ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 55

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
27 februari 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2018/285 van de Raad van 26 februari 2018 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/286 van de Raad van 26 februari 2018 tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

15

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/287 van de Commissie van 15 februari 2018 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Salchichón de Vic/Llonganissa de Vic (BGA))

17

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/288 van de Commissie van 19 februari 2018 houdende wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 367/2014 tot vaststelling van het nettosaldo dat voor de uitgaven uit het ELGF beschikbaar is

18

 

*

Verordening (EU) 2018/289 van de Commissie van 26 februari 2018 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 2 Op aandelen gebaseerde betalingen betreft ( 1 )

21

 

*

Verordening (EU) 2018/290 van de Commissie van 26 februari 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten aan vetzuuresters van glycidyl in plantaardige oliën en vetten, volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en peuters ( 1 )

27

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/291 van de Commissie van 26 februari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof bifenthrin ( 1 )

30

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/292 van de Commissie van 26 februari 2018 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen ten aanzien van procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie en bijstand tussen bevoegde autoriteiten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende marktmisbruik ( 1 )

34

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (GBVB) 2018/293 van de Raad van 26 februari 2018 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/849 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

50

 

*

Besluit (GBVB) 2018/294 van de Raad van 26 februari 2018 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2015/259 ter ondersteuning van activiteiten van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) in het kader van de uitvoering van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

58

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/1


VERORDENING (EU) 2018/285 VAN DE RAAD

van 26 februari 2018

tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,

Gezien Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2013/183/GBVB (1),

Gezien het gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad (2) geeft uitvoering aan de bij Besluit (GBVB) 2016/849 vastgestelde maatregelen.

(2)

Op 22 december 2017 hechtte de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zijn goedkeuring aan Resolutie 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad waarin hij zijn diepste bezorgdheid uitdrukte over de door de Democratische Volksrepubliek Korea („Noord-Korea”) op 28 november 2017 uitgevoerde ballistischeraketlancering. De VN-Veiligheidsraad herhaalde dat de proliferatie van nucleaire, chemische en biologische wapens, alsmede de overbrengingsmiddelen daarvoor, een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid vormt en legde nieuwe maatregelen tegen Noord-Korea op. Deze maatregelen zijn een verdere versterking van de beperkende maatregelen die zijn opgelegd bij de Resoluties 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017) en 2375 (2017) van de VN-Veiligheidsraad.

(3)

De VN-Veiligheidsraad heeft onder meer besloten het verbod op de uitvoer van aardolieproducten uit te breiden, en een verbod in te stellen op de invoer van levensmiddelen, machines, elektrotechnisch materieel, aarde en steen uit Noord-Korea en op de uitvoer van industriële apparatuur, machines, transportvoertuigen en industriële metalen naar Noord-Korea, en er worden nieuwe beperkende maatregelen op maritiem gebied ingevoerd.

(4)

De Commissie moet worden gemachtigd om de lijst van levensmiddelen en landbouwproducten; machines en elektrotechnisch materieel; aarde en steen, met inbegrip van magnesiet en magnesia; hout; vaartuigen; en industriële machines, transportvoertuigen en ijzer, staal en andere metalen te wijzigen op basis van vaststellingen van het Sanctiecomité of de VN-Veiligheidsraad en om nomenclatuurcodes uit de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (3) opgenomen gecombineerde nomenclatuur te actualiseren.

(5)

Om uniforme toepassing te waarborgen van de maritieme maatregelen van Resolutie 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad, is het aangewezen om een nieuwe bijlage XVIII toe te voegen aan Verordening (EU) 2017/1509, waarin de lijst van vaartuigen is opgenomen waarvoor de Raad reden heeft om aan te nemen dat zij betrokken waren bij activiteiten of het vervoer van goederen die verboden zijn op grond van Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad.

(6)

De bevoegdheid om de lijst van vaartuigen in bijlage XVIII bij Verordening (EU) 2017/1509 aan te passen, moet worden uitgeoefend door de Raad om te zorgen voor consistentie met de procedure voor het vaststellen en aanpassen van de lijst van vaartuigen in bijlage VI bij Besluit (GBVB) 2016/849.

(7)

Daarnaast moeten drie personen en één entiteit die waren aangewezen door de VN-Veiligheidsraad, worden geschrapt uit de lijst van personen en entiteiten die op autonome wijze zijn aangewezen door de Raad in bijlage XV bij Verordening (EU) 2017/1509.

(8)

Besluit (GBVB) 2018/293 van de Raad (4) wijzigt Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad om uitvoering te geven aan de nieuwe bij Resolutie 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad opgelegde maatregelen.

(9)

Deze maatregelen vallen onder het toepassingsgebied van het Verdrag en derhalve is regelgevende actie op het niveau van de Unie noodzakelijk, met name om uniforme toepassing in alle lidstaten te waarborgen.

(10)

Verordening (EU) 2017/1509 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) 2017/1509 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 16 bis wordt vervangen door:

„Artikel 16 bis

1.   Er geldt een verbod op de directe of indirecte invoer, aankoop of overdracht uit Noord-Korea van de in bijlage XI bis vermelde visserijproducten, waaronder vissen, schaaldieren, weekdieren en ander ongewervelde waterdieren in alle vormen, ongeacht of deze van oorsprong zijn uit Noord-Korea.

2.   Er geldt een verbod op de directe of indirecte aankoop of overdracht van visserijrechten uit Noord-Korea.”.

2)

Artikel 16 quinquies, artikel 16 sexies en artikel16 septies worden vervangen door:

„Artikel 16 quinquies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar Noord-Korea van alle geraffineerde aardolieproducten, als vermeld in bijlage XI quinquies, ongeacht of deze van oorsprong zijn uit Noord-Korea.

Artikel 16 sexies

1.   In afwijking van artikel 16 quinquies kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor transacties in geraffineerde aardolieproducten waarvan blijkt dat zij uitsluitend voor humanitaire doeleinden worden gebruikt, op voorwaarde dat voldaan is aan alle onderstaande voorwaarden:

a)

bij de transactie zijn geen personen of entiteiten betrokken die banden hebben met de programma's van Noord-Korea in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere bij Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad verboden activiteiten, waaronder de personen, entiteiten en lichamen die zijn vermeld in de bijlagen XIII, XV, XVI en XVII;

b)

de transacties houden geen verband met het genereren van inkomsten voor de programma's van Noord-Korea in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere bij Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad verboden activiteiten;

c)

het Sanctiecomité heeft de lidstaten er niet van in kennis gesteld dat 90 % van het totale jaarlijkse maximum is bereikt, en

d)

de betrokken lidstaat stelt het Sanctiecomité om de dertig dagen in kennis van het bedrag van de uitvoer en de informatie over alle partijen bij de transacties.

2.   De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van lid 1 verleende toestemming.

Artikel 16 septies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar Noord-Korea van ruwe olie, als vermeld in bijlage XI sexies, ongeacht of deze van oorsprong is uit Noord-Korea.”.

3)

Artikel 16 octies, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   In afwijking van artikel 16 septies kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor transacties in ruwe olie, op voorwaarde dat voldaan is aan alle onderstaande voorwaarden:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat heeft vastgesteld dat de transactie uitsluitend dient voor humanitaire doeleinden, en

b)

de lidstaat heeft op voorhand voor elk individueel geval de goedkeuring gekregen van het Sanctiecomité, overeenkomstig punt 4 van Resolutie 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad.”.

4)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 16 undecies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte invoer, aankoop of overdracht van de in bijlage XI octies vermelde levensmiddelen en landbouwproducten uit Noord-Korea, ongeacht of deze van oorsprong zijn uit Noord-Korea.

Artikel 16 duodecies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte invoer, aankoop of overdracht van de in bijlage XI novies vermelde machines en elektrotechnisch materieel uit Noord-Korea, ongeacht of deze van oorsprong zijn uit Noord-Korea.

Artikel 16 terdecies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte invoer, aankoop of overdracht van de in bijlage XI decies vermelde aarde en steen, met inbegrip van magnesiet en magnesia uit Noord-Korea, ongeacht of deze van oorsprong zijn uit Noord-Korea.

Artikel 16 quaterdecies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte invoer, aankoop of overdracht van de in bijlage XI undecies vermelde houtproducten uit Noord-Korea, ongeacht of deze van oorsprong zijn uit Noord-Korea.

Artikel 16 quindecies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte invoer, aankoop of overdracht van de in bijlage XI duodecies vermelde vaartuigen uit Noord-Korea, ongeacht of deze al dan niet van oorsprong zijn uit Noord-Korea.

Artikel 16 sexdecies

1.   In afwijking van de artikelen 16 undecies tot en met 16 quindecies kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor de invoer, aankoop of overdracht van de in die artikelen bedoelde goederen tot uiterlijk op 21 januari 2018, op voorwaarde dat:

a)

met de invoer, aankoop of overdracht een vóór 22 december 2017 in werking getreden schriftelijke overeenkomst wordt nagekomen, en

b)

de betrokken lidstaat het Sanctiecomité uiterlijk op 5 februari 2018 in kennis stelt van de nadere gegevens van dergelijke invoer, aankoop of overdracht.

2.   De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van lid 1 verleende toestemming.

Artikel 16 septdecies

Er geldt een verbod op de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar Noord-Korea van alle industriële machines, transportvoertuigen en ijzer, staal en andere metalen, als vermeld in deel A van bijlage XII, ongeacht of deze van oorsprong zijn uit de Unie.

Artikel 16 octodecies

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogen toestemming verlenen voor de uitvoer van reserveonderdelen die noodzakelijk zijn voor het behoud van de veiligheid van commerciële civiele passagiersvliegtuigen van de modellen en types die zijn vermeld in deel B van bijlage XII.

2.   De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van lid 1 verleende toestemming.”.

5)

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 7, 8 en 9 worden geschrapt;

b)

de leden 10, 11 en 12 worden hernummerd als leden 7, 8 en 9.

6)

De artikelen 43 en 44 worden vervangen door:

„Artikel 43

1.   Er geldt een verbod op:

a)

het leasen of charteren van vaartuigen of vliegtuigen of het verlenen van bemanningsdiensten aan Noord-Korea, aan in bijlage XIII, XV, XVI of XVII vermelde personen of entiteiten, aan andere Noord-Koreaanse entiteiten, aan andere personen of entiteiten die betrokken waren bij de schending van de bepalingen van Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016) of 2371 (2017) van de VN-Veiligheidsraad, of aan enige persoon of entiteit die namens of op aanwijzing van een dergelijke persoon of entiteit handelt, of van entiteiten die hun eigendom zijn of onder hun zeggenschap staan;

b)

het aankopen uit Noord-Korea van diensten inzake de bemanning van vaartuigen of vliegtuigen;

c)

het bezitten, leasen, beheren, charteren, verzekeren of verlenen van classificatiediensten of verwante diensten, aan vaartuigen die de vlag van Noord-Korea voeren;

d)

het verlenen van classificatiediensten aan vaartuigen die worden vermeld in bijlage XVIII;

e)

het verzoeken om of het bijstand verlenen bij de registratie of het op het register handhaven van vaartuigen die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van of worden geëxploiteerd door Noord-Korea of onderdanen van Noord-Korea, vaartuigen die worden vermeld in bijlage VIII, of vaartuigen die uit het register zijn geschrapt door een ander land op grond van punt 24 van Resolutie 2321 (2016), punt 8 van Resolutie 2375 (2017) of punt 12 van Resolutie 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad, of

f)

het verlenen van verzekerings- of herverzekeringsdiensten voor vaartuigen die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van of geëxploiteerd worden door Noord-Korea of vaartuigen die worden vermeld in bijlage XVIII.

2.   Bijlage XVIII omvat de vaartuigen die niet zijn vermeld in bijlage XIV, maar waarvoor de Raad reden heeft om aan te nemen dat zij betrokken waren bij activiteiten of het vervoer van goederen die verboden zijn op grond van Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad.

Artikel 44

1.   In afwijking van de verbodsbepaling van artikel 43, lid 1, onder a), kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor het leasen of charteren van vaartuigen of vliegtuigen of het verlenen van bemanningsdiensten, op voorwaarde dat de lidstaat vooraf voor elk individueel geval de goedkeuring heeft gekregen van het Sanctiecomité.

2.   In afwijking van de verbodsbepaling van artikel 43, lid 1, onder c) en e), kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor het bezitten, leasen, beheren, charteren of verzekeren van of het verlenen van classificatiediensten of verwante diensten aan vaartuigen die de vlag van Noord-Korea voeren, of voor het registreren of op het register handhaven van vaartuigen die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van of worden geëxploiteerd door Noord-Korea of onderdanen van Noord-Korea, op voorwaarde dat de lidstaat vooraf voor elk individueel geval de goedkeuring heeft gekregen van het Sanctiecomité.

3.   In afwijking van de verbodsbepaling van artikel 43, lid 1, onder d), kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor het verlenen van classificatiediensten aan vaartuigen die worden vermeld in bijlage XVIII, op voorwaarde dat de lidstaat vooraf voor elk individueel geval de goedkeuring heeft gekregen van het Sanctiecomité.

4.   In afwijking van de verbodsbepaling van artikel 43, lid 1, onder e), kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor het registreren van een vaartuig dat uit het register is geschrapt door een ander land op grond van punt 12 van Resolutie 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad, op voorwaarde dat de lidstaat vooraf voor elk individueel geval de goedkeuring heeft gekregen van het Sanctiecomité.

