ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 315

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
30 november 2017


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad

1

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2017/2108 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen ( 1 )

40

 

*

Richtlijn (EU) 2017/2109 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten

52

 

*

Richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad ( 1 )

61

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven ( PB L 39 van 9.2.2013 )

78

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 315/1


VERORDENING (EU) 2017/2107 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 november 2017

tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee te garanderen die voor ecologische, economische en sociale duurzaamheid op lange termijn zorgt.

(2)

Bij Besluit 98/392/EG van de Raad (4) heeft de Unie het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee goedgekeurd, waarin onder meer principes en regels voor de instandhouding en het beheer van de mariene levende rijkdommen zijn vastgesteld. De Unie neemt in het kader van haar ruimere internationale verplichtingen deel aan de inspanningen die in internationale wateren worden geleverd om de visbestanden in stand te houden.

(3)

De Unie is sinds 14 november 1997 ingevolge Besluit 86/238/EEG van de Raad (5) verdragsluitende partij bij het Internationale Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen („het ICCAT-verdrag”).

(4)

Het ICCAT-verdrag biedt een kader voor de regionale samenwerking op het gebied van de instandhouding en het beheer van tonijnen en tonijnachtigen in de Atlantische Oceaan en aangrenzende zeeën middels de oprichting van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT).

(5)

De ICCAT heeft het gezag om voor de instandhouding en het beheer van de onder haar bevoegdheid vallende visserijen besluiten (aanbevelingen) vast te stellen die verbindend zijn voor de verdragsluitende partijen bij het verdrag. Die aanbevelingen zijn hoofdzakelijk gericht tot de verdragsluitende partijen bij het ICCAT-verdrag, maar bevatten tevens verplichtingen voor particuliere exploitanten (zoals kapiteins van vaartuigen). De ICCAT-aanbevelingen treden zes maanden na de vaststelling ervan in werking en moeten, wat de Unie betreft, zo snel mogelijk in het recht van de Unie worden omgezet.

(6)

In een verordening (van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (6) zal worden bepaald dat die verordening van toepassing dient te zijn onverminderd de bepalingen van Unierecht die uitvoering geven aan bepalingen die zijn aangenomen door de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) waarbij de Unie een overeenkomstsluitende partij is.

(7)

De laatste omzetting van de instandhoudings- en handhavingsaanbevelingen van de ICCAT is geschied bij Verordeningen (EG) nr. 1936/2001 (7) en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (8).

(8)

De ICCAT-aanbeveling betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee is geïmplementeerd bij Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad (9). De onderhavige verordening heeft geen betrekking op een dergelijk meerjarig herstelplan.

(9)

Bij de uitvoering van die aanbevelingen dienen de Unie en de lidstaten ernaar te streven de kustvisserij te stimuleren, alsmede het gebruik van vistuigen en visserijtechnieken die selectief en minder milieubelastend zijn, met inbegrip van tuigen en technieken die in de traditionele en de ambachtelijke visserij worden gebruikt, om zo bij te dragen tot een redelijke levensstandaard voor de lokale economie.

(10)

De Uniewetgeving dient een loutere uitvoering van ICCAT-aanbevelingen te zijn teneinde gelijke voorwaarden voor vissers uit de Unie en vissers uit derde landen te waarborgen, en ervoor te zorgen dat de regels door iedereen kunnen worden geaccepteerd.

(11)

De gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen waarin in deze verordening is voorzien, dienen de uitvoering van toekomstige ICCAT-aanbevelingen in het Unierecht volgens de gewone wetgevingsprocedure onverlet te laten.

(12)

Teneinde de toekomstige wijzigingen van de ICCAT-aanbevelingen snel in Unierecht om te zetten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(13)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(14)

Ter waarborging van de naleving van het GVB is Uniewetgeving vastgesteld om een systeem voor controle, inspectie en handhaving op te zetten dat onder meer is gericht tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij. In het bijzonder is bij Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (12) een Unieregeling voor controle, inspectie en handhaving vastgesteld die een brede, geïntegreerde aanpak biedt en aldus naleving van alle regels van het GVB waarborgt. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie (13) zijn bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgesteld. Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad (14) is een communautair systeem opgezet om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. Met die verordeningen zijn reeds een aantal bepalingen van de ICCAT-aanbevelingen geïmplementeerd. Die bepalingen hoeven daarom niet in de onderhavige verordening te worden opgenomen.

(15)

De ICCAT-aanbevelingen, gelezen in combinatie met de toepasselijke regels van Verordening (EG) nr. 1224/2009, staan toe dat grote pelagische beugvisserijvaartuigen binnen de ICCAT-zone in niet-Uniewateren op zee overladen. De Unie dient deze kwestie evenwel omvattend en systematisch ter hand te nemen in het kader van de ROVB's, teneinde het Unieverbod op overlading op zee in Uniewateren tot alle wateren uit te breiden.

(16)

Bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is een aanlandingsverplichting ingevoerd die met ingang van 1 januari 2015 van toepassing is op de kleine en grote pelagische visserij, visserij voor industriële doeleinden en visserij op zalm in de Oostzee. Overeenkomstig artikel 15, lid 2, van die verordening doet deze aanlandingsverplichting echter geen afbreuk aan de internationale verplichtingen van de Unie, zoals die welke voortvloeien uit de ICCAT-aanbevelingen. Op grond van diezelfde bepaling is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde die internationale verplichtingen in Unierecht te implementeren, waaronder met name afwijkingen van de aanlandingsverplichting. Bijgevolg wordt in bepaalde kleine en grote pelagische visserijtakken en visserij voor industriële doeleinden teruggooi toegestaan in bepaalde situaties zoals vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie (15).

(17)

Bij Verordening (EG) nr. 1984/2003 van de Raad (16) zijn programma's voor een statistisch document voor zwaardvis en grootoogtonijn vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende ICCAT-bepalingen. Aangezien de ICCAT nieuwe bepalingen inzake statistische programma's heeft vastgesteld voor overladingen op zee, is het passend Verordening (EG) nr. 1984/2003 te wijzigen om die bepalingen om te zetten in het Unierecht.

(18)

De afgelopen jaren zijn verscheidene aanbevelingen van de ICCAT gewijzigd of ingetrokken. Derhalve is het omwille van de duidelijkheid, de vereenvoudiging en de rechtszekerheid passend de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 520/2007 in te trekken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden beheers-, instandhoudings- en controlebepalingen vastgesteld voor de door de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijn in de Atlantische Oceaan (ICCAT) beheerde visserij op over grote afstanden trekkende vissoorten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

a)

vissersvaartuigen van de Unie en recreatievisserijvaartuigen van de Unie die actief zijn in het ICCAT-verdragsgebied en, in het geval van overladingen, ook buiten het ICCAT-verdragsgebied indien zij soorten overladen die in dat gebied zijn gevangen;

b)

vaartuigen van derde landen die in havens van lidstaten worden geïnspecteerd en die ICCAT-soorten of van dergelijke soorten afkomstige visserijproducten aan boord hebben die niet eerder in havens zijn aangeland of overgeladen;

c)

vissersvaartuigen van derde landen en recreatievisserijvaartuigen van derde landen die actief zijn in Uniewateren.

Artikel 3

Verband met andere handelingen van de Unie

Deze verordening geldt onverminderd de bepalingen van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (17) en van Verordening (EU) 2016/1627.

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn van toepassing in aanvulling op die waarin is voorzien bij Verordeningen (EG) nr. 1005/2008 en (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„ICCAT-soorten”: de in bijlage I vermelde soorten;

2)

„tropische tonijn”: grootoogtonijn, geelvintonijn en gestreepte tonijn;

3)

„vissersvaartuig” elk vaartuig dat is uitgerust voor de commerciële exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee of een blauwvintonnara;

4)

„vangstvaartuig”: een vissersvaartuig dat wordt gebruikt voor de vangst van biologische rijkdommen van de zee;

5)

„vissersvaartuig van de Unie”: een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;

6)

„vismachtiging”: een machtiging die wordt afgegeven voor een vissersvaartuig van de Unie en die dit vaartuig het recht geeft om onder specifieke voorwaarden specifieke visserijactiviteiten te verrichten tijdens een bepaalde periode in een bepaald gebied of voor een bepaalde visserij;

7)

„speciale vismachtiging”: een machtiging die wordt afgegeven voor een vissersvaartuig van de Unie en die dit vaartuig het recht geeft om onder specifieke voorwaarden met specifiek vistuig specifieke visserijactiviteiten te verrichten tijdens een bepaalde periode in een bepaald gebied of voor een bepaalde visserij;

8)

„overlading”: het overbrengen van alle aan boord van een vaartuig aanwezige visserijproducten of van een deel daarvan naar een ander vaartuig;

9)

„recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de biologische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden;

10)

„taak I-gegevens”: gegevens gedefinieerd als taak I door de ICCAT in haar „Handleiding voor de opstelling van statistieken en de bemonstering van Atlantische tonijn en tonijnachtigen”;

11)

„taak II-gegevens”: gegevens gedefinieerd als taak II door de ICCAT in haar „Handleiding voor de opstelling van statistieken en de bemonstering van Atlantische tonijn en tonijnachtigen”;

12)

„CPC's”: verdragsluitende partijen bij het ICCAT-verdrag, alsmede samenwerkende niet-verdragsluitende partijen, organisaties en visserijorganisaties;

13)

„ICCAT-verdragsgebied”: alle wateren van de Atlantische Oceaan en aangrenzende zeeën;

14)

„partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij”: internationale overeenkomst zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 37, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

15)

„vaartuiglengte”: de afstand gemeten op een rechte tussen het voorste punt van de boeg en het achterste punt van het achterschip;

16)

„groot pelagisch beugvisserijvaartuig”: een pelagisch beugvisserijvaartuig met een lengte over alles van meer dan 24 meter;

17)

„groot vissersvaartuig”: een vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 20 meter;

18)

„groot vangstvaartuig”: een vangstvaartuig met een lengte over alles van meer dan 20 meter;

19)

„ICCAT-register van grote vissersvaartuigen”: de door het ICCAT-secretariaat bijgehouden lijst van grote vissersvaartuigen die zijn gemachtigd om in het ICCAT-verdragsgebied op ICCAT-soorten te vissen;

20)

„ondersteuningsvaartuig”: een vaartuig dat geen aan boord gehouden sloep is, dat niet met operationeel vistuig is uitgerust en dat visserijactiviteiten faciliteert, begeleidt of voorbereidt, onder meer door bevoorrading van een vangstvaartuig;

21)

„transportvaartuig”: een ondersteuningsvaartuig dat betrokken is bij overlading en ICCAT-soorten ontvangt van een groot pelagisch beugvisserijvaartuig;

22)

„ICCAT-register van transportvaartuigen”: de door het ICCAT-secretariaat bijgehouden lijst van vaartuigen die gemachtigd zijn om in het ICCAT-verdragsgebied overladingen op zee te ontvangen van grote pelagische beugvisserijvaartuigen;

23)

„ICCAT-register van vaartuigen die gemachtigd zijn om op tropische tonijn te vissen”: de door het ICCAT-secretariaat bijgehouden lijst van grote vissersvaartuigen die gemachtigd zijn om in het ICCAT-verdragsgebied tropische tonijn te bevissen, aan boord te houden, over te laden, te vervoeren, te verwerken of aan te landen;

24)

„vis aantrekkende voorziening (fish-aggregating device-FAD)”: op zee drijvende uitrusting waarmee wordt beoogd vis aan te trekken;

25)

„IOO-visserij”: visserijactiviteiten als omschreven in artikel 2, punt 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2008;

26)

„IOO-lijst van de ICCAT”: een lijst van vaartuigen die door de ICCAT worden beschouwd als vaartuigen die IOO-visserij hebben bedreven;

27)

„beuglijn”: vistuig bestaande uit een hoofdlijn met van talrijke haken voorziene bijlijnen (sneuen) van variabele lengte die op variabele afstand zijn vastgemaakt, afhankelijk van de doelsoort;

28)

„ringzegen”: ringnet waarvan de bodem aan de onderkant wordt samengetrokken door een sluitlijn die door een reeks ringen langs de onderpees loopt, waardoor het net kan worden samengetrokken en gesloten;

29)

„haak”: een gebogen, scherp stuk staaldraad.

TITEL II

BEHEERS-, INSTANDHOUDINGS- EN CONTROLEMAATREGELEN BETREFFENDE BEPAALDE SOORTEN

HOOFDSTUK I

Tropische tonijn

Artikel 5

Beperkingen inzake het aantal grote vangstvaartuigen van de Unie dat op grootoogtonijn vist

Het aantal en de totale capaciteit in brutotonnage (BT) van grote vangstvaartuigen van de Unie die op grootoogtonijn vissen in het ICCAT-verdragsgebied worden bepaald op basis van:

a)

het gemiddelde aantal en de capaciteit in BT van de vangstvaartuigen van de Unie die in de periode 1991-1992 in het ICCAT-verdragsgebied op grootoogtonijn hebben gevist, en

b)

de beperking van het aantal op 30 juni 2005 aan de ICCAT gemelde vangstvaartuigen van de Unie die in 2005 op grootoogtonijn hebben gevist.

