ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 140

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
6 juni 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2018/826 van de Raad van 28 mei 2018 betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon, waarin de voorwaarden voor de deelname van de Republiek Libanon aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) worden vastgesteld

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/827 van de Raad van 4 juni 2018 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

3

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/828 van de Commissie van 15 februari 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 wat de voorschriften inzake antiblokkeersystemen, voorzieningen voor energieopslag onder hoge druk en hydraulische verbindingen van het eenleidingtype betreft ( 1)

5

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/829 van de Commissie van 15 februari 2018 tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen ( 1)

8

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/830 van de Commissie van 9 maart 2018 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie wat de aanpassing van de voorschriften voor de voertuigconstructie en de algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft

15

 

*

Verordening (EU) 2018/831 van de Commissie van 5 juni 2018 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 10/2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen ( 1)

35

 

*

Verordening (EU) 2018/832 van de Commissie van 5 juni 2018 tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor cyantraniliprole, cymoxanil, deltamethrin, difenoconazool, fenamidone, flubendiamide, fluopicolide, folpet, fosetyl, mandestrobine, mepiquat, metazachloor, propamocarb, propargite, pyrimethanil, sulfoxaflor en trifloxystrobin in of op bepaalde producten ( 1)

38

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (GBVB) 2018/833 van de Raad van 4 juni 2018 tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

87

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/834 van de Commissie van 4 juni 2018 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/709/EU betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 3318)  ( 1)

89

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/835 van de Commissie van 4 juni 2018 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest in Hongarije (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 3319)  ( 1)

104

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Besluit nr. 1/2018 van het Subcomité douane EU-Georgië van 20 maart 2018 tot vervanging van Protocol I bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip producten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking [2018/836]

107

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

6.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/1


BESLUIT (EU) 2018/826 VAN DE RAAD

van 28 mei 2018

betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon, waarin de voorwaarden voor de deelname van de Republiek Libanon aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) worden vastgesteld

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 186 in samenhang met artikel 218, lid 6, punt a), onder v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit (EU) 2017/1324 van het Europees Parlement en de Raad (2) voorziet in de deelname van de Unie aan het door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezette partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied („het Prima-initiatief”).

(2)

De Republiek Libanon („Libanon”) heeft de wens geuit om zich als deelnemend land en op voet van gelijkheid met de lidstaten en de met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) geassocieerde landen die aan het Prima-initiatief deelnemen, bij het Prima-initiatief aan te sluiten.

(3)

Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Besluit (EU) 2017/1324 wordt Libanon een aan het Prima-initiatief deelnemend land onder voorbehoud van de sluiting van een internationale overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking met de Unie, waarin de voorwaarden voor de deelname van Libanon aan het Prima-initiatief worden vastgesteld.

(4)

Overeenkomstig Besluit (EU) 2018/467 van de Raad (3) is de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon, waarin de voorwaarden voor de deelname van de Republiek Libanon aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) („de overeenkomst”) worden vastgesteld, op 27 februari 2018 ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip.

(5)

De overeenkomst moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon, waarin de voorwaarden voor de deelname van de Republiek Libanon aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) worden vastgesteld, wordt namens de Unie goedgekeurd (4).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 5, lid 2, van de overeenkomst (5) bedoelde kennisgeving.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 28 mei 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

E. KARANIKOLOV


(1)  Goedkeuring van 17 april 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2017/1324 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) (PB L 185 van 18.7.2017, blz. 1).

(3)  Besluit (EU) 2018/467 van de Raad van 25 september 2017 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon, waarin de voorwaarden voor de deelname van de Republiek Libanon aan het partnerschap voor onderzoek en innovatie in het Middellandse Zeegebied (het Prima-initiatief) worden vastgesteld (PB L 79 van 22.3.2018, blz. 1).

(4)  De overeenkomst is samen met het ondertekeningsbesluit bekendgemaakt in PB L 79 van 22.3.2018, blz. 3.

(5)  De datum van de inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


VERORDENINGEN

6.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/827 VAN DE RAAD

van 4 juni 2018

tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (1), en met name artikel 46, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 maart 2012 heeft de Raad Verordening (EU) nr. 267/2012 vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 46, lid 7, van Verordening (EU) nr. 267/2012 heeft de Raad de lijst van aangewezen personen en entiteiten in de bijlagen IX en XIV bij die verordening opnieuw bezien.

(3)

De Raad heeft besloten dat de vermeldingen voor bepaalde personen en entiteiten in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 moeten worden geactualiseerd.

(4)

Verordening (EU) nr. 267/2012 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 4 juni 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

T. TSACHEVA


(1)  PB L 88 van 24.3.2012, blz. 1.


BIJLAGE

Bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Onder „I. Bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen” vervangen de onderstaande vermeldingen de corresponderende vermeldingen in de lijst onder „B. Entiteiten”:

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

„42.(g)

Shetab Gaman (ook bekend als Taamin Gostaran Pishgaman Azar)

Adres: Norouzi Alley, No 2, Larestan Street, Motahari Avenue, Tehran

Treedt op namens Yasa Part.

26.7.2010

49.

Noavaran Pooyamoj (ook bekend als Noavaran Tejarat Paya, Bastan Tejerat Mabna, Behdis Tejarat (of Bazarganis Behdis Tejarat Alborz Company of Behdis Tejarat General Trading Company), Fanavaran Mojpooya, Faramoj Company (of Tosee Danesh Fanavari Faramoj), Green Emirate Paya, Mehbang Sana, Mohandesi Hedayat Control Paya, Pooya Wave Company, Towsee Fanavari Boshra)

 

Betrokken bij de verwerving van materialen die onder toezicht staan en rechtstreeks kunnen worden gebruikt bij de productie van centrifuges voor het Iraanse uraniumverrijkingsprogramma.

23.5.2011

55.

Ashtian Tablo

Ashtian Tablo — No 67, Ghods mirheydari St, Yoosefabad, Teheran

Betrokken bij de productie en levering van gespecialiseerde elektrische apparatuur en materialen die rechtstreeks in de Iraanse nucleaire sector worden gebruikt.

23.5.2011”

2)

Onder „II. Iraanse revolutionaire garde (IRGC)” vervangen de onderstaande vermeldingen de corresponderende vermeldingen in de lijst onder „A. Personen”:

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

„1.

IRGC-brigadegeneraal Javad DARVISH-VAND

 

Voormalig plaatsvervangend minister van het MODAFL voor inspectie, verantwoordelijk voor alle MODAFL-faciliteiten en -installaties, die onder meer door het verlenen van diensten nog steeds banden heeft met het MODAFL en de IRGC.

23.6.2008

8.

IRGC-brigadegeneraal Mohammad Reza NAQDI

geboren in 1953, Nadjaf (Irak)

Plaatsvervangend bevelhebber van de IRGC voor culturele en sociale zaken. Voormalig bevelhebber van de Basij-weermacht.

26.7.2010

10.

Rostam QASEMI (ook bekend als Rostam GHASEMI)

geboren in 1961

Voormalig bevelhebber van Khatam al Anbiya.

26.7.2010

19.

IRGC-brigadegeneraal Amir Ali Haji ZADEH (ook bekend als Amir Ali HAJIZADEH

 

Bevelhebber van de lucht- en ruimtevaartstrijdkrachten van de IRGC

23.1.2012”


6.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/5


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/828 VAN DE COMMISSIE

van 15 februari 2018

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 wat de voorschriften inzake antiblokkeersystemen, voorzieningen voor energieopslag onder hoge druk en hydraulische verbindingen van het eenleidingtype betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (1), en met name artikel 17, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overweging 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 van de Commissie (2) stelt dat de Commissie oordeelt over het voorschrift om met ingang van 1 januari 2020 een antiblokkeersysteem (ABS) te monteren op trekkers met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid tussen 40 en 60 km/h. Na beoordeling van dat voorschrift heeft de Commissie besloten dat de verwijdering van het ABS-voorschrift voor die voertuigen uit de gedelegeerde verordening onevenredige financiële kosten voor de sector en de gebruikers vermijdt, die de effectieve toepassing van geavanceerde remtechnologie op de markt uiteindelijk zouden vertragen. Daarom moet het voorschrift voor het monteren van ABS op die voertuigen worden geschrapt.

(2)

De voorwaarden voor het gebruik van voorzieningen voor energieopslag onder hoge druk moeten ruimte bieden voor het geavanceerde drukbereik en voor het verrichten van de desbetreffende test. De drukgrenswaarden moeten derhalve dienovereenkomstig worden aangepast.

(3)

Om de lidstaten en de sector bij de toepassing van de remvoorschriften van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 op nieuwe trekkers van al in gebruik zijnde aanhangwagens, rekening houdend met het vernieuwingspercentage van het getrokken landbouw- en bosbouwvoertuigenpark, een soepele overgang naar het verbod van hydraulische verbindingen van het eenleidingtype te waarborgen, zou de toepassing van de overgangsvoorschriften voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens tot en met 31 december 2024 moeten worden verlengd.

(4)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Aangezien deze verordening een aantal belangrijke wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 bevat die nodig zijn voor de soepele toepassing ervan, moet zij dringend in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 16 wordt vervangen door:

„Artikel 16

Voorschriften voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype en voor daarmee uitgeruste trekkers

1.   De prestatievoorschriften voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens en voor trekkers die met hydraulische verbindingen van het eenleidingtype zijn uitgerust, zijn vastgelegd in bijlage XIII. Deze voorschriften zijn van toepassing tot en met 31 december 2024.

2.   Na 31 december 2024 monteren fabrikanten geen hydraulische verbindingen van het eenleidingtype op nieuwe trekkers.”.

2)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tweede alinea wordt geschrapt;

b)

de vierde alinea wordt vervangen door:

„Met ingang van 1 januari 2025 verbieden de nationale autoriteiten het op de markt aanbieden, de registratie en het in het verkeer brengen van nieuwe trekkers die met hydraulische verbindingen van het eenleidingtype zijn uitgerust.”.

3)

De bijlagen I, IV en XIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 van de Commissie van 15 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft remvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 17 van 23.1.2015, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlagen I, IV en XIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 2.2.1.21.2 wordt geschrapt;

b)

punt 2.2.1.23 wordt vervangen door:

„2.2.1.23.

Trekkers die niet in punt 2.2.1.21.1 zijn genoemd en die met een antiblokkeersysteem zijn uitgerust, moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XI.”;

c)

in punt 2.2.2.15.1.1 worden de woorden „Deze druk mag ten hoogste 11 500 kPa bedragen.” geschrapt;

d)

de volgende punten 2.2.2.15.1.1.1 en 2.2.2.15.1.1.2 worden ingevoegd:

„2.2.2.15.1.1.1.

Deze lage druk in de hydraulische energieopslagvoorzieningen mag ten hoogste 11 500 kPa bedragen voor systemen met energieopslagvoorzieningen met een maximale bedrijfsdruk van 15 000 kPa.

2.2.2.15.1.1.2.

Deze lage druk in de hydraulische energieopslagvoorzieningen mag meer dan 11 500 kPa bedragen voor systemen met energieopslagvoorzieningen die tot een maximale bedrijfsdruk van meer dan 15 000 kPa worden belast om de voorgeschreven remwerking te halen.”.

2)

In bijlage IV, deel C (Hydraulische remsystemen met energieopslag), wordt het volgende punt 1.3.2.1.1 ingevoegd:

„1.3.2.1.1.

In het geval van systemen met energieopslagvoorzieningen die tot een maximale bedrijfsdruk van meer dan 15 000 kPa worden belast om de voorgeschreven remwerking te halen, moet de druk in de energieopslagvoorzieningen aan het begin van de test de door de fabrikant opgegeven maximumdruk zijn.”.

3)

Bijlage XIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1.1 wordt vervangen door:

„1.1.

Een hydraulische verbinding van het eenleidingtype mag worden geïnstalleerd op de trekker die is uitgerust met:

a)

een van de in punt 2.1.4 van bijlage I bedoelde typen verbindingen;

b)

een van de in de punten 2.1.5.1.1, 2.1.5.1.2 en 2.1.5.1.3 van bijlage I bedoelde typen verbindingen. In dat geval, om een verdubbeling van een connector te vermijden, mag de mannelijke aansluiting van de hydraulische verbinding van het eenleidingtype de in punt 2.1.5.1.1 van bijlage I beschreven mannelijke aansluiting zijn mits de druk die op die connector wordt gegenereerd, voldoet aan de punten 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3”;

b)

de volgende punten 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 worden ingevoegd:

„1.1.1.

Indien een bedieningsleiding en een supplementaire leiding van een getrokken voertuig worden verbonden, moet de druk pm worden gegenereerd overeenkomstig figuur 2 van aanhangsel 1 van bijlage II.

1.1.2.

Indien een getrokken voertuig met een hydraulische verbinding van het eenleidingtype wordt verbonden, moet de druk pm overeenkomstig punt 2 of 3 van deze bijlage worden gegenereerd.

1.1.3.

De detectie van verbonden leidingen in de punten 1.1.1 en 1.1.2 moet automatisch geschieden.”.


6.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/8


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/829 VAN DE COMMISSIE

van 15 februari 2018

tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (1), en met name artikel 17, lid 5, en artikel 49, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 van de Commissie (2) vermelde VN/ECE-reglementen waarvan de toepassing verplicht is, worden regelmatig herzien. In verband met die herzieningen moet de lijst worden aangevuld met een noot waarin wordt verduidelijkt dat het fabrikanten is toegestaan om latere supplementen op de toepasselijke wijzigingenreeksen van die VN/ECE-reglementen te gebruiken, ook wanneer die supplementen niet in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.