5.   In afwijking van de verbodsbepaling van artikel 43, lid 1, onder f), kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor het verlenen van verzekerings- of herverzekeringsdiensten, op voorwaarde dat het Sanctiecomité vooraf per geval heeft vastgesteld dat het vaartuig uitsluitend betrokken is bij activiteiten voor met levensonderhoud verband houdende doelstellingen die niet door Noord-Koreaanse individuen of personen zullen worden gebruikt voor het genereren van inkomen, of voor humanitaire doeleinden.

6.   De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van de leden 1, 2, 3, 4 en 5 verleende toestemming.”.

7)

Artikel 45 wordt vervangen door:

„Artikel 45

1.   In afwijking van de verbodsbepalingen uit hoofde van de Resoluties 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) en 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestemming verlenen voor activiteiten indien het Sanctiecomité voor elk individueel geval heeft vastgesteld dat deze activiteiten noodzakelijk zijn om het werk te vergemakkelijken van internationale en niet-gouvernementele organisaties die in Noord-Korea bijstand en noodhulp aan de Noord-Koreaanse burgerbevolking verlenen of om enige andere reden die strookt met de doelstellingen van die resoluties.

2.   De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van lid 1 verleende toestemming.”.

8)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 45 bis

1.   Tenzij in deze verordening anders wordt bepaald, en in afwijking van de verbodsbepalingen uit hoofde van de Resoluties 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, per geval toestemming verlenen voor activiteiten die noodzakelijk zijn voor het functioneren van diplomatieke missies of consulaire posten van lidstaten in Noord-Korea uit hoofde van de Verdragen van Wenen van 1961 en 1963, of van internationale organisaties die in Noord-Korea bescherming genieten op grond van het internationaal recht.

2.   De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van lid 1, verleende toestemming.”.

9)

Artikel 46, onder b), wordt vervangen door:

„b)

de delen II, III, IV, V, VI, VII, VIII en IX van bijlage II, en de bijlagen VI, VII, IX, X, XI, XI bis, XI ter, XI quater, XI quinquies, XI sexies, XI septies, XI octies, XI novies, XI decies, XI undecies, XI duodecies en XI terdecies te wijzigen op basis van vaststellingen van het Sanctiecomité of de VN-Veiligheidsraad, en nomenclatuurcodes uit de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 opgenomen gecombineerde nomenclatuur te actualiseren;”.

10)

Artikel 47, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Wanneer de Raad besluit een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam te onderwerpen aan de in artikel 34, lid 1, 2 of 3, bedoelde maatregelen, of een vaartuig aan te wijzen op grond van artikel 43, wijzigt hij de bijlagen XV, XVI, XVII en XVIII dienovereenkomstig.”.

11)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 47 bis

1.   De bijlagen XV, XVI, XVII en XVIII worden met regelmatige tussenpozen, en ten minste iedere twaalf maanden, opnieuw bezien.

2.   In de bijlagen XIII, XIV, XV, XVI, XVII en XVIII worden de redenen vermeld voor het op de lijst plaatsen van betrokken personen, entiteiten, lichamen en vaartuigen.

3.   De bijlagen XIII, XIV, XV, XVI, XVII en XVIII bevatten ook, indien beschikbaar, informatie die nodig is om de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten, lichamen en vaartuigen te identificeren. Met betrekking tot natuurlijke personen kan die informatie bestaan uit namen, inclusief aliassen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres (indien bekend) en functie of beroep. Met betrekking tot rechtspersonen, entiteiten en lichamen kan dergelijke informatie bestaan uit namen, plaats en datum van registratie, registratienummer en plaats van vestiging.”.

12)

Artikel 53, lid 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

de in de bijlage XIII, XV, XVI of XVII vermelde aangewezen personen, entiteiten of lichamen, of de scheepseigenaars van de in de bijlage XIV of XVIII opgenomen vaartuigen;”.

13)

De tekst in bijlage I bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage XI octies.

14)

De tekst in bijlage II bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage XI novies.

15)

De tekst in bijlage III bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage XI decies.

16)

De tekst in bijlage IV bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage XI undecies.

17)

De tekst in bijlage V bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage XI duodecies.

18)

De tekst in bijlage VI bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage XI terdecies.

19)

Bijlage XV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening.

20)

De tekst in bijlage VIII bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage XVIII.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  PB L 141 van 28.5.2016, blz. 79.

(2)  Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007 (PB L 224 van 31.8.2017, blz. 1).

(3)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(4)  Besluit (GBVB) 2018/293 van de Raad van 26 februari 2018 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/849 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea (PB L 55 van 27.2.2018, blz. 50).


BIJLAGE I

BIJLAGE XI octies

LEVENSMIDDELEN EN LANDBOUWPRODUCTEN BEDOELD IN ARTIKEL 16 undecies

TOELICHTING

De nomenclatuurcodes komen uit de gecombineerde nomenclatuur als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en als bepaald in bijlage I daarbij, zoals deze gelden op het ogenblik van publicatie van deze verordening en mutatis mutandis zoals deze worden gewijzigd door volgende wetgeving.

GN-code

Omschrijving

07

Groenten, planten, wortels en knollen, voor voedingsdoeleinden

08

Fruit; schillen van citrusvruchten en van meloenen

12

Oliehoudende zaden en vruchten; allerlei zaden, zaaigoed en vruchten; planten voor industrieel en voor geneeskundig gebruik; stro en voeder


BIJLAGE II

BIJLAGE XI novies

MACHINES EN ELEKTROTECHNISCHE APPARATUUR ALS BEDOELD IN ARTIKEL 16 duodecies

TOELICHTING

De nomenclatuurcodes komen uit de gecombineerde nomenclatuur als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en als bepaald in bijlage I daarbij, zoals deze gelden op het ogenblik van publicatie van deze verordening en mutatis mutandis zoals deze worden gewijzigd door volgende wetgeving.

GN-code

Omschrijving

84

Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, alsmede delen daarvan

85

Elektrische machines, apparaten, uitrustingsstukken, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, toestellen voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen


BIJLAGE III

BIJLAGE XI decies

AARDE EN STEEN, MET INBEGRIP VAN MAGNESIET EN MAGNESIA, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 16 terdecies

TOELICHTING

De nomenclatuurcodes komen uit de gecombineerde nomenclatuur als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en als bepaald in bijlage I daarbij, zoals deze gelden op het ogenblik van publicatie van deze verordening en mutatis mutandis zoals deze worden gewijzigd door volgende wetgeving.

GN-code

Omschrijving

25

Zout; zwavel; aarde en steen; gips, kalk en cement


BIJLAGE IV

BIJLAGE XI undecies

HOUTPRODUCTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 16 quaterdecies

TOELICHTING

De nomenclatuurcodes komen uit de gecombineerde nomenclatuur als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en als bepaald in bijlage I daarbij, zoals deze gelden op het ogenblik van publicatie van deze verordening en mutatis mutandis zoals deze worden gewijzigd door volgende wetgeving.

GN-code

Omschrijving

44

Hout, houtskool en houtwaren


BIJLAGE V

BIJLAGE XI duodecies

VAARTUIGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 16 quindecies

TOELICHTING

De nomenclatuurcodes komen uit de gecombineerde nomenclatuur als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en als bepaald in bijlage I daarbij, zoals deze gelden op het ogenblik van publicatie van deze verordening en mutatis mutandis zoals deze worden gewijzigd door volgende wetgeving.

GN-code

Omschrijving

89

Scheepvaart


BIJLAGE VI

BIJLAGE XI terdecies

DEEL A

Industriële machines, transportvoertuigen en ijzer, staal en andere metalen als bedoel in artikel 16 septdecies

TOELICHTING

De nomenclatuurcodes komen uit de gecombineerde nomenclatuur als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en als bepaald in bijlage I daarbij, zoals deze gelden op het ogenblik van publicatie van deze verordening en mutatis mutandis zoals deze worden gewijzigd door volgende wetgeving.

GN-code

Omschrijving

72

Gietijzer, ijzer en staal

73

Werken van gietijzer, van ijzer en van staal

74

Koper en werken van koper

75

Nikkel en werken van nikkel

76

Aluminium en werken van aluminium

78

Lood en werken van lood

79

Zink en werken van zink

80

Tin en werken van tin

81

Andere onedele metalen; cermets; werken van deze stoffen

82

Gereedschap; messenmakerswerk, lepels en vorken, van onedel metaal; delen van deze artikelen van onedel metaal

83

Allerlei werken van onedele metalen

84

Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, alsmede delen daarvan

85

Elektrische machines, apparaten, uitrustingsstukken, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, toestellen voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen

86

Rollend en ander materieel voor spoor- en tramwegen; mechanische (elektromechanische daaronder begrepen) signaal- en waarschuwingstoestellen voor het verkeer

87

Automobielen, tractors, rijwielen, motorrijwielen en andere voertuigen voor vervoer over land, alsmede delen en toebehoren daarvan

88

Luchtvaart en ruimtevaart

89

Scheepvaart

DEEL B

Modellen en typen vliegtuigen als bedoeld in artikel 16 octodecies, lid 1

An-24R/RV, An-148-100B, Il-18D, Il-62M, Tu-134B-3, Tu-154B, Tu-204-100B, en Tu-204-300.


BIJLAGE VII

In bijlage XV bij Verordening (EU) 2017/1509 worden de volgende vermeldingen geschrapt:

a)

Natuurlijke personen die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 34, lid 4, onder a)

„23.

PAK Yong-sik (ook bekend als PAK Yong Sik)

 

20.5.2016

Viersterrengeneraal, lid van de afdeling Staatsveiligheid, minister van Volksstrijdkrachten. Lid van de Centrale Militaire Commissie van de Arbeiderspartij van Korea en van de Nationale Defensiecommissie, voordat deze werd omgevormd tot de Commissie voor Staatszaken (SAC), beide belangrijke defensieorganen in Noord-Korea. Was aanwezig bij het testen van ballistische raketten in maart 2016. In die hoedanigheid verantwoordelijk voor ondersteuning of bevordering van programma's van Noord-Korea in verband met kernwapens, andere massavernietigingswapens of ballistische raketten.

31.

KIM Jong Sik

Vicedirecteur van het departement voor munitie-industrie in het ministerie voor militaire industrie.

16.10.2017

Als vicedirecteur van het departement voor munitie-industrie verleent hij steun voor de programma's van de DVK op het gebied van kernwapens en ballistische raketten, waaronder door aanwezigheid bij aan kernwapens en ballistische raketten gerelateerde evenementen in 2016, en een presentatie in maart 2016 van hetgeen volgens de DVK een geminiaturiseerd kernwapen was.”

b)

Rechtspersonen, entiteiten en lichamen die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 34, lid 4, onder a)

„5.

Ministerie van Volksstrijdkrachten

16.10.2017

Verantwoordelijk voor het verlenen van steun en het geven van sturing aan de Noord-Koreaanse Strategic Rocket Force (strategische raketmacht) die zeggenschap heeft over de Noord-Koreaanse nucleaire en conventionele strategische raketeenheden. De Strategic Rocket Force is op de lijst van Resolutie 2356 (2017) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties geplaatst.”

c)

Natuurlijke personen die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 34, lid 4, onder b)

„5.

CHOE Chun-Sik (ook bekend als CHOE Chun Sik)

Geboortedatum: 23.12.1963

Geboorteplaats: Pyongyang, Noord-Korea

Paspoortnummer 745132109

Geldig tot en met 12.2.2020

3.7.2015

Directeur van de afdeling herverzekering van Korea National Insurance Corporation (KNIC) op het hoofdkantoor in Pyongyang, treedt op namens of op aanwijzing van KNIC.”


BIJLAGE VIII

„BIJLAGE XVIII

De in in artikel 43, lid 1, onder d), e), en f) bedoelde vaartuigen.”


27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/286 VAN DE RAAD

van 26 februari 2018

tot uitvoering van Verordening (EU) 2017/1509 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/1509 van de Raad van 30 augustus 2017 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 329/2007 (1), en met name artikel 47, lid 1,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 30 augustus 2017 Verordening (EU) 2017/1509 vastgesteld.

(2)

Bijlage XIV bij Verordening (EU) 2017/1509 bevat de lijst van de vaartuigen die in beslag moeten worden genomen, indien het Sanctiecomité dit zo heeft bepaald. Zij bevat ook een lijst van de vaartuigen waarvoor een verbod op toegang tot de havens op het grondgebied van de Unie geldt, indien het Sanctiecomité dit zo heeft bepaald.

(3)

Op 26 februari 2018 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2018/293 (2) vastgesteld, dat de structuur wijzigt van bijlage IV bij Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad (3), waarin de door het Sanctiecomité aangewezen vaartuigen zijn vermeld.

(4)

Bijlage XIV bij Verordening (EU) 2017/1509 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XIV bij Verordening (EU) 2017/1509 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  PB L 224 van 31.8.2017, blz. 1.

(2)  Zie bladzijde 50 van dit Publicatieblad.

(3)  Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2013/183/GBVB (PB L 141 van 28.5.2016, blz. 79).


BIJLAGE

Bijlage XIV bij Verordening (EU) 2017/1509 wordt vervangen door:

BIJLAGE XIV

Lijst van de in artikel 34, lid 2, en artikel 39, lid 1, punt g), bedoelde vaartuigen en toepasselijke maatregelen als bepaald door het Sanctiecomité

A.

