|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
61e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/1 |
BESLUIT (EU) 2018/599 VAN DE RAAD
van 16 april 2018
tot wijziging van Beschikking 2003/76/EG tot vaststelling van de bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 2, eerste alinea,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal is krachtens artikel 97 van dat verdrag op 23 juli 2002 afgelopen. Alle activa en passiva van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) werden op 24 juli 2002 overgedragen aan de Unie. |
|
(2) |
In Protocol nr. 37 wordt rekening gehouden met de wens dat de financiële middelen van de EGKS worden gebruikt voor onderzoek in de sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie, en, derhalve, van het feit dat te dien einde een aantal speciale voorschriften moet worden vastgesteld. In artikel 1, lid 1, van Protocol nr. 37 wordt bepaald dat de nettowaarde van de activa en de passiva zoals deze per 23 juli 2002 in de balans van de EGKS stonden, moet worden beschouwd als vermogen dat bestemd is voor onderzoek in de sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie, onder de benaming „EGKS in vereffening”. Na afwikkeling van de liquidatie moet het vermogen de benaming „vermogen van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal” krijgen. |
|
(3) |
In Protocol nr. 37 wordt ook bepaald dat de opbrengst van dat vermogen, „Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal” genoemd, overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 37 en de op grond daarvan aangenomen besluiten uitsluitend gebruikt dient te worden voor onderzoek dat buiten het kaderprogramma voor onderzoek wordt verricht in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie. |
|
(4) |
De Raad heeft op 1 februari 2003 Beschikking 2003/76/EG (2) tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Protocol nr. 37 vastgesteld, |
|
(5) |
Gezien de uitzonderlijke daling, als gevolg van de lage rente op de kapitaalmarkten van de voorbije jaren, van de voor onderzoek in sectoren die in verband staan met de kolen- en staalindustrie bestemde ontvangsten uit de EGKS-activa in liquidatie, is het noodzakelijk de regels betreffende de annulering van vastleggingen in het kader van het onderzoeksprogramma van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal („het programma”) te herzien om bedragen die met deze annuleringen overeenkomen, beschikbaar te maken voor het programma. Voorts moeten de bedragen van annuleringen van vastleggingen die vanaf 24 juli 2002 zijn verricht, ter beschikking worden gesteld van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal. |
|
(6) |
Om dezelfde reden is het tevens noodzakelijk de regels over de in het kader van het programma ingevorderde bedragen te herzien, zodat zij overeenkomstig de relevante bepalingen inzake bestemmingsontvangsten van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (3) kunnen worden overgedragen naar het programma. |
|
(7) |
Beschikking 2003/76/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Beschikking 2003/76/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 4 worden de leden 4 en 5 vervangen door: „4. De op 31 december van een jaar niet-gebruikte ontvangsten en de op die datum uit hoofde van deze ontvangsten beschikbare kredieten, alsook de ingevorderde bedragen, worden van rechtswege naar het volgende jaar overgedragen. Deze kredieten kunnen niet naar andere posten van de begroting worden overgeschreven. 5. De met annuleringen van vastleggingen overeenkomende begrotingskredieten komen stelselmatig aan het einde van elk begrotingsjaar te vervallen. Voorzieningen voor vastleggingen die als gevolg van de annuleringen zijn vrijgegeven, worden ter beschikking gesteld van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal.”. |
|
2) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 4 bis Het bedrag van de annuleringen van de vastleggingen die sinds 24 juli 2002 op grond van artikel 4, lid 5, zijn verricht, wordt op 10 mei 2018 ter beschikking gesteld van het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal.”. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan Luxemburg, 16 april 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
R. PORODZANOV
(1) Goedkeuring van 13 maart 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Beschikking 2003/76/EG van de Raad van 1 februari 2003 tot vaststelling van de bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal (PB L 29 van 5.2.2003, blz. 22).
(3) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/3 |
BESLUIT (EU) 2018/600 VAN DE RAAD
van 10 oktober 2016
tot ondertekening, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207 in samenhang met artikel 218, lid 5,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 22 juli 2013 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met Nieuw-Zeeland met het oog op het sluiten van een overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken („de overeenkomst”). Deze onderhandelingen werden succesvol afgesloten met de parafering van de overeenkomst op 23 september 2015. |
|
(2) |
Met de overeenkomst wordt beoogd de rechtsgrondslag te creëren voor een samenwerkingskader dat tot doel heeft de veiligheid van de toeleveringsketen te garanderen en de legitieme handel te faciliteren, alsook de uitwisseling van inlichtingen mogelijk te maken met het oog op de juiste toepassing van de douanewetgeving en het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van inbreuken op de douanewetgeving. |
|
(3) |
De overeenkomst dient te worden ondertekend, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Er wordt machtiging verleend voor de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (1).
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Luxemburg, 10 oktober 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
G. MATEČNÁ
(1) De tekst van de overeenkomst wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/5 |
BESLUIT (EU) 2018/601 VAN DE RAAD
van 16 april 2018
tot sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207 in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 22 juli 2013 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met Nieuw-Zeeland met het oog op het sluiten van een overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken („de overeenkomst”). De onderhandelingen werden succesvol afgesloten met de parafering van de overeenkomst op 23 september 2015. In overeenstemming met Besluit (EU) 2018/600 van de Raad (2) is de overeenkomst op 3 juli 2017 ondertekend. |
|
(2) |
Met de overeenkomst wordt beoogd de rechtsgrondslag te creëren voor een samenwerkingskader dat tot doel heeft de veiligheid van de toeleveringsketen te garanderen en de legitieme handel te faciliteren, alsook de uitwisseling van inlichtingen mogelijk te maken met het oog op de juiste toepassing van de douanewetgeving en het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van inbreuken op de douanewetgeving. |
|
(3) |
De overeenkomst dient te worden goedgekeurd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De Overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken wordt namens de Unie goedgekeurd.
De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.
Artikel 2
De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 21, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving (3).
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Luxemburg, 16 april 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
R. PORODZANOV
(1) Goedkeuring van 13 maart 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Besluit (EU) 2018/600 van de Raad van 10 oktober 2016 tot ondertekening, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken (zie bladzijde 3 van dit Publicatieblad).
(3) De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/6 |
OVEREENKOMST
tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken
DE EUROPESE UNIE (hierna „de Unie” genoemd), en
NIEUW-ZEELAND,
hierna de „overeenkomstsluitende partijen” genoemd,
GELET OP het belang van de handelsbetrekkingen tussen Nieuw-Zeeland en de Unie en geleid door de wens om de harmonieuze ontwikkeling van deze betrekkingen te bevorderen in het belang van beide overeenkomstsluitende partijen;
ERKENNENDE dat te dien einde een verbintenis moet worden aangegaan om de samenwerking op het gebied van douane te ontwikkelen;
REKENING HOUDENDE MET de ontwikkeling van de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen op het gebied van douane wat douaneprocedures betreft;
OVERWEGENDE dat handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving, schadelijk zijn voor de economische, fiscale en commerciële belangen van beide overeenkomstsluitende partijen, en erkennende het belang van de juiste vaststelling van douanerechten en andere belastingen;
ERVAN OVERTUIGD dat het optreden tegen dergelijke handelingen doeltreffender kan worden door samenwerking tussen hun douaneautoriteiten;
ZICH BEWUST VAN de belangrijke rol van de douaneautoriteiten bij en van het belang van douaneprocedures voor de bevordering van handelsfacilitatie en de bescherming van de burger;
ERNAAR STREVENDE een kader voor nauwere samenwerking te scheppen met het oog op verdere vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures en bevordering van Gemeenschappelijk Optreden bij relevante internationale initiatieven, met inbegrip van handelsfacilitatie en betere beveiliging van de toeleveringsketen;
ZICH BEWUST VAN het belang van de onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) tot stand gekomen overeenkomst inzake handelsfacilitatie en benadrukkende dat het belangrijk is dat deze overeenkomst wordt goedgekeurd en daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd;
VOORTBOUWENDE op de hoekstenen van het Safe Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade (hierna „het Safe-Framework” genoemd) van de Werelddouaneorganisatie (WDO);
GELET OP de hoge waarde die beide overeenkomstsluitende partijen hechten aan douanemaatregelen en samenwerking in de strijd tegen inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten;
GELET OP de verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen die door de overeenkomstsluitende partijen reeds zijn aanvaard of op hen van toepassing zijn, en op de activiteiten op douanegebied van de WTO; en
GELET OP de relevante instrumenten van de WDO, met name de Aanbeveling inzake wederzijdse administratieve bijstand van 5 december 1953,
ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:
TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Begripsomschrijvingen
1. Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a) „douanewetgeving”: de wet- en regelgeving van de Unie of Nieuw-Zeeland die betrekking heeft op de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder enige andere douaneregeling of -procedure, met inbegrip van verboden, beperkingen en controlemaatregelen, en die wordt uitgevoerd, toegepast of gehandhaafd door de douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen op hun respectieve grondgebied;
b) „wet- en regelgeving van de overeenkomstsluitende partij”, „wet- en regelgeving van die overeenkomstsluitende partij” en „wet- en regelgeving van elke overeenkomstsluitende partij”: al naar de context vereist, de wet- en regelgeving die in de omstandigheden van toepassing is in de Unie dan wel de wet- en regelgeving die van toepassing is in Nieuw-Zeeland;
c) „douaneautoriteit”: in de Unie, de voor douanezaken bevoegde diensten van de Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Unie, en in Nieuw-Zeeland, de New Zealand Customs Service;
d) „verzoekende autoriteit”: een bevoegde bestuurlijke autoriteit die hiertoe in een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die een verzoek om bijstand op grond van deze overeenkomst indient;
e) „aangezochte autoriteit”: een bevoegde bestuurlijke autoriteit die hiertoe in een overeenkomstsluitende partij is aangewezen en die een verzoek om bijstand op grond van deze overeenkomst ontvangt;
f) „persoon”: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een andere entiteit zonder rechtspersoonlijkheid die is opgericht of georganiseerd overeenkomstig de wet- en regelgeving van elke overeenkomstsluitende partij, en zich bezighoudt met de invoer, uitvoer of doorvoer van goederen;
g) „inlichtingen”: gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens, documenten, verslagen en andere mededelingen in welke vorm dan ook, met inbegrip van elektronische kopieën daarvan;
h) „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
i) „handeling in strijd met de douanewetgeving” en „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke schending of poging tot schending van de douanewetgeving.
Artikel 2
Territoriale toepassing
Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op het douanegebied van de Unie (zoals beschreven in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie) en, anderzijds, op het grondgebied van Nieuw-Zeeland (met uitzondering van Tokelau) waar de douanewetgeving van die partij van kracht is.
Artikel 3
Tenuitvoerlegging
1. Deze overeenkomst wordt ten uitvoer gelegd in overeenstemming met de wet- en regelgeving die in de omstandigheden van toepassing is in de Unie dan wel de wet- en regelgeving die van toepassing is in Nieuw-Zeeland, met inbegrip van die op het gebied van gegevensbescherming, en binnen de grenzen van de middelen waarover hun douaneautoriteiten beschikken.
2. De douaneautoriteiten van de Unie en van Nieuw-Zeeland stellen alle praktische maatregelen en regelingen vast die voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst noodzakelijk zijn.
Artikel 4
Verhouding tot andere internationale overeenkomsten
1. De bepalingen van deze overeenkomst doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van elk van de overeenkomstsluitende partijen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten waarbij zij onderscheidenlijk partij zijn.
2. Niettegenstaande lid 1 hebben de bepalingen van deze overeenkomst voorrang op die van bilaterale overeenkomsten betreffende douanesamenwerking en wederzijdse administratieve bijstand die tussen afzonderlijke lidstaten van de Unie en Nieuw-Zeeland zijn of kunnen worden gesloten, voor zover de bepalingen van die bilaterale overeenkomsten onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze overeenkomst.
3. De bepalingen van deze overeenkomst doen geen afbreuk aan de bepalingen van de Unie betreffende de uitwisseling tussen de bevoegde diensten van de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Unie van inlichtingen die krachtens deze overeenkomst zijn verkregen en van belang kunnen zijn voor de Unie.
TITEL II
DOUANESAMENWERKING
Artikel 5
Reikwijdte van de samenwerking
1. De samenwerking in het kader van deze overeenkomst ziet op alle aangelegenheden die verband houden met de toepassing van de douanewetgeving.
2. Teneinde de legitieme handel en het goederenverkeer te faciliteren, de naleving bij de bedrijven te versterken, de burgers te beschermen en de intellectuele-eigendomsrechten te handhaven, werken de douaneautoriteiten van de Unie en Nieuw-Zeeland samen met het oog op:
|
a) |
de bescherming van de legitieme handel door een doeltreffende handhaving en naleving van wettelijke vereisten; |
|
b) |
de beveiliging van de toeleveringsketen ter bevordering van het veilige vervoer van goederen tussen de Unie en Nieuw-Zeeland; |
|
c) |
de optimalisering van hun bijdrage aan de werkzaamheden van de WDO, de WTO en andere relevante internationale organisaties om douanetechnieken te verbeteren en problemen in verband met douaneprocedures, douanehandhaving en handelsfacilitatie op te lossen, onnodige obstakels voor marktdeelnemers op te heffen, faciliteiten te verlenen aan marktdeelnemers met een hoog nalevingsniveau en waarborgen te bieden tegen fraude en illegale of schadelijke activiteiten; |
|
d) |
de tenuitvoerlegging van door de respectieve overeenkomstsluitende partijen aanvaarde internationale instrumenten en normen die van toepassing zijn op het gebied van douane en handel, met inbegrip van de materiële onderdelen van de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures (herziene overeenkomst) en het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen; |
|
e) |
de tenuitvoerlegging van de WTO-overeenkomst inzake handelsfacilitatie zodra deze in werking treedt; |
|
f) |
de samenwerking bij onderzoek, ontwikkeling, toetsing en evaluatie van nieuwe douaneprocedures, opleiding en uitwisseling van personeel en verlening van bijstand; |
|
g) |
de uitwisseling van inlichtingen over de douanewetgeving en de uitvoering ervan en over douaneprocedures, met name op het gebied van vereenvoudiging en modernisering van douaneprocedures; en |
|
h) |
de ontwikkeling van gemeenschappelijke initiatieven met betrekking tot invoer, uitvoer en andere douaneregelingen alsook ten behoeve van een efficiënte dienstverlening aan het bedrijfsleven. |
Artikel 6
Veiligheid van de toeleveringsketen en risicobeheer
1. De overeenkomstsluitende partijen werken samen op het vlak van de douanegerelateerde aspecten van de beveiliging en de facilitatie van de internationale toeleveringsketen overeenkomstig het Safe-Framework. Deze samenwerking behelst met name:
|
a) |
de versterking van de douanegerelateerde aspecten van de beveiliging van de logistieke keten in de internationale handel en tegelijkertijd de facilitatie van de legitieme handel; |
|
b) |
de vaststelling, voor zover praktisch mogelijk, van minimumnormen voor risicobeheertechnieken en daarmee samenhangende vereisten en programma's; |
|
c) |
de totstandbrenging, in voorkomend geval, van wederzijdse erkenning van risicobeheertechnieken, risiconormen, veiligheidscontroles, beveiliging van de toeleveringsketen en partnerschapsprogramma's met het bedrijfsleven, daaronder begrepen gelijkwaardige maatregelen voor handelsfacilitatie; |
|
d) |
de uitwisseling van inlichtingen ten behoeve van de veiligheid van de toeleveringsketen en het risicobeheer; |
|
e) |
de vaststelling van contactpunten voor de uitwisseling van inlichtingen ten behoeve van de veiligheid van de toeleveringsketen en het risicobeheer; |
|
f) |
het opzetten, in voorkomend geval, van een interface voor de uitwisseling van inlichtingen, inclusief gegevens vóór aankomst of vóór vertrek; |
|
g) |
samenwerking in multilaterale fora waar problemen met betrekking tot de veiligheid van de toeleveringsketen en het risicobeheer op passende wijze aan de orde kunnen worden gesteld en worden besproken. |
TITEL III
WEDERZIJDSE ADMINISTRATIEVE BIJSTAND
Artikel 7
Reikwijdte van de bijstandsverlening
1. De douaneautoriteiten van de Unie en Nieuw-Zeeland verlenen elkaar bijstand bij het voorkomen, vaststellen, onderzoeken en bestrijden van inbreuken op de douanewetgeving.
2. De bijstand krachtens deze overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van elk van de overeenkomstsluitende partijen op het gebied van wederzijdse bijstand in strafzaken uit hoofde van internationale overeenkomsten of de wet- en regelgeving van elke overeenkomstsluitende partij. Deze bijstand ziet evenmin op inlichtingen die zijn verkregen op grond van bevoegdheden die zijn uitgeoefend op verzoek van een gerechtelijke autoriteit.
3. De bijstand bij de invordering van rechten, heffingen of boeten valt niet onder deze overeenkomst.
Artikel 8
Bijstand op verzoek
1. Op verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit de eerstgenoemde autoriteit alle relevante inlichtingen die deze in staat kan stellen om de juiste toepassing van de douanewetgeving te waarborgen, met inbegrip van inlichtingen over geconstateerde of voorgenomen activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen vormen.
2. Op verzoek van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit de eerstgenoemde autoriteit mee:
|
a) |
of goederen die uit een van de overeenkomstsluitende partijen zijn uitgevoerd, op regelmatige wijze in de andere overeenkomstsluitende partij zijn ingevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst; en |
|
b) |
of goederen die in een van de overeenkomstsluitende partijen zijn ingevoerd, op regelmatige wijze uit de andere overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd, onder vermelding, in voorkomend geval, van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst. |
3. Op verzoek van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, binnen het kader van de op haar toepasselijke wet- en regelgeving, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat bijzonder toezicht wordt gehouden op:
|
a) |
personen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht; |
|
b) |
plaatsen waar goederen op zodanige wijze zijn of kunnen worden opgeslagen of bijeengeplaatst dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat deze goederen bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen; |
|
c) |
goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen; en |
|
d) |
vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen. |
Artikel 9
Ongevraagde bijstand
De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar, op eigen initiatief en in overeenstemming met de wet- en regelgeving van elke overeenkomstsluitende partij, bijstand indien zij dit voor de juiste toepassing van de douanewetgeving noodzakelijk achten, met name door het verstrekken van door hen verkregen inlichtingen over:
|
a) |
activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of lijken te vormen en die van belang kunnen zijn voor de andere overeenkomstsluitende partij; |
|
b) |
nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt bij het verrichten van met de douanewetgeving strijdige handelingen; |
|
c) |
goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen; |
|
d) |
personen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij met de douanewetgeving strijdige handelingen verrichten of hebben verricht; en |
|
e) |
vervoermiddelen waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen. |
Artikel 10
Verstrekking en kennisgeving
1. Op verzoek van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, in overeenstemming met de op haar toepasselijke wet- en regelgeving, alle maatregelen die nodig zijn voor:
|
a) |
de verstrekking van documenten; of |
|
b) |
de kennisgeving van besluiten die afkomstig zijn van de verzoekende autoriteit en onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, aan een geadresseerde die in het rechtsgebied van de aangezochte autoriteit verblijft of gevestigd is. |
2. Verzoeken om de verstrekking van documenten of om de kennisgeving van beslissingen worden schriftelijk gedaan in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal.
Artikel 11
Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
1. Verzoeken krachtens deze overeenkomst worden schriftelijk gedaan. Zij gaan vergezeld van de documenten die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onverwijld schriftelijk worden bevestigd.
2. Verzoeken overeenkomstig lid 1 bevatten de volgende gegevens:
|
a) |
de naam van de verzoekende autoriteit; |
|
b) |
de gevraagde maatregel; |
|
c) |
het onderwerp en de reden van het verzoek; |
|
d) |
de relevante wet- en regelgeving; |
|
e) |
zo nauwkeurig en volledig mogelijke aanwijzingen over de personen of de goederen waarop het onderzoek betrekking heeft; en |
|
f) |
een samenvatting van de relevante feiten en de reeds verrichte onderzoeken. |
3. Verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Deze vereiste geldt niet voor documenten die bij het in lid 1 bedoelde verzoek zijn gevoegd.
4. Indien een verzoek niet aan de bovenstaande formele vereiste voldoet, kan om correctie of aanvulling worden verzocht; in afwachting daarvan kunnen conservatoire maatregelen worden genomen.
Artikel 12
Uitvoering van verzoeken
1. De aangezochte autoriteit neemt, binnen de grenzen van haar bevoegdheden en van de middelen waarover zij beschikt, verzoeken om bijstand onverwijld in behandeling alsof zij voor eigen rekening of op verzoek van een andere autoriteit van dezelfde overeenkomstsluitende partij handelt, door de reeds beschikbare informatie te verstrekken en passende onderzoeken te verrichten of te doen verrichten. Dit lid is eveneens van toepassing op iedere andere autoriteit aan wie de aangezochte autoriteit het verzoek in overeenstemming met deze overeenkomst doorzendt indien zij dit niet zelf kan afhandelen.
