ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 67

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
9 maart 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2018/343 van de Raad van 5 maart 2018 betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/344 van de Commissie van 14 november 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methoden voor de waardering van het verschil in behandeling bij afwikkeling ( 1 )

3

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/345 van de Commissie van 14 november 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methode voor de beoordeling van de waarde van activa en passiva van instellingen of entiteiten ( 1 )

8

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/346 van de Commissie van 5 maart 2018 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten ( 1 )

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/347 van de Commissie van 5 maart 2018 tot verlening van een vergunning voor het preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor biggen en zeugen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1847/2003 en (EG) nr. 2036/2005 (vergunninghouder Danstar Ferment AG, vertegenwoordigd door Lallemand SAS) ( 1 )

21

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/348 van de Commissie van 8 maart 2018 betreffende een tijdelijke afwijking van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 vastgestelde regels betreffende de preferentiële oorsprong voor in Cambodja vervaardigde rijwielen bij het gebruik van rijwielonderdelen van oorsprong uit Maleisië in het kader van cumulatie

24

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/349 van de Commissie van 8 maart 2018 tot 282e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida

28

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2018/350 van de Commissie van 8 maart 2018 tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de milieurisicobeoordeling van genetisch gemodificeerde organismen

30

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/351 van de Commissie van 8 maart 2018 tot afwijzing van verbintenissen aangeboden in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/1


BESLUIT (EU) 2018/343 VAN DE RAAD

van 5 maart 2018

betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 186, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea,onder a), v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 2005/781/EG (1) heeft de Raad de sluiting goedgekeurd van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië (2) (de „overeenkomst”).

(2)

Overeenkomstig artikel XII van de overeenkomst treedt de overeenkomst in werking op de datum waarop beide partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat hun respectieve interne procedures die nodig zijn voor de inwerkingtreding van de overeenkomst, zijn voltooid. De overeenkomst wordt gesloten voor een initiële duur van vijf jaar en kan met instemming van beide partijen, na een evaluatie tijdens het voorlaatste jaar van elke successieve periode, worden verlengd.

(3)

Bij Besluit 2012/646/EU (3) heeft de Raad de verlenging van de overeenkomst met nog eens vijf jaar goedgekeurd.

(4)

De briefwisseling tussen de partijen, d.d. 14 november 2016 en 5 januari 2017, bevestigt dat ze de overeenkomst met nog eens vijf jaar wensen te verlengen.

(5)

De verlenging van de overeenkomst moet namens de Unie worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië met een nieuwe periode van vijf jaar wordt namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om namens de Unie en overeenkomstig artikel XII, lid 2, van de overeenkomst, de regering van de Federale Republiek Brazilië ervan in kennis te stellen dat de Unie haar interne procedures, nodig voor de verlenging van deze overeenkomst, heeft voltooid.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

N. DIMOV


(1)  Besluit 2005/781/EG van de Raad van 6 juni 2005 betreffende de sluiting van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië (PB L 295 van 11.11.2005, blz. 37).

(2)  PB L 295 van 11.11.2005, blz. 38.

(3)  Besluit 2012/646/EU van de Raad van 10 oktober 2012 betreffende de verlenging van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Republiek Brazilië (PB L 287 van 18.10.2012, blz. 4).


VERORDENINGEN

9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/3


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/344 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2017

tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methoden voor de waardering van het verschil in behandeling bij afwikkeling

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (1), en met name artikel 74, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is wenselijk regels vast te stellen inzake een methode voor het uitvoeren van waarderingen om te bepalen of er sprake is van een verschil tussen de daadwerkelijke behandeling van aandeelhouders en schuldeisers ten aanzien van wie een afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen zijn genomen, en het bedrag dat die aandeelhouders en schuldeisers zouden hebben ontvangen als ten aanzien van de instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU (hierna „entiteit” genoemd) een normale insolventieprocedure was geopend op de datum waarop het besluit om die entiteit af te wikkelen werd genomen overeenkomstig artikel 82 van Richtlijn 2014/59/EU.

(2)

Een verschil in behandeling dat voor bepaalde aandeelhouders en schuldeisers bij afwikkeling tot grotere verliezen leidt, zou deze aandeelhouders en schuldeisers recht moeten geven op compensatie uit de afwikkelingsfinancieringsregelingen overeenkomstig artikel 101, lid 1, onder e), van Richtlijn 2014/59/EU.

(3)

De waardering achteraf wordt door de onafhankelijke persoon die aan de voorwaarden van artikel 38 van Gedelegeerde Verordening 2016/1075 van de Commissie (2) voldoet (hierna „taxateur” genoemd), uitgevoerd zo snel mogelijk nadat de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen zijn verricht, zelfs als de voltooiing ervan enige tijd in beslag kan nemen. Deze waardering moet gebaseerd zijn op de beschikbare informatie met betrekking tot de datum waarop het besluit tot afwikkeling van een entiteit wordt genomen, teneinde naar behoren rekening te houden met specifieke omstandigheden, zoals gespannen marktomstandigheden, die zich op die datum voordeden. Informatie die na de datum van het afwikkelingsbesluit wordt verkregen, mag alleen worden gebruikt wanneer zij op die datum redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.

(4)

Om ervoor te zorgen dat een allesomvattende en geloofwaardige waardering wordt uitgevoerd, moet de taxateur toegang hebben tot passende juridische documentatie, waaronder een lijst van alle vorderingen en voorwaardelijke vorderingen op de entiteit, gerangschikt naar de prioriteit ervan volgens een normale insolventieprocedure. De taxateur moet de mogelijkheid hebben regelingen te treffen om deskundig advies of expertise in te winnen, indien de omstandigheden zulks vereisen.

(5)

Om te bepalen welke behandeling de aandeelhouders en schuldeisers zouden hebben ontvangen indien ten aanzien van de entiteit een normale insolventieprocedure was geopend, moet de taxateur het verwachte tijdstip en bedrag van de nettokasstromen vaststellen die elke aandeelhouder en schuldeiser in het kader van de insolventieprocedure, zonder staatssteun, zou hebben ontvangen, gedisconteerd tegen de desbetreffende disconteringsvoet of -voeten. Hiertoe kan de taxateur, waar mogelijk en passend, ook een beroep doen op informatie over recente ervaringen inzake insolventie van soortgelijke kredietinstellingen.

(6)

Bij het bepalen van de daadwerkelijke behandeling van aandeelhouders en schuldeisers bij afwikkeling moet worden nagegaan of deze aandeelhouders en schuldeisers als gevolg van de goedkeuring van de afwikkelingsmaatregel compensatie hebben ontvangen in de vorm van aandelenkapitaal, schuldkapitaal of contanten.

(7)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit (EBA) aan de Commissie heeft voorgelegd.

(8)

De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Algemene bepalingen

1.   Voor de vaststelling van de behandeling die de aandeelhouders en schuldeisers volgens een normale insolventieprocedure zouden genieten, wordt de waardering uitsluitend gebaseerd op informatie over feiten en omstandigheden die bestond en redelijkerwijs bekend had kunnen zijn op de datum van het afwikkelingsbesluit en die, als de taxateur er kennis van had gehad, de waardering van de activa en verplichtingen van de entiteit op die datum zou hebben beïnvloed.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „datum van het afwikkelingsbesluit” verstaan de datum waarop het besluit om een entiteit af te wikkelen wordt genomen overeenkomstig artikel 82 van Richtlijn 2014/59/EU.

2.   Voor de vaststelling van de daadwerkelijke behandeling die de aandeelhouders en schuldeisers bij afwikkeling hebben genoten, baseert de taxateur zich op beschikbare informatie over feiten en omstandigheden op de datum of data waarop aandeelhouders en schuldeisers compensatie ontvangen (hierna „datum of data van daadwerkelijke behandeling” genoemd).

3.   De referentiedatum van de waardering is de datum van het afwikkelingsbesluit, die kan afwijken van de datum van daadwerkelijke behandeling. Voor zover de taxateur het effect van een eventuele discontering van de opbrengsten verwaarloosbaar acht, worden de niet-gedisconteerde opbrengsten op de datum waarop de afwikkelingsmaatregel is verricht, rechtstreeks vergeleken met het gedisconteerde bedrag van de hypothetische opbrengsten die de aandeelhouders en schuldeisers zouden hebben ontvangen indien op de datum van het afwikkelingsbesluit ten aanzien van de entiteit een normale insolventieprocedure was geopend.

Artikel 2

Inventaris van activa en vorderingen

1.   De taxateur maakt een inventaris op van alle identificeerbare en voorwaardelijke activa van de entiteit. Deze inventaris omvat activa waarvoor het bestaan van daarmee samenhangende kasstromen wordt aangetoond of redelijkerwijs kan worden verwacht.

2.   Een lijst van alle vorderingen en voorwaardelijke vorderingen op de entiteit wordt ter beschikking van de taxateur gesteld. Deze lijst rangschikt alle vorderingen en voorwaardelijke vorderingen volgens hun prioriteitsniveau in een normale insolventieprocedure. De taxateur mag regelingen treffen om deskundig advies of expertise inzake de verenigbaarheid van de rangschikking van de vorderingen met het geldende insolventierecht in te winnen.

3.   Bezwaarde activa en vorderingen waarvoor deze activa als zekerheid dienen, worden door de taxateur afzonderlijk vermeld.

Artikel 3

Stappen van de waardering

Om vast te stellen of er sprake is van een verschil in behandeling in de zin van artikel 74, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU, bepaalt de taxateur:

a)

welke behandeling de aandeelhouders en schuldeisers jegens wie afwikkelingsmaatregelen zijn genomen, dan wel het betrokken depositogarantiestelsel, zouden hebben genoten indien op de datum van het afwikkelingsbesluit ten aanzien van de entiteit een normale insolventieprocedure was geopend, de eventuele verstrekking van buitengewone financiële overheidssteun buiten beschouwing gelaten;

b)

de waarde van de geherstructureerde vorderingen na toepassing van het instrument van bail-in of andere afwikkelingsbevoegdheden en -instrumenten, of van andere opbrengsten die de aandeelhouders en schuldeisers op de datum of data van daadwerkelijke behandeling hebben ontvangen, geherdisconteerd naar de datum van het afwikkelingsbesluit als dit nodig wordt geacht om een eerlijke vergelijking met de onder a) bedoelde behandeling mogelijk te maken;

c)

voor elke schuldeiser of het resultaat van de onder a) bedoelde behandeling hoger is dan de onder b) bedoelde waarde volgens de prioriteitsniveaus in een normale insolventieprocedure die overeenkomstig artikel 2 zijn vastgesteld.

Artikel 4

Vaststelling van de behandeling van aandeelhouders en schuldeisers in een normale insolventieprocedure

1.   De methode voor het uitvoeren van de waardering in de zin van artikel 3, onder a), is beperkt tot de vaststelling van het gedisconteerde bedrag van de verwachte kasstromen in een normale insolventieprocedure.

2.   De verwachte kasstromen worden gedisconteerd tegen het percentage of de percentages die, naargelang van het geval, rekening houden met het tijdstip van de verwachte kasstromen, de heersende omstandigheden op de datum van het afwikkelingsbesluit, risicovrije rentevoeten, risicopremies voor vergelijkbare financiële instrumenten die door soortgelijke entiteiten worden uitgegeven, marktomstandigheden of disconteringspercentages die door potentiële kopers worden toegepast en andere relevante kenmerken van het element of de elementen die worden gewaardeerd (hierna: „toepasselijke disconteringsvoet” genoemd). De toepasselijke disconteringsvoet is niet van toepassing indien de geldende insolventiewetgeving of -praktijk voorziet in specifieke percentages die voor de waardering relevant zijn.

3.   Bij de vaststelling van het gedisconteerde bedrag van de verwachte kasstromen in een normale insolventieprocedure houdt de taxateur rekening met het volgende:

a)

de toepasselijke insolventiewetgeving en -praktijk in het desbetreffende rechtsgebied, die van invloed kan zijn op factoren als de verwachte vervreemdingstermijn of uitwinningspercentages;

b)

de redelijkerwijs te verwachten kosten voor administratie, transactie, instandhouding, vervreemding en andere kosten die een bewindvoerder of insolventiefunctionaris heeft gemaakt, alsmede de financieringskosten;

c)

de informatie over recente insolventiezaken van vergelijkbare entiteiten, voor zover beschikbaar en relevant.

4.   Voor activa die op een actieve markt worden verhandeld, gebruikt de taxateur de waargenomen prijs, behalve wanneer specifieke omstandigheden een belemmering vormen voor de verkoopbaarheid van de activa van de entiteit, zoals concentratie, verzadiging en diepte van de markt.

5.   Voor activa die niet op een actieve markt worden verhandeld, houdt de taxateur bij de vaststelling van het bedrag en het tijdstip van de verwachte kasstromen rekening met een aantal factoren, waaronder:

a)

waargenomen prijzen op actieve markten waar soortgelijke activa worden verhandeld;

b)

waargenomen prijzen bij normale insolventieprocedures of anderszins problematische transacties met activa van soortgelijke aard en toestand;

c)

waargenomen prijzen bij transacties met betrekking tot verkoop van de onderneming of overdracht aan een overbruggingsinstelling of een activabeheervehikel in samenhang met de afwikkeling van vergelijkbare entiteiten;

d)

de kans dat een actief een nettokasinstroom genereert bij een normale insolventieprocedure;

e)

de verwachte marktomstandigheden binnen een bepaalde vervreemdingstermijn, waaronder diepte van de markt en vermogen van de markt om binnen die termijn de betrokken hoeveelheid activa te verwerken, en

f)

de lengte van een bepaalde vervreemdingstermijn, die de implicaties van het geldende insolventierecht weerspiegelt, inclusief de verwachte duur van het liquidatieproces, of de kenmerken van de betrokken activa.

6.   De taxateur gaat na of de financiële positie van de entiteit gevolgen heeft gehad voor de verwachte kasstromen, onder meer door beperking van de mogelijkheden van de bewindvoerder om met potentiële kopers te onderhandelen.

7.   Waar mogelijk, en onder het voorbehoud van toepasselijke bepalingen van de geldende insolventieregeling, weerspiegelen de kasstromen de contractuele, statutaire of andere wettelijke rechten van schuldeisers of normale insolventiepraktijken.

8.   De hypothetische opbrengsten als gevolg van de waardering worden over de aandeelhouders en schuldeisers verdeeld in overeenstemming met hun prioriteitsniveau volgens het toepasselijke insolventierecht, overeeenkomstig het bepaalde in artikel 3.

9.   Voor de vaststelling van niet door zekerheden gedekte bedragen van vorderingen in verband met derivatentransacties in afwikkeling past de taxateur de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1401 van de Commissie (4) beschreven methoden toe, voor zover deze stroken met de insolventiewetgeving en -praktijk.

Artikel 5

Vaststelling van de daadwerkelijke behandeling van aandeelhouders en schuldeisers bij afwikkeling

1.   De taxateur identificeert alle vorderingen die nog uitstaan na de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten en de toepassing van eventuele afwikkelingsmaatregelen, en wijst deze vorderingen toe aan de rechtspersonen en natuurlijke personen die aandeelhouders en schuldeisers van de entiteit waren op de datum van het afwikkelingsbesluit. Behalve wanneer de natuurlijke en rechtspersonen die op de datum van het afwikkelingsbesluit aandeelhouders en schuldeisers van de entiteit waren, als gevolg van de afwikkeling contante compensatie ontvangen, bepaalt de taxateur hun daadwerkelijke behandeling overeenkomstig de leden 2 tot en met 4.

2.   Wanneer de natuurlijke en rechtspersonen die op de datum van het afwikkelingsbesluit aandeelhouders en schuldeisers van de entiteit waren, als gevolg van de afwikkeling compensatie in de vorm van aandelen ontvangen, bepaalt de taxateur hun daadwerkelijke behandeling door een raming te verstrekken van de totale waarde van de aandelen die als compensatie zijn overgedragen of uitgegeven aan de houders van omgezette kapitaalinstrumenten of aan de schuldeisers waarop het instrument van bail-in is toegepast. Deze raming mag gebaseerd zijn op de marktprijs die wordt bepaald volgens algemeen aanvaarde waarderingsmethoden.

3.   Wanneer de rechtspersonen en natuurlijke personen die op de datum van het afwikkelingsbesluit aandeelhouders en schuldeisers van de entiteit waren, als gevolg van de afwikkeling schuldcompensatie ontvangen, bepaalt de taxateur hun daadwerkelijke behandeling door rekening te houden met factoren als de veranderingen in contractuele kasstromen die uit de afschrijving of omzetting voortvloeien, de toepassing van andere afwikkelingsmaatregelen, alsmede de desbetreffende disconteringsvoet.

4.   Voor elke uitstaande vordering mag de taxateur, waar beschikbaar en in combinatie met de in de leden 2 en 3 beschreven factoren, rekening houden met op actieve markten waargenomen prijzen voor dezelfde of vergelijkbare instrumenten die door de entiteit in afwikkeling of andere soortgelijke entiteiten zijn uitgegeven.

Artikel 6

Waarderingsverslag

De taxateur stelt voor de afwikkelingsautoriteit een waarderingsverslag op waarin ten minste de volgende elementen zijn opgenomen:

a)

een samenvatting van de waardering, inclusief een presentatie van het bereik van de waardering en de bronnen van waarderingsonzekerheid;

b)

een toelichting op de belangrijkste gehanteerde methoden en aannamen, en de gevoeligheid van de waardering voor de gemaakte keuzen;

c)

waar mogelijk een verklaring waarom de waardering afwijkt van andere relevante waarderingen, waaronder de afwikkelingswaarderingen die zijn uitgevoerd in overeenstemming met Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/345 van de Commissie of andere wettelijk voorgeschreven of boekhoudkundige waarderingen.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie van 23 maart 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de inhoud van herstelplannen, afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen, de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen met betrekking tot herstelplannen en groepsherstelplannen, de voorwaarden voor financiële steun binnen de groep, de voorwaarden voor onafhankelijke taxateurs, de contractuele erkenning van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, de procedures en de inhoud van de kennisgevingsvereisten en van de kennisgeving van opschorting en de operationele werking van de afwikkelingscolleges (PB L 184 van 8.7.2016, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie, PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1401 van de Commissie van 23 mei 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen met technische reguleringsnormen voor methodieken en grondslagen voor de waardering van uit derivaten voortvloeiende passiva (PB L 228 van 23.8.2016, blz. 7).