(2)

De lijst van VN/ECE-reglementen in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 bevat enkele redactionele fouten die moeten worden gecorrigeerd.

(3)

Voor een soepele uitvoering door de nationale instanties zijn redactionele verbeteringen van bijlage IV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 nodig, alsook precieze verwijzingen naar de voertuigcategorieën waarop die bijlage van toepassing is.

(4)

De in bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 vastgestelde voorschriften inzake stuursystemen moeten worden aangepast aan de technische vooruitgang, in overeenstemming met norm ISO 10998:2008 en met de voorschriften van VN/ECE-Reglement nr. 79, dat in de lijst in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 is opgenomen.

(5)

Moderne landbouw- en bosbouwvoertuigen worden blootgesteld aan elektromagnetische signalen die een frequentie hebben tot 2 000 MHz. Bijlage XV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 moet derhalve worden gewijzigd om geschikte frequentiebereiken voor de tests op te nemen en om in overeenstemming te worden gebracht met VN/ECE-Reglement nr. 10, dat dergelijke testvoorschriften bevat en als alternatief voor de voorschriften van bijlage XV van toepassing is.

(6)

Moderne landbouwtechnieken vereisen het gebruik van bredere banden, om bodemverdichting te voorkomen, en van grotere werktuigen. De voorschriften inzake afmetingen en massa's van aanhangwagens in bijlage XXI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 moeten derhalve worden aangepast wat de voertuigbreedte betreft, in overeenstemming met hetgeen reeds in een aantal lidstaten is toegestaan.

(7)

De aanpassing van de voorschriften inzake afmetingen maakt het noodzakelijk dat sommige van de voorschriften in de bijlagen bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 eveneens worden aangepast, te weten die in bijlage VII inzake het gezichtsveld en ruitenwissers, in bijlage XII inzake de installatie van verlichting, in bijlage XIV inzake de buitenkant en accessoires van het voertuig, in bijlage XXVI inzake beschermingsinrichtingen aan de achterzijde, in bijlage XXVII inzake zijdelings bescherming en in bijlage XXVIII inzake laadplatforms, aangezien de daarin vastgestelde bepalingen rechtstreeks afhankelijk zijn van de toegestane voertuigbreedte.

(8)

De verwachting is dat een betere zichtbaarheid van landbouw- en bosbouwvoertuigen, door een aanpassing van de voorschriften voor geschikte verbeterde lichtinstallaties in bijlage XII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208, zal leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal ongevallen met dodelijke afloop.

(9)

Om een juiste toepassing van de testvoorschriften van bijlage XXXIV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 mogelijk te maken, moet een bepaalde wiskundige formule in verband met die tests worden geactualiseerd.

(10)

Om de bescherming van de verkeersveiligheid te waarborgen, wat de aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken betreft waarop Verordening (EU) nr. 167/2013 van toepassing is, moeten de voorschriften inzake mechanische koppelingen in bijlage XXXIV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 worden aangepast om het gebruik van mechanische driepuntskoppelingen toe te staan en moeten verbeterde specificaties worden ingevoerd voor mechanische koppelingen op getrokken voertuigen die andere voertuigen trekken.

(11)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd.

(12)

Aangezien deze verordening een aantal rectificaties van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 bevat, moet deze verordening met spoed in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In hoofdstuk IV wordt het volgende artikel 40 bis ingevoegd:

„Artikel 40 bis

Overgangsbepalingen

1.   Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/829 van de Commissie (*1), blijven de nationale instanties tot en met 31 december 2018 ook typegoedkeuringen voor typen landbouw- en bosbouwvoertuigen of typen systemen, onderdelen of technische eenheden verlenen overeenkomstig de versie van deze verordening die op 8 juni 2018 van toepassing is.

2.   Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/829, staan de lidstaten tot en met 30 juni 2019 ook toe dat landbouw- en bosbouwvoertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in de handel gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht worden die gebaseerd zijn op een type dat is goedgekeurd overeenkomstig de versie van deze verordening die op 8 juni 2018 van toepassing is.

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/829 van de Commissie van 15 februari 2018 tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 140 van 6.6.2018, blz. 8).”."

2)

De bijlagen I, V, VII, XII, XIV, XV, XXI, XXVI, XXVII, XXVIII en XXXIV worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

Rectificaties van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208

De bijlagen I, IV, XII en XXXIV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 worden gerectificeerd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 van de Commissie van 8 december 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 42 van 17.2.2015, blz. 1).


BIJLAGE I

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208

De bijlagen I, V, VII, XII, XIV, XV, XXI, XXVI, XXVII, XXVIII en XXXIV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 worden als volgt gewijzigd:

1)

Na de tabel in bijlage I wordt de volgende noot toegevoegd:

„De in deze tabel opgenomen overgangsbepalingen van de VN/ECE-reglementen zijn van toepassing, behalve wanneer in deze gedelegeerde verordening specifieke andere data zijn vastgesteld. Naleving van de voorschriften overeenkomstig wijzigingen die volgen op de in deze tabel vermelde wijzigingen, wordt ook aanvaard.”.

2)

In bijlage V wordt de eerste zin van punt 3.1.2 vervangen door:

„De bedieningskracht die nodig is om, uitgaande van de rechtuitstand, een draaicirkel te bereiken met een straal van 12 m, mag bij een intacte stuurinrichting niet meer bedragen dan 25 daN.”.

3)

In bijlage VII wordt de volgende zin toegevoegd aan punt 2:

„De tests en goedkeuringscriteria van ISO 5721-2:2014 zijn eveneens van toepassing op trekkers met een breedte van meer dan 2,55 m.”.

4)

Bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 6.15.1 wordt vervangen door:

„6.15.1.

Aanwezigheid: verplicht op alle voertuigen met een lengte van meer dan 4,6 m. Facultatief op alle andere voertuigen.”;

b)

punt 6.15.6 wordt vervangen door:

„6.15.6.

Richting: zijwaarts. Wanneer de richting niet verandert, mag de reflector draaien.”;

c)

punt 6.18.1 wordt vervangen door:

„6.18.1.

Aanwezigheid: verplicht op trekkers met een lengte van meer dan 4,6 m. Verplicht op aanhangwagens van de categorieën R3 en R4 met een lengte van meer dan 4,6 m. Facultatief op alle andere voertuigen.”;

d)

in punt 6.18.4.3 wordt de laatste alinea vervangen door:

„Bij voertuigen met een lengte van ten hoogste 6 m en bij chassiscabines is echter één zijmarkeringslicht op het voorste derde of op het achterste derde van de lengte van het voertuig voldoende. Voor trekkers is één zijmarkeringslicht op het middelste derde van de lengte van het voertuig eveneens voldoende.”;

e)

aan punt 6.18.4.3 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het zijmarkeringslicht mag een deel van het lichtuitstralende oppervlak gemeen hebben met de zijretroreflector.”;

f)

punt 6.26.1 wordt vervangen door:

„6.26.1.

Aanwezigheid:

 

Verplicht op voertuigen met een totale breedte van meer dan 2,55 m.

 

Facultatief op voertuigen met een totale breedte van maximaal 2,55 m.”.

5)

In bijlage XIV wordt punt 2.1 vervangen door:

„2.1.

Deze bijlage is van toepassing op delen van het buitenoppervlak die, wanneer het voertuig beladen is en is voorzien van de banden met de grootste diameter of de set rupsbanden of -kettingen met de grootste verticale afmeting die niet zijn bestemd voor bodembescherming, waarvoor het is goedgekeurd, en met alle deuren, ramen, kleppen enz. dicht:”.

6)

Bijlage XV wordt als volgt gewijzigd:

a)

in deel 2, punt 3.4.2.1, wordt het getal „1 000” beide keren dat het voorkomt vervangen door het getal „2 000”;

b)

deel 5 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt 1.2 worden de laatste drie zinnen geschrapt;

ii)

in punt 5.1.3 wordt het getal „1 000” vervangen door het getal „2 000”;

iii)

in punt 6.1 wordt het getal „1 000” vervangen door het getal „2 000”;

iv)

punt 6.1.1 wordt vervangen door:

„6.1.1.

Om na te gaan of het voertuig aan de voorschriften van dit deel voldoet, worden metingen verricht bij ten hoogste 14 meetfrequenties in het frequentiebereik, bv. bij 27, 45, 65, 90, 120, 150, 190, 230, 280, 380, 450, 600, 750, 900 en van 1 000 tot en met 2 000 MHz, volgens de verhogingen zoals vermeld in ISO 11451-1, 3e ed., 2005 en Amd 1:2008.”;

v)

in punt 7.1.2 wordt het getal „1 000” vervangen door het getal „2 000”;

vi)

in punt 7.4 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Het voertuig wordt blootgesteld aan elektromagnetische straling in het frequentiebereik 20 — 2 000 MHz, met verticale polarisatie.”;

vii)

punt 7.4.2 wordt vervangen door:

„7.4.2.   Golfvorm

Modulatie van het testsignaal:

a)

amplitudemodulatie (AM), met 1 kHz modulatie en 80 % modulatiediepte (m = 0,8 ± 0,04) in het frequentiebereik 20 — 1 000 MHz (zoals gedefinieerd in figuur 3), en

b)

pulsmodulatie (PM), met ton = 577 μs en periode = 4 600 μs in het frequentiebereik 1 000 — 2 000 MHz, zoals vermeld in ISO 11451-1, 3e ed., 2005 en Amd 1:2008.”;

viii)

het volgende punt 7.4.4 wordt ingevoegd:

„7.4.4.   Blootstellingstijd

De blootstellingstijd moet voor elke testfrequentie zodanig zijn dat het geteste voertuig onder normale omstandigheden kan reageren. De tijd mag in geen geval minder dan 2 seconden bedragen.”.

7)

Bijlage XXI wordt als volgt gewijzigd

a)

punt 2.1 wordt vervangen door:

„2.1.

De maximale afmetingen van een voertuig van categorie T of C zijn als volgt:

2.1.1.

lengte: 12 m;

2.1.2.

breedte: 2,55 m (zonder rekening te houden met het bolle gedeelte van de zijkant van de banden bij het contactpunt met de grond).

De breedte mag worden vergroot tot 3,00 m indien dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de montage van banden, rubberen rupsbanden of dubbelluchtconfiguraties die nodig zijn voor de bodembescherming, met inbegrip van opspatafschermingssystemen, mits de breedte van het de permanente voertuigstructuur niet groter is dan 2,55 m en het voertuig waarvoor typegoedkeuring is verleend ook is uitgerust met ten minste één set banden of rubberen rupsbanden waarmee de totale breedte niet groter is dan 2,55 m.

2.1.3.

hoogte: 4 m.”;

b)

de volgende punten 2.3, 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 worden ingevoegd:

„2.3.

De maximale afmetingen van een voertuig van categorie R zijn als volgt:

2.3.1.

lengte: 12 m;

2.3.2.

breedte: 2,55 m (zonder rekening te houden met het bolle gedeelte van de zijkant van de banden bij het contactpunt met de grond).

De breedte mag worden vergroot tot 3,00 m indien dat uitsluitend wordt veroorzaakt door:

a)

het gebruik van bandenconfiguraties voor bodembescherming, mits het voertuig ook kan worden uitgerust met ten minste één set banden waarmee de totale breedte niet groter is dan 2,55 m. De voor vervoersdoeleinden noodzakelijke voertuigstructuur mag niet breder zijn dan 2,55 m. Indien het voertuig ook kan worden uitgerust met ten minste één set banden waarmee de totale breedte niet groter is dan 2,55 m, moeten de opspatafschermingssystemen, indien gemonteerd, zo zijn dat de voertuigbreedte niet groter is dan 2,55 m;

b)

de aanwezigheid van gereedschappen die nodig zijn voor de werking van het voertuig, in overeenstemming met de bepalingen tot uitvoering van Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (*1). De voor vervoersdoeleinden noodzakelijke voertuigstructuur mag niet breder zijn dan 2,55 m;

2.3.3.

hoogte: 4 m.

(*1)  Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (herschikking) (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24).”."

8)

In bijlage XXVI wordt punt 2.4.2 vervangen door:

„2.4.2.

de inrichting mag op geen enkele plaats breder zijn dan de achteras, gemeten aan de buitenrand van de wielen, waarbij de bolling van de band boven de grond buiten beschouwing wordt gelaten, en mag aan geen van beide kanten méér dan 10 cm smaller zijn dan de achteras. Wanneer het voertuig meer dan één achteras heeft, moet de breedste as in aanmerking worden genomen. De inrichting mag in geen geval breder zijn dan 2,55 m.”.

9)

In bijlage XXVII wordt de eerste zin van punt 2.1 vervangen door:

„De breedte van het voertuig met de zijdelingse beschermingen mag niet breder zijn dan de maximale totale voertuigbreedte, of, als dat smaller is, dan 2,55 m. Het grootste deel van hun buitenoppervlak mag niet meer dan 120 mm verzonken zijn ten opzichte van het buitenvlak (de maximumbreedte) van het voertuig.”.

10)

In bijlage XXVIII wordt punt 2, tweede streepje, vervangen door:

„—

dat zijn breedte niet meer bedraagt dan de maximale totale breedte van de trekker zonder uitrustingsstukken, of, als dat smaller is, dan 2,55 m.”.

11)

In bijlage XXXIV wordt het volgende punt ingevoegd:

„2.9.

