ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 179

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
16 juli 2018


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

1

 

*

Verordening (EU) 2018/974 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren

14

 

*

Verordening (EU) 2018/975 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)

30

 

*

Verordening (EU) 2018/976 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 wat betreft de bandbreedtes voor de visserijsterfte en het vrijwaringsniveau voor bepaalde haringbestanden in de Oostzee

76

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.7.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 179/1


VERORDENING (EU) 2018/973 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 4 juli 2018

tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van geoogste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst („MDO”) kan opleveren.

(2)

Tijdens de top van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling die in 2015 in New York heeft plaatsgevonden, hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden om tegen 2020 het oogsten van vis doeltreffend te reglementeren, een einde te maken aan overbevissing, aan illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de bestanden in zo kort mogelijke tijd te herstellen tot op zijn minst het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde MDO kan opleveren.

(3)

Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid („GVB”) vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB moet bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand, als vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (4).

(4)

Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, de voorzorgsbenadering toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.

(5)

Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten zo nodig een of meer instandhoudingsmaatregelen, zoals meerjarenplannen, technische maatregelen en maatregelen inzake de vaststelling en toewijzing van de vangstmogelijkheden, worden vastgesteld.

(6)

Ingevolge Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Volgens die bepalingen moet het bij deze verordening vastgestelde meerjarenplan („het plan”) doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten en vrijwaringsmaatregelen bevatten, alsook technische maatregelen om ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken.

(7)

Met het „beste beschikbare wetenschappelijke advies” wordt openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies bedoeld dat geschraagd wordt door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden en dat is uitgebracht of getoetst door een onafhankelijk wetenschappelijk orgaan dat op Unieniveau of op internationaal niveau erkend is.

(8)

De Commissie moet het beste beschikbare wetenschappelijke advies inwinnen voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het plan vallen. Met het oog daarop moet zij memoranda van overeenstemming sluiten met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Door de ICES uitgebracht wetenschappelijk advies moet gebaseerd zijn op het plan en moet met name FMDO-bandbreedtes en biomassareferentiepunten aangeven, d.w.z. MDO Btrigger en Blim. Die waarden moeten worden vermeld in het advies voor het betrokken bestand en, in voorkomend geval, in elk ander openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies, waaronder bijvoorbeeld door de ICES uitgebracht advies inzake gemengde visserij.

(9)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 676/2007 (5) en (EG) nr. 1342/2008 (6) van de Raad zijn de regels voor de duurzame exploitatie van de kabeljauw-, schol- en tongbestanden in de Noordzee en daaraan grenzende wateren vastgesteld. Die en andere demersale bestanden worden geoogst in het kader van gemengde visserijen. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.

(10)

Een dergelijk meerjarenplan moet van toepassing zijn op demersale bestanden en de desbetreffende visserijen in de Noordzee. Dat zijn rondvis-, platvis- en kraakbeenvissoorten, langoustines (Nephrops norvegicus) en Noordse garnalen (Pandalus borealis) die op of in de nabijheid van de bodem van de waterkolom leven.

(11)

Sommige demersale bestanden worden zowel in de Noordzee als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom moet de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die voornamelijk in de Noordzee worden geëxploiteerd, worden uitgebreid tot de betrokken gebieden buiten de Noordzee. Bovendien moeten voor bestanden die in de Noordzee voorkomen maar die voornamelijk buiten de Noordzee worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen worden vastgesteld in meerjarenplannen voor gebieden buiten de Noordzee waar deze bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, en moet de werkingssfeer van die meerjarenplannen zo worden uitgebreid dat zij ook de Noordzee omvatten.

(12)

De geografische werkingssfeer van het plan moet gebaseerd zijn op de geografische verspreiding van bestanden die vermeld wordt in het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES. Toekomstige wijzigingen in de geografische verspreiding van bestanden zoals omschreven in het plan kunnen noodzakelijk zijn vanwege verbeterde wetenschappelijke informatie of de migratie van bestanden. Daarom moet de Commissie bevoegd zijn om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de geografische verspreiding van bestanden zoals die in het plan is omschreven, indien in het door de ICES verstrekte wetenschappelijke advies wordt aangegeven dat de geografische verspreiding van de betrokken bestanden veranderd is.

(13)

Indien bestanden van gemeenschappelijk belang ook worden geëxploiteerd door derde landen, moet de Unie overleg plegen met die derde landen teneinde ervoor te zorgen dat die bestanden op duurzame wijze worden beheerd, in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met name artikel 2, lid 2, daarvan, en van deze verordening. Bij gebreke van een formeel akkoord moet de Unie alles in het werk stellen om tot gemeenschappelijke regelingen voor het bevissen van deze bestanden te komen teneinde duurzaam beheer mogelijk te maken en daarbij een gelijk speelveld voor de marktdeelnemers van de Unie te bevorderen.

(14)

Dit plan moet erop gericht zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name de MDO voor de doelbestanden te bereiken en te behouden door de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden ten uitvoer te leggen, een behoorlijke levensstandaard voor degenen die afhankelijk zijn van de visserij-activiteiten te bevorderen, met inachtneming van kustvisserij en sociaaleconomische aspecten, en de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer toe te passen. In dit plan moeten ook nadere bepalingen worden vastgelegd ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren in de Noordzee, voor alle bestanden van soorten waarvoor krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting geldt.

(15)

Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 2, lid 2, van die verordening vermelde doelstellingen en moeten zij overeenstemmen met de streefdoelen, tijdschema's en marges die in de meerjarenplannen zijn vastgesteld.

(16)

Het streefdoel voor de visserijsterfte („F”) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMDO). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijk advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van de gemengde visserijen. De FMDO-bandbreedtes moeten worden berekend en overgelegd door de ICES, met name in zijn periodieke vangstadvies. Op basis van het plan worden zij zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO, zoals uiteengezet in het antwoord van de ICES op het „Verzoek van de EU aan de ICES om FMDO-brandbreedtes te verstrekken voor bepaalde Noordzee- en Oostzeebestanden”. De bovengrens van de bandbreedte ligt vast, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de „adviesregel” van de ICES, die inhoudt dat wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMDO-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het jaar waarvoor de totale toegestane vangsten (total allowable catch; hierna „TAC” genoemd) moeten worden bepaald, gedeeld door MDO Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en de adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.

(17)

Met het oog op de vaststelling van de vangstmogelijkheden moet er een bovendrempel komen voor FMDO-brandbreedtes bij normaal gebruik en, mits het betrokken bestand als in goede staat verkerend wordt beschouwd, een bovengrens voor bepaalde gevallen. De vangstmogelijkheden mogen alleen op de bovengrens worden vastgesteld indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het geval van gemengde visserijen, of indien dat noodzakelijk is om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen of om de jaarlijkse schommelingen op het gebied van de vangstmogelijkheden te beperken.

(18)

Voor bestanden waarvoor streefcijfers in verband met de MDO beschikbaar zijn en met het oog op de toepassing van vrijwaringsmaatregelen moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld die in het geval van visbestanden worden uitgedrukt als triggerniveaus voor de paaibiomassa, en in het geval van langoustines als triggerniveaus voor de abundantie.

(19)

Wanneer de bestandsomvang tot onder die niveaus daalt, moeten passende vrijwaringsmaatregelen worden genomen. Vrijwaringsmaatregelen moeten onder meer inhouden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat herstelmaatregelen vereist zijn. Deze maatregelen moeten worden aangevuld met alle andere passende maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van die Verordening.

(20)

Het moet mogelijk zijn om de TAC voor langoustine in de ICES-sector 2a en deelgebied 4 vast te stellen als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in dat TAC-gebied. Dit mag het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uitsluiten.

(21)

Indien de Raad rekening houdt met een aanzienlijke impact van recreatieve visserij in het kader van de vangstmogelijkheden voor een bepaald bestand, moet hij een TAC kunnen vaststellen voor commerciële vangsten die rekening houdt met de omvang van de recreatieve vangsten en/of andere maatregelen kunnen vaststellen om de recreatieve visserij te beperken, zoals meeneemlimieten en sluitingsperioden.

(22)

Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, die nader moeten worden gespecificeerd overeenkomstig artikel 18 van die verordening.

(23)

Ter voorkoming van de verstorende verplaatsing van de visserijactiviteit, die een negatief effect zou kunnen hebben op de situatie van de kabeljauwbestanden, is het passend in ICES-sector 7d het stelsel van vismachtigingen in stand te houden dat gekoppeld is aan een beperking van de totale motorcapaciteit van de vissersvaartuigen, welk stelsel al van toepassing was in het kader van Verordening (EG) nr. 1342/2008.

(24)

Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(25)

Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de evaluatie van de toereikendheid en de doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening die de Commissie uiterlijk op 6 augustus 2023 en vervolgens om de vijf jaar op basis van wetenschappelijk advies moet opmaken. Die termijn biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig ten uitvoer te leggen, en om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en zicht te krijgen op de gevolgen ervan voor de bestanden en de visserij. Het is tevens de tijd die de wetenschappelijke instanties op zijn minst nodig hebben.

(26)

Teneinde voor een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang te zorgen, flexibiliteit te waarborgen en de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van het aanvullen van deze verordening wat aanpassingen inzake de onder deze verordening vallende bestanden betreft na wijzigingen in de geografische verspreiding van de bestanden, herstelmaatregelen en de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(27)

Met het oog op rechtszekerheid behoort te worden verduidelijkt dat maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, geacht kunnen worden in aanmerking te komen voor steun krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(28)

Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 moeten worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna „het plan” genoemd) vastgesteld voor de volgende demersale bestanden in Uniewateren in de Noordzee (ICES-sectoren 2a, 3a en deelgebied 4), met inbegrip van de visserijen die deze bestanden exploiteren en, wanneer die bestanden zich uitstrekken tot buiten de Noordzee, in de daaraan grenzende wateren:

a)

kabeljauw (Gadus morhua) in deelgebied 4 (Noordzee) en de sectoren 7d (oostelijk deel van het Kanaal) en 3a.20 (Skagerrak);

b)

schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in deelgebied 4 (Noordzee) en de sectoren 6a (gebied ten westen van Schotland) en 3a.20 (Skagerrak);

c)

schol (Pleuronectes platessa) in deelgebied 4 (Noordzee) en sector 3a.20 (Skagerrak);

d)

zwarte koolvis (Pollachius virens) in deelgebieden 4 (Noordzee) en 6 (Rockall en gebied ten westen van Schotland) en sector 3a (Skagerrak en Kattegat);

e)

tong (Solea solea) in deelgebied 4 (Noordzee);

f)

tong (Solea solea) in sector 3a (Skagerrak en Kattegat) en deelgebieden 22-24 (westelijk deel van de Oostzee);

g)

wijting (Merlangius merlangus) in deelgebied 4 (Noordzee) en sector 7d (oostelijk deel van het Kanaal);

h)

zeeduivel (Lophius piscatorius) in sector 3a (Skagerrak en Kattegat) en deelgebieden 4 (Noordzee) en 6 (Rockall en gebied ten westen van Schotland);

i)

Noordse garnaal (Pandalus borealis) in de sectoren 4a Oost (noordelijk deel van de Noordzee, Noorse trog) en 3a.20 (Skagerrak);

j)

langoustine (Nephrops norvegicus) in sector 3a (functionele eenheden 3-4);

k)

langoustine in deelgebied 4 (Noordzee) per functionele eenheid:

langoustine in Botney Gut-Silver Pit (functionele eenheid 5);

langoustine in Farn Deeps (functionele eenheid 6);

langoustine in Fladen Ground (functionele eenheid 7);

langoustine in Firth of Forth (functionele eenheid 8);

langoustine in Moray Firth (functionele eenheid 9);

langoustine in Noup (functionele eenheid 10);

langoustine in de Noorse trog (functionele eenheid 32);

langoustine in Horns Rev (functionele eenheid 33);

langoustine in Devil's Hole (functionele eenheid 34).

Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de geografische verspreiding van de in de eerste alinea van dit lid opgesomde soorten gewijzigd is, kan de Commissie overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vaststellen om deze verordening te wijzigen door de in de eerste alinea van dit lid vermelde gebieden aan te passen om die wijziging te weerspiegelen. Bij die aanpassingen worden de bestandengebieden niet uitgebreid tot buiten de Uniewateren van de deelgebieden 2 tot en met 7.

2.   Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies van mening is dat de in lid 1, eerste alinea, bedoelde lijst van bestanden moet worden gewijzigd, kan zij een voorstel tot wijziging van die lijst indienen.

3.   Voor de aangrenzende wateren bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 6 en de krachtens artikel 7 genomen maatregelen inzake vangstmogelijkheden van toepassing.

4.   Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten in de Noordzee in het kader van de visserij op de in lid 1, eerste alinea, opgesomde bestanden. Wanneer echter FMDO-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa worden vastgesteld voor die bestanden bij andere rechtshandelingen van de Unie waarbij meerjarenplannen worden vastgesteld, zijn die bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen van toepassing.

5.   In deze verordening worden ook nadere bepalingen vastgelegd ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren in de Noordzee, voor alle bestanden van soorten waarvoor krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting geldt.

Artikel 2

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening gelden naast de definities die zijn vastgesteld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad (9), artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (10) en artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, de volgende definities:

1)   „FMDO-bandbreedte”: een in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES), vermelde bandbreedte van waarden waarin alle niveaus van visserijsterfte maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. Die brandbreedte wordt zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 procent lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

2)   „MDO Flower: de laagste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

3)   „MDO Fupper: de hoogste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

4)   „FMDO-puntwaarde”: de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden de MDO op lange termijn oplevert;

5)   „Lagere FMDO-bandbreedte”: een bandbreedte met waarden van MDO Flower tot de FMDO-puntwaarde;

6)   „Hogere FMDO-bandbreedte”: een bandbreedte met waarden van de FMDO-puntwaarde tot MDO Fupper;

7)   „Blim: het in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES, vermelde referentiepunt voor de paaibiomassa van het bestand waaronder er sprake kan zijn van verminderde reproductiecapaciteit;

8)   „MDO Btrigger: het referentiepunt voor paaibiomassa en — in het geval van Noorwegen — het referentiepunt voor abundantie van het langoustinebestand, vermeld in het beste wetenschappelijke advies, met name van de ICES, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn MDO kan opleveren.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN

Artikel 3

Doelstellingen

1.   Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de levende mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat MDO kan opleveren.

2.   Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de tenuitvoerlegging van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.

3.   Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG vastgestelde doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken.

4.   Het plan heeft met name ten doel:

a)

ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden; en

b)

bij te dragen tot de vervulling van de andere beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.

5.   Maatregelen in het kader van het plan worden in overeenstemming met het beste beschikbare wetenschappelijke advies genomen. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.

HOOFDSTUK III

STREEFDOELEN

Artikel 4

Streefdoelen

1.   Het streefdoel voor de visserijsterfte, overeenkomstig de in artikel 2 gedefinieerde FMDO-bandbreedtes, wordt zo spoedig mogelijk en op basis van een geleidelijke toename uiterlijk in 2020 bereikt voor de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden en wordt van dan af gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes overeenkomstig dit artikel.

2.   De op het plan gebaseerde FMDO-bandbreedtes worden bij de ICES aangevraagd.

3.   Wanneer de Raad, conform artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, vangstmogelijkheden voor een bestand vaststelt, stelt hij die mogelijkheden vast binnen de lagere FMDO-bandbreedte die op dat moment voor dat bestand beschikbaar is.

4.   Niettegenstaande de leden 1 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld op niveaus die lager zijn dan de FMDO-bandbreedtes.

5.   Niettegenstaande de leden 3 en 4 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld in overeenstemming met de hogere FMDO-bandbreedte die op dat moment voor dat bestand beschikbaar is, mits het in artikel 1, lid 1, genoemde bestand zich bevindt boven de MDO Btrigger:

a)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen;

b)

indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c)

om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

6.   De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder de Blim belandt, minder dan 5 % bedraagt.

Artikel 5

Beheer van bijvangstbestanden

1.   Voor de in artikel 1, lid 4, genoemde bestanden worden de beheersmaatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van vangstmogelijkheden, vastgesteld met inachtneming van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en zijn zij in overeenstemming met de in artikel 3 vastgelegde doelstellingen.

2.   Wanneer er geen geschikte wetenschappelijke informatie beschikbaar is. worden die bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.   Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde visserij met betrekking tot in artikel 1, lid 4, van deze verordening bedoelde bestanden, rekening gehouden met het feit dat het moeilijk is om alle bestanden tegelijkertijd volgens het MDO-beginsel te bevissen, met name in situaties waarin dit tot vroegtijdige sluiting van de visserij leidt.

HOOFDSTUK IV

VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 6

Instandhoudingsreferentiepunten

De volgende instandhoudingsreferentiepunten om de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden niet aan te tasten, worden op basis van dit plan bij de ICES aangevraagd:

a)

MDO Btrigger voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden;

b)

Blim voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden.

Artikel 7

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa en — in het geval van de langoustinebestanden — de abundantie van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager zijn dan MDO Btrigger, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot een waarde onder de hogere FMDO-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

2.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa en — in het geval van de langoustinebestanden — de abundantie, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager zijn dan Blim, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen deze herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 3 en 5, inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

3.   De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:

a)

noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

maatregelen krachtens de artikelen 8 en 9 van deze verordening.

4.   Bij het bepalen van de keuze van in dit artikel bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa en — in het geval van langoustine — de abundantie zich onder de in artikel 6 bedoelde niveaus bevinden.

Artikel 8

Specifieke instandhoudingsmaatregelen

Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat herstelmaatregelen nodig zijn voor de instandhouding van een van de in artikel 1, lid 4, van deze Verordening genoemde demersale bestanden, of wanneer de paaibiomassa en — in het geval van de langoustinebestanden — de abundantie van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager zijn dan MDO Btrigger, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen. Die gedelegeerde handelingen kunnen deze verordening aanvullen met regels met betrekking tot:

a)

de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de haakgrootte, de constructie van het vistuig, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren;

b)

het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren;

c)

een verbod op of beperking van het vissen in specifieke gebieden, om paaiende en jonge vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

d)

een verbod op of beperking van het vissen of het gebruik van bepaalde soorten vistuig gedurende specifieke perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

e)

minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen;

f)

andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit.

HOOFDSTUK V

TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 9

Technische maatregelen

1.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met betrekking tot de volgende technische maatregelen:

a)

de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

b)

de specificatie van aanpassingen van of aanvullende hulpmiddelen voor vistuig, om de selectiviteit te behouden of te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

c)

de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of niet-doelvissoorten te beschermen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken; en

d)

de vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

HOOFDSTUK VI

VANGSTMOGELIJKHEDEN

Artikel 10

Vangstmogelijkheden

1.   Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden toewijzen, houden zij rekening met de waarschijnlijke samenstelling van de vangst van vaartuigen die aan gemengde visserij deelnemen.

