ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 29

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

61e jaargang
1 februari 2018


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/153 van de Commissie van 23 oktober 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/154 van de Commissie van 30 januari 2018 tot opening van een inschrijvingsprocedure voor de aankoop van mageremelkpoeder tijdens de openbare-interventieperiode van 1 maart tot en met 30 september 2018

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/155 van de Commissie van 31 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 waarbij de beoordeling van werkzame stoffen in het kader van de verlengingsprocedure aan de lidstaten wordt toevertrouwd ( 1 )

8

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2018/156 van de Raad van 22 januari 2018 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Associatieraad die is ingesteld krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds, wat de aanvulling van bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van die overeenkomst betreft alsmede in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wat de herberekening van het schema voor de afschaffing van uitvoerrechten in de bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van die overeenkomst betreft

13

 

*

Besluit (EU) 2018/157 van de Raad van 29 januari 2018 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Italiaanse Republiek

35

 

*

Besluit (EU) 2018/158 van de Raad van 29 januari 2018 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Republiek Finland

36

 

*

Besluit (EU, Euratom) 2018/159 van de Raad van 29 januari 2018 houdende benoeming van twee leden van de Rekenkamer

37

 

*

Besluit (EU) 2018/160 van de Commissie van 30 juni 2017 betreffende steunmaatregel SA.44351 (2016/C) (ex 2016/NN) ten uitvoer gelegd door Polen in de vorm van een belasting op de detailhandel (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 4449)  ( 1 )

38

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/153 VAN DE COMMISSIE

van 23 oktober 2017

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 15, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen door het opleggen van een aanlandingsverplichting.

(2)

Om de aanlandingsverplichting uit te voeren heeft de Commissie krachtens artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de bevoegdheid om door middel van gedelegeerde handelingen teruggooiplannen vast te stellen voor een termijn van ten hoogste drie jaar, op basis van gemeenschappelijke aanbevelingen die de lidstaten opstellen in overleg met de betrokken adviesraden.

(3)

Nadat een aantal lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de Middellandse Zee (Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Malta en Slovenië) in 2016 drie gemeenschappelijke aanbevelingen bij de Commissie hadden ingediend, is bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie (2) een teruggooiplan vastgesteld dat van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 van toepassing is op bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee. Die drie gemeenschappelijke aanbevelingen betroffen respectievelijk het westelijke deel van de Middellandse Zee, de Adriatische Zee en het zuidoostelijke deel van de Middellandse Zee.

(4)

Overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is de aanlandingsverplichting voor de demersale visserijen in de Middellandse Zee uiterlijk vanaf 1 januari 2017 van toepassing op visserijbepalende soorten.

(5)

Na overleg met de regionale groep op hoog niveau Pescamed hebben Frankrijk, Italië en Spanje op 2 juni 2017 bij de Commissie een nieuwe gemeenschappelijke aanbeveling ingediend voor een teruggooiplan voor demersale visserijen in het westelijke deel van de Middellandse Zee voor 2018. Op 5 juli 2017 hebben dezelfde lidstaten op verzoek van de Commissie aanvullende informatie en gegevens ingediend.

(6)

In de door Frankrijk, Italië en Spanje ingediende nieuwe gemeenschappelijke aanbeveling voor het westelijke deel van de Middellandse Zee wordt voorgesteld de op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling, waarin wordt voorzien bij artikel 3 van Verordening (EU) 2017/86, ook toe te passen op de visserij op langoustines (Nephrops norvegicus) die worden gevangen met alle bodemtrawls in het westelijke deel van de Middellandse Zee. In de aanbeveling wordt ook voorgesteld om de op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor met gemechaniseerde dreggen (HMD) gevangen mediterrane sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus), tapijtschelpen (Venerupis spp.) en venusschelpen (Venus spp.) uit te breiden tot het westelijke deel van de Middellandse Zee.

(7)

Voorts wordt in dezelfde gemeenschappelijke aanbeveling gesuggereerd om voor de toepassing van dit teruggooiplan de definitie van het westelijke deel van de Middellandse Zee uit te breiden door de opname van geografisch deelgebied 12 van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM).

(8)

In die gemeenschappelijke aanbeveling wordt ook voorgesteld om de visserij op zeebarbeel te herdefiniëren en alle Mullus-soorten (Mullus spp.), d.w.z. mul en gestreepte zeebarbeel, in de definitie op te nemen.

(9)

In dezelfde gemeenschappelijke aanbeveling wordt gesuggereerd om, in het kader van de uitvoering van de aanlandingsverplichting, de referentieperiode voor de vaststelling van de omvang van de aanlandingen per vaartuig voor heek en zeebarbelen bij te werken tot 2015 en 2016.

(10)

Ten slotte wordt in de gemeenschappelijke aanbeveling gesuggereerd om de op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor tweekleppige weekdieren (namelijk mediterrane sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus), tapijtschelpen (Venerupis spp.) en venusschelpen (Venus spp.)) in het westelijke deel van de Middellandse Zee ook toe te passen in 2018 en 2019.

(11)

Na overleg binnen de regionale groep op hoog niveau Adriatica hebben Kroatië, Italië en Slovenië op 28 juni 2017 bij de Commissie een nieuwe gemeenschappelijke aanbeveling voor de Adriatische Zee ingediend waarin nieuwe gegevens zijn opgenomen over de overlevingskansen van tong (Solea solea) voor 2015 en 2016.

(12)

In de nieuwe gemeenschappelijke aanbeveling stellen Kroatië, Italië en Slovenië voor om de op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor tong in de Adriatische Zee ook toe te passen in 2018 en 2019.

(13)

De gemeenschappelijke aanbevelingen werden tussen 10 en 14 juli 2017 (3) beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV). Het WTECV concludeerde in zijn evaluatie dat de door de lidstaten verstrekte informatie niet volledig is op het vlak van de overlevingskansen van tong, mediterrane sint-jakobsschelpen, tapijtschelpen, venusschelpen en langoustines. Bij gebrek aan afdoend bewijs voor de overlevingskansen van deze soorten is de Commissie van oordeel dat de op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstelling op grond van artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 slechts voor één jaar in deze verordening mag worden opgenomen. De betrokken lidstaten moeten de relevante gegevens tijdig bij de Commissie indienen zodat het WTECV de argumenten voor de vrijstelling volledig kan beoordelen en de Commissie de vrijstellingen kan herbezien.

(14)

In het licht van deze overwegingen zijn de voorgestelde wijzigingen van het teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee verenigbaar met de bestaande instandhoudingsmaatregelen voor het gebied.

(15)

De in de nieuwe gemeenschappelijke aanbevelingen voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 15, lid 4, en artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en mogen dus worden opgenomen in het bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 vastgestelde teruggooiplan.

(16)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(17)

Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de Unievaartuigen en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet vanaf 1 januari 2018 van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, onder c), wordt vervangen door:

„„c.   westelijk deel van de Middellandse Zee”: de geografische deelgebieden 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11.1, 11.2 en 12 van de GFCM;”.

2)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

lid 1 wordt vervangen door:

„De vrijstelling van de aanlandingsverplichting op grond van artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor soorten waarvoor wetenschappelijk vaststaat dat zij hoge overlevingskansen hebben, geldt in 2018 voor:

a)

tong (Solea solea), gevangen met de rapido (boomkor) (TBB) (*1) in de geografische deelgebieden 17 en 18;

b)

mediterrane sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus), gevangen met gemechaniseerde dreggen (HMD) in het westelijke deel van de Middellandse Zee;

c)

tapijtschelpen (Venerupis spp.), gevangen met gemechaniseerde dreggen (HMD) in het westelijke deel van de Middellandse Zee;

d)

venusschelpen (Venus spp.), gevangen met gemechaniseerde dreggen (HMD) in het westelijke deel van de Middellandse Zee;

e)

langoustines (Nephrops norvegicus), gevangen met alle bodemtrawls (OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX) in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

(*1)  De in deze verordening gebruikte vistuigcodes zijn die van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 122 van 30.4.2011, blz. 1). Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 m wordt in deze tabel gebruikgemaakt van de codes van de vistuigindeling van de FAO.”;"

lid 2 wordt vervangen door:

„Overeenkomstig lid 1 gevangen tong (Solea solea), mediterrane sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus), tapijtschelpen (Venerupis spp.), venusschelpen (Venus spp.) en langoustines (Nephrops norvegicus) worden onmiddellijk vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.”;

lid 3 wordt vervangen door:

„Lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer van de visserijen in de Middellandse Zee stellen de Commissie uiterlijk op 1 mei 2018 in kennis van teruggooigegevens ter aanvulling van die in de gezamenlijke aanbevelingen van 2 en 28 juni en 6 juli 2017, alsmede van andere ter zake relevante wetenschappelijke informatie ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Voor langoustines (Nephrops norvegicus) dienen de lidstaten gegevens in die aanvullend bewijs vormen voor de overlevingspercentages in de zomermaanden. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij beoordeelt deze gegevens en informatie uiterlijk tegen juli 2018.”.

3)

In artikel 4, onder a), worden de punten i) en ii) vervangen door:

i)

„voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), in 2017 en 2018 maximaal 7 % en in 2019 maximaal 6 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soorten door vaartuigen die bodemtrawls gebruiken, en

ii)

voor heek (Merluccius merluccius) en voor zeebarbelen (Mullus spp.), maximaal 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soorten door vaartuigen die kieuwnetten en schakelnetten gebruiken;”.

4)

Tabel 1 van de bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 oktober 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 354 van 28.1.2013, blz. 22.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/86 van de Commissie van 20 oktober 2016 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde demersale visserijen in de Middellandse Zee (PB L 14 van 18.1.2017, blz. 4).

(3)  Het verslag van de 55e plenaire vergadering van het WTECV is beschikbaar op https://stecf.jrc.ec.europa.eu/reports/plenary


BIJLAGE

„1.   Westelijk deel van de Middellandse Zee

Visserijen

Vistuig

Aanlandingsverplichting

Heek

(Merluccius merluccius) (1)

Alle bodemtrawls

(OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX)

Als de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 voor meer dan 25 % uit heek bestonden, is de aanlandingsverplichting van toepassing op alle vangsten van heek.

Alle beuglijnen

(LL, LLS, LLD, LX, LTL, LHP, LHM)

Alle schakel- en kieuwnetten

(GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN)

Zeebarbelen (Mullus spp.)

FAO-codes: MUT, MUR, MUX (1)

Alle bodemtrawls

(OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX)

Als de totale aanlandingen per vaartuig van alle soorten in 2015 en 2016 voor meer dan 25 % uit zeebarbelen bestonden, is de aanlandingsverplichting van toepassing op alle vangsten van zeebarbelen.

Alle beuglijnen

(LL, LLS, LLD, LX, LTL, LHP, LHM)

Alle schakel- en kieuwnetten

(GNS, GN, GND, GNC, GTN, GTR, GEN)

Mediterrane sint-jakobsschelpen (Pecten jacobaeus), tapijtschelpen (Venerupis spp.), venusschelpen (Venus spp.)

Alle gemechaniseerde dreggen

HMD

 

Langoustine (Nephrops norvegicus)

Alle bodemtrawls

(OTB, OTT, PTB, TBN, TBS, TB, OT, PT, TX)

Alle vangsten van langoustine vallen onder de aanlandingsverplichting.


(1)  Vaartuigen die overeenkomstig deze verordening onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen, blijven op de lijst ondanks de wijziging van deze verordening bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/153, en blijven onder de aanlandingsverplichting voor deze visserij vallen.”


1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/154 VAN DE COMMISSIE

van 30 januari 2018

tot opening van een inschrijvingsprocedure voor de aankoop van mageremelkpoeder tijdens de openbare-interventieperiode van 1 maart tot en met 30 september 2018

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 3, lid 6,

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 van de Commissie van 18 mei 2016 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft openbare interventie en steun voor particuliere opslag (3), en met name artikel 12, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 is de openbare interventie voor mageremelkpoeder open van 1 maart tot en met 30 september.

(2)

In Verordening (EU) nr. 1370/2013 is bepaald dat de kwantitatieve beperking voor de aankoop van mageremelkpoeder tegen een vaste prijs moet worden vastgesteld op nul ton voor het jaar 2018.

(3)

Daarom moet overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1370/2013 vanaf de start van de openbare-interventieperiode in 2018 een inschrijvingsprocedure voor de aankoop van mageremelkpoeder worden geopend.

(4)

Titel II, hoofdstuk II, afdeling 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 bevat voorschriften voor de aankoop in het kader van een inschrijvingsprocedure.

(5)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 moet de termijn worden vastgesteld waarover de lidstaten beschikken om de Commissie van alle ontvankelijke inschrijvingen in kennis te stellen.

(6)

Met het oog op een doeltreffend beheer moeten de lidstaten voor hun kennisgevingen aan de Commissie gebruikmaken van de informatiesystemen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1183 van de Commissie (4) en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1185 van de Commissie (5),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Opening van de inschrijvingsprocedure

Onder de voorwaarden die in titel II, hoofdstuk II, afdeling 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 en in deze verordening zijn vastgesteld, wordt van 1 maart tot en met 30 september 2018 een inschrijvingsprocedure geopend voor de aankoop van mageremelkpoeder in het kader van de interventie.

Artikel 2

Indiening van inschrijvingen

1.   De perioden waarin inschrijvingen kunnen worden ingediend, lopen af om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de derde dinsdag van de maand. In augustus loopt de termijn voor het indienen van de inschrijvingen evenwel af op de vierde dinsdag van de maand om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).

Als de betrokken dinsdag een officiële feestdag is, loopt de termijn af op de laatste werkdag die aan die dinsdag voorafgaat, om 11.00 uur (plaatselijke tijd Brussel).

2.   De inschrijvingen worden ingediend bij de door de lidstaten erkende betaalorganen (6).

Artikel 3

Kennisgeving aan de Commissie

De in artikel 9, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1240 bedoelde kennisgeving wordt uiterlijk om 16.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de in artikel 2 van de onderhavige verordening bedoelde uiterste datums voor het indienen van de inschrijvingen gedaan overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1183 en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1185.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 januari 2018.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 346 van 20.12.2013, blz. 12.

(3)  PB L 206 van 30.7.2016, blz. 71.

