ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 32

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
6 februari 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/171 van de Commissie van 19 oktober 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de materialiteitsdrempel voor achterstallige kredietverplichtingen ( 1 )

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/172 van de Commissie van 28 november 2017 tot wijziging van de bijlagen I en V bij Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen ( 1 )

6

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/173 van de Commissie van 29 november 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad wat de bijwerking van de codes van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij die verordening betreft

12

 

*

Verordening (EU) 2018/174 van de Commissie van 2 februari 2018 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1177/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake de communautaire statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC), wat betreft de lijst van secundaire doelvariabelen voor 2019 betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand, samenstelling van huishoudens en inkomensontwikkeling ( 1 )

35

 

*

Verordening (EU) 2018/175 van de Commissie van 2 februari 2018 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken

48

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2018/176 van de Raad van 29 januari 2018 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst

50

 

 

AANBEVELINGEN

 

*

Aanbeveling (EU) 2018/177 van de Commissie van 2 februari 2018 over de elementen die moeten worden opgenomen in de technische, juridische en financiële regelingen tussen de lidstaten voor de toepassing van het solidariteitsmechanisme overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid

52

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

6.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 32/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/171 VAN DE COMMISSIE

van 19 oktober 2017

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de materialiteitsdrempel voor achterstallige kredietverplichtingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 178, lid 6, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aangezien de marktvoorwaarden en de economische voorwaarden binnen één rechtsgebied dezelfde zijn, moeten de bevoegde autoriteiten voor alle instellingen in hun respectieve rechtsgebieden één enkele drempel vaststellen om de materialiteit van een kredietverplichting als bedoeld in artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 te beoordelen. Een dergelijke materialiteitsdrempel, die consistent moet blijven in de tijd, heeft als bijkomend voordeel dat de kapitaalvereisten van instellingen in hetzelfde rechtsgebied beter met elkaar kunnen worden vergeleken.

(2)

Het bedrag dat als aanzienlijk kan worden aangemerkt, hangt enerzijds af van de hoogte van de totale kredietverplichting. Anderzijds worden alle bedragen onder een bepaald niveau, ongeacht hun relatie tot de totale kredietverplichting, door de instellingen doorgaans als te verwaarlozen beschouwd. De materialiteitsdrempel moet bijgevolg uit twee componenten bestaan: een absolute component (een absoluut bedrag) en een relatieve component (het procentuele aandeel van de totale kredietverplichting in het achterstallige bedrag). De achterstallige kredietverplichting moet derhalve als aanzienlijk worden aangemerkt wanneer zowel de in absolute bedragen uitgedrukte grenswaarde als de in een percentage uitgedrukte grenswaarde zijn overschreden.

(3)

Tussen de diverse debiteuren bestaan aanzienlijke verschillen in gemiddelde inkomsten uit en gemiddelde bedragen van de kredietverplichtingen. De materialiteitsdrempels moeten dan ook dienovereenkomstig worden gedifferentieerd, met afzonderlijke absolute componenten voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen enerzijds en voor andere blootstellingen anderzijds.

(4)

De materialiteitsdrempel moet worden aangepast aan de plaatselijke bijzonderheden van elk rechtsgebied. De verschillen in economische omstandigheden, inclusief de per rechtsgebied verschillende prijsniveaus, rechtvaardigen dat de absolute component van de materialiteitsdrempel kan verschillen per rechtsgebied. In het geval van de relatieve component is een dergelijke differentiatie echter zelden gerechtvaardigd. Daarom moet de relatieve component in principe dezelfde zijn in alle rechtsgebieden, terwijl voor de absolute component enige flexibiliteit moet worden geboden. Zo zullen de bevoegde autoriteiten de materialiteitsdrempel op een passend niveau kunnen vaststellen, tot een gegeven maximum, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in hun respectieve rechtsgebieden.

(5)

Hoewel de voorwaarden voor de vaststelling van de materialiteitsdrempel in de verschillende rechtsgebieden in de Unie moeten worden geharmoniseerd, moet een aantal verschillen in de hoogte van de in de verschillende rechtsgebieden geldende drempels kunnen blijven bestaan, omdat zij verschillen weergeven in de risiconiveaus die door de relevante bevoegde autoriteiten, gelet op de specifieke kenmerken van de nationale markt, als redelijk worden beschouwd. De passende hoogte van de materialiteitsdrempel moet derhalve wellicht worden besproken in het kader van de verschillende colleges van toezichthouders.

(6)

De materialiteitsdrempel kan van aanzienlijke invloed zijn op de berekening van de kapitaalvereisten en de verwachte verliezen voor alle instellingen in het desbetreffende rechtsgebied, ongeacht de methode die voor een dergelijke berekening is gebruikt. Om deze redenen moeten de bevoegde autoriteiten bij de vaststelling van de materialiteitsdrempel rekening houden met een aantal factoren, waaronder de specifieke risicokenmerken van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen. Die moeten los van die voor de andere blootstellingen worden bekeken.

(7)

Het kan zijn dat de door een bevoegde autoriteit van een bepaald rechtsgebied vastgestelde materialiteitsdrempel ook moet worden toegepast door instellingen met grensoverschrijdende werkzaamheden. De hoogte van een door de bevoegde autoriteit van een ander rechtsgebied vastgestelde drempel kan bijgevolg een belangrijke factor zijn wanneer een bevoegde autoriteit beoordeelt of het door een bepaalde drempel weergegeven risiconiveau redelijk is. De door de bevoegde autoriteiten vastgestelde materialiteitsdrempels moeten bijgevolg transparant zijn en ter kennis van de Europese Bankautoriteit (EBA) worden gebracht, zodat ze openbaar kunnen worden gemaakt.

(8)

De bevoegde autoriteiten moet de materialiteitsdrempel vaststellen op een hoogte die overeenkomt met het risiconiveau dat zij als redelijk beschouwen. Aangezien dat risiconiveau afhangt van de manier waarop de materialiteitsdrempel wordt toegepast bij de vaststelling van wanbetaling, moeten de bevoegde autoriteiten bij de vaststelling van de drempel bepaalde hypothesen formuleren over hoe de bedragen en percentages die zullen worden vergeleken met de absolute en de relatieve component van de materialiteitsdrempel, zullen worden berekend en in welk stadium van de vaststelling van wanbetaling de materialiteitsdrempel van toepassing is. In dat verband dient de drempel zo te worden bepaald dat de instellingen kunnen vaststellen welke debiteuren een aanzienlijk hoger risico vormen vanwege gedeeltelijke of onregelmatige maar systematisch laattijdige betalingen, en dat aanzienlijke achterstallige kredietverplichtingen tijdig kunnen worden vastgesteld.

(9)

De materialiteit van achterstallige kredietverplichtingen maakt deel uit van de definitie van wanbetaling in artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor instellingen die gebruikmaken van de interneratingbenadering (hierna de „IRB-benadering” genoemd) leidt elke wijziging van die definitie tot aanzienlijke wijzigingen in de ratingsystemen die worden gebruikt voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor het kredietrisico. De bevoegde autoriteiten zouden de materialiteitsdrempel dan ook niet mogen wijzigen, tenzij hij niet langer adequaat is als gevolg van veranderde marktvoorwaarden en economische voorwaarden die tot aanzienlijke verstoringen in de vaststelling van wanbetaling leiden.

(10)

Voor instellingen die hun IRB-modellen aanzienlijk moeten wijzigen, en voor instellingen waarvoor de toepassing van die drempels belastend is omdat hun vorige methode voor de vaststelling van de materialiteit van achterstallige blootstellingen aanzienlijk verschilt van die drempels, moeten de bevoegde autoriteiten de datum waarop de materialiteitsdrempels van toepassing worden, kunnen uitstellen. Voorts dient de datum waarop de nieuwe materialiteitsdrempels van toepassing worden, te worden gelijkgetrokken voor alle blootstellingen van instellingen die gebruikmaken van de IRB-benadering, maar die voor een deel van hun blootstellingen de standaardbenadering toepassen op grond van artikel 148 of artikel 150 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Om buitensporige vertragingen in de toepassing van de drempels in de hele Unie te voorkomen, moeten die perioden evenwel beperkt zijn.

(11)

De bevoegde autoriteiten moeten voldoende tijd krijgen voor de uitgebreide analyse die nodig is voor de vaststelling van de materialiteitsdrempel op een redelijk niveau.

(12)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die door de EBA aan de Commissie zijn voorgelegd.

(13)

De EBA heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de potentiële kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwaarden voor de vaststelling van de materialiteitsdrempel voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

1.   De bevoegde autoriteit stelt voor alle instellingen in haar rechtsgebied één enkele drempel vast voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

Voor instellingen die de definitie van wanbetaling in artikel 178, lid 1, eerste alinea, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 toepassen op het niveau van een individuele kredietfaciliteit, kan de bevoegde autoriteit evenwel een afzonderlijke materialiteitsdrempel vaststellen voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

2.   De in lid 1, eerste alinea, bedoelde materialiteitsdrempel bestaat uit een absolute en een relatieve component.

De absolute component wordt uitgedrukt als een maximumbedrag voor de som van alle achterstallige bedragen die door een debiteur verschuldigd zijn aan de instelling, de moederonderneming van die instelling of een van haar dochterondernemingen („achterstallige kredietverplichting”). Het maximumbedrag mag niet meer bedragen dan 100 EUR of het equivalent van dat bedrag in de betrokken nationale munteenheid.

De relatieve component wordt uitgedrukt als een percentage dat het bedrag van de achterstallige kredietverplichting weergeeft in verhouding tot het totaalbedrag van alle blootstellingen binnen de balanstelling van de instelling, de moederonderneming van die instelling of een van haar dochterondernemingen aan die debiteur, met uitzondering van blootstellingen in aandelen. Het percentage ligt tussen 0 % en 2,5 % en wordt vastgesteld op 1 % wanneer het een risiconiveau weergeeft dat door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 3 als redelijk wordt beschouwd.

3.   De in lid 1, tweede alinea, bedoelde materialiteitsdrempel wordt vastgesteld in overeenstemming met de voorwaarden van lid 2, met als enige verschil dat „achterstallige kredietverplichting” en „totaalbedrag van alle blootstellingen binnen de balanstelling van de instelling aan die debiteur, met uitzondering van blootstellingen in aandelen” verwijzen naar de bedragen van de kredietverplichting van de debiteur die voortvloeien uit één enkele door de instelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen verleende kredietfaciliteit.

4.   Bij de vaststelling van de materialiteitsdrempel overeenkomstig dit artikel houdt de bevoegde autoriteit rekening met de risicokenmerken van blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen zoals vastgesteld in artikel 147 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor banken die de interneratingbenadering toepassen, en in artikel 123 van die verordening voor instellingen die de standaardbenadering toepassen.

5.   Bij de vaststelling van de materialiteitsdrempel overeenkomstig dit artikel gaat de bevoegde autoriteit uit van wanbetaling met betrekking tot de debiteur als zowel de als absolute component uitgedrukte grenswaarde van de materialiteitsdrempel alsook de als relatieve component uitgedrukte grenswaarde van die drempel gedurende 90 opeenvolgende dagen is overschreden, of gedurende 180 opeenvolgende dagen, wanneer alle in de berekening van de achterstallige kredietverplichting opgenomen blootstellingen zijn gedekt door niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed van kmo's en de termijn van 90 dagen voor die blootstellingen overeenkomstig artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 is vervangen door 180 dagen.

Artikel 2

Materialiteitsdrempel voor andere blootstellingen dan blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen

1.   De bevoegde autoriteit stelt voor alle instellingen in haar rechtsgebied één enkele drempel vast voor andere blootstellingen dan blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

2.   De in lid 1 bedoelde materialiteitsdrempel wordt vastgesteld in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 1, lid 2, met als enige verschil dat de absolute component van die materialiteitsdrempel niet meer dan 500 EUR bedraagt of het equivalent van dat bedrag in de betrokken nationale munteenheid.

3.   Bij de vaststelling van de materialiteitsdrempel overeenkomstig dit artikel houdt de bevoegde autoriteit rekening met de risicokenmerken van andere blootstellingen dan blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen.

4.   Bij de vaststelling van de materialiteitsdrempel overeenkomstig dit artikel gaat de bevoegde autoriteit uit van wanbetaling met betrekking tot de debiteur als zowel de als absolute component uitgedrukte grenswaarde van de materialiteitsdrempel alsook de als relatieve component uitgedrukte grenswaarde van die drempel gedurende 90 opeenvolgende dagen is overschreden, of gedurende 180 opeenvolgende dagen, wanneer de blootstellingen die zijn opgenomen in de berekening van de achterstallige kredietverplichting, blootstellingen aan een publiekrechtelijk lichaam zijn en de termijn van 90 dagen voor die blootstellingen overeenkomstig artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 is vervangen door 180 dagen.

Artikel 3

Risiconiveau

De bevoegde autoriteit gaat er overeenkomstig artikel 178, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van uit dat een materialiteitsdrempel een redelijk risiconiveau weergeeft, wanneer die drempel noch tot de erkenning van een buitensporig aantal wanbetalingen leidt die te wijten zijn aan andere omstandigheden dan financiële moeilijkheden van een debiteur, noch aanzienlijke vertragingen bij de erkenning van wanbetalingen tot gevolg heeft die te wijten zijn aan financiële moeilijkheden van een debiteur.

Artikel 4

Kennisgeving van de materialiteitsdrempels

De bevoegde autoriteit stelt de EBA in kennis van de in haar rechtsgebied vastgestelde materialiteitsdrempels. Wanneer een bevoegde autoriteit de relatieve component van de materialiteitsdrempel op een hoger of lager niveau dan 1 % vaststelt, dient zij die keuze ten aanzien van de EBA te motiveren.

Artikel 5

Actualisering van de materialiteitsdrempels

Wanneer de absolute component van de materialiteitsdrempel wordt vastgesteld in een andere munteenheid dan de euro en wanneer, als gevolg van de volatiliteit van de wisselkoersen, het equivalent van die component meer bedraagt dan 100 EUR voor blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, of 500 EUR voor andere blootstellingen dan blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen, blijft de drempel ongewijzigd, tenzij de bevoegde autoriteit ten aanzien van de EBA motiveert dat de materialiteitsdrempel niet langer een risiconiveau weergeeft dat zij als redelijk beschouwt.

Artikel 6

Datum van toepassing van de materialiteitsdrempels

De bevoegde autoriteit stelt een datum vast voor de toepassing van de materialiteitsdrempel, die kan verschillen per categorie van instellingen, maar die voor instellingen die gebruikmaken van de in deel drie, titel II, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde standaardbenadering, niet na 31 december 2020 mag vallen.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 7 mei 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 oktober 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


6.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 32/6


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/172 VAN DE COMMISSIE

van 28 november 2017

tot wijziging van de bijlagen I en V bij Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (1), en met name artikel 23, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 649/2012 behelst de uitvoering van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel („het Verdrag van Rotterdam”), dat op 11 september 1998 is ondertekend en bij Besluit 2003/106/EG van de Raad (2) namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd.

(2)

De stof dec-3-een-2-on is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3) niet goedgekeurd, zodat het gebruik ervan als bestrijdingsmiddel verboden is en de stof bijgevolg aan de lijsten van chemische stoffen in bijlage I, delen 1 en 2, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 moet worden toegevoegd.

(3)

Er zijn geen aanvragen voor verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof carbendazim ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, zodat carbendazim niet langer als bestrijdingsmiddel (groep gewasbeschermingsmiddelen) mag worden gebruikt en bijgevolg aan de lijst van chemische stoffen in bijlage I, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 moet worden toegevoegd.

(4)

Er zijn geen aanvragen voor verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof tepraloxydim ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, zodat tepraloxydim niet langer als bestrijdingsmiddel mag worden gebruikt en bijgevolg aan de lijst van chemische stoffen in bijlage I, delen 1 en 2, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 moet worden toegevoegd.

(5)

Het gebruik van de stoffen cybutryne en triclosan in biociden is niet toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4), zodat het gebruik ervan als bestrijdingsmiddelen verboden is en de stoffen bijgevolg aan de lijsten van chemische stoffen in bijlage I, delen 1 en 2, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 moeten worden toegevoegd.

(6)

Het gebruik van de stof triflumuron in biociden is niet toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012, zodat die stof niet langer in de subgroep „andere bestrijdingsmiddelen met inbegrip van biociden” mag worden gebruikt en bijgevolg aan de lijst van chemische stoffen in bijlage I, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 moet worden toegevoegd.

(7)

De stoffen 5-tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen, benzylbutylftalaat, diisobutylftalaat, diarseenpentaoxide en tris(2-chloorethyl)fosfaat zijn opgenomen in de lijst in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5) aangezien zij zijn geïdentificeerd als zeer zorgwekkende stoffen. Bijgevolg zijn deze stoffen vergunningsplichtig. Aangezien geen vergunningen zijn toegekend, zijn deze stoffen aan strenge beperkingen voor industrieel gebruik onderworpen. Bijgevolg moeten deze stoffen worden toegevoegd aan bijlage I, delen 1 en 2, bij Verordening (EU) nr. 649/2012.

(8)

Tijdens de zevende vergadering van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Rotterdam, die van 4 tot en met 15 mei 2015 werd gehouden, heeft deze conferentie besloten methamidofos in bijlage III bij dat verdrag op te nemen, met als gevolg dat die stof onder de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming in het kader van dat verdrag ging vallen. De Conferentie van de partijen heeft eveneens besloten de bestaande vermelding in bijlage III voor „methamidofos (oplosbare vloeibare formuleringen van de stof met meer dan 600 g werkzame stof/l)” te schrappen. Bijgevolg moeten deze wijzigingen in de lijsten van chemische stoffen in bijlage I, delen 1 en 3, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 worden verwerkt.

(9)

Tijdens de zevende vergadering, die van 4 tot en met 15 mei 2015 werd gehouden, van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen („het Verdrag van Stockholm”), dat bij Besluit 2006/507/EG van de Raad (6) is goedgekeurd, heeft deze conferentie besloten de stoffen hexachloorbutadieen en polychloornaftaleen op te nemen in bijlage A bij dat verdrag. Deze stoffen zijn opgenomen in de lijsten in bijlage I, deel B, bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad (7) en moeten bijgevolg worden toegevoegd aan bijlage V, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 ter uitvoering van het Verdrag van Stockholm.

(10)

Ingevolge het besluit dat is genomen tijdens de zesde vergadering van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag van Stockholm, die van 28 april tot en met 10 mei 2013 werd gehouden, om hexabroomcyclododecaan (HBCDD) in bijlage A, deel 1, bij dat verdrag op te nemen, is deze chemische stof bij Verordening (EU) 2016/293 van de Commissie (8) toegevoegd aan bijlage I, deel A, bij Verordening (EG) nr. 850/2004. Bijgevolg moet deze stof worden toegevoegd aan bijlage V, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 649/2012.

(11)

Bij het Verdrag van Stockholm is recycling toegestaan van artikelen die tetra- en pentabroomdifenylether of hexa- en heptabroomdifenylether bevatten of kunnen bevatten, alsook het gebruik en de definitieve verwijdering van artikelen die vervaardigd zijn van gerecyclede materialen die een van deze stoffen bevatten op voorwaarde dat stappen worden ondernomen ter voorkoming van de uitvoer van dergelijke artikelen die hogere hoeveelheden of concentraties van deze stoffen bevatten dan zijn toegestaan voor de verkoop, het gebruik, de invoer of de vervaardiging van die artikelen binnen het grondgebied van de desbetreffende partij. Om deze verplichting in de Unie uit te voeren, moet de uitvoer van artikelen die concentraties bevatten van 0,1 % gewichtsprocent van deze stoffen of meer wanneer zij gedeeltelijk of geheel zijn geproduceerd uit gerecyclede materialen of materialen uit voor hergebruik opgewerkt afval worden verboden door deze artikelen toe te voegen aan bijlage V, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 649/2012.

(12)

Verordening (EU) nr. 649/2012 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voor alle belanghebbende partijen om de nodige maatregelen te kunnen nemen om aan deze verordening te voldoen en voor de lidstaten om de nodige maatregelen te kunnen nemen voor de tenuitvoerlegging van deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 649/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

2)

Bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 november 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 201 van 27.7.2012, blz. 60.