Vaartuigen onderworpen aan inbeslagneming

B.

Vaartuigen waarvoor een verbod op toegang tot havens geldt

1.

Naam: PETREL 8

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9562233. MMSI-nummer: 620233000

2.

Naam: HAO FAN 6

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 8628597. MMSI-nummer: 341985000

3.

Naam: TONG SAN 2

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 8937675. MMSI-nummer: 445539000

4.

Naam: JIE SHUN

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 8518780. MMSI-nummer: 514569000

5.

Naam: BILLIONS NO. 18

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9191773

6.

Naam: UL JI BONG 6

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9114556

7.

Naam: RUNG RA 2

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9020534

8.

Naam: RYE SONG GANG 1

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 7389704

”.

27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/287 VAN DE COMMISSIE

van 15 februari 2018

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen („Salchichón de Vic”/„Llonganissa de Vic” (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie onderzoek gedaan naar de door Spanje ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding „Salchichón de Vic”/„Llonganissa de Vic”, die bij Verordening (EG) nr. 2601/2001 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier voor de naam „Salchichón de Vic”/„Llonganissa de Vic” (BGA) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 februari 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 2601/2001 van de Commissie van 28 december 2001 tot aanvulling van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 345 van 29.12.2001, blz. 47).

(3)  PB C 368 van 28.10.2017, blz. 10.


27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/288 VAN DE COMMISSIE

van 19 februari 2018

houdende wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 367/2014 tot vaststelling van het nettosaldo dat voor de uitgaven uit het ELGF beschikbaar is

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 16, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 367/2014 van de Commissie (2) is het nettosaldo vastgesteld dat voor de uitgaven uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) beschikbaar is, alsook de bedragen die voor de begrotingsjaren 2014 tot en met 2020 voor het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) beschikbaar zijn op grond van artikel 10 quater, lid 2, artikel 136, artikel 136 bis en artikel 136 ter van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (3) en op grond van artikel 7, lid 2, artikel 14 en artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(2)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 hebben Frankrijk, Litouwen en Nederland de Commissie op of vóór 1 augustus 2017 in kennis gesteld van hun besluit om hun eerdere besluit om een bepaald percentage van hun jaarlijkse nationale maxima voor rechtstreekse betalingen over te hevelen naar plattelandsontwikkelingsprogramma's die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) uit het Elfpo worden gefinancierd, te herzien voor de kalenderjaren 2018 en 2019. De desbetreffende nationale maxima zijn aangepast door middel van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/162 van de Commissie (6).

(3)

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (7) moet het submaximum voor marktgerelateerde uitgaven en rechtstreekse betalingen in het kader van het meerjarig financieel kader zoals opgenomen in bijlage I bij die verordening, ingevolge de overdrachten tussen het Elfpo en de rechtstreekse betalingen worden aangepast in het kader van de technische aanpassingen als bedoeld in artikel 6, lid 1, van die verordening.

(4)

Als gevolg van die wijzigingen is een aanpassing nodig van het voor het ELGF beschikbare nettosaldo zoals vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 367/2014. Duidelijkheidshalve moeten de voor het Elfpo beschikbaar te stellen bedragen ook worden bekendgemaakt.

(5)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 367/2014 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 367/2014 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 367/2014 van de Commissie van 10 april 2014 tot vaststelling van het nettosaldo dat voor de uitgaven uit het ELGF beschikbaar is (PB L 108 van 11.4.2014, blz. 13).

(3)  Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16).

(4)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(6)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/162 van de Commissie van 23 november 2017 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van de bijlagen II en III bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 30 van 2.2.2018, blz. 6).

(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).


BIJLAGE

BIJLAGE

(in miljoen EUR — lopende prijzen)

Begrotingsjaar

Voor het Elfpo ter beschikking gestelde bedragen

Uit het Elfpo overgedragen bedragen

Nettosaldo dat voor de uitgaven uit het ELGF ter beschikking is

Artikel 10 ter van Verordening (EG) nr. 73/2009

Artikel 136 van Verordening (EG) nr. 73/2009

Artikel 136 ter van Verordening (EG) nr. 73/2009

Artikel 66 van Verordening (EU) nr. 1307/2013

Artikel 136 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013

Artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013

Artikel 136 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013

2014

296,300

51,600

 

4,000

 

 

 

43 778,100

2015

 

 

51,600

4,000

621,999

 

499,384

44 189,785

2016

 

 

 

4,000

1 138,146

108,659

573,047

43 950,242

2017

 

 

 

4,000

1 174,732

111,026

572,440

44 145,682

2018

 

 

 

4,000

1 184,257

110,213

571,820

44 162,350

2019

 

 

 

4,000

1 491,459

111,358

571,158

43 880,341

2020

 

 

 

4,000

1 507,843

112,041

570,356

43 887,472


27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/21


VERORDENING (EU) 2018/289 VAN DE COMMISSIE

van 26 februari 2018

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 2 Op aandelen gebaseerde betalingen betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) is een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 20 juni 2016 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) wijzigingen in International Financial Reporting Standard (IFRS) 2 Op aandelen gebaseerde betalingen gepubliceerd. Met de wijzigingen wordt beoogd te verduidelijken hoe ondernemingen de standaard in sommige specifieke gevallen moeten toepassen.

(3)

Na overleg met de European Financial Reporting Advisory Group concludeert de Commissie dat de wijzigingen in IFRS 2 beantwoorden aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte goedkeuringscriteria.

(4)

Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De IASB heeft de ingangsdatum van de wijzigingen in IFRS 2 op 1 januari 2018 vastgesteld.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt International Financial Reporting Standard (IFRS) 2 Op aandelen gebaseerde betalingen gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Elke onderneming past de in artikel 1 bedoelde wijzigingen toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2018 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1).


BIJLAGE

Classificatie en waardering van op aandelen gebaseerde betalingstransacties

Wijzigingen in IFRS 2

Wijzigingen in IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betalingen

De alinea's 19, 30 tot en met 31, 33, 52 en 63 worden gewijzigd en de alinea's 33A tot en met 33H, 59A tot en met 59B en 63D worden toegevoegd. Er worden kopjes ingevoegd vóór de alinea's 33A en 33E. De alinea's 32 en 34 zijn niet gewijzigd, maar zijn hier toch opgenomen voor het leesgemak.

BEHANDELING VAN „VESTING CONDITIONS”

19.

De toekenning van eigenvermogensinstrumenten kan gebonden zijn aan het voldoen aan specifieke „vesting conditions”. De toekenning van aandelen of aandelenopties aan een werknemer is bijvoorbeeld gewoonlijk gebonden aan een dienstverband met de entiteit dat een bepaald aantal jaren duurt. Er zouden prestatiegerelateerde voorwaarden kunnen bestaan waaraan moet worden voldaan, zoals de voorwaarde dat de entiteit een vastgelegde winstgroei moet realiseren of dat de aandelenprijs van de entiteit met een vastgelegd percentage moet stijgen. Met „vesting conditions”, niet zijnde marktgerelateerde voorwaarden, mag geen rekening worden gehouden bij het schatten van de reële waarde van de aandelen of aandelenopties op de waarderingsdatum. In plaats daarvan moet met de „vesting conditions”, niet zijnde marktgerelateerde voorwaarden, rekening worden gehouden door het aantal eigenvermogensinstrumenten dat in de bepaling van het transactiebedrag wordt opgenomen, zodanig aan te passen dat het opgenomen bedrag in verband met de als vergoeding voor de toegekende eigenvermogensinstrumenten ontvangen goederen of diensten uiteindelijk wordt gebaseerd op het aantal eigenvermogensinstrumenten dat uiteindelijk onvoorwaardelijk wordt. Vandaar dat op cumulatieve basis geen bedrag voor ontvangen goederen of diensten wordt opgenomen indien de toekenning van eigenvermogensinstrumenten niet onvoorwaardelijk wordt omdat niet aan een „vesting condition”, niet zijnde een marktgerelateerde voorwaarde, wordt voldaan, bijvoorbeeld omdat het dienstverband van de tegenpartij korter is dan vereist of omdat er niet aan een prestatiegerelateerde voorwaarde wordt voldaan, met inachtneming van de vereisten in alinea 21.

IN GELDMIDDELEN AFGEWIKKELDE, OP AANDELEN GEBASEERDE BETALINGSTRANSACTIES

30.

In geval van op aandelen gebaseerde betalingstransacties die in geldmiddelen worden afgewikkeld, moet de entiteit de verworven goederen of diensten en de aangegane verplichting waarderen tegen de reële waarde van de verplichting, met inachtneming van de vereisten in de alinea's 31 tot en met 33D. De entiteit moet tot het moment van afwikkeling van de verplichting op het einde van iedere verslagperiode en op de afwikkelingsdatum opnieuw de reële waarde van de verplichting bepalen. Eventuele veranderingen in de reële waarde worden in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten over de periode opgenomen.

31.

Een entiteit kan bijvoorbeeld als onderdeel van het beloningspakket van werknemers zogenaamde „share appreciation rights” toekennen, op grond waarvan de werknemers recht hebben op een toekomstige contante betaling (in plaats van eigenvermogensinstrumenten), gebaseerd op de stijging van de aandelenprijs van de entiteit ten opzichte van een bepaald niveau in een bepaalde periode, of een entiteit zou haar werknemers een recht kunnen toekennen op een toekomstige contante betaling door hen een recht op aflosbare aandelen (waaronder bij uitoefening van aandelenopties uit te geven aandelen) toe te kennen, hetzij verplicht aflosbaar (bijvoorbeeld bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst), hetzij ter keuze van de werknemer. Deze overeenkomsten zijn voorbeelden van in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties. „Share appreciation rights” worden gebruikt om bepaalde van de vereisten in de alinea's 32 tot en met 33D te illustreren; de vereisten in die alinea's gelden echter voor alle in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties.

32.

De entiteit moet de ontvangen diensten opnemen, alsook een verplichting tot betaling voor die diensten, naarmate de werknemer deze verleent. Sommige „share appreciation rights” zijn bijvoorbeeld onmiddellijk onvoorwaardelijk. De werknemers zijn derhalve niet verplicht een bepaald aantal dienstjaren uit te dienen om recht te krijgen op de contante betaling. Indien er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, moet de entiteit aannemen dat diensten die door de werknemers in ruil voor de „share appreciation rights” zijn verleend, zijn ontvangen. De entiteit moet derhalve de ontvangen diensten en de verplichting tot betaling hiervoor onmiddellijk opnemen. Indien de „share appreciation rights” pas onvoorwaardelijk worden wanneer de werknemers een bepaald aantal dienstjaren in dienst zijn geweest, moet de entiteit de ontvangen diensten opnemen, alsook de verplichting tot betaling hiervoor, naarmate de werknemers de diensten in deze periode verlenen.

33.

De verplichting moet bij eerste opname en daarna op het einde van iedere verslagperiode tot afwikkeling worden gewaardeerd tegen de reële waarde van de „share appreciation rights”. Hiervoor wordt een optiewaarderingsmodel gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met de voorwaarden waaronder de „share appreciation rights” zijn toegekend, en de mate waarin de werknemers tot het desbetreffende moment diensten hebben verleend — met inachtneming van de vereisten in de alinea's 33A tot en met 33D. De mogelijkheid bestaat dat een entiteit de voorwaarden waarop een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betaling wordt toegekend, wijzigt. Een toepassingsleidraad voor een wijziging van een op aandelen gebaseerde betalingstransactie waarvan de classificatie verandert van in geldmiddelen afgewikkeld in in eigenvermogensinstrumenten afgewikkeld, wordt gegeven in de alinea's B44A tot en met B44C in bijlage B.

BEHANDELING VAN „VESTING” EN „NON-VESTING” CONDITIONS

33A

Een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie kan gebonden zijn aan het voldoen aan specifieke „vesting conditions”. Er zouden prestatiegerelateerde voorwaarden kunnen bestaan waaraan moet worden voldaan, zoals de voorwaarde dat de entiteit een vastgelegde winstgroei moet realiseren, of dat de aandelenprijs van de entiteit met een vastgelegd percentage moet stijgen. Met „vesting conditions”, niet zijnde marktgerelateerde voorwaarden, mag geen rekening worden gehouden bij het schatten van de reële waarde van de in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betaling op de waarderingsdatum. In plaats daarvan moet met „vesting conditions”, niet zijnde marktgerelateerde voorwaarden, rekening worden gehouden door het aanpassen van het aantal beloningen dat is opgenomen bij de waardering van de verplichting uit hoofde van de transactie.

33B

Voor de toepassing van de vereisten in alinea 33A moet de entiteit een bedrag opnemen voor de goederen of diensten die tijdens de wachtperiode worden ontvangen. Dat bedrag moet gebaseerd zijn op de best mogelijke schatting van het aantal beloningen dat naar verwachting onvoorwaardelijk zal worden. De entiteit moet die schatting indien noodzakelijk aanpassen indien latere informatie aangeeft dat het aantal beloningen dat naar verwachting onvoorwaardelijk wordt, verschilt van vorige schattingen. Op de datum waarop de toezegging onvoorwaardelijk wordt, moet de entiteit de schatting herzien naar aanleiding van het aantal beloningen dat uiteindelijk onvoorwaardelijk is geworden.

33C

Met marktgerelateerde voorwaarden, zoals een ten doel gestelde aandelenprijs waaraan het onvoorwaardelijk worden (of de uitoefenbaarheid) verbonden is, alsook met „non-vesting conditions” moet rekening worden gehouden bij het schatten van de reële waarde van de toegekende in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betaling en bij het herbepalen van de reële waarde op het einde van elke verslagperiode en op de datum van afwikkeling.