2. Verzoeken om bijstand worden uitgevoerd overeenkomstig de wet- en regelgeving van de overeenkomstsluitende partij die het verzoek ontvangt.
3. Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere overeenkomstsluitende partij en op de door haar gestelde voorwaarden, aanwezig zijn in de kantoren van de aangezochte autoriteit of iedere andere betrokken autoriteit in overeenstemming met lid 1, om inlichtingen te verkrijgen over activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of kunnen vormen en die de verzoekende autoriteit nodig heeft voor de toepassing van deze overeenkomst.
4. Daartoe gemachtigde ambtenaren van een overeenkomstsluitende partij kunnen, met instemming van de andere overeenkomstsluitende partij en op de door haar gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoeken die op het grondgebied van laatstgenoemde partij worden verricht.
Artikel 13
Vorm waarin inlichtingen dienen te worden verstrekt
1. De aangezochte autoriteit deelt de resultaten van onderzoeken die zijn verricht ingevolge een verzoek uit hoofde van deze overeenkomst, schriftelijk mee aan de verzoekende autoriteit, tezamen met relevante documenten, gewaarmerkte afschriften van documenten of andere stukken.
2. De inlichtingenverstrekking overeenkomstig lid 1 kan in elektronische vorm geschieden.
3. Originelen van dossiers en documenten worden uitsluitend op verzoek verstrekt, wanneer gewaarmerkte afschriften niet toereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd aan de aangezochte autoriteit.
Artikel 14
Uitzonderingen op de verplichting tot het verlenen van bijstand
1. Iedere vorm van bijstand binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst kan worden geweigerd of afhankelijk worden gesteld van bepaalde voorwaarden of eisen wanneer een overeenkomstsluitende partij van oordeel is dat de verlening van bijstand krachtens deze overeenkomst:
|
a) |
de soevereiniteit zou kunnen aantasten van Nieuw-Zeeland dan wel van een lidstaat van de Unie waarvan de bevoegde autoriteit een verzoek om bijstand krachtens deze overeenkomst heeft ontvangen; |
|
b) |
de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen; |
|
c) |
tot schending van een handelsgeheim zou leiden of schadelijk zou zijn voor rechtmatige handelsbelangen; of |
|
d) |
onverenigbaar is met de toepasselijke wet- en regelgeving, met inbegrip van maar niet beperkt tot de wet- en regelgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of de financiële aangelegenheden en rekeningen van natuurlijke personen. |
2. De aangezochte autoriteit kan het verlenen van bijstand uitstellen indien dit een lopend onderzoek of een lopende vervolging of procedure zou doorkruisen. In een dergelijk geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.
3. Wanneer de verzoekende autoriteit om bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. Het staat de aangezochte autoriteit vrij te beslissen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.
4. In de in lid 1 en lid 2 bedoelde gevallen worden de beslissing van de aangezochte autoriteit en de redenen die daaraan ten grondslag liggen, onverwijld aan de verzoekende autoriteit meegedeeld.
Artikel 15
Deskundigen en getuigen
Een ambtenaar van een aangezochte autoriteit kan worden gemachtigd om in verband met de onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden op te treden als deskundige of getuige, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, voor een autoriteit in de andere overeenkomstsluitende partij en de daartoe noodzakelijke voorwerpen, documenten, vertrouwelijke stukken of gewaarmerkte afschriften daarvan voor te leggen. In de convocatie wordt uitdrukkelijk vermeld voor welke autoriteit de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden gehoord.
Artikel 16
Kosten van de bijstand
De overeenkomstsluitende partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die voor de uitvoering van deze overeenkomst zijn gemaakt, met uitzondering van, in voorkomend geval, uitgaven die verschuldigd zijn voor het optreden als deskundige of getuige overeenkomstig artikel 15 en uitgaven die verschuldigd zijn voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.
TITEL IV
UITWISSELING VAN INLICHTINGEN
Artikel 17
Geheimhouding en bescherming van inlichtingen
1. Alle inlichtingen die uit hoofde van deze overeenkomst worden verstrekt, in welke vorm dan ook, worden behandeld als vertrouwelijk dan wel als inlichtingen die zijn bestemd voor beperkte verspreiding, afhankelijk van de toepasselijke regels in elk van de overeenkomstsluitende partijen.
2. Uit hoofde van deze overeenkomst verkregen inlichtingen mogen door een overeenkomstsluitende partij uitsluitend worden gebruikt of openbaar worden gemaakt voor de doeleinden van deze overeenkomst, of na voorafgaande schriftelijke toestemming van de verstrekkende overeenkomstsluitende partij en met inachtneming van de voorbehouden en beperkingen die de verstrekkende overeenkomstsluitende partij kan verlangen. Wanneer een overeenkomstsluitende partij evenwel op grond van de wet- en regelgeving van die overeenkomstsluitende partij uit hoofde van deze overeenkomst verkregen inlichtingen openbaar dient te maken, stelt zij de verstrekkende overeenkomstsluitende partij in kennis van een dergelijke openbaarmaking, voor zover mogelijk daaraan voorafgaand.
3. Behoudens vereisten die van toepassing zijn op een overeenkomstsluitende partij op grond van de wet- en regelgeving van die overeenkomstsluitende partij, of uitdrukkelijke voorwaarden, voorbehouden, beperkingen of behandelingsinstructies die een hogere mate van bescherming voorschrijven, krijgen alle uit hoofde van deze overeenkomst verstrekte inlichtingen hetzelfde of een hoger niveau van beveiliging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer als het niveau dat wordt aangegeven door de veiligheidsrubricering of andere voorbehouden ten aanzien van de behandeling die de inlichtingen van de aangezochte autoriteit vergezellen.
4. Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden uitgewisseld indien de overeenkomstsluitende partij die deze mogelijkerwijze ontvangt, zich ertoe verbindt deze gegevens te beschermen op een wijze die passend wordt geacht door de overeenkomstsluitende partij die dergelijke persoonsgegevens mogelijkerwijze verstrekt.
5. Elke overeenkomstsluitende partij beperkt de toegang tot krachtens deze overeenkomst ontvangen inlichtingen tot de personen die kennis moeten hebben van de inhoud ervan.
6. Elke overeenkomstsluitende partij beperkt de toegang tot krachtens deze overeenkomst ontvangen inlichtingen, slaat deze inlichtingen op en geeft ze door met behulp van erkende beveiligingsmechanismen zoals wachtwoorden, versleuteling of andere redelijke waarborgen in overeenstemming met de veiligheidsrubricering van de inlichtingen in kwestie.
7. Elke overeenkomstsluitende partij stelt de andere partij in kennis van elk onvoorziene of onrechtmatige toegang, gebruikmaking, openbaarmaking, wijziging of verwijdering van krachtens deze overeenkomst ontvangen inlichtingen en verstrekt alle bijzonderheden over deze onvoorziene of onrechtmatige toegang, gebruikmaking, openbaarmaking, wijziging of verwijdering van de inlichtingen.
8. Wanneer krachtens deze overeenkomst ontvangen inlichtingen per ongeluk openbaar zijn gemaakt of gewijzigd, neemt elke overeenkomstsluitende partij alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om dit te herstellen of, indien zulks niet mogelijk is, ervoor te zorgen dat de gewijzigde of openbaar gemaakte inlichtingen worden vernietigd.
9. Elke overeenkomstsluitende partij kan om extra beschermingsmaatregelen vragen voor zeer gevoelige inlichtingen.
10. Inlichtingen worden niet langer verwerkt en bewaard dan nodig is voor de uitvoering van deze overeenkomst en de verwerking en bewaring dienen te gebeuren in overeenstemming met de voorschriften van elke overeenkomstsluitende partij inzake privacy en het bijhouden van openbare registers. Elke overeenkomstsluitende partij draagt er zorg voor dat krachtens deze overeenkomst ontvangen inlichtingen naar behoren worden verwijderd zoals bepaald in de wet- en regelgeving van die overeenkomstsluitende partij.
11. Geen enkele bepaling van deze overeenkomst staat in de weg aan het gebruik van krachtens deze overeenkomst verkregen inlichtingen of documenten als bewijsmateriaal bij procedures of vorderingen die achteraf bij rechtbanken of tribunalen worden ingesteld ten aanzien van handelingen die strijdig zijn met de douanewetgeving. De overeenkomstsluitende partijen kunnen derhalve in hun bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en bij procedures en vorderingen die achteraf bij rechtbanken en tribunalen aanhangig worden gemaakt, gebruikmaken van krachtens deze overeenkomst verkregen inlichtingen en geraadpleegde documenten. De overeenkomstsluitende partij die deze inlichtingen heeft verstrekt of toegang tot deze documenten heeft gegeven, wordt in kennis gesteld van een dergelijk gebruik.
TITEL V
SLOTBEPALINGEN
Artikel 18
Opschriften
De opschriften van de titels en de artikelen van deze overeenkomst dienen alleen om gemakkelijker te kunnen verwijzen en zijn niet van invloed op de interpretatie van deze overeenkomst.
Artikel 19
Overleg
Alle vraagstukken of geschillen in verband met de interpretatie of de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst worden geregeld in overleg tussen de overeenkomstsluitende partijen, dat in voorkomend geval in een besluit van het in artikel 20 bedoelde Gemengd Comité douanesamenwerking wordt vastgelegd.
Artikel 20
Gemengd Comité douanesamenwerking
1. Er wordt een Gemengd Comité douanesamenwerking opgericht („het comité”), dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen. Het comité stelt in onderling overleg de plaats, datum en agenda van zijn vergaderingen vast.
2. Het comité ziet toe op de goede werking en uitvoering van deze overeenkomst en onderzoekt alle kwesties en geschillen in verband met de toepassing ervan. Daarbij zal het onder meer:
|
a) |
de voor douanesamenwerking en -bijstand vereiste maatregelen nemen, overeenkomstig de doelstellingen van deze overeenkomst, met name door:
|
|
b) |
optreden als de bevoegde instantie voor het oplossen van moeilijkheden die rijzen in verband met de tenuitvoerlegging van titel III; |
|
c) |
de bevoegdheid krijgen om besluiten te nemen voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, met inbegrip van besluiten over het doorzenden van gegevens, wederzijds overeengekomen voordelen en wederzijdse erkenning van risicobeheertechnieken, risiconormen, veiligheidscontroles en partnerschapsprogramma's met het bedrijfsleven, alsook andere maatregelen voor handelsfacilitatie; |
|
d) |
standpunten uitwisselen over onderwerpen van gemeenschappelijk belang op het gebied van douanesamenwerking, waaronder te nemen maatregelen en de daarvoor benodigde middelen; en |
|
e) |
zijn interne reglement van orde vaststellen. |
3. Het comité zet de passende werkstructuren op, waaronder werkgroepen, om zijn werkzaamheden voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst te ondersteunen.
Artikel 21
Inwerkingtreding en duur
1. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de overeenkomstsluitende partijen elkaar door middel van de uitwisseling van diplomatieke nota's meedelen dat de daartoe benodigde procedures zijn voltooid.
2. Deze overeenkomst kan met wederzijdse instemming van de overeenkomstsluitende partijen worden gewijzigd door middel van de uitwisseling van diplomatieke nota's. De wijzigingen treden op de in lid 1 beschreven wijze in werking, tenzij de overeenkomstsluitende partijen anders overeenkomen.
3. Elke overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst beëindigen door de andere partij daarvan schriftelijk in kennis te stellen. De beëindiging wordt van kracht drie maanden na de datum van de kennisgeving ervan aan de andere overeenkomstsluitende partij. Verzoeken om bijstand die vóór de beëindiging van de overeenkomst werden ontvangen, worden overeenkomstig het bepaalde in de overeenkomst afgehandeld.
Artikel 22
Authentieke teksten
Deze overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn. In geval van verschil tussen de teksten van deze overeenkomst leggen de overeenkomstsluitende partijen de kwestie voor aan het comité.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.
Съставено в Брюксел на трети юли през две хиляди и седемнадесета година.
Hecho en Bruselas, el tres de julio de dos mil diecisiete.
V Bruselu dne třetího července dva tisíce sedmnáct.
Udfærdiget i Bruxelles den tredje juli to tusind og sytten.
Geschehen zu Brüssel am dritten Juli zweitausendsiebzehn.
Kahe tuhande seitsmeteistkümnenda aasta juulikuu kolmandal päeval Brüsselis.
Έγινε στις Βρυξέλλες, στις τρεις Ιουλίου δύο χιλιάδες δεκαεπτά.
Done at Brussels on the third day of July in the year two thousand and seventeen.
Fait à Bruxelles, le trois juillet deux mille dix-sept.
Sastavljeno u Bruxellesu trećeg srpnja godine dvije tisuće sedamnaeste.
Fatto a Bruxelles, addì tre luglio duemiladiciassette.
Briselē, divi tūkstoši septiņpadsmitā gada trešajā jūlijā.
Priimta du tūkstančiai septynioliktų metų liepos trečią dieną Briuselyje.
Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenhetedik év július havának harmadik napján.
Magħmul fi Brussell, fit-tielet jum ta‘ Lulju fis-sena elfejn u sbatax.
Gedaan te Brussel, drie juli tweeduizend zeventien.
Sporządzono w Brukseli dnia trzeciego lipca roku dwa tysiące siedemnastego.
Feito em Bruxelas, em três de julho de dois mil e dezassete.
Întocmit la Bruxelles la trei iulie două mii șaptesprezece.
V Bruseli tretieho júla dvetisícsedemnásť.
V Bruslju, dne tretjega julija leta dva tisoč sedemnajst.
Tehty Brysselissä kolmantena päivänä heinäkuuta vuonna kaksituhattaseitsemäntoista.
Som skedde i Bryssel den tredje juli år tjugohundrasjutton.
За Европейския съюз
Рог la Unión Europea
Za Evropskou unii
For Den Europæiske Union
Für die Europäische Union
Euroopa Liidu nimel
Για την Ευρωπαϊκή Ένωση
For the European Union
Pour l'Union européenne
Za Europsku uniju
Per l'Unione europea
Eiropas Savienības vārdā –
Europos Sąjungos vardu
Az Európai Unió részéről
Għall-Unjoni Ewropea
Voor de Europese Unie
W imieniu Unii Europejskiej
Pela União Europeia
Pentru Uniunea Europeană
Za Európsku úniu
Za Evropsko unijo
Euroopan unionin puolesta
För Europeiska unionen
За Нова Зеландия
Por Nueva Zelanda
Za Nový Zéland
For New Zealand
Für Neuseeland
Uus-Meremaa nimel
Για τη Νέα Ζηλανδία
For New Zealand
Pour la Nouvelle-Zélande
Za Novi Zeland
Per la Nuova Zelanda
Jaunzēlandes vārdā –
Naujosios Zelandijos vardu
Új-Zéland részéről
Għal New Zealand
Voor Nieuw-Zeeland
W imieniu Nowej Zelandii
Pela Nova Zelândia
Pentru Noua Zeelandă
Za Nový Zéland
Za Novo Zelandijo
Uuden-Seelannin puolesta
För Nya Zeeland
VERORDENINGEN
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/16 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/602 VAN DE RAAD
van 19 april 2018
tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007 (1), en met name artikel 47, lid 2,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 30 augustus 2017 Verordening (EU) 2017/1509 vastgesteld. |
|
(2) |
De Democratische Volksrepubliek Korea (DVK) gaat door met de uitvoering van haar nucleaire en ballistische programma's, in strijd met haar in verscheidene resoluties van de VN-Veiligheidsraad beschreven verplichtingen. De financiering van deze programma's geschiedt ten dele aan de hand van illegale overdrachten van tegoeden en economische middelen. |
|
(3) |
Vier personen die zich bezig hebben gehouden met de overdracht van activa of middelen die financieel zouden kunnen bijdragen aan programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens, moeten worden toegevoegd aan de lijst van personen en entiteiten in bijlage XV bij Verordening (EU) 2017/1509. |
|
(4) |
Bijlage XV bij Verordening (EU) 2017/1509 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage XV bij Verordening (EU) 2017/1509 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
E. ZAHARIEVA
BIJLAGE
In bijlage XV bij Verordening (EU) 2017/1509 worden de volgende personen toegevoegd aan de lijst, onder c) „Natuurlijke personen die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 34, lid 4, onder b)”:
|
|
Naam (en eventuele aliassen) |
Identificatiegegevens |
Datum van aanwijzing |
Motivering |
|
„9. |
KIM Yong Nam (KIM Yong-Nam, KIM Young-Nam, KIM Yong-Gon) |
Geboortedatum: 2.12.1947 Geboorteplaats: Sinuju, DVK |
20.4.2018 |
KIM Yong Nam is door het panel van deskundigen aangemerkt als een functionaris van het Algemeen Verkenningsbureau, een door de Verenigde Naties aangewezen entiteit. Hij en zijn zoon KIM Su Gwang zijn door het panel van deskundigen aangemerkt als personen die structureel betrokken zijn bij bedrieglijke financiële praktijken die zouden kunnen bijdragen aan programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens. KIM Yong Nam heeft in de Unie verscheidene rekeningen-courant en spaarrekeningen geopend en was als diplomaat betrokken bij grote bankoverschrijvingen naar bankrekeningen in of buiten de Unie, waaronder rekeningen op naam van zijn zoon KIM Su Gwang en zijn schoondochter KIM Kyong Hui. |
|
10. |
DJANG Tcheul Hy |
Geboortedatum: 11.5.1950 Geboorteplaats: Kangwon |
20.4.2018 |
DJANG Tcheul Hy is samen met haar echtgenoot KIM Yong Nam, haar zoon KIM Su Gwang en haar schoondochter KIM Kyong Hui structureel betrokken bij bedrieglijke financiële praktijken die zouden kunnen bijdragen aan programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens. Zij was de titularis van verscheidene bankrekeningen in de Unie, die op haar naam waren geopend door haar zoon KIM Su Gwang. Zij was ook betrokken bij diverse bankoverschrijvingen van rekeningen van haar schoondochter KIM Kyong Hui naar bankrekeningen buiten de Unie. |
|
11. |
KIM Su Gwang (KIM Sou-Kwang, KIM Sou-Gwang, KIM Son-Kwang, KIM Su-Kwang, KIM Soukwang) |
Geboortedatum: 18.8.1976 Geboorteplaats: Pyongyang, DVK Diplomaat bij de ambassade van de DVK in Belarus |
20.4.2018 |
KIM Su Gwang is door het panel van deskundigen aangemerkt als een functionaris van het Algemeen Verkenningsbureau, een door de Verenigde Naties aangewezen entiteit. Hij en zijn vader KIM Yon Nam zijn door het panel van deskundigen aangemerkt als personen die structureel betrokken zijn bij bedrieglijke financiële praktijken die zouden kunnen bijdragen aan programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens. KIM Su Gwang heeft in verschillende lidstaten verscheidene bankrekeningen geopend, waaronder bankrekeningen op naam van familieleden. Toen hij werkzaam was als diplomaat, was hij betrokken bij verscheidene grote bankoverschrijvingen naar bankrekeningen in de Unie of naar rekeningen buiten de Unie, waaronder rekeningen van zijn echtgenote KIM Kyong Hui. |
|
12. |
KIM Kyong Hui |
Geboortedatum: 6.5.1981 Geboorteplaats: Pyongyang, DVK |
20.4.2018 |
KIM Kyong Hui is samen met haar echtgenoot KIM Su Gwang, haar schoonvader KIM Yong Nam en haar schoonmoeder DJANG Tcheul Hy structureel betrokken bij bedrieglijke financiële praktijken die zouden kunnen bijdragen aan programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens. Zij heeft verscheidene betalingen ontvangen van haar echtgenoot KIM Su Gwang en haar schoonvader KIM Yong Nam, en heeft geld overgemaakt naar rekeningen buiten de Unie op haar naam of op naam van haar schoonmoeder, DJANG Tcheul Hy.”. |
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/18 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/603 VAN DE COMMISSIE
van 12 april 2018
tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer. |
|
(3) |
Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen. |
|
(4) |
Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.