Artikel 6

Specifieke machtigingen voor grote op tropische tonijn vissende vangstvaartuigen en voor ondersteuningsvaartuigen

1.   De lidstaten geven overeenkomstig een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (18) machtigingen af aan onder hun vlag varende grote vangstvaartuigen om in het ICCAT-verdragsgebied op tropische tonijn te vissen.

2.   De lidstaten geven machtigingen af aan onder hun vlag varende ondersteuningsvaartuigen die worden gebruikt voor enige vorm van ondersteuning van in lid 1 bedoelde vaartuigen.

Artikel 7

ICCAT-register van vaartuigen die gemachtigd zijn om op tropische tonijn te vissen

1.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen in kennis van elke gebeurtenis waarvoor een toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van het ICCAT-register van vaartuigen die gemachtigd zijn om op tropische tonijn te vissen, nodig is. De Commissie dient die informatie onverwijld en uiterlijk binnen 45 dagen vanaf de datum van een dergelijke gebeurtenis in bij het ICCAT-secretariaat.

2.   Grote vissersvaartuigen die niet zijn opgenomen in het ICCAT-register van vaartuigen die gemachtigd zijn om op tropische tonijn te vissen, wordt niet toegestaan tropische tonijn uit het ICCAT-verdragsgebied te bevissen, aan boord te houden, over te laden, te vervoeren, over te brengen, te verwerken of aan te landen. Artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is in die gevallen niet van toepassing.

Artikel 8

Lijst van vaartuigen die in een bepaald jaar op tropische tonijn vissen

De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 juni bij de Commissie de lijst in van onder hun vlag varende, gemachtigde vaartuigen die het vorige kalenderjaar op tropische tonijn hebben gevist in het ICCAT-verdragsgebied. De Commissie stelt de ICCAT elk jaar uiterlijk op 31 juli in kennis van de van de lidstaten ontvangen lijsten.

Artikel 9

Beheersplannen inzake visaantrekkende voorzieningen

1.   Met betrekking tot vaartuigen die met de ringzegen of de hengel in combinatie met vis aantrekkende voorzieningen (fish-aggregating devices — FAD's) op tropische tonijn vissen, dienen de lidstaten elk jaar uiterlijk op 31 december bij de Commissie beheersplannen in voor het gebruik van zulke FAD's door onder hun vlag varende vaartuigen. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 31 januari van het daaropvolgende jaar door aan het ICCAT-secretariaat.

2.   De beheersplannen als bedoeld in lid 1 hebben tot doel:

a)

de kennis over de kenmerken van FAD's, over de kenmerken van boeien, over FAD-visserij, met inbegrip van de visserijinspanning, en over gerelateerde effecten op doelsoorten en niet-doelsoorten te verbeteren;

b)

het inzetten en terughalen van FAD's en bakens en het mogelijke verlies ervan doeltreffend te beheren;

c)

de effecten van FAD's en van FAD-visserij op het ecosysteem te verminderen en te beperken, onder meer door in passende gevallen in te werken op de verschillende componenten van de visserijsterfte (bijvoorbeeld aantal ingezette FAD's, met inbegrip van het aantal FAD-trekken door ringzegenvaartuigen, vangstcapaciteit, aantal ondersteuningsvaartuigen).

3.   De in lid 1 bedoelde beheersplannen bevatten de in bijlage II bedoelde informatie.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat te allen tijde niet meer dan 500 instrumentboeien actief zijn voor elk ringzegenvaartuig dat onder hun vlag vaart en in combinatie met FAD's op tropische tonijn vist.

Artikel 10

Vereisten voor FAD's

1.   FAD's voldoen aan de volgende vereisten:

a)

de oppervlaktestructuur van de FAD is hetzij met geen enkel materiaal bedekt hetzij enkel bedekt met materiaal dat een minimaal risico van verstrikking van niet-doelsoorten meebrengt, en

b)

de onderwateronderdelen zijn uitsluitend vervaardigd uit materiaal waarin geen niet-doelsoorten verstrikt raken.

2.   Bij het ontwerp van FAD's wordt zo mogelijk prioriteit gegeven aan biologisch afbreekbare materialen, zodat niet-biologisch afbreekbare FAD's uiterlijk in 2018 uitgefaseerd zijn.

3.   De lidstaten rapporteren aan de Commissie in het kader van het in artikel 71 bedoelde jaarverslag de stappen die zijn genomen om naleving van de leden 1 en 2 van dit artikel te waarborgen. De Commissie zendt die informatie door aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 11

Door vaartuigen ingediende informatie over FAD's

1.   Voor elke inzet van een FAD verzamelen en rapporteren met de ringzegen en met de hengel vissende vangstvaartuigen van de Unie en ondersteuningsvaartuigen van de Unie de volgende informatie en gegevens:

a)

positie van de FAD;

b)

datum van inzet van de FAD;

c)

FAD-type (verankerde FAD, niet-verankerde artificiële FAD);

d)

FAD-identificatiemiddel (d.w.z. FAD-markering of baken-ID, type boei — bijvoorbeeld eenvoudige boei of uitgerust met echolood), of andere informatie aan de hand waarvan de eigenaar kan worden geïdentificeerd;

e)

FAD-ontwerpkenmerken (afmeting en materiaal van het drijvende deel en van de onder water hangende structuur, en de verstrikkende werking van de onder water hangende structuur).

2.   Voor elk bezoek aan een FAD verzamelen en rapporteren met de ringzegen en met de hengel vissende vangstvaartuigen van de Unie en ondersteuningsvaartuigen van de Unie, ongeacht of dit bezoek wordt gevolgd door een trek, de volgende informatie:

a)

type bezoek (trek, terughalen, interventie voor elektronische apparatuur);

b)

positie van de FAD;

c)

datum van het bezoek;

d)

FAD-type (verankerde FAD, niet-verankerde natuurlijke FAD, niet-verankerde artificiële FAD);

e)

FAD-identificatiemiddel (d.w.z. FAD-markering of baken-ID), of andere informatie aan de hand waarvan de eigenaar kan worden geïdentificeerd;

f)

indien het bezoek wordt gevolgd door een trek, de resultaten van de trek in termen van vangst en bijvangst, ongeacht of deze, dood of levend, aan boord worden gehouden dan wel teruggegooid, of indien het bezoek niet wordt gevolgd door een trek, de motivering voor dat besluit (bijvoorbeeld te weinig of te kleine vis).

3.   Voor elk verlies van een FAD verzamelen en rapporteren met de ringzegen en met de hengel vissende vangstvaartuigen van de Unie en ondersteuningsvaartuigen van de Unie de volgende informatie:

a)

de laatste geregistreerde positie;

b)

datum van de laatste geregistreerde positie;

c)

FAD-identificatiemiddel (d.w.z. FAD-markering of baken-ID), of andere informatie aan de hand waarvan de eigenaar kan worden geïdentificeerd.

4.   Vissersvaartuigen van de Unie actualiseren op kwartaalbasis een lijst van ingezette FAD's, die ten minste de in bijlage III bedoelde informatie bevat.

Artikel 12

Door de lidstaten ingediende informatie over FAD's

De lidstaten dienen elk jaar 15 dagen vóór de door de ICCAT voor een bepaald jaar vastgestelde termijn bij de Commissie de volgende informatie in, zodat deze ter beschikking van het ICCAT-secretariaat kan worden gesteld:

a)

het aantal op kwartaalbasis daadwerkelijk ingezette FAD's, per FAD-type, met vermelding van de aan- of afwezigheid van een bij de FAD behorende baken/boei of een bij de FAD behorend echolood;

b)

het aantal en type van de op kwartaalbasis daadwerkelijk ingezette bakens/boeien (bijvoorbeeld radio, met echolood);

c)

de gemiddelde aantallen actieve bakens/boeien op kwartaalbasis die door elk vaartuig zijn gevolgd;

d)

gemiddelde aantallen verloren actieve FAD's op kwartaalbasis;

e)

voor elk ondersteuningsvaartuig, het aantal zeedagen, per vak van 1°, maand en vlaggenlidstaat.

Artikel 13

Logboeken

De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

papieren en elektronische visserijlogboeken, alsook FAD-logboeken, voor zover van toepassing, onmiddellijk worden verzameld en ter beschikking van wetenschappers van de Unie worden gesteld;

b)

de aan de Commissie overeenkomstig artikel 50 toegezonden taak II-gegevens de uit de visserij- of FAD-logboeken vergaarde informatie bevatten, voor zover van toepassing.

Artikel 14

Tijdruimtelijke sluiting in verband met de bescherming van jonge exemplaren

1.   Het gericht vissen op tropische tonijn in combinatie met objecten die de visconcentratie kunnen beïnvloeden, met inbegrip van FAD's, alsook activiteiten ter ondersteuning daarvan, zijn verboden:

a)

jaarlijks van 1 januari tot en met 28 februari, en

b)

in het als volgt afgebakende gebied:

noordelijke grens — breedtelijn 5° NB;

zuidelijke grens — breedtelijn 4° ZB;

westelijke grens — meridiaan 20° WL;

oostelijke grens — de Afrikaanse kust.

2.   Het in lid 1 bedoelde verbod betreft:

a)

het te water laten van drijvende voorwerpen, al dan niet met boeien;

b)

het vissen rond, onder, of met artificiële objecten, met inbegrip van vaartuigen;

c)

het vissen rond, onder, of met natuurlijke objecten;

d)

het uit het gebied slepen van drijvende voorwerpen.

3.   Elke lidstaat waarvan de vaartuigen in het geografische gebied van de tijdruimtelijke sluiting vissen:

a)

neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat alle onder zijn vlag varende vaartuigen, met inbegrip van ondersteuningsvaartuigen, wanneer zij betrokken zijn bij visserijactiviteiten gedurende de in lid 1 van dit artikel bedoelde tijdruimtelijke sluiting een waarnemer aan boord hebben. Het waarnemersprogramma voldoet aan bijlage IV bij deze verordening, onverminderd artikel 73 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

b)

dient elk jaar uiterlijk op 30 juni de door de onder a) bedoelde waarnemers verzamelde informatie in bij de Commissie, die de ICCAT daarvan uiterlijk op 31 juli in kennis stelt;

c)

neemt passende maatregelen tegen onder zijn vlag varende vissersvaartuigen die de in lid 1 bedoelde tijdruimtelijke sluiting niet naleven;

d)

dient in het kader van zijn in artikel 71 bedoelde jaarverslag bij de Commissie een verslag in over de naleving van de tijdruimtelijke sluiting.

Artikel 15

Visserij op tropische tonijn in bepaalde Portugese wateren

Het is verboden om een hoeveelheid tropische tonijn aan boord te houden die is gevangen met ringzegens in wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van Portugal in ICES-deelgebied X ten noorden van 36°30′ N of in Cecaf-gebieden ten noorden van 31° N en ten oosten van 17°30′ W, of om in die gebieden met dat vistuig op zulke soorten te vissen. Artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is in die gevallen niet van toepassing.

Artikel 16

Identificatie van IOO-visserij

Indien de uitvoerend secretaris van de ICCAT de Commissie in kennis stelt van een mogelijke schending van artikel 7, lid 2, en artikel 14, leden 1 en 2, door vissersvaartuigen van de Unie, brengt de Commissie de betrokken vlaggenlidstaat onverwijld daarvan op de hoogte. Deze lidstaat stelt onmiddellijk een onderzoek in en indien het vaartuig vist in combinatie met objecten die de visconcentratie kunnen beïnvloeden, met inbegrip van FAD's, verzoekt hij het vaartuig om te stoppen met vissen en, indien nodig, het gebied onverwijld te verlaten. De betrokken vlaggenlidstaat rapporteert aan de Commissie onverwijld de resultaten van zijn onderzoek en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn genomen. De Commissie zendt die informatie door aan de kuststaat en aan de uitvoerend secretaris van de ICCAT.

HOOFDSTUK II

Noord-Atlantische witte tonijn

Artikel 17

Beperking van het aantal vaartuigen

Het maximale aantal vangstvaartuigen van de Unie dat in het ICCAT-verdragsgebied op Noord-Atlantische witte tonijn mag vissen, wordt vastgesteld op het gemiddelde aantal vangstvaartuigen van de Unie dat in de periode 1993-1995 op Noord-Atlantische witte tonijn als doelsoort heeft gevist.

HOOFDSTUK III

Zwaardvis

Afdeling 1

Zwaardvis in de Atlantische Oceaan

Artikel 18

Beheersplannen voor Noord-Atlantische zwaardvis

Lidstaten waaraan een quotum is toegewezen en waarvan vaartuigen op Noord-Atlantische zwaardvis vissen, dienen elk jaar uiterlijk op 15 augustus hun beheersplannen bij de Commissie in. De Commissie zendt die informatie elk jaar uiterlijk op 15 september door aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 19

Minimummaat van Noord-Atlantische zwaardvis

1.   Het is verboden zwaardvis van minder dan 25 kg levend gewicht of met een vorklengte van de onderkaak van minder dan 125 cm te bevissen, aan boord te houden, over te laden, aan te landen, te vervoeren, op te slaan, uit te stallen of te koop aan te bieden, te verkopen of in de handel te brengen. Artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is in die gevallen niet van toepassing.