(2)  Besluit 2003/106/EG van de Raad van 19 december 2002 inzake de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande toestemming (PIC) ten aanzien van bepaalde chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel (PB L 63 van 6.3.2003, blz. 27).

(3)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(6)  Besluit 2006/507/EG van de Raad van 14 oktober 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 209 van 31.7.2006, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7).

(8)  Verordening (EU) 2016/293 van de Commissie van 1 maart 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen met betrekking tot bijlage I (PB L 55 van 2.3.2016, blz. 4).


BIJLAGE I

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 649/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de vermelding voor methamidofos wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code (***)

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Methamidofos (#)

10265-92-6

233-606-0

ex 2930 80 00

p(1)

b”;

 

b)

de vermelding voor methamidofos (oplosbare vloeibare formuleringen van de stof met meer dan 600 g werkzame stof/l) wordt geschrapt;

c)

de volgende vermeldingen worden toegevoegd:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code (***)

Subcategorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„dec-3-een-2-on (+)

10519-33-2

234-059-0

ex 2914 19 90

p(1)

b

 

5-tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen (+)

81-15-2

201-329-4

ex 2904 20 00

i(1) — i(2)

sr

 

Benzylbutylftalaat (+)

85-68-7

201-622-7

ex 2917 34 00

i(1) — i(2)

sr

 

Carbendazim

10605-21-7

234-232-0

ex 2933 99 80

p(1)

b

 

Cybutryne (+)

28159-98-0

248-872-3

ex 2933 69 80

p(2)

b

 

Diisobutylftalaat (+)

84-69-5

201-553-2

ex 2917 34 00

i(1) — i(2)

sr

 

Diarseenpentaoxide (+)

1303-28-2

215-116-9

ex 2811 29 90

i(1) — i(2)

sr

 

Tepraloxydim (+)

149979-41-9

n.v.t.

ex 2932 99 00

p(1)

b

 

Triclosan (+)

3380-34-5

222-182-2

ex 2909 50 00

p(2)

b

 

Triflumuron

64628-44-0

264-980-3

ex 2924 21 00

p(2)

b

 

Tris(2-chloorethyl)fosfaat (+)

115-96-8

204-118-5

ex 2919 90 00

i(1) — i(2)

sr”.

 

2)

Deel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de vermelding voor methamidofos wordt geschrapt;

b)

de volgende vermeldingen worden toegevoegd:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code (***)

Categorie (*)

Gebruiksbeperking (**)

„dec-3-een-2-on

10519-33-2

234-059-0

ex 2914 19 90

p

b

5-tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen

81-15-2

201-329-4

ex 2904 20 00

i

sr

Benzylbutylftalaat

85-68-7

201-622-7

ex 2917 34 00

i

sr

Cybutryne

28159-98-0

248-872-3

ex 2933 69 80

p

b

Diisobutylftalaat

84-69-5

201-553-2

ex 2917 34 00

i

sr

Diarseenpentaoxide

1303-28-2

215-116-9

ex 2811 29 90

i

sr

Tepraloxydim

149979-41-9

n.v.t.

ex 2932 99 00

p

b

Triclosan

3380-34-5

222-182-2

ex 2909 50 00

p

b

Tris(2-chloorethyl)fosfaat

115-96-8

204-118-5

ex 2919 90 00

i

sr”.

3)

Deel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermelding wordt toegevoegd:

Chemische stof

Relevant(e) CAS-nummer(s)

HS-code

Zuivere stof (**)

HS-code

Mengsels die een dergelijke stof bevatten (**)

Categorie

„Methamidofos

10265-92-6

ex ex 2930 80

ex ex 3808 59

Bestrijdingsmiddel”;

b)

de vermelding voor methamidofos (oplosbare vloeibare formuleringen van de stof met meer dan 600 g werkzame stof/l) wordt geschrapt.


BIJLAGE II

In bijlage V, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 649/2012 worden de volgende vermeldingen toegevoegd:

Beschrijving van chemische stof/artikel waarvoor een uitvoerverbod geldt

Eventuele nadere bijzonderheden (bv. naam van de chemische stof, Einecs-nummer, CAS-nummer enz.)

 

„Hexachloorbutadieen

EG-nr. 201-765-5

CAS-nr. 87-68-3

GN-code 2903 29 00

 

Polychloornaftaleen

EG-nr. 274-864-4

CAS-nr. 70776-03-3 en andere

GN-code 3824 99 93

 

Hexabroomcyclododecaan

EG-nr. 247-148-4, 221-695-9

CAS-nr. 25637-99-4, 3194-55-6, 134237-50-6, 134237-51-7, 134237-52-8 en andere

GN-code 2903 89 80

Artikelen die concentraties bevatten van 0,1 % gewichtsprocent van tetra-, penta-, hexa- of heptabroomdifenylether of meer wanneer zij gedeeltelijk of geheel zijn geproduceerd uit gerecyclede materialen of materialen uit voor hergebruik opgewerkt afval

Tetrabroomdifenylether

EG-nr. 254-787-2 en andere

CAS-nr. 40088-47-9 en andere

GN-code 2909 30 38

Pentabroomdifenylether

EG-nr. 251-084-2 en andere

CAS-nr. 32534-81-9 en andere

GN-code 2909 30 31

Hexabroomdifenylether

EG-nr. 253-058-6 en andere

CAS-nr. 36483-60-0 en andere

GN-code 2909 30 38

Heptabroomdifenylether

EG-nr. 273-031-2 en andere

CAS-nr. 68928-80-3 en andere

GN-code 2909 30 38 ”.


6.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 32/12


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/173 VAN DE COMMISSIE

van 29 november 2017

tot wijziging van Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad wat de bijwerking van de codes van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij die verordening betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere invoerregeling van de Unie (1), en met name artikel 35,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) 2015/936 worden de gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere invoerregeling van de Unie. Bijlage I bij die verordening bepaalt de textielproducten waarop artikel 1 betrekking heeft door een opsomming van de relevante codes van de gecombineerde nomenclatuur.

(2)

De gecombineerde nomenclatuur is vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2). Om de gecombineerde nomenclatuur aan te passen aan eventuele wijzigingen die de Werelddouaneorganisatie heeft vastgesteld in de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem of die in het kader van de Wereldhandelsorganisatie zijn vastgesteld met betrekking tot conventionele rechten, wordt bijlage I bij die verordening jaarlijks bijgewerkt en als een afzonderlijke uitvoeringsverordening gepubliceerd.

(3)

Op 6 oktober 2016 heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 (3) vastgesteld, waarbij de nomenclatuur van bepaalde onder bijlage I bij Verordening (EU) 2015/936 vallende producten is gewijzigd.

(4)

Om Verordening (EU) 2015/936 in overeenstemming te brengen met Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 moet bijlage I bij Verordening (EU) 2015/936 dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EU) 2015/936 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 november 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 160 van 25.6.2015, blz. 1

(2)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 294 van 28.10.2016, blz. 1).


BIJLAGE

Deel A van bijlage I wordt vervangen door:

„A.   TEXTIELPRODUCTEN BEDOELD IN ARTIKEL 1

1.

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur (GN) worden de bewoordingen van de omschrijving van de goederen geacht slechts indicatieve waarde te hebben, aangezien de producten die onder elk van de categorieën vallen, in deze bijlage door de GN-codes worden bepaald. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door de letters „ex”, betekent dit dat door de GN-code en de desbetreffende omschrijving tezamen wordt bepaald welke producten onder een categorie vallen.

2.

Kleding die niet herkenbaar is als heren- of jongenskleding of als dames- of meisjeskleding, wordt bij laatstgenoemde ingedeeld.

3.

De term „babykleding” omvat kleding tot en met handelsmaat 86.

Categorie

Omschrijving

GN-code 2017

Equivalentietabel

stuks/kg

g/stuk

GROEP I A

1

Garens van katoen, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5204 11 00 , 5204 19 00 , 5205 11 00 , 5205 12 00 , 5205 13 00 , 5205 14 00 , 5205 15 10 , 5205 15 90 , 5205 21 00 , 5205 22 00 , 5205 23 00 , 5205 24 00 , 5205 26 00 , 5205 27 00 , 5205 28 00 , 5205 31 00 , 5205 32 00 , 5205 33 00 , 5205 34 00 , 5205 35 00 , 5205 41 00 , 5205 42 00 , 5205 43 00 , 5205 44 00 , 5205 46 00 , 5205 47 00 , 5205 48 00 , 5206 11 00 , 5206 12 00 , 5206 13 00 , 5206 14 00 , 5206 15 00 , 5206 21 00 , 5206 22 00 , 5206 23 00 , 5206 24 00 , 5206 25 00 , 5206 31 00 , 5206 32 00 , 5206 33 00 , 5206 34 00 , 5206 35 00 , 5206 41 00 , 5206 42 00 , 5206 43 00 , 5206 44 00 , 5206 45 00 , ex 5604 90 90

 

 

2

Weefsels van katoen, andere dan weefsels met gaasbinding, lussenweefsel (bad- of frotteerstof), lint, fluweel, pluche en chenilleweefsel, tule, bobinettule en filetweefsel

 

 

5208 11 10 , 5208 11 90 , 5208 12 16 , 5208 12 19 , 5208 12 96 , 5208 12 99 , 5208 13 00 , 5208 19 00 , 5208 21 10 , 5208 21 90 , 5208 22 16 , 5208 22 19 , 5208 22 96 , 5208 22 99 , 5208 23 00 , 5208 29 00 , 5208 31 00 , 5208 32 16 , 5208 32 19 , 5208 32 96 , 5208 32 99 , 5208 33 00 , 5208 39 00 , 5208 41 00 , 5208 42 00 , 5208 43 00 , 5208 49 00 , 5208 51 00 , 5208 52 00 , 5208 59 10 , 5208 59 90 , 5209 11 00 , 5209 12 00 , 5209 19 00 , 5209 21 00 , 5209 22 00 , 5209 29 00 , 5209 31 00 , 5209 32 00 , 5209 39 00 , 5209 41 00 , 5209 42 00 , 5209 43 00 , 5209 49 00 , 5209 51 00 , 5209 52 00 , 5209 59 00 , 5210 11 00 , 5210 19 00 , 5210 21 00 , 5210 29 00 , 5210 31 00 , 5210 32 00 , 5210 39 00 , 5210 41 00 , 5210 49 00 , 5210 51 00 , 5210 59 00 , 5211 11 00 , 5211 12 00 , 5211 19 00 , 5211 20 00 , 5211 31 00 , 5211 32 00 , 5211 39 00 , 5211 41 00 , 5211 42 00 , 5211 43 00 , 5211 49 10 , 5211 49 90 , 5211 51 00 , 5211 52 00 , 5211 59 00 , 5212 11 10 , 5212 11 90 , 5212 12 10 , 5212 12 90 , 5212 13 10 , 5212 13 90 , 5212 14 10 , 5212 14 90 , 5212 15 10 , 5212 15 90 , 5212 21 10 , 5212 21 90 , 5212 22 10 , 5212 22 90 , 5212 23 10 , 5212 23 90 , 5212 24 10 , 5212 24 90 , 5212 25 10 , 5212 25 90 , ex 5811 00 00 , ex 6308 00 00

 

 

2 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

 

 

5208 31 00 , 5208 32 16 , 5208 32 19 , 5208 32 96 , 5208 32 99 , 5208 33 00 , 5208 39 00 , 5208 41 00 , 5208 42 00 , 5208 43 00 , 5208 49 00 , 5208 51 00 , 5208 52 00 , 5208 59 10 , 5208 59 90 , 5209 31 00 , 5209 32 00 , 5209 39 00 , 5209 41 00 , 5209 42 00 , 5209 43 00 , 5209 49 00 , 5209 51 00 , 5209 52 00 , 5209 59 00 , 5210 31 00 , 5210 32 00 , 5210 39 00 , 5210 41 00 , 5210 49 00 , 5210 51 00 , 5210 59 00 , 5211 31 00 , 5211 32 00 , 5211 39 00 , 5211 41 00 , 5211 42 00 , 5211 43 00 , 5211 49 10 , 5211 49 90 , 5211 51 00 , 5211 52 00 , 5211 59 00 , 5212 13 10 , 5212 13 90 , 5212 14 10 , 5212 14 90 , 5212 15 10 , 5212 15 90 , 5212 23 10 , 5212 23 90 , 5212 24 10 , 5212 24 90 , 5212 25 10 , 5212 25 90 , ex 5811 00 00 , ex 6308 00 00

 

 

3

Weefsels van synthetische vezels (stapelvezels of afval), andere dan lint, fluweel, pluche, lussenweefsel (waaronder bad- en frotteerstof) en chenilleweefsel

 

 

5512 11 00 , 5512 19 10 , 5512 19 90 , 5512 21 00 , 5512 29 10 , 5512 29 90 , 5512 91 00 , 5512 99 10 , 5512 99 90 , 5513 11 20 , 5513 11 90 , 5513 12 00 , 5513 13 00 , 5513 19 00 , 5513 21 00 , 5513 23 10 , 5513 23 90 , 5513 29 00 , 5513 31 00 , 5513 39 00 , 5513 41 00 , 5513 49 00 , 5514 11 00 , 5514 12 00 , 5514 19 10 , 5514 19 90 , 5514 21 00 , 5514 22 00 , 5514 23 00 , 5514 29 00 , 5514 30 10 , 5514 30 30 , 5514 30 50 , 5514 30 90 , 5514 41 00 , 5514 42 00 , 5514 43 00 , 5514 49 00 , 5515 11 10 , 5515 11 30 , 5515 11 90 , 5515 12 10 , 5515 12 30 , 5515 12 90 , 5515 13 11 , 5515 13 19 , 5515 13 91 , 5515 13 99 , 5515 19 10 , 5515 19 30 , 5515 19 90 , 5515 21 10 , 5515 21 30 , 5515 21 90 , 5515 22 11 , 5515 22 19 , 5515 22 91 , 5515 22 99 , 5515 29 00 , 5515 91 10 , 5515 91 30 , 5515 91 90 , 5515 99 20 , 5515 99 40 , 5515 99 80 , ex 5803 00 90 , ex 5905 00 70 , ex 6308 00 00

 

 

3 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

 

 

5512 19 10 , 5512 19 90 , 5512 29 10 , 5512 29 90 , 5512 99 10 , 5512 99 90 , 5513 21 00 , 5513 23 10 , 5513 23 90 , 5513 29 00 , 5513 31 00 , 5513 39 00 , 5513 41 00 , 5513 49 00 , 5514 21 00 , 5514 22 00 , 5514 23 00 , 5514 29 00 , 5514 30 10 , 5514 30 30 , 5514 30 50 , 5514 30 90 , 5514 41 00 , 5514 42 00 , 5514 43 00 , 5514 49 00 , 5515 11 30 , 5515 11 90 , 5515 12 30 , 5515 12 90 , 5515 13 19 , 5515 13 99 , 5515 19 30 , 5515 19 90 , 5515 21 30 , 5515 21 90 , 5515 22 19 , 5515 22 99 , ex 5515 29 00 , 5515 91 30 , 5515 91 90 , 5515 99 40 , 5515 99 80 , ex 5803 00 90 , ex 5905 00 70 , ex 6308 00 00

 

 

GROEP I B

4

Overhemden, T-shirts, hemdtruien (sous-pulls) (andere dan die van wol of van fijn haar), onderhemden en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk

6,48

154

6105 10 00 , 6105 20 10 , 6105 20 90 , 6105 90 10 , 6105 90 90 , 6109 10 00 , 6109 90 20 , 6109 90 90 , 6110 20 10 , 6110 30 10

5

Truien, jumpers, pullovers, slip-overs, twinsets, vesten en jasjes (andere dan colbertjassen), anoraks, blousons en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk

4,53

221

ex 6101 90 80 , 6101 20 90 , 6101 30 90 , 6102 10 90 , 6102 20 90 , 6102 30 90 , 6110 11 10 , 6110 11 30 , 6110 11 90 , 6110 12 10 , 6110 12 90 , 6110 19 10 , 6110 19 90 , 6110 20 91 , 6110 20 99 , 6110 30 91 , 6110 30 99

6

Lange en korte broeken (andere dan zwembroeken), van weefsel, voor heren of voor jongens; lange broeken, van weefsel, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes; trainingsbroeken met voering, andere dan die bedoeld in categorie 16 of 29, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

1,76

568

6203 41 10 , 6203 41 90 , 6203 42 31 , 6203 42 33 , 6203 42 35 , 6203 42 90 , 6203 43 19 , 6203 43 90 , 6203 49 19 , 6203 49 50 , 6204 61 10 , 6204 62 31 , 6204 62 33 , 6204 62 39 , 6204 63 18 , 6204 69 18 , 6211 32 42 , 6211 33 42 , 6211 42 42 , 6211 43 42

7

Blouses en hemdblouses met korte of met lange mouwen, ook indien van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes

5,55

180

6106 10 00 , 6106 20 00 , 6106 90 10 , 6206 20 00 , 6206 30 00 , 6206 40 00

8

Overhemden, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor heren of voor jongens

4,60

217

ex 6205 90 80 , 6205 20 00 , 6205 30 00

GROEP II A

9

Lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen; huishoudlinnen (ander dan dat van brei- of haakwerk) van lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen

 

 

5802 11 00 , 5802 19 00 , ex 6302 60 00

 

 

20

Beddenlinnen, ander dan dat van brei- of haakwerk

 

 

6302 21 00 , 6302 22 90 , 6302 29 90 , 6302 31 00 , 6302 32 90 , 6302 39 90

 

 

22

Garens van synthetische stapelvezels of van afval van synthetische vezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5508 10 10 , 5509 11 00 , 5509 12 00 , 5509 21 00 , 5509 22 00 , 5509 31 00 , 5509 32 00 , 5509 41 00 , 5509 42 00 , 5509 51 00 , 5509 52 00 , 5509 53 00 , 5509 59 00 , 5509 61 00 , 5509 62 00 , 5509 69 00 , 5509 91 00 , 5509 92 00 , 5509 99 00

 

 

22 a)

waarvan: acrylgarens

 

 

ex 5508 10 10 , 5509 31 00 , 5509 32 00 , 5509 61 00 , 5509 62 00 , 5509 69 00

 

 

23

Garens van kunstmatige stapelvezels of van afval van kunstmatige vezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5508 20 10 , 5510 11 00 , 5510 12 00 , 5510 20 00 , 5510 30 00 , 5510 90 00

 

 

32

Fluweel, pluche en chenilleweefsel (ander dan lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen, en lint), en getufte textielstoffen van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

 

 

5801 10 00 , 5801 21 00 , 5801 22 00 , 5801 23 00 , 5801 26 00 , 5801 27 00 , 5801 31 00 , 5801 32 00 , 5801 33 00 , 5801 36 00 , 5801 37 00 , 5802 20 00 , 5802 30 00

 

 

32 a)

waarvan: inslagfluweel en -pluche, geribd (corduroy), van katoen

 

 

5801 22 00

 

 

39

Tafel- en huishoudlinnen, ander dan dat van brei- of haakwerk of van lussenweefsel (bad- of frotteerstof) van katoen

 

 

6302 51 00 , 6302 53 90 , ex 6302 59 90 , 6302 91 00 , 6302 93 90 , ex 6302 99 90

 

 

GROEP II B

12

Kousenbroeken, kousen, onderkousen, sokken, voetjes en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, andere dan voor baby's, aderspatkousen daaronder begrepen, andere dan producten van categorie 70

24,3 paar

41

ex 6115 10 10 , 6115 10 90 , 6115 22 00 , 6115 29 00 , 6115 30 11 , 6115 30 90 , 6115 94 00 , 6115 95 00 , 6115 96 10 , 6115 96 99 , 6115 99 00

13

Slips en onderbroeken voor heren, voor jongens, voor dames of voor meisjes, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen, of van synthetische of kunstmatige vezels

17

59

6107 11 00 , 6107 12 00 , 6107 19 00 , 6108 21 00 , 6108 22 00 , 6108 29 00 , ex 6212 10 10 , ex 9619 00 50

14

Overjassen, regenjassen, andere jassen en capes, van weefsel, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels (andere dan parka's, bedoeld bij categorie 21), voor heren of voor jongens