9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/8


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/345 VAN DE COMMISSIE

van 14 november 2017

tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methode voor de beoordeling van de waarde van activa en passiva van instellingen of entiteiten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (1), en met name artikel 36, lid 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In een afwikkelingsscenario is het belangrijk een onderscheid te maken tussen enerzijds een eerste waardering om te beoordelen of aan de voorwaarden voor afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten of de voorwaarde voor afwikkeling is voldaan, en anderzijds een latere waardering die de basis vormt voor het besluit om een of meer afwikkelingsinstrumenten toe te passen. Met betrekking tot de eerste waardering is het wenselijk om ervoor te zorgen dat, wanneer wordt nagegaan of aan de voorwaarden voor afwikkeling of voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten is voldaan, een eerlijke en realistische waardering van de activa en passiva van de entiteit wordt verricht. Met het oog op de latere waardering die vorm geeft aan het besluit inzake de afwikkelingsmaatregelen, is het belangrijk ervoor te zorgen dat de waardering van de activa en passiva van de entiteit, die de keuze van de afwikkelingsmaatregel en de omvang van de potentiële afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten op het moment van niet-levensvatbaarheid bepaalt, is gebaseerd op eerlijke, prudente en realistische aannamen.

(2)

Om ervoor te zorgen dat de waardering eerlijk, prudent en realistisch is, is het belangrijk dat zij een inschatting maakt van de impact van gebeurtenissen voorafgaand aan elke afwikkelingsmaatregel of voorafgaand aan de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten op het moment van niet-levensvatbaarheid, alsmede van verschillende maatregelen die door de afwikkelingsautoriteit kunnen worden genomen.

(3)

De taxateur moet toegang hebben tot alle bronnen van relevante informatie en expertise, zoals de interne documenten, systemen en modellen van de instelling. Het vermogen van de interne capaciteiten en systemen om afwikkelingswaarderingen te ondersteunen, moet door de afwikkelingsautoriteit worden beoordeeld in het kader van de afwikkelbaarheidsbeoordeling in de zin van artikel 15 van Richtlijn 2014/59/EU. De taxateur moet ook de mogelijkheid hebben regelingen te treffen voor deskundig advies of expertise. De beschikbaarheid van deskundig advies of expertise kan bijvoorbeeld relevant zijn om een inschatting te maken van het verschil in behandeling in de zin van artikel 36, lid 8, van Richtlijn 2014/59/EU. De afwikkelingsautoriteit moet zich er derhalve van vergewissen dat de taxateur toegang heeft tot een lijst van alle vorderingen, inclusief voorwaardelijke, op de entiteit, gerangschikt naar hun rechten en prioriteit volgens een normale insolventieprocedure, dan wel tot passende juridische expertise voor de opstelling van een dergelijke lijst.

(4)

De vaststelling dat een entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, wordt gemaakt door de bevoegde autoriteit of door de afwikkelingsautoriteit overeenkomstig het bepaalde in artikel 32, lid 1, onder a), van Richtlijn 2014/59/EU. Om te beoordelen of een instelling faalt of waarschijnlijk zal falen, moet de bevoegde autoriteit rekening houden met de waardering in de zin van hoofdstuk II van deze verordening, voor zover deze reeds beschikbaar is, en met de richtsnoeren die de Europese Bankautoriteit (EBA) overeenkomstig artikel 32, lid 6, van Richtlijn 2014/59/EU heeft uitgevaardigd ter bevordering van de convergentie van praktijken inzake de vaststelling van dergelijke afwikkelingsvoorwaarden.

(5)

Waarderingen die tot doel hebben vorm te geven aan de vaststelling door de bevoegde autoriteit of de afwikkelingsautoriteit of is voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling of voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten, moeten stroken met het geldende boekhoudkundige en prudentiële regelgevingskader. De taxateur moet evenwel de mogelijkheid hebben af te wijken van de aannamen van het management van de entiteit onder wiens verantwoordelijkheid de financiële overzichten zijn opgesteld, voor zover deze afwijking strookt met het geldende boekhoudkundige en prudentiële regelgevingskader. Wanneer van deze aannamen wordt afgeweken, moet de waardering gebaseerd zijn op de beste beschikbare informatie en stroken met bestaande richtsnoeren inzake toezicht of andere algemeen erkende bronnen van interpretatie van boekhoudkundige normen, teneinde een eerlijke en realistische weergave van de financiële positie van de entiteit te geven.

(6)

Het is wenselijk regels te hebben die ervoor zorgen dat waarderingen die de basis vormen voor de keuze en de vorm van afwikkelingsmaatregelen of de omvang van de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten op het moment van niet-levensvatbaarheid, eerlijk, prudent en realistisch zijn, en dat alle verliezen volledig worden erkend op het moment waarop de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten wordt uitgeoefend. Voor de specifieke afwikkelingsmaatregelen die de afwikkelingsautoriteit overweegt, moet de meest geschikte waarderingsgrondslag (de aanhoudingswaarde of de vervreemdingswaarde) worden gekozen.

(7)

Het is wenselijk dat waarderingen die de basis vormen voor de keuze en de vorm van afwikkelingsmaatregelen of de omvang van de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten op het moment van niet-levensvatbaarheid, de economische waarde beoordelen en niet de boekwaarde. Deze waarderingen moeten rekening houden met de contante waarde van kasstromen die de entiteit redelijkerwijs kan verwachten, zelfs wanneer hiervoor moet worden afgeweken van de kaders voor boekhouding en prudentiële waardering.

(8)

In het geval van waarderingen die de basis vormen voor de keuze en de vorm van afwikkelingsmaatregelen, moet in aanmerking worden genomen dat het blijven aanhouden van activa kasstromen kan meebrengen, en moet dan ook rekening worden gehouden met de potentiële gevolgen van de afwikkeling voor de toekomstige kasstromen, uitgaande van eerlijke, prudente en realistische aannamen met betrekking tot wanbetalingspercentages en de ernst van de verliezen. Voorts moet de taxateur, om de eigenvermogenswaarde van aandelen na de omzetting te bepalen, rekening kunnen houden met redelijke verwachtingen voor de franchisewaarde.

(9)

In het andere geval, wanneer de entiteit niet in staat is om de activa aan te houden of de vervreemding ervan nodig of wenselijk wordt geacht om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, moet in de waardering tot uiting komen dat dergelijke kasstromen kunnen voortvloeien uit de vervreemding van activa, passiva of bedrijfsonderdelen, beoordeeld over een bepaalde vervreemdingstermijn.

(10)

De vervreemdingswaarde moet doorgaans worden beschouwd als gelijk aan de waarneembare marktprijs die voor een bepaald activum of een bepaalde groep activa op de markt kan worden verkregen en waarin een gezien het bedrag van de overgedragen activa passende discontering kan zijn vervat. De taxateur moet echter rekening houdend met de volgens de afwikkelingsregeling te nemen maatregelen de vervreemdingswaarde kunnen vaststellen door op deze waarneembare marktprijs een vermindering toe te passen voor een potentiële korting door versnelde verkoop. Wanneer voor de activa geen liquide markt bestaat, moet de vervreemdingswaarde worden bepaald aan de hand van de waarneembare prijzen op markten waar soortgelijke activa worden verhandeld, of door middel van modelberekeningen waarin waarneembare marktparameters worden gebruikt met kortingen voor illiquiditeit die indien nodig worden weergegeven. Wanneer de verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling wordt overwogen, mag bij het bepalen van de vervreemdingswaarde rekening worden gehouden met redelijke verwachtingen voor de franchisewaarde.

(11)

Om ervoor te zorgen dat de berekening, overeenkomstig artikel 36, lid 8, van Richtlijn 2014/59/EU, van de inschatting van de behandeling die elke categorie aandeelhouders en schuldeisers naar verwachting had gekregen als de instelling of entiteit volgens een normale insolventieprocedure was geliquideerd, strookt met de waardering na afwikkeling overeenkomstig artikel 74 van die richtlijn, is het belangrijk dat de taxateur waar nodig de voor die waardering vastgestelde criteria hanteert.

(12)

Een voorlopige waardering overeenkomstig artikel 36, lid 9, van Richtlijn 2014/59/EU die de basis vormt van het besluit over de passende afwikkelingsmaatregel, moet een buffer omvatten die het bedrag van de bijkomende verliezen benadert. Deze buffer moet gebaseerd zijn op een eerlijke, prudente en realistische beoordeling van deze bijkomende verliezen. De beslissingen en aannamen waarop de berekening van de buffer berust, moeten in het waarderingsverslag naar behoren worden toegelicht en gestaafd.

(13)

Voor de in artikel 36, lid 15, onder a) en c), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde waardering moet de taxateur de belangrijkste aannamen, onzekerheden en de gevoeligheid van de waardering voor dergelijke aannamen en onzekerheden toelichten en staven. Significante verschillen tussen de in de waardering gebruikte aannamen en die welke aan de boekhoudkundige of regelgevingsinformatie ten grondslag liggen, moeten, voor zover de taxateur er kennis van heeft, in het waarderingsverslag worden opgenomen. In dit verslag moet de taxateur ook alle aanvullende informatie opnemen die de afwikkelingsautoriteit naar zijn mening zou helpen.

(14)

De bij deze verordening vastgestelde criteria dienen uitsluitend om de waarderingen overeenkomstig artikel 36 van Richtlijn 2014/59/EU uit te voeren. Zij mogen niet in de plaats komen van of wijzigingen aanbrengen in de boekhoudkundige beginselen en normen of het prudentiële regelgevingskader die in een andere context dan afwikkeling op entiteiten van toepassing zijn. Het moet echter mogelijk zijn de uit de waardering voortvloeiende informatie te gebruiken om een mogelijke verkeerde toepassing van de boekhoudnormen of van het prudentiële regelgevingskader door de entiteit te constateren of veranderingen in het boekhoudbeleid van de entiteit of in de bij de waardering van activa en passiva gemaakte aannamen of inschattingen vast te stellen. Met deze omstandigheden moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden bij het opstellen van de geactualiseerde balans overeenkomstig artikel 36, lid 6, van Richtlijn 2014/59/EU. Voor dit doel moet de taxateur een afdoende verklaring geven voor de verschillen tussen de bestaande en de geactualiseerde balans.

(15)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die door de EBA aan de Commissie zijn voorgelegd.

(16)

De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „waardering”: de beoordeling van de activa en passiva van de entiteit door een taxateur overeenkomstig artikel 36, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU of de voorlopige waardering door de afwikkelingsautoriteit of de taxateur, naargelang van het geval, overeenkomstig respectievelijk artikel 36, lid 2, en artikel 36, lid 9, van die richtlijn.

b)   „taxateur”: de onafhankelijke taxateur in de zin van artikel 38 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie (3) of de afwikkelingsautoriteit wanneer een voorlopige waardering overeenkomstig artikel 36, lid 2 of lid 9, van Richtlijn 2014/59/EU wordt verricht.

c)   „entiteit”: een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU.

d)   „reële waarde”: de prijs die zou worden ontvangen om een actief te verkopen of die zou worden betaald om een passief over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum, zoals omschreven in het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.

e)   „aanhoudingswaarde”: de contante waarde, gedisconteerd tegen een passend percentage, van de kasstromen die de entiteit volgens eerlijke, prudente en realistische aannamen redelijkerwijs mag verwachten als gevolg van het aanhouden van bepaalde activa en passiva, rekening houdend met factoren die van invloed zijn op het gedrag van de cliënt of tegenpartij of andere waarderingsparameters in de context van afwikkeling.

f)   „vervreemdingswaarde”: de in artikel 12, lid 5, bedoelde waarderingsgrondslag.

g)   „franchisewaarde”: de netto contante waarde van de kasstromen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht als gevolg van de instandhouding en vervanging van activa en passiva of bedrijven, inclusief de gevolgen van eventuele zakelijke mogelijkheden, voor zover relevant, waaronder die welke voortvloeien uit de verschillende afwikkelingsmaatregelen die door de taxateur worden beoordeeld. De franchisewaarde kan hoger of lager zijn dan de waarde die voortvloeit uit de contractvoorwaarden van activa en passiva op de waarderingsdatum.

h)   „eigenvermogenswaarde”: de geraamde marktprijs voor overgedragen of uitgegeven aandelen die voortvloeit uit de toepassing van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden. Afhankelijk van de aard van de activa of bedrijven kan de eigenvermogenswaarde de franchisewaarde omvatten.

i)   „beoordelingsgrondslag”: de aanpak voor het bepalen van de geldbedragen waarin activa of passiva door de taxateur worden uitgedrukt.

j)   „afwikkelingsdatum”: de datum waarop het besluit om een entiteit af te wikkelen wordt genomen overeenkomstig artikel 82 van Richtlijn 2014/59/EU.

Artikel 2

Algemene criteria

1.   De taxateur houdt bij het verrichten van de waardering rekening met de omstandigheden die van invloed zijn op de verwachte kasstromen voortvloeiend uit en de disconteringsvoeten die van toepassing zijn op de activa en passiva van een entiteit, en streeft naar een eerlijke weergave van de financiële positie van de entiteit in de context van de mogelijkheden en risico's waarmee zij te maken heeft.

2.   De taxateur maakt de belangrijkste aannamen die bij de waardering zijn gebruikt, bekend en staaft deze. Wanneer de waardering significant afwijkt van de aannamen die het management van de entiteit heeft gebruikt bij het opstellen van de financiële overzichten en de berekening van het verplichte kapitaal en de kapitaalvereisten van de entiteit, wordt deze afwijking gestaafd door de beste beschikbare informatie.

3.   De taxateur verstrekt de beste puntschatting van de waarde van een bepaald actief, passief of combinaties daarvan. Waar nodig worden de resultaten van de waardering ook verstrekt in de vorm van waarde-intervallen.

4.   De bij deze verordening vastgestelde criteria voor de waardering van de individuele activa en passiva van een entiteit zijn ook van toepassing op de waardering van portefeuilles of groepen activa of gecombineerde activa en passiva, bedrijven, of de entiteit als geheel, al naargelang de omstandigheden vereisen.

5.   Bij de waardering worden de schuldeisers onderverdeeld in categorieën in overeenstemming met hun prioriteitsniveau volgens het toepasselijke insolventierecht; hierbij worden de volgende ramingen verstrekt:

a)

de waarde van de vorderingen van elke categorie volgens het toepasselijke insolventierecht en, waar relevant en haalbaar, volgens de aan de eisers verleende contractuele rechten;

b)

de opbrengsten die elke categorie zou ontvangen indien de entiteit volgens een normale insolventieprocedure zou worden geliquideerd.

Bij de berekening van de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde ramingen mag de taxateur, in voorkomend geval, de bij artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/344 van de Commissie van 14 november 2017 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen tot specificatie van de criteria betreffende de methoden voor de waardering van het verschil in behandeling bij afwikkeling, waardering na afwikkeling) vastgestelde criteria toepassen.

6.   Wanneer het rekening houdend met het tijdstip en de geloofwaardigheid van de waardering wenselijk en haalbaar is, mag de afwikkelingsautoriteit om meerdere waarderingen verzoeken. In dat geval stelt de afwikkelingsautoriteit vast volgens welke criteria deze waarderingen worden gebruikt voor de doeleinden van artikel 36 van Richtlijn 2014/59/EU.

Artikel 3

Waarderingsdatum

De waarderingsdatum is een van de volgende data:

a)

de referentiedatum zoals vastgesteld door de taxateur, en wel een datum zo kort mogelijk voor de verwachte datum van een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de entiteit af te wikkelen of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten uit te oefenen;

b)

wanneer een definitieve waardering ex post overeenkomstig artikel 36, lid 10, van Richtlijn 2014/59/EU wordt verricht, de afwikkelingsdatum;

c)

met betrekking tot uit derivatencontracten voortvloeiende passiva, het in artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1401 van de Commissie (4) bedoelde tijdstip.

Artikel 4

Informatiebronnen

De waardering wordt gebaseerd op alle informatie met betrekking tot de waarderingsdatum die de taxateur relevant acht. Naast de financiële overzichten van de entiteit, de daarmee verband houdende auditrapporten en de voorgeschreven rapportage over een periode die zo dicht mogelijk bij de waarderingsdatum eindigt, kan die relevante informatie de volgende elementen omvatten:

a)

de geactualiseerde financiële overzichten en voorgeschreven rapportage die door de entiteit zo dicht mogelijk bij de waarderingsdatum zijn opgesteld;

b)

een verklaring van de belangrijkste methoden, aannamen en inschattingen die door de entiteit zijn gebruikt om de financiële overzichten en voorgeschreven rapportage op te stellen;

c)

gegevens uit de bescheiden van de entiteit;

d)

relevante marktgegevens;

e)

conclusies die de taxateur uit gesprekken met het management en accountants heeft getrokken;

f)

voor zover beschikbaar, beoordelingen van de financiële situatie van de entiteit door toezichthoudende instanties, waaronder informatie die is verkregen overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder h), van Richtlijn 2014/59/EU;

g)

sectorbrede beoordelingen van de activakwaliteit, waar relevant voor de activa van de entiteit, alsmede de resultaten van stresstests;

h)

waarderingen van vakgenoten, naar behoren aangepast om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de entiteit;

i)

historische informatie, naar behoren aangepast om factoren die niet meer relevant zijn, buiten beschouwing te laten en rekening te houden met andere factoren die geen gevolgen hadden voor de historische informatie, of

j)

trendanalyses, naar behoren aangepast om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de entiteit;

Artikel 5

Effect van groepsregelingen

1.   Wanneer de entiteit deel uitmaakt van een groep, houdt de taxateur rekening met het effect dat bestaande contractuele ondersteuningsregelingen binnen de groep kunnen hebben op de waarde van de activa en passiva, indien het gezien de omstandigheden waarschijnlijk is dat op deze regelingen een beroep zal worden gedaan.

2.   De taxateur houdt uitsluitend rekening met het effect van andere formele of informele regelingen binnen de groep indien het gezien de omstandigheden waarschijnlijk is dat deze regelingen in de context van de gespannen financiële toestand van de groep of bij afwikkeling blijven bestaan.