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1183 van de Commissie van 20 april 2017 tot aanvulling van de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de aan de Commissie te melden informatie en documenten (PB L 171 van 4.7.2017, blz. 100).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1185 van de Commissie van 20 april 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de aan de Commissie te melden informatie en documenten en tot wijziging en intrekking van diverse verordeningen van de Commissie (PB L 171 van 4.7.2017, blz. 113).

(6)  Het adres van de betaalorganen is te vinden op de website van de Europese Commissie http://ec.europa.eu/agriculture/milk/policy-instruments/index_nl.htm


1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/8


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/155 VAN DE COMMISSIE

van 31 januari 2018

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 waarbij de beoordeling van werkzame stoffen in het kader van de verlengingsprocedure aan de lidstaten wordt toevertrouwd

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 19,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 van de Commissie (2) is de beoordeling van werkzame stoffen in het kader van de verlengingsprocedure aan een lidstaat-rapporteur en aan een lidstaat-corapporteur toevertrouwd. Aangezien de beoordeling van de werkzame stoffen waarvan de erkenning afloopt tussen 1 januari 2022 en 31 december 2024 nog niet is toegewezen aan een lidstaat of aan een lidstaat-corapporteur, is het passend over te gaan tot een dergelijke toewijzing.

(2)

Met het oog op de duur van de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen en de recente kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (3) is het nodig om de beoordeling van de werkzame stoffen die zijn opgenomen in deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 waarvoor het Verenigd Koninkrijk de lidstaat-rapporteur of de lidstaat-corapporteur is en waarvoor nog geen aanvullend dossier is ingediend, aan een andere lidstaat toe te wijzen. De betrokken werkzame stoffen zijn aluminiumammoniumsulfaat, azoxystrobin, bupirimaat, carbetamide, chloormequat, ethyleen, fenbuconazool, fluopicolide, fluquinconazool, flutriafol, knoflookextract, metazachloor, myclobutanil, paclobutrazool, peper, plantaardige oliën/citronellaolie, propaquizafop, quizalofop-P-ethyl en quizalofop-P-tefuryl, triallaat en ureum.

(3)

Deze toewijzing moet zodanig geschieden dat de verantwoordelijkheden en werkzaamheden evenwichtig tussen de lidstaten worden verdeeld.

(4)

Deze verordening moet zo snel mogelijk in werking treden aangezien de termijn voor de indiening van het aanvullende dossier voor een aantal van de betrokken werkzame stoffen 28 februari 2018 is.

(5)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 van de Commissie van 26 juli 2012 waarbij de beoordeling van de werkzame stoffen in het kader van de verlengingsprocedure aan de lidstaten wordt toevertrouwd (PB L 200 van 27.7.2012, blz. 5).

(3)  PB C 326 van 26.10.2012, blz. 13.


BIJLAGE

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 686/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In deel B worden de vermeldingen voor de werkzame stoffen aluminiumammoniumsulfaat, azoxystrobin, bupirimaat, carbetamide, chloormequat, ethyleen, fenbuconazool, fluopicolide, fluquinconazool, flutriafol, knoflookextract, metazachloor, myclobutanil, paclobutrazool, peper, plantaardige oliën/citronellaolie, propaquizafop, quizalofop-P-ethyl en quizalofop-P-tefuryl, triallaat en ureum vervangen door de volgende overeenkomstige vermeldingen:

Werkzame stof

Lidstaat-rapporteur

Lidstaat-corapporteur

„Aluminiumammoniumsulfaat

IE

PT”

„Azoxystrobin

AT

NO”

„Bupirimaat

NL

PL”

„Carbetamide

SE

BE”

„Chloormequat

AT

IT”

„Ethyleen

NL

ES”

„Fenbuconazool

SI

AT”

„Fluopicolide

AT

ES”

„Fluquinconazool

CZ

SK”

„Flutriafol

SK

CZ”

„Knoflookextract

IE

DK”

„Metazachloor

NL

PT”

„Myclobutanil

AT

ES”

„Paclobutrazool

AT

RO”

„Peper

BE

IE”

„Plantaardige oliën/citronellaolie

FR

CZ”

„Propaquizafop

AT

EE”

„Quizalofop-P-ethyl

FI

SE”

„Quizalofop-P-tefuryl

HR

AT”

„Triallaat

NL

CZ”

„Ureum

EL

FI”

2)

Het volgende deel C wordt toegevoegd:

DEEL C

TOEWIJZING VAN DE BEOORDELING VAN DE WERKZAME STOFFEN WAARVAN DE GOEDKEURING NA 31 DECEMBER 2021 EN UITERLIJK OP 31 DECEMBER 2024 VERVALT

Werkzame stof

Lidstaat-rapporteur

Lidstaat-corapporteur

1,4-Dimethylnaftaleen

AT

PL

Acequinocyl

DE

NL

Adoxophyes orana GV stam BV-0001

DE

FR

Ametoctradin

DE

NL

Aminopyralide

FI

DK

Amisulbrom

EL

FI

Ascorbinezuur

NL

FR

Aureobasidium pullulans (stammen DSM 14940 en DSM 14941)

AT

DE

Bacillus firmus I-1582

FR

DK

Bacillus pumilus QST 2808

IT

NL

Benalaxyl-M

PT

IT

Benzovindiflupyr

FR

AT

Bixafen

CZ

BE

Candida oleophila stam O

SI

DE

Chlorantraniliprole

IE

DE

Cyflumetofen

ES

AT

Dinatriumfosfonaat

FR

EL

Emamectine

NL

SI

Esfenvaleraat

AT

PT

Eugenol

ES

EL

Fenpyrazamine

LV

LT

Flubendiamide

EL

AT

Flumetraline

HU

EL

Fluopyram

AT

HR

Fluxapyroxad

FR

EL

Geraniol

ES

EL

Halosulfuron-methyl

IT

PL

Helicoverpa armigera nucleopolyhedrovirus (HearNPV)

EE

FR

Ipconazool

BE

FR

Isopyrazam

NO

EL

Lambda-cyhalothrin

SE

FR

Maltodextrine

IE

FR

Mandipropamid

AT

PT

Metaflumizon

SE

EL

Metam (incl. -kalium en -natrium)

BE

ES

Metobromuron

FR

NO

Metsulfuron-methyl

DK

SE

Sinaasappelolie

FR

CZ

Paecilomyces fumosoroseus stam Fe9901

PL

NL

Penflufen

PL

IE

Penthiopyrad

SE

CZ

Fosfaan

ES

DE

Kaliumfosfonaten (voorheen kaliumfosfiet)

FR

EL

Prosulfuron

FR

SK

Pseudomonas sp. stam DSMZ 13134

NL

BG

Pyridalyl

NL

BE

Pyriofenon

LV

EL

Pyroxsulam

DK

FI

S-abscisinezuur

NL

DK

Sedaxaan

FR

AT

Natriumzilverthiosulfaat

NL

LV

Spinetoram

HR

ES

Spiromesifen

IT

AT

Spirotetramaat

AT

NO

Spodoptera littoralis kernpolyedervirus

EE

FR

Streptomyces lydicus WYEC 108

NL

DE

Tembotrion

AT

FR

Thiencarbazon

FR

EL

Thymol

ES

EL

Trichoderma asperellum stam T34

SE

IT

Trichoderma atroviride stam I-1237

IT

SK

Valifenalaat (voorheen valifenal)

HU

SI

Courgettegeelmozaïekvirus, zwakke stam

DK

AT”


BESLUITEN

1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/13


BESLUIT (EU) 2018/156 VAN DE RAAD

van 22 januari 2018

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Associatieraad die is ingesteld krachtens de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds, wat de aanvulling van bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van die overeenkomst betreft alsmede in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken wat de herberekening van het schema voor de afschaffing van uitvoerrechten in de bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van die overeenkomst betreft

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (1) (de „overeenkomst”) is op 30 september 2016 in werking getreden. Artikel 486, leden 3 en 4, daarvan voorziet in de voorlopige toepassing van een deel van de overeenkomst, zoals door de Unie gespecificeerd.

(2)

Artikel 4 van Besluit 2014/668/EU van de Raad (2) vermeldt welke bepalingen van de overeenkomst voorlopig zullen worden toegepast, waaronder de bepalingen betreffende de afschaffing van douanerechten en de bepalingen betreffende de bijlagen I-A tot en met I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst. De voorlopige toepassing is van kracht sinds 1 januari 2016.

(3)

De Unie is door middel van de autonome handelspreferenties waarin Verordening (EU) nr. 374/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3) voorziet, eenzijdig vooruitgelopen op de toepassing van de Lijst van concessies in bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, zodat zij reeds uitvoering heeft gegeven aan de door de partijen overeengekomen specifieke modaliteiten voor de toepassing van die lijst („faseringscategorieën”).

(4)

In het kader van de wijziging van de autonome handelspreferenties zijn de modaliteiten voor de tariefafbouw verduidelijkt door Verordening (EU) nr. 1150/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4), om voor elke faseringscategorie als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 374/2014 te preciseren welke verlaging op het basistarief van de douanerechten moet worden toegepast.

(5)

De betrokken modaliteiten, waarin het door de partijen tijdens de onderhandelingen bereikte akkoord tot uitdrukking komt, moeten op overeenkomstige wijze worden verduidelijkt opdat zij met het oog op een zo goed mogelijke toepassing van de Lijst van concessies duidelijk zijn vastgelegd. Dergelijke modaliteiten moeten worden toegepast door beide partijen bij de overeenkomst.

(6)

In bijlage I-C bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, waarin het schema voor de afschaffing van uitvoerrechten voor Oekraïne is vastgelegd, staat dat de tabel moet worden herberekend om de relatieve preferentie, d.w.z. dezelfde verhouding, ten opzichte van het voor WTO-leden voor elke periode geldende uitvoerrecht in acht te nemen, indien de handelsgerelateerde bepalingen van de overeenkomst na 15 mei 2014 in werking treden.

(7)

In bijlage I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, waarin de vrijwaringsmaatregelen in de vorm van een aanvullende heffing op het uitvoerrecht voor bepaalde goederen zijn vastgelegd, staat eveneens dat de tabel moet worden herberekend om de relatieve preferentie, d.w.z. dezelfde verhouding, ten opzichte van het voor WTO-leden voor elke periode geldende uitvoerrecht in acht te nemen, indien de handelsgerelateerde bepalingen van de overeenkomst na 15 mei 2014 in werking treden.

(8)

Er is een technische wijziging van bijlage I-C bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst nodig om tariefcode 1207 99 97 00 in overeenstemming te brengen met de correcte definitie volgens de United Commodities Classifier (UKTZED) van Oekraïne.

(9)

Bij Besluit nr. 3/2014 (5) heeft de Associatieraad EU-Oekraïne het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken gemachtigd om bepaalde handelsgerelateerde bijlagen, waaronder de bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, te actualiseren of te wijzigen.

(10)

Het door de Unie in de Associatieraad en in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken in te nemen standpunt moet derhalve worden gebaseerd op de bijgaande ontwerpbesluiten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie in de Associatieraad moet worden ingenomen met betrekking tot de aanvulling van bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst en het standpunt dat namens de Unie in het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken moet worden ingenomen wat de herberekening van het schema voor de afschaffing van uitvoerrechten in de bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst betreft, worden gebaseerd op de aan dit besluit gehechte ontwerpbesluiten.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel, 22 januari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  PB L 161 van 29.5.2014, blz. 3.

(2)  Besluit 2014/668/EU van de Raad van 23 juni 2014 inzake de ondertekening, namens de Europese Unie, en de voorlopige toepassing van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds, wat titel III (met uitzondering van de bepalingen betreffende de behandeling van onderdanen van derde landen die legaal werken op het grondgebied van de andere partij) en de titels IV, V, VI en VII, alsmede de desbetreffende bijlagen en protocollen daarvan betreft (PB L 278 van 20.9.2014, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 374/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlaging of afschaffing van douanerechten op goederen van oorsprong uit Oekraïne (PB L 118 van 22.4.2014, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1150/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 29 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 374/2014 tot verlaging of afschaffing van douanerechten op goederen van oorsprong uit Oekraïne (PB L 313 van 31.10.2014, blz. 1).

(5)  Besluit nr. 3/2014 van de Associatieraad EU-Oekraïne van 15 december 2014 inzake de overdracht van enkele bevoegdheden van de Associatieraad aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken (PB L 158 van 24.6.2015, blz. 4).


ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2018 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-OEKRAÏNE

van … 2018

tot aanvulling van bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds,

DE ASSOCIATIERAAD EU-OEKRAÏNE,

Gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds, ondertekend te Brussel op 27 juni 2014,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 486 van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds („de overeenkomst”), wordt een deel van de overeenkomst, waaronder de bepalingen betreffende de afschaffing van douanerechten en de daarmee verband houdende bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, met ingang van 1 januari 2016 voorlopig toegepast.

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 374/2014 van het Europees Parlement en de Raad (1) werd eenzijdig een preferentiële regeling vastgesteld die voorzag in verlaging of afschaffing van de douanerechten op goederen van oorsprong uit Oekraïne overeenkomstig bijlage I bij die verordening.

(3)

Deze preferentiële regeling had betrekking op de tariefconcessies die in de loop van het eerste jaar van tenuitvoerlegging van de overeenkomst overeenkomstig bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst zouden worden toegepast.

(4)

Bij Verordening (EU) nr. 1150/2014 van het Europees Parlement en de Raad (2) werd onder meer voor elke „faseringscategorie” als bedoeld in bijlage I bij laatstgenoemde verordening gepreciseerd welke specifieke verlaging op het basistarief van de douanerechten moet worden toegepast.

(5)

Ter bevordering van de duidelijkheid van de overeenkomst moet op overeenkomstige wijze voor alle daaropvolgende jaren voor elke „faseringscategorie” als bedoeld in bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst worden gepreciseerd welke verlaging op het basistarief van de douanerechten moet worden toegepast. Deze modaliteiten voor de tariefafbouw zijn in overeenstemming met het akkoord dat tijdens de onderhandelingen met Oekraïne is bereikt, en zullen door beide partijen bij de overeenkomst worden toegepast.

(6)

Overeenkomstig artikel 463, lid 2, van de overeenkomst vormt de Associatieraad een forum voor de uitwisseling van informatie over de maatregelen met betrekking tot tenuitvoerlegging en handhaving.