2.   Krachtens artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, mogen de lidstaten, na kennisgeving aan de Commissie, de hun toegewezen vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk uitwisselen.

3.   Onverminderd artikel 7 van deze verordening kan de TAC voor het langoustinebestand in de ICES-zones 2a en 4 de som zijn van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.

4.   Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatieve visserij een aanzienlijk effect heeft op de visserijsterfte voor een bepaald bestand, houdt de Raad daar rekening mee en kan hij bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden beperkingen stellen aan de recreatieve visserij teneinde te voorkomen dat het totale streefdoel voor de visserijsterfte wordt overschreden.

HOOFDSTUK VII

BEPALINGEN IN VERBAND MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 11

Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting in de Uniewateren in de Noordzee

De Commissie is bevoegd om voor alle bestanden van soorten in de Noordzee waarop krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting van toepassing is, overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nadere bepalingen vast te leggen ter uitvoering van deze verplichting.

HOOFDSTUK VIII

TOEGANG TOT WATEREN EN HULPBRONNEN

Artikel 12

Vismachtigingen en capaciteitsmaxima

1.   Voor elke van de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones geeft elke lidstaat vismachtigingen af overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voor vaartuigen die zijn vlag voeren en die in dat gebied vissen. In die vismachtigingen kunnen de lidstaten ook de in kW uitgedrukte totale capaciteit beperken van de vaartuigen die met specifiek vistuig vissen.

2.   Voor kabeljauw in het oostelijke deel van het Kanaal (ICES-sector 7d) is, onverminderd de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde capaciteitsmaxima, de in kW uitgedrukte totale capaciteit van de vaartuigen die overeenkomstig lid 1 van dit artikel afgegeven vismachtigingen hebben, niet groter dan de maximumcapaciteit van de vaartuigen die in 2006 of 2007 in de betrokken ICES-zone visten met een van de volgende vistuigen:

a)

bodemtrawls en zegens (OTB, OTT, PTB, SDN, SSC, SPR) met een maaswijdte:

i)

gelijk aan of groter dan 100 mm;

ii)

gelijk aan of groter dan 70 mm en kleiner dan 100 mm;

iii)

gelijk aan of groter dan 16 mm en kleiner dan 32 mm;

b)

boomkorren (TBB) met een maaswijdte:

i)

gelijk aan of groter dan 120 mm;

ii)

gelijk aan of groter dan 80 mm en kleiner dan 120 mm;

c)

kieuwnetten, warrelnetten (GN);

d)

schakelnetten (GT);

e)

beuglijnen (LL).

3.   Iedere lidstaat stelt een lijst op van de vaartuigen die in het bezit zijn van een in lid 1 bedoelde vismachtiging, houdt deze lijst bij en stelt deze via zijn officiële website beschikbaar voor de Commissie en de overige lidstaten.

HOOFDSTUK IX

BEHEER VAN BESTANDEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG

Artikel 13

Beginselen en doelstellingen van het beheer van bestanden van gemeenschappelijk belang voor de Unie en derde landen

1.   Indien bestanden van gemeenschappelijk belang ook worden geëxploiteerd door derde landen, pleegt de Unie overleg met die derde landen teneinde ervoor te zorgen dat die bestanden op duurzame wijze worden beheerd, in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met name artikel 2, lid 2, daarvan, en van deze verordening. Bij gebreke van een formeel akkoord stelt de Unie alles in het werk om gemeenschappelijke regelingen voor het bevissen van deze bestanden tot stand te brengen teneinde duurzaam beheer mogelijk te maken, waarbij gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers van de Unie worden bevorderd.

2.   In de context van het gezamenlijke beheer van bestanden met derde landen kan de Unie krachtens artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vangstmogelijkheden uitwisselen met derde landen.

HOOFDSTUK X

REGIONALISERING

Artikel 14

Regionale samenwerking

1.   Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening genoemde maatregelen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan 6 augustus 2019 en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 15 van deze verordening. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een bestand waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.

3.   De bij de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.

HOOFDSTUK XI

FOLLOW-UP

Artikel 15

Evaluatie van het plan

Uiterlijk 6 augustus 2023 en vervolgens om de vijf jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de gevolgen van het plan voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de in artikel 3 uiteengezette doelstellingen.

HOOFDSTUK XII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8, 9 en 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 5 augustus 2018. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, en de artikelen 8, 9 en 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, en de artikelen 8, 9 en 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

HOOFDSTUK XIII

STEUN UIT HET EUROPEES FONDS VOOR MARITIEME ZAKEN EN VISSERIJ

Artikel 17

Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten beschouwd.

HOOFDSTUK XIV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

Intrekkingen

1.   De Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 worden ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 4 juli 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  PB C 75 van 10.3.2017, blz. 109.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 29 mei 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juni 2018.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(5)  Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee (PB L 157 van 19.6.2007, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).

(7)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(8)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad inzake verboden soorten

De verordening die moet worden goedgekeurd op basis van het Commissievoorstel betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen (2016/0074(COD)) moet onder andere bepalingen omvatten inzake de soorten die niet mogen worden bevist. Om deze reden zijn beide instellingen overeengekomen in deze verordening geen lijst inzake de Noordzee op te nemen (2016/0238(COD)).


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad inzake controle

Het Europees Parlement en de Raad zullen de volgende controlebepalingen opnemen in de komende herziening van de controleverordening (Verordening (EG) nr. 1224/2009), wanneer van toepassing op de Noordzee: voorafgaande kennisgevingen, logboekvoorschriften en andere controlebepalingen.


16.7.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 179/14


VERORDENING (EU) 2018/974 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 4 juli 2018

betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren

(codificatie)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)

De binnenwateren spelen een belangrijke rol in de vervoersnetwerken van de Unie. Om tot vervoer te komen dat niet alleen economisch doelmatig is, maar ook minder energie verbruikt en minder schadelijke gevolgen heeft voor het milieu, wordt de binnenvaart in het kader van de doelstellingen van het gemeenschappelijke vervoerbeleid bevorderd.

(3)

Voor de verdere ontwikkeling en monitoring van zowel het gemeenschappelijke vervoerbeleid als de vervoercomponent in het regionaal beleid en de trans-Europese netwerken heeft de Commissie statistieken over het goederenvervoer over de binnenwateren nodig.

(4)

De statistieken over de verschillende vormen van vervoer in Europa moeten worden opgesteld met behulp van gemeenschappelijke concepten en standaards. Doel is statistieken over de verschillende vormen van vervoer te verkrijgen die in de praktijk zo veel mogelijk met elkaar kunnen worden vergeleken.

(5)

Vervoer over de binnenwateren komt niet in alle lidstaten voor en derhalve is het toepassingsgebied van deze verordening beperkt tot die lidstaten waar deze vorm van vervoer bestaat.

(6)

Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) vormt een referentiekader voor de bepalingen van de onderhavige verordening.

(7)

Om rekening te houden met economische en technische ontwikkelingen en internationaal overeengekomen wijzigingen in definities, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van deze verordening om de drempel van een miljoen ton voor de statistische verwerking van de binnenvaart te verhogen, om de definities bij te stellen of te voorzien in nieuwe definities, alsmede om de bijlagen bij deze verordening aan te passen om veranderingen in de codering en classificatie op internationaal niveau of in de toepasselijke wetgevingshandelingen van de Unie op te nemen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (5). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(8)

De Commissie dient erop toe te zien dat die gedelegeerde handelingen niet leiden tot een aanzienlijke lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten.

(9)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om haar de mogelijkheid te geven regelingen vast te stellen voor de toezending van gegevens, met inbegrip van de gegevensuitwisselingsnormen, voor de verspreiding van de resultaten door de Commissie (Eurostat) en tevens voor het ontwikkelen en publiceren van methodologische voorschriften en criteria die de kwaliteit van de geproduceerde gegevens moeten waarborgen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(10)

De Commissie dient regelingen te treffen voor het verrichten van verkennende studies over de beschikbaarheid van statistische gegevens inzake het personenvervoer over de binnenwateren, onder meer via grensoverschrijdende vervoersdiensten. De Unie moet bijdragen aan de kosten voor het uitvoeren van die verkennende studies. Dergelijke bijdragen moeten gebeuren in de vorm van subsidies aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 223/2009 bedoelde nationale instanties voor de statistiek en andere nationale instanties, zulks in overeenstemming met Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(11)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het uitwerken van gemeenschappelijke statistische standaards voor de productie van geharmoniseerde gegevens, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang van dat uitwerken beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden gemeenschappelijke regels vastgelegd voor de productie van Europese statistieken van het goederenvervoer over de binnenwateren.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   De lidstaten verstrekken gegevens over de binnenvaart op hun grondgebied aan de Commissie (Eurostat).

2.   De lidstaten verstrekken de gegevens zoals beschreven in artikel 4, lid 1, wanneer in het kader van de binnenlandse binnenvaart, de internationale binnenvaart of de doorvaart in totaal méér dan een miljoen ton goederen per jaar over hun binnenwateren wordt vervoerd.

3.   In afwijking van lid 2 verstrekken de lidstaten de gegevens zoals beschreven in artikel 4, lid 2, wanneer geen internationale binnenvaart of doorvaart op hun binnenwateren plaatsvindt, maar in het kader van de binnenlandse binnenvaart in totaal méér dan een miljoen ton goederen over de binnenwateren wordt vervoerd.

4.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

het goederenvervoer met vaartuigen met een laadvermogen van minder dan 50 ton;

b)

vaartuigen die hoofdzakelijk voor het vervoer van passagiers worden gebruikt;

c)

veerponten;

d)

vaartuigen die uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt door haven- en andere autoriteiten;

e)

vaartuigen die alleen voor bunkering of opslag worden gebruikt;

f)

niet voor goederenvervoer bestemde vaartuigen zoals vissersschepen, baggerschuiten, drijvende werkplaatsen, woonboten en plezierboten.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake het wijzigen van lid 2 van dit artikel ter verhoging van de daarin bedoelde drempel voor de statistische registratie van de binnenvaart om rekening te houden met economische en technische ontwikkelingen.

Bij de uitoefening van die bevoegdheid ziet de Commissie erop toe dat de gedelegeerde handelingen niet leiden tot een aanzienlijke lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten. Voorts verstrekt de Commissie een deugdelijke motivering voor de in deze gedelegeerde handelingen vastgestelde statistische maatregelen, in voorkomend geval op basis van een kostenefficiëntieanalyse met een evaluatie van de druk op de respondenten en de productiekosten overeenkomstig artikel 14, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 223/2009.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „binnenwater”: een niet van de zee deel uitmakende waterloop die door natuurlijke of kunstmatige kenmerken geschikt is voor de scheepvaart, en dan hoofdzakelijk de binnenvaart;

b)   „binnenschip”: een vaartuig dat voor goederenvervoer of openbaar personenvervoer over binnenwateren is ontworpen en dat hoofdzakelijk vaart op binnenwateren of op wateren in of dichtbij beschutte wateren waar havenvoorschriften gelden;

c)   „nationaliteit van het schip”: het land waar het schip geregistreerd is;

d)   „binnenvaart”: vervoer van goederen en/of personen met binnenschepen, dat volledig of gedeeltelijk over binnenwateren plaatsvindt;

e)   „binnenlandse binnenvaart”: binnenvaart tussen twee havens op een nationaal grondgebied, ongeacht de nationaliteit van het schip;

f)   „internationale binnenvaart”: binnenvaart tussen twee havens die zich op verschillende nationale grondgebieden bevinden;

g)   „doorvaart”: binnenvaart via een nationaal grondgebied tussen twee havens die zich beide op een of meer andere nationale grondgebieden bevinden, mits er tijdens het volledige traject op het nationale grondgebied geen overlading plaatsvindt;

h)   „binnenvaartverkeer”: alle verplaatsingen van binnenschepen op een bepaald binnenwater.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de wijziging van de eerste alinea van het onderhavige artikel ter aanpassing van de daarin vervatte definities of om te voorzien in nieuwe definities om rekening te houden met toepasselijke internationaal gewijzigde of overeengekomen definities.

Bij de uitoefening van die bevoegdheid ziet de Commissie erop toe dat de gedelegeerde handelingen niet leiden tot een aanzienlijke lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten. Voorts verstrekt de Commissie een deugdelijke motivering voor de in deze gedelegeerde handelingen vastgestelde statistische maatregelen, in voorkomend geval op basis van een kostenefficiëntieanalyse met een evaluatie van de druk op de respondenten en de productiekosten overeenkomstig artikel 14, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 223/2009.

Artikel 4

Verzameling van gegevens

1.   De gegevens worden verzameld aan de hand van de tabellen in de bijlagen I tot en met IV.

2.   In het in artikel 2, lid 3, bedoelde geval worden de gegevens verzameld overeenkomstig de tabel in bijlage V.

3.   Ten behoeve van deze verordening worden de goederen geclassificeerd volgens bijlage VI.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de wijziging van de bijlagen om veranderingen in de codering en classificatie op internationaal niveau of in de toepasselijke wetgevingshandelingen van de Unie op te nemen.

Bij de uitoefening van deze bevoegdheid ziet de Commissie erop toe dat de gedelegeerde handelingen niet leiden tot een aanzienlijke lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten. Voorts verstrekt de Commissie een deugdelijke motivering voor de in deze gedelegeerde handelingen vastgestelde statistische maatregelen, in voorkomend geval op basis van een kostenefficiëntieanalyse met een evaluatie van de druk op de respondenten en de productiekosten overeenkomstig artikel 14, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 223/2009.

Artikel 5

Verkennende studies

1.   Uiterlijk op 8 december 2018 ontwikkelt de Commissie in samenspraak met de lidstaten de passende methode voor het verzamelen van statistieken over personenvervoer over de binnenwateren, onder meer via grensoverschrijdende vervoersdiensten.

2.   Uiterlijk op 8 december 2019 gaat de Commissie van start met door de lidstaten uit te voeren vrijwillige verkennende studies die gegevens binnen het toepassingsgebied van deze verordening opleveren met betrekking tot de beschikbaarheid van statistische gegevens inzake het personenvervoer over de binnenwateren, onder meer via grensoverschrijdende vervoersdiensten. Het doel van deze verkennende studies is de haalbaarheid van die nieuwe gegevensverzamelingen, de kosten van de betrokken gegevensverzamelingen en de inherente kwaliteit van de statistieken te beoordelen.

3.   Uiterlijk op 8 december 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de resultaten van dergelijke verkennende studies. Afhankelijk van de resultaten van dat verslag dient de Commissie binnen een redelijke termijn indien nodig een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad om deze verordening aan te passen met betrekking tot de statistieken over personenvervoer over de binnenwateren, onder meer via grensoverschrijdende vervoersdiensten.

4.   Deze verkennende studies zullen, in voorkomend geval en rekening houdend met de meerwaarde voor de Unie, mede uit de algemene begroting van de Unie worden gefinancierd.

Artikel 6

Toezending van gegevens

1.   De gegevens worden zo snel mogelijk en uiterlijk vijf maanden na afloop van de relevante referentieperiode toegezonden.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de regelingen voor toezending van gegevens aan de Commissie (Eurostat), met inbegrip van de gegevensuitwisselingsnormen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 7

Verspreiding

De Europese statistieken die op basis van de in artikel 4 beschreven gegevens worden opgesteld, worden verspreid met min of meer dezelfde regelmaat als bij de toezending van de verzamelde gegevens.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de regelingen voor de verspreiding van de resultaten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 8

Kwaliteit van de gegevens

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de methodologische voorschriften en criteria die de kwaliteit van de geproduceerde gegevens moeten waarborgen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gegevens van goede kwaliteit worden toegezonden.

3.   De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de toegezonden gegevens. De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) een verslag met inlichtingen en cijfers over de kwaliteitscontroles die op de toegezonden gegevens zijn uitgevoerd.

4.   Voor de toepassing van deze verordening moeten op de te verstrekken gegevens de kwaliteitscriteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 223/2009 worden toegepast.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de gedetailleerde regelingen, structuur, frequentie en vergelijkbaarheidselementen voor de kwaliteitsverslagen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 9

Uitvoeringsverslagen

Uiterlijk op 31 december 2020 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie, na raadpleging van het Comité voor het Europees statistisch systeem, bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de uitvoering van deze verordening en over toekomstige ontwikkelingen.

In dat verslag houdt de Commissie rekening met relevante door de lidstaten verstrekte informatie over mogelijke verbeteringen en gebruikersbehoeften. Dit verslag bevat met name:

a)

een afweging van de kosten en baten van de geproduceerde statistieken voor de Unie, de lidstaten, de leveranciers en de gebruikers van de statistische gegevens;

b)

een beoordeling van de kwaliteit van de verstrekte gegevens en van de gehanteerde methoden voor het verzamelen van gegevens.

Artikel 10

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 2, lid 5, artikel 3 en artikel 4, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 7 december 2016. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 5, artikel 3 en artikel 4, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 2, lid 5, artikel 3 of artikel 4, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden aan de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 11

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 223/2009 opgerichte Comité voor het Europees statistisch systeem. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 12

Intrekking

Verordening (EG) nr.1365/2006 wordt hierbij ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VIII.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 4 juli 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 29 mei 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juni 2018.

(2)  Verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren en houdende intrekking van Richtlijn 80/1119/EEG van de Raad (PB L 264 van 25.9.2006, blz. 1).

(3)  Zie bijlage VII.

(4)  Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).

(5)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(6)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).


BIJLAGE I

Tabel I1.

Goederenvervoer naar soort goederen (jaargegevens)

Elementen

Codering

Classificatie

Eenheid

Tabel

2 alfanumerieke tekens

„I1”

 

Rapporterend land

2 letters

NUTS0 (landencode)

 

Jaar

4 cijfers

„jjjj”

 

Land/regio van lading

4 alfanumerieke tekens

NUTS2 (1)

 

Land/regio van lossing

4 alfanumerieke tekens

NUTS2 (1)

 

Soort vervoer

1 cijfer

1

=

nationaal

2

=

internationaal (m.u.v. doorvaart)

3

=

doorvaart

 

Soort goederen

2 cijfers

NST 2007

 

Soort verpakking

1 cijfer

1

=

in containers

2

=

niet in containers en lege containers

 

Vervoerd gewicht

 

 

ton

Tonkilometers

 

 

tonkilometer


(1)  Als de regiocode onbekend of niet beschikbaar is, moet de volgende codering worden gebruikt:

„NUTS0 + ZZ” als het partnerland een NUTS-code heeft;

„ISO code + ZZ” als het partnerland geen NUTS-code heeft;

„ZZZZ” als het partnerland volledig onbekend is.


BIJLAGE II

Tabel II1.

