilliance Credit Rating & Investors Service Co. Ltd, Golden Credit Rating International Co. Ltd, China Chengxin Securities Rating Co. Ltd, Pengyuan Credit Rating Co. Ltd, Shanghai Fareast Credit Rating Co., Ltd, China Bond Rating Co. Ltd, China Securities Index Co. Ltd en Shanghai Credit Information Services Co. Ltd Er waren ook twee als joint ventures opgerichte Chinees-buitenlandse ratingbureaus, namelijk China Lianhe Credit Rating Co. Ltd, en China Chengxin International Credit Rating Co., Ltd.

(241)

Ten tweede is een vrije toetreding tot de Chinese markt voor kredietrating niet mogelijk. Het gaat in wezen om een gesloten markt, aangezien ratingbureaus een vergunning nodig hebben van de China Securities Regulatory Commission („CSRC”) of van de PBOC alvorens activiteiten te kunnen ontplooien (55). Tijdens het onderzoektijdvak konden buitenlandse ratingbureaus niet op de binnenlandse markt in de VRC opereren, omdat de markt voor kredietrating was ingedeeld in de categorie „Toegang beperkt” van de Catalogus voor het beheer van buitenlandse investeringsbedrijven van de Chinese overheid en omdat het buitenlandse kredietratingbureaus niet was toegestaan ratings voor binnenlandse obligaties af te geven. De PBOC kondigde medio 2017 aan dat buitenlandse kredietratingbureaus onder bepaalde voorwaarden zou worden toegestaan kredietbeoordelingen uit te voeren voor een deel van de markt voor binnenlandse obligaties, maar deze regeling was tijdens het onderzoektijdvak nog niet van toepassing (56). In de tussentijd hebben buitenlandse bureaus echter joint ventures met een aantal lokale kredietratingbureaus opgezet, die kredietratings op het gebied van binnenlandse obligaties aanbieden. Deze ratings zijn echter gebaseerd op Chinese ratingschalen en zijn dus, zoals hierboven toegelicht, niet zonder meer vergelijkbaar met internationale ratings.

(242)

Gelet op de in de overwegingen 237 tot en met 241 beschreven situatie kwam de Commissie tot de conclusie dat kredietratings geen betrouwbare beoordeling van het kredietrisico van de onderliggende activa toelaten. Ook al hebben sommige in de steekproef opgenomen ondernemingen van een Chinees ratingbureau een goede rating gekregen, toch heeft de Commissie op grond van het voorgaande geconcludeerd dat die rating niet betrouwbaar is.

3.4.4.2.   Doorlopende leningen

(243)

Volgens de bevindingen die zijn uiteengezet in deel 3.4.4 van het antisubsidieonderzoek betreffende warmgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de VRC (57), zijn „doorlopende leningen” leningen waardoor een onderneming het op leningen terugbetaalde kapitaal op de vervaldag onmiddellijk kan vervangen door vers kapitaal uit nieuwe leningen. Doorlopende leningen zijn gewoonlijk een teken van liquiditeitsproblemen op korte termijn bij de leningnemer en houden een grotere risicoblootstelling in voor de banken die dergelijke leningen verstrekken. Het bestaan van doorlopende leningen in een bepaalde onderneming werd derhalve beschouwd als een aanwijzing dat de onderneming zich in een slechtere financiële situatie bevindt dan wat op het eerste gezicht door de jaarrekeningen werd gesuggereerd en dat er sprake is van een extra risico in verband met liquiditeitsproblemen op korte termijn.

3.4.4.3.   Hankook Group

(244)

In het kader van dit onderzoek wordt Hankook Group in China geacht te bestaan uit twee producenten-exporteurs, twee ondernemingen die inputs aan de producenten-exporteurs leveren en één verkoopbedrijf. Het hoofdkwartier van de groep is buiten China, namelijk in Korea, gevestigd en er is in China geen holding die zeggenschap over alle in de VRC opererende ondernemingen uitoefent.

(245)

Tijdens het onderzoektijdvak hebben de producenten-exporteurs voor hun financiering voornamelijk een beroep gedaan op buiten China gevestigde internationale banken alsook op de Koreaanse moedermaatschappij en een onderlinge cashpool van de ondernemingen. Daarnaast hebben zij echter ook kortlopende leningen verkregen door hun vorderingen op buitenlandse debiteuren te verkopen aan Chinese banken.

(246)

De twee producenten-exporteurs van Hankook Group bevinden zich in zeer verschillende financiële situaties. Een van de producenten-exporteurs is een volgroeid bedrijf dat gedurende de periode 2014-2016 constante winsten heeft geboekt, terwijl de andere meer recent is opgericht en sinds de start van zijn activiteiten zware verliezen heeft geleden, hoewel het in 2017 voor het eerst winst heeft gemaakt. De verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen is in het ene geval klein en zeer groot in het andere geval. Samengenomen en over een langere periode beschouwd, is de gezamenlijke winstgevendheid van de ondernemingen gedurende de beoordelingsperiode positief, zij het fragiel, zodat kleine wijzigingen in het interne of externe ondernemingsklimaat de groep verliesgevend zouden kunnen maken. Deze beoordeling werd tijdens het controlebezoek bevestigd.

(247)

De Commissie heeft geconstateerd dat financiële instellingen in handen van de Chinese overheid aan Jiangsu Hankook Tire Co. Ltd („JHT”) kredietratings hebben toegekend die uiteenlopen van BBB+ tot AA+, terwijl diezelfde instellingen aan Chongqing Hankook Tire Co. Ltd („CHT”) kredietratings van BBB- tot A+ hebben toegekend. Gelet op de in de overwegingen 237 tot en met 242 beschreven algemene vertekening van de Chinese kredietratings concludeerde de Commissie dat die rating niet betrouwbaar is.

(248)

Gezien de situatie van de verlieslijdende producent rijzen er twijfels met betrekking tot het vermogen van de onderneming om haar schulden af te lossen. Evenwel werd het overgrote deel van de door de onderneming ontvangen leningen verstrekt in de vorm van intragroepsleningen door het Koreaanse moederbedrijf. De onderneming heeft slechts op beperkte schaal kortlopende leningen van Chinese banken ontvangen.

(249)

De Commissie heeft vastgesteld dat het bij deze door een Chinese financiële instelling verstrekte kortlopende leningen om doorlopende leningen ging. Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft Hankook Group verklaard dat deze leningen achtereenvolgende terugtrekkingen van kapitaal waren in het kader van een ruimere kaderovereenkomst. Na verdere analyse heeft de Commissie ingestemd met de argumenten van Hankook over de aard van deze leningen en heeft zij haar berekeningen dienovereenkomstig aangepast, op basis van de rentevoet op het moment van de terugtrekking van de middelen.

(250)

Zoals in deel 3.4.1 vermeld, hebben de leningverstrekkende Chinese financiële instellingen geen kredietwaardigheidsbeoordeling overgelegd. Om het voordeel te bepalen moest de Commissie derhalve onderzoeken of de rentetarieven voor de leningen aan Hankook Group op marktniveau lagen.

(251)

Volgens de Commissie komt de algemene financiële situatie van de groep overeen met een BB-rating, de hoogste rating die niet meer als „beleggingskwaliteit” wordt aangemerkt. „Beleggingskwaliteit” betekent dat door de onderneming uitgegeven obligaties door het ratingbureau worden beschouwd als obligaties die voldoende waarschijnlijk zullen voldoen aan de betalingsverplichtingen, zodat banken wordt toegestaan om erin te investeren.

(252)

De verwachte premie op obligaties die worden uitgegeven door ondernemingen met deze rating (BB) werd vervolgens toegepast op de normale rentevoet van de PBOC teneinde de marktrente te bepalen.

(253)

Dat surplus werd bepaald door berekening van de relatieve spread tussen de indexcijfers van obligaties van bedrijven uit de VS met een AA-rating of een BB-rating op basis van gegevens van Bloomberg voor industriële segmenten. De aldus berekende relatieve spread werd vervolgens opgeteld bij de gepubliceerde benchmarkrentevoeten van de PBOC op de datum waarop de lening was verstrekt (58) en voor de looptijd van de betrokken lening. Dit gebeurde voor elke aan de onderneming verstrekte lening afzonderlijk.

(254)

Voor in vreemde valuta luidende leningen in de VRC bestaat dezelfde situatie wat marktverstoringen en het ontbreken van valide kredietratings betreft, omdat deze leningen worden verstrekt door dezelfde Chinese financiële instellingen. Net als in het hierboven beschreven geval werden daarom bedrijfsobligaties met een BB-rating met een relevante denominatie die tijdens het OT zijn uitgegeven, gebruikt om een passende benchmark te bepalen.

(255)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument en na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben zowel de Chinese overheid als drie van de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen bezwaar gemaakt tegen de methode van de Commissie waarbij gebruik wordt gemaakt van een relatieve spread tussen Amerikaanse bedrijfsobligaties met een AA-rating en met een BB-rating om het voordeel van preferentiële leningen te berekenen. Al deze landen voerden aan dat de Commissie gebruik had moeten maken van een absolute in plaats van een relatieve spread tussen de Amerikaanse obligaties met een AA-rating en die met een BB-rating. De volgende redenen werden aangevoerd:

Het niveau van de relatieve spread schommelt naargelang van het niveau van de basisrentevoet in de VS: hoe lager de rentevoet, hoe hoger het resulterende surplus zal zijn.

Het niveau van de resulterende benchmark schommelt naargelang van het niveau van de benchmarkrentevoet van de PBOC waarop deze wordt toegepast. Hoe hoger de benchmark van de PBOC, hoe hoger de resulterende benchmark zal zijn.

volgens historische gegevens van Giti Group blijft de absolute spread min of meer stabiel in de tijd, terwijl de relatieve spread grote verschillen vertoont.

Het feit dat de Commissie een voordeel voor alle leningen in RMB heeft vastgesteld maar niet voor de meeste leningen in vreemde valuta bewijst dat het gebruik van de relatieve spread fout is.

(256)

De eerste drie kwesties waren al in de WPP-zaak gepresenteerd (59). Zoals blijkt uit de overwegingen 175 tot en met 187 in de WPP-zaak, heeft de Commissie deze argumenten om de volgende redenen afgewezen:

In de eerste plaats heeft de Commissie, ook al erkent zij dat commerciële banken gewoonlijk een surplus uitgedrukt in absolute termen gebruiken, opgemerkt dat deze praktijk hoofdzakelijk op praktische overwegingen lijkt te berusten, omdat de rentevoet uiteindelijk een absoluut cijfer is. Het absolute cijfer is echter de vertaling van een risicobeoordeling die is gebaseerd op een relatieve beoordeling. Het wanbetalingsrisico van een onderneming met BB-rating is X % groter dan het wanbetalingsrisico van de overheid of een risicovrije onderneming. Dit is een relatieve evaluatie.

In de tweede plaats weerspiegelen de rentevoeten niet alleen het risicoprofiel van een onderneming, maar ook land- en valutaspecifieke risico's. De relatieve spread houdt dus rekening met veranderingen in de onderliggende marktvoorwaarden, terwijl in de logica van een absolute spread daar geen rekening mee wordt gehouden. Zoals in het onderhavige geval is het vaak zo dat het land- en valutaspecifieke risico varieert in de tijd en dat die variatie verschilt naargelang het land. Daaruit volgt dat de risicovrije rentevoeten aanzienlijk variëren in de tijd en dat zij nu eens lager zijn in de VS, en dan weer in China. Die verschillen hebben te maken met factoren zoals geconstateerde en verwachte groei van het bbp, economisch sentiment en inflatie. Aangezien de risicovrije rentevoet varieert in de tijd, kan dezelfde nominale absolute spread een zeer uiteenlopende beoordeling van het risico weergeven. Wanneer de bank het ondernemingsspecifieke risico van wanbetaling bijvoorbeeld 10 % hoger inschat dan de risicovrije rentevoet (relatieve schatting), kan de daaruit voortvloeiende absolute spread tussen 0,1 % (bij een risicovrije rentevoet van 1 %) en 1 % (bij een risicovrije rentevoet van 10 %) liggen. Vanuit het oogpunt van een investeerder is de relatieve spread dus een betere maatstaf, aangezien deze de omvang van het rendementsverschil en de wijze waarop deze door het niveau van de basisrentevoet wordt beïnvloed, weerspiegelt.

Ten derde is de relatieve spread ook landneutraal. Wanneer de risicovrije rentevoet in de VS bijvoorbeeld lager is dan de risicovrije rentevoet in China, zal de methode leiden tot hogere absolute surplussen. Anderzijds zal de methode, wanneer de risicovrije rentevoet in China lager is dan de risicovrije rentevoet in de VS, leiden tot lagere absolute surplussen. Dit wordt ook door Giti Group erkend in tabel 3 van haar opmerkingen, waarin het effect van verschillende rentevoeten van de PBOC wordt gesimuleerd. In de praktijk blijkt dat — wanneer de door Giti Group verstrekte gegevens op de historische rentevoeten van de PBOC worden toegepast — de relatieve methode in sommige jaren inderdaad leidt tot een lagere benchmark dan de absolute spread.

Wat het derde punt betreft, interpreteerde de Commissie de door Giti Group voorgestelde feiten op een andere wijze. Giti Group heeft zelf opgemerkt dat de absolute spread niet zo stabiel is als beweerd wordt, maar varieert in de loop van de tijd, namelijk van 1 % tot 4,5 %. Verder volgde de relatieve spread de voorbije 23 jaar precies dezelfde trend als de absolute spread, d.w.z. dat wanneer de relatieve spread stijgt, ook de absolute spread stijgt en omgekeerd. Wat de vermeende volatiliteit van de relatieve spread betreft, is de omvang van de wijzigingen vergelijkbaar; Wat de vermeende volatiliteit van de relatieve spread betreft, is de omvang van de wijzigingen vergelijkbaar; het verschil tussen de hoogste en de laagste cijfers bedraagt 530 % voor de relatieve spread en 450 % voor de absolute spread.

Ten slotte was de Commissie het, wat het vierde punt betreft, niet eens met de beoordeling van Giti Group dat het ontbreken van een voordeel bij de toepassing van de berekeningsmethode van de Commissie op leningen in vreemde valuta aantoont dat het gebruik van de relatieve spread fout is. De binnenlandse markt voor RMB-leningen is namelijk in wezen een gesloten markt, waarin de Chinese overheid, zoals hierboven is aangetoond, een zekere invloed kan uitoefenen. Anderzijds is de markt voor leningen in harde valuta, onder andere vanwege restricties op buitenlandse valuta's in China, minder afhankelijk van de binnenlandse beleidskeuzes van de Chinese overheid en werkt deze veel meer volgens de marktvoorwaarden. Het feit dat de door de Commissie gebruikte benchmark in de meeste gevallen geen voordeel oplevert, is dus niet zo verrassend. Integendeel, volgens de Commissie blijkt hieruit juist dat de Chinese banken, wanneer zij actief zijn op de internationale markt, leningen verstrekken die in overeenstemming zijn met op de markt gebaseerde voorwaarden voor ondernemingen met een BB-rating, wat niet het geval is wanneer zij leningen verstrekken op de binnenlandse markt. Het bewijst ook dat de methode van de Commissie resultaten oplevert die in overeenstemming zijn met op de markt gebaseerde omstandigheden voor ondernemingen met een BB-rating op de internationale markt.

(257)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Chinese overheid haar eerdere argumenten en voerde zij aan dat het gebruik van de relatieve spread ongeschikt was, aangezien de benchmark niet de nodige aanpassingen omvatte om de heersende omstandigheden op de Chinese financiële markt weer te geven, en tot onredelijke resultaten zou leiden. De Commissie was het niet eens met dit standpunt, aangezien de benchmark van de PBOC als uitgangspunt voor de berekening wordt gebruikt. Voorts worden in de relatieve spread de veranderingen in de onderliggende landspecifieke marktvoorwaarden weergegeven die niet zijn uitgedrukt wanneer de logica van een absolute spread wordt gevolgd, zoals uitgelegd in overweging 255. Bovendien heeft de Commissie opgemerkt dat de daaruit resulterende rentevoet van ongeveer 9 % voor ondernemingen met een BB-rating niet onredelijk is gezien het feit dat het rendement van bedrijfsobligaties met een BB-rating op de Chinese binnenlandse markt aan het eind van het onderzoektijdvak 20 % bedroeg (60).

(258)

Om deze redenen handhaafde de Commissie haar standpunt dat de methode van de relatieve spread een adequatere afspiegeling vormt van de risicopremie die een financiële instelling op een niet-verstoorde markt zou toepassen ten aanzien van de Chinese producenten-exporteurs, met name gezien het feit dat de basisrentevoet in de VRC en deze in de VS zich verschillend hebben ontwikkeld.

(259)

Tevens betoogde Hankook Group dat de Commissie de na het onderzoektijdvak betaalde rente die verschuldigd was voor het onderzoektijdvak, niet in mindering had gebracht. De Commissie heeft haar berekeningen getoetst en vastgesteld dat zij dit correct had gedaan, en heeft het argument afgewezen.

(260)

Bovendien stelde Hankook Group dat haar uitgaande documentaire wissels niet als financiering konden worden aangemerkt. Zelfs als deze als financieringsinstrumenten werden beschouwd, betwistte zij bovendien de door de Commissie gehanteerde benchmarkrentevoet bij de berekening van het voordeel, waarbij de door de banken gehanteerde rentestructuur (op basis van het landspecifieke Libortarief) in de overeenkomstige valuta buiten beschouwing zou zijn gelaten.

(261)

In de eerste plaats was de Commissie het niet eens met Hankook Group dat uitgaande documentaire wissels niet als financiering kunnen worden aangemerkt. Dankzij deze financiële instrumenten zou Hankook Group inderdaad op voorhand geld kunnen innen en zo haar wisselkoersrisico kunnen beperken wanneer facturering in andere valuta dan de RMB plaatsvindt. Dit is dus een financieringsregeling op korte termijn in het belang van Hankook Group.

(262)

Ten tweede kon de Commissie, met betrekking tot de toegepaste benchmarkrentevoeten, geen aanwijzingen vinden voor leningen met een BB-rating in CAD, AUD en JPY. Aangezien deze landen een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling als de VS hebben, heeft de Commissie derhalve de gemiddelde USD-Libortarieven plus de Amerikaanse risicopremie voor ondernemingen met een BB-rating als vervangende valuta gebruikt. De ICE-BofAML-index werd gebruikt voor de uitgaande documentaire wissels in GBP, SEK en EUR. De Libortarieven voor leningen in EUR, GBP en SEK waren vaak negatief en werden daarom ongeschikt geacht als uitgangspunt voor het vaststellen van een benchmark. De ICE-BofAML-index is daarentegen een mand met hoogrentende obligaties, dat wil zeggen obligaties onder beleggingskwaliteit zijn in EUR. Dit komt overeen met de kredietrating die de Commissie van toepassing achtte op Hankook Group. De Commissie handhaafde derhalve haar standpunt ten aanzien van de uitgaande documentaire wissels van Hankook Group.

(263)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Hankook Group verder aangevoerd dat de ICE BofAML Euro High Yield Index niet relevant was voor het vaststellen van een referentierente op een Libortarief plus de premiebasis, en dat de Commissie de risicopremie had moeten aanpassen zoals het voor bankleningen heeft gedaan. De Commissie deelde dit standpunt niet. Zoals uiteengezet in overweging 262, is de ICE BofAML Euro High Yield Index een mand met obligaties met kredietrating die overeenkomt met een BB-rating, dat wil zeggen de rating wordt toegepast op Hankook Group. Deze komt derhalve overeen met de rentevoet die een onderneming met een BB-rating naar verwachting zou moeten betalen voor leningen in EUR. Met betrekking tot leningen in CAD, AUD en JPY herhaalde Hankook Group de opmerkingen in het kader van het informatiedocument. Zij stelde dat het de taak van de Commissie is om een benchmark vast te stellen die zo goed mogelijk de realiteit van de markt weergeeft. De Commissie was van oordeel dat dit reeds het geval is, aangezien er geen openbare gegevens beschikbaar zijn voor CAD, AUD en JPY op het niveau van ondernemingen met een BB-rating die het mogelijk zouden maken een benchmark op basis van de respectieve Libortarieven vast te stellen. Daarnaast heeft de British Bankers' Association (nu de Intercontinental Exchange Group of „ICE” genoemd) in 2013 de Libor-vaststelling voor een aantal valuta stopgezet, waaronder CAD en AUD. Bovendien zijn de marktvoorwaarden op die markten vergelijkbaar met de voorwaarden op de financiële markt van de VS. Daarom bleef de Commissie bij haar standpunt dat het gebruik van de ICE BofAML Euro High Yield Index een geschikte methode was.

3.4.4.4.   Giti Group

(264)

Ook Giti Group was volgens haar eigen financiële rekeningen in het algemeen winstgevend. De verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de groep is echter eveneens groot en vertoont gedurende het onderzoektijdvak een stijgende tendens.

(265)

De producenten-exporteurs van Giti Group bevinden zich in zeer verschillende financiële situaties. Drie van de producenten-exporteurs waren tijdens de beoordelingsperiode winstgevend. Bovendien wezen andere financiële indicatoren, zoals de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen of de rentedekkingsgraad, niet op aanzienlijke structurele problemen met betrekking tot het vermogen van deze ondernemingen om hun schulden terug te betalen. De twee andere producenten leden gedurende de gehele beoordelingsperiode echter verlies. Zij hadden echter geen niet-afgeloste leningen bij niet-verbonden banken en zijn volledig gefinancierd door een langlopende schuld bij de moedermaatschappij.

(266)

De Commissie constateerde dat een Chinees kredietratingbureau een A+-rating had toegekend aan Giti Group. Gelet op de in de overwegingen 237 tot en met 242 beschreven algemene vertekening van de Chinese kredietratings concludeerde de Commissie dat die rating niet betrouwbaar is.

(267)

De Commissie achtte het dan ook passend om op het niveau van de activiteiten van de groep gebruik te maken van de in de overwegingen 251, 202 en 253 beschreven BB-benchmark voor het berekenen van het totale voordeel dat banden trekken uit het ontbreken van een deugdelijke risicobeoordeling.

(268)

Na de mededeling van feiten en overwegingen van het informatiedocument heeft Giti Group de BB-kredietrating betwist die werd toegepast op de ondernemingen van Giti Group. De onderneming heeft aangevoerd dat de Commissie voor alle ondernemingen in China een BB-rating had gebruikt in plaats van de individuele situatie van de in de steekproef opgenomen ondernemingen te onderzoeken. In dit verband wees de onderneming op het feit dat de groep geen doorlopende leningen had en dat de winsten van de verschillende ondernemingen binnen de groep sterk uiteenliepen.

(269)

De Commissie was het niet eens met de beoordeling van Giti Group. Zoals aangegeven in de delen 3.4.4.3 tot en met 3.4.4.6, heeft de Commissie een individuele beoordeling gemaakt van elke groep in de steekproef opgenomen ondernemingen en de individuele situatie van elk van de ondernemingen binnen deze groepen onderzocht. In het specifieke geval van Giti Group waren er inderdaad geen doorlopende leningen en varieerde de financiële situatie van de producenten-exporteurs sterk, met drie winstgevende producenten-exporteurs en twee producenten-exporteurs met zware, langdurige verliezen. De Commissie had elk van deze producenten-exporteurs dan ook verschillende kredietratings kunnen toekennen. Met het oog op de interconnecties tussen de ondernemingen, en met name het feit dat de schuldenlast van de verliesgevende producenten via onderlinge transacties tussen ondernemingen feitelijk werd overgedragen aan en ondersteund door de winstgevende entiteiten van de groep, heeft de Commissie echter besloten om één kredietrating aan de groep toe te kennen. Dit argument werd daarom van de hand gewezen.

(270)

Giti Group noemde tevens enkele kleine rekenfouten, die door de Commissie werden aanvaard en dienovereenkomstig werden gecorrigeerd.

3.4.4.5.   China National Tire Group

(271)

De vier producenten-exporteurs van China National Tire Group verkeren in verschillende financiële situaties. Twee van hen hebben gedurende de periode 2014-2016 constant winst geboekt en waren gekenmerkt door zeer gezonde financiële indicatoren. Een van deze twee producenten begon echter in de eerste helft van 2017 verlies te lijden en deze producent bleek gebruik te maken van een doorlopende lening, wat erop wijst dat de onderneming zich wellicht in een kwetsbaarder financiële situatie bevindt dan men op het eerste gezicht op grond van de jaarrekeningen zou aannemen.

(272)

Met betrekking tot de derde en vierde producent bleek echter uit de jaarrekeningen en uit het tijdens het controlebezoek verkregen bewijsmateriaal dat deze ondernemingen ondanks een aantal verliesjaren op rij, een grote verhouding tussen het vreemd en het eigen vermogen, een lage rentedekkingsgraad, verslechterende financiële indicatoren, onbezette productiecapaciteit, door de accountants aangekaarte problemen rond de continuïteit van de activiteiten en onzekere vooruitzichten voor de toekomst nog steeds leningen ontvangen tegen aantrekkelijke tarieven. Bovendien waren zij afhankelijk van doorlopende leningen en was één ervan niet in staat om enkele van haar schulden terug te betalen. Tijdens het onderzoektijdvak werd de verstrekking van externe leningen zelfs stopgezet. Wel ontvingen deze ondernemingen nog financiële ondersteuning in de vorm van leningen die te hunnen gunste door de moedermaatschappij werden afgesloten. In de voorwaarden van de desbetreffende leningovereenkomsten werd in verband met het doel van de lening de noodlijdende dochteronderneming genoemd. Daarnaast waren de producenten-exporteurs volgens een onderlinge overeenkomst verplicht deze leningen volledig terug te betalen aan de moedermaatschappij.

(273)

De tussenliggende moedermaatschappij CNRC was gedurende de periode 2015-2016 en het onderzoektijdvak winstgevend, ofschoon de winsten laag waren en de onderneming met veel vreemd vermogen was gefinancierd. Voorts heeft de Commissie geconstateerd dat meer dan de helft van de op het niveau van CNRC ontvangen leningen doorlopende leningen waren. Een soortgelijk beeld komt naar voren uit de analyse van de uiteindelijke moedermaatschappij, ChemChina Group, waar een lage winstgevendheid gepaard ging met een groot aandeel aan vreemd vermogen en een zekere afhankelijkheid van doorlopende leningen. Bovendien constateerde de Commissie dat op het niveau van ChemChina Group gebruik werd gemaakt van obligaties om niet-afgeloste leningen terug te betalen.

(274)

Er zijn geen ratings medegedeeld voor CNRC of haar dochterondernemingen. Aan ChemChina Group is echter herhaaldelijk de kredietrating AAA toegekend door een Chinees kredietratingbureau. Gelet op de in de overwegingen 237 tot en met 242 beschreven algemene vertekening van de Chinese kredietratings en het tijdens het controlebezoek ontdekte bewijsmateriaal heeft de Commissie de Chinese rating van ChemChina Group buiten beschouwing gelaten.

(275)

In het licht van die algemene situatie achtte de Commissie het noodzakelijk om een passende benchmark voor de verschillende ondernemingen van de groep te bepalen. Om rekening te houden met de grotere risicoblootstelling van de banken die blijkt uit het bestaan van doorlopende leningen aan enkele van de ondernemingen van de groep, heeft de Commissie de rating met één trap in de ratingschaal naar beneden bijgesteld en de berekening van de relatieve spread voor die leningen aangepast door een vergelijking te maken tussen obligaties van bedrijven uit de VS met een AA-rating en obligaties van bedrijven uit de VS met een B-rating (in plaats van een BB-rating) met dezelfde looptijd. Volgens de kredietratingdefinities van Standard & Poor's is een debiteur met de rating „B” kwetsbaarder dan een debiteur met de rating „BB”, maar is hij nog wel in staat aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Desondanks kunnen ongunstige zakelijke, financiële of economische voorwaarden afbreuk doen aan het vermogen of de bereidheid van de debiteur om zijn financiële verplichtingen na te komen. Deze benchmark wordt daarom passend geacht om rekening te houden met het extra risico dat verbonden is aan het gebruik van doorlopende leningen.

(276)

De Commissie achtte het daarom passend om die rating te gebruiken als benchmark voor alle leningen met een looptijd van 2 jaar of minder die zijn verstrekt aan ondernemingen die gebruikmaakten van doorlopende leningen. Doorlopende leningen worden immers doorgaans afgesloten voor korte duur. Het is zeer onwaarschijnlijk dat een doorlopende lening met een looptijd van meer dan twee jaar zou worden gevonden, en het bewijsmateriaal betreffende de gecontroleerde leningen aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen heeft deze conclusie bevestigd.

(277)

Voor de overige leningen met een looptijd van 2 jaar of meer en voor ondernemingen die geen gebruikmaakten van doorlopende leningen, greep de Commissie terug op de algemene benchmark, en kende zij de hoogste rang van obligaties die niet van beleggingskwaliteit zijn toe, zoals uiteengezet in overweging 251.

(278)

Tot slot concludeerde de Commissie dat de ondernemingen op het niveau van twee van de bij de productie van banden betrokken ondernemingen in de periode 2015-2016 en tijdens het onderzoektijdvak in een slechte financiële situatie verkeerden. Zonder staatssteun zouden zij tijdens het onderzoektijdvak geen toegang hebben gehad tot verdere leningen. Het voordeel dat die onderneming ontving, ging dus verder dan een gewone verhoging van de rentevoet. Het voordeel in het onderzoektijdvak vloeide integendeel voort uit de verstrekking van leningen die, gelet op de algemene financiële situatie van de onderneming, zonder staatssteun niet zouden zijn toegekend. In dit verband heeft de Commissie geconstateerd dat China National Tire Group een groot staatsbedrijf is dat deel uitmaakt van ChemChina Group en dat ChemChina Group in het Dertiende vijfjarenplan petrochemie is aangemerkt als belangrijk bedrijf.

(279)

Bijgevolg besloot de Commissie overeenkomstig afdeling E, onder b), v), van de richtsnoeren van 1998 (61) om het uitstaande bedrag van die leningen tijdens het onderzoektijdvak te behandelen als een subsidie in het kader van het regeringsbeleid. Aangezien deze ondernemingen tijdens het onderzoektijdvak geen nieuwe externe leningen meer ontvingen op grond van hun slechte financiële situatie, waarvan reeds sprake was in de periode 2015-2016, behandelde de Commissie de tijdens het onderzoektijdvak uitstaande, maar in de loop van 2015 en de eerste helft van 2016 verstrekte leningen als subsidies, naar behoren gecorrigeerd zoals beschreven in overweging 280. Daarnaast behandelde de Commissie de intragroepsleningen die door de moedermaatschappij tijdens het onderzoektijdvak ten gunste van haar dochteronderneming zijn afgesloten, als subsidies, aangezien zij kennelijk bestemd waren voor en moesten worden terugbetaald door de dochteronderneming.

(280)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde China National Tire Group aan dat de intragroepsleningen die door de moedermaatschappij namens haar dochteronderneming zijn aangegaan, niet als subsidies mogen worden behandeld, aangezien de leningovereenkomsten werden gesloten tussen de moedermaatschappij en de banken. Daarom konden deze leningen niet worden behandeld als leningen van de dochterondernemingen voor de berekening van het voordeel van de subsidie. De Commissie was het niet eens met deze beoordeling, aangezien in de leningovereenkomsten met de banken duidelijk was bepaald dat de leningen tot doel hadden financiering te verschaffen aan de noodlijdende dochterondernemingen. Daarnaast zijn er tussen de moedermaatschappij en de dochterondernemingen specifieke overeenkomsten gesloten die duidelijke verwijzingen bevatten naar de precieze leningovereenkomsten met de banken en waarin werd bepaald dat de dochterondernemingen de leningen moesten terugbetalen met hun eigen vermogen.

(281)

China National Tire Group heeft in het algemeen ook aangevoerd dat de leningen die aan de twee producenten-exporteurs werden verstrekt geen subsidies waren, omdat er geen sprake van was dat deze leningen werden kwijtgescholden of niet werden terugbetaald. In dit verband heeft de Commissie verduidelijkt dat zij de leningen aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen niet als zodanig heeft gelijkgesteld aan subsidies. De Commissie heeft erkend dat de leningen aan de ondernemingen gepaard gingen met betalingsverplichtingen. Bij de berekening van het voordeel dat dergelijke transacties opleveren, heeft de Commissie niet de rentevoeten vergeleken, maar is zij in plaats daarvan uitgegaan van het uitstaande bedrag van de lening. De Commissie heeft voorts opgemerkt dat zij voor de berekening van het voordeel niet het hele bedrag van de lening in aanmerking heeft genomen, zoals in de onderstaande overweging wordt uitgelegd.

(282)

Het toegekende voordeel is vastgesteld op basis van het uitstaande bedrag van de lening verminderd met de in het OT betaalde rente. Het uitstaande bedrag van de lening is aangepast door het naargelang van het onderliggende doel van de lening te verlagen. Als het doel van de lening was omschreven als liquiditeit/bedrijfskapitaal, is het volledige bedrag genomen. Als de lening duidelijk verband hield met een investering op lange termijn, werd het bedrag omgeslagen over de looptijd van de lening, en is alleen rekening gehouden met het aan het onderzoektijdvak toegerekende bedrag. Ten slotte is het voordeel verder aangepast om enkel rekening te houden met het aantal dagen in het onderzoektijdvak gedurende hetwelk de lening liep.

(283)

Ten slotte heeft China National Tire Group na de mededeling van de definitieve bevindingen naar voren gebracht dat het voordeel van de intragroepsleningen verkregen van ChemChina Finance dubbel was berekend, aangezien zij in aanmerking waren genomen op het niveau van de individuele begunstigden binnen de groep, ook al had de Commissie het subsidievoordeel van de interbancaire leningen die ChemChina Finance van de banken had verkregen al berekend. De Commissie heeft dit argument aanvaard en de berekening van de voordelen voor preferentiële leningen dienovereenkomstig aangepast.

3.4.4.6.   Xingyuan Group

(284)

Xingyuan Group bevond zich volgens haar eigen financiële rekeningen in een vrij moeilijke financiële situatie. De belangrijkste onderneming in de groep, die tevens de belangrijkste producent-exporteur was, leed gedurende de gehele periode 2014-2016 verlies. Eind 2016 had de onderneming een negatief eigen vermogen, aangezien de verhouding tussen passiva en activa meer dan 1 bedroeg en haar gecumuleerde verliezen hoger waren dan het gestorte kapitaal.

(285)

Tijdens haar controlebezoek stelde de Commissie in de steekproef van leningen tevens een aantal doorlopende leningen vast en constateerde zij dat de onderneming moeite had om rente op de leningen te betalen en deze af te lossen. Verschillende leningen werden te laat terugbetaald, terwijl sommige leningen waarvan de looptijd tijdens het onderzoektijdvak was verstreken, na meerdere maanden niet waren terugbetaald.

(286)

Voorts kwam uit het kredietoverzicht van de onderneming naar voren dat zij aanzienlijke buitenbalansverplichtingen had, aangezien zij garanties had verstrekt voor leningen aan niet-verbonden derden in de bandensector in de regio. Daarenboven werd 31 % van haar uitstaande leningen in het kredietoverzicht ingedeeld in de categorie „zorgwekkend”.

(287)

Tot slot stelde de Commissie vast dat de onderneming moeite had om haar belangrijkste grondstoffenleverancier te betalen en dat zij bij deze leverancier een aanzienlijk bedrag had uitstaan dat als „lening” was aangemerkt.