Artikel 2
Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 april 2018.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Stephen QUEST
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
BIJLAGE
|
Omschrijving |
Indeling (GN-code) |
Motivering |
|
(1) |
(2) |
(3) |
|
Een opblaasbaar kussen van kunststof (een zogenoemd „rolstoelkussen”), met afmetingen van ongeveer 40 × 40 cm, bestaande uit twee rechthoekige, onderling verbonden kamers die gevuld zijn met lucht. Elke kamer bevat een met lucht gevulde zak van kunststof die bedekt is met een dunne laag silicone. Het kussen is aan te passen aan de mate waarin de twee kamers zijn opgeblazen, waardoor de positie van de zak van kunststof in elke kamer verschuift wanneer de gebruiker op het kussen zit. Het kussen heeft een verwijderbare antisliphoes van textielstoffen waaraan aan de onderzijde twee klittenbandsluitingen zijn vastgemaakt. Het artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gebruiker drukletsels ontwikkelt. Het ontlast de zitbotten en verbetert het comfort van de gebruiker. Zie afbeeldingen (*1) |
3926 90 97 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 b) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 3926 , 3926 90 en 3926 90 97 . Indeling van het artikel onder post 9404 (artikelen voor bedden en dergelijke) is uitgesloten, omdat pneumatische kussens uitgezonderd zijn van deze post in de zin van aantekening 1, onder a), op hoofdstuk 94; pneumatische kussens van kunststof moeten daarom worden ingedeeld onder post 3926 (zie ook de GS-toelichtingen op post 9404 , laatste alinea, onder b)). Indeling onder GN-code 8714 20 00 als delen en toebehoren van invalidenwagens is eveneens uitgesloten, omdat het artikel niet identificeerbaar is als zijnde uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd voor invalidenwagens in de zin van aantekening 3 op afdeling XVII. Gezien de objectieve kenmerken ervan kan het artikel op tal van zitmeubelen en stoelen en ook op rolstoelen worden gebruikt. Het artikel is bijvoorbeeld niet ontworpen voor gebruik met een specifiek zitmeubel, omdat het geen specifieke middelen heeft waarmee het zou kunnen worden vastgemaakt, die erop wijzen dat het met een specifiek zitmeubel moet worden gebruikt. De antisliphoes en de klittenbandsluitingen kunnen aan veel verschillende soorten zitmeubelen worden vastgemaakt. Er is dus niets waaruit blijkt dat het artikel ontworpen is voor gebruik met een specifiek soort zitmeubel (zie ook de GS-toelichtingen op post 8714 , eerste alinea, onder i)). Indeling onder GN-code 8714 20 00 als delen en toebehoren van invalidenwagens is bovendien uitgesloten, omdat het artikel noch onmisbaar is voor de werking van de rolstoel, noch de rolstoel geschikt maakt voor een bijzondere werkzaamheid of er extra mogelijkheden aan geeft of geschikt maakt voor een bijzondere dienst in verband met de hoofdfunctie waardoor de persoon met een handicap kan bewegen (zie arrest van het Hof van 16 juni 2011, Unomedical, C-152/10, ECLI:EU:C:2011:402, punten 29, 30 en 36). Een rolstoel werkt zonder het kussen op dezelfde manier. Het kussen maakt de rolstoel voor de gebruiker louter comfortabeler en draaglijker. Hoewel het artikel uit verschillende bestanddelen bestaat (het kussen van kunststof en de hoes van textielstoffen), moet het artikel worden ingedeeld alsof het uit het kussen van kunststof bestaat, omdat het kussen het artikel zijn wezenlijke karakter geeft in de zin van algemene regel 3 b). Het bestanddeel van textiel is alleen bedoeld als hoes die het wezenlijke bestanddeel beschermt en op zijn plek houdt. Het artikel moet daarom, naar het materiaal waarvan het is vervaardigd, worden ingedeeld onder GN-code 3926 90 97 als „andere artikelen van kunststof”. |
(*1) De afbeeldingen zijn louter ter informatie.
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/22 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/604 VAN DE COMMISSIE
van 18 april 2018
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 wat betreft de procedureregels die de vaststelling, in de Unie, van de preferentiële oorsprong van goederen vergemakkelijken, en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 3510/80 en (EG) nr. 209/2005
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 66, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (2) bevat onder meer de procedureregels, zoals bedoeld in artikel 64, lid 1, van Verordening (EU) nr. 952/2013 (hierna „het wetboek” genoemd), om de vaststelling, in de Unie, van de preferentiële oorsprong van goederen te vergemakkelijken. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 68, lid 1, laatste zin, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 zijn momenteel onderafdelingen 2 tot en met 9 van afdeling 2 van die verordening, die betrekking hebben op de oorsprongsregels voor het stelsel van algemene preferenties (SAP) van de Unie, van overeenkomstige toepassing. Wat de registratie van exporteurs buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie betreft, zijn echter slechts enkele bepalingen van die onderafdelingen relevant. Het is daarom noodzakelijk die bepalingen te specificeren. Aangezien de door de Commissie in acht te nemen verplichting om een derde land waarmee de Unie een preferentiële regeling heeft, de adressen mee te delen van de douaneautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de verificatie van het oorsprongsdocument dat door een geregistreerde exporteur is ingevuld, hoe dan ook voortvloeit uit de bepalingen van de betrokken regeling, hoeft zulks niet meer te worden bepaald in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447. De in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 neergelegde overgangsbepaling op grond waarvan een exporteur die niet geregistreerd is, maar een toegelaten exporteur in de Unie is, voorlopig een oorsprongsdocument mag invullen, is achterhaald en moet worden geschrapt. Omwille van de vereenvoudiging en de consistentie tussen de preferentiële regelingen onderling, is het wenselijk te bepalen dat voor kleine zendingen waaraan elk handelskarakter ontbreekt, geen oorsprongsdocument hoeft te worden overgelegd, wanneer deze vrijstelling is toegestaan, maar niet rechtstreeks is vastgelegd in de preferentiële regeling. Aangezien de exporteur op andere manieren kan worden geïdentificeerd en de handtekening in de Unie niet van invloed is op de juridische status van een oorsprongsdocument, is het wenselijk te bepalen dat exporteurs niet verplicht zijn om een dergelijk document te ondertekenen wanneer dit is toegestaan, maar niet rechtstreeks is vastgelegd in de preferentiële regeling. |
|
(3) |
De in artikel 69 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 vastgelegde regels inzake de vervanging van bewijzen van preferentiële oorsprong die buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie zijn afgegeven of opgesteld, moeten in bredere zin van toepassing zijn op oorsprongsdocumenten. Daarnaast moet worden verduidelijkt in welke vorm een vervangend oorsprongsdocument mag worden afgegeven of opgesteld. |
|
(4) |
Er moeten regels worden vastgesteld die de vaststelling, in de Unie, van de preferentiële oorsprong van veredelingsproducten verkregen uit goederen met een preferentiële oorsprong vergemakkelijken. Aangezien die regels erop zijn gericht de betrokken marktdeelnemers te beschermen tegen de nadelige en onbedoelde gevolgen van de samenvoeging in het wetboek van de regeling behandeling onder douanetoezicht met de regeling actieve veredeling, moeten zij met terugwerkende kracht gelden met ingang van de datum van toepassing van het wetboek. |
|
(5) |
In artikel 80, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 moet naar een nieuwe bijlage 22-06A worden verwezen dat het aanvraagformulier bevat dat exporteurs van de lidstaten moeten gebruiken om in het REX-systeem te worden geregistreerd; bijlage 22-06 is dan voorbehouden aan de registratie van exporteurs in SAP-begunstigde landen. Bijgevolg moet die nieuwe bijlage 22-06A in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 worden ingevoegd en bijlage 22-06 bij die verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd. De artikelen 82, 83 en 86 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 moeten eveneens worden gewijzigd als gevolg van de invoering van de nieuwe bijlage 22-06A. Aangezien de exporteur op andere manieren kan worden geïdentificeerd en de handtekening in de Unie niet van invloed is op de juridische status van het document, is het wenselijk te bepalen dat exporteurs niet verplicht zijn om het in artikel 92 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 bedoelde attest van oorsprong te ondertekenen. De leden 1, 2 en 3 van dat artikel moeten van overeenkomstige toepassing zijn op door exporteurs in de Unie opgestelde attesten van oorsprong, niet alleen in het kader van bilaterale cumulatie als bedoeld in artikel 53 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (3), maar ook voor de aangifte van de oorsprong van goederen die zijn uitgevoerd naar een begunstigd land van de SAP-stelsels van Noorwegen, Zwitserland of Turkije in het kader van cumulatie met materialen van oorsprong uit de Unie. Artikel 92 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Bijlage 22-07 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 moet worden gewijzigd: er moet worden gespecificeerd welk teken de exporteur moet aangeven wanneer het attest van oorsprong betrekking heeft op producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla. De bijlage moet eveneens op een ander punt worden gewijzigd: wanneer het attest van oorsprong betrekking heeft op producten van oorsprong uit de Unie, moet de exporteur de oorsprong met het teken „EU” aangeven. |
|
(7) |
Verordening (EEG) nr. 3510/80 van de Commissie (4) is achterhaald omdat de bepalingen van die verordening zijn vervangen door de huidige bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447. Daarom moet deze omwille van de rechtszekerheid en transparantie worden ingetrokken. |
|
(8) |
Verordening (EG) nr. 209/2005 van de Commissie (5) voorziet in afwijkingen van de in Verordening (EG) nr. 1541/98 van de Raad (6) neergelegde verplichting om bewijsstukken inzake de oorsprong van textielproducten van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur over te leggen. Verordening (EG) nr. 1541/98 is ingetrokken bij Verordening (EU) nr. 955/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7). Verordening (EG) nr. 209/2005 is daarom achterhaald en moet omwille van de rechtszekerheid en transparantie worden ingetrokken. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Artikel 69 wordt vervangen door: „Artikel 69 Vervanging van oorsprongsdocumenten die buiten het kader van het SAP-stelsel van de Unie zijn afgegeven of opgesteld (Artikel 64, lid 1, van het wetboek) 1. Wanneer producten van oorsprong waarop een oorsprongsdocument betrekking heeft dat eerder is afgegeven of opgesteld voor de toepassing van een preferentiële tariefmaatregel zoals bedoeld in artikel 56, lid 2, onder d), of e), van het wetboek, met uitzondering van het SAP-stelsel van de Unie, nog niet voor het vrije verkeer zijn vrijgegeven en onder toezicht van een douanekantoor in de Unie zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke oorsprongsdocument door een of meer vervangende oorsprongsdocumenten worden vervangen om alle of een deel van deze producten naar een andere plaats in de Unie te zenden. 2. Het in lid 1 bedoelde vervangende oorsprongsdocument mag in dezelfde vorm als het oorspronkelijke oorsprongsdocument of in de vorm van een vervangend attest van oorsprong dat mutatis mutandis is opgesteld overeenkomstig artikel 101 en bijlage 22-20, worden afgegeven of opgesteld door een van de volgende personen:
Wanneer de vervanging van het oorspronkelijke oorsprongsdocument niet mogelijk is overeenkomstig de eerste alinea, mag het in lid 1 bedoelde vervangende oorsprongsdocument door het douanekantoor waar de goederen onder toezicht zijn geplaatst, worden afgegeven in de vorm van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. 3. Wanneer het vervangende oorsprongsdocument een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1. is, wordt de vermelding van het douanekantoor dat het vervangend certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgeeft, in vak 11 van het certificaat geplaatst. De vermeldingen in vak 4 van het certificaat betreffende het land van oorsprong zijn identiek aan de vermeldingen in het oorspronkelijke oorsprongsdocument. De wederverzender plaatst zijn handtekening in vak 12. Wanneer de wederverzender in vak 12 te goeder trouw zijn handtekening heeft geplaatst, is hij niet verantwoordelijk voor de juistheid van de op het oorspronkelijke oorsprongsdocument aangebrachte vermeldingen. Het douanekantoor dat wordt verzocht het vervangend certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 af te geven, vermeldt op het oorspronkelijke oorsprongsdocument of op een bijlage daarbij het gewicht, het aantal, de aard van de wederverzonden producten en het land van bestemming, evenals het nummer (de nummers) van het overeenkomstige vervangingscertificaat of de overeenkomstige vervangingscertificaten. Dit douanekantoor bewaart het oorspronkelijke oorsprongsdocument ten minste drie jaar.”. |
|
3) |
Het volgende artikel 69 bis wordt ingevoegd: „Artikel 69 bis Preferentiële oorsprong van veredelingsproducten verkregen uit goederen die van preferentiële oorsprong zijn (Artikel 64, lid 1, van het wetboek) 1. Wanneer niet-Uniegoederen van preferentiële oorsprong in het kader van een preferentiële regeling tussen de Unie en derde landen onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst, worden de daaruit verkregen veredelingsproducten wanneer ze in het vrije verkeer worden gebracht, geacht dezelfde preferentiële oorsprong te hebben als die goederen. 2. Lid 1 is niet van toepassing in de volgende gevallen:
3. Wanneer lid 1 van toepassing is, wordt een oorsprongsdocument dat onder de regeling actieve veredeling is afgegeven of opgesteld, geacht een oorsprongsdocument te zijn dat voor de veredelingsproducten is afgegeven of opgesteld.”. |
|
4) |
Lid 2 van artikel 80 wordt vervangen door: „2. De bevoegde autoriteiten van de begunstigde landen kennen na ontvangst van het ingevulde aanvraagformulier als bedoeld in bijlage 22-06 het nummer van geregistreerd exporteur onverwijld toe aan de exporteur en voeren het nummer van geregistreerd exporteur, de registratiegegevens en de begindatum van geldigheid van de registratie overeenkomstig artikel 86, lid 4, in het REX-systeem in. De douaneautoriteiten van de lidstaten kennen na ontvangst van het ingevulde aanvraagformulier als bedoeld in bijlage 22-06A het nummer van geregistreerd exporteur onverwijld aan de exporteur of, in voorkomend geval, aan de wederverzender van goederen toe en voeren het nummer van geregistreerd exporteur, de registratiegegevens en de begindatum van geldigheid van de registratie geldig is, overeenkomstig artikel 86, lid 4, in het REX-systeem in. De bevoegde autoriteiten van een begunstigd land of de douaneautoriteiten van een lidstaat stellen de exporteur of, in voorkomend geval, de wederverzender van goederen, in kennis van het nummer van geregistreerd exporteur dat aan deze exporteur of wederverzender van goederen is toegekend, en van de begindatum geldigheid van de registratie.”. |
|
5) |
Artikel 82 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
7) |
In artikel 86, lid 2, worden de woorden „bijlage 22-06” vervangen door de woorden „bijlage 22-06A”. |
|
8) |
Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
Bijlage 22-06 wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening. |
|
10) |
Na bijlage 22-06 wordt een nieuwe bijlage 22-06A ingevoegd in bijlage II bij deze verordening. |
|
11) |
In bijlage 22-07 wordt voetnoot 5 vervangen door:
|
Artikel 2
Verordening (EEG) nr. 3510/80 wordt ingetrokken.
Artikel 3
Verordening (EG) nr. 209/2005 wordt ingetrokken.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Punt 3 van artikel 1 is van toepassing met ingang van 1 mei 2016.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).
(4) Verordening (EEG) nr. 3510/80 van de Commissie van 23 december 1980 betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde producten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties (PB L 368 van 31.12.1980, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 209/2005 van de Commissie van 7 februari 2005 tot vaststelling van de lijst van textielproducten die zonder oorsprongsbewijs in de Gemeenschap in het vrije verkeer kunnen worden gebracht (PB L 34 van 8.2.2005, blz. 6).
(6) Verordening (EG) nr. 1541/98 van de Raad van 13 juli 1998 betreffende de bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde, in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte textielproducten van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur en betreffende de voorwaarden waaronder die bewijsstukken kunnen worden aanvaard (PB L 202 van 18.7.1998, blz. 11).
(7) Verordening (EU) nr. 955/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2011 tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1541/98 van de Raad betreffende de bewijsstukken inzake de oorsprong van bepaalde, in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte textielproducten van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur en betreffende de voorwaarden waaronder die bewijsstukken kunnen worden aanvaard, en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen (PB L 259 van 4.10.2011, blz. 5).
BIJLAGE I
„BIJLAGE 22-06
AANVRAAG TOT REGISTRATIE ALS GEREGISTREERDE EXPORTEUR
ten behoeve van de stelsels van algemene tariefpreferenties van de Europese Unie, Noorwegen, Zwitserland en Turkije (1)
|
|
Mededeling over de bescherming en verwerking van persoonsgegevens in het systeem
|
(1) Dit aanvraagformulier is gemeenschappelijk voor de SAP-stelsels van vier entiteiten: de Unie (EU), Noorwegen, Zwitserland en Turkije („de entiteiten”). Er dient echter te worden opgemerkt dat de landen en producten in de respectieve SAP-stelsels van deze entiteiten kunnen verschillen. Daarom is een afgegeven registratie alleen te gebruiken voor uitvoer in het kader van het SAP-stelsel of de SAP-stelsels waarin uw land als een begunstigd land wordt beschouwd.
(2) Wanneer aanvragen tot registratie als geregistreerde exporteur of andere uitwisselingen van informatie tussen geregistreerde exporteurs en bevoegde autoriteiten in begunstigde landen of douaneautoriteiten in de lidstaten worden gedaan door elektronischegegevensverwerkingstechnieken te gebruiken, wordt de in de vakken 5, 6 en 7 genoemde handtekening en stempel vervangen door een elektronische authenticatie.
BIJLAGE II
„BIJLAGE 22-06A
AANVRAAG TOT REGISTRATIE ALS GEREGISTREERDE EXPORTEUR
ten behoeve van de registratie van exporteurs van de lidstaten
|
|
Mededeling over de bescherming en verwerking van persoonsgegevens in het systeem
|
(1) Wanneer aanvragen tot registratie als geregistreerde exporteur of andere uitwisselingen van informatie tussen geregistreerde exporteurs en bevoegde autoriteiten in begunstigde landen of douaneautoriteiten in de lidstaten worden gedaan door elektronischegegevensverwerkingstechnieken te gebruiken, wordt de in de vakken 5, 6 en 7 genoemde handtekening en stempel vervangen door een elektronische authenticatie.
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/33 |
VERORDENING (EU) 2018/605 VAN DE COMMISSIE
van 19 april 2018
tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 78, lid 1, onder a), en punt 3.6.5, tweede alinea, van bijlage II,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Er moeten wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten worden vastgesteld, met inachtneming van de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 die erin bestaan een hoog niveau van bescherming van zowel de gezondheid van mens en dier als het milieu te waarborgen — waarbij met name moet worden gewaarborgd dat stoffen of producten die op de markt worden gebracht geen schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier hebben, noch onaanvaardbare effecten voor het milieu — en tegelijkertijd ook de werking van de interne markt en de landbouwproductie te verbeteren. |
|
(2) |
In het kader van haar internationaal programma voor chemische veiligheid heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2002 een definitie van hormoonontregelaars (2) en in 2009 een definitie van schadelijke effecten (3) voorgesteld. Over deze definities is onder wetenschappers een brede consensus ontstaan. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid („EFSA”) heeft in haar wetenschappelijk advies betreffende hormoonontregelaars van 28 februari 2013 (hierna „het wetenschappelijk advies van de EFSA” genoemd) deze definities goedgekeurd (4). Het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid deelt dit standpunt (5). Daarom is het passend de criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen op de WHO-definities te baseren. |
|
(3) |
Om deze criteria toe te passen, moet er voldoende bewijskracht zijn, waarbij met name de in Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (6) voorziene benadering voor bewijskracht moet worden gevolgd. Ook de ervaring met de leidraad voor gestandaardiseerde richtsnoeren voor het testen van chemische stoffen op hormoonontregelende eigenschappen van de OESO (7) moet in acht worden genomen. De tenuitvoerlegging van de criteria moet tevens worden gebaseerd op alle relevante wetenschappelijke gegevens, inclusief de overeenkomstig de huidige gegevensvereisten van Verordening (EG) nr. 1107/2009 ingediende onderzoeken. Die onderzoeken zijn meestal gebaseerd op internationaal overeengekomen onderzoeksprotocollen. |
|
(4) |
De vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen met betrekking tot de menselijke gezondheid moet worden gebaseerd op gegevens bij de mens en/of bij dieren, waardoor zowel stoffen waarvan bekend is dat zij hormoonontregelend zijn als stoffen waarvan dit verondersteld wordt, kunnen worden geïdentificeerd. |
|
(5) |
Aangezien de specifieke wetenschappelijke criteria van deze verordening de stand van de wetenschappelijke en technische kennis weerspiegelen en in plaats van de huidige criteria van punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 moeten worden toegepast, moeten zij in die bijlage worden opgenomen. |
|
(6) |
Teneinde rekening te houden met de stand van de wetenschappelijke en technische kennis moeten ook specifieke wetenschappelijke criteria worden vastgesteld voor de identificatie van werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten met hormoonontregelende eigenschappen die schadelijke effecten kunnen hebben op niet-doelorganismen. Punt 3.8.2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet derhalve worden gewijzigd om deze specifieke criteria in te voeren. |
|
(7) |
De ervaring die wordt opgedaan met de toepassing van de bij deze verordening ingevoerde wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen, moet in het licht van de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 door de Commissie worden beoordeeld. |
|
(8) |
De criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen moeten in overeenstemming zijn met de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en moeten de identificatie van werkzame stoffen met hormoonontregelende eigenschappen verder verfijnen. De nieuwe criteria moeten dan ook zo snel mogelijk worden toegepast; tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de tijd die de lidstaten en de EFSA nodig hebben om zich op de toepassing van de criteria voor te bereiden. Daarom moeten deze criteria met ingang van 20 oktober 2018 van toepassing zijn, met uitzondering van gevallen waarin het desbetreffende comité uiterlijk op 20 oktober 2018 over een ontwerpverordening heeft gestemd. De Commissie zal de gevolgen voor elke in het kader van Verordening (EG) nr. 1107/2009 lopende procedure bekijken en waar nodig passende maatregelen nemen met inachtneming van de rechten van de aanvragers. Dit kan onder meer een verzoek om extra informatie van de aanvrager en/of om extra wetenschappelijke input van de lidstaat-rapporteur en de EFSA inhouden. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
De punten 3.6.5 en 3.8.2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, zoals gewijzigd bij deze verordening, zijn van toepassing met ingang van 20 oktober 2018, behalve voor de procedures waarbij het comité over de ontwerpverordening uiterlijk op 20 oktober 2018 heeft gestemd.
