ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 99

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
19 april 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Wijzigingen op de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst van 1975)

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2018/588 van de Commissie van 18 april 2018 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft 1-methyl-2-pyrrolidon ( 1 )

3

 

*

Verordening (EU) 2018/589 van de Commissie van 18 april 2018 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft methanol ( 1 )

7

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2018/590 van de Raad van 16 april 2018 tot benoeming van een lid en een plaatsvervanger van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland

10

 

*

Besluit (EU) 2018/591 van de Raad van 16 april 2018 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland

11

 

*

Besluit (EU) 2018/592 van de Raad van 16 april 2018 tot benoeming van gewone en plaatsvervangende leden van het Raadgevend Comité voor het vrije verkeer van werknemers voor Luxemburg

12

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/593 van de Raad van 16 april 2018 waarbij de Italiaanse Republiek wordt gemachtigd een bijzondere maatregel in te voeren die afwijkt van de artikelen 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

14

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/594 van de Commissie van 13 april 2018 betreffende de indeling van benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride (trimellietzuuranhydride) (TMA) als zeer zorgwekkende stof overeenkomstig artikel 57, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 2112)  ( 1 )

16

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 94/17/COL van 31 mei 2017 ter afsluiting van het formele onderzoek naar de vrijstellingsregeling voor ambulante diensten in het kader van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 (Noorwegen) [2018/595]

18

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/1


Wijzigingen op de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst van 1975)

Volgens de kennisgeving van de VN-depositaris C.N.201.2018.TREATIES — XI.A.16 treden de volgende wijzigingen op de TIR-overeenkomst op 1 juli 2018 in werking voor alle overeenkomstsluitende partijen

Bijlage 6, toelichting 0.8.3

In plaats van „USD 50 000” lees „100 000 EUR”.

Bijlage 6, toelichting 8.1 bis.6

Voeg een nieuwe toelichting 8.1 bis.6 toe die als volgt luidt:

„Het Comité kan de bevoegde diensten van de Verenigde Naties vragen om het aanvullende onderzoek uit te voeren. Het Comité kan eveneens besluiten een onafhankelijke externe auditor aan te stellen en het TIR-Uitvoerend Orgaan opdracht te geven het mandaat van de audit vast te leggen, op basis van het doel en de strekking van de audit zoals bepaald door het Comité. Het mandaat wordt door het Comité goedgekeurd. Het aanvullende onderzoek door een externe onafhankelijke auditor resulteert in een verslag en een managementletter die bij het Comité worden ingediend. In een dergelijk geval worden de financiële kosten voor de aanstelling van een onafhankelijke externe auditor, inclusief de daarmee samenhangende aanbestedingsprocedure, betaald uit het budget van het TIR-Uitvoerend Orgaan.”.

Bijlage 8, artikel 1 bis

Voeg na de bestaande tekst de nieuwe leden 4, 5 en 6 toe die als volgt luiden:

„4.   Het Comité ontvangt en onderzoekt de jaarlijkse geauditeerde financiële overzichten en het (de) auditverslag(en) die door de internationale organisatie zijn ingediend overeenkomstig de verplichtingen krachtens bijlage 9, deel III. Het Comité kan de internationale organisatie of de onafhankelijke externe auditor tijdens en binnen de reikwijdte van het onderzoek om aanvullende informatie, verduidelijkingen en documenten vragen.

5.   Onverminderd het in lid 4 vermelde onderzoek heeft het Comité het recht om op basis van een risicoanalyse om aanvullende onderzoeken te vragen. Het Comité geeft het TIR-Uitvoerend Orgaan opdracht of verzoekt de bevoegde diensten van de Verenigde Naties om de risicoanalyse uit te voeren.

De reikwijdte van de aanvullende onderzoeken wordt bepaald door het Comité, rekening houdend met de risicoanalyse van het TIR-Uitvoerend Orgaan of van de bevoegde diensten van de Verenigde Naties.

De resultaten van alle in dit artikel bedoelde onderzoeken worden bewaard door het TIR-Uitvoerend Orgaan en ter consideratie aan alle overeenkomstsluitende partijen verstrekt.

6.   De procedure voor aanvullende onderzoeken wordt goedgekeurd door het Comité.”.

Bijlage 9, deel I, ondertitel

Vervang „voorwaarden” door „minimumvoorwaarden”.

Bijlage 9, deel I, punt 1, inleidende zin

Vervang „voorwaarden” door „minimumvoorwaarden”.

Bijlage 9, deel I, punt 7

In plaats van „de overeenkomstsluitende partijen” lees „iedere Overeenkomstsluitende Partij”.

Bijlage 9, deel II, procedure, standaard-machtigingsformulier, eerste alinea

In plaats van „erkende” lees „gemachtigde”.

Bijlage 9, deel III, punt 2

Voeg na punt n) de nieuwe punten o), p) en q) toe die als volgt luiden:

„o)

afzonderlijke dossiers en rekeningen bijhouden met informatie en documentatie betreffende de organisatie en werking van een internationaal garantiestelsel en het drukken en distribueren van TIR-carnets;

p)

volledige en tijdige medewerking verlenen, onder meer (maar niet uitsluitend) door toegang tot bovengenoemde dossiers en rekeningen te verlenen aan de bevoegde diensten van de Verenigde Naties of enige andere naar behoren gemachtigde bevoegde entiteit en te allen tijde aanvullende inspecties en door hen namens de overeenkomstsluitende partijen verrichte audits te faciliteren, overeenkomstig bijlage 8, artikel 1 bis, leden 5 en 6;

q)

een onafhankelijke externe auditor aanstellen om jaarlijkse audits van de onder o) bedoelde dossiers en rekeningen uit te voeren. De externe audit wordt verricht overeenkomstig de internationale auditnormen (International Standards on Auditing, ISA) en resulteert in een jaarlijks auditverslag en een managementletter die bij het Administratief Comité worden ingediend.”.


VERORDENINGEN

19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/3


VERORDENING (EU) 2018/588 VAN DE COMMISSIE

van 18 april 2018

tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft 1-methyl-2-pyrrolidon

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 68, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 9 augustus 2013 heeft Nederland bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen („ECHA”) een dossier overeenkomstig artikel 69, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingediend („het bijlage XV-dossier” (2)), met het voorstel om 1-methyl-2-pyrrolidon (NMP) te beperken. In het bijlage XV-dossier is aangetoond dat actie op het niveau van de Unie nodig is om de risico's voor de gezondheid van werknemers die worden blootgesteld aan NMP aan te pakken.

(2)

Nederland baseerde zijn gevarenbeoordeling van NMP op de effecten van de stof op verschillende eindpunten betreffende de menselijke gezondheid. Ontwikkelingstoxiciteit werd beschouwd als het meest kritische van deze eindpunten en werd gebruikt voor de vaststelling van het niveau waarboven werknemers niet aan NMP mogen worden blootgesteld via inademing (de afgeleide dosis zonder effect of „DNEL” (derived no-effect level)).

(3)

In Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat mengsels met NMP-concentraties van 0,3 % of hoger moeten worden ingedeeld als giftig voor de voortplanting, categorie 1B. De beperking dient te gelden voor dergelijke mengsels, alsook voor de stof als zodanig.

(4)

Op 5 juni 2014 heeft het Comité risicobeoordeling (RAC) een advies gepubliceerd waarin wordt bevestigd dat ontwikkelingstoxiciteit het meest kritische eindpunt voor de gezondheid is. Het RAC was evenwel van mening dat voor de berekening van het DNEL voor NMP een andere beoordelingsfactor moet worden gebruikt dan de door Nederland gebruikte factor. De nieuwe beoordelingsfactor resulteerde in een niveau dat twee keer zo hoog was als het door Nederland voorgestelde DNEL voor de blootstelling van werknemers aan NMP via inademing. Het RAC berekende ook een DNEL voor blootstelling van werknemers aan NMP via de huid, iets wat niet was opgenomen in het voorstel van Nederland.

(5)

Het RAC heeft bevestigd dat algehele blootstelling boven deze twee DNEL's een gevaar vormt voor de gezondheid van werknemers en dat de op basis van deze twee DNEL's voorgestelde beperking qua doeltreffendheid de meest passende maatregel op het niveau van de Unie is om dat risico te beperken.

(6)

Op 25 november 2014 heeft het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) van het ECHA zijn advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat de voorgestelde beperking, zoals gewijzigd door het RAC, qua sociaaleconomische voordelen en kosten de meest passende maatregel op het niveau van de Unie is om het gezondheidsrisico van NMP voor werknemers te verminderen.

(7)

Het SEAC raadde aan de toepassing van de voorgestelde beperking over vijf jaar van kracht te laten worden, overeenkomstig de in het bijlage XV-dossier voorgestelde overgangsperiode, om de belanghebbenden in staat te stellen de nodige nalevingsmaatregelen te nemen. Het SEAC was van oordeel dat het mogelijk passend zou zijn een langere periode vast te stellen voor de kabelcoatingsector, wat door Nederland was geïdentificeerd als de sector waar de voorgestelde beperking het sterkst gevoeld zou worden, vanwege de kosten.

(8)

Het Forum voor de uitwisseling van handhavingsinformatie van het ECHA, als bedoeld in artikel 76, lid 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, werd tijdens de beperkingsprocedure geraadpleegd en met de aanbevelingen ervan is rekening gehouden.

(9)

Op 9 december 2014 heeft het ECHA de adviezen van het RAC en het SEAC (4) aan de Commissie voorgelegd.

(10)

Toen de Commissie een discrepantie constateerde tussen het in het advies van het RAC voorgestelde DNEL voor blootstelling aan NMP via inademing en de indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan NMP zoals vastgesteld in het kader van Richtlijn 98/24/EG van de Raad (5) naar aanleiding van een wetenschappelijk advies van het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan chemische agentia (SCOEL), heeft zij het RAC en het SCOEL verzocht samen te werken om tot een oplossing te komen overeenkomstig artikel 95, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006. Als gevolg hiervan heeft het RAC op 30 november 2016 een gewijzigd DNEL voor blootstelling van werknemers aan NMP via inademing voorgesteld.

(11)

Op basis van de adviezen van het RAC en het SEAC is de Commissie van mening dat de vervaardiging en het gebruik van NMP een onaanvaardbaar gezondheidsrisico betekenen voor werknemers, dat op het niveau van de Unie moet worden aangepakt. Een beperking waarbij DNEL's worden vastgesteld voor blootstelling van werknemers aan NMP zowel via inademing als via de huid is de meest geschikte maatregel op het niveau van de Unie om dat risico aan te pakken. Een dergelijke beperking zou passender zijn dan de indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling voor NMP die krachtens Richtlijn 98/24/EG zijn vastgesteld, en wel omdat: de totale risicokarakteriseringsverhouding is gebaseerd op gekwantificeerde DNEL's voor NMP bij inademing en blootstelling via de huid; de harmonisatie van het chemische veiligheidsrapport in het registratiedossier via geharmoniseerde DNEL's alleen kan worden vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1907/2006; downstreamgebruikers even lang de tijd zullen krijgen als de producenten en importeurs om te voorzien in risicobeheersmaatregelen en operationele omstandigheden die ervoor zorgen dat de blootstelling van werknemers aan NMP lager is dan de twee DNEL's; de DNEL's zullen worden opgenomen in de desbetreffende specifieke secties van de veiligheidsinformatiebladen.