Indien een getrokken voertuig een ander getrokken voertuig trekt, moet de mechanische koppeling van het eerstgenoemde voertuig voldoen aan de voorschriften voor mechanische koppelingen voor trekkers.”.


BIJLAGE II

Rectificaties van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208

De bijlagen I, IV, XII en XXXIV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 worden als volgt gerectificeerd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gerectificeerd:

a)

de rij onder de rij met Reglement nr. 5 wordt geschrapt;

b)

de rij onder de rij met Reglement nr. 21 wordt geschrapt;

c)

de rij onder de rij met Reglement nr. 75 wordt geschrapt.

2)

Bijlage IV wordt als volgt gerectificeerd:

a)

de punten 1.1, 1.2 en 2 worden geschrapt;

b)

de volgende punten 2, 3 en 4 worden toegevoegd:

„2.

De voorschriften van ISO 10998:2008, Amd 1:2014 zijn van toepassing op de stuurinrichting van voertuigen van de categorieën Tb en Cb met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h en niet meer dan 60 km/h.

3.

De besturing van trekkers van categorie Cb moet voldoen aan de voorschriften van punt 3.9 van bijlage XXXIII.

4.

De voorschriften inzake bedieningskracht voor de in punt 1 bedoelde voertuigen zijn die welke gelden voor voertuigen van categorie N2 in punt 6 van VN/ECE-Reglement nr. 79, als vermeld in bijlage I.

Voor een voertuig met een schrijlingse zitplaats en een motorfietsstuur moeten voor het midden van de handgreep dezelfde voorschriften inzake bedieningskracht van toepassing zijn.”.

3)

Bijlage XII wordt als volgt gerectificeerd:

a)

in punt 6.15.5 wordt de laatste zin vervangen door:

„De verticale hoek onder het horizontale vlak mag tot 5° worden beperkt, als de reflector zich op een hoogte boven de grond van minder dan 750 mm bevindt.”;

b)

de titel van aanhangsel 3 wordt vervangen door:

„Afmetingen, minimale afmetingen van het reflecterend oppervlak, kleur en fotometrische minimumvoorschriften en identificatie en markering van signalisatieborden en signalisatiefolie voor voertuigen met een breedte van meer dan 2,55 m.”.

4)

Bijlage XXXIV wordt als volgt gerectificeerd:

a)

in punt 3.4.1 wordt de formule voor h2 vervangen door:

„h2 ≤ (((mla – 0,2 × mt) × 1 – (S × c))/(0,6 × (mlt – 0,2 × mt + S)))”;

b)

punt 8, onder b), wordt vervangen door:

„b)

verwisselbare getrokken uitrustingsstukken van de categorie R1a of R2a die voornamelijk bestemd zijn om materialen te bewerken in de zin van artikel 3, punt 9, van Verordening (EU) nr. 167/2013;”.

6.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/15


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/830 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2018

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie wat de aanpassing van de voorschriften voor de voertuigconstructie en de algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (1), en met name artikel 18, lid 4, en artikel 49, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verscheidene vermeldingen in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 167/2013 moeten worden gewijzigd zodat voorschriften kunnen worden vastgesteld voor aanvullende voertuigcategorieën overeenkomstig de recentste uitgaven van bepaalde standaardcodes voor de officiële keuring van landbouw- en bosbouwtrekkers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO-standaardcodes) (2).

(2)

De in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie (3) vermelde VN/ECE-reglementen waarvan de toepassing verplicht is, worden regelmatig herzien. In verband met die herzieningen moet de lijst worden aangevuld met een noot waarin wordt verduidelijkt dat het fabrikanten is toegestaan om latere supplementen op de toepasselijke wijzigingenreeksen van die VN/ECE-reglementen te gebruiken, ook wanneer die supplementen niet in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.

(3)

Om duidelijk te maken dat bepaalde voorschriften in de Unie-wetgeving equivalent zijn aan en volledig in overeenstemming zijn met de voorschriften in de OESO-standaardcodes, moet de tekst van de voorschriften en de nummering ervan in bepaalde bijlagen bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 worden aangepast zodat zij identiek zijn aan de tekst en nummering in de overeenkomstige OESO-standaardcode.

(4)

Ter vermindering van het aantal verwondingen en dodelijke ongevallen die worden veroorzaakt omdat de achteraan gemonteerde inklapbare kantelbeveiliging op smalspoortrekkers niet wordt uitgeklapt tijdens mogelijk gevaarlijke situaties, moeten ergonomische voorschriften verplicht worden gesteld, om het uitklappen van de kantelbeveiliging wanneer dat nodig is, aan te moedigen en te vergemakkelijken.

(5)

De lijst van testrapporten die op basis van OESO-standaardcodes zijn opgesteld en zijn erkend voor EU-typegoedkeuring als alternatief voor testrapporten die zijn opgesteld op basis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014, moet worden geactualiseerd.

(6)

Teneinde bepaalde testprocedures te verduidelijken en te verbeteren, moeten aanvullende kleine wijzigingen worden aangebracht aan de testmethode voor de zitplaats van de bestuurder en aan de voorschriften betreffende toegang tot de bestuurdersplaats, de minimumkracht van bedieningsorganen en de brandsnelheid van het cabinemateriaal, zoals vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014.

(7)

Verordening (EU) nr. 167/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 167/2013

In bijlage I bij Verordening (EU) nr. 167/2013 wordt in rij nr. 38 in de kolommen voor de voertuigcategorieën Ca en Cb, „NA” vervangen door „X”.

Artikel 2

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 12 worden de woorden „voor voertuigen van de categorieën T2, T3 en T4.3” vervangen door de woorden „voor voertuigen van de categorieën T2/C2, T3/C3 en T4.3/C4.3”.

2.

In hoofdstuk V wordt het volgende artikel 35 bis ingevoegd:

„Artikel 35 bis

Overgangsbepalingen

1.   De nationale instanties blijven tot en met 26 juni 2018 overeenkomstig deze verordening, in de versie die op 25 juni 2018 van toepassing is, typegoedkeuringen voor typen landbouw- en bosbouwvoertuigen of typen systemen, onderdelen en technische eenheden verlenen.

2.   Tot en met 31 december 2018 staan de lidstaten toe dat landbouw- en bosbouwvoertuigen en systemen, onderdelen en technische eenheden die zijn gebaseerd op een krachtens deze verordening, in de versie die op 25 juni 2018 van toepassing is, goedgekeurd type, in de handel worden gebracht, worden geregistreerd of in gebruik worden genomen.”.

3.

In bijlage I worden aan de tekst onder het kopje „Toelichting:” de volgende alinea's toegevoegd:

„De overgangsbepalingen van de in deze tabel opgenomen VN/ECE-reglementen zijn van toepassing, behalve wanneer in deze verordening specifieke andere data zijn vastgesteld. Naleving van de voorschriften overeenkomstig wijzigingen die volgen op de in deze tabel vermelde wijzigingen, wordt ook aanvaard.”.

4.

Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

5.

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel B wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 3.8.2 wordt de eerste alinea vervangen door:

„In voorkomend geval wordt de bestendigheid tegen broos worden bij lage temperaturen gecontroleerd overeenkomstig hetzij de voorschriften in de punten 3.8.2.1 tot en met 3.8.2.7, hetzij de voorschriften in punt 3.8.3.”;

b)

het volgende punt 3.8.3 wordt ingevoegd:

„3.8.3.

De bestendigheid tegen broos worden bij lage temperaturen mag worden aangetoond door de regels en aanwijzingen van dit punt 3 toe te passen bij een verlaagde temperatuur van – 18 °C of kouder. De beschermingsvoorziening en alle montageapparatuur moeten vóór het begin van de dynamische test tot – 18 °C of kouder worden gekoeld.”.

6.

In de toelichting bij bijlage VI wordt noot (1) vervangen door:

„(1)

Tenzij anders aangegeven zijn de tekst van de voorschriften en de nummering in punt B gelijk aan de tekst en de nummering van de OESO-standaardcode voor het officieel testen van kantelbeveiligingen op landbouw- en bosbouwtrekkers (dynamische test), OESO-standaardcode 3, uitgave 2017 van februari 2017.”.

7.

In bijlage VII, in de toelichting bij bijlage VII, wordt noot (1) vervangen door:

„(1)

Tenzij anders aangegeven zijn de tekst van de voorschriften en de nummering in punt B gelijk aan de tekst en de nummering van de OESO-standaardcode voor het officieel testen van kantelbeveiligingen op landbouw- en bosbouwtrekkers op rupsbanden, OESO-standaardcode 8, uitgave 2017 van februari 2017.”.

8.

Bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel B, punt 3.11.2, wordt vervangen door:

„3.11.2.

In voorkomend geval wordt de bestendigheid tegen broos worden bij lage temperaturen gecontroleerd volgens de in de punten 3.11.2.1 tot en met 3.11.2.7 opgenomen voorschriften.”;

b)

in de toelichting bij bijlage VIII wordt noot (1) vervangen door:

„(1)

Tenzij anders aangegeven zijn de tekst van de voorschriften en de nummering in punt B gelijk aan de tekst en de nummering van de OESO-standaardcode voor het officieel testen van kantelbeveiligingen op landbouw- en bosbouwtrekkers (statische test), OESO-standaardcode 4, uitgave 2017 van februari 2017.”.

9.

Bijlage IX wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

10.

Bijlage X wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.

11.

Bijlage XI wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening.

12.

Bijlage XIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan punt 3.1.3 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Naar keuze van de fabrikant kan een extra facultatieve meting van het geluidsniveau worden verricht waarbij de motor stilstaat en hulpapparatuur, bijvoorbeeld de koelventilator, toestellen om ijsafzetting op ruiten tegen te gaan en andere elektrische hulpmiddelen, met de maximale instellingen werken;”;

b)

het volgende punt 3.2.2.2.2 wordt toegevoegd:

„3.2.2.2.2.

tijdens de facultatieve derde reeks metingen moet de motor stilstaan en moet hulpapparatuur, bijvoorbeeld de koelventilator, toestellen om ijsafzetting op ruiten tegen te gaan en andere elektrische hulpmiddelen, met de maximale instellingen werken;”.

13.

Bijlage XIV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening.

14.

In bijlage XV wordt punt 3.3.2 vervangen door:

„3.3.2.

Bij het afstappen, moet de bovenste opstap of trede duidelijk herkenbaar en bereikbaar zijn. De verticale afstand tussen opeenvolgende opstappen of treden moet gelijk zijn; er is echter een tolerantie van 20 mm toegelaten.”.

15.

In bijlage XVIII, in de toelichting bij bijlage XVIII, wordt noot (1) vervangen door:

„(1)

Met uitzondering van de nummering zijn de voorschriften onder punt B gelijk aan de tekst van de OESO-standaardcode voor het officieel testen |van kantelbeveiligingen op landbouw- en bosbouwtrekkers (statische test), OESO-standaardcode 4, uitgave 2017 van februari 2017.”.

16.

In bijlage XXII wordt punt 4 vervangen door:

„4.   Verklaring omtrent geluid

De gebruikershandleiding vermeldt het geluidsniveau op oorhoogte van de bedieningspersoon voor elke in bijlage XIII vermelde testomstandigheid, of als alternatief de resultaten van de geluidsniveautest van OESO-standaardcode 5 overeenkomstig punt 4 van het model van het testrapport.”.

17.

In bijlage XXIII wordt punt 1.2.1 vervangen door:

„1.2.1.

Bedieningsorganen zoals stuurwielen of stuurarmen, versnellingshendels, bedieningshendels, krukassen, pedalen en schakelaars moeten zo zijn gekozen, ontworpen, vervaardigd en ingericht dat hun krachten, verplaatsing, locaties, werking en kleurcodes in overeenstemming zijn met norm ISO 15077:2008, met inbegrip van de bijlagen A en C bij die norm.”.

18.

In bijlage XXVII wordt punt 2 vervangen door:

„2.   Brandsnelheid van het cabinemateriaal

De brandsnelheid van cabinemateriaal zoals eventuele stoelbekleding, wand-, vloer- en dakbekleding, overschrijdt bij testen overeenkomstig norm ISO 3795:1989 of norm FMVSS302 de maximale waarde van 150 mm/min niet.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1.

(2)  http://www.oecd.org/tad/code/oecd-standard-codes-official-testing-agricultural-forestry-tractors.htm

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie van 19 september 2014 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft (PB L 364 van 18.12.2014, blz. 1).


BIJLAGE I

De tabel in bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 wordt vervangen door:

„Testverslag op basis van OESO-standaardcode nr.