(288)

De verbonden exporteur-handelaar boekte daarentegen tijdens de beoordelingsperiode lichte winst. Hij leed weliswaar geen verlies, maar de winstgevendheid was over het algemeen zwak, waardoor de onderneming niet goed bestand is tegen ongunstige ontwikkelingen van de bedrijfsmatige, financiële of economische omstandigheden. De verhouding tussen vreemd en eigen vermogen van de onderneming was groot, maar zij maakte geen gebruik van doorlopende leningen.

(289)

Desondanks kreeg Xingyuan Group in het onderzoektijdvak van een Chinees kredietratingbureau een binnenlandse AA-rating. Gelet op de in de overwegingen 237 tot en met 242 beschreven algemene vertekening van de Chinese ratings en het tijdens het controlebezoek ontdekte bewijsmateriaal heeft de Commissie de Chinese rating van Xingyuan Group daarom buiten beschouwing gelaten.

(290)

In het licht van die algemene situatie achtte de Commissie het noodzakelijk om een passende benchmark voor de verschillende ondernemingen van de groep te bepalen.

(291)

Voorts concludeerde de Commissie dat de situatie op het niveau van het productiebedrijf van dien aard was dat het bedrijf in het OT zonder staatssteun geen verdere leningen zou hebben kunnen krijgen. Het voordeel dat die ondernemingen ontvingen, ging dus verder dan een gewone verhoging van de rentevoet. Het voordeel in het onderzoektijdvak vloeide integendeel voort uit de verstrekking van leningen die, gelet op de algemene financiële situatie van de onderneming, zonder staatssteun niet zouden zijn toegekend. In dit verband heeft de Commissie geconstateerd dat Xingyuan Group in het Uitvoeringsplan voor de transformatie en modernisering van de bandenindustrie in de provincie Shandong is aangewezen als een van de zeven belangrijkste regionale bandenproducenten.

(292)

Bijgevolg besloot de Commissie overeenkomstig afdeling E, onder b), v), van de richtsnoeren van 1998 om het uitstaande bedrag van die leningen tijdens het onderzoektijdvak te behandelen als een subsidie in het kader van het regeringsbeleid. Het voordeel is vastgesteld op basis van het uitstaande bedrag van de lening minus de in het onderzoektijdvak betaalde rente.

(293)

Voor de vóór het onderzoektijdvak toegekende leningen van de producent-exporteur met een looptijd van 2 jaar of minder en gezien het feit dat op het niveau van deze onderneming gebruik werd gemaakt van doorlopende leningen, greep de Commissie terug op de in overweging 275 vastgestelde benchmark. Voor overige leningen met een looptijd van 2 jaar of meer greep de Commissie terug op de algemene benchmark, en kende zij de hoogste rang van obligaties die niet van beleggingskwaliteit zijn toe, zoals uiteengezet in overweging 251.

(294)

Met betrekking tot andere ondernemingen van de Xingyuan Group besloot de Commissie dat zij op basis van de beschikbare informatie de algemene benchmark kon toepassen door daaraan de hoogste rang van obligaties die niet van beleggingskwaliteit zijn, toe te kennen, zoals beschreven in overweging 251.

3.4.4.7.   Kredietlijnen

(295)

Uit het onderzoek kwam naar voren dat Chinese financiële instellingen in verband met de verstrekking van individuele leningen aan elk van de in de steekproef opgenomen ondernemingen ook kredietlijnen hebben aangeboden. Deze bestonden in kaderovereenkomsten volgens welke de bank de in de steekproef opgenomen ondernemingen toestond om tot een bepaald maximumbedrag sommen op te nemen in de vorm van verschillende schuldinstrumenten (leningen, documentaire wissels, handelsfinanciering enz.). Onder normale marktomstandigheden zouden voor dergelijke kredietlijnen zogenoemde afsluit- of bereidstellingsprovisies in rekening worden gebracht om de kosten en de risico's voor de bank te dekken, alsook verlengingsprovisies die in een vroeg stadium in rekening worden gebracht voor de verlenging van de geldigheid van de kredietlijnen. De Commissie stelde echter vast dat alle in de steekproef opgenomen ondernemingen kosteloos in het genot van kredietlijnen kwamen.

(296)

Overeenkomstig artikel 6, onder d), ii), van de basisverordening wordt het aldus aan de ontvangers toegekende voordeel geacht het verschil te zijn tussen het bedrag dat de onderneming betaalt voor de verstrekking van kredietlijnen door Chinese financiële instellingen en het bedrag dat de onderneming zou betalen voor een vergelijkbare commerciële kredietlijn die zij op de markt zou kunnen verkrijgen.

(297)

Eén van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs van Hankook Group verkreeg kredietlijnen van de twee banken waarvan het hoofdkantoor niet onder de bevoegdheid van de financiële autoriteiten van de VRC valt. Voor deze kredietlijn moesten bereidstellings- en afsluitprovisies worden betaald, zoals gebruikelijk is op de mondiale financiële markten. Aangezien geen verlengingsprovisies golden voor kredietlijnen die specifiek zijn toegekend aan ondernemingen die actief zijn in de bandensector, heeft de Commissie besloten deze vergoedingen in het onderhavige geval niet toe te passen. De betrokken kredietlijnen werden daarom geacht als redelijke vervangende benchmark te kunnen fungeren. Derhalve werd het gemiddelde van de provisies die op deze kredietlijn van toepassing waren, gebruikt als benchmark overeenkomstig artikel 6, onder d), ii), van de basisverordening.

(298)

De hoogte van de als benchmark gebruikte provisies werd pro rata toegepast op het bedrag van elke kredietlijn in kwestie teneinde het bedrag van de subsidie te bepalen (verminderd met eventuele werkelijk betaalde tarieven). Bedroeg de looptijd van de kredietlijn meer dan een jaar, dan werd het totale subsidiebedrag toegewezen voor de duur van de kredietlijn en werd een passend bedrag toegerekend aan het onderzoektijdvak.

(299)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument en na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Hankook Group aan dat er geen up-front-provisies in rekening werden gebracht, omdat Chinese banken de totale inkomsten uit andere producten en diensten in aanmerking namen bij het besluit om een kredietlijn voor een onderneming te openen.

(300)

De Commissie is het ermee eens dat van elke klant die een kredietlijn bij een bank opent, wordt verwacht dat zij of hij andere producten en diensten van die bank koopt. Het is echter een gangbare praktijk dat klanten een up-front-provisie betalen, zoals bleek uit de up-front-provisie die door twee overzeese banken in rekening werd gebracht over de opening van hun kredietlijnen voor Hankook Group. Banken moeten immers middelen vrijmaken om ze op elk moment van de kredietlijn onmiddellijk ter beschikking te kunnen stellen. Hankook Group kon geen enkel bewijs leveren van de aangevoerde redenen voor het afzien van de up-front-provisies. Daarnaast kan in sommige gevallen van kredietnemers ook worden verlangd dat zij een minimumbedrag als deposito aanhouden bij de bank. Daarom wordt het argument van Hankook Group verworpen.

(301)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft Giti Group zich op het standpunt gesteld dat de Commissie voor een aantal kredietlijnen een onjuist aantal uitstaande dagen heeft gebruikt en dat zij sommige van de door de onderneming betaalde provisies niet in mindering heeft gebracht op het berekende voordeel. De Commissie heeft deze opmerkingen gedeeltelijk aanvaard en de berekening van de uitkering dienovereenkomstig herzien.

3.4.5.   Conclusie inzake preferentiële leningen

(302)

Uit het onderzoek is gebleken dat alle in de steekproef opgenomen groepen van producenten-exporteurs in het onderzoektijdvak preferentiële leningen hebben gekregen. Gelet op het bestaan van een financiële bijdrage en een voordeel voor de producenten-exporteurs en gezien de specificiteit, moeten deze leningen en kredietlijnen als tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies worden beschouwd.

(303)

Het subsidiebedrag dat in verband met de preferentiële leningen voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen is vastgesteld, bedraagt:

Preferentiële leningen

Onderneming/groep

Totaal subsidiebedrag

China National Tire Group

8,28 %

Giti Group

1,53 %

Hankook Group

0,34 %

Xingyuan Group

48,37 %

3.5.   Preferentiële financiering en verzekering: obligaties

(304)

Twee van de in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben preferentiële leningen ontvangen in de vorm van obligaties.

a)    Staatsbanken traden op als overheidsinstellingen

(305)

In de VRC zijn de spelers op de obligatiemarkt in wezen identiek aan de entiteiten die actief zijn op de markt voor leningen. Ondernemingen die obligaties willen uitgeven, moeten een beroep doen op een financiële instelling die als inschrijver fungeert. Inschrijvers organiseren de uitgifte van obligaties en stellen de rentevoeten vast die van toepassing zijn op de aan beleggers aangeboden obligaties. Deze inschrijvers zijn dezelfde staatsbanken die ook de in deel 3.4 besproken preferentiële leningen verstrekken. Bovendien zijn de beleggers die de obligaties kopen merendeels Chinese (staats)banken, aangezien meer dan 95 % van alle obligaties op de interbancaire markt wordt verhandeld (62).

(306)

Zoals reeds in deel 3.4.1 werd beschreven, zijn deze financiële instellingen gekenmerkt door een sterke aanwezigheid van de staat en kan de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap over die instellingen uitoefenen.

(307)

Het reeds in deel 3.4 beschreven algemene wetgevingskader waarbinnen deze financiële instellingen opereren, is ook van toepassing op obligaties. Daarnaast gelden de volgende regelgevingsdocumenten specifiek voor obligaties:

(308)

Wet van de Volksrepubliek China inzake effecten, zoals herzien en vastgesteld tijdens de 18e vergadering van het Permanent Comité van het Tiende Nationale Volkscongres van de Volksrepubliek China op 27 oktober 2005, die van kracht is sinds 1 januari 2006 (huidige versie bekendgemaakt op 31 augustus 2014) („effectenwet”);

(309)

Administratieve maatregelen inzake de uitgifte en verhandeling van bedrijfsobligaties, verordening van de China Securities Regulatory Commission nr. 113 van 15 januari 2015;

(310)

Administratieve maatregelen inzake schuldfinancieringsinstrumenten van niet-financiële ondernemingen op de interbancaire obligatiemarkt, uitgevaardigd door de People's Bank of China, verordening van de People's Bank of China [2008] nr. 12 van 9 april 2008;

(311)

Voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties, uitgevaardigd door de Staatsraad op 18 januari 2011.

(312)

Volgens het regelgevingskader kunnen obligaties in de VRC niet vrijelijk worden uitgegeven of verhandeld. Elke emissie moet worden goedgekeurd door verschillende overheidsinstanties, waaronder de PBOC, de NDRC of de CSRC, al naargelang het type obligatie en het type emittent. Krachtens de Voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties zijn er tevens jaarlijkse quota vastgesteld voor de uitgifte van bedrijfsobligaties.

(313)

Daarenboven moet de openbare uitgifte van obligaties overeenkomstig artikel 16 van de effectenwet aan de volgende vereisten voldoen: „de investering van de aangetrokken middelen is in overeenstemming met het industriebeleid van de staat […]” en „de aangetrokken middelen […] worden gebruikt voor het vastgestelde doel waarvoor zij bestemd zijn”. In artikel 12 van de Voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties wordt nog eens benadrukt dat de bestemming van de aangetrokken middelen in lijn moet zijn met het industriebeleid van de staat.

(314)

Volgens de Administratieve maatregelen inzake de uitgifte en verhandeling van bedrijfsobligaties komen alleen bepaalde obligaties die aan strikte kwaliteitseisen voldoen, zoals een AAA-kredietrating, in aanmerking voor openbare uitgifte. De meeste obligaties worden daarom onderhands uitgegeven voor zogeheten gekwalificeerde beleggers die door de CSRC zijn erkend; in wezen gaat het hierbij om Chinese institutionele beleggers.

(315)

Ten slotte kan de rentevoet voor bedrijfsobligaties niet vrijelijk worden vastgesteld, omdat in artikel 18 van de Voorschriften betreffende het beheer van bedrijfsobligaties is bepaald dat de rentevoet die voor bedrijfsobligaties wordt aangeboden, in geen geval hoger is dan 40 % van de geldende rentevoet die door banken aan particulieren wordt aangeboden voor spaardeposito's met dezelfde vaste looptijd.

(316)

De Commissie heeft ook concrete bewijzen van de uitoefening van betekenisvolle zeggenschap over concrete uitgiften van obligaties verzameld. Met het oog hierop evalueerde zij daarom het algemene rechtskader dat is uiteengezet in de overwegingen 307, 240 en 315, samen met de concrete bevindingen van het onderzoek.

(317)

Uit de controlebezoeken bleek dat twee groepen van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs obligaties hebben uitgegeven tegen een rente die de benchmarkrentevoet van de People's Bank of China („PBOC”) benaderde, ongeacht de financiële situatie en het kredietrisico van de ondernemingen.

(318)

In de praktijk wordt de rente op de obligaties beïnvloed door de kredietrating, net zoals in het geval van leningen. Zoals in de overwegingen 237 tot en met 242 werd beschreven, is de markt voor kredietrating vertekend en zijn de kredietratings onbetrouwbaar. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat de prospectussen en kredietratingberichten betreffende de obligaties die door de in de steekproef opgenomen ondernemingen zijn uitgegeven, niet overeenkwamen met de feitelijke situatie van de ondernemingen.

(319)

Zo was bijvoorbeeld de financiële analyse voor de emissie van een obligatie gebaseerd op een zeer hoge omzet en een winst van 12 %, terwijl uit de jaarrekeningen van de onderneming blijkt dat zij in werkelijkheid verlies leed.

(320)

In een ander geval werd in de gedetailleerde obligatieprospectus gewaarschuwd dat het schuldenpeil van de onderneming was toegenomen, dat „op de emittent een zware schuldenlast drukt en dat de verhouding activa/passiva hoger is dan gemiddeld in de sector […]. Al met al is de kortetermijnsolvabiliteit van de emittent verhoudingsgewijs laag, zodat er sprake is van een zekere druk wat betreft de solvabiliteit op korte termijn. […] De winst van de onderneming is voornamelijk te danken aan niet-operationele inkomsten. Een en ander houdt een groot aantal onzekerheden in met betrekking tot de winstgevendheid.” Desondanks wordt tot besluit van dit verslag een AAA-kredietrating toegekend aan deze obligatie-emissie.

(321)

Tot slot constateerde de Commissie dat de rente op obligaties onder normale marktomstandigheden hoger zou moeten zijn dan de rente op leningen, aangezien zij als achtergesteld schuldinstrument worden aangemerkt. In het geval van de in de steekproef opgenomen ondernemingen was de rente op leningen echter gelijk aan of hoger dan de rente op de obligaties.

(322)

Op grond van de voorgaande overwegingen stelde de Commissie vast dat de Chinese financiële instellingen die obligaties hebben uitgegeven voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen, overheidsinstellingen zijn in de zin van artikel 3 en artikel 2, onder b), van de basisverordening. Bovendien werd de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs een voordeel verschaft, aangezien de obligaties werden uitgegeven tegen een tarief dat onder het met hun feitelijke risicoprofiel overeenkomende markttarief lag.

b)    Specificiteit

(323)

De Commissie was van oordeel dat de preferentiële financiering door middel van obligaties specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening, omdat de obligaties niet kunnen worden uitgegeven zonder goedkeuring door overheidsinstanties en omdat in de effectenwet van de VRC is bepaald dat de uitgifte van obligaties moet stroken met het industriebeleid van de staat. In het kader van dit beleid zijn hoogwaardige radiaalbanden (met inbegrip van binnenbandloze banden voor vrachtwagens) aangemerkt als bevorderde categorie producten.

c)    Berekeningsmethode

(324)

Aangezien obligaties in wezen een type schuldinstrument zijn dat vergelijkbaar is met leningen, en aangezien de berekeningsmethode voor leningen reeds is gebaseerd op een korf met obligaties, heeft de Commissie besloten om de berekeningsmethode voor leningen te volgen die hierboven in deel 3.4.4 is beschreven. Dit houdt in dat de relatieve spread tussen obligaties van bedrijven uit de VS met een AA-rating en obligaties van bedrijven uit de VS met een B-rating met dezelfde looptijd wordt toegepast op de door de PBOC gepubliceerde benchmarkrentevoeten teneinde een marktgebaseerde rentevoet voor obligaties te bepalen, die vervolgens met de door de onderneming daadwerkelijk betaalde rente wordt vergeleken om het verschafte voordeel te becijferen.

(325)

Het subsidiebedrag dat in verband met preferentiële obligaties voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen is vastgesteld, bedraagt:

Preferentiële financiering: obligaties

Onderneming/groep

Totaal subsidiebedrag

China National Tire Group

0,72 %

Xingyuan Group

0,12 %

3.6.   Preferentiële financiering en verzekering: exportkredieten ten gunste van buitenlandse afnemers

(326)

Volgens de klager hebben staatsbanken in de VRC exportkredieten dan wel leningen tegen gunstige voorwaarden verleend aan buitenlandse ondernemingen, zoals importeurs, om de uitvoer van Chinese producten, technologie en diensten, waaronder banden, te bevorderen.

(327)

Tijdens het onderzoek heeft de Commissie vastgesteld dat geen van de al dan niet verbonden importeurs door Chinese financiële instellingen verstrekte leningen hadden uitstaan. De Commissie concludeerde derhalve dat dit programma tijdens het onderzoektijdvak niet van toepassing was op de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

3.7.   Preferentiële financiering en verzekering: steun voor buitenlandse investeringen

(328)

Eind 2015 verwierf CNRC een belang van 65 % in Pirelli Group. De Group werd destijds gewaardeerd op 7,1 miljard EUR. Deze verwerving ging vergezeld van verschillende steunmaatregelen van de Chinese overheid.

(329)

Na de mededeling van feiten en overwegingen van het informatiedocument en de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de Chinese overheid, Pirelli en CNRC aan dat de Commissie deze regeling niet kon onderzoeken, aangezien zij niet onder de klacht of het bericht van opening viel. Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Chinese overheid dit argument en voerde zij aan dat de Commissie geen gelegenheid bood tot overleg voorafgaand aan de opening van een onderzoek overeenkomstig artikel 10, lid 7, van de basisverordening, waardoor de VRC geen wederzijds overeengekomen standpunt kon voorstellen. Daarnaast voerde de Chinese overheid aan dat voor nieuwe regelingen alleen compenserende maatregelen kunnen worden ingesteld als er een rechtsgrondslag in het EU-recht was. Deze rechtsgrondslag werd echter pas ingevoerd na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 10, lid 7, tweede alinea, van de basisverordening in december 2017 (63), dat niet van toepassing was op deze procedure. CNRC was van mening dat elk programma individueel moest worden vermeld in het bericht van opening. Aangezien de Commissie alleen „subsidies” of „leningen” had vermeld en niet had verwezen naar „aandeleninvesteringen”, viel de investering van SRF niet onder de procedure.

(330)

De Commissie was het hier niet mee eens. In het bericht van opening werd verwezen naar de „1) rechtstreekse overdracht van middelen en de mogelijk rechtstreekse overdracht van middelen of passiva”. Krachtens artikel 3, lid 1, onder a), i), van de antisubsidiebasisverordening en artikel 1, lid 1, onder a) 1), i), van de SCM-overeenkomst, wordt de term „rechtstreekse overdracht van middelen” verklaard door voorbeelden tussen haakjes. Deze luiden „bijvoorbeeld schenkingen, leningen, kapitaalinbreng”. Als aandeleninvestering werd de investering van SRF dus geacht te vallen onder het bericht van opening onder het kopje „rechtstreekse overdracht van middelen”. Zoals in de overwegingen 334 tot en met 340 is uiteengezet, werd de investering van SRF in het kader van dit onderzoek bovendien niet beschouwd als een afzonderlijk, op zichzelf staand programma. De investering van SRF was veeleer een bijkomende maatregel in een pakket van vijf financiële interventies van de Chinese overheid in het kader van de verwerving van Pirelli. Naast een andere aandeleninvestering van Cinda waren de overige delen van het pakket een subsidie, een lening en een rentevergoeding die CNRC aanvaardt omdat deze behoorlijk zijn onderzocht. Door het analyseren van de investering van SRF had de Commissie derhalve geen afzonderlijk programma in het onderzoek opgenomen, maar veeleer gekeken naar alle relevante delen van een complexe financiële maatregel, als onderdeel van een programma ter bevordering van de buitenlandse handel in deze context.

(331)

Als er al twijfels waren over de reikwijdte van de subsidies die onder de procedure vielen, had de Commissie deze twijfels bovendien tijdens het onderzoek volledig weggenomen. De vraag van de marktgebaseerde aard van investeringen van Silk Road Fund („SRF”) werd met wederzijdse instemming aan de orde gesteld tijdens het controlebezoek aan de Chinese overheid, waar de Chinese overheid tevens nuttige informatie verstrekte over de aard van het SRF. In dit verband was de Commissie ook verbaasd over de bewering van die CNRC deed na de mededeling van de definitieve bevindingen, namelijk dat de Chinese overheid tijdens het controlebezoek van de Commissie alleen een mondelinge reactie had gegeven en dat de Commissie niet om nadere informatie over de marktgebaseerde aard van het SRF had verzocht. Integendeel, de Commissie had de Chinese overheid hierover een artikel 28-brief gestuurd en van de Chinese overheid documentatie ontvangen over de investering van het SRF, hetgeen wederom aantoont dat dit aspect van de financiering door de Chinese overheid naar behoren aan de orde was in de procedure.

(332)

Het argument dat de investering van SRF buiten het onderzoek viel, werd derhalve afgewezen.

a)    Rechtsgrondslag

(333)

Dertiende vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de buitenlandse handel, zoals bekendgemaakt door het Ministerie van Handel („MOFCOM”) op 26 december 2016;

Dertiende vijfjarenplan petrochemie;

Richtsnoeren van de Staatsraad inzake de bevordering van samenwerking met het oog op internationale productiecapaciteiten en vervaardiging van apparatuur, bekendgemaakt in 2015 („richtsnoeren”);

Mededeling inzake het gebruik van subsidiemiddelen uit de speciale fondsen voor 2015 ter ontwikkeling van de buitenlandse handel en de economie voor belangrijke projecten, C.H. [2015] nr. 653 en ChemChina-dossier [2016] nr. 144;

Mededeling van het Ministerie van Financiën over de bekendmaking van de operationele centrale-overheidsbegroting voor 2016, CZ [2016] nr. 18.

b)    Bevindingen van het onderzoek

(334)

De Commissie heeft vastgesteld dat de Chinese overheid op verschillende wijzen heeft geïntervenieerd om de verwerving door CNRC van het aandeel van 65 % in Pirelli Group te faciliteren.

(335)

Ten eerste ontving CNRC een subsidie van 500 miljoen RMB (ongeveer 66 miljoen EUR) van SASAC teneinde „de samenwerking met het oog op wereldwijde productiecapaciteiten te bevorderen in het kader van het initiatief „One Belt, One Road””, in overeenstemming met de Mededeling van het Ministerie van Financiën over de bekendmaking van de operationele centrale-overheidsbegroting voor 2016, CZ [2016] nr. 18.

(336)

Ten tweede ontving CNRC een preferentiële lening ten bedrage van 800 miljoen EUR van een bankenconsortium waarvan China Development Bank („CDB”), EXIM en China Construction Bank („CCB”) deel uitmaakten. De leningovereenkomst vermeldt de verwerving van Pirelli als doel van de lening.

(337)

Ten derde ontving CNRC een bedrag van 17 miljoen RMB als terugbetaling van rente op de in de vorige overweging genoemde lening. Dit bedrag werd haar door het Ministerie van Financiën toegekend „voor de verwerving van rechten op aandelen” als onderdeel van de „belangrijke projecten in het kader van de speciale fondsen voor 2015 ter ontwikkeling van de buitenlandse handel”, in overeenstemming met de Mededeling inzake het gebruik van subsidiemiddelen uit de speciale fondsen voor 2015 ter ontwikkeling van de buitenlandse handel en de economie voor belangrijke projecten, C.H. [2015] nr. 653 en ChemChina-dossier [2016] nr. 144.

(338)

Ten vierde was de Chinese overheid betrokken bij de verwerving van het belang in Pirelli Group door een deelneming ter waarde van 533 miljoen EUR te nemen via SRF, een overheidsinvesteringsfonds dat deel uitmaakt van het initiatief „One Belt, One Road”. De investeringsovereenkomst gaat in op de praktische details van de transactie, maar zegt niets over de onderliggende voorwaarden. De Commissie heeft geen andere documenten over deze specifieke transactie tussen SRF en CNRC ontvangen.

(339)

Tot slot was de Chinese overheid na de verwerving betrokken bij de herstructurering van China National Tire Group door via China Cinda Asset Management Company Ltd („Cinda”) een deelneming ter waarde van 266 miljoen EUR te nemen in de houdstermaatschappij van het industriële bandenbedrijf van Pirelli Group.

(340)

Alle vijf interventies hadden de gemeenschappelijke doelstelling om de aankoop van Pirelli door CNRC mogelijk te maken. Zij worden samen aangeduid als „de maatregel”.

c)    Overheidsinstanties

(341)

De steun door de Chinese overheid werd dus gedeeltelijk rechtstreeks verleend (onder meer via subsidies) en gedeeltelijk indirect via overheidsentiteiten. Met betrekking tot de hiervoor genoemde preferentiële lening heeft de Commissie reeds in deel 3.4.1 vastgesteld dat CDB, EXIM en CCB bij het verstrekken van leningen aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen optraden als overheidsinstanties in de zin van artikel 3 en artikel 2, onder b), van de basisverordening.

(342)

Voor wat betreft SRF en Cinda constateerde de Commissie dat beide entiteiten volledig in handen zijn van de Chinese overheid en dat uit hun corporate governance-structuur blijkt dat de staat betekenisvolle zeggenschap over die ondernemingen uitoefent.

(343)

Volgens haar website is SRF een overheidsentiteit die door de staat is opgericht en wordt gesteund om investerings- en financieringssteun te bieden voor commerciële en economische samenwerking en connectiviteit in het kader van het initiatief „One Belt, One Road”. De onderneming is voor 100 % in handen van de staat via de autoriteit voor valuta (State Administration of Foreign Exchange), China Investment Corporation, EXIM en CDB. SRF heeft een raad van bestuur en een raad van commissarissen die zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van verschillende ministeries.

(344)

Cinda werd in 1999 opgericht als staatsbedrijf en als bank die fungeert als „bad bank” voor China Construction Bank. Volgens haar jaarverslag was Cinda de eerste vermogensbeheerder die in april 1999 met goedkeuring van de Staatsraad is opgericht om financiële risico's tegen te gaan, de stabiliteit van het financiële stelsel te handhaven en de hervorming van staatsbanken en -ondernemingen te bevorderen. In 2017 waren het Ministerie van Financiën (met een aandeel van 64,45 %) en het socialezekerheidsfonds van de Nationale Raad (National Council for Social Security Fund) van de VRC (7,06 %) de belangrijkste aandeelhouders van de onderneming. De raad van bestuur en de raad van commissarissen van de onderneming zijn samengesteld uit een mix van vertegenwoordigers van overheidsinstanties en grote financiële instellingen in overheidshanden.

(345)

Het beheer van noodlijdende activa vormt de kernactiviteit van de onderneming. Volgens haar jaarverslag zorgde de onderneming voor „een nauwe coördinatie van de nationale strategie” en droeg zij onder meer bij tot de ontwikkeling van het initiatief „One Belt, One Road”. De onderneming had zich er ook toe verbonden „de geest van het negentiende Nationale Congres van de CPC en Xi Jinpings gedachtegoed over het socialisme met Chinese karaktertrekken voor het nieuwe tijdperk grondig te bestuderen en ten uitvoer te leggen, de algemene leidinggevende rol van de Partij krachtdadig te versterken en sterke politieke garanties te bieden voor de ontwikkeling van de onderneming”.

(346)

Op basis van tijdens het controlebezoek verkregen en openbaar toegankelijke informatie kwam de Commissie daarom tot de conclusie dat er sprake is van formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid over SRF en Cinda.

(347)

De Commissie heeft voorts informatie verzameld aangaande de vraag of de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap uitoefende over de gedragingen van SRF en Cinda. In dit verband heeft de Commissie geconstateerd dat haar betrokkenheid moet worden gezien in de context van het volgende wetgevingskader.

(348)

In het Dertiende vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de buitenlandse handel zijn de algemene beginselen van het Chinese beleid inzake buitenlandse handel vastgelegd, waaronder verdere openstelling en het sterker combineren van „naar buiten” gerichte en „introducerende” maatregelen teneinde groei op handelsgebied te stimuleren. Het plan is er tevens op gericht de omschakeling van de uitvoer met de focus op goederen naar de uitvoer van goederen, diensten, technologie en kapitaal te bevorderen. Een van de belangrijkste taken die in dit verband in hoofdstuk III.3 van het plan wordt genoemd, is de vergroting van de transnationale operationele capaciteit van op de buitenlandse handel gerichte ondernemingen, teneinde sterke ondernemingen aan te moedigen hun productieketens uit te breiden, naar transnationale fusies en overnames te streven en kwaliteitsmerken, kerntechnologieën en marketingkanalen in handen te krijgen. Voorts wordt in het plan vermeld dat systematische steun zal worden geboden aan transnationale ondernemingen met een goede kredietpositie, met het oog op de totstandbrenging van een reeks grote bedrijven met het vermogen om transnationaal te opereren en een wereldwijd distributienetwerk.

(349)

De Richtsnoeren van de Staatsraad inzake de bevordering van samenwerking met het oog op internationale productiecapaciteiten en vervaardiging van apparatuur bevatten nadere gegevens over de uitvoering van de „naar buiten” gerichte strategie in de praktijk. Het doel is om de overstap van de uitvoer van goederen naar de uitvoer van bedrijfstakken te bevorderen en „actief te werken aan het ontwikkelen en het aanboren van markten in de ontwikkelde landen”. Het uiteindelijke doel is het creëren van een aantal toonaangevende ondernemingen die kunnen concurreren op de wereldmarkt en het vermogen hebben om markten te ontwikkelen.

(350)

In de artikelen 30 tot en met 36 van deze richtsnoeren zijn alle beleidsmaatregelen ter ondersteuning van „naar buiten” gaande ondernemingen opgesomd, zoals fiscale steunregelingen, leningen tegen gunstige voorwaarden, financiële steun in de vorm van gesyndiceerde leningen, exportkredieten, projectfinanciering, aandeleninvesteringen en, tot slot, exportkredietverzekeringen.

(351)

In artikel 35 wordt Silk Road Fund specifiek genoemd als een instrument voor de financiering van door de staat gesteunde projecten dat wordt gebruikt om „meer bronnen te scheppen voor aandeleninvesteringen. […] Silk Road Fund krijgt vrij spel om haar activiteiten te ontplooien. Wij verlenen actieve ondersteuning aan projecten voor samenwerking met het oog op internationale productiecapaciteiten en vervaardiging van apparatuur via aandeleninvesteringen en schuldfinanciering.”

(352)

Voorts geeft Silk Road Fund zelf aan op haar website dat zij ten doel heeft Chinese ondernemingen te helpen hun uitvoerprestaties te verbeteren door buitenlandse markten voor hen beter toegankelijk te maken door buitenlandse entiteiten op te zetten en geavanceerde technologie in het buitenland te verwerven.

(353)

Op basis hiervan concludeert de Commissie dat de Chinese overheid een normatief kader heeft gecreëerd waaraan de managers en toezichthouders die door de Chinese overheid zijn benoemd en die aan haar verantwoording verschuldigd zijn, gebonden zijn. Derhalve heeft de Chinese overheid haar normatief kader aangewend om betekenisvolle zeggenschap uit te oefenen over de gedragingen van SRF en Cinda.

(354)

De Commissie heeft de concrete gedragingen van SRF en Cinda onderzocht en geconstateerd dat beide entiteiten in verband met de verwerving van het belang in Pirelli Group zijn opgetreden als financiële investeerders en geen operationele zeggenschap over hun investeringen hebben uitgeoefend. Bovendien hebben beide ondernemingen een voordeel toegekend dat de ontvanger onder normale marktomstandigheden niet zou hebben verkregen.

(355)

Cinda heeft een buitengewoon hoog bedrag voor haar kapitaaldeelneming betaald. Cinda betaalde hiervoor 266 miljoen EUR, hoewel het onderliggende belang in het aandelenkapitaal slechts een waarde van 38 miljoen EUR vertegenwoordigde en het nettovermogen van de onderneming 73 miljoen EUR beliep.

(356)

Wat SRF betreft, heeft zij volgens haar eigen verklaringen ten doel financiële steun te verlenen aan projecten waarvoor niet voldoende eigen kapitaal beschikbaar is, door de totale schuldquote terug te brengen en de financieringsmogelijkheden van het project te verbeteren. Daarnaast voorziet het fonds in gesyndiceerde leningen (zoals de in overweging 336 genoemde preferentiële lening), waardoor verdere financieringssteun ten behoeve van de projecten wordt verstrekt. De Pirelli-transactie wordt door SRF zelf op haar website genoemd als voorbeeld voor haar werkwijze.

(357)

De Commissie stelde derhalve vast dat het hierboven omschreven rechtskader door SRF en Cinda ten uitvoer wordt gelegd in uitoefening van overheidsfuncties met betrekking tot de bandensector, waarbij zij optreden als overheidsinstanties in de zin van artikel 2, onder b), van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening en in overeenstemming met de desbetreffende rechtspraak van de WTO.

(358)

Zelfs indien SRF en Cinda niet als overheidsinstanties mochten worden beschouwd, stelde de Commissie om dezelfde redenen als uiteengezet in de overwegingen 342 en 356 verder vast dat ook moet worden aangenomen dat de Chinese overheid hun functies die zij normaal zelf zou vervullen heeft toevertrouwd of hen daarmee heeft belast in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iv), van de basisverordening. Hun gedragingen zouden dus hoe dan ook aan de Chinese overheid worden toegerekend.

(359)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument en de mededeling van de definitieve bevindingen hebben CNRC en Pirelli aangevoerd dat SRF en Cinda geen overheidsinstanties zijn, aangezien SRF geen steuninstelling is en zowel SRF als Cinda net als elke particuliere investeerder marktgebaseerd rendement nastreven. Volgens CNRC bevestigde het feit dat SRF de aandelen van Pirelli tegen marktprijzen had gekocht, dat de investeringsbesluiten van SRF onafhankelijk worden genomen en zijn gebaseerd op marktbeginselen.