3.   De taxateur gaat na of met de middelen van een entiteit binnen de groep verliezen van andere entiteiten binnen de groep kunnen worden gedekt.

Artikel 6

Waarderingsverslag

De taxateur stelt voor de afwikkelingsautoriteit een waarderingsverslag op dat ten minste de volgende elementen omvat:

a)

de in artikel 36, lid 6, onder a) tot en met c), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde informatie, behoudens het bepaalde in artikel 36, lid 9, van die richtlijn;

b)

de in artikel 36, lid 8, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde informatie, behoudens het bepaalde in artikel 36, lid 9, van die richtlijn;

c)

de waardering van uit derivaten voortvloeiende passiva, verricht overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1401 van de Commissie;

d)

een samenvatting van de waardering, met een toelichting op de beste puntschatting, waarde-intervallen en bronnen van waarderingsonzekerheid;

e)

een toelichting op de belangrijkste methoden en aannamen die de taxateur bij het verrichten van de waardering heeft gebruikt, de gevoeligheid van de waardering voor de keuze van methoden en aannamen en, waar mogelijk, een toelichting op de wijze waarop deze methoden en aannamen verschillen van die welke voor andere relevante waarderingen zijn gebruikt, inclusief voorlopige afwikkelingswaarderingen;

f)

alle overige informatie die naar het oordeel van de taxateur de afwikkelingsautoriteit of de bevoegde autoriteit zou helpen voor de toepassing van artikel 36, leden 1 tot en met 11, van Richtlijn 2014/59/EU.

HOOFDSTUK II

CRITERIA VOOR DE IN ARTIKEL 36, LID 4, ONDER a), BEDOELDE WAARDERING

Artikel 7

Algemene beginselen

1.   De in artikel 36, lid 4, onder a), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde waarderingen zijn gebaseerd op eerlijke en realistische aannamen en zorgen ervoor dat de verliezen volgens het passende scenario volledig worden erkend. Wanneer een dergelijke waardering beschikbaar is, geeft zij vorm aan de in artikel 32, lid 1, onder a), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde vaststelling door de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de afwikkelingsautoriteit, dat de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen. Op basis van bestaande richtsnoeren inzake toezicht of andere algemeen erkende bronnen die criteria voorschrijven voor een eerlijke en realistische waardering van verschillende soorten activa en passiva, kan de taxateur de aannamen, gegevens, methoden en inschattingen waarop de entiteit haar waarderingen voor financiële rapportageverplichtingen of voor de berekening van het verplichte kapitaal en de kapitaalvereisten heeft gebaseerd, betwisten en voor de doeleinden van de waardering buiten beschouwing laten.

2.   De taxateur bepaalt de meest geschikte waarderingsmethoden, die op de interne modellen van de entiteit gebaseerd kunnen zijn indien de taxateur het wenselijk acht rekening te houden met de aard van het risicobeheerskader van de entiteit en de kwaliteit van de beschikbare gegevens en informatie.

3.   De waarderingen stroken met het geldende boekhoudkundige en prudentiële regelgevingskader.

Artikel 8

Gebieden die bij de waardering bijzondere aandacht vergen

De taxateur richt zich met name op gebieden met aanzienlijke waarderingsonzekerheid die significante gevolgen voor de totale waardering hebben. Voor deze gebieden verstrekt de taxateur de resultaten in de vorm van beste puntschattingen en, waar nodig, waarde-intervallen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 3. Deze gebieden omvatten:

a)

leningen of leningenportefeuilles, waarvan de verwachte kasstromen afhankelijk zijn van het vermogen of de bereidheid van of de stimulans voor de tegenpartij om aan haar verplichting te voldoen, wanneer deze verwachtingen stoelen op aannamen met betrekking tot achterstalligheidspercentages, de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling of de kenmerken van het instrument, met name indien deze worden gestaafd door verliespatronen voor een leningenportefeuille;

b)

teruggehaalde activa, waarvan de kasstromen worden beïnvloed door de reële waarde van het actief op het tijdstip waarop de entiteit beslag legt op de zekerheid of het onderpand in kwestie, en de verwachte ontwikkeling van deze waarde na de beslaglegging;

c)

tegen reële waarde gewaardeerde instrumenten, wanneer de bepaling van deze reële waarde overeenkomstig de boekhoudkundige of prudentiële vereisten inzake de waardering ervan tegen marktwaarde of volgens een model gezien de omstandigheden niet langer passend of gegrond is;

d)

goodwill en immateriële activa, wanneer de waardeverminderingstoets gebaseerd kan zijn op een subjectieve beoordeling, onder meer met betrekking tot de redelijkerwijs haalbare kasstroom, disconteringsvoeten en de omvang van kasstroomgenererende eenheden;

e)

rechtsgeschillen en regelgevende maatregelen, waarvan de verwachte kasstromen een uiteenlopende mate van onzekerheid kunnen vertonen ten aanzien van het bedrag en/of het tijdstip ervan;

f)

met pensioenen verband houdende activa en passiva en uitgestelde belastingvorderingen.

Artikel 9

Factoren die de waardering beïnvloeden

1.   De taxateur houdt rekening met algemene factoren die van invloed kunnen zijn op de belangrijkste aannamen waarop de waarden van activa en passiva op de in artikel 8 bedoelde gebieden zijn gebaseerd, waaronder de volgende:

a)

de economische en sectorale omstandigheden die van invloed zijn op de entiteit, waaronder relevante marktontwikkelingen;

b)

het bedrijfsmodel van de entiteit en de veranderingen in haar strategie;

c)

de selectiecriteria voor de activa van de entiteit, inclusief het kredietverleningsbeleid;

d)

de omstandigheden en praktijken die tot betalingsschokken kunnen leiden;

e)

de omstandigheden die van invloed zijn op de parameters welke worden gebruikt voor de vaststelling van risicogewogen activa bij de berekening van minimumkapitaalvereisten;

f)

de gevolgen van de financiële structuur van de entiteit voor haar vermogen om activa gedurende de verwachte aanhoudingsperiode aan te houden en voor haar vermogen om voorspelbare kasstromen te genereren;

g)

algemene of entiteitsgebonden liquiditeits- of financieringsproblemen.

2.   De taxateur onderscheidt duidelijk de tijdens het waarderingsproces vastgestelde materiële niet-gerealiseerde winsten, voor zover deze winsten niet zijn opgenomen in de waardering, en verstrekt in het waarderingsverslag passende informatie over de uitzonderlijke omstandigheden die tot deze winsten hebben geleid.

HOOFDSTUK III

CRITERIA VOOR DE IN ARTIKEL 36, LID 4, ONDER b), c), d), e), f) EN g), EN ARTIKEL 36, LID 9, TWEEDE ALINEA, BEDOELDE WAARDERING

Artikel 10

Algemene beginselen

1.   De taxateur beoordeelt het effect op de waardering van elke afwikkelingsmaatregel die de afwikkelingsautoriteit neemt om vorm te geven aan de in artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde besluiten. Onverminderd de onafhankelijkheid van de taxateur mag de afwikkelingsautoriteit overleg plegen met de taxateur om mee te delen welk scala van afwikkelingsmaatregelen zij overweegt, waaronder de maatregelen van het afwikkelingsplan of, indien verschillend, van de voorgestelde afwikkelingsregeling.

2.   Om te zorgen voor een eerlijke, prudente en realistische waardering verricht de taxateur, waar nodig en in overleg met de afwikkelingsautoriteit, afzonderlijke waarderingen die de gevolgen van een voldoende breed scala van afwikkelingsmaatregelen weergeven.

3.   De taxateur zorgt ervoor dat, wanneer de afwikkelingsinstrumenten worden toegepast of de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van de relevante kapitaalinstrumenten wordt uitgeoefend, alle verliezen op de activa van de entiteit volledig worden erkend volgens scenario's die relevant zijn voor het scala van overwogen afwikkelingsmaatregelen.

4.   Wanneer de waarden van de waardering significant afwijken van de door de entiteit in de financiële overzichten gepresenteerde waarden, gebruikt de taxateur de aannamen van die waardering om vorm te geven aan aanpassingen aan de aannamen en de grondslagen voor financiële verslaggeving die nodig zijn voor het opstellen van de geactualiseerde balans vereist krachtens artikel 36, lid 6, van Richtlijn 2014/59/EU, op een wijze die strookt met het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving. Voor de door hem vastgestelde verliezen die niet in de geactualiseerde balans kunnen worden opgenomen, specificeert de taxateur het bedrag en omschrijft hij de redenen daarvoor alsmede de waarschijnlijkheid en de termijn waarbinnen de verliezen zich kunnen voordoen.

5.   Wanneer kapitaalinstrumenten of andere passiva in eigen vermogen worden omgezet, bevat de waardering een raming van de eigenvermogenswaarde na omzetting van nieuwe aandelen die als compensatie voor de houders van omgezette kapitaalinstrumenten of andere schuldeisers worden overgedragen of uitgegeven. Deze raming vormt de basis voor de vaststelling van de omzettingskoers of -koersen in de zin van artikel 50 van Richtlijn 2014/59/EU.

Artikel 11

Keuze van de waarderingsgrondslag

1.   Bij de keuze van de meest geschikte waarderingsgrondslag of -grondslagen houdt de taxateur rekening met het scala van overeenkomstig artikel 10, lid 1, te onderzoeken afwikkelingsmaatregelen.

2.   De taxateur stelt vast welke kasstromen uit bestaande activa en passiva de entiteit kan verwachten op basis van eerlijke, prudente en realistische aannamen nadat de onderzochte afwikkelingsmaatregel of -maatregelen zijn genomen, gedisconteerd tegen een passend percentage overeenkomstig lid 6.

3.   De kasstromen worden vastgesteld op het passende niveau van aggregatie, variërend van afzonderlijke activa en passiva tot portefeuilles of ondernemingen, rekening houdend met verschillen in risicoprofielen.

4.   Wanneer de in artikel 10, lid 1, bedoelde afwikkelingsmaatregelen vereisen dat activa en passiva worden aangehouden door een entiteit met een doorlopende bedrijfsuitoefening, gebruikt de taxateur de aanhoudingswaarde als passende waarderingsgrondslag. De aanhoudingswaarde kan vooruitlopen op een normalisering van de marktvoorwaarden, indien dit als eerlijk, prudent en realistisch wordt beschouwd.

De aanhoudingswaarde wordt niet als waarderingsgrondslag gebruikt wanneer activa worden overgedragen aan een vehikel voor activabeheer overeenkomstig artikel 42 van Richtlijn 2014/59/EU of aan een overbruggingsinstelling overeenkomstig artikel 40 van die richtlijn, of wanneer wordt gebruikgemaakt van het instrument van verkoop van de onderneming overeenkomstig artikel 38 van die richtlijn.

5.   Wanneer de in artikel 10, lid 1, bedoelde afwikkelingsmaatregelen de verkoop van activa beogen, stemmen de verwachte kasstromen overeen met de beoogde vervreemdingswaarden voor de verwachte vervreemdingstermijn.

6.   Bij de vaststelling van disconteringspercentages wordt rekening gehouden met het tijdstip van kasstromen, het risicoprofiel, de financieringskosten en de marktvoorwaarden, naargelang dit passend is voor het gewaardeerde actief of passief, de overwogen vervreemdingsstrategie en de financiële positie van de entiteit na afwikkeling.

Artikel 12

Specifieke factoren in verband met de raming en discontering van verwachte kasstromen

1.   Bij de raming van kasstromen gebruikt de taxateur zijn deskundige oordeel voor de vaststelling van de belangrijkste kenmerken van de gewaardeerde activa of passiva. De taxateur gebruikt zijn deskundige oordeel eveneens om vast te stellen op welke wijze de aanhouding, de potentiële vervanging of herfinanciering, de inkrimping of vervreemding van deze activa of passiva, zoals beoogd in de onderzochte afwikkelingsmaatregel, deze kasstromen beïnvloeden.

2.   Wanneer de afwikkelingsmaatregel inhoudt dat een entiteit een actief aanhoudt, een passief instandhoudt of een onderneming voortzet, kan de taxateur rekening houden met factoren die van invloed kunnen zijn op de toekomstige kasstromen, zoals:

a)

veranderingen in aannamen of verwachtingen ten opzichte van de waarderingsdatum, in overeenstemming met historische langetermijntrends en een redelijke tijdshorizon die consistent is met de beoogde aanhoudingsperiode van activa of voor het herstel van de entiteit, of

b)

aanvullende of alternatieve waarderingsgrondslagen of -methoden die door de taxateur passend en in overeenstemming met deze verordening worden geacht, ook in de context van de beoordeling van de eigenvermogenswaarde van aandelen na omzetting.

3.   Ten aanzien van groepen activa en passiva of ondernemingen die naar verwachting zullen worden afgestoten, houdt de taxateur rekening met de herschikkingskosten en -opbrengsten.

4.   Wanneer de situatie van een entiteit de aanhouding van een actief of voortzetting van een onderneming niet toelaat, of wanneer de verkoop door de afwikkelingsautoriteit anderszins nodig wordt geacht om de afwikkelingsdoelstellingen te bereiken, worden de verwachte kasstromen gerelateerd aan de verwachte vervreemdingswaarden binnen een bepaalde vervreemdingstermijn.

5.   De vervreemdingswaarde wordt door de taxateur bepaald op basis van de kasstromen, minus de vervreemdingskosten en minus de verwachte waarde van verstrekte garanties, die de entiteit onder de heersende marktomstandigheden redelijkerwijs kan verwachten bij een geordende verkoop of overdracht van activa of passiva. Waar nodig kan de taxateur ten aanzien van de in het kader van de afwikkelingsregeling te nemen maatregelen de vervreemdingswaarde vaststellen door op de waarneembare marktprijs van deze verkoop of overdracht een vermindering toe te passen voor een potentiële korting voor versnelde verkoop. Om de vervreemdingswaarde te bepalen van activa waarvoor geen liquide markt bestaat, houdt de taxateur rekening met waarneembare prijzen op markten waar soortgelijke activa worden verhandeld of modelberekeningen waarbij waarneembare marktparameters worden gebruikt met kortingen voor illiquiditeit waar nodig.

6.   De taxateur houdt rekening met factoren die van invloed kunnen zijn op de vervreemdingswaarden en -termijnen, zoals:

a)

de vervreemdingswaarden en -termijnen die bij gelijksoortige transacties worden waargenomen, naar behoren aangepast om rekening te houden met verschillen in bedrijfsmodel en financiële structuur van de bij deze transacties betrokken partijen;

b)

voor- of nadelen van een bepaalde transactie die specifiek zijn voor de betrokken partijen of een deel van de marktdeelnemers;

c)

bijzondere kenmerken van een actief of onderneming die alleen relevant zijn voor een potentiële koper of een deel van de marktdeelnemers;

d)

de waarschijnlijke gevolgen van verwachte verkopen voor de franchisewaarde van de entiteit.

7.   Wanneer de waarde van ondernemingen wordt beoordeeld ten behoeve van de verkoop van de onderneming of voor gebruik van het instrument van de overbruggingsinstelling, kan de taxateur rekening houden met redelijke verwachtingen voor de franchisewaarde. Deze verwachtingen voor de franchisewaarde omvatten de waarde die voortvloeit uit vervanging van activa, herfinanciering van een open portefeuille of voortzetting of hervatting van ondernemingen in de context van de afwikkelingsmaatregelen.

8.   Een taxateur die van oordeel is dat er voor de vervreemding van een actief of onderneming geen realistische vooruitzichten zijn, hoeft de vervreemdingswaarde niet vast te stellen, maar raamt de bijbehorende kasstromen op basis van de relevante vooruitzichten voor voortzetting of inkrimping. Deze bepaling is niet van toepassing op het instrument van afsplitsing van activa of het instrument van verkoop van de onderneming.

9.   Voor onderdelen van een groep activa of een onderneming die waarschijnlijk volgens een normale insolventieprocedure zullen worden geliquideerd, mag de taxateur de vervreemdingswaarden en -termijnen gebruiken die bij openbare verkopingen van activa van soortgelijke aard en toestand zijn waargenomen. Bij de vaststelling van de verwachte kasstromen wordt rekening gehouden met illiquiditeit, de afwezigheid van betrouwbare inputs voor de vaststelling van vervreemdingswaarden en de daaruit voortvloeiende noodzaak om een beroep te doen op inputonafhankelijke waarderingsmethoden.

Artikel 13

Methode voor het berekenen en opnemen van een buffer voor bijkomende verliezen

1.   In verband met de onzekerheid van de voorlopige waarderingen overeenkomstig artikel 36, lid 4, onder b) tot en met g), van Richtlijn 2014/59/EU neemt de taxateur in de waardering een buffer op om rekening te houden met feiten en omstandigheden die wijzen op het bestaan van bijkomende verliezen waarvan het bedrag of het tijdstip onzeker is. Om dubbeltelling van onzekerheid te vermijden, moeten de aannamen waarop de berekening van de buffer berust, door de taxateur naar behoren worden toegelicht en gestaafd.

2.   Om de omvang van de buffer te bepalen, stelt de taxateur de factoren vast die van invloed kunnen zijn op de verwachte kasstromen als gevolg van afwikkelingsmaatregelen die waarschijnlijk zullen worden genomen.

3.   Voor de toepassing van lid 2 kan de taxateur de voor een deel van de activa van de entiteit geraamde verliezen extrapoleren naar de rest van de balans van de entiteit. Voor zover beschikbaar kunnen ook geraamde gemiddelde verliezen voor activa van vergelijkbare concurrenten worden geëxtrapoleerd, mits de nodige correcties worden aangebracht voor verschillen in bedrijfsmodel en financiële structuur.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 november 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie van 23 maart 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de inhoud van herstelplannen, afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen, de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen met betrekking tot herstelplannen en groepsherstelplannen, de voorwaarden voor financiële steun binnen de groep, de voorwaarden voor onafhankelijke taxateurs, de contractuele erkenning van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, de procedures en de inhoud van de kennisgevingsvereisten en van de kennisgeving van opschorting en de operationele werking van de afwikkelingscolleges (PB L 184 van 8.7.2016, blz. 1).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1401 van de Commissie van 23 mei 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen met technische reguleringsnormen voor methodieken en grondslagen voor de waardering van uit derivaten voortvloeiende passiva (PB L 228 van 23.8.2016, blz. 7).