(12)

De voorgestelde beperking is derhalve de meest geschikte maatregel op het niveau van de Unie om het gezondheidsrisico van werknemers van blootstelling aan NMP aan te pakken.

(13)

Bij de uitvoering van de chemische veiligheidsbeoordeling van een stof overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 moeten DNEL's worden toegepast teneinde te helpen bij het bepalen van de maatregelen die moeten worden genomen voor de beheersing van het risico van de desbetreffende stof in specifieke blootstellingsscenario's. Wanneer fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers van plan zijn NMP (als zodanig of in mengsels in een bepaalde concentratie) in de handel te brengen, moet die beoordeling beschikbaar worden gesteld aan de gebruikers van de stof, door middel van chemische veiligheidsrapporten en veiligheidsinformatiebladen. Fabrikanten en downstreamgebruikers moeten ervoor zorgen dat de DNEL's niet worden overschreden wanneer de stof wordt vervaardigd of gebruikt, als zodanig of in een mengsel.

(14)

De belanghebbenden moeten voldoende tijd krijgen om passende maatregelen te treffen om aan de voorgestelde beperking te voldoen, met name bij het coaten van kabels, waar de kosten van uitvoering van de beperking bijzonder hoog zullen zijn. Daarom moet, met inachtneming van de aanbeveling van het SEAC, de toepassing van de beperking worden uitgesteld. De duur van de overgangsperiode moet rekening houden met de vertraging in de beperkingsprocedure als gevolg van de samenwerking tussen het RAC en het SCOEL.

(15)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

De in deze verordening vervatte bepalingen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 april 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  https://echa.europa.eu/documents/10162/ee4c88a9-d26f-4872-98fd-fb41646cc9e1

(3)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353, 31.12.2008, blz. 1).

(4)  https://echa.europa.eu/documents/10162/aa77c7c4-4026-4ab1-b032-8a73b61ca8bd

(5)  Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (veertiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11).


BIJLAGE

Aan bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

„71.

1-methyl-2-pyrrolidon

(NMP)

CAS-nr. 872-50-4

EG-nr. 212-828-1

1.

Mag niet in de handel worden gebracht als stof als zodanig of in mengsels in een concentratie gelijk aan of groter dan 0,3 % na 9 mei 2020, tenzij de fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers afgeleide doses zonder effect (DNEL's) voor blootstelling van werknemers van 14,4 mg/m3 voor blootstelling via inademing en 4,8 mg/kg/dag bij dermale blootstelling hebben opgenomen in de desbetreffende chemische veiligheidsrapporten en veiligheidsinformatiebladen.

2.

Mag niet worden vervaardigd of worden gebruikt als stof als zodanig of in mengsels in een concentratie gelijk aan of groter dan 0,3 % na 9 mei 2020, tenzij de fabrikanten en downstreamgebruikers passende risicobeheersmaatregelen nemen en zorgen voor operationele omstandigheden die garanderen dat de blootstelling van werknemers lager is dan de DNEL's overeenkomstig punt 1.

3.

In afwijking van de punten 1 en 2 zijn de daarin vervatte verplichtingen met ingang van 9 mei 2024 van toepassing op het in de handel brengen voor gebruik als of het gebruik als oplosmiddel of reactieve stof bij het coaten van kabels.”


19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/7


VERORDENING (EU) 2018/589 VAN DE COMMISSIE

van 18 april 2018

tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft methanol

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 68, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 16 januari 2015 heeft Polen overeenkomstig artikel 69, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen („het Agentschap”) een dossier (2) („het bijlage XV-dossier”) ingediend teneinde de procedure voor beperkingen van de artikelen 69 tot en met 73 van die verordening op gang te brengen. In het bijlage XV-dossier wordt aangegeven dat blootstelling aan methanol in ruitensproeiervloeistof en gedenatureerde alcohol een risico voor de gezondheid van de mens vormt, en wordt een verbod op het in de handel brengen ervan voorgesteld. In het bijlage XV-dossier is aangetoond dat op het niveau van de Unie actie moet worden ondernomen.

(2)

De in het bijlage XV-dossier voorgestelde beperking is gericht op vermindering van het aantal gevallen van ernstige methanolvergiftiging na consumptie door chronische alcoholisten en sporadisch door niet-alcoholisten van ruitensproeiervloeistoffen of gedenatureerde alcohol die als een goedkope vervanging van voor consumptie geschikte alcohol wordt gebruikt. De beperking zal naar verwachting ook methanolvergiftiging voorkomen na het per ongeluk innemen van ruitensproeiervloeistoffen en gedenatureerde alcohol, waaronder gevallen van vergiftiging van kinderen. In het bijlage XV-dossier en de openbare raadpleging zijn gevallen in zeven lidstaten gerapporteerd van vergiftiging veroorzaakt door inname van ruitensproeiervloeistoffen en in ten minste twee lidstaten was sprake van dodelijke gevallen.

(3)

Op 4 december 2015 heeft het Comité risicobeoordeling (RAC) een advies goedgekeurd waarin werd geconcludeerd dat blootstelling aan methanol in ruitensproeiervloeistoffen en in gedenatureerde alcohol in een concentratie van meer dan 0,6 gewichtsprocent een risico van overlijden, ernstige oculaire toxiciteit of andere ernstige gevolgen van methanolvergiftiging oplevert. Het RAC heeft verder geadviseerd dat een beperking de meest geëigende maatregel op het niveau van de Unie is om de vastgestelde risico's aan te pakken, zowel wat de doeltreffendheid als de uitvoerbaarheid betreft.

(4)

Op 11 maart 2016 heeft het Comité sociaaleconomische analyse (SEAC) zijn advies over de voorgestelde beperking goedgekeurd. Wat gedenatureerde alcohol betreft, heeft het SEAC de sociaaleconomische gevolgen van de opneming in de voorgestelde beperking niet kunnen beoordelen, omdat in het bijlage XV-dossier en bij de openbare raadpleging sociaaleconomische gegevens ontbraken. Wat de ruitensproeiervloeistoffen betreft, was het SEAC van mening dat de voorgestelde beperking de meest geëigende maatregel op het niveau van de Unie is om de vastgestelde risico's aan te pakken, wat de sociaaleconomische kosten en baten betreft. Over het geheel genomen is het SEAC van mening dat verschillen in de nationale wetgeving tussen de lidstaten de interne markt kunnen verstoren.

(5)

Tijdens de procedure voor de beperking is het Forum voor de uitwisseling van handhavingsinformatie geraadpleegd en met zijn advies is rekening gehouden, met name om in de voorgestelde beperking vloeistoffen op te nemen die worden gebruikt om voorruiten te ontdooien.

(6)

Op 28 april 2016 heeft het Agentschap de adviezen van het RAC en het SEAC aan de Commissie voorgelegd (3). Op basis van deze adviezen heeft de Commissie geconcludeerd dat de aanwezigheid van methanol in ruitensproeiervloeistoffen en ruitontdooiers een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens vormt dat op het niveau van de gehele Unie moet worden aangepakt.

(7)

Belanghebbenden moeten voldoende tijd krijgen om passende maatregelen te nemen om aan de voorgestelde beperking te voldoen, met name om de verkoop van voorraden mogelijk te maken en voor voldoende communicatie in de toeleveringsketen te zorgen. Daarom moet de toepassing van de beperking worden uitgesteld.

(8)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte bepalingen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 april 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  https://echa.europa.eu/documents/10162/78b0f856-3751-434b-b6bc-6d33cd630c85

(3)  https://echa.europa.eu/documents/10162/2b3f6422-ab4d-4b85-9642-ebe225070858


BIJLAGE

Aan bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

„69.

Methanol

CAS-nr. 67-56-1

EG-nr. 200-659-6

Mag na 9 mei 2018 niet in een concentratie van 0,6 gewichtsprocent of meer in ruitensproeiervloeistoffen of ruitontdooiers voor het grote publiek in de handel worden gebracht.”


BESLUITEN

19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/10


BESLUIT (EU) 2018/590 VAN DE RAAD

van 16 april 2018

tot benoeming van een lid en een plaatsvervanger van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Duitse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van het mandaat op grond waarvan mevrouw Birgit J. HONÉ (Staatssekretärin für Europa und Regionale Landesentwicklung, Niedersächsische Staatskanzlei) was voorgedragen.

(3)

In het Comité van de Regio's is een zetel van plaatsvervangend lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Fritz JAECKEL,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's worden de volgende personen benoemd voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020:

a)

tot lid:

mevrouw Birgit J. HONÉ, Ministerin für Bundes- und Europaangelegenheiten und Regionale Entwicklung (Niedersachsen) (mandaatswijziging),

en

b)

tot plaatsvervangend lid:

de heer Clemens LAMMERSKITTEN, Mitglied des Niedersächsischen Landtags.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 16 april 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).


19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/11


BESLUIT (EU) 2018/591 VAN DE RAAD

van 16 april 2018

tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Duitse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. Op 4 maart 2016 is mevrouw Dagmar MÜHLENFIELD bij Besluit (EU) 2016/333 van de Raad (4) als lid vervangen door de heer Joachim WOLBERGS.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Joachim WOLBERGS,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:

Dr. Peter KURZ, Oberbürgermeister der Stadt Mannheim.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 16 april 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).

(4)  Besluit (EU) 2016/333 van de Raad van 4 maart 2016 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland (PB L 62 van 9.3.2016, blz. 16).


19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/12


BESLUIT (EU) 2018/592 VAN DE RAAD

van 16 april 2018

tot benoeming van gewone en plaatsvervangende leden van het Raadgevend Comité voor het vrije verkeer van werknemers voor Luxemburg

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (1), en met name de artikelen 23 en 24,

Gezien de lijsten van kandidaten die de regering van Luxemburg bij de Raad hebben ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit van 20 september 2016 (2) heeft de Raad de gewone en de plaatsvervangende leden van het Raadgevend Comité voor het vrije verkeer van werknemers benoemd voor het tijdvak van 25 september 2016 tot en met 24 september 2018.

(2)

De regering van Luxemburg heeft voordrachten voor een aantal vacante zetels ingediend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Tot gewone en plaatsvervangende leden van het Raadgevend Comité voor het vrije verkeer van werknemers worden benoemd voor het tijdvak dat afloopt op 24 september 2018:

I.

REGERINGSVERTEGENWOORDIGERS

Land

Leden

Plaatsvervangende leden

Luxemburg

de heer Tom GOEDERS

de heer Laurent PEUSCH

de heer Jonathan PEREIRA NEVES

II.