(7)

Overeenkomstig artikel 463, lid 3, van de overeenkomst kan de Associatieraad de bijlagen bij de overeenkomst actualiseren of wijzigen.

(8)

Het is derhalve passend dat de Associatieraad EU-Oekraïne een besluit tot aanvulling van bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst vaststelt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst wordt een nieuw aanhangsel C als vervat in de bijlage bij dit besluit toegevoegd ter precisering van de uitvoering van de verlaging die voor alle daaropvolgende jaren voor elke „faseringscategorie” als bedoeld in bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst op het basistarief van de douanerechten moet worden toegepast.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te …,

Voor de Associatieraad

De voorzitter


(1)  Verordening (EU) Nr. 374/2014 van het Europees parlement en de Raad van 16 april 2014 tot verlaging of afschaffing van douanerechten op goederen van oorsprong uit Oekraïne (PB L 118 van 22.4.2014, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 1150/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 29 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 374/2014 tot verlaging of afschaffing van douanerechten op goederen van oorsprong uit Oekraïne (PB L 313 van 31.10.2014, blz. 1).

BIJLAGE

AANHANGSEL C VAN BIJLAGE I-A BIJ HOOFDSTUK 1 VAN TITEL IV VAN DE OVEREENKOMST

AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN

SCHEMA VAN DE PARTIJEN VOOR DE AFSCHAFFING VAN RECHTEN OP GOEDEREN VAN OORSPRONG UIT DE ANDERE PARTIJ

In dit aanhangsel wordt voor elke „faseringscategorie” de op het basistarief van de douanerechten toe te passen verlaging gepreciseerd.

1.

Tenzij in de in bijlage I-A bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst opgenomen lijsten inzake tariefafschaffing van de partijen (hierna „lijsten” genoemd) anders is bepaald, gelden voor de afschaffing van de douanerechten door de partijen ingevolge artikel 29 (Afschaffing van invoerrechten) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van de overeenkomst de volgende preciseringen:

a)

de douanerechten op goederen van oorsprong uit Oekraïne of de EU (hierna „goederen van oorsprong” genoemd) die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „0” worden volledig afgeschaft; deze goederen zijn vrij van douanerechten vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst;

b)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „1”, worden afgeschaft in twee gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarna deze goederen vrij van douanerechten zijn;

c)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „2”, worden afgeschaft in drie gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarna deze goederen vrij van douanerechten zijn;

d)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „3”, worden afgeschaft in vier gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarna deze goederen vrij van douanerechten zijn;

e)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „5”, worden afgeschaft in zes gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarna deze goederen vrij van douanerechten zijn;

f)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „7”, worden afgeschaft in acht gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarna deze goederen vrij van douanerechten zijn;

g)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „10”, worden afgeschaft in elf gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, waarna deze goederen vrij van douanerechten zijn;

h)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten met de opmerking „20 % in 5 jaar”, worden met 20 % verlaagd in zes gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; deze goederen worden nadien onderworpen aan een douanerecht gelijk aan het basistarief minus 20 %;

i)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten met de opmerking „20 % in 10 jaar”, worden met 20 % verlaagd in elf gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; deze goederen worden nadien onderworpen aan een douanerecht gelijk aan het basistarief minus 20 %;

j)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten met de opmerking „30 % in 5 jaar”, worden met 30 % verlaagd in zes gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; deze goederen worden nadien onderworpen aan een douanerecht gelijk aan het basistarief minus 30 %;

k)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten met de opmerking „50 % in 5 jaar”, worden met 50 % verlaagd in zes gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; deze goederen worden nadien onderworpen aan een douanerecht gelijk aan het basistarief minus 50 %;

l)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten met de opmerking „50 % in 7 jaar”, worden met 50 % verlaagd in acht gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; deze goederen worden nadien onderworpen aan een douanerecht gelijk aan het basistarief minus 50 %;

m)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten met de opmerking „50 % in 10 jaar”, worden met 50 % verlaagd in elf gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; deze goederen worden nadien onderworpen aan een douanerecht gelijk aan het basistarief minus 50 %;

n)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten met de opmerking „60 % in 5 jaar”, worden met 60 % verlaagd in zes gelijke stappen, te beginnen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; deze goederen worden nadien onderworpen aan een douanerecht gelijk aan het basistarief minus 60 %;

o)

de douanerechten op goederen van oorsprong die in de lijsten zijn opgenomen in tariefposten in faseringscategorie „Vrij ad valorem (invoerprijs (1))” worden afgeschaft op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst; de liberalisering betreft alleen het recht ad valorem; het specifieke recht dat gekoppeld is aan het invoerprijzensysteem dat voor deze goederen van oorsprong geldt, wordt gehandhaafd.

2.

Het basistarief en de faseringscategorie voor het vaststellen van de hoogte van het douanetarief dat in iedere fase van de tariefverlaging van toepassing is, zijn vermeld in de desbetreffende tariefpost in de lijst.

3.

In verband met de afschaffing van de douanerechten worden de douanetarieven in elke fase naar beneden afgerond, ten minste tot het dichtstbijzijnde tiende van een procentpunt of, indien het recht in monetaire eenheden wordt uitgedrukt, ten minste tot de dichtstbijzijnde decimaal van de officiële monetaire eenheid van de partij.

4.

De eerste verlaging in het kader van dit aanhangsel vindt plaats bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, en iedere verdere verlaging op 1 januari van het desbetreffende jaar.

5.

Indien deze overeenkomst in werking treedt na 1 januari en voor 31 december van hetzelfde jaar, wordt de omvang van het contingent voor het resterende deel van het kalenderjaar proportioneel vastgesteld.


(1)  Zie bijlage 2 bij bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).


ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2018 VAN HET ASSOCIATIECOMITÉ EU-OEKRAÏNE IN ZIJN SAMENSTELLING VOOR HANDELSVRAAGSTUKKEN

van … 2018

tot herberekening van het schema voor de afschaffing van uitvoerrechten in de bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds,

HET ASSOCIATIECOMITÉ IN ZIJN SAMENSTELLING VOOR HANDELSVRAAGSTUKKEN,

Gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (1), ondertekend te Brussel op 27 juni 2014,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 486 van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds („de overeenkomst”), wordt een deel van de overeenkomst, waaronder de bepalingen betreffende de afschaffing van douanerechten en de daarmee verband houdende bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, met ingang van 1 januari 2016 voorlopig toegepast.

(2)

In bijlage I-C bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, waarin het schema voor de afschaffing van uitvoerrechten voor Oekraïne is vastgelegd, staat dat de tabel moet worden herberekend om de relatieve preferentie, d.w.z. dezelfde verhouding, ten opzichte van het voor WTO-leden voor elke periode geldende uitvoerrecht in acht te nemen, indien de handelsgerelateerde bepalingen van de overeenkomst na 15 mei 2014 in werking treden.

(3)

In bijlage I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, waarin de vrijwaringsmaatregelen in de vorm van een aanvullende heffing op het uitvoerrecht voor bepaalde goederen zijn vastgelegd, staat eveneens dat de tabel moet worden herberekend om de relatieve preferentie, d.w.z. dezelfde verhouding, ten opzichte van het voor WTO-leden voor elke periode geldende uitvoerrecht in acht te nemen, indien de handelsgerelateerde bepalingen van de overeenkomst na 15 mei 2014 in werking treden.

(4)

Er is een technische wijziging van bijlage I-C bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst nodig om tariefcode 1207 99 97 00 in overeenstemming te brengen met de correcte definitie volgens de United Commodities Classifier (UKTZED) van Oekraïne.

(5)

Overeenkomstig artikel 463, lid 3, van de overeenkomst kan de Associatieraad de bijlagen bij de overeenkomst actualiseren of wijzigen.

(6)

Overeenkomstig artikel 465, lid 2, van de overeenkomst kan de Associatieraad bevoegdheden overdragen aan het Associatiecomité, waaronder de bevoegdheid om bindende besluiten te nemen. Volgens artikel 465, lid 4, van de overeenkomst komt dat comité in een specifieke samenstelling bijeen voor de bespreking van alle onderwerpen met betrekking tot titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

(7)

Bij Besluit nr. 3/2014 (2) heeft de Associatieraad EU-Oekraïne het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken (het „Handelscomité”) gemachtigd om bepaalde handelsgerelateerde bijlagen, waaronder de bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst, te actualiseren of te wijzigen.

(8)

Het is derhalve passend dat het Handelscomité een besluit tot herberekening van het schema voor de afschaffing van uitvoerrechten in de bijlagen I-C en I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst vaststelt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I-C bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds, wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij dit besluit.

Artikel 2

Bijlage I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds, wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij dit besluit.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te …,

Voor het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken

De voorzitter


(1)  PB L 161 van 29.5.2014, blz. 3.

(2)  Besluit nr. 3/2014 van de Associatieraad EU-Oekraïne van 15 december 2014 inzake de overdracht van enkele bevoegdheden van de Associatieraad aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken (PB L 158 van 24.6.2015, blz. 4).

BIJLAGE

BIJLAGE I-C BIJ HOOFDSTUK 1 VAN TITEL IV VAN DE OVEREENKOMST

SCHEMA VOOR DE AFSCHAFFING VAN UITVOERRECHTEN

Tenzij anders gespecificeerd, worden de rechten uitgedrukt in %.

Vee en huiden (grondstoffen)

GS-code

Omschrijving

iwt (2016 (1))

iwt+1 (2017)

iwt+2 (2018)

iwt+3 (2019)

iwt+4 (2020)

iwt+5 (2021)

iwt+6 (2022)

iwt+7 (2023)

iwt+8 (2024)

iwt+9 (2025)

iwt+10 (2026)

Vrijwaringsmaatregelen

 

Levende runderen (huisdieren), met uitzondering van fokdieren van zuiver ras

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0102 90 05 00

Huisdieren met een gewicht van niet meer dan 80 kg

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 21 00

Huisdieren met een gewicht van meer dan 80 kg doch niet meer dan 160 kg, slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 29 00

Huisdieren met een gewicht van meer dan 80 kg doch niet meer dan 160 kg, geen slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 41 00

Huisdieren met een gewicht van meer dan 160 kg doch niet meer dan 300 kg, slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 49 00

Huisdieren met een gewicht van meer dan 160 kg doch niet meer dan 300 kg, geen slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 51 00

Vaarzen (vrouwelijke runderen die nog niet gekalfd hebben) met een gewicht van meer dan 300 kg, slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 59 00

Vaarzen (vrouwelijke runderen die nog niet gekalfd hebben) met een gewicht van meer dan 300 kg, geen slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 61 00

Koeien met een gewicht van meer dan 300 kg, slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 69 00

Koeien met een gewicht van meer dan 300 kg, geen slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 71 00

Huisdieren, met uitzondering van vaarzen en koeien, met een gewicht van meer dan 300 kg, slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 79 00

Huisdieren, met uitzondering van vaarzen en koeien, met een gewicht van meer dan 300 kg, geen slachtdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0102 90 90 00

Runderen, geen huisdieren

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

 

Levende schapen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0104 10 10 00

fokdieren van zuiver ras

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0104 10 30 00

Lammeren (tot de leeftijd van een jaar)

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

0104 10 80 00

Levende schapen, met uitzondering van fokdieren van zuiver ras en lammeren (tot de leeftijd van een jaar)

8,0

7,2

6,4

5,6

4,8

4,0

3,2

2,4

1,6

0,8

0,0

 

4101

Huiden en vellen van runderen (buffels daaronder begrepen), van paarden of van paardachtigen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt, gepekeld („pickled”) of anderszins geconserveerd, doch niet gelooid, niet tot perkament verwerkt of verder bewerkt), ook indien onthaard of gesplit

11

9,84

8,70

7,95

7,14

6,25

5,0

3,75

2,5

1,25

0,0

zie bijlage I-D

4102

Huiden en vellen van schapen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt, gepekeld („pickled”) of anderszins geconserveerd, doch niet gelooid, niet tot perkament verwerkt of verder bewerkt), ook indien onthaard of gesplit, andere dan die bij aantekening 1, onder c), op dit hoofdstuk zijn uitgezonderd

11

9,84

8,70

7,95

7,14

6,25

5,0

3,75

2,5

1,25

0,0

zie bijlage I-D

4103 90

Andere huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt, gepekeld („pickled”) of anderszins geconserveerd, doch niet gelooid, niet tot perkament verwerkt of verder bewerkt), ook indien onthaard of gesplit, andere dan die bij aantekening 1, onder b) en c), op dit hoofdstuk zijn uitgezonderd, met uitzondering van die van reptielen en varkens

11

9,84

8,70

7,95

7,14

6,25

5,0

3,75

2,5

1,25

0,0

zie bijlage I-D

Zaad van enkele oliehoudende gewassen

GS-code

Omschrijving

iwt (2016)

iwt+1 (2017)

iwt+2 (2018)

iwt+3 (2019)

iwt+4 (2020)

iwt+5 (2021)

iwt+6 (2022)

iwt+7 (2023)

iwt+8 (2024)

iwt+9 (2025)

iwt+10 (2026)

Vrijwaringsmaatregelen

1204 00

Lijnzaad, ook indien gebroken

9,1

8,2

7,3

6,4

5,5

4,5

3,6

2,7

1,8

0,9

0,0

 

1206 00

Zonnebloempitten, ook indien gebroken

9,1

8,2

7,3

6,4

5,5

4,5

3,6

2,7

1,8

0,9

0,0

zie bijlage I-D

1207 99 97 00

Huttentutzaad (Camelina spp.)