Vervoer naar scheepsvlag en soort schip (jaargegevens)

Elementen

Codering

Classificatie

Eenheid

Tabel

3 alfanumerieke tekens

„II1”

 

Rapporterend land

2 letters

NUTS0 (landencode)

 

Jaar

4 cijfers

„jjjj”

 

Land/regio van lading

4 alfanumerieke tekens

NUTS2 (1)

 

Land/regio van lossing

4 alfanumerieke tekens

NUTS2 (1)

 

Soort vervoer

1 cijfer

1

=

nationaal

2

=

internationaal (m.u.v. doorvaart)

3

=

doorvaart

 

Soort schip

1 cijfer

1

=

motorschip

2

=

schip zonder eigen aandrijving

3

=

motortankschip

4

=

tankschip zonder eigen aandrijving

5

=

ander soort vrachtschip

6

=

zeeschip

 

Nationaliteit van het schip

2 letters

NUTS0 (landencode) (2)

 

Vervoerd gewicht

 

 

ton

Tonkilometers

 

 

tonkilometer


Tabel II2.

Scheepsverkeer (jaargegevens)

Elementen

Codering

Classificatie

Eenheid

Tabel

3 alfanumerieke tekens

„II2”

 

Rapporterend land

2 letters

NUTS0 (landencode)

 

Jaar

4 cijfers

„jjjj”

 

Soort vervoer

1 cijfer

1

=

nationaal

2

=

internationaal (m.u.v. doorvaart)

3

=

doorvaart

 

Aantal verplaatsingen van beladen schepen

 

 

verplaatsingen van schepen

Aantal verplaatsingen van lege schepen

 

 

verplaatsingen van schepen

Scheepskilometers (beladen schepen)

 

 

Scheepskilometer

Scheepskilometers (lege schepen)

 

 

Scheepskilometer

NB: Toezending van tabel II2 is facultatief.


(1)  Als de regiocode onbekend of niet beschikbaar is, moet de volgende codering worden gebruikt:

„NUTS0 + ZZ” als het partnerland een NUTS-code heeft;

„ISO code + ZZ” als het partnerland geen NUTS-code heeft;

„ZZZZ” als het partnerland volledig onbekend is.

(2)  Als het land van registratie van het schip geen NUTS-code heeft, moet de ISO-landencode worden vermeld. Als de nationaliteit van het schip onbekend is, moet de code „ZZ” worden gebruikt.


BIJLAGE III

Tabel III1.

Containervervoer naar soort goederen (jaargegevens)

Elementen

Codering

Classificatie

Eenheid

Tabel

4 alfanumerieke tekens

„III1”

 

Rapporterend land

2 letters

NUTS0 (landencode)

 

Jaar

4 cijfers

„jjjj”

 

Land/regio van lading

4 alfanumerieke tekens

NUTS2 (1)

 

Land/regio van lossing

4 alfanumerieke tekens

NUTS2 (1)

 

Soort vervoer

1 cijfer

1

=

nationaal

2

=

internationaal (m.u.v. doorvaart)

3

=

doorvaart

 

Grootte van de containers

1 cijfer

1

=

20 voet

2

=

40 voet

3

=

groter dan 20 voet maar kleiner dan 40 voet

4

=

groter dan 40 voet

 

Beladingstoestand

1 cijfer

1

=

beladen containers

2

=

lege containers

 

Soort goederen

2 cijfers

NST 2007

 

Vervoerd gewicht

 

 

ton

Tonkilometers

 

 

tonkilometer

TEU

 

 

TEU

TEU-km

 

 

TEU-km


(1)  Als de regiocode onbekend of niet beschikbaar is, moet de volgende codering worden gebruikt:

„NUTS0 + ZZ” als het partnerland een NUTS-code heeft;

„ISO-code + ZZ” als het partnerland geen NUTS-code heeft;

„ZZZZ” als het partnerland volledig onbekend is.


BIJLAGE IV

Tabel IV1.

Vervoer naar scheepsvlag (kwartaalgegevens)

Elementen

Codering

Classificatie

Eenheid

Tabel

3 alfanumerieke tekens

„IV1”

 

Rapporterend land

2 letters

NUTS0 (landencode)

 

Jaar

4 cijfers

„jjjj”

 

Kwartaal

2 cijfers

41

=

kwartaal 1

42

=

kwartaal 2

43

=

kwartaal 3

44

=

kwartaal 4

 

Soort vervoer

1 cijfer

1

=

nationaal

2

=

internationaal (m.u.v. doorvaart)

3

=

doorvaart

 

Nationaliteit van het schip

2 letters

NUTS0 (landencode) (1)

 

Vervoerd gewicht

 

 

ton

Tonkilometers

 

 

tonkilometer


Tabel IV2.

Containervervoer naar scheepsvlag (kwartaalgegevens)

Elementen

Codering

Classificatie

Eenheid

Tabel

3 alfanumerieke tekens

„IV2”

 

Rapporterend land

2 letters

NUTS0 (landencode)

 

Jaar

4 cijfers

„jjjj”

 

Kwartaal

2 cijfers

41

=

kwartaal 1

42

=

kwartaal 2

43

=

kwartaal 3

44

=

kwartaal 4

 

Soort vervoer

1 cijfer

1

=

nationaal

2

=

internationaal (m.u.v. doorvaart)

3

=

doorvaart

 

Nationaliteit van het schip

2 letters

NUTS0 (landencode) (2)

 

Beladingstoestand

1 cijfer

1

=

beladen containers

2

=

lege containers

 

Vervoerd gewicht

 

 

ton

Tonkilometers

 

 

tonkilometer

TEU

 

 

TEU

TEU-km

 

 

TEU-km


(1)  ls het land van registratie van het schip geen NUTS-code heeft, moet de ISO-landencode worden vermeld. Als de nationaliteit van het schip onbekend is, moet de code „ZZ” worden gebruikt.

(2)  ls het land van registratie van het schip geen NUTS-code heeft, moet de ISO-landencode worden vermeld. Als de nationaliteit van het schip onbekend is, moet de code „ZZ” worden gebruikt.


BIJLAGE V

Tabel V1.

Goederenvervoer (jaargegevens)

Elementen

Codering

Classificatie

Eenheid

Tabel

2 alfanumerieke tekens

„V1”

 

Rapporterend land

2 letters

NUTS0 (landencode)

 

Jaar

4 cijfers

„jjjj”

 

Soort vervoer

1 cijfer

1

=

nationaal

2

=

internationaal (m.u.v. doorvaart)

3

=

doorvaart

 

Soort goederen

2 cijfers

NST 2007

 

Vervoerd gewicht

 

 

ton

Tonkilometers

 

 

tonkilometer


BIJLAGE VI

NST 2007

Afdeling

Omschrijving

01

Producten van de landbouw, jacht en bosbouw; vis en andere visserijproducten

02

Steenkool en bruinkool; ruwe aardolie en aardgas

03

Metaalertsen en andere delfstoffen; turf; uranium en thorium

04

Voedings- en genotmiddelen

05

Textiel en textielproducten; leder en lederwaren

06

Hout, hout- en kurkwaren (m.u.v. meubelen); vlecht- en mandenmakerswerk; pulp, papier en papierwaren; drukwerk en opgenomen media

07

Cokes en geraffineerde aardolieproducten

08

Chemische producten en synthetische of kunstmatige vezels; producten van rubber of kunststof; splijt- en kweekstoffen

09

Overige niet-metaalhoudende minerale producten

10

Metalen in primaire vorm; producten van metaal, andere dan machines en apparaten

11

Machines, apparaten en werktuigen, n.e.g.; kantoormachines en computers; elektrische machines en apparaten, n.e.g.; radio-, televisie- en telecommunicatieapparatuur; medische apparatuur en instrumenten, precisie- en optische instrumenten; uurwerken

12

Transportmiddelen

13

Meubelen; overige industrieproducten, n.e.g.

14

Secundaire grondstoffen; gemeentelijk afval en overig afval

15

Brieven, pakketten

16

Uitrusting en materiaal voor het vervoer van goederen

17

Vervoerde goederen in het kader van particuliere of bedrijfsverhuizingen; separaat van passagiers vervoerde bagage; voor reparatiedoeleinden vervoerde voertuigen; overige niet voor de markt bestemde goederen, n.e.g.

18

Gegroepeerde goederen: diverse soorten goederen die gezamenlijk worden vervoerd

19

Niet identificeerbare goederen: goederen die om de een of andere reden niet te identificeren zijn en daarom ook niet in de groepen 01 tot en met 16 kunnen worden opgenomen

20

Overige goederen, n.e.g.


BIJLAGE VII

INGETROKKEN VERORDENING MET OVERZICHT VAN DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN

Verordening (EG) nr. 1365/2006 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 264 van 25.9.2006, blz. 1)

 

Verordening (EG) nr. 425/2007 van de Commissie

(PB L 103 van 20.4.2007, blz. 26)

Uitsluitend artikel 1

Verordening (EG) nr. 1304/2007 van de Commissie

(PB L 290 van 8.11.2007, blz. 14)

Uitsluitend artikel 4

Verordening (EU) 2016/1954 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 311 van 17.11.2016, blz. 20)

 


BIJLAGE VIII

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1365/2006

De onderhavige verordening

Artikelen 1 tot en met 4

Artikelen 1 tot en met 4

Artikel 4 bis

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 13

Bijlage A

Bijlage I

Bijlage B

Bijlage II

Bijlage C

Bijlage III

Bijlage D

Bijlage IV

Bijlage E

Bijlage V

Bijlage F

Bijlage VI

Bijlage VII

Bijlage VIII


16.7.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 179/30


VERORDENING (EU) 2018/975 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 4 juli 2018

tot vaststelling van de beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3), is te garanderen dat de exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee bijdraagt tot ecologische, economische en sociale duurzaamheid op lange termijn.

(2)

De Unie heeft door middel van Besluit 98/392/EG van de Raad (4) het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee goedgekeurd, dat bepaalde principes en regels voor de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen van de zee bevat. De Unie neemt in het kader van haar ruimere internationale verplichtingen deel aan de inspanningen die in internationale wateren worden geleverd om de visbestanden in stand te houden.

(3)

Op grond van Besluit 2012/130/EU van de Raad (5) is de Unie sinds 26 juli 2010 verdragsluitende partij bij het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (hierna „het SPRFMO-verdrag”), waarbij de regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) is opgericht.

(4)

Binnen de SPRFMO is de Commissie van de SPRFMO bevoegd voor het vaststellen van maatregelen om de instandhouding op de lange termijn en het duurzame gebruik van visbestanden te waarborgen door de voorzorgsbenadering op visserijbeheer en een op het ecosysteem gebaseerde benadering van visserijbeheer toe te passen en aldus de mariene ecosystemen waarin deze bestanden voorkomen, te vrijwaren. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.

(5)

Gewaarborgd moet worden dat de door de SPRFMO vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen („instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO”) volledig in het recht van de Unie worden omgezet en aldus op uniforme en doeltreffende wijze in de Unie worden toegepast.

(6)

De SPRFMO heeft de bevoegdheid om instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de onder haar bevoegdheid vallende visserijen vast te stellen, die bindend zijn voor de verdragsluitende partijen bij het SPRFMO-verdrag („verdragsluitende partijen”). Deze handelingen zijn in de eerste plaats gericht tot de verdragsluitende partijen, en voorzien in verplichtingen voor exploitanten zoals kapiteins van vaartuigen.

(7)

Deze verordening mag geen betrekking hebben op de door de SPRFMO vastgestelde vangstmogelijkheden, aangezien deze vangstmogelijkheden worden toegewezen in het kader van de jaarlijks krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vastgestelde verordening inzake vangstmogelijkheden.

(8)

Bij de tenuitvoerlegging van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO moeten de Unie en de lidstaten streven naar bevordering van het gebruik van vistuig en visserijtechnieken die selectief zijn en een beperkt milieueffect hebben.

(9)

Teneinde de toekomstige bindende wijzigingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO snel in Unierecht op te nemen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen en de ter zake relevante artikelen van deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (6). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(10)

Ter waarborging van de naleving van het GVB is Uniewetgeving vastgesteld om een systeem voor controle, inspectie en handhaving op te zetten dat onder meer is gericht tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij.

(11)

In het bijzonder is bij Verordening (EG) nr. 1224/2009 (7) van de Raad een Unieregeling voor controle, inspectie en handhaving vastgesteld, die een alomvattende en geïntegreerde aanpak biedt, teneinde ervoor te zorgen dat alle regels van het GVB worden nageleefd. Ook zijn bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 (8) van de Commissie nadere uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgesteld. Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 (9) van de Raad is een communautair systeem opgezet om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. Daarnaast zijn bij Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad (10) regels vastgesteld voor de afgifte en het beheer van visserijtoelatingen voor vissersvaartuigen van de Unie die visserijactiviteiten verrichten in wateren onder auspiciën van een regionale organisatie voor het visserijbeheer (regional fisheries management organisation, „RFMO”) waarbij de Unie als verdragsluitende partij is aangesloten. Met die verordeningen is reeds een aantal bepalingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO geïmplementeerd. Die bepalingen hoeven derhalve niet in de onderhavige verordening te worden opgenomen.

(12)

Bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is een aanlandingsverplichting ingevoerd die met ingang van 1 januari 2015 van toepassing is op visserij op kleine en grote pelagische soorten, visserij voor industriële doeleinden en visserij op zalm in de Oostzee. Op grond van artikel 15, lid 2, van die verordening doet de aanlandingsverplichting echter geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de Unie, zoals die welke voortvloeien uit de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden beheers-, instandhoudings- en controlebepalingen inzake de visserij op grensoverschrijdende visbestanden in het SPRFMO-verdragsgebied vastgesteld.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

a)

vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in het SPRFMO-verdragsgebied;

b)

vissersvaartuigen van de Unie die in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste visserijproducten overladen;

c)

vissersvaartuigen van derde landen wanneer zij toegang vragen tot havens van de Unie of het voorwerp uitmaken van een inspectie in havens van de Unie en in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste visserijproducten aan boord hebben.

Artikel 3

Verband met andere handelingen van de Unie

Tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald, is deze verordening van toepassing zonder afbreuk te doen aan Verordeningen (EG) nr. 1005/2008, Verordening (EG) nr. 1224/2009 en Verordening (EU) 2017/2403.

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„SPRFMO-verdragsgebied”: het geografische gebied dat is afgebakend in artikel 5 van het SPRFMO-verdrag;

2.

„vissersvaartuig”: elk vaartuig, ongeacht de omvang, dat wordt ingezet of is bedoeld om te worden ingezet voor de commerciële exploitatie van visbestanden, met inbegrip van ondersteuningsvaartuigen, vaartuigen voor visverwerking, vaartuigen waarop vangsten worden overgeladen en transportvaartuigen die zijn uitgerust voor het vervoer van visserijproducten, met uitzondering van containerschepen;

3.

„vissersvaartuig van de Unie” een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;

4.

„SPRFMO-visbestanden”: alle biologische rijkdommen binnen het SPRFMO-verdragsgebied, met uitzondering van:

a)

sedentaire soorten voor zover zij op grond van artikel 77, lid 4, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (hierna „UNCLOS” genoemd) onder de nationale jurisdictie van de kuststaten vallen;

b)

de over grote afstanden trekkende soorten die zijn genoemd in bijlage I bij UNCLOS;

c)

anadrome en katadrome soorten;

d)

zeezoogdieren, zeereptielen en zeevogels;

5.

„SPRFMO-visserijproducten”: aquatische organismen, of daarvan afgeleide producten, die zijn verkregen in het kader van een visserijactiviteit in het SPRFMO-verdragsgebied;

6.

„visserijactiviteit”: het zoeken naar vis, het te water laten, uitzetten, slepen en ophalen van vistuig, het aan boord halen van de vangst, het overladen, het aan boord houden, het verwerken aan boord, het overbrengen en het aanlanden van vis en visserijproducten;

7.

„bodemvisserij”: de visserij door een vissersvaartuig dat vistuig gebruikt dat bij de normale activiteiten waarschijnlijk met de zeebodem of met bentische organismen in aanraking komt;

8.

„voetafdruk van de bodemvisserij”: het geografische gebied dat de bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied gedurende de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2006 heeft bestreken;

9.

„IOO-visserij”: illegale, ongemelde of ongereguleerde visserijactiviteiten in de zin van artikel 2, punten 1 tot en met 4, van Verordening (EG) nr. 1005/2008;

10.

„SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen”: de initiële lijst van vissersvaartuigen die ervan worden verdacht IOO-visserij te hebben bedreven, zoals opgesteld door het SPRFMO-secretariaat en ter overweging ingediend bij het nalevings- en technisch comité van de SPRFMO;

11.

„experimentele visserij”: visserij waarbij de voorbije tien jaar geen visvangst of geen visvangst met een specifiek vistuigtype of een specifieke techniek heeft plaatsgevonden;

12.

„groot pelagisch drijfnet”: kieuwnet, ander net of combinatie van netten met een lengte van meer dan 2,5 kilometer waarvan het doel is vis te verwarren, te beknellen of te verstrikken door op het wateroppervlak of in het water te drijven.

13.

„diepzeekieuwnetten” (bijvoorbeeld schakelnetten, staande netten, geankerde netten, zinknetten): reeksen van enkele, dubbele of driedubbele netwanten, die rechtop, op of dicht bij de bodem worden geplaatst en waarin vis verward, bekneld of verstrikt raakt. Diepzeekieuwnetten bestaan uit enkele of, minder gebruikelijk, dubbele of driedubbele netten die samen worden bevestigd aan hetzelfde touwkader. Er kunnen diverse soorten netten worden gebruikt in één tuig. Die netten kunnen afzonderlijk worden gebruikt of, hetgeen gebruikelijker is, in grote aantallen die in lijn worden geplaatst („vloten” van netten). Het vistuig kan worden bevestigd, aan de bodem worden verankerd of drijvend worden gehouden, hetzij vrijelijk of bevestigd aan het vaartuig;

14.

„met de SPRFMO samenwerkende niet-verdragsluitende partij” (Cooperating Non-Contracting Party, CNCP): een staat of visserij-entiteit die geen partij is bij het SPRFMO-verdrag maar die ermee heeft ingestemd onverkort mee te werken aan de uitvoering van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO;

15.

„vaartuigenregister van de SPRFMO”: de lijst van vissersvaartuigen die de toelating hebben om in het SPRFMO-verdragsgebied te vissen; deze lijst wordt door het SPRFMO-secretariaat bijgehouden op basis van kennisgevingen door de verdragsluitende partijen en de CNCP's;

16.

„overlading”: het lossen van alle visserijproducten aan boord van een vissersvaartuig of een gedeelte daarvan in een ander vissersvaartuig;

17.

„andere probleemsoorten”: in bijlage XIII opgenomen soorten;

18.

„kwetsbaar marien ecosysteem” (KME): een marien ecosysteem waarvan de integriteit (d.w.z. de structuur of de functie van het ecosysteem), volgens de beste beschikbare wetenschappelijke informatie en het voorzorgsbeginsel, wordt bedreigd door significante nadelige effecten als gevolg van fysiek contact met bodemvistuig tijdens de normale visserijactiviteiten, zoals riffen, onderzeese bergen, warmwaterkraters, koudwaterkoralen en koudwatersponsriffen.