9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/346 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2018

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor een preparaat van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 ingediend. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd.

(3)

Deze aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor een preparaat van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 als toevoegingsmiddel in de categorie „technologische toevoegingsmiddelen” voor alle diersoorten.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 4 juli 2017 (2) geconcludeerd dat het preparaat van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu. De EFSA heeft tevens geconcludeerd dat het betrokken preparaat het potentieel heeft om de productie van kuilvoer met gemakkelijk, middelmatig moeilijk en moeilijk in te kuilen voedermateriaal te verbeteren. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van het preparaat van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „technologische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „inkuiltoevoegingsmiddelen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  EFSA Journal 2017; 15(7):4934.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Toevoegings-middel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximum-leeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU toevoegingsmiddel/kg vers materiaal

Technologische toevoegingsmiddelen: inkuiltoevoegingsmiddelen

1k20758

Lactobacillus buchneri NRRL B-50733

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 met minimaal 1 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel.

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733

Analysemethode  (1)

Kwantificering in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van MRS-agar: EN 15787.

Identificatie van het toevoegingsmiddel voor diervoeding: pulsed-field-gelelektroforese (PFGE).

Alle diersoorten

1.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en het voormengsel moeten de opslagvoorwaarden worden aangegeven.

2.

Minimumgehalte van Lactobacillus buchneri NRRL B-50733 indien niet gecombineerd met andere micro-organismen als inkuiltoevoegingsmiddel: 1 × 108 CFU/kg vers materiaal.

3.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het aanpakken van mogelijke risico's bij gebruik. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, worden bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming.

29 maart 2028


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/347 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2018

tot verlening van een vergunning voor het preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor biggen en zeugen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1847/2003 en (EG) nr. 2036/2005 (vergunninghouder Danstar Ferment AG, vertegenwoordigd door Lallemand SAS)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor het preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079 is een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor biggen bij Verordening (EG) nr. 1847/2003 van de Commissie (3) en voor zeugen bij Verordening (EG) nr. 2036/2005 van de Commissie (4). Vervolgens is dat toevoegingsmiddel overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 daarvan is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van het preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor zeugen en biggen. De aanvrager heeft gevraagd dit toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” in te delen. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 20 april 2016 en 4 juli 2017 (5) geconcludeerd dat het preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079 onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft. Ook concludeerde zij dat het toevoegingsmiddel werkzaam is bij zeugen, waar het ten goede komt van speenvarkens, en bij gespeende biggen, waar het de voederconversie aanzienlijk verbetert. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van het preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

De Verordeningen (EG) nr. 1847/2003 en (EG) nr. 2036/2005 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Vergunningverlening

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren”, wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1847/2003

Verordening (EG) nr. 1847/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt geschrapt.

2)

Bijlage II wordt geschrapt.

Artikel 3

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2036/2005

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2036/2005 wordt de vermelding E 1703 geschrapt.

Artikel 4

Overgangsmaatregelen

Het in de bijlage omschreven preparaat en diervoeding die dat preparaat bevat die vóór 29 september 2018 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 29 maart 2018 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1847/2003 van de Commissie van 20 oktober 2003 tot verlening van een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een toevoegingsmiddel en van een permanente vergunning voor een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 269 van 21.10.2003, blz. 3).

(4)  Verordening (EG) nr. 2036/2005 van de Commissie van 14 december 2005 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 328 van 15.12.2005, blz. 13).

(5)  EFSA Journal 2016;14(6):4478 en EFSA Journal 2017;15(7):4932.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren

4d1703

Danstar Ferment AG, vertegenwoordigd door Lallemand SAS

Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079 met ten minste:

1 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel (gecoat)

2 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel (niet gecoat)

Karakterisering van de werkzame stof:

Levensvatbare cellen van Saccharomyces cerevisiae CNCM I-1079

Analysemethode  (1)

Telling: gietplaatmethode met gebruikmaking van chlooramfenicol-dextrosegistextractagar (EN15789:2009)

Identificatie: polymerasekettingreactie (PCR) methode 15790:2008.

Zeugen

Gespeende biggen

1 × 109

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en voormengsel worden de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling vermeld.

2.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij gebruik. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, worden bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming.

3.

Voor gebruik bij zeugen, ten behoeve van speenvarkens.

4.

Voor gebruik bij gespeende biggen tot ongeveer 35 kg.

29 maart 2028


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/348 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2018

betreffende een tijdelijke afwijking van de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 vastgestelde regels betreffende de preferentiële oorsprong voor in Cambodja vervaardigde rijwielen bij het gebruik van rijwielonderdelen van oorsprong uit Maleisië in het kader van cumulatie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 64, lid 6, en artikel 66, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie heeft bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2) algemene tariefpreferenties (hierna „SAP” genoemd) toegekend aan Cambodja. Het SAP-stelsel is op 1 januari 2014 in werking getreden.

(2)

Verordening (EU) nr. 952/2013 biedt de mogelijkheid om in bepaalde welomschreven omstandigheden en voor bepaalde goederen afwijkingen van de regels betreffende de preferentiële oorsprong toe te kennen aan SAP-begunstigde landen. Overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (3) is regionale cumulatie slechts van toepassing tussen landen van dezelfde regionale groep wanneer zij op het moment van uitvoer naar de Unie SAP-begunstigde zijn.

(3)

Op 13 oktober 2016 heeft Cambodja een verzoek ingediend om de afwijking die is toegekend bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 822/2014 van de Commissie (4) met drie jaar te verlengen. In het kader van die afwijking was Cambodja gerechtigd met het oog op het bepalen van de oorsprong van uit Cambodja in de Unie ingevoerde rijwielen van GS-post 8712 onderdelen van oorsprong uit Maleisië op grond van regionale cumulatie overeenkomstig het SAP te beschouwen als van oorsprong uit Cambodja, ook al was Maleisië geen SAP-begunstigd land.

(4)

Cambodja heeft in zijn verzoek uitgelegd dat zijn rijwielindustrie aanzienlijke inspanningen heeft verricht om stapsgewijs te voldoen aan de (in bijlage 22-03 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 vastgelegde) oorsprongsregels van de Unie voor de minst ontwikkelde landen, volgens welke een product alleen als van oorsprong uit een minst ontwikkeld land mag worden beschouwd, als het percentage voor de productie ervan gebruikte en uit andere land en ingevoerde materialen niet hoger dan 70 % is. Cambodja heeft echter geconcludeerd dat die industrie meer tijd nodig heeft om de oorsprongsregels van de Unie voor de minst ontwikkelde landen volledig na te leven.

(5)

Bij brief van 17 februari 2017 heeft de Commissie Cambodja verzocht nadere informatie te verstrekken. Op 15 juni 2017 heeft Cambodja op dat verzoek geantwoord en daarmee werd zijn aanvraag als volledig beschouwd.

(6)

Cambodja heeft in zijn antwoord aangetoond dat er inspanningen zijn verricht om de rijwielindustrie autonomer te maken, dankzij investeringen die erop gericht zijn om verdere productielijnen voor onderdelen (zoals frames, schilderwerk, laswerk of velgen) op te zetten. Cambodja heeft verder uitgelegd dat de fabrikanten zijn aangespoord om fietsaccessoires en verpakkingsmateriaal van lokale leveranciers te kopen om de door Cambodja geleverde toegevoegde waarde te verhogen. Cambodja voert nu dus zijn eigen beleid om investeerders aan te trekken en industriële clusters in speciale economische zones op te zetten ter ondersteuning van de rijwielindustrie.

(7)

Cambodja benadrukt dat extra tijd van belang is om het momentum van de Cambodjaanse rijwielindustrie te behouden en nieuwe projecten, vooral op het gebied van het bevorderen van investeringen in andere Asean-landen, te realiseren die voorzien in de behoeften van de Cambodjaanse rijwielindustrie wat betreft de kwaliteit en de prijs van de rijwielonderdelen.

(8)

Uit deze aanvullende informatie blijkt dat de rijwielindustrie van Cambodja inmiddels in bevredigende mate autonoom is, en de in het verslag genoemde cijfers laten zien dat een voortdurende naleving van de oorsprongsregel op grond waarvan maximaal 70 % niet van oorsprong zijnde materialen mag worden gebruikt, nu binnen bereik is. Gezien deze verbetering is het dus niet nodig om de afwijking langdurig te verlengen of een groot aantal in de Unie in te voeren eenheden onder deze afwijking te laten vallen. Terwijl de afwijking voor 2016 nog 150 000 eenheden betrof, zal een aantal van 100 000 eenheden nu voldoende zijn om Cambodja te helpen om zijn rijwielindustrie volledig autonoom te maken.

(9)

Zoals Cambodja in zijn verzoek heeft uitgelegd, kan de afwijking echter alleen volledig worden gebruikt als rekening wordt gehouden met een seizoensgebonden ritme: een periode voor het bestellen van onderdelen (oktober-december) en een periode van invoer van deze onderdelen uit de andere landen (van mei van het daaropvolgende jaar tot maart van het derde jaar). Daarom moet de afwijking een geldigheidsduur krijgen die lang genoeg is om een nuttig effect te kunnen sorteren. Om dezelfde redenen moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(10)

Om de Commissie in staat te stellen efficiënt toe te zien op de wijze waarop de afwijking wordt toegepast, moeten de Cambodjaanse autoriteiten worden verplicht de Commissie regelmatig nadere gegevens over de binnen het kader van de afwijking afgegeven certificaten van oorsprong formulier A te verstrekken.

(11)

De afwijking moet betrekking hebben op alle producten van GS-post 8712, waarvoor onderdelen van GS-post 8714 van oorsprong uit Maleisië worden gebruikt.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   In afwijking van artikel 55, lid 2, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 is Cambodja gerechtigd om bij het gebruik van onderdelen van GS-post 8714 van oorsprong uit Maleisië voor de productie van rijwielen van GS-post 8712 die bestemd zijn voor de uitvoer naar de Unie, een beroep te doen op de regionale cumulatie van oorsprong overeenkomstig titel II, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446.

2.   De bewijzen van oorsprong voor de in lid 1 bedoelde onderdelen worden opgesteld overeenkomstig titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, onderafdeling 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (5).

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde afwijking is van toepassing op producten van GS-post 8712 die uit Cambodja worden uitgevoerd en voor het vrije verkeer in de Unie worden aangegeven, voor de periode en de maximumhoeveelheid die in de bijlage zijn vermeld.

Artikel 3

De in de bijlage bij deze verordening vermelde contingenten worden beheerd overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.

Artikel 4

Vak nr. 4 van de certificaten van oorsprong formulier A die door de bevoegde Cambodjaanse autoriteiten zijn afgegeven, of van de attesten van oorsprong die door de in Cambodja geregistreerde exporteurs zijn opgesteld voor de in artikel 2 bedoelde producten, is van de volgende aantekeningen voorzien:

„Derogation — Commission Implementing Regulation (EU) 2018/348”

De bevoegde Cambodjaanse autoriteiten doen de Commissie, vóór het einde van de maand volgende op elk kwartaal van een kalenderjaar, een kwartaaloverzicht toekomen van de hoeveelheden van de in artikel 2 bedoelde producten waarvoor certificaten van oorsprong formulier A zijn afgegeven, onder vermelding van de volgnummers van die certificaten.

Artikel 5

De bevoegde autoriteiten van Cambodja nemen alle nodige maatregelen om voor de naleving van de artikelen 1 en 4 te zorgen en administratieve structuren en systemen op te zetten en in stand te houden die de juiste uitvoering van de in artikel 1 bedoelde afwijking en de administratieve samenwerking, zowel met de Maleisische autoriteiten als met de Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Unie, als bedoeld in titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, onderafdeling 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 waarborgen.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 822/2014 van de Commissie van 28 juli 2014 houdende afwijking van Verordening (EEG) nr. 2454/93 wat betreft de oorsprongsregels van het schema van algemene tariefpreferenties voor in Cambodja vervaardigde rijwielen bij het gebruik van rijwielonderdelen van oorsprong uit Maleisië in het kader van cumulatie (PB L 223 van 29.7.2014, blz. 19).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).


BIJLAGE

Volgnummer

GN-code

Omschrijving

Periode

Hoeveelheid (in eenheden)

09.8094

8712

Rijwielen (bakfietsen daaronder begrepen), zonder motor

9 maart 2018 tot en met 31 december 2019

100 000


9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/28


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/349 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2018

tot 282e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al-Qai'da (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad heeft op 6 maart 2018 besloten drie vermeldingen toe te voegen aan de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren. Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Om de doeltreffendheid van de in deze verordening vastgestelde maatregelen te garanderen, moet deze verordening onmiddellijk in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd als volgt:

1)

De volgende vermeldingen worden toegevoegd aan de lijst „Natuurlijke personen”:

(a)

„Salim Mustafa Muhammad Al-Mansur (ook bekend als a) Salim Mustafa Muhammad Mansur Al-Ifri; b) Saleem Al-Ifri; c) Salim Mansur Mustafa; d) Salim Mansur; e) Hajji Salim Al-Shaklar). Geboortedatum: a) 20.2.1962; b) 1959. Geboorteplaats: a) Bagdad, Irak; b) Tel Afar, provincie Nineveh, Irak. Nationaliteit: Irakees. Paspoortnummer: Irakees nummer A6489694, afgegeven op 2.9.2013 (verstrijkt op 31.8.2021). Nationaal identificatienummer: a) Irakese nationale identiteitskaart 00813602, afgegeven op 18.9.2011; b) Irakees certificaat van Irakese nationaliteit 300397, afgegeven op 25.6.2013. Adres: a) 17 Tamoz, Mosul, Irak (oud adres); b) Tel Afar – Al-Saad, Mosul, Irak (oud adres). Overige informatie: fysieke beschrijving: haarkleur: zwart; kleur ogen: honing; lengte: 170 cm; spreekt Arabisch. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 6.3.2018.”

(b)

„Umar Mahmud Irhayyim Al-Kubaysi (ook bekend als a) Umar Mahmud Rahim al-Kubaysi; b) Omar Mahmood Irhayyim Al-Fayyadh; c) Umar Mahmud Rahim; d) Umar Mahmud Rahim Al-Qubaysi; e) Umar Mahmud Al-Kubaysi Arhaym; f) Umar Mahmud Arhaym; g) Omar Mahmood Irhayyim; h) Omar Mahmood Irhayyim Al-Fayyadh Al-Kobaisi; i) Umar al-Kubaysi). Geboortedatum: a) 16.6.1967; b) 1.1.1967. Geboorteplaats: Al-Qaim, provincie Al-Anbar, Irak. Nationaliteit: Irakees. Paspoortnummer: Irakees nummer A4059346, afgegeven op 29.5.2013, afgegeven in Bagdad, Irak (verstrijkt op 27.5.2021). Nationaal identificatienummer: a) Irakese nationale identiteitskaart 00405771, afgegeven op 20 mei 2013, afgegeven in Irak; b) Irakees certificaat van Irakese nationaliteit 540763, afgegeven op 13.2.1984. Adres: Al-Qaim, provincie Al-Anbar, Irak. Overige informatie: fysieke beschrijving: geslacht: mannelijk; haarkleur: zwart; lengte: 175 cm; spreekt Arabisch. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 6.3.2018.”

2)

De volgende vermelding wordt toegevoegd aan de lijst „Rechtspersonen, groepen en entiteiten”:

„Al-Kawthar Money Exchange (ook bekend als a) Al Kawthar Co.; b) Al Kawthar Company; c) Al-Kawthar Hawala). Adres: Al-Qaim, provincie Al-Anbar, Irak. Overige informatie: geldwisselbedrijf, eigendom van Umar Mahmud Irhayyim al-Kubaysi vanaf midden 2016. Opgericht in 2000 met licentienummer 202, afgegeven op 17.5.2000, en sindsdien ingetrokken. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 6.3.2018.”


RICHTLIJNEN

9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/30


RICHTLIJN (EU) 2018/350 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2018

tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de milieurisicobeoordeling van genetisch gemodificeerde organismen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (1), en met name artikel 27,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2001/18/EG zijn vereisten vastgesteld voor de milieurisicobeoordeling van genetisch gemodificeerde organismen („ggo's”).

(2)

Op 4 december 2008 heeft de Raad conclusies over ggo's aangenomen waarin hij de noodzaak benadrukte om de milieurisicobeoordeling van ggo's te actualiseren en te versterken, met name wat betreft de beoordeling van milieueffecten op lange termijn.

(3)

Naar aanleiding van een verzoek van de Commissie heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in oktober 2010 een wetenschappelijk advies aangenomen waarin richtsnoeren worden vastgesteld inzake de milieurisicobeoordeling van genetisch gemodificeerde planten (2) (hierna „de richtsnoeren” genoemd), die een herziening zijn van de vorige richtsnoeren. Andere door de EFSA en door het Europees Geneesmiddelenbureau uitgebrachte documenten met richtsnoeren zijn relevant voor de milieurisicobeoordeling van andere ggo's dan planten.

(4)

In artikel 3 van Richtlijn (EU) 2015/412 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Commissie uiterlijk op 3 april 2017 de bijlagen bij Richtlijn 2001/18/EG wat betreft de milieurisicobeoordeling, moet actualiseren teneinde de richtsnoeren, die niet juridisch bindend zijn, hierin te integreren en als uitgangspunt te gebruiken.

(5)

Ter aanpassing aan de technische vooruitgang en rekening houdend met de ervaring die is opgedaan op het gebied van de milieurisicobeoordeling van genetisch gemodificeerde planten, moeten de essentiële onderdelen van de richtsnoeren in Richtlijn 2001/18/EG worden geïntegreerd. Daarbij moet het beginsel dat de milieurisicobeoordeling per geval moet worden verricht, in acht worden genomen.

(6)

De richtsnoeren zijn hoofdzakelijk ontworpen voor kennisgevingen voor het in de handel brengen („deel C-kennisgevingen”) van genetisch gemodificeerde planten, terwijl bijlage II bij Richtlijn 2001/18/EG voor zowel deel C-kennisgevingen als voor kennisgevingen voor andere doeleinden dan het in de handel brengen („deel B-kennisgevingen”) geldt. Daarom moeten bepaalde uit de integratie van de richtsnoeren in bijlage II voortvloeiende vereisten enkel gelden voor deel C-kennisgevingen, aangezien ze irrelevant of disproportioneel zouden zijn in de context van deel B-kennisgevingen, die hoofdzakelijk betrekking hebben op experimentele introducties.