Onderwerp

Uitgave

Toepasbaarheid

Alternatief voor het EU-testrapport op basis van

3

Officieel testen van kantelbeveiligingen op landbouw- en bosbouwtrekkers

(dynamische test)

uitgave 2017

- februari 2017 -

T1, T4.2 en T4.3

bijlage VI

en bijlage XVIII (indien de gordel-verankeringen zijn getest)

4

Officieel testen van kantelbeveiligingen op landbouw- en bosbouwtrekkers

(statische test)

uitgave 2017

- februari 2017 -

T1/C1, T4.2/C4.2 en T4.3/C4.3

bijlage VIII

en bijlage XVIII (indien de gordel-verankeringen zijn getest)

5

Officiële meting van het geluid op de bestuurdersplaats(en) van landbouw- en bosbouwtrekkers

uitgave 2017

- februari 2017 -

T en C

bijlage XIII

6

Officieel testen van vooraan gemonteerde kantelbeveiligingsvoorzieningen op landbouw- en bosbouwsmalspoortrekkers op wielen

uitgave 2017

- februari 2017 -

T2/C2, T3/C3 en T4.3/C4.3

bijlage IX (indien de prestatie-voorschriften voor inklapbare kantel-beveiligings-voorzieningen zijn getest en nageleefd)

en bijlage XVIII (indien de gordel-verankeringen zijn getest)

7

Officieel testen van achteraan gemonteerde kantelbeveiligingsvoorzieningen op landbouw- en bosbouwsmalspoortrekkers op wielen

uitgave 2017

- februari 2017 -

T2/C2, T3/C3 en T4.3/C4.3

bijlage X (indien de prestatie-voorschriften voor inklapbare kantel-beveiligings-voorzieningen zijn getest en nageleefd)

en bijlage XVIII (indien de gordel-verankeringen zijn getest)

8

Officieel testen van kantelbeveiligingen op landbouw- en bosbouwtrekkers op rupsbanden

uitgave 2017

- februari 2017 -

C1, C2, C4.2 en C4.3

bijlage VIII

en bijlage XVIII (indien de gordel-verankeringen zijn getest)

10

Officieel testen van de voorzieningen ter bescherming tegen vallende voorwerpen op landbouw- en bosbouwtrekkers

uitgave 2017

- februari 2017 -

T en C

bijlage XI

deel C”.


BIJLAGE II

Bijlage IX bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Deel B wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1.3.1 wordt vervangen door:

„1.3.1.   Voorafgaande definitie: middenvlak van het wiel of de rupsband

Het middenvlak van het wiel of de rupsband ligt op gelijke afstand van de twee vlakken die de omtrek van de velgen of de rupsbanden aan de buitenranden ervan omvatten.”;

b)

in punt 1.3.2 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Bij trekkers op rupsbanden is het spoor de afstand tussen het middenvlak van de rupsbanden.”;

c)

in punt 1.4 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Bij trekkers op rupsbanden: de afstand tussen de verticale vlakken die loodrecht op het middenlangsvlak van de trekker door de assen van de aangedreven wielen gaan.”;

d)

de punten 2.1.2 en 2.1.3 worden vervangen door:

„2.1.2.

een vaste of instelbare minimale spoorbreedte van de as met de grootste banden of rupsbanden van minder dan 1 150 mm. De as met de breedste banden of rupsbanden wordt geacht te zijn ingesteld op een spoorbreedte die maximaal 1 150 mm bedraagt. De spoorbreedte van de andere as moet dan zo kunnen worden ingesteld dat de buitenranden van de smalste banden of rupsbanden niet verder reiken dan de buitenranden van de banden of rupsbanden van de andere as. Zijn de twee assen voorzien van velgen en banden of rupsbanden van dezelfde maat, dan moet de vaste of instelbare spoorbreedte van beide assen minder dan 1 150 mm bedragen;

2.1.3.

een massa tussen de 400 en 3 500 kg, overeenkomend met de onbeladen massa van de trekker, met inbegrip van de kantelbeveiligingsvoorziening en de grootste banden- of rupsbandenmaat die door de fabrikant wordt aanbevolen. De maximaal toelaatbare massa mag niet meer dan 5 250 kg bedragen en de massaverhouding (maximaal toelaatbare massa/referentiemassa) mag niet meer dan 1,75 bedragen;”;

e)

in punt 3.1.2.3 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Bij een trekker op rupsbanden wordt de breedte van de rupsbanden door de fabrikant ingesteld.”;

f)

in punt 3.1.3.2 worden de tweede en de derde zin vervangen door:

„Deze hoek bedraagt ten minste 38° op het moment dat de trekker in onstabiel evenwicht is op de wielen of rupsbanden die de grond raken. Voer de test eenmaal uit met het stuurwiel volledig naar rechts gedraaid en eenmaal met het stuurwiel volledig naar links gedraaid.”;

g)

punt 3.1.4.3.1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de rij voor trekkereigenschap B0 wordt vervangen door:

B0

(m)

breedte achterbanden of -rupsbanden”;

ii)

de rijen voor trekkereigenschappen D2 en D3 worden vervangen door:

D2

(m)

hoogte voorbanden of -rupsbanden onder volledige asbelasting

D3

(m)

hoogte achterbanden of -rupsbanden onder volledige asbelasting”;

iii)

in de rij voor trekkereigenschap S worden de woorden „De som van de spoorbreedte (S) en de bandbreedte (B0) moet groter zijn dan de breedte B6 van de kantelbeveiliging.” vervangen door „De som van de achterspoorbreedte (S) en de band- of rupsbandbreedte (B0) moet groter zijn dan de breedte B6 van de kantelbeveiliging.”;

h)

punt 3.1.4.3.2.2 wordt vervangen door:

„3.1.4.3.2.2.

de draaiingsas is evenwijdig aan de lengteas van de trekker en loopt door het midden van het contactoppervlak van het (de) voor- en het (de) achterwiel of -rupsband aan de dalende kant van de helling;”;

i)

de laatste alinea van punt 3.1.5.1 wordt vervangen door:

„De afstand tussen het zwaartepunt en de achteras (L3 ) of vooras (L2 ) wordt berekend aan de hand van de verdeling van de massa van de trekker tussen de achter- en voorwielen of -rupsbanden.”;

j)

punt 3.1.5.2 wordt vervangen door:

„3.1.5.2.   Hoogte van de achterbanden of -rupsbanden (D3 ) en voorbanden of -rupsbanden (D2 )

Gemeten wordt de afstand van het hoogste punt van de band of de rupsband tot het grondvlak (figuur 6.5) en voor de voor- en achterbanden of -rupsbanden wordt dezelfde methode toegepast.”;

k)

de laatste alinea van punt 3.1.5.4 wordt vervangen door:

„Het botspunt wordt bepaald door het raakvlak aan de kantelbeveiliging dat loopt door de lijn gevormd door de bovenste buitenste punten van de voor- en achterbanden of -rupsbanden (figuur 6.7).”;

l)

de laatste alinea van punt 3.1.5.6 wordt vervangen door:

„Het botspunt wordt bepaald door het raakvlak aan de motorkap en de kantelbeveiliging dat loopt door de bovenste buitenste punten van de voorband of -rupsband (figuur 6.7). De meting wordt aan weerszijden van de motorkap verricht.”;

m)

in punt 3.1.5.9 worden de eerste en tweede alinea onder het kopje „Hoogte van het draaipunt van de vooras (H0)” vervangen door:

„De verticale afstand tussen het midden van het draaipunt van de vooras en het middelpunt van de as van de voorbanden of -rupsbanden (H01) wordt in het technisch rapport van de fabrikant opgenomen en wordt gecontroleerd.

Gemeten wordt de verticale afstand van het middelpunt van de as van de voorbanden of -rupsbanden tot het grondvlak (H02) (figuur 6.8).”;

n)

de punten 3.1.5.10 en 3.1.5.11 worden vervangen door:

„3.1.5.10.   Achterspoorbreedte (S)

Gemeten wordt de minimale achterspoorbreedte met de breedste door de fabrikant gespecificeerde banden of rupsbanden (figuur 6.9).

3.1.5.11.   Breedte achterbanden of -rupsbanden (B0 )

Gemeten wordt de afstand tussen het buitenste en binnenste verticale vlak van het bovenste deel van een achterband of -rupsband (figuur 6.9).”;

o)

punt 3.2.1.3.4 wordt vervangen door:

„3.2.1.3.4.

De spoorbreedte wordt zo ingesteld dat de kantelbeveiliging tijdens de sterktetests zo weinig mogelijk door de banden of rupsbanden wordt gesteund. Als deze tests volgens de statische methode worden uitgevoerd, mogen de wielen of rupsbanden worden verwijderd.”;

p)

punt 3.2.2.2.4 wordt vervangen door:

„3.2.2.2.4.

Als de trekker is uitgerust met een veersysteem tussen de carrosserie en de wielen of rupsbanden, wordt dit tijdens de tests geblokkeerd.”;

q)

punt 3.2.5.4 wordt vervangen door:

„3.2.5.4.   Opstelling voor de verbrijzelingstest

Een opstelling zoals in figuur 6.10 moet op een kantelbeveiliging een neerwaartse kracht kunnen uitoefenen door middel van een ongeveer 250 mm brede stijve balk die via kruiskoppelingen met het belastingsmechanisme is verbonden. Er wordt voor passende assteunen gezorgd, zodat de verbrijzelingskracht niet op de banden of rupsbanden van de trekker wordt uitgeoefend.”;

r)

de laatste zin van de laatste alinea van punt 3.3.2.2 wordt vervangen door:

„Daartoe wordt ervan uitgegaan dat de voor- en achterbanden of -rupsbanden en de spoorbreedte de kleinste door de fabrikant opgegeven standaardafmetingen hebben.”;

s)

figuur 6.5 wordt vervangen door:

Figuur 6.5

Gegevens die noodzakelijk zijn om de kanteling te berekenen van een trekker met triaxiaal kantelgedrag

Image

Opmerking: D2 en D3 moeten onder volledige asbelasting worden gemeten.”;

t)

in de laatste alinea van punt 5.3.1 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Bij een trekker op rupsbanden wordt de spoorbreedte van de rupsbanden door de fabrikant ingesteld.”;

u)

in deel B4 („Voorschriften voor virtueel testen”) wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor trekkers op rupsbanden moeten de volgende rijen in het oorspronkelijke model worden vervangen:

 

520 LOCATE 12, 40: PRINT „HEIGHT OF THE REAR TRACKS D3=”

 

*540 PRINT „HEIGHT OF THE FRT TRACKS D2=”: LOCATE 13, 29: PRINT „”

 

650 LOCATE 17, 40: PRINT „REAR TRACKS WIDTH B0=”

 

970 LPRINT TAB(40); „HEIGHT OF THE REAR TRACKS D3=”;

 

*980 LPRINT „HEIGHT OF THE FRT TRACKS D2=”;

 

1160 LPRINT TAB(40); „REAR TRACK WIDTH B0=”;

 

1390 W2 = SQR(H0 * H0 + L0 * L0): S1 = S/2 + B0/2

 

1530 F2 = 2 * ATN(- L0/D3 + SQR((L0/D3) ^ 2 — (D2/D3) + 1))

 

1590 X(1, 5) = D3

 

1660 Y(1, 5) = -L3

*

indien van toepassing”;

2.

in de toelichting bij bijlage IX wordt noot (1) vervangen door:

„(1)

Tenzij anders aangegeven zijn de nummering van de delen B2 en B3, die is geharmoniseerd met de gehele bijlage, de tekst van de voorschriften en de nummering in punt B gelijk aan de tekst en de nummering van de OESO-standaardcode voor het officieel testen van vooraan gemonteerde kantelbeveiligingsvoorzieningen op landbouw- en bosbouwsmalspoortrekkers, OESO-standaardcode 6, uitgave 2017 van februari 2017.”.

BIJLAGE III

Bijlage X bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In deel A wordt het volgende punt 3 toegevoegd:

„3.

Naast de voorschriften van punt 2 wordt aan de in deel B3 beschreven voorschriften voor de prestaties van inklapbare kantelbeveiligingsvoorzieningen (ROPS) voldaan.”.

2.

Deel B wordt als volgt gewijzigd:

1.

punt 3.1.2.2.5 wordt vervangen door:

„3.1.2.2.5.

Voor de eerste belasting aan de achterkant van de kantelbeveiliging wordt die kant gekozen die volgens de testinstanties tot gevolg zal hebben dat de reeks belastingstests onder de voor de kantelbeveiliging meest ongunstige omstandigheden plaatsvindt. De zijdelingse belasting wordt uitgeoefend op de tegengestelde kant van het middenlangsvlak van de trekker ten opzichte van de kant waar de belasting in de lengterichting wordt uitgeoefend. Zowel de belasting aan de voorkant als de zijdelingse belasting wordt aan dezelfde kant van het middenlangsvlak van de kantelbeveiliging uitgeoefend.”;

2.

het volgende deel B3 wordt toegevoegd:

„B3   VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRESTATIES VAN INKLAPBARE KANTELBEVEILIGINGSVOORZIENINGEN

5.1.   Toepassingsgebied

Dit deel voorziet in minimale prestatie- en testvoorschriften voor achteraan gemonteerde inklapbare ROPS die handmatig worden in- en/of uitgeklapt door een staande bedieningspersoon (met of zonder gedeeltelijke ondersteuning) en handmatig of automatisch worden vergrendeld.

5.2.   Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder:

5.2.1.   handbediende inklapbare ROPS: een achteraan gemonteerde kantelbeveiliging met twee stijlen die rechtstreeks door de bedieningspersoon handmatig in- en uitgeklapt kan worden (met of zonder gedeeltelijke ondersteuning);

5.2.2.   automatisch inklapbare ROPS: een achteraan gemonteerde kantelbeveiliging met twee stijlen waarbij het in- en uitklappen volledig ondersteund is;

5.2.3.   vergrendelingssysteem: een ingebouwde voorziening om de ROPS handmatig of automatisch in de in- of uitgeklapte stand te vergrendelen;

5.2.4.   grijpgebied: een gebied dat door de fabrikant is gedefinieerd als een deel van de ROPS en/of extra op de ROPS gemonteerde hendel waar de bedieningspersoon het in- en uitklappen mag uitvoeren;

5.2.5.   toegankelijk deel van het grijpgebied: het gebied waar de ROPS tijdens het in- en uitklappen door de bedieningspersoon wordt bediend; dit gebied wordt gedefinieerd ten opzichte van het geometrische middelpunt van de dwarsdoorsneden van het grijpgebied;

5.2.6.   toegankelijke zone: de ruimte waarin een staande bedieningspersoon een kracht kan toepassen om de ROPS in of uit te klappen;

5.2.7.   klempunt: een punt waar delen ten opzichte van elkaar of ten opzichte van vaste delen bewegen, zodanig dat personen of bepaalde delen van hun lichaam bekneld kunnen raken;

5.2.8.   afknelpunt: een punt waar delen langs elkaar heen of langs andere delen schuiven, zodanig dat personen of bepaalde delen van hun lichaam bekneld of afgekneld kunnen raken;

5.2.9.   plaats om te staan: een vanuit de voornaamste toegang van de bestuurdersplaats toegankelijke plaats op het trekkerplatform die voldoende ruimte biedt voor een staand bedieningspersoon.