9,1

8,2

7,3

6,4

5,5

4,5

3,6

2,7

1,8

0,9

0,0

 

Schroot van ferrolegeringen en van non-ferrometalen, alsmede halffabricaten daarvan

GS-code

Omschrijving

iwt (2016)

iwt+1 (2017)

iwt+2 (2018)

iwt+3 (2019)

iwt+4 (2020)

iwt+5 (2021)

iwt+6 (2022)

iwt+7 (2023)

iwt+8 (2024)

iwt+9 (2025)

iwt+10 (2026)

Vrijwaringsmaatregelen

7202 99 80 00

Ferrochroomnikkel en andere ferrolegeringen

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

7204 21

Resten en afval, van roestvrij staal

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7204 29 00 00

Resten en afval, van ander gelegeerd staal

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7204 50 00 00

Afvalingots van gelegeerd staal

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7218 10 00 00

Roestvrij staal in ingots en andere primaire vormen

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7401 00 00 00

Kopersteen of ruwsteen; cementkoper (neergeslagen koper)

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7402 00 00 00

Niet-geraffineerd koper; anoden van koper voor het elektrolytisch raffineren

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7403 12 00 00

Wire-bars (voor de vervaardiging van draad) van geraffineerd koper

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7403 13 00 00

Billets van geraffineerd koper

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7403 19 00 00

Ander geraffineerd koper

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7403 21 00 00

Koper-zinklegeringen (messing of geelkoper)

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7403 22 00 00

Koper-tinlegeringen (brons)

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7403 29 00 00

Andere koperlegeringen (andere dan de toeslaglegeringen bedoeld bij post 7405 ); koper-nikkellegeringen en koper-nikkel-zinklegeringen (nieuwzilver)

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7404 00

Resten en afval, van koper

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7405 00 00 00

Toeslaglegeringen van koper

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7406

Poeder en schilfers, van koper

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7419 99 10 00

Roosters en netten, van koperdraad

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

7415 29 00 00

Andere artikelen van koper, zonder schroefdraad, met uitzondering van sluitringen (veerringen en andere verende sluitingen daaronder begrepen)

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

7415 39 00 00

Andere artikelen van koper, met schroefdraad (met uitzondering van houtschroeven, andere schroeven, bouten en moeren)

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

7418 19 90 00

Keukengerei en huishoudelijke artikelen, alsmede delen daarvan, van koper (met uitzondering van sponsen, schuurlappen, schuurhandjes en dergelijke artikelen voor het schuren, voor het polijsten of voor dergelijke doeleinden, en komforen en andere huishoudelijke verwarmingstoestellen, niet-elektrisch, alsmede delen daarvan)

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7419

Andere werken van koper

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7503 00

Resten en afval, van nikkel

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7602 00

Resten en afval, van aluminium

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7802 00 00 00

Resten en afval, van lood

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

7902 00 00 00

Resten en afval, van zink

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

8002 00 00 00

Resten en afval, van tin

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

8101 97 00 00

Resten en afval, van wolfraam

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

8105 30 00 00

Resten en afval van kobaltmatte en van werken daarvan

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

8108 30 00 00

Resten en afval van titaan en van werken daarvan

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

zie bijlage I-D

8113 00 40 00

Resten en afval van cermets en van werken daarvan

13,64

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

0,0

 

Afvalproducten en schroot van ferrometalen

GS-code

Omschrijving

iwt (2016)

iwt+1 (2017)

iwt+2 (2018)

iwt+3 (2019)

iwt+4 (2020)

iwt+5 (2021)

iwt+6 (2022)

iwt+7 (2023)

iwt+8 (2024)

iwt+9 (2025)

iwt+10 (2026)

Vrijwaringsmaatregelen

7204 10 00 00

Resten en afval, van gietijzer

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 30 00 00

Resten en afval, van vertind ijzer en staal

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 41 10 00

Draaisel, krullen, spaanders, slijpsel, zaagsel en vijlsel

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 41 91 00

Afval van het stampen of stansen, in pakketten

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 41 99 00

Afval van het stampen of stansen, niet in pakketten

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 49 10 00

Resten en afval, van ferrometalen, gefragmenteerd

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 49 30 00

Resten en afval, van ferrometalen, in pakketten

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 49 90 00

Resten en afval, van ferrometalen, gesorteerd en niet gesorteerd

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 

7204 50 00 00

Afvalingots van ferrometalen, met uitzondering van die van gelegeerd staal

9,5 euro per ton

9,5 euro per ton

7,5 euro per ton

7,5 euro per ton

5 euro per ton

5 euro per ton

3 euro per ton

3 euro per ton

0,0

0,0

0,0

 


(1)  De gegevens voor 2016 worden hierna voor informatieve doeleinden verstrekt en uitsluitend om het tijdstip van inwerkingtreding van de overeenkomst en de overeenstemming van de gegevens in de tabel met het overeengekomen niveau van de uitvoerrechten aan te geven.

BIJLAGE II

BIJLAGE I-D BIJ HOOFDSTUK 1 VAN TITEL IV VAN DE OVEREENKOMST

VRIJWARINGSMAATREGELEN VOOR UITVOERRECHTEN

1.

Na de inwerkingtreding (iwt) van de overeenkomst kan Oekraïne gedurende 15 jaar voor de in bijlage I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst opgenomen goederen een vrijwaringsmaatregel in de vorm van een aanvullende heffing op het uitvoerrecht toepassen indien na de inwerkingtreding het gecumuleerde volume van de uitvoer uit Oekraïne naar de EU voor elk van de in de lijst opgenomen Oekraïense douanecodes gedurende een periode van een jaar een bepaald in de lijst in bijlage I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst opgenomen drempelvolume overschrijdt; deze vrijwaringsmaatregel moet in overeenstemming zijn met de punten 1 tot en met 11.

2.

De aanvullende heffing die Oekraïne ingevolge punt 1 kan toepassen, wordt vastgesteld overeenkomstig zijn in bijlage I-D bij hoofdstuk 1 van titel IV van de overeenkomst opgenomen lijst en kan alleen worden toegepast voor het resterende gedeelte van de in punt 1 vastgestelde periode.

3.

Oekraïne past eventuele vrijwaringsmaatregelen op transparante wijze toe. Daartoe stelt Oekraïne de EU zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis van zijn voornemen een dergelijke maatregel toe te passen en verstrekt het alle informatie ter zake, waaronder het volume (in tonnen) van de in het binnenland geproduceerde of bijeengebrachte materialen, en het volume van zijn uitvoer naar de Unie en naar derde landen. Voordat Oekraïne een dergelijke maatregel neemt, nodigt het de Unie op het vroegst haalbare tijdstip voor overleg over die informatie uit. Gedurende de eerste 30 werkdagen na de uitnodiging voor overleg wordt geen maatregel genomen.

4.

Oekraïne vergewist zich ervan dat de statistieken die ter onderbouwing van een maatregel worden gebruikt, betrouwbaar, ter zake en tijdig publiekelijk toegankelijk zijn. Oekraïne verstrekt onverwijld kwartaalstatistieken over het volume (in tonnen) van de uitvoer naar de Unie en naar derde landen.

5.

De tenuitvoerlegging en de werking van artikel 31 van deze overeenkomst en van de desbetreffende bijlagen kunnen onderwerp zijn van een bespreking en evaluatie in het in artikel 465 van deze overeenkomst bedoelde Handelscomité.

6.

Leveringen van de goederen in kwestie, die al onderweg zijn op basis van een contract dat werd opgesteld voordat de aanvullende heffing uit hoofde van de punten 1, 2 en 3 werd ingesteld, worden van die aanvullende heffing vrijgesteld.

7.

Deze bijlage omvat: de goederen van oorsprong waarvoor vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van artikel 31 van deze overeenkomst kunnen worden genomen, de drempelvolumes voor de toepassing van dergelijke maatregelen voor elk van de genoemde Oekraïense douanecodes, en de maximale aanvullende heffingen op het uitvoerrecht, die elke periode van een jaar op elk van de betrokken goederen in aanvulling op het uitvoerrecht mogen worden toegepast. Tenzij anders gespecificeerd, worden alle rechten uitgedrukt in %. Iwt heeft betrekking op de periode van twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst; iwt+1 heeft betrekking op de periode van twaalf maanden na de eerste verjaardag van de inwerkingtreding van de overeenkomst; enz. tot iwt+15.

8.

Voor huiden (grondstoffen), zoals hieronder bedoeld:

Dekking: huiden (grondstoffen) die vallen onder de volgende Oekraïense douanecodes: 4101, 4102, 4103 90.

Jaar (WTO)

2016 (1)

2017

2018

2019

2020

2021

WTO-verplichting van Oekraïne

22,0

21,0

20,0

20,0

20,0

20,0

Jaar (overeenkomst)

iwt

iwt+1

iwt+2

iwt+3

iwt+4

iwt+5

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

11,00

9,84

8,70

7,95

7,14

6,25

Drempelvolume (ton)

300,0

315,0

330,0

345,0

360,0

375,0

Maximale aanvullende heffing

0,00

0,66

1,30

2,05

2,86

3,75

Jaar (WTO)

2022

2023

2024

2025

2026

WTO-verplichting van Oekraïne

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+6

iwt+7

iwt+8

iwt+9

iwt+10

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

5,0

3,75

2,50

1,25

0,0

Drempelvolume (ton)

390,0

405,0

420,0

435,0

450,0

Maximale aanvullende heffing

5,0

6,25

7,5

8,75

10,0

Jaar (WTO)

2027

2028

2029

2030

2031

WTO-verplichting van Oekraïne

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+11

iwt+12

iwt+13

iwt+14

iwt+15

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Drempelvolume (ton)

450,0

450,0

450,0

450,0

450,0

Maximale aanvullende heffing

8,0

6,0

4,0

2,0

0,0

9.

Voor zonnebloempitten, ook indien gebroken, zoals hieronder bedoeld:

Dekking: zonnebloempitten, ook indien gebroken, die vallen onder de volgende Oekraïense douanecode: 1206 00.

Jaar (WTO)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

WTO-verplichting van Oekraïne

11,0

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Jaar (overeenkomst)

iwt

iwt+1

iwt+2

iwt+3

iwt+4

iwt+5

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

9,1

8,2

7,3

6,4

5,5

4,5

Drempelvolume (ton)

100 000,0

100 000,0

100 000,0

100 000,0

100 000,0

100 000,0

Maximale aanvullende heffing

0,9

1,8

2,7

3,6

4,5

5,5

Jaar (WTO)

2022

2023

2024

2025

2026

WTO-verplichting van Oekraïne

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+6

iwt+7

iwt+8

iwt+9

iwt+10

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

3,6

2,7

1,8

0,9

0,0

Drempelvolume (ton)

100 000,0

100 000,0

100 000,0

100 000,0

100 000,0

Maximale aanvullende heffing

6,4

7,3

8,2

9,1

10,0

Jaar (WTO)

2027

2028

2029

2030

2031

WTO-verplichting van Oekraïne

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+11

iwt+12

iwt+13

iwt+14

iwt+15

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Drempelvolume (ton)

100 000,0

100 000,0

100 000,0

100 000,0

100 000,0

Maximale aanvullende heffing

8,0

6,0

4,0

2,0

0,0

10.

Voor schroot van ferrolegeringen en van non-ferrometalen, alsmede halffabricaten daarvan, zoals hieronder bedoeld:

Dekking: resten en afval van ferrolegeringen en van non-ferrometalen, alsmede halffabricaten daarvan, die vallen onder de volgende Oekraïense douanecodes: 7204 21, 7204 29 00 00, 7204 50 00 00.

Jaar (WTO)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt

iwt+1

iwt+2

iwt+3

iwt+4

iwt+5

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

Drempelvolume (ton)

4 000,0

4 200,0

4 400,0

4 600,0

4 800,0

5 000,0

Maximale aanvullende heffing

0,0

1,0

2,0

3,0

4,0

5,0

Jaar (WTO)

2022

2023

2024

2025

2026

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+6

iwt+7

iwt+8

iwt+9

iwt+10

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

Drempelvolume (ton)

5 200,0

5 400,0

5 600,0

5 800,0

6 000,0

Maximale aanvullende heffing

6,0

7,0

8,0

9,0

10,0

Jaar (WTO)

2027

2028

2029

2030

2031

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+11

iwt+12

iwt+13

iwt+14

iwt+15

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Drempelvolume (ton)

6 000,0

6 000,0

6 000,0

6 000,0

6 000,0

Maximale aanvullende heffing

8,0

6,0

4,0

2,0

0,0

Dekking: roestvrij staal in ingots en andere primaire vormen, dat valt onder de volgende Oekraïense douanecode: 7218 10 00 00.

Jaar (WTO)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt

iwt+1

iwt+2

iwt+3

iwt+4

iwt+5

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

Drempelvolume (ton)

2 000,0

2 100,0

2 200,0

2 300,0

2 400,0

2 500,0

Maximale aanvullende heffing

0,0

1,0

2,0

3,0

4,0

5,0

Jaar (WTO)

2022

2023

2024

2025

2026

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+6

iwt+7

iwt+8

iwt+9

iwt+10

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

Drempelvolume (ton)

2 600,0

2 700,0

2 800,0

2 900,0

3 000,0

Maximale aanvullende heffing

6,0

7,0

8,0

9,0

10,0

Jaar (WTO)

2027

2028

2029

2030

2031

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+11

iwt+12

iwt+13

iwt+14

iwt+15

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Drempelvolume (ton)

3 000,0

3 000,0

3 000,0

3 000,0

3 000,0

Maximale aanvullende heffing

8,0

6,0

4,0

2,0

0,0

Dekking: koper dat valt onder de volgende Oekraïense douanecodes: 7401 00 00 00, 7402 00 00 00, 7403 12 00 00, 7403 13 00 00, 7403 19 00 00.

Jaar (WTO)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt

iwt+1

iwt+2

iwt+3

iwt+4

iwt+5

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

Drempelvolume (ton)

200,0

210,0

220,0

230,0

240,0

250,0

Maximale aanvullende heffing

0,0

1,0

2,0

3,0

4,0

5,0

Jaar (WTO)

2022

2023

2024

2025

2026

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+6

iwt+7

iwt+8

iwt+9

iwt+10

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

Drempelvolume (ton)

260,0

270,0

280,0

290,0

300,0

Maximale aanvullende heffing

6,0

7,0

8,0

9,0

10,0

Jaar (WTO)

2027

2028

2029

2030

2031

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+11

iwt+12

iwt+13

iwt+14

iwt+15

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Drempelvolume (ton)

300,0

300,0

300,0

300,0

300,0

Maximale aanvullende heffing

8,0

6,0

4,0

2,0

0,0

Dekking: koper dat valt onder de volgende Oekraïense douanecodes: 7403 21 00 00, 7403 22 00 00, 7403 29 00 00.