Artikel 3
Uiterlijk op 20 oktober 2025 dient de Commissie bij het in artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde comité een beoordeling in van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de bij deze verordening ingevoerde wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 20 oktober 2018.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) WHO/IPCS (World Health Organization/International Programme on Chemical Safety), 2002. Global Assessment of the State-of-the-science of Endocrine Disruptors. WHO/PCS/EDC/02.2, publiekelijk beschikbaar op http://www.who.int/ipcs/publications/new_issues/endocrine_disruptors/en/
(3) WHO/IPCS (World Health Organization/International Programme on Chemical Safety), 2009. Principles and Methods for the Risk Assessment of Chemicals in Food. Environmental Health Criteria 240, publiekelijk beschikbaar op http://www.who.int/foodsafety/publications/chemical-food/en/
(4) „Scientific Opinion on the hazard assessment of endocrine disruptors: Scientific criteria for identification of endocrine disruptors and appropriateness of existing test methods for assessing effects mediated by these substances on human health and the environment”, EFSA Journal 2013;11(3):3132, doi:10.2903/j.efsa.2013.3132.
(5) Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid, memorandum over hormoonontregelaars van 16.12.2014 (SCCS/1544/14).
(6) Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).
(7) OECD Series on Testing and Assessment No. 150.
BIJLAGE
Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 3.6.5 worden na de vierde alinea de volgende alinea's toegevoegd: „Met ingang van 20 oktober 2018 wordt een werkzame stof, beschermstof of synergist geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijke effecten kunnen hebben op de mens indien deze stof, op basis van de zesde alinea, punten 1 tot en met 4, voldoet aan alle onderstaande criteria, tenzij wordt aangetoond dat de geïdentificeerde schadelijke effecten niet relevant zijn voor mensen:
De identificatie van een werkzame stof, beschermstof of synergist als een stof met hormoonontregelende eigenschappen die, overeenkomstig de vijfde alinea, schadelijke effecten kan hebben op de mens, gebeurt op basis van alle onderstaande punten:
|
|
2) |
In punt 3.8.2 worden na de enige alinea de volgende alinea's toegevoegd: „Met ingang van 20 oktober 2018 wordt een werkzame stof, beschermstof of synergist geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijke effecten kunnen hebben op niet-doelorganismen indien deze stof, op basis van de derde alinea, punten 1 tot en met 4, voldoet aan alle onderstaande criteria, tenzij wordt aangetoond dat de geïdentificeerde schadelijke effecten niet relevant zijn op het niveau van de (deel)populatie voor niet-doelorganismen:
De identificatie van een werkzame stof, beschermstof of synergist als een stof met hormoonontregelende eigenschappen die, overeenkomstig de tweede alinea, schadelijke effecten kan hebben op niet-doelorganismen, gebeurt op basis van alle onderstaande punten:
|
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/37 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/606 VAN DE COMMISSIE
van 19 april 2018
tot verlening van de in artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde bescherming aan de naam „Dons” (BOB)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 97, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag van Denemarken tot registratie van de naam „Dons” als een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) onderzocht en in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) bekendgemaakt. |
|
(2) |
Daartegen werd via e-mail bezwaar aangetekend door het Italiaanse Ministerie van Landbouw (op 4 februari 2016), de „Confederazione Nazionale dei Consorzi Volontari per la Tutela delle Denominazioni dei Vini Italiani” (Federdoc) (op 5 februari 2016) en „L'Alleanza delle Cooperative Italiane-Agroalimentare” (op 8 februari 2016), overeenkomstig artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en artikel 14 van Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie (3). De Commissie heeft overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 607/2009 geoordeeld dat alle drie de bezwaarschriften ontvankelijk waren. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 607/2009 heeft de Commissie bij brief van 24 mei 2016 de bezwaarschriften aan de Deense autoriteiten doorgezonden en hen uitgenodigd binnen twee maanden opmerkingen te maken. Denemarken heeft zijn opmerkingen op 4 juli 2016 verstuurd, d.i. binnen de vereiste termijn. |
|
(4) |
De Commissie heeft overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 607/2009 de opmerkingen van de Deense autoriteiten op 12 januari 2017 schriftelijk meegedeeld aan de drie opposanten, die twee maanden de tijd kregen om opmerkingen te maken. Op 10 maart 2017 heeft de Commissie een antwoord ontvangen van het Italiaanse Ministerie van Landbouw, dat in een nieuwe mededeling zijn bezwaar herhaalde. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 607/2009 moet de Commissie een besluit nemen op basis van de gegevens waarover zij beschikt. |
|
(6) |
Volgens alle drie de opposanten zijn bepaalde wijndruivenrassen die worden gebruikt voor de productie van „Dons”, namelijk „cabernet cortis”, „orion”, „regent”, „rondo” en „solaris”, hybriden die zijn ontstaan uit een kruising van Vitis vinifera met andere soorten van het geslacht Vitis, en mogen zij ingevolge artikel 93, lid 1, onder a), iv), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 niet worden gebruikt voor de productie van een beschermde oorsprongsbenaming. Daarnaast stellen zij dat een ras dat is verkregen door een kruising van verschillende soorten, in geen geval kan worden beschouwd als behorende tot de soort Vitis vinifera. Volgens het Italiaanse Ministerie van Landbouw en Federdoc kan in elk land van de Europese Unie aan de hand van een onderzoek van het genoom worden bepaald of een ras behoort tot de soort Vitis vinifera of tot een kruising met een andere soort van het geslacht Vitis. |
|
(7) |
Het Italiaanse Ministerie van Landbouw stelt verder dat de door de mens bepaalde factoren, het oorzakelijk verband tussen de door de natuur en de mens bepaalde factoren, alsmede de informatie over de kwaliteit en de kenmerken van het product die zijn toe te schrijven aan de geografische omgeving, onvoldoende zijn uitgewerkt. Nog volgens het Italiaanse Ministerie van Landbouw is de bewering dat het zuurteprofiel van het product is toe te schrijven aan de „selectie van relatief winterharde variëteiten” op geen enkele technische of wetenschappelijke basis gestoeld, aangezien het selecteren van rassen een langdurig proces is dat geen betrekking kan hebben op hybride rassen die uit een kruising van soorten voortkomen. |
|
(8) |
Ten slotte is het Italiaanse Ministerie van Landbouw van oordeel dat het overbodig is voorschriften op te nemen met betrekking tot het vermelden, op het etiket, van de wijndruivenrassen en het oogstjaar, aangezien die voorschriften zijn vastgelegd in de artikelen 61 en 62 van Verordening (EG) nr. 607/2009. |
|
(9) |
De Commissie heeft de argumenten en bewijselementen van de opposanten en de aanvrager beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de naam „Dons” moet worden geregistreerd als beschermde oorsprongsbenaming, en wel om de volgende redenen. |
|
(10) |
Wat betreft de bewering dat het product niet is verkregen van wijndruivenrassen van de soort Vitis vinifera, moeten verschillende elementen in aanmerking worden genomen. In de eerste plaats bestaat er geen geharmoniseerde indeling op EU-niveau van wijndruivenrassen die tot de soort Vitis vinifera behoren. Er bestaat momenteel ook geen referentielijst of een wetenschappelijk document van een officieel bevoegd orgaan, zoals de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV), op basis waarvan Vitis vinifera en kruisingen tussen die soort en andere soorten van het geslacht Vitis op ondubbelzinnige wijze kunnen worden ingedeeld of op basis waarvan een onderscheid kan worden gemaakt tussen die soorten. In deze context moet de kwestie van de wetenschappelijke definitie in hoofdzaak worden behandeld in het kader van de inleidende nationale procedure die overeenkomstig artikel 96 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 door de lidstaten moet worden gevoerd. Denemarken baseert zich op de Duitse classificatie, die de vijf betrokken wijndruivenrassen indeelt bij Vitis vinifera. In de tweede plaats moet de Commissie, uit hoofde van artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 607/2009 met betrekking tot het onderzoek van bezwaren, elk besluit om een oorsprongsbenaming af te wijzen of te registreren, nemen op basis van de gegevens waarover zij beschikt. In het onderhavige geval hebben de opposanten geen solide wetenschappelijke bewijzen of gegevens verstrekt waaruit blijkt dat het product niet is verkregen van wijndruivenrassen die behoren tot de soort Vitis vinifera. De Commissie merkt ten slotte op dat in verscheidene andere lidstaten de betrokken wijndruivenrassen worden gebruikt voor de productie van wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming. |
|
(11) |
Om bovengenoemde redenen kan niet worden geconcludeerd dat het product waarnaar de naam „Dons” verwijst, is verkregen van wijndruivenrassen die niet behoren tot de soort Vitis vinifera. De op die grond gebaseerde bezwaren moeten dan ook worden afgewezen. |
|
(12) |
Wat betreft het vermeende gebrek aan informatie over het verband, stelt de Commissie vast dat een beschrijving is gegeven van de relevante natuurlijke factoren in de geografische omgeving, alsmede van hun verband met de specifieke kwaliteit en kenmerken van het product, die met name tot uitdrukking komen in het hogere melkzuurgehalte dat het product onderscheidt van klassieke mousserende wijnen. De noodzakelijke elementen waaruit het verband blijkt, zijn dan ook vermeld in overeenstemming met artikel 7 van Verordening (EG) nr. 607/2009. Met betrekking tot de door de mens bepaalde factoren wordt het zuurteprofiel van het product toegeschreven aan de selectie van relatief winterharde variëteiten, wat in overeenstemming is met artikel 93, lid 1, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(13) |
Wat betreft de stelling dat het overbodig is voorschriften op te nemen die bij de verordening zijn vastgelegd, lijkt die opname toch passend om redenen van duidelijkheid en het correcte begrip van de voorschriften door potentieel in aanmerking komende producenten, aangezien sommige van de voorschriften verder gaan dan het Unierecht. |
|
(14) |
In het licht van het bovenstaande is de Commissie overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van oordeel dat de aanvraag voldoet aan de in die verordening vastgelegde voorwaarden en dat de naam „Dons” moet worden beschermd en moet worden ingeschreven in het in artikel 104 van die verordening bedoelde register. |
|
(15) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De naam „Dons” (BOB) wordt beschermd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB C 407 van 8.12.2015, blz. 4.
(3) Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie van 14 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad wat betreft beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, traditionele aanduidingen, etikettering en presentatie van bepaalde wijnbouwproducten (PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60).
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/40 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/607 VAN DE COMMISSIE
van 19 april 2018
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot stalen kabels verzonden vanuit Marokko en de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit deze landen, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (de „basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDUREREGELS
1.1. Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 1796/1999 (2) een antidumpingrecht ingesteld op stalen kabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”), Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne. Deze maatregelen worden hierna „de oorspronkelijke maatregelen” genoemd en het onderzoek dat tot de bij Verordening (EG) nr. 1796/1999 ingestelde maatregelen heeft geleid, wordt hierna aangeduid als „het oorspronkelijke onderzoek”. |
|
(2) |
Vervolgens bleek na onderzoek overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (3) dat de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer uit Oekraïne en de VRC werden ontweken via respectievelijk Moldavië en Marokko. De Raad heeft daarom bij Verordening (EG) nr. 760/2004 (4) het definitieve antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit Oekraïne uitgebreid tot dezelfde producten verzonden vanuit Moldavië. Evenzo werd het antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit de VRC bij Verordening (EG) nr. 1886/2004 van de Raad (5) uitgebreid tot de invoer van dezelfde producten verzonden vanuit Marokko. |
|
(3) |
De Raad heeft, naar aanleiding van een herzieningsonderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96, bij Verordening (EG) nr. 1858/2005 (6) de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer van stalen kabels van oorsprong uit de VRC, India, Zuid-Afrika en Oekraïne gehandhaafd. De maatregelen die van toepassing waren op invoer van oorsprong uit Mexico zijn op 18 augustus 2004 komen te vervallen (7). Aangezien Hongarije en Polen op 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, werden de maatregelen op die datum beëindigd. |
|
(4) |
Naar aanleiding van een antiontwijkingsonderzoek overeenkomstig artikel 13 van de basisverordening heeft de Raad in mei 2010 bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 400/2010 (8) het bij Verordening (EG) nr. 1858/2005 ingestelde definitieve antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels van oorsprong uit de VRC uitgebreid tot de invoer van stalen kabels verzonden vanuit de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea. Bepaalde Koreaanse producenten-exporteurs kregen vrijstelling van het uitgebreide recht, aangezien niet was aangetoond dat zij de definitieve antidumpingrechten hadden ontweken. |
|
(5) |
De maatregelen die van toepassing waren op invoer van oorsprong uit India zijn op 17 november 2010 komen te vervallen (9). |
|
(6) |
In januari 2012 heeft de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 (10), naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (11), het antidumpingrecht ten aanzien van de VRC, zoals uitgebreid tot Marokko en de Republiek Korea, en ten aanzien van Oekraïne, zoals uitgebreid tot Moldavië, gehandhaafd. Deze maatregelen worden hierna aangeduid als „de geldende maatregelen” en het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen dat werd afgesloten bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 wordt hierna aangeduid als „het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen”. |
|
(7) |
De Raad heeft bij dezelfde verordening eveneens de procedure ten aanzien van Zuid-Afrika beëindigd. De maatregelen die van toepassing waren op invoer van oorsprong uit Zuid-Afrika zijn op 9 februari 2012 komen te vervallen. |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(8) |
Na de bekendmaking van een bericht dat de maatregelen op korte termijn zouden vervallen (12), heeft de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening ontvangen („verzoek om een nieuw onderzoek”). |
|
(9) |
Het verzoek om een nieuw onderzoek werd op 7 november 2016 ingediend door het Liaison Committee of E.U. Wire Rope Industries („de indiener van het verzoek”) namens producenten die goed zijn voor meer dan 25 % van de totale productie van stalen kabels in de Unie. Het verzoek werd ingediend omdat het vervallen van de maatregelen ten aanzien van de VRC waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting van dumping en herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. De indiener van het verzoek heeft niet voldoende bewijs aangeleverd dat het vervallen van de geldende maatregelen ten aanzien van Oekraïne waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van dumping en schade. |
1.3. Opening van het onderzoek
|
(10) |
Nadat de Commissie na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 8 februari 2017 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (13) („het bericht van opening”) de opening van een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd. |
|
(11) |
Bij gebreke van een met redenen omkleed verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen betreffende de invoer van stalen kabels van oorsprong uit Oekraïne heeft de Commissie medegedeeld dat de antidumpingmaatregel ten aanzien van Oekraïne zou komen te vervallen. Bijgevolg is het antidumpingrecht dat werd ingesteld op stalen kabels van oorsprong uit Oekraïne op 10 februari 2017 (14) komen te vervallen. |
1.4. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(12) |
Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping had betrekking op de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek van ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2013 tot het einde van het TNO (31 december 2016) („de beoordelingsperiode”). |
1.5. Belanghebbenden
|
(13) |
In het bericht van opening werden alle belanghebbenden door de Commissie uitgenodigd om aan het onderzoek deel te nemen. Bovendien heeft de Commissie de indiener van het verzoek, de andere haar bekende producenten in de Unie, de producenten-exporteurs in de VRC, de haar bekende importeurs/gebruikers alsook de autoriteiten in de VRC van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen in kennis gesteld. |
|
(14) |
Alle belanghebbenden werd verzocht hun standpunt kenbaar te maken en informatie en bewijsmateriaal in te dienen binnen de termijnen zoals vastgesteld in het bericht van opening. De belanghebbenden werden tevens in de gelegenheid gesteld een schriftelijk verzoek om een hoorzitting met de onderzoeksdiensten van de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures in te dienen. |
1.5.1. Steekproeven
|
(15) |
In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. |
1.5.1.1. Steekproef van producenten-exporteurs in de VRC
|
(16) |
Gezien het kennelijk grote aantal producenten-exporteurs in de VRC werd in het bericht van opening overwogen een steekproef samen te stellen. |
|
(17) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te kunnen stellen, heeft de Commissie de 21 bekende producenten-exporteurs in de VRC verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. De gevraagde informatie betrof onder meer het productievolume en de productiecapaciteit. Daarnaast heeft de Commissie de Vertegenwoordiging van de VRC bij de Europese Unie verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, op te sporen en/of met hen contact op te nemen. |
|
(18) |
Slechts één groep producenten-exporteurs antwoordde dat zij bereid was mee te werken. Deze groep vertegenwoordigde 100 % van alle uitvoer van stalen kabels uit de VRC naar de Unie, maar was niettemin slechts goed voor minder dan 2 % van de totale Chinese productie van stalen kabels. Aangezien slechts één groep producenten-exporteurs bereid was om medewerking te verlenen, was een steekproef overbodig. |
1.5.1.2. Steekproef van producenten in de Unie
|
(19) |
In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening werd de steekproef samengesteld op basis van het verkoopvolume van het soortgelijke product. De steekproef bestond uit zes producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren goed voor 50,5 % van de totale productie van de bedrijfstak van de Unie tijdens het TNO. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er zijn binnen de vastgestelde termijn geen opmerkingen ontvangen. Bijgevolg is de voorlopige steekproef bevestigd. De steekproef werd als representatief voor de bedrijfstak van de Unie beschouwd. |
1.5.1.3. Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(20) |
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, werd alle niet-verbonden importeurs of hun vertegenwoordigers verzocht om deel te nemen aan dit onderzoek. Deze partijen werd verzocht zich bekend te maken door de Commissie de in bijlage II bij het bericht van opening verlangde informatie over hun onderneming(en) te verstrekken. |
|
(21) |
Bovendien werd in de inleidende fase met 44 in het verzoek om een nieuw onderzoek genoemde importeurs contact opgenomen door de Commissie en werd hen verzocht hun activiteit toe te lichten en de hierboven genoemde bijlage in te vullen. |
|
(22) |
Slechts zeven importeurs hebben zich gemeld, maar volgens hun antwoorden hebben zes van hen tijdens het TNO geen stalen kabels ingevoerd. Bijgevolg was een steekproef overbodig. |
1.5.2. Vragenlijsten
|
(23) |
De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan de medewerkende groep producenten-exporteurs die op het steekproefformulier hadden gereageerd, de zes in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, één importeur, tien gebruikers die zich na de opening van het onderzoek hadden bekendgemaakt en vijftig bekende producenten in mogelijke derde landen met een markteconomie (Canada, India, Japan, Maleisië, Mexico, Oekraïne, Rusland, Thailand, Turkije, de Verenigde Staten van Amerika („VS”), Zuid-Afrika, Zuid-Korea en Zwitserland). |
|
(24) |
De groep producenten-exporteurs en vijf producenten in de Unie hebben de vragenlijst beantwoord. Geen enkele importeur en geen van de gebruikers heeft de vragenlijst beantwoord. |
|
(25) |
Twee producenten in derde landen met een markteconomie hebben de vragenlijst beantwoord, waarvan er zich één in Turkije en één in de VS bevindt. |
1.5.3. Controlebezoeken
|
(26) |
De Commissie heeft alle gegevens verzameld en gecontroleerd die zij nodig achtte voor de vaststelling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en schade, en het belang van de Unie. Overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening zijn bij de volgende ondernemingen controlebezoeken ter plaatse verricht:
|
2. ONDERZOCHT PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(27) |
Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op stalen kabels (gesloten kabels daaronder begrepen), met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, van oorsprong uit de VRC („het onderzochte product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7312 10 81, ex 7312 10 83, ex 7312 10 85, ex 7312 10 89 en ex 7312 10 98. |
2.2. Soortgelijk product
|
(28) |