0,72

1389

6201 11 00 , ex 6201 12 10 , ex 6201 12 90 , ex 6201 13 10 , ex 6201 13 90 , 6210 20 00

15

Mantels, regenjassen, andere jassen en capes, van weefsel, voor dames of voor meisjes; blazers en andere jasjes, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels (andere dan parka's, bedoeld bij categorie 21), voor dames of voor meisjes

0,84

1190

6202 11 00 , ex 6202 12 10 , ex 6202 12 90 , ex 6202 13 10 , ex 6202 13 90 , 6204 31 00 , 6204 32 90 , 6204 33 90 , 6204 39 19 , 6210 30 00

16

Kostuums en ensembles, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor heren of voor jongens; trainingspakken met voering, waarvan de buitenzijde is vervaardigd van een en dezelfde stof, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor heren of voor jongens

0,80

1 250

6203 11 00 , 6203 12 00 , 6203 19 10 , 6203 19 30 , 6203 22 80 , 6203 23 80 , 6203 29 18 , 6203 29 30 , 6211 32 31 , 6211 33 31

17

Colbertjassen en blazers, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor heren of voor jongens

1,43

700

6203 31 00 , 6203 32 90 , 6203 33 90 , 6203 39 19

18

Onderhemden, slips, onderbroeken, nachthemden, pyjama's, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, andere dan die van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

 

 

6207 11 00 , 6207 19 00 , 6207 21 00 , 6207 22 00 , 6207 29 00 , 6207 91 00 , 6207 99 10 , 6207 99 90

 

 

Onderhemden, onderjurken, onderrokken, slips, nachthemden, pyjama's, negligés, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, andere dan die van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

 

 

6208 11 00 , 6208 19 00 , 6208 21 00 , 6208 22 00 , 6208 29 00 , 6208 91 00 , 6208 92 00 , 6208 99 00 , ex 6212 10 10 , ex 9619 00 50

 

 

19

Zakdoeken, andere dan die van brei- of haakwerk

59

17

6213 20 00 , ex 6213 90 00

21

Parka's, anoraks, windjakken, blousons en dergelijke, andere dan van brei- of haakwerk, van wol, van katoen, of van synthetische of van kunstmatige vezels; trainingsjacks met voering, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan bedoeld in categorie 16 of 29

2,3

435

ex 6201 12 10 , ex 6201 12 90 , ex 6201 13 10 , ex 6201 13 90 , 6201 91 00 , 6201 92 00 , 6201 93 00 , ex 6202 12 10 , ex 6202 12 90 , ex 6202 13 10 , ex 6202 13 90 , 6202 91 00 , 6202 92 00 , 6202 93 00 , 6211 32 41 , 6211 33 41 , 6211 42 41 , 6211 43 41

24

Nachthemden, pyjama's, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

3,9

257

6107 21 00 , 6107 22 00 , 6107 29 00 , 6107 91 00 , ex 6107 99 00

Nachthemden, pyjama's, negligés, badjassen, kamerjassen en dergelijke artikelen, van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

6108 31 00 , 6108 32 00 , 6108 39 00 , 6108 91 00 , 6108 92 00 , ex 6108 99 00

26

Japonnen van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes

3,1

323

6104 41 00 , 6104 42 00 , 6104 43 00 , 6104 44 00 , 6204 41 00 , 6204 42 00 , 6204 43 00 , 6204 44 00

27

Rokken en broekrokken, voor dames of voor meisjes

2,6

385

6104 51 00 , 6104 52 00 , 6104 53 00 , 6104 59 00 , 6204 51 00 , 6204 52 00 , 6204 53 00 , 6204 59 10

28

Lange en korte broeken (andere dan zwembroeken) en zogenaamde Amerikaanse overalls, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

1,61

620

6103 41 00 , 6103 42 00 , 6103 43 00 , ex 6103 49 00 , 6104 61 00 , 6104 62 00 , 6104 63 00 , ex 6104 69 00

29

Mantelpakken, broekpakken en ensembles, andere dan die van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor dames of voor meisjes; trainingspakken met voering, waarvan de buitenzijde is vervaardigd van een en dezelfde stof, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, voor dames of voor meisjes

1,37

730

6204 11 00 , 6204 12 00 , 6204 13 00 , 6204 19 10 , 6204 21 00 , 6204 22 80 , 6204 23 80 , 6204 29 18 , 6211 42 31 , 6211 43 31

31

Bustehouders, geweven of van brei- of haakwerk

18,2

55

ex 6212 10 10 , 6212 10 90

68

Babykleding en -kledingtoebehoren, met uitzondering van handschoenen, wanten en dergelijke artikelen voor baby's, van de categorieën 10 en 87, en kousen en sokken voor baby's, andere dan van brei- of haakwerk, van categorie 88

 

 

6111 90 19 , 6111 20 90 , 6111 30 90 , ex 6111 90 90 , ex 6209 90 10 , ex 6209 20 00 , ex 6209 30 00 , ex 6209 90 90 , ex 9619 00 50

 

 

73

Trainingspakken van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

1,67

600

6112 11 00 , 6112 12 00 , 6112 19 00

76

Werk- en bedrijfskleding, andere dan die van brei- of haakwerk, voor heren of voor jongens

 

 

6203 22 10 , 6203 23 10 , 6203 29 11 , 6203 32 10 , 6203 33 10 , 6203 39 11 , 6203 42 11 , 6203 42 51 , 6203 43 11 , 6203 43 31 , 6203 49 11 , 6203 49 31 , 6211 32 10 , 6211 33 10

 

 

Schorten, jasschorten en andere werk- en bedrijfskleding, andere dan die van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

 

 

6204 22 10 , 6204 23 10 , 6204 29 11 , 6204 32 10 , 6204 33 10 , 6204 39 11 , 6204 62 11 , 6204 62 51 , 6204 63 11 , 6204 63 31 , 6204 69 11 , 6204 69 31 , 6211 42 10 , 6211 43 10

 

 

77

Skipakken, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

ex 6211 20 00

 

 

78

Kleding, andere dan van brei- of haakwerk, uitgezonderd de kleding van de categorieën 6, 7, 8, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 26, 27, 29, 68, 72, 76 en 77

 

 

6203 41 30 , 6203 42 59 , 6203 43 39 , 6203 49 39 , 6204 61 85 , 6204 62 59 , 6204 62 90 , 6204 63 39 , 6204 63 90 , 6204 69 39 , 6204 69 50 , 6210 40 00 , 6210 50 00 , 6211 32 90 , 6211 33 90 , ex 6211 39 00 , 6211 42 90 , 6211 43 90 , ex 6211 49 00 , ex 9619 00 50

 

 

83

Overjassen, colbertjassen, blazers en andere kleding, skipakken daaronder begrepen, van brei- of haakwerk, met uitzondering van kleding bedoeld in de categorieën 4, 5, 7, 13, 24, 26, 27, 28, 68, 69, 72, 73, 74 en 75

 

 

ex 6101 90 20 , 6101 20 10 , 6101 30 10 , 6102 10 10 , 6102 20 10 , 6102 30 10 , 6103 31 00 , 6103 32 00 , 6103 33 00 , ex 6103 39 00 , 6104 31 00 , 6104 32 00 , 6104 33 00 , ex 6104 39 00 , 6112 20 00 , 6113 00 90 , 6114 20 00 , 6114 30 00 , ex 6114 90 00 , ex 9619 00 50

 

 

GROEP III A

33

Weefsels van synthetische filamentgarens, vervaardigd van strippen of van artikelen van dergelijke vorm, van polyethyleen of van polypropyleen, met een breedte van minder dan 3 m

 

 

5407 20 11

 

 

Zakken voor verpakkingsdoeleinden, andere dan die van brei- of haakwerk, vervaardigd van strippen of van artikelen van dergelijke vorm

 

 

6305 32 19 , 6305 33 90

 

 

34

Weefsels van synthetische filamentgarens, vervaardigd van strippen of van artikelen van dergelijke vorm, van polyethyleen of van polypropyleen, met een breedte van 3 m of meer

 

 

5407 20 19

 

 

35

Weefsels van synthetische filamenten, andere dan bandenkoordweefsel bedoeld in categorie 114

 

 

5407 10 00 , 5407 20 90 , 5407 30 00 , 5407 41 00 , 5407 42 00 , 5407 43 00 , 5407 44 00 , 5407 51 00 , 5407 52 00 , 5407 53 00 , 5407 54 00 , 5407 61 10 , 5407 61 30 , 5407 61 50 , 5407 61 90 , 5407 69 10 , 5407 69 90 , 5407 71 00 , 5407 72 00 , 5407 73 00 , 5407 74 00 , 5407 81 00 , 5407 82 00 , 5407 83 00 , 5407 84 00 , 5407 91 00 , 5407 92 00 , 5407 93 00 , 5407 94 00 , ex 5811 00 00 , ex 5905 00 70

 

 

35 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

 

 

ex 5407 10 00 , ex 5407 20 90 , ex 5407 30 00 , 5407 42 00 , 5407 43 00 , 5407 44 00 , 5407 52 00 , 5407 53 00 , 5407 54 00 , 5407 61 30 , 5407 61 50 , 5407 61 90 , 5407 69 90 , 5407 72 00 , 5407 73 00 , 5407 74 00 , 5407 82 00 , 5407 83 00 , 5407 84 00 , 5407 92 00 , 5407 93 00 , 5407 94 00 , ex 5811 00 00 , ex 5905 00 70

 

 

36

Weefsels van kunstmatige filamenten, andere dan bandenkoordweefsel bedoeld in categorie 114

 

 

5408 10 00 , 5408 21 00 , 5408 22 10 , 5408 22 90 , 5408 23 00 , 5408 24 00 , 5408 31 00 , 5408 32 00 , 5408 33 00 , 5408 34 00 , ex 5811 00 00 , ex 5905 00 70

 

 

36 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

 

 

ex 5408 10 00 , 5408 22 10 , 5408 22 90 , 5408 23 00 , 5408 24 00 , 5408 32 00 , 5408 33 00 , 5408 34 00 , ex 5811 00 00 , ex 5905 00 70

 

 

37

Weefsels van kunstmatige stapelvezels

 

 

5516 11 00 , 5516 12 00 , 5516 13 00 , 5516 14 00 , 5516 21 00 , 5516 22 00 , 5516 23 10 , 5516 23 90 , 5516 24 00 , 5516 31 00 , 5516 32 00 , 5516 33 00 , 5516 34 00 , 5516 41 00 , 5516 42 00 , 5516 43 00 , 5516 44 00 , 5516 91 00 , 5516 92 00 , 5516 93 00 , 5516 94 00 , ex 5803 00 90 , ex 5905 00 70

 

 

37 a)

waarvan: andere dan ongebleekt of gebleekt

 

 

5516 12 00 , 5516 13 00 , 5516 14 00 , 5516 22 00 , 5516 23 10 , 5516 23 90 , 5516 24 00 , 5516 32 00 , 5516 33 00 , 5516 34 00 , 5516 42 00 , 5516 43 00 , 5516 44 00 , 5516 92 00 , 5516 93 00 , 5516 94 00 , ex 5803 00 90 , ex 5905 00 70

 

 

38 A

Brei- en haakwerk aan het stuk, van synthetische vezels, voor gordijnen en vitrages

 

 

ex 6005 36 00 , ex 6005 37 00 , ex 6005 38 00 , ex 6005 39 00 , ex 6006 31 00 , ex 6006 32 00 , ex 6006 33 00 , ex 6006 34 00

 

 

38 B

Vitrages, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

ex 6303 91 00 , ex 6303 92 90 , ex 6303 99 90

 

 

40

Gordijnen, rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van weefsel, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

 

 

ex 6303 91 00 , ex 6303 92 90 , ex 6303 99 90 , 6304 19 10 , ex 6304 19 90 , 6304 92 00 , ex 6304 93 00 , ex 6304 99 00

 

 

41

Garens van synthetische continuvezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan niet-getextureerde garens, eendraads, niet getwist of met een twist van niet meer dan 50 toeren per meter

 

 

5401 10 12 , 5401 10 14 , 5401 10 16 , 5401 10 18 , 5402 11 00 , 5402 19 00 , 5402 20 00 , 5402 31 00 , 5402 32 00 , 5402 33 00 , 5402 34 00 , 5402 39 00 , 5402 44 00 , 5402 48 00 , 5402 49 00 , 5402 51 00 , 5402 52 00 , 5402 53 00 , 5402 59 00 , 5402 61 00 , 5402 62 00 , 5402 63 00 , 5402 69 00 , ex 5604 90 10 , ex 5604 90 90

 

 

42

Garens van kunstmatige continuvezels, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5401 20 10

 

 

Garens van kunstmatige vezels; kunstmatige filamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan eendraadsgarens van viscoserayon, niet-getwist of met een twist van niet meer dan 250 toeren per meter en niet-getextureerde eendraadsgarens van celluloseacetaat

 

 

5403 10 00 , 5403 32 00 , ex 5403 33 00 , 5403 39 00 , 5403 41 00 , 5403 42 00 , 5403 49 00 , ex 5604 90 10

 

 

43

Synthetische of kunstmatige filamentgarens, garens van kunstmatige stapelvezels en garens van katoen, opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5204 20 00 , 5207 10 00 , 5207 90 00 , 5401 10 90 , 5401 20 90 , 5406 00 00 , 5508 20 90 , 5511 30 00

 

 

46

Wol en fijn haar, gekaard of gekamd

 

 

5105 10 00 , 5105 21 00 , 5105 29 00 , 5105 31 00 , 5105 39 00

 

 

47

Kaardgaren van wol en garens van fijn haar, gekaard, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5106 10 10 , 5106 10 90 , 5106 20 10 , 5106 20 91 , 5106 20 99 , 5108 10 10 , 5108 10 90

 

 

48

Kamgaren van wol en garens van fijn haar, gekamd, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5107 10 10 , 5107 10 90 , 5107 20 10 , 5107 20 30 , 5107 20 51 , 5107 20 59 , 5107 20 91 , 5107 20 99 , 5108 20 10 , 5108 20 90

 

 

49

Garens van wol of van fijn haar, opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5109 10 10 , 5109 10 90 , 5109 90 00

 

 

50

Weefsels van wol of van fijn haar

 

 

5111 11 00 , 5111 19 00 , 5111 20 00 , 5111 30 10 , 5111 30 80 , 5111 90 10 , 5111 90 91 , 5111 90 98 , 5112 11 00 , 5112 19 00 , 5112 20 00 , 5112 30 10 , 5112 30 80 , 5112 90 10 , 5112 90 91 , 5112 90 98

 

 

51

Katoen, gekaard of gekamd

 

 

5203 00 00

 

 

53

Weefsels met gaasbinding, van katoen

 

 

5803 00 10

 

 

54

Kunstmatige stapelvezels, afval daaronder begrepen, gekaard, gekamd of op andere wijze bewerkt met het oog op het spinnen

 

 

5507 00 00

 

 

55

Synthetische stapelvezels, afval daaronder begrepen, gekaard of gekamd of op andere wijze bewerkt met het oog op het spinnen

 

 

5506 10 00 , 5506 20 00 , 5506 40 00 , 5506 90 00

 

 

56

Garens van synthetische stapelvezels, afval daaronder begrepen, opgemaakt voor de verkoop in het klein

 

 

5508 10 90 , 5511 10 00 , 5511 20 00

 

 

58

Tapijten, geknoopt of met opgerolde polen, ook indien geconfectioneerd

 

 

5701 10 10 , 5701 10 90 , 5701 90 10 , 5701 90 90

 

 

59

Tapijten, andere dan die bedoeld in categorie 58

 

 

5702 10 00 , 5702 31 10 , 5702 31 80 , 5702 32 00 , ex 5702 39 00 , 5702 41 10 , 5702 41 90 , 5702 42 00 , ex 5702 49 00 , 5702 50 10 , 5702 50 31 , 5702 50 39 , ex 5702 50 90 , 5702 91 00 , 5702 92 10 , 5702 92 90 , ex 5702 99 00 , 5703 10 00 , 5703 20 12 , 5703 20 18 , 5703 20 92 , 5703 20 98 , 5703 30 12 , 5703 30 18 , 5703 30 82 , 5703 30 88 , 5703 90 20 , 5703 90 80 , 5704 10 00 , 5704 20 00 , 5704 90 00 , 5705 00 30 , ex 5705 00 80

 

 

60

Tapisserieën, met de hand geweven (zoals gobelins, Vlaamse tapisserieën, aubussons, beauvais en dergelijke) of met de naald vervaardigd (bijvoorbeeld halve kruissteek, kruissteek), met de hand vervaardigd in panelen en dergelijke

 

 

5805 00 00

 

 

61

Lint en bolduclint, zijnde lint zonder inslag van aaneengelijmde evenwijdig lopende draden of textielvezels, andere dan etiketten en dergelijke artikelen bedoeld in categorie 62

Elastische weefsels en elastisch passementwerk (met uitzondering van brei- of haakwerk), vervaardigd van met rubberdraden verbonden textielstoffen

 

 

ex 5806 10 00 , 5806 20 00 , 5806 31 00 , 5806 32 10 , 5806 32 90 , 5806 39 00 , 5806 40 00

 

 

62

Chenillegaren, omwoeld garen (ander dan metaalgaren en omwoeld paardenhaar (crin))

 

 

5606 00 91 , 5606 00 99

 

 

Tule, bobinettule en filetweefsel, met uitzondering van weefsel en brei- en haakwerk; kant, mechanisch of met de hand vervaardigd, aan het stuk, in banden of in de vorm van motieven

 

 

5804 10 10 , 5804 10 90 , 5804 21 00 , 5804 29 00 , 5804 30 00

 

 

Etiketten, insignes en dergelijke artikelen van textiel, aan het stuk, in banden of gesneden, geweven, niet geborduurd

 

 

5807 10 10 , 5807 10 90

 

 

Vlechten, passementwerk en dergelijke versieringsartikelen aan het stuk; eikels, kwasten, pompons en dergelijke artikelen

 

 

5808 10 00 , 5808 90 00

 

 

Borduurwerk, aan het stuk, in banden of in de vorm van motieven

 

 

5810 10 10 , 5810 10 90 , 5810 91 10 , 5810 91 90 , 5810 92 10 , 5810 92 90 , 5810 99 10 , 5810 99 90

 

 

63

Brei- en haakwerk aan het stuk, van synthetische vezels, bevattende 5 of meer gewichtspercenten elastomeergarens, en brei- en haakwerk aan het stuk, bevattende 5 of meer gewichtspercenten rubberdraden

 

 

5906 91 00 , ex 6002 40 00 , 6002 90 00 , ex 6004 10 00 , 6004 90 00

 

 

Raschelkant en hoogpolig brei- en haakwerk, van synthetische vezels

 

 

ex 6001 10 00 , 6003 30 10 , ex 6005 36 00 , ex 6005 37 00 , ex 6005 38 00 , ex 6005 39 00

 

 

65

Brei- en haakwerk aan het stuk, ander dan dat bedoeld in de categorieën 38 A en 63, van wol, van katoen, of van synthetische of kunstmatige vezels

 

 

5606 00 10 , ex 6001 10 00 , 6001 21 00 , 6001 22 00 , ex 6001 29 00 , 6001 91 00 , 6001 92 00 , ex 6001 99 00 , ex 6002 40 00 , 6003 10 00 , 6003 20 00 , 6003 30 90 , 6003 40 00 , ex 6004 10 00 , 6005 90 10 , 6005 21 00 , 6005 22 00 , 6005 23 00 , 6005 24 00 , 6005 35 00 , ex 6005 36 00 , ex 6005 37 00 , ex 6005 38 00 , ex 6005 39 00 , 6005 41 00 , 6005 42 00 , 6005 43 00 , 6005 44 00 , 6006 10 00 , 6006 21 00 , 6006 22 00 , 6006 23 00 , 6006 24 00 , ex 6006 31 00 , ex 6006 32 00 , ex 6006 33 00 , ex 6006 34 00 , 6006 41 00 , 6006 42 00 , 6006 43 00 , 6006 44 00

 

 

66

Dekens van wol, van katoen, of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

6301 10 00 , 6301 20 90 , 6301 30 90 , ex 6301 40 90 , ex 6301 90 90

 

 