Jaar (WTO)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (FTA)

iwt

iwt+1

iwt+2

iwt+3

iwt+4

iwt+5

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

Drempelvolume (ton)

4 000,0

4 200,0

4 400,0

4 600,0

4 800,0

5 000,0

Maximale aanvullende heffing

0,0

1,0

2,0

3,0

4,0

5,0

Jaar (WTO)

2022

2023

2024

2025

2026

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+6

iwt+7

iwt+8

iwt+9

iwt+10

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

Drempelvolume (ton)

5 200,0

5 400,0

5 600,0

5 800,0

6 000,0

Maximale aanvullende heffing

6,0

7,0

8,0

9,0

10,0

Jaar (WTO)

2027

2028

2029

2030

2031

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+11

iwt+12

iwt+13

iwt+14

iwt+15

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Drempelvolume (ton)

6 000,0

6 000,0

6 000,0

6 000,0

6 000,0

Maximale aanvullende heffing

8,0

6,0

4,0

2,0

0,0

Dekking: schroot van ferrolegeringen en van non-ferrometalen, alsmede halffabricaten daarvan, die vallen onder de volgende Oekraïense douanecodes: 7404 00, 7405 00 00 00, 7406, 7418 19 90 00, 7419, 7503 00, 7602 00, 7802 00 00 00, 7902 00 00 00, 8108 30 00 00.

Jaar (WTO)

2016

2017

2018

2019

2020

2021

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt

iwt+1

iwt+2

iwt+3

iwt+4

iwt+5

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

10,0

9,0

8,0

7,0

6,0

5,0

Drempelvolume (ton)

200,0

210,0

220,0

230,0

240,0

250,0

Maximale aanvullende heffing

0,0

1,0

2,0

3,0

4,0

5,0

Jaar (WTO)

2022

2023

2024

2025

2026

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+6

iwt+7

iwt+8

iwt+9

iwt+10

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

4,0

3,0

2,0

1,0

0,0

Drempelvolume (ton)

260,0

270,0

280,0

290,0

300,0

Maximale aanvullende heffing

6,0

7,0

8,0

9,0

10,0

Jaar (WTO)

2027

2028

2029

2030

2031

WTO-verplichting van Oekraïne

15,0

15,0

15,0

15,0

15,0

Jaar (overeenkomst)

iwt+11

iwt+12

iwt+13

iwt+14

iwt+15

Oekraïens recht bij uitvoer naar de EU

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Drempelvolume (ton)

300,0

300,0

300,0

300,0

300,0

Maximale aanvullende heffing

8,0

6,0

4,0

2,0

0,0

11.

Na het eind van de overgangsperiode blijft het vrijwaringsmechanisme nog vijf jaar, d.w.z. tussen iwt+10 en iwt+15, beschikbaar. De maximale aanvullende heffing neemt lineair af van zijn waarde voor iwt+10 tot 0 in iwt+15.


(1)  De gegevens voor 2016 worden hierna voor informatieve doeleinden verstrekt en uitsluitend om het tijdstip van inwerkingtreding van de overeenkomst en de overeenstemming van de gegevens in de tabel met het overeengekomen niveau van de uitvoerrechten aan te geven.


1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/35


BESLUIT (EU) 2018/157 VAN DE RAAD

van 29 januari 2018

tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Italiaanse Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Italiaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. Op 11 juli 2017 is de heer Augusto ROLLANDIN bij Besluit (EU) 2017/1334 van de Raad (4) als lid vervangen door de heer Pierluigi MARQUIS.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Pierluigi MARQUIS,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:

de heer Laurent VIERIN, Presidente della Regione Autonoma Valle d'Aosta.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 29 januari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).

(4)  Besluit (EU) 2017/1334 van de Raad van 11 juli 2017 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Italiaanse Republiek (PB L 185 van 18.7.2017, blz. 45).


1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/36


BESLUIT (EU) 2018/158 VAN DE RAAD

van 29 januari 2018

tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Republiek Finland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Finse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Antti LIIKKANEN,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:

de heer Mikkel NÄKKÄLÄJÄRVI, opiskelija, Rovaniemen kaupunginvaltuuston jäsen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 29 januari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).


1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/37


BESLUIT (EU, Euratom) 2018/159 VAN DE RAAD

van 29 januari 2018

houdende benoeming van twee leden van de Rekenkamer

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 286, lid 2,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien de voordrachten van Ierland en het Koninkrijk Zweden,

Gezien de adviezen van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ambtstermijn van de heren Kevin CARDIFF en Hans Gustaf WESSBERG als leden van de Rekenkamer verstrijkt op 28 februari 2018.

(2)

Er moeten derhalve twee nieuwe leden van de Rekenkamer worden benoemd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de periode van 1 maart 2018 tot en met 29 februari 2024 worden tot lid van de Rekenkamer benoemd:

de heer Tony MURPHY,

mevrouw EVA LINDSTRÖM.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 29 januari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Adviezen van 17 januari 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).


1.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/38


BESLUIT (EU) 2018/160 VAN DE COMMISSIE

van 30 juni 2017

betreffende steunmaatregel SA.44351 (2016/C) (ex 2016/NN) ten uitvoer gelegd door Polen in de vorm van een belasting op de detailhandel

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 4449)

(Slechts de tekst in de Poolse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig bovengenoemde artikelen te hebben uitgenodigd hun opmerkingen te maken (1),

Overwegende hetgeen volgt:

1.   DE PROCEDURE

(1)

Via persberichten gepubliceerd in februari 2016 kreeg de Commissie kennis van het voornemen van Polen om een wet aan te nemen houdende de invoering van een belasting op de omzet van detailhandelsondernemingen met een progressieve tariefstructuur.

(2)

Op 11 februari en 30 mei 2016 stuurden de diensten van de Commissie de Poolse autoriteiten een brief waarin zij om meer informatie over de geplande wet vroegen en de autoriteiten verzochten om de diensten vóór aanneming van de wet te raadplegen. In die brieven werd ook gewezen op de overeenkomsten tussen de geplande wet en de Hongaarse vergoeding voor de inspectie van de voedselketen, ten aanzien waarvan de Commissie een formeel onderzoek naar staatssteun had geopend, en werd uitleg verschaft over de in het inleidingsbesluit (2) gegeven voorlopige beoordeling van die vergoeding op conformiteit met de staatssteunregels. Tot slot werd de Poolse autoriteiten meegedeeld dat wanneer een maatregel die staatssteun vormt, wordt ingevoerd zonder voorafgaande goedkeuring van de Commissie, de Commissie een opschortingsbevel kan uitvaardigen.

(3)

De Poolse autoriteiten antwoordden respectievelijk op 2 maart en 27 juni 2016 op deze brieven. Bij brief van 2 maart 2016 zegden de Poolse autoriteiten toe de Commissie het wetsvoorstel toe te zullen sturen zodra het zou zijn opgesteld. Bij brief van 27 juni 2016 stelden zij de Commissie ervan in kennis dat het wetsvoorstel al bij het Poolse parlement was ingediend en aanneming ophanden was. Bij die brief was ook de tekst van het wetsvoorstel gevoegd.

(4)

Op 6 juli 2016 heeft het Poolse parlement een wet inzake een belasting op de detailverkoop aangenomen („USTAWA z dnia 6 lipca 2016 r. o podatku od sprzedaży detalicznej” (3), hierna „de wet” genoemd). De wet is op 1 september 2016 in werking getreden.

(5)

Bij brief van 8 juli 2016 stelde de Commissie de Poolse autoriteiten in kennis van haar voorlopige standpunt dat de belasting op de detailverkoop krachtens de wet (hierna „de belasting op de detailverkoop” genoemd) staatssteun vormt, en verzocht zij de Poolse autoriteiten hun standpunten kenbaar te maken ten aanzien van een mogelijk opschortingsbevel van de Commissie. Op 22 juli 2016 ontving de Commissie antwoord op haar schrijven.

(6)

Op 4 augustus 2016 ontving de Commissie een klacht over staatssteun gericht tegen dezelfde maatregel.

(7)

Bij brief van 19 september 2016 deelde de Commissie de Poolse autoriteiten mee dat zij had besloten om ten aanzien van de steunmaatregel in kwestie de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „het Verdrag” genoemd) in te leiden (hierna „het inleidingsbesluit” genoemd). In diezelfde brief eiste de Commissie ook de onmiddellijke opschorting van de maatregel, overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2015/1589 (4).

(8)

Dit inleidingsbesluit werd in het Publicatieblad van de Europese Unie  (5) bekendgemaakt. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om hun opmerkingen over de steunmaatregel te maken.

(9)

Polen maakte zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit bij brief van 7 november 2016. De Commissie ontving geen opmerkingen van belanghebbenden.

(10)

Bij verordening van de Poolse minister van Ontwikkeling en Financiën, die op 19 oktober 2016 in werking is getreden, heeft Polen de inning van de belasting op de detailverkoop opgeschort voor omzet die is gegenereerd in de periode van 1 september 2016 tot en met 31 december 2016 (6). Op 15 november 2016 heeft het Poolse parlement een wet aangenomen, die op 22 december 2016 (7) van kracht is geworden, waarbij de toepassing van de belasting op de detailverkoop tot 1 januari 2018 is opgeschort.

(11)

Bij brief van 11 januari 2017 deelde de Commissie Polen mee dat zij geen opmerkingen van belanghebbenden had ontvangen en verzocht zij de Poolse autoriteiten om de eigen opmerkingen, alsook eventuele voorziene wijzigingen op de wet, met de diensten van de Commissie te bespreken. Op 14 maart 2017 werd een videovergadering gehouden.

2.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

(12)

De wet regelt een belasting op de detailverkoop in Polen.

(13)

Krachtens artikel 5 van de wet is omzet uit de verkoop van goederen aan natuurlijke personen die geen economische activiteit uitoefenen (consumenten) onderworpen aan belasting. Overeenkomstig artikel 4 van de wet geldt de detailhandelaar als belastingplichtig voor deze belasting, waarbij het zowel kan gaan om een natuurlijke persoon als om een maatschappij naar burgerlijk recht (spółka cywilna), een organisatorische eenheid zonder rechtspersoonlijkheid en morele status, zoals personenvennootschappen (spółki osobowe), of een andere vennootschap die valt onder het kodeks spolek handlowych (vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (z.o.o.) of vennootschappen op aandelen (S.A.) (8).

(14)

Op grond van artikel 8 van de wet ontstaat de verplichting tot het betalen van deze omzetbelasting bij een maandomzet van meer dan 17 miljoen PLN. Op grond van artikel 6, lid 1, van de wet wordt de belastinggrondslag gevormd door het gedeelte van de maandomzet uit detailverkoop boven 17 miljoen PLN. De belasting moet maandelijks worden betaald op uiterlijk de 25e dag van de maand volgend op de maand waarin de belaste inkomsten zijn gegenereerd.

(15)

Artikel 9 van de wet onderscheidt twee belastingtarieven:

0,8 % over het gedeelte van de maandomzet van de onderneming uit detailverkoop boven 17 miljoen PLN (≈ 4 miljoen EUR (9)) tot en met 170 miljoen PLN (≈ 40 miljoen EUR), en

1,4 % over het gedeelte van de maandomzet van de onderneming uit detailverkoop boven 170 miljoen PLN.

(16)

Gezien artikel 6, lid 1, en artikel 8 van de wet, waarin het gedeelte van de maandomzet van de onderneming uit detailverkoop tot en met 17 miljoen PLN is vrijgesteld, kan bijgevolg worden gesteld dat de regeling voor de belasting op de detailverkoop op een progressieve tariefstructuur is gebaseerd, waarbij de maandomzet wordt verdeeld in drie schijven en voor elke schijf een ander belastingtarief geldt: 0 % over het gedeelte van de maandomzet uit detailverkoop tot en met 17 miljoen PLN, 0,8 % over het gedeelte van de maandomzet uit detailverkoop boven 17 miljoen PLN tot en met 170 miljoen PLN, en 1,4 % over het gedeelte van de maandomzet uit detailverkoop boven 170 miljoen PLN.

3.   FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

3.1.   Redenen om de formele onderzoeksprocedure in te leiden

(17)

De Commissie leidde de formele onderzoeksprocedure in omdat zij in dat stadium van oordeel was dat het progressieve karakter van de tariefstructuur van de belasting op de detailverkoop onrechtmatige en onverenigbare staatssteun vormde.

(18)

Meer in het bijzonder was de Commissie van oordeel dat de wet onderscheid maakt tussen detailhandelsondernemingen op basis van hun omzet en bijgevolg hun grootte en een selectief voordeel verschaft aan ondernemingen met een lagere omzet en bijgevolg kleinere ondernemingen. Polen kon niet op overtuigende wijze uitleggen waarom grotere en kleinere ondernemingen zich voor de belasting op de detailverkoop in een verschillende feitelijke en juridische situatie bevinden. Polen had bijgevolg niet aangetoond dat de maatregel door de aard of de algemene opzet van het belastingstelsel gerechtvaardigd was. Vandaar dat de Commissie tot het voorlopige oordeel kwam dat de wet staatssteun oplevert, aangezien klaarblijkelijk aan alle andere voorwaarden van artikel 107, lid 1, van het Verdrag was voldaan.

(19)

Tot slot uitte de Commissie twijfels over de verenigbaarheid van de wet met de interne markt. De Commissie merkte op dat geen van de uitzonderingen van artikel 107, leden 2 en 3, van het Verdrag van toepassing leken en Polen had ook geen enkel argument aangevoerd ten aanzien van de verenigbaarheid van de belasting op de detailverkoop met de interne markt. De Commissie bracht verder in herinnering dat zij een steunmaatregel niet als verenigbaar met de interne markt kan aanmerken wanneer die maatregel een onherroepelijke schending behelst van andere voorschriften van het recht van de Unie, zoals de fundamentele vrijheden die in het Verdrag zijn neergelegd of de bepalingen van verordeningen of richtlijnen van de Unie. De Commissie kon in dat stadium niet uitsluiten dat de maatregel primair was gericht op buitenlandse ondernemingen, hetgeen een schending zou kunnen betekenen van artikel 49 van het Verdrag, waarin de fundamentele vrijheid van vestiging is vastgelegd.