33D

Als gevolg van de toepassing van de alinea's 30 tot en met 33C is het cumulatieve bedrag dat uiteindelijk wordt opgenomen voor de goederen of diensten die zijn ontvangen als tegenprestatie voor de in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betaling, gelijk aan de geldmiddelen die worden betaald.

OP AANDELEN GEBASEERDE BETALINGSTRANSACTIES MET EEN NETTOAFWIKKELINGSKENMERK VOOR BRONBELASTINGVERPLICHTINGEN

33E

De fiscale wet- of regelgeving kan een entiteit verplichten een bedrag in te houden voor een fiscale verplichting van een werknemer in verband met een op aandelen gebaseerde betaling en dat bedrag, gewoonlijk in geldmiddelen, namens de werknemer aan de belastingdienst over te maken. Om aan deze verplichting te voldoen, kunnen de voorwaarden van de op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst de entiteit toestaan of verplichten het aantal eigenvermogensinstrumenten gelijk aan de monetaire waarde van de fiscale verplichting van de werknemer in te houden op het totale aantal eigenvermogensinstrumenten dat anders voor de werknemer zou zijn uitgegeven bij de uitoefening (of het onvoorwaardelijk worden) van de op aandelen gebaseerde betaling (d.w.z. de op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst heeft een „nettoafwikkelingskenmerk”).

33F

Als uitzondering op de vereisten in alinea 34 wordt de transactie beschreven in alinea 33E in haar geheel als een in eigenvermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie geclassificeerd indien zij zo zou zijn geclassificeerd zonder het „nettoafwikkelingskenmerk”.

33G

De entiteit past alinea 29 van deze standaard toe voor het verwerken van de inhouding van aandelen ter financiering van de betaling aan de belastingdienst ten aanzien van de fiscale verplichting van de werknemer in verband met de op aandelen gebaseerde betaling. Bijgevolg moet de gedane betaling ten laste van het eigen vermogen worden gebracht voor de ingehouden aandelen, behalve voor zover de betaling op de datum van nettoafwikkeling van de ingehouden eigenvermogensinstrumenten de reële waarde overschrijdt.

33H

De uitzondering in alinea 33F geldt niet voor:

a)

een op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst met een nettoafwikkelingskenmerk waarvoor de entiteit op grond van de belastingwetgeving of -regelgeving geen bedrag dient in te houden voor een fiscale verplichting van een werknemer in verband met die op aandelen gebaseerde betaling, of

b)

alle eigenvermogensinstrumenten die de entiteit boven op de fiscale verplichting van de werknemer met betrekking tot de op aandelen gebaseerde betaling inhoudt (d.w.z. de entiteit heeft een hoeveelheid aandelen ingehouden die de monetaire waarde van de fiscale verplichting van de werknemer overschrijdt). Dergelijke te veel ingehouden aandelen worden als een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betaling verwerkt wanneer dit bedrag in geldmiddelen (of andere activa) aan de werknemer wordt betaald.

34.

In geval van op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de bepalingen van de overeenkomst hetzij de entiteit, hetzij de tegenpartij de keuze geven om te bepalen of de entiteit de transactie afwikkelt in geldmiddelen (of andere activa) of door eigenvermogensinstrumenten uit te geven, moet de entiteit deze transactie, of de componenten van de transactie, verwerken als een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie indien en voor zover de entiteit een verplichting is aangegaan tot afwikkeling in geldmiddelen of andere activa, of als een in eigenvermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie indien en voor zover een dergelijke verplichting niet is aangegaan.

INFORMATIEVERSCHAFFING

52.

Indien de informatie die op grond van deze IFRS moet worden vermeld, niet in overeenstemming is met de principes in alinea's 44, 46 en 50, moet de entiteit zodanige aanvullende informatie verstrekken dat aan deze principes wordt voldaan. Indien een entiteit bijvoorbeeld alle op aandelen gebaseerde betalingstransacties als in eigenvermogensinstrumenten afgewikkeld heeft geclassificeerd overeenkomstig alinea 33F, moet de entiteit een schatting vermelden van het bedrag dat zij verwacht aan de belastingdienst over te maken voor het afwikkelen van de fiscale verplichting van de werknemer wanneer het noodzakelijk is gebruikers te informeren over de toekomstige kasstroomeffecten in verband met de op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst.

OVERGANGSBEPALINGEN

59A

Een entiteit moet de wijzigingen in de alinea's 30 tot en met 31, 33 tot en met 33H en B44A tot en met B44C toepassen zoals hieronder uiteengezet. Eerdere perioden mogen niet worden aangepast.

a)

De wijzigingen in de alinea's B44A tot en met B44C zijn alleen van toepassing op wijzigingen die zich voordoen op of na de datum waarop een entiteit voor het eerst de wijzigingen toepast.

b)

De wijzigingen in de alinea's 30 tot en met 31 en 33 tot en met 33D zijn van toepassing op op aandelen gebaseerde betalingstransacties die niet onvoorwaardelijk zijn geworden op de datum waarop een entiteit de wijzigingen voor het eerst toepast, en op op aandelen gebaseerde betalingstransacties met een toekenningsdatum op of na de datum waarop een entiteit de wijzigingen voor het eerst toepast. Voor niet onvoorwaardelijk geworden, op aandelen gebaseerde betalingstransacties die zijn toegekend vóór de datum waarop een entiteit de wijzigingen voor het eerst toepast, moet een entiteit op die datum de verplichting herwaarderen en het effect van de herwaardering opnemen in het beginsaldo van de ingehouden winsten (of een andere eigenvermogenscomponent, al naar het geval) van de verslagperiode waarin de wijzigingen voor het eerst worden toegepast.

c)

De wijzigingen in de alinea's 33E tot en met 33H en de wijziging in alinea 52 zijn van toepassing op op aandelen gebaseerde betalingstransacties die niet onvoorwaardelijk zijn geworden (of onvoorwaardelijk zijn geworden maar niet zijn uitgeoefend) op de datum waarop een entiteit de wijzigingen voor het eerst toepast, en op op aandelen gebaseerde betalingstransacties met een toekenningsdatum op of na de datum waarop een entiteit de wijzigingen voor het eerst toepast. Voor op aandelen gebaseerde betalingstransacties (of onderdelen daarvan) die niet onvoorwaardelijk zijn geworden (of onvoorwaardelijk zijn geworden maar niet zijn uitgeoefend), die voorheen als in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingen werden geclassificeerd maar nu in overeenstemming met de wijzigingen als in eigenvermogensinstrumenten afgewikkeld worden geclassificeerd, moet een entiteit de boekwaarde van de op aandelen gebaseerde betalingsverplichting als eigen vermogen herclassificeren op de datum dat zij de wijzigingen voor het eerst toepast.

59B

Niettegenstaande de vereisten in alinea 59A mag een entiteit, met inachtneming van de overgangsbepalingen in de alinea's 53 tot en met 59 van deze standaard, in overeenstemming met IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten de wijzigingen in alinea 63D retroactief toepassen als en alleen als dit mogelijk is zonder kennis achteraf. Indien een entiteit kiest voor retroactieve toepassing, dan moet zij dit doen voor alle wijzigingen aangebracht door Classificatie en waardering van op aandelen gebaseerde betalingstransacties (wijzigingen in IFRS 2).

INGANGSDATUM

63.

Een entiteit moet de volgende wijzigingen die door In geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties van groepen, uitgegeven in juni 2009, zijn aangebracht, retroactief toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2010 aanvangen, met inachtneming van de overgangsbepalingen in de alinea's 53 tot en met 59 en overeenkomstig IAS 8:

a)

63D

Classificatie en waardering van op aandelen gebaseerde betalingstransacties (wijzigingen in IFRS 2), uitgegeven in juni 2016, heeft de alinea's 19, 30 tot en met 31, 33, 52 en 63 gewijzigd en de alinea's 33A tot en met 33H, 59A tot en met 59B, 63D en B44A tot en met B44C, en de bijbehorende kopjes toegevoegd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2018 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Als een entiteit de wijzigingen op een eerdere periode toepast, moet ze dat feit vermelden.

In bijlage B worden de alinea's B44A tot en met B44C en het desbetreffende kopje toegevoegd.

Verwerking van een wijziging van een op aandelen gebaseerde betalingstransactie waarvan de classificatie verandert van in geldmiddelen afgewikkeld in in eigenvermogensinstrumenten afgewikkeld

B44A

Indien de voorwaarden van een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie worden gewijzigd zodat zij een in eigenvermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie wordt, wordt de transactie als zodanig verwerkt vanaf de datum van de wijziging. Meer bepaald

a)

wordt de in eigenvermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie gewaardeerd op basis van de reële waarde van de eigenvermogensinstrumenten die op de wijzigingsdatum is toegekend. De in eigenvermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie wordt op de wijzigingsdatum in het eigen vermogen opgenomen in de mate waarin goederen of diensten zijn ontvangen;

b)

wordt de verplichting voor de in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie op de wijzigingsdatum niet langer opgenomen op die datum;

c)

wordt elk verschil tussen de boekwaarde van de niet langer opgenomen verplichting en het op de wijzigingsdatum opgenomen eigenvermogensbedrag onmiddellijk in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten opgenomen.

B44B

Indien, als gevolg van de wijziging, de wachtperiode wordt verlengd of verkort, geeft de toepassing van de vereisten in alinea B44A de gewijzigde wachtperiode weer. De vereisten in alinea B44A zijn zelfs van toepassing indien de wijziging geschiedt na de wachtperiode.

B44C

Een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie kan worden geannuleerd of afgewikkeld (niet zijnde een annulering omdat niet aan de „vesting conditions” is voldaan). Indien eigenvermogensinstrumenten zijn toegekend en de entiteit deze als een vervanging voor de geannuleerde in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betaling aanmerkt, moet de entiteit de alinea's B44A en B44B toepassen.


27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/27


VERORDENING (EU) 2018/290 VAN DE COMMISSIE

van 26 februari 2018

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten aan vetzuuresters van glycidyl in plantaardige oliën en vetten, volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en peuters

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (2) zijn de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen vastgesteld.

(2)

In mei van 2016 heeft het Wetenschappelijk Panel voor contaminanten in de voedselketen (Contam-panel) van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid („EFSA”) een wetenschappelijk advies uitgebracht over de risico's voor de volksgezondheid in verband met de aanwezigheid van 3- en 2-monochloorpropaandiol (MCPD), en vetzuuresters ervan, en vetzuuresters van glycidyl in levensmiddelen (3).

(3)

Op basis van de geactualiseerde richtsnoeren van haar wetenschappelijk comité over het gebruik van de benchmarkdosisaanpak bij risicobeoordeling (4) heeft de EFSA besloten de beoordeling van 3-MCPD en vetzuuresters ervan te heropenen na een diepgaande analyse van de verschillen van mening over die verontreiniging tussen het Gezamenlijk Comité van deskundigen voor levensmiddelenadditieven van de FAO/WHO (5) en de EFSA. Daarom is het wenselijk om te wachten op de uitkomst van de beoordeling van 3-MCPD en vetzuuresters daarvan alvorens regelgevende maatregelen te nemen.

(4)

Vetzuuresters van glycidyl zijn verontreinigende stoffen in levensmiddelen waarvan de hoogste gehalten worden aangetroffen in geraffineerde plantaardige oliën en vetten. Vetzuuresters van glycidyl worden in het spijsverteringskanaal gehydrolyseerd in glycidol.

(5)

De EFSA is tot de conclusie gekomen dat glycidol een genotoxische en kankerverwekkende verbinding is. Gezien het genotoxische en kankerverwekkende effect van glycidol heeft de EFSA een blootstellingsmargetechniek toegepast. Scenario's van blootstelling voor zuigelingen, peuters en andere kinderen hebben geresulteerd in een blootstellingsmarge van 12 800 tot 4 900, en voor zuigelingen die alleen een volledige zuigelingenvoeding krijgen, in een blootstellingsmarge van circa 5 500 tot 2 100. De EFSA was van mening dat een blootstellingsmarge van minder dan 25 000 een gezondheidsrisico vormt. Daarom is het passend een maximumgehalte vast te stellen voor de aanwezigheid van vetzuuresters van glycidyl in plantaardige oliën en vetten die in de handel worden gebracht voor de eindverbruiker of voor gebruik als ingrediënt in levensmiddelen. Gezien het gezondheidsrisico voor zuigelingen en peuters is het wenselijk een strikter maximumgehalte vast te stellen voor plantaardige oliën en vetten die bestemd zijn voor de vervaardiging van babyvoeding en bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters.

(6)

Om alle mogelijke gezondheidsrisico's voor zuigelingen en peuters uit te sluiten — vooral waar het gaat om de mogelijke blootstelling aan vetzuuresters van glycidyl van zuigelingen die uitsluitend met volledige zuigelingenvoeding worden gevoed — moet een specifiek strikt maximumgehalte voor volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en peuters worden vastgesteld. Het is echter noodzakelijk dat het gehalte aan vetzuuresters van glycidyl in volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en peuters verder wordt verlaagd, en daarom moeten de maximumgehalten worden herzien zodra er een betrouwbare analysemethode beschikbaar is om de striktere gehalten te controleren en zo een doeltreffende handhaving van deze gehalten te garanderen.