2.   In afwijking van lid 1 mag maximaal 15 % zwaardvis van minder dan 25 kg levend gewicht of met een vorklengte van de onderkaak van minder dan 125 cm als incidentele vangst aan boord gehouden, overgeladen, overgebracht, aangeland, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden worden.

3.   De in lid 2 bedoelde tolerantie van 15 % wordt berekend op basis van het aantal zwaardvissen afgezet tegen de totale zwaardvisvangst van het vaartuig per aanlanding.

Afdeling 2

Zwaardvis in de Middellandse Zee

Artikel 20

Vaartuigen die gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen

1.   De lidstaten geven overeenkomstig de bepalingen van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (19) machtigingen af om op mediterrane zwaardvis te vissen.

2.   De lidstaten dienen elk jaar bij de Commissie uiterlijk op 8 januari volgens het model in de ICCAT-richtsnoeren voor de indiening van gegevens en informatie het volgende in:

a)

een lijst van alle onder hun vlag varende vangstvaartuigen die gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen;

b)

een lijst van alle vaartuigen die door hen gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen tijdens recreatievisserij.

3.   De Commissie zendt de in lid 2, onder a) en b), bedoelde informatie uiterlijk op 15 januari van elk jaar door aan het ICCAT-secretariaat.

4.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen in kennis van elke toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van de lijst van vangstvaartuigen van de in lid 2, onder a) en b), bedoelde vaartuigen. De Commissie dient die informatie onverwijld en uiterlijk binnen 45 dagen vanaf de datum van de toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van die lijsten in bij het ICCAT-secretariaat.

Artikel 21

Bijvangst

De hoeveelheid zwaardvis die wordt gevangen, aan boord gehouden, overgeladen, vervoerd, verwerkt of aangeland door vangstvaartuigen van de Unie die niet zijn opgenomen in de in artikel 20, lid 2, onder a), bedoelde lijst, mag niet groter zijn dan 5 % van de totale aan boord gehouden vangst per gewicht en/of aantal vissen.

Artikel 22

Speciale vismachtiging

1.   Vangstvaartuigen van de Unie die zijn opgenomen in de in artikel 20, lid 2, onder a), bedoelde lijst en die harpoenen of beuglijnen gebruiken, beschikken over een speciale vismachtiging.

2.   De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 juni bij de Commissie langs elektronische weg de lijst van in lid 1 bedoelde machtigingen in die voor het voorgaande jaar zijn afgegeven. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar door aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 23

Gesloten visseizoenen

1.   Mediterrane zwaardvis wordt niet gevangen (als doelsoort noch als bijvangst), aan boord gehouden, overgeladen of aangeland in de periode van 1 tot en met 31 maart en van 1 oktober tot en met 30 november van elk jaar.

2.   De lidstaten monitoren de doeltreffendheid van de sluiting en dienen elk jaar uiterlijk op 15 augustus bij de Commissie alle relevante informatie in inzake de passende controles en inspecties die zijn verricht om de naleving van lid 1 te waarborgen. De Commissie zendt deze informatie uiterlijk twee maanden vóór de ICCAT-jaarvergadering door aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 24

Minimummaat voor mediterrane zwaardvis

1.   Enkel volledige exemplaren zwaardvis, zonder verwijdering van enig extern deel, of ontkieuwde en ontweide exemplaren mogen aan boord gehouden, overgeladen, aangeland of vervoerd worden.

2.   Het vangen, aan boord houden, overladen, aanlanden, vervoeren, opslaan, uitstallen of te koop aanbieden van mediterrane zwaardvis van minder dan 90 cm vorklengte van de onderkaak of met een gewicht van minder dan 10 kg levend gewicht of 9 kg ontkieuwd en ontweid gewicht of 7,5 kg karkasgewicht (ontkieuwd, ontweid, zonder vinnen en zonder deel van de kop) is verboden.

3.   In afwijking van lid 2 mogen incidentele vangsten van mediterrane zwaardvis onder de in dat lid vermelde minimummaat aan boord gehouden, overgeladen, aangeland, vervoerd, opgeslagen, uitgestald of te koop aangeboden worden indien ze niet meer dan 5 % in gewicht of aantal stuks per aanlanding van de totale mediterrane zwaardvisvangst aan boord van het vaartuig bedragen.

Artikel 25

Technische specificaties van het vistuig voor vaartuigen die gemachtigd zijn om op mediterrane zwaardvis te vissen

1.   In afwijking van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1967/2006 (20) van de Raad wordt het maximale aantal haken dat mag worden aangebracht door of aan boord mag worden genomen van vaartuigen die op mediterrane zwaardvis vissen, vastgesteld op 2 800 haken.

2.   Naast het in lid 1 bedoelde maximale aantal mag een tweede reeks gebruiksklare haken aan boord worden toegestaan voor reizen van meer dan twee dagen op voorwaarde dat deze benedendeks naar behoren zijn vastgemaakt en opgeborgen zodat zij niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt.

3.   De haakgrootte bedraagt minimaal 7 cm.

4.   De lengte van de pelagische beuglijnen bedraagt niet meer dan 30 zeemijl (55,56 km).

Artikel 26

Rapportageverplichtingen inzake mediterrane zwaardvis

1.   De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 juni bij de Commissie de volgende informatie in over vangstvaartuigen die onder hun vlag varen die gemachtigd waren om het voorgaande jaar pelagische beugvisserij of harpoenvisserij op mediterrane zwaardvis te verrichten:

a)

informatie over het vangstvaartuig:

i)

de naam van het vaartuig (indien het geen naam heeft, wordt het registratienummer zonder de landcode vermeld);

ii)

het nummer in het vlootregister van de Unie overeenkomstig bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie (21);

iii)

Het nummer in het ICCAT-register;

b)

informatie over visserijactiviteiten, op basis van steekproeftrekking of voor de gehele vloot:

i)

visseizoen(en) en totaal aantal visdagen per jaar van het vaartuig, per doelsoort en gebied;

ii)

geografische gebieden, volgens statistische ICCAT-vakken, voor de door het vaartuig verrichte visserijactiviteiten, per doelsoort en gebied;

iii)

vaartuigtype, per doelsoort en gebied;

iv)

aantal door het vaartuig gebruikte haken, per doelsoort en gebied;

v)

aantal door het vaartuig gebruikte beuglijneenheden, per doelsoort en gebied;

vi)

lengte over alles van alle beuglijneenheden van het vaartuig, per doelsoort en gebied;

c)

gegevens over de vangsten, in de kleinst mogelijke tijdruimtelijke schaal:

i)

omvang en, indien mogelijk, leeftijdsverdeling van de vangsten;

ii)

vangsten en vangstsamenstelling per vaartuig;

iii)

visserijinspanning (gemiddelde aantal visdagen per vaartuig, gemiddeld aantal haken per vaartuig, gemiddeld aantal beuglijneenheden per vaartuig, gemiddelde lengte over alles van de beuglijnen per vaartuig).

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt in het door de ICCAT opgestelde formaat ingediend.

3.   De Commissie zendt de in lid 1 bedoelde informatie elk jaar uiterlijk op 31 juli door aan het ICCAT-secretariaat.

HOOFDSTUK IV

Blauwe marlijn en witte marlijn in de Atlantische Oceaan

Artikel 27

Terugzetten van levend gevangen blauwe marlijn en witte marlijn

1.   In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 zorgen lidstaten waarvan het quotum bijna is opgebruikt ervoor dat vaartuigen die hun vlag voeren alle blauwe marlijn (Makaira nigricans) en witte marlijn (Tetrapturus albidus) terugzetten die bij het aan boord brengen nog leven.

2.   De in lid 1 bedoelde lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat blauwe marlijn en witte marlijn zodanig worden teruggezet dat hun overlevingskansen worden gemaximaliseerd.

Artikel 28

Aanlanding van buiten de vangstmogelijkheden gevangen blauwe marlijn en witte marlijn

Wanneer een lidstaat zijn quotum heeft opgebruikt, zorgt die lidstaat ervoor dat de aanlandingen van blauwe marlijn en witte marlijn die dood zijn op het moment waarop zij langszij het vaartuig worden gebracht, niet worden verkocht of in de handel worden gebracht. Deze aanlandingen tellen niet mee in de vangstlimieten van de lidstaat zoals vastgesteld in ICCAT-aanbeveling 2015-05, par. 1, mits dit verbod duidelijk in het in artikel 71 van deze verordening bedoelde jaarverslag wordt toegelicht.

Artikel 29

Recreatievisserij op blauwe marlijn en witte marlijn

1.   Lidstaten met vaartuigen die recreatievisserij op blauwe marlijn en witte marlijn bedrijven, zorgen ervoor dat op 5 % van de aanlandingen van blauwe marlijn en witte marlijn tijdens viswedstrijden toezicht wordt gehouden door wetenschappelijke waarnemers.

2.   In de recreatievisserij op blauwe marlijn is als minimuminstandhoudingsgrootte een vorklengte van de onderkaak van 251 cm van toepassing.

3.   In de recreatievisserij op witte marlijn is als minimuminstandhoudingsgrootte een vorklengte van de onderkaak van 168 cm van toepassing.

4.   Het is verboden hele karkassen of delen van in de recreatievisserij gevangen blauwe marlijn of witte marlijn te verkopen of te koop aan te bieden.

HOOFDSTUK V

Haaien

Artikel 30

Algemene bepalingen

1.   In visserijen die niet op haaien zijn gericht, worden incidenteel gevangen levende haaien die niet als voedsel of voor zelfvoorziening worden gebruikt, teruggezet.

2.   De lidstaten verrichten, indien mogelijk, onderzoek naar in het ICCAT-verdragsgebied gevangen haaiensoorten teneinde de selectiviteit van het vistuig te verbeteren, mogelijke kraamgebieden in kaart te brengen en tijdruimtelijke sluitingen en andere maatregelen in overweging te nemen waar zulks passend is. Dergelijk onderzoek biedt informatie over essentiële biologische en ecologische parameters, kenmerken van de levenscyclus en gedragskenmerken alsook inzake het in kaart brengen van mogelijke paar-, geboorte- en kraamgebieden.

Artikel 31

Haringhaaien (Lamna nasus)

1.   Het is verboden hele karkassen of delen van haringhaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen aan boord te houden, over te laden of aan te landen.

2.   Vangstvaartuigen van de Unie zetten haringhaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen onmiddellijk ongedeerd terug wanneer zij langszij het vaartuig worden gebracht.

Artikel 32

Grootoogvoshaaien (Alopias superciliosus)

1.   Het is verboden hele karkassen of delen van grootoogvoshaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen aan boord te houden, over te laden of aan te landen.

2.   Vangstvaartuigen van de Unie zetten grootoogvoshaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen onmiddellijk ongedeerd terug wanneer zij langszij het vaartuig worden gebracht.

Artikel 33

Kortvinmakreelhaaien (Isurus oxyrinchus)

De lidstaten nemen passende maatregelen om de visserijsterfte bij het vissen op kortvinmakreelhaai te verminderen en brengen in het kader van het in artikel 71 bedoelde jaarverslag aan de Commissie verslag uit over de geboekte vooruitgang.

Artikel 34

Oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus)

1.   Het is verboden hele karkassen of delen van oceanische witpunthaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen aan boord te houden, over te laden of aan te landen.

2.   Vangstvaartuigen van de Unie zetten oceanische witpunthaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen onmiddellijk ongedeerd terug wanneer zij langszij het vaartuig worden gebracht.

Artikel 35

Hamerhaaien

1.   Het is verboden hele karkassen of delen van hamerhaaien van de familie Sphyrnidae (met uitzondering van Sphyrna tiburo) die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen aan boord te houden, over te laden of aan te landen.

2.   Vangstvaartuigen van de Unie zetten hamerhaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen onmiddellijk ongedeerd terug wanneer zij langszij het vaartuig worden gebracht.

Artikel 36

Zijdehaaien (Carcharhinus falciformis)

1.   Het is verboden hele karkassen of delen van zijdehaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen aan boord te houden, over te laden, of aan te landen.

2.   Vangstvaartuigen van de Unie zetten zijdehaaien die zijn gevangen in het kader van de door de ICCAT geregelde visserijen onmiddellijk ongedeerd terug en uiterlijk vóór de vangst in de visruimen wordt geplaatst, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de veiligheid van de bemanning.

3.   Ringzegenvaartuigen van de Unie die ICCAT-visserijen bedrijven, nemen aanvullende maatregelen om de overlevingskansen van incidenteel gevangen zijdehaaien te verhogen. De lidstaten brengen in het kader van het in artikel 71 bedoelde jaarverslag aan de Commissie verslag uit over de geboekte vooruitgang.