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE WERKNEMERSORGANISATIES

Land

Leden

Plaatsvervangende leden

Luxemburg

de heer Carlos PEREIRA

de heer Paul DE ARAUJO

de heer Eduardo DIAS

III.

VERTEGENWOORDIGERS VAN DE WERKGEVERSORGANISATIES

Land

Leden

Plaatsvervangende leden

Luxemburg

mevrouw Patricia HEMMEN

de heer François ENGELS

mevrouw Héloise ANTOINE

Artikel 2

De Raad zal de nog niet voorgedragen gewone en plaatsvervangende leden later benoemen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 16 april 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1).

(2)  Besluit van de Raad van 20 september 2016 houdende benoeming van de gewone en de plaatsvervangende leden van het Raadgevend Comité voor het vrije verkeer van werknemers (PB C 348 van 23.9.2016, blz. 3).


19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/14


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/593 VAN DE RAAD

van 16 april 2018

waarbij de Italiaanse Republiek wordt gemachtigd een bijzondere maatregel in te voeren die afwijkt van de artikelen 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1), en met name artikel 395, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 27 september 2017, heeft Italië verzocht om machtiging om met een bijzondere maatregel te mogen afwijken van de artikelen 218 en 232 van Richtlijn 2006/112/EG en elektronische facturering verplicht te mogen stellen aan alle op zijn grondgebied gevestigde belastingplichtigen, met uitzondering van belastingplichtigen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen zoals bedoeld in artikel 282 van die richtlijn, en de facturen te laten afgeven via het Sistema di Interscambio („het SdI”), dat door het Italiaanse agentschap voor overheidsinkomsten wordt beheerd.

(2)

Overeenkomstig artikel 395, lid 2, van Richtlijn 2006/112/EG heeft de Commissie de overige lidstaten bij brieven van 3 november 2017 en 6 november 2017 van het verzoek van Italië in kennis gesteld. Bij brief van 7 november 2017 heeft de Commissie Italië meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

(3)

Volgens Italië zou de belastingdienst in Italië dankzij het gebruik van verplichte elektronische facturering waarbij facturen via het SdI worden afgegeven, in real time over de gegevens kunnen beschikken van de door bedrijven uitgereikte en ontvangen facturen. Daardoor zouden de belastingautoriteiten vroegtijdig en op geautomatiseerde wijze kunnen controleren of de aangegeven en betaalde btw-bedragen met elkaar overeenstemmen.

(4)

Italië is van oordeel dat de invoering van een algemene verplichting tot elektronische facturering fraude en ontduiking zou helpen bestrijden, de digitaliseringsinspanningen zou stimuleren en de inning van de belasting zou vereenvoudigen.

(5)

Italië stelt dat de facultatieve toepassing van het bestaande SdI-systeem al de grondslag heeft gelegd voor de invoering van de verplichte elektronische facturering, waardoor de overschakeling op de elektronische facturering vlot kan verlopen en het effect van de bijzondere maatregel op belastingplichtigen beperkt blijft.

(6)

Gezien het brede toepassingsgebied en vernieuwende karakter van de bijzondere maatregel is het zaak het effect van de bijzondere maatregel op de bestrijding van btw-fraude en -ontduiking en op belastingplichtigen te evalueren. Als Italië een verlenging van de bijzondere maatregel nodig zou achten, moet het de Commissie dan ook een verslag met een evaluatie van de doeltreffendheid van de bijzondere maatregel inzake bestrijding van btw-fraude en -ontduiking en vereenvoudiging van de belastinginning voorleggen, samen met het verzoek om verlenging.

(7)

Deze bijzondere maatregel mag geen afbreuk doen aan het recht van de afnemer om een factuur op papier te ontvangen in het geval van intracommunautaire transacties.

(8)

De gevraagde bijzondere maatregel moet beperkt zijn in de tijd om nadien te kunnen evalueren of de bijzondere maatregel passend en effectief was in het licht van de doelstellingen ervan.

(9)

De bijzondere maatregel staat derhalve in verhouding tot de beoogde doelstellingen omdat hij beperkt is in de tijd en in toepassing, aangezien hij niet geldt voor belastingplichtigen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen zoals bedoeld in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG. De bijzondere maatregel houdt ook niet het risico in dat de fraude zal verschuiven naar andere sectoren of andere lidstaten.

(10)

De bijzondere maatregel zal geen nadelige invloed hebben op de totale belastingopbrengst in het stadium van het eindverbruik en ook geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen van de Unie uit de btw,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 218 van Richtlijn 2006/112/EG wordt Italië gemachtigd om uitsluitend facturen onder de vorm van elektronische documenten of berichten te aanvaarden indien zij zijn uitgereikt door op het Italiaanse grondgebied gevestigde belastingplichtigen, met uitzondering van belastingplichtigen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen zoals bedoeld in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG.

Artikel 2

In afwijking van artikel 232 van Richtlijn 2006/112/EG wordt Italië gemachtigd te bepalen dat voor het gebruik van elektronische facturen die zijn uitgereikt door op het Italiaanse grondgebied gevestigde belastingplichtigen, geen goedkeuring van de ontvanger vereist is, behalve voor facturen die zijn uitgereikt door belastingplichtigen die gebruikmaken van de vrijstelling voor kleine ondernemingen zoals bedoeld in artikel 282 van Richtlijn 2006/112/EG.

Artikel 3

Italië stelt de Commissie in kennis van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde nationale maatregelen tot uitvoering van de afwijkingen.

Artikel 4

Dit besluit is van toepassing van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2021.

Indien Italië een verlenging van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde maatregel nodig zou achten, moet het de Commissie een verslag met een evaluatie van de doeltreffendheid van de maatregel inzake bestrijding van btw-fraude en -ontduiking en vereenvoudiging van de belastinginning voorleggen, samen met een verzoek om verlenging. In het verslag moet ook het effect van de maatregel op belastingplichtigen worden geëvalueerd en met name worden onderzocht of hij voor hen hogere administratieve lasten en kosten veroorzaakt.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Luxemburg, 16 april 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.


19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/16


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/594 VAN DE COMMISSIE

van 13 april 2018

betreffende de indeling van benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride (trimellietzuuranhydride) (TMA) als zeer zorgwekkende stof overeenkomstig artikel 57, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 2112)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 59, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 8 augustus 2016 heeft Nederland overeenkomstig artikel 59, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen („het Agentschap”) een overeenkomstig bijlage XV bij die verordening opgesteld dossier („bijlage XV-dossier”) ingediend met het oog op de indeling van benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride (trimellietzuuranhydride) (TMA) (EG-nr. 209-008-0, CAS-nr. 552-30-7) als een zeer zorgwekkende stof omdat zij aan het in artikel 57, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bepaalde criterium voldoet. Volgens het bijlage XV-dossier zijn er wetenschappelijke aanwijzingen gevonden voor waarschijnlijke ernstige gevolgen voor de gezondheid van de mens als gevolg van het sensibiliserende effect van TMA op de luchtwegen, die even zorgwekkend zijn als die van andere stoffen die in artikel 57, onder a) tot en met e), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn vermeld.

(2)

Op 15 december 2016 heeft het Comité lidstaten van het Agentschap (Member State Committee, MSC) een advies (2) over het bijlage XV-dossier aangenomen. Terwijl de meeste de leden van het MSC van mening waren dat TMA aan de voorwaarden voor indeling als een zeer zorgwekkende stof overeenkomstig artikel 57, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voldoet, heeft het MSC daarover geen unanieme overeenstemming bereikt. Drie leden hebben zich van stemming onthouden. Drie leden waren van mening dat er onvoldoende wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor waarschijnlijke ernstige gevolgen van TMA voor de gezondheid van de mens die even zorgwekkend zijn als die van andere stoffen die in artikel 57, onder a) tot en met e), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn vermeld. Die drie leden hebben twijfels geuit over het soort, de ernst, de onomkeerbaarheid en de vertraging van gevolgen van TMA voor de gezondheid, de sociale problemen die ermee samenhangen en de onmogelijkheid om een veilig niveau van blootstelling aan TMA af te leiden.

(3)

Op 17 januari 2017 heeft het Agentschap overeenkomstig artikel 59, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 de Commissie in kennis gesteld van het advies van het MSC met het oog op het nemen van een besluit betreffende de indeling van TMA op grond van artikel 57, onder f), van die verordening.

(4)

De Commissie merkt op, in overeenstemming met het meerderheidsstandpunt van het MSC, dat de in het bijlage XV-dossier voorgelegde en besproken gegevens erop wijzen dat TMA bij verlengde blootstelling en bij het uitblijven van interventie ernstige en blijvende schade aan de longfuncties veroorzaakt. De gemelde gevallen van schadelijke gevolgen variëren van beroepsgerelateerde rhinoconjunctivitis en astma tot ernstige ziekten zoals „pulmonary disease-anaemia syndrome”, allergische laryngitis en allergische alveolitis. Sommige gevolgen waren zo ernstig dat de betrokkenen erdoor gedwongen waren hun baan op te geven. De meest ernstige gevolgen kunnen lange medische behandeling vereisen.

(5)

De Commissie merkt op dat, hoewel sommige gevolgen van TMA omkeerbaar zijn bij stopzetting van de blootstelling, het eerste stadium van de sensibilisatie (inductie) onomkeerbaar is. Daarnaast kan uit de beschikbare gegevens over mensen niet worden afgeleid beneden welk concentratieniveau van TMA zich geen sensibilisatie voordoet. Verder lijken ernstige gevolgen pas na een bepaalde latentietijd op te treden. De mogelijkheid dat zich onomkeerbare effecten voordoen voordat een gezondheidsprobleem wordt vastgesteld, is in de indeling van andere zeer zorgwekkende stoffen (3) overeenkomstig artikel 57, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 op grond van hun sensibiliserende effect op de luchtwegen erkend, en is in de Europese jurisprudentie (4) bevestigd.

(6)

De Commissie merkt op dat reeds gesensibiliseerde werknemers enkel mogen worden overgeplaatst naar taken waar zij niet aan TMA worden blootgesteld, teneinde te vermijden dat de ernstige negatieve effecten zich opnieuw zouden voordoen en tot sociale problemen en gevolgen voor de levenskwaliteit van de gesensibiliseerde werknemers zouden leiden.

(7)

De Commissie is daarom van mening, in overeenstemming met het meerderheidsadvies van het MSC, dat TMA even zorgwekkend is als de in artikel 57, onder a) tot en met e), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 vermelde stoffen en dat bijgevolg TMA op grond van haar sensibiliserende effect op de luchtwegen als een zeer zorgwekkende stof overeenkomstig artikel 57, onder f), van die verordening moet worden ingedeeld.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Benzeen-1,2,4-tricarbonzuur-1,2-anhydride (trimellietzuuranhydride) (TMA) (EG-nr. 209-008-0, CAS-nr. 552-30-7) wordt op grond van haar sensibiliserende effect op de luchtwegen als een zeer zorgwekkende stof overeenkomstig artikel 57, onder f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingedeeld.