(7)

Deel C van bijlage II bij Richtlijn 2001/18/EG betreft de methodiek van de milieurisicobeoordeling. Het moet worden geactualiseerd om met name de terminologie die wordt gebruikt ter beschrijving van de zes stappen van de beoordelingsaanpak zoals beschreven in de richtsnoeren, erin te integreren.

(8)

Deel D van bijlage II bij Richtlijn 2001/18/EG heeft betrekking op de conclusies van de milieurisicobeoordeling en bevat twee onderscheiden afdelingen, die respectievelijk betrekking hebben op ggo's met uitzondering van hogere planten (afdeling D.1) en op genetisch gemodificeerde hogere planten (afdeling D.2). In de richtsnoeren worden zeven specifieke risicogebieden beschouwd die in de milieurisicobeoordeling van genetisch gemodificeerde planten aan bod moeten komen om conclusies te trekken. De structuur en inhoud van afdeling D.2 van bijlage II moet daarom worden geactualiseerd om deze risicogebieden te weerspiegelen.

(9)

Wanneer de milieurisicobeoordeling betrekking heeft op een genetisch gemodificeerde plant die bestand is gemaakt tegen een herbicide, moet de reikwijdte ervan overeenstemmen met Richtlijn 2001/18/EG. De milieurisicobeoordeling van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van het gebruik ervan op een genetisch gemodificeerde plant, valt onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) en wordt verricht op het niveau van de lidstaat om rekening te houden met de specifieke landbouwomstandigheden.

(10)

Bijlage III B bij Richtlijn 2001/18/EG bevat een lijst van de informatie die vereist is in kennisgevingen inzake introducties van genetisch gemodificeerde hogere planten en is van toepassing op zowel deel C-kennisgevingen als deel B-kennisgevingen. De structuur, inhoud en mate van detail moeten worden aangepast om voor consistentie met de richtsnoeren te zorgen. Aangezien de meeste door de richtsnoeren teweeggebrachte wijzigingen de milieurisicobeoordeling van deel C-kennisgevingen betreffen, is het passend, met het oog op duidelijkheid en vereenvoudiging voor de kennisgevers en de bevoegde autoriteiten, de structuur van bijlage III B te wijzigen door de vereisten inzake deel C-kennisgevingen te scheiden van de vereisten inzake deel B-kennisgevingen.

(11)

Het merendeel van de verzoeken voor vergunning voor het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde planten wordt ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (5). Ter vereenvoudiging is het daarom passend om, voor zover mogelijk, de volgorde van de inlichtingen die vereist zijn voor deel C-kennisgevingen in bijlage III B bij Richtlijn 2001/18/EG, in overeenstemming te brengen met de volgorde die in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2013 van de Commissie (6) is gevolgd.

(12)

In bijlage IV bij Richtlijn 2001/18/EG zijn enkel voor deel C-kennisgevingen aanvullende informatievereisten vastgesteld. De in die bijlage vastgestelde vereisten inzake detectiemethoden moeten worden geactualiseerd in het licht van de technische vooruitgang, met name wat betreft de indiening door de kennisgevers van het referentiemateriaal.

(13)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 30 van Richtlijn 2001/18/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen II, III, III B en IV bij Richtlijn 2001/18/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 29 september 2019 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.

(2)  EFSA Journal 2010;8(11):1879.

(3)  Richtlijn (EU) 2015/412 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om de teelt van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) op hun grondgebied te beperken of te verbieden (PB L 68 van 13.3.2015, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 503/2013 van de Commissie van 3 april 2013 betreffende vergunningaanvragen voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 641/2004 van de Commissie en (EG) nr. 1981/2006 van de Commissie (PB L 157 van 8.6.2013, blz. 1).


BIJLAGE

Richtlijn 2001/18/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

afdeling C wordt vervangen door:

„C.   Methodiek

Er zijn richtsnoeren van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid beschikbaar voor de uitvoering van deze afdeling voor deel C-kennisgevingen.

C.1.   Algemene en specifieke overwegingen voor de milieurisicobeoordeling

1.   Bedoelde en onbedoelde wijzigingen

Als onderdeel van de identificatie en evaluatie van de in afdeling A bedoelde mogelijke schadelijke effecten moeten in de milieurisicobeoordeling de bedoelde en onbedoelde wijzigingen als gevolg van de genetische modificatie worden geïdentificeerd en het potentieel ervan om negatieve effecten op de menselijke gezondheid en het milieu te veroorzaken, worden geëvalueerd.

Bedoelde wijzigingen als gevolg van de genetische modificatie zijn wijzigingen die worden beoogd zich voor te doen en die de oorspronkelijke doelstellingen van de genetische modificatie verwezenlijken.

Onbedoelde wijzigingen als gevolg van de genetische modificatie zijn consistente wijzigingen die verder gaan dan de bedoelde wijziging of wijzigingen als gevolg van de genetische modificatie.

Bedoelde en onbedoelde wijzigingen kunnen directe of indirecte, en onmiddellijke of uitgestelde effecten op de menselijke gezondheid en het milieu hebben.

2.   Schadelijke langetermijneffecten en cumulatieve schadelijke langetermijneffecten in de milieurisicobeoordeling van deel C-kennisgevingen

Langetermijneffecten van een ggo zijn effecten die het gevolg zijn hetzij van een uitgestelde reactie door organismen of de nakomelingen ervan op langetermijn- of chronische blootstelling aan een ggo, hetzij van een uitgebreid gebruik van een ggo in tijd en ruimte.

Bij de identificatie en evaluatie van de mogelijke schadelijke langetermijneffecten van een ggo op de menselijke gezondheid en het milieu moet rekening worden gehouden met:

a)

de interacties op lange termijn van het ggo met het milieu waarin het wordt geïntroduceerd;

b)

de kenmerken van het ggo die op lange termijn belangrijk worden;

c)

gegevens verkregen uit herhaalde doelbewuste introducties of het herhaaldelijk in de handel brengen van het ggo in de loop van een lange periode.

Bij de identificatie en evaluatie van de mogelijke cumulatieve schadelijke langetermijneffecten als bedoeld in het inleidende gedeelte van bijlage II moet ook rekening worden gehouden met de ggo's die in het verleden doelbewust zijn geïntroduceerd of in de handel zijn gebracht.

3.   Kwaliteit van de gegevens

Teneinde een milieurisicobeoordeling voor een kennisgeving krachtens deel C van deze richtlijn uit te voeren, moet de kennisgever reeds beschikbare gegevens uit wetenschappelijke literatuur of andere bronnen, met inbegrip van monitoringverslagen, verzamelen en de noodzakelijke gegevens genereren door, waar mogelijk, passende studies te verrichten. Indien van toepassing, moet de kennisgever in de milieurisicobeoordeling rechtvaardigen waarom het niet mogelijk is gegevens te genereren door studies.

De milieurisicobeoordeling voor kennisgevingen krachtens deel B van de richtlijn moet ten minste op reeds beschikbare gegevens uit wetenschappelijke literatuur of uit andere bronnen zijn gebaseerd en mag worden aangevuld met aanvullende, door de kennisgever gegenereerde gegevens.

Wanneer in de milieurisicobeoordeling buiten Europa gegenereerde gegevens worden verstrekt, moet de relevantie ervan voor het introductiemilieu of de introductiemilieus in de Unie worden gerechtvaardigd.

In de milieurisicobeoordeling voor kennisgevingen krachtens deel C van deze richtlijn verstrekte gegevens moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

wanneer in de milieurisicobeoordeling toxicologische studies verricht ter beoordeling van het risico voor de gezondheid van mens of dier worden verstrekt, moet de kennisgever bewijzen verstrekken om aan te tonen dat ze zijn verricht in faciliteiten die voldoen aan:

i)

de voorschriften van Richtlijn 2004/10/EG, of

ii)

als zij buiten de Unie worden uitgevoerd, de OESO-beginselen voor goede laboratoriumpraktijken (GLP);

b)

wanneer andere studies dan toxicologische studies worden verstrekt in de milieurisicobeoordeling, moeten zij:

i)

indien van toepassing, aan de beginselen van goede laboratoriumpraktijken (GLP) van Richtlijn 2004/10/EG voldoen, of

ii)

worden uitgevoerd door organisaties die volgens de desbetreffende ISO-norm zijn geaccrediteerd, of

iii)

bij gebrek aan een toepasselijke ISO-norm, worden verricht overeenkomstig internationaal erkende normen;

c)

de informatie over de resultaten van de onder a) en b) bedoelde studies en over de gebruikte studieprotocollen moet betrouwbaar en volledig zijn en ruwe gegevens omvatten in een elektronische vorm die geschikt is voor het uitvoeren van statistische of andersoortige analyse;

d)

de kennisgever moet, waar mogelijk, voor elke verrichte studie de omvang specificeren van het effect waarvan de detectie wordt beoogd en deze rechtvaardigen;

e)

de locaties voor veldstudies moeten worden geselecteerd op basis van introductiemilieus die relevant zijn in het licht van de mogelijke blootstelling en impact die zouden worden waargenomen daar waar het ggo kan worden geïntroduceerd. De selectie moet in de milieurisicobeoordeling worden gerechtvaardigd;

f)

de niet-genetisch gemodificeerde comparator moet passend zijn voor het relevante introductiemilieu of de relevante introductiemilieus en moet een genetische achtergrond vergelijkbaar met die van het ggo hebben. De keuze van de comparator moet in de milieurisicobeoordeling worden gerechtvaardigd.

4.   Meerdere transformatiestappen in deel C-kennisgevingen

Voor de milieurisicobeoordeling van een ggo met meerdere transformatiestappen in deel C-kennisgevingen geldt het volgende:

a)

de kennisgever moet voor elke afzonderlijke transformatiestap in het ggo een milieurisicobeoordeling verstrekken of naar reeds voor die afzonderlijke transformatiestappen ingediende kennisgevingen verwijzen;

b)

de kennisgever moet een beoordeling van de volgende aspecten verstrekken:

i)

de stabiliteit van de transformatiestappen;

ii)

de expressie van de transformatiestappen;

iii)

de mogelijke additieve, synergetische of antagonistische effecten als gevolg van de combinatie van de transformatiestappen;

c)

wanneer de nakomelingen van het ggo verscheidene subcombinaties van de transformatiestappen kunnen omvatten, moet de kennisgever een wetenschappelijke onderbouwing verstrekken die rechtvaardigt dat het niet noodzakelijk is om experimentele gegevens te verstrekken voor de betrokken subcombinaties, ongeacht de herkomst ervan; bij gebrek aan een dergelijke wetenschappelijke onderbouwing moet de kennisgever de relevante experimentele gegevens verstrekken.

C.2.   Kenmerken van het ggo en van de introducties

Bij de milieurisicobeoordeling moet rekening worden gehouden met de relevante technische en wetenschappelijke details betreffende de kenmerken van:

het recipiënte of ouderorganisme of de recipiënte of ouderorganismen;

de genetische modificatie of modificaties, zowel door insertie als door weghaling van genetisch materiaal, en relevante informatie over de vector en de donor;

het ggo;

de geplande introductie of het geplande gebruik en de schaal ervan;

het mogelijke introductiemilieu of de mogelijke introductiemilieus waarin het ggo zal worden geïntroduceerd en waarin het transgen zich kan verspreiden, en

de interactie of interacties tussen deze kenmerken.

In de milieurisicobeoordeling moet rekening worden gehouden met relevante informatie van vorige introducties van dezelfde of vergelijkbare ggo's en organismen met soortgelijke kenmerken en de biotische en abiotische interactie ervan met soortgelijke introductiemilieus, met inbegrip van uit de monitoring van dergelijke organismen resulterende informatie, overeenkomstig artikel 6, lid 3, of artikel 13, lid 4.

C.3.   Stappen in de milieurisicobeoordeling

De in de artikelen 4, 6, 7 en 13 bedoelde milieurisicobeoordeling moet worden verricht voor elk relevant risicogebied als bedoeld in afdeling D.1 of afdeling D.2 volgens de volgende zes stappen:

1.   Probleembeschrijving, met inbegrip van gevarenidentificatie

In de probleembeschrijving:

a)

moeten alle met de genetische modificatie verband houdende wijzigingen in de kenmerken van het organisme worden geïdentificeerd, door de kenmerken van het ggo te vergelijken met die van de gekozen niet-genetisch gemodificeerde comparator onder vergelijkbare introductie- of gebruiksomstandigheden;

b)

moeten alle mogelijke schadelijke effecten op de menselijke gezondheid of het milieu die verband houden met de onder a) hierboven geïdentificeerde wijzigingen worden geïdentificeerd.

Mogelijke schadelijke effecten mogen niet buiten beschouwing worden gelaten omdat het optreden ervan weinig waarschijnlijk is.

Mogelijke schadelijke effecten zullen per geval verschillen; mogelijke schadelijke effecten zijn onder meer:

effecten op de populatiedynamiek van soorten binnen het introductiemilieu en op de genetische diversiteit van elk van die populaties, die leiden tot een mogelijk biodiversiteitsverlies;

gewijzigde gevoeligheid voor ziekteverwekkers, waardoor de verspreiding van besmettelijke ziekten wordt vergemakkelijkt en/of nieuwe reservoirs of vectoren worden gecreëerd;

het in gevaar brengen van preventieve of therapeutische medische, veterinaire of plantenbeschermingsbehandelingen, bijvoorbeeld door genoverdracht waardoor resistentie tegen in de menselijke en diergeneeskunde gebruikte antibiotica wordt gekweekt;

effecten op biogeochemisch gebied (biogeochemische cycli), met name recycling van koolstof en stikstof via veranderingen in de afbraak van organisch materiaal in de bodem;

ziekten bij de mens, met inbegrip van allergische of toxische reacties;

ziekten bij dieren en planten, met inbegrip van toxische, en, in het geval van dieren, allergische reacties, indien van toepassing.

Wanneer mogelijke schadelijke langetermijneffecten van een ggo worden geïdentificeerd, worden zij beoordeeld in de vorm van deskonderzoeken aan de hand van, waar mogelijk, een of meer van de volgende zaken:

i)

feitenmateriaal op basis van eerdere ervaringen;

ii)

beschikbare gegevensreeksen of literatuur;

iii)

wiskundige modellering;

c)

moeten relevante beoordelingseindpunten worden geïdentificeerd.

Die mogelijke schadelijke effecten op de geïdentificeerde beoordelingseindpunten worden in de volgende stappen van de risicobeoordeling behandeld;

d)

moeten de blootstellingsroutes of andere mechanismen waarlangs schadelijke effecten kunnen optreden, worden geïdentificeerd en beschreven.

Schadelijke effecten kunnen direct of indirect optreden via blootstellingsroutes of andere mechanismen, waaronder:

de verspreiding van een ggo of ggo's in het milieu;

de overdracht van ingevoegd genetisch materiaal naar hetzelfde organisme of naar andere, al dan niet gemodificeerde, organismen;

fenotypische en genetische instabiliteit;

interacties met andere organismen;

wijzigingen in het beheer, onder meer, in voorkomend geval, van landbouwpraktijken;

e)

moeten toetsbare hypothesen worden geformuleerd en relevante metingseindpunten worden bepaald om, waar mogelijk, een kwantitatieve beoordeling van het mogelijke schadelijke effect of de mogelijke schadelijke effecten mogelijk te maken;

f)

moet met mogelijke onzekerheden, met inbegrip van hiaten in de kennis en methodologische beperkingen, rekening worden gehouden.

2.   Gevarenkarakterisering

De omvang van elk mogelijk schadelijk effect moet worden geëvalueerd. Bij die evaluatie moet ervan worden uitgegaan dat een dergelijk schadelijk effect zal optreden. Bij de milieurisicobeoordeling moet ervan worden uitgaan dat de omvang waarschijnlijk door het introductiemilieu of de introductiemilieus en door de omvang en omstandigheden van de introductie wordt beïnvloed.

Waar mogelijk moet de evaluatie in kwantitatieve termen worden uitgedrukt.

Wanneer de evaluatie in kwalitatieve kenmerken wordt uitgedrukt, moet een categoriale beschrijving („hoog”, „gemiddeld”, „laag” of „verwaarloosbaar”) worden gebruikt en een uitleg worden gegeven over de omvang van de gevolgen waarvoor elke categorie staat.

3.   Blootstellingskarakterisering

De aannemelijkheid of probabiliteit van het optreden van elk geïdentificeerd mogelijk schadelijk effect moet worden geëvalueerd om, waar mogelijk, een kwantitatieve beoordeling van de blootstelling als een relatieve maatstaf voor probabiliteit, of anders, een kwalitatieve beoordeling van de blootstelling te verstrekken. De kenmerken van het introductiemilieu of de introductiemilieus en het toepassingsgebied van de kennisgeving moeten in aanmerking worden genomen.

Wanneer de evaluatie in kwalitatieve kenmerken wordt uitgedrukt, moet een categoriale beschrijving („hoog”, „gemiddeld”, „laag” of „verwaarloosbaar”) van de blootstelling worden gebruikt en een uitleg worden gegeven over de omvang van de gevolgen waarvoor elke categorie staat.

4.   Risicokarakterisering

Het risico moet worden gekarakteriseerd door voor elk mogelijk schadelijk effect de omvang met de aannemelijkheid van het optreden van dat schadelijke gevolg te combineren om een kwantitatieve of semikwantitatieve raming van het risico te verstrekken.

Wanneer een kwantitatieve of semikwantitatieve raming niet mogelijk is, moet een kwalitatieve raming van het risico worden verstrekt. In dat geval moet een categoriale beschrijving („hoog”, „gemiddeld”, „laag” of „verwaarloosbaar”) van het risico worden gebruikt en een uitleg worden gegeven over de omvang van de gevolgen waarvoor elke categorie staat.

Indien relevant, moet de onzekerheid voor elk geïdentificeerd risico worden beschreven en, waar mogelijk, in kwantitatieve termen worden uitgedrukt.