(7)

De exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten voldoende tijd krijgen om hun productieprocessen aan te passen.

(8)

Verordening (EG) nr. 1881/2006 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Levensmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening en die rechtmatig in de handel zijn gebracht vóór de inwerkingtreding van deze verordening, mogen in de handel blijven 19 september 2018.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(3)  Scientific opinion on the risks for human health related to the presence of 3- and 2-monochloropropanediol (MCPD), and their fatty acid esters, and glycidyl fatty acid esters in food; EFSA Journal 2016;14(5): 4426, 159 blz.; doi:10.2903/j.efsa.2016.4426.

(4)  Notulen van de 82e plenaire vergadering van het Wetenschappelijk Comité, gehouden op 13 en 14 februari 2017 (in het Engels). Zie https://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/event/170213-m.pdf

(5)  Gezamenlijk Comité van deskundigen voor levensmiddelenadditieven van de FAO/WHO, 83e vergadering, Rome, 8-17 november 2016, samenvatting en conclusies. Zie http://www.fao.org/3/a-bq821e.pdf


BIJLAGE

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt afdeling 4: 3-monochloorpropaan-1,2-diol (3-MCPD) vervangen door:

„Afdeling 4: 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en vetzuuresters van glycidyl

Levensmiddelen (1)

Maximumgehalte

(μg/kg)

4.1.

3-monochloorpropaandiol (3-MCPD)

 

4.1.1.

Gehydrolyseerd plantaardig eiwit (30)

20

4.1.2.

Sojasaus (30)

20

4.2.

Vetzuuresters van glycidyl, uitgedrukt als glycidol

 

4.2.1.

Plantaardige oliën en vetten die in de handel worden gebracht voor de eindverbruiker of voor gebruik als ingrediënt in levensmiddelen met uitzondering van de in punt 4.2.2 bedoelde levensmiddelen

1 000

4.2.2.

Plantaardige oliën en vetten die bestemd zijn voor de vervaardiging van babyvoeding en bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters (3)

500

4.2.3.

Volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en peuters (poeder) (3) (29)

75 tot en met 30.6.2019

50 vanaf 1.7.2019

4.2.4.

Volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en peuters (vloeibaar) (3) (29)

10,0 tot en met 30.6.2019

6,0 vanaf 1.7.2019”


27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/30


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/291 VAN DE COMMISSIE

van 26 februari 2018

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof bifenthrin

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 21, lid 3, tweede alternatief, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 582/2012 van de Commissie (2) is bifenthrin goedgekeurd als werkzame stof overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 en werd de aanvrager op wiens verzoek bifenthrin was goedgekeurd, verplicht tot het indienen van onder meer bevestigende informatie over de resterende giftigheid voor niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen en het vermogen tot herkolonisatie, en een monitoringprogramma om de mogelijkheid van bioaccumulatie en biomagnificatie in het aquatische en het terrestrische milieu te beoordelen.

(2)

Op 29 juli 2013 heeft de aanvrager het monitoringprogramma ingediend, en op 31 juli 2015 de resultaten daarvan. Op 29 juli 2014 heeft de aanvrager de overige vereiste aanvullende informatie ingediend. De op de drie bovengenoemde data ingediende informatie is bij de lidstaat-rapporteur Frankrijk ingediend binnen de voorgeschreven termijn.

(3)

Frankrijk heeft de door de aanvrager ingediende aanvullende informatie en het monitoringprogramma beoordeeld. Het heeft zijn beoordeling — in de vorm van een addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag — ingediend bij de andere lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 17 december 2014 wat betreft de aanvullende informatie die was ingediend om aan het vereiste van aanvullende bevestigende informatie te voldoen, en op 3 november 2015 wat betreft het monitoringprogramma.

(4)

Deze andere lidstaten, de aanvrager en de EFSA zijn geraadpleegd en hun is gevraagd opmerkingen over de beoordeling van de lidstaat-rapporteur in te dienen. De EFSA heeft de technische verslagen met een samenvatting van de resultaten van de raadpleging voor bifenthrin gepubliceerd op 26 maart 2015 (3) wat betreft de aanvullende informatie die was ingediend om aan het vereiste van aanvullende bevestigende informatie te voldoen, en op 14 april 2016 (4) wat betreft het monitoringprogramma.

(5)

Het ontwerpbeoordelingsverslag, het addendum en de technische verslagen van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders onderzocht en op 26 januari 2018 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor bifenthrin. De Commissie heeft de aanvrager verzocht zijn opmerkingen over het evaluatieverslag voor bifenthrin in te dienen. De aanvrager heeft zijn opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht.

(6)

De Commissie is tot de conclusie gekomen dat de ingediende informatie ontoereikend is en geen aanleiding geeft om te concluderen dat er sprake is van adequate herkolonisatie van bepaalde soorten geleedpotigen in het veld die niet tot de doelsoorten behoren, terwijl er geen reële alternatieven zijn om dit risico te verminderen. Bovendien laat het monitoringprogramma onzekerheid bestaan over de vraag of de resultaten ervan — gebaseerd op een superpositie van risicobeperkingstechnieken — representatief zijn voor de landbouwpraktijk en voldoende om het potentieel voor bioaccumulatie en biomagnificatie in het aquatische en het terrestrische milieu te beoordelen.

(7)

Daarom is het — om het geconstateerde hoge risico voor geleedpotigen die niet tot de doelsoorten behoren, uit te sluiten en ook om rekening te houden met de mogelijkheid van bioaccumulatie en biomagnificatie in het aquatische en het terrestrische milieu — passend om de voorwaarden voor het gebruik van bifenthrin verder te beperken en gebruik alleen toe te staan in kassen met een permanente structuur.

(8)

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (5) moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De lidstaten moeten voldoende tijd krijgen om de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bifenthrin bevatten, te wijzigen of in te trekken.

(10)

Als de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een respijtperiode toekennen voor gewasbeschermingsmiddelen die bifenthrin bevatten, moet deze periode uiterlijk op 19 juni 2019 aflopen.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 moeten de lidstaten indien nodig de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die bifenthrin als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 19 juni 2018 wijzigen of intrekken.

Artikel 3

Respijtperiode

Een door de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 toegekende respijtperiode moet zo kort mogelijk zijn en uiterlijk op 19 juni 2019 aflopen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 582/2012 van de Commissie van 2 juli 2012 tot goedkeuring van de werkzame stof bifenthrin overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (PB L 173 van 3.7.2012, blz. 3).

(3)  EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid): Technical report on the outcome of the consultation with Member States, the applicant and EFSA on the pesticide risk assessment of confirmatory data for bifenthrin. EFSA supporting publication 2015:EN-780, 23 blz.

(4)  EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid): Technical report on the outcome of the consultation with Member States, the applicant and EFSA on the pesticide risk assessment of confirmatory data for bifenthrin. EFSA supporting publication 2016:EN-1019, 39 blz.

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE

De kolom „Specifieke bepalingen” van rij 23, bifenthrin, in deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt vervangen door:

„DEEL A

De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als insecticide in kassen met een permanente structuur.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over bifenthrin dat door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders is afgerond, en met name met de aanhangsels I en II van dat verslag.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

a)

lozingen afkomstig van kassen, zoals condenswater, afvoerwater, grond of kunstmatig substraat, ter voorkoming van risico's voor in het water levende en andere niet tot de doelsoorten behorende organismen;

b)

de bescherming van in de kassen uitgezette bestuiverkoloniën;

c)

de bescherming van de toedieners en werknemers, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de gebruiksvoorwaarden indien nodig de toepassing van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijven.

De toelatingsvoorwaarden moeten risicobeperkende maatregelen omvatten en voorzien in toereikende etikettering van gewasbeschermingsmiddelen.”.


27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/34


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/292 VAN DE COMMISSIE

van 26 februari 2018

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen ten aanzien van procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie en bijstand tussen bevoegde autoriteiten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende marktmisbruik

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (1), en met name artikel 25, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om ervoor te zorgen dat de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 als bevoegde autoriteiten aangewezen autoriteiten in staat zijn efficiënt en tijdig samen te werken en informatie uit te wisselen en elkaar voor de toepassing van die verordening volledige wederzijdse bijstand te verlenen, is het aangewezen gemeenschappelijke procedures en formulieren vast te stellen die door de bevoegde autoriteiten moeten worden gebruikt voor de uitwisseling van informatie en bijstand, inclusief voor de indiening van verzoeken om bijstand, ontvangstbevestigingen en antwoorden op dergelijke verzoeken.

(2)

De uitwisseling van schriftelijke informatie moet een bevoegde autoriteit helpen haar taken te vervullen. Mondelinge communicatie kan eventueel plaatsvinden, ook voordat een schriftelijk verzoek wordt gezonden, om informatie te verstrekken over een aankomend verzoek om bijstand en om alle kwesties te bespreken die de verlening van bijstand in de weg kunnen staan. In urgente gevallen moet een verzoek om bijstand ook mondeling kunnen worden meegedeeld, wanneer de urgentie niet is toe te schrijven aan het feit dat de verzoekende partij te laat actie onderneemt.

(3)

Verordening (EU) nr. 596/2014 stelt vast dat bevoegde autoriteiten informatie moeten uitwisselen en bijstand moeten verlenen. Verzoeken om bijstand dienen echter, voor zover mogelijk, het afnemen van een verklaring of het uitvoeren van een inspectie of onderzoek ter plaatse alleen te behelzen in gevallen waarin een eenvoudig verzoek om uitwisseling van informatie niet zou volstaan. Van een bevoegde autoriteit wordt verwacht dat zij, alvorens een verzoek om bijstand bij een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat in te dienen, alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs uitvoerbaar zijn in haar eigen rechtsgebied, waarbij evenwel moet worden aangetekend dat het voor deze autoriteit misschien redelijkerwijs niet haalbaar is om vóór het verzoek alle onderzoeksmethoden uit te putten.

(4)

In overeenstemming met Verordening (EU) nr. 596/2014 moet, mede op vrijwillige basis, ongevraagde bijstand worden verleend wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat van oordeel is dat informatie waarover zij beschikt, nuttig kan zijn voor een andere bevoegde autoriteit.

(5)

Een verzoek om bijstand ingevolge Verordening (EU) nr. 596/2014 dient voldoende informatie over het onderwerp van het verzoek te omvatten, met inbegrip van de reden voor het verzoek en de context ervan, om de aangezochte autoriteit in staat te stellen het verzoek efficiënt en opportuun te behandelen. De vermelding van de feiten die aanleiding geven tot het vermoeden, mag niet worden beschouwd als basisvoorwaarde voor het verkrijgen van bijstand door een verzoekende autoriteit indien de gevraagde informatie noodzakelijk is om haar taken te kunnen vervullen.

(6)

Naast het gebruik van formulieren voor het verzoeken om en beantwoorden van een verzoek om bijstand moeten de procedures voor samenwerking communicatie, overleg en interactie tussen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit gedurende het hele proces mogelijk maken en vergemakkelijken, teneinde een efficiënte behandeling van een verzoek om informatie of bijstand te waarborgen. Deze procedures moeten de bevoegde autoriteiten ook in staat stellen elkaar feedback te verlenen over het nut van de ontvangen informatie of bijstand, over de afloop van de zaak in verband waarmee om bijstand is verzocht, en over alle problemen die zich bij het verstrekken van dergelijke informatie of bijstand hebben voorgedaan.

(7)

De procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie en bijstand moeten waarborgen dat de uitgewisselde of doorgegeven informatie vertrouwelijk wordt behandeld en dat de regels inzake de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en inzake het vrije verkeer van dergelijke gegevens worden nageleefd.

(8)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de ESMA aan de Commissie heeft voorgelegd.

(9)

De ESMA heeft geen open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, en evenmin de potentiële kosten en baten geanalyseerd die gerelateerd zijn aan de door de betrokken bevoegde autoriteiten te gebruiken procedures en formulieren, omdat dat gezien het toepassingsgebied en de impact ervan onevenredig zou zijn, in aanmerking genomen dat de adressaten van de technische uitvoeringsnormen enkel de bevoegde nationale autoriteiten in de lidstaten zouden zijn en geen marktdeelnemers.

(10)

De ESMA heeft het advies ingewonnen van de Stakeholdergroep effecten en markten die overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) werd opgericht.

(11)

Om de soepele werking van de financiële markten te waarborgen en aangezien Verordening (EU) nr. 596/2014 reeds van toepassing is, moet deze verordening onmiddellijk in werking treden en van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definitie

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „langs beveiligde elektronische weg” verstaan: via elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie), opslag en doorgifte van gegevens, waarbij gebruik wordt gemaakt van draad, radio, optische technologieën of alle andere elektromagnetische middelen die waarborgen dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie tijdens de doorgifte in stand worden gehouden.

Artikel 2

Contactpunten

1.   De bevoegde autoriteiten wijzen contactpunten aan voor de toepassing van deze verordening.

2.   De bevoegde autoriteiten delen de gegevens van de contactpunten binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van deze verordening mee aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten ((ESMA). Zij verstrekken de ESMA zo nodig geactualiseerde informatie.

3.   De ESMA houdt een lijst bij van de door de bevoegde autoriteiten ingevolge lid 1 aangewezen contactpunten en actualiseert deze lijst indien nodig voor het gebruik van de bevoegde autoriteiten.