2.   De in lid 1 beschreven stof wordt in de in artikel 59, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bedoelde lijst van stoffen die in aanmerking komen („kandidaatslijst”) opgenomen met onder „Reden voor opname” de volgende vermelding: „Sensibiliserend effect op de luchtwegen (artikel 57, onder f)) — gezondheid van de mens”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot het Europees Agentschap voor chemische stoffen.

Gedaan te Brussel, 13 april 2018.

Voor de Commissie

Elżbieta BIEŃKOWSKA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  http://echa.europa.eu/role-of-the-member-state-committee-in-the-authorisation-process/svhc-opinions-of-the-member-state-committee

(3)  Overeenkomst van het Comité lidstaten inzake de indeling van diazeen-1,2-dicarboxamide [C,C′-azodi(formamide)] als een zeer zorgwekkende stof (https://echa.europa.eu/documents/10162/5b3971ca-7683-414b-b7df-085744c5b327);

overeenkomst van het Comité lidstaten inzake de indeling van hexahydromethylftaalzuuranhydride, hexahydro-4-methylftaalzuuranhydride, hexahydro-1-methylftaalzuuranhydride en hexahydro-3-methylftaalzuuranhydride als zeer zorgwekkende stoffen (https://echa.europa.eu/documents/10162/ab858db8-5467-429c-a94d-2e563f523d01);

overeenkomst van het Comité lidstaten inzake de indeling van cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride, cis-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride en trans-cyclohexaan-1,2-dicarbonzuuranhydride als zeer zorgwekkende stoffen. (https://echa.europa.eu/documents/10162/8a707077-bf1c-462d-bf25-dd58ffa14cf8).

(4)  Arrest van het Gerecht van 30 april 2015, Polynt en Sitre/ECHA (T-134/13, ECLI:EU:T:2015:254) en arrest van het Gerecht van 30 april 2015, Hitachi Chemical Europe e.a./ECHA (T-135/13, ECLI:EU:T:2015:253).


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

19.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 99/18


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 94/17/COL

van 31 mei 2017

ter afsluiting van het formele onderzoek naar de vrijstellingsregeling voor ambulante diensten in het kader van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 (Noorwegen) [2018/595]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (hierna „de Autoriteit” genoemd),

GEZIEN:

de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd), en met name artikelen 61 en 62,

Protocol 26 bij de EER-overeenkomst,

de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „de toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24,

Protocol 3 bij de toezichtovereenkomst (hierna „Protocol 3” genoemd), en met name artikel 7, lid 3, van deel II,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   FEITEN

1.   De procedure

(1)

De Noorse autoriteiten hebben de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 bij brief van 13 maart 2014 (1) aangemeld krachtens artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol 3. Op basis van die aanmelding en de informatie die hierna werd verstrekt (2), heeft de Autoriteit de aangemelde steunregeling goedgekeurd bij Besluit nr. 225/14/COL van 18 juni 2014.

(2)

Bij zijn arrest van 23 september 2015 in zaak E-23/14 Kimek Offshore AS/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (3) verklaarde het EVA-Hof het besluit van de Autoriteit gedeeltelijk nietig.

(3)

Bij brief van 15 oktober 2015 (4) heeft de Autoriteit de Noorse autoriteiten om informatie verzocht. Bij brief van 6 november 2015 (5) hebben de Noorse autoriteiten geantwoord.

(4)

Bij Besluit nr. 489/15/COL van 9 december 2015 is de Autoriteit de formele onderzoeksprocedure gestart. Bij brief van 13 januari 2016 (6) hebben de Noorse autoriteiten geantwoord op het besluit van de Autoriteit.

(5)

Op 30 juni 2016 werd het besluit om een formele onderzoeksprocedure te starten gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en het EER-supplement daarbij (7). De Autoriteit had op 30 juli 2016, de uiterste termijn voor het indienen van opmerkingen, opmerkingen ontvangen van twee belanghebbenden, Kimek Offshore AS (bij brief van 12 mei 2016 (8)) en NHO Finnmark (bij brief van 4 juli 2016 (9)). Bij brief van 2 augustus 2016 (10) heeft de Autoriteit deze opmerkingen doorgestuurd naar de Noorse autoriteiten, die de gelegenheid hebben gekregen om te reageren. Bij brief van 5 september 2016 (11) hebben de Noorse autoriteiten geantwoord.

2.   Het bereik van het formele onderzoek

(6)

Bij zijn arrest heeft het EVA-Hof het besluit van de Autoriteit waarbij de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 werd goedgekeurd, gedeeltelijk nietig verklaard. De steunregeling als geheel is tijdens het formele onderzoek niet opnieuw door de Autoriteit geëvalueerd. Het onderzoek is beperkt tot het gedeelte van de steunregeling (een vrijstellingsregeling voor ambulante diensten) waarvoor de goedkeuring van de Autoriteit nietig werd verklaard.

(7)

Aangezien deze vrijstellingsregeling voor ambulante diensten een vrijstelling inhoudt van de regels die zijn vastgesteld in de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen, is de Autoriteit echter van oordeel dat het, omwille van de volledigheid, nuttig is om een overzicht te geven van het doel en de rechtsgrondslag van de steunregeling als zodanig, voordat wordt overgegaan op een specifieke toelichting op de regels inzake de registratie van bedrijven in Noorwegen en de vrijstellingsregeling voor ambulante diensten.

3.   Overzicht van de steunregeling

3.1.   Doel

(8)

Het doel van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen is om de ontvolking van de minst bevolkte regio's in Noorwegen af te remmen of tegen te gaan door de werkgelegenheid te stimuleren. Met dit doel voor ogen verlaagt de exploitatiesteunregeling de arbeidskosten door de tarieven voor de socialezekerheidsbijdragen in bepaalde geografische gebieden te verlagen. In de regel varieert de steunintensiteit naargelang van het geografische gebied waar de bedrijfseenheid is geregistreerd. De regels inzake registratie worden hieronder meer in detail toegelicht.

3.2.   Nationale rechtsgrondslag

(9)

De nationale rechtsgrondslag voor de steunregeling is deel 23-2 van de nationale wet op de sociale verzekering (12). In deze bepalingen wordt de algemene verplichting uiteengezet die de werkgever heeft om socialezekerheidsbijdragen, berekend op basis van het brutosalaris van de werknemer, af te dragen. Krachtens lid 12 van dat deel mag het Noorse parlement regionaal gedifferentieerde tarieven goedkeuren, evenals specifieke bepalingen voor ondernemingen in bepaalde sectoren. Het is derhalve de nationale wet op de sociale verzekering die, samen met de jaarlijkse besluiten van het Noorse parlement, de nationale rechtsgrondslag voor de steunregeling vormt (13).

3.3.   Regels met betrekking tot registratie

(10)

Een bedrijf kan alleen in aanmerking komen voor steun uit hoofde van de regeling als het is geregistreerd in het gebied dat voor steun in aanmerking komt. De hoofdregel van de steunregeling is dat de steunintensiteit varieert naargelang van het geografische gebied waar het bedrijf is geregistreerd.

(11)

Ondernemingen zijn uit hoofde van het Noorse recht verplicht subeenheden te registreren voor elke afzonderlijke zakelijke activiteit die zij uitvoeren (14). Indien een onderneming verschillende soorten zakelijke activiteiten uitvoert, moeten er afzonderlijke subeenheden worden geregistreerd. Bovendien moeten aparte eenheden worden geregistreerd als de activiteiten op verschillende geografische locaties worden uitgeoefend.

(12)

Volgens de Noorse autoriteiten wordt voldaan aan het criterium van „afzonderlijke zakelijke activiteiten” wanneer ten minste één werknemer werkzaamheden uitvoert voor het moederbedrijf in een afzonderlijke ruimte en de onderneming hier kan worden bezocht. Alle subeenheden vormen, naargelang van de locatie waar zij zijn geregistreerd, een eigen basis voor de berekening van de gedifferentieerde socialezekerheidsbijdrage. Op deze manier komt een onderneming die is geregistreerd buiten een gebied dat in aanmerking komt voor steun uit hoofde van de regeling, toch in aanmerking voor deze steun indien haar economische activiteiten worden uitgevoerd binnen een subeenheid die is gevestigd binnen het gebied dat voor steun in aanmerking komt.

3.4.   Ambulante diensten — de maatregel die wordt onderzocht

(13)

Als uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot registratie is de steunregeling ook van toepassing op ondernemingen die zijn geregistreerd buiten het gebied dat voor steun in aanmerking komt, maar die werknemers uitlenen aan dat gebied of waarvan de werknemers mobiele activiteiten uitvoeren binnen dat gebied. Voor de toepassing van dit besluit wordt naar de werkzaamheden die in deze situaties worden uitgevoerd, verwezen als „ambulante diensten”. Dit is de vrijstellingsregeling die in dit besluit wordt onderzocht. Voor de toepassing van dit besluit wordt naar de regel verwezen als „vrijstellingsregeling”. De nationale rechtsgrond voor de vrijstellingsregeling wordt gevormd door deel 1, lid 4, van Besluit nr. 1482 van het Noorse parlement van 5 december 2013 inzake de vaststelling van het belastingtarief e.d. in het kader van de nationale wet op de sociale verzekering voor 2014.

(14)

De vrijstelling is alleen van toepassing wanneer de werknemer de helft of meer van zijn werkdagen werkt in het gebied dat voor steun in aanmerking komt. Voorts is het verlaagde tarief alleen geldig voor het gedeelte van het werk dat daar wordt verricht. Als algemene regel beslaat de periode voor belastingregistratie één kalendermaand. Socialezekerheidsbijdragen worden berekend op basis van het tarief dat geldt in het gebied waar de werkgever wordt verondersteld zijn zakelijke activiteiten uit te voeren.

(15)

Dit betekent dat, indien een werknemer van een in Oslo geregistreerde entiteit (Oslo ligt in gebied 1, een niet voor steun in aanmerking komend gebied, waar derhalve het standaardtarief van 14,1 % van toepassing is) bijvoorbeeld 60 % van zijn werkzaamheden in één kalendermaand in Vardø (dat in gebied 5 ligt, waar het 0 %-tarief van toepassing is) uitvoert en de rest in Oslo, de onderneming in aanmerking komt voor het nultarief voor het salaris dat wordt uitbetaald voor de werkzaamheden die werden verricht in Vardø, maar niet voor de werkzaamheden die werden verricht in Oslo.

4.   Arrest van het EVA-Hof

(16)

Het EVA-Hof heeft Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit nietig verklaard in zoverre bij dit besluit het vooronderzoek werd afgesloten met betrekking tot de steunmaatregel in deel 1, lid 4, van Besluit nr. 1482 van het Noorse parlement van 5 december 2013 inzake de vaststelling van het belastingtarief e.d. in het kader van de nationale wet op de sociale verzekering voor 2014.