(360)

De Commissie herinnerde eraan dat bij het analyseren van de kwestie of er sprake is van een overheidsinstantie de vraag wordt beantwoord of een entiteit met overheidsgezag is bekleed. De staat is niet alleen eigenaar van SRF (zoals uiteengezet in de overwegingen 343 tot en met 346, maar oefent ook betekenisvolle zeggenschap erover uit. De vraag of individuele besluiten betreffende SRF uit commercieel oogpunt gezond zijn, is niet bepalend. Doorslaggevend is eerder dat besluiten van SRF niet onafhankelijk van de invloed van de overheid worden genomen. Zoals aangegeven in de overwegingen 348 tot en met 353, is er een sterk normatief kader waarbinnen SRF fungeert als overheidsinstrument voor de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van het „One Belt One Road”-initiatief („BR-initiatief”). SRF-managers die zijn aangesteld door en onder toezicht staan van de Chinese overheid voeren deze uit en oefenen daarmee betekenisvolle zeggenschap uit over SRF. De Commissie heeft derhalve haar beoordeling bevestigd dat SRF een overheidsinstantie is of dat haar door de overheid ten minste functies zijn toevertrouwd of dat zij is belast met functies die de overheid normaal zelf zou vervullen, zoals het nastreven van doelstellingen van overheidsbeleid.

d)    Voordeel

(361)

CNRC en Pirelli hebben over het informatiedocument ook opgemerkt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de voorwaarden van de investering van SRF inconsistent waren met de gebruikelijke investeringspraktijk. Elk voordeel moet beperkt blijven tot het verschil tussen de voorwaarden die door de overheid worden aangeboden en de voorwaarden die de afnemer op de markt had kunnen bedingen. Er was in elk geval geen voordeel voor CNRC of Pirelli omdat de middelen werden verstrekt aan de voormalige aandeelhouders van Pirelli om hun aandelen te verwerven.

(362)

De Commissie was het niet eens met het feit dat de investering van SRF geen voordeel opleverde voor CNRC en dat de transactie om de volgende redenen vergelijkbaar was met wat op de markt had kunnen worden bedongen:

(363)

SRF heeft de aandelen van Pirelli weliswaar tegen marktprijzen gekocht, maar het voordeel van de overheidsinterventie ten gunste van CNRC staat los van de prijs waartegen de aandeleninvestering van SRF werd gedaan. Het voordeel van de overheidsinterventie lag immers in het feit dat CNRC niet over voldoende eigen vermogen beschikte om de verwerving van Pirelli te financieren. De overeenkomst was dus met veel vreemd vermogen gefinancierd. Als SRF niet tussenbeide was gekomen met een kapitaaldeelneming, had CNRC aanvullende fondsen moeten aantrekken op de markt voor leningen. Dit zou echter moeilijk zijn geweest doordat er al sprake was van financiering met veel vreemd vermogen. In dit verband was een van de voorwaarden van de lening die door China Development Bank aan CNRC was verstrekt, dat CNRC moest aantonen dat het aanvullende middelen uit andere bronnen had verkregen. Zoals uiteengezet in overweging 356, adverteert SRF op haar website dat haar belangrijkste doelstelling is financiële steun te verlenen aan projecten waarvoor niet voldoende eigen kapitaal beschikbaar is, door de totale schuldquote terug te brengen en de financieringsmogelijkheden van het project te verbeteren. Tegelijkertijd faciliteert het fonds gesyndiceerde leningen, die verdere financieringsondersteuning voor projecten verschaffen.

(364)

Zelfs als CNRC in staat was geweest de nodige middelen te verkrijgen via een extra lening, dan zou dit kosten hebben opgeleverd, aangezien de onderneming rente over de lening had moeten betalen en de lening had moeten aflossen. Dankzij het optreden van SRF heeft CNRC dus geen extra financieringskosten gehad en de schuldquote van de transactie verbeterd, hetgeen het vervolgens gemakkelijker maakte middelen van de banken te krijgen.

(365)

Bovendien kwam de investering van SRF exact overeen met het bedrag dat CNRC nodig had om een absolute meerderheid in Pirelli Group te verwerven (65 % versus 48,75 % zonder SRF). Dit meerderheidsbelang werd verworven zonder dat zij de zeggenschap hoefde af te staan aan een minderheidsaandeelhouder.

(366)

Ten slotte is de lock-upperiode voor het vertrek van SRF veel langer dan gebruikelijk voor particuliere durfkapitaalinvesteerders, die zo snel mogelijk hun rendement willen maximaliseren.

(367)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte CNRC deze argumenten. Volgens CNRC had de Commissie een onjuiste analyse van nulscenario's uitgevoerd door te onderzoeken of de aandeleninvestering van SRF in overeenstemming was met de gebruikelijke investeringspraktijk van particuliere investeerders die schuldinvesteringen doen. Zij herinnerde ook aan de talrijke stappen bij de investering van SRF, met het argument dat deze als een klassieke met vreemd vermogen gefinancierde overname volledig in overeenstemming was met de gebruikelijke investeringspraktijk. Met name de lock-upperiode voor het vertrek van SRF was niet ongewoon lang. Deze is eerder geëindigd dan gepland en was even lang als voor andere minderheidsaandeelhouders. Ten slotte zijn voor CNRC algemene beleidsverklaringen niet voldoende om het voordeel van de financiële bijdrage aan te tonen.

(368)

De Commissie heeft dit argument afgewezen. Het voordeel voor CNRC als de ontvanger van de investering van SRF had vele facetten. Een marktinvesteerder die een kapitaaldeelneming van het type dat door SRF wordt beheerd overwoog, had de risico's van de transactie moeten beoordelen. Haar industriële partner, CNRC, had toen niet voldoende middelen om meerderheidsaandeelhouder van Pirelli te worden en was afhankelijk van het vinden van een financiële investeerder aan zijn kant. Zoals vermeld in overweging 363, kon CNRC alleen aanvullende leningen van andere banken krijgen vanwege een verbeterde totale schuldquote. Doordat CNRC in staat werd gesteld om niet alleen meerderheidsaandeelhouder van Pirelli te worden, maar ook om aanvullende leningen te verkrijgen, was de investering van SRF essentieel in het optreden van de Chinese overheid om Pirelli toe te voegen aan de portefeuille van CNRC. Een marktinvesteerder zou deze positie als hefboom hebben gebruikt en zou onder heel andere voorwaarden middelen hebben verschaft.

(369)

In de eerste plaats merkte de Commissie de ongebruikelijke beslissing van SRF op om haar stemrecht in de raad van bestuur af te staan aan CNRC. Het is maar zeer de vraag of een marktinvesteerder genoegen zou hebben genomen met het versterken van de positie van CNRC, die als meerderheidsaandeelhouder volledige operationele zeggenschap zou krijgen, en afstand zou hebben gedaan van zijn stemrechten om een „machteloze” aandeelhouder te worden.

(370)

In de tweede plaats wordt in de relatief lange lock-upperiode voor SRF de nadruk gelegd op de overheidsbeleidsgestuurde investering in SRF. Een marktinvesteerder zou op een veel kortere periode hebben aangedrongen om zijn rendement te maximaliseren — en het feit dat andere minderheidsaandeelhouders dezelfde voorwaarden hebben aanvaard, doet niet ter zake, aangezien een van deze aandeelhouders in het geheel geen financiële investeerder is, en de andere fungeert als beleggingsfonds voor de lange termijn. De gebeurtenissen na de investering, namelijk de eerdere beëindiging van de lock-upregeling door de voortijdige heropname van Pirelli, wijzen op hetzelfde: zij laten zien dat de afgesproken lock-upperiode niet overeenkwam met de standaardmarktvoorwaarden voor een financiële investeerder met een dermate groot hefboomeffect op CNRC, zoals hierboven uitgelegd.

(371)

Ten derde zijn de voorkooprechten van CNRC om de resterende aandelen na afloop van de lock-upperiode te kopen om de volledige zeggenschap over de onderneming te verkrijgen, niet marktgebaseerd. Een marktinvesteerder met winstoogmerk zou flexibiliteit hebben behouden om een hogere prijs voor de aandelen te behalen indien er concurrerende bieders waren en zou niet akkoord zijn gaan met dergelijke voorkooprechten. Het bestaan daarvan ligt wederom ten grondslag aan het feit dat de investering van SRF de overheidsbeleidsdoelstelling volgde, namelijk om CNRC te helpen als overheidsbedrijf om de overname van Pirelli onder gunstige voorwaarden te voltooien.

(372)

Om al deze redenen is de Commissie bij haar standpunt gebleven dat de investering van SRF een voordeel voor CNRC heeft opgeleverd.

(373)

Met betrekking tot Cinda was de context voor de vaststelling van het voordeel anders, aangezien de middelen daadwerkelijk aan CNR waren betaald, en omdat de Commissie tot de conclusie was gekomen dat de kapitaaldeelneming niet op een marktconforme prijs was gebaseerd, zoals vermeld in overweging 355. In reactie op het informatiedocument hebben CNRC en Pirelli een rapport over de waardering van de activa ingediend om vast te stellen dat de investering op marktconforme voorwaarden was uitgevoerd. Na verificatie constateerde de Commissie dat de cijfers in dat rapport niet overeenkwamen met de cijfers waarover de Commissie beschikte. Het rapport had namelijk geen betrekking op de investering van Cinda, maar was opgesteld in het kader van een andere aandelentransactie binnen CNRC. Deze transactie betrof ook Pirelli Industrial Srl., maar betrof een andere koper en een andere periode, één jaar vóór de kapitaaldeelneming van Cinda. De Commissie merkte op dat Pirelli Industrial Srl. in 2016 een grote herstructurering had ondergaan. Als gevolg daarvan was haar financiële situatie eind 2016, zoals blijkt uit het auditverslag voor 2016, niet meer vergelijkbaar met de situatie die in het door CNRC ingediende rapport over de waardering van de activa werd gepresenteerd. Bij gebrek aan verifieerbare informatie over de juiste entiteiten en periode handhaafde de Commissie daarom haar standpunt met betrekking tot de investering van Cinda.

(374)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben CNRC en Pirelli ook bezwaar gemaakt tegen deze analyse. Volgens hen was er geen sprake van een voordeel voor CNRC, aangezien de investeringen van Cinda in overeenstemming waren met de gebruikelijke investeringspraktijk. Ter onderbouwing van hun argument verwezen zij met name naar hetzelfde waarderingsrapport van een onafhankelijk taxateur dat in de bovenstaande overweging is geanalyseerd. Zij erkenden weliswaar dat het rapport inderdaad in het kader van een andere aandelentransactie was opgesteld, maar voerden aan dat dit niet voldoende was om uit te sluiten dat het als referentie kon worden gebruikt voor andere transacties (zoals de verwerving door Cinda).

(375)

De Commissie heeft dit argument niet aanvaard, om de redenen die uiteengezet zijn in overweging 373 en die zijn erkend door Pirelli: het rapport over de waardering van de activa betreft een andere aandelentransactie en een andere periode, namelijk één jaar vóór de kapitaaldeelneming van Cinda. Pirelli onderging in die periode een ingrijpende herstructurering die zonder twijfel gevolgen had voor haar financiële situatie. Bovendien heeft Cinda, zoals is bevestigd door CNRC, 38 % van de aandelen in Pirelli Industrial Srl. verworven, nu Prometeon Tyre Group S.r.l. („PTG”) genoemd. Aangezien het kapitaal van die onderneming toen 100 miljoen EUR bedroeg, bedroeg de nominale waarde van de aandelen 38 miljoen EUR. Cinda heeft 266 miljoen EUR voor haar kapitaaldeelneming betaald. Aangezien de nettowaarde van de activa op dat moment minder dan de helft van dit bedrag bedroeg en er nauwelijks enige winst werd gemaakt, zouden noch de waardering op basis van de activa, noch de op het inkomen gebaseerde waardering dit hoge bedrag aan kapitaaldeelneming rechtvaardigen. Toen bleek dat niet werd voldaan aan het criterium van marktinvesteerder, bevestigde de Commissie haar standpunt dat de investering van Cinda een ander voordeel opleverde voor CNRC.

e)    Specificiteit

(376)

De Commissie heeft ook vastgesteld dat de subsidies in het kader van deze maatregel specifiek zijn in de zin van artikel 4, lid 2, van de basisverordening. Met name de chemische sector en SRF worden specifiek vermeld in de wetgeving van de Chinese overheid. Het feit dat de wetgeving een brede dekking heeft wat bedrijfstakken betreft, en dat SRF of Cinda in andere bedrijftakken zouden kunnen investeren, doet niets af aan deze bevindingen. Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte CNRC deze bevinding. Zij voerde aan dat de financiering in het BR-initiatief niet uitdrukkelijk beperkt is tot bepaalde ondernemingen of bedrijfstakken. Zij benadrukt met name dat de lijst van prioritaire gebieden in de richtsnoeren niet uitputtend is.

(377)

De Commissie herinnerde aan bepaalde kenmerken van de Chinese preferentiële financiering. In plaats van duidelijk voorgeschreven financieringsprogramma's met strikte subsidiabiliteitscriteria te gebruiken, worden op het hoogste politieke niveau een aantal aangemoedigde bedrijfstakken aangegeven. Financiële actoren, zoals de beleidsbanken, SRF of Cinda, voldoen in hun praktijk aan deze aanwijzingen. Tegen deze achtergrond compenseert de Commissie regelmatig subsidies voor deze aangemoedigde bedrijfstakken als specifiek, aangezien zij als „bepaalde ondernemingen” kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 4, lid 2, van de basisverordening (64). In het onderhavige geval heeft CNRC niet betwist dat de chemische sector deel uitmaakt van een dergelijke aangemoedigde bedrijfstak. Het feit dat de lijst zou kunnen worden uitgebreid met andere bedrijfstakken doet niets af aan deze bevinding.

(378)

Bovendien is de wetgeving, zoals vermeld in de overwegingen 348 en 349, specifiek gericht op exporterende ondernemingen en verwijst deze naar „toegang […] krijgen tot de internationale markten”. Aangezien de maatregel afhankelijk is van uitvoer (zoals nader zal worden gespecificeerd in punt f)) moet deze derhalve ook als specifiek worden beschouwd in de zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening.

f)    Afhankelijkheid van uitvoer

(379)

De Commissie heeft vervolgens onderzocht of de maatregelen daadwerkelijk afhankelijk waren van uitvoerprestaties, omdat zij specifiek waren toegekend aan bepaalde ondernemingen om de VRC te „verlaten”. Over het algemeen valt de steun onder het initiatief „One Belt, One Road”, dat deel uitmaakt van het vijfjarenplan van het MOFCOM voor de ontwikkeling van de buitenlandse handel.

(380)

In de Richtsnoeren van de Staatsraad inzake de bevordering van samenwerking met het oog op internationale productiecapaciteiten en vervaardiging van apparatuur worden de onder deze strategie vallende bedrijfstakken specifiek genoemd, waarbij de chemische industrie is aangewezen als prioritaire sector. De verwerving van het belang in Pirelli Group door ChemChina wordt in het Dertiende vijfjarenplan petrochemie zelfs specifiek genoemd als belangrijke stap.

(381)

De maatregel is specifiek gericht op ondernemingen die buitenlandse investeringen doen. Zoals vermeld in overweging 349, bestaat het doel erin de overstap van de uitvoer van goederen naar de uitvoer van bedrijfstakken te bevorderen en „actief te werken aan het ontwikkelen en het aanboren van markten in de ontwikkelde landen”. Daarom komen Chinese ondernemingen die uitsluitend actief zijn op de binnenlandse markt, niet in aanmerking voor dergelijke financiële steun. De uitvoerafhankelijke opzet van de maatregel wordt ook geïllustreerd door het feit dat de gebieden waaraan prioriteit moet worden gegeven bij buitenlandse investeringen sectoren zijn waarin internationale marktvraag bestaat en waarin sprake is van „een aanmerkelijk mondiaal concurrentievoordeel”, dat wil zeggen sectoren waarin de Chinese uitvoerprestaties kunnen worden bevorderd. In hoofdstuk III.3 van het Dertiende vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de buitenlandse handel wordt voorts gespecificeerd dat de steun bestemd is voor ondernemingen die zich richten op de buitenlandse handel.

(382)

Met betrekking tot de overname van Pirelli Group werd op de website van SRF in het bijzonder het volgende vermeld: „het fonds heeft ChemChina steun verleend voor de overname van Pirelli, die ertoe heeft bijgedragen dat ChemChina […] op doeltreffende wijze toegang kan krijgen tot de internationale markten”, en: „Het fonds heeft steun verleend aan ChemChina om van ChemChina een toonaangevende onderneming in de verwerkende industrie te maken en haar zo een concurrentievoordeel te verschaffen op de internationale markt.

(383)

Door een belang van 65 % in Pirelli Group te verwerven, heeft CNRC haar totale uitvoervolume naar de EU gedurende het onderzoektijdvak in de praktijk met 29 % opgevoerd. CNRC stemde er ook mee in haar uitvoervolume naar de EU nog verder te doen toenemen door de Europese activiteiten van Pirelli op het gebied van vrachtwagenbanden geheel onder te brengen bij de Chinese producent-exporteur Aeolus Tyre Co. Ltd Het langetermijndoel was dan ook om de productie van vrachtwagenbanden door Aeolus Tyre Co. Ltd met behulp van de van Pirelli Group verworven technologie te moderniseren om toegang te krijgen tot een hoger segment, en om vrachtwagenbanden van hogere kwaliteit die concurrerender zijn op de EU-markt, te kunnen gaan uitvoeren.

(384)

Na het onderzoektijdvak heeft CNRC haar financiële deelneming in Pirelli Group verminderd tot 46 %. Pirelli Tyre Co, Ltd heeft de vervaardiging van het betrokken product gestaakt om zich meer toe te kunnen leggen op banden voor motorfietsen en personenauto's, waardoor Pirelli Group zich inmiddels volledig heeft teruggetrokken uit de activiteiten betreffende het betrokken product. Deze ontwikkelingen na het onderzoektijdvak doen evenwel niet af aan het feit dat CNRC voorafgaand aan en tijdens het onderzoektijdvak tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies heeft ontvangen. In feite bevestigen deze gebeurtenissen dat CNRC heeft gedaan wat zij heeft beloofd door de uitvoer van het betrokken product naar de EU via haar verbonden ondernemingen op te voeren. Derhalve meent de Commissie dat de informatie die zij met betrekking tot Pirelli Group heeft verzameld, voldoende representatief is om het subsidiebedrag te kunnen berekenen dat gedurende het onderzoektijdvak aan het betrokken product is toegekend.

(385)

In antwoord op het informatiedocument merkten CNRC en Pirelli op dat de subsidie niet afhankelijk is van de export, waarbij zij verwezen naar de rechtspraak van de Beroepsinstantie in de Airbus-zaak, waarin het begrip afhankelijkheid van uitvoer in enge zin was geïnterpreteerd.

(386)

De Commissie herinnerde eraan dat het begrip van de facto uitvoerafhankelijke subsidies uiteengezet wordt in artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening, dat overeenkomt met artikel 3, lid 1, onder a), en voetnoot 4 van de SCM-overeenkomst. Dit geldt ook voor de situatie waarin de subsidie „feitelijk is gekoppeld is aan… verwachte uitvoer”. De feitelijke afhankelijkheid van uitvoer wordt beoordeeld op basis van de totale configuratie van de feiten rond de toekenning van de subsidie, met inbegrip van de opzet en de werking ervan. De Commissie was het met de belanghebbenden eens dat het begrip overeenkomstig de richtsnoeren van de Beroepsinstantie moet worden uitgelegd.

(387)

In de zaak-Large Civil Aircraft heeft de Beroepsinstantie het volgende verklaard: „In overeenstemming met artikel 3, lid 1, onder a), en voetnoot 4 van de SCM-overeenkomst wordt voldaan aan de norm voor de facto afhankelijkheid van uitvoer wanneer de subsidie wordt toegekend om de ontvanger een prikkel te geven om uit te voeren op een manier die niet simpelweg de voorwaarden van vraag en aanbod op de binnenlandse markt en op de exportmarkt weerspiegelt, niet verstoord door de toekenning van de subsidie. (65)” Met andere woorden, „is het verlenen van de subsidie gericht op het stimuleren van toekomstige uitvoerprestaties door de ontvanger (66)?”. Dit kan ook de situatie omvatten waarin de ontvanger belooft de uitvoerprestaties (in vergelijking met de binnenlandse prestaties) op te voeren.

(388)

In het licht van het bewijsmateriaal in het dossier heeft de Commissie vastgesteld dat aan deze toets is voldaan. In tegenstelling tot de Airbus-zaak, waar de vier voordeel toekennende autoriteiten een Europese onderneming financierden die actief was op zowel de binnenlandse als de buitenlandse markten en waar de opzet van de maatregel niet gericht was op een grotere exportgerichtheid van Airbus, is in de onderhavige zaak sprake van een driehoeksverhouding: Chinese overheidsinstanties financierden CNRC, die geen marge had om het geld te besteden. Zij ontving het met de specifieke juridische voorwaarde om een andere onderneming te kopen, namelijk Pirelli. Met het aanvaarden van deze gebonden financiering heeft CNRC zich ertoe verbonden haar uitvoerprestaties (in vergelijking met de binnenlandse prestaties) op te voeren en haar verkoop, met name in Europa, te vergroten.

(389)

In de eerste plaats is de toekenning van de subsidie gebonden aan de te verwachten uitvoer, onder meer omdat de opzet van de maatregel is gericht op buitenlandse handelsondernemingen. Er was alleen steun beschikbaar voor CNRC om haar activiteiten meer te richten op de uitvoer (in vergelijking met haar binnenlandse verkoop) en dergelijke steun werd niet verleend aan andere Chinese ondernemingen die uitsluitend op de Chinese binnenlandse markt verkopen. Dit wordt gestaafd door de volgende officiële documenten:

(390)

In het Dertiende vijfjarenplan petrochemie wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de verwerving van Pirelli door ChemChina als een belangrijke verwezenlijking van het Twaalfde vijfjarenplan, onder het kopje „internationale samenwerking”. Voorts vermeldt hoofdstuk 10 in het kader van projecten voor internationale samenwerking in het kader van het BR-initiatief „de uitbreiding van de internationale samenwerking in de bandenindustrie en andere exportsectoren”.

(391)

De verwerving van Pirelli werd in 2015 door MOFCOM aangemerkt als een belangrijk project voor de ontwikkeling van het buitenlandse handelsverkeer. In meer algemene termen is een van de doelstellingen van het Dertiende vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de buitenlandse handel (hoofdstuk III.3) wordt genoemd, de vergroting van de transnationale operationele capaciteit van op de buitenlandse handel gerichte ondernemingen, teneinde sterke ondernemingen aan te moedigen hun productieketens uit te breiden, naar transnationale fusies en overnames te streven en kwaliteitsmerken, kerntechnologieën en marketingkanalen in handen te krijgen. Voorts wordt in het plan vermeld dat systematische steun zal worden geboden aan transnationale ondernemingen met een goede kredietpositie, met het oog op de totstandbrenging van een reeks grote bedrijven met het vermogen om transnationaal te opereren en een wereldwijd distributienetwerk.

(392)

In de richtsnoeren stelde de Staatsraad dat „het industriële voordeel en het financieringsvoordeel van China worden gecombineerd met de vraag in het buitenland […] om de internationale productiecapaciteit en de samenwerking bij de productie van apparatuur krachtig te bevorderen”. Verder bepalen zij dat „[…] gebieden met opmerkelijke voordelen in de internationale concurrentie en met een internationale marktvraag als prioriteit moeten worden gekozen”. Voorts zijn, zoals vermeld in overweging 349, de doelstellingen van de richtsnoeren „actief te werken aan het ontwikkelen en het aanboren van markten in de ontwikkelde landen”.

(393)

SRF werkt uitsluitend met buitenlandse deviezen (USD en EUR). In tegenstelling tot de banken ondersteunt SRF projecten alleen met vreemde valuta, zowel in RMB als in harde valuta. Zoals de voorzitter van SRF verklaarde: „Silk Road Fund is een uitgaand beleggingsfonds dat voornamelijk in vreemde valuta investeert” (67).

(394)

Een onderneming die uitsluitend op de Chinese markt verkoopt en niet uitvoert of enig bewezen bedrijfsplan heeft om haar uitvoer te verhogen, zou derhalve niet in aanmerking komen voor steun van SRF.

(395)

Ten tweede heeft de Commissie de concrete omstandigheden op het ogenblik dat de voordeel toekennende autoriteiten de subsidies verstrekten geanalyseerd om vast te stellen of deze specifieke steun gebonden was aan een verschuiving van het zwaartepunt in de verwachte verkoop van CNRC naar uitvoer (in vergelijking met haar binnenlandse verkoop). Zij heeft een aantal indicatoren geconstateerd die bevestigden dat dit inderdaad het geval was:

(396)

In alle vijf interventies die „de maatregel” worden genoemd, specificeerde de voordeel toekennende autoriteit dat de middelen werden verstrekt om de groep Pirelli te verwerven. In het geval van de interventie van Cinda heeft de voordeel toekennende autoriteit de voorwaarden voor het toekennen van de middelen zelfs nog nader gespecificeerd. Zoals al werd vermeld met betrekking tot de interventie van Cinda, erkent Cinda in de overeenkomst van quotahouders dat haar kapitaaldeelneming in Pirelli Industrial afhankelijk is van een plan om binnen een bepaalde termijn haar volledige belang te injecteren in de Chinese producent-exporteur Aeolus.

(397)

Als mede-investeerder was SRF zich ten volle bewust van de marktpositie van CNRC en heeft zij geanticipeerd op de voordelen die de transactie zou opleveren in de zin van uitvoerprestaties. De voorzitter van Silk Road Fund heeft dit als volgt erkend: „Het Fonds heeft ChemChina geholpen bij de overname van Pirelli, wat ChemChina niet alleen heeft geholpen om met succes geavanceerde internationale technologieën en beheerskennis voor de vervaardiging van hoogwaardige producten te introduceren, maar ook om daadwerkelijk toegang te krijgen tot internationale markten (68).”

(398)

Voor CNRC waren de belangrijkste voordelen van de overname van Pirelli niet gekoppeld aan de binnenlandse markt. Op het moment van de overname was CNRC al een belangrijke speler op de markt voor vrachtwagenbanden op de Chinese binnenlandse markt, terwijl Pirelli slechts een zeer klein marktaandeel op diezelfde markt had (minder dan 1 %). Bovendien is Pirelli Group een wereldspeler, voor wie de Chinese markt minder dan 10 % van de totale verkoop van alle producten vertegenwoordigde. De uitvoer vertegenwoordigde reeds ongeveer 60 % van de totale verkoop, zowel voor CNRC als voor Pirelli Tyre Co. Ltd.

(399)

Voorts is de Chinese binnenlandse markt onder meer in het Uitvoeringsplan voor de transformatie en modernisering van de bandenindustrie in de provincie Shandong — en dit wordt bevestigd door de antwoorden van de medewerkende producenten-exporteurs op de steekproefvragenlijst — een markt die wordt gedomineerd door de verkoop in de categorie van segment 3, terwijl banden van segment 1 veel sterker vertegenwoordigd zijn op de markten van de EU en de VS. Het toevoegen van een speler van segment 1 met een wereldwijd erkend merk als Pirelli in zijn productassortiment had dus geen directe waarde voor CNRC op de binnenlandse markt, maar heeft haar concurrentievermogen aanzienlijk verbeterd op de uitvoermarkt, aangezien zij nu het volledige assortiment van producten kan uitvoeren, bovenop zijn gebruikelijke reeks producten van segment 3.

(400)

Bovendien wordt de Chinese markt reeds gekenmerkt door een zekere overcapaciteit en had CNRC zelf een aanzienlijke onbenutte capaciteit. Volgens het marktanalyseverslag dat vóór de investering namens CNRC was opgesteld en waarop het investeringsbesluit was gebaseerd, was het merk CNRC dus „op zoek naar mogelijkheden om de huidige „rode oceaan”-concurrentie te ontlopen en zette zij verdere uitgaande expansie voort om haar sterkte ten volle te benutten (69)”. Voorts werd in het verslag opgemerkt dat de belangrijkste voordelen voor CNRC erin zouden bestaan haar internationale activiteiten te versterken door gebruik te maken van het wereldwijde verkoopnetwerk van Pirelli. In dit verband merkte de Commissie op dat CNRC vóór de overname niet over haar eigen rechtstreekse verkoopkanalen in de EU beschikte, maar via onafhankelijke handelaren verkocht.

(401)

Dit wordt ook geïllustreerd door een interview met de global operations manager van Pirelli na de overname (70), die verklaarde dat de nieuwe groep dankzij de overname nu toegang zou hebben tot de Australische markt met banden in verschillende prijssegmenten, en dat de onderneming van plan was haar uitvoer op te voeren en zo haar marktaandeel in Australië te verhogen van 1 % naar 10 % door banden te verkopen op alle segmenten van de commerciële bandenmarkt.

(402)

In het verslag voorafgaand aan de investering werd ook benadrukt dat CNRC de middelen van Pirelli voor O & O kon gebruiken ter verbetering van haar eigen productlijnen, om beter tegemoet te komen aan de vraag van de internationale markt. Na de overname werd inderdaad een licentie verleend aan een van de Chinese producenten-exporteurs binnen de groep om gebruik te maken van de kennis van Pirelli in zijn productieproces.

(403)

In het licht van het bovenstaande bewijs over het profiel van Pirelli dat bekend was ten tijde van de toekenning van de subsidie en over de aanzienlijke voordelen die de overname voor de uitvoerprestaties van CNRC zou opleveren, heeft de Commissie geconcludeerd dat de voordeel toekennende autoriteit had voorzien en van CNRC de toezegging had gekregen dat in ruil voor de subsidie de uitvoer van CNRC zou stijgen (in vergelijking met haar binnenlandse verkoop). Er is dus sprake van een relatie van voorwaardelijkheid of afhankelijkheid tussen de subsidie en de verwachte uitvoer van CNRC.

(404)

Ten slotte heeft de Commissie onderzocht wat het daadwerkelijke effect was van de overname van Pirelli op de verkoopstructuur van CNRC. Zoals vermeld in overweging 345, stemde CNRC ermee in Pirelli's handel in vrachtwagenbanden in de EU volledig te integreren in haar verbonden producent-exporteur Aeolus Tyre Co. Ltd om te beginnen vrachtwagenbanden van een hogere kwaliteit uit te voeren die concurrerender zijn op de EU-markt. In dit verband heeft de Commissie de verkoopstructuur van de CNRC-groep voor en na de overname vergeleken: niet alleen steeg de totale verkoop dankzij de toevoeging van Pirelli, maar de Commissie stelde tevens vast dat de uitvoer dankzij de overname meer was gestegen dan de binnenlandse verkoop, met andere woorden de verkoop van CNRC liet een verschuiving richting uitvoer zien (in vergelijking met de binnenlandse verkoop). Meer in het bijzonder was de uitvoer van vrachtwagenbanden naar Europa in het onderzoektijdvak met 55 % gestegen, naar andere markten met 5 % en in totaal met 14 %. Bovendien maakte de groep op alle belangrijke markten van de EU nu gebruik van een rechtstreeks verkoopnetwerk, terwijl zij voorheen alleen indirect via onafhankelijke handelaren kon verkopen. Tot slot werd het productengamma van de op de EU-markt verkochte banden uitgebreid van banden van segment 3 tot banden van segment 1 en segment 3. De Commissie concludeerde dan ook dat CNRC daadwerkelijk voldeed aan de voorwaarden die waren verbonden aan de toekenning van de subsidie, dat wil zeggen de toezegging van CNRC om haar verkoop voor de uitvoer te verhogen (in vergelijking met de binnenlandse verkoop).

(405)

De toekenning van de subsidie aan CNRC om Pirelli over te nemen was derhalve gericht op de bevordering van beloofde toekomstige uitvoer (vergeleken met binnenlandse verkoop) door de begunstigde CNRC. De Commissie bleef dus bij het standpunt dat de in het kader van deze maatregel verstrekte subsidies afhankelijk zijn van uitvoerprestaties in de zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening.

(406)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistten CNRC, Pirelli en de Chinese overheid de uitvoerafhankelijke aard van de maatregel. Zij voerden aan dat de voordeel toekennende autoriteit de toekenning van de subsidie niet had gekoppeld aan betere uitvoerprestaties van CNRC. CNRC voerde aan dat de richtsnoeren Chinese ondernemingen die alleen op de binnenlandse markt actief zijn niet uitsluiten van toegang tot intensievere samenwerking op het gebied van investeringen in het kader van het BR-initiatief. Bovendien was er sprake van afhankelijkheid van uitvoer, maar van waardecreatie die toevallig ontstond uit de uitgaande investering. Ten slotte kon de Commissie niet alleen vertrouwen op de feitelijke gevolgen van de vermeende subsidie, maar zou zij een gedegen analyse vooraf moeten verrichten. De Chinese overheid voerde ook aan dat een oorzakelijk verband niet voldoende zou zijn om afhankelijkheid van uitvoer te bevestigen. Zij voegde daaraan toe dat overheidsmaatregelen of subsidies ten behoeve van buitenlandse beleggingstransacties, zoals de verwerving van aandelen in ondernemingen uit derde landen, niet in bijlage I bij de SCM-overeenkomst zijn opgenomen en daarom niet als uitvoersubsidies kunnen worden aangemerkt.

(407)

De Commissie merkte op dat bijlage I bij de SCM-overeenkomst een lijst van voorbeelden bevat van maatregelen die als uitvoersubsidies kunnen worden aangemerkt. De lijst bevat voorbeelden en is niet uitputtend. Bovendien wordt in artikel 3, lid 1, onder a), van de SCM-overeenkomst melding gemaakt van uitvoersubsidies, „met inbegrip van de in bijlage I genoemde subsidies”. Hieruit volgt dat niet in de lijst opgenomen maatregelen als uitvoerafhankelijk kunnen worden aangemerkt wanneer zij voldoen aan de in die bepaling vastgestelde voorwaarden. In overeenstemming met de richtsnoeren van de Beroepsinstantie in de Airbus-zaak (71) heeft de Commissie onderzocht of de voordeel toekennende autoriteit de subsidie heeft verstrekt op voorwaarde dat de ontvanger de uitvoer zou verhogen (in vergelijking met zijn binnenlandse verkoop). In dat verband heeft de Commissie rekening gehouden met i) de opzet en structuur van de maatregel; ii) de uitvoeringsbepalingen van die maatregel; en iii) de relevante feitelijke omstandigheden in verband met de toekenning van de subsidie die de context bieden voor een goed inzicht in de opzet, de structuur en de uitvoeringsbepalingen van de maatregel.

(408)

Wat de opzet en de structuur van de maatregel betreft, herinnerde de Commissie eraan dat ondernemingen met alleen binnenlandse activiteiten niet in aanmerking komen voor financiering in het kader van dit programma. Het feit dat de richtsnoeren Chinese ondernemingen die alleen op de binnenlandse markt actief zijn formeel niet uitsluiten van SRF-financiering, zou alleen relevant kunnen zijn voor een juridische analyse van afhankelijkheid. Wat hier aan de orde is, is echter de feitelijke afhankelijkheid. Sinds de oprichting in december 2014 steunt Silk Road Fund alleen buitenlandse projecten en exporterende bedrijven. Zij krijgen financiële injecties die afhankelijk zijn van een verschuiving in hun huidige uitvoerprestaties in de richting van meer uitvoer (in tegenstelling tot binnenlandse verkoop). De ondernemingen die de financiering aanvaarden, worden er dus op gewezen dat de steun wordt verleend op voorwaarde dat een verschuiving van de verwachte verkoop richting uitvoer plaatsvindt.