Artikel 37

Bemonstering van haaiensoorten door wetenschappelijke waarnemers en andere gemachtigde personen

1.   In afwijking van het verbod op het aan boord houden van haringhaaien, grootoogvoshaaien, oceanische witpunthaaien, hamerhaaien (van de familie Sphyrnidae, met uitzondering van Sphyrna tiburo) en zijdehaaien, zoals bepaald in de artikelen 31, 32, 34, 35 en 36, is het onder de volgende omstandigheden toegestaan dat gedurende commerciële visserijactiviteiten biologische monsters worden verzameld door wetenschappelijke waarnemers of door de CPC daartoe gemachtigde personen:

a)

er worden enkel biologische monsters genomen van dieren die al bij het ophalen dood zijn;

b)

de biologische monsters worden genomen in het kader van een onderzoeksproject dat aan het Permanent Comité voor onderzoek en statistiek van de ICCAT is gemeld en met inachtneming van de aanbevolen onderzoeksprioriteiten van dat comité is opgezet. Het onderzoeksproject moet een gedetailleerd document omvatten met een omschrijving van de doelstelling van het project, de te gebruiken methodes, het aantal en type van de te nemen monsters, en het tijdstip waarop en het gebied waarin de monsters genomen worden;

c)

de biologische monsters worden aan boord gehouden tot aan de haven van aanlanding of overlading, en

d)

alle overeenkomstig dit artikel verzamelde biologische monsters gaan tot aan de laatste aanlandingshaven vergezeld van de machtiging van de vlaggenlidstaat of, in het geval van gecharterde vaartuigen, van de charterende CPC en de vlaggenlidstaat. Zulke monsters en andere delen van de bemonsterde haaienspecimens worden niet in de handel gebracht of verkocht.

2.   De in lid 1 bedoelde biologische monsters kunnen met name wervels, weefsel, voortplantingsorganen, magen, huidmonsters, spiraalkleppen, kaken, gehele vissen of skeletten voor taxonomische studies en fauna-inventarissen omvatten.

3.   De bemonsteringscampagne vangt slechts aan zodra de betrokken lidstaat de machtiging heeft afgegeven.

HOOFDSTUK VI

Zeevogels

Artikel 38

Mitigerende maatregelen voor zeevogels in het gebied tussen 20° ZB en 25° ZB

1.   Alle vaartuigen die vissen tussen 20° en 25° ZB hebben vogelverschrikkerlijnen (torilijnen) en toripalen aan boord die aan de in bijlage V vastgelegde vereisten en aanvullende richtsnoeren voldoen.

2.   De torilijnen worden te allen tijde uitgezet voordat de beuglijnen worden uitgezet.

3.   Wanneer er veel vogels in de buurt aanwezig of actief zijn, worden, indien haalbaar, een tweede toripaal en torilijn gebruikt.

4.   Alle vaartuigen hebben gebruiksklare reservetorilijnen aan boord.

5.   Beugvisserijvaartuigen die met monofilamentbeugen op zwaardvis vissen, zijn vrijgesteld van de vereisten van de leden 1, 2 en 3, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de beuglijnen worden 's nachts uitgezet, waarbij onder nacht wordt verstaan de periode tussen de nautische avond- en ochtendschemering, zoals vastgelegd in de nautische almanak voor de geografische positie waar wordt gevist, en

b)

er wordt gebruikgemaakt van wartels met een minimumgewicht van 60 g, die niet meer dan 3 meter van de haak worden geplaatst om optimale zinksnelheden te verkrijgen.

De vlaggenlidstaten van de vaartuigen die onder de in de eerste alinea bedoelde vrijstelling vallen, stellen de Commissie in kennis van de wetenschappelijke bevindingen van hun voor deze vaartuigen aanwezige waarnemers.

Artikel 39

Mitigerende maatregelen voor zeevogels in het gebied ten zuiden van 25° ZB

Beugvisserijvaartuigen passen ten minste twee van de volgende mitigerende maatregelen overeenkomstig de in bijlage V vastgelegde vereisten en aanvullende richtsnoeren toe:

a)

's nachts wordt gevist met een minimum aan dekverlichting;

b)

er worden vogelverschrikkerlijnen (torilijnen) gebruikt;

c)

de lijnen worden met gewichten verzwaard.

Artikel 40

Rapportageverplichtingen inzake zeevogels

1.   Beugvisserijvaartuigen verzamelen informatie over interacties met zeevogels, onder meer over incidentele vangsten, en verstrekken deze aan hun vlaggenlidstaat. De lidstaten dienen die informatie elk jaar uiterlijk op 30 juni in bij de Commissie. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het ICCAT-secretariaat.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop zij de in de artikelen 38 en 39 vastgestelde maatregelen uitvoeren, en van de voortgang van de uitvoering van het actieplan van de Unie voor het verminderen van incidentele vangsten van zeevogels in vistuig.

HOOFDSTUK VII

Zeeschildpadden

Artikel 41

Algemene bepalingen inzake zeeschildpadden

1.   Ringzegenvaartuigen voorkomen dat zeeschildpadden worden ingesloten en zetten zeeschildpadden die zijn ingesloten of verstrikt, waaronder in FAD's, terug. Zij rapporteren interacties tussen ringzegens of FAD's en zeeschildpadden aan hun vlaggenlidstaat.

2.   Pelagische beugvisserijvaartuigen beschikken over en maken gebruik van apparatuur aan boord waarmee zeeschildpadden voorzichtig behandeld, bevrijd en teruggezet kunnen worden, en wel op een dusdanige wijze dat hun overlevingskansen worden gemaximaliseerd.

3.   Vissers op pelagische beugvisserijvaartuigen gebruiken de in lid 2 beschreven apparatuur overeenkomstig bijlage VI om de overlevingskansen van zeeschildpadden te maximaliseren.

4.   De lidstaten leiden vissers op pelagische beugvisserijvaartuigen op in de toepassing van technieken inzake voorzichtige behandeling en terugzetting.

Artikel 42

Rapportageverplichtingen inzake zeeschildpadden

1.   De lidstaten verzamelen per vistuigtype informatie over de interacties van hun vaartuigen met zeeschildpadden in door de ICCAT geregelde visserijen en zenden deze elk jaar uiterlijk op 30 juni aan de Commissie toe. De Commissie zendt die informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar door aan het ICCAT-secretariaat. Die informatie omvat:

a)

vangstniveaus, kenmerken van het vistuig, tijden en locaties, doelsoorten en verwijderingsstatus (d.i. dood teruggegooid of levend teruggezet);

b)

een uitsplitsing van de interacties per zeeschildpaddensoort, en

c)

de aard van het haken of verstrikken (waaronder met FAD's), aastype, haakgrootte en -type, en de grootte van het dier.

2.   De lidstaten brengen in het kader van het in artikel 71 bedoelde jaarverslag aan de Commissie verslag uit over de uitvoering van artikel 41 en over andere relevante maatregelen die, ten aanzien van de door de ICCAT geregelde visserijen, worden genomen ter uitvoering van de in 2010 bekendgemaakte richtsnoeren ter vermindering van zeeschildpaddensterfte bij visserijactiviteiten van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO).

HOOFDSTUK VIII

Vangstmogelijkheden voor blauwvintonijn en zwaardvis

Artikel 43

Algemeen beginsel

Overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 maken de lidstaten bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden voor blauwvintonijn- en zwaardvisbestanden gebruik van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard, streven zij naar een eerlijke verdeling van de nationale quota over de diverse vlootsegmenten, met bijzondere aandacht voor de traditionele en de ambachtelijke visserij, en zorgen zij voor stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruikmaken van visserijtechnieken met verminderde milieueffecten.

TITEL III

GEMEENSCHAPPELIJKE CONTROLEMAATREGELEN

HOOFDSTUK I

Machtigingen

Artikel 44

ICCAT-register van grote vissersvaartuigen

1.   De lidstaten geven overeenkomstig de bepalingen van een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (22) machtigingen af aan onder hun vlag varende grote vissersvaartuigen om ICCAT-soorten te mogen bevissen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen in het ICCAT-verdragsgebied.

2.   De lidstaten dienen op het moment van de machtiging de lijsten van overeenkomstig lid 1 gemachtigde grote vissersvaartuigen bij de Commissie in. De Commissie dient deze informatie onverwijld in bij het ICCAT-secretariaat zodat deze kan worden opgenomen in het ICCAT-register van grote vissersvaartuigen.

3.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen in kennis van elke gebeurtenis waarvoor een toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van het ICCAT-register van grote vissersvaartuigen nodig is. De Commissie dient die informatie uiterlijk binnen 45 dagen vanaf de datum van een dergelijke gebeurtenis in bij het ICCAT-secretariaat.

4.   Het is grote vissersvaartuigen die niet zijn opgenomen in het ICCAT-register van grote vissersvaartuigen, niet toegestaan ICCAT-soorten uit het ICCAT-verdragsgebied te bevissen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen. Artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is in die gevallen niet van toepassing.

HOOFDSTUK II

Chartering

Artikel 45

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op charterregelingen andere dan die inzake rompbevrachting, tussen vangstvaartuigen van de Unie en die van CPC's waarbij de betrokken vangstvaartuigen van de Unie niet van vlag veranderen.

Artikel 46

Algemene bepalingen

1.   Het wordt vangstvaartuigen van de Unie enkel toegestaan als gecharterd vaartuig deel te nemen aan een met een CPC gesloten charterregeling indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de gecharterde vaartuigen hebben een door de charterende CPC afgegeven vismachtiging en staan niet op de IOO-lijst van de ICCAT;

b)

de gecharterde vaartuigen zijn niet gemachtigd om tegelijkertijd in het kader van meer dan een charterovereenkomst te vissen;

c)

de vangsten van de gecharterde vaartuigen worden uitsluitend gelost in de havens van de charterende CPC's, tenzij anders is bepaald in de charterregeling, en

d)

de charterende onderneming is wettelijk gevestigd in de charterende CPC.

2.   Overladingen op zee worden vooraf naar behoren gemachtigd door de charterende CPC en voldoen aan hoofdstuk IV van deze titel.

Artikel 47

Kennisgeving

1.   Bij de sluiting van de charterregeling geeft de vlaggenlidstaat de Commissie kennis van zijn instemming met de charterregeling.

2.   Indien de Commissie binnen 15 kalenderdagen nadat de in lid 1 bedoelde kennisgeving aan haar is toegezonden, geen verdere informatie heeft gevraagd, mag het gecharterde vaartuig de betrokken visserijactiviteiten aanvangen.

3.   De vlaggenlidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van de beëindiging van elke charterregeling.

4.   De Commissie stelt de in de leden 1 en 3 bedoelde informatie ter beschikking van het ICCAT-secretariaat.

HOOFDSTUK III

Controle van vangsten

Artikel 48

Naleving van quota en voorschriften inzake de minimummaat

1.   De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 20 augustus bij de Commissie informatie in over de tijdens het voorgaande jaar verrichte vangsten van ICCAT-soorten die aan quota waren onderworpen, en over de inachtneming van de minimummaten.

2.   De Commissie zendt die informatie elk jaar uiterlijk op 15 september door aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 49

Bemonstering van de vangst

1.   Bemonstering van de vangsten om de kennis over de biologie van de relevante ICCAT-soorten te verbeteren en om de noodzakelijke evaluatieparameters daarvan te beoordelen, wordt verricht overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad (23), Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1251 van de Commissie (24) en de in 1990 door ICCAT gepubliceerde Field manual for statistics and sampling Atlantic tunas and tunalike fishes (Handleiding voor de opstelling van statistieken en de bemonstering van tonijn en tonijnachtigen in de Atlantische Oceaan).

2.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere vereisten voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde vangstbemonstering. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 50

Melding van vangsten en visserijinspanning

1.   Tenzij door de Commissie met het oog op de inachtneming van door de ICCAT vastgestelde jaarlijkse termijnen anders is bepaald, zenden de lidstaten elk jaar uiterlijk op 30 juni de volgende gegevens (taak I-gegevens) aan de Commissie toe:

a)

informatie over de kenmerken van hun vloot voor het voorgaande jaar;

b)

ramingen van de jaarlijkse nominale vangstgegevens (met inbegrip van bijvangst- en teruggooigegevens) over ICCAT-soorten voor het voorgaande jaar.

2.   Tenzij door de Commissie met het oog op de inachtneming van door de ICCAT vastgestelde jaarlijkse termijnen anders is bepaald, zenden de lidstaten elk jaar uiterlijk op 30 juni de volgende gegevens (taak II-gegevens) voor de ICCAT-soorten aan de Commissie toe:

a)

de vangst- en visserijinspanningsgegevens voor het voorgaande jaar, gedetailleerd tijdruimtelijk uitgesplitst; deze gegevens bevatten ook ramingen van de teruggooi en de terugzetting, met vermelding van de status van de vis (dood of levend).

b)

alle gegevens waarover zij beschikken inzake vangsten in de recreatievisserij voor het voorgaande jaar.

3.   De Commissie zendt de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie onverwijld door aan het ICCAT-secretariaat.