3.2.   Opmerkingen van Polen

(20)

De Poolse autoriteiten zijn van mening dat de in het inleidingsbesluit gegeven beschrijving van de belasting op de detailverkoop als een belasting die over drie verschillende schijven wordt geheven en waarbij drie verschillende tarieven worden gehanteerd, onjuist is. Naar de mening van de Poolse autoriteiten worden bij de heffing van deze belasting slechts twee tarieven gehanteerd, aangezien de inkomsten tot en met 17 miljoen PLN zijn vrijgesteld van de belasting, ongeacht het soort onderneming dat de inkomsten genereert en het totale bedrag van de inkomsten dat in de betreffende maand wordt gegenereerd. Zij zijn van mening dat een belastingvrijstelling iets anders is dan een nultarief en dat de drempels voor alle belastingplichtigen gelden „onder gelijke en objectieve voorwaarden”.

(21)

Wat het doel van de belasting betreft, benadrukken de Poolse autoriteiten dat de inkomsten uit de heffing bestemd zijn voor de financiering van een kinderbijslagprogramma („Family 500+”). Gezien de geraamde begroting van dit programma (ongeveer 16 miljard PLN in 2016 en 22 miljard PLN in de daaropvolgende jaren) zou het echter slechts voor een deel met de inkomsten van de belasting op de detailverkoop kunnen worden gefinancierd (voor 2017 bedragen de verwachte inkomsten op jaarbasis ongeveer 1,6 miljard PLN). Polen voert ook aan dat het kinderbijslagprogramma niet alleen een uitgavenpost is, maar ook een positief effect op de economie zou hebben, omdat het de consumptie vergroot en zodoende een rechtstreeks effect heeft op de inkomsten van detailhandelaren.

(22)

Wat de financiering van de maatregel uit staatsmiddelen betreft, voert Polen aan dat het ontwerp van de belasting niet impliceert dat de staat afziet van inkomsten die hij in normale omstandigheden van de detailhandelaren had ontvangen. Meer in het bijzonder stellen de Poolse autoriteiten dat het belastingvrije bedrag en het verlaagde tarief van 0,8 % voor alle ondernemingen gelden en dat de Poolse staat afziet van inkomsten die hij anders van alle ondernemingen had ontvangen, en niet alleen van inkomsten van de kleinere.

(23)

De Poolse autoriteiten menen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen „totale progressiviteit”, waarbij voor de hele omzet van ondernemingen verschillende tarieven worden gehanteerd afhankelijk van de grootte van die omzet, en „schijfsgewijze progressiviteit”, waarbij voor alle ondernemingen de omzet wordt opgedeeld in schijven en voor elke schijf een ander tarief wordt gehanteerd. Schijfsgewijze progressiviteit zou naar de mening van Polen geen enkel selectief voordeel behelzen omdat voor alle detailhandelaren hetzelfde tariefstelsel geldt. Meer in het bijzonder voert Polen aan dat het progressieve karakter van de belasting geen voordeel voor kleinere ondernemingen oplevert, aangezien het belastingvrije bedrag en het verlaagde tarief van 0,8 % zowel de bedrijfskosten van ondernemingen met een hogere als van ondernemingen met een lagere omzet verlagen. Hoe hoger de omzet van een onderneming, hoe meer steun die onderneming ontvangt, zo betoogt Polen.

(24)

Daarnaast stelt Polen dat de Commissie de begunstigden van het voordeel onjuist heeft geïdentificeerd, omdat het niet altijd waar zou zijn dat ondernemingen met een lagere omzet kleine ondernemingen zijn en ondernemingen met een hogere omzet, grote ondernemingen. Volgens Polen is de omzet van een onderneming niet rechtstreeks aan de grootte van de onderneming gerelateerd, althans niet uitsluitend.

(25)

Wat de selectiviteit van de maatregel betreft, betwist Polen het door de Commissie bepaalde referentiestelsel en stelt het dat alleen belasting op in de detailhandel gegenereerde omzet boven 17 miljoen PLN als referentiestelsel moet worden gebruikt. Als reden hiervoor wordt aangevoerd dat de omzet tot en met 17 miljoen PLN is vrijgesteld van de belasting op de detailverkoop. Verder wordt gesteld dat het ontwerp van het stelsel niet willekeurig, noch partijdig is, en dat de belastingvrijstelling voor alle belastingplichtigen geldt. Tevens wordt aangevoerd, onder verwijzing naar overweging 26 van het inleidingsbesluit, dat niet geconcludeerd kan worden dat de maatregel staatssteun vormt als niet eerst één enkel referentietarief is vastgesteld dat als referentiepunt dient.

(26)

Ten tweede voert Polen naar aanleiding van overweging 32 van het inleidingsbesluit aan, dat het gemiddelde tarief van de belasting op de detailverkoop zoals vastgesteld door de Commissie, een kunstmatig construct is. Gesteld wordt dat de structuur van de belasting op de detailverkoop is gebaseerd op specifieke tarieven die vooraf worden vastgelegd voor twee specifieke schijven die op alle belastingplichtigen gelijkelijk van toepassing zijn. Verder zou de „schijfsgewijze progressiviteit” niet selectief zijn omdat de verlaagde tarieven op alle ondernemingen onder dezelfde voorwaarden worden toegepast, ongeacht de grootte van de onderneming. Bijgevolg is er naar de mening van Polen geen sprake van een gedifferentieerde behandeling van ondernemingen die zich feitelijk en juridisch in een vergelijkbare situatie bevinden.

(27)

Polen betoogt dat het in het licht van het bovenstaande niet nodig is om een rechtvaardiging te geven gebaseerd op de aard of de algemene opzet van het stelsel. Desalniettemin stellen de Poolse autoriteiten dat de progressieve tariefstructuur van de belasting op de detailverkoop en de progressieve tariefstructuur van de inkomstenbelasting hetzelfde moeten worden behandeld en op grond van de herverdelende functie ervan gerechtvaardigd moeten worden geacht. Polen heeft echter geen verdere argumenten ter ondersteuning van deze vermeende rechtvaardiging gegeven.

(28)

Wat het effect op de handel en de vervalsing van mededinging betreft, heeft Polen een beschrijving gegeven van de structuur van de detailhandel en opgemerkt dat winkels met de hoogste omzet (in winkelcentra) in de regel in steden zijn gevestigd. Door de ligging in de stad zouden ze meer klanten trekken dan winkels buiten de stad, die minder toegankelijk zijn door de hogere reiskosten. Kleine winkels zijn vooral in de kleinere steden en op het platteland gevestigd, waar winkels minder toegankelijk zijn en klantenaantallen en omzet lager. Polen heeft verder opgemerkt dat de groep verkopers met de hoogste omzet gewoonlijk gebruik maakt van belastingoptimalisatiepraktijken waardoor zij geen vennootschapsbelasting betalen en dat verkopers met een hoge omzet profiteren van schaalvoordelen (hoe meer zij verkopen, hoe lager de kosten per eenheid) en in de regel hun invloed gebruiken om de winstmarges van producenten en leveranciers in hun voordeel te beïnvloeden. Tot slot werd opgemerkt dat de ontwikkeling van de moderne handel in Polen de marktpositie van de zelfstandige detailhandelaren aanzienlijk heeft verzwakt (51 % in 2008 tegenover 37 % in 2015).

(29)

Polen concludeert dat: (i) zelfs als zou worden aangenomen dat de belasting op de detailverkoop selectief is, de mededinging hierdoor niet verstoord wordt, omdat grootschalige verkopers al een aanzienlijk concurrentievoordeel hebben op kleine detailhandelaren, en (ii) de progressie in de tarieven van de belasting op de detailverkoop, nadelige veranderingen in het handelspatroon die momenteel de mededinging verstoren (het verdwijnen van kleinschalige handel en daarmee verband houdend een toename van grootschalige handel) beperkt.

(30)

Tot slot stelt Polen dat het inleidingsbesluit op ongerechtvaardigde gronden de fiscale autonomie van lidstaten beperkt. Volgens Polen is het aan de lidstaten om voor een nieuwe belasting een uit het oogpunt van het fiscaal beleid optimale structuur te ontwerpen — d.w.z. voorwerp van belasting, belastinggrondslag en tarieven.

3.3.   Opmerkingen van belanghebbenden

(31)

De Commissie heeft geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen.

4.   BEOORDELING VAN DE STEUN

(32)

Alvorens met de eigenlijke beoordeling te beginnen, en in antwoord op de door Polen als reactie op het inleidingsbesluit ingebrachte stelling dat de belasting op de detailverkoop een maatregel inzake directe belastingen is en het bijgevolg een ongerechtvaardigde beperking van zijn fiscale autonomie vormt wanneer de Commissie in deze zaak haar bevoegdheden op het gebied van staatssteun uitoefent, herinnert de Commissie eraan dat de lidstaten weliswaar fiscale autonomie op het gebied van de directe belastingen genieten, maar dat elke fiscale maatregel die in een lidstaat wordt aangenomen, aan artikel 107 van het Verdrag moet voldoen (10).

4.1.   Bestaan van steun

(33)

Volgens artikel 107, lid 1, van het Verdrag zijn steunmaatregelen van een lidstaat of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. De kwalificatie van een maatregel als steun in de zin van artikel 107, lid 1, vereist dat aan alle in deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan (11). De algemene regel luidt dan ook dat, om een maatregel als staatssteun te kunnen aanmerken, het in de eerste plaats moet gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet hij een onderneming een selectief voordeel verschaffen. In de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (12).

4.1.1.   Staatsmiddelen en toerekenbaarheid aan de staat

(34)

Om van staatssteun te kunnen spreken, moet een maatregel zowel aan een staat kunnen worden toegerekend als met staatsmiddelen worden gefinancierd.

(35)

Aangezien de belasting op de detailverkoop volgt uit een door het Poolse parlement aangenomen wet, is de belasting duidelijk toerekenbaar aan de Poolse staat.

(36)

Wat de bekostiging van de maatregel met staatsmiddelen betreft, heeft het Hof van Justitie consequent geoordeeld dat een maatregel waarbij de overheid bepaalde ondernemingen een fiscaal gunstige behandeling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de personen waarop die behandeling van toepassing is, verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, staatssteun vormt (13). In de overwegingen 37 tot en met 60 zal de Commissie aantonen dat de progressieve tariefstructuur van de belasting op de detailverkoop, zoals beschreven in de overwegingen 15 en 16, tot gevolg heeft dat Polen afziet van belastinginkomsten die het ontvangen zou hebben van detailhandelaren met een lagere omzet (en dus kleinere detaillisten) als die onderworpen waren geweest aan hetzelfde tarief als detailhandelaren met een hogere omzet (en dus grotere detaillisten). Het onderscheid dat binnen de progressieve tariefstructuur tussen detailhandelaren wordt gemaakt op basis van hun grootte, heeft met name tot gevolg dat Polen afziet van belastinginkomsten die het anders ontvangen zou hebben van detailhandelaren die volgens een franchisemodel werken, vergeleken met die welke volgens een holdingmodel werken (14). Doordat de staat afziet van die inkomsten is sprake van een verlies aan staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag (15).

4.1.2.   Voordeel

(37)

Volgens de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie omvat het begrip steun niet alleen positieve prestaties, maar ook maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op de begroting van een onderneming drukken (16). Een voordeel kan worden verschaft door verschillende vormen van vermindering van de belastingdruk van een onderneming en met name door een verlaging van het geldende belastingtarief, de belastinggrondslag of het bedrag van de verschuldigde belasting (17). Een maatregel die een vermindering van belasting of heffing inhoudt, doet een voordeel ontstaan, omdat die maatregel de financiële situatie van de ondernemingen waarop de maatregel van toepassing is, verbetert ten opzichte van andere belastingplichtigen en leidt tot een inkomstenderving voor de staat (18).

(38)

In de wet is een progressieve tariefstructuur neergelegd die van toepassing is op alle ondernemingen die onderworpen zijn aan de belasting op de detailverkoop, waarbij de belastingdruk voor de afzonderlijke detailhandelaren afhankelijk is van de schijven waarin hun omzet valt.

(39)

Het progressieve karakter van de belasting heeft tot gevolg dat niet alleen de verschuldigde belastingsom stijgt, maar ook het gemiddelde percentage van de belasting die over de omzet uit de detailverkoop van een onderneming wordt geheven wanneer die omzet stijgt en een deel ervan in de volgende schijf valt (19). Als gevolg hiervan zijn ondernemingen met een lage omzet ofwel vrijgesteld van de belasting op de detailverkoop, of ze worden belast tegen een aanmerkelijk lager gemiddeld effectief tarief dan detailhandelaren met een hoge omzet, waardoor de lasten voor detailhandelaren met een lage omzet lager zijn dan voor detailhandelaren met een hoge omzet. Aangezien de hoogte van de omzet die door een onderneming wordt gerealiseerd, in zekere mate correleert met de grootte van die onderneming, kan worden gezegd dat de wet kleinere detailhandelaren een economisch voordeel verschaft ten nadele van grotere detailhandelaren, in de vorm van een vermindering van de belastingdruk en van het gemiddelde effectieve belastingtarief waaraan die ondernemingen zijn onderworpen. Sterker nog, de kosten van de belasting op de detailverkoop zullen aan het einde van de maand voor elke 100 PLN omzet nul bedragen voor ondernemingen met een totale omzet van maximaal 17 miljoen PLN, progressief stijgen naar 0,8 % voor ondernemingen met een totale omzet van meer dan 17 miljoen PLN maar niet meer dan 170 miljoen PLN, en verder stijgen naar 1,4 % voor ondernemingen met een totale omzet van meer dan 170 miljoen, zoals weergegeven in onderstaande tabel.

Omzet (PLN)

Marginaal tarief (%)

Belasting (PLN)

Belasting/omzet (%)

500 000 000

1,4

5 844 000

1,2

100 000 000

0,8

664 000

0,7

20 000 000

0,8

24 000

0,1

15 000 000

0

0

0,0

(40)

Het onderscheid dat binnen de progressieve tariefstructuur tussen detailhandelaren wordt gemaakt op basis van hun grootte, leidt er ook toe dat individuele detailhandelaren die als franchisenemer volgens een franchisemodel werken, een economisch voordeel wordt verschaft, omdat hun belastingdruk wordt bepaald op basis van de maandomzet van hun afzonderlijke winkels, in plaats van de maandomzet van de hele keten, zoals het geval is bij winkelketens die volgens een holdingmodel worden geëxploiteerd (20).