TITEL II

BEHEERS-, INSTANDHOUDINGS- EN CONTROLEMAATREGELEN BETREFFENDE BEPAALDE SOORTEN

HOOFDSTUK I

Chileense horsmakreel ( Trachurus murphyi )

Artikel 5

Informatie over het opgebruiken van het quotum van Chileense horsmakreel

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de datum van de sluiting van een visserij op Chileense horsmakreel die 100 % van hun vangstbeperking heeft bereikt. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 6

Aanwezigheid van waarnemers in de visserij op Chileense horsmakreel

De lidstaten zorgen ervoor dat bij minstens 10 % van de reizen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen wetenschappelijke waarnemers aan boord zijn. Voor vissersvaartuigen die per jaar niet meer dan twee reizen ondernemen, wordt de aanwezigheid van waarnemers van 10 % berekend op basis van het aantal actieve visdagen voor trawlers en op basis van het aantal trekken voor ringzegenvaartuigen.

Artikel 7

Rapportering van gegevens voor Chileense horsmakreel

1.   De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de 15de dag van elke maand de vangsten van Chileense horsmakreel in de voorgaande maand mee overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op de 20e dag van elke maand door aan het SPRFMO-secretariaat.

2.   In aanvulling op lid 1 delen de lidstaten aan de Commissie de volgende gegevens met betrekking tot de visserij op Chileense horsmakreel mee:

a)

uiterlijk op de 15de dag van elke maand, de lijst van hun vissersvaartuigen die de voorbije maand bij overlading betrokken waren. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op de 20e dag van elke maand toe aan het SPRFMO-secretariaat;

b)

uiterlijk 45 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO, het jaarlijkse wetenschappelijke rapport over het vorige jaar. De Commissie zendt die informatie uiterlijk 30 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 8

Toewijzing van vangstmogelijkheden voor Chileense horsmakreel

Overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 maken de lidstaten bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden voor bestanden Chileens horsmakreel gebruik van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard, en streven zij er ook naar de nationale quota over de diverse vlootsegmenten eerlijk te verdelen en te zorgen voor stimulansen voor vissersvaartuigen van de Unie die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruikmaken van minder milieubelastende visserijtechnieken.

HOOFDSTUK II

Zeevogels

Artikel 9

Maatregelen om de impact van de beugvisserij op zeevogels te verminderen

1.   Alle vissersvaartuigen van de Unie die beugen gebruiken, vallen onder de in dit artikel vastgestelde maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.

2.   Alle vissersvaartuigen van de Unie met demersale beugen maken gebruik van lijngewichten en torilijnen (vogelverschrikkerlijnen).

3.   Vissersvaartuigen van de Unie zetten geen beugen uit bij duisternis.

4.   De lijngewichten worden aangebracht overeenkomstig bijlage I.

5.   De vogelverschrikkerlijnen worden aangebracht overeenkomstig bijlage II.

6.   Vissersvaartuigen van de Unie mogen geen afval lozen tijdens het uitzetten en het inhalen. Indien dit niet haalbaar is en wanneer het omwille van de operationele veiligheid nodig is biologisch afval te lozen, verzamelen de vissersvaartuigen het afval en lozen zij het pas na een tussentijd van twee uur of langer.

Artikel 10

Maatregelen om de impact van de trawlvisserij op zeevogels te verminderen

1.   Alle vissersvaartuigen van de Unie die trawlnetten gebruiken, vallen onder de in dit artikel vastgestelde maatregelen om de impact van de visserij op zeevogels te verminderen.

2.   De vissersvaartuigen van de Unie zetten tijdens het vissen twee torilijnen in, of, indien de operationele praktijken de effectieve inzet van torilijnen verhinderen, een vogelscherm.

3.   Vogelschermen worden aangebracht overeenkomstig bijlage III.

4.   Vissersvaartuigen van de Unie mogen voor zover mogelijk geen afval lozen tijdens het uitzetten en het inhalen.

5.   Vissersvaartuigen van de Unie verwerken afval voor zover mogelijk en passend tot vismeel en houden al het afvalmateriaal aan boord; lozingen blijven beperkt tot lozingen van vloeibare afvalstoffen/afvalwater. Indien dit niet mogelijk is en passend is, verzamelen de vissersvaartuigen het afval en lozen zij het pas na een tussentijd van twee uur of langer.

6.   Netten worden zo mogelijk na elke visserijactiviteit schoongemaakt om verstrikte vis en bentisch materiaal te verwijderen en zo interacties met vogels tijdens het uitzetten van vistuig te voorkomen.

7.   De tijd dat het net zich tijdens het inhalen op het wateroppervlak bevindt, wordt door een gedegen onderhoud van de lieren en goede dekpraktijken zo kort mogelijk gehouden.

Artikel 11

Rapportering van gegevens inzake zeevogels

In het in artikel 7, lid 2, onder b), bedoelde jaarlijkse wetenschappelijke verslag vermelden de lidstaten:

a)

de maatregelen ter vermindering van de impact van de visserij op zeevogels die zijn toegepast door elk onder hun vlag varend vissersvaartuig dat in het SPRFMO-verdragsgebied vist;

b)

het niveau waarop waarnemers worden ingezet om de bijvangst van zeevogels te registreren;

c)

alle gegevens over waargenomen interactie met zeevogels.

TITEL III

BEHEERS-, INSTANDHOUDINGS- EN CONTROLEMAATREGELEN BETREFFENDE BEPAALDE VISSERIJMETHODEN

HOOFDSTUK I

Bodemvisserij

Artikel 12

Bodemvisserijtoelating

1.   De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe bodemvisserij te verrichten zonder voorafgaande toelating van de SPRFMO.

2.   Lidstaten die voornemens zijn in het SPRFMO-verdragsgebied bodemvisserijactiviteiten te verrichten, dienen uiterlijk 45 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO waar zij hun verzoek willen laten behandelen, een verzoek om toelating in. De Commissie zendt het verzoek uiterlijk 30 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO door aan het SPRFMO-secretariaat. Het verzoek omvat:

a)

de voetafdruk van de bodemvisserij, op basis van het door de betrokken lidstaat vastgestelde trackrecord op het gebied van bodemvisserijvangst of -inspanning in het SPRFMO-verdragsgebied in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006;

b)

het gemiddelde jaarlijkse vangstniveau in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006;

c)

een effectbeoordeling van de bodemvisserij;

d)

een evaluatie om na te gaan of de voorgestelde activiteiten het duurzame beheer van zowel doelsoorten als bijgevangen niet-doelsoorten bevorderen en het mariene ecosysteem waarin deze bestanden voorkomen, beschermen, onder meer door significante nadelige effecten op KME's te voorkomen.

3.   De in lid 2, onder c), bedoelde effectbeoordeling wordt verricht overeenkomstig de in 2009 gepubliceerde internationale richtsnoeren voor het beheer van diepzeevisserij op volle zee van de Voedsel- en Landbouworganisatie (richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de FAO) en houdt rekening met de norm voor de effectbeoordeling van de bodemvisserij (Bottom Fishery Impact Assessment Standard) van de SPRFMO en met gebieden waarvan bekend is of waarvan de kans groot is dat er KME voorkomen.

4.   De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de toelating voor bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied waarvoor de effectbeoordeling is verricht, met inbegrip van bijbehorende voorwaarden en ter zake relevante maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op KME's.

5.   De lidstaten waarborgen dat de in lid 2, onder c), bedoelde effectbeoordelingen worden geactualiseerd wanneer zich een substantiële verandering in de visserij heeft voorgedaan die waarschijnlijk een impact op KME's heeft, en zenden die informatie, zodra zij beschikbaar is, toe de Commissie. De Commissie zendt die informatie door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 13

Bodemvisserij buiten de voetafdruk van de bodemvisserij of die de vangstniveaus van de referentieperiode overschrijdt

1.   De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe zonder voorafgaande toelating van de SPRFMO bodemvisserij buiten de voetafdruk van de bodemvisserij of bodemvisserij die de vangstniveaus van de referentieperiode overschrijdt, te verrichten.

2.   Lidstaten waarvan de vaartuigen voornemens zijn buiten de voetafdruk voor de bodemvisserij te vissen of het in artikel 12, lid 2, onder b), bedoelde gemiddelde jaarlijkse vangstniveau te overschrijden, dienen uiterlijk 80 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO waar zij hun verzoek willen laten behandelen, een verzoek om toelating in. De Commissie zendt het verzoek uiterlijk 60 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO door aan het SPRFMO-secretariaat. Het verzoek omvat:

a)

een effectbeoordeling van de bodemvisserij;

b)

een evaluatie om na te gaan of de voorgestelde activiteiten het duurzame beheer van zowel doelsoorten als bijgevangen niet-doelsoorten bevorderen en het mariene ecosysteem waarin deze bestanden voorkomen, beschermen, onder meer door significante nadelige effecten op KME's te voorkomen.

3.   De in lid 2, onder a), bedoelde effectbeoordeling wordt verricht overeenkomstig de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de FAO en houdt rekening met de norm voor de effectbeoordeling van de bodemvisserij (Bottom Fishery Impact Assessment Standard) van de SPRFMO en met gebieden waarvan bekend is of waarvan de kans groot is dat er KME's voorkomen.

4.   De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de toelating voor bodemvisserij in het SPRFMO-verdragsgebied waarvoor de effectbeoordeling is verricht, met inbegrip van bijbehorende voorwaarden en ter zake relevante maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op KME's.

5.   De lidstaten waarborgen dat de in lid 2, onder a), bedoelde effectbeoordelingen worden geactualiseerd wanneer zich een verandering in de visserij heeft voorgedaan die waarschijnlijk een impact op KME's heeft, en zenden die informatie, zodra zij beschikbaar is, toe de Commissie. De Commissie zendt die informatie door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 14

Kwetsbare mariene ecosystemen in de bodemvisserij

1.   Totdat het wetenschappelijk comité van de SPRFMO advies heeft geformuleerd inzake maximumniveaus, stellen de lidstaten, rekening houdend met punt 68 van de richtsnoeren inzake de diepzeevisserij van de FAO, maximumniveaus voor contact met KME's vast voor onder hun vlag varende vissersvaartuigen.

2.   De lidstaten verplichten de onder hun vlag varende vissersvaartuigen ertoe bodemvisserijactiviteiten stop te zetten binnen vijf zeemijl van een locatie in het SPRFMO-verdragsgebied waar het aantal contacten de op grond van lid 1 van dit artikel vastgestelde maximumniveaus overschrijdt. De lidstaten melden contacten met KME's aan de Commissie op basis van de in bijlage IV vastgestelde richtsnoeren. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 15

Aanwezigheid van waarnemers in de bodemvisserij

De lidstaten zorgen ervoor dat op 100 % van de onder hun vlag varende trawlers die bodemvisserij bedrijven en op ten minste 10 % van onder hun vlag varende vissersvaartuigen die ander bodemvistuig inzetten, waarnemers aanwezig zijn.

Artikel 16

Rapportering van gegevens inzake bodemvisserij

1.   De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de 15de dag van elke maand de vangsten van bodemvisserijsoorten in de voorgaande maand mee overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.   Uiterlijk op de 15de dag van elke maand verstrekken de lidstaten aan de Commissie een lijst van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die actief vissen en van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die bij overlading betrokken zijn. De Commissie zendt die informatie binnen vijf dagen na de ontvangst ervan door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.   De lidstaten verbieden de onder hun vlag varende vissersvaartuigen deel te nemen aan bodemvisserij indien het vereiste minimum aan gegevens inzake vissersvaartuigidentificatie zoals beschreven in bijlage V niet is verstrekt.

HOOFDSTUK II

Experimentele visserij

Artikel 17

Toelating voor experimentele visserij

1.   Lidstaten die voornemens zijn een onder hun vlag varend vissersvaartuig toe te staan om in een experimentele visserij te vissen, dienen uiterlijk 80 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO bij de Commissie het volgende in:

a)

een verzoek om toelating, met de in bijlage V beschreven informatie;

b)

een visserijoperatieplan overeenkomstig bijlage VI, met inbegrip van een toezegging om het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan van artikel 18, leden 3, 4 en 5, in acht te nemen.

2.   Uiterlijk 60 dagen vóór de vergadering van het wetenschappelijk comité van de SPRFMO zendt de Commissie het verzoek door aan de SPRFMO-commissie, en het visserijoperatieplan aan het wetenschappelijk comité van de SPRFMO.

3.   De Commissie stelt de lidstaten in kennis van het SPRFMO-besluit inzake de toelating om in een experimentele visserij te vissen.

Artikel 18

Experimentele visserij

1.   De lidstaten staan de onder hun vlag varende vissersvaartuigen niet toe in een experimentele visserij te vissen zonder voorafgaande toelating van de SPRFMO.

2.   De lidstaten waarborgen dat elk onder hun vlag varend vissersvaartuig uitsluitend in een experimentele visserij vist overeenkomstig het door de SPRFMO goedgekeurde visserijoperatieplan.

3.   De lidstaten waarborgen dat de volgens het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan vereiste gegevens aan de Commissie worden verstrekt, die deze gegevens doorzendt aan het SPRFMO-secretariaat.

4.   Het wordt de vissersvaartuigen van de Unie die de toelating hebben om aan experimentele visserij deel te nemen, verboden in de betrokken experimentele visserij te blijven vissen tenzij de in het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan omschreven gegevens bij het SPRFMO-secretariaat zijn ingediend voor het meest recente seizoen waarin de visserij plaatsvond en het wetenschappelijk comité van de SPRFMO de gelegenheid heeft gehad die gegevens te beoordelen.

5.   De lidstaten waarvan vissersvaartuigen deelnemen aan experimentele visserij, zorgen ervoor dat elk onder hun vlag varend vissersvaartuig een of meer, maar in elk geval voldoende onafhankelijke waarnemers aan boord heeft om gegevens te verzamelen overeenkomstig het SPRFMO-gegevensverzamelingsplan.

Artikel 19

Vervanging van vissersvaartuigen in een experimentele visserij

1.   Niettegenstaande de artikelen 17 en 18 mogen de lidstaten een onder hun vlag varend vaartuig dat niet in het visserijoperatieplan is geïdentificeerd, toestaan in een experimentele visserij te vissen indien een in het visserijoperatieplan geïdentificeerd vissersvaartuig van de Unie door geldige operationele redenen of overmacht niet kan vissen. De betrokken lidstaat brengt in dat geval de Commissie onverwijld op de hoogte, met opgave van:

a)

de volledige gegevens van het beoogde vervangvaartuig;

b)

een uitgebreide uiteenzetting van de redenen voor de vervanging en eventuele bewijsstukken;

c)

specificaties en een volledige beschrijving van de soorten vistuig die door het vervangvaartuig zullen worden gebruikt.

2.   De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

HOOFDSTUK III

Grote pelagische drijfnetten, diepzeekieuwnetten en andere kieuwnetten

Artikel 20

Grote pelagische drijfnetten en diepzeekieuwnetten

Het gebruik van grote pelagische drijfnetten en alle diepzeekieuwnetten is in het hele SPRFMO-verdragsgebied verboden.

Artikel 21

Kieuwnetten

Lidstaten die hun vaartuigen door het SPRFMO-verdragsgebied willen laten varen met kieuwnetten aan boord:

a)

stellen het SPRFMO-secretariaat hiervan ten minste 36 uur voordat de vaartuigen het SPRFMO-verdragsgebied betreden op de hoogte, met inbegrip van de verwachte aankomst- en vertrekdata en de lengte van het kieuwnet dat zich aan boord bevindt;

b)

zorgen ervoor dat de vaartuigen die hun vlag voeren, zijn uitgerust met een volgsysteem voor vaartuigen (vessel monitoring system, „VMS”) dat tijdens hun aanwezigheid in het SPRFMO-verdragsgebied elke twee uur een rapport inzendt;

c)

dienen dertig dagen nadat het vaartuig het SPRFMO-verdragsgebied heeft verlaten, VMS-positieberichten in bij het SPRFMO-secretariaat; en

d)

melden, als kieuwnetten per abuis verloren raken of overboord vallen, zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen 48 uur nadat het tuig verloren is geraakt of overboord is gevallen, de datum, tijd, positie en lengte (in meter) van de verloren kieuwnetten aan het SPRFMO-secretariaat.

TITEL IV

GEMEENSCHAPPELIJKE CONTROLEMAATREGELEN

HOOFDSTUK I

Toelatingen

Artikel 22

Vaartuigenregister van de SPRFMO

1.   Uiterlijk op 15 november van elk jaar dienen de lidstaten bij de Commissie een lijst in van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die voor het volgende jaar de toelating hebben om te vissen in het SPRFMO-verdragsgebied, met vermelding van de in bijlage V bedoelde informatie. De Commissie zendt deze lijst door aan het SPRFMO-secretariaat. De lidstaten houden rekening met de nalevingsvoorgeschiedenis van de vissersvaartuigen en exploitanten wanneer zij zich beraden over de afgifte van visserijtoelatingen voor het SPRFMO-verdragsgebied.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die de toelating hebben om te vissen in het SPRFMO-verdragsgebied, en wel ten minste 20 dagen vóór de datum van eerste binnenkomst van een dergelijk vaartuig in het SPRFMO-verdragsgebied. De Commissie zendt die informatie ten minste 15 dagen vóór de datum van eerste binnenkomst in het SPRFMO-verdragsgebied door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.   De lidstaten zien erop toe dat de gegevens van de onder hun vlag varende vissersvaartuigen die de toelating hebben om in het SPRFMO-verdragsgebied te vissen, up-to-date zijn. Uiterlijk tien dagen na een wijziging wordt deze gemeld aan de Commissie. De Commissie stelt binnen vijf dagen na de ontvangst van dergelijke melding het SPRFMO-secretariaat in kennis.

4.   In het geval van intrekking, verzaking of om het even welke omstandigheden waardoor een toelating ongeldig wordt, stellen de lidstaten de Commissie daarvan onverwijld in kennis zodat zij die informatie binnen een periode van drie dagen na de datum van de ongeldigheid van de toelating aan het SPRFMO-secretariaat kan doorzenden.

5.   Vissersvaartuigen van de Unie die niet in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen, mogen geen visserijactiviteiten verrichten met betrekking tot soorten in het SPRFMO-verdragsgebied die onder de verantwoordelijkheid van de SPRFMO vallen.

HOOFDSTUK II

Overlading

Artikel 23

Algemene bepalingen inzake overlading

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op overladingen:

a)

binnen het SPRFMO-verdragsgebied van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden, en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen.

b)

buiten het SPRFMO-verdragsgebied van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden, en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen.

2.   Overladingen op zee en in de haven vinden enkel plaats tussen vissersvaartuigen die in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen.