(409)

Deze juridische koppeling is een vast onderdeel van alle projecten van Silk Road Fund. Een evaluatie van de meest recente acties bevestigt dat de ontvangers actief waren op de uitvoermarkten en dat de financiële steun van Silk Road Fund afhankelijk was van de verbetering van hun exportprestaties (in vergelijking met de binnenlandse verkoop). Zo stelde de investering van SRF in de bouw van 's werelds grootste zonne-energiecentrale in Dubai de Chinese staatsonderneming Shanghai Electric Group in staat om in 2018 een 700 MW EPC (Engineering, Procurement, Construction)-contract te ondertekenen voor de bouw van de energiecentrale en voor de levering van de stroomapparatuur. Volgens het persbericht over de ondertekening van dit contract is dit project „een vlaggenschipproject om de drie grote Chinese leveranciers van elektrische apparatuur, namelijk Shanghai Electric, Dongfang Electric en Harbin Electric, te helpen zich over de grens te begeven en door te breken in de geavanceerde en gevestigde elektriciteitsmarkt (72)”. De voorzitter van de Shanghai Electric Group verklaarde ook dat de onderneming dankzij het project in Dubai ernaar streeft „Shanghai Electric uit te bouwen tot een wereldwijd gerenommeerd Chinees merk” en voegde daaraan toe dat „het CSP-project in Dubai enorme vooruitgang liet zien in de activiteiten van de groep op het gebied van bedrijfsvoering en vervaardiging van apparatuur tegen de bredere achtergrond van het Chinese BR-initiatief (73)”. Een soortgelijke opzet was gekozen voor het eerste project waarin SRF investeerde in 2015, het Karot-waterkrachtproject in Pakistan, waar de Chinese staatsonderneming China Three Gorges Corporation („CTG”) werd belast met de bouw en de levering van apparatuur voor de waterkrachtcentrale. Het project werd door de onderneming ook duidelijk gekoppeld aan het BR-initiatief en aan uitvoerprestaties, en wel als volgt: „In het kader van het initiatief „One Belt, One Road” is CTG vastbesloten haar nieuwe energie-bedrijf wereldwijd uit te breiden met vier internationale bedrijfsonderdelen, namelijk investeringen, bouw, exploitatie en advies (74)”.

(410)

In deze zaak heeft de voordeel toekennende autoriteit in de kennisgevingen van de subsidies, in de leningovereenkomst en in de investeringsovereenkomst tussen SRF en CNRC duidelijk aangegeven dat middelen werden ontvangen op voorwaarde dat Pirelli werd overgenomen. Met de toevoeging van het Italiaanse topmerk aan het het profiel van CNRC creëerde SRF niet alleen een hefboom voor de industriële investeerder om waarde te creëren, zoals CNRC bij de mededeling van de definitieve bevindingen verklaarde. De voordeel toekennende autoriteit heeft ook gezorgd voor een sterkere uitvoer van CNRC, met name naar Europa. Er was dus niet alleen gestreefd naar een verwachte stijging van de uitvoer van CNRC naar Europa, maar ook de omstandigheden van de onderhavige zaak en de beschikbare gegevens tonen aan dat CNRC bij het verkrijgen van de subsidie de voordeel toekennende autoriteit een verschuiving richting uitvoer van haar verkopen had beloofd (in vergelijking met de binnenlandse verkoop).

(411)

Wat de in de maatregel beschreven activiteiten betreft, merkte de Commissie op dat SRF uitsluitend met buitenlandse deviezen werkt (USD en EUR). In tegenstelling tot de banken ondersteunt SRF projecten alleen met vreemde valuta, zowel in RMB als in harde valuta. Zoals de voorzitter van SRF verklaarde: „Silk Road Fund is een uitgaand beleggingsfonds dat voornamelijk in vreemde valuta investeert” (75). Gezien de beperkingen op het gebruik van buitenlandse deviezen binnen China was het bij het verstrekken van de middelen dus duidelijk dat de voordeel toekennende autoriteit de onderneming beperkte in het gebruik van deze middelen om haar uitvoergerelateerde activiteiten te ontwikkeling en te verbeteren (d.w.z. in plaats van alleen binnenlandse ondernemingen te kopen en/of zich te richten op binnenlandse verkoop).

(412)

Deze uitvoeringsbepaling is ook een vast onderdeel van andere projecten die met middelen van Silk Road Fund worden gefinancierd en investeringen in vreemde valuta in landen als Dubai, Rusland, Pakistan of Duitsland omvatten.

(413)

Wat de feitelijke omstandigheden rond de toekenning van de subsidie betreft, heeft de Commissie ook de gegevens over de integratie van Pirelli in de structuur van CNRC onderzocht.

(414)

Zoals vermeld in overweging 383, had de interventie van Cinda ten doel het gemakkelijker te maken Pirelli's handel in vrachtwagenbanden te herstructureren en te integreren in de Chinese producent-exporteur Aeolus. Volgens de overeenkomst van quotahouders tussen Cinda en CNRC, stelde de kapitaaldeelneming van Cinda in Pirelli Industrial afhankelijk van een plan om zijn volledige belang vóór een bepaalde datum in Aeolus te injecteren. Als niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt een veilingsprocedure gestart om de Cinda-aandelen te verkopen en zo de toekenning van de middelen te beëindigen. De raamovereenkomst tussen CNRC en Aeolus bepaalt dat deze kapitaalinjectie moet leiden tot „de totstandbrenging van een grote internationale onderneming die zich richt op de in China genoteerde industriële bandensector in China met een wereldwijde voetafdruk”. Dit werd ook publiekelijk zo door Aeolus bekendgemaakt op de beurs van Shanghai. Hieruit volgt dat de voordeel toekennende autoriteit een juridische voorwaarde heeft gesteld aan de wijze waarop CNRC moet herstructureren, zodat een sterkere nadruk komt te liggen op betere uitvoerprestaties.

(415)

Ten slotte impliceerde de Commissie niet op basis van enkel de feitelijke effecten van de subsidie dat er sprake was van een afhankelijkheid ten tijde van de toekenning van de subsidie, zoals CNRC beweerde. In plaats daarvan had zij de feiten van de transactie vooraf geanalyseerd. Bij het aanvaarden van de subsidie heeft de ontvanger de juridische voorwaarden die eraan verbonden waren ten volle geaccepteerd. In de obligatieprospectus voor kasbons die kort na de overname werd uitgegeven, heeft ChemChina (de moedermaatschappij van CNRC) haar belofte om de voorwaarden die waren verbonden aan de betrokken subsidies na te leven, als volgt geformuleerd: „Sinds haar oprichting heeft de onderneming zich volledig toegelegd op de naar buiten gerichte strategie van de centrale overheid om ten volle gebruik te maken van de internationale middelen. Om de afgelopen jaren een internationaal concurrerende ondernemingsgroep op te bouwen, heeft zij een aantal internationale M&A-projecten voltooid en een internationaal concurrerende ondernemingsgroep opgericht”. In dit verband wordt de overname van Pirelli een van de belangrijkste verwezenlijkingen genoemd, die het wereldwijde marketingnetwerk en de verkoopkanalen van de onderneming onder de aandacht brengt. In vervolg op deze belofte zorgde CNRC voor een verschuiving in de verhouding tussen haar uitvoer naar de EU en de totale verkoop van 9 % (in 2015) naar 12 % (in het onderzoektijdvak) in vergelijking met haar binnenlandse verkoop, die met slechts 10 % toenam. Zonder deze steun zou CNRC als marktleider in het kader van een toenemende binnenlandse consumptie banden van segment 3 in China zijn blijven verkopen.

(416)

De Commissie bleef daarom bij haar standpunt dat de opzet en structuur, de modaliteiten van de actie en de feitelijke omstandigheden van de maatregel alle haar steun verleenden aan haar bevindingen dat de subsidie (dat wil zeggen de vijf maatregelen van overheidsinstanties voor de aankoop van Pirelli) de facto afhankelijk was van de exportprestaties van de begunstigde.

g)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(417)

Het voordeel dat met de door CDB, EXIM en CCB verstrekte preferentiële leningen is verschaft, werd berekend aan de hand van de in deel 3.4.4 uiteengezette berekeningsmethode. Dit bedrag werd echter niet in aanmerking genomen bij de berekening van de subsidiebedragen voor preferentiële leningen in deel 3.4, maar opgeteld bij het in overweging 421 vastgestelde subsidiebedrag.

(418)

Het voordeel dat is verschaft door subsidies en kapitaaldeelnemingen werd berekend als het aan het onderzoektijdvak toerekenbare bedrag, rekening houdend met een afschrijving van de investering over zeven jaar, aangezien dit de looptijd was van de lening die CNRC ter financiering ervan was aangegaan, een periode die ook in overeenstemming is met de gemiddelde investeringshorizon van zeven à tien jaar waarvan SRF gewag maakt op haar website.

(419)

Na de mededeling van feiten en overwegingen van het informatiedocument betwistten CNRC en Pirelli de hoogte van het door de Commissie berekende voordeel en dienden zij verdere documentatie in waaruit bleek dat het bedrag van de kapitaaldeelneming van SRF onjuist was beoordeeld door de Commissie. Op basis van de door CNRC verstrekte informatie stemde de Commissie ermee in dat de daadwerkelijke aandeleninvestering van SRF lager was dan aanvankelijk was vastgesteld. De berekeningen werden dienovereenkomstig aangepast.

(420)

CNRC heeft de Commissie ook verzocht de geconsolideerde omzet in plaats van de waarde van de uitvoer van CNRC te gebruiken als noemer voor de berekening van het voordeel. Aangezien de Commissie echter haar standpunt over de uitvoerafhankelijke aard van de subsidie heeft gehandhaafd, werd dit verzoek afgewezen.

(421)

Het vastgestelde subsidiepercentage in verband met deze regeling gedurende het onderzoektijdvak bedraagt voor China National Tire Group 18,99 %.

(422)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Chinese overheid aangevoerd dat er geen vermelding in het dossier is van andere Chinese exporteurs die van deze programma's hebben geprofiteerd of zelfs betrokken zijn bij een overname van buitenlandse bandenproducenten. Wanneer de subsidiepercentages voor andere niet in de steekproef opgenomen medewerkende Chinese producenten-exporteurs worden berekend, mag het subsidiepercentage dat ten aanzien van deze programma's is vastgesteld en dat betrekking heeft op deze specifieke exporteur, derhalve niet worden toegepast op andere niet in de steekproef opgenomen exporteurs. De Commissie herinnerde eraan dat de steekproef geacht wordt representatief te zijn voor de situatie van alle medewerkende ondernemingen in China. Daarom wordt een extrapolatie van de in de steekproef gevonden resultaten in het onderhavige geval passend geacht. Niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs kunnen verzoeken om versnelde nieuwe onderzoeken op grond van artikel 20 van de basisverordening. De Commissie heeft dit argument derhalve afgewezen.

3.8.   Preferentiële financiering en verzekering: exportkredietverzekering

(423)

De klager stelde dat Sinosure exportkredietverzekeringen tegen preferentiële voorwaarden heeft verstrekt aan producenten van het betrokken product.

a)    Rechtsgrondslag

(424)

Mededeling over de uitvoering van de strategie voor het stimuleren van handel via wetenschap en technologie met behulp van exportkredietverzekeringen (Shang Ji Fa[2004] nr. 368), dat gezamenlijk door MOFCOM en Sinosure is gepubliceerd;

(425)

Mededeling inzake de publicatie van de exportcatalogus van 2006 van hightech producten uit China, Guo Ke Fa Ji Zi [2006] nr 16.

b)    Bevindingen van het onderzoek

(426)

Drie van de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen hadden tijdens het onderzoektijdvak lopende exportkredietovereenkomsten met Sinosure.

(427)

Tijdens het controlebezoek bij de Chinese overheid heeft Sinosure bevestigd dat zij volledig in eigendom van de staat is en rond de 90 % van de binnenlandse markt voor exportverzekering in handen heeft. Zoals vermeld in de overwegingen 142 tot en met 148 heeft Sinosure echter niet de gevraagde ondersteunende documentatie over haar corporate governance, zoals haar jaarverslag of haar statuten, overgelegd.

(428)

Evenmin heeft Sinosure meer specifieke informatie verstrekt over aan de bandenindustrie verleende exportkredietverzekeringen of de hoogte van haar premies, noch gedetailleerde cijfers met betrekking tot haar activiteiten op het gebied van exportkredietverzekering. Daarom moest de Commissie de verstrekte informatie aanvullen met de beschikbare gegevens.

(429)

Volgens het antwoord van Sinosure op de aanmaningsbrief is Sinosure een verzekeringsmaatschappij in overheidshanden die door de staat is opgericht en door de staat wordt gesteund met het oog op de ondersteuning van ontwikkeling en samenwerking met betrekking tot buitenlandse economische activiteiten en handel. De onderneming is voor 100 % in eigendom van de staat. Zij beschikt over een raad van bestuur en een raad van commissarissen. De overheid is bevoegd tot aanstelling en ontslag van de leden van het hoger management van de onderneming. Op basis van het antwoord op de aanmaningsbrief en de tijdens het controlebezoek verkregen informatie concludeerde de Commissie dat er sprake is van formele aanwijzingen voor zeggenschap van de overheid over Sinosure.

(430)

De Commissie heeft voorts informatie verzameld aangaande de vraag of de Chinese overheid betekenisvolle zeggenschap uitoefende over de gedragingen van Sinosure met betrekking tot de bandenindustrie. In dit verband constateerde de Commissie dat in de exportcatalogus van hightech producten uit China „nieuwe radiaalluchtbanden, van de soort gebruikt voor autobussen of voor vrachtwagens (van rubber, met een doorsnede ≥ 24 inch)” worden genoemd als producten waarvan de uitvoer wordt bevorderd.

(431)

Bovendien was Sinosure volgens de Mededeling over de uitvoering van de strategie voor het stimuleren van handel via wetenschap en technologie met behulp van exportkredietverzekeringen gehouden meer steun te verlenen aan cruciale bedrijfstakken en producten door haar algemene steun voor de uitvoer van hightech producten te versterken. Sinosure moest producten die waren vermeld in de exportcatalogus van hightech producten uit China, zoals de in overweging 429 genoemde radiaalbanden, als zwaartepunt van haar activiteiten beschouwen en omvattende steun verlenen in de vorm van verzekeringsprocedures, goedkeuring onder bepaalde voorwaarden, snellere behandeling van claims en flexibele tarieven. Wat de flexibele tarieven betreft, moest Sinosure voor in de catalogus opgenomen producten de maximale premiekorting verlenen waarin de variabele tarieven van de kredietverzekeringsonderneming voorzagen.

(432)

Op basis hiervan concludeerde de Commissie dat de Chinese overheid een normatief kader heeft gecreëerd waaraan de managers en toezichthouders die door de Chinese overheid zijn benoemd en die aan haar verantwoording verschuldigd zijn, gebonden zijn. Derhalve heeft de Chinese overheid haar normatief kader aangewend om betekenisvolle zeggenschap uit te oefenen over de gedragingen van Sinosure.

(433)

De Commissie heeft ook concrete bewijzen van de uitoefening van betekenisvolle zeggenschap over concrete verzekeringsovereenkomsten verzameld. Tijdens het controlebezoek hield Sinosure vol dat haar premies in de praktijk marktgericht waren en gebaseerd waren op risicobeoordelingsbeginselen. De onderneming heeft echter geen specifieke voorbeelden gegeven die betrekking hadden op de bandenindustrie of de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(434)

Bij gebreke van concrete bewijzen heeft de Commissie daarom de concrete gedragingen van Sinosure in verband met de aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen verstrekte verzekeringen onderzocht. Deze gedragingen waren in tegenspraak met haar officiële standpunt, aangezien haar handelwijze niet op marktbeginselen was gebaseerd.

(435)

In dit opzicht heeft de Commissie geconstateerd dat in het jaarverslag van Sinosure voor 2014 (76) is vermeld dat de schade-uitkeringen aan cruciale bedrijfstakken in het kader van kortlopende overeenkomsten voor exportkredietverzekering in 2014 590 miljoen USD beliepen, wat neerkomt op 72,3 % van de totale schade-uitkeringen. Na een vergelijking van de totale schade-uitkeringen met het totale verzekerde bedrag kwam de Commissie tot de conclusie dat Sinosure gemiddeld 0,23 % van het verzekerde bedrag in rekening zou moeten brengen om de kosten van de schadeclaims te dekken (nog geheel afgezien van overheadkosten). In de praktijk waren de door de in de steekproef opgenomen ondernemingen betaalde premies echter veel lager dan het minimumtarief dat nodig was om de operationele kosten te dekken.

(436)

Daarnaast stelde de Commissie vast dat een aantal producenten-exporteurs in het genot kwam van een gedeeltelijke of volledige terugbetaling van de aan Sinosure betaalde exportkredietverzekeringspremies.

(437)

De Commissie concludeerde dat het hierboven omschreven rechtskader door Sinosure ten uitvoer wordt gelegd in uitoefening van overheidsfuncties met betrekking tot de bandensector, waarbij zij optreedt als overheidsinstantie in de zin van artikel 2, onder b), van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening en in overeenstemming met de desbetreffende rechtspraak van de WTO. Bovendien werd voordeel verschaft aan de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, aangezien de verzekering werd verstrekt tegen tarieven die onder het minimumbedrag lagen dat Sinosure had moeten verkrijgen ter dekking van haar operationele kosten.

(438)

De Commissie stelde tevens vast dat de in het kader van het exportverzekeringsprogramma verleende subsidies specifiek waren, aangezien zij niet konden worden verkregen zonder dat er sprake was van uitvoer, en dus afhankelijk zijn van uitvoerprestaties in de zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening.

c)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(439)

Aangezien Sinosure goed is voor ongeveer 90 % van de binnenlandse markt voor exportverzekering in de VRC, was het voor de Commissie niet mogelijk een marktgebaseerde binnenlandse verzekeringspremie te vinden. In overeenstemming met andere antisubsidieonderzoeken heeft de Commissie daarom gebruikgemaakt van de meest geschikte externe benchmark waarvoor eenvoudig toegankelijke informatie voorhanden was, namelijk de premietarieven die door de in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde Export-Import Bank („Ex-Im Bank”) worden gehanteerd voor niet-financiële instellingen voor de uitvoer naar OESO-landen.

(440)

De tijdens het onderzoektijdvak toegekende terugbetalingen van exportverzekeringspremies werden als subsidies behandeld. Aangezien er geen aanwijzingen waren dat de ondernemingen verdere kosten maakten die een aanpassing zouden vereisen, werd het voordeel berekend als het volledige bedrag van de tijdens het onderzoektijdvak ontvangen terugbetalingen.

(441)

Het subsidiebedrag dat in het kader van deze regeling voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Preferentiële financiering en verzekering: exportkredietverzekering

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

0,18 %

Hankook Group

0,06 %

Xingyuan Group

0,17 %

3.9.   Verstrekking van goederen door de overheid voor een ontoereikende prijs

3.9.1.   Verstrekking van goederen voor een ontoereikende prijs: algemene opmerking

(442)

Zoals vermeld in deel 3.2, heeft de Commissie de Chinese overheid medegedeeld dat zij wegens het ontbreken van antwoorden op de vragenlijst van producenten van natuurlijk rubber en synthetisch rubber, haar bevindingen overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening wellicht zou moeten baseren op de beschikbare gegevens voor zover het de informatie betreffende de leveranciers van bovengenoemde grondstoffen betreft. De Commissie heeft onderzocht of de in de steekproef opgenomen ondernemingen grondstoffen voor de productie van banden tegen gesubsidieerde prijzen betrokken van de overheid.

3.9.2.   Verstrekking van carbonblack en nylonkoord voor een ontoereikende prijs

(443)

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen kochten op de binnenlandse markt carbonblack en nylonkoord van verbonden of niet-verbonden ondernemingen, maar voerden ook kleine hoeveelheden van deze materialen in.

(444)

In de loop van het onderzoek stelde de Commissie vast dat er aanwijzingen waren dat de staat een zekere invloed uitoefende op de binnenlandse markt voor carbonblack en nylonkoord. Ten eerste bleek uit de van de Chinese overheid ontvangen informatie dat staatsondernemingen 26,44 % respectievelijk 8,46 % van de binnenlandse productie van carbonblack en nylonkoord voor hun rekening namen.

(445)

Ten tweede komt uit het algemene rechtskader naar voren dat carbonblack en nylonkoord behoren tot de bevorderde sectoren waarvoor steunmaatregelen zijn ingesteld. Zoals reeds vermeld in overweging 121 voorziet het Dertiende vijfjarenplan petrochemie, dat zich ook uitstrekt tot carbonblack, in verschillende fiscale en financiële steunmaatregelen.

(446)

Voorts is het Beleid inzake de bandenindustrie onder meer gericht op de bevordering van de ontwikkeling van „polyester koordweefsel met een hoge elasticiteitsmodulus en nylon koordweefsel met een hoge sterkte” en „de ontwikkeling van milieuvriendelijke rubberadditieven en andere grondstoffen, zoals speciaal carbonblack en wit carbonblack” (77).

(447)

Daarenboven wordt in de Richtsnoeren voor de nieuwste cruciale prioritaire gebieden voor ontwikkeling van hoogtechnologische bedrijfstakken (78) prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van productietechnologie en essentiële grondstoffen voor radiaalbanden, met inbegrip van carbonblack en vezelmaterialen voor karkassen.

(448)

Hoewel bij het onderzoek dus is vastgesteld dat de staat tot op zekere hoogte invloed uitoefende op de levering van carbonblack en nylonkoord op de binnenlandse markt, zoals toegelicht in de overwegingen 444 tot en met 447, concludeerde de Commissie dat zij niet voldoende bewijs heeft kunnen vinden dat de aankopen van carbonblack en nylonkoord door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens het onderzoektijdvak zijn gesubsidieerd.

3.9.3.   Verstrekking van natuurlijk rubber voor een ontoereikende prijs

(449)

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben aanzienlijke hoeveelheden natuurlijk rubber ingevoerd. De binnenlandse aankoop van natuurlijk rubber viel te verwaarlozen, behalve bij één van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, die aanzienlijke hoeveelheden natuurlijk rubber op de binnenlandse markt aankocht via niet-verbonden ondernemingen. Op basis van geverifieerde informatie heeft de Commissie met betrekking tot individuele transacties van alle in de steekproef opgenomen ondernemingen vastgesteld dat de inkoopprijzen voor binnenlands natuurlijk rubber gemiddeld hoger waren dan die voor ingevoerd natuurlijk rubber.

(450)

Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat er geen redenen waren om subsidies die aanleiding geven tot compenserende maatregelen vast te stellen voor de aankoop van natuurlijk rubber voor een ontoereikende prijs.

3.9.4.   Verstrekking van synthetisch rubber voor een ontoereikende prijs;

(451)

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen kochten op de binnenlandse markt synthetisch rubber aan van verbonden of niet-verbonden ondernemingen, maar voerden ook bepaalde hoeveelheden synthetisch rubber in. Op basis van geverifieerde informatie betreffende individuele transacties van alle in de steekproef opgenomen ondernemingen heeft de Commissie vastgesteld dat de aankoopprijzen voor synthetisch rubber op de binnenlandse markt gemiddeld lager waren dan de prijzen van ingevoerd synthetisch rubber, en dat de prijzen van door staatsondernemingen geleverd synthetisch rubber gemiddeld lager waren dan de prijs van synthetisch rubber dat door particuliere ondernemingen werd geleverd.

(452)

In de loop van het onderzoek stelde de Commissie vast dat er aanwijzingen waren dat de staat een zekere invloed uitoefende op de binnenlandse markt voor synthetisch rubber. Ten eerste bleek uit de van de Chinese overheid ontvangen informatie dat staatsondernemingen 31,43 % van de binnenlandse productie van synthetisch rubber voor hun rekening namen.

(453)

Ten tweede komt uit het algemene rechtskader naar voren dat synthetisch rubber behoort tot een bevorderde sector waarvoor steunmaatregelen zijn ingesteld. Zoals reeds vermeld in overweging 121, voorziet het Dertiende vijfjarenplan petrochemie, waarin synthetisch rubber uitdrukkelijk wordt genoemd, in verschillende fiscale en financiële steunmaatregelen.

(454)

Het Beleid inzake de bandenindustrie heeft volgens artikel 17 daarvan ten doel „de ontwikkeling van isopreenrubber en gehalogeneerd butylrubber” te bevorderen en „synthetische soorten rubberproducten zoals butadieenrubber en styreenbutadieenrubber te bevorderen, het gebruik van synthetisch rubber te verhogen en de ontwikkelings- en productiecapaciteiten uit te breiden”.

(455)

Daarenboven wordt in de Richtsnoeren voor de nieuwste cruciale prioritaire gebieden voor ontwikkeling van hoogtechnologische bedrijfstakken prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van productietechnologie en essentiële grondstoffen voor radiaalbanden, met inbegrip van synthetisch rubber.

(456)

Tot slot hebben de Richtsnoeren voor de aanpassing van de industriële structuur, die tot uitvoering van Besluit nr. 40 strekken, onder meer betrekking op „synthetische rubberproducten met grote afmetingen, geavanceerde technologie op het gebied van rubbers en elastomeren en de vervaardiging van nieuwe producten”.

(457)

Op basis van geverifieerde informatie betreffende individuele transacties van alle in de steekproef opgenomen ondernemingen heeft de Commissie vastgesteld dat de aankoopprijzen voor synthetisch rubber op de binnenlandse markt gemiddeld in het algemeen lager waren dan de prijzen van ingevoerd synthetisch rubber, en dat de prijzen van door staatsondernemingen geleverd synthetisch rubber gemiddeld lager waren dan de prijs van synthetisch rubber dat door particuliere ondernemingen werd geleverd. De Commissie neemt echter ook kennis van het bestaan van verschillende soorten rubber, zoals styreenbutadieenrubber, butadieenrubber, isopreenrubber, gehalogeneerd butylrubber, chloropreenrubber enz. Deze verschillende soorten synthetisch rubber worden alle bij de productie van banden gebruikt, maar hebben verschillende chemische kenmerken, toepassingen en prijzen en worden door verschillende ondernemingen vervaardigd.

(458)

Deze verschillen zijn van dien aard dat de Commissie heeft besloten de marktanalyse op basis van deze verschillende soorten uit te voeren. Na verdere controle constateerde de Commissie dat, hoewel er prijsverschillen waren waargenomen op een geaggregeerd niveau, er geen sprake was van een voordeel voor de binnenlandse aankoop van de meest gebruikte soorten synthetisch rubber, zoals styreenbutadieenrubber en butadieenrubber, en dat een aanzienlijk deel van de minder gangbare soorten rubber door de in de steekproef opgenomen ondernemingen was ingevoerd.

(459)

Hoewel bij het onderzoek dus is vastgesteld dat de staat tot op zekere hoogte invloed uitoefende op de levering van synthetisch rubber op de binnenlandse markt, zoals toegelicht in de overwegingen 452 tot en met 456, concludeerde de Commissie dat zij geen voordelen kon vaststellen met betrekking tot de aankoop van synthetisch rubber voor een ontoereikende prijs.

3.9.5.   Verstrekking van elektriciteit voor een ontoereikende prijs

(460)

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen produceerden zelf elektriciteit of betrokken die. De prijzen voor de aankoop van elektriciteit van het net volgden de prijzen die op provinciaal niveau waren vastgesteld voor grote industriële afnemers. Zoals vastgesteld in eerdere onderzoeken (79), leverde dit niveau voor die grote industriële afnemers geen specifiek voordeel op.

(461)

De Commissie stelde echter vast dat twee van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het genot zijn gekomen van lagere elektriciteitsprijzen of terugbetalingen van hun energiekosten in de vorm van subsidies. Voor de berekening werden deze subsidies in aanmerking genomen in de bedragen die zijn berekend in deel 3.12.3 („Ad-hocsubsidies”).

a)    Rechtsgrondslag

Verschillende adviezen van het Centraal Comité van de Communistische Partij van China en de Staatsraad over verdere verdieping van de hervorming van het energiesysteem (Zhong Fa [2015] nr. 9);

Voorlopige maatregelen met betrekking tot het proefproject voor directe stroom van de belangrijkste elektriciteitsgebruikers en elektriciteitscentrales van Jiangsu, gepubliceerd door de Commissie voor economie en informatietechnologie, 13 mei 2014;

Aankondiging van internetveiling voor maart-april 2017, elektriciteitsbedrijf van de provincie Jiangsu;

Aankondiging van de invoering van de proefregeling voor de directe handel in elektriciteit in Chongqing, Yu Fu Office [2016] nr. 167.

b)    Bevindingen van het onderzoek

(462)

De Commissie heeft vastgesteld dat het sommige belangrijke grootschalige industriële elektriciteitsverbruikers sinds 2016 is toegestaan om rechtstreekse aankoopovereenkomsten met de energieproducenten te sluiten, in plaats van nettarieven te betalen. Drie van de vier in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen hadden dergelijke rechtstreekse aankoopovereenkomsten voor elektriciteit tijdens het onderzoektijdvak, terwijl de vierde elektriciteit betrok van haar eigen verbonden elektriciteitscentrale. In alle onderzochte overeenkomsten waren de prijzen die via een dergelijke overeenkomst werden verkregen, lager dan de vaste, op provinciaal niveau vastgestelde prijzen voor grote industriële afnemers.

(463)

De mogelijkheid om dergelijke rechtstreekse overeenkomsten te sluiten, staat thans niet open voor alle grote industriële verbruikers. Op nationaal niveau is in de wetgeving bijvoorbeeld bepaald dat „ondernemingen die zich niet houden aan het nationale industriebeleid en waarvan de producten en processen zijn uitgesloten, niet mogen deelnemen aan rechtstreekse transacties” (80).

(464)

In de praktijk wordt de rechtstreekse handel in elektriciteit verzorgd door de provincies. Ondernemingen moeten de provinciale autoriteiten om toestemming vragen voor de deelname aan de proefregeling voor rechtstreekse elektriciteitsovereenkomsten en aan bepaalde criteria voldoen. Zo komen in Jiangsu rechtstreekse elektriciteitsovereenkomsten bijvoorbeeld tot stand via een centraal internetveilingsplatform. Echter, alleen ondernemingen die „voldoen aan de nationale richtsnoeren voor het industriebeleid, zoals de Richtsnoeren voor de aanpassing van de industriële structuur”, mogen deelnemen aan de veilingsprocedure. En in Chongqing geldt dat „ondernemingen die zich niet houden aan het industriebeleid van de staat, alsmede producten en processen die behoren tot beperkte of uitgesloten ondernemingen, niet mogen deelnemen aan rechtstreekse transacties” (81).

(465)

Bovendien is er geen sprake van een echte marktgebaseerde onderhandelings- of veilingsprocedure, omdat de hoeveelheden die in het kader van rechtstreekse overeenkomsten worden gekocht, niet gebaseerd zijn op de reële vraag en het reële aanbod. Energieproducenten en stroomverbruikers zijn immers niet vrij om al hun elektriciteit rechtstreeks te kopen of te verkopen. Zij worden beperkt door kwantitatieve quota die hun door de lokale overheid worden toegewezen. In de provincie Ningxia heeft de lokale overheid bijvoorbeeld de activiteit van het elektriciteitshandelsplatform beperkt door hetzelfde quotum aan Mwh toe te wijzen aan alle bedrijven over de hele linie, ongeacht de werkelijke hoeveelheden waarvoor de gebruikers hadden ingeschreven en die de energieproducenten bereid waren te leveren.

(466)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Giti aan dat de kwantitatieve quota in de provincie Ningxia in werkelijkheid sterk uiteenliepen en niet gelijkmatig werden verdeeld. De Commissie erkende dat de quota niet gelijkmatig verdeeld zijn. Dit doet echter niets af aan de conclusie dat de energieproducenten en -gebruikers niet vrij zijn om al hun elektriciteit rechtstreeks te kopen of te verkopen. Ondanks de verschillende quota die worden verdeeld over de ondernemingen en de verschillende toewijzingstijdvakken, werden voor alle gebruikers in de provincies slechts twee prijzen toegepast, waartussen een verschil van minder dan 1 % zat. Dit wijst erop dat de prijzen niet vrij tussen de koper en de verkoper worden vastgesteld. Bovendien heeft Giti erkend dat zij tijdens het onderzoektijdvak niet alle benodigde elektriciteit kon kopen via de veilingsprocedure en de hogere elektriciteitstarieven die buiten de veilingsprocedure om door de lokale overheid zijn vastgesteld moest betalen. Het argument werd daarom afgewezen.

(467)

Voorts is in de door de Commissie onderzochte overeenkomsten bepaald dat een sanctie moet worden betaald indien de gebruiker of de energieproducent meer dan 5 % afwijkt van de toegewezen quota, en dat de extra inkomsten uit de sanctie zouden worden toegekend aan het staatselektriciteitsbedrijf.

(468)

Hoewel de prijzen worden geacht rechtstreeks te zijn overeengekomen tussen de energieproducenten en de energiegebruiker, wordt de definitieve overeenkomst ook ondertekend door het staatselektriciteitsbedrijf en worden de facturen aan de ondernemingen feitelijk nog steeds afgegeven door het staatselektriciteitsbedrijf. Ten slotte moeten alle ondertekende rechtstreekse aankoopovereenkomsten ter registratie bij de plaatselijke overheid worden ingediend.

(469)

De Commissie was van oordeel dat het verlaagde elektriciteitstarief in kwestie een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid (d.w.z. de exploitant van het net), waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken ondernemingen. Het voordeel voor de ontvangers is gelijk aan de besparing op de elektriciteitskosten, aangezien de elektriciteit wordt geleverd tegen tarieven die onder de normale netprijs liggen die door andere grote industriële gebruikers wordt betaald. Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening omdat de wetgeving zelf de toepassing van deze regeling beperkt tot ondernemingen die zich houden aan bepaalde door de staat vastgestelde industriebeleidsdoelstellingen en waarvan de producten of processen niet zijn uitgesloten omdat zij niet subsidiabel zijn.

(470)

De Commissie merkte op dat de Chinese overheid deze regeling momenteel uitbreidt en onlangs verdere wetgeving heeft uitgevaardigd om het aantal rechtstreekse transacties op de elektriciteitsmarkt te verhogen (82). Deze wetgeving was tijdens het onderzoektijdvak echter niet van toepassing en is nog niet ten uitvoer gelegd. Bovendien zal de Commissie eerst moeten onderzoeken hoe de nieuwe regels in de praktijk werken voordat zij kan concluderen dat er geen onderscheid meer bestaat tussen de begunstigden. De Commissie concludeerde derhalve dat de subsidieregeling in het onderzoektijdvak van toepassing was en dat deze specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), en artikel 4, lid 3, van de basisverordening. Bovendien zal zij overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening na het onderzoektijdvak voordelen blijven toekennen.

c)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(471)

Het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is berekend als het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak genoten. Dat voordeel is berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde elektriciteitsprijs tegen het normale nettarief en de totale verschuldigde elektriciteitsprijs op basis van het verlaagde tarief.

(472)

Hankook Group en Giti Group voerden aan dat de Commissie bij de berekening van hun subsidiebedragen een administratieve fout had gemaakt. De Commissie heeft deze opmerkingen aanvaard en de berekening dienovereenkomstig herzien.

(473)

Het subsidiebedrag dat in het kader van deze regeling voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Verstrekking van elektriciteit voor een ontoereikende prijs

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

0,04 %

Giti Group

0,31 %

Hankook Group

0,23 %

3.9.6.   Grondgebruiksrechten

a)    Inleiding

(474)

Alle grond is in de VRC eigendom van de staat of van een collectief gevormd door dorpen of gemeenten alvorens hij juridisch kan worden overgedragen aan rechtspersonen of particulieren. Alle percelen grond in stedelijke gebieden zijn eigendom van de staat en alle percelen in plattelandsgebieden eigendom van de dorpen of gemeenten.