GROEP III B

10

Handschoenen (met of zonder vingers) en wanten, van brei- of haakwerk

17 paar

59

6111 90 11 , 6111 20 10 , 6111 30 10 , ex 6111 90 90 , 6116 10 20 , 6116 10 80 , 6116 91 00 , 6116 92 00 , 6116 93 00 , 6116 99 00

67

Kledingtoebehoren, van brei- of haakwerk, ander dan voor baby's; huishoudlinnen van alle soorten, van brei- of haakwerk; vitrages, gordijnen en rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van brei- of haakwerk; dekens van brei- of haakwerk; andere artikelen van brei- of haakwerk, delen van kleding of van kledingtoebehoren daaronder begrepen

 

 

5807 90 90 , 6113 00 10 , 6117 10 00 , 6117 80 10 , 6117 80 80 , 6117 90 00 , 6301 20 10 , 6301 30 10 , 6301 40 10 , 6301 90 10 , 6302 10 00 , 6302 40 00 , ex 6302 60 00 , 6303 12 00 , 6303 19 00 , 6304 11 00 , 6304 20 00 , 6304 91 00 , ex 6305 20 00 , 6305 32 11 , ex 6305 32 90 , 6305 33 10 , ex 6305 39 00 , ex 6305 90 00 , 6307 10 10 , 6307 90 10 , ex 9619 00 40 , ex 9619 00 50

 

 

67 a)

waarvan: zakken voor verpakkingsdoeleinden van strippen van polyethyleen of van polypropyleen

 

 

6305 32 11 , 6305 33 10

 

 

69

Onderjurken en onderrokken, van brei- of haakwerk, voor dames of voor meisjes

7,8

128

6108 11 00 , 6108 19 00

70

Kousenbroeken van synthetische vezels, van minder dan 67 decitex (6,7 tex) per enkelvoudige draad

30,4 paar

33

ex 6115 10 10 , 6115 21 00 , 6115 30 19

Dameskousen van synthetische vezels

ex 6115 10 10 , 6115 96 91

72

Badpakken en zwembroeken, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

9,7

103

6112 31 10 , 6112 31 90 , 6112 39 10 , 6112 39 90 , 6112 41 10 , 6112 41 90 , 6112 49 10 , 6112 49 90 , 6211 11 00 , 6211 12 00

74

Mantelpakken, broekpakken en ensembles, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor dames of voor meisjes

1,54

650

6104 13 00 , 6104 19 20 , ex 6104 19 90 , 6104 22 00 , 6104 23 00 , 6104 29 10 , ex 6104 29 90

75

Kostuums en ensembles, van brei- of haakwerk, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, met uitzondering van skipakken, voor heren of voor jongens

0,80

1 250

6103 10 10 , 6103 10 90 , 6103 22 00 , 6103 23 00 , 6103 29 00

84

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

6214 20 00 , 6214 30 00 , 6214 40 00 , ex 6214 90 00

 

 

85

Dassen, strikjes en sjaaldassen, van wol, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels, andere dan die van brei- of haakwerk

17,9

56

6215 20 00 , 6215 90 00

86

Korsetten, jarretelgordels, bretels, jarretelles, kousenbanden en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan, ook indien van brei- of haakwerk

8,8

114

6212 20 00 , 6212 30 00 , 6212 90 00

87

Handschoenen (met of zonder vingers) en wanten, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

ex 6209 90 10 , ex 6209 20 00 , ex 6209 30 00 , ex 6209 90 90 , 6216 00 00

 

 

88

Kousen, sokken en kousenvoetjes, niet van brei- of haakwerk; ander kledingtoebehoren en delen van kleding of van kledingtoebehoren, andere dan voor baby's en andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

ex 6209 90 10 , ex 6209 20 00 , ex 6209 30 00 , ex 6209 90 90 , 6217 10 00 , 6217 90 00

 

 

90

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van synthetische vezels

 

 

5607 41 00 , 5607 49 11 , 5607 49 19 , 5607 49 90 , 5607 50 11 , 5607 50 19 , 5607 50 30 , 5607 50 90

 

 

91

Tenten

 

 

6306 22 00 , 6306 29 00

 

 

93

Zakken voor verpakkingsdoeleinden, van weefsel, andere dan die van strippen van polyethyleen of van polypropyleen

 

 

ex 6305 20 00 , ex 6305 32 90 , ex 6305 39 00

 

 

94

Watten van textielstof en artikelen daarvan; textielvezels met een lengte van niet meer dan 5 mm (scheerhaar), noppen van textielstof

 

 

5601 21 10 , 5601 21 90 , 5601 22 10 , 5601 22 90 , 5601 29 00 , 5601 30 00 , 9619 00 30

 

 

95

Vilt en artikelen daarvan, ook indien geïmpregneerd of bekleed, andere dan tapijten

 

 

5602 10 19 , 5602 10 31 , ex 5602 10 38 , 5602 10 90 , 5602 21 00 , ex 5602 29 00 , 5602 90 00 , ex 5807 90 10 , ex 5905 00 70 , 6210 10 10 , 6307 90 91

 

 

96

Gebonden textielvlies en artikelen daarvan, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen

 

 

5603 11 10 , 5603 11 90 , 5603 12 10 , 5603 12 90 , 5603 13 10 , 5603 13 90 , 5603 14 10 , 5603 14 90 , 5603 91 10 , 5603 91 90 , 5603 92 10 , 5603 92 90 , 5603 93 10 , 5603 93 90 , 5603 94 10 , 5603 94 90 , ex 5807 90 10 , ex 5905 00 70 , 6210 10 92 , 6210 10 98 , ex 6301 40 90 , ex 6301 90 90 , 6302 22 10 , 6302 32 10 , 6302 53 10 , 6302 93 10 , 6303 92 10 , 6303 99 10 , ex 6304 19 90 , ex 6304 93 00 , ex 6304 99 00 , ex 6305 32 90 , ex 6305 39 00 , 6307 10 30 , 6307 90 92 , ex 6307 90 98 , ex 9619 00 40 , ex 9619 00 50

 

 

97

Geknoopte netten van bindgaren, touw of kabel, in banen of aan het stuk; visnetten van garen, bindgaren of touw, geconfectioneerd

 

 

5608 11 20 , 5608 11 80 , 5608 19 11 , 5608 19 19 , 5608 19 30 , 5608 19 90 , 5608 90 00

 

 

98

Andere artikelen van garen, van bindgaren, van touw of van kabel, andere dan weefsels, artikelen van weefsels en artikelen bedoeld in categorie 97

 

 

5609 00 00 , 5905 00 10

 

 

99

Weefsels bedekt met lijm of met zetmeelachtige stoffen, van de soort gebruikt voor het boekbinden, voor het kartonneren, voor foedraalwerk of voor dergelijk gebruik; calqueerlinnen en tekenlinnen; schilderdoek; stijflinnen (buckram) en dergelijke weefsels van de soort gebruikt voor steunvormen van hoeden

 

 

5901 10 00 , 5901 90 00

 

 

Linoleum, ook indien in bepaalde vorm gesneden; vloerbedekking, bestaande uit een deklaag of een bekleding op een drager van textiel, ook indien in bepaalde vorm gesneden

 

 

5904 10 00 , 5904 90 00

 

 

Gegummeerde weefsels, andere dan die van brei- of haakwerk, met uitzondering van bandenkoordweefsel

 

 

5906 10 00 , 5906 99 10 , 5906 99 90

 

 

Weefsels, anderszins geïmpregneerd of bekleed; beschilderd doek voor theatercoulissen of voor achtergronden van studio's, ander dan bedoeld in categorie 100

 

 

5907 00 00

 

 

100

Weefsels, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van bereidingen van cellulosederivaten of van andere kunststoffen

 

 

5903 10 10 , 5903 10 90 , 5903 20 10 , 5903 20 90 , 5903 90 10 , 5903 90 91 , 5903 90 99

 

 

101

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, andere dan die van synthetische vezels

 

 

ex 5607 90 90

 

 

109

Dekkleden, zeilen voor schepen en zonneschermen voor winkelpuien en dergelijke

 

 

6306 12 00 , 6306 19 00 , 6306 30 00

 

 

110

Luchtbedden van weefsel

 

 

6306 40 00

 

 

111

Kampeerartikelen, andere dan luchtbedden en tenten, van weefsel

 

 

6306 90 00

 

 

112

Andere geconfectioneerde artikelen van weefsel, met uitzondering van die bedoeld in de categorieën 113 en 114

 

 

6307 20 00 , ex 6307 90 98

 

 

113

Dweilen, vaatdoeken en stofdoeken, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

6307 10 90

 

 

114

Weefsels en artikelen van weefsel, voor technisch gebruik

 

 

5902 10 10 , 5902 10 90 , 5902 20 10 , 5902 20 90 , 5902 90 10 , 5902 90 90 , 5908 00 00 , 5909 00 10 , 5909 00 90 , 5910 00 00 , 5911 10 00 , ex 5911 20 00 , 5911 31 11 , 5911 31 19 , 5911 31 90 , 5911 32 11 , 5911 32 19 , 5911 32 90 , 5911 40 00 , 5911 90 10 , 5911 90 91 , 5911 90 99

 

 

GROEP IV

115

Garens van vlas of van ramee

 

 

5306 10 10 , 5306 10 30 , 5306 10 50 , 5306 10 90 , 5306 20 10 , 5306 20 90 , 5308 90 12 , 5308 90 19

 

 

117

Weefsels van vlas of van ramee

 

 

5309 11 10 , 5309 11 90 , 5309 19 00 , 5309 21 00 , 5309 29 00 , 5311 00 10 , ex 5803 00 90 , 5905 00 30

 

 

118

Tafel- en huishoudlinnen, van vlas of van ramee, ander dan dat van brei- of haakwerk

 

 

6302 29 10 , 6302 39 20 , 6302 59 10 , ex 6302 59 90 , 6302 99 10 , ex 6302 99 90

 

 

120

Vitrages, gordijnen en rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen, en andere artikelen voor stoffering, van vlas of van ramee, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

ex 6303 99 90 , 6304 19 30 , ex 6304 99 00

 

 

121

Bindgaren, touw of kabel, al dan niet gevlochten, van vlas of van ramee

 

 

ex 5607 90 90

 

 

122

Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van vlas, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

ex 6305 90 00

 

 

123

Fluweel, pluche en chenilleweefsel, van vlas of van ramee, andere dan lint

 

 

5801 90 10 , ex 5801 90 90

 

 

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van vlas of van ramee, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

ex 6214 90 00

 

 

GROEP V

124

Synthetische stapelvezels

 

 

5501 10 00 , 5501 20 00 , 5501 30 00 , 5501 40 00 , 5501 90 00 , 5503 11 00 , 5503 19 00 , 5503 20 00 , 5503 30 00 , 5503 40 00 , 5503 90 00 , 5505 10 10 , 5505 10 30 , 5505 10 50 , 5505 10 70 , 5505 10 90

 

 

125 A

Synthetische continufilamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan de garens bedoeld in categorie 41

 

 

5402 45 00 , 5402 46 00 , 5402 47 00

 

 

125 B

Synthetische monofilamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) en imitatiecatgut, van synthetische textielstoffen

 

 

5404 11 00 , 5404 12 00 , 5404 19 00 , 5404 90 10 , 5404 90 90 , ex 5604 90 10 , ex 5604 90 90

 

 

126

Kunstmatige stapelvezels

 

 

5502 10 00 , 5502 90 00 , 5504 10 00 , 5504 90 00 , 5505 20 00

 

 

127 A

Kunstmatige continufilamentgarens, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, andere dan de garens bedoeld in categorie 42

 

 

5403 31 00 , ex 5403 32 00 , ex 5403 33 00

 

 

127 B

Kunstmatige monofilamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm (bijvoorbeeld kunststro) en imitatiecatgut, van kunstmatige textielstoffen

 

 

5405 00 00 , ex 5604 90 90

 

 

128

Grof haar, gekaard of gekamd

 

 

5105 40 00

 

 

129

Garens van grof haar of van paardenhaar (crin)

 

 

5110 00 00

 

 

130 A

Garens van zijde, andere dan de garens van afval van zijde

 

 

5004 00 10 , 5004 00 90 , 5006 00 10

 

 

130 B

Garens van zijde, andere dan die bedoeld in categorie 130 A; poil de Messine (crin de Florence)

 

 

5005 00 10 , 5005 00 90 , 5006 00 90 , ex 5604 90 90

 

 

131

Garens van andere plantaardige textielvezels

 

 

5308 90 90

 

 

132

Papiergarens

 

 

5308 90 50

 

 

133

Garens van hennep

 

 

5308 20 10 , 5308 20 90

 

 

134

Metaalgarens

 

 

5605 00 00

 

 

135

Weefsels van grof haar of van paardenhaar (crin)

 

 

5113 00 00

 

 

136

Weefsels van zijde of van afval van zijde

 

 

5007 10 00 , 5007 20 11 , 5007 20 19 , 5007 20 21 , 5007 20 31 , 5007 20 39 , 5007 20 41 , 5007 20 51 , 5007 20 59 , 5007 20 61 , 5007 20 69 , 5007 20 71 , 5007 90 10 , 5007 90 30 , 5007 90 50 , 5007 90 90 , 5803 00 30 , ex 5905 00 90 , ex 5911 20 00

 

 

137

Fluweel, pluche, chenilleweefsel en lint, van zijde of van afval van zijde

 

 

ex 5801 90 90 , ex 5806 10 00

 

 

138

Weefsels van papiergarens of van andere textielvezels, andere dan die van ramee

 

 

5311 00 90 , ex 5905 00 90

 

 

139

Weefsels van metaaldraad of van metaalgarens

 

 

5809 00 00

 

 

140

Brei- en haakwerk aan het stuk, van andere textielstoffen dan van wol of fijn haar, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

 

 

ex 6001 10 00 , ex 6001 29 00 , ex 6001 99 00 , 6003 90 00 , 6005 90 90 , 6006 90 00

 

 

141

Dekens van andere textielstoffen dan van wol of fijn haar, van katoen of van synthetische of kunstmatige vezels

 

 

ex 6301 90 90

 

 

142

Tapijten van sisal, van andere textielvezels van agaven of van abaca (manillahennep)

 

 

ex 5702 39 00 , ex 5702 49 00 , ex 5702 50 90 , ex 5702 99 00 , ex 5705 00 80

 

 

144

Vilt van grof haar

 

 

ex 5602 10 38 , ex 5602 29 00

 

 

145

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van abaca (manillahennep) of van hennep

 

 

ex 5607 90 20 , ex 5607 90 90

 

 

146 A

Bindtouw voor landbouwmachines, van sisal of van andere textielvezels van agaven

 

 

ex 5607 21 00

 

 

146 B

Bindgaren, touw en kabel van sisal of van andere textielvezels van agaven, andere dan de producten bedoeld in categorie 146 A

 

 

ex 5607 21 00 , 5607 29 00

 

 

146 C

Bindgaren, touw en kabel, al dan niet gevlochten, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

 

 

ex 5607 90 20

 

 

147

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), ander dan niet gekamd of niet gekaard

 

 

ex 5003 00 00

 

 

148 A

Garens van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

 

 

5307 10 00 , 5307 20 00

 

 

148 B

Kokosgarens

 

 

5308 10 00

 

 

149

Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van meer dan 150 cm

 

 

5310 10 90 , ex 5310 90 00

 

 

150

Weefsels van jute of van andere bastvezels, met een breedte van niet meer dan 150 cm; zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels, andere dan gebruikte

 

 

5310 10 10 , ex 5310 90 00 , 5905 00 50 , 6305 10 90

 

 

151 A

Tapijten van kokosvezel

 

 

5702 20 00

 

 

151 B

Tapijten van jute of van andere bastvezels, andere dan getuft of gevlokt

 

 

ex 5702 39 00 , ex 5702 49 00 , ex 5702 50 90 , ex 5702 99 00

 

 

152

Naaldgetouwvilt van jute of van andere bastvezels, niet geïmpregneerd of bekleed, ander dan tapijt

 

 

5602 10 11

 

 

153

Gebruikte zakken voor verpakkingsdoeleinden, van jute of van andere bastvezels bedoeld bij post 5303

 

 

6305 10 10

 

 

154

Cocons van zijderupsen, geschikt om te worden afgehaspeld

 

 

5001 00 00

 

 

Ruwe zijde, niet gemoulineerd

 

 

5002 00 00

 

 

Afval van zijde (cocons ongeschikt om te worden afgehaspeld, afval van garens en rafelingen daaronder begrepen), niet gekaard en niet gekamd

 

 

ex 5003 00 00

 

 

Wol, niet gekaard en niet gekamd

 

 

5101 11 00 , 5101 19 00 , 5101 21 00 , 5101 29 00 , 5101 30 00

 

 

Fijn haar en grof haar, niet gekaard en niet gekamd

 

 

5102 11 00 , 5102 19 10 , 5102 19 30 , 5102 19 40 , 5102 19 90 , 5102 20 00

 

 

Afval van wol of fijn of grof dierlijk haar, met inbegrip van garen, met uitzondering van rafelingen

 

 

5103 10 10 , 5103 10 90 , 5103 20 00 , 5103 30 00

 

 

Rafelwol en rafelingen van fijn haar of van grof haar

 

 

5104 00 00

 

 

Vlas, ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van vlas

 

 

5301 10 00 , 5301 21 00 , 5301 29 00 , 5301 30 00

 

 

Ramee en andere plantaardige textielvezels, andere dan kokosvezel en abaca (manillahennep), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval van deze vezels

 

 

5305 00 00

 

 

Katoen, niet gekaard en niet gekamd

 

 

5201 00 10 , 5201 00 90

 

 

Afval van katoen (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen)

 

 

5202 10 00 , 5202 91 00 , 5202 99 00

 

 

Hennep (Cannabis sativa L.), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van hennep

 

 

5302 10 00 , 5302 90 00

 

 

Abaca (manillahennep of Musa textilis Nee), ruw of bewerkt doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van abaca

 

 

5305 00 00

 

 

Jute en andere bastvezels (met uitzondering van vlas, hennep en ramee), ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van deze vezels

 

 

5303 10 00 , 5303 90 00

 

 

Andere plantaardige textielvezels, ruw of bewerkt, doch niet gesponnen; werk en afval (afval van garen en rafelingen daaronder begrepen), van deze vezels

 

 

5305 00 00

 

 

156

Blouses, pullovers en slip-overs, van brei- of haakwerk, van zijde of van afval van zijde, voor dames of voor meisjes

 

 

6106 90 30 , ex 6110 90 90

 

 

157

Kleding van brei- of haakwerk, andere dan die van de categorieën 1 tot en met 123 en 156

 

 

ex 6101 90 20 , ex 6101 90 80 , 6102 90 10 , 6102 90 90 , ex 6103 39 00 , ex 6103 49 00 , ex 6104 19 90 , ex 6104 29 90 , ex 6104 39 00 , 6104 49 00 , ex 6104 69 00 , 6106 90 50 , 6106 90 90 , ex 6107 99 00 , ex 6108 99 00 , 6110 90 10 , ex 6110 90 90 , ex 6111 90 90 , ex 6114 90 00

 

 

159

Japonnen, blouses en hemdblouses, van zijde of van afval van zijde, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

6204 49 10 , 6206 10 00

 

 

Sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen, van zijde of van afval van zijde, andere dan die van brei- of haakwerk

 

 

6214 10 00

 

 

Dassen, strikjes en sjaaldassen, van zijde of van afval van zijde

 

 

6215 10 00

 

 

160

Zakdoeken, van zijde of van afval van zijde

 

 

ex 6213 90 00

 

 

161

Kleding, andere dan die van brei- of haakwerk en andere dan die bedoeld in de categorieën 1 tot en met 123 en 159

 

 

6201 19 00 , 6201 99 00 , 6202 19 00 , 6202 99 00 , 6203 19 90 , 6203 29 90 , 6203 39 90 , 6203 49 90 , 6204 19 90 , 6204 29 90 , 6204 39 90 , 6204 49 90 , 6204 59 90 , 6204 69 90 , 6205 90 10 , ex 6205 90 80 , 6206 90 10 , 6206 90 90 , ex 6211 20 00 , ex 6211 39 00 , ex 6211 49 00 , ex 9619 00 50

 

 

163

Weefsels met gaasbinding en werken daarvan, gereed voor de verkoop in het klein

 

 

3005 90 31 ”

 

 


6.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 32/35


VERORDENING (EU) 2018/174 VAN DE COMMISSIE

van 2 februari 2018

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1177/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake de communautaire statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC), wat betreft de lijst van secundaire doelvariabelen voor 2019 betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand, samenstelling van huishoudens en inkomensontwikkeling

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1177/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2003 inzake de communautaire statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC) (1), en met name artikel 15, lid 2, onder f),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1177/2003 is een gemeenschappelijk kader voor de systematische productie van Europese statistieken over inkomens en levensomstandigheden vastgesteld, om te verzekeren dat op nationaal en Unieniveau vergelijkbare en bijgewerkte transversale en longitudinale gegevens over de inkomens en over de omvang en structuur van armoede en sociale uitsluiting beschikbaar zijn.