Artikel 3

Verzoeken om bijstand

1.   Een verzoekende autoriteit dient een verzoek om bijstand schriftelijk in per post, per fax of langs beveiligde elektronische weg. Zij richt het verzoek aan het overeenkomstig artikel 2 door de aangezochte autoriteit aangewezen contactpunt.

2.   Wanneer een bevoegde autoriteit om bijstand verzoekt, gebruikt zij het in bijlage I vervatte formulier en belast zij zich ermee:

a)

de relevante informatie te specificeren die de verzoekende autoriteit bij de aangezochte autoriteit inwint;

b)

eventueel probleemgebieden aan te wijzen in verband met de vertrouwelijkheid van de informatie die kan worden verkregen.

3.   De verzoekende autoriteit kan bij het verzoek alle documenten of bewijsstukken voegen die zij noodzakelijk acht om het verzoek te onderbouwen.

4.   In urgente gevallen kan de verzoekende autoriteit een verzoek om bijstand mondeling indienen. Tenzij de aangezochte autoriteit anders overeenkomt, wordt dit mondeling verzoek vervolgens zonder onnodige vertraging schriftelijk bevestigd langs de in lid 1 bedoelde weg.

Artikel 4

Bevestiging van ontvangst

Binnen tien werkdagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek om bijstand zendt een aangezochte autoriteit een bevestiging van ontvangst per post, fax of langs beveiligde elektronische weg aan het ingevolge artikel 2 aangewezen contactpunt, tenzij in het verzoek anders is bepaald. Deze bevestiging van ontvangst gebeurt aan de hand van het formulier vervat in bijlage II en er wordt zo mogelijk in aangegeven op welke datum een antwoord te verwachten is.

Artikel 5

Antwoord op een verzoek om bijstand

1.   De aangezochte autoriteit beantwoordt een verzoek om bijstand schriftelijk per post, fax of langs beveiligde elektronische weg. Het antwoord wordt gericht aan het overeenkomstig artikel 2 aangewezen contactpunt, tenzij in het verzoek anders is bepaald.

2.   De aangezochte autoriteit beantwoordt het verzoek om bijstand met behulp van het formulier in bijlage III en belast zich ermee:

a)

om nadere toelichting in enige vorm te verzoeken indien zij twijfelt welke informatie precies gevraagd wordt;

b)

binnen de grenzen van haar bevoegdheden alle redelijke maatregelen te nemen om de gevraagde bijstand te verlenen;

c)

verzoeken om bijstand onverwijld en op zodanige wijze uit te voeren dat wordt gewaarborgd dat alle noodzakelijk regelgevende maatregelen op opportune wijze worden getroffen, rekening houdend met de complexiteit van het verzoek en de noodzaak om derden of een andere bevoegde autoriteit erbij te betrekken.

3.   Indien de aangezochte autoriteit weigert geheel of gedeeltelijk gevolg te geven aan een verzoek om bijstand, stelt zij de verzoekende autoriteit zo spoedig mogelijk mondeling of schriftelijk in kennis van haar beslissing. De aangezochte autoriteit verstrekt tevens een schriftelijk antwoord overeenkomstig lid 1, waarin zij aangeeft op welke van de in artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) nr. 596/2014 bedoelde uitzonderingen zij zich voor haar weigering beroept.

Artikel 6

Procedures voor de toezending en verwerking van verzoeken om samenwerking

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit communiceren met betrekking tot een verzoek om bijstand en het antwoord daarop op de meest opportune wijze, waarbij zij naar behoren rekening houden met vertrouwelijkheidsoverwegingen, de tijd die met briefwisseling gemoeid is, de hoeveelheid materiaal die moet worden verzonden, en het gemak waarmee de verzoekende autoriteit toegang tot de informatie krijgt. De verzoekende autoriteit reageert met name onverwijld op elk verzoek om verduidelijking van de aangezochte autoriteit.

2.   Wanneer de aangezochte autoriteit kennis krijgt van omstandigheden die kunnen leiden tot een vertraging van meer dan tien werkdagen in haar geschatte antwoordtermijn, stelt zij de verzoekende autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

3.   In voorkomend geval verstrekt de aangezochte autoriteit regelmatig feedback over de voortgang van het hangende verzoek, met inbegrip van herziene ramingen van de beoogde antwoordtermijn aan de verzoekende autoriteit.

4.   Indien het verzoek door de verzoekende autoriteit als spoedeisend is gekwalificeerd, plegen de bevoegde autoriteiten onderling overleg over de frequentie waarmee de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit op de hoogte houdt.

5.   De aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit werken samen om alle problemen op te lossen die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van een verzoek.

Artikel 7

Procedure voor verzoeken om een verklaring af te nemen

1.   Indien het verzoek van de verzoekende autoriteit een in de context van een onderzoek of een inspectie van een persoon af te nemen verklaring omvat, dienen de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit, behoudens bestaande wettelijke beperkingen en alle verschillen in procedurele vereisten, de volgende elementen te evalueren en in aanmerking te nemen:

a)

de rechten van de personen van wie de verklaringen zullen worden afgenomen, met inbegrip van, waar van toepassing, kwesties met betrekking tot het beginsel dat men niet tegen zichzelf getuigt;

b)

de aard van de deelname van het personeel van de verzoekende autoriteit (waarnemer of actieve deelnemer);

c)

de rol van de functionarissen van de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit bij het afnemen van de verklaring;

d)

de vraag of de persoon van wie de verklaring wordt afgenomen, het recht heeft te worden bijgestaan door een wettelijke vertegenwoordiger en zo ja, de reikwijdte van de rechtsbijstand van de vertegenwoordiger tijdens het afnemen van de verklaring, onder meer met betrekking tot alle notulen of een verslag van de verklaring;

e)

de vraag of de verklaring op vrijwillige basis of verplicht wordt afgenomen indien er sprake is van een dergelijk onderscheid;

f)

de vraag of, op grond van de informatie die beschikbaar is op het moment van het verzoek, de persoon van wie de verklaring wordt afgenomen, een getuige dan wel een verdachte is indien dat onderscheid bestaat;

g)

de vraag of, op grond van de informatie die beschikbaar is op het moment van het verzoek, de verklaring zou kunnen worden gebruikt of bedoeld is te worden gebruikt in een strafprocedure;

h)

de ontvankelijkheid van de verklaring in de jurisdictie van de verzoekende autoriteit;

i)

de registratie van de verklaring en de toepasselijke procedures, met inbegrip van de vraag of de registratie gelijktijdig plaatsvindt of in de vorm van beknopte schriftelijke notulen dan wel via een geluidsopname of audiovisuele opname;

j)

de procedures betreffende de certificering of bevestiging van de verklaring door de personen die de verklaring hebben afgelegd, met inbegrip van de vraag of die certificering of bevestiging plaatsvindt nadat de verklaring is afgegeven, en

k)

de procedure voor het doorgeven van de verklaring door de aangezochte autoriteit aan de verzoekende autoriteit, met inbegrip van het formaat en het tijdschema.

2.   De aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit zorgen ervoor dat er regelingen zijn getroffen die ervoor zorgen dat hun personeel efficiënt te werk kan gaan, zoals regelingen die het personeel in staat stellen afspraken te maken over alle aanvullende informatie die nodig kan zijn, zoals:

a)

het vastleggen van data;

b)

de lijst van vragen die zullen worden gesteld aan de persoon van wie de verklaring zal worden afgenomen;

c)

reisafspraken, onder meer om ervoor te zorgen dat de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit elkaar kunnen ontmoeten om de zaak te bespreken vóór de verklaring wordt afgenomen, en

d)

de talenregeling.

Artikel 8

Procedure voor verzoeken om een onderzoek of inspectie ter plaatse

1.   Wanneer overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 596/2014 een verzoek om een onderzoek of een inspectie ter plaatse uit te voeren wordt gedaan, plegen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit overleg over de wijze waarop het verzoek om bijstand het best kan worden uitgevoerd, rekening houdend met artikel 25, lid 6, derde alinea, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 596/2014, mede met betrekking tot de voordelen van het verrichten van een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse.

2.   De aangezochte autoriteit houdt de verzoekende autoriteit op de hoogte van het verloop van het onderzoek of de inspectie ter plaatse en geeft haar bevindingen tijdig door aan de verzoekende autoriteit.

3.   Bij haar besluit over het al dan niet instellen van een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse houden de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit ten minste rekening met het volgende:

a)

de inhoud van alle van de verzoekende autoriteit ontvangen verzoeken om bijstand, met inbegrip van alle suggesties betreffende de gepastheid om gezamenlijk een onderzoek of een inspectie ter plaatse uit te voeren;

b)

of zij elk afzonderlijk een eigen onderzoek instellen naar een zaak met grensoverschrijdende implicaties en of die zaak beter geschikt is voor gezamenlijke samenwerking;

c)

de wet- en regelgeving in hun rechtsgebieden om te waarborgen dat zij een goed inzicht hebben in de potentiële beperkingen en mogelijke wettelijke restricties voor het voeren van een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse en alle procedures die daaruit kunnen voortvloeien, inclusief alle kwesties met betrekking tot het ne-bis-in-idem-beginsel;

d)

het beheer en de leiding die nodig zijn voor het onderzoek of de inspectie ter plaatse;

e)

de waarschijnlijke vooruitzichten dat zij het eens zullen worden over de factfinding;

f)

de toewijzing van middelen en de benoeming van personeel dat belast is met het verrichten van onderzoek of inspecties ter plaatse;

g)

de mogelijkheid om een gezamenlijk actieplan en het tijdschema van de werkzaamheden per autoriteit vast te stellen;

h)

de vaststelling van de maatregelen die moeten worden getroffen, gezamenlijk of individueel, per autoriteit;

i)

het wederzijds delen van verzamelde informatie en het rapporteren van de resultaten van de individuele genomen maatregelen, en

j)

andere zaakspecifieke kwesties.

4.   Indien de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit besluiten om een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke inspectie ter plaatse te verrichten, belasten zij zich ermee:

a)

overeenstemming te bereiken over procedures voor het uitvoeren en afronden ervan;

b)

een permanente dialoog aan te gaan om het proces van het verzamelen van informatie en de factfinding te coördineren;

c)

nauw met samen te werken bij de uitvoering van het gezamenlijk onderzoek of de gezamenlijke inspectie ter plaatse;

d)

wederzijdse bijstand te verlenen bij latere handhavingsprocedures voor zover wettelijk toegestaan, met inbegrip van de coördinatie van alle procedures of andere handhavingsmaatregelen die verband houden met de resultaten (administratieve, civiele of strafrechtelijke) van het gezamenlijk onderzoek of de gezamenlijke inspectie ter plaatse of, in voorkomend geval, de vooruitzichten op een regeling;

e)

te bepalen welke specifieke wettelijke bepalingen van toepassing zijn op het onderwerp van het gezamenlijk onderzoek of de gezamenlijke inspectie ter plaatse;

f)

in voorkomend geval ten minste het volgende in aanmerking te nemen:

1)

de opstelling van een gezamenlijk actieplan waarin onder meer de inhoud, de aard en het tijdstip van de te treffen maatregelen worden vermeld, met inbegrip van mijlpalen en de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de bekendmaking van het resultaat van de werkzaamheden, en rekening houdend met de respectievelijke prioriteiten van elke autoriteit;

2)

de identificatie en beoordeling van alle wettelijke beperkingen en mogelijke verschillen in procedures met betrekking tot onderzoeks- en handhavingsmaatregelen of andere procedures, zoals de rechten van de personen naar wie een onderzoek wordt ingesteld;

3)

de identificatie en evaluatie van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt die gevolgen kan hebben voor het onderzoek alsook voor de handhavingsprocedure, waaronder het recht om niet tegen zichzelf te getuigen;

4)

de strategie ten aanzien van publiek en pers, en

5)

het voorgenomen gebruik van de uitgewisselde informatie.

Artikel 9

Procedures voor bijstand bij de inning van boeten

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit raadplegen elkaar, wanneer overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 596/2014 een verzoek om bijstand in het kader van de inning van boeten wordt gedaan, over de wijze waarop aan het verzoek het best gevolg kan worden gegeven. De autoriteiten houden rekening met de maatregelen die de verzoekende autoriteit in haar rechtsgebied reeds heeft genomen en met het nationale kader voor de inning van boeten van de aangezochte autoriteit.

2.   De aangezochte autoriteit verleent de bijstand of stelt alle voor de toepassing van dit artikel gevraagde informatie ter beschikking in overeenstemming met het relevante nationale recht. Indien de gevraagde bijstand kan worden verleend door of de informatie beschikbaar kan zijn bij een andere autoriteit of relevante instantie van de lidstaat van de aangezochte autoriteit, biedt de aangezochte autoriteit aan om aan de verzoekende autoriteit de informatie te verstrekken die nodig is om overeenkomstig het nationale recht rechtstreeks contact te leggen tussen de verzoekende autoriteit en de andere autoriteit of instantie waarbij de gevraagde informatie beschikbaar kan zijn.

Artikel 10

Ongevraagde uitwisseling van informatie

1.   Om ongevraagde informatie overeenkomstig artikel 16, lid 4, en artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 door te geven of indien een bevoegde autoriteit beschikt over informatie waarvan zij meent dat deze van nut zou zijn voor een andere bevoegde autoriteit bij de uitvoering van haar taken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014, geeft zij deze informatie schriftelijk per post, fax of langs beveiligde elektronische weg door aan het ingevolge artikel 2 aangewezen contactpunt van de bevoegde autoriteit.