(475)

Krachtens de grondwet van de VRC en de wet op het grondbeheer kunnen ondernemingen en particulieren echter „grondgebruiksrechten” kopen. Voor industriegrond loopt de erfpacht gewoonlijk 50 jaar, verlengbaar met een nieuwe periode van 50 jaar.

(476)

Volgens de Chinese overheid kan een erfpacht op industriegrond sinds 31 augustus 2006 krachtens artikel 5 van de Mededeling van de Staatsraad over de versterking van de regulering van de grondmarkt (GF[2006] nr. 31) door de Staat alleen aan industriële ondernemingen worden verleend via een veiling of een soortgelijke openbare offerteprocedure waarbij de uiteindelijke prijs niet lager mag zijn dan de inzetprijs. Volgens de Chinese overheid bestaat er in de VRC een vrije markt voor grond, en stemt de prijs die een industriële onderneming voor de erfpacht op de grond betaalt, overeen met de marktprijs.

b)    Rechtsgrondslag

(477)

De verlening van grondgebruiksrechten in China valt onder de Wet op het grondbeheer van de Volksrepubliek China. Daarnaast maken de volgende documenten deel uit van de rechtsgrondslag:

Wet van de Volksrepubliek China inzake het beheer van stedelijk onroerend goed, verordening nr. 18 van de president van de VRC;

Tijdelijke regeling van de Volksrepubliek China betreffende de toewijzing en de overdracht van het recht op het gebruik van staatsgrond in stedelijke gebieden;

Verordening tot uitvoering van de wet op het grondbeheer van de Volksrepubliek China (verordening van de Staatsraad van de Volksrepubliek China [2014] nr. 653);

Bepaling inzake de toewijzing van het recht op het gebruik van bouwgrond in staatsbezit door uitnodigingen tot het doen van een bod, veilingen en prijsopgaven;

Mededeling van de Staatsraad over de versterking van de regulering van de grondmarkt (GF [2006] nr. 31).

c)    Bevindingen van het onderzoek

(478)

Volgens artikel 10 van de Bepaling inzake de toewijzing van het recht op het gebruik van bouwgrond in staatsbezit door uitnodigingen tot het doen van een bod, veilingen en prijsopgaven stellen de lokale autoriteiten de grondprijzen vast volgens het evaluatiesysteem voor stedelijke grond, dat maar om de drie jaar wordt geactualiseerd, en het industriebeleid van de overheid.

(479)

In eerdere onderzoeken heeft de Commissie vastgesteld dat de prijzen van grondgebruiksrechten in de VRC niet representatief waren voor een marktprijs die tot stand komt door het vrije spel van vraag en aanbod, aangezien het veilingsysteem onduidelijk en niet-transparant is en in de praktijk niet functioneert, en de prijzen door de autoriteiten op willekeurige wijze worden vastgesteld. Zoals in de vorige overweging al is gezegd, stellen de autoriteiten de prijzen vast volgens het evaluatiesysteem voor stedelijke grond, dat naast andere criteria de instructie bevat om bij de prijsstelling voor industriegrond ook het industriebeleid in aanmerking te nemen.

(480)

Het huidige onderzoek heeft dienaangaande geen merkbare veranderingen aan het licht gebracht. Zo stelde de Commissie vast dat, met uitzondering van één perceel grond voor Hankook Group, geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voor zijn grondgebruiksrechten, zelfs niet voor die welke recentelijk waren verkregen, had deelgenomen aan een veiling of een soortgelijke openbare offerteprocedure. De grondgebruiksrechten die de in de steekproef opgenomen ondernemingen hadden verkregen, waren door lokale autoriteiten toegewezen tegen overeengekomen prijzen.

(481)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft Pirelli Tyre Co. Ltd aangevoerd dat zij geen grondgebruiksrechten heeft ontvangen tegen prijzen die onder de marktprijzen liggen, omdat het zijn grond zou leasen van Chinese particuliere verhuurders op basis van standaardmarktpraktijken. De Commissie is het ermee eens dat Pirelli Tyre Co. Ltd een deel van haar grond verhuurt. Aangezien echter de door Pirelli Tyre Co. Ltd genoemde Chinese particuliere eigenaar eigenlijk een verbonden onderneming was die over het grondgebruiksrecht beschikte, heeft de Commissie geen rekening gehouden met deze onderlinge huurprijs en rekening gehouden met de werkelijke koopovereenkomst en de door de verbonden onderneming betaalde prijs van de grondgebruiksrechten. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(482)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Pirelli haar argumenten en voerde zij aan dat de verbonden onderneming die houder was van het grondgebruiksrecht, de grond had verworven via een concurrerende veilingsprocedure. Er was echter noch voor, noch na de mededeling van de definitieve bevindingen bewijsmateriaal verstrekt waaruit bleek dat een veilingsprocedure had plaatsgevonden voor de verwerving van dat deze grond. De Commissie bleef derhalve bij haar standpunt.

(483)

De Commissie heeft geconstateerd dat er naast het monitoringssysteem voor stedelijke grond ook een dynamisch grondmonitoringssysteem bestaat. In het onderzoek van de Commissie in verband met het vervallen van de maatregelen ten aanzien van zonnepanelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (83) had de Commissie vastgesteld dat die prijzen hoger zijn dan de minimale benchmarkprijzen die zijn bepaald door het evaluatiesysteem voor stedelijke grond en worden gebruikt door lokale overheden, omdat deze laatste maar één keer per drie jaar werden geactualiseerd, terwijl de dynamische monitoringsprijzen per kwartaal werden geactualiseerd. Niets wees er echter op dat de grondprijzen op de dynamische monitoringsprijzen waren gebaseerd. Tijdens het onderzoek betreffende zonnepanelen heeft de Chinese overheid in feite bevestigd dat het dynamische monitoringssysteem voor stedelijke grondprijzen toezicht hield op de schommelingen in het prijsniveau voor grond in bepaalde gebieden (d.w.z. 105 steden) in de VRC en is ontworpen om de ontwikkeling van de grondprijzen te beoordelen. De openingsprijs bij veilingen werd echter gebaseerd op de op grond van het evaluatiesysteem voor grond vastgestelde benchmarks. In dit geval ontvingen de in de steekproef opgenomen groepen van ondernemingen hun percelen bovendien via toewijzing. Dat het evaluatiesysteem voor grond bestond, was irrelevant, aangezien het niet van toepassing was op de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(484)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument en de fase van de definitieve bevindingen hebben zowel de Chinese overheid als de in de steekproef opgenomen ondernemingen het gebruik van een buitenlandse benchmark betwist en in plaats daarvan een binnenlandse benchmark voorgesteld. Zowel de Chinese overheid als Hankook Group hebben benadrukt dat de Commissie de Chinese prijs voor grondgebruiksrechten van het dynamische grondmonitoringssysteem had moeten gebruiken, omdat het grondgebruiksrechten van een van de Chinese dochterondernemingen van Hankook Group werd verworven via een veilingsprocedure. De Commissie heeft in haar BMO-beoordeling in het parallelle antidumpingonderzoek echter al aangegeven dat zij haar twijfels had over dit veilingsproces. Meer bepaald was Hankook Group de enige bieder voor de grond en kwam de betaalde prijs overeen met de openingsprijs van de veilingsprocedure. Bij gebrek aan aanvullende informatie over het feitelijke verloop van de veiling en rekening houdend met het feit dat een vergelijkbaar perceel gedurende dezelfde periode voor een hogere prijs werd verkocht, was het onzeker of de oorspronkelijke prijs op onafhankelijke wijze was vastgesteld en overeenkwam met de marktwaarde van het grondgebruiksrecht in 2011. Bovendien werd de oorspronkelijke prijs van 2011 van dit perceel door een forse terugbetaling daarna nog verder verlaagd. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(485)

De Commissie stelde ook vast dat ondernemingen van Giti Group en van Hankook Group van lokale autoriteiten terugbetalingen ontvingen als compensatie voor de sommen die zij voor grondgebruiksrechten hadden betaald. Bovendien waren sommige van de door ondernemingen van Xingyuan Group verworven grondgebruiksrechten nog niet betaald, terwijl sommige grondgebruiksrechten van de China National Tire Group pas jaren na de ingebruikneming van de grond waren betaald.

(486)

Het hiervoor aangehaalde bewijsmateriaal weerlegt de stelling van de Chinese overheid dat de prijzen van grondgebruiksrechten in de VRC representatief zijn voor een marktprijs die tot stand komt door het vrije spel van vraag en aanbod.

(487)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Pirelli aangevoerd dat de Commissie geen nieuw bewijsmateriaal heeft overgelegd om aan te tonen dat de Chinese overheid de bandenfabrikanten wel degelijk voor een ontoereikende prijs grondgebruiksrechten heeft verstrekt. De Commissie was het niet eens met deze stelling. Zoals vermeld in overweging 475, heeft de Commissie voor elk van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs onderzocht of een concurrerende veiling had plaatsgevonden, maar concludeerde dat dit niet het geval was, wat de bevindingen van eerdere onderzoeken bevestigde.

d)    Conclusie

(488)

De bevindingen van het onderzoek tonen aan dat de situatie met betrekking tot het aanbieden en verwerven van grond in de VRC niet-transparant is en dat de prijzen op willekeurige wijze door de autoriteiten werden vastgesteld.

(489)

De verlening van grondgebruiksrechten door de Chinese overheid moet dus worden beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening in de vorm van de verstrekking van goederen, waardoor de ontvangende ondernemingen een voordeel hebben verkregen. Zoals uiteengezet in de overwegingen 478 tot en met 486 is er in de VRC geen functionerende grondmarkt, en blijkt uit het gebruik van een externe benchmark (zie de overwegingen 494 tot en met 504) dat het bedrag dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voor grondgebruiksrechten hebben betaald, ver onder de normale marktwaarde ligt.

(490)

In het kader van de preferentiële toegang tot industriegrond voor ondernemingen in bepaalde bedrijfstakken merkte de Commissie op dat bij de vaststelling van de prijs door de plaatselijke overheden rekening moet worden gehouden met het industriebeleid van de overheid, zoals reeds vermeld in overweging 479. Binnen dit industriebeleid wordt de bandenindustrie beschouwd als een pijler van de Chinese industrie, en is zij een bevorderde bedrijfstak (84). Verder schrijft Besluit nr. 40 van de Staatsraad voor dat overheidsinstanties erop toezien dat grond ter beschikking wordt gesteld van aangemoedigde bedrijfstakken. Uit artikel 18 van Besluit nr. 40 blijkt dat bedrijfstakken die „beperkt” zijn, geen toegang zullen hebben tot grondgebruiksrechten. Daaruit volgt dat de subsidie specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, onder a) en c), van de basisverordening omdat de preferentiële verstrekking van grond beperkt is tot ondernemingen in bepaalde bedrijfstakken, in dit geval de bandensector, en dat de overheidspraktijken op dit gebied onduidelijk en niet transparant zijn.

(491)

Giti Group voerde aan dat de specificiteit van de subsidie voor grondgebruiksrechten samenhing met het feit dat zij als aangemoedigde bedrijfstak in de plannen van de Chinese regering was opgenomen en dat er geen bewijs was dat de bandenbedrijven tot een aangemoedigde bedrijfstak behoorden op het moment dat de prijzen van de grondgebruiksrechten overeen werden gekomen. Dit argument wordt afgewezen, omdat de banden- en/of de petrochemische industrie al werden aangemerkt als aangemoedigde bedrijfstak in het achtste en negende vijfjarenplan, waarin de petrochemische industrie wordt beschreven als een van de fundamentele industrieën van het land en wordt gesproken over het proactief ontwikkelen van chemische producten en stoffen en het ondersteunen van belangrijke chemische projecten, alsmede in de „Catalogus van primaire bedrijfstakken, producten en technologieën waarvan de ontwikkeling door de staat wordt aangemoedigd (gewijzigd in 2000)”, waarin onder andere de vervaardiging van hoogwaardige radiaalbanden is opgenomen. Deze documenten komen overeen met de periode waarin de eerste grondgebruiksrechten aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen werden toegekend.

(492)

Giti Group merkte ook op dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de toeleveranciers die inputs zoals staaldraad of nylonkoord produceren voor de producenten-exporteurs, tot een aangemoedigde bedrijfstak behoorden. In de Richtsnoeren voor de aanpassing van de industriële structuur zijn de productie, ontwikkeling en toepassing van speciale ondersteunende materialen voor hoogwaardige radiaalbanden echter vermeld als „aangemoedigd”. Bovendien stimuleert het beleid inzake de bandenindustrie „de ontwikkeling en het gebruik van nieuw bewerkt staaldraad, „High Modulus Low Shrinkage” polyester koordweefsel, nylon koordweefsel met een hoge sterkte en andere skeletmaterialen voor banden)”. Dit argument werd dan ook afgewezen.

(493)

Deze subsidie wordt derhalve geacht aanleiding te geven tot compenserende maatregelen.

e)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(494)

Zoals bij eerdere onderzoeken (85) en overeenkomstig artikel 6, onder d), ii), van de basisverordening, zijn de prijzen van het afzonderlijk douanegebied van Taiwan, Penghu, Kinmen en Matsu („Chinees Taipei”) gebruikt als externe benchmark (86). Het aan de ontvangers verleende voordeel is berekend als het verschil tussen het bedrag dat elk van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs daadwerkelijk heeft betaald (dat wil zeggen de werkelijk betaalde prijs zoals vermeld in het contract en, in voorkomend geval, de in het contract vermelde prijs, verminderd met de terugbetalingen/subsidies van de lokale overheid) voor grondgebruiksrechten en het bedrag dat normaal gezien had moeten zijn betaald op basis van Chinees Taipei als benchmark.

(495)

De Commissie vindt Chinees Taipei om de volgende redenen geschikt als externe benchmark:

het vergelijkbare niveau van economische ontwikkeling en bbp, alsmede de vergelijkbare economische structuur in Chinees Taipei en de meeste Chinese provincies en steden waarin de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gevestigd zijn;

de fysieke nabijheid van de VRC en Chinees Taipei;

de hoge graad van industriële infrastructuur waarover zowel Chinees Taipei als veel Chinese provincies beschikken;

de sterke economische banden en grensoverschrijdende handel tussen Chinees Taipei en de VRC;

de hoge bevolkingsdichtheid in veel Chinese provincies en in Chinees Taipei;

de gelijkenis tussen de soort grond en de transacties om tot een relevante benchmark te komen in Chinees Taipei en in de VRC, en

de gemeenschappelijke demografische, linguïstische en culturele kenmerken van Chinees Taipei en de VRC.

(496)

In navolging van de methode die is toegepast bij eerdere onderzoeken heeft de Commissie gebruikgemaakt van de gemiddelde grondprijs per vierkante meter in Taiwan, gecorrigeerd voor inflatie en voor de ontwikkeling van het bbp sinds de data van de respectieve grondgebruiksrechtovereenkomsten. De informatie betreffende de prijzen voor industriegronden in het informatiedocument is afkomstig van de website van het Bureau voor de industrie van het Ministerie van Economische Zaken van Taiwan. De inflatie en de ontwikkeling van het bbp voor Taiwan zijn berekend op basis van de inflatiecijfers en de ontwikkeling van het bbp per hoofd van de bevolking tegen actuele prijzen in USD voor Taiwan, zoals door het IMF gepubliceerd voor 2015.

(497)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Pirelli aangevoerd dat het gebruik van een externe benchmark niet in overeenstemming was met de bevindingen van het rapport van de WTO-beroepsinstantie in de zaak VS — Softwood Lumber IV (87), aangezien in de benchmark niet de nodige aanpassingen waren gemaakt om de omstandigheden op de Chinese financiële markt te weerspiegelen. De Commissie merkte echter op dat de Taiwanese benchmark als een geschikte benchmark wordt beschouwd, die om diverse redenen al dicht bij de Chinese markt ligt, zoals uiteengezet in overweging 488. Bovendien werden de Taiwanese grondprijzen gecorrigeerd voor het verleden om rekening te houden met de ontwikkeling van het bbp en de inflatie in de tijd.

(498)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft Hankook Group gewezen op het feit dat de gegevens van de informatiewebsite voor industriegrondvoorziening en dienstverlening van het Bureau voor industriële ontwikkeling van het Ministerie van Economische Zaken van Taiwan waarvan de Commissie gebruik had gemaakt, niet meer toegankelijk waren; deze bevatte alleen informatie over biedingen voor industriegrond en geen werkelijke transactieprijzen.

(499)

De Commissie erkende dat de gegevens die als basis voor het informatiedocument waren gebruikt, niet meer publiek toegankelijk waren. Vervolgens stelde de Commissie vast dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Taiwan een nieuwe gegevensbank had opgezet met de feitelijke handelsgegevens voor de verkoop van industriegrond, die vanaf 2013 operationeel was, en toegankelijk was via de volgende website: http://lvr.land.moi.gov.tw/login.action. De Commissie beschouwde dit als een betrouwbare bron van gegevens die voor alle belanghebbenden toegankelijk is. Bovendien bevat deze de werkelijke transactieprijzen in plaats van biedingen voor industriegrond. De Commissie stemde derhalve in met de argumenten van Hankook Group en wijzigde dienovereenkomstig de benchmark voor de berekening van het voordeel in verband met grondgebruiksrechten voor alle in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(500)

Als gevolg hiervan heeft de Commissie voor de periode vanaf 2013 gebruikgemaakt van de werkelijke prijzen afkomstig van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Taiwan. Voor grondgebruiksrechten die vóór deze datum waren verworven, werden de historische prijzen geconstrueerd op basis van de ontwikkeling van het bbp en de inflatie in Taiwan, zoals in eerdere onderzoeken het geval was.

(501)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen uitten Giti Group, Hankook Group en de Chinese overheid kritiek op het feit dat de prijzen voor grondgebruiksrechten op basis van de nieuwe reeks gegevens veel hoger waren dan de prijzen die in de vorige onderzoeken werden gebruikt, wat twijfels opriep over de betrouwbaarheid van de nieuwe benchmark. Daarnaast stelde Hankook Group dat fouten waren gemaakt in de gegevens die waren gedownload uit de Taiwanese gegevensbank en heeft zij een alternatieve berekening op basis van dezelfde gegevensbank ingediend. De Commissie erkende dat er een administratieve fout was gemaakt in de aggregatie van de afzonderlijke grondprijzen en heeft de gemiddelde grondprijzen dienovereenkomstig gecorrigeerd. De Commissie was het echter niet eens met de selectiecriteria die door Hankook Group werden gehanteerd voor het samenstellen van de gegevens. In de eerste plaats selecteerde Hankook Group transacties uit een verkeerde periode, namelijk vanaf 2012, in ieder geval voor bepaalde transacties. In de tweede plaats gebruikte Hankook Group de prijzen van alle 22 districten in Taiwan, waaronder een aantal plattelandsgebieden met weinig tot geen industriële activiteiten. De Commissie had daarentegen haar keuze gebaseerd op de zes districten waar zich de meeste Taiwanese industrieparken bevinden. Aangezien alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gevestigd zijn in industriezones in China, moet een passende benchmark gebaseerd zijn op transacties die ook in een industriezone hebben plaatsgevonden. Dit deel van het argument van Hankook Group werd derhalve van de hand gewezen.

(502)

Hankook Group voerde in haar opmerkingen aan dat bij de geconstrueerde Taiwanese prijzen voor het verleden rekening moest worden houden met de ontwikkeling van het bbp in China in plaats van met de ontwikkeling van het bbp in Taiwan, om rekening te houden met de snellere ontwikkeling in China in de afgelopen dertig jaar. Als zodanig zou volgens Hankook Group rekening moeten worden gehouden met het niveau van de economische ontwikkeling in de gemeente Chongqing sinds 2010 en met dat in Huai'an (provincie Jiangsu) sinds 1996.

(503)

De Commissie erkende dat China in het verleden een snellere ontwikkeling dan Taiwan heeft gekend. Het toepassen van een bbp-factor die rekening houdt met dit verschil, is in beginsel een geschikte wijze om tot een passende benchmark te komen. Volgens de score van de indicator voor de statistische capaciteit van de Wereldbank heeft de kwaliteit van de statistische gegevens in China echter pas na het jaar 2012 een niveau van betrouwbaarheid bereikt dat vergelijkbaar is met dat van andere landen met hogere middeninkomens. Dit komt overeen met het einde van de periode waarvoor de gegevens moeten worden samengesteld (88). Daarom kon de Commissie in dit geval geen gebruikmaken van statistische gegevens met betrekking tot het Chinese bbp om historische grondgebruiksprijzen te berekenen.

(504)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Giti Group aan dat, om de score van de indicator voor de statistische capaciteit van de Wereldbank te bepalen, gebruik wordt gemaakt van een volledige lijst van indicatoren, waarvan er veel niets met de macro-economische indicatoren te maken hebben. De Commissie was het ermee eens dat de indicator voor de statistische capaciteit van de Wereldbank gebaseerd is op een pakket indicatoren, waarin zowel macro-economische als andere indicatoren zijn opgenomen. Het doel daarvan is een overzicht te geven van het vermogen van een land om gegevens van hoge kwaliteit over zijn bevolking en economie te verzamelen, te analyseren en te verspreiden aan de hand van de methodologie, de gegevensbronnen, de periodiciteit en de snelheid waarmee een land zijn economische en bevolkingsstatistieken kan produceren. Het feit dat de score niet uitsluitend is gericht op statistieken van het bbp, maar een bredere reikwijdte heeft, doet niets af aan de resultaten ervan. Daarom bleef de Commissie bij haar standpunt dat de gegevens met betrekking tot het Chinese bbp niet konden worden gebruikt voor de prijzen van grondgebruiksrechten in het verleden.

(505)

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de basisverordening is het bedrag van de subsidie aan het onderzoektijdvak toegerekend aan de hand van de normale duur van het gebruiksrecht voor industriegrond, namelijk 50 jaar. Dat bedrag is vervolgens omgeslagen over de totale omzet van de betrokken onderneming in het onderzoektijdvak, omdat de subsidie niet afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(506)

Giti Group stelde dat de Commissie de datum van de waardering van de grondgebruiksrechten, in plaats van de datum van de transactie, als uitgangspunt zou moeten nemen om het voordeel met betrekking tot de grondgebruiksrechten te berekenen. De Commissie heeft dit argument van de hand gewezen, aangezien de datum van de transactie overeenkomt met de gebeurtenis die een monetaire invloed had op de financiële positie van de onderneming.

(507)

Bovendien heeft Giti Group er bij de Commissie op aangedrongen bij de berekening van het voordeel rekening te houden met de extra uitgaven voor het ter beschikking stellen van de grond voor industrieel gebruik, alsmede met de zogeheten steunvergoedingen en rekwisitievergoedingen voor de grond. De Commissie heeft deze opmerkingen om de volgende twee redenen afgewezen:

de ondernemingen in kwestie verwierven hun grondgebruiksrechten tegen een contractuele waarde waarin geen andere extra uitgaven werden vermeld. Derhalve oordeelde de Commissie dat alleen de contractuele waarde in aanmerking moest worden genomen;

de benchmarkwaarde zelf omvat geen extra kosten of provisies.

(508)

Tot slot werden enkele kleine bedrijfsspecifieke opmerkingen met betrekking tot administratieve fouten en de berekening van voordelen die geen betrekking hadden op het onderzoektijdvak voor China National Tire, Giti en Hankook aanvaard.

(509)

Het subsidiebedrag dat in het kader van deze subsidie voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Verlening van grondgebruiksrechten voor een ontoereikende prijs

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

1,80 %

Giti Group

1,75 %

Hankook Group

1,11 %

Xingyuan Group

1,06 %

3.10.   Programma's voor vrijstelling en vermindering van directe belastingen

3.10.1.   Voorrechten inzake vennootschapsbelasting voor ondernemingen in de sectoren nieuwe en geavanceerde technologieën

(510)

Volgens de wet van de Volksrepubliek China op de vennootschapsbelasting geldt voor ondernemingen in de sectoren nieuwe en geavanceerde technologieën waaraan de staat prioritaire steun moet verlenen, een verlaagd vennootschapsbelastingtarief van 15 % in plaats van het standaardtarief van 25 %.

a)    Rechtsgrondslag

(511)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door artikel 28 van de wet op de vennootschapsbelasting, en artikel 93 van de uitvoeringsregels voor de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC, en de volgende documenten:

Circulaire van het Ministerie van Wetenschap en Technologie, het Ministerie van Financiën en de nationale belastingdienst inzake de herziening en uitvaardiging van „Administratieve maatregelen betreffende de erkenning van hightech ondernemingen”, G.K.F.H. [2016] nr. 32;

Mededeling van het Ministerie van Wetenschap en Technologie, het Ministerie van Financiën en de nationale belastingdienst inzake de herziening, druk en uitvaardiging van de „Richtsnoeren betreffende de erkenning en het beheer van ondernemingen op het gebied van nieuwe en geavanceerde technologieën”, G.K.F.H. [2016] nr. 195, en

Richtsnoeren voor de nieuwste cruciale prioritaire gebieden voor ontwikkeling van hoogtechnologische bedrijfstakken (2011), gepubliceerd door de NOHC, het Ministerie van Wetenschap en Technologie, het Ministerie van Handel en de nationale dienst voor intellectuele eigendom.

b)    Bevindingen van het onderzoek

(512)

Ondernemingen die in aanmerking komen voor de belastingvermindering zijn actief op het gebied van bepaalde cruciale geavanceerde en nieuwe, door de staat bevorderde technologieën en in het kader van de huidige, door de staat bevorderde prioriteiten op het gebied van geavanceerde technologieën, zoals die zijn opgesomd in de Richtsnoeren voor de nieuwste cruciale prioritaire gebieden voor ontwikkeling van hoogtechnologische bedrijfstakken. In deze richtsnoeren worden productietechnologieën en cruciale grondstoffen voor radiaalbanden uitdrukkelijk als prioritaire gebieden genoemd.

(513)

Om in aanmerking te komen voor die belastingvermindering moeten de ondernemingen bovendien aan de volgende criteria voldoen:

zij moeten een bepaald percentage van hun verkoopopbrengsten besteden aan onderzoek en ontwikkeling;

zij moeten een bepaald percentage van de totale inkomsten van de onderneming behalen uit hightech technologie/producten/diensten, en

een bepaald deel van het totale personeelsbestand van de onderneming moet bestaan uit technisch personeel.

(514)

Ondernemingen waaraan op grond van deze maatregel voordelen worden toegekend, moeten hun belastingaangifte en relevante bijlagen indienen. Het bedrag van het voordeel wordt opgenomen in de belastingaangifte.

(515)

De Commissie was van oordeel dat de belastingverrekening in kwestie een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid, waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken ondernemingen. Het voordeel voor de ontvangers is gelijk aan de belastingbesparing. Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening omdat de wetgeving zelf de toepassing van deze regeling beperkt tot ondernemingen die actief zijn in bepaalde door de staat vastgestelde prioritaire hoogtechnologische gebieden, zoals sleuteltechnologieën in de bandensector.

c)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(516)

Het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is berekend als het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak genoten. Dat voordeel is berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde belasting tegen het normale belastingtarief en de totale verschuldigde belasting op basis van het verlaagde belastingtarief.

(517)

Het subsidiebedrag dat is vastgesteld voor deze specifieke regeling, bedroeg 0,12 % voor China National Tire Group en 0,01 % voor Giti Group.

3.10.2.   Verrekening van vennootschapsbelasting voor uitgaven inzake onderzoek en ontwikkeling

(518)

De belastingverrekening voor onderzoek en ontwikkeling biedt ondernemingen een preferentiële fiscale behandeling voor hun O & O-activiteiten in bepaalde hoogtechnologische voorrangsgebieden die zijn vastgesteld door de Staat; daarvoor moeten hun O & O-uitgaven bepaalde drempels overschrijden.

(519)

Meer bepaald geldt voor O & O-uitgaven voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën, nieuwe producten en nieuwe technieken die geen immateriële activa zijn en in het lopende boekjaar in de winst-en-verliesrekening worden geboekt, een extra aftrek van 50 % nadat zij in het licht van de feitelijke situatie reeds volledig zijn afgetrokken. Wanneer de bovengenoemde O & O-uitgaven immateriële activa vormen, kan 150 % van de kosten voor immateriële activa worden afgeschreven.

a)    Rechtsgrondslag

(520)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door artikel 30, lid 1, van de wet op de vennootschapsbelasting, samen met de uitvoeringsregels voor de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC en de volgende berichten:

Mededeling van het Ministerie van Financiën, de nationale belastingdienst en het Ministerie van Wetenschap en Technologie betreffende de verbetering van het beleid van aftrek van O & O-uitgaven vóór belastingen (Cai Shui [2015] nr. 119);

Bericht van de nationale belastingdienst inzake aangelegenheden betreffende het beleid van aftrek van O & O-uitgaven van ondernemingen vóór belastingen, en

Richtsnoeren voor de nieuwste cruciale prioritaire gebieden voor ontwikkeling van hoogtechnologische bedrijfstakken (2011), gepubliceerd door de NOHC, het Ministerie van Wetenschap en Technologie, het Ministerie van Handel en de nationale dienst voor intellectuele eigendom.

b)    Bevindingen van het onderzoek

(521)

Tijdens een eerder onderzoek (89) werd vastgesteld dat de „nieuwe technologieën, nieuwe producten en nieuwe technieken” die kunnen profiteren van de belastingaftrek, een deel zijn van bepaalde door de staat ondersteunde hoogtechnologische domeinen, alsmede de bestaande prioriteiten in door de staat ondersteunde hoogtechnologische domeinen, als vermeld in de Richtsnoeren voor de nieuwste cruciale prioritaire gebieden voor ontwikkeling van hoogtechnologische bedrijfstakken.

(522)

De Commissie was van oordeel dat de belastingverrekening in kwestie een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid, waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken ondernemingen. Het voordeel voor de ontvangers is gelijk aan de belastingbesparing. Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening omdat de wetgeving zelf de toepassing van deze maatregel beperkt tot ondernemingen die O & O-uitgaven maken in bepaalde door de staat vastgestelde hoogtechnologische voorrangsgebieden, zoals de bandensector.

(523)

Giti Group stelde dat de belastingverrekening voor onderzoek en ontwikkeling geen specifieke subsidie is, aangezien deze geldt voor alle Chinese ondernemingen als bedoeld in artikel 95 van de uitvoeringsregels voor de wet op de vennootschapsbelasting, die geldt voor alle ondernemingen, niet alleen voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen.

(524)

De Commissie verwierp de bewering dat de belastingverrekening voor onderzoek en ontwikkeling geen specifieke subsidie is. Hoewel deze inderdaad niet alleen geldt voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen, is het gebruik ervan beperkt tot „nieuwe technologieën, nieuwe producten en nieuwe technieken”, die specifiek zijn gedefinieerd, zoals vermeld in overweging 521. De voorlopige conclusie van de Commissie blijft derhalve ongewijzigd,

c)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(525)

Het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is berekend als het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak genoten. Dat voordeel is berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde belasting tegen het normale belastingtarief en de totale verschuldigde belasting na de extra aftrek van 50 % van de eigenlijke O & O-uitgaven.

(526)

De hoogte van de subsidie die voor deze specifieke regeling is vastgesteld, bedraagt voor Giti Group 0,02 %.

(527)

Giti Group voerde aan dat de Commissie, door de vermeende voordelen van regelingen die de kosten van een onderneming verlagen (en dus de winst verhogen) niet in mindering te brengen bij de berekening van het voordeel als gevolg van de belastingvermindering voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen, enkele van de vermeende voordelen effectief tweemaal had geteld.

(528)

De Commissie is met Giti Group overeengekomen dat voordelen van subsidies (wanneer deze als inkomen worden opgegeven in de winst- en verliesrekening) de kosten van een onderneming verlagen en als gevolg daarvan de brutowinst van een onderneming doet toenemen, wat tot een hogere belasting leidt en indien van toepassing een hogere belastingvermindering. Niettemin heeft de onderneming Giti Radial het recht subsidies op te geven als vrijgestelde inkomsten voor de berekening van het belastbare bedrag, waardoor de verschuldigde inkomstenbelasting wordt verminderd. Bovendien wordt de methode van de Commissie consequent toegepast door de voordelen te berekenen op basis van de beschikbare financiële gegevens voor het onderzoektijdvak, zoals verstrekt door de onderneming en ter plaatse gecontroleerd.

3.10.3.   Vrijstelling van grondbelasting

(529)

Een organisatie of particulier die grond gebruikt in grote steden, landelijke steden en dorpen of in industriële en mijngebieden, betaalt normaal een belasting op het gebruik van stadsgrond. De belasting op grondgebruik wordt geheven door de lokale belastingautoriteiten van de plaats waar de grond wordt gebruikt. Bepaalde categorieën grond, zoals op de zee gewonnen gronden, gronden voor het eigen gebruik door overheidsinstellingen, volksorganisaties of militaire eenheden, gronden voor gebruik door via het Ministerie van Financiën door de overheid gefinancierde instellingen, gronden voor religieus gebruik, openbare parken en historische en schilderachtige plaatsen, straten, wegen, pleinen, groenvoorzieningen en andere openbare plaatsen in steden zijn vrijgesteld van de belasting op grondgebruik.

a)    Rechtsgrondslag

(530)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door:

Tijdelijke regeling van de Volksrepubliek China betreffende de onroerendgoedbelasting (Guo Fa [1986] nr. 90, zoals gewijzigd in 2011), en

Tijdelijke regeling van de Volksrepubliek China betreffende de belasting op het gebruik van stadsgrond (Besluit van de Staatsraad van de Volksrepubliek China [2013] nr. 645).

b)    Bevindingen van het onderzoek

(531)

Twee in de steekproef opgenomen ondernemingen kregen van het lokale grondgebruiksbureau kortingen op of vrijstellingen van de betaling van de belastingen op grondgebruik, ook al behoorden zij niet tot een van de in de genoemde nationale wetgeving vrijgestelde categorieën.

c)    Conclusie

(532)

De Commissie is van oordeel dat de belastingvrijstelling in kwestie een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid, waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken ondernemingen. Het voordeel voor de ontvangers is gelijk aan de belastingbesparing. Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening omdat de ondernemingen een belastingvermindering kregen, hoewel zij aan geen van de in overweging 529 genoemde criteria voldeden.

d)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(533)

Het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is berekend als het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak genoten. Dat voordeel is berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde belasting tegen het normale belastingtarief en de totale belasting die in het onderzoektijdvak daadwerkelijk is betaald.

(534)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft Hankook Group opgemerkt dat de terugbetaling van de door haar ontvangen grondbelasting geen aanleiding gaf tot compenserende maatregelen, aangezien deze vóór het onderzoektijdvak was ontvangen. Na verdere analyse aanvaardde de Commissie dit argument, aangezien de laatste terugbetaling van de grondbelasting inderdaad was geboekt vóór het begin van het onderzoektijdvak in juni 2016, en aangezien er na die datum geen verdere betalingen waren gedaan.