3.   Overbrenging op zee van brandstof, bemanning, vistuig of andere benodigdheden in het SPRFMO-verdragsgebied vindt enkel plaats tussen vissersvaartuigen die in het vaartuigenregister van de SPRFMO zijn opgenomen.

4.   Overladingen op zee van in het SPRFMO-verdragsgebied geoogste SPRFMO-visbestanden en andere soorten die samen met deze bestanden zijn gevangen, zijn verboden in de wateren van de Unie.

Artikel 24

Melding van de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten

1.   Ongeacht waar de overlading plaatsvindt, wordt bij elke overlading van Chileense horsmakrelen en demersale soorten die in het SPRFMO-verdragsgebied door vissersvaartuigen van de Unie zijn gevangen, door de autoriteiten van de vlaggenlidstaat gelijktijdig aan de Commissie en aan het SPRFMO-secretariaat de volgende informatie toegezonden:

a)

een melding van het voornemen om over te laden, met opgave van een periode van 14 dagen waarin de overlading van in het SPRFMO-verdragsgebied gevangen Chileense horsmakreel en demersale soorten is gepland; deze melding wordt zeven dagen vóór de eerste dag van de periode van 14 dagen ontvangen;

b)

een melding van de daadwerkelijke overlading, die ten minste 12 uur vóór het geraamde tijdstip van die activiteiten wordt ontvangen.

De lidstaten mogen de exploitant van het vissersvaartuig van de Unie toestaan deze informatie rechtstreeks langs elektronische weg aan het SPRFMO-secretariaat toe te verstrekken zenden, op voorwaarde dat zij gelijktijdig aan de Commissie wordt toegezonden.

2.   De in lid 1 bedoelde meldingen omvatten de relevante beschikbare informatie inzake de overlading, met inbegrip van de verwachte datum en het verwachte tijdstip, de verwachte locatie, de visserij, en informatie over de betrokken vissersvaartuigen van de Unie, overeenkomstig bijlage VII.

Artikel 25

Monitoring van de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten

1.   Indien er een waarnemer aan boord is van het lossende of ontvangende vissersvaartuig van de Unie, monitort hij de overladingsactiviteiten. De waarnemer vult het SPRFMO-overladingslogblad in overeenkomstig bijlage VIII om de hoeveelheid en de soorten visserijproducten die worden overgeladen, te verifiëren en hij verstrekt een kopie van het logblad aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan het geobserveerde vaartuig de vlag voert.

2.   De lidstaat waarvan het vissersvaartuig de vlag voert, dient de waarnemersgegevens van het SPRFMO-overladingslogblad binnen tien dagen nadat de waarnemer van boord gaat, bij de Commissie in. De Commissie zendt deze gegevens binnen 15 dagen na de datum van ontscheping door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.   Met het oog op de verificatie van de hoeveelheid en de soorten visserijproducten die worden overgeladen, en om te waarborgen dat er behoorlijke verificatie kan plaatsvinden, heeft de waarnemer aan boord volledige toegang tot het betrokken vissersvaartuig van de Unie, met inbegrip van bemanning, vistuig, uitrusting, registers (inclusief in elektronische vorm) en visruimen.

Artikel 26

Na de overlading van Chileense horsmakreel en demersale soorten te melden informatie

1.   Lidstaten waarvan de vaartuigen betrokken zijn bij de overlading, stellen het SPRFMO-secretariaat en de Commissie uiterlijk zeven dagen nadat de overlading is verricht, overeenkomstig bijlage IX gelijktijdig in kennis van de operationele gegevens.

2.   De lidstaten mogen de exploitant van het vissersvaartuig van de Unie toestaan de in lid 1 bedoelde informatie rechtstreeks langs elektronische weg aan het SPRFMO-secretariaat te verstrekken, op voorwaarde dat de informatie gelijktijdig aan de Commissie wordt doorgezonden. Elk door de exploitant van het vissersvaartuig van de Unie ontvangen verzoek om verduidelijking van het SPRFMO-secretariaat wordt doorgezonden aan de Commissie.

HOOFDSTUK III

Verzameling en rapportering van gegevens

Artikel 27

Verzameling en rapportering van gegevens

1.   In aanvulling op de in de artikelen 7, 11, 14, 16, 18, 25 en 26 vastgestelde vereisten inzake de rapportering van gegevens verstrekken de lidstaten waarvan de vaartuigen in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, aan de Commissie de in de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel vastgestelde gegevens.

2.   Elk jaar rapporteren de lidstaten waarvan de vaartuigen in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, uiterlijk op 15 september aan de Commissie het levend gewicht voor alle soorten/soortengroepen die in het vorige kalenderjaar zijn gevangen. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 30 september door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.   Elk jaar rapporteren de lidstaten waarvan de vaartuigen in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, uiterlijk op 15 juni aan de Commissie de gegevens inzake trawlvisserijactiviteiten per trek, de gegevens inzake de visserij met de grondbeug per uitzet, en de gegevens inzake aanlandingen, inclusief voor koelschepen, en overladingen. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 30 juni door aan het SPRFMO-secretariaat.

4.   De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, gedetailleerde vereisten voor de in dit artikel bedoelde gegevensrapportering vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

Waarnemersprogramma's

Artikel 28

Waarnemersprogramma's

1.   De lidstaten waarvan de vaartuigen in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, stellen waarnemersprogramma's vast om de in bijlage X vastgestelde gegevens te verzamelen.

2.   Elk jaar verstrekken de lidstaten waarvan de vaartuigen in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, uiterlijk op 15 september aan de Commissie de toepasselijke, in bijlage X vastgestelde waarnemersgegevens over het vorige kalenderjaar. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 30 september door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.   Elk jaar verstrekken de lidstaten waarvan de vaartuigen in het SPRFMO-verdragsgebied vissen, uiterlijk op 15 augustus een jaarlijks verslag inzake de uitvoering van het waarnemersprogramma in het vorige jaar. Het verslag omvat de opleiding van de waarnemers, het ontwerp en de dekking van het programma, het soort verzamelde gegevens, en eventuele problemen die zich tijdens het jaar hebben voorgedaan. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 1 september door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 29

Volgsysteem voor vaartuigen

1.   De satellietvolgapparatuur die geïnstalleerd is aan boord van vissersvaartuigen van de Unie, zorgt voor de automatische transmissie aan het visserijcontrolecentrum (VCC) van de vlaggenlidstaat van VMS-gegevens met een foutenmarge voor de positie van minder dan 100 meter onder normale bedrijfsomstandigheden voor navigatie per satelliet.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun VCC automatisch en continu, minstens eenmaal per uur, de VMS-gegevens van onder hun vlag varende vaartuigen die visserij bedrijven in het SPRFMO-verdragsgebied, meedelen aan het SPRFMO-secretariaat en dat de satellietvolgapparatuur die geïnstalleerd is aan boord van onder hun vlag varende vaartuigen minstens om de 15 minuten VMS-gegevens kan rapporteren.

3.   Voor de toepassing van artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 omvat het SPRFMO-verdragsgebied een zone van 100 zeemijl buiten het SPRFMO-verdragsgebied waarbinnen lid 1 van dit artikel van toepassing is.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor onder hun vlag varende vissersvaartuigen, als de antenne van de satellietvolgapparatuur gemonteerd is zodat hij gescheiden is van de fysieke behuizing, één gemeenschappelijke antenne wordt gebruikt zowel voor de decoder als voor de zender van de navigatie per satelliet, en de fysieke behuizing verbonden is met de antenne door één lengte ononderbroken kabel.

HOOFDSTUK V

Controle van vissersvaartuigen van derde landen in havens van lidstaten

Artikel 30

Contactpunten en aangewezen havens

1.   Een lidstaat die toegang tot zijn havens wil verlenen aan vissersvaartuigen van derde landen met aan boord SPRFMO-visserijproducten die in het SPRFMO-verdragsgebied zijn gevangen of van dergelijke bestanden afkomstige visserijproducten die niet eerder zijn aangeland of overgeladen in een haven of op zee:

a)

wijst de havens aan waartoe vissersvaartuigen van derde landen uit hoofde van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 toegang mogen vragen;

b)

wijst een contactpunt aan voor de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving uit hoofde van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1005/2008;

c)

wijst een contactpunt aan voor het ontvangen van de inspectieverslagen uit hoofde van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

2.   De lidstaten zenden wijzigingen van de lijst van aangewezen havens en aangewezen contactpunten ten minste 40 dagen voordat zulke wijzigingen van kracht worden, aan de Commissie toe. De Commissie zendt die informatie ten minste 30 dagen voordat de wijzigingen van kracht worden, door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 31

Voorafgaande kennisgeving

1.   In afwijking van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 verplichten havenlidstaten vissersvaartuigen van derde landen die in hun havens SPRFMO-visbestanden willen aanlanden of overladen die niet eerder zijn aangeland of overgeladen, om uiterlijk 48 uur vóór het vermoedelijke tijdstip van aankomst in de haven de volgende informatie te verstrekken overeenkomstig bijlage XI:

a)

vaartuigidentificatie (externe identificatie, naam, vlag, nummer van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO-nummer), indien van toepassing, en internationale radioroepnaam (IRCS));

b)

naam van de aangewezen haven waar het vissersvaartuig wil binnenvaren en het doel van de havenaanloop (aanlanding of overlading);

c)

een kopie van de visserijtoelating of, in voorkomend geval, elke andere door het vissersvaartuig gehouden toelating om verrichtingen met betrekking tot SPRFMO-visserijproducten te ondersteunen of om dergelijke visserijproducten over te laden.

d)

geschatte datum en geschat tijdstip van aankomst in de haven;

e)

de geraamde hoeveelheden in kilogram van elk SPRFMO-visserijproduct aan boord, met de bijbehorende vangstgebieden. Indien er geen SPRFMO-visserijproducten aan boord zijn, wordt een „nulbericht” verzonden;

f)

de geraamde hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram, voor elk SPRFMO-visserijproduct dat moet worden aangeland of overgeladen, met de bijbehorende vangstgebieden;

g)

de bemanningslijst van het vissersvaartuig;

h)

de datums van de visreis.

2.   Als het vissersvaartuig van een derde land SPRFMO-visserijproducten aan boord heeft, gaat de overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie vergezeld van een vangstcertificaat dat is gevalideerd overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

3.   Havenlidstaten mogen ook om aanvullende informatie verzoeken om te bepalen of het vissersvaartuig zich met IOO-visserij of gerelateerde activiteiten heeft ingelaten.

4.   Havenlidstaten mogen een langere of kortere kennisgevingstermijn voorschrijven dan die welk in lid 1 is vastgesteld, rekening houdend met onder meer het soort visserijproduct en de afstand tussen de visgronden en hun havens. In een dergelijk geval informeren de havenlidstaten de Commissie, die de informatie onverwijld aan het SPRFMO-secretariaat doorzendt.

Artikel 32

Toelating om aan te landen of over te laden in havens

Na ontvangst van de relevante informatie op grond van artikel 31 besluit een havenlidstaat om het vissersvaartuig van een derde land toegang tot zijn haven te verlenen of te ontzeggen. Indien een vissersvaartuig van een derde land de toegang wordt ontzegd, informeert de havenlidstaat de Commissie, die de informatie onverwijld aan het SPRFMO-secretariaat doorzendt. Havenlidstaten ontzeggen de in de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen opgenomen vissersvaartuigen de toegang.

Artikel 33

Haveninspecties

1.   Havenlidstaten inspecteren ten minste 5 % van de aanlandingen en overladingen met betrekking tot SPRFMO-visserijproducten die door vissersvaartuigen van derde landen in hun aangewezen havens worden verricht.

2.   Onverminderd artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 inspecteren de havenlidstaten de vissersvaartuigen van derde landen wanneer:

a)

er een verzoek van een andere verdragsluitende partij, een CNCP of een betrokken RFMO is om een bepaald vissersvaartuig te inspecteren, met name wanneer zulke verzoeken worden ondersteund door bewijs van IOO-visserij door het vissersvaartuig in kwestie en er duidelijke gronden zijn om een vissersvaartuig ervan te verdenken zich met IOO-visserij te hebben ingelaten;

b)

een vissersvaartuig geen volledige informatie zoals vereist in artikel 31 heeft verstrekt;

c)

het vissersvaartuig de toegang tot of het gebruik van een haven is ontzegd overeenkomstig bepalingen van de SPRFMO of van een andere RFMO.

Artikel 34

Inspectieprocedure

1.   Dit artikel is van toepassing bovenop de in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 vastgestelde regels inzake de inspectieprocedure.

2.   De inspecteurs van de lidstaten hebben een geldig identiteitsdocument bij zich. Zij mogen een kopie nemen van alle documenten die zij relevant achten.

3.   Inspecties worden op zodanige wijze verricht dat het vissersvaartuig van een derde land zo min mogelijk wordt opgehouden, de werkzaamheden ervan zo min mogelijk worden verstoord en kwaliteitsverlies van de vis voor zover mogelijk wordt voorkomen.

4.   Wanneer de inspectie is voltooid, krijgt de kapitein van het vaartuig de gelegenheid om op- of aanmerkingen aan het verslag toe te voegen en met de bevoegde autoriteit van de betrokken havenlidstaat contact op te nemen met betrekking tot het inspectieverslag. Het model voor het inspectieverslag is opgenomen in bijlage XII. Aan de kapitein van het vaartuig wordt een kopie van het verslag verstrekt.

5.   Binnen 12 werkdagen na de datum van de voltooiing van de inspectie zenden de havenlidstaten de Commissie een kopie toe van het in artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 bedoelde inspectieverslag, dat is ingevuld overeenkomstig bijlage XII bij de onderhavige verordening. De Commissie zendt het verslag binnen 15 werkdagen na de datum van voltooiing van de inspectie door aan het ICCAT-secretariaat.

6.   Indien het inspectieverslag niet binnen 15 werkdagen aan de Commissie kan worden toegezonden voor doorzending aan het SPRFMO-secretariaat, deelt de havenlidstaat de Commissie voldoende snel mee waarom de vertraging is opgetreden en wanneer het verslag wél zal worden ingediend om de Commissie in staat te stellen het SPRFMO-secretariaat binnen de termijn van 15 werkdagen op de hoogte te brengen.

Artikel 35

Procedure in geval van bij haveninspecties aangetoonde inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO

1.   Indien de tijdens de inspectie verzamelde informatie aantoont dat een vissersvaartuig van een derde land een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO heeft gepleegd, geldt dit artikel bovenop artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

2.   De bevoegde autoriteiten van de havenlidstaat zenden zo snel mogelijk en in elk geval binnen vijf werkdagen een kopie van het inspectieverslag aan de Commissie toe. De Commissie zendt dat verslag onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat en aan het contactpunt van de verdragsluitende partij of CNCP waarvan het vaartuig de vlag voert.

3.   De havenlidstaten melden de in het geval van inbreuken genomen maatregelen onmiddellijk aan de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende partij of CNCP waarvan het vaartuig de vlag voert, en aan de Commissie, die deze informatie doorzendt aan het SPRFMO-secretariaat.

HOOFDSTUK VI

Handhaving

Artikel 36

Door de lidstaten gerapporteerde vermeende inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO

De lidstaten dienen ten minste 145 dagen vóór de jaarvergadering van de SPRFMO-commissie bij de Commissie alle gedocumenteerde informatie in die wijst op mogelijke gevallen van niet-naleving door vissersvaartuigen van instandhoudings- en beheersmaatregelen in het SPRFMO-verdragsgebied in de voorbije twee jaar De Commissie onderzoekt die informatie en zendt deze in passende gevallen ten minste 120 dagen vóór de SPRFMO-jaarvergadering door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 37

Opneming van een vissersvaartuig van de Unie in de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen

1.   Indien de Commissie van het SPRFMO-secretariaat een officiële kennisgeving ontvangt dat een vissersvaartuig van de Unie in de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen wordt opgenomen, zendt zij die kennisgeving, met inbegrip van de bewijsstukken en alle andere door het SPRFMO-secretariaat verstrekte gedocumenteerde informatie, uiterlijk 45 dagen vóór de jaarvergadering van de SPRFMO-commissie voor opmerkingen aan de vlaggenlidstaat door. De Commissie onderzoekt die informatie en zendt deze ten minste 30 dagen vóór de jaarvergadering door aan het SPRFMO-secretariaat.

2.   Zodra zij door de Commissie in kennis zijn gesteld, stellen de autoriteiten van de vlaggenlidstaat de eigenaar van het vissersvaartuig in kennis van de opneming ervan in de SPRFMO-ontwerplijst van IOO-vaartuigen en van de gevolgen die de bekrachtiging van de opneming daarvan in de door de SPRFMO aangenomen lijst van IOO-vaartuigen kan hebben

Artikel 38

Maatregelen ten aanzien van in de IOO-lijst van de SPRFMO opgenomen vissersvaartuigen

1.   Bij de aanneming van de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen verzoekt de Commissie de vlaggenlidstaat de eigenaar van het in de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen geïdentificeerde vissersvaartuig in kennis te stellen van de opneming daarvan in de lijst en van de gevolgen van opneming in de lijst.

2.   Een lidstaat die beschikt over informatie die erop wijst dat een in de SPRFMO-lijst van IOO-vaartuigen opgenomen vissersvaartuig van naam of van IRCS is veranderd, zendt die informatie zo snel als doenbaar aan de Commissie toe. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 39

Door het SPRFMO-secretariaat gerapporteerde vermeende gevallen van niet-naleving

1.   Indien de Commissie van het SPRFMO-secretariaat informatie ontvangt die wijst op vermoedelijke niet-naleving van het SPRFMO-verdrag en/of van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO door een lidstaat, zendt zij die informatie onverwijld aan de betrokken lidstaat toe.

2.   De lidstaat stelt de Commissie ten minste 45 dagen vóór de jaarvergadering van de SPRFMO-commissie in kennis van de bevindingen van de in het kader van de vermeende niet-naleving ingestelde onderzoeken en van eventuele maatregelen die zijn genomen om nalevingskwesties aan te pakken. De Commissie zendt die informatie ten minste 30 dagen vóór de jaarvergadering door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 40

Door een verdragsluitende partij of CNCP gerapporteerde vermeende inbreuken op instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO

1.   De lidstaten wijzen een contactpunt aan voor de ontvangst van haveninspectieverslagen van verdragsluitende partijen en CNCP's.

2.   De lidstaten zenden wijzigingen van de aangewezen contactpunten ten minste 40 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, aan de Commissie toe. De Commissie zendt die informatie ten minste 30 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, door aan het SPRFMO-secretariaat.