(17)

Het EVA-Hof concludeerde (15) dat de Autoriteit de omstandigheden en hun consequenties met betrekking tot de verenigbaarheid van de regels uit deel 1, lid 4, met de werking van de EER-overeenkomst, niet heeft beoordeeld overeenkomstig artikel 61, lid 3, van de EER-overeenkomst, met name wat betreft de gevolgen van de vrijstellingsregeling voor de mededinging en het handelsverkeer en de verenigbaarheid ervan met lid 16 van de richtsnoeren van de Autoriteit inzake regionale steunmaatregelen voor 2014-2020 (16). Een dergelijke specifieke beoordeling door de Autoriteit was volgens het Hof essentieel om de aangemelde steunregeling te kunnen beoordelen.

(18)

Deel 1, lid 4, is zo opgesteld dat het een afspiegeling vormt van de vrijstellingsregeling (onderwerp van het onderhavige besluit), met een overeenkomstige antiontwijkingsmaatregel die is ontworpen om te voorkomen dat ondernemingen uit hoofde van de regeling steun aanvragen simpelweg door hun bedrijf te registreren in een gebied waar de lagere tarieven voor socialezekerheidsbijdragen gelden, maar hun werknemers vervolgens ambulante activiteiten laten uitvoeren of hen uitlenen om werkzaamheden uit te voeren in een gebied met een hoger tarief. In de huidige procedure wordt niet ingegaan op de antiontwijkingsmaatregel (17).

5.   Opmerkingen van de Noorse autoriteiten betreffende Besluit nr. 489/15/COL

(19)

In reactie op het openen van een formeel onderzoek door de Autoriteit (18) hebben de Noorse autoriteiten hun standpunt verduidelijkt dat het toepasselijke tarief in het kader van het stelsel voor socialezekerheidsbijdragen al sinds vóór 2007 is gebaseerd op de locatie waar de werkgever wordt verondersteld zijn zakelijke activiteiten uit te voeren. Deze regel is gebaseerd op de fundamentele vooronderstelling dat steun alleen mag worden toegekend aan ondernemingen die economische activiteiten uitvoeren in het gebied dat voor steun in aanmerking komt en alleen in de mate waarin zij in dat gebied economische diensten verrichten. Waar het bedrijf is geregistreerd, is derhalve niet de doorslaggevende factor.

(20)

De steun die wordt toegekend op basis van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen bedraagt jaarlijks ongeveer 6,85 miljard NOK (19). Op basis van de gegevens die zijn verzameld voor de eerste acht maanden van 2015, hebben de Noorse autoriteiten de geschatte effecten van de vrijstellingsregeling voor de verschillende gebieden voor heel 2015 gepresenteerd. Zie voor een omschrijving van de gebieden 1, 2, 3, 4 en 4a Besluit nr. 225/14/COL, punt 25. Onder gebied 1 vallen centrale gebieden van Noorwegen en ook grondgebieden buiten Noorwegen. Activiteiten die worden uitgevoerd in gebied 1 komen niet in aanmerking voor steun uit hoofde van de regeling. Activiteiten die worden uitgevoerd in gebied 1a komen evenmin in aanmerking voor steun uit hoofde van de regeling. In gebied 1a hebben de Noorse autoriteiten echter een systeem opgezet waarin een gereduceerd tarief voor socialezekerheidsbijdragen geldt. Deze reductie wordt toegekend als de-minimissteun. Maatregelen die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening (20), zijn geen steunmaatregelen in de zin van artikel 61 van de EER-overeenkomst.

Tabel

Een schatting voor het jaar 2015 van de steun die als gevolg van de toepassing van de vrijstellingsregeling is toegekend aan ondernemingen die zijn geregistreerd in de verschillende gebieden die zijn vastgesteld in het kader van de steunregeling

Gebied

Miljoen NOK

1

240

1a

38

2

9

3

1

4

1

4a

10

Som

300

(21)

De Noorse autoriteiten hebben uitgelegd dat de cijfers aanzienlijk kunnen variëren naargelang van de aard van de ambulante diensten. Bij grote bouwprojecten wordt over het algemeen veel gebruikgemaakt van ambulante diensten en het gebruik van ambulante activiteiten kan hierdoor dus toenemen. Bovendien kunnen ondernemingen die aanzienlijke activiteiten uitvoeren in de voor steun in aanmerking komende gebieden, hun activiteiten herorganiseren door subeenheden op te richten in het betrokken gebied. Ook dit zal gevolgen hebben voor het geschatte effect van de vrijstellingsregeling. Ten slotte wijzen de Noorse autoriteiten op de positieve indirecte effecten van toegenomen activiteiten in de bouwsector op de werkgelegenheid in andere sectoren in de gebieden die voor steun in aanmerking komen.

(22)

De vrijstellingsregeling biedt ondernemingen in de voor steun in aanmerking komende gebieden toegang tot goedkopere arbeidskrachten. Zonder de vrijstellingsregeling zouden de ondernemingen in het voor steun in aanmerking komende gebied grote moeite hebben om gespecialiseerde arbeidskrachten aan te trekken. Bovendien kan gespecialiseerde arbeid in de vorm van ambulante diensten bijdragen aan een stijging van het kennis- en vaardighedenniveau van lokale ondernemingen. Mogelijk zullen de bedrijven ook nadat de ambulante medewerker weer is vertrokken, nog steeds profiteren van deze kennis en vaardigheden, zodat er sprake is van een langdurig effect op het lokale personeel en lokale ondernemingen.

(23)

De vrijstellingsregeling zorgt ervoor dat voor alle marktdeelnemers in het gebied dat voor steun in aanmerking komt, dezelfde voorwaarden gelden. De lokale ondernemingen kunnen de vruchten van de concurrentie plukken in de vorm van lagere prijzen voor ambulante diensten.

(24)

Werknemers die tijdelijk in de voor steun in aanmerking komende gebieden verblijven, zullen bijdragen aan de lokale economie door goederen en diensten te kopen. Indien de ambulante diensten zijn gekoppeld aan een tijdelijk project, is dit een tijdelijk effect. Wanneer het gebruik van ambulante diensten in een regio voortduurt, zal dit een langdurig effect hebben.

(25)

Ondernemingen die in centrale gebieden zijn geregistreerd en ambulante diensten uitvoeren in voor steun in aanmerking komende gebieden, zullen mogelijk lokaal personeel aannemen. Zelfs als deze banen tijdelijk van aard zijn, zullen zij bijdragen aan een stijging van het looninkomen in de voor steun in aanmerking komende regio's, hetgeen op zijn beurt de economische activiteit weer stimuleert. De Noorse autoriteiten betogen dat de vrijstellingsregeling de arbeidskosten verlaagt en arbeid een voordeel geeft over kapitaal wanneer substitutie mogelijk is. Dit draagt positief bij aan de werkgelegenheid.

6.   Opmerkingen van belanghebbenden

6.1.   Kimek Offshore AS

(26)

Kimek Offshore AS („Kimek”) is een dienstverlenend bedrijf uit de olie- en gassector. Het maakt deel uit van de Kimek Group. Kimek is gevestigd in Kirkenes, in de provincie Finnmark, een gebied waar een nultarief voor socialezekerheidsbijdragen geldt.

(27)

Kimek heeft niet alleen zijn opmerkingen kenbaar gemaakt over het besluit van de Autoriteit om het formele onderzoek te openen, maar ook over de hierboven samengevatte opmerkingen van de Noorse autoriteiten.

(28)

Kimek is van mening dat de Noorse autoriteiten het volgende grotendeels niet hebben aangetoond: dat de vrijstellingsregeling bijdraagt aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang, dat er behoefte is aan staatsinterventie, dat de vrijstellingsregeling passend is, dat deze een stimulerend effect heeft, dat de vrijstellingsregeling evenredig is en dat onnodige negatieve gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de EER-staten worden voorkomen.

(29)

De concurrenten van Kimek zijn grotendeels gevestigd buiten de gebieden die in aanmerking komen voor regionale steun. Kimek heeft bezwaar tegen de vrijstellingsregeling aangezien zij ondernemingen die buiten de voor steun in aanmerking komende gebieden zijn gevestigd, in staat stelt te profiteren van de steunregeling wanneer zij activiteiten uitvoeren in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Kimek betoogt dat deze ondernemingen niet te kampen hebben met dezelfde uitdagingen als ondernemingen die zijn gevestigd in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Het bedrijf betoogt verder dat de vrijstellingsregeling niet geschikt is om de ontvolking tegen te gaan en vestigingspatronen te versterken in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Integendeel, de vrijstellingsregeling is schadelijk voor ondernemingen die zijn gevestigd in deze gebieden.

(30)

Kimek is het niet eens met het standpunt van de Noorse autoriteiten dat de vrijstellingsregeling lokale ondernemingen tegen lagere kosten toegang biedt tot gespecialiseerde arbeid die anders niet beschikbaar zou zijn. Kimek betoogt dat dit door de Noorse autoriteiten niet is aangetoond of gedocumenteerd.

(31)

Kimek betoogt dat er een risico bestaat dat de vrijstellingsregeling zal leiden tot een braindrain uit de voor steun in aanmerking komende gebieden, aangezien mensen lokaal geen baan zullen kunnen vinden.

(32)

Kimek merkt op dat de Noorse autoriteiten niet hebben aangetoond dat ondernemingen die niet lokaal zijn geregistreerd, werknemers in dienst nemen die in het voor steun in aanmerking komende gebied wonen.

(33)

Bovendien betoogt Kimek dat ambulante offshorewerknemers geen aanzienlijke bijdrage leveren aan de lokale economie. Zij wonen op het booreiland, besteden daar het grootste deel van hun vrije tijd en eten er ook al hun maaltijden.

(34)

Wat betreft het argument van de Noorse autoriteiten dat lokale bedrijven kunnen blijven profiteren van de kennis en vaardigheden van ambulante werknemers, ziet Kimek niet in hoe dit de ontvolking zou afremmen of tegengaan.

(35)

Kimek betoogt dat de Noorse autoriteiten niet hebben toegelicht hoe de vrijstellingsregeling tot meer concurrentie leidt. In dat opzicht verwijst Kimek naar een bijzonder aspect van de Noorse arbeidswetgeving op basis waarvan bedrijven die ambulante werknemers uitzenden, hun personeel de mogelijkheid kunnen bieden om diensten van 12 uur te werken, terwijl lokaal gevestigde ondernemingen hun personeel maar 8 uur mogen laten werken. Dit is een aanzienlijk nadeel voor lokaal gevestigde ondernemingen.

6.2.   NHO Finnmark

(36)

NHO Finnmark is het regionale kantoor van het Verbond van Noorse ondernemingen. Het schaart zich achter de hierboven samengevatte opmerkingen van Kimek.