(535)

Bovendien verklaarde Giti Group dat over het algemeen geen grondbelasting verschuldigd is voor bepaalde soorten gebouwen (residentiële gebouwen en scholen), zoals blijkt uit een kennisgeving over vrijstellingen van grondbelasting uit 1988. De Commissie heeft vastgesteld dat deze kennisgeving niet meer geldig was, aangezien de „tussentijdse verordeningen van de Volksrepubliek China betreffende de belasting op het gebruik van stadsgrond”, zoals vermeld in overweging 530, geen betrekking meer hebben op scholen en residentiële gebouwen in de vrijgestelde categorieën. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(536)

Tot slot verklaarde Giti Group dat twee van de ondernemingen in de groep wel grondbelasting over het onderzoektijdvak hadden betaald door middel van verrekening met eerdere betalingen. Er waren derhalve geen voordelen voor deze twee ondernemingen. De Commissie ging akkoord met deze verklaringen en heeft de subsidieberekeningen dienovereenkomstig gewijzigd. De hoogte van de subsidie in verband met deze specifieke regeling bedroeg voor Giti Group derhalve 0,01 %.

3.10.4.   Vermindering en terugbetaling van plaatselijke belastingen

(537)

Een van de ondernemingen van Hankook Group kwam in het genot van een door de lokale overheid toegekende terugbetaling van volgens de nationale voorschriften geïnde belasting.

a)    Rechtsgrondslag

(538)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door:

Maatregelen van de Huaian Municipal Economic Development Zone ter uitvoering van het beleid inzake preferentiële belastingtarieven (1996).

b)    Bevindingen van het onderzoek

(539)

Op grond van een overeenkomst met de lokale overheid kwam de onderneming in aanmerking voor een volledige terugbetaling van vennootschapsbelasting voor de eerste twee jaar vanaf het eerste jaar waarin de onderneming vennootschapsbelasting verschuldigd was (wat vanaf 2003 het geval was). In de jaren drie tot en met vijf kwam de onderneming in aanmerking voor een verlaagd vennootschapsbelastingtarief van 15 % en voor een volledige terugbetaling van het lokale aandeel in de voldane vennootschapsbelasting. In de jaren zes tot en met tien kwam de onderneming in aanmerking voor een terugbetaling van 75 % van het lokale aandeel in de betaalde vennootschapsbelasting. Vanaf jaar elf kwam de onderneming in aanmerking voor een terugbetaling van 50 % van het lokale aandeel in de betaalde vennootschapsbelasting.

(540)

De onderneming verklaarde dat de overheid haar beleid in de loop der jaren had gewijzigd, zodat de onderneming alleen tot 2012 in aanmerking kwam voor deze terugbetalingen en preferentiële tarieven. De lokale overheid had toegezegd de in 2012 nog niet betaalde terugbetaling op een later tijdstip te betalen wanneer haar begroting die toeliet. Bijgevolg kwam de onderneming tijdens het onderzoektijdvak nog steeds in het genot van een terugbetaling.

c)    Conclusie

(541)

De Commissie is van oordeel dat de belastingvrijstelling in kwestie een subsidie is in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening omdat er sprake is van een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid, waardoor een voordeel wordt toegekend aan de betrokken onderneming. Het voordeel voor de ontvanger is gelijk aan de belastingbesparing. Die subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening omdat de onderneming een specifiek voor haar bedoelde belastingvermindering werd toegekend die niet beschikbaar was voor andere ondernemingen.

(542)

Hoewel de Commissie geen aanwijzingen vond dat het programma nog van kracht was tijdens het onderzoektijdvak, stelde zij op grond van de door de in de steekproef opgenomen ondernemingen verstrekte informatie in het dossier vast dat zij nog steeds voordeel trokken uit dat programma.

(543)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft de onderneming haar verklaring herhaald dat zij slechts tot 2012 voor terugbetalingen in aanmerking zou komen. Er werd echter geen nieuw bewijsmateriaal aangevoerd dat verandering kon brengen in de conclusie van de Commissie.

d)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(544)

Het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is berekend als het voordeel dat de ontvangers ervan tijdens het onderzoektijdvak genoten. Dat voordeel is berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde belasting tegen het normale belastingtarief en de totale belasting die in het onderzoektijdvak daadwerkelijk is betaald.

(545)

De hoogte van de subsidie in verband met deze specifieke regeling bedroeg voor Hankook Group 0,13 %.

3.10.5.   Totaal van alle regelingen voor vrijstelling en programma's voor vermindering van directe belastingen

(546)

Het totale subsidiepercentage dat in het kader van alle regelingen inzake directe belastingen voor het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Vrijstellingen en verminderingen van directe belastingen

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

0,12 %

Giti Group

0,04 %

Hankook Group

0,13 %

Xingyuan Group

0 %

3.11.   Programma's inzake indirecte belastingen en invoerrechten

3.11.1.   Btw-vrijstellingen en kortingen op invoerrechten voor het gebruik van ingevoerde apparatuur en technologie

(547)

Dit programma voorziet in een vrijstelling van btw en invoerrechten voor de invoer van kapitaalgoederen die ondernemingen in hun productie gebruiken. Om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken, mag de apparatuur niet opgenomen zijn in een lijst van niet in aanmerking komende apparatuur en moet de aanvragende onderneming een certificaat verkrijgen voor door de staat bevorderde projecten dat door de Chinese autoriteiten of door de NOHC wordt afgegeven overeenkomstig de relevante wetgeving inzake investeringen, belastingen en douaneaangelegenheden.

a)    Rechtsgrondslag

(548)

De rechtsgrondslag van dit programma wordt gevormd door:

Circulaire van de Staatsraad inzake aanpassingen van het belastingbeleid voor ingevoerde apparatuur, Guo Fa [1997] nr. 37;

Bericht van het Ministerie van Financiën, de algemene douaneadministratie en de nationale belastingadministratie inzake de aanpassing van het beleid inzake bepaalde preferentiële invoerrechten;

Bericht van het Ministerie van Financiën, de algemene douaneadministratie en de nationale belastingadministratie [2008] nr. 43;

Bericht van de NOHC over relevante aangelegenheden betreffende de behandeling van de bevestigingsbrief voor binnenlandse of met buitenlands kapitaal gefinancierde projecten die door de staat worden aangemoedigd [2006] nr. 316, en

Catalogus van noch voor FIE's, noch voor binnenlandse ondernemingen van rechten vrijstelbare importartikelen, 2008.

b)    Bevindingen van het onderzoek

(549)

De invoer van apparatuur met het oog op de ontwikkeling van binnenlandse of buitenlandse investeringsprojecten die stroken met het beleid tot stimulering van binnenlandse of buitenlandse investeringsprojecten kan worden vrijgesteld van btw en/of invoerrechten, tenzij die categorie apparatuur is opgenomen in de catalogus van niet van rechten vrijstelbare artikelen. Om voor die vrijstelling in aanmerking te komen, moet de onderneming van de plaatselijke autoriteit die verantwoordelijk is voor het project, een bevestigingsbrief krijgen die moet worden voorgelegd aan de plaatselijke douaneautoriteit.

(550)

De Chinese overheid stelde dat sinds 1 januari 2009 alleen vrijstelling van invoerrechten mogelijk was, en dat btw werd geheven bij de invoer van apparatuur voor eigen gebruik.

(551)

Er is echter vastgesteld dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het onderzoektijdvak vrijstellingen van zowel btw als invoerrechten zijn verleend. Die vrijstellingen omvatten vrijstellingen voor apparatuur die in eerdere jaren was ingevoerd, maar waarvan het voordeel is omgeslagen over de hele levensduur daarvan, en dus ten dele is toegerekend aan het onderzoektijdvak. Hoewel de Commissie geen aanwijzingen vond dat die vrijstelling nog gold tijdens het onderzoektijdvak, stelde zij op grond van het bewijsmateriaal in het dossier met betrekking tot de in de steekproef opgenomen ondernemingen vast dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen nog steeds voordeel trokken uit dat programma.

(552)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument constateerde Pirelli dat de berekening van de voordelen van ingevoerde machines en apparatuur onjuist was. De Commissie stemde in met de verschafte correcties en paste de berekening dienovereenkomstig aan.

c)    Conclusie

(553)

Dit programma levert een financiële bijdrage in de vorm van een derving van inkomsten door de Chinese overheid in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), aangezien FIE's en andere in aanmerking komende binnenlandse ondernemingen vrijgesteld worden van de betaling van btw en/of rechten die zij anders wel zouden moeten betalen. Het programma verleent ook een voordeel aan de ontvangende ondernemingen in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening.

(554)

Het programma is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening. De wetgeving op grond waarvan de voordeel toekennende autoriteit handelt, beperkt de toegang tot dit programma tot ondernemingen die investeren in specifieke bedrijfscategorieën die bij wet uitputtend zijn gedefinieerd en behoren tot de aangemoedigde categorie of tot de beperkte categorie B volgens de Catalogus voor de begeleiding van bedrijfstakken voor buitenlandse investeringen en technologieoverdracht of de Catalogus van primaire bedrijfstakken, producten en technologieën waarvan de ontwikkeling door de staat wordt aangemoedigd. Bovendien zijn er voor dit programma geen objectieve criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de mogelijkheid om subsidie te verkrijgen beperkt is, noch is er afdoend bewijs om te concluderen dat het in aanmerking komen voor subsidie automatisch is in de zin van artikel 4, lid 2, onder b), van de basisverordening.

d)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(555)

De hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend aan de hand van het aan de ontvangers in het onderzoektijdvak verleende voordeel. Het aan de ontvangers toegekende voordeel wordt geacht te bestaan in het bedrag van de btw en rechten op ingevoerde apparatuur waarvoor vrijstelling is verleend. Om ervoor te zorgen dat het tot compenserende maatregelen aanleiding gevende bedrag enkel betrekking heeft op het onderzoektijdvak, werd het ontvangen voordeel omgeslagen over de nuttige levensduur van de apparatuur conform de normale boekhoudkundige procedures van de onderneming.

(556)

De in de steekproef opgenomen ondernemingen profiteerden van kortingen in het kader van deze regeling. De hoogte van de subsidie die voor deze specifieke regeling is vastgesteld, liep uiteen van 0,04 % tot 0,13 %.

3.11.2.   Schema voor de terugbetaling van invoerrechten op de aankoop van natuurlijk rubber

(557)

De Commissie heeft vastgesteld dat alle in de steekproef opgenomen ondernemingen waren aangemerkt als „verwerkende ondernemingen”. Volgens artikel 3 van de Douanemaatregelen van de Volksrepubliek China voor het toezicht op het veredelingsverkeer (90) wordt onder „veredelingsverkeer” verstaan: „bedrijfsactiviteiten waarbij een bedrijf grond- en hulpstoffen, onderdelen en componenten, onderdelen van componenten en verpakkingsmateriaal geheel of gedeeltelijk invoert, om de afgewerkte producten na de verwerking of assemblage, met inbegrip van de verwerking van aangeleverde en ingevoerde materialen, weer uit te voeren.” In artikel 5 is voorts bepaald: „Wanneer belastingen bij invoer worden geïnd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen, worden de geïnde belastingen door de douane na uitvoer van de afgewerkte goederen terugbetaald voor de geverifieerde hoeveelheid goederen die daadwerkelijk is verwerkt en weer is uitgevoerd.”

a)    Rechtsgrondslag

Douanewetgeving van de Volksrepubliek China, verordening nr. 81 van de president van de VRC, 4 november 2017;

Douanemaatregelen van de Volksrepubliek China voor het toezicht op het veredelingsverkeer, Verordening nr. 235 van de algemene douaneadministratie van 20 december 2017;

Douanemaatregelen van de Volksrepubliek China voor de administratie van het verbruik per eenheid, Verordening nr. 218 van de algemene douaneadministratie van 13 maart 2014;

Voorlopige administratieve maatregelen inzake het beheer van de kredietwaardigheid van bedrijven, Verordening nr. 225 van de algemene douaneadministratie van 4 september 2014.

b)    Bevindingen van het onderzoek

(558)

Tijdens het onderzoek constateerde de Commissie dat elk van de in de steekproef opgenomen ondernemingen zich bij de douane had aangemeld voor de in overweging 557 beschreven regeling voor het veredelingsverkeer, en dat aan al deze ondernemingen overeenkomstig artikel 5 van de douanemaatregelen van de Volksrepubliek China voor het toezicht op het veredelingsverkeer vrijstellingen waren verleend van de invoerrechten op natuurlijk rubber dat wordt gebruikt voor de productie van voor de uitvoer bestemde banden.

(559)

Een dergelijk systeem komt overeen met een regeling voor de terugbetaling van invoerrechten als bedoeld in bijlage I, onder i), bij de basisverordening. Overeenkomstig punt i) van bijlage I kunnen terugbetalingen voor vervangende „inputs” met een uitvoersubsidie worden gelijkgesteld wanneer meer wordt terugbetaald dan het bedrag aan invoerheffingen op de ingevoerde „inputs” waarvoor terugbetaling wordt gevraagd.

(560)

Om vast te stellen of dergelijk vermeend teveel bestond, heeft de Commissie op grond van bijlage III, punt II, bij de basisverordening de Chinese overheid verzocht om aanvullende informatie over de regeling inzake het veredelingsverkeer in het algemeen en meer specifiek over het bestaan en de effectieve toepassing van de bijbehorende toezicht- en verificatieprocedures.

(561)

Te oordelen naar de ontvangen informatie heeft de Chinese overheid inderdaad een wetgevingskader ingesteld voor het toezicht op het systeem voor het veredelingsverkeer. De Commissie heeft echter ook opgemerkt dat sommige kenmerken van het systeem mogelijk tot te hoge terugbetalingen zouden kunnen leiden:

het systeem is voornamelijk gebaseerd op eigen verklaringen van bedrijven;

In tegenstelling tot de algemeen aanvaarde praktijk worden invoerrechten vooraf vrijgesteld. De douaneautoriteiten behouden enkel het recht de bedragen achteraf terug te eisen;

De intensiteit van de controles op de bedrijven is gebaseerd op de toekenning van een kredietscore, die zelf grotendeels gebaseerd is op eigen verklaringen; er worden extra punten gegeven aan bedrijven die deel uitmaken van een bevorderde bedrijfstak;

De douaneaangiften zijn gebaseerd op door de douaneautoriteiten vastgestelde standaardverbruikspercentages. Het standaardverbruikpercentage van natuurlijk rubber per uitgevoerde band was veel hoger dan het werkelijke verbruik dat bij de in de steekproef opgenomen ondernemingen is opgetekend.

(562)

Bovendien bleek tijdens het controlebezoek bij de in de steekproef opgenomen ondernemingen dat dit kader in de praktijk niet daadwerkelijk werd toegepast. De Commissie heeft bijvoorbeeld vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat in de wetgeving werd vermeld, natuurlijk rubber bestemd voor voor de uitvoer bestemde banden in de opslagplaatsen niet werd gescheiden van ander natuurlijk rubber, en dat er geen regelmatige controlebezoeken ter plaatse werden gedaan bij de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(563)

Bovendien voerden ondernemingen zogenoemd vermengd rubber in onder de GS-code 40028000 (met een tarief van 0 %). Deze GS-code moet normalerwijze worden gebruikt voor bereide rubber, een mengsel van natuurlijk en synthetisch rubber dat hoofdzakelijk uit synthetisch rubber bestaat. In werkelijkheid bevatte het door de in de steekproef opgenomen ondernemingen ingevoerde vermengd rubber 97,5 % natuurlijk rubber, het had dezelfde kenmerken als natuurlijk rubber en werd op dezelfde manier en in dezelfde proporties gebruikt als natuurlijk rubber in het productieproces van de gecontroleerde ondernemingen.

(564)

Drie van de vier in de steekproef opgenomen ondernemingsgroepen betaalden bijgevolg niet alle verschuldigde invoerrechten.

c)    Conclusie

(565)

Op grond van bijlage III bij de basisverordening heeft de Commissie de Chinese overheid in een afzonderlijk document in kennis gesteld van de individuele transacties die zij tijdens het onderzoek onder de loep heeft genomen zodat de Chinese overheid, indien zij dat nodig achtte, aanvullend onderzoek kon verrichten. In haar antwoord op de brief van de Commissie stelde de Chinese overheid dat de voorwaarden van bijlage III, punt II, onder 3), bij de antisubsidiebasisverordening niet waren vervuld aangezien de Chinese overheid beschikt over een strikt wetgevingskader om de werkelijke transacties in verband met de invoer van natuurlijk rubber te controleren. De Chinese overheid verwees voorts naar het feit dat de wetgeving voorziet in sancties en wettelijke verplichtingen in het geval van overtredingen. Bovendien heeft de douane voldoende personele middelen om de regeling op lokaal niveau toe te passen en sancties vast te stellen. Als ten slotte smokkel en onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt de kredietrating van de onderneming verlaagd.

(566)

Zoals in overweging 561 vermeld, erkent de Commissie dat de Chinese overheid een wetgevingskader heeft ingesteld voor het toezicht op het systeem voor het veredelingsverkeer. De Commissie heeft echter, zoals vermeld in de overwegingen 561 tot en met 562, ook vastgesteld dat het wetgevingskader gebreken vertoonde en dat het in de praktijk niet daadwerkelijk werd toegepast op de in de steekproef opgenomen ondernemingen. De Chinese overheid heeft geen enkel bewijs verstrekt dat de bevindingen van de Commissie in dit verband zou kunnen weerleggen, en heeft geen nieuwe informatie gegeven over de specifieke door de Commissie vermelde transacties.

(567)

Daarom is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het toezichtsysteem voor het veredelingsverkeer van de Chinese overheid niet daadwerkelijk werd toegepast voor wat natuurlijk rubber betreft. Daarenboven heeft de Commissie bepaald dat het systeem voor het veredelingsverkeer voor natuurlijk rubber in voor de uitvoer bestemde banden tot te hoge terugbetalingen heeft geleid, wat een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie vormt in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, aangezien deze leiden tot te hoge terugbetalingen van de invoerheffingen op de ingevoerde inputs waarvoor terugbetaling wordt gevraagd.

(568)

Deze te hoge terugbetalingen zijn ook specifiek, aangezien zij afhankelijk zijn van uitvoerprestaties in de zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening.

(569)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de Chinese overheid en Giti Group hierover opmerkingen ingediend. De Chinese overheid herhaalde haar eerdere argument dat zij een strikt wetgevingskader heeft ingesteld dat naar behoren wordt gehandhaafd en dat de Commissie niet tot haar conclusie kan komen op basis van enkele geïsoleerde gevallen waarbij ondernemingen de wetten inzake het veredelingsverkeer niet naleefden. In antwoord op deze argumenten herhaalde de Commissie dat het argument van de Chinese overheid dat er slechts enkele geïsoleerde gevallen waren waarbij producenten-exporteurs de wet niet naleefden niet onderbouwd is. Zoals vermeld in overweging 562 hebben alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die gebruikmaakten van die regeling niet alle verschuldigde invoerrechten betaald. De Chinese overheid heeft ook nagelaten de transacties in kwestie nader te onderzoeken. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(570)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Giti Group gesteld dat haar rechten van verdediging door de Commissie zijn geschonden aangezien zij de regeling voor de terugbetaling van rechten zeer laat in de procedure had opgenomen en niet bevoegd was om de regeling te onderzoeken aangezien die niet onder het bericht van opening viel.

(571)

In verband met de argumenten dat de Commissie de rechten van verdediging van de producent-exporteur heeft geschonden, merkte de Commissie op dat volgens het bericht van opening onderzoek van de regeling voor de terugbetaling van rechten toegelaten is aangezien in deel 3 van dat bericht specifiek werd verwezen naar kortingen op invoerrechten. Bovendien heeft de Commissie de belanghebbenden al op de hoogte gebracht van haar onderzoek van die regeling in deel 3.13.3 van het informatiedocument. Het argument dat de rechten van verdediging van Giti Group door de Commissie zijn geschonden werd daarom afgewezen.

(572)

Giti Group haalde bovendien aan dat bij de invoer van vermengd rubber geen sprake kan zijn van terugbetaling van rechten aangezien het reguliere invoerrecht voor dat product nul is. Voorts stelde de groep dat het regelmatig gegevens over invoer, verbruiksratio's en uitgevoerde hoeveelheden uploadt op een webplatform dat onder constant toezicht van de douane staat en naar aanleiding waarvan de douaneautoriteiten controles ter plaatse verrichten.

(573)

In antwoord op deze argumenten merkte de Commissie het volgende op: De Commissie aanvaardde het argument dat het invoerrecht voor vermengd rubber nul is en er daarom geen sprake kan zijn van terugbetaling van rechten. De berekening van te hoge terugbetalingen naar aanleiding van die regeling werd daarom voor alle betrokken in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs herzien. De definitieve subsidiebedragen zijn vermeld in overweging 580.

(574)

Wat het toezichtsysteem van de douaneautoriteiten betreft, ontkende de Commissie niet dat Giti Group bepaalde informatie in verband met de invoer en het gebruik van natuurlijk rubber uploadt op het webplatform. Zoals echter uiteengezet in overweging 561, gaat het hier hoofdzakelijk om eigen verklaringen. Van de elf producenten-exporteurs die door de Commissie werden gecontroleerd, werd slechts bij één producent van Giti Group een controle ter plaatse uitgevoerd. Bovendien werden bij die controle enkel de voorraadcijfers gecontroleerd. De Commissie was van mening dat dergelijke controle onvoldoende is om effectieve controle te verzekeren en heeft daarom dit argument afgewezen.

d)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(575)

Het voordeel werd berekend als het verschil tussen het bedrag van de verschuldigde invoerrechten tijdens het onderzoektijdvak en het werkelijke bedrag van de betaalde invoerrechten tijdens het onderzoektijdvak. Aangezien er geen werkelijke verbruiksratio's beschikbaar waren voor natuurlijk rubber per bandtype, ging de Commissie ervan uit dat 1) de gemiddelde verbruiksratio voor alle bandentypes dezelfde is en 2) alle ingevoerd natuurlijk rubber bij voorrang zou worden gebruikt voor voor de uitvoer bestemde banden en in tweede instantie voor banden voor de binnenlandse markt. Daarna stelde de Commissie eerst de tijdens het onderzoektijdvak ingevoerde hoeveelheid natuurlijk rubber vast. Vervolgens berekende zij de verhouding tussen het volume van de uitvoer en het totale volume van de verkoop van het betrokken product. Ten derde paste de Commissie deze exportratio toe op het totale volume van ingevoerd natuurlijk rubber en bepaalde zij de hoeveelheid ingevoerd natuurlijk rubber waarvoor invoerrechten konden worden vrijgesteld. Om daarna de omvang van het voordeel te bepalen, berekende de Commissie het bedrag van de verschuldigde invoerrechten voor de hoeveelheden natuurlijk rubber die zijn gebruikt voor de productie van voor de binnenlandse markt bestemde banden en trok zij van dit bedrag de werkelijk betaalde invoerrechten af.

(576)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Giti Group aan dat de Commissie haar werkelijke verbruiksratio had moeten gebruiken voor de berekening van het voordeel aangezien zij deze informatie had verkregen tijdens het controlebezoek ter plaatse. Door gebruik te maken van bovenstaande methode was de Commissie voorbijgegaan aan het feit dat het natuurlijk rubber ook wordt gebruikt voor de productie van andere banden en dat die banden andere verbruiksratio's hebben.

(577)

De Commissie was het gedeeltelijk eens met het argument van Giti Group. Voor Giti Yinchuan en Giti Hualin maakte de Commissie gebruik van de verbruiksratio zoals vermeld op hun invoervergunning. Voor de twee andere ondernemingen van Giti Group die ook van de regeling profiteerden, waren de werkelijke verbruiksratio's echter niet beschikbaar gemaakt tijdens het controlebezoek ter plaatse. Daarom maakte de Commissie gebruik van de gewogen gemiddelde verbruiksratio van Giti Yinchuan en Giti Hualin. De berekening van het bedrag van het voordeel werd dienovereenkomstig herzien.

(578)

Geen enkele andere in de steekproef opgenomen producent-exporteur heeft zijn werkelijke verbruiksratio ingediend. In dit verband heeft de Commissie opgemerkt dat de berekeningen volgens verschillende methoden zeer gelijkaardige resultaten opleverden. Het volgens de oorspronkelijke methode van de Commissie vastgestelde subsidiepercentage bedroeg immers 3,62 %. Aan de hand van de werkelijke verbruiksratio werd een subsidiepercentage van 3,64 % berekend. Dit resultaat toonde aan dat de oorspronkelijk door de Commissie gebruikte methode om het subsidiepercentage te bepalen ook gegrond was. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat het niet nodig was de voor de berekening van het subsidiepercentage gebruikte methode te wijzigen voor de andere in de steekproef opgenomen producent-exporteur.

(579)

Het subsidiepercentage dat voor deze soort subsidies in het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Terugbetaling van invoerrechten op natuurlijk rubber

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

1,10 %

Giti Group

3,64 %

Xingyuan Group

1,25 %

3.11.3.   Totaal van alle regelingen voor vrijstelling of vermindering van indirecte belastingen

(580)

Het totale subsidiepercentage dat in het kader van alle regelingen inzake indirecte belastingen en invoerrechten voor het onderzoektijdvak is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, bedraagt:

Vrijstellingen en verlagingen van indirecte belastingen

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

1,21 %

Giti Group

3,74 %

Hankook Group

0,13 %

Xingyuan Group

1,30 %

3.12.   Subsidieprogramma's

3.12.1.   Subsidies voor energiebesparing en -behoud en emissies

(581)

Alle in de steekproef opgenomen ondernemingen kregen verschillende subsidies voor milieubescherming en de reductie van emissies, zoals stimulansen voor milieubescherming en instandhouding van hulpbronnen, de bevordering van synergetisch gebruik van hulpbronnen, stimuleringsfondsen voor energiebehoud, de bevordering van demonstratiecentra voor energiebeheer, subsidies voor projecten ter vermindering van de luchtverontreiniging en stimulansen voor projecten betreffende een circulaire economie.

a)    Rechtsgrondslag

Wet van de Volksrepubliek China inzake energiebesparing, zoals gewijzigd en vastgesteld op 28 oktober 2007 en gewijzigd op 2 juli 2016;

Wet van de Volksrepubliek China ter bevordering van schonere productie, verordening nr. 54 van de president van de Volksrepubliek China, zoals gewijzigd op 29 februari 2012;

Maatregelen betreffende inspecties met het oog op schone productie, verordening nr. 38 van de NDRC en het Ministerie van Milieubescherming, zoals bekendgemaakt op 1 juli 2016;

Mededeling inzake de druk en verspreiding van „Tussentijdse maatregelen inzake het beheer van subsidies ten behoeve van energiebesparing en emissiereductie”, Ministerie van Financiën [2015] nr. 161;

Hoofdpunten van behoud en alomvattend gebruik van energie in de industrie in 2015, bekendgemaakt door het MIIT op 3 april 2015;

Uitvoeringsplan voor de transformatie en modernisering van de bandenindustrie in de provincie Shandong, bekendgemaakt door het Bureau van de volksregering van de provincie Shandong op 22 oktober 2014;

op lokaal niveau: Mededeling over toewijzingen in het kader van het speciale financieringsplan van Jiaozuo voor milieubescherming voor 2016; Mededeling over de toewijzing van het speciale fonds ter voorkoming van luchtvervuiling voor 2013, HeCaiZhiJian [2013] 702, en

Mededeling over de toewijzing van het projectfonds van het centrum voor energiebeheer voor industriële ondernemingen voor 2014, CaiJian [2013] 470.

b)    Conclusie

(582)

Het programma voor energiebesparing en -behoud en emissiereductie verleent subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, namelijk een overdracht van middelen van de Chinese overheid in de vorm van steun aan de producenten van het betrokken product.

(583)

De Commissie heeft ook vastgesteld dat dit subsidieprogramma specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening omdat alleen ondernemingen die werken met sleuteltechnologieën of in de productie van primaire producten die worden vermeld in de richtsnoeren en catalogi die regelmatig worden gepubliceerd, daarvoor in aanmerking komen. In het bijzonder wordt de chemische industrie in het document van het MIIT van 2015 uitdrukkelijk genoemd als een bedrijfstak waarvoor specifieke stimulansen met betrekking tot energiebehoud worden gegeven.

(584)

Bovendien dient het Beleid inzake de bandenindustrie ter bevordering van „de ontwikkeling van […] energiebesparende [en] milieuvriendelijke” banden. Volgens het Uitvoeringsplan voor de transformatie en modernisering van de bandenindustrie in de provincie Shandong (91) zijn energiebesparing en emissiereductie hoofddoelstellingen voor de bandenindustrie in Shandong. Op grond hiervan moet steun worden verleend voor investeringen, kredieten en belastingen in verband met de productie en toepassing van „groene” (dat wil zeggen milieuvriendelijke) banden (92).

c)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(585)

Het voordeel is berekend als het bedrag dat in het onderzoektijdvak is ontvangen of daaraan is toegerekend, waarbij het bedrag werd afgeschreven over de gebruiksduur van de vaste activa waarvoor de subsidie gegeven werd. De Commissie onderzocht of overeenkomstig punt F.a) van de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van de omvang van de subsidie (93) een aanvullende jaarlijkse commerciële rente moest worden toegepast. Een dergelijke aanpak had echter moeten zijn gebaseerd op een reeks complexe hypothetische factoren waarover geen nauwkeurige gegevens beschikbaar zijn. Daarom achtte de Commissie het passender om de bedragen overeenkomstig de berekeningsmethode in eerdere zaken (94) aan het onderzoektijdvak toe te rekenen volgens het afschrijvingspercentage van de vaste activa.

(586)

Het subsidiepercentage dat voor deze soort subsidies in het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Subsidies voor energiebesparing en -behoud

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

0,02 %

Giti Group

0,04 %

Xingyuan Group

0,01 %

3.12.2.   Subsidies voor technologische modernisering, vernieuwing of omschakeling

(587)

De in de steekproef opgenomen ondernemingen kregen diverse subsidies op grond van dit programma inzake O & O, technologische modernisering en innovatie, zoals de bevordering van O & O krachtens plannen ter ondersteuning van wetenschap en technologie, bevordering van investeringen voor aanpassing, wederopleving en technologische vernieuwing enz.

a)    Rechtsgrondslag

Dertiende vijfjarenplan inzake technische innovatie;

Richtsnoeren voor de bevordering van de technologische vernieuwing van ondernemingen, Staatsraad, Guo Fa [2012] 44;

Werkplan voor de wederopleving van de industrie en technologische vernieuwing, bekendgemaakt door de NDRC en het MIIT, 2015;

het door de Staatsraad in 2006 afgekondigde programma voor de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling op middellange tot lange termijn (2006-2020);

Administratieve maatregelen voor het nationale plan voor wetenschappelijke en technologische ondersteuning, zoals herzien in 2011, en

op lokaal/provinciaal niveau: mededelingen over de toewijzing van speciale fondsen voor technische vernieuwing, speciale fondsen voor de wederopleving van de industrie, speciale fondsen voor technische omschakeling en speciale fondsen voor industriële ontwikkeling.

b)    Conclusie

(588)

Volgens de Richtsnoeren voor de bevordering van de technologische vernieuwing van ondernemingen (deel 3.2) zijn de centrale en lokale overheden gehouden de financiële steun en de investeringen te verhogen, met bijzondere aandacht voor industriële omschakeling en modernisering op essentiële gebieden en ten aanzien van kritieke aspecten van technologische vernieuwing. Voorts moeten de autoriteiten hun methoden voor het fondsbeheer voortdurend vernieuwen en verbeteren, verschillende soorten steun flexibel toepassen en belastingmiddelen efficiënter besteden.

(589)

Het Werkplan voor de wederopleving van de industrie en technologische vernieuwing strekt tot praktische uitvoering van de hierboven bedoelde richtsnoeren door de oprichting van speciale fondsen voor de bevordering van technologische vooruitgang en projecten op het gebied van technologische omschakeling. Deze fondsen omvatten investeringssubsidies en leningen tegen verlaagde rentetarieven. De fondsen moeten in overeenstemming met het nationale macro-economische beleid, het industriebeleid en het beleid voor regionale ontwikkeling worden gebruikt.

(590)

De subsidies op grond van dit programma zijn subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, namelijk een overdracht van middelen van de Chinese overheid in de vorm van steun aan de producenten van het betrokken product.

(591)

De Commissie heeft ook vastgesteld dat die subsidies specifiek zijn in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening omdat alleen ondernemingen die actief zijn op essentiële gebieden of die werken met sleuteltechnologieën die worden vermeld in de richtsnoeren, administratieve maatregelen en catalogi die regelmatig worden gepubliceerd, daarvoor in aanmerking komen. De banden- en/of de (petro)chemische sector worden genoemd als in aanmerking komende sectoren.

c)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(592)

Het voordeel is berekend volgens de in overweging 585 beschreven methode.

(593)

Het subsidiepercentage dat voor deze soort subsidies in het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Subsidies voor technologische modernisering, vernieuwing of omschakeling

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

0,03 %

Giti Group

0,15 %

Hankook Group

0,05 %

3.12.3.   Ad-hocsubsidies van gemeentelijke/regionale overheden

(594)

De klager heeft in zijn klacht bewijsmateriaal verstrekt waaruit bleek dat de bandenindustrie in de VRC verschillende eenmalige of regelmatige subsidies zou ontvangen van verschillende lokale, regionale en nationale overheden.

(595)

Uit het onderzoek is gebleken dat elk van de vier in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen grote eenmalige of regelmatige subsidies heeft ontvangen van overheden op verschillende bestuursniveaus, waardoor zij in het OT voordelen hebben gekregen. Sommige daarvan hadden de in de steekproef opgenomen ondernemingen reeds vermeld in hun antwoorden op de vragenlijst, andere zijn tijdens de controles ter plaatse aan het licht gekomen. Geen daarvan was vermeld in het antwoord op de vragenlijst van de Chinese overheid.

a)    Rechtsgrondslag

(596)

Deze subsidies werden aan de ondernemingen toegekend door nationale, provinciale, stedelijke, gewestelijke of districtsautoriteiten en bleken allemaal specifiek te zijn voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen, dan wel specifiek voor de ligging van de onderneming of de soort sector. Er zijn geen juridische details verstrekt over de specifieke wet op grond waarvan die voordelen werden toegekend, als er al een rechtsgrondslag voor was. In enkele gevallen is de Commissie echter een afschrift overhandigd van een document van een overheidsinstantie dat met de toekenning van middelen gepaard ging („de mededeling” genoemd).

b)    Bevindingen van het onderzoek

(597)

Gezien de grote hoeveelheid subsidies die zijn vermeld in de klacht en/of zijn geconstateerd in de boekhouding van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, wordt in dit informatiedocument slechts een samenvatting van de belangrijkste bevindingen gegeven. De bewijzen van het bestaan van een groot aantal subsidies en van het feit dat die subsidies door verschillende lagen van de Chinese overheid werden verleend, werden aanvankelijk door de vier in de steekproef opgenomen ondernemingen geleverd; de bevindingen met betrekking tot deze subsidies worden in de specifieke tot hen gerichte informatiedocumenten uitvoerig uiteengezet.

(598)

Voorbeelden van dergelijke subsidies zijn octrooifondsen, fondsen en prijzen voor wetenschap en technologie, fondsen voor bedrijfsontwikkeling, fondsen ter bevordering van de uitvoer, subsidies voor basisinfrastructuur, prijzen voor industriële productie of industriële investeringen, prijzen voor veilige productie, steunfondsen op plaatselijk of provinciaal niveau, en lagere rente op leningen voor ingevoerde apparatuur.

c)    Conclusie

(599)

Die subsidies zijn subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening, daar sprake was van een overdracht van middelen van de Chinese overheid in de vorm van steun aan de producenten van het betrokken product en aldus een voordeel is verleend.