4.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere vereisten voor de in de leden 1 respectievelijk 2 van dit artikel bedoelde taak I- en taak II-gegevens. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

Overlading

Artikel 51

Toepassingsgebied

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overladingsverrichtingen:

a)

overladingen binnen het ICCAT-verdragsgebied van ICCAT-soorten en andere soorten die samen met deze soorten zijn gevangen, en

b)

overladingen buiten het ICCAT-verdragsgebied van ICCAT-soorten en andere soorten die samen met deze soorten zijn gevangen in het ICCAT-verdragsgebied.

2.   In afwijking van lid 1, onder b), is dit hoofdstuk niet van toepassing op overladingen op zee buiten het ICCAT-verdragsgebied van vis die binnen het ICCAT-verdragsgebied is gevangen, wanneer een dergelijke overlading onderworpen is aan een overladingsprogramma van een andere ROVB voor tonijn.

3.   Dit hoofdstuk is niet van toepassing op harpoenvaartuigen die betrokken zijn bij de overlading van verse zwaardvis op zee.

Artikel 52

Overlading in de haven

1.   Alle overladingsverrichtingen vinden plaats in aangewezen havens, behalve die welke door grote pelagische beugvisserijvaartuigen overeenkomstig de artikelen 53 tot en met 60 worden uitgevoerd.

2.   Vissersvaartuigen van de Unie voldoen bij overladingen in de haven aan de in bijlage VII beschreven verplichtingen.

3.   Dit artikel laat de artikelen 17 tot en met 22 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en de artikelen 4, 6, 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 onverlet.

Artikel 53

Overlading op zee

Overlading op zee door grote pelagische beugvisserijvaartuigen vindt plaats overeenkomstig de artikelen 54 tot en met 60.

Artikel 54

ICCAT-register van transportvaartuigen

1.   De lidstaten geven overeenkomstig een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (25) machtigingen af aan transportvaartuigen om in het ICCAT-verdragsgebied overladingen op zee te ontvangen van grote pelagische beugvisserijvaartuigen.

2.   De lidstaten dienen bij de Commissie op het moment van de machtiging de lijsten van overeenkomstig lid 1 gemachtigde transportvaartuigen in. De Commissie dient deze informatie onverwijld in bij het ICCAT-secretariaat zodat deze kan worden opgenomen in het ICCAT-register van transportvaartuigen.

3.   De vlaggenlidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elke toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van hun lijsten van transportvaartuigen. De Commissie dient deze informatie onverwijld in bij het ICCAT-secretariaat.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde kennisgeving heeft het formaat en de opmaak die het ICCAT-secretariaat heeft vastgesteld, en bevat de volgende informatie:

naam van het vaartuig, registernummer;

ICCAT-registratienummer (indien van toepassing);

IMO-nummer (indien van toepassing);

vorige naam (indien van toepassing);

vorige vlag (indien van toepassing);

vorige gegevens inzake schrapping uit andere registers (indien van toepassing);

internationale radioroepnaam;

vaartuigtype, lengte, brutoregisterton en laadvermogen;

naam en adres van de eigenaar(s) en de exploitant(en);

voor de overlading toegestane tijdsduur.

5.   Overladingen op zee als bedoeld in artikel 53 mogen enkel worden ontvangen door transportvaartuigen die in het ICCAT-register van transportvaartuigen zijn opgenomen.

Artikel 55

Machtiging van grote pelagische beugvisserijvaartuigen om over te laden in het ICCAT-verdragsgebied

1.   De lidstaten geven overeenkomstig een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten (26) vismachtigingen af aan onder hun vlag varende grote pelagische beugvisserijvaartuigen om over te laden op zee.

2.   De lidstaten dienen bij de Commissie op het moment van de machtiging de lijsten in van overeenkomstig lid 1 gemachtigde grote pelagische beugvisserijvaartuigen. De Commissie dient deze informatie onverwijld in bij het ICCAT-secretariaat.

3.   De vlaggenlidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van elke toevoeging aan, schrapping uit of wijziging van hun lijsten van grote pelagische beugvisserijvaartuigen die gemachtigd zijn om over te laden op zee. De Commissie dient deze informatie onverwijld in bij het ICCAT-secretariaat.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde kennisgeving heeft het formaat en de opmaak die het ICCAT-secretariaat heeft vastgesteld, en bevat de volgende informatie:

naam van het vaartuig, registernummer;

ICCAT-registratienummer;

voor de overlading op zee toegestane tijdsduur;

vlag(gen), na(a)m(en) en registernummer(s) van het (de) transportvaartuig(en) dat (die) door een groot pelagisch beugvisserijvaartuig / mag (mogen) worden gebruikt.

Artikel 56

Voorafgaande machtigingen voor overlading op zee

1.   Overladingen door grote pelagische beugvisserijvaartuigen in wateren onder de jurisdictie van een CPC zijn onderworpen aan voorafgaande machtiging van die CPC. Het origineel of een kopie van die machtiging wordt aan boord van het vaartuig gehouden en desgevraagd ter beschikking gesteld van de regionale ICCAT-waarnemer.

2.   Het is grote pelagische beugvisserijvaartuigen niet toegestaan op zee over te laden, tenzij na voorafgaande machtiging daartoe van hun vlaggenlidstaat. Het origineel of een kopie van de documentatie van die machtiging wordt aan boord van het vaartuig gehouden en desgevraagd ter beschikking gesteld van de regionale ICCAT-waarnemer.

3.   Om de in de leden 1 en 2 bedoelde voorafgaande machtigingen te verkrijgen, stelt de kapitein of eigenaar van het grote pelagische beugvisserijvaartuig de autoriteiten van zijn vlaggenlidstaat en de kust-CPC ten minste 24 uur vóór de voorgenomen overlading in kennis van de volgende informatie:

a)

de naam van het grote pelagische beugvisserijvaartuig en het nummer ervan in het ICCAT-register van grote pelagische beugvisserijvaartuigen die gemachtigd zijn om over te laden op zee;

b)

de naam van het transportvaartuig en het nummer ervan in het ICCAT-register van transportvaartuigen;

c)

het over te laden product, per soort, indien bekend, en, indien mogelijk, per bestand;

d)

de over te laden hoeveelheden ICCAT-soorten, indien mogelijk, per bestand;

e)

de over te laden hoeveelheden andere soorten die samen met ICCAT-soorten zijn gevangen, per soort, indien bekend;

f)

de datum en plaats van overlading;

g)

de geografische locatie van de vangsten per soort en, indien van toepassing, per bestand, overeenkomstig de statistische ICCAT-gebieden.

Artikel 57

ICCAT-overladingsaangifte

1.   De kapitein of eigenaar van het grote pelagische beugvisserijvaartuig vult de ICCAT-overladingsaangifte in en zendt deze uiterlijk 15 dagen na de overlading toe aan zijn vlaggenlidstaat en aan de kust-CPC.

2.   Binnen 24 uur na voltooiing van de overlading vult de kapitein van het ontvangende transportvaartuig de ICCAT-overladingsaangifte in en zendt hij deze, samen met het nummer van het ontvangende transportvaartuig in het ICCAT-register van transportvaartuigen, toe aan het ICCAT-secretariaat, aan de vlaggen-CPC van het grote pelagische beugvisserijvaartuig en aan zijn vlaggenlidstaat.

3.   Ten minste 48 uur vóór de aanlanding zendt de kapitein van het ontvangende transportvaartuig de ICCAT-overladingsaangifte, samen met het nummer van het ontvangende transportvaartuig in het ICCAT-register van transportvaartuigen, toe aan de bevoegde autoriteiten van de aanlandingsstaat.

4.   Alle ICCAT-soorten en andere, samen met die soorten gevangen soorten die in het gebied of grondgebied van een CPC worden aangeland of ingevoerd, hetzij onverwerkt hetzij na verwerking aan boord, en die op zee zijn overgeladen, gaan vergezeld van de ICCAT-overladingsaangifte totdat de eerste verkoop heeft plaatsgevonden.

Artikel 58

Regionaal ICCAT-waarnemersprogramma voor overlading op zee

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat alle transportvaartuigen die overladen op zee een regionale ICCAT-waarnemer aan boord hebben overeenkomstig het regionale ICCAT-waarnemersprogramma voor overlading op zee zoals vastgesteld in bijlage VIII.

2.   Onverminderd artikel 73 van Verordening (EG) nr. 1224/2009, wordt de regionale ICCAT-waarnemer belast met de verificatie van de naleving van dit hoofdstuk, en verifieert hij met name of de overgeladen hoeveelheden in overeenstemming zijn met de in de ICCAT-overladingsaangifte gemelde vangst en met de in het logboek van het vissersvaartuig geregistreerde vangsten.

3.   Het is vaartuigen verboden om de overlading in het ICCAT-verdragsgebied aan te vangen of voort te zetten zonder regionale ICCAT-waarnemer aan boord, behalve in naar behoren aan het ICCAT-secretariaat gemelde gevallen van overmacht.

Artikel 59

Rapportageverplichtingen

1.   De vlaggenlidstaat van grote pelagische beugvisserijvaartuigen die in het voorgaande jaar hebben overgeladen, en de vlaggenlidstaat van transportvaartuigen die in het voorgaande jaar overladingen hebben ontvangen, zenden uiterlijk op 15 augustus van elk jaar aan de Commissie:

a)

de gevangen hoeveelheden ICCAT-soorten die het voorgaande jaar zijn overgeladen, per soort en, indien mogelijk, per bestand;

b)

de samen met ICCAT-soorten gevangen hoeveelheden andere soorten die het voorgaande jaar zijn overgeladen, per soort, indien bekend;

c)

de lijst van grote pelagische beugvisserijvaartuigen die het voorgaande jaar hebben overgeladen;

d)

een uitvoerig evaluatieverslag over de inhoud en de conclusies van de rapporten van de regionale ICCAT-waarnemers die waren toegewezen aan transportvaartuigen die overladingen hebben ontvangen van grote pelagische beugvisserijvaartuigen.

2.   De Commissie zendt de overeenkomstig lid 1 ontvangen informatie elk jaar uiterlijk op 15 september door aan het ICCAT-secretariaat.

Artikel 60

Consistentie van de gerapporteerde gegevens

De vlaggenlidstaat van het bij overladingen op zee betrokken grote pelagische beugvisserijvaartuig beoordeelt de overeenkomstig deze verordening ontvangen informatie op consistentie tussen de gerapporteerde vangsten, overladingen en aanlandingen van elk vaartuig, waaronder zo nodig in samenwerking met de aanlandingsstaat. Deze verificatie wordt op zodanige wijze verricht dat het vaartuig zo min mogelijk wordt opgehouden, de werkzaamheden ervan zo min mogelijk worden verstoord en dat kwaliteitsverlies van de vis wordt vermeden.

HOOFDSTUK V

Wetenschappelijke waarnemersprogramma's

Artikel 61

Opzetten van binnenlandse wetenschappelijke waarnemersprogramma's

1.   De lidstaten zetten binnenlandse wetenschappelijke waarnemersprogramma's op die het volgende waarborgen:

a)

de visserijinspanning in de pelagische beugvisserij, de ringzegenvisserij en de hengelvisserij wordt elk voor minimaal 5 % door waarnemers gedekt;

b)

voor gecharterde vaartuigen wordt, in afwijking van punt a), de visserijinspanning in de pelagische beugvisserij, de ringzegenvisserij en de hengelvisserij telkens voor minimaal 10 % door waarnemers gedekt;

c)

er wordt gezorgd voor een representatieve tijdruimtelijke dekking van de activiteiten van de vloot die waarborgt dat adequate en passende gegevens worden verzameld, rekening houdend met de kenmerken van de vloten en visserijen;

d)

er worden gegevens verzameld over alle aspecten van de visserijactiviteiten, met inbegrip van de vangst, zoals gespecificeerd in artikel 63, lid 1.

2.   De in lid 1, onder a) en b), bedoelde dekking door waarnemers wordt als volgt berekend:

a)

in aantal trekken of reizen voor de ringzegenvisserij;

b)

in visdagen, aantal trekken of reizen voor de pelagische beugvisserij, of

c)

in visdagen voor de hengelvisserij.

3.   In afwijking van lid 1, onder a), mag een lidstaat een alternatieve wetenschappelijke monitoringbenadering voor vaartuigen van een lengte over alles van minder dan 15 meter volgen wanneer er sprake is van een buitengewoon veiligheidsrisico op grond waarvan de inzet van waarnemers aan boord is uitgesloten. Die alternatieve benadering waarborgt een dekking die vergelijkbaar is met de in lid 1, onder a), gespecificeerde dekking, en een gelijkwaardige verzameling van gegevens. De betrokken lidstaat stelt de bijzonderheden van de alternatieve benadering voor aan de Commissie.

4.   De Commissie dient de bijzonderheden van de in lid 3 bedoelde alternatieve benadering ter evaluatie in bij het Permanent Comité voor onderzoek en statistiek van de ICCAT. Alternatieve benaderingen worden vóór hun toepassing ervan goedgekeurd door de ICCAT-commissie op de ICCAT-jaarvergadering.