(37)

NHO Finnmark is van mening dat regionale steun alleen mag worden toegekend aan ondernemingen die zijn gevestigd in gebieden die voor regionale steun in aanmerking komen. Ondernemingen die zijn gevestigd buiten de voor steun in aanmerking komende gebieden, hebben niet te kampen met dezelfde uitdagingen als ondernemingen die wel in deze gebieden zijn gevestigd. De vrijstellingsregeling is niet geschikt om de ontvolking tegen te gaan en vestigingspatronen te versterken. Integendeel, NHO Finnmark betoogt dat de vrijstellingsregeling schadelijk is voor ondernemingen die zijn gevestigd in de voor steun in aanmerking komende gebieden.

(38)

Net als Kimek benadrukt NHO Finnmark dat de Noorse arbeidswetgeving ondernemingen die niet zijn geregistreerd in het voor steun in aanmerking komende gebied, een specifiek voordeel geeft. NHO Finnmark is van mening dat ambulante werknemers niet bijdragen aan de lokale economie op de manier waarop werknemers die in het gebied wonen dat doen.

7.   Opmerkingen van de Noorse autoriteiten betreffende de opmerkingen van de belanghebbenden

(39)

In reactie op de opmerkingen van de belanghebbenden merken de Noorse autoriteiten op dat het formele onderzoek betrekking heeft op de vrijstellingsregeling en niet op de steunregeling als zodanig. De Noorse autoriteiten leggen uit dat de vrijstellingsregeling een afspiegeling vormt van het algemene beginsel dat de regionale steun moet worden toegekend voor economische activiteiten die daadwerkelijk worden uitgevoerd in de geografische gebieden waarvoor de steunregeling geldt.

(40)

De Noorse autoriteiten benadrukken dat noch in artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst, noch in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, wordt vereist dat de begunstigden van regionale steun zijn geregistreerd in het voor steun in aanmerking komende gebied. De Noorse autoriteiten zijn het eens met Kimek dat de ondernemingen die formeel zijn geregistreerd in de voor steun in aanmerking komende gebieden, mogelijk niet te kampen hebben met precies dezelfde uitdagingen als bedrijven die formeel buiten die gebieden zijn geregistreerd, maar daar wel ambulante diensten verrichten. Toch zijn de Noorse autoriteiten het niet eens met de veronderstelling van Kimek dat ondernemingen die zijn geregistreerd buiten het voor steun in aanmerking komende gebied, niet met dezelfde uitdagingen te kampen hebben wanneer zij opdrachten aannemen in het voor steun in aanmerking komende gebied. De bedrijven krijgen te maken met dezelfde klimaatomstandigheden en zijn even ver verwijderd van onderaannemers. Bovendien krijgen ondernemingen die ambulante werknemers uitzenden te maken met extra kosten voor vervoer en accommodatie. De Noorse autoriteiten merken op dat de argumenten van Kimek zijn gebaseerd op de oliesector, aangezien het bedrijf in deze branche actief is. Zij betogen dat de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun op een algemener niveau moet worden uitgevoerd en dat hierbij rekening moet worden gehouden met de specifieke of blijvende handicaps waarmee de ondernemingen in alle relevante sectoren te kampen hebben.

(41)

De Noorse autoriteiten onderbouwen hun verklaringen dat het voor ondernemingen in de drie meest noordelijke provincies lastig is om geschoolde arbeid te werven door te verwijzen naar een rapport van NAV Finnmark (21), het Noorse Ministerie van Arbeid en Welzijn van de provincie Finnmark. In de provincies Nordland en Troms ondervindt 14 % van de ondernemingen die in het rapport zijn opgenomen problemen bij het werven van personeel, omdat er onvoldoende gekwalificeerde arbeidskrachten zijn. In de provincie Finnmark bedroeg dit percentage 11 %.

(42)

De Noorse autoriteiten benadrukken dat ondernemingen die zijn geregistreerd in het voor steun in aanmerking komende gebied, het lagere tarief voor socialezekerheidsbijdragen op al hun arbeidskosten kunnen toepassen (tenzij zij ambulante diensten verrichten buiten het voor steun in aanmerking komende gebied), terwijl ondernemingen in een ander gebied die ambulante diensten verrichten het lagere tarief alleen mogen toepassen indien werknemers meer dan de helft van hun werkdagen in het voor steun in aanmerking komende gebied doorbrengen, en dan alleen op de lonen die worden betaald voor de werkzaamheden die daar daadwerkelijk worden verricht.

(43)

Om de indirecte effecten van de regionale steun te staven, hebben de Noorse autoriteiten referenties verstrekt van twee onderzoeken naar de effecten van aardolieactiviteiten in het noorden van Noorwegen (22). Volgens de eerste studie over het aardolieproject Snøhvit in Finnmark leverde dit project direct 230 manjaren aan werkgelegenheid op en indirect nog eens tot 170 extra manjaren. De Noorse autoriteiten merken op dat dit de effecten van het project zelf zijn en niet een rechtstreeks resultaat van een specifieke maatregel. De tweede studie toont aan dat het grootste indirecte effect in de aardoliesector zich voordoet in het segment genaamd „particuliere diensten”, waar de volgende werkzaamheden onder vallen: professionele, wetenschappelijke en technische activiteiten, levering van personeel, verhuur van machines en transportmiddelen, juridische en boekhoudkundige diensten, werkzaamheden op het gebied van architectuur, hotel- en restaurantdiensten, waterafvoer en afvalverwijdering.

(44)

De Noorse autoriteiten zetten vraagtekens bij de relevantie van de Noorse arbeidswetgeving voor het beoordelen van de vrijstellingsregeling. Zij merken op dat de rechtsgrondslag voor de afwijking van de limiet van 8 uur, waarnaar door de klager wordt verwezen, door elke onderneming kan worden toegepast, ongeacht de geografische locatie van de werkgever en de werknemer, maar dat hiervoor wel een tariefovereenkomst nodig is.

II.   BEOORDELING

1.   Het bestaan van staatssteun

(45)

In artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst is het volgende bepaald: „Behoudens de afwijkingen waarin deze overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten van de EG, de EVA-staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze overeenkomst, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.”.

(46)

Dit houdt in dat een maatregel staatssteun vormt in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst wanneer alle volgende voorwaarden zijn vervuld: de maatregel i) is verleend door de staat of uit staatsmiddelen; ii) levert een selectief economisch voordeel voor de begunstigde op; iii) kan het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen.

(47)

In Besluit nr. 225/14/COL concludeerde de Autoriteit dat de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 een steunregeling is. De Autoriteit verwijst naar haar redenering in punten 68-74 van dat besluit. De vrijstellingsregeling voor ambulante diensten maakt deel uit van de bepalingen met betrekking tot die steunregeling. Het breidt het toepassingsgebied van de steunregeling uit in de zin dat de cirkel van potentiële begunstigden wordt verbreed naar ondernemingen die niet zijn geregistreerd in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Net als het geval is met de andere steun die in het kader van de steunregeling wordt verstrekt, leidt het uitbreiden van de steunregeling naar ondernemingen die buiten de voor steun in aanmerking komende gebieden zijn geregistreerd, ertoe dat overheidsmiddelen bepaalde ondernemingen selectief bevoordelen. Deze selectieve voordelen hebben een ongunstig effect op de handel en verstoren de mededinging.

2.   Procedurele vereisten

(48)

In artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol 3 is het volgende bepaald: „De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar in staat te stellen haar opmerkingen kenbaar te maken. … De betrokken EVA-staat mag de voorgenomen maatregelen niet uitvoeren voordat deze procedure tot een definitieve beslissing heeft geleid.”.

(49)

De Noorse autoriteiten hebben de vrijstellingsregeling vanaf 1 juli 2014, toen de Autoriteit de regeling bij Besluit nr. 225/14/COL goedkeurde, toegepast. Met de nietigverklaring door het EVA-Hof van de goedkeuring van de regeling door de Autoriteit is de steun onrechtmatig geworden. De Noorse autoriteiten hebben de vrijstellingsregeling die wordt onderzocht vanaf 1 januari 2016 geschorst, in afwachting van de eindresultaten van de formele onderzoeksprocedure.

3.   Verenigbaarheid van de steun

(50)

De Autoriteit moet, in overeenstemming met de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, beoordelen of de vrijstellingsregeling verenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst op basis van artikel 61, lid 3, onder c), van deze overeenkomst.

(51)

De vrijstellingsregeling voor ambulante diensten geeft ondernemingen die niet zijn geregistreerd in het voor steun in aanmerking komende gebied het recht te profiteren van lagere socialezekerheidstarieven wanneer, en in de mate dat, zij economische activiteiten uitvoeren in het geregistreerde gebied. In artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst en de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (en de regels inzake regionale steun in de algemene groepsvrijstellingsverordening (23)) wordt niet vereist dat begunstigden van regionale steun zijn geregistreerd in de steungebieden.

(52)

Regionale steun kan alleen doeltreffend zijn om de economische ontwikkeling van achterstandsgebieden te bevorderen indien de steun wordt aangewend om aan te zetten tot aanvullende investeringen of economische activiteiten in die gebieden (24). De richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen staan zowel regionale investeringssteun als regionale exploitatiesteun toe. Regionale investeringssteun moet leiden tot investeringen in de gebieden die onder de Noorse regionale-steunkaart vallen die door de Autoriteit is goedgekeurd (25). Regionale exploitatiesteun wordt beoordeeld vanuit een iets andere invalshoek. Regionale exploitatiesteun kan alleen vallen onder artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst indien deze wordt verleend om specifieke of blijvende handicaps aan te pakken waarmee ondernemingen in achterstandsgebieden te kampen hebben (26). In deze context kan in punt 16 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen het volgende worden gelezen: „Exploitatiesteun kan als verenigbaar worden beschouwd indien deze is bedoeld […] om de ontvolking in zeer dunbevolkte gebieden te voorkomen of af te remmen.”.

(53)

Het lijdt geen twijfel dat het geografische toepassingsgebied van de steunregeling als zodanig beperkt is tot achterstandsgebieden. De werkingssfeer van dit besluit is beperkt tot de vrijstellingsregeling. Het is de vraag of die vrijstellingsregeling, die toestaat dat ondernemingen die buiten de onder de steunregeling vallende gebieden zijn geregistreerd, in aanmerking komen voor steun uit hoofde van de regeling voor zover zij in de achterstandsgebieden economische activiteiten verrichten, verenigbaar is met de staatssteunregels.