(2)

Op grond van artikel 15, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 1177/2003 moeten elk jaar uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld om de secundaire doelgebieden en -variabelen te specificeren die dat jaar moeten worden opgenomen in het transversale gedeelte van de EU-SILC. Daarom moeten er uitvoeringsmaatregelen worden aangenomen waarin de secundaire doelvariabelen en identificatiecodes voor de module 2019 betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand, samenstelling van huishoudens en inkomensontwikkeling worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De lijst met secundaire doelvariabelen en identificatiecodes voor 2019 betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand, samenstelling van huishoudens en inkomensontwikkeling, onderdeel van het transversale gedeelte van de EU-SILC, is opgenomen in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 165 van 3.7.2003, blz. 1.


BIJLAGE

De secundaire doelvariabelen en identificatiecodes voor de module 2019 betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand, samenstelling van huishoudens en inkomensontwikkeling, onderdeel van het transversale gedeelte van de EU-SILC, zijn als volgt:

1.   Eenheden

De informatie over de variabelen betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand wordt verstrekt voor alle huidige leden van het huishouden of, indien van toepassing, voor alle geselecteerde respondenten ouder dan 24 jaar doch jonger dan 60 jaar.

De informatie over de inkomensontwikkeling en samenstelling van huishoudens is van toepassing op het niveau van het huishouden en verwijst naar het huishouden als een geheel.

2.   Wijze van gegevensverzameling

Voor variabelen die van toepassing zijn op het individuele niveau is de wijze van gegevensverzameling een persoonlijk interview met alle huidige leden van het huishouden of, indien van toepassing, alle geselecteerde respondenten die ouder zijn dan 24 jaar doch jonger dan 60 jaar.

Voor variabelen die van toepassing zijn op het niveau van het huishouden worden de gegevens verzameld door middel van een persoonlijk interview met de respondent van het huishouden.

Bij wijze van uitzondering zijn interviews met een vervanger toegestaan als de persoon zelf tijdelijk afwezig is of niet ondervraagd kan worden.

3.   Referentieperiode

Voor variabelen betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand is de referentieperiode de periode waarin de ondervraagde rond 14 jaar oud was.

Voor variabelen die betrekking hebben op inkomensontwikkeling en samenstelling van huishoudens (indeling huishouden) is de huidige periode de referentieperiode.

4.   Definities betreffende de intergenerationele overdracht van achterstand

1)   Vader: de persoon die de ondervraagde als zijn/haar vader beschouwde toen hij/zij rond 14 jaar oud was. Over het algemeen zal de vader de biologische vader zijn, maar als de ondervraagde iemand anders als de vader ten tijde van de referentieperiode beschouwt, moeten de antwoorden op hem betrekking hebben, ook al was de biologische vader nog in leven en bekend.

2)   Moeder: de persoon die de ondervraagde als zijn/haar moeder beschouwde toen hij/zij rond 14 jaar oud was. Over het algemeen zal de moeder de biologische moeder zijn, maar als de ondervraagde iemand anders als de moeder ten tijde van de referentieperiode beschouwt, moeten de antwoorden op haar betrekking hebben, ook al was de biologische moeder nog in leven en bekend.

3)   Huishouden: heeft betrekking op het huishouden waarin de respondent woonde toen hij/zij rond 14 jaar oud was.

Als de ouders van de respondent wettelijk of feitelijk gescheiden waren en het zorgrecht deelden (iedere ouder 50 % van de tijd), kan de respondent:

zijn/haar huishouden kiezen op een objectieve basis aan de hand van zijn/haar hoofdadres toen hij/zij rond 14 jaar oud was (d.w.z. het adres in het bevolkingsregister en/of op zijn/haar identiteitsbewijs/paspoort);

of op een subjectieve basis al naargelang van het huishouden waarin hij/zij zich meer thuis voelde toen hij/zij rond 14 jaar oud was.

Als de ouders van de respondent wettelijk of feitelijk gescheiden waren en het zorgrecht niet deelden, is het huishouden het huishouden waar de respondent de gehele tijd of het grootste gedeelte van de tijd woonde.

De secundaire doelvariabelen worden naar de Commissie (Eurostat) verzonden in het bestand met gegevens over het huishouden (H) en in het bestand met individuele gegevens (P), na de primaire doelvariabelen.

 

Testmodule 2019

Intergenerationele overdracht van achterstand

Naam variabele

Code

Doelvariabele

Gezinsgegevens

PT220

 

Soort huishouden toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Particulier huishouden

2

Woonde in een collectief huishouden of in een instelling

PT220_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT230

 

Aanwezigheid van de moeder toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Ja

2

Neen, zij woonde niet in hetzelfde huishouden, maar ik had contact met haar

3

Neen, zij woonde niet in hetzelfde huishouden en ik had geen contact met haar

4

Neen, overleden

PT0230_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT240

 

Aanwezigheid van de vader toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Ja

2

Neen, hij woonde niet in hetzelfde huishouden, maar ik had contact met hem

3

Neen, hij woonde niet in hetzelfde huishouden en ik had geen contact met hem

4

Neen, overleden

PT240_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT020

 

Aantal volwassenen toen de respondent rond 14 jaar oud was

Aantal (2 cijfers) 0-99

PT020_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT030

 

Aantal kinderen toen de respondent rond 14 jaar oud was

Aantal (2 cijfers) 0-99

PT030_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT040

 

Aantal werkende personen in het huishouden toen de respondent rond 14 jaar oud was

Aantal (2 cijfers) 0-99

PT040_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT250

 

Urbanisatiegraad toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Stad (meer dan 100 000 inwoners)

2

Stad of buitenwijk (10 000 tot 100 000 inwoners)

3

Landelijk gebied, kleine stad of dorp (minder dan 10 000 inwoners)

PT250_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT210

 

Woonstatus toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Eigen woning

2

Gehuurd

3

Gratis onderdak

– 1

Weet ik niet

PT210_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

Afkomst ouders

PT060

 

Geboorteland vader

 

Geboorteland van de vader (SCL GEO alpha-2 code)

– 1

Weet ik niet

PT060_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. vader niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT070

 

Staatsburgerschap vader

 

Land van het belangrijkste staatsburgerschap (SCL GEO alpha-2 code)

– 1

Weet ik niet

PT070_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. vader niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT090

 

Geboorteland moeder

 

Geboorteland van de moeder (SCL GEO alpha-2 code)

– 1

Weet ik niet

PT090_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. moeder niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT100

 

Staatsburgerschap moeder

 

Land van het belangrijkste staatsburgerschap (SCL GEO alpha-2 code)

– 1

Weet ik niet

PT100_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. moeder niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

Gegevens over onderwijs

PT110

 

Hoogste onderwijsniveau van de vader

1

Laag niveau (kleuteronderwijs, lager of lager middelbaar onderwijs)

2

Middelbaar niveau (hoger middelbaar onderwijs of postsecundair niet-tertiair onderwijs)

3

Hoog niveau (tertiair onderwijs korte cyclus, bachelor of gelijkwaardig, master of gelijkwaardig, doctoraat of gelijkwaardig)

– 1

Weet ik niet

PT110_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. vader niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019

PT120

 

Hoogste onderwijsniveau van de moeder

1

Laag niveau (kleuteronderwijs, lager of lager middelbaar onderwijs)

2

Middelbaar niveau (hoger middelbaar onderwijs of postsecundair niet-tertiair onderwijs)

3

Hoog niveau (tertiair onderwijs korte cyclus, bachelor of gelijkwaardig, master of gelijkwaardig, doctoraat of gelijkwaardig)

– 1

Weet ik niet

PT120_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. moeder niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

Beroepsgegevens

PT130

 

Status activiteit van de vader toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Werknemer met een voltijdbaan

2

Werknemer met een deeltijdbaan

3

Zelfstandige of meewerkend in een familiebedrijf

4

Werkloos/werkzoekend

5

Gepensioneerd

6

Permanent arbeidsongeschikt en/of niet in staat om te werken

7

Huishoudelijke taken en zorgverantwoordelijkheden

8

Anderszins niet-actief

– 1

Weet ik niet

PT130_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. vader niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT140

 

Leidinggevende functie van de vader toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Ja

2

Neen

– 1

Weet ik niet

PT140_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 4

N.v.t. vader werkt niet (werkloos)

– 5

N.v.t. vader niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT150

 

Belangrijkste bezigheid van de vader toen de respondent rond 14 jaar oud was

 

ISCO-08(COM)-code (1 cijfer)

– 1

Weet ik niet

PT150_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 4

N.v.t. vader werkt niet (werkloos)

– 5

N.v.t. vader niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT160

 

Status activiteit van de moeder toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Werknemer met een voltijdbaan

2

Werknemer met een deeltijdbaan

3

Zelfstandige of meewerkend in een familiebedrijf

4

Werkloos/werkzoekend

5

Gepensioneerd

6

Permanent arbeidsongeschikt en/of niet in staat om te werken

7

Huishoudelijke taken en zorgverantwoordelijkheden

8

Anderszins niet-actief

– 1

Weet ik niet

PT160_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 5

N.v.t. moeder niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT170

 

Leidinggevende functie van de moeder toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Ja

2

Neen

– 1

Weet ik niet

PT170_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 4

N.v.t. moeder werkt niet (werkloos)

– 5

N.v.t. moeder niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT180

 

Belangrijkste bezigheid van de moeder toen de respondent rond 14 jaar oud was

 

ISCO-08(COM)-code (1 cijfer)

– 1

Weet ik niet

PT180_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 4

N.v.t. moeder werkt niet (werkloos)

– 5

N.v.t. moeder niet aanwezig en geen contact of overleden

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

Materiële deprivatie

PT190

 

Financiële situatie van het huishouden toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Zeer slecht

2

Slecht

3

Vrij slecht

4

Vrij goed

5

Goed

6

Zeer goed

– 1

Weet ik niet

PT190_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT260

 

Vervulde basisonderwijsbehoeften (boeken en benodigdheden voor school) toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Ja

2

Neen, vanwege financiële redenen

3

Neen, andere redenen

PT260_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT270

 

Een dagelijkse maaltijd met vlees, kip, vis (of een vegetarische equivalent) toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Ja

2

Nee, vanwege financiële beperkingen

3

Nee, andere reden

PT270_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

PT280

 

Een week vakantie per jaar weg van huis toen de respondent rond 14 jaar oud was

1

Ja

2

Neen, vanwege financiële beperkingen

3

Neen, andere reden

PT280_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (woonde in een collectief huishouden of in een instelling)

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 6

Niet in de leeftijdscategorie 25-59

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

 

Operationele testmodule 2019

Inkomensontwikkeling en samenstelling van huishoudens

Naam variabele

Code

Doelvariabele

HI010

 

Verandering van inkomsten ten opzichte van het voorgaande jaar (FACULTATIEF)

1

Toegenomen

2

Is min of meer hetzelfde gebleven

3

Afgenomen

HI010_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

HI020

 

Reden voor de toename (FACULTATIEF)

1

Indexering/herbeoordeling van salaris

2

Toename van arbeidstijd, loon of salaris (dezelfde baan)

3

Terugkeer op de arbeidsmarkt na ziekte, ouderschap, ouderschapsverlof, zorg voor een kind of een persoon met een ziekte of een handicap

4

Nieuwe baan of verandering van baan

5

Wijziging in samenstelling huishouden

6

Toename van de sociale uitkeringen

7

Overig

HI020_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

Niet van toepassing HI010≠1

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

HI030

 

Reden voor de afname van de inkomsten (FACULTATIEF)

1

Vermindering (onvrijwillig) van arbeidstijd, loon of salaris (dezelfde baan), met inbegrip van zelfstandig werk

2

Ouderschap/ouderschapsverlof/zorg voor een kind/zorg voor een persoon met een ziekte of een handicap

3

Verandering van baan

4

Verlies van werk/werkloosheid/het faillissement van een (eigen) onderneming

5

Arbeidsongeschikt geworden als gevolg van ziekte of handicap

6

Echtscheiding/beëindiging van partnerschap/andere wijziging in samenstelling huishouden

7

Ouderdomspensioen

8

Verlaging van de sociale uitkeringen

9

Overig

HI030_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

Niet van toepassing HI010≠3

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

HI040

 

Toekomstig inkomen (FACULTATIEF)

1

Toename

2

Geen verandering

3

Afname

HI040_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 3

„Niet-geselecteerde respondent”

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)

HGYX (1)

 

Indeling huishouden (FACULTATIEF)  (2)

10

Partner (laag niveau)

11

Echtgenoot/echtgenote/geregistreerde partner (hoog niveau)

12

Partner/samenwonend (hoog niveau)

20

Zoon/dochter (laag niveau)

21

Natuurlijke/geadopteerde zoon/dochter (hoog niveau)

22

Stiefzoon/stiefdochter (hoog niveau)

30

Schoonzoon/schoondochter (laag; hoog niveau)

40

Kleinkind (laag; hoog niveau)

50

Ouder (laag niveau)

51

Natuurlijke ouder/adoptieouder (hoog niveau)

52

Stiefouder (hoog niveau)

60

Schoonouder (laag; hoog niveau)

70

Grootouder (laag; hoog niveau)

80

Broer/zus (laag niveau)

81

Natuurlijke broer/zus (hoog niveau)

82

Stiefbroer/-zus (hoog niveau)

90

Ander familielid (laag; hoog niveau)

95

Ander niet-familielid (laag; hoog niveau)

99

Niet vermeld (laag; hoog niveau)

HGYX_F

1

Ingevuld

– 1

Ontbreekt

– 2

N.v.t. (eenpersoonshuishouden)

– 7

Niet van toepassing (RB010≠2019)


(1)  X = 1,…, aantal personen in het huishouden – 1

Y = 2,…, aantal personen in het huishouden

Y > X.

(2)  Er kunnen ofwel antwoordcategorieën met een laag of hoog niveau worden gebruikt.


6.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 32/48


VERORDENING (EU) 2018/175 VAN DE COMMISSIE

van 2 februari 2018

tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (1), en met name artikel 26,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 is bepaald dat gedistilleerde dranken van categorie 9 „Vruchten-eau-de-vie” de verkoopbenaming „eau-de-vie” moeten dragen, met daarvóór de naam van de gebruikte vrucht, bes of groente. In een aantal officiële talen bevat de naam van de vrucht in dergelijke verkoopbenamingen echter gewoonlijk een achtervoegsel. Daarom moet bij vruchten-eaux-de-vie die in die officiële talen zijn geëtiketteerd, worden toegestaan dat de naam van de vrucht in de verkoopbenaming een achtervoegsel bevat.

(2)

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 is in categorie 10 „Appelcider-eau-de-vie en perencider-eau-de-vie” niet duidelijk aangegeven dat appelcider en perencider samen mogen worden gedistilleerd om deze categorie gedistilleerde drank te verkrijgen. In sommige gevallen wordt de gedistilleerde drank echter traditioneel verkregen uit de distillatie van appelcider en perencider tezamen. Daarom moet de omschrijving van deze categorie gedistilleerde dranken worden gewijzigd en moet uitdrukkelijk worden vermeld dat appelcider en perencider bij traditionele productiemethoden ook samen mogen worden gedistilleerd. Voor die gevallen moet tevens worden bepaald hoe de verkoopbenaming dient te luiden. Om problemen voor de exploitanten te voorkomen, moet voorts worden voorzien in een overgangsbepaling voor de verkoopbenaming van gedistilleerde dranken die vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening zijn geproduceerd.

(3)

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor gedistilleerde dranken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt f) van categorie 9 wordt vervangen door:

„f)

De verkoopbenaming van een vruchten-eau-de-vie is „-eau-de-vie”, voorafgegaan door de naam van de vrucht, bes of groente zoals: kersen-eau-de-vie of kirsch, pruimen-eau-de-vie of slivovitz, mirabellen-eau-de-vie en voorts dergelijke benamingen met als eerste element perziken-, appel-, peren-, abrikozen-, vijgen-, citrusvruchten-, druiven- of de naam van een andere vrucht. In de Griekse, de Kroatische, de Poolse, de Sloveense, de Slowaakse, de Roemeense en de Tsjechische taal mag de naam van de vrucht in de verkoopbenaming een achtervoegsel bevatten.

Vruchten-eau-de-vie mag ook de verkoopbenaming -wasser, voorafgegaan door de naam van de vrucht, dragen.

Uitsluitend voor de volgende vruchten mag „-eau-de-vie”, voorafgegaan door de naam van de vrucht, worden vervangen door alleen de naam van de vrucht:

mirabellen (Prunus domestica L. subsp. syriaca (Borkh.), Janch. ex Mansf.),

pruimen (Prunus domestica L.),

kwetsen (Prunus domestica L.),

aardbeiboomvruchten (Arbutus unedo L.),

appels van het ras Golden Delicious.

Mocht het gevaar bestaan dat een van deze verkoopbenamingen zonder het woord „eau-de-vie” niet goed te begrijpen is voor de eindverbruiker, dan moet op de etikettering en in de presentatie de term „eau-de-vie” worden vermeld, eventueel met een toelichting.”.

2)

Categorie 10 wordt vervangen door:

„10.

Appelcider-eau-de-vie, perencider-eau-de-vie en appel- en perencider-eau-de-vie

a)

Appelcider-eau-de-vie, perencider-eau-de-vie en appel- en perencider-eau-de-vie zijn gedistilleerde dranken die aan de volgende voorwaarden voldoen:

i)

ze zijn uitsluitend verkregen door appelcider of perencider tot minder dan 86 % vol te distilleren op zodanige wijze dat het distillatieproduct een aroma en een smaak heeft die afkomstig zijn van de vruchten;

ii)

ze hebben een gehalte aan vluchtige stoffen dat ten minste 200 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol bedraagt;

iii)

ze hebben een gehalte aan methanol dat ten hoogste 1 000 gram per hectoliter alcohol van 100 % vol bedraagt.

De voorwaarde van punt i) mag niet leiden tot de uitsluiting van gedistilleerde dranken die geproduceerd zijn op basis van traditionele productiemethoden waarbij appelcider en perencider samen worden gedistilleerd. In die gevallen luidt de verkoopbenaming „appel- en perencider-eau-de-vie”.

b)

Het alcoholvolumegehalte van appelcider-eau-de-vie, perencider-eau-de-vie en appel- en perencider-eau-de-vie bedraagt ten minste 37,5 %.

c)

Aan appelcider-eau-de-vie, perencider-eau-de-vie en appel- en perencider-eau-de-vie mag geen alcohol, al dan niet verdund, in de zin van punt 5 van bijlage I worden toegevoegd.

d)

Appelcider-eau-de-vie, perencider-eau-de-vie en appel- en perencider-eau-de-vie mogen niet worden gearomatiseerd.

e)

Als middel om de kleur aan te passen, mag aan appelcider-eau-de-vie, perencider-eau-de-vie en appel- en perencider-eau-de-vie uitsluitend karamel worden toegevoegd.”

Artikel 2

Gedistilleerde dranken van categorie 10 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 en verkoopbenamingen daarvan die aan de eisen van die verordening voldoen op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige verordening, mogen nog in de handel worden gebracht totdat de voorraden zijn uitgeput.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16.


BESLUITEN

6.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 32/50


BESLUIT (EU) 2018/176 VAN DE RAAD

van 29 januari 2018

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (de „EER-overeenkomst”) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)

Bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Het door de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt moet derhalve worden gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerp-besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerp-besluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 29 januari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).


ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2018 VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

van …

tot wijziging van BIJLAGE XIII (Vervoer) bij de EER-overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (1) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(2)

Bijlage XIII bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage XIII bij de EER-overeenkomst wordt na punt 5 (geschrapt) het volgende punt ingevoegd:

„5a.

32014 L 0094: Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).

De bepalingen van de richtlijn worden, voor de toepassing van deze overeenkomst, als volgt gelezen:

a)

Wat betreft de EVA-staten, wordt „het VWEU” in artikel 3, lid 5, vervangen door „de EER-overeenkomst”.

b)

Artikel 6 is niet van toepassing op IJsland.

c)

Deze richtlijn is niet van toepassing op Liechtenstein.”.

Artikel 2

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van Richtlijn 2014/94/EU zijn authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op […], op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden (*1).

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen van het Gemengd Comité van de EER


(1)  PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1.

(*1)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]


AANBEVELINGEN

6.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 32/52


AANBEVELING (EU) 2018/177 VAN DE COMMISSIE

van 2 februari 2018

over de elementen die moeten worden opgenomen in de technische, juridische en financiële regelingen tussen de lidstaten voor de toepassing van het solidariteitsmechanisme overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien artikel 13, lid 12, van Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 194, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat het energiebeleid van de EU gericht moet zijn op de continuïteit van de energievoorziening in de Unie, in een geest van solidariteit tussen de lidstaten.

(2)

De verordening betreffende de gasleveringszekerheid strekt ertoe de solidariteit en het vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten en de werking van de interne gasmarkt zo lang mogelijk in stand te houden, zelfs bij een aanvoertekort.

(3)

Bij deze verordening wordt voor het eerst een solidariteitsmechanisme tussen de lidstaten ingesteld om de gevolgen van een ernstige noodsituatie binnen de Unie te beperken en de gastoevoer naar door solidariteit beschermde afnemers te waarborgen.

(4)

Bij de vaststelling van de maatregelen die nodig zijn om het solidariteitsmechanisme toe te passen, moeten de lidstaten overeenstemming bereiken over een aantal technische, juridische en financiële aspecten in hun bilaterale regelingen en deze toelichten in hun noodplannen.

(5)

Om de lidstaten te helpen bij de toepassing, en na raadpleging van de Groep coördinatie gas, heeft de Commissie deze niet-bindende richtsnoeren opgesteld over de belangrijkste elementen die moeten worden opgenomen in deze regelingen,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.

De lidstaten nemen de juridisch niet-bindende richtsnoeren in de bijlage bij deze aanbeveling in acht. Aan de hand van deze richtsnoeren kunnen de lidstaten technische, juridische en financiële regelingen vaststellen om te voldoen aan de in artikel 13 van Verordening (EU) 2017/1938 vastgestelde solidariteitsverplichtingen en deze toelichten in de noodplannen die moeten worden opgesteld overeenkomstig die verordening.

2.

Deze aanbeveling wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 2 februari 2018.

Voor de Commissie

Miguel ARIAS CAÑETE

Lid van de Commissie


(1)  PB L 280 van 28.10.2017, blz. 1.


BIJLAGE

I.   INLEIDING

Met Verordening (EU) 2017/1938 (hierna „de verordening” genoemd) wordt het concept van solidariteit in de praktijk omgezet en wordt een solidariteitsmechanisme tussen de lidstaten ingesteld dat in werking treedt wanneer wordt voldaan aan de in de relevante bepalingen vastgestelde voorwaarden. Het solidariteitsmechanisme is een laatste redmiddel; het zorgt er namelijk voor dat gas ononderbroken kan stromen naar de meest kwetsbare verbruikers in een geest van solidariteit. Hierbij gaat het om huishoudelijke afnemers en bepaalde essentiële diensten die worden aangemerkt als „door solidariteit beschermde afnemers” in de zin van artikel 2, lid 6, van de verordening.

1.   Het solidariteitsmechanisme

Indien een lidstaat om solidariteit verzoekt, zijn de andere rechtstreeks verbonden lidstaten er in het kader van het solidariteitsmechanisme toe gehouden de levering aan door solidariteit beschermde afnemers in de verzoekende lidstaat voorrang te geven boven binnenlandse afnemers die niet door solidariteit beschermd zijn. Dit hoeft alleen indien de markt niet in staat is de benodigde gasvolumes te leveren (1). De hulp die een lidstaat kan bieden, is onderworpen aan de volgende beperkingen:

de beschikbare interconnectiecapaciteit;

de hoeveelheid gas die nodig is om te leveren aan de binnenlandse, door solidariteit beschermde afnemers indien de gaslevering aan hen wordt bedreigd;

de veiligheid van het binnenlandse gasnetwerk, en

voor bepaalde landen, de levering aan cruciale gasgestookte energiecentrales om de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening veilig te stellen.

Als een laatste redmiddel kan het solidariteitsmechanisme alleen in werking worden gesteld door een verzoekende lidstaat indien de markt in de verzoekende lidstaat en in alle potentiële verstrekkende lidstaten niet in staat is de benodigde gasvolumes aan te bieden, met inbegrip van de volumes die op vrijwillige basis worden aangeboden door niet-beschermde afnemers, om te voldoen aan de vraag van de door solidariteit beschermde afnemers. Daarnaast moeten alle maatregelen in het noodplan van de verzoekende lidstaat zijn uitgeput, met inbegrip van de gedwongen beperkingen tot op het niveau van de door solidariteit beschermde afnemers. Ondanks deze strikte voorwaarden om het solidariteitsmechanisme in werking te stellen, biedt het de zekerheid en veiligheid van een ononderbroken gaslevering aan huishoudens en essentiële sociale diensten.

In dergelijke omstandigheden is het waarschijnlijk dat er ook al niet-marktgebaseerde maatregelen of beperkingen van kracht zijn dan wel ophanden zijn in de potentiële verstrekkende lidstaten. Anders zouden er nog bepaalde gasvolumes worden aangeboden en kon er nog gas stromen naar waar dat nodig is op basis van prijssignalen (gesteld dat deze er zijn), en zou het niet nodig zijn om het solidariteitsmechanisme in werking te stellen. Het solidariteitsmechanisme zorgt er in wezen voor dat het resterende gas tijdelijk wordt herverdeeld van niet door solidariteit beschermde afnemers in de ene lidstaat naar door solidariteit beschermde afnemers in de andere, binnen dezelfde geïntegreerde Europese gasmarkt. Er kan alleen solidariteit worden verstrekt indien het gasnetwerk nog in staat is om gas te herverdelen en te vervoeren op een veilige manier (2).

De verschillende elementen van een bilaterale regeling met betrekking tot de juridische, technische en financiële aspecten van solidariteit zijn reeds deels vastgesteld in artikel 13 van de verordening. Daarnaast moeten de lidstaten in hun bilaterale regelingen overeenstemming bereiken over alle nodige elementen en details om zekerheid en veiligheid te bieden aan alle actoren die betrokken zijn bij de toepassing van het solidariteitsmechanisme. Deze regelingen moeten nader worden toegelicht in de respectieve noodplannen, waarin met name het compensatiemechanisme of ten minste een samenvatting ervan moet zijn opgenomen.

De compensatie zoals omschreven in artikel 13 van de verordening is breed opgevat. Deze heeft onder meer betrekking op betalingen voor gas en bijkomende kosten (bijvoorbeeld vervoerskosten) voor leveringen aan door solidariteit beschermde afnemers in de om solidariteit verzoekende lidstaat, en op betalingen aan afnemers in de solidariteit verstrekkende lidstaat ter compensatie van de beperkingen die aan hen zijn opgelegd. Voor de toepassing van deze richtsnoeren wordt compensatie in deze ruimere zin „compensatie voor solidariteit” genoemd. Compensatie voor schade die wordt geleden als gevolg van de opgelegde beperkingen, wordt „compensatie voor de opgelegde beperkingen” genoemd.

Er moet worden voldaan aan verschillende voorwaarden om de goede werking van het solidariteitsmechanisme te waarborgen.

Ten eerste moet zo lang mogelijk gebruik worden gemaakt van marktgebaseerde maatregelen. De lidstaten moeten alles in het werk stellen om een mechanisme in te stellen of een platform op te richten dat vrijwillige vraagrespons mogelijk maakt. Dit is in het belang van zowel de potentiële verstrekkende als de verzoekende lidstaten, aangezien niet-marktgebaseerde maatregelen — zoals gedwongen brandstofomschakeling of beperkingen voor afnemers — in een eerder stadium moeten worden getroffen. Dit is ook in overeenstemming met het algemene beginsel van de verordening dat het zo veel mogelijk aan de markt moet worden overgelaten om moeilijkheden met betrekking tot de gaslevering op te lossen.

Ten tweede moeten de groothandelsprijzen ongehinderd kunnen evolueren, zelfs tijdens een noodsituatie. Door de prijzen te blokkeren of te plafonneren zou de behoefte aan extra gas niet tot uiting komen in de prijssignalen en zou gas niet stromen naar waar het nodig is.

Ten derde moet de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur te allen tijde worden gehandhaafd op technisch vlak en uit het oogpunt van de veiligheid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3), zelfs in een noodsituatie. Afhankelijk van de technische beperkingen in elke lidstaat moeten de regelingen ervoor zorgen dat marktdeelnemers volledige grensoverschrijdende toegang hebben tot interconnectoren, LNG-terminals, ondergrondse gasopslaginstallaties, hubs en aanbiedingen aan de vraagzijde, in voorkomend geval. Hierdoor zullen de lidstaten met voorzieningsmoeilijkheden langer zonder solidariteit kunnen.

Ten vierde worden de lidstaten aangemoedigd om samen te werken in elk stadium van een noodsituatie. Dankzij een doeltreffende samenwerking in de vroege stadia kan de inwerkingstelling van het solidariteitsmechanisme worden uitgesteld. Daarnaast wordt hiermee vermeden dat er potentieel uiteenlopende gasprijzen ontstaan (bijvoorbeeld ten gevolge van de waarde van de verloren belasting voor groepen afnemers waaraan beperkingen zijn opgelegd) op de onderling verbonden markten waardoor (het verstrekken van) solidariteit wordt ontmoedigd.

2.   Rechtsgrondslag

In artikel 13, lid 12, van de verordening is bepaald dat de Commissie uiterlijk op 1 december 2017 juridisch niet-bindende richtsnoeren voor de essentiële elementen van de technische, juridische en financiële regelingen moet opstellen, na raadpleging van de Groep coördinatie gas. Deze richtsnoeren moeten met name betrekking hebben op de praktische toepassing van de in artikel 13, leden 8 en 10, van de verordening beschreven elementen.

3.   Toepassingsgebied van de richtsnoeren

In artikel 13 van de verordening zijn verschillende elementen en aspecten van het solidariteitsmechanisme vastgesteld die moeten worden overeengekomen en opgenomen in de bilaterale regelingen. Om nuttige richtsnoeren te bieden over deze en eventuele bijkomende elementen die mogelijk worden opgenomen in dergelijke regelingen, moet eerst een duidelijker beeld worden geschetst van de situatie waarin het solidariteitsmechanisme mogelijk in werking treedt, en van de inspanningen en basisprincipes waarmee een dergelijke situatie van meet af aan kan worden voorkomen. De onderhavige niet-bindende richtsnoeren voorzien niet en kunnen niet voorzien in een limitatieve en prescriptieve lijst die van toepassing is op alle lidstaten, aangezien deze de vrijheid moeten hebben om zelf de voor hen meest geschikte oplossingen te kiezen in het licht van hun capaciteiten, bestaande kaders, situatie en prioriteiten. In plaats daarvan bevatten de richtsnoeren aanbevelingen over het gebruik van een reeks noodzakelijke en facultatieve elementen, een beschrijving van de mogelijke manieren om bepaalde solidariteitsmaatregelen uit te voeren, en voorbeelden en beste praktijken.

De voorgestelde aanpak houdt in dat de lidstaten zo veel mogelijk gebruikmaken van de bestaande nationale kaders en procedures, of deze indien nodig aanpassen met het oog op solidariteit. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan over het gebruik van bestaande platformen voor maatregelen aan de vraagzijde of bestaande mechanismen voor de compensatie van afnemers.

II.   JURIDISCHE, TECHNISCHE EN FINANCIËLE REGELINGEN

1.   Juridische regelingen

De juridische regelingen hebben tot doel rechtszekerheid te bieden aan alle actoren die betrokken zijn bij het leveren of ontvangen van gas in situaties waarin het solidariteitsmechanisme wordt toegepast. De lidstaten die betrokken zijn bij de toepassing van het solidariteitsmechanisme, wordt aangeraden om duidelijke, transparante en doeltreffende juridische regelingen vast te stellen zodat de belanghebbenden weten welke regels en procedures van toepassing zijn op grensoverschrijdende solidariteit.

In artikel 13, lid 10, van de verordening is bepaald dat er regelingen moeten worden getroffen tussen de lidstaten die met elkaar verbonden zijn. Momenteel zijn er lidstaten die niet fysiek zijn verbonden met een andere lidstaat (4), is er een groep van lidstaten die onderling met elkaar zijn verbonden maar niet met andere lidstaten (5), en zijn er verschillende lidstaten die een gemeenschappelijke grens of een exclusieve economische zone hebben, maar niet rechtstreeks met elkaar zijn verbonden (6). De infrastructuurprojecten voor interconnecties die momenteel worden uitgevoerd, kunnen hierin verandering brengen. Indien de interconnecties operationeel worden na 1 december 2018, moeten de juridische, financiële en technische regelingen uit hoofde van artikel 13, lid 10, van de verordening zo spoedig mogelijk worden getroffen door de lidstaten in kwestie.

1.1.   Betrokken lidstaten en identificatie van een derde land (artikel 13, lid 2)

De lidstaten die betrokken zijn bij het solidariteitsmechanisme zijn:

de lidstaat die om solidariteit heeft verzocht, en

alle lidstaten die rechtstreeks zijn verbonden met de verzoekende lidstaat.

Alle rechtstreeks verbonden lidstaten moeten vooraf bilaterale regelingen treffen over de toepassing van het solidariteitsmechanisme, tenzij de verordening voorziet in een vrijstelling van deze verplichting. Indien meer dan één lidstaat solidariteit kan verstrekken, moet de verzoekende lidstaat al deze lidstaten raadplegen en deze verzoeken om aanbiedingen in te dienen voor de gasvolumes die moeten worden geleverd aan de door solidariteit beschermde afnemers. Met een dergelijke aanbieding wordt de overeenkomst over de gasprijs die is opgenomen in de voorafgaande bilaterale regeling, in de praktijk omgezet. In deze overeenkomst kan een marktprijs of een overeengekomen methode voor de berekening van de gasprijs worden opgenomen. Zodra de om solidariteit verzoekende lidstaat een of meer aanbiedingen heeft geselecteerd, geeft deze aan welke lidsta(a)t(en) daadwerkelijk betrokken is (zijn) bij de verstrekking van solidariteit.

De verplichting van de andere lidstaten die solidariteit zouden kunnen verstrekken, maar waarvan de aanbiedingen niet zijn geselecteerd, wordt tijdelijk opgeschort. De lidstaat die om aanbiedingen heeft verzocht, kan zich te allen tijde tot deze lidstaten wenden om solidariteit te verzoeken indien de crisissituatie verder verslechtert. Het verzoek moet echter opnieuw worden ingediend, omdat de omstandigheden na verloop van tijd waarschijnlijk zullen veranderen (zo kan de gasprijs veranderen of het volume van het potentieel beschikbare gas dalen). De lidstaat die een dergelijk verzoek ontvangt, wordt aangeraden om zijn aanbieding te actualiseren, rekening houdend met de eventuele ontwikkelingen van de situatie (gasvolumes in ondergrondse opslag, stromen, temperatuur, verbruik enz.). Daarom moeten de lidstaten waarvan de verplichting tijdelijk is opgeschort, op de hoogte worden gehouden van de situatie in de verzoekende lidstaat. De Commissie zal de situatie in de solidariteit ontvangende lidstaat op de voet volgen.

In specifieke situaties worden de lidstaten die met elkaar zijn verbonden via een derde land, ook als rechtstreeks verbonden beschouwd. In dit geval zijn het recht om solidariteit te verzoeken en de verplichting om solidariteit te verstrekken afhankelijk van de bestaande overeenkomsten tussen de lidstaten en de overeenkomst met het betrokken derde land. In de overeenkomst tussen de lidstaten moet worden bepaald dat het derde land zich ertoe verbindt de over zijn grondgebied vervoerde gasvolumes door te voeren wanneer solidariteit wordt verstrekt. Zonder deze verbintenis is solidariteit niet altijd gewaarborgd.

1.2.   Verzoek om solidariteit

Crisissituaties vergen een snelle reactie. Daarom moet het verzoek om solidariteit beknopt en gestandaardiseerd zijn en alleen de minimale noodzakelijke informatie bevatten. Idealiter komen de lidstaten die een bilaterale regeling treffen een model overeen en voegen zij dit als een bijlage bij de overeenkomst. Om een verzoek om solidariteit doeltreffend te beantwoorden, lijkt ten minste de volgende informatie vereist:

de naam van de verzoekende lidstaat, met inbegrip van de bevoegde entiteit en de contactperso(o)n(en);

de naam van de transmissiesysteembeheerder (TSB) of de beheerder van het marktgebied (in voorkomend geval) en de bevoegde contactperso(o)n(en);

het gasvolume waar om is verzocht (uitgedrukt in een gezamenlijk overeengekomen meeteenheid);

informatie over de gasdruk;

het (de) leveringspunt(en) waaraan de om solidariteit verzoekende lidstaat de voorkeur geeft;

een verzoek om (een) aanbieding(en), met inbegrip van de prijs (zie punt 3.1.), het volume, de leveringspunten en het tijdstip van de levering;

een verzoek om het tijdstip van de eerste mogelijke levering en de verwachte duur van de levering van de voorraden aan te geven (met vermelding van de verwachte tijdsperiode waarin de aangezochte lidstaat solidariteit zal verstrekken), en

een verwijzing naar de verbintenis van de verzoekende lidstaat om compensatie te betalen voor de solidariteit.

De hoeveelheden en voorwaarden die in het kader van het solidariteitsmechanisme worden aangeboden, zouden gemakkelijker kunnen worden vergeleken en begrepen aan de hand van een model voor de antwoorden van de aangezochte lidstaten. Het model zou vooraf kunnen worden ingevuld met de informatie die beschikbaar is wanneer de lidstaten een bilaterale regeling sluiten en bij de respectieve noodplannen kunnen worden gevoegd.

1.3.   Begin en einde van de toepassing van het solidariteitsmechanisme

Het verzoek om solidariteit is met onmiddellijke ingang geldig en schept de verplichting om solidariteit te verstrekken. De controles die de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 8, van de verordening uitvoert om na te gaan of de afkondiging van een noodsituatie door de om solidariteit verzoekende lidstaat gerechtvaardigd is en of de genomen maatregelen zo nauw mogelijk aansluiten bij de in het noodplan vermelde acties, hebben hierop geen invloed. De Commissie heeft vijf dagen de tijd om deze controleprocedure uit te voeren. Het is onwaarschijnlijk dat een lidstaat minder dan vijf dagen na de afkondiging van een noodsituatie om solidariteit zal verzoeken, aangezien het doorgaans enige tijd in beslag neemt voordat de problemen in verband met de gaslevering zo ernstig worden dat een dergelijk verzoek gerechtvaardigd is. Indien dit toch het geval is, zal de Commissie nog niet klaar zijn met de controle of de afkondiging van een noodsituatie gerechtvaardigd is. Een dergelijke lopende controle mag echter geen afbreuk doen aan de geldigheid van het verzoek om solidariteit.

Het risico dat er misbruik wordt gemaakt van het solidariteitsmechanisme aan de hand van een ongerechtvaardigd verzoek om solidariteit, is zeer klein, gezien de verstrekkende gevolgen en de strikte voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat het solidariteitsmechanisme in werking treedt, namelijk:

alle in het noodplan vastgestelde noodmaatregelen zijn uitgevoerd, en

er zijn beperkingen opgelegd aan de niet door solidariteit beschermde afnemers in de om solidariteit verzoekende lidstaat.