Stalen kabels die in de VRC worden geproduceerd en naar de Unie worden uitgevoerd, stalen kabels die op de binnenlandse markt van het derde land met een markteconomie, de VS, worden geproduceerd en verkocht en stalen kabels die in de Unie door de producenten in de Unie worden geproduceerd en verkocht, worden voor dezelfde doeleinden gebruikt en hebben dezelfde fysieke en technische basiseigenschappen en worden bijgevolg beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
3. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING
|
(29) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van dumping bij uitvoer uit de VRC waarschijnlijk is indien de geldende maatregelen zouden komen te vervallen. |
3.1. Inleidende opmerkingen
|
(30) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van dumping bij uitvoer uit de VRC waarschijnlijk is indien de geldende maatregelen zouden komen te vervallen. |
|
(31) |
Zoals vermeld in overweging 18 heeft slechts één groep producenten-exporteurs, die goed is voor minder dan 2 % van de totale productie van stalen kabels in de VRC, aan dit onderzoek meegewerkt. Deze groep bestaat uit zeven verbonden ondernemingen die betrokken zijn bij de productie en de verkoop van stalen kabels. Aangezien die groep verantwoordelijk is voor 100 % van de uitvoer van stalen kabels vanuit de VRC naar de Unie tijdens het TNO, was de Commissie van mening dat zij over voldoende informatie beschikt om de uitvoerprijs en de dumpingmarge tijdens het TNO te beoordelen (zie punt 3.2). |
|
(32) |
De door de enige medewerkende groep producenten-exporteurs verstrekte gegevens met betrekking tot de uitvoer naar andere derde landen bleken echter ontoereikend te zijn: vier aan de groep verbonden en bij de productie en verkoop van stalen kabels betrokken ondernemingen hadden geen aparte vragenlijst ingevuld, zoals gevraagd was. Doordat zij de vragenlijst niet zoals gevraagd hadden beantwoord, hebben zij geen informatie over hun uitvoer naar andere derde landen verstrekt. Voorts heeft één verbonden onderneming van de groep, hoewel zij de vragenlijst wel heeft beantwoord, nagelaten haar uitvoer naar andere derde landen per productsoort en per transactie te vermelden. |
|
(33) |
Bijgevolg heeft de Commissie de enige medewerkende groep producenten-exporteurs medegedeeld dat zij voornemens was om met betrekking tot de uitvoer naar derde landen artikel 18 van de basisverordening toe te passen; tevens werd deze groep in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen in overeenstemming met artikel 18, lid 4, van die verordening. |
|
(34) |
De medewerkende groep producenten-exporteurs heeft in haar opmerkingen niet ontkend dat zij had nagelaten de vragenlijst te beantwoorden voor haar vier verbonden ondernemingen. De groep beweerde echter dat het onredelijk was om informatie over de uitvoer naar derde landen op basis van het productcontrolenummer (PCN) en per transactie te verlangen. Dit argument kan niet worden aanvaard. De gevraagde informatie werd noodzakelijk geacht omdat het belangrijk is om over nauwkeurige en volledige kennis van het huidige gedrag van producenten in de VRC bij de uitvoer van stalen kabels naar andere derde landen te beschikken om, mochten de maatregelen komen te vervallen, hun toekomstige gedrag te kunnen voorspellen. Wanneer, zoals in dit geval, een partij niet alles in het werk stelt om alle gevraagde gegevens te verstrekken, maar slechts een deel daarvan verstrekt, dat bovendien niet gedetailleerd genoeg is en niet kan worden gecontroleerd, dan kan die gedeeltelijke informatie niet als voldoende nauwkeurig en volledig worden beschouwd om de Commissie in staat te stellen met volledige kennis het gedrag van de Chinese producenten bij de uitvoer van stalen kabels naar andere derde landen naar behoren te beoordelen. |
|
(35) |
Daarom werden de bevindingen in punt 3.3.2 op de beschikbare gegevens gebaseerd. Daartoe werd gebruikgemaakt van de door de enige medewerkende groep producenten-exporteurs verstrekte informatie, behalve voor verkoop aan derde landen, het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, de opmerkingen van de indieners van het verzoek, informatie van de Chinese uitvoerstatistieken (15) („de Chinese databank”), informatie van de Wereldbank en andere openbaar beschikbare informatie, teneinde een volledig beeld te schetsen van de antidumpingmaatregelen die worden toegepast op andere belangrijke markten voor stalen kabels in derde landen, zoals uiteengezet in overweging 68. |
3.2. Dumping
|
(36) |
Aan de hand van de informatie die was verstrekt door de enige medewerkende groep producenten-exporteurs, die tijdens het TNO goed was voor de volledige uitvoer van stalen kabels vanuit de VRC naar de Unie (zie overweging 18), werd vastgesteld of er tijdens het TNO sprake was van uitvoer met dumping uit de VRC. |
Derde land met een markteconomie
|
(37) |
Geen van de producenten-exporteurs uit de VRC kreeg in het oorspronkelijke onderzoek een behandeling als marktgerichte onderneming. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a) en b), van de basisverordening moet de normale waarde voor alle producenten-exporteurs derhalve worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie. Daartoe moest een derde land met een markteconomie worden gekozen. |
|
(38) |
In het bericht van opening overwoog de Commissie Turkije als derde land met een markteconomie te gebruiken. In het bericht van opening werd ook vermeld dat het soortgelijke product mogelijk wordt geproduceerd in andere derde landen met een markteconomie zoals Thailand, Vietnam en Maleisië. De Commissie heeft alle belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken over de keuze om een derde land met een markteconomie te gebruiken om de normale waarde voor de VRC vast te stellen. Er werden geen opmerkingen ontvangen binnen de in het bericht van opening genoemde termijn. |
|
(39) |
Zoals aangegeven in het bericht van opening heeft de Commissie onderzocht of het soortgelijke product werd geproduceerd en verkocht in die derde landen met een markteconomie waarvoor aanwijzingen bestonden dat er productie plaatsvindt. Bovendien heeft de Commissie op basis van informatie uit het verzoek om een nieuw onderzoek en de beschikbare statistische gegevens (Eurostat) andere potentiële derde landen met een markteconomie vastgesteld: Canada, India, Japan, Maleisië, Mexico, Oekraïne, Rusland, Thailand, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Zuid-Korea en Zwitserland. De Commissie heeft 50 potentiële producenten in die landen vastgesteld, die zij heeft benaderd en verzocht de noodzakelijke informatie te verstrekken. |
|
(40) |
Slechts één producent in Turkije en één in de VS hebben zich echter gemeld en hebben de gevraagde informatie verstrekt. |
Keuze van het derde land met een markteconomie
|
(41) |
In totaal waren er 15 potentiële producenten van het soortgelijke product in de VS. Ten aanzien van de Amerikaanse markt werd ook vastgesteld dat het een open markt betreft met een aanzienlijke invoer en uitvoer van stalen kabels tijdens het TNO. Er golden geen invoerrechten of antidumpingrechten/compenserende rechten op invoer ten aanzien van stalen kabels in de VS. De productie van de medewerkende producent in de VS was aanzienlijk in vergelijking met de geschatte totale productie in de VS (goed voor ongeveer 15-25 % van de totale geschatte binnenlandse productie in de VS). |
|
(42) |
Derhalve werd geoordeeld dat de VS een open en grote markt was met veel binnenlandse producenten en invoer die met elkaar concurreren. De mate van mededinging bleek in de VS hoger te zijn dan in Turkije. Bovendien was de door de producent in Turkije verstrekte informatie grotendeels ontoereikend en ontbraken er essentiële elementen om de normale waarde te kunnen vaststellen, terwijl de kwaliteit van het antwoord van de producent in de VS volledig genoeg was om op basis hiervan een betrouwbare normale waarde vast te stellen. De Commissie heeft derhalve de VS gekozen als een geschikt derde land met een markteconomie. |
|
(43) |
De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de geschiktheid van de keuze van de VS als derde land met een markteconomie. Er zijn binnen de vastgestelde termijn geen opmerkingen ontvangen. |
|
(44) |
Op basis hiervan heeft de Commissie besloten om voor dit nieuwe onderzoek de VS te kiezen als derde land met een markteconomie. |
Normale waarde
|
(45) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie eerst onderzocht of de totale verkoop op de binnenlandse markt van het soortgelijke product door de producent in het derde land met een markteconomie in het TNO representatief was. De verkoop van het soortgelijke product door de medewerkende producent in de VS op de binnenlandse markt werd qua hoeveelheid representatief geacht in vergelijking met de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie door de Chinese producenten-exporteurs. |
|
(46) |
De Commissie heeft vervolgens onderzocht of deze verkoop overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening kon worden beschouwd als verkoop die in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden. Dit werd gedaan door het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers vast te stellen. De verkooptransacties werden als winstgevend beschouwd als de eenheidsprijs gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten van de producent in de VS tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(47) |
De Commissie heeft de productsoorten vastgesteld waarvan meer dan 80 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid werd verkocht tegen prijzen die hoger waren dan de productiekosten en de gewogen gemiddelde verkoopprijs gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten per eenheid. In die gevallen werd de normale waarde per productsoort berekend als het gewogen gemiddelde van de werkelijke binnenlandse prijzen van alle verkopen van de betrokken soort, ongeacht of die verkopen winstgevend waren. Dat was het geval voor ongeveer 50 % van de naar de Unie uitgevoerde productsoorten. |
|
(48) |
Wanneer de winstgevende verkoop van een productsoort 80 % of minder van de totale verkoop van die soort bedroeg, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als de gewogen gemiddelde prijs van alleen de winstgevende binnenlandse verkoop van die soort tijdens het onderzoektijdvak. Dat was het geval voor ongeveer 50 % van de naar de EU uitgevoerde productsoorten. |
|
(49) |
Daarom werd de normale waarde voor alle productsoorten vastgesteld op basis van de binnenlandse verkoopprijzen. |
|
(50) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a) en b), en artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening werd de normale waarde vastgesteld op basis van de verkoopprijzen van stalen kabels van de medewerkende producent in de VS. |
Uitvoerprijs
|
(51) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werd de uitvoerprijs op de door de medewerkende groep producenten-exporteurs uit de VRC verstrekte informatie gebaseerd, dat willen zeggen op de door de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie, een niet-verbonden importeur, werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen. |
Vergelijking
|
(52) |
Bij gebrek aan overeenkomsten op het niveau van het volledige PCN tussen de door de groep medewerkende producenten-exporteurs uitgevoerde productsoorten en de binnenlandse verkoop in het derde land met een markteconomie werd de normale waarde vastgesteld op basis van de binnenlandse prijs in dat derde land met een markteconomie van de productsoort die de grootste overeenkomst vertoonde. Om de verschillen tussen productsoorten weer te geven, is bij de vaststelling van de normale waarde rekening gehouden met de kenmerken van de productsoort zoals vastgelegd in het PCN: productcategorie, draadkenmerken, soort kabel, uitwendige diameter en treksterkte. Overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening werden correcties in de orde van grootte van 5-15 % toegepast teneinde rekening te houden met verschillen tussen de productsoorten. |
|
(53) |
Over de uitvoer vanuit de VRC wordt een gedeeltelijk terugvorderbare belasting over de toegevoegde waarde (btw) geheven, terwijl in de VS alle belastingen die betrekking hebben op de binnenlandse verkoop worden terugbetaald. De Commissie heeft overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening derhalve een correctie toegepast voor het verschil in btw bij uitvoer vanuit de VRC naar de Unie (waarbij 17 % btw wordt geheven over de uitvoer en 5 % daarvan wordt terugbetaald) teneinde een eerlijke vergelijking te waarborgen en in overeenstemming met de vaste rechtspraak (16). |
|
(54) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder e) en f), van de basisverordening werden bovendien correcties toegepast op de normale waarde voor verschillen in verpakkingskosten (minder dan 2 %) en binnenlands vervoer (in een orde van grootte van 2-10 %). Overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder e), van de basisverordening werden ook correcties toegepast op de uitvoerprijs voor de kosten van lading en overlading (minder dan 1 %), binnenlands vervoer in de VRC (in een orde van grootte van 1-5 %), vervoer over zee (in een orde van grootte van 1-5 %) en verzekering (minder dan 1 %). Daarnaast werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder g) en k), van de basisverordening kredietkosten (minder dan 1 %) en bankkosten (minder dan 1 %) in mindering gebracht op de uitvoerprijs. |
|
(55) |
Ten slotte vond uitvoer naar de Unie plaats via verbonden verkoopmaatschappijen in de VRC. De Commissie heeft niet onderzocht of voor die verkoop een correctie gerechtvaardigd zou zijn op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening. De reden hiervoor is dat een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen niet bedoeld is om exacte dumpingmarges vast te stellen, maar om vast te stellen of er sprake was van voortzetting van dumping tijdens het TNO. |
Dumpingmarge
|
(56) |
De Commissie heeft voor elke productsoort de normale waarde en de uitvoerprijzen, zoals berekend in de overwegingen 45 tot en met 51 om de vergelijkbaarheid van de prijzen te waarborgen, met elkaar vergeleken. Zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening is de gewogen gemiddelde normale waarde van elke productsoort van het soortgelijke product in het derde land met een markteconomie vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige productsoort van het onderzochte product. |
|
(57) |
Op grond daarvan was de gewogen gemiddelde dumpingmarge, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht), grens Unie, vóór inklaring, 16,7 %. |
3.3. Ontwikkeling van de invoer indien de maatregelen worden ingetrokken
|
(58) |
Na te hebben vastgesteld dat er in het TNO sprake was van dumping, heeft de Commissie onderzocht of het waarschijnlijk was dat de dumping zou worden voortgezet indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. De volgende elementen zijn onderzocht: de productie, de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in de VRC, het Chinese uitvoergedrag in andere derde landen, ontwijkingspraktijken en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie. |
|
(59) |
De enige medewerkende groep producenten-exporteurs was goed voor minder dan 3 % van de totale productiecapaciteit en minder dan 2 % van de totale productie van stalen kabels in de VRC. Overwegende dat geen andere producenten van stalen kabels in de VRC medewerking hebben verleend, werd het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping om te beoordelen hoe de invoer zich zou ontwikkelen indien de maatregelen zouden worden ingetrokken, gebaseerd op de informatie die de Commissie tot haar beschikking had, te weten de door de enige medewerkende groep producenten-exporteurs verstrekte informatie, het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, de informatie uit de Chinese databank, de informatie van de Wereldbank en andere openbaar beschikbare informatie, zoals uiteengezet in overweging 68, teneinde een volledig beeld te schetsen van de antidumpingmaatregelen die op andere belangrijke markten voor stalen kabels worden toegepast. |
3.3.1. Productie, productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VRC
|
(60) |
Bij gebrek aan andere informatie over het dossier heeft de Commissie haar bevindingen gebaseerd op het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, dat een studie bevatte waarin de „evolutie van het aanbod en de vraag van de Chinese bedrijfstak voor stalen kabels in 2012-2016 en in de nabije toekomst” wordt geanalyseerd („de studie”). Op basis van die informatie werd de productiecapaciteit voor stalen kabels in de VRC geschat op 5,8 miljoen ton per jaar, werd de werkelijke productie geschat op ongeveer 4,0 miljoen ton per jaar en werd de reservecapaciteit in de VRC bijgevolg geschat op ongeveer 1,8 miljoen ton in 2016, wat ruim tien keer zo veel is als het totale verbruik van stalen kabels in de Unie tijdens het TNO, zoals aangetoond in overweging 75. |
|
(61) |
Uit de studie bleek dat het binnenlands verbruik in de VRC ongeveer 3,8 miljoen ton per jaar bedroeg. Het onderzoek bracht geen elementen aan het licht die zouden kunnen wijzen op een significante toename van de binnenlandse vraag in de VRC in de nabije toekomst. Hetzelfde geldt voor de Chinese uitvoer naar andere derde landen, aangezien er geen informatie beschikbaar is waaruit een significante toename van de wereldwijde vraag naar stalen kabels zou blijken. |
|
(62) |
Wat het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en meer bepaald de studie betreft, moet worden opgemerkt dat geen enkele belanghebbende de daarin vervatte informatie heeft betwist. Zoals vermeld in de overwegingen 17 en 18 hebben de meeste Chinese producenten-exporteurs van stalen kabels bovendien niet de gevraagde benodigde informatie verstrekt en heeft de enige medewerkende groep producenten-exporteurs, die goed is voor minder dan 3 % van de totale Chinese productiecapaciteit, haar medewerking verleend en de gevraagde relevante informatie verstrekt. |
|
(63) |
Daarom wordt, bij gebrek aan andere informatie, geoordeeld dat de binnenlandse vraag, noch de wereldwijde vraag naar stalen kabels de aanzienlijke reservecapaciteit in de VRC zal kunnen absorberen. |
3.3.2. Gedrag bij uitvoer naar andere derde landen
|
(64) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 32 tot en met 35 kon de door de enige medewerkende groep producenten-exporteurs verstrekte informatie niet worden gebruikt om het uitvoergedrag van Chinese producenten-exporteurs naar andere derde landen naar behoren te beoordelen. De Commissie moest zich derhalve overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening baseren op de beschikbare gegevens om dat gedrag te beoordelen. Daartoe heeft de Commissie gebruikgemaakt van de Chinese databank, zoals dat in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen gebeurde (17). |
|
(65) |
Er moet echter worden opgemerkt dat de Chinese databank een bredere productomschrijving bestrijkt dan het onderzochte product, aangezien deze ook betrekking heeft op strengen, roestvrijstalen kabels en stalen kabels met een grootste dwarsdoorsnede van niet meer dan 3 mm. Derhalve kon op basis van de informatie uit de Chinese databank geen zinvolle analyse van de naar andere markten uitgevoerde hoeveelheden worden gemaakt. Niettemin kon de Chinese databank worden gebruikt voor de prijsanalyse. De prijsanalyse is gebaseerd op redelijke schattingen met het oog op de soortgelijke kenmerken van de andere producten die mogelijk in de analyse zijn opgenomen. |
|
(66) |
De Commissie heeft op basis daarvan vastgesteld dat bij een vergelijking van de Chinese prijzen bij uitvoer naar de vijf belangrijkste uitvoermarkten van de VRC met uitzondering van de Unie (namelijk India, Zuid-Korea, Thailand, de VS en Vietnam), met de normale waarde die is vastgesteld in het derde land met een markteconomie zoals beschreven in de overwegingen 45 tot en met 50, de dumpingmarges tijdens het TNO varieerden van 129 tot 314 %. De Chinese uitvoer van stalen kabels naar deze vijf andere markten is naar schatting goed voor 40 % van de totale Chinese uitvoer van stalen kabels wereldwijd. Op dezelfde grondslag bedroeg de dumpingmarge voor uitvoer naar de Unie 97 %. |
|
(67) |
Derhalve vond de uitvoer van stalen kabels vanuit de VRC naar andere derde landen tijdens het TNO waarschijnlijk met een nog hogere dumpingmarge plaats dan de uitvoer naar de Unie. Bij gebrek aan andere informatie kan het prijspeil bij uitvoer naar andere derde landen worden gezien als indicator voor het waarschijnlijke prijspeil bij uitvoer naar de Unie wanneer de maatregelen worden ingetrokken. Gezien het lage prijspeil bij uitvoer naar derde landen werd ook geconcludeerd dat er een aanzienlijke marge is om de prijzen bij uitvoer naar de Unie te verlagen, wat ertoe kan leiden dat de dumping toeneemt. |
|
(68) |
Voorts bleek uit openbaar beschikbare gegevens (18) dat er ook in Turkije (19), Mexico (20) en Brazilië (21) antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van stalen kabels van oorsprong uit de VRC van kracht zijn. Colombia heeft onlangs een antidumpingonderzoek geopend naar de invoer van stalen kabels van oorsprong uit de VRC (22) en in december 2017 werd een voorlopig antidumpingrecht van 15 % ingesteld. Daaruit blijkt duidelijk dat stalen kabels van Chinese producenten-exporteurs ook naar andere markten tegen dumpingprijzen zijn uitgevoerd. Het geeft ook aan dat de Chinese uitvoer van stalen kabels naar deze markten wordt of zal worden beperkt en dat Chinese producenten-exporteurs van stalen kabels alternatieve markten voor hun reservecapaciteit zullen moeten vinden. |
3.3.3. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(69) |
Zoals uiteengezet in overweging 66 werd op basis van de beschikbare informatie vastgesteld dat de producenten-exporteurs uit de VRC op de markt van de Unie hogere prijzen kunnen hanteren dan in andere derde landen. Volgens de Chinese databank bedroeg de gemiddelde fob-prijs (free on board) bij uitvoer naar de Unie tijdens het TNO 1 688 EUR/ton, terwijl deze bij uitvoer naar de vijf belangrijkste derde landen gemiddeld slechts 1 191 EUR/ton bedroeg. Daarom lagen de Chinese prijzen bij uitvoer naar derde landen ongeveer 30 % lager dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie (zonder rekening te houden met de antidumpingrechten die op de markt van de Unie worden betaald). Dit geeft aan dat de markt van de Unie een aantrekkelijke markt is, aangezien Chinese producenten-exporteurs hogere winsten kunnen genereren op uitvoer naar de Unie dan op hun uitvoer naar andere uitvoermarkten. |
3.3.4. Conclusie
|
(70) |