(54)

De Autoriteit is het eens met de Noorse autoriteiten dat de vrijstellingsregeling niet los van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 kan worden beoordeeld, aangezien deze hiervan deel uitmaakt. In dat opzicht verwijst de Autoriteit naar haar beoordeling van die steunregeling in Besluit nr. 225/14/COL, waarin zij tot de conclusie kwam dat de steunregeling verenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van deze overeenkomst. In dat besluit concludeerde de Autoriteit dat de steunregeling als zodanig bijdraagt aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang (27), dat er behoefte is aan staatsinterventie (28), dat de steunregeling passend is (29), dat deze een stimulerend effect heeft (30), dat de steunregeling evenredig is (31) en dat onnodige negatieve gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de EER-staten worden voorkomen (32). Deze algemene beginselen voor beoordeling gelden voor steunregelingen als zodanig. De Autoriteit beoordeelt individuele regelingen die deel uitmaken van een steunregeling, niet afzonderlijk op basis van deze algemene beginselen voor beoordeling.

(55)

Het feit dat het EVA-Hof heeft geconcludeerd dat de vrijstellingsregeling scheidbaar is van de rest van de steunregeling (33), betekent niet dat de vrijstellingsregeling zelf onafhankelijk van de steunregeling moet worden beoordeeld. De kwestie van scheidbaarheid houdt verband met de vraag of een element van een regeling zo intrinsiek aan de regeling is gekoppeld, dat het als zodanig niet logisch van de regeling kan worden gescheiden. De vrijstellingsregeling kan logisch van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 worden gescheiden in de zin dat deze uit de steunregeling kan worden verwijderd zonder dat de steunregeling hierdoor zou worden ontdaan van een fundamenteel onderdeel dat noodzakelijk is voor het voortbestaan ervan, maar toch moet de Autoriteit een analyse uitvoeren van de verenigbaarheid van de vrijstellingsregeling rekening houdend met het feit dat deze regeling deel uitmaakt van een algemene steunregeling.

(56)

Deze algemene steunregeling vormt een centraal element van de context waarin de vrijstellingsregeling wordt toegepast. De vrijstellingsregeling bestaat immers alleen als een vrijstelling van de regels van de algemene steunregeling (34). In het verlengde hiervan moet de Autoriteit derhalve rekening houden met feit dat deze algemene steunregeling (met uitzondering van de vrijstellingsregeling) op geldige wijze verenigbaar is verklaard met de werking van de EER-overeenkomst.

(57)

De Noorse autoriteiten hebben een overzicht verschaft van de financiële effecten van de vrijstellingsregeling (zie punt 20 en de tabel hierboven).

(58)

De vrijstellingsregeling dient, net als de steunregeling waar deze deel van uitmaakt, een regionaal doel. Dit doel is om de werkgelegenheid in de voor steun in aanmerking komende gebieden te stimuleren. Het stimuleren van de werkgelegenheid is echter slechts een middel om het einddoel van de steun te realiseren, namelijk het afremmen of tegengaan van de ontvolking. Het is essentieel dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid van de steun rekening wordt gehouden met de bredere economische effecten van de maatregel.

(59)

De Autoriteit is van oordeel dat de Noorse autoriteiten al hebben aangetoond dat er behoefte bestaat aan staatsinterventie om aan te zetten tot economische activiteiten in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Deze behoefte geldt in gelijke mate voor alle ondernemingen die economische activiteiten uitvoeren in de voor steun in aanmerking komende gebieden, of zij nu in deze gebieden zijn geregistreerd of niet. Bovendien hebben de Noorse autoriteiten in de verstrekte informatie op toereikende wijze aangetoond dat het subsidiëren van ambulante diensten de economische activiteit in de voor steun in aanmerking komende gebieden stimuleert. Dit is in overeenstemming met de punten 6 en 71 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, waarin wordt verwezen naar steun die aanzet tot economische activiteiten. Kimek en NHO Finnmark zijn van mening dat de steun zou moeten worden beperkt tot bedrijven die zijn geregistreerd in de voor steun in aanmerking komende gebieden. De Autoriteit is juist van oordeel dat de ondernemingen die ambulante diensten verrichten, te kampen hebben met dezelfde uitdagingen (klimaat, afstand van subcontractanten) als lokaal geregistreerde ondernemingen. In dit opzicht merkt de Autoriteit op dat de belanghebbenden, Kimek en NHO Finnmark, niet hebben gewezen op specifieke uitdagingen waardoor de lokaal geregistreerde ondernemingen het moeilijker zouden hebben bij het verrichten van hun werkzaamheden dan ondernemingen die ambulante diensten verrichten bij het uitvoeren van hun activiteiten in de voor steun in aanmerking komende gebieden.

(60)

Anderzijds is de Autoriteit van oordeel dat de Noorse autoriteiten niet hebben aangetoond dat de ondernemingen die ambulante diensten verrichten in de voor steun in aanmerking komende gebieden, permanent lokale mensen in dienst nemen. De Noorse autoriteiten hebben geen economische theorieën of algemene overwegingen aangedragen ter ondersteuning van de bewering dat werknemers permanent in dienst zouden worden genomen. In dit licht concludeert de Autoriteit dat de Noorse autoriteiten niet hebben aangetoond dat de vrijstellingsregeling leidt tot de schepping van permanente banen in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Dit is echter geen absolute vereiste voor de verenigbaarheid van regionale steun (35). Zoals hierboven reeds werd opgemerkt, moet regionale steun worden verstrekt om aan te zetten tot economische activiteiten. Dit staat los van de vraag of de onderneming die de economische activiteiten uitvoert, in het desbetreffende gebied is geregistreerd of niet.

(61)

Met betrekking tot de meer indirecte effecten van de vrijstellingsregeling betogen de Noorse autoriteiten dat deze niet alleen de vorm aannemen van hogere uitgaven voor goederen en diensten door de ambulante werknemers, maar ook van kennis en vaardigheden die aan lokale firma's worden overgedragen. De steunregeling is niet afgestemd op één specifieke sector, maar geldt voor de meeste sectoren van de Noorse economie (36). Vanwege de brede aard van de steunregeling is de Autoriteit het met de Noorse autoriteiten eens dat er een breder perspectief moet worden gekozen om de indirecte effecten van een maatregel te beoordelen. Het bestuderen van individuele sectoren is echter nuttig om de daadwerkelijke effecten van de vrijstellingsregeling te onderzoeken. De Noorse autoriteiten hebben studies verstrekt in een poging te onderbouwen dat ambulante diensten leiden tot positieve indirecte effecten in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Zoals hierboven reeds werd aangegeven, hebben de Noorse autoriteiten referenties verstrekt van twee studies over de effecten van aardolieactiviteiten in het noorden van Noorwegen. Volgens de eerste studie over het aardolieproject Snøhvit in Finnmark bedroeg het directe effect op de werkgelegenheid 230 manjaren en het indirecte effect nog eens 170 manjaren. De tweede studie toont aan dat het grote indirecte effect in de aardoliesector zich voordoet in het segment genaamd „particuliere diensten”, waar de volgende werkzaamheden onder vallen: professionele, wetenschappelijke en technische activiteiten, levering van personeel, verhuur van machines en transportmiddelen, juridische en boekhoudkundige diensten, werkzaamheden op het gebied van architectuur, hotel- en restaurantdiensten, waterafvoer en afvalverwijdering.

(62)

Volgens de Autoriteit tonen deze studies aan dat er aanzienlijke positieve indirecte effecten zijn. Maar aangezien het niet gemakkelijk is om de indirecte effecten te isoleren, moet aanzienlijk belang worden gehecht aan de algemene overwegingen over de effecten van een maatregel zoals degene die hier wordt onderzocht. De Autoriteit is ervan overtuigd dat de subsidiëring van ambulante diensten bijdraagt aan de verkoop van lokale goederen en diensten en daarom aan de lokale economie. Dit geldt met name voor werknemers die pendelen, in het bijzonder op de korte en middellange termijn, aangezien de kans groot is dat zij in hotels verblijven, in restaurants eten enz. In dit licht is de Autoriteit ervan overtuigd dat de vrijstellingsregeling aanzienlijke positieve indirecte effecten heeft die bijdragen aan het tegengaan of afremmen van de ontvolking in zeer dunbevolkte gebieden.

(63)

Kimek betoogt dat ambulante offshorewerknemers geen aanzienlijke bijdrage leveren aan de lokale economie. Zij wonen op het booreiland, besteden daar het grootste deel van hun vrije tijd en eten er ook al hun maaltijden. De Autoriteit merkt op dat bepaalde werknemers vanwege de aard van hun arbeidssituatie minder aan de indirecte effecten van de vrijstellingsregeling zullen bijdragen. De vrijstellingsregeling is echter niet beperkt tot een bepaalde sector. Het is juist een horizontale regeling die voor alle sectoren geldt.

(64)

Een persoon die ambulante diensten verricht waarvoor een bepaald niveau van kennis en vaardigheden is vereist, kan deze kennis en vaardigheden overdragen aan lokale ondernemingen. De Autoriteit merkt op dat Kimek heeft aangegeven niet in te zien hoe kennis en vaardigheden die worden overgedragen van de werknemers die ambulante diensten verrichten aan de ondernemingen die zijn gevestigd in de voor steun in aanmerking komende gebieden, de ontvolking zouden tegengaan of afremmen. De Autoriteit is van oordeel dat kennis en vaardigheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van diverse economische activiteiten en derhalve belangrijk zijn voor het behoud van werkgelegenheid in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Lokale ondernemingen die deelnemen aan gemeenschappelijke projecten met ondernemingen die ambulante diensten verrichten (bijvoorbeeld in grote bouwprojecten), bevinden zich in het bijzonder in een positie om kennis, vaardigheden en ervaring op te doen met betrekking tot de werkzaamheden die voor dit soort projecten moeten worden uitgevoerd. De lokaal geregistreerde ondernemingen kunnen deze voordelen vervolgens blijven benutten. Bovendien kunnen lokaal geregistreerde bedrijven profiteren van de kennis en vaardigheden die zij opdoen doordat zij in contact komen of samenwerken met ondernemingen die ambulante diensten verrichten (bijvoorbeeld adviesdiensten of andere gespecialiseerde werkzaamheden), in de mate dat deze activiteiten krachtens de Noorse wet mogen worden aangemerkt als „ambulant”. De Autoriteit is het met de Noorse autoriteiten eens dat de overdracht van kennis en vaardigheden aan lokaal geregistreerde bedrijven via ambulante werknemers een belangrijke factor kan zijn voor het behoud van de werkgelegenheid voor geschoolde arbeidskrachten in de voor steun in aanmerking komende gebieden, waardoor de ontvolking in aanzienlijke mate kan worden afgeremd of tegengegaan.

(65)

Naast de overdracht van kennis en vaardigheden kunnen lokale ondernemingen tegen lagere kosten toegang krijgen tot gespecialiseerde arbeidskrachten die anders niet beschikbaar zouden zijn. Dit is gunstig voor lokale ondernemingen, aangezien de lagere kosten voor ambulante diensten het aantrekkelijker en rendabeler maken om een bedrijf te runnen in het voor steun in aanmerking komende gebied. Bovendien zorgt de vrijstellingsregeling ervoor dat voor alle marktdeelnemers in het gebied dat voor steun in aanmerking komt, voor de duur van hun activiteiten in dat gebied dezelfde voorwaarden gelden wat betreft de kosten voor sociale zekerheid.