3.   Indien het door een lidstaat aangewezen contactpunt een inspectieverslag ontvangt van een verdragsluitende partij of CNCP dat erop wijst dat een onder de vlag van de lidstaat varend vissersvaartuig een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO heeft gepleegd, onderzoekt de vlaggenlidstaat onverwijld de vermeende inbreuk en stelt hij de Commissie in kennis van de stand van het onderzoek en van eventuele handhavingsmaatregelen die zijn getroffen teneinde de Commissie in staat te stellen het SPRFMO-secretariaat op de hoogte te brengen binnen drie maanden na de ontvangst van de kennisgeving. Indien de lidstaat de Commissie niet binnen drie maanden na de ontvangst van het inspectieverslag een verslag over de stand van het onderzoek kan verstrekken, deelt hij de Commissie binnen de termijn van drie maanden mee waarom de vertraging is opgetreden en op welke dag het verslag over de stand van het onderzoek wél zal worden ingediend. De Commissie zendt de informatie betreffende de stand of de vertraging van het onderzoek door aan het SPRFMO-secretariaat.

Artikel 41

Defecte satellietvolgapparatuur

1.   In geval van defecte satellietvolgapparatuur rapporteren de vissersvaartuigen van de Unie elke vier uur de volgende gegevens via adequate telecommunicatiemiddelen aan het VCC van de lidstaat waarvan zij de vlag voeren:

a)

IMO-nummer;

b)

IRCS;

c)

naam van het vaartuig;

d)

naam van de kapitein van het vaartuig;

e)

positie (lengte- en breedtegraad), datum en tijdstip (UTC);

f)

activiteit (vissen/doorvaart/overladen).

2.   De lidstaten waarborgen dat, als het defect van de satellietvolgapparatuur niet binnen 60 dagen na aanvang van de in lid 1 gespecificeerde rapportageverplichting opgelost is, onder hun vlag varende vissersvaartuigen ophouden met vissen, al het vistuig opbergen, en onverwijld in een haven brengen om hun satellietvolgapparatuur te herstellen.

3.   De leden 1 en 2 van dit artikel zijn van toepassing bovenop de in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 404/2011 vastgestelde vereisten.

TITEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 42

Vertrouwelijkheid

In het kader van de onderhavige verordening verzamelde en uitgewisselde gegevens worden behandeld overeenkomstig de in de artikelen 112 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde regels inzake vertrouwelijkheid.

Artikel 43

Procedure in geval van wijzigingen

Met het oog op de opneming van wijzigingen van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de SPRFMO in Unierecht is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 44 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van:

a)

de bijlagen bij deze verordening;

b)

de termijnen die zijn vastgesteld in artikel 7, leden 1 en 2, artikel 11, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 16, leden 1 en 2, artikel 17, leden 1 en 2, artikel 22, leden 1 tot en met 4, artikel 24, lid 1, artikel 25, lid 2, artikel 26, lid 1, artikel 27, leden 2 en 3, artikel 28, leden 2 en 3, artikel 29, lid 1, artikel 30, lid 2, artikel 31, lid 1, artikel 34, leden 5 en 6, artikel 35, leden 2 en 3, artikel 36, artikel 37, lid 1, artikel 39, lid 2, artikel 40, leden 2 en 3, en artikel 41, leden 1 en 2;

c)

de in de artikelen 6 en 15 vastgestelde aanwezigheid van wetenschappelijke waarnemers;

d)

de in artikel 12, lid 2, bedoelde referentieperiode voor het bepalen van de voetafdruk van de bodemvisserij;

e)

de inspectiedekking als bedoeld in artikel 33, lid 1;

f)

de in artikel 7, lid 2, artikel 11, artikel 12, leden 2 en 3, artikel 13, leden 2 en 3, artikel 14, lid 1, artikel 16, leden 1 en 2, artikel 17, lid 1, artikel 18, leden 2 en 3, artikel 19, lid 1, artikel 24, lid 1, artikel 25, lid 2, artikel 27, leden 2 en 3, artikel 28, lid 3, artikel 31, lid 1, en artikel 41, lid 1, vastgestelde soort informatie en gegevens.

Artikel 44

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 43 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 19 juli 2018. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 43 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 43 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 45

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor visserij en aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 46

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 4 juli 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 129.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 29 mei 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juni 2018.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).

(5)  Besluit 2012/130/EU van de Raad van 3 oktober 2011 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden van de volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (PB L 67 van 6.3.2012, blz. 1).

(6)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(7)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).


BIJLAGE I

Standaarden voor lijnverzwaring

Vaartuigen gebruiken een beugverzwaringsysteem waarmee een aantoonbare minimale beugzinksnelheid van 0,3 meter/seconde tot 15 m diepte voor vistuig wordt bereikt. In het bijzonder:

a)

voor extern verzwaarde lijnen in het Spaanse systeem en beugen met soepele lijn wordt minimaal 8,5 kg gebruikt op intervallen van niet meer dan 40 m indien er stenen worden gebruikt, 6 kg op intervallen van niet meer dan 20 m voor betonnen gewichten en 5 kg op intervallen van niet meer dan 40 m voor massief metalen gewichten;

b)

voor extern verzwaarde automatische lijnen wordt minimaal 5 kg gebruikt op intervallen van niet meer dan 40 m, die op zodanige wijze uit het vaartuig moeten worden gezet dat spanning aan de achtersteven wordt voorkomen (door spanning aan de achtersteven kunnen delen van de beug die al zijn uitgezet, uit het water worden geheven);

c)

intern verzwaarde lijnen hebben een loden kern van ten minste 50 g/m.


BIJLAGE II

Specificaties voor vogelverschrikkerlijnen

Er zijn te allen tijde twee vogelverschrikkerlijnen aan boord, die worden ingezet wanneer er vistuig wordt uitgezet vanaf het vaartuig. In het bijzonder:

a)

vogelverschrikkerlijnen worden op zodanige wijze aan het vaartuig bevestigd dat het uitgezette aas door de wimpellijn wordt beschermd, zelfs bij zijwind;

b)

vogelverschrikkerlijnen maken gebruik van felgekleurde wimpels die lang genoeg zijn om in kalme omstandigheden het zeeoppervlak te raken („lange wimpels”) en die op intervallen van niet meer dan 5 m voor ten minste de eerste 55 m wimpellijn worden aangebracht en aan de lijn worden bevestigd met wartels die voorkomen dat de wimpels en de lijn verwikkeld raken;

c)

vogelverschrikkerlijnen mogen ook gebruikmaken van wimpels van minimaal 1 m lang („korte wimpels”) aangebracht op intervallen van niet meer dan 1 m;

d)

indien een vogelverschrikkerlijn tijdens het gebruik breekt of beschadigd raakt, wordt zij hersteld of vervangen zodat het vaartuig voldoet aan deze specificaties vóórdat er nog haken in het water worden gezet;

e)

vogelverschrikkerlijnen worden op zodanige wijze worden ingezet dat:

i)

zij boven het wateroppervlak blijven wanneer de haken zijn gezonken tot een diepte van 15 m, of

ii)

zij in volle lengte minstens 150 m lang zijn wanneer zij worden uitgehangen vanaf een punt op het vaartuig van ten minste 7 m boven het water bij afwezigheid van deining.


BIJLAGE III

Vogelschermspecificaties

Een vogelscherm bestaat uit twee of meer bomen bevestigd aan de achtersteven van het vaartuig, waarbij ten minste een boom aan de stuurboordachtersteven en ten minste een boom aan de bakboordachtersteven is bevestigd:

a)

elke boom steekt ten minste 4 m uit vanaf de zijde of de achtersteven van het vaartuig;

b)

aan de bomen worden op maximaal 2 m van elkaar zinklijnen bevestigd;

c)

aan de uiteinden van de zinklijnen worden plastic kegels, staven of ander felgekleurd en duurzaam materiaal bevestigd zodat de afstand tussen de onderkant van de kegel, de staaf of het materiaal bij afwezigheid van wind en deining niet meer dan 500 mm bedraagt;

d)

tussen de zinklijnen mogen lijnen of want worden aangebracht om verstrengeling te voorkomen.


BIJLAGE IV

Richtsnoeren voor de opstelling en indiening van kennisgevingen van contact met KME's

1.   Algemene informatie

Vermeld contactinformatie, vlag, vaartuignaam (-namen) en datums van gegevensverzameling.

2.   KME-locatie

Vermeld begin- en eindpositie van alle inzet van vistuig en alle waarnemingen.

Verstrek kaarten van de vislocaties, de dieptemeting of de habitat van het betrokken gebied en geef de geografische omvang van de visserij weer.

Vermeld de diepte(n) waarop is gevist.

3.   Vistuig

Geef aan welk vistuig op elke locatie is gebruikt.

4.   Verzamelde aanvullende gegevens

Vermeld indien mogelijk aanvullende gegevens die zijn verzameld op of nabij de beviste locaties.

Gegevens zoals dieptemeting met meervoudige golven, oceanografische gegevens zoals CTD-profielen, stroomprofielen, chemische eigenschappen van het water, substraattypes die zijn geregistreerd op of nabij deze locaties, andere waargenomen fauna, video-opnamen, akoestische profielen enz.

5.   KME-taxa

Verstrek voor elke beviste plaats indien mogelijk bijzonderheden over de waargenomen KME-taxa, met inbegrip van hun relatieve dichtheid, absolute dichtheid, of het aantal organismen.


BIJLAGE V

Standaarden voor vaartuiggegevens

1.

De volgende gegevens worden verzameld krachtens de artikelen 16, 17 en 22:

i)

Huidige vlag en naam van het vaartuig

ii)

Registratienummer

iii)

Internationale radioroepnaam (IRCS) (indien van toepassing)

iv)

Unieke vaartuigidentificator (UVI)/IMO-nummer

v)

Vorige namen (indien bekend)

vi)

Haven van registratie

vii)

Vorige vlag

viii)

Vaartuigtype

ix)

Type vismethode(n)

x)

Lengte

xi)

Lengtetype bijvoorbeeld „LOA” (lengte over alles), „LBP” (lengte tussen de loodlijnen)

xii)

Brutotonnage — BT (te verstrekken als de geprefereerde tonnage-eenheid)

xiii)

Brutoregistertonnage — BRT (te verstrekken indien BT niet beschikbaar is; mag ook worden verstrekt in aanvulling op BT)

xiv)

Vermogen van de hoofdmotor(en) (kW)

xv)

Inhoud van de ruimen (m3)

xvi)

Type vriezer (indien van toepassing)

xvii)

Aantal vriezereenheden (indien van toepassing)

xviii)

Vriescapaciteit (indien van toepassing)

xix)

Communicatiemiddelen en -nummers van het vaartuig (INMARSAT-nummers A, B en C)

xx)

Gegevens over het VMS-systeem (merk, model, kenmerken en identificatie)

xxi)

Naam van de eigenaar(s)

xxii)

Adres van de eigenaar(s)

xxiii)

Aanvangsdatum vaartuigtoelating

xxiv)

Einddatum vaartuigtoelating

xxv)

Datum van opneming in het SPRFMO-register van vaartuigen

xxvi)

Hogeresolutiefoto van goede kwaliteit van het vaartuig met passende helderheid en contrast, van niet ouder dan 5 jaar, die bestaat uit:

één foto van minimaal 12 × 7 cm van de stuurboordzijde van het vaartuig over de gehele lengte over alles en met alle structurele kenmerken;

één foto van minimaal 12 × 7 cm van de bakboordzijde van het vaartuig over de gehele lengte over alles en met alle structurele kenmerken;

één foto van minimaal 12 × 7 cm van de achtersteven, recht van achteren gefotografeerd.

2.

Voor zover mogelijk moet de volgende informatie worden verstrekt, indien die beschikbaar is:

i)

Externe markeringen (zoals vaartuignaam, registratienummer of internationale radioroepnaam (ICRS))

ii)

Soorten visverwerkingslijnen (indien van toepassing)

iii)

Bouwdatum

iv)

Bouwplaats

v)

Holte naar de mal

vi)

Breedte

vii)

Elektronische uitrusting aan boord (bijvoorbeeld radio, echolood, radar, netsonde)

viii)

Naam van de vergunningeigenaar (indien verschillend van vaartuigeigenaar)

ix)

Adres van de vergunningeigenaar (indien verschillend van vaartuigeigenaar)

x)

Naam van de exploitant(en) (indien verschillend van vaartuigeigenaar)

xi)

Adres van de exploitant(en) (indien verschillende van vaartuigeigenaar)

xii)

Naam van de kapitein van het vaartuig

xiii)

Nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

xiv)

Naam van de vangstkapitein

xv)

Nationaliteit van de vangstkapitein.


BIJLAGE VI

Visserijoperatieplan voor experimentele visserij

Het visserijoperatieplan voor experimentele visserij omvat de volgende informatie, voor zover deze beschikbaar is:

i)

een beschrijving van de experimentele visserij, met inbegrip van gebied, doelsoort, voorgestelde vismethoden, voorgestelde maximale vangstbeperkingen en elke verdeling van die vangstbeperking over gebieden of soorten;

ii)

specificatie en volledige beschrijving van de te gebruiken soorten vistuig, met inbegrip van alle wijzigingen aan het vistuig ter vermindering van de impact van de voorgestelde visserij op niet-doelsoorten en op met de doelbestanden geassocieerde of daarvan afhankelijke soorten of op het mariene ecosysteem waarin de visserij plaatsvindt;

iii)

de door het visserijoperatieplan bestreken periode (maximaal drie jaar);

iv)

de biologische gegevens over de doelsoorten die tijdens uitgebreide onderzoeksreizen of bestandsopnamen zijn verkregen en die bijvoorbeeld betrekking hebben op de verspreiding, de omvang van de betrokken bestanden, de populatiestructuur en de identiteit van de bestanden;

v)

bijzonderheden over niet-doelsoorten of met de doelbestanden geassocieerde of daarvan afhankelijke soorten en het mariene ecosysteem waarin de visserij plaatsvindt, de mate waarin deze waarschijnlijk gevolgen zouden ondervinden van de voorgestelde visserijactiviteit en alle maatregelen die zullen worden genomen om die gevolgen te verzachten;

vi)

de verwachte cumulatieve impact van alle visserijactiviteit in het gebied van de experimentele visserij indien beschikbaar;

vii)

informatie van andere visserijen in de regio of soortgelijke visserijen elders die behulpzaam kan zijn bij de evaluatie van de potentiële opbrengst van de experimentele visserij, voor zover de lidstaat in staat is deze informatie te verstrekken;

viii)

indien de voorgestelde visserijactiviteit bodemvisserij is, de beoordeling van de impact van de bodemvisserijactiviteiten van de onder de vlag van de betreffende lidstaat varende vaartuigen overeenkomstig de artikelen 12 en 13;

ix)

wanneer de doelsoort ook wordt beheerd door een RFMO of een soortgelijke organisatie waarvan het bevoegdheidsgebied grenst aan het verdragsgebied van de SPRFMO, een beschrijving van die naburige visserij die volstaat om het wetenschappelijk comité van de SPRFMO in staat te stellen zijn advies te formuleren.


BIJLAGE VII

Voorafgaande overladingskennisgeving

De lidstaten verstrekken de volgende informatie overeenkomstig artikel 24, lid 1:

 

Gegevens over het lossende vaartuig

a)

Naam van het vaartuig

b)

Registratienummer

c)

IRCS

d)

Vlaggenstaat van het vaartuig

e)

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

f)

Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

 

Gegevens van het ontvangende vaartuig

a)

Naam van het vaartuig

b)

Registratienummer

c)

IRCS

d)

Vlaggenstaat van het vaartuig

e)

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

f)

Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig


BIJLAGE VIII

Door de waarnemer te verstrekken overladingsinformatie

De waarnemer die de overlading monitort, verstrekt overeenkomstig artikel 25, lid 1, de volgende informatie.

I.   Gegevens over het lossende vissersvaartuig

Naam van het vaartuig

 

Registratienummer

 

IRCS

 

Vlaggenstaat van het vaartuig

 

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

 

Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

 

II.   Gegevens van het ontvangende vissersvaartuig

Naam van het vaartuig

 

Registratienummer

 

IRCS

 

Vlaggenstaat van het vaartuig

 

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

 

Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

 

III.   Overlading

Datum en tijdstip van de aanvang van de overlading (UTC)

 

Datum en tijdstip van de voltooiing van de overlading (UTC))

 

In geval van overlading op zee: positie (naastgelegen 1/10e graad) bij aanvang van de overlading; in geval van overlading in een haven: naam, land en code (1) van de haven

 

In geval van overlading op zee: positie (naastgelegen 1/10e graad) bij voltooiing van de overlading

 

Beschrijving van het producttype per soort (bijvoorbeeld „hele, ingevroren vis in kartonnen dozen van 20 kg”)

Soort

 

Producttype

 

Soort

 

Producttype

 

Soort

 

Producttype

 

Aantal kartonnen dozen, nettogewicht (kg) van het product, per soort.

Soort

 

Kartonnen dozen

 

Nettogewicht

 

Soort

 

Kartonnen dozen

 

Nettogewicht

 

Soort

 

Kartonnen dozen

 

Nettogewicht

 

Soort

 

Kartonnen dozen

 

Nettogewicht

 

Totaal nettogewicht van het overgeladen product (kg)

 

Nummer van het ruim in koelschepen waarin het product wordt opgeslagen

 

Haven en land van bestemming van het ontvangende vissersvaartuig

 

Verwachte datum van aankomst

 

Verwachte datum van aanlanding

 

IV.   Waarnemingen (indien van toepassing)

V.   Verificatie

Naam van de waarnemer

 

Autoriteit

 

Handtekening en stempel

 


(1)  Code voor handels- en vervoerslocaties van de Verenigde Naties (UN/LOCODE).


BIJLAGE IX

Na de overlading te melden overladingsinformatie

Overeenkomstig artikel 26, lid 1, melden de vlaggenlidstaten uiterlijk zeven dagen nadat de overlading is verricht, de volgende informatie aan de Commissie:

 

Gegevens over het lossende vaartuig

a)

Naam van het vaartuig

b)

Registratienummer

c)

IRCS

d)

Vlaggenstaat van het vaartuig

e)

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

f)

Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

 

Gegevens van het ontvangende vaartuig

a)

Naam van het vaartuig

b)

Registratienummer

c)

IRCS

d)

Vlaggenstaat van het vaartuig

e)

IMO-nummer/IHS Fairplay-nummer (indien van toepassing)

f)

Naam en nationaliteit van de kapitein van het vaartuig

 

Gegevens over de overlading

a)

Datum en tijdstip van de aanvang van de overlading (UTC)

b)

Datum en tijdstip van de voltooiing van de overlading (UTC)

c)

In geval van overlading in een haven:

Havenstaat, naam van de haven en havencode.

d)

In geval van overlading op zee:

i)

positie (naastgelegen 1/10e graad) bij aanvang van de overlading (decimaal)

ii)

positie (naastgelegen 1/10e graad) bij voltooiing van de overlading (decimaal)

e)

Nummer van het ruim in het ontvangende vaartuig waarin het product wordt opgeslagen

f)

Haven van bestemming van het ontvangende vaartuig

g)

Verwachte datum van aankomst

h)

Verwachte datum van aanlanding

 

Gegevens over de overgeladen visbestanden

a)

Overgeladen soorten

i)

Beschrijving van de vis, per producttype (bijvoorbeeld „hele, ingevroren vis”)

ii)

Aantal kartonnen dozen en nettogewicht (kg) van het product, per soort.

iii)

Totaal nettogewicht van het overgeladen product (kg)

b)

Door het lossende vaartuig gebruikt vistuig

 

Verificatie (indien van toepassing)

a)

Naam van de waarnemer

b)

Autoriteit


BIJLAGE X

Waarnemersgegevens

De gegevens over het vaartuig en de waarnemer hoeven voor elke waargenomen visreis slechts een keer te worden geregistreerd, en worden op zodanige wijze gerapporteerd dat de vaartuiggegevens aan de in de secties A, B, C en D vereiste gegevens worden gekoppeld.