5.   Risicobeheerstrategieën

Wanneer risico's worden geïdentificeerd die, op basis van de karakterisering ervan, beheermaatregelen vereisen, wordt een risicobeheerstrategie voorgesteld.

De risicobeheerstrategieën moeten worden beschreven in termen van de reductie van het gevaar of de blootstelling of beide, en moeten evenredig zijn met de beoogde reductie van het risico, de omvang en de omstandigheden van de introductie en de in de milieurisicobeoordeling geïdentificeerde onzekerheidsniveaus.

De daaruit voortvloeiende reductie van het algehele risico moet waar mogelijk worden gekwantificeerd.

6.   Evaluatie van en conclusies over het algehele risico

Er moet een kwalitatieve en, waar mogelijk, kwantitatieve evaluatie van het algehele risico van het ggo worden gemaakt, rekening houdend met de resultaten van de risicokarakterisering, de voorgestelde risicobeheerstrategieën en de bijbehorende onzekerheidsniveaus.

De evaluatie van het algehele risico moet, indien van toepassing, de voor elk risico voorgestelde risicobeheerstrategieën omvatten.

In de evaluatie van en de conclusies over het algehele risico moeten ook specifieke vereisten voor het monitoringplan van het ggo en, waar van toepassing, de monitoring van de effectiviteit van de voorgestelde risicobeheermaatregelen worden voorgesteld.

Voor kennisgevingen krachtens deel C van de richtlijn moet de evaluatie van het algehele risico ook een verklaring omvatten van de gedurende de milieurisicobeoordeling gedane aannamen en van de aard en de omvang van de met de risico's samenhangende onzekerheden alsook een rechtvaardiging van de voorgestelde risicobeheermaatregelen.”;

b)

de titel en de inleidende alinea van afdeling D worden vervangen door:

„D.   Conclusies over de specifieke risicogebieden van de milieurisicobeoordeling

Voor elk relevant risicogebied dat wordt genoemd in afdeling D.1 ggo's met uitzondering van hogere planten of in afdeling D.2 voor genetisch gemodificeerde hogere planten moeten conclusies over de mogelijke milieu-impact van de introductie of het in de handel brengen van ggo's in relevante introductiemilieus worden getrokken, op basis van een milieurisicobeoordeling die is verricht overeenkomstig de in afdeling B beschreven beginselen en volgens de in afdeling C beschreven methodiek, en op basis van de krachtens bijlage III vereiste informatie.”;

c)

afdeling D.2 wordt vervangen door:

„D.2.   Bij genetisch gemodificeerde hogere planten (gghp's)

Met „hogere planten” worden planten aangeduid die behoren tot de taxonomische groep Spermatophytae (Gymnospermae en Angiospermae).

1.

Persistentie en invasiviteit van de gghp, met inbegrip van genoverdracht van plant naar plant.

2.

Genoverdracht van planten naar micro-organismen.

3.

Interacties van de gghp met doelwitorganismen.

4.

Interacties van de gghp met niet-doelwitorganismen.

5.

Effecten van de specifieke teelt-, beheer- en oogsttechnieken.

6.

Effecten op biogeochemische processen.

7.

Effecten op de gezondheid van mens en dier.”.

2)

Bijlage III wordt vervangen door:

BIJLAGE III

IN DE KENNISGEVING VEREISTE INFORMATIE

In de delen B en C van deze richtlijn bedoelde kennisgevingen moeten, in de regel, de informatie bevatten die is vastgesteld in bijlage III A voor ggo's met uitzondering van hogere planten, of in bijlage III B voor genetisch gemodificeerde hogere planten.

De verstrekking van informatie die behoort tot een bepaalde in bijlage III A of bijlage III B vermelde informatiesubcategorie, is niet vereist wanneer deze niet relevant of noodzakelijk is voor de doeleinden van een risicobeoordeling in de context van een specifieke kennisgeving, met name in het licht van de kenmerken van het ggo, de schaal en omstandigheden van de introductie of van de beoogde gebruiksomstandigheden ervan.

Het passende detailleringsniveau voor elke informatiesubcategorie kan ook variëren naargelang van de aard en de omvang van de voorgestelde introductie.

Voor elke vereiste informatiesubcategorie moet het volgende worden verstrekt:

i)

de samenvattingen en resultaten van de studies waarnaar in de kennisgeving wordt verwezen, met inbegrip van de relevantie ervan voor de milieurisicobeoordeling, indien van toepassing;

ii)

voor in deel C van deze richtlijn bedoelde kennisgevingen, bijlagen met gedetailleerde informatie over die studies, met inbegrip van een beschrijving van de gebruikte methoden en materialen of de verwijzing naar gestandaardiseerde of internationaal erkende methoden en de naam van de instelling of instellingen die voor de uitvoering van de studies verantwoordelijk zijn.

Toekomstige ontwikkelingen op het gebied van genetische modificatie kunnen ertoe noodzaken deze bijlage aan te passen aan de technische vooruitgang of richtsnoeren inzake deze bijlage te ontwikkelen. De verplichte informatie betreffende verschillende typen ggo's, bijvoorbeeld meerjarige planten en bomen, eencellige organismen, vissen of insecten, of betreffende een specifiek gebruik van ggo's, zoals de ontwikkeling van vaccins, kan nader worden gedifferentieerd zodra in de Unie voldoende ervaring is opgedaan met kennisgevingen voor de introductie van specifieke ggo's.

3)

Bijlage III B wordt vervangen door:

BIJLAGE III B

INFORMATIE DIE VEREIST IS IN KENNISGEVINGEN VAN INTRODUCTIES VAN GENETISCH GEMODIFICEERDE HOGERE PLANTEN (GGHP'S) (GYMNOSPERMAE EN ANGIOSPERMAE)

I.   INFORMATIE DIE VEREIST IS IN KRACHTENS DE ARTIKELEN 6 EN 7 INGEDIENDE KENNISGEVINGEN

A.   Algemene informatie

1.

Naam en adres van de kennisgever (firma of instituut)

2.

Naam, kwalificaties en ervaring van de verantwoordelijke wetenschapper of wetenschappers

3.

Naam van het project

4.

Gegevens betreffende de introductie

a)

Doel van de introductie

b)

Geplande datum/data en duur van de introductie

c)

Methode die zal worden gebruikt voor de introductie van de gghp's

d)

Methode voor de behandeling en het beheer van het introductiegebied vóór, tijdens en na de introductie, waaronder teelt- en oogstmethoden

e)

Aantal planten, bij benadering (of planten per m2)

5.

Gegevens betreffende het introductiegebied

a)

Ligging en omvang van het introductiegebied of de introductiegebieden

b)

Beschrijving van het ecosysteem van het introductiegebied (klimaat, flora, fauna)

c)

Aanwezigheid van seksueel compatibele wilde verwanten of gekweekte plantensoorten

d)

Afstand tot officieel erkende biotopen of beschermde gebieden die kunnen worden beïnvloed

B.   Wetenschappelijke informatie

1.

Informatie over de recipiënte plant of, in voorkomend geval, over de ouderplant

a)

volledige naam:

i)

familie

ii)

genus

iii)

species

iv)

subspecies

v)

cultivar of teeltlijn

vi)

gangbare naam

b)

Geografische verspreiding en teelt van de plant binnen de Unie

c)

Informatie over de voortplanting:

i)

wijze of wijzen van voortplanting

ii)

mogelijke specifieke factoren die van invloed zijn op de voortplanting

iii)

generatietijd

d)

Seksuele compatibiliteit met andere gekweekte of wilde species, met inbegrip van de verspreiding in Europa van de compatibele species

e)

Overlevingsvermogen:

i)

vermogen om overlevings- of ruststadia te vormen

ii)

mogelijke specifieke factoren die op het overlevingsvermogen van invloed zijn

f)

Verspreiding:

i)

wijzen en schaal van de verspreiding

ii)

mogelijke specifieke factoren die van invloed zijn op de verspreiding

g)

Als een plantensoort normaal niet in de Unie wordt geteeld: een beschrijving van de natuurlijke habitat van de plant, waaronder informatie over natuurlijke predatoren, parasieten, concurrenten en symbionten

h)

Potentiële interacties van de plant, die relevant zijn voor de gghp, met organismen in het ecosysteem waar zij gewoonlijk wordt geteeld of elders, met inbegrip van informatie over de toxische effecten op mensen, dieren en andere organismen

2.

Moleculaire karakterisering

a)

Informatie over de genetische modificatie

i)

Beschrijving van de voor de genetische modificatie toegepaste methoden

ii)

Aard en herkomst van de gebruikte vector

iii)

Bron van het/de voor de transformatie gebruikte nucleïnezuur of -zuren, omvang en beoogde functie van elk samenstellend fragment van de voor insertie bestemde regio

b)

Gegevens betreffende de gghp

i)

Algemene beschrijving van de geïntroduceerde of gewijzigde eigenschap of eigenschappen

ii)

Informatie over de sequenties die zijn geïntroduceerd/geëlimineerd:

omvang en aantal kopieën van het donormateriaal en de methoden die zijn gebruikt voor de karakterisering daarvan

bij een eliminatie: omvang en functie van de weggehaalde regio of regio's

subcellulaire plaats of plaatsen van inbrenging in de plantencellen (geïntegreerd in een nucleus, in chloroplasten of mitochondriën of achterblijvend in niet-geïntegreerde vorm) en methoden voor de bepaling daarvan

iii)

Delen van de plant waar het donormateriaal tot expressie komt

iv)

Genetische stabiliteit van het donormateriaal en fenotypische stabiliteit van de gghp

c)

Conclusies van de moleculaire karakterisering

3.

Informatie over specifieke risicogebieden

a)

Elke wijziging van de persistentie of invasiviteit van de gghp, en het vermogen ervan om genetisch materiaal over te dragen op seksueel compatibele verwanten en de schadelijke milieueffecten daarvan

b)

Elke wijziging van het vermogen van de gghp om genetisch materiaal over te dragen op micro-organismen en de schadelijke milieueffecten daarvan

c)

Mechanisme van de interactie tussen de gghp en doelwitorganismen (indien van toepassing) en de schadelijke milieueffecten daarvan

d)

Mogelijke wijzigingen in de interacties van de gghp met niet-doelwitorganismen die voortvloeien uit de genetische modificatie en de schadelijke milieueffecten daarvan

e)

Mogelijke wijzigingen in landbouwpraktijken en het beheer van de gghp die voortvloeien uit de genetische modificatie, en de schadelijke milieueffecten daarvan

f)

Mogelijke interacties met het abiotische milieu en de schadelijke milieueffecten daarvan

g)

Informatie over toxische, allergene en andere schadelijke effecten op de gezondheid van mens en dier als gevolg van de genetische modificatie

h)

Conclusies over de specifieke risicogebieden

4.

Informatie over plannen voor controle, monitoring, follow-up na de introductie en afvalbehandeling

a)

Alle genomen maatregelen, met inbegrip van:

i)

isolatie in tijd en ruimte van seksueel compatibele plantensoorten, zowel wilde en onkruidachtige verwanten als cultuurgewassen

ii)

maatregelen om de verspreiding van reproductieve delen van de gghp te minimaliseren of te voorkomen

b)

Beschrijving van de methoden voor de behandeling van het gebied na de introductie

c)

Beschrijving van de methoden voor de behandeling van de oogst en de afvalstoffen van de genetisch gemodificeerde plant

d)

Beschrijving van monitoringplannen en -technieken

e)

Beschrijving van noodmaatregelen

f)

Beschrijving van de methoden en procedures om:

i)

de verspreiding van de gghp buiten het introductiegebied te voorkomen of te minimaliseren

ii)

betreding van het gebied door onbevoegden te voorkomen

iii)

de toegang van andere organismen tot het gebied te voorkomen of te minimaliseren

5.

Beschrijving van de detectie- en bepalingstechnieken voor de gghp

6.

Informatie over eerdere introducties van de gghp, indien van toepassing

II.   INFORMATIE DIE VEREIST IS IN KRACHTENS ARTIKEL 13 INGEDIENDE KENNISGEVINGEN

A.   Algemene informatie

1.

Naam en adres van de kennisgever (firma of instituut)

2.

Naam, kwalificaties en ervaring van de verantwoordelijke wetenschapper of wetenschappers

3.

Benaming en specificatie van de gghp

4.

Toepassingsgebied van de kennisgeving

a)

Teelt

b)

Andere toepassingen (in de kennisgeving te specificeren)

B.   Wetenschappelijke informatie

1.

Informatie over de recipiënte plant of, in voorkomend geval, over de ouderplanten

a)

Volledige naam:

i)

familie

ii)

genus

iii)

species

iv)

subspecies

v)

cultivar/teeltlijn

vi)

gangbare naam

b)

Geografische verspreiding en teelt van de plant binnen de Unie

c)

Informatie over de voortplanting:

i)

wijze of wijzen van voortplanting

ii)

mogelijke specifieke factoren die van invloed zijn op de voortplanting

iii)

generatietijd

d)

Seksuele compatibiliteit met andere gekweekte of wilde species, met inbegrip van de verspreiding in de Unie van de compatibele species

e)

Overlevingsvermogen:

i)

vermogen om overlevings- of ruststadia te vormen

ii)

mogelijke specifieke factoren die op het overlevingsvermogen van invloed zijn

f)

Verspreiding:

i)

wijzen en schaal van de verspreiding

ii)

mogelijke specifieke factoren die van invloed zijn op de verspreiding

g)

Als een plantensoort normaal niet in de Unie wordt geteeld, een beschrijving van de natuurlijke habitat van de plant, waaronder informatie over natuurlijke predatoren, parasieten, concurrenten en symbionten

h)

Potentiële interacties van de plant, die relevant zijn voor de gghp, met organismen in het ecosysteem waar zij gewoonlijk wordt geteeld of elders, met inbegrip van informatie over de toxische effecten op mensen, dieren en andere organismen

2.

Moleculaire karakterisering

a)

Informatie over de genetische modificatie

i)

Beschrijving van de voor de genetische modificatie toegepaste methoden

ii)

Aard en herkomst van de gebruikte vector

iii)

Bron van het/de voor de transformatie gebruikte nucleïnezuur of -zuren, omvang en beoogde functie van elk samenstellend fragment van de voor insertie bestemde regio

b)

Informatie over de genetisch gemodificeerde plant

i)

Beschrijving van de geïntroduceerde of gewijzigde eigenschappen

ii)

Informatie over de geïntroduceerde of geëlimineerde sequenties:

omvang en aantal kopieën van al het detecteerbare donormateriaal, zowel partiële als volledige, en de methoden die zijn gebruikt voor de karakterisering daarvan

de organisatie en sequentie van het ingebrachte genetische materiaal op elke plaats van inbrenging in een gestandaardiseerde elektronische vorm

bij een eliminatie: omvang en functie van de weggehaalde regio of regio's

subcellulaire plaats of plaatsen van inbrenging (geïntegreerd in een nucleus, in chloroplasten of mitochondriën of achterblijvend in niet-geïntegreerde vorm) en methoden voor de bepaling daarvan

in het geval van andere wijzigingen dan inserties of weghalingen: de functie van het gemodificeerde genetische materiaal vóór en na de modificatie, alsmede rechtstreekse veranderingen in de expressie van genen als gevolg van de modificatie

sequentie-informatie in een gestandaardiseerde elektronische vorm voor zowel de 5′- als de 3′-flankerende regio op elke plaats van inbrenging

bio-informatica-analyse met behulp van actuele databanken, om mogelijke onderbrekingen van bekende genen te onderzoeken

alle open leesramen („Open Reading Frames”, hierna „ORF's” genoemd), binnen het donormateriaal (al dan niet wegens herschikking) en die welke zijn gecreëerd als gevolg van de genetische modificatie op de knooppunten met genomisch DNA. ORF wordt gedefinieerd als een nucleotidensequentie die een reeks codons bevat die niet door de aanwezigheid van een stopcodon in hetzelfde leesraam wordt onderbroken

bio-informatica-analyse met behulp van actuele databanken, om mogelijke gelijkenissen tussen de ORF's en bekende genen die schadelijke effecten kunnen hebben, te onderzoeken

primaire structuur (aminozuursequentie) en, indien nodig, andere structuren van het nieuw tot expressie gebrachte eiwit

bio-informatica-analyse met behulp van actuele databanken, om mogelijke sequentiehomologieën en, indien nodig, structurele gelijkenissen tussen het nieuw tot expressie gebrachte eiwit en bekende eiwitten of peptiden die schadelijke effecten kunnen hebben, te onderzoeken

iii)

Informatie over de expressie van het donormateriaal:

voor expressieanalyse toegepaste methode of methoden, samen met de prestatiekenmerken ervan

informatie over de ontwikkelingsexpressie van het donormateriaal tijdens de levenscyclus van de plant

delen van de plant waar het donormateriaal/de gemodificeerde sequentie tot expressie komt

de potentiële niet-beoogde expressie van overeenkomstig punt ii), zevende streepje, geïdentificeerde nieuwe ORF's die een veiligheidsrisico inhoudt

eiwitexpressiegegevens, met inbegrip van ruwe gegevens, verkregen met veldstudies en in verband met de omstandigheden waarin het gewas wordt geteeld

iv)

Genetische stabiliteit van het donormateriaal en fenotypische stabiliteit van de gghp

c)

Conclusies van de moleculaire karakterisering

3.

Vergelijkende analyse van landbouwkundige en fenotypische eigenschappen en van de samenstelling

a)

Keuze van de conventionele tegenhanger en van aanvullende comparatoren

b)

Keuze van de locaties voor veldstudies

c)

Onderzoeksopzet en statistische analyse van gegevens uit veldproeven voor vergelijkende analyse:

i)

beschrijving van de opzet van de veldstudies

ii)

beschrijving van relevante aspecten van de introductiemilieus

iii)

statistische analyse

d)

Selectie van plantenmateriaal voor analyse, indien relevant

e)

Vergelijkende analyse van landbouwkundige en fenotypische eigenschappen

f)

Vergelijkende analyse van de samenstelling, indien relevant

g)

Conclusies van de vergelijkende analyse

4.

Specifieke informatie voor elk risicogebied

Voor elk van de zeven in bijlage II, afdeling D.2, bedoelde risicogebieden moet de kennisgever eerst beschrijven hoe schade kan ontstaan door in een keten van oorzaak en gevolg uit te leggen hoe de introductie van de gghp tot schade kan leiden, rekening houdend met zowel gevaar als blootstelling.