Artikel 62

Kwalificaties van wetenschappelijke waarnemers

De lidstaten waarborgen dat waarnemers vóór zij worden ingezet de vereiste opleiding hebben gevolgd, naar behoren gekwalificeerd zijn en zijn erkend. De waarnemers beschikken over de volgende kwalificaties:

a)

voldoende kennis en ervaring om soorten te identificeren en informatie inzake verschillende vistuigconfiguraties te verzamelen;

b)

voldoende kennis van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT;

c)

de capaciteit tot accurate waarneming en registratie van in het kader van het programma te verzamelen gegevens;

d)

de capaciteit tot het nemen van biologische monsters;

e)

geen bemanningslid zijn van het aan waarneming onderworpen vissersvaartuig, en

f)

geen werknemer zijn van een vissersvaartuigonderneming die betrokken is bij de aan waarneming onderworpen visserij.

Artikel 63

Verantwoordelijkheden van wetenschappelijke waarnemers

1.   De lidstaten schrijven met name voor dat waarnemers:

a)

informatie over de visserijactiviteiten, die ten minste het volgende omvat, registreren en rapporteren:

i)

gegevens betreffende de totale vangst van doelsoorten, bijvangst en teruggooi (met inbegrip van haaien, zeeschildpadden, zeezoogdieren en zeevogels), groottesamenstelling, verwijderingsstatus (d.w.z. aan boord gehouden, dood teruggegooid, levend teruggezet), en biologische monsters voor levenscyclusstudies (bijvoorbeeld gonaden, otolieten, ruggengraten, schubben);

ii)

informatie over de visserijactiviteit, met inbegrip van vangstgebied (lengte- en breedtegraad), informatie over de visserijinspanning (bijvoorbeeld aantal trekken, aantal haken enz.), datum van elke visserijactiviteit, met inbegrip van begin- en eindtijd van de visserijactiviteit indien van toepassing;

b)

het gebruik van maatregelen ter beperking van bijvangst en andere relevante informatie waarnemen en registreren;

c)

voorstellen doen die zij passend achten om de efficiëntie van instandhoudingsmaatregelen en wetenschappelijke monitoring te verhogen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat gebruik wordt gemaakt van robuuste gegevensverzamelingsprotocollen, met inbegrip van fotografie of camera's, indien nodig.

3.   De kapiteins zorgen ervoor dat passende toegang tot het vaartuig en zijn activiteiten wordt verleend zodat de waarnemers hun verantwoordelijkheden doeltreffend kunnen uitvoeren.

Artikel 64

Indiening van verzamelde informatie

De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 juni de in het kader van hun binnenlandse wetenschappelijke waarnemersprogramma verzamelde informatie bij de Commissie in. De Commissie zendt die informatie elk jaar uiterlijk op 31 juli door aan het ICCAT-secretariaat.

HOOFDSTUK VI

Controle van vissersvaartuigen van derde landen in havens van lidstaten

Artikel 65

Rapportageverplichtingen inzake aangewezen havens en contactpunten

1.   De lidstaten die toegang tot hun havens willen verlenen aan vissersvaartuigen van derde landen die ICCAT-soorten of van dergelijke soorten afkomstige visserijproducten aan boord hebben die niet eerder zijn aangeland of overgeladen in havens:

a)

wijzen hun havens aan waartoe vissersvaartuigen van derde landen overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 toegang mogen vragen;

b)

wijzen een contactpunt aan voor de ontvangst van de voorafgaande kennisgeving uit hoofde van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1005/2008;

c)

wijzen een contactpunt aan voor de toezending van haveninspectieverslagen overeenkomstig artikel 66 van deze verordening.

2.   De lidstaten zenden de Commissie wijzigingen van de lijst van aangewezen havens en contactpunten ten minste dertig dagen voordat zulke wijzigingen van kracht worden toe. De Commissie stelt het ICCAT-secretariaat ten minste 14 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, in kennis van die informatie.

Artikel 66

Rapportageverplichtingen met betrekking tot haveninspecties

1.   De inspecterende lidstaat zendt de Commissie uiterlijk tien dagen na de datum van voltooiing van de inspectie een kopie van het in artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 bedoelde haveninspectieverslag toe. De Commissie zendt die informatie uiterlijk veertien dagen na de datum van voltooiing van de inspectie door aan het ICCAT-secretariaat.

2.   Indien het haveninspectieverslag niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn van tien dagen kan worden toegezonden, deelt de inspecterende lidstaat de Commissie binnen die termijn mee waarom de vertraging is opgetreden en wanneer het verslag wél zal worden ingediend.

3.   Indien de bij de inspectie verzamelde informatie het aannemelijk maakt dat een vaartuig van een derde land een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT heeft gepleegd, is artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van toepassing.

HOOFDSTUK VII

Handhaving

Artikel 67

Door de lidstaten gerapporteerde vermeende inbreuken

1.   Naast hetgeen op grond van artikel 48, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 is vereist, dienen de lidstaten uiterlijk 140 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering bij de Commissie alle gedocumenteerde informatie in die wijst op mogelijke niet-naleving door CPC's van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT. De Commissie onderzoekt die informatie en zendt deze in passende gevallen ten minste 120 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering door aan het ICCAT-secretariaat.

2.   De lidstaten dienen bij de Commissie de lijst in van vangstvaartuigen met een lengte over alles van 12 meter of meer, van visverwerkende vaartuigen, sleepvaartuigen, bij overlading betrokken vaartuigen en ondersteuningsvaartuigen die tijdens het lopende en het voorgaande jaar IOO-visserij zouden hebben verricht in het ICCAT-verdragsgebied, vergezeld van de bewijsstukken voor het vermoeden van IOO-visserij. Die lijst wordt uiterlijk 140 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering ingediend. De Commissie onderzoekt die informatie en zendt de informatie, indien deze voldoende is gedocumenteerd, ten minste 120 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering door aan het ICCAT-secretariaat met het oog op de vaststelling van de ontwerp-IOO-lijst van de ICCAT.

Artikel 68

Ontwerp-IOO-lijst van de ICCAT

De lidstaten monitoren nauwlettend de vaartuigen die zijn opgenomen in de door de uitvoerend secretaris van de ICCAT verspreide ontwerp-IOO-lijst van de ICCAT, teneinde de activiteiten en mogelijke wijzigingen van de naam, vlag of geregistreerde eigenaar van die vaartuigen vast te stellen.

Artikel 69

Door de uitvoerend secretaris van de ICCAT gerapporteerde vermeende gevallen van niet-naleving

1.   Indien de Commissie van de uitvoerend secretaris van de ICCAT informatie ontvangt die wijst op mogelijke niet-naleving door een lidstaat, dan zendt de Commissie die informatie onverwijld toe aan de betrokken lidstaat.

2.   De betrokken lidstaat stelt de Commissie ten minste 45 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering in kennis van de bevindingen van de in het kader van de vermeende niet-naleving ingestelde onderzoeken en van eventuele maatregelen die zijn genomen om nalevingsproblemen aan te pakken. De Commissie zendt die informatie ten minste 30 dagen vóór de ICCAT-jaarvergadering door aan de uitvoerend secretaris van de ICCAT.

Artikel 70

Door een CPC gerapporteerde vermeende inbreuken

1.   De lidstaten wijzen een contactpunt aan voor de ontvangst van haveninspectieverslagen van CPC's.

2.   De lidstaten zenden eventuele wijzigingen van het in lid 1 bedoelde contactpunt ten minste 30 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, toe aan de Commissie. De Commissie stelt het ICCAT-secretariaat ten minste 14 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden, in kennis van die informatie.

3.   Indien het door een lidstaat aangewezen contactpunt een haveninspectieverslag van een CPC ontvangt dat erop wijst dat een onder de vlag van die lidstaat varend vissersvaartuig een inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT heeft gepleegd, stelt de lidstaat onmiddellijk een onderzoek in en stelt hij de Commissie binnen 160 dagen na de ontvangst van een dergelijk haveninspectieverslag in kennis van de stand van zaken van het onderzoek en van eventuele handhavingsmaatregelen die zijn getroffen.

4.   Indien de vlaggenlidstaat de in lid 3 bedoelde termijn niet in acht kan nemen, deelt hij de Commissie mee waarom de vertraging is opgetreden en wanneer het verslag over de stand van zaken van het onderzoek wél zal worden ingediend.

5.   De Commissie zendt die informatie binnen 180 dagen na ontvangst van het haveninspectieverslag door aan het ICCAT-secretariaat en neemt in het in artikel 71 bedoelde jaarverslag informatie over de stand van zaken van het onderzoek en over eventuele door de vlaggenlidstaat genomen handhavingsmaatregelen op.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 71

Jaarverslag

1.   De lidstaten dienen jaarlijks uiterlijk op 20 augustus bij de Commissie een jaarverslag over het voorgaande kalenderjaar in, met informatie over activiteiten op het gebied van visserij, onderzoek, statistiek, beheer en inspectie en bestrijding van IOO-visserij en, in voorkomend geval, aanvullende informatie.

2.   Het jaarverslag bevat informatie over de stappen die zijn ondernomen om bijvangsten te beperken en teruggooi te verminderen, en over relevant onderzoek op dit gebied.

3.   De Commissie bundelt de overeenkomstig de leden 1 en 2 ontvangen informatie en zendt deze onverwijld door aan het ICCAT-secretariaat.

4.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen met nadere voorschriften voor het formaat van het in dit artikel bedoelde jaarverslag. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 72

Vertrouwelijkheid

In het kader van deze verordening verzamelde en uitgewisselde gegevens worden behandeld overeenkomstig de toepasselijke regels inzake vertrouwelijkheid uit hoofde van de artikelen 112 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 73

Procedure in geval van wijzigingen

1.   Waar nodig met het oog op de omzetting van voor de Unie bindende wordende wijzigingen van de bestaande ICCAT-aanbevelingen in Unierecht en voor zover de wijzigingen in het Unierecht niet verder gaan dan de ICCAT-aanbevelingen, wordt de Commissie gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 74 tot wijziging van:

a)

de bijlagen II tot en met VIII;

b)

de termijnen die zijn vastgesteld in artikel 7, lid 1, artikel 8, artikel 9, lid 1, artikel 10, lid 2, artikel 14, leden 1 en 3, artikel 18, artikel 20, leden 2, 3, en 4, artikel 22, lid 2, artikel 23, leden 1 en 2, artikel 26, leden 1 en 3, artikel 40, lid 1, artikel 42, lid 1, artikel 44, lid 3, artikel 47, lid 2, artikel 48, leden 1 en 2, artikel 50, leden 1 en 2, artikel 56, lid 3, artikel 57, leden 1, 2 en 3, artikel 59, leden 1 en 2, artikel 64, artikel 65, lid 2, artikel 66, leden 1 en 2, artikel 67, leden 1 en 2, artikel 69, lid 2, artikel 70, leden 2, 3 en 5, en artikel 71, lid 1;

c)

het in artikel 14, lid 1, onder b), vastgestelde gebied;

d)

de in artikel 19, leden 1 en 2, artikel 24, lid 2, en artikel 29, leden 2 en 3, vastgestelde minimummaten;

e)

de in artikel 19, leden 2 en 3, artikel 21 en artikel 24, lid 3, vastgestelde toleranties;

f)

de in artikel 25 en artikel 38, lid 5, onder b), vastgestelde technische specificaties van haken en beuglijnen;

g)

de in artikel 29, lid 1, en artikel 61, lid 1, onder a) en b), vastgestelde dekking door wetenschappelijke waarnemers;

h)

de in artikel 11, leden 1, 2 en 3, artikel 12, artikel 20, lid 2, artikel 26, lid 1, artikel 42, lid 1, artikel 50, leden 1 en 2, artikel 54, lid 4, artikel 55, lid 4, artikel 56, lid 3 en artikel 59, lid 1, vastgestelde soort informatie en gegevens;

i)

het in artikel 9, lid 4, vastgestelde maximale aantal instrumentboeien.

2.   Wijzigingen die overeenkomstig lid 1 worden vastgesteld, hebben bij uitsluiting betrekking op de omzetting van wijzigingen op de desbetreffende ICCAT-aanbeveling in Unierecht.

Artikel 74

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 73 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 3 december 2017. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 73 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 73 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 75

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor visserij en aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 76

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1936/2001

In Verordening (EG) nr. 1936/2001 worden de artikelen 4, 5, 6, 6 bis, 7, 8 bis, 8 ter, 8 quater, 9, 9 bis, en 10 tot en met 19 geschrapt.