(600)

Die subsidies zijn ook specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), en artikel 4, lid 3, van de basisverordening, aangezien zij beperkt lijken te zijn tot bepaalde ondernemingen of specifieke projecten in specifieke regio's en/of de bandenindustrie. Bovendien zijn sommige van die subsidies afhankelijk van uitvoerprestaties in de zin van artikel 4, lid 4, onder a). Zij voldoen niet aan de eisen voor niet-specifieke subsidies die zijn vastgesteld in artikel 4, lid 2, onder b), van de basisverordening, aangezien de criteria om in aanmerking te komen en de werkelijke selectiecriteria voor ondernemingen niet transparant en niet objectief zijn en evenmin automatisch gelden.

(601)

In alle gevallen hebben de ondernemingen informatie verstrekt over het bedrag van de subsidie en over de instantie die de subsidie heeft verleend. De betrokken ondernemingen boekten deze inkomsten in hun rekeningen ook meestal onder de rubriek „inkomsten uit subsidies” en hebben die rekeningen door een onafhankelijke instantie laten controleren. Dit werd beschouwd als een positief bewijs van het bestaan van een subsidie waardoor een tot compenserende maatregelen aanleiding gevend voordeel werd toegekend.

(602)

Daarom besloot de Commissie dat de bij de controlebezoeken geverifieerde bevindingen een redelijke indicatie geven van de mate van subsidiëring in dit verband. Daar die subsidies gemeenschappelijke kenmerken hebben, werden verleend door een overheidsinstantie en geen deel uitmaakten van een afzonderlijke subsidieregeling maar van individuele subsidies ter bevordering van deze bedrijfstak, beoordeelt de Commissie ze gezamenlijk.

(603)

Hankook Group merkte op dat de Commissie de door de dochtermaatschappij Shanghai Hankook Tire Sales Co. Ltd („SHT”) ontvangen subsidies niet mag compenseren omdat deze maatschappij niet bij de uitvoer van het betrokken product was betrokken. De Commissie merkte echter op dat de activiteiten van SHT onder andere onderhandelingen omvatten voor de aankoop van grondstoffen en dat SHT een cruciale rol speelt in het kader van het cash pooling systeem ten gunste van de producenten-exporteurs van de groep. Daarom is er een duidelijk verband met het betrokken product en geven de door SHT ontvangen subsidies aanleiding tot compenserende maatregelen.

(604)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde China National Tire Group aan dat de Commissie de brongegevens voor een specifieke subsidie met betrekking tot de producent-exporteur Yellow Sea niet had verstrekt. De gegevens in kwestie waren eigenlijk opgenomen in de specifieke mededeling van feiten en overwegingen, maar deze waren opgenomen in de werkbladen voor grondgebruiksrechten in plaats van subsidies aangezien de subsidie was verstrekt in verband met de verkoop van een perceel grond. Desondanks was het bedrag van de subsidie correct toegevoegd aan de subsidies van de onderneming. China National Tire Group voerde ook aan dat de Commissie de foutieve omzet heeft gebruikt voor de berekening van de subsidie. De Commissie bleef echter bij haar standpunt dat de correcte omzet is gebruikt aangezien de subsidie specifiek verband hield met de onderneming Qingdao Yellow Sea Rubber Co. Ltd Deze argumenten werden daarom afgewezen.

d)    Berekening van de hoogte van de subsidie

(605)

Het voordeel is berekend volgens de in overweging 585 beschreven methode.

(606)

Het subsidiepercentage dat voor deze soort subsidies in het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Ad-hocsubsidies

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

1,46 %

Giti Group

0,18 %

Hankook Group

0,01 %

Xingyuan Group

0,05 %

3.12.4.   Andere subsidies

(607)

De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hebben in het onderzoektijdvak geen financiële bijdrage ontvangen uit de overige subsidieprogramma's die worden vermeld in deel 3.3, iii).

3.12.5.   Totaal voor alle subsidies

(608)

Het totale subsidiepercentage dat voor alle subsidies in het onderzoektijdvak voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt:

Subsidies

Onderneming/groep

Subsidiepercentage

China National Tire Group

1,51 %

Giti Group

0,37 %

Hankook Group

0,06 %

Xingyuan Group

0,06 %

3.13.   Conclusie over subsidiëring

(609)

De Commissie heeft het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen overeenkomstig de basisverordening berekend door elke subsidie of elk subsidieprogramma te onderzoeken, en heeft deze cijfers opgeteld om voor elke producent-exporteur in het onderzoektijdvak de totale subsidiëring te berekenen. Om de onderstaande totale subsidiëring te berekenen, heeft de Commissie eerst het percentage van de subsidiëring berekend, dit is het subsidiebedrag als percentage van de totale omzet van de onderneming. Dat percentage werd vervolgens gebruikt om de subsidie te berekenen die werd toegekend voor de uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het onderzoektijdvak. Daarna werd het subsidiebedrag per ton betrokken product berekend die in het onderzoektijdvak naar de Unie was uitgevoerd, en werden de onderstaande marges berekend als percentage van de cif-waarde van dezelfde uitvoer per ton.

(610)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument was Giti Group het niet eens met de verdeelsleutels voor sommige ondernemingen die het betrokken product niet vervaardigden of verkochten. De Commissie was het gedeeltelijk eens met de aangevoerde argumenten en heeft de berekening van de hoogte van de subsidie voor de groep dienovereenkomstig aangepast.

(611)

Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de basisverordening is de totale subsidie voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen, berekend op basis van het totale gewogen gemiddelde bedrag van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden ingesteld, dat is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs, met uitzondering van verwaarloosbare bedragen en van het bedrag dat is vastgesteld voor de subsidies die onder artikel 28, lid 1, van de basisverordening vallen. De Commissie heeft de bevindingen met betrekking tot preferentiële leningen echter niet buiten beschouwing gelaten, ook al moest zij voor de vaststelling van die bedragen ten dele afgaan op de beschikbare gegevens. De Commissie is immers van mening dat de beschikbare gegevens die in die gevallen zijn gebruikt, de informatie die nodig is om het bedrag van de subsidiëring door de preferentiële leningen op billijke wijze te bepalen, niet ingrijpend beïnvloedden, zodat exporteurs die niet zijn verzocht mee te werken aan het onderzoek, door die aanpak niet worden geschaad (95).

(612)

Gezien de hoge mate van medewerking van de Chinese producenten-exporteurs heeft de Commissie het bedrag voor „alle andere ondernemingen” vastgesteld op het niveau van het hoogste bedrag dat is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Het bedrag voor alle andere ondernemingen is toegepast voor de ondernemingen die niet aan het onderzoek hebben meegewerkt.

Naam van de onderneming

Hoogte van de subsidies die aanleiding geven tot compenserende maatregelen

China National Tire Group

32,85 %

Giti Group

7,74 %

Hankook Group

2,06 %

Xingyuan Group

51,08 %

Andere medewerkende ondernemingen

18,01 %

Alle andere ondernemingen

51,08 %

4.   SCHADE

4.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie

(613)

Het soortgelijke product werd tijdens de beoordelingsperiode door meer dan 380 producenten in de Unie geproduceerd. Die producenten vormen de „bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening.

(614)

De totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak werd vastgesteld op ongeveer 21,7 miljoen banden. De Commissie heeft de totale productie in de Unie vastgesteld op basis van de tijdens het onderzoek verkregen gegevens. Zoals vermeld in overweging 30, zijn tien producenten in de Unie die in de uiteindelijke steekproef zijn opgenomen goed voor meer dan 36 % van de productie en verkoop van het soortgelijke product in de Unie zoals gemeld door de medewerkende producenten in de Unie. Daarom werden de micro-economische indicatoren onderzocht op basis van de gegevens die uit de antwoorden van die tien producenten in de Unie werden verkregen.

(615)

De productie in de Unie is versnipperd over grote groepen ondernemingen en meer dan 380 kleine en middelgrote ondernemingen in de hele Unie. Grote ondernemingen vertegenwoordigen ongeveer 90 % van de totale productie in de Unie en ongeveer 87 % van de verkoop in de Unie door producenten in de Unie. Kleine en middelgrote ondernemingen zijn betrokken bij de productie van coverbanden en vormen de resterende 10 % van de productie in de Unie en ongeveer 13 % van de verkoop in de Unie door producenten in de Unie in het onderzoektijdvak (Zie tabel 5 — Aandeel van de verkoop door kmo's in de totale verkoop in de Unie).

(616)

In de steekproef opgenomen producenten bleken het betrokken product uit de VRC in te voeren en op de markt van de Unie door te verkopen. In vergelijking met hun totale verkoop is de invoer evenwel marginaal en heeft die geen gevolgen voor hun kwalificatie als producent in de Unie.

(617)

Zoals vermeld in de overwegingen 613 tot en met 615 werd het soortgelijke product vervaardigd door meer dan 380 producenten in de Unie, die zowel nieuwe banden als coverbanden produceren. Zij zijn samen omschreven als de bedrijfstak van de Unie.

(618)

De CCCMC en CRIA beweerden dat de loopvlakvernieuwingsbedrijven die al dan niet onder de tolregelingen opereren geen deel kunnen uitmaken van de bedrijfstak van de Unie. Zij waren van mening dat de markt voor loopvlakvernieuwing een markt voor nadiensten is die niet kan worden beschermd door antisubsidiemaatregelen aangezien loopvlakvernieuwingsbedrijven een bestaande band die gedeeltelijk versleten is, herverwerken zodat hij kan worden gebruikt. Daarenboven kunnen loopvlakvernieuwingsbedrijven die onder een tolregeling werken de behuizing niet bezitten. De klanten behouden de eigendom van de behuizing terwijl de behuizing de behandeling ondergaat en een nieuw loopvlak wordt aangebracht op een versleten band voor hij aan de eigenaar wordt terugbezorgd.

(619)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalden CRIA en CCCMC hun argument dat het van een nieuw loopvlak voorzien een dienst is. Zij waren van mening dat de concepten van producent en dienstverlener elkaar uitsluiten.

(620)

De Commissie merkte op dat de loopvlakvernieuwingsindustrie de behuizing van een versleten band een tweede leven geeft (of nog meer levens, aangezien hetzelfde karkas meermaals van een nieuw loopvlak kan worden voorzien). Een versleten band is niet langer veilig om op de openbare weg te gebruiken en kan niet terug in het verkeer worden gebracht. Zonder het loopvlakvernieuwingsproces bestaat het lot van een versleten band er enkel nog in op de vuilnisbelt te belanden; hoewel een deel van de versleten band kan worden gepyrolyseerd om er uit banden gewonnen brandstof mee te produceren. Zoals beschreven in overweging 81 is loopvlakvernieuwing in wezen een recyclingproces waarbij versleten banden worden vernieuwd door het loopvlak op een oud karkas te vervangen. Daarom is loopvlakvernieuwing niet louter een dienst, maar een productieproces. Ongeacht de eigendomsregelingen zijn de loopvlakvernieuwers producenten in de Unie die beginnend van een karkas een band produceren.

(621)

Bovendien eindigt de levenscyclus van versleten banden op één van de volgende twee manieren: zij worden als afval weggegooid of als een goed karkas voor loopvlakvernieuwing gebruikt. Als de band als afval wordt beschouwd, moet de eigenaar mogelijk een vergoeding betalen om de versleten band als afval te deponeren. In het tweede scenario wordt de versleten band een bron van inkomsten. Loopvlakvernieuwers kunnen de versleten band van een garage kopen of een versleten band onder een tolregeling van een nieuw loopvlak voorzien. Alle geverifieerde loopvlakvernieuwers gebruiken twee bronnen voor de productie van banden, namelijk karkassen op voorraad of tolregelingen. De aankoopprijs van een versleten band bedroeg gemiddeld ongeveer 10 % van de totale productiekosten van een band die van een nieuw loopvlak is voorzien. De Commissie was van oordeel dat het verschil in productiekosten of in de toegevoegde waarde tussen de twee wijzen van het van een nieuw loopvlak voorzien van karkassen niet aanzienlijk was, en beschouwde deze als twee verschillende bedrijfsmodellen voor loopvlakvernieuwing. Derhalve heeft de Commissie geconcludeerd dat de loopvlakvernieuwers deel uitmaken van de bedrijfstak van de Unie.

(622)

Het gevolg is dat de door de loopvlakvernieuwers ingediende en door de Commissie onderzochte gegevens (met inbegrip van werkelijke kosten en verkoopprijzen) werden gebruikt voor de vaststelling van de schade-indicatoren en de berekening van de schademarge.

4.2.   Verbruik in de EU

(623)

Zoals vermeld in overweging 50 heeft de Commissie bij twee niet-verbonden importeurs een controlebezoek uitgevoerd. Daaruit bleek dat de invoer van het betrokken product tijdens de beoordelingsperiode ook was aangegeven onder de GN-codes 4011 90 00 en 4011 99 00. Deze invoer betrof banden van segment 3. Het was echter niet mogelijk om vast te stellen of er een systematisch probleem was met de aangifte van het betrokken product, dan wel of de kwestie beperkt was tot deze specifieke importeur.

(624)

Daarnaast was de totale hoeveelheid die de medewerkende Chinese producenten-exporteurs tijdens het onderzoektijdvak hebben opgegeven groter dan de totale ingevoerde hoeveelheid van oorsprong uit de VRC (bron: Eurostat Comext). Aangezien deze producenten-exporteurs echter geen gegevens over de voorgaande jaren hebben verstrekt, heeft de Commissie voorzichtigheidshalve besloten om de omvang van de invoer uit de VRC niet te herzien.

(625)

Vervolgens is gebleken dat bij de voorlopige vaststelling van het verbruik in de Unie geen rekening was gehouden met de verkoop van loopvlakleveranciers die niet bij ETRMA EUROPOOL waren aangesloten. Bijgevolg heeft de Commissie het verbruik in de Unie voor de beoordelingsperiode herzien.

(626)

Het herziene verbruik in de Unie (96) heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 1

Verbruik in de Unie (in eenheden)  (97)

 

2014

2015

2016

Onderzoektijdvak

Totaal verbruik in de Unie

20 499 603

20 962 782

21 600 223

21 748 781

Index (2014 = 100)

100

102,3

105,4

106,1

Bron: ETRMA en loopvlakleveranciers die niet bij ETRMA EUROPOOL waren aangesloten.

(627)

Bijgevolg is het verbruik in de Unie tijdens de beoordelingsperiode toegenomen. Over de beoordelingsperiode genomen steeg het verbruik met 6,1 %, van ongeveer 20,5 miljoen banden in 2014 naar ongeveer 21,7 miljoen banden in het onderzoektijdvak.

4.3.   Achtergrond met betrekking tot de markt van de Unie

4.3.1.   Algemene omschrijving

(628)

De markt van de Unie voor banden voor vrachtwagens en autobussen is een zeer concurrerende markt, met meerdere producenten en merken.

(629)

De markt van de Unie is verdeeld tussen de verkoop voor eerste uitrusting aan producenten van vrachtwagens en bussen en de vervangingsmarkt. De vraag van de markt naar banden voor vrachtwagens en autobussen in de sector eerste uitrusting wordt gedreven door de productie van vrachtwagens en bussen, terwijl de vervangingsmarkt wordt beïnvloed door een groot aantal factoren, waaronder economische activiteit, omzet, grootte, samenstelling en gebruik van de vrachtwagens of bussen en het in gebruik zijnde voertuigpark. De invoer uit China is vooral bestemd voor de vervangingsmarkt.

(630)

Circa 17 % van het totale verbruik in de Unie betreft eerste uitrusting die wordt verkocht aan producenten van vrachtwagens en bussen. De resterende verkoop van banden voor vrachtwagens en autobussen in de Unie betreft vervangingsbanden die direct of indirect worden verkocht aan de eigenaars van vrachtwagens of bussen. De vervangingsbanden bestrijken een breder scala aan banden en worden verkocht via een groot aantal kanalen met verschillende marketingstrategieën. Vervangingsbanden kunnen rechtstreeks aan eindgebruikers worden verkocht of via verbonden of niet-verbonden distributeurs die de producten verder verkopen aan de eindgebruikers.

(631)

De belangrijkste verkoopkanalen zijn de verkoop aan distributeurs die doorverkopen aan de eigenaren van voertuigparken of de rechtstreekse verkoop aan eigenaren van voertuigparken, hetgeen soms gepaard gaat met dienstverlening (controle, onderhoud, service).

(632)

Ook branding beïnvloedt de prijs die afnemers bereid zijn te betalen voor banden voor vrachtwagens en autobussen. Merken worden vaak geassocieerd met een vermeende kwaliteit en dienstverlening, en dat geldt nog meer voor banden van betere kwaliteit.

4.3.2.   Interconnectie tussen nieuwe banden en coverbanden

(633)

De Commissie heeft vastgesteld dat de belangrijkste producenten in de Unie vooral actief zijn in de segmenten 1 en 2, waar banden werden/worden ontworpen om een lange levenscyclus te hebben en te kunnen worden voorzien van een nieuw loopvlak. Dat rechtvaardigde aanzienlijk hogere prijzen (en winstmarges) voor de verwachte goede prestaties van banden van de segmenten 1 en 2.

(634)

Uit het onderzoek is gebleken dat de grotere producenten in de Unie de mogelijkheid om hun banden van een nieuw loopvlak te voorzien actief gebruiken als middel om merkentrouw te creëren en zich te onderscheiden van goedkopere ingevoerde banden van segment 3. Aldus is uit het onderzoek gebleken dat een groot deel van de waarde die wordt toegeschreven aan banden van de segmenten 1 en 2 in feite voortvloeit uit het bestaan van de loopvlakvernieuwingsindustrie in segment 3.

(635)

De hoge substitueerbaarheid van coverbanden en nieuwe banden maakt segment 3 echter ook het meest kwetsbaar voor laaggeprijsde Chinese invoer van het betrokken product. Dit is met name het geval wanneer men bedenkt dat de gebruikers zich ervan bewust zijn dat de prestaties van coverbanden en nieuwe banden van lage kwaliteit niet significant verschillen. Die substitueerbaarheid leidt er op haar beurt toe dat de prijs de bepalende factor is voor de beslissing van de consument om coverbanden dan wel nieuwe banden van segment 3 te kopen.

(636)

De Commissie heeft belanghebbenden uitgenodigd opmerkingen te maken over de voorlopige beoordeling en informatie te verstrekken die haar analyse ondersteunt of tegenspreekt, zodat zij in de laatste fase van dit onderzoek een zo volledig mogelijk beeld kon krijgen.

(637)

Een aantal belanghebbenden heeft bezwaar gemaakt tegen de interconnectie tussen nieuwe banden en coverbanden en tussen segmenten. De Commissie heeft alle informatie over deze kwestie gebundeld in een dossiernotitie over interconnectie (98).

(638)

Wat overweging 634 betreft, hebben CRIA en CCCMC beweerd dat er aan banden van de segmenten 1 en 2 geen waarde is toegeschreven die voortvloeit uit het bestaan van de loopvlakvernieuwingsindustrie.

(639)

Informatie over het belang van de loopvlakvernieuwingsindustrie is goed verspreid en algemeen beschikbaar. Zoals vermeld in overweging 90 vervaardigen de producenten van nieuwe banden ook coverbanden. Sommige Chinese producenten-exporteurs hebben hun eigen merk voor coverbanden, zoals Hankook AlphaTread of Giti Genesis. Zoals in de dossiernotitie over interconnectie is uitgelegd, heeft de Commissie vastgesteld dat de belangrijkste producenten van banden, met inbegrip van de Chinese producenten-exporteurs, actief waren in de loopvlakvernieuwingsindustrie. Hankook werkt voor zijn loopvlakvernieuwingsactiviteiten samen met loopvlakvernieuwers in de Unie, zoals Vacu-Lug in het Verenigd Koninkrijk of B.R.P. Pneumatici in Italië. Giti Genesis, voorheen bekend onder de naam GT Ree Tread, werkt samen met Vacu-Lug in het Verenigd Koninkrijk.

(640)

Bovendien heeft Pirelli Italië in 2009 met betrekking tot een met Marangoni (een loopvlakvernieuwingsbedrijf in de Unie) gesloten contract verklaard dat dit project, dat deel uitmaakt van de strategie om de dienstverlening door Pirelli Truck te versterken en uit te breiden, tot doel heeft waarde toe te voegen aan met name de nieuwe producten in de 88-reeks en de 01-reeks die in 2009 op de Europese markt zijn geïntroduceerd en die onder meer worden gekenmerkt door het feit dat ze zeer geschikt zijn voor loopvlakvernieuwing (99). Andere producenten maken ook reclame voor het feit dat hun banden geschikt zijn voor loopvlakvernieuwing, zoals de importeur van het merk Athos die stelt dat Athos-banden kunnen worden geherprofileerd en geschikt zijn voor koude en warme loopvlakvernieuwing, of Aeolus (100) (beide ingedeeld in segment 3). Dit geeft aan dat de geschiktheid voor loopvlakvernieuwing in zowel de Europese Unie als het betrokken land een belangrijke waardefactor is. Uit het onderzoek van de Commissie is immers gebleken dat producenten van de hogere segmenten in hoge mate afhankelijk zijn van het bestaan en de beschikbaarheid van een loopvlakvernieuwingsindustrie om hun banden in de markt te zetten als hoogwaardige producten en om hun klant- en bedrijfscontinuïteitsstrategieën te realiseren. Zoals ook blijkt uit de dossiernotitie over interconnectie, wordt de geschiktheid voor loopvlakvernieuwing door de productiesector in de Unie en het betrokken land beschouwd als niet louter een verkoopargument, maar een echte waardestuwer voor de hogere segmenten. De waarde en de verkoopprijs van banden van de hogere segmenten zijn daardoor onlosmakelijk verbonden met een gezonde loopvlakvernieuwingsindustrie verderop in de keten. Om die redenen heeft de Commissie in overweging 634 verklaard dat „een groot deel van de waarde die wordt toegeschreven aan banden van de segmenten 1 en 2 in feite voortvloeit uit het bestaan van een loopvlakvernieuwingsindustrie in segment 3.”

(641)

Op die basis heeft de Commissie haar oorspronkelijke bevindingen in verband met de interconnectie tussen nieuwe banden en coverbanden en tussen segmenten bevestigd.

(642)

Wat overweging 635 betreft, waren CRIA en CCCMC van mening dat de Commissie niet heeft bekendgemaakt wat de bron is waaruit blijkt dat coverbanden in hoge mate onderling verwisselbaar zijn, wat er op zijn beurt toe leidt dat de prijs de bepalende factor is voor de beslissing van de consument om coverbanden dan wel nieuwe banden van segment 3 te kopen.

(643)

De Commissie aanvaardde dat argument. Daarom heeft de Commissie in haar dossiernotitie over interconnectie voorbeelden gegeven van banden van verschillende segmenten met gemeenschappelijke verkoopkanalen.

4.4.   Invoer uit het betrokken land

4.4.1.   Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

(644)

De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld aan de hand van gegevens van Eurostat.

(645)

Op basis van de herziene berekening van het verbruik in de Unie volgens overweging 626 ontwikkelden de invoer in de Unie uit het betrokken land en het marktaandeel zich als volgt:

Tabel 2

Omvang van invoer (in eenheden) en marktaandeel

 

2014

2015

2016

Onderzoektijdvak

Omvang van de invoer uit de VRC (in eenheden)

3 471 997

3 840 290

4 420 368

4 596 098

Index (2014 = 100)

100

110,6

127,3

132,4

Marktaandeel

16,9 %

18,3 %

20,5 %

21,1 %

Index (2014 = 100)

100

108,2

120,8

124,8

Bron: Eurostat Comext

(646)

Volgens Eurostat is de invoer uit de VRC in de beoordelingsperiode met 32 % gestegen, van ongeveer 3,5 miljoen banden in 2014 naar ongeveer 4,6 miljoen banden in het onderzoektijdvak. Dit resulteerde in een toename van het marktaandeel van de Chinese invoer op een groeiende markt van 16,9 % naar 21,1 %.

(647)

De China National Tire Group en Pirelli hebben aangevoerd dat de Commissie bij haar analyse rekening had moeten houden met de toename van het verbruik in de Unie en dat zij een afzonderlijke analyse voor de drie segmenten had moeten verstrekken. De partijen hebben geargumenteerd dat, ten opzichte van 2015, in 2016 de invoer van banden van de segmenten 1 en 2 uit de VRC met respectievelijk 2,7 % en 2 % is gedaald, terwijl de invoer van banden van segment 3 met 3,9 % is gestegen. Als conclusie hebben zij aangevoerd dat enige beweerde (absolute of relatieve) toename van de invoer in het onderzoektijdvak niet aanzienlijk was en geen schade voor de bedrijfstak van de Unie veroorzaakte.

(648)

Zoals in overweging 697 uiteengezet, is de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie geanalyseerd op geaggregeerde basis, met inbegrip van de analyse van de invoer. Het was slechts in bepaalde belangrijke micro-economische indicatoren dat de aanvullende analyse op het niveau van de segmenten is uitgevoerd, gezien de indeling van de markt van de Unie in segmenten. De omvang van de invoer van het betrokken product uit de VRC steeg. Op basis van de invoerstatistieken van Eurostat Comext (die, zoals in de overwegingen 623 en 624 uiteengezet, mogelijk onvolledig zijn) is de omvang van de invoer uit de VRC in zowel absolute als relatieve termen aanzienlijk gestegen.

4.4.2.   Prijzen van de invoer uit het betrokken land

(649)

De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld aan de hand van gegevens van Eurostat. De prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van de gegevens van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs.

(650)

De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 3

Invoerprijzen (EUR/eenheid)

 

2014

2015

2016

Onderzoektijdvak

VRC

144,4

144,3

127,7

128,8

Index (2014 = 100)

100

99,9

88,4

89,1

Bron: Eurostat Comext

(651)

Tijdens de beoordelingsperiode zijn de Chinese prijzen bij invoer in de Unie met 11 % gedaald.

(652)

De China National Tire Group en Pirelli hebben gesteld dat de analyse van de Commissie geen enkele verwijzing naar de indeling van de markt in segmenten bevat en alleen cijfers van Eurostat weergeeft, zonder enige verwijzing naar de invoercijfers die bij de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zijn verzameld.

(653)

Zoals uitgelegd in overweging 697 is de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie geanalyseerd op geaggregeerde basis en, voor bepaalde micro-economische indicatoren, ook op het niveau van de segmenten gezien de indeling van de markt van de Unie in segmenten. In de berekening van de prijsonderbieding werden de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs echter vergeleken met de prijzen van de producenten in de Unie, rekening houdend met het specifieke segment waartoe zij behoorden.

(654)

China National Tire Group en Pirelli hebben verder betoogd dat de invoerprijzen aanzienlijk zijn beïnvloed door wisselkoersschommelingen. De Commissie ziet de relevantie van de wisselkoers niet in, aangezien alle bij de berekening van de schademarge voor vergelijkingsdoeleinden gebruikte prijzen in euro luiden. De schommelingen tussen de USD en de EUR hebben derhalve geen rol gespeeld bij het vaststellen van de prijsonderbieding of het niveau van de maatregelen. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(655)

Sommige belanghebbenden (Pirelli, Giti Group) hebben beweerd dat volgens Eurostat de prijzen van de invoer uit de VRC (voornamelijk banden van segment 3) de afgelopen drie jaar alleen maar zijn gedaald als gevolg van de dalende grondstofprijzen (met 15,6 EUR per eenheid). De partijen hebben verklaard dat de prijzen van grondstoffen (natuurlijk rubber en olie) aanzienlijk zijn gedaald, met een consequent effect op de invoerprijzen tijdens het onderzoektijdvak.

(656)

De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land en de prijzen van de belangrijkste grondstoffen hebben zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 4

Ontwikkeling van de invoerprijzen en de prijzen van de belangrijkste grondstoffen

 

2014

2015

2016

Onderzoektijdvak

Prijs van invoer uit de VRC (EUR/eenheid)

144,4

144,3

127,7

128,8

Index (2014 = 100)

100

100

88

89

Natuurlijk rubber:

SGX RSS3 USD/ton

1 957

1 560

1 641

2 050

Index (2014 = 100)

100

80

84

105

SGX TSR20 USD/ton

1 710

1 370

1 378

1 660

Index (2014 = 100)

100

80

81

97

Butadieen US-dollarcent per pond

59,0

34,0

37,2

62,5

Index (2014 = 100)

100

58

63

106

Brent-indicatoren USD per vat

99,7

53,4

43,6

49,6

Index (2014 = 100)

100

54

44

50

Bron: Eurostat Comext en de klacht

(657)

Tijdens de beoordelingsperiode hebben de prijzen van de invoer uit de VRC de ontwikkeling van de grondstofprijzen niet gevolgd. De prijzen van de invoer uit de VRC zijn in 2015 stabiel gebleven ten opzichte van 2014, maar de prijzen van de belangrijkste grondstoffen zijn aanzienlijk gedaald: met 20 % voor natuurlijk rubber en met ongeveer 45 % voor butadieen en Brent-indicatoren. Terwijl de prijzen van de invoer uit de VRC in 2016 met 12 % zijn gedaald ten opzichte van 2015, zijn de grondstofprijzen tamelijk stabiel gebleven. Ten slotte zijn de prijzen van de invoer uit de VRC stabiel gebleven in 2016 en tijdens het onderzoektijdvak, terwijl de prijzen van de meeste grondstoffen vanaf het tweede kwartaal van 2016 tot het eerste kwartaal van 2017 aanzienlijk zijn gestegen. De Commissie heeft geconcludeerd dat de prijzen van de invoer uit de VRC losstonden van de ontwikkeling van de grondstofprijzen. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

4.4.3.   Prijsonderbieding

(658)

De Commissie heeft de prijsonderbieding in het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:

1.

de gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort en segment die door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie werd berekend aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot de prijs af fabriek, en

2.

de overeenkomstige gewogen gemiddelde invoerprijzen per productsoort en segment die door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie werden berekend, op cif-basis, met de nodige correcties voor douanerechten en kosten na invoer.

(659)

De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de omzet van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Daaruit bleek dat de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de invoer van het betrokken product uit het betrokken land op de markt van de Unie tussen 18 % en 24 % bedroeg. De gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge in de drie segmenten bleek bovendien aanzienlijk te zijn: tussen 18 % en 20 % in segment 1 en tussen 22 % en 24 % in de segmenten 2 en 3. De aanzienlijke prijsonderbieding toont aan dat de invoer met subsidiëring in dit geval grote gevolgen heeft.

(660)

Meerdere belanghebbenden hebben aangevoerd dat de prijsonderbieding moet worden berekend naar analogie van de methode die voor de berekening van de dumpingmarge wordt gebruikt op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde verkoopprijzen per productsoort en segment van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie die aan niet-verbonden afnemers worden aangerekend met een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle vergelijkbare uitvoertransacties. Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalden meerdere belanghebbenden gelijkaardige argumenten. Bovendien hebben CRIA en CCCMC gesteld dat de Commissie de Chinese prijzen naar boven of de prijzen in de Unie voor coverbanden naar beneden moet bijstellen om ervoor te zorgen dat de vergeleken prijzen een vergelijkbare kilometrage weerspiegelen en om rekening te houden met service na verkoop en garantieservice die worden geboden door de producenten in de Unie die coverbanden verkopen, met name voor segment 3 omdat de Chinese producenten deze diensten niet leverden. Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalden de belanghebbenden gelijkaardige argumenten.

(661)

Zoals in de overwegingen 658 en 659 uiteengezet, is bij de methode op basis van de vergelijking van de prijsonderbieding uitgegaan van de gemiddelde verkoopprijs per productsoort (PCN) en per segment. De prijsonderbieding is berekend op basis van vergelijkbare transacties wat betreft de productsoort of per soort. Zoals binnen elk segment worden de banden qua kilometrage als vergelijkbaar beschouwd, wat betekent dat geen algemene correctie nodig was. Hetzelfde geldt voor garantieservice, met uitzondering van segment 3, waarbij producenten in de Unie in tegenstelling tot de Chinese producenten inderdaad wel service na verkoop en garantieservice kunnen bieden. Bijgevolg heeft de Commissie, wat segment 3 betreft, de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waar nodig gecorrigeerd voor service na verkoop en garantieservice. De prijsonderbiedingsmarge en de prijsbederfmarge zijn zonder enige weging vastgesteld in de zin van overweging 692.

(662)

Wat betreft het argument inzake de analogie tussen de berekening van de dumping en de berekening van de schade, heeft de Commissie opgemerkt dat bij de berekening van de dumpingmarges inderdaad rekening moet worden gehouden met „alle vergelijkbare uitvoertransacties” voor het soortgelijke product in zijn geheel (101). Daarentegen „is een onderzoekende autoriteit niet verplicht […] vast te stellen of er sprake is van prijsonderbieding voor elk van de productsoorten waarop het onderzoek betrekking heeft, of voor het gehele assortiment van goederen dat het binnenlandse soortgelijke product vormt. Een onderzoekende autoriteit is evenwel verplicht de gevolgen van de invoer met dumping voor de binnenlandse prijzen objectief te onderzoeken.” (102). In het onderhavige geval was de Commissie tevreden over de zeer hoge mate van overeenstemming tussen de op de markt van de Unie verkochte productsoorten van de producenten in de Unie en die van de producenten-exporteurs (de totale overeenstemming varieert van 80 % tot 90 %). Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(663)

CRIA en CCCMC hebben aangevoerd dat de Commissie nadere informatie moet bekendmaken over de fysische eigenschappen van de bandensoorten die voor vergelijkingsdoeleinden zijn gebruikt aangezien het zeer waarschijnlijk is dat er verschillen zijn die niet zijn weerspiegeld in de PCN's en die een correctie verdienen. Zij hebben gesteld dat zij niet in staat zijn deze verschillen vast te stellen omdat zij geen informatie hebben over de producten die door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie worden verkocht. De partijen hebben verder aangehaald dat het verslag van de WTO-beroepsinstantie in EC — Fasteners (103) deze aanpak ondersteunt.

(664)

De Commissie heeft dit argument niet aanvaard. Zij heeft erop gewezen dat het bovengenoemde verslag van de WTO-beroepsinstantie gaat over het niet verstrekken van de nodige informatie over de kenmerken van een bepaald product dat voor de vaststelling van de normale waarde is gebruikt. Dit heeft geleid tot een situatie waarin de producenten niet in staat waren te beslissen of zij al dan niet om correcties voor verschillen in handelsstadium moesten verzoeken om in het kader van dumpingberekeningen een correcte vergelijking te kunnen maken overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening. In het panelverslag in dezelfde zaak staat echter dat „hoewel het duidelijk is dat de algemene vereisten van artikel 3, lid 2, van de basisverordening, namelijk een objectief onderzoek en positief bewijsmateriaal, de manoeuvreerruimte van een onderzoekende autoriteit bij het uitvoeren van een analyse van de prijsonderbieding beperken, betekent dit niet dat de vereisten van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, namelijk dat terdege rekening moet worden gehouden met verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen, van toepassing zijn” (104). Daarom kan deze jurisprudentie niet worden ingeroepen in het onderhavige geval waarbij CRIA en CCCMC speculaties maken over het niet verstrekken van informatie over „andere relevante kenmerken” en verschillen die niet in de PCN's zijn weerspiegeld ten behoeve van berekeningen van de prijsonderbieding en de schade. Bovendien heeft de Commissie de prijsonderbieding in volgens haar gebruikelijke methode berekend waardoor een correcte vergelijking kan worden gemaakt waarbij de fysische en alle andere verschillen tussen de door de producenten in de Unie en de producenten-exporteurs verkochte productsoorten voldoende in de PCN's zijn weerspiegeld. Bovendien hadden de producenten-exporteurs, indien zij van mening waren dat hun producten specifieke kenmerken hebben die verschillen van de kenmerken van de producten van de Unie en die, volgens hen, niet gedekt worden door de PCN, dit bij tijd en stond moeten melden, wat niet is gebeurd. Het argument werd daarom afgewezen.