De conclusie is dat de dumpingmarge die vastgesteld is in het TNO, de aanzienlijke reservecapaciteit die in de VRC beschikbaar is, de vastgestelde aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en het gedrag bij uitvoer naar andere derde landen aangeven dat het intrekken van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting van dumping en dat de uitvoer met dumping in grote hoeveelheden op de markt van de Unie zou terechtkomen. Daarom wordt geoordeeld dat een voortzetting van dumping waarschijnlijk is indien de huidige antidumpingmaatregelen zouden komen te vervallen. |
4. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN SCHADE
4.1. Definitie van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie
|
(71) |
Binnen de Unie werden er tijdens het TNO door meer dan 22 producenten/groepen producenten stalen kabels vervaardigd. Zij vormen de „bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. |
|
(72) |
De totale productie in de Unie tijdens het TNO werd vastgesteld op 168 701 ton op basis van het verzoek om een nieuw onderzoek, door de indiener van het verzoek verstrekte aanvullende gegevens en de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(73) |
Zoals vermeld in overweging 19 werden zes producenten/groepen producenten geselecteerd voor een steekproef. De Commissie heeft van vijf producenten in de Unie een ingevulde vragenlijst ontvangen en gecontroleerd. Deze vijf producenten waren goed voor 43 % van de totale productie in de Unie tijdens het TNO. De steekproef werd derhalve als voldoende representatief voor de bedrijfstak van de Unie beschouwd. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(74) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld aan de hand van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie en de in de Unie ingevoerde hoeveelheden uit derde landen op basis van de gegevens die de lidstaten overeenkomstig artikel 14, lid 6, van de basisverordening („de databank van artikel 14, lid 6”) aan de Commissie hebben verstrekt en de gecontroleerde gegevens van de medewerkende Chinese groep van producenten-exporteurs. |
|
(75) |
In tabel 1 is te zien hoe het verbruik in de Unie zich tijdens de beoordelingsperiode ontwikkelde. Tabel 1 Verbruik in de Unie
|
||||||||||||||||||||
|
(76) |
Het verbruik in de Unie bleef van 2013 tot 2014 stabiel en daalde van 2014 tot het TNO met 6 %. |
4.3. Invoer uit de VRC
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit de VRC
|
(77) |
De Commissie heeft het volume van de invoer uit de VRC tijdens de beoordelingsperiode vastgesteld op basis van de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de medewerkende groep producenten-exporteurs en de gegevens uit de databank van artikel 14, lid 6. |
|
(78) |
Op grond hiervan ontwikkelden de invoer in de Unie uit de VRC en het marktaandeel zich als volgt: Tabel 2 Invoervolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(79) |
Tijdens de beoordelingsperiode schommelde de invoer van stalen kabels uit de VRC van jaar tot jaar. Een daling met 34 % tussen de jaren 2013 en 2014 werd gevolgd door een toename met 80 % in de jaren 2014-2015 (23). Ten slotte nam het volume van de invoer tijdens het TNO af van 2 697 ton in 2013 tot 2 005 ton. In totaal nam het volume van de invoer tijdens de beoordelingsperiode met 26 % af. |
|
(80) |
Het marktaandeel van de invoer uit de VRC volgde dezelfde trend. In totaal nam het tijdens de beoordelingsperiode af van 1,5 tot 1,2 %. |
4.3.2. Prijzen van de invoer uit de VRC
|
(81) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer tijdens de beoordelingsperiode vastgesteld op basis van de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de medewerkende groep producenten-exporteurs in de VRC en de gegevens uit de databank van artikel 14, lid 6. De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit de VRC ontwikkelde zich als volgt: Tabel 3 Gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC
|
||||||||||||||||||||
|
(82) |
Tijdens de beoordelingsperiode schommelde de gemiddelde prijs van het uit de VRC ingevoerde product van jaar tot jaar. Aanvankelijk daalden de prijzen met 21 % in 2014. In 2015 stegen de prijzen tot net onder het niveau van 2013, om tijdens het TNO verder te stijgen. Tijdens de beoordelingsperiode stegen de prijzen in totaal met 45 %. |
4.4. Prijsonderbieding
|
(83) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(84) |
Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als percentage van de gemiddelde gewogen prijs van de bedrijfstak van de Unie tijdens het TNO. Uit het ontbreken van prijsonderbieding blijkt dat de maatregelen doeltreffend zijn. Indien de maatregelen zouden komen te vervallen en de Chinese producenten-exporteurs van stalen kabels hun uitvoerprijzen op een vergelijkbaar niveau houden, kan de prijsonderbiedingsmarge worden berekend door het antidumpingrecht af te trekken van de invoerprijs. De aldus vastgestelde prijsonderbiedingsmarge zou dan 36,3 % bedragen. Dit wordt beschouwd als een redelijke indicatie van de mogelijke toekomstige prijzen bij uitvoer naar de Unie indien de maatregelen zouden komen te vervallen. |
4.5. Invoer uit andere derde landen dan de VRC
|
(85) |
De invoer uit andere derde landen dan de VRC is voornamelijk afkomstig uit de Republiek Korea, Turkije, Thailand, Rusland en Maleisië. |
|
(86) |
Het volume van die invoer in de Unie is weergegeven in tabel 4, alsook het marktaandeel en de gemiddelde prijzen: Tabel 4 Invoer uit andere derde landen dan de VRC
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(87) |
Het totale volume van de invoer uit andere derde landen bleef tijdens de beoordelingsperiode relatief stabiel met een lichte stijging van 1 %. |
|
(88) |
Aangezien het totale verbruik in de Unie tijdens de beoordelingsperiode afnam, kwam deze stijging tot uiting in een toename van het marktaandeel van die invoer van 36,1 tot 38,8 % gedurende deze periode. |
|
(89) |
Tijdens de beoordelingsperiode schommelde de gemiddelde prijs van het product bij invoer uit andere derde landen dan de VRC van jaar tot jaar. Aanvankelijk daalden de prijzen met 7 % in 2014. In 2015 stegen de prijzen met 2 %, om tijdens het TNO weer met 8 % te dalen. Tijdens de beoordelingsperiode daalden de prijzen in totaal met 13 %. |
4.5.1. Invoer uit landen waartoe de maatregelen werden uitgebreid
Republiek Korea
|
(90) |
De Republiek Korea had tijdens de beoordelingsperiode na de bedrijfstak van de Unie het grootste marktaandeel op de markt van de Unie. |
|
(91) |
Zoals al in overweging 4 is vermeld, vond ontwijking van de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer van stalen kabels vanuit de VRC plaats door verzending via de Republiek Korea. Daarop werd het antidumpingrecht op invoer van oorsprong uit de VRC in 2010 uitgebreid tot de invoer van dezelfde stalen kabels verzonden vanuit de Republiek Korea, met uitzondering van die welke worden geproduceerd door 15 echte Koreaanse producenten-exporteurs. |
|
(92) |
Vrijwel alle invoer van stalen kabels uit de Republiek Korea in de Unie tijdens het TNO was afkomstig van de producenten-exporteurs die vrijgesteld zijn van het uitgebreide antidumpingrecht, te weten 99,98 % van alle invoer uit Korea. |
|
(93) |
In tabel 5 is te zien hoe het volume, het marktaandeel en de gemiddelde prijzen van de invoer uit Korea in de Unie zich tijdens de beoordelingsperiode ontwikkelden. Tabel 5 Volume, marktaandeel en gemiddelde prijs van de invoer uit Korea
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(94) |
Het volume van de invoer uit de Republiek Korea nam tijdens de beoordelingsperiode af met 11 %, met een iets hoger tempo dan de daling van het verbruik. |
|
(95) |
Aangezien het volume van de invoer sneller daalde dan het verbruik, nam het marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode slechts enigszins af van 21,0 tot 20,0 %. |
|
(96) |
De gemiddelde invoerprijs nam van 2013 tot 2015 toe met 6 % en daalde tijdens het TNO met 9 %, wat neerkomt op een totale daling van 3 % in de beoordelingsperiode. De gemiddelde prijs (cif-prijs, geen recht inbegrepen) was 48 % lager dan de gemiddelde prijs (af fabriek) van de bedrijfstak van de Unie. |
Marokko
|
(97) |
De invoer van oorsprong of verzonden uit Marokko was vrijwel nihil tijdens de beoordelingsperiode. Nadere analyse werd dan ook niet nodig geacht. |
4.5.2. De invoer uit derde landen waarop in de beoordelingsperiode antidumpingrechten van toepassing waren
Oekraïne en Moldavië
|
(98) |
Tijdens de beoordelingsperiode was nog steeds een antidumpingrecht van 51,8 % van kracht op stalen kabels van oorsprong uit Oekraïne, zoals uitgebreid tot de invoer van hetzelfde product verzonden vanuit Moldavië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Moldavië. |
|
(99) |
Deze maatregelen zijn op 10 februari 2017 komen te vervallen, zoals uitgelegd in overweging 11. |
|
(100) |
De invoer van oorsprong of verzonden uit Oekraïne en Moldavië was vrijwel nihil tijdens de beoordelingsperiode. Nadere analyse werd dan ook niet nodig geacht voor de beoordelingsperiode. |
4.5.3. Invoer uit andere derde landen
|
(101) |
De invoer uit de overige derde landen was voornamelijk afkomstig uit Turkije, Thailand, Rusland en Maleisië. In tabel 6 is te zien hoe deze invoer zich ontwikkelde: Tabel 6 Invoer uit andere derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(102) |
Tijdens de periode 2013-2015 steeg de totale invoer uit andere derde landen met 27 %. Tijdens het TNO daalde de invoer met 10 %. Tijdens de beoordelingsperiode nam de totale invoer toe met 17 %. Aangezien het verbruik daalde in de beoordelingsperiode, zoals beschreven in overweging 76, nam het marktaandeel van de andere derde landen in dezelfde periode toe met 15 tot 19 %. |
|
(103) |
De invoer uit Turkije schommelde tijdens de beoordelingsperiode, maar bereikte tijdens het TNO een vergelijkbaar niveau als in 2013 (aan het begin van de beoordelingsperiode), namelijk 7 028 ton. Het marktaandeel bleef in totaal redelijk stabiel met slechts een lichte stijging van 0,4 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode, namelijk van 3,9 % in 2013 tot 4,3 % tijdens het TNO. De gemiddelde prijs daalde met 9 %. |
|
(104) |
De invoer uit Thailand steeg van 2013 tot 2014 met 25 %, maar daalde daarna gestaag en kwam tijdens het TNO uit op 6 122 ton, tegenover 5 206 in 2013. In totaal nam de invoer tijdens de beoordelingsperiode toe met 18 %. Het marktaandeel nam in 2014 ook toe en bleef stabiel tot het TNO. De gemiddelde invoerprijs schommelde tijdens de periode 2014-2015 (– 4 %, + 15 %) en bereikte in het TNO een niveau van 2 % boven het niveau van 2013. |
|
(105) |
De invoer uit Rusland nam in de beoordelingsperiode aanzienlijk toe, maar bleef tijdens de beoordelingsperiode relatief laag. Het marktaandeel nam ook toe van 0,9 tot 2,9 %. De gemiddelde prijs nam in de beoordelingsperiode af met 21 %. |
|
(106) |
De invoer uit Maleisië schommelde sinds het begin van de beoordelingsperiode, maar bereikte in het TNO bijna hetzelfde niveau als in 2013, namelijk 4 530 ton. Tijdens de beoordelingsperiode steeg het marktaandeel van de invoer van stalen kabels uit Maleisië ondanks schommelingen in totaal slechts licht, namelijk met 0,2 procentpunten. De gemiddelde invoerprijs nam in de beoordelingsperiode af met 13 %. |
|
(107) |
Tijdens het TNO waren de prijzen van de invoer van stalen kabels uit Turkije, Thailand, Rusland en Maleisië gemiddeld lager dan de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie (– 49 tot – 63 %). Zij waren ook lager dan de prijzen bij invoer uit de VRC (– 41 tot – 57 %). |
4.6. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.6.1. Algemene opmerkingen
|
(108) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening onderzocht de Commissie alle relevante economische factoren en indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren. |
|
(109) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren met betrekking tot de gehele bedrijfstak van de Unie beoordeeld op basis van de door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens, nadat deze waren gecontroleerd aan de hand van de informatie die voorafgaand aan de openingsfase door een aantal producenten in de Unie was verstrekt en de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van gegevens uit de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Beide reeksen gegevens bleken representatief voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(110) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit en hoogte van de dumpingmarge. |
|
(111) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, gemiddelde kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.6.2. Macro-economische indicatoren
4.6.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(112) |
In tabel 7 is te zien hoe de totale productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie zich tijdens de beoordelingsperiode ontwikkelden: Tabel 7 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(113) |
Het totale productievolume bleef tijdens de periode 2013-2014 relatief stabiel en nam in 2015 af met 5 %. In het TNO nam het productievolume echter verder af met 12 %. In de beoordelingsperiode is het productievolume in totaal met 18 % gedaald. |
|
(114) |
De productiecapaciteit nam tijdens de beoordelingsperiode licht toe en in totaal slechts met 5 %. |
|
(115) |
Bijgevolg nam de bezettingsgraad af van 71 % in 2013 tot 55 % in het TNO. In totaal nam de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode af met 22 %, na de daling van het productievolume. |
4.6.2.2. Verkoopvolume en marktaandeel
|
(116) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 8 Verkoopvolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(117) |
Het verkoopvolume volgde de trend van het productievolume. Het bleef tijdens de periode 2013-2014 relatief stabiel en nam in 2015 met 5 % af. In het TNO nam het productievolume verder af met 5 %. Het verkoopvolume daalde tijdens de beoordelingsperiode in totaal met 10 %. |
|
(118) |
Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie daalde tijdens de beoordelingsperiode met 2,4 procentpunten van 62,4 tot 60,0 %. |
4.6.2.3. Groei
|
(119) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam het verbruik in de Unie af met 6 %. Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie daalde zelfs nog meer, namelijk met 10 %. Als gevolg daarvan verloor de bedrijfstak van de Unie 2,4 procentpunten aan marktaandeel. De daling van het verkoopvolume kwam ook tot uiting in de bezettingsgraad, die daalde met 22 %. |
4.6.2.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(120) |
De werkgelegenheid en de productiviteit ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 9 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(121) |
Het aantal werknemers in de bedrijfstak van de Unie nam in de beoordelingsperiode af met 9 %, waarbij de grootste daling plaatsvond tijdens het TNO. Dit gebeurde na de daling van de productie en het verkoopvolume zoals beschreven in de overwegingen 113 en 117. |
|
(122) |
Als gevolg van een sterkere daling van de productie ten opzichte van de daling van het aantal werknemers, nam de productiviteit in de beoordelingsperiode af met 10 %. |
4.6.2.5. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(123) |
Uit het onderzoek bleek volgens overweging 57 dat het onderzochte product uit de VRC nog steeds met een dumpingmarge van 16,7 % op de markt van de Unie werd ingevoerd. Het volume van de invoer was laag als gevolg van de doeltreffendheid van de geldende antidumpingmaatregelen. Niettemin bleef de Chinese invoer aanwezig op de markt van de Unie en behield deze tijdens het TNO een marktaandeel van 1,2 % (zie tabel 2). |
|
(124) |
In het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen vertoonde de bedrijfstak van de Unie tekenen van herstel van de gevolgen van eerdere dumping. Tijdens de beoordelingsperiode vertraagde het herstelproces en vertoonden de belangrijkste schade-indicatoren een dalende trend. Voorts leidden een lagere vraag naar bulkgoederen en dalingen van de olieprijs tot een verminderde activiteit in de sectoren mijnbouw alsmede olie en gas. Dit veroorzaakte een negatief effect op de vraag naar stalen kabels, wat ertoe leidde dat het verbruik in de beoordelingsperiode met 6 % daalde (zie tabel 1). |
|
(125) |
Als gevolg van de geleidelijke daling van de prijzen in de Unie tijdens de beoordelingsperiode kon de bedrijfstak van de Unie zich niet blijven herstellen van de gevolgen van eerdere dumping. |
4.6.3. Micro-economische indicatoren
4.6.3.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(126) |
De gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 10 Gemiddelde verkoopprijzen en kosten per eenheid
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(127) |
De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de bedrijfstak van de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie daalde tijdens de beoordelingsperiode met 12 %. |
|
(128) |
Tegelijkertijd stegen de gemiddelde productiekosten per eenheid met 13 % tijdens de beoordelingsperiode. Die stijging van de kosten per eenheid werd voornamelijk veroorzaakt door de daling van de productie en de verkoop (met respectievelijk 18 % en 10 % in de beoordelingsperiode, zoals uiteengezet in de overwegingen 113 (zie tabel 7) en 117 (zie tabel 8)). Deze stijging van de kosten per eenheid heeft plaatsgevonden ondanks de daling van de totale productiekosten tijdens de beoordelingsperiode. Hoewel de bedrijfstak van de Unie de totale productiekosten wist terug te dringen, was deze door de buitensporige daling van de productie en de verkoop niet in staat de kosten per eenheid te drukken. |
4.6.3.2. Loonkosten
|
(129) |
De gemiddelde loonkosten van de producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 11 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||
|
(130) |
In totaal stegen de gemiddelde loonkosten tijdens de beoordelingsperiode na kleine schommelingen licht met 3 %. |
4.6.3.3. Voorraden
|
(131) |
De voorraden van de producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 12 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(132) |
Tijdens de beoordelingsperiode namen de voorraden enigszins af met 3 %. Aangezien de bedrijfstak van de Unie een minimumvoorraad van de meest voorkomende soorten stalen kabels moet aanhouden om onmiddellijk aan de vraag te kunnen voldoen, konden de voorraden niet verder afnemen en als gevolg daarvan nam de waarde ervan uitgedrukt als percentage van de productie toe met 38 %. |
4.6.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(133) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 13 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(134) |
Tijdens de beoordelingsperiode daalde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, beginnend met een winst van 7,5 % in 2013 en eindigend met een verlies van 1,6 % in het TNO. |
|
(135) |
De kasstroom daalde in de beoordelingsperiode sterk met 79 %. Het is een aanvullende indicator voor de slechte prestaties van de bedrijfstak van de Unie wat betreft de operationele activiteiten en het liquiditeitstekort waarmee deze te kampen had. |
|
(136) |
Vervolgens daalden de investeringen in de beoordelingsperiode tot 50 %. Als gevolg van de afnemende winstmarges en de hoge druk op de prijzen werden de investeringen voornamelijk beperkt tot investeringen naar aanleiding van milieu-eisen of om veiligheidsredenen. Tegelijkertijd waren er in het onderzoektijdvak slechts enkele investeringen in de exploitatie en de technologie van de productie teneinde de efficiëntie en productiviteit te verhogen. |
|
(137) |
Het rendement van investeringen staat voor de verhouding tussen de winsten of de verliezen die uit een investering voortvloeien en het geïnvesteerde bedrag. Tijdens de beoordelingsperiode nam dit af van 33,3 % tot – 5,2 %. |
4.6.4. Conclusie inzake schade
|
(138) |
Als gevolg van de geldende antidumpingrechten bleef de bedrijfstak van de Unie zich in de eerste twee jaar van de beoordelingsperiode (2013-2014) herstellen van de gevolgen van eerdere schade veroorzakende dumping en slaagde deze erin een winstmarge te behouden van meer dan de streefwinst van 5 %. |
|
(139) |
Niettemin leidden een lagere vraag naar bulkgoederen en dalingen van de olieprijs tot een verminderde activiteit in de sectoren mijnbouw alsmede olie en gas. Bijgevolg nam de vraag naar stalen kabels tijdens de beoordelingsperiode af. De bedrijfstak van de Unie werd rechtstreeks beïnvloed door deze inkrimping van de vraag, wat tot uiting kwam in een afname van de productie en verkoop, alsook van het marktaandeel. Tegelijkertijd nam het aandeel van de laaggeprijsde stalen kabels toe en leidde dit tot een daling van de prijs van de Unie en tot een verdere verslechtering van de financiële resultaten van de bedrijfstak van de Unie. Derhalve zijn bijna alle schade-indicatoren verslechterd. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden. |
|
(140) |
De invoer van stalen kabels uit de VRC had een beperkt negatief effect op de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Als gevolg van de geldende maatregelen was het marktaandeel van die invoer gedurende de hele beoordelingsperiode laag. Niettemin bleef de invoer van stalen kabels vanuit de VRC aanwezig op de markt van de Unie. |
|
(141) |
Tegelijkertijd had de invoer uit andere derde landen een totaal marktaandeel van 38,8 %, met een licht stijgende trend in de beoordelingsperiode (zie tabel 4). De gemiddelde prijzen bij invoer uit andere derde landen vertoonden een afnemende trend, met niveaus die ver onder het niveau van de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie lagen. Deze invoer had derhalve aanzienlijke gevolgen voor de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Zoals reeds geanalyseerd in de overwegingen 85 tot en met 89 behield deze invoer tijdens de beoordelingsperiode zijn marktaandeel niet alleen, maar nam dit zelfs toe. Bovendien daalde de gemiddelde invoerprijs in dezelfde periode (overweging 89), wat een verdere neerwaartse druk op de prijs in de Unie veroorzaakte, waardoor de prijzen in de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 12 % afnamen (zie overweging 127) en de financiële resultaten van de bedrijfstak van de Unie verder verslechterden. |
|
(142) |
De Commissie concludeerde daaruit dat de bedrijfstak van de Unie baat heeft gehad bij de oorspronkelijke maatregelen, aangezien deze zich in de eerste twee jaar van de beoordelingsperiode (2013-2014) bleef herstellen van de gevolgen van eerdere schade veroorzakende dumping. Het herstelproces kwam als gevolg van de bovengenoemde factoren echter tot stilstand. |