Artikel 77

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1984/2003

Verordening (EG) nr. 1984/2003 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in artikel 3 worden de volgende punten toegevoegd:

„g)   „grote vissersvaartuigen”: vissersvaartuigen met een lengte over alles van 20 meter of meer;

h)   „grote pelagische beugvisserijvaartuigen”: pelagische beugvisserijvaartuigen met een lengte over alles van 24 meter of meer.”;

b)

aan artikel 4, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:

„c)

indien de vis is gevangen door een groot vissersvaartuig, mag het enkel worden aanvaard wanneer dat vaartuig is opgenomen in het ICCAT-register van vaartuigen.”;

c)

aan artikel 5, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:

„c)

indien de vis is gevangen door een groot vissersvaartuig, mag het enkel worden gewaarmerkt wanneer dat vaartuig is opgenomen in het ICCAT-register van vaartuigen.”;

d)

aan hoofdstuk 2 wordt het volgende deel 4 toegevoegd:

„Deel 4

Verplichtingen voor de lidstaat met betrekking tot in het ICCAT-verdragsgebied overgeladen producten

Artikel 7bis

Statistische documenten en rapportage

1.   Bij de waarmerking van statistische documenten waarborgt de vlaggenlidstaat van grote pelagische beugvisserijvaartuigen dat overladingen stroken met de door elk van dergelijke vaartuigen gerapporteerde vangsthoeveelheid.

2.   De vlaggenlidstaat van grote pelagische beugvisserijvaartuigen waarmerkt statistische documenten voor de overgeladen vis nadat hij heeft bevestigd dat de overlading is verricht overeenkomstig de artikelen 51 tot en met 58 van Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad (*1). Die bevestiging is gebaseerd op de informatie die met het regionale ICCAT-waarnemersprogramma voor overlading op zee is verkregen.

3.   De lidstaten schrijven voor dat onder de programma's inzake statistische documenten vallende soorten die in het ICCAT-verdragsgebied door grote pelagische beugvisserijvaartuigen zijn gevangen, bij de invoer ervan in hun gebied of grondgebied vergezeld gaan van statistische documenten die zijn gewaarmerkt voor de vaartuigen op de ICCAT-lijst van grote pelagische beugvisserijvaartuigen die zijn gemachtigd om over te laden op zee, en van een kopie van de ICCAT-overladingsaangifte.

(*1)  Verordening (EU) 2017/2107 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot vaststelling van in het verdragsgebied van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) geldende beheers-, instandhoudings- en controlemaatregelen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1936/2001, (EG) nr. 1984/2003 en (EG) nr. 520/2007 van de Raad (PB L 315 van 30.11.2017, blz. 1).”."

Artikel 78

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 520/2007

In Verordening (EG) nr. 520/2007 worden artikel 4, lid 1, titel II en de bijlagen II, III en IV geschrapt.

Artikel 79

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 15 november 2017.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

M. MAASIKAS


(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 142.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 3 oktober 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 oktober 2017.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).

(5)  Besluit 86/238/EEG van de Raad van 9 juni 1986 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen, gewijzigd bij het Protocol gehecht aan de op 10 juli 1984 te Parijs ondertekende Slotakte van de conferentie van gevolmachtigden van de Staten die partij zijn bij het Verdrag (PB L 162 van 18.6.1986, blz. 33).

(6)  Procedurenummer 2015/0289 (COD), nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(7)  Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad van 27 september 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 263 van 3.10.2001, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 973/2001 (PB L 123 van 12.5.2007, blz. 3).

(9)  Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 1).

(10)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(11)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(12)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(13)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(15)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie, als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, in het kader van het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen en van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 16 van 23.1.2015, blz. 23).

(16)  Verordening (EG) nr. 1984/2003 van de Raad van 8 april 2003 tot invoering in de Gemeenschap van een regeling voor de statistische registratie van zwaardvis en grootoogtonijn (PB L 295 van 13.11.2003, blz. 1).

(17)  Procedurenummer 2015/0289 (COD), nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(18)  Procedurenummer 2015/0289 (COD), nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(19)  Procedurenummer 2015/0289 (COD), nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(20)  Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11).

(21)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PB L 34 van 9.2.2017, blz. 9).

(22)  Procedurenummer 2015/0289 (COD), nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(23)  Verordening (EU) 2017/1004 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende de instelling van een Uniekader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad (PB L 157 van 20.6.2017, blz. 1).

(24)  Uitvoeringsbesluit EU) 2016/1251 van de Commissie van 12 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenprogramma van de Unie voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserij- en de aquacultuursector voor de periode 2017-2019 (PB L 207 van 1.8.2016, blz. 113).

(25)  Procedurenummer 2015/0289 (COD), nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(26)  Procedurenummer 2015/0289 (COD), nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


BIJLAGE I

ICCAT-SOORTEN

Familie

Latijnse naam

Nederlandse naam

Scombridae

Acanthocybium solandri

Wahoo

Allothunnus fallai

Slanke tonijn

Auxis rochei

Kogeltonijn

Auxis thazard

Fregattonijn

Euthynnus alletteratus

Dwergtonijn

Gasterochisma melampus

Vlindertonijn

Katsuwonus pelamis

Gestreepte tonijn

Orcynopsis unicolor

Ongestreepte bonito

Sarda sarda

Boniet

Scomberomorus brasiliensis

Serramakreel

Scomberomorus cavalla

Koningsmakreel

Scomberomorus maculatus

Gevlekte koningsmakreel

Scomberomorus regalis

Valse koningsmakreel

Scomberomorus tritor

Oost-Atlantische koningsmakreel

Thunnus alalunga

Witte tonijn

Thunnus albacares

Geelvintonijn

Thunnus atlanticus

Zwartvintonijn

Thunnus maccoyii

Zuidelijke blauwvintonijn

Thunnus obesus

Grootoogtonijn

Thunnus thynnus

Blauwvintonijn

Istiophoridae

Istiophorus albicans

Atlantische zeilvis

Makaira indica

Zwarte marlijn

Makaira nigricans

Blauwe marlijn

Tetrapturus albidus

Witte marlijn

Tetrapturus belone

Speervis

Tetrapturus georgii

Degenspeervis

Tetrapturus pfluegeri

Langbekspeervis

Xiphiidae

Xiphias gladius

Zwaardvis

Alopiidae

Alopias superciliosus

Grootoogvoshaai

Carcharhinidae

Carcharhinus falciformis

Zijdehaai

Carcharhinus longimanus

Oceanische witpunthaai

Prionace glauca

Blauwe haai

Lamnidae

Isurus oxyrinchus

Makreelhaai

Lamna nasus

Haringhaai

Sphyrnidae

Sphyrna spp.

Hamerhaaien

Coryphaenidae

Coryphaena hippurus

Goudmakreel


BIJLAGE II

RICHTSNOEREN VOOR DE OPSTELLING VAN BEHEERSPLANNEN VOOR VISAANTREKKENDE VOORZIENINGEN (FAD)

Het FAD-beheersplan voor de ringzegen- en hengelvisserijvloot van een CPC moet het volgende omvatten:

1.

Beschrijving

a)

FAD-typen: AFAD = verankerd (anchored); DFAD = niet-verankerd (drifting)

b)

Type baken/boei

c)

Maximaal aantal in te zetten FAD's per ringzegenvaartuig en per FAD-type

d)

Minimale afstand tussen AFAD's

e)

Beperking van incidentele bijvangst en beleid inzake gebruik

f)

Mogelijke interactie met andere vistuigtypen

g)

Verklaring of beleid inzake „FAD-eigenaarschap”

2.

Institutionele regelingen

a)

Institutionele verantwoordelijkheden voor het FAD-beheersplan

b)

Aanvraagprocedures voor de goedkeuring van de inzet van FAD's

c)

Verplichtingen van eigenaren en kapiteins van vaartuigen met betrekking tot de inzet en het gebruik van FAD's

d)

Beleid inzake de vervanging van FAD's

e)

Aanvullende rapportageverplichtingen die verder gaan dan deze verordening

f)

Beleid inzake de beslechting van geschillen over FAD's

g)

Details over gesloten gebieden of perioden, bijvoorbeeld territoriale wateren, scheepvaartroutes, nabijheid van ambachtelijke visserijen, enz.

3.

FAD-constructiekenmerken en -vereisten

a)

FAD-ontwerpkenmerken (beschrijving)

b)

Vereisten inzake verlichting

c)

Radarreflectoren

d)

Zichtbaarheidsafstand

e)

FAD-merktekens en -identificatiemiddel

f)

Merktekens en identificatiemiddel van radioboeien (vereiste van serienummers)

g)

Merktekens en identificatiemiddel van echoloodboeien (vereiste van serienummers)

h)

Satellietzendontvangers

i)

Onderzoek inzake biologisch afbreekbare FAD's

j)

Voorkoming van verlies of achterlating van FAD's

k)

Beheer inzake het terughalen van FAD's

4.

Periode van toepassing van het FAD-beheersplan

5.

Middelen om de uitvoering van het FAD-beheersplan te monitoren en te evalueren


BIJLAGE III

LIJST VAN INGEZETTE FAD'S OP KWARTAALBASIS

FAD-identificatiemiddel

Type FAD & elektronische uitrusting

FAD-ontwerpkenmerken

Waarneming

FAD-markering

Bijbehorend baken ID

FAD-type:

Type van het bijbehorend baken en/of elektronische apparaten

Drijvend deel FAD

Onder water hangende structuur FAD

Afmetingen

Materialen

Afmetingen

Materialen

 (1)

 (1)

 (2)

 (3)

 (4)

 (5)

 (4)

 (6)

 (7)


(1)  Indien de FAD-markering en bijbehorende baken-ID afwezig of onleesbaar zijn, gelieve dit te vermelden en alle beschikbare informatie die kan helpen de eigenaar van de FAD te identificeren, te verstrekken.

(2)  Verankerde FAD, niet-verankerde natuurlijke FAD of niet-verankerde artificiële FAD.

(3)  Bijvoorbeeld gps, echolood enz. Indien er geen elektronisch apparaat bij de FAD hoort, gelieve dan te vermelden dat er geen uitrusting is.

(4)  Bijvoorbeeld breedte, lengte, hoogte, diepte, maaswijdte enz.

(5)  Vermeld het materiaal van de structuur en van de bedekking en of het biologisch afbreekbaar is.

(6)  Bijvoorbeeld netten, touwen, palmbladeren enz. en vermeld of het materiaal verstrikkend en/of biologisch afbreekbaar is.

(7)  Verlichtingsspecificaties, radarreflectoren en zichtbaarheidsafstanden worden in deze afdeling vermeld.


BIJLAGE IV

WAARNEMERSPROGRAMMAVEREISTEN VOOR VAARTUIGEN DIE OP TROPISCHE TONIJN VISSEN IN DE GEOGRAFISCHE GEBIEDEN VAN DE TIJDRUIMTELIJKE SLUITING

1.

Voor de uitvoering van hun taken beschikken de waarnemers over de volgende kwalificaties:

voldoende ervaring met het identificeren van vissoorten en vistuig;

voldoende kennis van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT, die is gevalideerd aan de hand van een certificaat dat door de lidstaat is afgegeven en is gebaseerd op de opleidingsrichtsnoeren van de ICCAT;

de capaciteit tot accurate waarneming en registratie;

voldoende kennis van de taal van de vlaggenstaat van het waargenomen vaartuig.

2.

De waarnemers zijn geen bemanningslid van het waargenomen vissersvaartuig en:

a)

zijn onderdaan van een van de CPC's;

b)

zijn in staat de in punt 3 vermelde taken uit te voeren;

c)

hebben geen lopende financiële belangen in, noch voordeel bij de visserij op tropische tonijn.

Taken van de waarnemers

3.

De taken van de waarnemer behelzen met name het volgende:

a)

de naleving door de vissersvaartuigen van de betrokken, door de ICCAT-commissie vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen monitoren.

Meer in het bijzonder moeten de waarnemers:

i)

de uitgevoerde visserijactiviteiten registreren en rapporteren;

ii)

vangsten observeren en ramen en de in het logboek vermelde gegevens verifiëren;

iii)

vaartuigen die potentieel vissen op een wijze die indruist tegen de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT, observeren en registreren;

iv)

de positie van vaartuigen die vangstactiviteiten verrichten, verifiëren;

v)

op verzoek van de ICCAT wetenschappelijk werk verrichten, zoals het verzamelen van taak II-gegevens op basis van de richtsnoeren van het Permanent Comité voor onderzoek en statistiek van de ICCAT;

b)

onverwijld, met inachtneming van de veiligheid van de waarnemer, elke visserijactiviteit met behulp van FAD's rapporteren die door het vaartuig in het gebied en tijdens de periode als bedoeld in artikel 11 wordt verricht;

c)

algemene verslagen opstellen aan de hand van de overeenkomstig dit punt verzamelde gegevens en de kapitein de gelegenheid geven daarin relevante informatie op te nemen.

4.

Alle informatie over de visserijactiviteiten en de overladingsverrichtingen van de vissersvaartuigen wordt door de waarnemers vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de verbintenis die zij daartoe bij hun aanstelling als waarnemer schriftelijk zijn aangegaan.

5.

De waarnemers voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de vlaggenlidstaat met jurisdictie over het aan hen voor waarneming toegewezen vaartuig.

6.