(665)

Sommige belanghebbenden hebben beweerd dat de Commissie de prijsonderbieding niet voor de hele beoordelingsperiode heeft vastgesteld. Alleen voor het onderzoektijdvak is een gedetailleerde berekening van de prijsonderbieding gemaakt. Hoewel de gemiddelde prijzen van de invoer uit de VRC in voorgaande perioden met de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie kunnen worden vergeleken, is een dergelijke vergelijking in wezen zinloos en onjuist aangezien i) geen afzonderlijke gegevens beschikbaar zijn voor de prijzen van de invoer uit de VRC per segment; en ii) bij deze gemiddelde prijzen geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat de productmix in de loop van de periode kan zijn veranderd.

(666)

In het verslag van de WTO-beroepsinstantie in China — HP-SSST (EU) (105) is gesteld dat een onderzoekende autoriteit het belang van de prijsonderbieding door de invoer met dumping moet beoordelen in verhouding tot het aandeel van de binnenlandse productie waarvoor geen prijsonderbieding is vastgesteld. De partijen waren van mening dat de Commissie deze beoordeling niet heeft uitgevoerd.

(667)

Zoals in overweging 658 vermeld, heeft de Commissie overeenkomstig de toepasselijke rechtspraak de berekeningen uitgevoerd op basis van de gecontroleerde gegevens voor het onderzoektijdvak, per PCN en per segment. Alle relevante berekeningen zijn aan de belanghebbenden meegedeeld, met inachtneming van hun procedurele rechten. Het algemene niveau van prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak bedroeg ongeveer 21 %, wat de Commissie als aanzienlijk beschouwt. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(668)

CRIA en CCCMC waren echter van mening dat het waarschijnlijk is dat de Commissie slechts voor een klein deel van de verkopen door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie prijsonderbieding heeft vastgesteld. Volgens hen moet de Commissie de eventuele prijsdruk beoordelen die door de invoer uit de VRC zou kunnen worden uitgeoefend op de resterende verkoop door de bedrijfstak van de Unie waarvoor de Commissie geen prijsonderbieding heeft vastgesteld.

(669)

Dit argument is afgewezen omdat het verkoopvolume van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie dat met de invoer van de Chinese producenten-exporteurs overeenkwam, aanzienlijk is (tussen 80 % en 90 %). De gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge in de drie segmenten bleek bovendien aanzienlijk te zijn (tussen 18 % en 24 %).

(670)

China National Tire Group en Heuver hebben om een herziening van de cif-prijzen van Aeolus verzocht om rekening te houden met de kosten van Heuver na invoer. Pirelli heeft gesteld dat de Commissie rekening moet houden met zijn extra kosten bij de vergelijking van banden van Pirelli met andere banden die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd en verkocht en met de (onafhankelijke) detailhandelaren.

(671)

De Commissie heeft vastgesteld dat Heuver niet verbonden was met China National Tire Group. Een correctie was derhalve niet gerechtvaardigd. Wat Pirelli betreft, is de gewogen gemiddelde cif-prijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening zoals beschreven in overweging 118 van de voorlopige verordening. Zoals uiteengezet in de overwegingen 673 tot en met 678 heeft de Commissie het passend geacht artikel 2, lid 9, van de antidumpingbasisverordening toe te passen naar analogie met de prijsonderbieding en het prijsbederf in geval van een antisubsidieprocedure in het licht van de Verklaring over geschillenbeslechting overeenkomstig de Overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 of deel V van de Overeenkomst inzake SCM, hetgeen een constante behandeling van zowel antidumping- als antisubsidiezaken veronderstelt. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(672)

Verschillende partijen voerden aan dat de Commissie geen beroep kan doen op de geconstrueerde exportprijzen bij de analyse van de prijsonderbieding en bij het bepalen van het schadeniveau en dat de gebruikte methode in strijd is met artikel 8, lid 1, onder a), en artikel 8, lid 2, van de basisverordening. Bovendien voerde de Hankook Group aan dat hij moet worden beschouwd als één enkele economische entiteit voor de berekening van de schademarge.

(673)

Ten eerste is in artikel 8, lid 1, van de basisverordening verwezen naar de gevolgen van de invoer met subsidiëring die schade kan berokkenen aan de producenten in de Unie en niet naar de wederverkoopprijs van een bedrijf (verbonden importeur) in de Unie aan een andere afnemer.

(674)

Ten tweede, wat de prijsonderbieding betreft, is in de basisverordening geen enkele specifieke methode voor dergelijke berekeningen opgenomen. De Commissie beschikt derhalve over een ruime discretionaire marge bij het beoordelen van deze schade-indicator. Deze discretionaire bevoegdheid is afgebakend door de noodzaak om conclusies te baseren op positief bewijsmateriaal en een objectief onderzoek te voeren op grond van artikel 8, lid 1, van de basisverordening.

(675)

Wanneer het gaat om de elementen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de prijsonderbieding (met name de prijs bij uitvoer), moet de Commissie het eerste punt aangeven waarop er concurrentie is (of kan zijn) met producenten in de Unie op de markt van de Unie. Dit is overigens ook de aankoopprijs van de eerste niet-verbonden importeur omdat die onderneming in beginsel de keuze heeft om hetzij van de bedrijfstak van de Unie of van overzeese klanten het product af te nemen. Daarentegen kan het punt waarop echte concurrentie plaatsvindt niet worden vastgesteld door te kijken naar de wederverkoopprijzen van niet-verbonden importeurs. Dit is slechts het punt waarop de vaste verkoopstructuur van de exporteur probeert klanten te vinden, maar dit is al na het punt waarop de beslissing om in te voeren is genomen. Immers, zodra de exporteur zijn systeem van verbonden ondernemingen in de Unie heeft geïnstalleerd, hebben zij reeds besloten dat hun producten uit het buitenland zullen komen. Derhalve moet het vergelijkingspunt net zijn wanneer het goed de grens van de Unie oversteekt en niet in een later stadium in de distributieketen, bv. bij de verkoop aan de eindgebruiker van het goed.

(676)

Deze aanpak zorgt ook voor samenhang in de gevallen waar een producent-exporteur de goederen rechtstreeks verkoopt aan een niet-verbonden afnemer (hetzij importeur, hetzij eindgebruiker) omdat in dit scenario wederverkoopprijzen per definitie niet zouden worden gebruikt. Een andere benadering zou leiden tot een onderscheid tussen producenten-exporteurs uitsluitend op basis van het verkoopkanaal dat ze gebruiken. Deze benadering zorgt bovendien ook voor consistente resultaten in geval van parallelle antidumping- en antisubsidieonderzoeken.

(677)

In dit geval kan de invoerprijs niet in aanmerking worden genomen omdat de producent-exporteur en de importeur verbonden zijn. Derhalve, om een betrouwbare prijs bij invoer tegen marktconforme prijzen en voorwaarden vast te stellen, moet die prijs worden geconstrueerd op basis van de wederverkoopprijs van de verbonden importeur aan de eerste onafhankelijke afnemer als uitgangspunt. Voor de uitvoering van deze reconstructie zijn de regels inzake de constructie van de exportprijs als bedoeld in artikel 2, lid 9, van de antidumpingbasisverordening pertinent en zij worden bij analogie toegepast, net zoals zij pertinent zijn voor de vaststelling van de exportprijs voor dumpingdoeleinden. Bij de toepassing bij analogie van artikel 2, lid 9, van de antidumpingbasisverordening is het mogelijk om te komen tot een prijs die volledig vergelijkbaar is met de cif-prijs, grens Unie, die wordt gebruikt bij het onderzoek van verkopen aan niet-verbonden afnemers.

(678)

Daarom is, om te zorgen voor een billijke vergelijking, een aftrek van VAA-kosten en winst uit de wederverkoop aan onafhankelijke afnemers door de verbonden importeur gerechtvaardigd, om een betrouwbare cif-prijs te bereiken.

(679)

Verschillende partijen hebben de Commissie verzocht om de aard van bepaalde kosten na invoer en het toegepaste percentage bekend te maken, met vermelding van de bron. Bovendien heeft Xingyuan Group aangevoerd dat deze vaste kosten als een vast bedrag per band en niet als een percentage moeten worden toegerekend, omdat bij toerekening van een percentage exporteurs met prijzen aan de onderkant van de markt onbillijk worden benadeeld.

(680)

De Commissie heeft opgemerkt dat zij de cif-waarde met 3,2 % heeft verhoogd om rekening te houden met de kosten na invoer (die voor 60 % bestaan uit vervoerskosten, voor 32 % uit verladingskosten en voor 8 % uit douanekosten). De percentages zijn berekend op basis van gecontroleerde kosten na invoer per eenheid en zijn vervolgens uitgedrukt in een percentage van de cif-prijs van de gecontroleerde niet-verbonden importeurs.

(681)

CCCMC en CRIA beweerden dat de verschillen tussen nieuwe banden en coverbanden in aanmerking moeten worden genomen voor de billijke vergelijking in het onderzoek met het oog op het vaststellen van de prijsonderbieding en het prijsbederf.

(682)

Zoals in overweging 117, hebben nieuwe banden en coverbanden dezelfde fysieke basiskenmerken en dezelfde basistoepassingen. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(683)

Hankook groep vond een verschil tussen de gemelde winstmarge voor segment 1 en de streefwinstmarge die is gebruikt voor de vaststelling van de prijsbederfmarge.

(684)

De Commissie heeft de prijsbederfmarges doorgelicht en vond een administratieve fout bij de vaststelling van de prijsbederfmarge voor segment 1 en segment 2. Daarom heeft de Commissie de berekening van de prijsbederfmarge gecorrigeerd.

(685)

Naar aanleiding van een verzoek van de Hankook groep heeft de Commissie aanvullende informatie verstrekt over de VAA-items die zijn afgetrokken van de prijs aan de eerste onafhankelijke afnemer, om een niveau af fabriek te bereiken. De Commissie bevestigde dat de afgetrokken kosten waren: vervoer, verzekering, behandeling, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, verpakking, krediet, kortingen en commissies. De Commissie trok indirecte verkoopkosten, O & O, financiering, marketing noch winst af van de prijzen van de producenten van de Unie.

4.5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.5.1.   Algemene opmerkingen

(686)

In overeenstemming met artikel 8, lid 4, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met subsidiëring voor de bedrijfstak van de Unie een evaluatie van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(687)

Zoals in de overwegingen 24 tot en met 32 vermeld, werd voor het vaststellen van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef.

(688)

Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie beoordeelde de macro-economische indicatoren op basis van de gegevens in de klacht, Eurostat-statistieken en door ETRMA ingediende informatie, naargelang het geval, zodat de gegevens betrekking hebben op alle producenten in de Unie. De Commissie beoordeelde de micro-economische indicatoren op basis van de gegevens in de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, en door ETRMA ingediende informatie. De gegevens hadden betrekking op de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(689)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit en hoogte van de subsidiemarge.

(690)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

(691)

Er moeten twee opmerkingen worden gemaakt over de methode voor de analyse van de schade-indicatoren in het voorlopige stadium.

(692)

Zoals vermeld in overweging 28, omvatten de producenten in de Unie twee categorieën ondernemingen wat hun omvang betreft: grote ondernemingen en kmo's (zeer versnipperd), die respectievelijk 85 % en 15 % van de totale verkoop in de Unie van de producenten in de Unie in 2016 vertegenwoordigen. Als gevolg van de steekproef van de producenten in de Unie vertegenwoordigen de gegevens over de verkoop van de in de steekproef opgenomen kmo's echter een kleine fractie van de totale verkoop in de Unie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Daarom heeft de Commissie besloten om de resultaten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te wegen overeenkomstig het marktaandeel van elke categorie van ondernemingen. Aangezien kmo's uitsluitend actief zijn in segment 3, had deze aanpassing als direct gevolg dat het aandeel van de verkopen van segment 3 in het geheel van gegevens afkomstig van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie toenam.

(693)

Bovendien werd de totale verkoop in de Unie van producenten in de Unie in de volgende verhouding opgesplitst tussen de drie segmenten: segment 1: 51 %, segment 2: 23 % en segment 3: 26 %. De gegevens over de verkoop in de Unie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie gaven echter zelfs na de in overweging 692 omschreven correctie niet het werkelijke aandeel van de verkopen in elk segment in de Unie weer. Daarom heeft de Commissie besloten om de resultaten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te wegen overeenkomstig het aandeel van elk segment in de totale verkoop in de Unie van de producenten in de Unie, zodat de drie segmenten in alle micro-indicatoren vertegenwoordigd waren volgens hun aandeel in de totale verkoop in de Unie.

(694)

Verscheidene partijen voerden aan dat indien de Commissie de indeling in de drie segmenten volgt, de schade ook op het niveau van de segmenten moet worden vastgesteld. Met name de status van de bedrijfstak van de Unie en het effect van de invoer moeten per segment worden beoordeeld; zo moet het effect van de invoer van banden van segment 2 (zowel uit de VRC als uit andere landen) op de producenten van banden van segment 2 in de Unie worden beoordeeld.

(695)

De Commissie was van oordeel dat de in overweging 109 gedefinieerde banden ondanks de indeling van de markt van de Unie in segmenten dezelfde fysieke, chemische en technische basiseigenschappen hebben en onderling verwisselbaar zijn. De schade voor het betrokken product werd derhalve vastgesteld overeenkomstig de WTO-antisubsidieovereenkomst. De Beroepsinstantie heeft met name overwogen dat „wanneer de onderzoekende autoriteiten een onderdeel van een binnenlandse bedrijfstak onderzoeken, zij in principe op soortgelijke wijze alle andere onderdelen van die bedrijfstak en ook de bedrijfstak als geheel moeten onderzoeken” (106). Een analyse van elk segment is naar WTO-recht dus mogelijk wanneer zij vergezeld gaat van een analyse van de gehele bedrijfstak. Ook het Gerecht heeft aanvaard dat de schadeanalyse kan worden toegespitst op het segment dat door de invoer met subsidiëring het meest wordt getroffen (107).

(696)

De Commissie heeft bepaalde indicatoren daarom per segment geanalyseerd. Zoals blijkt uit de overwegingen 823 tot en met 834, bevestigt die analyse dat de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel schade heeft geleden en dat de ontwikkeling voor het betrokken product in zijn geheel in het algemeen overeenkomt met die voor de segmenten afzonderlijk.

(697)

De economische situatie van de bedrijfstak van de Unie is geanalyseerd op geaggregeerde basis en, voor bepaalde micro-economische indicatoren, ook op het niveau van de segmenten gezien de indeling van de markt van de Unie in segmenten.

(698)

Verschillende partijen verzochten om meer gedetailleerde informatie over de gebruikte methode om de verschillende categorieën ondernemingen (grote ondernemingen of kmo's) te wegen naargelang het segment zoals beschreven in de overwegingen 692 en 693.

(699)

De wegingen zijn uitgevoerd op basis van het verkoopvolume, aangezien dit de relevante parameter is bij de beoordeling van de verkoopprijs in de Unie voor de vaststelling van de productiekosten of de winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers.

(700)

Een van de criteria voor de samenstelling van de steekproef van producenten in de Unie was de representativiteit van de producenten in de Unie qua grootte, namelijk kmo's versus grotere ondernemingen (overweging 29). De steekproef bestond uit vijf kmo's. Eén daarvan heeft besloten haar medewerking aan het onderzoek te beëindigen. De vier andere hebben de steekproefvragenlijst beantwoord.

(701)

Daarnaast heeft de Commissie rekening gehouden met opmerkingen van belanghebbenden die aanvoerden dat in de steekproef van producenten in de Unie rekening moet worden gehouden met de indeling van de markt in drie segmenten (overweging 25). Zoals uiteengezet in overweging 26, hebben de medewerkende producenten in de Unie aanvullende informatie verstrekt.

(702)

De Commissie heeft elf producenten in de Unie in de steekproef opgenomen. Dit is een ongebruikelijk groot aantal producenten in de Unie die moeten worden onderzocht. Ondanks deze inspanning was voor de prestaties van de kmo's en per segment een weging nodig om de resulterende aggregatie van de micro-economische schade-indicatoren goed te kunnen analyseren.

(703)

De verkoop van de medewerkende producenten in de Unie en die van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren op vergelijkbare wijze verdeeld over de segmenten: tussen 60 % en 70 % in segment 1, tussen 15 % en 25 % in segment 2 en tussen 10 % en 20 % in segment 3. De kmo's vertegenwoordigden 7 tot 10 % van de totale verkoop in de Unie zoals gemeld door de medewerkende producenten in de Unie. Bovendien produceren de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie nieuwe banden en coverbanden van de segmenten 2 en 3. Ongeveer de helft van de verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten in segment 3 bestaat uit coverbanden.

(704)

De eerste stap was het inschatten van de verdeling tussen de verkoop door grote ondernemingen en die door kmo's. De schatting van de verkoop door kmo's was gebaseerd op de informatie die was verstrekt door ETRMA (voor koude processen) en door niet bij EUROPOOL aangesloten loopvlakleveranciers (108). In het kader van dit onderzoek is ervan uitgegaan dat via een koud proces geproduceerde banden door kmo's worden verkocht en dat via een warm proces geproduceerde banden door grote producenten worden verkocht. Dit is een voorzichtige benadering om de verkoop door kmo's te schatten, aangezien de Commissie slechts één kmo-producent heeft gecontroleerd die volgens beide processen produceert. De schatting van de verkoop door de grote ondernemingen is het verschil tussen de totale verkoop in de Unie door de producenten in de Unie min de schatting van de verkoop door kmo's. De Commissie heeft vastgesteld dat de verkoop door kmo's in 2016 goed was voor ongeveer 15 % van de totale verkoop in de Unie door de bedrijfstak van de Unie (zoals hierboven vermeld, is dit een voorzichtige schatting aangezien sommige kmo's ook warme loopvlakvernieuwingsprocessen toepassen). Bijgevolg is de verhouding vastgesteld op 85 % voor grote ondernemingen en 15 % voor kmo's.

(705)

De tweede stap was het vergelijken van de verhouding van 85 %/15 % met de verhouding van de steekproef (waarin grote ondernemingen meer dan 95 % wogen). Bovendien vertegenwoordigden de verkoopgegevens van de in de steekproef opgenomen kmo's ongeveer 4 % van de totale verkoop in de Unie door kmo-producenten in de Unie. Om ervoor te zorgen dat het relatieve belang van de twee categorieën producenten in de Unie goed tot uiting komt in de micro-economische indicatoren, heeft de Commissie de indicatoren voor de individuele ondernemingen bij de aggregatie gewogen op basis van de bovengenoemde verhouding van 85 %/15 %. De methode heeft geleid tot een toename van het gewicht van verkopen in segment 3, gebruikt voor de vaststelling van de micro-economische indicatoren.

(706)

Voorafgaand zijn beide wegingen — de weging van de categorie van ondernemingen en de weging van de segmenten — gedurende de gehele beoordelingsperiode gelijkelijk toegepast, op basis van 2016. De Commissie acht deze benadering redelijk gezien het beschikbare bewijsmateriaal.

(707)

CCCMC en CRIA beweerden dat de Commissie geen vaste verhouding (namelijk een voor het jaar 2016 berekende verhouding) zou mogen gebruiken in de beoordelingsperiode, maar veeleer een ratio voor elke periode van de beoordelingsperiode. Bovendien voerden zij aan dat enkele grote producenten van loopvlakken bij de productie van coverbanden gebruik maakten van het koude proces en dat twee producenten van coverbanden deel uitmaakten van een grotere groep, waardoor ze als grote onderneming moeten worden ingedeeld. Derhalve voerden de partijen aan dat de gebruikte methode niet als conservatief kan worden beschouwd en dat het verkoopvolume van kmo's overschat werd. Bipaver voerde aan dat het warme proces niet alleen wordt gebruikt door één loopvlakvernieuwingsbedrijf, maar ook door verschillende loopvlakvernieuwingsbedrijven in de Unie (109).

(708)

Ten eerste onderzocht de Commissie de beweringen en het door de partijen overgelegde bewijs. Zij heeft vastgesteld dat bepaalde grote leveranciers van loopvlakken verbonden dochterondernemingen hebben die coverbanden produceren met behulp van het koude proces. Bovendien maken de twee producenten die aanvankelijk werden beschouwd als kmo's, die zijn vermeld door de partijen, deel uit van een grotere groep, waardoor zij niet kunnen worden beschouwd als een kmo. De Commissie heeft derhalve de in de weging gebruikte verhoudingen aangepast. De grote leveranciers en kmo's communiceerden hun verkoop tijdens de beoordelingsperiode. De totale gerapporteerde hoeveelheid bedraagt ongeveer: 2014: 254 000, 2015: 227 000, 2016: 240 000 en het onderzoektijdvak: 250 000 coverbanden, ofwel ongeveer 5,5 % van de geschatte verkoop van coverbanden tijdens de beoordelingsperiode.

(709)

Ten tweede, met betrekking tot de verkoop uit de warme productie door kmo's heeft de Commissie vastgesteld dat meer dan één kmo coverbanden produceert door middel van het warme proces. Zij vroeg een aantal producenten om de omvang van de warme productie voor de beoordelingsperiode mee te delen. De totale gerapporteerde hoeveelheid bedraagt ongeveer: 2014: 149 000, 2015: 152 000, 2016: 138 000 en het onderzoektijdvak: 132 000 coverbanden, ofwel ongeveer 3,2 % van de geschatte verkoop van coverbanden tijdens de beoordelingsperiode.

(710)

In de derde plaats herberekende de Commissie de raming van de verkoop van kmo's in de beoordelingsperiode door toevoeging van de verkoop door kmo's uit het warme productieproces en de aftrek van de verkoop door grote ondernemingen uit de koude productie.

(711)

Ten slotte berekende de Commissie het aandeel van de verkoop door kmo's in de totale verkoop in de Unie voor elke periode van de beoordelingsperiode:

Tabel 5

Aandeel van de verkoop door kmo's in de totale verkoop in de Unie (in %)

 

2014

2015

2016

Onderzoektijdvak

In de definitieve fase gebruikte verhouding tussen de verkoop door kmo's en de totale verkoop in de Unie

16,9

15,3

13,7

13,2

In het voorlopige stadium gebruikte verhouding tussen de verkoop door kmo's en de totale verkoop in de Unie

14,6

14,6

14,6

14,6

(712)

Zoals uit tabel 5 blijkt, is het aandeel van kmo's in de totale verkoop in de Unie tijdens de beoordelingsperiode toegenomen met 2,3 procentpunten in 2014, met 0,7 procentpunten in 2015 en daalde dit met 0,9 procentpunten in 2016 en 1,4 procentpunten in het onderzoektijdvak. Zoals uit tabel 2 blijkt, heeft het gebruik van een specifiek percentage voor elk jaar van de beoordelingsperiode geen gevolgen voor de conclusies op basis van de trends in het voorlopige stadium die geldig blijven voor segment 3. De Commissie is tot de conclusie gekomen dat de vaststelling van een verhouding per jaar een marginaal effect heeft op de algemene resultaten van de analyse. Op basis van het bovenstaande blijven de conclusies op basis van de trends van het voorlopige stadium geldig.

(713)

Met betrekking tot de tweede aanpassing per segment beriep de Commissie zich in het voorlopige stadium op de informatie van de klager, waarin de raming van het gewicht van elk segment voor het verbruik in de Unie voor het jaar 2016 is opgenomen. CRIA en CCCMC voerden echter aan dat de Commissie gebruik moest maken van een verhouding per periode van de beoordelingsperiode.

(714)

Uit het onderzoek zijn geen gegevens naar voren gekomen die meer geschikt waren en die konden worden gebruikt voor de berekening van de weging van de segmenten in de hele beoordelingsperiode. De belanghebbenden konden dergelijke gegevens evenmin voorleggen. Daarom heeft de Commissie besloten de tweede correctie per segment in het definitieve stadium niet toe te passen. Deze aanpak heeft het gewicht van segment 1 en segment 2 doen toenemen, gebruikt voor de vaststelling van de micro-economische indicatoren.

(715)

CRIA en CCCMC hebben beweerd dat het wegingsproces onwettig was, aangezien de basisverordening niet toelaat dat wijzigingen worden aangebracht aan de steekproef van de producenten in de Unie, die geacht wordt representatief te zijn voor de gehele bedrijfstak van de Unie. Bovendien hebben zij aangevoerd dat de methode van de Commissie niet voldeed aan de vereisten om de vaststelling van de schade te baseren op positief bewijsmateriaal en om een objectief onderzoek uit te voeren, aangezien een zeer beperkt aantal ondernemingen uiteindelijk het gehele resultaat van de schadebeoordeling hebben bepaald, waarbij het belang van een veel grotere reeks gegevens is afgezwakt. Bovendien beweerden CCCMC en CRIA dat de Commissie zich niet kan baseren op informatie die is verstrekt door de vier in de steekproef opgenomen kmo's die de basis zou kunnen vormen voor de weging van de schade-indicatoren. Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben CRIA en CCCMC aangevoerd dat de Commissie niet is ingegaan op de ongeschiktheid van de methode voor de eerste correctie. De partijen voerden aan dat de Commissie haar aanpak had moeten veranderen.

(716)

De Commissie heeft de in de overwegingen 699 tot en met 714 gebruikte methode in herinnering gebracht.

(717)

Als gevolg van deze twee soorten wegingen is de samengestelde steekproef statistisch representatiever geworden voor de bedrijfstak van de Unie als geheel, in overeenstemming met de toepasselijke jurisprudentie van de WTO en de EU (110). Bovendien kon de Commissie hierdoor beter rekening houden met de situatie van de niet in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (kmo's en grote producenten), die anders niet voldoende tot uiting zou komen in de schade-indicatoren indien de Commissie haar bevindingen op de steekproef had gebaseerd zonder in het onderhavige geval de weging toe te passen. Gezien het gefragmenteerde karakter van de bedrijfstak van de Unie kon de Commissie niet zomaar voorbijgaan aan het belang van de producerende kmo's op de markt van de Unie. De door de geverifieerde kmo's aangeleverde gegevens vertegenwoordigen ongeveer 4 % van de geraamde totale productie door kmo's in de beoordelingsperiode. Om het relatieve belang te weerspiegelen van de twee categorieën ondernemingen, heeft de Commissie haar bevindingen gebaseerd op de geverifieerde gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen en de weging toegepast. De informatie waarop tijdens dit proces is vertrouwd, is beschikbaar in het niet-vertrouwelijke dossier en is waar nodig naar behoren gecontroleerd. De Commissie was derhalve van oordeel dat zij op basis van positief bewijsmateriaal een objectief onderzoek naar het bestaan van schade had uitgevoerd. Derhalve werden deze argumenten afgewezen.

4.2.   Schadeanalyse per segment

(718)

Zoals in overweging 697 uiteengezet, is de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie geanalyseerd op geaggregeerde basis en, voor bepaalde micro-economische indicatoren, ook op het niveau van de segmenten gezien de indeling van de markt van de Unie in segmenten. Sommige belanghebbenden hebben aangevoerd dat bij de schadeanalyse per segment rekening moet worden gehouden met alle schade-indicatoren en indicatoren voor een oorzakelijk verband. Zij hebben verwezen naar het verslag van de WTO-beroepsinstantie in United States — Hot Rolled Steel Products from Japan (111). Bovendien hebben deze partijen de Commissie verzocht om ook een onderscheid te maken tussen nieuwe banden, coverbanden, banden voor eerste uitrusting en vervangingsbanden, aangezien de markt voor eerste uitrusting was afgeschermd van de Chinese concurrentie, opnieuw onder verwijzing naar het verslag van de WTO-beroepsinstantie in United States — Hot Rolled Steel Products from Japan (112).

(719)

In bovenvermelde jurisprudentie is bepaald dat de onderzoekende autoriteiten die een onderdeel van een binnenlandse bedrijfstak onderzoeken, „in principe op soortgelijke wijze alle andere onderdelen van die bedrijfstak en ook de bedrijfstak als geheel moeten onderzoeken” (113). Het verslag van de WTO-beroepsinstantie verplicht de onderzoekende autoriteiten echter niet om alle schade-indicatoren per segment te verstrekken.

(720)

Bovendien waren de feiten in die zaak anders. Volgens het verslag van de WTO-beroepsinstantie in United States — Hot Rolled Steel Products from Japan werd een aanzienlijk deel van de binnenlandse productie in de Verenigde Staten — de productie voor intern gebruik — door de structuur van de binnenlandse markt afgeschermd tegen rechtstreekse concurrentie van onderworpen producten. In die specifieke situatie heeft de WTO-beroepsinstantie zich gekant tegen een „vergelijkend onderzoek” van elk onderdeel van de binnenlandse markt — waarbij de handelsmarkt en de markt voor intern gebruik tegenover elkaar worden geplaatst. De WTO-beroepsinstantie was van mening dat de onderzoekende autoriteiten hierdoor beter in staat waren om een passend besluit te nemen over de situatie van de binnenlandse bedrijfstak als geheel. In het onderhavige geval is er echter geen bescherming van de segmenten 1 en 2 van de markt van de Unie. De invoer uit China is vooral bestemd voor de vervangingsmarkt, een feitelijke situatie die niet door de structuur van de markt van de Unie wordt opgelegd. Bovendien werd het betrokken product ook aan fabrikanten van originele uitrusting verkocht. Het argument dat de markt voor eerste uitrusting van de Unie afgeschermd is tegen Chinese concurrentie en daarom afzonderlijk moet worden onderzocht, is daarom afgewezen.

(721)

Bovendien bevestigt de rechtspraak, zoals in overweging 695 opgemerkt, dat het onderzoek naar mogelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie als geheel kan worden toegespitst op het segment dat het meest door de invoer met subsidiëring wordt getroffen. In het onderhavige geval bestaat ongeveer 65 % van de invoer van banden uit de VRC uit banden van segment 3. Bij een correcte schadeanalyse kunnen de gevolgen van de invoer met subsidiëring dan ook niet buiten beschouwing worden gelaten, met name in een marktsituatie waarin de verkoop van banden van segment 3 voortdurend toeneemt en alle segmenten waaruit de bandenmarkt van de Unie bestaat met elkaar verbonden zijn.

(722)

Om die redenen heeft de Commissie besloten om de bedrijfstak als geheel aan een grondig onderzoek te onderwerpen.

4.2.1.   Macro-economische indicatoren

(723)

CRIA en CCCMC hebben gesteld dat ze twijfelden aan de betrouwbaarheid van een deel van de informatie die betrekking heeft op de macro-economische indicatoren en waarop de Commissie zich heeft gebaseerd.

(724)

Een document met verduidelijkingen over de voorlopige bevindingen is in het niet-vertrouwelijke dossier opgenomen (114).

(725)

Voor de vaststelling van de macro-economische indicatoren heeft de Commissie gebruikgemaakt van verschillende bronnen, waaronder gegevens die door de European Tyre & Rubber Manufacturers' Association („ETRMA”) zijn verstrekt. ETRMA publiceert op zijn website marktanalyses die voor iedereen beschikbaar zijn. De openbare versie van de klacht bevatte een van ETRMA afkomstig document (bijlage 16 — ETRMA-boekje voor 2016 (115)). De Commissie heeft er nota van genomen dat sommige producenten-exporteurs en ook bepaalde producenten in de Unie ETRMA-leden zijn en ook met gegevens van ETRMA gestaafde opmerkingen hebben ingediend (zoals Hankook Group en Pirelli).

4.2.1.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(726)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft de Commissie vastgesteld dat, zoals bedoeld in overweging 625, het productievolume in de Unie moet worden gecorrigeerd om de verkoop van loopvlakleveranciers die niet bij ETRMA Europool waren aangesloten te omvatten. Bij de vaststelling van de productiecapaciteit is bovendien een administratieve fout geconstateerd.

(727)

De geschatte totale productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad in de Unie zijn dienovereenkomstig herzien en hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 6

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2014

2015

2016

Onderzoektijdvak

Productievolume (in eenheden) (116)

20 973 089

20 360 055

20 619 725

21 111 923

Index (2014 = 100)

100

97,1

98,3

100,7

Productiecapaciteit (in eenheden)

29 038 117

28 225 985

27 115 950

26 525 214

Index (2014 = 100)

100

97,2

93,4

91,3

Bezettingsgraad

72,2 %

72,1 %

76,0 %

79,6 %

Index (2014 = 100)

100

100

105

110

Bron: ETRMA, loopvlakleveranciers die niet bij ETRMA Europool zijn aangesloten, Eurostat Comext en door de klager ingediende informatie.

(728)

Zoals uit tabel 6 blijkt, is de productie met 21,1 miljoen eenheden in het onderzoektijdvak betrekkelijk stabiel gebleven, terwijl de bezettingsgraad in dezelfde periode met 7,4 procentpunten is gestegen (van 72,2 % naar 79,6 %) als gevolg van de afname van de productiecapaciteit.

(729)

De belangrijkste oorzaak van de stijging van de bezettingsgraad kan alleen bestaan in de aanzienlijke daling van de productiecapaciteit met 10 %. Dit betrof voornamelijk de loopvlakvernieuwingsactiviteiten, nu tijdens de beoordelingsperiode ten minste 85 kmo's in vrijwel alle lidstaten gestopt zijn met het produceren van coverbanden; tevens gingen grote bedrijven over tot sluiting van dochterondernemingen (117).

(730)

De vlakke tendens van de productie in de Unie en de sluiting van bedrijven staan in scherp contrast met het toenemende verbruik in de Unie na de crisis, waarvan de bedrijfstak van de Unie had kunnen profiteren.

4.2.1.2.   Verkoopvolume en marktaandeel

(731)

Na de mededeling van feiten en overwegingen in het informatiedocument heeft de Commissie vastgesteld dat, zoals bedoeld in overweging 625, het totale verkoopvolume in de Unie moet worden gecorrigeerd om de verkoop van loopvlakleveranciers die niet bij ETRMA Europool waren aangesloten te omvatten.

(732)

Het verkoopvolume en marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zijn dienovereenkomstig herzien en hebben zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 7

Verkoopvolume en marktaandeel

 

2014

2015

2016

Onderzoektijdvak

Totaal verkoopvolume op de markt van de Unie (in eenheden) (118)

14 835 082

14 738 677

14 533 199

14 584 885

Index (2014 = 100)

100

99,4

98,0

98,3

Marktaandeel

72,4 %

70,3 %

67,3 %

67,1 %

Index (2014 = 100)

100

97,2

93,0

92,7

Bron: ETRMA, loopvlakleveranciers die niet bij ETRMA Europool zijn aangesloten en Eurostat Comext.

(733)

In een gro