Indien op basis van de controles van de Commissie wordt geconcludeerd dat een verzoek om solidariteit ongerechtvaardigd was, wordt de lidstaat die het ongerechtvaardigde verzoek heeft ingediend en hulp heeft gekregen van rechtstreeks verbonden naburige lidstaten, ertoe gehouden het ontvangen gas en de bijkomende kosten voor de lidstaten die hulp hebben geboden, te betalen.

De verplichting om solidariteit te verstrekken, is niet langer van toepassing indien:

de Commissie op basis van een controleprocedure concludeert dat de afkondiging van een noodsituatie niet meer gerechtvaardigd is;

de lidstaat die om solidariteit heeft verzocht, de solidariteit verstrekkende lidstaten meedeelt opnieuw in staat te zijn gas te leveren aan de binnenlandse door solidariteit beschermde afnemers, en

de solidariteit verstrekkende lidstaat niet meer in staat is te leveren aan de binnenlandse door solidariteit beschermde afnemers.

Het is ook mogelijk dat een lidstaat die te kampen heeft met een acute gascrisis en aanvankelijk om solidariteit heeft verzocht, toch besluit afstand te doen van zijn recht om dergelijke solidariteit te verzoeken, bijvoorbeeld omdat het te duur is.

1.4.   Taken en verantwoordelijkheden

De eindverantwoordelijkheid voor het beheer van het solidariteitsmechanisme ligt bij de lidstaten. Dit heeft met name betrekking op het besluit om solidariteit te verzoeken en het algemene toezicht op de manier waarop de entiteiten die belast zijn met specifieke taken, het mechanisme toepassen. De verordening houdt geen verplichting in om nieuwe specifieke entiteiten op te richten. De lidstaten wordt aangeraden om bij voorkeur bevoegdheden toe te wijzen aan bestaande entiteiten, of aan nieuwe entiteiten in bijzondere omstandigheden, rekening houdend met hun organisatiestructuur en ervaring met crisisbeheer en noodrespons. De lidstaten kunnen, waar mogelijk, gebruikmaken van bestaande mechanismen om de kosten te verlagen en met name om vaste kosten te vermijden. In dit verband moet de efficiënte en doeltreffende verstrekking van solidariteit het leidende beginsel zijn.

De bevoegde autoriteiten uit hoofde van de verordening zijn belast met de uitvoering van het kader, waarbij de taken en bevoegdheden duidelijk worden toegewezen aan de respectieve actoren, zoals de TSB's, de nationale regulerende instantie en de gasbedrijven. De bevoegde autoriteiten zijn ook het meest geschikt om de bilaterale regelingen op te stellen in samenwerking met de bevoegde autoriteiten in de rechtstreeks verbonden lidstaten. Deze kunnen later de rechtsgrondslag voor de solidariteit vormen, met inbegrip van de betaling van compensatie en financiële schikkingen nadat de solidariteit is verstrekt. De lidstaten of de bevoegde autoriteiten zijn ook het meest geschikt om de verzoeken om solidariteit, de aanbiedingen voor gasvolumes en de kennisgevingen over de stopzetting van de toepassing van het solidariteitsmechanisme te versturen en te ontvangen. De financiële aansprakelijkheid voor de compensatie moet uiteindelijk ook bij de lidstaat liggen.

Onder voorbehoud van de technische en juridische beperkingen in elke lidstaat zijn de nationale regulerende instanties het meest geschikt om de leiding te nemen over, of ten minste deel te nemen aan, het proces voor het berekenen van de compensatiekosten aan de hand van een methode die zij vooraf hebben ontwikkeld en hebben opgenomen in het noodplan. Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators kan worden betrokken bij dit proces. Bij voorkeur zijn de TSB's belast met de kostenefficiënte levering van de benodigde gasvolumes.

De TSB's (of een balancerende entiteit) zijn het meest geschikt om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de coördinatie van alle technische aspecten en de uitvoering van alle nodige operationele maatregelen wanneer het solidariteitsmechanisme wordt toegepast. De respectieve entiteit in de solidariteit verstrekkende lidstaat kan ook worden belast met het ontvangen van betalingsvorderingen voor gas en de bijkomende kosten, en met de controle en doorzending ervan naar de bevoegde entiteit in de solidariteit ontvangende lidstaat. In dit kader zou een éénloketsysteem nuttig zijn. De lidstaten wordt aangeraden om de entiteit die belast is met de verzameling en doorzending van compensatievorderingen voor de opgelegde beperkingen, in onderling overleg aan te duiden.

Door te voorzien in de aanstelling van een bemiddelaar in de bilaterale regelingen kunnen beide partijen ervan worden verzekerd dat de compensatiekosten zullen worden betaald en berekend. De bemiddelaar zou eventuele meningsverschillen over het bedrag van de verschuldigde compensatie helpen beslechten.

1.5.   Rechtsvorm van de bilaterale regelingen

Er zijn geen specifieke voorschriften voor de rechtsvorm van de bilaterale regelingen. Het staat de lidstaten vrij elke rechtsvorm te kiezen die onderlinge rechten en plichten schept indien het solidariteitsmechanisme wordt toegepast. Artikel 13 van de verordening voorziet in het recht te verzoeken om solidariteit en in de verplichting om solidariteit te verstrekken. In de bilaterale regelingen wordt omschreven hoe deze in het Unierecht vastgestelde rechten en plichten moeten worden uitgeoefend. De regelingen zijn operationeel en niet politiek van aard. Met het oog op de uitvoering kan het op het eerste gezicht volstaan voor de relevante autoriteiten om een bindende administratieve regeling te sluiten. Hierbij kan het gaan om bestaande bepalingen van bilaterale verdragen, contractuele regelingen tussen TSB's of specifieke licentievoorwaarden voor gasentiteiten, op voorwaarde dat er toezicht wordt gehouden door de relevante bevoegde autoriteiten in dit verband. Daarentegen zou een niet-bindend rechtsinstrument, zoals een memorandum van overeenstemming, niet volstaan, aangezien dit geen juridische verplichtingen schept voor de partijen. Regelingen in de vorm van een memorandum zouden bijgevolg niet voldoen aan de vereisten van artikel 13 om een juridisch bindend solidariteitsmechanisme in te stellen, wat als een ontoereikende uitvoering van artikel 13, lid 10, kan worden beschouwd.

2.   Technische regelingen

De technische regelingen strekken ertoe een beschrijving te geven van alle technische voorzieningen en voorwaarden die nodig zijn voor de praktische toepassing van het solidariteitsmechanisme. Hiertoe moet op voorhand verplicht informatie worden uitgewisseld over de technische capaciteit en beperkingen van de desbetreffende gasinfrastructuur en de theoretische maximale gasvolumes voor solidariteit, waarbij met zekerheid moet worden vastgesteld dat er geen onnodige technische beperkingen zijn die de solidariteit zouden belemmeren. In geval van technische of andere beperkingen worden de lidstaten aangemoedigd om wederzijds aanvaardbare oplossingen te vinden en overeen te komen. Deze zullen worden toegepast op de interconnectiepunten indien het solidariteitsmechanisme in werking treedt.

Afhankelijk van de technische beperkingen in elke lidstaat is het mogelijk dat de TSB's (of een balancerende entiteit) het meest geschikt zijn om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de coördinatie van alle technische aspecten en de uitvoering van alle nodige operationele maatregelen wanneer het solidariteitsmechanisme wordt toegepast, op basis van hun kennis van de gassystemen en de bestaande grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden (7). Deze bestaande samenwerkingsstructuren, overeenkomsten en ervaringen moeten in aanmerking worden genomen of zelfs de basis vormen voor situaties waarin het solidariteitsmechanisme wordt toegepast. In elk geval moet een duidelijk overkoepelend kader worden aangeduid (indien dit al bestaat) of worden opgezet, met inbegrip van de technische voorwaarden, met het oog op rechtszekerheid bij de nodige samenwerking.

De technische gegevens in de plannen kunnen, waar nodig, worden geactualiseerd.

2.1.   Technische oplossingen en coördinatie (artikel 13, lid 10, onder c))

Er kunnen technische oplossingen en regelingen worden uitgewerkt voor de verschillende onderdelen van de infrastructuur in een lidstaat. Dit zal een duidelijk beeld scheppen van de beschikbare bijstand en de betrokken technische beperkingen, en zal een betere raming van de kosten voor de uitvoering van elke maatregel mogelijk maken (in voorkomend geval). Aangezien potentiële crisissituaties erg verschillend kunnen zijn, is het belangrijk dat de TSB's (of een balancerende entiteit) over een brede waaier aan opties en instrumenten kunnen beschikken. Er kan een indicatieve en niet-limitatieve lijst van technische oplossingen worden opgenomen in de technische regelingen, zodat beide partijen weten welke stappen mogelijk worden ondernomen vóór en tijdens een noodsituatie voor de toepassing van het solidariteitsmechanisme. Hydraulische simulaties van de solidariteitsmaatregelen kunnen nuttig zijn voor de voorbereiding op dergelijke situaties.

Er is coördinatie nodig tussen de relevante TSB's of beheerders van het marktgebied, de distributiesysteembeheerders (DSB's), de nationale noodhulpcoördinatoren en de bevoegde autoriteiten en entiteiten die betrokken zijn bij de levering van gas aan de door solidariteit beschermde afnemers. Het gas dat beschikbaar geworden is als gevolg van een vermindering van de vraag in een lidstaat, kan hierdoor ter beschikking worden gesteld en worden geleverd aan een rechtstreeks verbonden lidstaat die om solidariteit verzoekt. De TSB's, DSB's, nationale noodhulpcoördinatoren en andere entiteiten die betrokken zijn bij de levering van gas aan de door solidariteit beschermde afnemers, moeten vroeg genoeg worden betrokken bij de besprekingen over de bepalingen inzake solidariteit en eventueel worden belast met de gezamenlijke uitvoering van de solidariteitsregelingen.

De TSB's moeten ook gerechtigd zijn ongebruikte transmissiecapaciteit te benutten, ongeacht of deze werd toegewezen of niet. In elk geval moet compensatie worden betaald voor de transmissiekosten volgens overeengekomen principes.

De toegang tot hubs en andere platformen moet zo lang mogelijk worden gehandhaafd, zelfs in een noodsituatie (artikel 13, lid 4, van de verordening), om te vermijden dat het solidariteitsmechanisme in werking moet worden gesteld. Bijgevolg moet worden gezorgd voor permanente toegang tot LNG-terminals en opslag- en interconnectiecapaciteit, met inbegrip van bidirectionele capaciteit, om efficiënte grensoverschrijdende stromen mogelijk te maken (artikel 13, lid 10, onder c)). Deze aspecten moeten expliciet worden behandeld in de regelingen.

2.2.   Gasvolumes of de methode voor het bepalen ervan (artikel 13, lid 10, onder d), van de verordening)

De lidstaten moeten de naburige lidstaten (d.w.z. de potentiële verstrekkers van solidariteit) in kennis stellen van de theoretische maximale gasvolumes waarom ze kunnen verzoeken en de bovengrens van de interconnectorcapaciteit, met het oog op transparantie en als uitgangpunt voor de besprekingen over de regelingen. Niettemin zullen de exacte volumes van het benodigde, gevraagde en beschikbare gas pas bekend worden wanneer het solidariteitsmechanisme in werking treedt. Voor de berekening van deze theoretische maximale gasvolumes moeten ten minste de volgende elementen in aanmerking worden genomen:

de betrokken door solidariteit beschermde afnemers;

de betrokken cruciale gasgestookte energiecentrales (in voorkomend geval) en de daarmee samenhangende gasvolumes, en

de binnenlandse gasproductie in de producerende lidstaten.

De scenario's voor de leveringsnorm die zijn aangepast aan de door solidariteit beschermde afnemers, kunnen een goed uitgangspunt vormen voor deze berekening.

Alle lidstaten moeten hun door solidariteit beschermde afnemers in de zin van artikel 2, lid 6, van de verordening en hun jaarlijks gasverbruik (gemiddeld en maximaal) in kaart brengen.

De cruciale gasgestookte energiecentrales en de daarmee samenhangende jaarlijkse gasvolumes (artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de verordening) kunnen belangrijke gevolgen hebben voor de gasvolumes die beschikbaar zijn om te verstrekken in het kader van het solidariteitsmechanisme. In de solidariteit verstrekkende lidstaat vormen deze gasvolumes een beperking voor de hoeveelheid gas die mogelijk beschikbaar is om te verstrekken in het kader van het solidariteitsmechanisme. In sommige ontvangende lidstaten krijgen cruciale gasgestookte energiecentrales prioriteit boven door solidariteit beschermde afnemers, maar de gasvolumes die nodig zijn voor de exploitatie ervan, hebben geen impact op de mogelijk vereiste volumes.

In de regelingen moet een gedetailleerde lijst worden opgenomen van de gasgestookte energiecentrales die als cruciaal worden aangemerkt voor het elektriciteitssysteem (artikel 11, lid 7, van de verordening), waaraan zelfs tijdens de toepassing van het solidariteitsmechanisme aardgas moet worden geleverd. Deze lijst moet worden opgesteld op basis van verzoeken en beoordelingen van de TSB's voor gas en elektriciteit. De lijst van energiecentrales moet naar behoren worden gemotiveerd en aantonen dat de afschakeling van deze centrales op korte termijn een bedreiging vormt voor de veiligheid van het energiesysteem. Daarnaast kunnen de lidstaten overeenkomen hoe vaak de lijst moet worden gecontroleerd en geactualiseerd.

Afhankelijk van de specifieke crisissituatie worden alleen de gasvolumes die nodig zijn voor de energiecentrales die in de regelingen als cruciaal worden aangemerkt wanneer om solidariteit wordt verzocht, als noodzakelijk beschouwd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om centrales in een bepaalde regio. In het kader van de communicatie tussen de relevante entiteiten (TSB, bevoegde autoriteit) in de lidstaten moet informatie over de situatie ad hoc worden uitgewisseld vóór en tijdens de toepassing van het solidariteitsmechanisme.

De gasproducerende lidstaten moeten hun jaarlijkse productie meedelen.

De bovengenoemde volumes kunnen worden bepaald aan het begin van elk gasjaar of met verschillende tussenpozen, op basis van de meest recente beschikbare gegevens, actualiseringen van de plannen of op ad-hocbasis.

2.3.   Operationele veiligheid van netwerken (artikel 13, lid 7, van de verordening)

De regelingen kunnen een beschrijving omvatten van de technische mogelijkheden en beperkingen van de afzonderlijke gasnetwerken die in stand moeten worden gehouden voor de veilige en betrouwbare werking van het gassysteem. Dit is belangrijke informatie voor zowel de verstrekkende als de ontvangende lidstaten. De beschrijving moet ten minste de volgende elementen omvatten:

de maximale interconnectie-exportcapaciteit en de omstandigheden waarin de TSB tot de maximale exportcapaciteit zal leveren. Tot deze omstandigheden behoren bijvoorbeeld de systeemdruk, de leidingbuffer, de beschikbaarheid van gas op bepaalde entrypunten en het niveau van gasopslag met een overeenkomstig niveau van onttrekkingscapaciteit. Idealiter worden deze gegevens verstrekt voor afzonderlijke interconnectiepunten;

de maximale binnenlandse productie en de beperkingen, in voorkomend geval. In geval van binnenlandse productie kan deze worden opgevoerd gedurende bepaalde perioden. De relevante opties en beperkingen kunnen worden beschreven;

in voorkomend geval, de capaciteit die beschikbaar is via een derde land en de technische elementen van de overeenkomst in dit verband (artikel 13, lid 2, van de verordening).

3.   Financiële regelingen

De financiële regelingen moeten ervoor zorgen dat een passende prijs wordt betaald voor het gas dat wordt geleverd in het kader van het solidariteitsmechanisme. Deze regelingen kunnen betrekking hebben op de berekening van de kosten, de compensatie voor solidariteit (met inbegrip van de compensatie voor de opgelegde beperkingen) en de betalingsprocedures die de relevante entiteiten moeten bepalen en vaststellen.

De mechanismen die voorzien in compensatie voor de opgelegde beperkingen, moeten prikkels bieden voor op marktlogica gebaseerde oplossingen, zoals veilingen en vraagrespons (artikel 13, lid 4, van de verordening). Hierbij kan het gaan om verwijzingen naar mechanismen die zijn gekoppeld aan nationale noodsituaties en die de solidariteit indirect vergemakkelijken door ervoor te zorgen dat de markt in de solidariteit verstrekkende lidstaat zo lang mogelijk functioneert. De financiële regelingen mogen geen perverse prikkels creëren, zoals gas achterhouden of speculeren op een hogere prijs in een later stadium van de noodsituatie, die zelf kunnen leiden tot de inwerkingtreding van het solidariteitsmechanisme. De compensatie voor solidariteit is bedoeld om de werkelijk gemaakte kosten te dekken en mag geen bron van inkomsten worden voor de verstrekkende entiteit. De solidariteit ontvangende lidstaat betaalt de verstrekkende lidstaat meteen een billijke prijs voor het ontvangen gas. Vervolgens bepaalt de verstrekkende lidstaat op welke manier deze middelen worden beheerd en hoe deze overeenstemmen met de bestaande regelingen inzake balanceringsneutraliteit.

De compensatie voor afnemers waaraan beperkingen worden opgelegd in een noodsituatie — ongeacht of deze voortvloeit uit de verplichting om grensoverschrijdende solidariteit te verstrekken dan wel uit een nationale noodsituatie — moet gelijk zijn aan het in het nationale recht vastgestelde bedrag.

Gezien het bovenstaande kunnen de lidstaten het bestaande nationale mechanisme (voor compensatie in verband met beperkingen) behouden voor zuiver nationale noodsituaties (d.w.z. indien niet om solidariteit is verzocht). Hierdoor staat het de lidstaten vrij te beslissen of zij compensatie willen betalen aan de ondernemingen waaraan beperkingen zijn opgelegd, of niet. Indien een nationale noodsituatie zodanig evolueert dat om grensoverschrijdende solidariteit wordt verzocht, kan worden gekozen voor de optie om de compensatie voor solidariteit die de verzoekende lidstaat betaalt aan de hulp biedende lidstaat, te verdelen over alle groepen afnemers waaraan beperkingen zijn opgelegd, ongeacht of deze beperkingen vóór dan wel na de inwerkingtreding van het solidariteitsmechanisme zijn opgelegd. Bij deze optie wordt een regeling gevolgd die is ontwikkeld in de solidariteit verstrekkende lidstaat, maar bij voorkeur is gebaseerd op een benadering van het type „waarde van de verloren belasting”. De lidstaten kunnen er ook voor kiezen om de voor de solidariteit ontvangen compensatie in een centraal beheerd „solidariteitsfonds” te storten. Op deze manier blijven de bestaande nationale mechanismen die voorzien in compensatie voor beperkingen, een bevoegdheid van de lidstaten, en tegelijkertijd zullen de verschillende benaderingen in de lidstaten er niet toe leiden dat groepen afnemers waaraan beperkingen zijn opgelegd in een land, verschillend worden behandeld wanneer grensoverschrijdende solidariteit wordt verstrekt en de compensatie voor solidariteit verplicht is.

De belangrijkste elementen van de compensatie voor solidariteit zijn de gasprijs en de bijkomende kosten die de hulp biedende lidstaat maakt om ervoor te zorgen dat het gas over de grens wordt vervoerd, op basis van de werkelijk gemaakte kosten die kunnen worden uitbetaald overeenkomstig het nationale rechtskader in de hulp biedende lidstaat.

In de regelingen kunnen verschillende benaderingen worden gevolgd en overeengekomen om de gasprijs te bepalen, afhankelijk van het ontwikkelingsniveau van de markt in de lidstaat, de beschikbare maatregelen of het stadium van de noodsituatie. Het is echter van belang dat de regelingen duidelijkheid bieden over de overeengekomen benadering en de omstandigheden waarin ze van toepassing zijn, en dat melding wordt gemaakt van alle bekende parameters die gebruikt zullen worden (bijvoorbeeld de premie, indien wordt gekozen voor de meest recente bekende verkoop vermeerderd met een premie).