De kennisgever moet de volgende informatie indienen, behalve wanneer ze niet relevant is in het licht van de beoogde toepassingen van het ggo:

a)

Persistentie en invasiviteit, met inbegrip van genoverdracht van plant naar plant

i)

Beoordeling van het potentieel van de gghp om persistenter of invasiever te worden en de schadelijke milieueffecten daarvan

ii)

Beoordeling van het potentieel van de gghp om een of meer transgenen over te dragen op seksueel compatibele verwanten en de schadelijke milieueffecten daarvan

iii)

Conclusies over het schadelijke milieueffect of de schadelijke milieueffecten van persistentie en invasiviteit van de gghp, met inbegrip van het schadelijke effect of de schadelijke milieueffecten van genoverdracht van plant naar plant

b)

Genoverdracht van planten naar micro-organismen

i)

Beoordeling van de mogelijkheid dat nieuw ingebracht DNA wordt overgedragen van de gghp op micro-organismen en de mogelijke schadelijke effecten daarvan

ii)

Conclusies over het schadelijke effect of de schadelijke effecten van de overdracht van nieuw ingebracht DNA van de gghp naar micro-organismen voor de gezondheid van mens en dier en het milieu

c)

Interacties van de gghp met doelwitorganismen, indien relevant

i)

Beoordeling van de mogelijkheid van wijzigingen in de directe en indirecte interacties tussen de gghp en doelwitorganismen en het schadelijke milieueffect of de schadelijke milieueffecten daarvan

ii)

Beoordeling van de mogelijkheid van de ontwikkeling van resistentie van het doelwitorganisme tegen het tot expressie gebrachte eiwit (op basis van de geschiedenis van de ontwikkeling van resistentie tegen conventionele pesticiden of transgene planten die soortgelijke eigenschappen tot expressie brengen) en alle schadelijke milieueffecten daarvan

iii)

Conclusies over het schadelijke milieueffect of de schadelijke milieueffecten van interacties van de gghp met doelwitorganismen

d)

Interacties van de gghp met niet-doelwitorganismen

i)

Beoordeling van de mogelijkheid van directe en indirecte interacties van de gghp met niet-doelwitorganismen, met inbegrip van beschermde soorten, en het schadelijke effect of de schadelijke effecten daarvan

De beoordeling moet ook rekening houden met het mogelijke schadelijke effect of de mogelijke schadelijke effecten op relevante ecosysteemdiensten en op de soorten die deze diensten verlenen.

ii)

Conclusies over het schadelijke milieueffect of de schadelijke milieueffecten van interacties van de gghp met niet-doelwitorganismen

e)

Effecten van de specifieke teelt-, beheer- en oogsttechnieken

i)

Voor gghp's voor teelt, beoordeling van de wijzigingen in de specifieke teelt-, beheer- en oogsttechnieken die voor de gghp worden gebruik en het schadelijke milieueffect of de schadelijke milieueffecten daarvan

ii)

Conclusies over het schadelijke milieueffect of de schadelijke milieueffecten van de specifieke teelt-, beheer-, en oogsttechnieken

f)

Effecten op biogeochemische processen

i)

Beoordeling van de wijzigingen in de biogeochemische processen binnen het gebied waar de gghp zal worden geteeld en in de ruimere omgeving, en van de schadelijke effecten daarvan

ii)

Conclusies over de schadelijke effecten op biogeochemische processen

g)

Effecten op de gezondheid van mens en dier

i)

Beoordeling van mogelijke directe en indirecte interacties tussen de gghp en personen die werken met of in contact komen met de gghp's, met inbegrip van pollen of stof van een verwerkte gghp, en beoordeling van de schadelijke effecten van die interacties op de menselijke gezondheid

ii)

Voor gghp's die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd, maar waarbij het recipiënte of ouderorganisme of de recipiënte of ouderorganismen voor menselijke consumptie kan/kunnen worden overwogen, beoordeling van de aannemelijkheid van accidentele inname en van de mogelijke schadelijke effecten daarvan op de menselijke gezondheid

iii)

Beoordeling van de mogelijke schadelijke effecten op de dierlijke gezondheid door accidentele consumptie van de gghp of van materiaal van die plant door dieren

iv)

Conclusies over de effecten op de gezondheid van mens en dier

h)

Algehele risico-evaluatie en conclusies

Er moet een samenvatting van alle conclusies voor elk risicogebied worden verstrekt.

De samenvatting moet rekening houden met de risicokarakterisering overeenkomstig de stappen 1 tot en met 4 van de in bijlage II, afdeling C.3, beschreven methodiek en de overeenkomstig bijlage II, afdeling C.3, punt 5, voorgestelde risicobeheerstrategieën.

5.

Beschrijving van de detectie- en bepalingstechnieken voor de gghp

6.

Informatie over eerdere introducties van de gghp, indien van toepassing

4)

Bijlage IV, afdeling A, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1 wordt vervangen door:

„1.

voorgestelde handelsbenamingen van de producten en benamingen van de erin voorkomende ggo's, en een voorstel voor een uniek identificatienummer voor het ggo, ontwikkeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 (*1). Nadat toestemming is verleend, moeten eventuele nieuwe handelsbenamingen aan de bevoegde instantie worden meegedeeld;

(*1)  Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen (PB L 10 van 16.1.2004, blz. 5).”"

b)

punt 7 wordt vervangen door:

„7.

methoden voor de detectie, identificatie en, indien passend, kwantificatie van de transformatiestap; monsters van het ggo of de ggo's en bijbehorende controlemonsters, alsmede informatie over de plaats waar toegang tot het referentiemateriaal kan worden verkregen. Informatie die om redenen van vertrouwelijkheid niet in het voor het publiek toegankelijke deel van het register of de registers als bedoeld in artikel 31, lid 2, kan worden opgenomen, moet als zodanig zijn aangeduid;”.



BESLUITEN

9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/46


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/351 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2018

tot afwijzing van verbintenissen aangeboden in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 8,

Met kennisgeving aan de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795 (2) heeft de Europese Commissie („de Commissie”) een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal (WPP) van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland, en heeft zij het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië beëindigd („de definitieve verordening”).

(2)

Tijdens het onderzoek dat leidde tot de instelling van dit recht, hebben vijf producenten-exporteurs uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland prijsverbintenissen aangeboden. Aangezien deze verbintenissen werden aangeboden na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen, die in een vergevorderd stadium van het onderzoek kwam, was de Commissie niet in staat om binnen de termijn voor de vaststelling van de definitieve verordening te analyseren of dergelijke prijsverbintenissen aanvaardbaar waren. Daar de Commissie deze omstandigheden uitzonderlijk achtte, heeft zij zich ertoe verbonden om de analyse van deze vijf aangeboden verbintenissen op een later tijdstip te voltooien. Na afloop van het onderzoek en de bekendmaking van de definitieve verordening bood een zesde producent-exporteur een prijsverbintenis aan.

(3)

Op 18 december 2017 heeft de Commissie alle belanghebbenden in kennis gesteld van de beoordeling van de aangeboden verbintenissen op grond waarvan zij voornemens is alle aangeboden verbintenissen af te wijzen („beoordeling van de Commissie”). Op basis van deze informatie hebben belanghebbenden schriftelijke opmerkingen ingediend naar aanleiding van de beoordeling, alsook, in sommige gevallen, verdere wijzigingen van hun verbintenissen. Belanghebbenden die verzochten gehoord te worden, werden ook gehoord.

(4)

Op 3 januari 2018 ontving de Commissie een verzoek van de regering van Oekraïne om overleg ingevolge artikel 50 bis van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne (3). Op 26 januari 2018 vond het overleg plaats. Op 31 januari 2018 werden schriftelijke opmerkingen ingediend.

2.   VERBINTENISSEN

(5)

De toereikendheid en praktische haalbaarheid van alle aangeboden verbintenissen werden onderzocht in het licht van het geldende wettelijke kader, met inbegrip van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne in het geval van de Oekraïense producent-exporteur.

2.1.   Aangeboden verbintenissen en de beoordeling ervan

2.1.1.   Companhia Siderúrgica Nacional (Brazilië)

(6)

De producent-exporteur heeft een minimuminvoerprijs (MIP) per ton voor een bepaald volume van uitvoer naar de Unie aangeboden en een andere — hogere — MIP voor een groter volume. De producent-exporteur heeft ook een prijsaanpassingsmechanisme aangeboden.

(7)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de door de producent-exporteur door dumping veroorzaakte schade juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade volledig wegneemt, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis betreft voorts transacties tussen verbonden entiteiten. De aard van een dergelijke band geeft aanleiding tot talrijke mogelijkheden voor kruiscompensatie. Elke andere transactie, lening of schenking tussen de twee verbonden entiteiten zou kunnen worden gebruikt om de MIP te compenseren. De Commissie kan deze transacties niet controleren en zij beschikt niet over geschikte benchmarks om te verifiëren of zij echt of compenserend zijn.

(8)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. De producent-exporteur heeft verbonden ondernemingen in verschillende lidstaten, waarvan sommige het betrokken product verder verwerken. De producent-exporteur verkoopt ook andere producten aan afnemers in de Unie en zijn verbonden importeur verkoopt soortgelijke producten uit andere bronnen. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten alsook de uitvoering van twee verschillende MIP's naargelang het uitvoervolume doeltreffend te controleren.

(9)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie stelde de producent-exporteur dat de in zijn verbintenis voorgestelde MIP de schadelijke gevolgen van dumping wegneemt, aangezien dezelfde MIP in een zeker stadium van het onderzoek door de Commissie is voorgesteld. De producent-exporteur wees erop dat de MIP is gebaseerd op de gewogen gemiddelde invoerprijzen van alle productsoorten. De MIP zou derhalve geen schade berokkenen aan de producenten in de Unie, aangezien goedkoper geprijsde productsoorten aan een hogere dan de eigenlijke prijs zouden worden aangeboden, zodat de duurdere productsoorten zouden worden gecompenseerd. Indien deze redenering zou worden toegepast op de samenstelling van productsoorten van zijn uitvoer in het onderzoektijdvak, zou de MIP volgens de producent-exporteur volstaan om de schadelijke gevolgen van dumping weg te nemen. De producent-exporteur voerde voorts aan dat de MIP, onder meer wegens de wijze waarop de uitvoerprijs is vastgesteld in de definitieve verordening, niet zou moeten worden aangepast voor de verkoop via een verbonden onderneming. Vervolgens heeft de producent-exporteur aangevoerd dat kruiscompensatie om een aantal redenen onmogelijk is, met name omdat kruiscompensatie aan het licht zou komen in de jaarverslagen van de producent-exporteur en zijn verbonden ondernemingen. De producent-exporteur wijzigde tevens zijn aangeboden verbintenis. In de nieuwe verbintenis heeft de producent-exporteur zich ertoe verbonden de wederverkoop van WPP via zijn verbonden entiteit in de Unie stop te zetten en verslag uit te brengen over de uitvoer van andere producten naar de Unie.

(10)

Met betrekking tot de opmerking dat de voorgestelde MIP de schadelijke gevolgen van de dumping wegneemt omdat hij identiek is aan de MIP die de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek heeft voorgesteld, heeft de Commissie opgemerkt dat die oplossing uiteindelijk is afgewezen. De redenen voor deze afwijzing zijn onder meer vermeld in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, die hierboven zijn samengevat in overweging 7. De opmerking dat de MIP is gebaseerd op de gewogen gemiddelde invoerprijzen, deed niet af aan de conclusie dat de MIP voor de duurste productsoorten de schadelijke gevolgen van de dumping niet wegneemt. De Commissie kon geen gegevens vinden ter ondersteuning van het argument dat de schadelijke gevolgen van de dumping door de MIP zouden worden weggenomen vanwege de samenstelling van de productsoorten van de uitvoer tijdens het onderzoektijdvak. De aanvrager heeft evenmin dergelijke gegevens verstrekt. Zelfs indien zij over gegevens ter ondersteuning van dit argument zou beschikken, was de Commissie van oordeel dat niets belet dat de samenstelling van de productsoorten verschuift in de richting van de duurdere productsoorten. In feite zou de toepassing van de MIP zelf een dergelijke verschuiving in de hand kunnen werken. Met betrekking tot de opmerking dat de MIP niet zou moeten worden aangepast voor de verkoop via een verbonden onderneming, zou de Commissie ermee kunnen instemmen dat deze aanpassing, gezien de omstandigheden van het geval in het onderzoektijdvak, en met name de wijze waarop de uitvoerprijs van de producent-exporteur in de definitieve verordening is vastgesteld, inderdaad niet gerechtvaardigd zou zijn. Er is echter geen garantie, met name omdat de ondernemingen verbonden zijn, dat de omstandigheden niet zullen wijzigen. Ten slotte merkte de Commissie met betrekking tot de wijziging van de verbintenis en het risico op kruiscompensatie op dat, terwijl de verbintenis om het betrokken product niet weder te verkopen het risico op kruiscompensatie enigszins zou beperken, de belangrijkste kwestie, namelijk de toepassing van de MIP op transacties tussen verbonden entiteiten, onopgelost blijft. Een dergelijke verbinding tussen twee entiteiten biedt talloze mogelijkheden voor kruiscompensatie die de Commissie niet doeltreffend kan controleren. Zij zouden niet allemaal aan het licht komen in de jaarverslagen, en voor de gevallen waarbij dit wel het geval is, mist de Commissie de geschikte benchmarks om te kunnen beoordelen of het compenserende maatregelen betreft. Een verbintenis die betrekking heeft op verbonden verkoop, kan slechts worden aanvaard indien het betrokken product uiteindelijk aan een onafhankelijke afnemer wordt wederverkocht en de correct aangepaste MIP op die transacties kan worden toegepast. Dit is onmogelijk indien het betrokken product in een ander product wordt omgezet.

2.1.2.   Usinas Siderurgicas de Minas Gerais S.A. (Brazilië)

(11)

De producent-exporteur heeft voor zijn hele uitvoer één MIP per ton aangeboden.

(12)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de door de producent-exporteur door dumping veroorzaakte schade juister weerspiegelde dan één enkele MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot één enkele MIP, dat het recht de schade volledig wegneemt, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis is ook ontoereikend omdat de producent-exporteur geen aanpassingsmechanisme heeft voorgesteld, terwijl de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren.

(13)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. De producent-exporteur heeft een aantal verbonden ondernemingen in verschillende lidstaten en buiten de Unie. Daarnaast voert de producent-exporteur ook andere producten uit naar de Unie. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

2.1.3.   Mobarakeh Steel Company (Iran)

(14)

De producent-exporteur heeft voor zijn hele uitvoer één MIP per ton aangeboden die zou worden aangepast voor de verkoop via zijn handelaar in de Unie.

(15)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis is ook ontoereikend omdat de producent-exporteur geen aanpassingsmechanisme heeft voorgesteld, terwijl de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren.

(16)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. Aangezien de producent-exporteur andere producten naar de Unie uitvoert, zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(17)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie stelde de producent-exporteur dat de Commissie niet vermeldde dat zijn aangeboden verbintenis een afspiegeling betrof van het voorstel van de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek. De producent-exporteur verzocht om een verklaring waarom een aangeboden verbintenis die een afspiegeling betreft van dat voorstel, niet geschikt is. De producent-exporteur voerde aan dat de door hem voorgestelde MIP hoger is dan de door de Commissie tijdens het onderzoek voorgestelde MIP en dat de in de verbintenis voorgestelde MIP dus per definitie de schade voor de bedrijfstak van de Unie wegneemt. Verder voerde de producent-exporteur aan dat er wat betreft het wegnemen van de schadelijke gevolgen van de dumping, geen verschil is tussen een MIP en een specifiek recht per ton, en dat dit argument derhalve irrelevant is. De producent-exporteur voerde aan dat het feit dat hij andere producten naar de Unie uitvoert, niet automatisch een risico op kruiscompensatie creëert. Ten slotte voerde hij aan dat bij de verbintenisfacturen enig risico op ontwijking of kruiscompensatie zou worden weggenomen, net zoals dat bij de geldige handelsfactuur die in het definitieve algemene informatiedocument is voorgesteld, het geval zou zijn.

(18)

De Commissie merkte op dat in haar beoordeling niet alleen gewag wordt gemaakt van de gelijkenissen tussen de aangeboden verbintenis en een in een zeker stadium van het onderzoek overwogen optie. In overweging 15 wijst de Commissie op het deel van de definitieve verordening waarin wordt uitgelegd waarom die optie is afgewezen, en vat zij het samen. Dezelfde redenering geldt voor de opmerking van de producent-exporteur waarin hij verbintenisfacturen vergelijkt met een van de oplossingen die de Commissie overwoog tijdens het onderzoek en uiteindelijk afwees. Het feit dat de door de producent-exporteur voorgestelde MIP hoger is dan de MIP die de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek overwoog, betekent niet dat die MIP per definitie de schadelijke gevolgen van de dumping wegneemt. Het verschil is gering en heeft geen invloed gehad op de redenering dat een gemiddelde MIP ontoereikend is, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. De opmerking dat de MIP en een specifiek recht even ondoeltreffend zijn in dit verband, is ook misplaatst. In tegenstelling tot een MIP dwingt een specifiek recht importeurs om meer te betalen voor duurdere productsoorten, aangezien de marktprijs van een productsoort een deel is van de prijs die zij betalen; het andere deel is het recht. Dit ligt anders in het geval van een MIP, die hetzelfde is voor alle productsoorten. Ten slotte is het inderdaad zo dat de uitvoer van andere producten naar de Unie slechts voor kruiscompensatie kan worden gebruikt indien zij aan dezelfde afnemers worden verkocht als WPP. De Commissie merkte evenwel op dat kruiscompensatie en het risico op kruiscompensatie twee afzonderlijke concepten zijn. De Commissie weet bijvoorbeeld dat de producent-exporteur andere producten naar de Unie uitvoert, maar zij heeft geen gegevens over de afnemers van de producent-exporteur voor deze producten. Het zij met name opgemerkt dat de producent-exporteur niet ontkende andere producten aan zijn WPP-afnemers te verkopen en dat hij zich er eveneens niet toe verbond dit in de toekomst niet meer te zullen doen. Hoewel op basis van deze situatie geen kruiscompensatie kan worden bewezen, vormt zij wel duidelijk een risico op kruiscompensatie dat de Commissie niet kan controleren.