A.   Voor elke waargenomen visreis te verzamelen vaartuig- en waarnemersgegevens

1.   Voor elke waargenomen visreis moeten de volgende vaartuiggegevens worden verzameld:

a)

Vlag waaronder het vaartuig momenteel vaart

b)

Naam van het vaartuig

c)

Naam van de kapitein van het vaartuig

d)

Naam van de vangstkapitein

e)

Registratienummer

f)

Internationale radioroepnaam (IRCS) (indien van toepassing)

g)

Lloyd's-nummer/IMO-nummer (indien toegewezen)

h)

Vorige namen (indien bekend)

i)

Haven van registratie

j)

Vorige vlag (indien van toepassing)

k)

Soort vaartuig (gebruik de toepasselijke ISSCFV-codes)

l)

Type vismethode(n) (gebruik de toepasselijke ISSCFG-codes)

m)

Lengte (m)

n)

Lengtetype, bijvoorbeeld „LOA”, „LBP”

o)

Breedte (m)

p)

Brutotonnage — BT (te verstrekken als de geprefereerde tonnage-eenheid)

q)

Brutoregistertonnage — BRT (te verstrekken indien BT niet beschikbaar is; mag ook worden verstrekt in aanvulling op BT)

r)

Vermogen van de hoofdmotor(en) (kilowatt)

s)

Inhoud van het ruim (kubieke meter)

t)

Register van de uitrusting aan boord die de vangstvermogenfactoren kan beïnvloeden (navigatie-uitrusting, radar, sonarsystemen, weerfax of satellietweerontvanger, zeeoppervlaktemperatuurbeeldontvanger, dopplerstromingsmonitor, radiopeiltoestel), waar mogelijk

u)

Totaal aantal bemanningsleden (al het personeel, exclusief waarnemers)

2.   Voor elke waargenomen visreis moeten de volgende waarnemersgegevens worden verzameld:

a)

Naam van de waarnemer

b)

Organisatie van de waarnemer

c)

Datum inscheping waarnemer (UTC-datum)

d)

Haven van inscheping

e)

Datum ontscheping waarnemer (UTC-datum)

f)

Haven van ontscheping

B.   Voor trawlvisserijactiviteiten te verzamelen vangst- en inspanningsgegevens

1.   De gegevens moeten voor alle waargenomen trawls op niet-geaggregeerde basis (trek per trek) worden verzameld.

2.   Voor elke waargenomen trawltrek moeten de volgende gegevens worden verzameld:

a)

Aanvangsdatum en -tijdstip van de trek (het tijdstip waarop het vistuig begint te vissen — UTC)

b)

Einddatum en -tijdstip van de trek (het tijdstip waarop het ophalen aanvangt — UTC)

c)

Beginpositie trek (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig — decimaal)

d)

Eindpositie trek (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig — decimaal)

e)

Beoogde doelsoort (FAO-soortencode).

f)

Type trawler: bodem- of midwatertrawl (gebruik de toepasselijke codes voor bodem- of midwatertrawls van de ISCCFG-normen voor vistuig)

g)

Type trawl: enkel, dubbel of triple (S, D of T)

h)

Hoogte van de netopening

i)

Breedte van de netopening

j)

Maaswijdte van het kuilnet (gestrekte maas, mm) en maastype (ruitvormig, vierkant enz.)

k)

Diepte van het vistuig (van de grondpees) bij aanvang van de visserijactiviteit

l)

Diepte van de zeebodem bij aanvang van de visserijactiviteit

m)

Geraamde vangsten van alle aan boord gehouden soorten (FAO-soortencode), uitgesplitst per gewicht, in levend gewicht (tot op de naastgelegen kilogram)

n)

Zijn er zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten gevangen? (Ja/Neen/Niet bekend)

Indien ja, registreer de aantallen per soort van alle zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten die zijn gevangen.

o)

Bevond er zich bentisch materiaal in de trawl? (Ja/Neen/Niet bekend)

Indien ja, registreer de gevoelige bentische soorten in de trawlvangst, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers en koralen.

p)

Schat de niet onder punt m), n) of o) geregistreerde hoeveelheid (gewicht of volume) mariene hulpbronnen die is teruggegooid, uitgesplitst tot op het laagst bekende taxon.

q)

Registreer de toegepaste bijvangstbeperkende maatregelen:

i)

Zijn er vogelverschrikkerlijnen (torilijnen) gebruikt? (nihil/uitrustingscode — zoals beschreven in sectie L)

ii)

Zijn er vogelschermen gebruikt? (nihil/uitrustingscode — zoals beschreven in sectie N)

iii)

Beschrijf het gehanteerde beheersplan voor afvallozing/teruggooi (selecteer alles wat van toepassing is): geen afvallozing/teruggooi tijdens het uitzetten en het inhalen/enkel lozing van vloeibare afvalstoffen/afvalgroepering > 2 uur/ander/geen)

iv)

Zijn er andere maatregelen toegepast ter vermindering van de bijvangst van zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten? (Ja/Neen)

Zo ja, beschrijf.

C.   Voor ringzegenvisserijactiviteiten te verzamelen vangst- en inspanningsgegevens

1.   De gegevens moeten voor elke waargenomen uitzet van de ringzegen op niet-geaggregeerde basis (uitzet per uitzet) worden verzameld.

2.   Voor elke waargenomen uitzet van de ringzegen moeten de volgende gegevens worden verzameld:

a)

Totale zoektijd vóór deze uitzet, sinds de laatste uitzet

b)

Begindatum en -tijdstip van de uitzet (het tijdstip waarop het vistuig begint te vissen — UTC)

c)

Einddatum en -tijdstip van de uitzet (het tijdstip waarop het ophalen begint — UTC)

d)

Startpositie van de uitzet (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig — decimaal)

e)

Lengte net (m)

f)

Hoogte net (m)

g)

Maaswijdte net (gestrekte maas, mm) en maastype (ruitvorming, vierkant enz.)

h)

Beoogde doelsoort (FAO-soortencode)

i)

Geraamde vangsten van alle aan boord gehouden soorten (FAO-soortencode), uitgesplitst per gewicht, in levend gewicht (tot op de naastgelegen kilogram)

j)

Zijn er zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten gevangen? (Ja/Neen/Niet bekend)

Indien ja, registreer de aantallen per soort van alle zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten die zijn gevangen.

k)

Bevond er zich bentisch materiaal in het net? (Ja/Neen/Niet bekend)

Indien ja, registreer gevoelige bentische soorten in de vangst, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers en koralen.

l)

Schat de niet onder punt i), j) of k) geregistreerde hoeveelheid (gewicht of volume) mariene hulpbronnen die is teruggegooid, uitgesplitst tot op het laagst bekende taxon

m)

Registreer de toegepaste bijvangstbeperkende maatregelen.

D.   Voor grondbeugvisserijactiviteiten te verzamelen vangst- en inspanningsgegevens

1.   De gegevens moeten voor elke waargenomen uitzet van de beuglijn op niet-geaggregeerde basis (uitzet per uitzet) worden verzameld.

2.   Voor elke waargenomen uitzet moeten de volgende gegevens worden verzameld:

a)

Begindatum en -tijdstip van de uitzet (UTC-formaat)

b)

Einddatum en -tijdstip van de uitzet (UTC-formaat)

c)

Beginpositie uitzet (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig — decimaal formaat)

d)

Eindpositie uitzet (breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig — decimaal formaat)

e)

Beoogde doelsoort (FAO-soortencode)

f)

Totale lengte van de uitgezette beug (km)

g)

Aantal haken van de uitgezette beug

h)

Diepte van de zeebodem bij het begin van de uitzet

i)

Aantal daadwerkelijk tijdens de haal waargenomen haken (inclusief voor gevangen zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten)

j)

Geraamde vangsten van alle aan boord gehouden soorten (FAO-soortencode), uitgesplitst per gewicht, in levend gewicht (tot op de naastgelegen kilogram)

k)

Zijn er zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten gevangen? (Ja/Neen/Niet bekend)

Indien ja, registreer de aantallen per soort van alle zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten die zijn gevangen.

l)

Bevond er zich bentisch materiaal in de vangst? (Ja/Neen/Niet bekend)

Indien ja, registreer gevoelige bentische soorten in de vangst, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers en koralen.

m)

Schat de niet onder punt j), k) of l) geregistreerde hoeveelheid (gewicht of volume) mariene hulpbronnen die is teruggegooid, uitgesplitst tot op het laagst bekende taxon

n)

Registreer de toegepaste bijvangstbeperkende maatregelen:

i)

Zijn er vogelverschrikkerlijnen (torilijnen) gebruikt? (nihil/uitrustingscode — zoals beschreven in sectie L)

ii)

Was het uitzetten beperkt tot de tijd tussen de nautische schemering 's avonds en de nautische schemering 's ochtends? (Ja/Neen)

iii)

Welk type vistuig is gebruikt? (Extern verzwaringssysteem/intern verzwaringssysteem/beug met soepele lijn/ander)

iv)

In geval van een extern verzwaringssysteem, beschrijf het verzwarings- en drijfstelsel (aan de hand van het formulier in sectie M)

v)

In geval van een intern verzwaringssysteem, wat was het gewicht van de kern van de lijn (gram per meter)?

vi)

In het geval van een beug met soepele lijn, zijn er cachalotera-netten gebruikt? (Ja/Neen)

vii)

Indien andere, beschrijf

o)

Welke impactbeperkende maatregelen zijn tijdens het ophalen toegepast? (vogelverschrikkergordijnen/andere/geen)

Indien andere, beschrijf.

p)

Wat was het aastype? (vis/inktvis/gemengd; levend/dood/gemengd; bevroren/ontdooid/gemengd)

q)

Beschrijf de teruggooi van biologisch materiaal tijdens het uitzetten en het inhalen. (Teruggooi niet twee uur of meer gegroepeerd/teruggooi twee uur of meer gegroepeerd/geen/niet bekend)

r)

Zijn er andere maatregelen toegepast ter vermindering van de bijvangst van zeezoogdieren, zeevogels, reptielen of andere probleemsoorten? (Ja/Neen)

Indien ja, beschrijf.

E.   Te verzamelen lengtesamenstellingsgegevens

Er moeten representatieve en aselect geselecteerde lengtesamenstellingsgegevens worden verzameld voor de doelsoort en, als de tijd het toelaat, ook voor belangrijke bijvangstsoorten. De lengtegegevens moeten worden verzameld en geregistreerd op het meest nauwkeurige niveau dat passend is voor de soort (cm of mm en per naastgelegen eenheid), en ook het gebruikte type meting (totale lengte, vorklengte, of standaardlengte) moet worden geregistreerd. Indien mogelijk moet het totale gewicht van de lengtesamenstellingsmonsters worden geregistreerd of geschat en moet de schattingsmethode worden geregistreerd; waarnemers kunnen worden verplicht het geslacht van de gemeten vis te bepalen om naar geslacht uitgesplitste lengtesamenstellingsgegevens te genereren.

1.   Protocol voor commerciële bemonstering

a)

Andere vissoorten dan roggen en haaien:

i)

de vorklengte moet worden gemeten tot op de naastgelegen cm voor vis die een maximumlengte van meer dan 40 cm vorklengte bereikt;

ii)

de vorklengte moet worden gemeten tot op de naaste mm voor vis die een maximumlengte van minder dan 40 cm vorklengte bereikt;

b)

Roggen:

De maximumspanwijdte moet worden gemeten;

c)

Haaien:

Er wordt een passende te gebruiken lengtemeting geselecteerd voor elke soort (zie technisch verslag van de FAO 474 inzake de meting van haaien). Standaard moet de totale lengte worden gemeten.

2.   Protocol voor wetenschappelijke bemonstering

Voor de wetenschappelijke bemonstering van soorten moeten mogelijk nauwkeuriger lengtemetingen worden gedaan dan gespecificeerd in punt 1.

F.   Te verrichten biologische bemonstering

1.   De volgende biologische gegevens moeten worden verzameld voor representatieve monsters van de belangrijkste doelsoort, en als de tijd het toelaat, voor andere belangrijke bijvangstsoorten die deel uitmaken van de vangst.

a)

Soort

b)

Lengte (mm of cm), met vermelding van het gebruikte type lengtemeting. De nauwkeurigheid en het type van de meting moeten per soort worden bepaald op een wijze die consistent is met die welke in sectie E is beschreven

c)

Geslacht (mannelijk, vrouwelijk, onrijp, niet bepaald)

d)

Rijpheidsstadium

2.   Waarnemers moeten weefsel, otolieten en/of maagmonsters verzamelen overeenkomstig vooraf bepaalde specifieke onderzoeksprogramma's die worden uitgevoerd door het wetenschappelijk comité van de SPRFMO of in het kader van ander nationaal wetenschappelijk onderzoek.

3.   Waarnemers moeten worden gebriefd en, indien passend, schriftelijke protocollen ontvangen voor de lengtesamenstellings- en biologische bemonstering, alsmede prioriteiten voor de bovenbedoelde bemonstering die specifiek zijn voor elke waarnemersreis.

G.   Gegevens die moeten worden verzameld over incidentele vangsten van zeevogels, zoogdieren, schildpadden en andere probleemsoorten

1.   Voor alle tijdens visserijactiviteiten gevangen zeevogels, zoogdieren, reptielen (schildpadden) en andere probleemsoorten moeten de volgende gegevens worden verzameld:

a)

Soort (zo precies mogelijk taxonomisch geclassificeerd, of vergezeld van foto's indien identificatie moeilijk is) en omvang

b)

Aantal van elke soort dat per trek of uitzet is gevangen

c)

Lot van bijgevangen dier(en) (aan boord gehouden of vrijgelaten/teruggegooid)

d)

Indien vrijgelaten, toestand bij vrijlating (vitaal, levend, lethargisch, dood)

e)

Indien dood, verzamel voldoende informatie of monsters voor identificatie aan land overeenkomstig de vooraf vastgestelde bemonsteringsprotocollen. Indien dit niet mogelijk is, kunnen waarnemers worden verzocht submonsters van identificerende delen te verzamelen, zoals gespecificeerd in de protocollen voor biologische bemonstering

f)

Registreer het type interactie (haak/verstrikking in de lijn/botsing met kabels of trossen/netvangst/andere)

Indien andere, beschrijf.

2.   Registreer het geslacht van elk individu voor de taxa waarvoor dit doenbaar is op basis van externe waarneming, zoals vinpotigen, kleine walvisachtigen of Elasmobranchii en andere probleemsoorten.

3.   Waren er omstandigheden of acties die kunnen hebben bijgedragen tot de bijvangst? (bijvoorbeeld verstrikking van de torilijn, groot aasverlies).

H.   Opsporing van visserij in samenhang met KME's

Voor elke waargenomen trawl moeten de volgende gegevens worden verzameld over alle gevoelige bentische soorten die zijn gevangen, met name kwetsbare of habitatvormende soorten zoals sponzen, zeewaaiers of koralen:

a)

Soort (zo precies mogelijk taxonomisch geclassificeerd, of vergezeld van een foto indien identificatie moeilijk is);

b)

Een schatting van de hoeveelheid (gewicht (kg) of volume (m3)) van elke vermelde bentische soort die bij de trek is gevangen;

c)

Een globale schatting van de totale hoeveelheid (gewicht (kg) of het totale volume (m3)) van alle ongewervelde bentische soorten die bij de trek zijn gevangen;

d)

Indien mogelijk, en met name voor nieuwe of zeldzame bentische soorten die niet voorkomen in gidsen voor soortidentificatie, moeten gehele monsters worden verzameld en op passende wijze worden bewaard met het oog op identificatie aan land.

I.   Voor alle gerecupereerde merkers te verzamelen gegevens

De volgende gegevens moeten worden verzameld voor alle gerecupereerde vis-, zeevogel-, zoogdier- of reptielmarkers, ongeacht of het organisme dood is, aan boord moet worden gehouden, dan wel levend is:

a)

Naam van de waarnemer

b)

Naam van het vaartuig

c)

Radioroepnaam van het vaartuig

d)

Vlag van het vaartuig

e)

Verzamel, etiketteer (met alle onderstaande gegevens) en bewaar de eigenlijke merkers voor teruggave aan het merkingsagentschap

f)

Soort waarvan de merker is gerecupereerd

g)

Kleur en type van de merker (spaghetti, archivaal)

h)

Merkernummer (het merkernummer moet worden verstrekt voor alle merkers wanneer meervoudige merkers aan een vis waren bevestigd. Indien slechts één merker is geregistreerd, is een verklaring vereist waarin wordt aangegeven of de andere merker al dan niet ontbrak.) Indien het organisme leeft en moet worden vrijgelaten, moet de merkerinformatie worden verzameld overeenkomstig de vooraf vastgestelde bemonsteringsprotocollen.

i)

Datum en tijdstip van de vangst (UTC)

j)

Locatie van de vangst (breedte-/lengtegraad, tot op de naastgelegen minuut)

k)

Lengte/omvang van het dier (cm of mm) met een beschrijving van de gekozen meting (zoals totale lengte, vorklengte enz.). Lengtemetingen moeten worden verzameld overeenkomstig de in sectie E omschreven criteria.

l)

Geslacht (F = vrouwelijk, M = mannelijk, I = onbepaalbaar, D = niet onderzocht)

m)

Zijn de merkers gevonden tijdens een visperiode die het voorwerp van een waarneming vormde? (J/N)

n)

Beloningsinformatie (naam en adres waarnaar de beloning moet worden verzonden)

(Sommige van de hier geregistreerde gegevens overlappen met gegevens in de vorige informatiecategorieën. Dit is noodzakelijk omdat informatie over merkerrecuperatie afzonderlijk van andere waarnemersgegevens kan worden verstuurd.)