3.1.   Gasprijs

In de financiële regelingen moet worden verwezen naar de prijs van het geleverde gas en/of de methode voor het bepalen ervan, rekening houdend met het effect op de werking van de markt (artikel 13, lid 10, onder b)). Deze laatstgenoemde voorwaarde heeft tot doel een prijs of methode te waarborgen die de markt niet verstoort en die geen perverse prikkels creëert. De gasprijs die de basis vormt voor de compensatie voor solidariteit, wordt bepaald (door de markt of op andere manieren) in de solidariteit verstrekkende lidstaat.

a)   Marktprijs

Als leidend principe mag de gasprijs niet lager liggen dan de marktprijs, aangezien dat tot perverse prikkels zou leiden. Indien de prijs niet wordt geblokkeerd en de vraag naar en het aanbod van gas dynamisch kan volgen, kan deze zelfs tijdens een noodsituatie een signaal geven. In ontwikkelde markten zouden de maximumstromen via interconnectoren het prijssignaal volgen naar lidstaten in een noodsituatie. In dergelijke omstandigheden wordt ervan uitgegaan dat het solidariteitsmechanisme niet in werking is gesteld.

In minder ontwikkelde markten, waar de prijzen mogelijk niet dynamisch evolueren tijdens een noodsituatie, kan het nodig zijn om de gasprijs vast te stellen aan de hand van andere maatregelen, maar deze kunnen nog altijd marktgebaseerd zijn. De maximale referentieprijs voor gas dat wordt verstrekt in het kader van het solidariteitsmechanisme, kan overeenkomen met de prijs van de laatste transactie/verkoop in de EU op een beursplatform of een virtueel handelspunt, na een regelgevingscontrole om na te gaan hoe robuust de prijs is. De lidstaten kunnen tevens overeenkomen de gasprijs aan een specifieke hub te koppelen.

In de lidstaten die over strategische opslag beschikken, beslist de lidstaat of de bevoegde autoriteit op welk moment tijdens de noodsituatie het is toegestaan om gas uit de strategische opslag vrij te geven. De prijs die de ontvangende lidstaat moet betalen, is gelijk aan de „marktprijs” op het moment van de vrijgave van de voorraad (of net daarvoor) (8).

b)   Administratieve prijsstelling/beperkingen

Indien er geen marktprijs is, kunnen andere benaderingen nodig zijn om de gasprijs vast te stellen, zoals de meest recente bekende marktprijs of de gemiddelde marktprijs op het dichtstbijzijnde toegankelijke beursplatform, virtueel handelspunt of een overeengekomen hub. Het gemiddelde kan een redelijk tijdsbestek vóór de levering (bijvoorbeeld vijf tot zeven dagen) en een periode van dezelfde duur na de levering bestrijken, met of zonder een premie. Daarnaast kan de prijs van de meest recente bekende gasverkoop of maatregel met of zonder premie ook als aanwijzing dienen. Er kan een premie worden overwogen om de — eventuele — kloof te overbruggen tussen de meest recente bekende prijs en de waarde van de verloren belasting van de afnemers waaraan beperkingen zijn opgelegd (9). De prijs kan ook worden afgeleid van een alternatieve brandstof waarnaar de solidariteit verstrekkende lidstaat moet overschakelen om de nodige aardgasvolumes vrij te maken.

De berekening van de waarde van de verloren belasting kan worden gebruikt om de prijs van de beperkte gasvolumes te bepalen, aangezien we ervan kunnen uitgaan dat de industriële afnemers hun eigen waarde kennen. De waarde geeft de voordelen weer die de specifieke groep van afnemers is misgelopen als gevolg van de opgelegde beperkingen. Bij deze benadering moet de waarde bekend zijn of vooraf worden meegedeeld aan de bevoegde autoriteit of nationale regulerende instantie. Dit zal doorgaans ook tot uiting komen in het bevel om beperkingen op te leggen in de nationale noodplannen. Bovendien kunnen de aanbiedingen van verschillende lidstaten eenvoudig worden vergeleken aan de hand van deze benadering (zie artikel 13, lid 4, van de verordening).

Tot slot is het ook nuttig om een methode voor prijsstelling door de nationale regulerende instantie of de bevoegde autoriteit, of het gebruik van een vervangende waarde zoals de prijs van koopopties, in overweging te nemen.

c)   Bereidheid te betalen

Het is redelijk om te bepalen welk maximumbedrag elke lidstaat bereid is te betalen voor gas in een situatie waarin het solidariteitsmechanisme wordt toegepast. De maximumwaarde zal waarschijnlijk gelijk zijn aan de waarde van de verloren belasting van de door solidariteit beschermde afnemers in een lidstaat. Indien de gasprijs hoger ligt dan deze waarde, is het niet in het belang van de lidstaat om in het kader van het solidariteitsmechanisme gas te vragen. Deze informatie hoeft echter niet noodzakelijk deel uit te maken van de regelingen of te worden opgenomen in de plannen.

3.2.   Andere kostencategorieën

De financiële regelingen moeten betrekking hebben op alle andere kostencategorieën, met inbegrip van de relevante en redelijke kosten van de vooraf vastgestelde maatregelen (artikel 13, lid 8, onder b), van de verordening), die onder de regeling voor billijke en spoedige compensatie moeten vallen (artikel 13, lid 10, onder e)). De bijkomende kosten moeten tot een minimum worden beperkt en er moet nauwlettend op worden toegezien dat dubbeltelling wordt vermeden, aangezien veel elementen van de bijkomende kosten reeds verrekend kunnen zijn in de gasprijs. Er kan worden aangenomen dat de meeste bijkomende kosten reeds verrekend zijn in de gasprijs, met uitzondering van vervoerskosten.

a)   Vervoerskosten en daarmee samenhangende kosten

De compensatie moet betrekking hebben op de vervoerskosten en de daarmee samenhangende kosten, zoals de vervoerskosten voor LNG, vergoedingen voor hervergassing enz. De lidstaten kunnen overeenkomen dat de nodige capaciteiten in voorkomend geval worden gereserveerd voor de volumes die worden verstrekt in het kader van het solidariteitsmechanisme, zodat de kosten in verband met vervoer worden betaald volgens de standaardprocedures van de TSB's.

b)   Kosten van de vrijgave van strategische opslag of opslagverplichtingen

In geval van strategische opslag kunnen de kosten van de vrijgave van strategische opslag worden meegerekend voor het desbetreffende gasvolume, aangezien deze vooraf zijn vastgesteld — tenzij deze kosten reeds zijn verrekend in de gasprijs.

Indien er een marktprijs is op het moment dat de bijkomende volumes uit strategische opslag worden vrijgegeven, zijn de bijkomende kosten in verband met een dergelijke maatregel — met inbegrip van de kosten voor de voorafgaande vaststelling ervan — in principe reeds verrekend in de marktprijs. Anders zou de maatregel niet zijn uitgevoerd op dat moment, aangezien er nog goedkopere oplossingen voorhanden zijn.

De kosten van dergelijke niet-marktgebaseerde maatregelen met betrekking tot de leveringszekerheid worden doorgaans gecollectiviseerd en worden doorgerekend aan de eindgebruiker. Een overeengekomen evenredige bijdrage aan de kosten — in overeenstemming met de hoeveelheden die worden vrijgegeven in het kader van het solidariteitsmechanisme — kan worden toegevoegd aan de bijkomende kosten die moeten worden betaald door de ontvangende lidstaat.

De opslagverplichtingen vereisen echter alleen dat bepaalde gasvolumes in opslag worden aangehouden aan het begin van het winterseizoen. Nadien wordt het opgeslagen gas gebruikt om te reageren op de marktvraag en -prijzen. Bijgevolg mogen geen bijkomende kosten worden verbonden aan de vrijgave ervan boven op de gasprijs en de vervoerskosten. In elk geval moet rekening worden gehouden met de specifieke manieren waarop de lidstaten de strategische opslag en de opslagverplichtingen beheren.

c)   Kosten van de verlaging van een verhoogde leveringsnorm

De verlaging van een verhoogde leveringsnorm tot normale niveaus is een verplichting uit hoofde van de verordening wanneer een noodsituatie ontstaat in een naburige lidstaat en grensoverschrijdende gevolgen waarschijnlijk zijn. Er is geen verband tussen de verlaging van een verhoogde leveringsnorm en een verzoek om solidariteit; de kosten van dergelijke maatregelen kunnen namelijk niet worden gedekt door compensatie.

d)   Schade geleden door de ondernemingen waaraan beperkingen zijn opgelegd (compensatie voor de opgelegde beperkingen)

Andere kosten kunnen ook betrekking hebben op de kosten die voortvloeien uit de verplichting om compensatie te betalen aan de hulp biedende lidstaat, ook voor de schade die is geleden door de ondernemingen waaraan beperkingen zijn opgelegd. Dergelijke kosten kunnen worden opgenomen in de compensatiekosten indien het nationale rechtskader voorziet in de verplichting om een schadevergoeding te betalen aan de ondernemingen waaraan beperkingen zijn opgelegd, met inbegrip van compensatie voor de economische schade, boven op de gasprijs. De relevante berekeningsmethode moet worden opgenomen in de regelingen. Er kan worden overeengekomen dat het bedrag van de daadwerkelijk verschuldigde compensatie wordt verhaald op de entiteiten die gebruikmaken van het in het kader van het solidariteitsmechanisme geleverde gas in de solidariteit ontvangende lidstaat.

De kosten van de schade die is geleden door de ondernemingen waaraan beperkingen zijn opgelegd, kunnen echter alleen worden gedekt door compensatie indien ze niet zijn verrekend in de gasprijs die moet worden betaald door de om solidariteit verzoekende lidstaat. Deze lidstaat zou niet tweemaal compensatie moeten betalen voor dezelfde kosten.

e)   Kosten van de gerechtelijke procedures in de solidariteit verstrekkende lidstaat

Andere kosten kunnen ook betrekking hebben op de terugbetaling van de eventuele kosten die voortvloeien uit gerechtelijke procedures, arbitrageprocedures en schikkingen, naast de eventuele kosten in verband met dergelijke procedures waarbij de solidariteit verstrekkende lidstaat betrokken is, ten overstaan van entiteiten die bij het verstrekken van de solidariteit betrokken zijn (artikel 13, lid 8, onder c), van de verordening). Een dergelijke compensatie mag echter alleen worden betaald wanneer het bewijs voor de gemaakte kosten wordt geleverd.

In geval van een geschil tussen een solidariteit verstrekkende lidstaat en een entiteit over (ontoereikende) compensatie door de solidariteit ontvangende lidstaat, moeten er waarborgen worden ingebouwd om de laatstgenoemde lidstaat te beschermen tegen onderling afgestemd gedrag van de solidariteit verstrekkende lidstaat en de entiteit. Onder bepaalde omstandigheden kunnen de betrokken entiteit en de lidstaat waar deze is gevestigd, elkaar voor de rechter dagen voor een hogere gasprijs of meer compensatie voor de entiteit, en met elkaar samenspannen ten nadele van de om solidariteit verzoekende lidstaat, die niet eens betrokken is bij de gerechtelijke procedures. Dergelijke omstandigheden moeten worden vermeden.

De bovengenoemde situatie is niet hetzelfde als een situatie waarin een onderneming in de solidariteit verstrekkende lidstaat een gerechtelijke procedure inleidt tegen een entiteit in de solidariteit ontvangende lidstaat over de gasprijs of de compensatie voor de opgelegde beperkingen. In een dergelijk geval moet de onderneming of entiteit die de zaak verliest de betrokken kosten betalen.

3.3.   Indicatie van de berekening van de billijke compensatie (artikel 13, lid 10, onder f))

De volgende methoden kunnen in overweging worden genomen om de billijke compensatie te berekenen:

de eenvoudige som van alle in het bovenstaande punt beschreven elementen;

de tijdswaarde van geld: de betaling moet onverwijld worden verricht. De lidstaten kunnen evenwel een rentevoet overeenkomen die van toepassing is op de compensatie zodra een realistische termijn na de verstrekking van de solidariteit is verstreken, en zodra het exacte bedrag van de compensatie is berekend en overeengekomen, en

een overeenkomst tussen de lidstaten met verschillende munteenheden over de munteenheid waarin de compensatie moet worden berekend en betaald, met inbegrip van de toepasselijke wisselkoers.

3.4.   Berekening van de compensatie voor alle relevante en redelijke kosten en de verbintenis om de compensatie te betalen (artikel 13, lid 3)

Het exacte bedrag dat moet worden betaald aan de lidstaat die solidariteit heeft verstrekt en aan de entiteiten in die lidstaat, kan realistisch gezien waarschijnlijk pas enige tijd na de levering van het in het kader van het solidariteitsmechanisme gevraagde gas worden berekend. In hun bilaterale regeling kunnen de lidstaten de berekeningswijze voor de gasprijs en de bijkomende kosten en een realistische betalingstermijn overeenkomen.

De informatie over de daadwerkelijk geleverde gasvolumes en alle andere gegevens die relevant zijn voor de berekening van de compensatie, moeten worden verstuurd naar de bevoegde contactperso(o)n(en) in de lidstaten die betrokken zijn bij de toepassing van het solidariteitsmechanisme, zodat beide partijen een definitieve berekening van de compensatie kunnen uitvoeren. De informatie kan worden opgevraagd bij de TSB, de DSB, de beheerder van de opslaginstallatie, een leverancier of een beheerder van het marktgebied, afhankelijk van de toegepaste maatregel. De berekening van de compensatie kan worden gedelegeerd aan een andere, vooraf aangewezen entiteit.

3.5.   Betalingsregelingen (artikel 13, lid 8, laatste alinea, van de verordening)

Als leidend principe moeten de bestaande procedures voor binnenlandse betalingen en compensatie (of transacties die balancerend van aard zijn) in een lidstaat en de bestaande taken en verantwoordelijkheden in dit verband worden gehandhaafd en ook zo veel mogelijk worden toegepast op de compensatiebetalingen voor solidariteit tussen de lidstaten. De regelingen tussen de lidstaten moeten worden toegespitst op de manier waarop deze bestaande nationale kaders aan elkaar kunnen worden gekoppeld of waarop een verbindingspunt daartussen tot stand kan worden gebracht. Door de aard van solidariteit kan het nodig zijn de lidstaat of de bevoegde autoriteit aan te duiden als het verbindingspunt met de uiteindelijke financiële eindaansprakelijkheid.

3.6.   Taken en verantwoordelijkheden: wie betaalt wie, of wie regelt de betalingen

Wanneer vrijwillige maatregelen aan de vraagzijde nog mogelijk zijn in de hulp biedende lidstaat, moet de toegang tot het relevante platform en de relevante interconnectiecapaciteit worden gehandhaafd. Een koper over de grens moet de mogelijkheid hebben om betalingen voor gas te verrichten op dezelfde manier als een lokale koper: ofwel rechtstreeks aan het gasbedrijf ofwel, indien het gas wordt aangekocht door een balancerende entiteit via een balanceringsplatform, aan de hand van de betalingsprocedures die gelden voor dat platform (10).

Wanneer beperkingen worden opgelegd, kan gebruik worden gemaakt, met de nodige aanpassingen, van elk bestaand rechtskader, betalingsproces of elke autoriteit die belast is met het beheer van de betalingen in de solidariteit verstrekkende lidstaat voor compensatiebetalingen van een buurland.

De solidariteit komt uiteindelijk de huishoudelijke verbruiker ten goede. Het gas dat nodig is om aan hen te leveren, wordt gekanaliseerd door de leverancier, waarbij de grensoverschrijdende stromen worden beheerd door de TSB en uiteindelijk worden geleverd door de DSB's. Indien beperkingen worden opgelegd, moet de gasleverancier van de niet-beschermde afnemers waaraan beperkingen zijn opgelegd, worden verzekerd van de continuïteit van de betalingen, rekening houdend met de volumes die worden verstrekt in het kader van het solidariteitsmechanisme. Deze moeten worden verricht volgens de compensatieregeling in de lidstaat. De potentiële taken en verantwoordelijkheden kunnen worden verdeeld zoals beschreven in punt 1.4.

3.7.   Beschrijving en stappen van het betalingsproces

Afhankelijk van de bestaande kaders en de manier waarop het verbindingspunt tussen deze kaders is overeengekomen tussen de lidstaten, moeten de overeengekomen procedures worden opgenomen in de regelingen.

Als wordt uitgegaan van betrokkenheid van lidstaat tot lidstaat wat betreft de financiële aspecten — en met name het toezicht op, de controle van en de doorzending van vorderingen nadat het gas is geleverd in het kader van het solidariteitsmechanisme — berekent de bevoegde entiteit in de solidariteit verstrekkende lidstaat het bedrag van de compensatie op basis van het geleverde gasvolume, de overeengekomen kostenelementen en de overeengekomen berekeningsmethode, en dient hij zijn verzoek om betaling in bij de bevoegde entiteit in de verzoekende lidstaat. De lidstaat die gas heeft ontvangen in het kader van het solidariteitsmechanisme, bevestigt het daadwerkelijk geleverde volume, controleert de berekening en betaalt binnen de overeengekomen termijn indien die lidstaat geen bezwaren heeft. De financiële processen in de lidstaten — zoals de verdeling van compensatie of de vordering van compensatie voor solidariteit — zijn onderworpen aan de nationale regelgeving (d.w.z. ze kunnen rechtstreeks worden toegepast op de entiteit die een aanbieding indient/waaraan beperkingen worden opgelegd, of ze kunnen worden gecollectiviseerd).

De termijnen voor de berekening van de compensatie voor solidariteit, de controle en de betaling moeten worden opgenomen in de regelingen. Hetzelfde geldt voor de toepasselijke mogelijkheden op het gebied van recht en arbitrage in geval van een geschil dat voortvloeit uit de toepassing van het solidariteitsmechanisme.

III.   CONCLUSIE

Dankzij de verordening betreffende de gasleveringszekerheid is de politieke wil om solidariteit tot stand te brengen tussen de lidstaten voor de eerste keer in de geschiedenis van het energiebeleid van de EU een tastbare realiteit geworden. Bovendien zorgt de verordening ervoor dat solidariteit wordt verheven van een op nationaal niveau toegepast concept tot een EU-breed vangnet voor de meest kwetsbare verbruikers. De verordening voorziet in verreikende rechten en plichten waarmee de zekerheid en veiligheid van een ononderbroken gaslevering wordt geboden aan huishoudens en essentiële sociale diensten. De richtsnoeren in dit document bieden een brede waaier aan opties voor de toepassing van het solidariteitsmechanisme, en tegelijkertijd staat het de lidstaten nog steeds vrij de voor hen meest geschikte oplossingen te kiezen.


(1)  Zie artikel 2, lid 6, en artikel 13 van de verordening.

(2)  Daarom moeten de maatregelen in het noodplan ervoor zorgen dat het gastransmissiesysteem in de om solidariteit verzoekende lidstaat op technisch vlak in staat is om de instroom op te vangen (er is bijvoorbeeld een toereikende leidingbuffer) wanneer een solidariteitsmaatregel in werking wordt gesteld in een acute noodsituatie.

(3)  Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36).

(4)  Cyprus, Finland en Malta.

(5)  Estland, Letland en Litouwen.

(6)  Polen-Litouwen, Finland-Estland, Finland-Zweden, Malta-Italië, Cyprus-Griekenland en Hongarije-Slovenië. Polen-Tsjechië, Polen-Slowakije en Frankrijk-Italië.

(7)  De TSB's werken reeds samen op het gebied van de toegang tot flexibel gas in naburige lidstaten. Sommige van hen hebben operationele balanceringsovereenkomsten gesloten met naburige TSB's. Deze overeenkomsten voorzien in samenwerking die voldoet aan de behoefte aan residuele balancering, waarbij tegelijkertijd korte storingen in de voorziening worden beheerd en beter toezicht wordt gehouden op de inkomende/uitgaande stromen.

(8)  Zo bedraagt de prijs van de strategische opslag van Italië 63 EUR/MWh, en de strategische opslag van Hongarije is gekoppeld aan de prijs voor de TTF enkele dagen voor de vrijgave, vermeerderd met een premie.

(9)  In sommige gevallen dekt de premie de „verzekeringswaarde” van het vrijgemaakte gas. Volgens de sector ligt deze tussen 0,5 EUR en 1 EUR/MWh.

(10)  Bijvoorbeeld het balanceringsproduct op korte termijn van NetConnect Germany, waarmee het gas wordt betaald via een speciaal daarvoor bedoelde rekening die wordt beheerd door de beheerder van het marktgebied.