5.3.   Handbediende inklapbare ROPS

5.3.1.   Voorafgaande voorwaarden voor de test

5.3.1.1.   Grijpgebied

De handmatige bediening wordt uitgevoerd door een staande bedieningspersoon met een of meer grepen in het grijpgebied van de rolbeugel.

De rolbeugel kan vanaf de grond worden bediend of vanaf een plaats om te staan op het platform (figuren 7.8a en 7.8b).

De bedieningspersoon kan de rolbeugel evenwijdig aan of vóór de baan van de rolbeugel bedienen.

Een meerstapsproces met meerdere posities voor de bedieningspersoon en meerdere aangeduide grijpgebieden is toegestaan.

Het grijpgebied wordt duidelijk en permanent geïdentificeerd (figuur 7.9).

Dit gebied moet worden ontworpen zonder scherpe randen, scherpe hoeken en ruwe oppervlakken die letsel kunnen veroorzaken bij de bedieningspersoon.

Dit gebied kan zich aan een of beide zijden van de trekker bevinden en kan een structureel onderdeel van de rolbeugel of extra hendels zijn. In dit grijpgebied levert de handmatige bediening om de rolbeugel in of uit te klappen voor de bedieningspersoon geen gevaar op afknellen, klemmen of onbeheersbare bewegingen.

5.3.1.2.   Toegankelijke zones

Er worden drie toegankelijke zones met een verschillende toegestane kracht gedefinieerd ten opzichte van het horizontale vlak van de grond en de verticale vlakken die raken aan de buitenste delen van de trekker, waardoor de positie of de verplaatsing van de bedieningspersoon wordt begrensd (figuur 7.10).

Zone I: comfortzone

Zone II: toegankelijke zone als het lichaam niet voorover wordt gebogen

Zone III: toegankelijke zone als het lichaam voorover wordt gebogen

Bediening van de rolbeugel evenwijdig aan de baan

 

De positie en de bewegingen van de bedieningspersoon worden beperkt door obstakels. Dit zijn delen van de trekker en ze worden gedefinieerd door verticale vlakken die raken aan de buitenkanten van het obstakel.

 

Indien de bedieningspersoon tijdens de handmatige bediening van de rolbeugel zijn voeten moet verplaatsen, is een verplaatsing toegestaan binnen een vlak evenwijdig aan de baan van de rolbeugel of binnen nog een vlak evenwijdig aan het eerdere vlak teneinde een obstakel te vermijden. De totale verplaatsing wordt beschouwd als een combinatie van rechte lijnen evenwijdig aan en loodrecht op de baan van de rolbeugel. Een loodrechte verplaatsing is toegestaan, mits de bedieningspersoon dichter bij de rolbeugel komt. Het toegankelijke gebied wordt beschouwd als de omtrek van de verschillende toegankelijke zones (figuur 7.11).

Bediening van de rolbeugel vóór de baan

 

Uitbreidingen van de zones II en III worden alleen als toegankelijk beschouwd voor de bediening van de rolbeugel vóór de baan (figuur 7.12). De toegelaten bedieningskrachten in die uitbreidingen zijn dezelfde als die in respectievelijk zone II en zone III.

 

Indien de bedieningspersoon zich tijdens de handmatige bediening van de rolbeugel moet verplaatsen, moet dat gebeuren door een verplaatsing binnen een vlak evenwijdig aan de baan van de rolbeugel waarbinnen zich geen enkel obstakel bevindt.

In dat geval wordt het toegankelijke gebied beschouwd als de omtrek van de verschillende toegankelijke zones.

5.3.1.3.   Plaats om te staan

Elke door de fabrikant aangewezen plaats om te staan op het platform moet toegankelijk zijn vanaf de voornaamste toegang tot de bestuurdersplaats en voldoen aan de volgende voorschriften:

Een plaats die is bestemd om te staan moet voldoende ruimte bieden voor beide voeten van de bedieningspersoon, vlak zijn en van een antisliplaag zijn voorzien. Afhankelijk van de machineconfiguratie kan de plaats bestaan uit twee afzonderlijke oppervlakken, en mogen er machineonderdelen voor worden gebruikt. De plaats om te staan moet zodanig zijn gepositioneerd dat de bedieningspersoon bij het verrichten van het benodigde onderhoud stabiel en op dezelfde hoogte kan staan, met een tolerantie van ± 50 mm.

Er moeten één of meerdere handvaten en/of relingen aanwezig zijn zodat op drie punten steun kan worden gevonden. Voor de naleving van dit voorschrift mogen ook onderdelen van de machine worden meegeteld.

De plaats om te staan wordt geacht voldoende ruimte te bieden indien het oppervlak ten minste een vierkant is met een dwarsdoorsnede van 400 mm per zijde (figuur 7.13).

Als alternatief kan aan het voor het voorschrift betreffende de plaats om te staan, worden voldaan door voldoende ruimte te bieden voor één voet op een vlak oppervlak en een knie op de zitplaats.

5.3.1.4.   Testomstandigheden

De trekker is voorzien van banden met de grootste door de fabrikant opgegeven diameter en de dienovereenkomstige kleinste dwarsdoorsnede. De banden worden opgepompt tot de voor terreinwerkzaamheden aanbevolen spanning.

De achterwielen worden ingesteld op de kleinste spoorbreedte; de spoorbreedte van de voorwielen benadert die van de achterwielen zo dicht mogelijk. Als de voorwielen kunnen worden ingesteld op twee spoorbreedten die evenveel verschillen van de kleinste spoorbreedte van de achterwielen, wordt de grootste spoorbreedte van de voorwielen gekozen.

5.3.2.   Testprocedure

Het doel van de test is het meten van de kracht die nodig is om de rolbeugel in of uit te klappen. De test wordt in statische toestand uitgevoerd: er is geen initiële beweging van de rolbeugel. Elke meting van de kracht die nodig is om de rolbeugel in of uit te klappen wordt gedaan in een richting die raakt aan de baan van de rolbeugel en door het geometrische middelpunt van de dwarsdoorsneden van het grijpgebied loopt.

Het grijpgebied wordt als toegankelijk beschouwd als het zich binnen de toegankelijke zones of de omtrek van verschillende toegankelijke zones bevindt (figuur 7.14).

De kracht die nodig is om de rolbeugel in en uit te klappen wordt gemeten in verschillende punten binnen het toegankelijke deel van het grijpgebied (figuur 7.15).

De eerste meting wordt uitgevoerd aan het uiteinde van het toegankelijke deel van het grijpgebied wanneer de rolbeugel volledig ingeklapt is (punt 1 in figuur 7.15).

De tweede meting wordt bepaald aan de hand van de positie van punt 1 nadat de rolbeugel naar het punt is gedraaid waarop een lijn die loodrecht op de baan van de rolbeugel staat, verticaal is (punt 2 in figuur 7.15).

De derde meting wordt verricht nadat de rolbeugel naar het hoogste punt van het toegankelijke deel van het grijpgebied is gedraaid (punt 3 in figuur 7.15).

Indien de rolbeugel bij de derde meting niet volledig uitgeklapt is, wordt er een meting uitgevoerd bij een punt aan het uiteinde van het toegankelijke deel van het grijpgebied wanneer de rolbeugel volledig is uitgeklapt (punt 4 in figuur 7.15).

Indien tussen punt 1 en punt 3 de baan van het uiteinde van het toegankelijke deel van het grijpgebied de grens tussen zone I en zone II kruist, wordt er op dit kruispunt een extra meting uitgevoerd (figuur 7.16).

De maximumkrachten in deze punten mag de mogen de aanvaardbare kracht van de zone (I, II of III) niet overschrijden.

Om de kracht in de voorgeschreven punten te meten kan de waarde rechtstreeks worden gemeten of kan de voor het in- of uitklappen van de rolbeugel benodigde torsie worden gemeten om de kracht te berekenen.

5.3.3.   Goedkeuringsvoorwaarde

5.3.3.1.   Eisen ten aanzien van de kracht

De kracht die aanvaardbaar is voor de bediening van de ROPS hangt af van de toegankelijke zone zoals weergegeven in tabel 7.2.

Tabel 7.2

Aanvaardbare kracht

Zone

I

II

III

Aanvaardbare kracht (N)

100

75

50

Een verhoging van maximaal 25 % van deze aanvaardbare krachten is toegestaan wanneer de rolbeugel volledig ingeklapt en volledig uitgeklapt is.

Een verhoging van maximaal 25 % van deze aanvaardbare krachten is toegestaan indien de rolbeugel vóór de baan wordt bediend.

Een verhoging van maximaal 50 % van deze aanvaardbare krachten is toegestaan bij het inklappen.

5.3.3.2.   Aanvullende voorschriften

De handmatige bediening om de rolbeugel in of uit te klappen mag voor de bedieningspersoon geen gevaar op afknellen, klemmen of onbeheersbare bewegingen opleveren.

Een klempunt wordt niet als gevaarlijk voor de handen van de bedieningspersoon beschouwd als in het grijpgebied de veiligheidsafstand tussen de rolbeugel en vaste delen van de trekker minimaal 100 mm bedraagt voor de hand, pols en vuist, en 25 mm voor de vingers (ISO13854:1996). De veiligheidsafstanden worden gecontroleerd met betrekking tot de door de fabrikant in de gebruikershandleiding voorziene bedieningswijze.

5.4.   Handmatig vergrendelingssysteem

De ingebouwde voorziening om de ROPS in de ingeklapte/uitgeklapte stand te vergrendelen, moet zo zijn ontworpen dat deze:

door één staande bedieningspersoon kan worden bediend en zich in een van de toegankelijke zones bevindt;

nauwelijks van de ROPS kan worden losgemaakt (bijvoorbeeld door geborgde pennen als borgpennen of opsluitpennen);

verwarring bij de vergrendeling voorkomt (de juiste plaats van de pennen moet worden aangegeven);

het onopzettelijk verwijderen of verliezen van delen voorkomt.

Indien de voorzieningen die worden gebruikt om de ROPS in de ingeklapte/uitgeklapte stand te vergrendelen pennen zijn, moeten deze er vrij ingestoken of uitgehaald kunnen worden. Als hiervoor kracht op de rolbeugel moet worden uitgeoefend, moet deze voldoen aan de voorschriften van de punten 1 en 3 of 4 (zie punt 5.3).

Alle andere vergrendelingsvoorzieningen moeten zijn gemaakt volgens een ergonomische benadering wat betreft de vorm en de kracht, waarbij met name het gevaar op klemmen en afknellen moet worden voorkomen.

5.5.   Voorafgaande test van het automatische vergrendelingssysteem

Een op een handbediende inklapbare ROPS ingebouwd automatisch vergrendelingssysteem moet vóór de sterktetest van de ROPS worden onderworpen aan een voorafgaande test.

De rolbeugel wordt van de laagste stand naar de hoogste vergrendelde stand bewogen en weer terug. Deze handelingen vormen één cyclus. Er worden 500 cycli uitgevoerd.

Dit kan handmatig worden gedaan of met behulp van externe energie (hydraulische, pneumatische of elektrische aandrijvers). In beide gevallen wordt de kracht uitgeoefend in een vlak evenwijdig aan de baan van de rolbeugel dat door het grijpgebied loopt, waarbij de hoeksnelheid van de rolbeugel vrijwel constant is en minder dan 20°/s bedraagt.

Na de 500 cycli overschrijdt de kracht die wordt uitgeoefend als de rolbeugel in de hoogste stand staat, de toegestane kracht met niet meer dan 50 % (tabel 7.2).

Het ontgrendelen van de rolbeugel vindt plaats zoals vermeld in de gebruikershandleiding.

Na de voltooiing van de 500 cycli wordt er geen onderhoud of verstelling aan het vergrendelingssysteem uitgevoerd.

Opmerking 1: De voorafgaande test kan ook op automatisch inklapbare ROPS-systemen worden toegepast. De test moet vóór de sterktetest van de ROPS worden uitgevoerd.

Opmerking 2: De voorafgaande test kan door de fabrikant worden uitgevoerd. In dat geval verstrekt de fabrikant een verklaring aan het keuringsstation waarin staat dat de test overeenkomstig de testprocedure is uitgevoerd en dat er na de voltooiing van de 500 cycli geen onderhoud of verstellingen aan het vergrendelingssysteem zijn uitgevoerd. Het keuringsstation controleert de prestaties van de voorziening met één cyclus van de laagste stand naar de hoogste vergrendelde stand en terug.