4.1.3.   Selectiviteit

(41)

Een maatregel is selectief als deze bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen bevoordeelt in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag. Voor steunregelingen heeft het Hof van Justitie bepaald dat de selectiviteit van de maatregel in beginsel moet worden beoordeeld aan de hand van een analyse in drie stappen (21). In de eerste stap wordt bepaald welke algemene of normale belastingregeling in de lidstaat van toepassing is: „het referentiestelsel”. In de tweede stap wordt nagegaan of de maatregel afwijkt van het referentiestelsel, voor zover hij onderscheid maakt tussen marktdeelnemers die zich, in het licht van de aan het stelsel inherente doelstellingen, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Wanneer de maatregel niet afwijkt van het referentiestelsel, is hij niet selectief. Wanneer hij wel afwijkt van het referentiestelsel, en dus a priori selectief is, wordt in de derde stap van het onderzoek bezien of de afwijkende maatregel gerechtvaardigd is door de aard of de algemene opzet van het referentiestelsel (22). Wanneer een a priori selectieve maatregel wordt gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het referentiestelsel, wordt hij niet als selectief beschouwd en valt hij bijgevolg buiten de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, van het Verdrag.

4.1.3.1.   Referentiestelsel

(42)

Het referentiestelsel bestaat uit een coherent geheel van regels die algemeen toepasselijk zijn, op grond van objectieve criteria, voor alle ondernemingen die vallen binnen het toepassingsgebied ervan zoals dat door de doelstelling ervan is omschreven.

(43)

Anders dan door Polen wordt aangevoerd, kan niet worden gezegd dat de belasting op de detailverkoop is bedoeld ter financiering van de begrotingsuitgaven van het kinderbijslagprogramma „Family 500+”. Polen heeft bevestigd dat belastinginkomsten niet volledig en uitsluitend kunnen worden toegewezen aan de financiering van een vooraf bepaald soort uitgaven, zodat een vermeende koppeling tussen kinderbijslag en de detailhandel niet is aangetoond, noch een vermeend verband tussen de kosten van het kinderbijslagprogramma en de hoogte van de omzet van detailhandelaren. De financiering van het kinderbijslagprogramma „Family 500+” kan niet worden gezien als een doel dat inherent is aan de belasting op de detailverkoop.

(44)

Het doel van de belasting op de detailverkoop is veeleer om de omzet te belasten van alle marktdeelnemers die zich bezighouden met consumentenverkoop. Gezien die doelstelling moeten alle ondernemingen die omzet genereren met de verkoop van goederen aan individuele consumenten, worden geacht zich feitelijk en juridisch in een vergelijkbare situatie te bevinden. De Commissie beschouwt derhalve de belasting op de omzet van ondernemingen die zich in Polen bezighouden met de detailverkoop van allerhande goederen, als het referentiestelsel.

(45)

Anders dan door Polen wordt aangevoerd (23), mag het toepassingsgebied van het referentiestelsel niet worden beperkt tot ondernemingen met een omzet van meer dan 17 miljoen PLN omdat de maandomzet die met detailverkoop wordt gegeneerd, tot en met 17 miljoen PLN is vrijgesteld krachtens de wet. Die vrijstelling geldt immers voor alle ondernemingen die omzet genereren met detailverkoop, ongeacht of die omzet hoger of lager is dan 17 miljoen PLN.

(46)

De Commissie is evenmin van oordeel dat de progressieve tariefstructuur die in de wet is neergelegd, deel uitmaakt van het referentiestelsel. Het Hof van Justitie heeft duidelijk aangegeven dat het niet altijd voldoende is om de selectiviteitsanalyse te beperken tot de vraag of een maatregel afwijkt van het referentiestelsel zoals gedefinieerd door de lidstaat (24). Het is ook nodig om te beoordelen of de lidstaat de grenzen van dat stelsel consequent heeft vastgesteld of, omgekeerd, daarbij duidelijk willekeurig of partijdig te werk is gegaan om bepaalde ondernemingen te bevoordelen. In plaats van algemene voorschriften voor alle ondernemingen vast te stellen waarvan ten gunste van bepaalde ondernemingen wordt afgeweken, kan de lidstaat tot eenzelfde resultaat komen, en regels inzake staatssteun omzeilen, door zijn belastingregels zo aan te passen en te combineren dat de loutere toepassing van die regels tot een verschillende belastingdruk voor verschillende ondernemingen leidt (25). Het is in dit verband met name belangrijk om eraan te herinneren dat het Hof steeds heeft geoordeeld dat artikel 107, lid 1, van het Verdrag geen onderscheid maakt naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar op de gevolgen ervan ziet, onafhankelijk dus van de gebruikte technieken (26).

(47)

Door de progressieve tariefstructuur die in de wet is neergelegd, zijn ondernemingen met een lage omzet uit detailverkoop ofwel vrijgesteld van de belasting op de detailverkoop, of ze worden belast tegen een aanmerkelijk lager gemiddeld effectief tarief — d.w.z. voor elke zloty omzet die maandelijks wordt gegenereerd — dan ondernemingen met een hoge omzet, waardoor de lasten voor ondernemingen met een lage omzet lager zijn dan voor ondernemingen met een hoge omzet. Omdat elke onderneming wordt belast tegen een ander gemiddeld effectief tarief, is het voor de Commissie niet mogelijk om één enkel referentietarief te bepalen. Polen heeft evenmin zelf een specifiek tarief als referentietarief of „normaal” tarief voorgesteld noch uitgelegd welke uitzonderlijke omstandigheden een hoger tarief voor detailhandelaren met een hoge omzet rechtvaardigen, of waarom voor handelaren met een lagere omzet een lager tarief zou moeten gelden. Het effect van de progressieve tariefstructuur van de belasting op de detailverkoop is derhalve dat verschillende ondernemingen een verschillend effectief belastingtarief betalen, afhankelijk van hun maandomzet en, bijgevolg, hun grootte en bedrijfsmodel. Bijgevolg kan worden gezegd dat de bij de wet ingevoerde progressieve belastingtariefstructuur specifiek is ontworpen om kleinere detailhandelaren te begunstigen ten opzichte van de grotere door het hanteren van verschillende belastingtarieven voor de maandomzet van ondernemingen die zich met consumentenverkoop bezighouden en daarbij ondernemingen met een lagere omzet aan een lager gemiddeld effectief belastingtarief te onderwerpen dan ondernemingen met een hogere omzet, die vaak in buitenlandse handen zijn (27), hoewel beide categorieën ondernemingen zich met dezelfde activiteit bezighouden.

(48)

Ook kan worden gezegd dat het onderscheid dat binnen de progressieve tariefstructuur tussen detailhandelaren wordt gemaakt op basis van hun grootte, in het voordeel werkt van detailhandelaren die volgens een franchisemodel of zelfstandig werken (bijvoorbeeld als maatschappij naar burgerlijk recht), ten opzichte van die welke volgens een holdingmodel werken.

(49)

Aangezien Polen de belasting zo heeft ontworpen dat bepaalde ondernemingen worden bevoordeeld (namelijk detailhandelaren met een lage omzet — kleinere detaillisten — en detailhandelaren die werken volgens een franchisemodel of zelfstandig (niet binnen een keten)), en andere worden benadeeld (namelijk detailhandelaren met een hoge omzet — grotere detaillisten — en winkelketens die volgens een holdingmodel werken), is het referentiestelsel selectief in zijn opzet op een manier die niet gerechtvaardigd is in het licht van de doelstelling van de belasting, namelijk het belasten van de omzet van alle detailhandelaren. Bijgevolg beschouwt de Commissie de belasting van de maandomzet uit detailverkopen tegen één enkel (vast) tarief, dus zonder de progressieve belastingstructuur, als het passende referentiestelsel in deze zaak.

4.1.3.2.   Afwijking van het referentiestelsel

(50)

Als tweede stap moet worden bepaald of de maatregel afwijkt van het referentiestelsel ten gunste van bepaalde ondernemingen die zich, in het licht van de intrinsieke doelstelling van het referentiestelsel, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.

(51)

Krachtens artikel 6, lid 1, van de wet is het gedeelte van de maandomzet uit detailverkoop tot en met 17 miljoen PLN vrijgesteld van belasting. Voor een aanzienlijk aantal detailhandelaren, met name in de deelsector kruideniersbedrijven, betekent die vrijstelling dat zij geen enkele belasting hoeven te betalen over de omzet die zij met detailverkopen genereren, omdat hun maandomzet uit die activiteit minder dan 17 miljoen PLN bedraagt. Volgens beschikbare openbare gegevens (28) werden voor september 2016 109 aanslagen voor de belasting op de detailverkoop uitgereikt, terwijl volgens ramingen van het Poolse ministerie van Financiën in Polen ongeveer 200 000 detailhandelaren actief zijn. De overgrote meerderheid van de ondernemingen die in Polen in de deelsector kruideniersbedrijven actief zijn, valt onder de vrijstellingsdrempel van artikel 6, lid 1, en betaalt dus geen belasting op de detailverkoop.

(52)

Wat betreft de detailhandelaren met een maandomzet van meer dan 17 miljoen PLN: het gedeelte onder die drempel is vrijgesteld van belasting, het gedeelte boven 17 miljoen PLN tot en met 170 miljoen PLN is onderworpen aan een belastingtarief van 0,8 %, en het gedeelte boven 170 miljoen wordt belast met een tarief van 1,4 %.

(53)

Polen maakt onderscheid tussen „schijfsgewijze progressiviteit” en „algemene progressiviteit” en betoogt dat niet van het referentiestelsel wordt afgeweken, aangezien alle tarieven (d.w.z. de belastingvrijstelling, die gelijk is aan het nultarief, het tarief van 1,4 % en het tarief van 0,8 %) voor alle ondernemingen onder dezelfde voorwaarden worden toegepast. Beide vormen van progressieve belasting leiden echter tot verschillende gemiddelde effectieve tarieven voor verschillende ondernemingen op basis van hun omzet — wat het voorwerp van belasting is — en uiteindelijk hun grootte. Zoals het volgende voorbeeld van drie detailhandelaren (belastingplichtige personen) met een maandomzet van respectievelijk 10 miljoen, 100 miljoen en 750 miljoen PLN laat zien, is er, ondanks het feit dat alle detailhandelaren aan dezelfde tarieven zijn onderworpen en hetzelfde gedeelte van hun omzet in dezelfde drie schijven valt, sprake van aanzienlijke verschillen in het gemiddelde effectieve belastingtarief: over elke 100 PLN omzet die wordt gegenereerd, betaalt detaillist 1 geen belasting, detaillist 2 ongeveer 0,7 PLN belasting en detaillist 3 ongeveer 1,2 PLN belasting.

Maandomzet uit detailverkoop

Detaillist 1

10 miljoen PLN

Detaillist 2

100 miljoen PLN

Detaillist 3

750 miljoen PLN

Verschuldigde belasting over gedeelte van de omzet tot en met 17 miljoen PLN

0

0

0

Verschuldigde belasting over gedeelte van de omzet boven 17 miljoen PLN tot en met 170 miljoen PLN

664 000 PLN

(82 999 999 PLN × 0,008)

1 224 000 PLN

(152 999 999 PLN × 0,008)

Verschuldigde belasting over gedeelte van de omzet boven 170 miljoen PLN

8 120 000 PLN

(579 999 999 PLN × 0,014)

Totaal verschuldigde belasting

0

664 000 PLN

9 344 000 PLN

Effectief gemiddeld belastingtarief

0 %

0,664 %

1,246 %

(54)

Zoals deze tabel laat zien, zijn het juist de progressieve tarieven en de schijven waarop die tarieven van toepassing zijn, die maken dat de belasting op de detailverkoop een oneigenlijk onderscheid maakt tussen detailhandelaren (belastingplichtige personen) op basis van hun omzet en bijgevolg grootte. Door het progressieve karakter van de in de wet neergelegde tarieven, worden ondernemingen met een hoge omzet, in vergelijking met ondernemingen met een lage omzet, onderworpen aan zowel aanzienlijke hogere marginale als aanzienlijk hogere gemiddelde tarieven. Vandaar dat de Commissie van oordeel is dat de bij de wet ingevoerde progressieve tariefstructuur afwijkt van het referentiestelsel — belasting van de omzet uit detailverkopen van alle ondernemingen die zich bezighouden met detailhandel in Polen, tegen een enkel (vast) tarief — ten gunste van detailhandelaren met een lagere omzet en bijgevolg kleinere detaillisten.

(55)

In het licht van bovenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat de maatregel afwijkt van het referentiestelsel en bijgevolg op het eerste gezicht selectief is.

4.1.3.3.   Rechtvaardiging door de aard of de algemene opzet van het stelsel

(56)

Nadat de Commissie heeft aangetoond dat een overheidsmaatregel op het eerste gezicht selectief is omdat hij onderscheid maakt tussen ondernemingen die zich, in het licht van het referentiestelsel, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, is het aan de lidstaat om een rechtvaardiging te verstrekken die op de aard of de algemene opzet van het stelsel is gebaseerd. Een maatregel die afwijkt van het referentiestelsel is niet selectief wanneer hij wordt gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van dat stelsel. Dit is het geval wanneer de selectieve behandeling het resultaat is van inherente mechanismen die noodzakelijk zijn voor de werking en doeltreffendheid van het stelsel (29).

(57)

Polen betoogt dat indien de Commissie zou concluderen dat de progressieve belastingstructuur van de wet discriminerend is, hetgeen het betwist, deze desalniettemin gerechtvaardigd zou zijn op grond van de herverdelende functie ervan, net als in het geval van op winst gebaseerde belastingen. Polen stelt verder dat ondernemingen met een hoge omzet een grotere draagkracht hebben, schaalvoordelen genieten, druk kunnen uitoefenen op producenten en leveranciers om hun winstmarges te verlagen en vaak gebruikmaken van belastingoptimalisatiestrategieën.

(58)

De Commissie herinnert eraan dat de wet ondernemingen belast op basis van hun omzet. In tegenstelling tot een winstbelasting (30) houdt een omzetbelasting geen rekening met de kosten die werden gemaakt om die omzet te realiseren. Vandaar dat een omzetbelasting ondernemingen feitelijk belast op hun grootte, en niet op hun winstgevendheid of draagkracht of hun vermogen om schaalvoordelen te benutten om efficiëntieverbeteringen te realiseren, winstmarges van producenten en leveranciers in hun voordeel te beïnvloeden (31) of gebruik te maken van „belastingoptimalisatiestrategieën”. Bijgevolg kan geen van deze factoren een rechtvaardiging vormen voor een progressieve belastingheffing op de omzet van ondernemingen.