2.1.4.   PJSC Magnitogorsk Iron and Steel Works (Rusland)

(19)

De producent-exporteur heeft twee MIP's per ton aangeboden: één voor platen en één voor rollen. De producent-exporteur heeft ook een prijsaanpassingsmechanisme aangeboden en heeft er zich, in een gewijzigde versie van zijn aangeboden verbintenis, toe verbonden het betrokken product uitsluitend rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Unie te verkopen en geen andere producten te verkopen aan zijn WPP-afnemers in de Unie.

(20)

De aangeboden verbintenis van de producent-exporteur werd na afloop van het onderzoek ingediend en moet als zodanig worden afgewezen. Hoewel verbintenissen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de basisverordening in uitzonderlijke omstandigheden mogen worden aangeboden na het verstrijken van de periode waarin overeenkomstig artikel 20, lid 5, van de basisverordening opmerkingen kunnen worden gemaakt, moet een dergelijke verbintenis op een redelijk tijdstip vóór de afronding van het onderzoek worden aangeboden.

(21)

Zelfs indien zij tijdig was aangeboden, zou de verbintenis op basis van twee gemiddelde MIP's echter ontoereikend zijn, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd.

(22)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. De producent-exporteur heeft een aantal verbonden ondernemingen en voert ook andere staalproducten uit naar de Unie. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(23)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie gaf de producent-exporteur te kennen dat hij niet akkoord is met de beoordeling hierboven en benadrukte hij het belang van zijn aanvullende verbintenissen om slechts één verkoopkanaal te gebruiken en geen andere producten aan zijn WPP-afnemers te verkopen.

(24)

Met betrekking tot de aanvullende verbintenissen merkte de Commissie op dat het, gezien de internationale structuur van de producent-exporteur en de internationale structuur van zijn afnemers, onmogelijk is om alle beschikbare mogelijkheden voor kruiscompensatie te controleren. Indien bijvoorbeeld de onder de verbintenis vallende ondernemingen geen andere producten aan een WPP-afnemer in de Unie verkopen, staat niets hun verbonden ondernemingen, hetzij in de Unie, hetzij erbuiten, in de weg om aan mogelijk kruiscompenserende transacties met deze afnemers of hun verbonden entiteiten deel te nemen. Hoewel de producent-exporteur niet akkoord was met de beoordeling van de toereikendheid van zijn verbintenis, voerde hij geen aanvullende argumenten aan tegen de conclusie van de Commissie.

2.1.5.   Novolipetsk Steel OJSC (Rusland)

(25)

De producent-exporteur heeft eerst verscheidene MIP's per ton aangeboden, afhankelijk van de productsoort. Daarna wijzigde hij zijn aangeboden verbintenis, waarbij hij één enkele MIP per ton voorstelde voor alle productsoorten, met een op de gemiddelde prijzen van WPP gebaseerd aanpassingsmechanisme. Daarnaast stelde de producent-exporteur een jaarlijkse maximumhoeveelheid voor en verbond hij zich ertoe uitsluitend aan zijn verbonden onderneming in de Unie te verkopen en uitsluitend voor verdere verwerking.

(26)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis betreft voorts transacties tussen verbonden entiteiten. De aard van een dergelijke band geeft aanleiding tot talrijke mogelijkheden voor kruiscompensatie. Elke andere transactie, lening of schenking tussen de twee verbonden entiteiten zou kunnen worden gebruikt om de MIP te compenseren. De Commissie kan deze transacties niet controleren en zij beschikt niet over geschikte benchmarks om te verifiëren of zij echt of compenserend zijn.

(27)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou ook onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. Voorts produceren en verkopen verbonden ondernemingen in de Unie ook het soortgelijke product. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(28)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie stelde de producent-exporteur dat de Commissie de twee belangrijkste elementen van zijn verbintenis, namelijk de maximumhoeveelheid en de eindgebruiksverbintenis (enkel verdere verwerking) over het hoofd zag. Volgens de producent-exporteur garanderen deze twee verbintenissen dat uitvoer aan dumpingprijzen zou stoppen, aangezien het betrokken product niet naar de vrije markt van de Unie zou worden uitgevoerd. De producent-exporteur voerde vervolgens aan dat de Commissie in de definitieve verordening geen schade vaststelde op de markt voor intern gebruik. Niettegenstaande deze argumenten en in de geest van volledige samenwerking wijzigde de producent-exporteur zijn aangeboden verbintenis in die zin dat hij op basis van de productsoorten 22 MIP's voorstelde. Wat betreft het risico op kruiscompensatie, heeft de producent-exporteur aangevoerd dat het, aangezien er geen verkoop zal plaatsvinden op de vrije markt, in feite irrelevant is tegen welke minimumprijs het betrokken product binnen de groep wordt verkocht. Aangezien een dergelijke minimumprijs irrelevant is, is het risico op kruiscompensatie evenzeer irrelevant. De producent-exporteur voerde verder aan dat transacties binnen de groep onderworpen zijn aan het verrekenprijsbeleid van de groep en derhalve niet voor kruiscompensatie kunnen worden gebruikt.

(29)

De producent-exporteur heeft tijdens het onderzoektijdvak geen WPP verkocht aan zijn verbonden entiteiten in de Unie. Daarnaast werd de verkoop binnen de groep van WPP voor verdere verwerking, in tegenstelling tot wat de producent-exporteur beweerde, in de definitieve verordening niet buiten beschouwing gelaten in de conclusie inzake schade veroorzakende dumping. Op deze verkoop wordt momenteel het geldende recht geheven en dit kan niet ongedaan worden gemaakt middels een verbintenis. Aangezien het argument van de producent-exporteur dat kruiscompensatie binnen de groep onmogelijk zou zijn, berust op de onjuiste aanname dat verkoop binnen de groep voor verwerking geen schade veroorzakende dumping tot gevolg kan hebben, is dat argument afgewezen. Voorts is het interne verrekenprijsbeleid van de groep het gevolg van een eigen interne beslissing van de groep en als dusdanig geen afdoende garantie tegen kruiscompensatie. Zelfs indien dit wel het geval was, kon kruiscompensatie binnen de groep nog op andere manieren dan via de verkoop van goederen gebeuren. Een verbintenis die betrekking heeft op verbonden verkoop, kan slechts worden aanvaard indien het betrokken product uiteindelijk aan een onafhankelijke afnemer wordt wederverkocht en de correct aangepaste MIP op die transacties kan worden toegepast. Dit is onmogelijk indien het betrokken product in een ander product wordt omgezet. Het aanbod van 22 MIP's op basis van groepen productsoorten kon niet worden aanvaard, aangezien effectieve controle door de douane onmogelijk zou zijn.

2.1.6.   Metinvest Group (Oekraïne)

(30)

In zijn oorspronkelijke aangeboden verbintenis stelde de producent-exporteur twee scenario's voor. Het eerste scenario is gebaseerd op één MIP per ton (de gemiddelde prijs gedurende het onderzoektijdvak, vermeerderd met het recht en aangepast voor de prijsstijging van de grondstoffen na het onderzoektijdvak) en met de mogelijkheid om tegen een prijs lager dan die MIP te verkopen, onder het recht. Het tweede scenario is gebaseerd op een lagere MIP per ton (zonder de aanpassing voor de prijsstijging van de grondstoffen na het onderzoektijdvak) en zonder de mogelijkheid om tegen een prijs lager dan die MIP te verkopen. De producent-exporteur wijzigde vervolgens zijn aangeboden verbintenis door een jaarlijkse maximumhoeveelheid voor verkopen in het kader van de verbintenis toe te voegen.

(31)

De selectieve clausules, waarbij de producent-exporteur in het kader van een verbintenis en daarnaast tegen een prijs lager dan de MIP onder het recht kan verkopen, aanvaardt de Commissie niet, waardoor het enige te overwegen scenario het tweede is. De aanvaarding van een dergelijke clausule zou een kruiscompensatiemechanisme mogelijk maken waarbij transacties op MIP-niveau door transacties tegen prijzen lager dan de MIP zouden kunnen worden gecompenseerd.

(32)

In artikel 50 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne is een voorkeur voor verbintenissen uitgedrukt, op voorwaarde dat de Commissie een werkbare aangeboden verbintenis ontvangt die toereikend is en waarvan de aanvaarding niet onpraktisch wordt geacht. In dit geval heeft de Commissie, om de hierna genoemde redenen, geen werkbare aangeboden verbintenis ontvangen en kan er derhalve geen gevolg worden gegeven aan de voorkeur.

(33)

In de beoordeling van de Commissie zijn verschillende redenen vermeld waarom de aangeboden verbintenis niet toereikend is. De aangeboden verbintenis is gebaseerd op één gemiddelde MIP, waardoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De producent-exporteur heeft geen aanpassing voorgesteld wat betreft de verkoop via zijn verbonden ondernemingen. Hoewel de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren, stelde de producent-exporteur geen aanpassingsmechanisme voor. Voorts vallen slechts twee van de drie productievestigingen die het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak naar de Unie uitvoerden, onder de verbintenis. Ten slotte stelde de producent-exporteur voor om de verkoop aan verbonden entiteiten in de Unie onder de verbintenis te laten vallen. De aard van een dergelijke band geeft aanleiding tot talrijke mogelijkheden voor kruiscompensatie. Elke andere transactie, lening of schenking tussen de twee verbonden entiteiten zou kunnen worden gebruikt om de MIP te compenseren. De Commissie kan deze transacties niet controleren en zij beschikt niet over geschikte benchmarks om te verifiëren of zij echt of compenserend zijn.

(34)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou ook onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. De producent-exporteur heeft verscheidene verbonden ondernemingen in verschillende lidstaten en buiten de Unie, waarvan sommige het soortgelijke product produceren en verkopen. De producent-exporteur verkoopt op de markt van de Unie via een of meer van deze ondernemingen. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(35)

Als antwoord op de beoordeling van de Commissie diende de producent-exporteur een derde versie van zijn aangeboden verbintenis in. In de nieuwe versie van de verbintenis stelde de producent-exporteur vier verschillende MIP's voor en verbond hij zich ertoe niet te verkopen aan lagere prijzen. Volgens de producent-exporteur werd deze wijziging aangebracht ondanks het feit dat de Commissie één enkele MIP voor alle productsoorten aanvaardbaar achtte in een zeker stadium van het onderzoek dat tot de instelling van het recht leidde. Voorts verbond de producent-exporteur zich ertoe de derde productievestiging in de aangeboden verbintenis op te nemen, het betrokken product niet via zijn verbonden entiteiten in de Unie te verkopen, bijzonderheden te verschaffen over zijn verkoop in de Unie van andere producten aan zijn WPP-afnemers in de Unie en het betrokken product niet buiten de Unie te verkopen, noch andere producten aan zijn WPP-afnemers in de Unie te verkopen. Ten slotte stelde de producent-exporteur een lagere jaarlijkse maximumhoeveelheid voor. De producent-exporteur bood aan om de verkoop boven die hoeveelheid aan het geldende antidumpingrecht te onderwerpen.

(36)

Naast deze verbintenissen stelde de regering van Oekraïne tijdens het overleg voor om aan de Commissie uitvoerstatistieken voor het betrokken product te verstrekken en een deskundigengroep op te richten die de uitwisseling van statistische gegevens en andere informatie zou vergemakkelijken.

(37)

Op 5 februari 2018 wijzigde de producent-exporteur zijn aangeboden verbintenis nogmaals. De producent-exporteur voerde aan dat al zijn verkoop is onderworpen aan het strikte prijsstellingsbeleid van de groep, waardoor kruiscompensatie wordt voorkomen. Daarnaast voerde de producent-exporteur aan dat het prijsstellingsbeleid van de groep middels de regelmatige controles van de belastingautoriteiten in de Unie en Zwitserland nauwgezet wordt gecontroleerd. Desondanks verbond de producent-exporteur zich ertoe geen in de Unie geproduceerde WPP en andere door zijn groep geproduceerde producten te verkopen aan zijn WPP-afnemers die het betrokken product kopen. Dit zou gelden voor op één na al zijn afnemers. Deze ene afnemer zou WPP kopen uit Oekraïne en de Unie, alsook andere producten van de groep.

(38)

Met betrekking tot de opmerking dat de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek één enkele MIP voor alle productsoorten aanvaardbaar achtte, heeft de Commissie opgemerkt dat die oplossing uiteindelijk is afgewezen. De redenen voor deze afwijzing zijn onder meer vermeld in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, die hierboven zijn samengevat in overweging 33.

(39)

De aangeboden verbintenis blijft om verschillende redenen ontoereikend. Van de vier MIP-groepen uit het voorstel is er amper verkoop in één groep, is er prijsvariatie in een andere groep en zijn er aanzienlijke prijsvariaties in de twee overige groepen. Aangezien de MIP's zijn gebaseerd op de gemiddelde prijzen in elke groep, zullen hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste in elke groep. Daarnaast werden de niveaus van vier MIP's op volkomen willekeurige wijze vastgesteld. De Commissie ontving geen gegevens ter rechtvaardiging van het verschil tussen de MIP's. Ten slotte stelde de producent-exporteur nog steeds geen aanpassingsmechanisme voor, hoewel de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren.

(40)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis blijft onpraktisch. De producent-exporteur verbond zich ertoe geen producten te verkopen aan buiten de Unie gevestigde entiteiten van zijn afnemers in de Unie. Deze verbintenis heeft evenwel slechts betrekking op de drie producerende ondernemingen en niet op zijn tientallen verbonden ondernemingen, waaronder de Zwitserse handelaar. Zelfs indien al deze ondernemingen onder de verbintenis zouden vallen, zou deze verbintenis onmogelijk kunnen worden gecontroleerd, gezien de omvang van de groep van de producent-exporteur en de omvang van hun afnemersbestand. Daarnaast stelde de producent-exporteur voor om verslag uit te brengen over de verkoop van andere producten aan zijn WPP-afnemers in de Unie. De Commissie zou echter niet over de geschikte benchmarks beschikken om te controleren of deze transacties van compenserende aard zijn. Terwijl de producent-exporteur zich ertoe verbond om niet via zijn verbonden entiteiten in de Unie te verkopen, verkopen deze entiteiten het soortgelijke product op de markt van de Unie. Terwijl deze transacties betrekking kunnen hebben op dezelfde afnemers en dus ter compensatie kunnen worden aangewend, vallen zij volledig buiten het toepassingsgebied van de verbintenis.

(41)

De op 5 februari 2018 voorgestelde wijziging van de aangeboden verbintenis (namelijk om enkel het betrokken product te verkopen aan al zijn WPP-afnemers in de Unie, met uitzondering van één) neemt de hierboven vermelde bezorgdheid omtrent de uitgesloten afnemer niet weg. Voor de andere afnemers zou het, gezien de omvang van de groep van de producent-exporteur, onmogelijk zijn om te controleren of met de producent-exporteur verbonden ondernemingen andere producten aan de WPP-afnemers in de Unie of hun verbonden entiteiten verkopen. Het interne prijsstellingsbeleid van de producent-exporteur en dat van de afnemer waaraan hij wil verkopen, vormen geen afdoende garantie tegen kruiscompensatie. Daarnaast legde de producent-exporteur niet uit hoe de regelmatige controles van de belastingautoriteiten in de Unie en Zwitserland kruiscompenserende prijzen aan het licht zouden brengen. Ermee instemmen om een product aan een lagere prijs dan anders te verkopen, vormt niet noodzakelijk een overtreding van de belastingregels. Dit maakt deel uit van de dagelijkse prijsonderhandelingen.

(42)

Ten slotte kan verkoop boven de jaarlijkse maximumhoeveelheid met toepassing van het geldende antidumpingrecht niet worden aanvaard, aangezien deze verkoop ter compensatie kan worden aangewend. Dit is in feite een variatie op de selectieve clausules die hierboven in overweging 31 zijn beschreven, met uitstel. Door de maximumhoeveelheid tot ruim onder de historische jaarlijkse uitvoerhoeveelheden te verlagen, verhoogt deze nieuwe aangeboden verbintenis het risico op kruiscompensatie.

(43)

Ondanks de voorkeur voor verbintenissen waaraan in artikel 50 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne uitdrukking is gegeven, kan de aangeboden verbintenis niet worden aanvaard aangezien zij ontoereikend is. Indien zij toereikend zou zijn geweest, zou de aanvaarding ervan, om de hierboven toegelichte redenen, nog steeds onpraktisch zijn. Geen van de hierboven vermelde bezorgdheden zouden voldoende zijn aangepakt door de uitwisseling van statistische gegevens en de oprichting van de deskundigengroep, zoals tijdens het overleg door de regering van Oekraïne voorgesteld.

2.2.   Conclusie

(44)

Om de bovenstaande redenen kan de Commissie geen van deze aangeboden verbintenissen aanvaarden.

2.3.   Opmerkingen van partijen en afwijzing van de aangeboden verbintenissen

(45)

De belanghebbende partijen zijn geïnformeerd over de redenen die ten grondslag liggen aan dit besluit en zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en te worden gehoord. Tevens is de regering van Oekraïne de gelegenheid tot het voeren van overleg geboden in overeenstemming met artikel 50 bis van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne. Op 26 januari 2018 vond overleg met de Oekraïense autoriteiten plaats en op 31 januari 2018 diende de regering van Oekraïne schriftelijke opmerkingen in. Daarnaast hebben een aantal hoorzittingen plaatsgevonden met de betrokken producenten-exporteurs en Eurofer, de vertegenwoordiger van de bedrijfstak van de Unie. Alle gedurende dit proces ontvangen opmerkingen zijn hierboven behandeld. Noch de opmerkingen van de belanghebbende partijen, noch het overleg met de regering van Oekraïne gaven aanleiding tot een andere conclusie dan de afwijzing van de aangeboden verbintenissen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De door de producenten-exporteurs aangeboden verbintenissen in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland, worden afgewezen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795 van de Commissie van 5 oktober 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland en Oekraïne, en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië (PB L 258 van 6.10.2017, blz. 24).

(3)  PB L 161 van 29.5.2014, blz. 3.