Image

Figuur 7.8 a

Vanaf de grond

Figuur 7.8 b

Vanaf het platform

Image

Figuur 7.9

Grijpgebied

Grijpgebied

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image

Figuur 7.14

Voorbeeld van toegankelijk deel van een grijpgebied

Toegankelijke zones

Baan van het grijpgebied

Toegankelijk deel van het grijpgebied

Image

Figuur 7.15

Punten waar de eisen ten aanzien van de kracht worden gecontroleerd

Punt 1

Punt 2

Punt 3

Punt 4

Image

Figuur 7.16

Aanvullend punt waar de eisen ten aanzien van de kracht worden gecontroleerd

Extra punt

Punt 1

Punt 2

Punt 3

Punt 4

”.

3.

In de toelichting bij bijlage X wordt noot (1) vervangen door:

„(1)

Tenzij anders aangegeven zijn de nummering van de delen B2 en B3, die is geharmoniseerd met de gehele bijlage, de tekst van de voorschriften en de nummering in punt B gelijk aan de tekst en de nummering van de OESO-standaardcode voor het officieel testen van achteraan gemonteerde kantelbeveiligingsvoorzieningen op landbouw- en bosbouwsmalspoortrekkers, OESO-standaardcode 7, uitgave 2017 van februari 2017.”.

BIJLAGE IV

Bijlage XI bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Deel C wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 3.1.3 wordt vervangen door:

„3.1.3.

Een beschermingsvoorziening kan uitsluitend bedoeld zijn om de bestuurder te beschermen indien er een voorwerp valt. Eventueel kan aan deze constructie een voorziening, al dan niet van tijdelijke aard, ter bescherming van de bestuurder tegen slechte weersomstandigheden worden bevestigd. De bestuurder zal deze meestal verwijderen wanneer het warm weer is. Er zijn echter ook beschermingsvoorzieningen waarvan de afdekking permanent deel uitmaakt en die bij warm weer geventileerd kunnen worden door middel van ramen of kleppen. Aangezien de afdekking kan bijdragen tot de sterkte van de constructie en het, indien zij verwijderd kan worden, goed mogelijk is dat zij ontbreekt ten tijde van een ongeval, worden alle onderdelen die op dergelijke wijze door de bestuurder verwijderd kunnen worden, voor de test verwijderd. Deuren en ramen worden, indien zij kunnen worden geopend, verwijderd of in geopende stand vastgezet voor de test, zodat zij niet bijdragen tot de sterkte van de beschermingsvoorziening.”;

b)

het volgende punt 3.1.3.1 wordt ingevoegd:

„3.1.3.1.

Indien een dakluik kan worden geopend binnen de verticale projectie van de veiligheidszone kan de test op verzoek van de fabrikant, onder zijn verantwoordelijkheid en volgens zijn aanwijzingen worden verricht hetzij:

met het dakluik in de gesloten-vergrendelde positie, of

met het dakluik in de open positie, of

nadat het dakluik is verwijderd;

in ieder geval moet aan de voorschriften van punt 3.3 worden voldaan en moet een beschrijving van de testomstandigheden in het testrapport worden opgenomen.

Hierna wordt alleen verwezen naar het testen van de beschermingsvoorziening. Daaronder worden ook alle niet-verwijderbare afdekkingen begrepen.

Van alle verwijderbare afdekkingen die worden meegeleverd, moet een beschrijving in de specificaties worden opgenomen. Al het glas of vergelijkbaar broos materiaal wordt vóór de test verwijderd. Onderdelen van de trekker en van de beschermingsvoorziening die onnodige schade kunnen oplopen tijdens de test en die niet van invloed zijn op de sterkte of de afmetingen van de beschermingsvoorziening, mogen voor de test verwijderd worden indien de fabrikant dit wenst. Tijdens de test mogen geen reparaties of verstellingen worden uitgevoerd. Indien er meerdere valtests moeten worden uitgevoerd, kan de fabrikant meerdere identieke monsters aanleveren.”;

c)

vóór tabel 10.2 wordt het volgende punt 3.6.2.8 ingevoegd:

„3.6.2.8.

Als alternatief kan naleving van deze voorschriften worden gecontroleerd door een botsing met het testobject indien alle structurele delen een temperatuur van – 18 °C of lager hebben.”;

d)

de titel van figuur 10.3 wordt vervangen door:

Figuur 10.3

Minimale testconfiguratie van de FOPS

Beschermingsvoorziening is op de normale montagepunten stevig aan de testbank bevestigd”.

2.

In de toelichting bij bijlage XI wordt noot (1) vervangen door:

„(1)

Tenzij anders aangegeven zijn de tekst van de voorschriften en de nummering in deel C gelijk aan de tekst en de nummering van de OESO-standaardcode voor het officieel testen van voorzieningen ter bescherming tegen vallende voorwerpen op landbouw- en bosbouwtrekkers, OESO-standaardcode 10, uitgave 2017 van februari 2017.”.

BIJLAGE V

Bijlage XIV bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1322/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Aanhangsel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de tabel worden de rijen voor PS nrs. 1 en 2 vervangen door:

„PS nr.

a

10– 4 m

t

s

1

0 089

 

2

0 215”.

 

b)

in de tabel worden de rijen voor PS nrs. 699 en 700 vervangen door:

„PS nr.

a

10– 4 m

t

s

699

0 023

 

700

0 000

28·0”.

2.

Aanhangsel 4a wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de tabel worden de rijen voor PS nrs. 1 en 2 vervangen door:

„PS nr.

a

10– 4 m

t

s

1

0 022

 

2

0 089”.

 

b)

in de tabel wordt de rij voor PS nr. 699 vervangen door:

„PS nr.

a

10– 4 m

t

s

699

0 062”.

 


6.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/35


VERORDENING (EU) 2018/831 VAN DE COMMISSIE

van 5 juni 2018

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 10/2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (1), en met name artikel 5, lid 1, onder a), d), e), h), en i), artikel 11, lid 3, en artikel 12, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie (2) bevat een EU-lijst van toegelaten stoffen die in materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen, mogen worden gebruikt.

(2)

Sinds de laatste wijziging van Verordening (EU) nr. 10/2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) nadere wetenschappelijke adviezen gepubliceerd over bepaalde stoffen die mogen worden gebruikt in materialen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen („food contact materials”; FCM) en over het toegestane gebruik van reeds toegelaten stoffen. Om ervoor te zorgen dat Verordening (EU) nr. 10/2011 overeenkomt met de recentste bevindingen van de EFSA, moet die verordening worden gewijzigd.

(3)

De EFSA heeft adviezen uitgebracht waarin zij perchloraatverontreiniging in levensmiddelen en menselijke blootstelling aan perchloraat via de voeding opnieuw beoordeelt (3) (4). De stof perchloorzuur, zouten (perchloraat) (FCM-stofnr. 822) is opgenomen als additief of polymerisatiehulpmiddel in tabel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 10/2011. Op basis van de aangenomen blootstelling aan materialen die met levensmiddelen in contact komen via conventionele voeding, ervan uitgaand dat een persoon met een lichaamsgewicht van 60 kg dagelijks 1 kg levensmiddelen verbruikt, geldt voor die stof een specifieke migratielimiet (SML) van 0,05 mg/kg. In de nieuwe beoordelingen van perchloraat heeft de EFSA een toelaatbare dagelijkse inname (TDI) van 0,3 μg/kg lichaamsgewicht per dag vastgesteld en heeft zij opgemerkt dat zowel de kortstondige als de langdurige blootstelling aan perchloraat van jonge bevolkingsgroepen uit alle voedselbronnen boven de TDI lag, terwijl de kortstondige en langdurige blootstelling van de volwassen bevolking op het niveau van de TDI lag. Om dit aan te pakken, moet de SML worden berekend op basis van de TDI en moet een conventionele allocatiefactor van 10 % van de TDI van materialen bestemd voor contact met levensmiddelen worden toegepast. Bijgevolg moet de SML van 0,05 mg/kg voor perchloraat worden verlaagd tot 0,002 mg/kg om ervoor te zorgen dat migratie van perchloraat uit kunststof materialen bestemd voor contact met levensmiddelen de gezondheid van de mens niet in gevaar brengt.

(4)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies (5) uitgebracht over het gebruik van de stof fosforzuur, gemengde 2,4-bis(1,1-dimethylpropyl)fenyl- en 4-(1,1-dimethylpropyl)fenyltri-esters (FCM-stofnr. 974 en CAS-nr. 939402-02-5). Deze stof is toegelaten met een specifieke migratielimiet van 5 mg/kg levensmiddel. Op basis van nieuwe specifieke gegevens is de EFSA tot de conclusie gekomen dat deze stof geen veiligheidsrisico voor de consument oplevert indien de specifieke migratielimiet ervan wordt verhoogd van 5 tot 10 mg/kg levensmiddel en de andere bestaande beperkingen in acht worden genomen. Daarom moet de migratielimiet van deze stof worden verhoogd van 5 naar 10 mg/kg, op voorwaarde dat de andere beperkingen worden behouden.

(5)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (6) over het gebruik van de stof 1,2,3,4-tetrahydronaftaleen-2,6-dicarbonzuur, dimethylester (FCM-stofnr. 1066 en CAS-nr. 23985-75-3). Volgens de conclusies van de EFSA levert deze stof geen veiligheidsrisico voor de consument op bij gebruik als comonomeer voor de vervaardiging van een polyesterlaag die bedoeld is om als binnenste laag te worden gebruikt in materialen van meerdere lagen kunststof bestemd om met levensmiddelen in contact te komen waarvoor volgens tabel 2 van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 10/2011 de levensmiddelstimulanten A, B, C en/of D1 worden gebruikt. De migratie van het totaal van de stof en de dimeren ervan (cyclische en openketen) mag niet hoger zijn dan 0,05 mg/kg levensmiddel. Dat monomeer moet daarom in de EU-lijst van toegelaten stoffen worden opgenomen met de beperking dat aan deze specificaties moet worden voldaan.

(6)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (7) over het gebruik van de stof [3-(2,3-epoxypropoxy)propyl]trimethoxysilaan (FCM-stofnr. 1068 en CAS-nr. 2530-83-8). De EFSA heeft geconcludeerd dat hoewel deze stof mogelijk genotoxisch werkt, zij geen veiligheidsrisico vormt omdat de blootstelling hieraan gering of onbestaande is bij het gebruik ervan als component van appreteermiddelen voor de bewerking van glasvezels in vezelversterkte kunststof, zoals in polyethyleentereftalaat (PET), polycarbonaat (PC), polybutyleentereftalaat (PBT), thermohardende polyesters en epoxybisfenolvinylester bestemd voor eenmalig en herhaald gebruik met langdurige opslag bij kamertemperatuur, herhaald contact op korte termijn bij verhoogde of hoge temperatuur en voor alle levensmiddelen. Omdat een aantal reactieproducten van de stof met de epoxyfunctie ook mogelijk genotoxisch werken, moeten de detecteerbare residuen van de stof en van elk van de reactieproducten in de behandelde glasvezels minder dan 10 μg/kg voor de stof en minder dan 60 μg/kg voor elk van de reactieproducten (gehydrolyseerde monomeren en epoxy bevattend cyclisch dimeer, trimeer en tetrameer) bedragen.

(7)

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 10/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 10/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Materialen en voorwerpen van kunststof die voldoen aan Verordening (EU) nr. 10/2011 zoals die van toepassing was voor de inwerkingtreding van deze verordening, mogen tot en met 26 juni 2019 in de handel worden gebracht en mogen in de handel blijven tot de voorraden zijn uitgeput.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 juni 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4.

(2)  Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen (PB L 12 van 15.1.2011, blz. 1).

(3)  EFSA Journal 2017;15(10):5043.

(4)  EFSA Journal 2014;12(10):3869.

(5)  EFSA Journal 2017;15(5):4841.

(6)  EFSA Journal 2017;15(5):4840.

(7)  EFSA Journal 2017;15(10):5014.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 10/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In punt 1 wordt tabel 1 als volgt gewijzigd:

a)

de vermeldingen met betrekking tot de FCM-stofnummers 822 en 974 worden vervangen door:

„822

71938

 

perchloorzuur, zouten

ja

neen

neen

0,002

 

 

(4)”

„974

74050

939402-02-5

fosforzuur, gemengde 2,4-bis(1,1-dimethylpropyl)fenyl- en 4-(1,1-dimethylpropyl)fenyltri-esters

ja

neen

ja

10

 

SML uitgedrukt als de som van de fosfiet- en fosfaatvorm van de stof, 4-tert-amylfenol en 2,4-di-tert-amylfenol. De migratie van 2,4-di-tert-amylfenol mag niet hoger zijn dan 1 mg/kg levensmiddel.”

 

b)

de volgende vermeldingen worden in numerieke volgorde van de FCM-stofnummers ingevoegd:

„1066

 

23985-75-3

1,2,3,4-tetrahydronaftaleen-2,6-dicarbonzuur, dimethylester

neen

ja

neen

0,05

 

Alleen voor gebruik als comonomeer voor de vervaardiging van een polyesterlaag die niet in contact komt met levensmiddelen in een materiaal van meerdere lagen kunststof bestemd om enkel met levensmiddelen in contact te komen waarvoor volgens tabel 2 van bijlage III de levensmiddelstimulanten A, B, C en/of D1 worden gebruikt. De specifieke migratielimiet in kolom 8 verwijst naar het totaal van de stof en de dimeren ervan (cyclische en openketen).

 

1068

 

2530-83-8

[3-(2,3-epoxypropoxy)propyl]trimethoxysilaan

ja

neen

neen

 

 

Alleen voor gebruik als component van een appreteermiddel voor de bewerking van glasvezels in kunststoffen met geringe diffusie (polyethyleentereftalaat (PET), polycarbonaat (PC), polybutyleentereftalaat (PBT), thermohardende polyesters en epoxybisfenolvinylester), bestemd om met alle levensmiddelen in contact te komen.