(59)

Progressieve omzetbelastingen kunnen alleen worden gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het belastingstelsel — d.w.z. de interne logica ervan — als het specifieke doel van de belasting progressieve tarieven vereist. Bijvoorbeeld in het geval van omzetbelasting die is bedoeld om negatieve externe effecten tegen te gaan, kan een zekere mate van progressiviteit gerechtvaardigd zijn als wordt aangetoond dat de externe effecten die worden gecreëerd door de activiteiten die voorwerp van belasting zijn, ook progressief toenemen wanneer de omzet (of grootte) van de belastingbetaler toeneemt. Een dergelijke rechtvaardiging is niet door de Poolse autoriteiten verstrekt.

(60)

Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat de progressieve tarieven van de belasting op de detailverkoop niet worden gerechtvaardigd door de aard en de algemene opzet van het referentiestelsel. De maatregel wordt derhalve geacht een selectief voordeel te verschaffen aan detailhandelsondernemingen met een lage omzet (en dus kleinere ondernemingen).

4.1.4.   Potentiële verstoring van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer binnen de Unie

(61)

Ingevolge artikel 107, lid 1, van het Verdrag moet een maatregel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden om als staatssteun te kunnen worden aangemerkt.

(62)

De belasting op de detailverkoop geldt voor alle ondernemingen die in Polen omzet uit bepaalde detailverkopen genereren. De detailhandel in Polen is opengesteld voor mededinging en wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van handelaren uit andere lidstaten. Evenzo kunnen in Polen gevestigde detailhandelaren in andere lidstaten actief zijn (of worden). Vandaar dat elke steunmaatregel die bepaalde handelaren begunstigt, het handelsverkeer binnen de EU negatief kan beïnvloeden.

(63)

De progressiviteit van de belasting op de detailverkoop beïnvloedt de concurrentiepositie van de ondernemingen die aan de belasting zijn onderworpen. Voor zover de maatregel ondernemingen met een lagere omzet die anders onderworpen waren geweest aan hetzelfde belastingtarief als ondernemingen met een hogere omzet, vrijstelt van belastingplicht, vormt het selectieve voordeel dat hierdoor wordt verschaft, exploitatiesteun. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie verstoort exploitatiesteun de mededinging, zodat elke steun die aan ondernemingen met een lagere omzet wordt verleend, moet worden geacht de mededinging te verstoren of te dreigen te verstoren doordat hun financiële positie op de Poolse detailhandelsmarkt wordt versterkt. Evenzo kunnen hogere belastingtarieven voor grotere detailhandelaren (hogere omzet), grotere detaillisten ontmoedigen om hun verkoop te vergroten en zo hun marktaandeel verkleinen of hen dwingen om de markt te verlaten. De mededinging zou worden verstoord omdat detaillisten niet alleen op basis van efficiency en concurrentievermogen zouden concurreren, maar ook geconfronteerd zouden worden met een differentiële fiscale behandeling, afhankelijk van hun omzet, die niet gerechtvaardigd zou worden door eventuele negatieve externe effecten die zij veroorzaken.

(64)

Wat de opmerkingen van Polen betreffende de structuur van de detailhandelssector betreft, merkt de Commissie op dat de stelling (32) dat de progressieve belastingtarieven nadelige veranderingen in het handelspatroon beperken (het verdwijnen van kleinschalige handel en daarmee verband houdend een toename van grootschalige handel), die volgens Polen momenteel de mededinging verstoren, niets anders is dan een bevestiging dat de maatregel bedoeld is om de concurrentieverhoudingen in de detailhandel in het land te beïnvloeden.

(65)

Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat de maatregel de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten negatief beïnvloedt.

4.1.5.   Conclusie

(66)

Aangezien aan alle voorwaarden van artikel 107, lid 1, van het Verdrag is voldaan, concludeert de Commissie dat de belasting op de detailverkoop en de progressieve tariefstructuur van die belasting, staatssteun in de zin van die bepaling vormt.

4.2.   Verenigbaarheid van de steun met de interne markt

(67)

Staatssteun wordt als verenigbaar met de interne markt beschouwd voor zover hij onder een van de in artikel 107, lid 2, van het Verdrag (33) genoemde categorieën valt en kan als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd indien de Commissie vaststelt dat hij onder een van de in artikel 107, lid 3, van het Verdrag (34) genoemde categorieën valt. Het is echter aan de lidstaat die de steun verleent om te bewijzen dat de door hem verleende staatssteun verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 2 of lid 3, van het Verdrag (35).

(68)

De Commissie merkt op dat de Poolse autoriteiten geen argumenten hebben aangevoerd ten aanzien van de verenigbaarheid van de belasting op de detailverkoop met de interne markt. Polen heeft evenmin gereageerd op de in het inleidingsbesluit verwoorde twijfels over de verenigbaarheid van de maatregel.

(69)

De Commissie is van oordeel dat geen van de in voornoemde bepalingen vermelde uitzonderingen van toepassing is, aangezien de maatregel klaarblijkelijk op geen van de in deze bepalingen genoemde doelstellingen is gericht. Bijgevolg kan de maatregel niet als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt.

4.3.   Terugvordering van de steun

(70)

De wet is nooit bij de Commissie aangemeld en evenmin door de Commissie als verenigbaar met de interne markt aangemerkt. Aangezien de wet staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag en nieuwe steun in de zin van artikel 1, onder c), van Verordening (EU) 2015/1589 vormt die in werking is getreden in strijd met het uitvoeringsverbod van artikel 108, lid 3, van het Verdrag, vormt de maatregel ook onrechtmatige steun in de zin van artikel 1, onder f), van Verordening (EU) 2015/1589.

(71)

Het gevolg van de vaststelling dat de wet onrechtmatige en onverenigbare staatssteun vormt, is dat de steun moet worden teruggevorderd van de ontvangers ervan op grond van artikel 16 van Verordening (EU) 2015/1589.

(72)

Naar aanleiding van het opschortingsbevel dat de Commissie in het inleidingsbesluit had gegeven, bevestigde Polen echter bij brief van 7 november 2016 dat het de invordering krachtens de wet van de belasting op de detailverkoop had opgeschort.

(73)

Er is dus niet daadwerkelijk staatssteun verleend op grond van de maatregel. Daarom hoeft niet tot terugvordering te worden overgegaan.

5.   CONCLUSIE

(74)

De Commissie stelt vast dat Polen de betrokken steun onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

(75)

Dit besluit laat mogelijke procedures krachtens artikel 258 van het Verdrag wegens inbreuken op fundamentele vrijheden die in het Verdrag zijn neergelegd, met name de vrijheid van vestiging van artikel 49, onverlet,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De belasting op de detailverkoop en de progressieve tariefstructuur van die belasting, zoals ingevoerd bij de wet van 6 juli 2016 inzake de belasting op detailverkoop, vormt staatssteun die onverenigbaar is met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die onrechtmatig door Polen ten uitvoer werd gelegd in strijd met artikel 108, lid 3, van dat Verdrag.

Artikel 2

Polen annuleert alle uitstaande steunbetalingen in het kader van de in artikel 1 bedoelde maatregel met ingang van de datum waarop dit besluit is vastgesteld.

Artikel 3

Polen zorgt ervoor dat dit besluit binnen vier maanden na kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 4

1.   Binnen twee maanden na kennisgeving van dit besluit verstrekt Polen een gedetailleerde beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen.

2.   Polen houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die het heeft genomen ter uitvoering van dit besluit. Het verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld informatie over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de Republiek Polen.

Gedaan te Brussel, 30 juni 2017.

Voor de Commissie

Margrethe VESTAGER

Lid van de Commissie


(1)  PB C 406 van 4.11.2016, blz. 76.

(2)  Zie het besluit van de Commissie in de zaak betreffende een wijziging van de Hongaarse vergoeding voor de inspectie van de voedselketen (PB C 277 van 21.8.2015, blz. 12). Zie tevens de besluiten van de Commissie in de volgende zaken: SA.39235 — Hongaarse advertentiebelasting (PB C 136 van 24.4.2015, blz. 7), en SA.41187 — Hongaarse gezondheidsbijdrage van ondernemingen in de tabaksindustrie (PB C 277 van 21.8.2015, blz. 24).

(3)  Zie het Poolse staatsblad van 2016, punt 1155.

(4)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).

(5)  Cf. voetnoot 1.

(6)  Zie het Poolse staatsblad van 2016, punt 1723.

(7)  Zie het Poolse staatsblad van 2016, punt 2099.

(8)  Artikel 3, lid 4, van de wet bevat de definitie van „detailhandelaar”.

(9)  Bij een koers van 1 PLN ≈ 0,238 EUR.

(10)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2006, Forum 187/Commissie, C-182/03 en C-217/03,ECLI:EU:C:2006:416, punt 81; arrest van het Hof van Justitie van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, ECLI:EU:C:2011:732; arrest van het Hof van Justitie van 29 maart 2012, 3M Italia, C-417/10, ECLI:EU:C:2012:184, punt 25, en de beschikking van 29 maart 2012, Safilo, C-529/10, ECLI:EU:C:2012:188, punt 18. Zie ook het arrest van het Gerecht van 25 maart 2015, België/Commissie, T-538/11, ECLI:EU:T:2015:188, punt 66.

(11)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 2 september 2010, Commissie/Deutsche Post AG, C-399/08 P, ECLI:EU:C:2010:481, punt 38 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

(12)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 2 september 2010, Commissie/Deutsche Post AG, C-399/08 P, ECLI:EU:C:2010:481, punt 39 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

(13)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, ECLI:EU:C:2011:732, punt 72 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

(14)  Detailhandelaren die meerdere winkels in eigendom hebben en exploiteren die onderdeel zijn van een winkelketen en die voor de belasting op de detailverkoop als één enkele belastingplichtige worden gezien.

(15)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 17 november 2009, Presidente del Consiglio dei Ministri, C-169/08, ECLI:EU:C:2009:709, punt 58.

(16)  Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline, C-143/99, ECLI:EU:C:2001:598, punt 38.

(17)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2005, Italië/Commissie, C-66/02, ECLI:EU:C:2005:768, punt 78; arrest van het Hof van Justitie van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze SpA e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punt 132; arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2014, Ministerio de Defensa en Navantia, C-522/13, ECLI:EU:C:2014:2262, punten 21 tot en met 31.

(18)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 juni 2006, Air Liquide Industries Belgium, C-393/04 en C-41/05, ECLI:EU:C:2006:403, punt 30, en arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C-387/92, ECLI:EU:C:1994:100, punt 14.

(19)  Berekend als het bedrag dat een belastingbetaler over een bepaalde maand is verschuldigd gedeeld door de omzet van die belastingbetaler in die maand.

(20)  Bij een franchisemodel wordt elke franchisenemer als een aparte belastingplichtige beschouwd. In de waarschijnlijke situatie dat een franchisenemer maar één winkel in eigendom heeft en exploiteert, wordt de belasting geheven over de omzet van die ene winkel. Bij het holdingmodel zijn de afzonderlijke winkels niet ieder voor zich belastingplichtig. Het progressieve tariefstelsel voor de belasting wordt toegepast op de totale omzet van alle winkels van de holding en de belasting wordt geheven over die totale omzet.

(21)  Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 1994, Commissie/Nederland (NOx), C-279/08 P, ECLI:EU:C:2011:551; arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline, C-143/99, ECLI:EU: C: 2001:598; arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., C-78/08, C-79/08 en C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550 en ECLI:EU:C:2010:411; en arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004, GIL Insurance, C-308/01, ECLI:EU:C:2004:252 en ECLI:EU:C:2003:481.

(22)  Mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3).

(23)  Zie overweging 25.

(24)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, ECLI:EU:C:2011:732.

(25)  Ibid., punt 92.

(26)  Arrest van het Hof van Justitie van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie, C-487/06 P, ECLI:EU:C:2008:757, punten 85 en 89 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 1994, Commissie/Nederland (NOx), C-279/08 P, ECLI:EU:C:2011:551, punt 51.

(27)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 P en C-107/09 P, ECLI:EU:C:2011:732.

(28)  Zie https://www.wiadomoscihandlowe.pl/artykuly/podatek-handlowy-w-praktyce-wiemy-ile-firm-zlozylo,9669/5. Het totale bedrag van de op aangifte aangegeven belasting op de detailverkoop over die maand, voor alle belastingplichtigen samen, bedroeg 114 miljoen PLN. Ongeveer 70 % van dat bedrag (78,9 miljoen PLN) was verschuldigd door de 10 grootste detailhandelaren in Polen en slechts 12 detailhandelaren moesten het hoogste tarief betalen (1,4 %). Zie tevens Rynek detalicznego handlu spożywczego w Polsce, Fundacja Republikańska, Warschau, 2016, voor het aantal detailhandelaren in Polen.

(29)  Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., C-78/08, C-79/08 en C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punt 69.

(30)  Zie de mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3), punt 24. De opmerking dat een progressief belastingtarief kan worden gerechtvaardigd door de herverdelende functie ervan, is uitdrukkelijk uitsluitend gemaakt met betrekking tot belastingen op winst of (netto-)inkomsten, en niet met betrekking tot belastingen op omzet.

(31)  Bovendien kan een netwerk van franchisenemers die onder dezelfde merknaam opereren een vergelijkbare invloed op de winstmarges van producenten en leveranciers uitoefenen als grote geïntegreerde marktdeelnemers en misbruik maken van zijn positie. Desalniettemin worden ze voor de belasting op de detailverkoop verschillend behandeld.

(32)  Zie de brief van 7 november 2016 aan de Commissie, naar aanleiding van het inleidingsbesluit.

(33)  De in artikel 107, lid 2, van het Verdrag bepaalde uitzonderingen hebben betrekking op: steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers; steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen; en steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland.

(34)  De in artikel 107, lid 3, van het Verdrag bepaalde uitzonderingen hebben betrekking op: steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van bepaalde streken; steunmaatregelen om de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van de lidstaat op te heffen; steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken; steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen; en andere soorten van steunmaatregelen aangewezen bij besluit van de Raad.

(35)  Arrest van het Gerecht van 12 september 2007, Olympiaki Aeroporia Ypiresies/Commissie, T-68/03, ECLI:EU:T:2007:253, punt 34.