4.7. Waarschijnlijkheid van herhaling van schade als gevolg van de invoer uit de VRC.
4.7.1. Inleidende opmerkingen
|
(143) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of zich opnieuw aanmerkelijke schade als gevolg van de invoer uit de VRC zou voordoen indien de maatregelen tegen de VRC zouden komen te vervallen. Het onderzoek heeft aangetoond dat de invoer uit de VRC in het TNO tegen dumpingprijzen plaatsvond (overweging 57) en dat het waarschijnlijk was dat de dumping zou worden voortgezet indien de maatregelen zouden komen te vervallen (overweging 70). |
|
(144) |
Om de waarschijnlijkheid van herhaling van schade vast te stellen, zijn de volgende elementen geanalyseerd: i) de productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VRC, ii) mogelijke prijzen van de invoer uit de VRC indien de maatregelen zouden komen te vervallen, iii) het gedrag van de Chinese producenten-exporteurs in andere derde landen, iv) de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en v) het effect van de invoer uit de VRC op de situatie van de bedrijfstak van de Unie indien de maatregelen zouden komen te vervallen. |
4.7.1.1. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VRC
|
(145) |
Zoals uiteengezet in overweging 60 hebben de producenten in de VRC een aanzienlijke productiecapaciteit in China en daardoor een reservecapaciteit die niet alleen veel hoger is dan de tijdens het TNO naar de Unie uitgevoerde hoeveelheden, maar ook dan het totale verbruik in de Unie tijdens het TNO. |
|
(146) |
Bovendien waren er, zoals vermeld in overweging 63, geen elementen gevonden die konden wijzen op een significante verhoging van de binnenlandse vraag naar stalen kabels in de VRC of op de markt van een ander derde land in de nabije toekomst. De Commissie concludeerde derhalve dat de binnenlandse vraag in de VRC of op de markten van andere derde landen de beschikbare reservecapaciteit niet kon absorberen. |
4.7.1.2. Mogelijke prijzen van de invoer uit de VRC
|
(147) |
Zoals vermeld in overweging 18 heeft de enige medewerkende groep producenten-exporteurs in de VRC haar uitvoer naar andere derde landen niet gemeld. Bij gebrek aan andere informatie werd derhalve de Chinese databank gebruikt voor het vaststellen van de Chinese prijzen bij uitvoer naar andere derde landen. |
|
(148) |
De prijzen van deze uitvoer werden ook beschouwd als een redelijke schatting van de mogelijke toekomstige prijzen bij uitvoer naar de Unie indien de maatregelen zouden komen te vervallen. |
|
(149) |
Zoals uiteengezet in overweging 69 lagen de prijzen bij uitvoer uit de VRC naar andere uitvoermarkten gemiddeld aanzienlijk lager dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie, namelijk ongeveer 30 %. Op grond daarvan werd geconcludeerd dat er een aanzienlijke marge is voor de producenten in de VRC om de prijzen bij uitvoer naar de Unie te verlagen. |
|
(150) |
Bovendien heeft de invoerprijs van de medewerkende groep producenten-exporteurs, zonder rekening te houden met de antidumpingrechten, de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie tijdens het TNO met 36,3 % onderboden, zoals vermeld in overweging 84. Dit wordt beschouwd als een redelijke indicatie van de mogelijke toekomstige prijzen bij uitvoer naar de Unie indien de maatregelen zouden komen te vervallen. |
4.7.1.3. Gedrag van Chinese producenten-exporteurs van stalen kabels in andere derde landen
|
(151) |
Bij gebrek aan andere beschikbare informatie werd de Chinese databank gebruikt voor het vaststellen van de Chinese prijzen bij uitvoer naar andere derde markten, zoals uiteengezet in de overwegingen 64 en 65. |
|
(152) |
Volgens die informatie lagen de Chinese prijzen bij uitvoer van stalen kabels uit de VRC naar andere derde markten gemiddeld ongeveer 40 % tot ongeveer 80 % lager dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie, afhankelijk van de uitvoermarkt. |
|
(153) |
Tijdens het TNO waren de drie belangrijkste bestemmingen van de Chinese uitvoer van stalen kabels in termen van hoeveelheden de Republiek Korea (123 891 ton of 11 % van de totale uitvoer), de Verenigde Staten (97 936 ton of 9 % van de totale uitvoer) en Vietnam (76 344 ton of 7 % van de totale uitvoer). De gemiddelde prijzen bij uitvoer naar deze markten bedroegen respectievelijk 1 107 EUR/ton, 1 444 EUR/ton en 781 EUR/ton. De gemiddelde prijzen bij uitvoer naar deze landen waren dus 50 % tot ongeveer 80 % lager dan de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie. |
4.7.1.4. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(154) |
Rekening houdend met de prijsanalyse in de vorige overweging zouden de Chinese producenten-exporteurs, indien de maatregelen zouden komen te vervallen, een aanzienlijke capaciteit hebben om hun prijzen bij invoer naar de markt van de Unie te verlagen en tegelijkertijd hogere prijzen op de markt van de Unie te hanteren dan op de markten van andere derde landen. Chinese producenten-exporteurs hebben derhalve een sterke prikkel om hun uitvoer te verleggen naar de Unie, waar zij hogere prijzen zouden krijgen en tegelijkertijd de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk zouden kunnen onderbieden. Bovendien zouden zij een prikkel hebben om ten minste een deel van hun reservecapaciteit tegen lage prijzen naar de markt van de Unie uit te voeren. |
|
(155) |
Een andere indicatie van de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie is het feit dat er sinds het begin van de instelling van de maatregelen ontwijkingspogingen van de Chinese exporteurs zijn geweest, die werden geconstateerd en geneutraliseerd, zoals uiteengezet in de overwegingen 2 en 4. |
|
(156) |
Ook de aanwezigheid van de invoer met dumping vanuit de VRC, ondanks de sinds 1999 geldende maatregelen, bevestigt de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie. |
|
(157) |
Derhalve wordt geconcludeerd dat de producenten-exporteurs in de VRC over voldoende potentieel en prikkels beschikken om het volume van hun uitvoer van stalen kabels naar de Unie tegen dumpingprijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie fors onderbieden aanzienlijk te vergroten, indien de maatregelen zouden komen te vervallen. |
4.7.2. Het effect op de bedrijfstak van de Unie
|
(158) |
De bedrijfstak van de Unie is, wanneer het huidige prijsniveau behouden blijft, niet in staat om zijn verkoopvolume en marktaandeel tegenover de goedkope invoer uit de VRC te handhaven. Het is zeer waarschijnlijk dat het Chinese marktaandeel snel zou stijgen indien de maatregelen zouden komen te vervallen. Dit zou zeer waarschijnlijk ten koste van de bedrijfstak van de Unie gaan, aangezien deze de hoogste prijzen hanteert. Een daling van het verkoopvolume zou leiden tot een nog lagere bezettingsgraad en een toename van de gemiddelde productiekosten. Dit zou leiden tot een verdere verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie en van de verliesgevende situatie die al tijdens het TNO is ontstaan. |
|
(159) |
Indien de bedrijfstak van de Unie zou besluiten om de prijzen te verlagen in een poging om zijn verkoopvolume en marktaandeel te behouden, dan zou zijn financiële situatie echter vrijwel onmiddellijk verslechteren en zou de tijdens het TNO vastgestelde verliesgevende situatie aanzienlijk verergeren. |
|
(160) |
Het vervallen van de maatregelen heeft in beide scenario's waarschijnlijk een negatief effect op de bedrijfstak van de Unie, met name voor de werkgelegenheid. Tijdens de beoordelingsperiode was de bedrijfstak van de Unie reeds gedwongen de productgerelateerde werkgelegenheid met 9 % in te krimpen (zie tabel 9). Een verdere verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie zou kunnen leiden dat de sluiting van hele productie-eenheden. |
|
(161) |
Derhalve kan worden geconcludeerd dat het zeer waarschijnlijk is dat het vervallen van de bestaande maatregelen zou leiden tot een herhaling van schade als gevolg van de invoer van stalen kabels uit de VRC en dat de reeds door de bedrijfstak van de Unie geleden schade nog zou toenemen. |
|
(162) |
Tijdens de beoordelingsperiode van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (2007-2010) ontwikkelde de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie zich positief. Tijdens de eerste twee jaar van de huidige beoordelingsperiode (2013-2014) heeft deze zijn winstgevendheid zelfs kunnen handhaven in de buurt van de streefwinst van 5 %. Daarmee heeft de bedrijfstak van de Unie bewezen een structureel levensvatbare bedrijfstak te zijn die in staat is een verliesgevende situatie om te keren. Tijdens de beoordelingsperiode van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen is de bedrijfstak van de Unie echter weer in een kwetsbare financiële situatie terechtgekomen die naar verwachting nog verder zal verslechteren indien de maatregelen zouden komen te vervallen. De bedrijfstak van de Unie zou zich dan niet van de huidige schade veroorzakende situatie kunnen herstellen en in plaats daarvan meer verdere schade ondervinden als gevolg van de zeer waarschijnlijke toename van de invoer van stalen kabels tegen dumpingprijzen uit de VRC. |
|
(163) |
Er wordt erkend dat de invoer van stalen kabels uit de Republiek Korea en andere derde landen, gezien het volume en de lage prijzen daarvan, een factor is die bijdraagt tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. In dit onderzoek werd overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening echter alleen beoordeeld of herhaling van schade als gevolg van de invoer uit de VRC van stalen kabels tegen schade veroorzakende prijzen waarschijnlijk is indien de huidige antidumpingmaatregelen zouden komen te vervallen. Gezien de kwetsbare situatie van de bedrijfstak van de Unie zou een aanzienlijke toename van de invoer uit de VRC die situatie verslechteren als gevolg van de aanzienlijke reservecapaciteit in de VRC, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en de mogelijke lage prijzen van de Chinese uitvoer van stalen kabels naar de Unie. |
|
(164) |
Uit het feit dat stalen kabels momenteel in veel kleinere aantallen vanuit de VRC op de markt van de Unie worden ingevoerd dan vóór de instelling van de maatregelen blijkt dat de huidige antidumpingrechten de verstoring van de mededinging tussen Chinese exporteurs van het onderzochte product en de bedrijfstak van de Unie hebben weggenomen. Het feit dat de invoer uit de Republiek Korea en andere derde landen de invoer uit de VRC onderbiedt, doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de Commissie om binnen het kader van dit onderzoek te blijven. Zoals uiteengezet in overweging 165 heeft de Commissie aangetoond dat het vervallen van de maatregelen zeer waarschijnlijk zou leiden tot herhaling van schade. |
4.7.3. Conclusie
|
(165) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat intrekking van de maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke toename van de Chinese invoer van stalen kabels tegen dumpingprijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbieden, waardoor de bedrijfstak van de Unie nog meer schade zou lijden. Daardoor zou de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Unie ernstig gevaar lopen. |
5. BELANG VAN DE UNIE
|
(166) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers. |
|
(167) |
Alle belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening in de gelegenheid gesteld hun standpunt bekend te maken. |
|
(168) |
In het eerdere nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen werden antidumpingmaatregelen niet in strijd met het belang van de Unie geacht. Bovendien kan nu, omdat het om een nieuw onderzoek gaat waarbij derhalve een situatie wordt onderzocht waarin al antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, worden nagegaan of de huidige antidumpingmaatregelen ongewenste negatieve gevolgen voor de betrokken partijen hebben. |
|
(169) |
Op basis hiervan werd onderzocht of er, ondanks het feit dat de dumping waarschijnlijk zal worden voortgezet en de schade zich zal herhalen, dwingende redenen waren om te concluderen dat handhaving van de maatregelen in dit bijzondere geval niet in het belang van de Unie is. |
5.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(170) |
Uit het onderzoek is ook gebleken dat als de maatregelen zouden komen te vervallen, dit waarschijnlijk een aanzienlijk negatief effect op de bedrijfstak van de Unie zou hebben en de momenteel kwetsbare financiële situatie daarvan verder zou verslechteren. Het vervallen van de maatregelen zou een ernstige bedreiging vormen voor de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Unie en de producenten in de Unie ertoe dwingen hun activiteiten te beëindigen, waardoor de markt van de Unie volledig afhankelijk zou worden van de invoer van stalen kabels. |
|
(171) |
De bedrijfstak van de Unie heeft in het verleden bewezen een levensvatbare bedrijfstak te zijn met positieve economische en financiële resultaten. De bedrijfstak van de Unie slaagde erin winstgevend te blijven, met een winstmarge die boven de streefwinst lag. |
|
(172) |
Daarom is het handhaven van de geldende antidumpingmaatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie. |
5.2. Belang van de importeurs
|
(173) |
Zoals aangegeven in de overwegingen 20, 21, 22 en 24 heeft geen enkele importeur medewerking verleend aan dit onderzoek, noch de gevraagde informatie verstrekt. Er wordt aan herinnerd dat in eerdere onderzoeken werd vastgesteld dat de instelling van maatregelen geen grote gevolgen zou hebben voor de importeurs. Bij gebrek aan bewijs waaruit iets anders blijkt, kan bijgevolg worden bevestigd dat de thans geldende maatregelen geen negatief effect hebben gehad op hun financiële situatie en dat de voortzetting van de maatregelen geen ernstige gevolgen voor importeurs zou hebben. |
5.3. Belang van de gebruikers
|
(174) |
Stalen kabels worden gebruikt in zeer uiteenlopende toepassingen, zoals de visserij, de zeevaart/scheepvaart, de olie- en gasindustrie, de mijnbouw, de bosbouw, het luchtvervoer, de weg- en waterbouwkunde, de bouw en de liftindustrie. |
|
(175) |
Zoals aangegeven in de overwegingen 23 en 24 heeft geen enkele gebruiker medewerking verleend aan dit onderzoek, noch de gevraagde informatie verstrekt. Sommige gebruikers die zichzelf bekend hebben gemaakt, verklaarden dat zij slechts in beperkte mate gebruikmaken van stalen kabels. Derhalve werd, zoals in de vorige onderzoeken, geconcludeerd dat de thans geldende maatregelen geen ernstige negatieve gevolgen voor de economische situatie van de gebruikers hebben, en dat de voortzetting van de maatregelen derhalve geen ernstige gevolgen voor de situatie van de verwerkende ondernemingen zou hebben. |
5.4. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(176) |
Derhalve concludeert de Commissie dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de definitieve antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van stalen kabels van oorsprong uit de VRC niet te handhaven. |
6. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(177) |
Alle belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wilde aanbevelen de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van stalen kabels van oorsprong uit de VRC te handhaven. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Geen enkele partij heeft opmerkingen ingediend. |
|
(178) |
Zoals uiteengezet in overweging 6 werden de geldende antidumpingrechten op stalen kabels uit de VRC uitgebreid tot de invoer van stalen kabels verzonden vanuit Marokko en de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko of de Republiek Korea. De uitbreiding van het te handhaven antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit de VRC moet blijven gelden voor stalen kabels verzonden vanuit Marokko en de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko of de Republiek Korea. De producent-exporteur in Marokko die is vrijgesteld van de bij Verordening (EG) nr. 1886/2004 uitgebreide maatregelen, moet eveneens worden vrijgesteld van de bij deze verordening ingestelde maatregelen. De 15 producenten-exporteurs in de Republiek Korea die zijn vrijgesteld van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 400/2010 uitgebreide maatregelen, moeten eveneens worden vrijgesteld van de bij deze verordening ingestelde maatregelen. |
|
(179) |
Gezien de recente rechtspraak van het Hof van Justitie (26) is het passend te voorzien in een percentage voor de in geval van terugbetaling van definitieve rechten te betalen moratoire interest, omdat de relevante geldende bepalingen inzake douanerechten niet voorzien in een dergelijke rentevoet en de toepassing van nationale regels zou leiden tot onnodige verstoringen tussen marktdeelnemers, afhankelijk van welke lidstaat voor de douaneafhandeling wordt gekozen. |
|
(180) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op stalen kabels (gesloten kabels daaronder begrepen), met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7312 10 81, ex 7312 10 83, ex 7312 10 85, ex 7312 10 89 en ex 7312 10 98 (Taric-codes 7312108112, 7312108113, 7312108119, 7312108312, 7312108313, 7312108319, 7312108512, 7312108513, 7312108519, 7312108912, 7312108913, 7312108919, 7312109812, 7312109813 en 7312109819).
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de cif-nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 genoemde product en van oorsprong uit de VRC bedraagt 60,4 %.
3. Het in lid 2 genoemde definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de invoer uit de VRC, wordt uitgebreid tot invoer van dezelfde stalen kabels verzonden vanuit Marokko, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko (Taric-codes 7312108112, 7312108312, 7312108512, 7312108912 en 7312109812), met uitzondering van die welke worden geproduceerd door Remer Maroc SARL, Zone Industrielle, Tranche 2, Lot 10, Settat, Marokko (aanvullende Taric-code A567), en tot invoer van dezelfde stalen kabels verzonden vanuit de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea (Taric-codes 7312108113, 7312108313, 7312108513, 7312108913 en 7312109813), met uitzondering van die welke door onderstaande ondernemingen worden geproduceerd:
|
Land |
Onderneming |
Aanvullende Taric-code |
|
Republiek Korea |
Bosung Wire Rope Co., Ltd, 568,Yongdeok-ri, Hallim-myeon, Gimae-si, Gyeongsangnam-do, 621-872 |
A969 |
|
Chung Woo Rope Co., Ltd, 1682-4, Songjung-Dong, Gangseo-Gu, Busan |
A969 |
|
|
CS Co., Ltd, 31-102, Junam maeul 2-gil, Yangsan, Gyeongsangnam-do |
A969 |
|
|
Cosmo Wire Ltd, 4-10, Koyeon-Ri, Woong Chon-Myon Ulju-Kun, Ulsan |
A969 |
|
|
Dae Heung Industrial Co., Ltd, 185 Pyunglim — Ri, Daesan-Myun, Haman — Gun, Gyungnam |
A969 |
|
|
Daechang Steel Co., Ltd, 1213, Aam-daero, Namdong-gu, Incheon |
C057 |
|
|
DSR Wire Corp., 291, Seonpyong-Ri, Seo-Myon, Suncheon-City, Jeonnam |
A969 |
|
|
Goodwire MFG. Co. Ltd, 984-23, Maegok-Dong, Yangsan-City, Kyungnam |
B955 |
|
|
Kiswire Ltd, 37, Gurak-Ro, 141 Beon-Gil, Suyeong-Gu, Busan, Korea 48212 |
A969 |
|
|
Manho Rope & Wire Ltd, Dongho Bldg, 85-2 4 Street Joongang-Dong, Jong-gu, Busan |
A969 |
|
|
Line Metal Co. Ltd, 1259 Boncho-ri, Daeji-Myeon, Changnyeong-gun, Gyeongnam |
B926 |
|
|
Seil Wire and Cable, 47-4, Soju-Dong, Yangsan-Si, Kyungsangnamdo |
A994 |
|
|
Shin Han Rope Co., Ltd, 715-8, Gojan-Dong, Namdong-gu, Incheon |
A969 |
|
|
Ssang Yong Cable Mfg. Co., Ltd, 1559-4 Song-Jeong Dong, Gang-Seo Gu, Busan |
A969 |
|
|
Young Heung Iron & Steel Co., Ltd, 71-1 Sin-Chon Dong, Changwon City, Gyungnam |
A969 |
Artikel 2
Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. De te betalen moratoire interest in geval van terugbetaling waaruit een recht op de betaling van moratoire interest voortvloeit, is de op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met 1 procentpunt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Verordening (EG) nr. 1796/1999 van de Raad van 12 augustus 1999 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne, tot definitieve inning van het op deze invoer ingestelde voorlopige antidumpingrecht en tot beëindiging van de antidumpingprocedure in verband met deze invoer uit de Republiek Korea (PB L 217 van 17.8.1999, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).
(4) Verordening (EG) nr. 760/2004 van de Raad van 22 april 2004 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 1796/1999 werd ingesteld op stalen kabels uit, onder meer, Oekraïne, tot stalen kabels die vanuit Moldavië zijn verzonden, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Moldavië (PB L 120 van 24.4.2004, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 1886/2004 van de Raad van 25 oktober 2004 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 1796/1999 werd ingesteld op stalen kabels uit onder meer de Volksrepubliek China, tot stalen kabels die vanuit Marokko zijn verzonden, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, en tot beëindiging van het onderzoek ten aanzien van een Marokkaanse exporteur (PB L 328 van 30.10.2004, blz. 1).
(6) Verordening (EG) nr. 1858/2005 van de Raad van 8 november 2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne naar aanleiding van een herzieningsonderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 (PB L 299 van 16.11.2005, blz. 1).
(7) Mededeling in verband met het vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 203 van 11.8.2004, blz. 4).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 400/2010 van de Raad van 26 april 2010 tot uitbreiding van het bij Verordening (EG) nr. 1858/2005 ingestelde definitieve antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China tot stalen kabels verzonden vanuit de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea, en tot beëindiging van het onderzoek betreffende de invoer van stalen kabels verzonden vanuit Maleisië (PB L 117 van 11.5.2010, blz. 1).
(9) Bericht van het vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 311 van 16.11.2010, blz. 16).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 van de Raad van 27 januari 2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Oekraïne, zoals uitgebreid tot stalen kabels verzonden uit Marokko, Moldavië en de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit deze landen, na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en tot beëindiging van de procedure van het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen betreffende de invoer van stalen kabels uit Zuid-Afrika overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 36 van 9.2.2012, blz. 1).