In behandelde glasvezels mogen residuen van de stof niet detecteerbaar zijn bij 0,01 mg/kg voor de stof en 0,06 mg/kg voor elk van de reactieproducten (gehydrolyseerde monomeren en epoxy bevattend cyclisch dimeer, trimeer en tetrameer).”

 


6.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/38


VERORDENING (EU) 2018/832 VAN DE COMMISSIE

van 5 juni 2018

tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor cyantraniliprole, cymoxanil, deltamethrin, difenoconazool, fenamidone, flubendiamide, fluopicolide, folpet, fosetyl, mandestrobine, mepiquat, metazachloor, propamocarb, propargite, pyrimethanil, sulfoxaflor en trifloxystrobin in of op bepaalde producten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 14, lid 1, onder a), en artikel 18, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor cyantraniliprole, cymoxanil, deltamethrin, fenamidone, folpet, mandestrobine, mepiquat, metazachloor, propamocarb, pyrimethanil, sulfoxaflor en trifloxystrobin zijn maximumresidugehalten (MRL's) vastgesteld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005. Voor difenoconazool, flubendiamide, fluopicolide en fosetyl zijn MRL's vastgesteld in bijlage III, deel A, bij die verordening. Voor propargite zijn MRL's vastgesteld in bijlage V bij die verordening.

(2)

Op 11 juli 2015 heeft de Commissie van de Codex Alimentarius Codex-grenswaarden (CXL's) vastgesteld voor fenamidone (2).

(3)

Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (3) wordt, indien er internationale normen bestaan of op korte termijn tot stand zullen komen, hiermee bij de ontwikkeling en aanpassing van de levensmiddelenwetgeving rekening gehouden, tenzij die normen of de betrokken gedeelten ervan een ondoeltreffend of ongeschikt middel zouden zijn om de legitieme doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving te verwezenlijken, er wetenschappelijke gronden zijn om deze buiten beschouwing te laten of bedoelde normen tot een ander beschermingsniveau zouden leiden dan het niveau dat in de Unie passend wordt geacht. Overeenkomstig artikel 13, onder e), van die verordening zal de Unie bovendien de overeenstemming tussen internationale technische normen en levensmiddelenwetgeving bevorderen, waarbij zij erop toeziet dat aan het in de Unie vastgestelde hoge beschermingsniveau geen afbreuk wordt gedaan.

(4)

De Unie heeft bij het Codex-comité voor bestrijdingsmiddelenresiduen een voorbehoud gemaakt met betrekking tot de CXL's die zijn voorgesteld voor de volgende combinaties van bestrijdingsmiddelen en producten: fenamidone (bloemkoolachtigen; andere vruchtgroenten dan Cucurbitaceae).

(5)

Daarom moeten de CXL's voor fenamidone die niet in overweging 4 worden vermeld, als MRL's worden opgenomen in Verordening (EG) nr. 396/2005, behalve wanneer zij bij producten horen die niet zijn opgenomen in bijlage I bij die verordening of wanneer zij op een lager niveau zijn vastgesteld dan de huidige MRL's. Die CXL's zijn veilig voor de consumenten in de Unie (4).

(6)

In de context van een procedure voor de verlening van een vergunning voor het gebruik op bonen zonder peul van een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof cymoxanil bevat, is overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 396/2005 een aanvraag tot wijziging van de bestaande MRL's ingediend.

(7)

Wat deltamethrin betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor boerenkool. Wat difenoconazool betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor „overige bloemkoolachtigen”, spruitjes, andijvie, rucola, „spinazie en dergelijke bladgroente”, witlof/witloof en rabarber. Wat fluopicolide betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor snijbiet. Wat folpet betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor appelen en peren. Wat fosetyl betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor pitvruchten, perziken en aardappelen. Wat mandestrobine betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor abrikozen, kersen, perziken en pruimen. Wat metazachloor betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor Chinese kool. Wat propamocarb betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor snijbiet. Wat pyrimethanil betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor Cucurbitaceae met eetbare schil. Wat sulfoxaflor betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor druivenbladeren en artisjokken. Wat trifloxystrobin betreft, is een dergelijke aanvraag ingediend voor „ander kleinfruit en besvruchten”, slasoorten, postelein, bonen zonder peul, erwten en peulvruchten.

(8)

Overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Verordening (EG) nr. 396/2005 zijn aanvragen ingediend voor flubendiamide, dat in de Verenigde Staten op abrikozen, perziken, pruimen en sojabonen wordt gebruikt, voor dinatriumfosfonaat, dat in de Verenigde Staten voor noten (met uitzondering van kokosnoten) wordt gebruikt, en voor propargite, dat in Brazilië op sinaasappelen en in India op thee wordt gebruikt. De aanvragers voeren aan dat het toegestane gebruik van die stoffen op dergelijke gewassen in de respectieve landen van uitvoer leidt tot residugehalten die de MRL's in Verordening (EG) nr. 396/2005 overschrijden en dat hogere MRL's nodig zijn om handelsbelemmeringen voor de invoer van die gewassen te vermijden.

(9)

Overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5) heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie op 8 augustus 2017 meegedeeld dat het toestemming heeft gegeven voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof cyantraniliprole bevat, voor gebruik op bramen/braambessen en frambozen, als gevolg van een onverwachte uitbraak van Drosophila suzukii. Op 13 september 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie er overeenkomstig artikel 53 van in kennis gesteld dat het een vergunning heeft verleend voor een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof cyantraniliprole bevat voor gebruik op preien als gevolg van een onverwachte uitbraak van Thrips tabaci, Frankliniella occidentalis, Delia antiqua en Phytomyza gymnostoma. Het verlenen van dergelijke vergunningen leek een noodzakelijke maatregel, aangezien de uitbraak van die plaagorganismen een gevaar vormde dat op geen enkele andere redelijke manier kon worden tegengegaan. Het Verenigd Koninkrijk heeft die vergunningen overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 396/2005 meegedeeld aan de andere lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en heeft aanvragen ingediend met het oog op de vaststelling van tijdelijke MRL's voor die gewassen.

(10)

Overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 heeft Griekenland de Commissie op 19 september 2017 meegedeeld dat het een vergunning heeft verleend voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof mepiquat bevat, voor gebruik op katoen, als een middel om de plantengroei te regelen. Het verlenen van een dergelijke vergunning leek een noodzakelijke maatregel om opbrengstverliezen te voorkomen. Griekenland heeft die vergunning overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 396/2005 meegedeeld aan de andere lidstaten, de Commissie en de EFSA en heeft een aanvraag ingediend met het oog op de vaststelling van een tijdelijk MRL voor katoenzaad.

(11)

Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 396/2005 zijn die aanvragen door de betrokken lidstaten geëvalueerd en zijn de evaluatieverslagen bij de Commissie ingediend.

(12)

De EFSA heeft de aanvragen en de evaluatieverslagen beoordeeld, waarbij zij bijzondere aandacht heeft geschonken aan de risico's voor de consument en, indien relevant, voor dieren en zij heeft met redenen omklede adviezen over de voorgestelde MRL's uitgebracht (6). De EFSA heeft die adviezen naar de aanvragers, de Commissie en de lidstaten gezonden en openbaar gemaakt.

(13)

De EFSA heeft in haar met redenen omkleed advies geconcludeerd dat, wat het gebruik van deltamethrin op boerenkool betreft, de risicobeoordeling onderhevig is aan atypische onzekerheden. Gezien de geringe bijdrage van boerenkool aan de totale blootstelling via de voeding, is het echter passend het MRL op 0,15 mg/kg vast te stellen.

(14)

Wat trifloxystrobin betreft, heeft de aanvrager de ontbrekende informatie met betrekking tot de analysemethoden voor producten van dierlijke oorsprong verstrekt en de referentiestandaard voor CGA321113 in de handel verkrijgbaar gemaakt.

(15)

Wat het gebruik van flubendiamide op sojabonen betreft, is het huidige MRL in het land van uitvoer op 0,25 mg/kg vastgesteld. Omdat het hoogst gemeten residugehalte in onder toezicht verrichte veldproeven iets boven die waarde ligt, is het passend om het MRL op de afgeronde waarde van 0,3 mg/kg vast te stellen.

(16)

Wat het gebruik van cyantraniliprole op bramen/braambessen, frambozen en preien betreft, moeten de tijdelijke MRL's tot en met 30 juni 2021 geldig zijn.

(17)

Wat het gebruik van mepiquat op katoen betreft, moet het tijdelijke MRL voor katoenzaad tot en met 30 juni 2021 geldig zijn.

(18)

Wat alle andere toepassingen betreft, heeft de EFSA geconcludeerd dat aan alle eisen met betrekking tot de gegevens was voldaan en dat de door de aanvragers gevraagde wijzigingen van de MRL's op grond van een consumentenblootstellingsbeoordeling voor 27 specifieke Europese consumentengroepen uit het oogpunt van de consumentenveiligheid aanvaardbaar waren. De EFSA heeft rekening gehouden met de meest recente informatie over de toxicologische eigenschappen van de stoffen. Noch uit de gegevens over de levenslange blootstelling aan deze stoffen via de consumptie van alle levensmiddelen die deze stoffen kunnen bevatten, noch uit de gegevens over de blootstelling op korte termijn door hoge consumptie van de desbetreffende producten is gebleken dat er een risico bestaat dat de aanvaardbare dagelijkse inname of de acute referentiedosis wordt overschreden.

(19)

Op grond van de met redenen omklede adviezen van de EFSA en rekening houdend met de ter zake relevante factoren voldoen de wijzigingen van de MRL's aan de vereisten van artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 396/2005.

(20)

Verordening (EG) nr. 396/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(21)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 juni 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.

(2)  ftp://ftp.fao.org/codex/reports/reports_2015/REP15_PRe.pdf

Gezamenlijk FAO/WHO-voedselnormenprogramma, Commissie van de Codex Alimentarius. Aanhangsels III en IV. Achtendertigste zitting. Genève, Zwitserland, 6-11 juli 2015.

(3)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(4)  Scientific support for preparing a EU position for the 46th Session of the Codex Committee on Pesticide Residues (CCPR). EFSA Journal 2014;12(7):3737 (182 blz.).

(5)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(6)  Wetenschappelijke verslagen van de EFSA, online beschikbaar op: http://www.efsa.europa.eu:

 

Reasoned opinion on the setting of maximum residue levels for cyantraniliprole in raspberries and blackberries. EFSA Journal 2017;15(11):5061 (24 blz.).

 

Reasoned opinion on the setting of maximum residue levels for cyantraniliprole in leeks. EFSA Journal 2018;16(1):5124 (24 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue level for cymoxanil in beans without pods. EFSA Journal 2017;15(11):5066 (19 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue level for deltamethrin in kale. EFSA Journal 2018;16(1):4683 (28 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for difenoconazole in various crops. EFSA Journal 2018;16(1):5143 (28 blz.).

 

Reasoned opinion on the setting of import tolerances for flubendiamide in apricots, peaches, nectarines, plums and soya beans. EFSA Journal 2018;16(1):5128 (31 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue level for fluopicolide in chards. EFSA Journal 2018;16(1):5135 (21 blz.).

 

Reasoned opinion on the Modification of the existing maximum residue levels for folpet in apples and pears. EFSA Journal 2017;15(10):5041 (21 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for fosetyl-Al in tree nuts, pome fruit, peach and potato. EFSA Journal 2018;16(2):5161 (36 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for mandestrobin in apricots, cherries, peaches/nectarines and plums. EFSA Journal 2018;16(1):5148 (22 blz.).

 

Reasoned opinion on the setting of maximum residue levels for mepiquat chloride in cotton. EFSA Journal 2018;16(2):5162 (25 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue level for metazachlor in Chinese cabbage. EFSA Journal 2018;16(1):5127 (20 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue level for propamocarb in chards/beet leaves. EFSA Journal 2017;15(11):5055 (22 blz.).

 

Reasoned opinion on the setting of import tolerances for propargite in citrus fruits and tea. EFSA Journal 2018;16(2):5193 (25 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue level for pyrimethanil in cucurbits with edible peel. EFSA Journal 2018;16(2):5145 (20 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for sulfoxaflor in grape leaves and similar species, and globe artichokes. EFSA Journal 2017;15(11):5070 (23 blz.).

 

Reasoned opinion on the modification of the existing maximum residue levels for trifloxystrobin in various crops. EFSA Journal 2018;16(1):5154 (33 blz.).