2.   Indien de bevoegde autoriteit die de informatie zendt, gelooft dat de informatie dringend moet worden doorgegeven, kan zij de andere autoriteit daarvan mondeling in kennis stellen, op voorwaarde dat de informatie vervolgens onverwijld schriftelijk wordt doorgegeven.

3.   Een bevoegde autoriteit die ongevraagd informatie zendt, doet dit aan de hand van het formulier in bijlage IV, waarin met name probleemgebieden worden aangewezen in verband met de vertrouwelijkheid van informatie.

Artikel 11

Beperkingen en toegestaan gebruik van informatie

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit nemen een passende geheimhoudingswaarschuwing op in elk verzoek om bijstand, antwoord op een verzoek om bijstand of toezending van ongevraagde informatie in overeenstemming met de in de bijlagen vervatte formulieren.

2.   Indien de aangezochte autoriteit, om het verzoek uit te voeren, moet openbaar maken dat de verzoekende autoriteit een verzoek heeft ingediend, maakt de aangezochte autoriteit het verzoek openbaar na met de verzoekende autoriteit de aard en omvang van de vereiste openbaarmaking te hebben besproken en na toestemming te hebben verkregen van de verzoekende autoriteit voor een dergelijke openbaarmaking. Indien de verzoekende autoriteit niet instemt met de openbaarmaking, geeft de aangezochte autoriteit geen gevolg aan het verzoek en kan de verzoekende autoriteit haar verzoek intrekken of opschorten totdat zij daartoe toestemming kan verlenen.

3.   De in overeenstemming met artikel 10 verstrekte informatie wordt uitsluitend gebruikt om de naleving of handhaving van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzekeren inclusief, maar niet beperkt tot, het inleiden van, voeren van of bijstand verlenen bij strafrechtelijke, administratieve, burgerlijke of tuchtprocedures uit hoofde van een inbreuk op de bepalingen van die verordening.

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


BIJLAGE I

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld

BIJLAGE II

Image Tekst van het beeld

BIJLAGE III

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld

BIJLAGE IV

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld

BESLUITEN

27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/50


BESLUIT (GBVB) 2018/293 VAN DE RAAD

van 26 februari 2018

tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/849 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2013/183/GBVB (1),

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 27 mei 2016 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2016/849 vastgesteld.

(2)

Op 22 december 2017 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties („VN-Veiligheidsraad”) Resolutie 2397 (2017) goedgekeurd, waarin hij zijn diepste bezorgdheid uitdrukte over de door de Democratische Volksrepubliek Korea („DVK”) op 28 november 2017 in strijd met de bestaande resoluties van de VN-Veiligheidsraad uitgevoerde ballistischeraketlancering, en over het gevaar dat dit betekent voor de vrede en de stabiliteit in de regio en daarbuiten, en heeft hij vastgesteld dat er nog steeds sprake is van een duidelijke bedreiging van de internationale vrede en veiligheid.

(3)

De VN-Veiligheidsraad heeft erkend dat de opbrengsten van de handel van de DVK in sectorale goederen en de door werknemers van de DVK in het buitenland gegenereerde inkomsten onder andere bijdragen tot de Noord-Koreaanse programma's voor kernwapens en ballistische raketten, en heeft zijn grote bezorgdheid geuit over het feit dat deze programma's broodnodige middelen aan de bevolking van de DVK onttrekken, tegen een enorme kost.

(4)

De VN-Veiligheidsraad heeft besloten de bestaande beperkende maatregelen in een aantal sectoren op te voeren, waaronder met betrekking tot de levering aan de DVK van ruwe olie en alle geraffineerde aardolieproducten, en heeft nieuwe verbodsbepalingen in een aantal sectoren ingevoerd, onder andere met betrekking tot de levering door de DVK van levensmiddelen en landbouwproducten, machines, elektrisch materieel, aarde en steen, en hout, en een verbod op de levering aan de DVK van alle industriële machines, transportvoertuigen, en ijzer, staal en andere metalen.

(5)

De VN-Veiligheidsraad heeft ook in bevoegdheden voorzien om ieder schip dat vermoedelijk betrokken is bij het overtreden van bestaande resoluties van de VN-Veiligheidsraad, in beslag te nemen, te inspecteren en te bevriezen, en de repatriëring van alle Noord-Koreaanse werknemers in het buitenland te eisen, overeenkomstig het toepasselijke nationale en internationale recht.

(6)

De vermeldingen voor drie personen en één entiteit die waren aangewezen door de VN-Veiligheidsraad en in bijlage I bij Besluit (GBVB) 2016/849 waren opgenomen, moeten worden geschrapt uit de lijst van personen en entiteiten die op autonome wijze zijn aangewezen door de Raad in bijlage II bij dat besluit.

(7)

Verdere actie van de Unie is nodig om bepaalde in dit besluit vastgestelde maatregelen uit te voeren.

(8)

Besluit (GBVB) 2016/849 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit (GBVB) 2016/849 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 9, leden 2 en 3, worden vervangen door:

„2.   De rechtstreekse of onrechtstreekse levering, verkoop of overdracht van alle geraffineerde aardolieproducten aan de DVK door onderdanen van de lidstaten, over of vanaf het grondgebied van de lidstaten, of met gebruik van schepen of vliegtuigen die de vlag voeren van een lidstaat, evenals pijpleidingen, spoorlijnen of voertuigen van lidstaten, is verboden, ongeacht of deze geraffineerde aardolieproducten al dan niet afkomstig zijn van het grondgebied van de lidstaten.

3.   In afwijking van het verbod in lid 2, mits de hoeveelheid aan de DVK geleverde, verkochte of overgedragen geraffineerde aardolieproducten, met inbegrip van diesel en kerosine, niet meer bedraagt dan 500 000 vaten gedurende de periode van twaalf maanden die ingaat op 1 januari 2018, en gedurende daaropvolgende perioden van telkens twaalf maanden, kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat per geval toestemming geven voor de levering, verkoop of overdracht aan de DVK van geraffineerde aardolieproducten indien die autoriteit heeft vastgesteld dat de levering, verkoop of overdracht uitsluitend humanitaire doeleinden dient, en op voorwaarde dat:

a)

de lidstaat het Sanctiecomité om de dertig dagen in kennis stelt van het volume van deze levering, verkoop of overdracht van geraffineerde aardolieproducten aan de DVK, samen met informatie over alle bij de transactie betrokken partijen;

b)

de levering, verkoop of overdracht van die geraffineerde aardolieproducten geen betrekking heeft op personen of entiteiten die betrokken zijn bij programma's van de DVK in verband met kernwapens of ballistische raketten, of andere bij Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad verboden activiteiten, met inbegrip van aangewezen personen of entiteiten, en

c)

de levering, verkoop of overdracht van geraffineerde aardolieproducten geen verband houdt met het genereren van inkomsten voor de programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere bij Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad verboden activiteiten.”.

2)

Artikel 9 bis, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De aankoop bij de DVK door onderdanen van de lidstaten, of met gebruik van schepen of vliegtuigen die de vlag voeren van een lidstaat, van visserijproducten, ongeacht of deze al dan niet afkomstig zijn van het grondgebied van de DVK, alsmede het verwerven van visserijrechten, is verboden.”.

3)

Artikel 9 ter wordt vervangen door:

„Artikel 9 ter

1.   De directe of indirecte levering, verkoop of overdracht van alle ruwe aardolie aan de DVK door onderdanen van lidstaten of over of vanaf het grondgebied van lidstaten, of met gebruik van schepen of vliegtuigen die de vlag voeren van een lidstaat, evenals pijpleidingen, spoorlijnen of voertuigen van lidstaten, is verboden, ongeacht of deze ruwe aardolie al dan niet afkomstig is van het grondgebied van de lidstaten.

2.   Het verbod van lid 1 is evenwel niet van toepassing wanneer een lidstaat bepaalt dat de levering, verkoop of overdracht van ruwe aardolie aan de DVK uitsluitend humanitaire doeleinden dient, en het Sanctiecomité die zending vooraf per geval heeft goedgekeurd overeenkomstig punt 4 van Resolutie 2397 (2017).

3.   De Unie neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke voorwerpen onder dit artikel moeten vallen.”.

4)

De volgende artikelen worden toegevoegd:

„Artikel 9 quinquies

1.   De directe of indirecte aankoop bij de DVK door onderdanen van lidstaten, of met gebruik van schepen of vliegtuigen die de vlag voeren van een lidstaat, van levensmiddelen en landbouwproducten, machines, elektrische apparatuur, aarde en steen met inbegrip van magnesiet en magnesia, hout, en schepen, ongeacht of de goederen al dan niet afkomstig zijn van het grondgebied van de DVK, is verboden.

2.   De in lid 1 genoemde verbodsbepaling laat de uitvoering tot en met 21 januari 2018 van voor 22 december 2017 gesloten contracten onverlet. De bijzonderheden van elke zending worden uiterlijk op 5 februari 2018 aan het Sanctiecomité meegedeeld.

3.   De Unie neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke voorwerpen onder lid 1 moeten vallen.

Artikel 9 sexies

1.   De directe of indirecte levering, verkoop of overdracht van alle industriële machines, transportvoertuigen, ijzer, staal en andere metalen aan de DVK door onderdanen van lidstaten of over het grondgebied van lidstaten, of met gebruik van schepen of vliegtuigen die de vlag voeren van een lidstaat, evenals pijpleidingen, spoorlijnen of voertuigen, is verboden, ongeacht of deze producten al dan niet afkomstig zijn van hun grondgebied.

2.   In afwijking van lid 1 is het in lid 1 bedoelde verbod niet van toepassing indien naar het oordeel van een lidstaat de levering van reserveonderdelen nodig is om de exploitatie van passagiersvliegtuigen van de DVK veilig te houden.

3.   De Unie neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke voorwerpen onder dit artikel moeten vallen.”.

5)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De lidstaten werken, overeenkomstig hun nationale wetgeving, samen bij de inspecties op grond van de leden 1 tot en met 3.

De lidstaten werken zo snel mogelijk en op een goede manier samen wanneer zij van een andere staat die informatie heeft die die andere staat doet vermoeden dat de DVK probeert direct of indirect illegale goederen te leveren, te verkopen, over te dragen of aan te kopen, een verzoek heeft ontvangen om extra maritieme informatie en informatie over de zending ontvangen, onder meer om te bepalen of het voorwerp, de grondstof of het product in kwestie van oorsprong uit de DVK is.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om voorwerpen waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer bij Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad is verboden, en die tijdens inspecties zijn aangetroffen, in beslag te nemen en te verwijderen, onder meer door ze te vernietigen, buiten werking te stellen of onbruikbaar te maken, op te slaan of voor verwijdering over te brengen naar een andere lidstaat dan de staat van herkomst of bestemming, conform hun verplichtingen krachtens het toepasselijk internationaal recht.”.

6)

Het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 18 ter

1.   De lidstaten gaan over tot inbeslagneming, inspectie en inbewaringneming van vaartuigen in hun havens, en kunnen overgaan tot inbeslagneming, inspectie en inbewaringneming van onder hun rechtsmacht vallende vaartuigen in hun territoriale wateren indien er redenen zijn om aan te nemen dat het vaartuig betrokken was bij activiteiten, of het vervoer van goederen, die verboden zijn op grond van Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad.

2.   De bepalingen voor de inbewaringneming van vaartuigen in lid 1 zijn niet meer van toepassing zes maanden na de datum waarop een vaartuig in bewaring werd genomen indien het Sanctiecomité per geval en op verzoek van een vlaggenstaat besluit dat adequate regelingen zijn getroffen om te voorkomen dat de vaartuigen bijdragen tot toekomstige schendingen van de in lid 1 genoemde resoluties van de VN-Veiligheidsraad.

3.   De lidstaten schrijven een vaartuig uit indien er redenen zijn om aan te nemen dat het vaartuig betrokken was bij activiteiten, of het vervoer van goederen, die verboden zijn op grond van Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad.

4.   Het verlenen, door onderdanen van lidstaten of vanaf het grondgebied van lidstaten, van classificatiediensten aan in bijlage VI vermelde vaartuigen is verboden, tenzij vooraf per geval toestemming is verleend door het Sanctiecomité.

5.   Het verlenen, door onderdanen van lidstaten of vanaf het grondgebied van lidstaten, van verzekerings- of herverzekeringsdiensten aan in bijlage VI vermelde vaartuigen is verboden.

6.   De leden 4 en 5 zijn niet van toepassing indien het Sanctiecomité per geval bepaalt dat het vaartuig betrokken is bij activiteiten die uitsluitend bestemd zijn voor levensonderhoud en niet door personen of entiteiten van de DVK zullen worden gebruikt om inkomsten te genereren, of uitsluitend bestemd zijn voor humanitaire doeleinden.

7.   Bijlage VI bevat de vaartuigen die worden bedoeld in de leden 4 en 5 van dit artikel indien er redenen zijn om aan te nemen dat het vaartuig betrokken was bij activiteiten, of het vervoer van goederen, die verboden zijn op grond van Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad.”.

7)

Artikel 21 wordt vervangen door:

„Artikel 21

„De lidstaten schrijven vaartuigen die eigendom zijn van, onder zeggenschap staan van of geëxploiteerd worden door de DVK uit en schrijven door een andere staat op grond van punt 24 van Resolutie 2321 (2016) van de VN-Veiligheidsraad, punt 8 van Resolutie 2375 (2017) van de VN-Veiligheidsraad of punt 12 van Resolutie 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad uitgeschreven vaartuigen niet in, behalve indien vooraf per geval goedkeuring is verleend door het Sanctiecomité.”.