(11) Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).
(12) Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 180 van 19.5.2016, blz. 2).
(13) Bericht van opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van stalen kabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C 41 van 8.2.2017, blz. 5).
(14) Bericht van het vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 41 van 8.2.2017, blz. 4).
(15) http://info.hktdc.com/chinastat/gcb/index2.htm (laatstelijk geraadpleegd op 28.9.2017).
(16) Hof van Justitie in zaak C-15/12 P, arrest van 19 september 2013, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, ECLI:EU:C:2013:572, punten 34 en 35.
(17) Zie overweging 51 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012.
(18) Bown, Chad P. (2016), „Global Antidumping Database”, Wereldbank, juni (bron: http://econ.worldbank.org/ttbd/gad/).
(19) De hoogte van het recht bedraagt 1 000 USD/ton.
(20) De hoogte van het recht bedraagt 2 580 USD/ton.
(21) De hoogte van het recht varieert van 124,33 USD/ton tot 627 USD/ton.
(22) http://www.mincit.gov.co/loader.php?lServicio=Documentos&lFuncion=verPdf&id=82791&name=Resolucion_220_del_15_de_diciembre_de_2017__Preliminar_cables_y_torones_....pdf&prefijo=file (laatstelijk geraadpleegd op 2.2.2018).
(23) Procentuele verhoging volume van de invoer, tabel 2: (119-66)/66 = 0,80 * 100 = 80 %.
(24) De treksterkte van een kabel wijst op het vermogen van die kabel om weerstand te bieden bij een bepaalde spanning.
(25) i) Een gemiddelde van de twee PCN's met een zo vergelijkbaar mogelijke diameter (1 mm eronder en 1 mm erboven) en toegepast op de gegevens van de bedrijfstak van de Unie, mits alle andere cijfers van de PCN-structuur dezelfde waren (van toepassing op het zesde en zevende PCN); ii) de prijs per eenheid van de meest vergelijkbare diameter en met toepassing van een verhouding die staat voor het prijsverschil van de diameter bij vergelijking van alle verkoop van de bedrijfstak van de Unie van dezelfde diameters en toegepast op de gegevens van de bedrijfstak van de Unie.
(26) Arrest in zaak C-365/15, Wortmann, ECLI:EU:C:2017:19, punten 35 tot en met 39.
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/64 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/608 VAN DE COMMISSIE
van 19 april 2018
tot vaststelling van technische criteria voor elektronische labels voor uitrusting van zeeschepen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (1), en met name artikel 11, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2014/90/EU kent uitvoeringsbevoegdheden toe aan de Commissie om passende technische criteria vast te stellen met betrekking tot het ontwerp, de prestaties, het aanbrengen en het gebruik van elektronische labels. |
|
(2) |
Een kosten-batenanalyse (2) heeft aangetoond dat het gebruik van elektronische labels een positieve aanvulling vormt op de stuurwielmarkering. |
|
(3) |
Het aanbrengen van elektronische labels op de uitrusting van zeeschepen vergt geen zware investeringen, maar levert wel voordelen op voor fabrikanten, scheepseigenaars en –exploitanten, en markttoezichtautoriteiten. |
|
(4) |
De specificaties die in deze verordening worden vastgesteld, zijn gebaseerd op een vergelijking van beschikbare technologieën die werd opgesteld in het kader van de kosten-batenanalyse en op de in die kosten-batenanalyse uiteengezette voorstellen voor een passende structuur voor de identificatiecodes van de uitrusting van zeeschepen. |
|
(5) |
Op basis van de vergelijking van bestaande gegevensdragers en architecturen voor gegevensuitwisseling in het kader van de kosten-batenanalyse werden gegevensmatrixcodes en radiofrequentie-identificatie (RFID) aanbevolen als de meest geschikte technologieën. |
|
(6) |
Uit de kosten-batenanalyse is ook gebleken dat de beperkte gegevensopslagcapaciteit op het elektronische label impliceert dat de informatie op dat label een link moet bevatten naar gegevensbanken met uitgebreidere informatie. De in deze verordening gespecificeerde gegevensmatrixcodes en radiofrequentie-identificatie bevatten de belangrijkste informatie die het mogelijk maakt in een dergelijke link te voorzien. |
|
(7) |
Daarom moet gebruik worden gemaakt van een unieke identificatie van uitrusting van zeeschepen, op basis van een gestandaardiseerde codestructuur die onafhankelijk is van het type elektronisch label. Een dergelijke identificatie moet flexibel genoeg zijn om de gebruikers rechtstreeks toegang te verschaffen tot de meest relevante gegevensbanken voor uitrusting van zeeschepen. |
|
(8) |
Het formaat voor de codering van de vereiste informatie op de gegevensdrager moet gebaseerd zijn op ISO-normen. Het formaat moet ook de mogelijkheid bieden om aanvullende informatie te coderen voor gebruik door de fabrikanten; deze moeten met name aanvullende beveiligingsfuncties in de gegevensdrager kunnen inbouwen, zodat nagemaakte producten gemakkelijker kunnen worden opgespoord. |
|
(9) |
Wanneer de stuurwielmarkering van de uitrusting van zeeschepen wordt vervangen door een elektronisch label, moet een passend symbool worden aangebracht op dit label, zodat het gemakkelijk herkenbaar is bij een visuele inspectie. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS), |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Met het oog op de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. „elektronisch label”: een markering met radiofrequentie-identificatie (RFID) of met een gegevensmatrixcode;
2. „applicatie-identificatie”: een numeriek kengetal dat gebruikt wordt om de betekenis en het formaat van de gecodeerde gegevenselementen te definiëren.
Artikel 2
Fabrikanten van uitrusting van zeeschepen kunnen gebruikmaken van de volgende elektronische labels, zoals gespecificeerd in de bijlage:
|
a) |
RFID-labels die permanent worden bevestigd op uitrusting van zeeschepen; |
|
b) |
optisch leesbare labels met gegevensmatrixcodes die permanent worden bevestigd op uitrusting van zeeschepen, of |
|
c) |
optisch leesbare labels met gegevensmatrixcodes die permanent worden gemarkeerd op uitrusting van zeeschepen. |
Artikel 3
Het in punt 3.1 of 3.2 van de bijlage afgebeelde symbool wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar aangebracht op elektronische RFID-labels die de stuurwielmarkering vervangen, ofwel op het label zelf, ofwel ernaast.
Het in punt 3.3 van de bijlage afgebeelde symbool wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar aangebracht op uitrusting van zeeschepen met optisch leesbare labels die gegevensmatrixcodes bevatten, ofwel op het label zelf, ofwel ernaast.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 146.
(2) „The possible introduction of an electronic tag as a supplement or a replacement of the wheel mark in marine equipment”, oproep tot het indienen van voorstellen nr. MOVE/D2/2015-372 V1.0 van het directoraat-generaal Mobiliteit en Vervoer van de Europese Commissie.
BIJLAGE
1. Identificatie van uitrusting van zeeschepen:
|
1.1. |
Elektronische labels voor uitrusting van zeeschepen bevatten een elektronisch leesbare identificatie, d.w.z. een radiofrequentie-identificatie (RFID) of een optisch leesbare gegevensmatrixcode, die de volgende informatie bevat:
|
|
1.2. |
Behalve de informatie die overeenkomstig punt 1.1 moet worden verstrekt, kunnen elektronische labels ook informatie bevatten over het nummer van de productielocatie, een productcode, het nummer van de partij of lading en/of aanvullende informatie die door de fabrikant is opgesteld overeenkomstig ISO/IEC 15434:2006 [waarbij ofwel gegevensidentificaties volgens de ASC MH10-norm, ofwel toepassingsidentificaties volgens de GS1-norm worden gebruikt]. |
|
1.3. |
Voorbeelden:
|
2. Elektronische labels
2.1. RFID-labels
RFID-transponders werken in de frequentieband van 860 tot 960 MHz, overeenkomstig ISO/IEC 18000-6:2004 type C.
Het elektronisch label wordt stevig en op duurzame wijze bevestigd op de uitrusting van zeeschepen, zodat het leesbaar blijft tijdens de verwachte levensduur van de uitrusting.
2.2. Gegevensmatrixcodes
De gegevensmatrixcodes zijn in overeenstemming met ISO/IEC 16022:2006.
Het elektronisch label wordt gemarkeerd of stevig en op duurzame wijze bevestigd op de uitrusting van zeeschepen, zodat het leesbaar blijft tijdens de verwachte levensduur van de uitrusting.
3. Symbolen
|
3.1. |
|
|
3.2. |
|
|
3.3. |
|
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/68 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/609 VAN DE COMMISSIE
van 19 april 2018
inzake de maximumaankoopprijs voor mageremelkpoeder voor de tweede bijzondere inschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/154 geopende openbare inschrijving
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (1), en met name artikel 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/154 van de Commissie (2) is overeenkomstig de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie (3) vastgestelde voorwaarden een openbare inschrijving geopend voor de aankoop van mageremelkpoeder tijdens de openbare-interventieperiode van 1 maart tot en met 30 september 2018. |
|
(2) |
Op grond van artikel 14, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 moet de Commissie op basis van de voor elke bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen een maximumaankoopprijs vaststellen of besluiten geen maximumaankoopprijs vast te stellen. |
|
(3) |
Op grond van de voor de tweede bijzondere inschrijving ontvangen inschrijvingen moet geen maximumaankoopprijs worden vastgesteld. |
|
(4) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de tweede bijzondere inschrijving die in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/154 geopende openbare inschrijving voor de aankoop van mageremelkpoeder is geopend en waarvoor de termijn voor de indiening van inschrijvingen op 17 april 2018 is verstreken, wordt geen maximumaankoopprijs vastgesteld.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 12.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/154 van de Commissie van 30 januari 2018 tot opening van een inschrijvingsprocedure voor de aankoop van mageremelkpoeder tijdens de openbare-interventieperiode van 1 maart tot en met 30 september 2018. (PB L 29 van 1.2.2018, blz. 6).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71).
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/69 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/610 VAN DE COMMISSIE
van 19 april 2018
betreffende de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de negentiende deelinschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (2), en met name artikel 32,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie (3) is de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving geopend. |
|
(2) |
In het licht van de inschrijvingen die voor de negentiende deelinschrijving zijn ontvangen, moet een minimumverkoopprijs worden vastgesteld. |
|
(3) |
Het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de negentiende deelinschrijving voor de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving, waarvoor de inschrijvingen uiterlijk op 17 april 2018 moesten zijn ingediend, bedraagt de minimumverkoopprijs 105,10 EUR per 100 kg.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 van de Commissie van 25 november 2016 tot opening van de verkoop van mageremelkpoeder in het kader van een openbare inschrijving (PB L 321 van 29.11.2016, blz. 45).
BESLUITEN
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/70 |
BESLUIT (GBVB) 2018/611 VAN DE RAAD
van 19 april 2018
tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/849 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 27 mei 2016 Besluit (GBVB) 2016/849 (1) vastgesteld waarin beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK) worden uiteengezet. |
|
(2) |
De DVK gaat door met de uitvoering van haar nucleaire en ballistische programma's, in strijd met haar in verscheidene resoluties van de VN-Veiligheidsraad beschreven verplichtingen. De financiering van deze programma's geschiedt ten dele aan de hand van illegale overdrachten van tegoeden en economische middelen. |
|
(3) |
Vier personen die zich bezig hebben gehouden met de overdracht van activa of middelen die financieel zouden kunnen bijdragen aan programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens, moeten worden toegevoegd aan de lijst van personen en entiteiten in bijlage II bij Besluit (GBVB) 2016/849. |
|
(4) |
Bijlage II bij Besluit (GBVB) 2016/849 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Besluit (GBVB) 2016/849 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 19 april 2018.
Voor de Raad
De voorzitter
E. ZAHARIEVA
(1) Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2013/183/GBVB (PB L 141 van 28.5.2016, blz. 79).
BIJLAGE
Bijlage II bij Besluit (GBVB) 2016/849 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De titel van rubriek II wordt vervangen door: „II. Personen en entiteiten die zich bezig houden met financiële diensten of met de overdracht van activa of middelen die zouden kunnen bijdragen aan programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens”. |
|
2) |
Onder rubriek II worden onder subrubriek „A. Personen” de volgende vermeldingen toegevoegd:
|
|
20.4.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 101/73 |
BESLUIT (EU) 2018/612 VAN DE COMMISSIE
van 7 april 2016
betreffende steunmaatregel SA 28876 — 2012/C (ex CP 202/2009) door Griekenland ten uitvoer gelegd ten faveure van Container Terminal Port of Piraeus
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 1978)
(Slechts de tekst in de Griekse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
1. DE PROCEDURE
|
(1) |
Op 23 maart 2015 heeft de Commissie een eindbesluit (1) vastgesteld waarin zij tot de conclusie kwam dat Griekenland, in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, onrechtmatig onverenigbare steunmaatregelen ten uitvoer had gelegd ten faveure van Piraeus Container Terminal SA (hierna „PCT” genoemd) en haar moedermaatschappij en crediteur, Cosco Pacific Limited (hierna „Cosco” genoemd), en heeft zij de intrekking en terugvordering van de betrokken steunmaatregelen gelast. |
|
(2) |
Op 2 juni 2015 heeft Griekenland tegen het eindbesluit beroep ingesteld bij het Gerecht. |
2. NADERE BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL
2.1. Het eindbesluit
|
(3) |
In 2009 had de Commissie klachten ontvangen over diverse belastingmaatregelen die bij wet nr. 3755/2009 (hierna „de wet” genoemd) waren toegekend aan de houder van een concessie voor een deel van de haven van Piraeus, Cosco, en haar dochteronderneming PCT (2). Die vrijstellingen betreffen de concessie die initieel in 2008 was toegekend. Op 11 juli 2012 heeft de Commissie een formele onderzoekprocedure ingeleid waarin zij twijfel formuleerde over deze belastingvrijstellingen (3) (hierna „het openingsbesluit” genoemd). Op 23 maart 2015 heeft de Commissie het formele onderzoek van de zaak afgerond en was zij van oordeel dat de volgende maatregelen onrechtmatige en onverenigbare staatssteun vormden (4):
|
|
(4) |
In datzelfde besluit kwam de Commissie tot de conclusie dat Griekenland geen staatssteun heeft toegekend door PCT vrijstelling te verlenen van de regels inzake onteigening (5). |
2.2. De hier te beoordelen maatregel: vrijstelling van zegelrechten voor door PPA aan PCT betaalde vergoedingen (6)
|
(5) |
Wat betreft de vrijstelling van zegelrechten voor door PPA aan PCT betaalde vergoedingen, kwam de Commissie in haar eindbesluit tot de conclusie dat hiermee een selectief voordeel voor PCT gemoeid was omdat de onderneming hiermee werd bevrijd van de betaling van zegelrechten in het geval van: a) een door PPA te betalen vergoeding voor het activeren van een boeteclausule in de concessieovereenkomst, en b) andere door PPA betaalde vergoedingen, zoals voor schade in verband met de concessieovereenkomst of internationale contractbreuk (7). |
|
(6) |
Met name wat betreft het geval van het betalen van vergoedingen door PPA ingevolge het activeren van een boeteclausule (d.w.z. scenario a) uit de voorgaande overweging), concludeerde de Commissie dat het aan PCT verleende voordeel erin bestond dat de onderneming in dergelijke gevallen werd vrijgesteld van een vast zegelrecht (8). Deze conclusie was gebaseerd op de overweging dat volgens het algemene geldende raamwerk, d.w.z. het wetboek inzake zegelrechten (9), zoals uitgelegd door circulaire nr. 44/1987, over het activeren van een nevenovereenkomst met betrekking tot een overeenkomst waarover btw verschuldigd is, een vast zegelrecht moet worden betaald (10). |
|
(7) |
In zijn bij het Gerecht ingediende verzoek tot nietigverklaring van het eindbesluit had Griekenland evenwel aangegeven dat vaste zegelrechten in de regel zijn afgeschaft sinds 2001 (11), d.w.z. voordat met wet nr. 3755/2009 de desbetreffende vrijstelling voor PCT is ingevoerd. |
3. BEOORDELING VAN DE MAATREGEL
|
(8) |
Tijdens de administratieve procedure die uitmondde in het eindbesluit, hebben de Griekse autoriteiten nimmer de aandacht van de Commissie gevestigd op het besluit dat vaste zegelrechten sinds 2001 zijn afgeschaft uit hoofde van artikel 25 van wet nr. 2873/2000. De Griekse autoriteiten hebben nimmer melding gemaakt van dit feit, hoewel met het openingsbesluit de formele onderzoekprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU was ingeleid ten aanzien van de vrijstelling voor PCT van zegelrechten in zijn algemeenheid (met inbegrip van vaste en evenredige zegelrechten) die PCT is toegekend op grond van artikel 2, lid 10, van de wet (12). Daarom was de Commissie, op grond van de gegevens waarover zij kon beschikken op het ogenblik waarop zij haar besluit vaststelde, gerechtigd om te concluderen dat met artikel 2, lid 10, van de wet onverenigbare staatssteun aan PCT werd verleend door de onderneming vrij te stellen van zowel vaste als evenredige zegelrechten over vergoedingen die PPA aan PCT betaalt in het kader van de concessieovereenkomst (13). |
|
(9) |
Ook al hebben de Griekse autoriteiten de Commissie laattijdig (14) in kennis gesteld van de veralgemeende afschaffing van vaste zegelrechten, toch wil de Commissie, als goed bestuurder en hoewel zij daartoe niet verplicht is, dat eindbesluit aanpassen, zodat de actuele situatie daarmee volledig tot uiting wordt gebracht. Met name in het licht van artikel 25 van wet nr. 2873/2000 ziet de Commissie niet langer enige grond om te oordelen dat met de vrijstelling van artikel 2, lid 10, van de wet een voordeel is verleend aan PCT ingeval PPA aan PCT een vergoeding betaalt als gevolg van het activeren van boeteclausule in de concessieovereenkomst. Overeenkomstig de algemeen toepasselijke regels voor dit soort compensatiebetalingen was op het tijdstip dat wet nr. 3755/2009 is vastgesteld, geen zegelrecht verschuldigd. Daarom levert de betrokken vrijstelling van zegelrecht geen selectief voordeel op aan PCT en vormt deze dus op dit punt geen staatssteun. |
|
(10) |
Aangezien deze informatie de Commissie pas ter kennis is gebracht na de vaststelling van haar eindbesluit besluit zij nu, in het kader van behoorlijk bestuur, om haar besluit van 23 maart 2015 te wijzigen wat dit specifieke voordeel van de maatregel betreft. Het eindbesluit wordt in geen enkel opzicht gewijzigd wat betreft de vrijstelling voor PCT van de (evenredige) zegelrechten over andere soorten vergoedingen die door PPA worden betaald (d.w.z. scenario b) in overweging 5 van dit besluit). |
4. CONCLUSIE
|
(11) |
Mitsdien heeft de Commissie besloten dat Griekenland geen staatssteun aan PCT heeft verleend in de vorm van vrijstelling van betaling van zegelrechten ingeval PPA aan PCT vergoedingen betaalt ingevolge de activering van een boeteclausule uit de concessieovereenkomst. Daarom wijzigt zij haar besluit van 23 maart 2015 voor dit aspect van de maatregel. Alle overige conclusies van genoemd besluit blijven ongewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 1, punt 7, van het besluit in zaak SA.28876 betreffende Container terminal Port Piraeus & Cosco Pacific Limited (PB L 269 van 15.10.2015, blz. 93) wordt een tweede zin toegevoegd:
„deze maatregel betreft niet vergoedingen aan PCT verschuldigd als gevolg van het activeren van een boeteclausule van de concessieovereenkomst, waarover hoe dan ook geen zegelrechten verschuldigd zijn;”.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek.
Gedaan te Brussel, 7 april 2016
Voor de Commissie
Margrethe VESTAGER
Lid van de Commissie
(1) PB L 269 van 15.10.2015, blz. 93.
(2) Zie de overwegingen 10 tot en met 19 van het eindbesluit.
(3) PB C 301 van 5.10.2012, blz. 55.
(4) Zie artikel 1 van het eindbesluit.
(5) Zie artikel 2 van het eindbesluit.
(6) Artikel 2, lid 10, van wet nr. 3755/2009.
(7) Zie de overwegingen 195 tot en met 209 van het eindbesluit, en met name de overwegingen 202 tot en met 205.
(8) Zie de overwegingen 201, 202 en 203 van het eindbesluit.
(9) Presidentieel decreet van 28 juli 1931, OJ A239 1931.
(10) Zie overweging 197 van het eindbesluit.
(11) Overeenkomstig artikel 25 van wet nr. 2873/2000.
(12) Zie punt 4.2.3.8 (overwegingen 194 tot en met 203) van het openingsbesluit.
(13) Zie ook arrest van het Hof van Justitie van 15 april 2008, Nuova Agricast, C-390/06, ECLI:EU:C:2008:224, punt 54.
(14) Voor het eerst bij het indienen van het verzoek tot nietigverklaring van het eindbesluit bij het Gerecht.