BIJLAGE

De bijlagen II, III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

de kolommen voor cyantraniliprole, cymoxanil, deltamethrin, fenamidone, folpet, mandestrobine, mepiquat, metazachloor, propamocarb, pyrimethanil, sulfoxaflor en trifloxystrobin worden vervangen door:

Bestrijdingsmiddelenresiduen en maximumresidugehalten (mg/kg)

Code-nummer

Groepen en voorbeelden van afzonderlijke producten waarvoor de MRL's gelden (1)

Cyantraniliprole

Cymoxanil

Deltamethrin (cis-deltamethrin) (F)

Fenamidone

Folpet (som van folpet en ftaalimide, uitgedrukt als folpet) (R)

Mandestrobine

Mepiquat (som van mepiquat en zouten daarvan, uitgedrukt als mepiquat-chloride)

Metazachloor (som van de metabolieten 479M04, 479M08, 479M16, uitgedrukt als metazachloor) (R)

Propamocarb (som van propamocarb en zouten daarvan, uitgedrukt als propamocarb) (R)

Pyrimethanil (R)

Sulfoxaflor (som van de isomeren)

Trifloxystrobin (F) (R)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

(9)

(10)

(11)

(12)

(13)

(14)

0100000

FRUIT, VERS of BEVROREN; NOTEN

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

 

 

 

0110000

Citrusvruchten

0,9

0,01 (*1)

0,04 (+)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

0,01 (*1)

0,02 (*1)

 

 

8

 

0,5

0110010

Grapefruits/pompelmoezen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,15

 

0110020

Sinaasappelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,8

 

0110030

Citroenen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,4

 

0110040

Limoenen/lemmetjes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0110050

Mandarijnen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,8

 

0110990

Overige (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0120000

Noten

0,04

0,01 (*1)

0,02 (*1) (+)

0,01 (*1)

0,07 (*1)

0,01 (*1)

0,05 (*1)

 

 

 

0,02 (*1)

0,02

0120010

Amandelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,2

 

 

0120020

Paranoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120030

Cashewnoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120040

Kastanjes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120050

Kokosnoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120060

Hazelnoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120070

Macadamianoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120080

Pecannoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120090

Pijnboompitten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120100

Pistaches

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,2

 

 

0120110

Walnoten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0120990

Overige (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

0130000

Pitvruchten

0,8

0,01 (*1)

(+)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0,02 (*1)

 

 

15

 

0,7

0130010

Appelen

 

 

0,2

 

0,3

 

 

 

 

 

0,4

 

0130020

Peren

 

 

0,1

 

0,3

 

 

 

 

 

0,4

 

0130030

Kweeperen

 

 

0,1

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

0,3

 

0130040

Mispels

 

 

0,1

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

0,3

 

0130050

Loquats/Japanse mispels

 

 

0,1

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

0,3

 

0130990

Overige (2)

 

 

0,1

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

0,3

 

0140000

Steenvruchten

 

0,01 (*1)

(+)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

 

 

 

 

3

0140010

Abrikozen

0,01 (*1)

 

0,15

 

 

2

 

 

 

10

0,5

 

0140020

Kersen (zoet)

6

 

0,1

 

 

3

 

 

 

4

1,5

 

0140030

Perziken

1,5

 

0,15

 

 

2

 

 

 

10

0,5

 

0140040

Pruimen

0,7

 

0,07

 

 

0,5

 

 

 

2

0,5

 

0140990

Overige (2)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0150000

Besvruchten en kleinfruit

 

 

(+)

 

 

0,01 (*1)

0,02 (*1)

 

 

 

 

 

0151000

a)

druiven

1,5

0,3 (+)

0,2

0,6

 

 

 

 

 

5

2

3

0151010

Tafeldruiven

 

 

 

 

6

 

 

 

 

 

 

 

0151020

Wijndruiven

 

 

 

 

20

 

 

 

 

 

 

 

0152000

b)

aardbeien

0,5

0,01 (*1)

0,2

0,04

5 (+)

 

 

 

 

5

0,5

1

0153000

c)

rubussoorten

 

0,01 (*1)

0,1

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

3

0153010

Bramen/braambessen

0,9 (+)

 

 

 

 

 

 

 

 

15

 

 

0153020

Dauwbramen

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

 

0153030

Frambozen (geel en rood)

0,9 (+)

 

 

 

 

 

 

 

 

15

 

 

0153990

Overige (2)

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

 

0154000

d)

ander kleinfruit en besvruchten

 

0,01 (*1)

0,6

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

 

3

0154010

Blauwe bessen

4

 

 

 

 

 

 

 

 

8

0,01 (*1)

 

0154020

Veenbessen

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

 

0154030

Aalbessen (rood, wit en zwart)

4

 

 

 

 

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

 

0154040

Kruisbessen (geel, groen en rood)

4

 

 

 

 

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

 

0154050

Rozenbottels

4

 

 

 

 

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

 

0154060

Moerbeien (wit en zwart)

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

 

0154070

Azaroles/Middellandse Zeemispels

0,8

 

 

 

 

 

 

 

 

15

0,3

 

0154080

Vlierbessen

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

 

0154990

Overige (2)

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

 

0160000

Diverse vruchten met

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0,02 (*1)

 

 

 

 

 

0161000

a)

eetbare schil

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0161010

Dadels

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0161020

Vijgen

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0161030

Tafelolijven

1,5

 

1 (+)

 

0,15 (*1) (+)

 

 

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,3

0161040

Kumquats

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0161050

Carambola's

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0161060

Kaki's/Japanse persimoenen

0,8

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

15

0,3

0,01 (*1)

0161070

Jambolans/djamblangs

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0161990

Overige (2)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0162000

b)

niet-eetbare schil, klein

0,01 (*1)

 

 

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0162010

Kiwi's (geel, groen, rood)

 

 

0,15 (+)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0162020

Lychees

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0162030

Passievruchten/maracuja's

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

4 (+)

0162040

Woestijnvijgen/cactusvruchten

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0162050

Sterappelen

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0162060

Noord-Amerikaanse persimoenen

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0162990

Overige (2)

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0163000

c)

niet-eetbare schil, groot

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0163010

Avocado's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163020

Bananen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,1

 

0,05

0163030

Mango's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163040

Papaja's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,6

0163050

Granaatappels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163060

Cherimoya's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163070

Guaves

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163080

Ananassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163090

Broodvruchten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163100

Doerians

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163110

Zuurzakken/doerian blanda

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0163990

Overige (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0200000

GROENTEN, VERS of BEVROREN

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

0210000

Wortel- en knolgewassen

0,05

0,01 (*1)

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

 

 

 

 

0211000

a)

aardappelen

 

 

0,3 (+)

0,02  (*1)

0,06 (*1) (+)

 

 

0,02 (*1)

0,3

0,05 (*1)

0,03

0,02

0212000

b)

tropische wortel- en knolgewassen

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,01 (*1)

0212010

Cassave/maniok

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0212020

Bataten (zoete aardappelen)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0212030

Yams

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0212040

Arrowroot/pijlwortel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0212990

Overige (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0213000

c)

andere wortel- en knolgewassen, behalve suikerbiet

 

 

0,02 (*1) (+)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0213010

Rode bieten

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,02

0213020

Wortels

 

 

 

0,2

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

1

0,05

0,1

0213030

Knolselderij

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,09

0,01 (*1)

0,03

0,03

0213040

Mierikswortels

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,15 (+)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,08

0213050

Aardperen/topinamboers

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,01 (*1)

0213060

Pastinaken

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,04

0213070

Wortelpeterselie

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,08

0213080

Radijzen

 

 

 

0,15

0,04 (*1) (+)

 

 

0,4 (+)

3

0,01 (*1)

0,03

0,08

0213090

Schorseneren

 

 

 

0,15

0,04 (*1) (+)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,04

0213100

Koolrapen

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,15 (+)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,04

0213110

Rapen

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,15 (+)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,04

0213990

Overige (2)

 

 

 

0,15

0,03 (*1)

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03

0,01 (*1)

0220000

Bolgewassen

 

0,01 (*1)

(+)

 

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

 

 

 

 

 

0220010

Knoflook

0,05

 

0,06

0,2

 

 

 

0,06 (*1)

2

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0220020

Uien

0,05

 

0,06

0,2

 

 

 

0,02 (*1)

2

0,2

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0220030

Sjalotten

0,05

 

0,06

0,2

 

 

 

0,02 (*1)

2

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0220040

Bosuien/groene uien en stengeluien

8

 

0,3

3

 

 

 

0,02 (*1)

30

3

0,7

0,1

0220990

Overige (2)

0,05

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0230000

Vruchtgroenten

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

0,02 (*1)

 

 

 

 

0231000

a)

Solanaceae en Malvaceae

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0231010

Tomaten

1

0,4

0,07 (+)

1

5 (+)

 

 

 

4

1

0,3

0,7

0231020

Paprika's

1,5

0,01 (*1)

0,2 (+)

1 (+)

0,03 (*1)

 

 

 

3

2

0,4

0,4 (+)

0231030

Aubergines

1

0,3

0,4 (+)

1

0,03 (*1)

 

 

 

4

1

0,3

0,7

0231040

Okra's, okers

1,5

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0231990

Overige (2)

1,5

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0232000

b)

Cucurbitaceae met eetbare schil

0,4

0,08

0,2 (+)

0,2

0,03 (*1)

 

 

 

5

0,8

0,5

0,3

0232010

Komkommers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(+)

0232020

Augurken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(+)

0232030

Courgettes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0232990

Overige (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0233000

c)

Cucurbitaceae met niet-eetbare schil

0,3

0,4

(+)

0,2

 

 

 

 

5

0,01 (*1)

0,5

0,3

0233010

Meloenen

 

 

0,02 (*1)

 

0,4 (+)

 

 

 

 

 

 

 

0233020

Pompoenen

 

 

0,2

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

0233030

Watermeloenen

 

 

0,02 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

0233990

Overige (2)

 

 

0,02 (*1)

 

0,03 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

0234000

d)

suikermais

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,02 (*1) (+)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0239000

e)

andere vruchtgroenten

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0240000

Koolsoorten (met uitzondering van wortels en babyleafgewassen van Brassica)

 

0,01 (*1)

(+)

 

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

 

 

0,01 (*1)

 

 

0241000

a)

bloemkoolachtigen

2

 

0,1

 

 

 

 

0,4 (+)

 

 

 

0,5

0241010

Broccoli

 

 

 

5

 

 

 

 

3

 

3

 

0241020

Bloemkolen

 

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

10 (+)

 

0,04

 

0241990

Overige (2)

 

 

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0242000

b)

sluitkoolachtigen

2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0242010

Spruitjes

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

 

 

0,06 (*1)

2

 

0,01 (*1)

0,6

0242020

Sluitkolen

 

 

0,1

0,9

 

 

 

0,4 (+)

0,7

 

0,4

0,5

0242990

Overige (2)

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0243000

c)

bladkoolachtigen

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3 (+)

0243010

Chinese kool/petsai

 

 

0,2

55

 

 

 

0,6

20

 

2

 

0243020

Boerenkolen

 

 

0,15

0,01 (*1)

 

 

 

0,2 (+)

20

 

0,01 (*1)

 

0243990

Overige (2)

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

 

 

0,2 (+)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

0244000

d)

koolrabi's

2

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

 

 

0,3 (+)

0,3

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0250000

Bladgroenten, kruiden en eetbare bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0251000

a)

slasoorten

 

 

(+)

 

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

0,02 (*1)

 

 

 

15

0251010

Veldsla

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2

40

 

 

 

 

20 (+)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0251020

Sla

5

0,03 (+)

0,5

30

 

 

 

 

40

20

4

 

0251030

Andijvie

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,1

40

 

 

 

 

20 (+)

20

0,01 (*1)

 

0251040

Tuinkers en andere kiemen en scheuten

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2

40

 

 

 

 

20 (+)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0251050

Winterkers

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2

40

 

 

 

 

20 (+)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0251060

Raketsla/rucola

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2

40

 

 

 

 

30

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0251070

Rode amsoi

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2

40

 

 

 

 

20 (+)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0251080

Babyleafgewassen (met inbegrip van Brassica-soorten)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2

40

 

 

 

 

20 (+)

20

0,01 (*1)

 

0251990

Overige (2)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0252000

b)

spinazie en dergelijke bladgroente

0,01 (*1)

 

0,01 (*1) (+)

60

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

0,02 (*1)

40

0,01 (*1)

 

 

0252010

Spinazie

 

1 (+)

 

 

 

 

 

 

 

 

6

0,01 (*1)

0252020

Postelein

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

15

0252030

Snijbiet

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0252990

Overige (2)

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0253000

c)

druivenbladeren en bladeren van dergelijke soorten

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2 (+)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2

0,01 (*1)

0254000

d)

waterkers

0,01 (*1)

0,01 (*1)

2 (+)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0255000

e)

witlof/witloof/Brussels lof

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,02 (*1) (+)

0,01 (*1)

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

0,02 (*1)

15

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0256000

f)

kruiden en eetbare bloemen

0,02 (*1)

0,02 (*1)

2 (+)

60

0,06 (*1)

 

0,05 (*1)

0,1 (*1)

30 (+)

20

 

15 (+)

0256010

Kervel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256020

Bieslook

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256030

Bladselderij/snijselder

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1,5

 

0256040

Peterselie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256050

Salie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256060

Rozemarijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256070

Tijm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256080

Basilicum en eetbare bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256090

Laurierblad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256100

Dragon

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0256990

Overige (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0,02 (*1)

 

0260000

Peulgroenten

 

 

0,2 (+)

 

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

0,02 (*1)

 

 

0,01 (*1)

 

0260010

Bonen (met peul)

1,5

0,05 (*1)

 

0,8

 

 

 

 

0,1

3

 

1 (+)

0260020

Bonen (zonder peul)

0,3

0,05  (*1)

 

0,15

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0,09

0260030

Erwten (met peul)

2

0,15

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

3

 

1,5

0260040

Erwten (zonder peul)

0,3

0,05 (*1)

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,2

 

0,09

0260050

Linzen

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0260990

Overige (2)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

 

 

 

 

0,01 (*1)

0,01 (*1)

 

0,01 (*1)

0270000

Stengelgroenten

 

 

 

 

0,03 (*1)

 

0,02 (*1)

 

 

 

 

 

0270010

Asperges

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1) (+)

0,01 (*1)

 

 

 

0,02 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,05

0270020

Kardoenen

0,01 (*1)

0,01 (*1)

0,01 (*1)

40