(66)

Kort samengevat is de Autoriteit van oordeel dat de Noorse autoriteiten op toereikende wijze hebben gerechtvaardigd dat de subsidies voor de ambulante diensten bijdragen aan positieve indirecte effecten in de vorm van hogere uitgaven voor goederen en diensten in de voor steun in aanmerking komende gebieden, wat dan weer gunstig is voor de arbeidsmarkten in deze gebieden. De Autoriteit is er bovendien van overtuigd dat de subsidies voor de ambulante diensten bijdragen aan de beschikbaarheid van gespecialiseerde arbeidskrachten tegen lagere kosten en de overdracht van kennis en vaardigheden aan lokaal gevestigde ondernemingen, hetgeen vitaal is voor de instandhouding van veel economische activiteiten in de voor steun in aanmerking komende gebieden. Derhalve draagt de vrijstellingsregeling positief bij aan het tegengaan of afremmen van de ontvolking in zeer dunbevolkte gebieden.

(67)

Wat betreft de effecten op de mededinging en het handelsverkeer van de vrijstellingsregeling betogen de Noorse autoriteiten dat die vrijstellingsregeling een gelijk speelveld creëert voor alle ondernemingen die actief zijn in de achterstandsgebieden, omdat zij in gelijke mate van toepassing is op alle in de EER gevestigde ondernemingen. Bedrijven die buiten Noorwegen zijn geregistreerd en die hun medewerkers uitzenden naar de voor steun in aanmerking komende gebieden en in Noorwegen socialezekerheidsbijdragen betalen, kunnen profiteren van de vrijstellingsregeling indien zij voldoen aan de relevante voorwaarden. Zonder de vrijstellingsregeling zouden deze bedrijven een geregistreerde aanwezigheid in het desbetreffende gebied moeten hebben om in aanmerking te komen voor dezelfde fiscale regelingen als hun lokaal geregistreerde Noorse tegenhangers. Dit zou een drempel voor markttoetreding vormen en indruisen tegen de logica van punt 134 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, waarin het volgende wordt gesteld: „Indien de steun noodzakelijk is en evenredig voor het behalen van de gemeenschappelijke doelstelling, kan worden verwacht dat de negatieve effecten van de steun worden gecompenseerd door de positieve effecten ervan. In sommige gevallen kan de steun echter leiden tot veranderingen van de marktstructuur of de kenmerken van een sector of bedrijfstak die de mededinging aanzienlijk kan verstoren door drempels voor markttoetreding of -uittreding, substitutie-effecten of de verplaatsing van handelsstromen. In die gevallen valt niet te verwachten dat de vastgestelde negatieve effecten worden gecompenseerd door positieve effecten.”. In dit licht is de Autoriteit van oordeel dat de vrijstellingsregeling garandeert dat onnodige negatieve gevolgen voor de mededinging en markttoegang worden voorkomen. Dit is een positieve zaak in het licht van punt 3 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, waarin wordt gesteld dat de beoordeling van regionale steun is bedoeld om steun voor regionale ontwikkeling mogelijk te maken en tegelijkertijd een gelijk speelveld tussen de EER-staten te verzekeren. Zoals hierboven werd opgemerkt, is de Autoriteit niet overtuigd van de veronderstelling van Kimek dat ondernemingen die zijn geregistreerd binnen het voor steun in aanmerking komende gebied, te kampen hebben met meer blijvende moeilijkheden dan ondernemingen die hun medewerkers op niet-permanente basis uitzenden naar het gebied om daar te werken. Ondernemingen van buiten het voor steun in aanmerking komende gebied zullen mogelijk zelfs een concurrentienadeel hebben ten opzichte van lokale firma's vanwege onder meer de kosten voor vervoer en onderdak voor hun personeel.

(68)

Ondernemingen die ambulante diensten verrichten, kunnen tot op zekere hoogte subeenheden in het voor steun in aanmerking komende gebied registreren. Als er geen vrijstellingsregeling zou zijn voor ambulante diensten in het voor steun in aanmerking komende gebied, zou er sprake zijn van een verschil in behandeling tussen dienstverlenende ondernemingen die wel een subeenheid en dienstverlenende ondernemingen die geen subeenheid hebben opgericht in dit gebied. Het gevaar bestaat dat dit negatievere gevolgen zou hebben voor ondernemingen die in het buitenland zijn geregistreerd dan voor ondernemingen die in Noorwegen zijn geregistreerd. Er mag worden aangenomen dat ondernemingen die niet in Noorwegen zijn geregistreerd, met name kmo's, minder gedetailleerde kennis hebben van de bijzonderheden van de Noorse regels met betrekking tot de registratie van ondernemingen en de effecten van deze regels op de socialezekerheidstarieven. In het licht van deze situatie is de Autoriteit van oordeel dat de vrijstellingsregeling garandeert dat onnodige negatieve effecten (het ontstaan van drempels voor markttoegang en de verplaatsing van handelsstromen) voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de EER-landen worden voorkomen, hetgeen in overeenstemming is met punt 134 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen.

(69)

Op basis van de laatste ronde van opmerkingen van de Noorse autoriteiten lijkt er op grond van de Noorse arbeidswet geen sprake te zijn van een niet-gerechtvaardigd verschil in behandeling van ondernemingen die ambulante diensten verrichten en lokaal geregistreerde ondernemingen, zoals wordt aangevoerd door de belanghebbenden. De Autoriteit zal daarom niet verder ingaan op dit argument.

(70)

In het licht van het bovenstaande concludeert de Autoriteit dat de vrijstellingsregeling verenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van deze overeenkomst.

4.   Conclusie

(71)

Zoals hierboven uiteengezet, concludeert de Autoriteit dat de vrijstellingsregeling voor ambulante diensten in het kader van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 verenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst. De vrijstellingsregeling wordt daarom toegestaan als onderdeel van die steunregeling totdat de goedkeuring door de Autoriteit van die steunregeling op 31 december 2020 komt te vervallen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De vrijstellingsregeling voor ambulante diensten in het kader van de regeling inzake gedifferentieerde socialezekerheidsbijdragen 2014-2020 is verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst, op grond van artikel 61, lid 3, onder c), daarvan. Het formele onderzoek wordt hierbij gesloten.

Artikel 2

De tenuitvoerlegging van de maatregel wordt dienovereenkomstig toegestaan.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.

Artikel 4

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 31 mei 2017.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Sven Erik SVEDMAN

Voorzitter

Frank J. BÜCHEL

Lid van het College


(1)  Documenten nr. 702438-702440, 702442 en 702443.

(2)  Zie punt 2 van Besluit nr. 225/14/COL (PB C 344 van 2.10.2014, blz. 14 en EER-supplement nr. 55 van 2.10.2014, blz. 4).

(3)  Zaak E-23/14 Kimek Offshore AS/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA [2015] EVA Ct. Rep. 412.

(4)  Document nr. 776348.

(5)  Documenten nr. 779603 en 779604.

(6)  Document nr. 787605.

(7)  PB C 263 van 30.6.2016, blz. 21 en EER-supplement nr. 36 van 30.6.2016, blz. 3.

(8)  Document nr. 804442.

(9)  Document nr. 811491.

(10)  Document nr. 813803.

(11)  Document nr. 816653.

(12)  LOV-1997-02-28-19.

(13)  Zie voor meer details over de steunregeling Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit.

(14)  Wet inzake het coördinerende register voor rechtspersonen (LOV-1994-06-03-15).

(15)  Zaak E-23/14, Kimek Offshore AS/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, [2015] EFTA Ct. Rep. 412, punt 116.

(16)  PB L 166 van 5.6.2014, blz. 44 en EER-supplement nr. 33 van 5.6.2014, blz. 1.

(17)  Zie het bevel van het EVA-Hof van 23 november 2015 in zaak E-23/14 INT, Kimek Offshore AS/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, [2015] EFTA Ct. Rep. 666.

(18)  De opmerkingen die eerder door de Noorse autoriteiten werden ingediend, zijn samengevat in het besluit om het formele onderzoek te openen, Besluit nr. 489/15/COL, in de punten 15-21.

(19)  Zie punt 49 van Besluit nr. 225/14/COL.

(20)  Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352, 24.12.2013, blz. 1), opgenomen in de EER-overeenkomst in punt 1ea van bijlage XV.

(21)  NAV Finnmark Bedriftsundersøkelse 2016, Notat 1 2016, te vinden op: https://www.nav.no/no/Lokalt/Finnmark/Statistikk+og+presse/bedriftsunders%C3%B8kelse--378352

(22)  Snøhvit og andre eventyr door NHO, te vinden op: http://www.aksjonsprogrammet.no/vedlegg/Snohvit_12des.pdf en Ringvirkninger av petroleumsnæringen i norsk økonomi door de Noorse Dienst voor statistiek, te vinden op: https://www.ssb.no/nasjonalregnskap-og-konjunkturer/artikler-og-publikasjoner/_attachment/218398?_ts=14b82bba2f0

(23)  De Algemene groepsvrijstellingsverordening („AGVV”). Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1), opgenomen in de EER-overeenkomst in punt 1j van bijlage XV. De wijzigingen in de regels voor regionale steun die op 17.5.2017 in beginsel door de Europese Commissie zijn goedgekeurd, brengen hier geen veranderingen in. Artikel 15, lid 3, onder a), van de wijzigingsverordening staat regionale exploitatiesteun toe indien „de begunstigden hun economische activiteiten hebben” in zeer dunbevolkte gebieden. De wijzigingsverordening kan hier worden geraadpleegd: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32017R1084

(24)  Punt 6 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen.

(25)  Zie Besluit nr. 91/14/COL (PB L 172 van 12.6.2014, blz. 52).

(26)  Punt 16 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen.

(27)  Zie Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit, punten 85-91.

(28)  Zie Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit, punten 92-99.

(29)  Zie Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit, punten 100-107.

(30)  Zie Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit, punten 108-112.

(31)  Zie Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit, punten 113-117.

(32)  Zie Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit, punten 118-121.

(33)  Arrest van het EVA-Hof in zaak E-23/14, Kimek Offshore AS/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, [2015] EFTA Ct. Rep. 412, punt 58.

(34)  De Autoriteit merkt in dit opzicht op dat de activiteiten die potentieel kunnen profiteren van de vrijstellingsregeling, worden beperkt door de Noorse wet inzake de registratie van zakelijke activiteiten (zie punten 11 en 12 hierboven).

(35)  Het doel van regionale steun is om de economische ontwikkeling van bepaalde achterstandsgebieden te bevorderen (punt 1 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen). Dit wordt gedaan door aan te zetten tot aanvullende economische activiteiten in deze gebieden (punt 6 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen). Het stimuleren van permanente werkgelegenheid is één manier om dit te bereiken, maar niet de enige manier.

(36)  Zie Besluit nr. 225/14/COL van de Autoriteit, punten 11-16.