J.   Hiërarchieën voor de verzameling van waarnemersgegevens

1.   Aangezien waarnemers mogelijk niet in staat zijn alle in deze standaarden beschreven gegevens tijdens elke visreis te verzamelen, moet een hiërarchie van prioriteiten worden gevolgd voor de verzameling van waarnemersgegevens. Naar aanleiding van de specifieke vereisten van een onderzoeksprogramma kan voor een bepaalde reis of een bepaald onderzoeksprogramma een specifieke lijst van prioriteiten voor waarnemerstaken worden opgesteld, waar de waarnemers zich aan moeten houden.

2.   Bij afwezigheid van reis- of programmaspecifieke prioriteiten moeten de waarnemers de volgende algemene prioriteitenlijst hanteren:

a)

Informatie over de visserijactiviteit

Alle informatie over het vaartuig en de trek/uitzet/inspanning

b)

Rapportering van vangsten

i)

Registratie van het tijdstip, het gewicht van de bemonsterde vangst ten opzichte van de totale vangst of inspanning (bijvoorbeeld aantal haken), en van de totale aantallen die van elke soort zijn gevangen

ii)

Identificatie en aantallen van zeevogels, zoogdieren, reptielen (schildpadden), gevoelige bentische soorten en kwetsbare soorten

iii)

Registratie van het aantal of het gewicht van elke aan boord gehouden of teruggegooide soort

iv)

Registratie van gevallen van aanvreting door predatoren, indien van toepassing

c)

Biologische bemonstering

i)

Controle op de aanwezigheid van merkers

ii)

Lengtesamenstellingsgegevens voor doelsoorten

iii)

Biologische basisgegevens (geslacht, rijpheid) voor doelsoorten

iv)

Lengtesamenstellingsgegevens voor de belangrijkste bijvangstsoorten

v)

Otolieten (en maagmonsters, indien deze worden verzameld) voor doelsoorten

vi)

Biologische basisgegevens voor bijvangstsoorten

vii)

Biologische monsters van bijvangstsoorten (indien deze worden verzameld)

viii)

Foto's nemen

d)

De rapportering van vangsten en de biologische bemonsteringsprocedures moeten voor de verschillende soortengroepen als volgt worden geprioriteerd:

Soort

Prioriteit (1 = hoogste)

Primaire doelsoort (bijvoorbeeld Chileense horsmakreel voor pelagische visserij, en Atlantische slijmkop voor demersale visserij)

1

Zeevogels, zoogdieren, reptielen (schildpadden) of andere probleemsoorten

2

Andere soorten die gewoonlijk tot de top 5 in de visserij behoren (bijvoorbeeld gevlekte makreel voor pelagische visserij, en Oreosomatidae en beryciden voor demersale visserij

3

Alle overige soorten

4

De verdeling van de waarnemersinspanning over deze activiteiten hangt af van het type activiteit en uitzet. De omvang van de submonsters ten opzichte van de niet-waargenomen hoeveelheden (zoals het voor de soortensamenstelling onderzochte aantal haken ten opzichte van het aantal uitgezette haken) moet expliciet worden geregistreerd in het kader van de waarnemersprogramma's van de lidstaat.

K.   Voor de registratie van waarnemersgegevens te gebruiken coderingsspecificaties

1.   Tenzij voor specifieke soorten gegevens anders is bepaald, moeten waarnemersgegevens worden verstrekt overeenkomstig de in deze sectie vastgestelde coderingsspecificaties.

2.   Tijdstippen moeten in gecoördineerde universele tijd (UTC) worden genoteerd.

3.   Locaties moeten worden aangeduid met behulp van decimale graden.

4.   De volgende coderingssystemen moeten worden gebruikt:

a)

soorten moeten worden beschreven aan de hand van de drieletterige FAO-soortencode;

b)

vismethoden moeten worden beschreven aan de hand van de codes van de Internationale standaardclassificatie van vistuig (ISSCFG — 29 juli 1980);

c)

vissersvaartuigtypes moeten worden beschreven aan de hand van de codes van de Internationale standaardclassificatie van vissersvaartuigen (ISSCFV).

5.   Er moeten metrische meeteenheden moeten worden gebruikt, meer bepaald:

a)

vangstgewicht moet in kilogram worden uitgedrukt;

b)

hoogte, wijdte, diepte, breedte of lengte moeten in meter worden uitgedrukt;

c)

volume moet in kubieke meter worden uitgedrukt;

d)

motorvermogen moet in kilowatt worden uitgedrukt.

L.   Formulier voor de beschrijving van vogelverschrikkerlijnen

Image

Algemene beschrijving vogelverschrikkerlijn:

Nummer reis

Positie vogelverschrikkerlijn

Code uitrusting vogelverschrikkerlijn

Afstand tussen wimpels (m)

Lengte wimpels min /max (m)

Aantal wimpels (bv. 7 in dit diagram)

Ontwerp vogelverschrikkerlijn: (Afgebeelde ontwerp is dubbel)

Materiaal vogelverschrikkerlijn

Hoogte van het aanhechtings-punt ten opzichte van het water (m)

Lengte hoofdlijn (m)

Gesleept object

Kleuren wimpels

Materiaal wimpel

Lengte vogelverschrikkerlijn in bovenaanzicht (m)

Opmerkingen

CODES VOOR VOGELVERSCHRIKKERLIJNEN/LIJST VAN DE OPTIES:

Positie

Ontwerp

Gesleept object

Materiaal

Kleur

Bakboord

Enkel

F

=

Omgekeerde trechter/plastic kegel

T

=

Plastic slang

P

=

Roze

Stuurboord

Dubbel

L

=

Lengte van dikke lijn

S

=

Plastic riemen

R

=

Rood

Achtersteven

 

K

=

Knoop of lus van dikke lijn

O

=

Overig

C

=

Wortel (Oranje)

 

 

B

=

Boei

 

Y

=

Geel

 

 

N

=

Met een net bedekte boei

 

G

=

Groen

 

 

S

=

Zak

 

B

=

Blauw

 

 

W

=

Gewicht

 

W

=

Bruin

 

 

Z

=

Geen gesleept object

 

F

=

Vervaagde kleur (welke kleur dan ook)

 

 

O

=

Overig

 

O

=

Overige


Samenvatting van ingevoerde waarden

Nummer reis

Afstand tussen wimpels

Code uitrusting vogelverschrikkerlijn

Lengte wimpels (min)

Positie vogelverschrikkerlijn

Lengte wimpels (max)

Lengte hoofdlijn

Kleur wimpels

Lengte in bovenaanzicht

Materiaal wimpels

Hoogte aanhechtingspunt ten opzichte water

Aantal wimpels

Materiaal vogelverschrikkerlijn

Gesleept object

Ontwerp vogelverschrikkerlijn

Opmerkingen

M.   Formulier voor de beschrijving van externe lijnverzwaring

Image

Formulier bodembeugverzwaring

Enkele of dubbele lijn?

Opmerkingen:

Gemiddelde diameter dobbers (m)

Afstand tussen onderwaterdobber en hoofdlijn (m)

Aantal haken tussen oppervlakdobber en anker

Gem. massa gewichten (kg)

Afstand tussen lijn en gewicht

Aantal haken tussen onderwaterdobber

Aantal haken tussen gewichten

Samenvatting van ingevoerde waarden

Enkele of dubbele lijn?

Aantal haken tussen oppervlakdobber en anker

Gem. massa gewichten (kg)

Aantal haken tussen onderwaterdobber

Afstand tussen onderwaterdobber en hoofdlijn (m)

Aantal haken tussen gewichten

Afstand tussen lijn en gewicht

Opmerkingen

N.   Formulier voor de beschrijving van vogelschermen

Image

Vogelscherm - Bovenaanzicht

Zijboom

Verbindingsgordijn tussen zij- en achterdekboom?

BAKBOORD

STUURBOORD

Boomlengte

Aantal wimpels

Hoogte boven water

Kleur wimpels

Materiaal wimpels

Zijboom

Afstand tot de achtersteven

ACHTERSTEVEN

Achterdekboom

Achterdekboom

Verbindingsgordijn tussen achterdekbomen?

Boomlengte

Aantal wimpels

Lengte gordijn

Hoogte boven water

Aantal wimpels

Kleur wimpels

Lengte gordijn

Hoogte boven water

Materiaal wimpels

Aantal wimpels

Kleur wimpels

Hoogte boven water

Materiaal wimpels

Kleur wimpels

Materiaal wimpels

Samenvatting van ingevoerde waarden

Afstand tot de achtersteven

 

Zijboom

Achterdekboom

Boomlengte

Boomlengte

Aantal wimpels

Aantal wimpels

Gemiddelde afstand tussen de wimpels

Gemiddelde afstand tussen de wimpels

Hoogte boven water

Hoogte boven water

Kleur wimpels

Kleur wimpels

Materiaal wimpels

Materiaal wimpels

Zij-/achterdekgordijn

Achterdekgordijn

Gordijnlengte

Gordijnlengte

Aantal wimpels

Aantal wimpels

Gemiddelde afstand tussen de wimpels

Gemiddelde afstand tussen de wimpels

Hoogte boven water

Hoogte boven water

Kleur wimpels

Kleur wimpels

Materiaal wimpels

Materiaal wimpels

O.   Standaard voor waarnemersgegevens verzameld tijdens een aanlanding of wanneer een vaartuig zich in de haven bevindt

Indien onder hun vlag varende vissersvaartuigen onverwerkte (d.w.z. gehele vis waarvan geen delen zijn verwijderd), door de SPRFMO beheerde soorten aanlanden en deze aanlandingen het voorwerp van een waarneming vormen, mogen lidstaten de volgende informatie verzamelen en verstrekken:

1.

De volgende vaartuiggegevens voor elke waargenomen aanlanding:

a)

Huidige vlag van het vaartuig

b)

Naam van het vaartuig

c)

Registratienummer van het vissersvaartuig

d)

Internationale radioroepnaam (IRCS) (indien van toepassing)

e)

Lloyd's-/IMO-nummer (indien toegewezen)

f)

Soort vaartuig (gebruik de toepasselijke ISSCFV-codes)

g)

Type vismethode(n) (gebruik de toepasselijke ISSCFG-codes)

2.

De volgende waarnemersgegevens voor elke waargenomen aanlanding:

a)

Naam van de waarnemer

b)

Organisatie van de waarnemer

c)

Land van aanlanding (standaard drieletterige ISO-landencodes (alpha-3))

d)

Haven/plaats van aanlanding

3.

De volgende gegevens voor elke waargenomen aanlanding:

a)

Datum en tijdstip van de aanlanding (UTC-formaat)

b)

Eerste dag van de reis — voor zover mogelijk

c)

Laatste dag van de reis — voor zover mogelijk

d)

Indicatief visserijgebied (decimale breedte-/lengtegraad, tot op 1 minuut nauwkeurig — voor zover mogelijk)

e)

Belangrijkste doelsoort (FAO-soortencode)

f)

Toestand bij aanlanding per soort (FAO-soortencode)

g)

Aangeland (levend) gewicht per soort (kilogram) voor de waargenomen aanlanding

Daarnaast worden lengtesamenstellingsgegevens, biologische gegevens, en/of merkerrecuperatiegegevens verzameld overeenkomstig de respectievelijk in de secties E, F en I van deze bijlage vastgestelde standaarden voor die soorten welke worden waargenomen tijdens aanlandingen of wanneer een vaartuig zich in een haven bevindt.

De secties G (Incidentele vangsten) en H (KME's) worden niet relevant geacht voor de waargenomen aanlandingen. De in de secties I (Recuperatie van merkers), J (Hiërarchieën) en K (Coderingsspecificaties) beschreven standaarden moeten echter nog steeds in acht worden genomen als zij van toepassing zijn.


BIJLAGE XI

Havenaanloopverzoek

Vaartuigidentificatie:

Naam van het vaartuig

Vlag van het vaartuig

IMO-nummer

Roep-naam

Externe identificatie

 

 

 

 

 

Havenaanloopgegevens:

Beoogde aanloophaven (1)

Havenstaat

Doel (2) van de havenaanloop

Verwachte datum van aankomst

Verwacht tijdstip van aankomst

Huidige datum

 

 

 

 

 

 

Aan boord gehouden soorten onder SPRFMO-beheer:

Soort

FAO-vangstgebied

Staat product

Totaal aantal kilogram dat aan boord wordt gehouden

Over te laden/aan te landen hoeveelheid

Ontvanger van de overgeladen/aangelande hoeveelheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Indien er geen SPRFMO-soorten of van dergelijke soorten afkomstige visserijproducten aan boord worden gehouden, vul dan „nihil” in.

Relevante visserijtoelatingsgegevens:

Identificator

Afgegeven door

Geldigheid

Visserijgebied(en)

Soort

Vistuig (3)

 

 

 

 

 

 

Is er een kopie van de bemanningslijst bijgevoegd? (JA/NEEN)


(1)  Moet een aangewezen haven zijn zoals opgenomen in het SPRFMO-havenregister

(2)  Bijvoorbeeld aanlanding, overlading, bijtanken.

(3)  Indien de toelating beperkt is tot overlading, vul dan bij „Vistuig”„overlading” in.


BIJLAGE XII

Overzicht haveninspectieresultaten

Inspectiegegevens:

Nummer inspectieverslag

 

Naam hoofdinspecteur

 

Havenstaat

 

Inspecterende autoriteit

 

Haven van inspectie

 

Doel van de aanloop

 

Startdatum inspectie

 

Starttijdstip inspectie

 

Einddatum inspectie

 

Eindtijdstip inspectie

 

Voorafgaande kennisgeving ontvangen?

 

Gegevens voorafgaande kennisgeving in overeenstemming met inspectie?

 

Vaartuiggegevens:

Naam van het vaartuig

 

Vlag van het vaartuig

 

Vaartuigtype

 

IRCS

 

Externe identificatie

 

IMO-nummer

 

Eigenaar van het vaartuig

 

Exploitant van het vaartuig

 

Kapitein van het vaartuig

(en nationaliteit)

 

Gemachtigde van het vaartuig

 

VMS aanwezig?

 

VMS-type

 

Relevante visserijtoelatingen:

Identificator machtiging

 

Afgegeven door

 

Geldigheid

 

Visserijgebieden

 

Soort

 

Vistuig (1)

 

Is het vaartuig in het SPRFMO-register van vaartuigen opgenomen?

 

Thans met toelating?

 

Soorten onder SPRFMO-beheer die zijn gelost (tijdens deze havenaanloop)

Soort

FAO-vangstgebied

Staat product

Gedeclareerde geloste hoeveelheid

Geloste hoeveelheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Soorten onder SPRFMO-beheer die aan boord zijn gehouden

Soort

FAO-vangstgebied

Staat product

Gedeclareerde aan boord gehouden hoeveelheid

Aan boord gehouden hoeveelheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Soorten onder SPRFMO-beheer die zijn ontvangen door overlading (tijdens deze havenaanloop):

Soort

FAO-vangstgebied

Staat product

Gedeclareerde ontvangen hoeveelheid

Ontvangen hoeveelheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderzoeken en bevindingen:

Sectie

Opmerkingen

Onderzoek van logboeken en andere documentatie

Type vistuig aan boord

Bevindingen door inspecteurs

Kennelijke inbreuken (neem een verwijzing naar de toepasselijke rechtsinstrumenten op)

Opmerkingen van de kapitein van het vaartuig

Genomen maatregelen

Handtekening van de kapitein van het vaartuig

Handtekening van de inspecteur


(1)  Indien de toelating betrekking heeft op overlading, vul dan bij „Vistuig”„overlading” in.


BIJLAGE XIII

Lijst van andere probleemsoorten

Wetenschappelijke naam

Gebruikelijke naam

Drielettercode

Carcharhinus longimanus

Oceanische witpunthaai

OCS

Carcharodon carcharias

Witte haai

WSH

Cetorhinus maximus

Reuzenhaai

BSK

Lamna nasus

Haringhaai

POR

Manta spp.

Mantaroggen

MNT

Mobula spp.

Mobula nei

RMV

Rhincodon typus

Walvishaai

RHN


16.7.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 179/76


VERORDENING (EU) 2018/976 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 4 juli 2018

tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 wat betreft de bandbreedtes voor de visserijsterfte en het vrijwaringsniveau voor bepaalde haringbestanden in de Oostzee

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een meerjarenplan vastgesteld voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee („het plan”). Doel van het plan is bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en er met name voor te zorgen dat de levende biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren.

(2)

In artikel 1 van Verordening (EU) 2016/1139 is omschreven om welke visbestanden in de Oostzee het gaat, waaronder het haringbestand in de Botnische Zee en het haringbestand in de Botnische Baai. Om de volledige reproductiecapaciteit van deze bestanden te vrijwaren, zijn in de bijlagen I en II bij die verordening bepaalde instandhoudingsreferentiepunten vastgesteld, waaronder bandbreedtes voor de visserijsterfte en referentiepunten voor de paaibiomassa.

(3)

Uit de wetenschappelijke beoordeling van het haringbestand in de Botnische Zee en het haringbestand in de Botnische Baai die de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) in 2017 heeft verricht, is gebleken dat deze twee bestanden vergelijkbaar zijn. Bijgevolg heeft de ICES deze twee bestanden samengevoegd, de grenzen van het geografische verspreidingsgebied gewijzigd en de MDO-bandbreedtes voor visserijsterfte evenals de desbetreffende instandhoudingsreferentiepunten opnieuw geraamd. Dat heeft geleid tot een andere omschrijving van het bestand en andere numerieke waarden dan die welke waren vastgesteld in artikel 1 van en in de bijlagen I en II bij Verordening (EU) 2016/1139.

(4)

Wanneer de Commissie op grond van wetenschappelijk advies van mening is dat de doelstellingen van het plan niet langer op een correcte manier tot uiting komen in de instandhoudingsreferentiepunten in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1139, kan zij krachtens artikel 5, lid 6, van die verordening met spoed een voorstel voor herziening van die referentiepunten indienen bij het Europees Parlement en bij de Raad.

(5)

Artikel 1, lid 1, onder e) en f), van en de bijlagen I en II bij Verordening (EU) 2016/1139 moeten dringend worden gewijzigd om te waarborgen dat de vangstmogelijkheden voor de betrokken bestanden worden vastgesteld overeenkomstig de bijgewerkte instandhoudingsreferentiepunten.

(6)

Verordening (EU) 2016/1139 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1139

Verordening (EU) 2016/1139 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)

punt e) wordt vervangen door:

„e)

haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebieden 30-31 (haring in de Botnische Golf);”;

b)

punt f) wordt geschrapt.

2)

In bijlage I worden de vermeldingen betreffende het haringbestand in de Botnische Zee en het haringbestand in de Botnische Baai vervangen door:

„Haring in de Botnische Golf

0,15-0,21

0,21-0,21”

3)

In bijlage II worden de vermeldingen betreffende het haringbestand in de Botnische Zee en het haringbestand in de Botnische Baai vervangen door:

„Haring in de Botnische Golf

283 180

202 272 ”

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 4 juli 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

K. EDTSTADLER


(1)  Advies van 14 februari 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 29 mei 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juni 2018.

(3)  Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).