8)

Aan artikel 26 bis wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   De lidstaten repatriëren alle onderdanen van de DVK die een inkomen verdienen in hun rechtsgebied en alle regeringsattachés voor veiligheidstoezicht van de DVK die toezicht houden op werknemers van de DVK in het buitenland, onmiddellijk naar de DVK, en uiterlijk op 21 december 2019, tenzij de betrokken lidstaat bepaalt dat een onderdaan van de DVK een onderdaan is van een lidstaat of een onderdaan van de DVK wiens repatriëring verboden is, op grond van toepasselijk nationaal en internationaal recht, met inbegrip van het internationaal vluchtelingenrecht en het internationaal mensenrechtenrecht, en de zetelovereenkomst van de Verenigde Naties en het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties.”.

9)

Artikel 32 wordt vervangen door:

„Artikel 32

Een vordering in verband met een overeenkomst of transactie waarvan de uitvoering, al dan niet rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk werd geraakt door maatregelen die op grond van Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad zijn opgelegd, waaronder maatregelen van de Unie of van de lidstaten die aansluiten bij, voorgeschreven worden door of samenhangen met de uitvoering van de betreffende besluiten van de VN-Veiligheidsraad, of maatregelen die onder dit besluit vallen, ook een vordering tot schadeloosstelling of een soortgelijke vordering, zoals een vordering tot schadevergoeding of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, in het bijzonder een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm daarvan, wordt niet ingewilligd indien die vordering wordt ingesteld door:

a)

de in bijlage I, II, III, IV, V of VI vermelde personen en entiteiten;

b)

andere personen of entiteiten in de DVK, met inbegrip van de regering en van overheidsinstanties, -bedrijven, -bureaus en -agentschappen van de DVK;

c)

personen of entiteiten die handelen voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) of b) bedoelde personen of entiteiten, of

d)

eigenaren of bevrachters van een vaartuig dat in beslag of in bewaring is genomen op grond van artikel 18 ter, lid 1, of is uitgeschreven op grond van artikel 18 ter, lid 3, of dat is vermeld in bijlage VI.”.

10)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 32 bis

De in Resoluties 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) en 2397 (2017) opgelegde maatregelen zijn niet van toepassing indien zij op enigerlei wijze een beletsel vormen voor de activiteiten van diplomatieke of consulaire missies in de DVK overeenkomstig de Verdragen van Wenen inzake diplomatiek verkeer en consulaire betrekkingen.”.

11)

Artikel 33, leden 1 en 2, worden vervangen door:

„1.   De Raad wijzigt de bijlagen I en IV op basis van de vaststellingen van de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité.

2.   De Raad stelt, op voorstel van lidstaten of de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met eenparigheid van stemmen de lijsten in de bijlagen II, III, V en VI, en de wijzigingen daarvan, vast.”.

12)

Artikel 34, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Wanneer de Raad besluit een persoon of entiteit te onderwerpen aan de in artikel 18 ter, lid 4 of 5, artikel 23, lid 1, onder b) of c),of artikel 27, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde maatregelen, wijzigt hij bijlage II, III, V of VI dienovereenkomstig.”.

13)

Artikel 36 bis wordt vervangen door:

„Artikel 36 bis

„In afwijking van de maatregelen die zijn opgelegd bij Resolutie 1718 (2006), 1874 (2009), 2087 (2013), 2094 (2013), 2270 (2016), 2321 (2016), 2356 (2017), 2371 (2017), 2375 (2017) of 2397 (2017) van de VN-Veiligheidsraad, en mits het Sanctiecomité heeft bepaald dat een vrijstelling nodig is ter facilitering van de werkzaamheden van internationale en niet-gouvernementele organisaties die bijstand en noodhulp verlenen aan de burgerbevolking in de DVK, of voor enig ander oogmerk dat spoort met de doelstellingen van die resoluties, verleent de bevoegde autoriteit van een lidstaat de nodige toestemming.”.

14)

Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij dit besluit.

15)

Bijlage IV wordt vervangen door de tekst van bijlage II bij dit besluit.

16)

De tekst van bijlage III bij dit besluit wordt als bijlage VI toegevoegd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  PB L 141 van 28.5.2016, blz. 79.


BIJLAGE I

De vermeldingen voor de volgende personen en entiteiten worden geschrapt van de lijst uit bijlage II van Besluit (GBVB) 2016/849:

I.

Personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens en personen en entiteiten die namens hen of op hun aanwijzing handelen, en entiteiten waarvan de eigendom of de zeggenschap bij hen berust.

A.

Personen

23.

PAK Yong Sik

31.

KIM Jong Sik

B.

Entiteiten

5.

Ministerie van Volksstrijdkrachten

II.

Personen en entiteiten die financiële diensten verlenen die kunnen bijdragen tot de programma's van de DVK in verband met kernwapens, ballistische raketten of andere massavernietigingswapens

5.

CHOE Chun-Sik


BIJLAGE II

BIJLAGE IV

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 18 bis, LID 6, BEDOELDE VAARTUIGEN

A.

Schepen die geen vlag meer voeren

B.

Schepen die naar een haven zijn geleid

C.

Uitgeschreven vaartuigen

D.

Schepen waaraan de toegang tot een haven is ontzegd

1.

Naam: PETREL 8

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9562233. MMSI-nummer: 620233000

2.

Naam: HAO FAN 6

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 8628597. MMSI-nummer: 341985000

3.

Naam: TONG SAN 2

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 8937675. MMSI-nummer: 445539000

4.

Naam: JIE SHUN

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 8518780. MMSI-nummer: 514569000

5.

Naam: BILLIONS NO. 18

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9191773

6.

Naam: UL JI BONG 6

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9114555

7.

Naam: RUNG RA 2

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 9020534

8.

Naam: RYE SONG GANG 1

Aanvullende informatie

IMO-nummer: 7389704

E.

Schepen die het voorwerp zijn van een bevriezing van activa


BIJLAGE III

„BIJLAGE VI

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 18 ter, LID 7, BEDOELDE VAARTUIGEN


27.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/58


BESLUIT (GBVB) 2018/294 VAN DE RAAD

van 26 februari 2018

tot wijziging van Besluit (GBVB) 2015/259 ter ondersteuning van activiteiten van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) in het kader van de uitvoering van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, lid 1, in samenhang met artikel 31, lid 1,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 17 februari 2015 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2015/259 (1) vastgesteld.

(2)

De periode van uitvoering van de in artikel 1, lid 2, van Besluit (GBVB) 2015/259 bedoelde activiteiten wordt in dat besluit op 36 maanden vastgesteld, te rekenen vanaf de datum waarop de in artikel 3, lid 3, van dat besluit bedoelde financieringsovereenkomst wordt gesloten.

(3)

Op 17 januari 2018 heeft de uitvoerende entiteit (het „technisch secretariaat van de OPCW”) de Unie verzocht de periode van uitvoering van Besluit (GBVB) 2015/259 met negen maanden te verlengen, opdat de uitvoering van de activiteiten kan worden voortgezet na de in artikel 5, lid 2, van dat besluit vermelde einddatum.

(4)

De gevraagde wijziging van Besluit (GBVB) 2015/259 heeft betrekking op artikel 5, lid 2, en de bijlagen daarbij, met name de beschrijvingen van bepaalde projectactiviteiten die moeten worden aangepast.

(5)

De voortzetting van de in artikel 1, lid 2, van Besluit (GBVB) 2015/259 bedoelde activiteiten, zoals expliciet vermeld in het verzoek van het technisch secretariaat van de OPCW van 17 januari 2018, is mogelijk zonder enig gevolg voor de financiële middelen.

(6)

Besluit (GBVB) 2015/259 moet derhalve worden gewijzigd opdat de daarin genoemde activiteiten verder kunnen worden uitgevoerd, en bijgevolg worden verlengd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit (GBVB) 2015/259 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 5, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.   Het verstrijkt 45 maanden na de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst.”.

2)

In de bijlage, onder de rubriek „Project I — Nationale uitvoering en verificatie”, subrubriek „Activiteiten”, wordt de laatste zin in de beschrijving van de activiteit „1. Regionaal opleidingsprogramma voor douaneautoriteiten van staten die partij zijn betreffende de technische aspecten van de regeling in het CWC inzake overdracht” vervangen door:

„De opleiding zal worden verstrekt door de Implementation Support Branch van het technisch secretariaat, met de technische expertise van de Declarations Branch, in de regio Afrika.”.

3)

In de bijlage, onder de rubriek „Project I — Nationale uitvoering en verificatie”, subrubriek „Activiteiten”, worden de laatste twee zinnen in de beschrijving van de activiteit „10. Toepassing van de lering uit de missie in Syrië” vervangen door:

„Met het oog op maximale doeltreffendheid wordt voorgesteld dat het secretariaat een interne workshop organiseert om de geleerde lessen te evalueren en te analyseren en deze zo spoedig mogelijk toe te passen. De resultaten van deze workshop zouden het in kaart brengen en uitvoeren van relevante opleidingsprogramma's moeten omvatten, alsook de aankoop van aanbevolen uitrusting als vastgesteld in de workshop.”.

4)

In de bijlage onder de rubriek „Project V — Universaliteit en outreach”, subrubriek „Activiteiten”, wordt de eerste zin in de beschrijving van de activiteit „2. Opzetten van een OPCW-expositie” vervangen door:

„Ontwerpen van een professionele fysieke en online-expositie over de OPCW en over het CWC, voor gebruik tijdens vergaderingen en conferenties en dergelijke, in samenwerking met wetenschaps- en vredesmusea.”.

5)

In de bijlage, onder de rubriek „Project V — Universaliteit en outreach”, subrubriek „Activiteiten”, wordt de beschrijving van de activiteit „3. Jongerenoutreach” vervangen door:

„Outreach voor een jong publiek (van 15 tot 25 jaar) om hen beter bekend te maken met de OPCW en het CWC en jongeren aan te sporen de mogelijkheden voor een toekomstige loopbaan in gebieden en sectoren op internationaal niveau te onderzoeken. Dit omvat outreach via videoblogs en ontwikkeling van communicatiemateriaal dat gericht is op een jong publiek.”.

6)

In de bijlage, onder de rubriek „Project V — Universaliteit en outreach”, subrubriek „Activiteiten”, wordt de beschrijving van de activiteit „4. Faciliteren van universaliteit om niet-statelijke partijen tot het CWC te laten toetreden” vervangen door:

„Aangezien een klein aantal staten geen partij is bij het CWC, en ter bevordering van de toetreding tot het CWC als blijk van het streven van een staat naar ontwapening en internationale samenwerking, zal het technisch secretariaat van de OPCW zich toespitsen op bilaterale en outreach-bijeenkomsten houden met staten die geen partij zijn, en op sponsoring van deelnemers uit staten die geen partij zijn bij het CWC, aan OPCW-evenementen.”.

7)

In de bijlage, onder de rubriek „Project V — Universaliteit en outreach”, subrubriek „Activiteiten”, wordt de beschrijving van de activiteit „5. Ondersteuning van de participatie van ngo's aan de activiteiten van de OPCW” vervangen door:

„Dit voorstel biedt elementaire reis- en overnachtingssteun voor ngo-vertegenwoordigers uit staten met een ontwikkelings- of overgangseconomie, zodat zij in 2015, 2016, 2017 en 2018 alle conferenties van staten die partij zijn, kunnen bijwonen.”.

8)

In de bijlage, onder de rubriek „Project VI — Afrika-programma”, subrubriek „Activiteiten”, wordt de beschrijving van de activiteit „4. Synergieën en partnerschappen voor doeltreffende uitvoering” vervangen door:

„De activiteit is gericht op het versterken van het vermogen van de nationale autoriteiten inzake CWC om in contact te treden met nationale belanghebbenden, en op het bevorderen van de betrokkenheid van belanghebbende instanties/organen/instellingen bij de uitvoering van het CWC. Het gaat hierbij om nationale brancheorganisaties, regionale/subregionale organisaties, douaneopleidingsinstellingen, laboratoria en academische instellingen. De activiteit zal de uitwisseling van praktijken tussen Afrikaanse staten die partij zijn, faciliteren en bilaterale steunverlening aanmoedigen. Deelnemers uit Afrikaanse staten die partij zijn, zullen worden gesponsord om deel te nemen aan een vergadering van de nationale autoriteiten in het OPCW-hoofdkwartier in Den Haag.”.

9)

In de bijlage, onder de rubriek „Project VI — Afrika-programma”, subrubriek „Activiteiten”, wordt de laatste zin in de beschrijving van de activiteit „5. Cursussen ontwikkeling van analysevaardigheden” vervangen door:

„De cursussen worden gegeven met de steun van Verifin, een via een transparante aanbestedingsprocedure geselecteerde, gerenommeerde instelling waarmee de OPCW een overeenkomst voor vijf jaar heeft gesloten, en met steun van het National Institute for Research-Physical and Chemical Analysis (INRAP) van Tunesië.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 26 februari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  Besluit (GBVB) 2015/259 van de Raad van 17 februari 2015 ter ondersteuning van activiteiten van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW) in het kader van de uitvoering van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (PB L 43 van 18.2.2015, blz. 14).