De waarnemers eerbiedigen de hiërarchische verhoudingen en algemene gedragsregels die gelden voor alle bemanningsleden, tenzij die regels de uitoefening van de taken van de waarnemers in het kader van dit programma in de weg staan en tenzij zij in strijd zijn met de in punt 7 vermelde verplichtingen.

Verplichtingen van de vlaggenlidstaat

7.

De verantwoordelijkheden van de vlaggenlidstaten van de vissersvaartuigen en hun kapiteins ten aanzien van waarnemers omvatten met name het volgende:

a)

de waarnemers hebben toegang tot de bemanning van het vaartuig en tot het vistuig en de apparatuur;

b)

indien zij daarom verzoeken, wordt de waarnemers ook toegang verleend tot de volgende apparatuur, indien die aanwezig is op de vaartuigen waarop zij zijn gestationeerd, om de uitvoering van hun taken als vermeld in punt 3 te vergemakkelijken:

i)

satellietnavigatieapparatuur;

ii)

radarschermen, wanneer die worden gebruikt;

iii)

elektronische-communicatieapparatuur;

c)

de waarnemers krijgen accommodatie, waaronder logies, maaltijden en adequate sanitaire voorzieningen, van dezelfde kwaliteit als de officieren;

d)

de waarnemers krijgen voldoende ruimte op de brug of in het stuurhuis om hun administratieve werkzaamheden uit te voeren, en op het dek krijgen zij voldoende ruimte voor het uitoefenen van hun waarnemerstaak, en

e)

de vlaggenlidstaat waarborgt dat kapiteins, bemanning en eigenaren van vaartuigen waarnemers bij het uitoefenen van zijn taak niet hinderen, intimideren, beïnvloeden en zich niet met hen bemoeien, en hen niet omkopen of proberen om te kopen.


BIJLAGE V

TECHNISCHE MINIMUMNORMEN VOOR MITIGERENDE MAATREGELEN

Mitigerende maatregel

Beschrijving

Specificatie

's Nachts uitzetten met een minimum aan dekverlichting

Het uitzetten vindt niet plaats tussen de nautische schemering 's ochtends en de nautische schemering 's avonds. Dekverlichting tot een minimum beperken

De nautische schemering 's avonds en de nautische schemering 's ochtends worden gedefinieerd zoals deze voor alle breedtegraden en voor alle dagen in plaatselijke tijd zijn vastgesteld in de zeevaartkundige almanak. De minimale dekverlichting mag niet in strijd zijn met de minimumnormen voor veiligheid en navigatie.

Vogelverschrikkerlijnen (torilijnen)

Bij het uitzetten van de beug worden vogelverschrikkerlijnen ingezet om vogels ervan te weerhouden in de buurt van de sneu te komen.

Voor vaartuigen van 35 meter of meer:

ten minste 1 vogelverschrikkerlijn inzetten. Waar mogelijk worden vaartuigen aangemoedigd een tweede toripaal en vogelverschrikkerlijn te gebruiken wanneer er veel vogels in de buurt aanwezig of actief zijn; beide torilijnen moeten gelijktijdig worden uitgezet; een aan elke zijde van de lijn die wordt uitgezet;

het deel van de vogelverschrikkerlijnen boven het zeeoppervlak moet 100 meter of meer bedragen;

er moeten wimpels worden gebruikt die lang genoeg zijn om in kalme omstandigheden het zeeoppervlak te raken;

lange wimpels moeten worden aangebracht met een interval van maximaal 5 meter.

Voor vaartuigen van minder dan 35 meter:

ten minste 1 vogelverschrikkerlijn inzetten;

het deel boven het zeeoppervlak moet 75 meter of meer bedragen;

er moeten lange en/of korte wimpels (maar met een lengte van meer dan 1 meter) worden gebruikt en deze moeten als volgt worden aangebracht:

Kort: intervallen van niet meer dan 2 meter.

Lang: intervallen van niet meer dan 5 meter voor de eerste 55 meter vogelverschrikkerlijn.

Aanvullende richtsnoeren voor het ontwerp en het uitzetten van vogelverschrikkerlijnen worden verstrekt in de aanvullende richtsnoeren voor het ontwerp en het uitzetten van torilijnen hieronder.

Verzwaring van de lijnen met gewichten

Gewichten die aan de sneu moeten worden aangebracht vóór het uitzetten

Meer dan in totaal 45 g aangebracht binnen 1 meter van de haak, of

Meer dan in totaal 60 g aangebracht binnen 3,5 meter van de haak, of

Meer dan in totaal 98 g aangebracht binnen 4 meter van de haak;


AANVULLENDE RICHTSNOEREN VOOR HET ONTWERP EN HET UITZETTEN VAN TORILIJNEN

Inleiding

Technische minimumnormen voor het uitzetten van torilijnen zijn opgenomen in de bovenstaande tabel. Deze aanvullende richtsnoeren zijn bedoeld om te helpen bij het opstellen en ten uitvoer leggen van regels voor het gebruik van torilijnen door beugvisserijvaartuigen. De richtsnoeren zijn betrekkelijk expliciet, maar het verbeteren van de effectiviteit van torilijnen door middel van experimenten wordt aangemoedigd, voor zover wordt voldaan aan de vereisten van de bovenstaande tabel. Er is rekening gehouden met milieu- en bedrijfsfactoren, zoals weersgesteldheid, uitzetsnelheid en grootte van het vaartuig, die alle van invloed zijn op het vermogen van torilijnen om aas tegen vogels te beschermen. Het ontwerp en het gebruik van torilijnen kunnen in het licht van die factoren worden aangepast, op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit van de lijn. Er wordt ook rekening gehouden met mogelijke verbeteringen van het ontwerp van torilijnen, zodat deze richtsnoeren in de toekomst zullen moeten worden herzien.

Ontwerp van torilijnen

1.

Door een geschikt voorwerp voort te slepen aan het deel van de torilijn in het water kan de reikwijdte in de lucht worden verbeterd.

2.

Het lijngedeelte boven water dient zo licht te zijn dat de bewegingen ervan onvoorspelbaar blijven en er dus geen gewenning bij vogels optreedt, en voldoende zwaar zodat er geen afbuiging door de wind optreedt.

3.

De lijn kan het best aan het vaartuig worden bevestigd met een stevige wartel om verstrengeling van de lijn te voorkomen.

4.

De wimpels moeten zijn vervaardigd van opvallend en onvoorspelbaar bewegend materiaal (bijvoorbeeld een sterke fijne lijn in een rode polyurethaan behuizing) en met stevige driewegwartels (eveneens om verstrengeling te vermijden) aan de torilijn bevestigd zijn.

5.

Elke wimpel moet bestaan uit twee of meer strengen.

6.

Elk paar wimpels dient door middel van een clip van de hoofdlijn te kunnen worden losgekoppeld om het binnenhalen van de lijn te vergemakkelijken.

Uitzetten van torilijnen

1.

De lijn dient te worden opgehangen aan een paal die aan het vaartuig is bevestigd. De toripaal dient zo hoog mogelijk te staan, zodat de lijn het aas voldoende ver achter het vaartuig beschermt en niet verstrengeld raakt met het vistuig. Hoe hoger de paal, hoe beter het aas wordt beschermd. Bijvoorbeeld: een paal die circa 7 meter boven de waterspiegel uitkomt, geeft aasbescherming over ongeveer 100 meter.

2.

Indien vaartuigen slechts één torilijn gebruiken, moet deze loefwaarts van het zinkende aas worden aangebracht. Indien geaasde haken buiten het kielzog worden uitgezet, moet het punt waar de torilijn aan het vaartuig wordt bevestigd, zich verscheidene meters buitenboords bevinden van de zijde van het vaartuig waar het aas wordt uitgezet. Indien vaartuigen twee torilijnen gebruiken, moeten de geaasde haken worden uitgezet binnen het gebied dat door de twee torilijnen wordt begrensd.

3.

Het uitzetten van meerdere torilijnen wordt aangemoedigd om het aas nog beter tegen vogels te beschermen.

4.

Omdat de torilijnen kunnen breken en verstrengeld kunnen raken, dienen reservelijnen aan boord te worden gehouden om beschadigde lijnen te vervangen en ononderbroken verder te kunnen vissen. Er kunnen breukveiligheden in de torilijn worden verwerkt om operationele en veiligheidsproblemen tot een minimum te beperken wanneer een beug zou afdrijven en verstrikt raken met het deel van een torilijn dat zich in het water bevindt.

5.

Wanneer vissers gebruikmaken van een aasmachine („bait casting machine — BCM”), moeten zij het gebruik van de torilijnen en de machine coördineren door erop toe te zien dat een BCM direct onder de torilijnbescherming aas uitwerpt. Bij het gebruik van een BCM (of meerdere BCM's) die zowel aan bakboord als aan stuurboord aas uitwerpt, dienen twee torilijnen te worden gebruikt.

6.

Wanneer zij manueel zijlijnen uitwerpen, moeten vissers erop toezien dat de geaasde haken en opgerolde sneuen onder de torilijnbescherming worden uitgeworpen om de propellerturbulentie te vermijden die de zinksnelheid kan vertragen.

7.

Vissers worden aangemoedigd manuele, elektrische of hydraulische windassen te installeren om het uitzetten en binnenhalen van de torilijnen te vergemakkelijken.


BIJLAGE VI

GEDETAILLEERDE VEREISTEN VOOR DE VRIJLATING VAN ZEESCHILDPADDEN

Met betrekking tot praktijken voor veilige behandeling:

i)

Wanneer een zeeschildpad uit het water moet worden verwijderd, wordt een geschikte korflift of een geschikt schepnet gebruikt om zeeschildpadden aan boord te brengen die zijn vastgehaakt of in het tuig verstrikt zijn geraakt. Er worden geen zeeschildpadden uit het water gehesen met behulp van de vislijn waaraan een zeeschildpad is vastgehaakt of waarin deze verstrikt is geraakt. Indien de zeeschildpad niet veilig uit het water kan worden verwijderd, moet de bemanning de lijn zo dicht mogelijk bij de haak doorsnijden, zonder de zeeschildpad onnodig verder leed te berokkenen.

ii)

In gevallen waarin zeeschildpadden aan boord worden genomen, beoordelen vaartuigexploitanten of bemanningsleden de toestand van de zeeschildpadden die zijn gevangen of verstrikt zijn geraakt, vóór zij worden vrijgelaten. Zeeschildpadden die bewegingsmoeilijkheden ondervinden of niet reageren, worden voor zover mogelijk aan boord gehouden en op zodanige wijze bijgestaan dat hun overlevingskans wordt gemaximaliseerd, alvorens zij worden vrijgelaten. Die praktijken worden verder toegelicht in de richtsnoeren van de FAO ter vermindering van de sterfte van zeeschildpadden bij visserijverrichtingen.

iii)

Voor zover mogelijk worden zeeschildpadden bij visserijverrichtingen of tijdens nationale waarnemersprogramma's (bijvoorbeeld merkingsactiviteiten) behandeld conform de richtsnoeren van de FAO ter vermindering van de sterfte van zeeschildpadden bij visserijverrichtingen.

Met betrekking tot het gebruik van lijnsnijders:

i)

Beugvisserijvaartuigen hebben lijnsnijders aan boord en gebruiken deze wanneer loshaken niet mogelijk is zonder de zeeschildpadden leed te berokkenen bij het vrijlaten.

ii)

Andere vaartuigtypen die tuig gebruiken waarin zeeschildpadden verstrikt kunnen raken, hebben lijnsnijders aan boord en gebruiken deze instrumenten om tuig te verwijderen en zeeschildpadden vrij te laten.

Met betrekking tot het gebruik van instrumenten voor het verwijderen van haken:

i)

Beugvisserijvaartuigen hebben instrumenten voor het verwijderen van haken aan boord om op doeltreffende wijze haken uit zeeschildpadden te verwijderen.

ii)

Wanneer een haak is ingeslikt, wordt geen poging ondernomen om de haak te verwijderen. In plaats daarvan moet de lijn zo dicht mogelijk bij de haak worden doorgesneden zonder de zeeschildpad onnodig verder leed te berokkenen.


BIJLAGE VII

OVERLADING IN DE HAVEN

1.   Voor overlading in de haven door vaartuigen van de Unie of in havens van de Unie van tonijn en tonijnachtigen en andere, samen met deze soorten in het ICCAT-verdragsgebied gevangen soorten, gelden de volgende procedures:

Aanmeldingsverplichtingen

2.   Vissersvaartuig

2.1   Ten minste 48 uur vóór de overladingsverrichtingen stelt de kapitein van het vissersvaartuig de havenstaatautoriteiten in kennis van de naam van het transportvaartuig en van de datum/het tijdstip van de overlading.

2.2   Ten tijde van de overlading stelt de kapitein van het vissersvaartuig zijn vlaggenlidstaat in kennis van:

de over te laden hoeveelheden tonijn en tonijnachtigen, indien mogelijk per bestand;

de over te laden hoeveelheden andere, samen met tonijn en tonijnachtigen gevangen soorten, per soort, indien bekend;

de datum en de plaats van overlading;

de naam, het registratienummer en de vlag van het ontvangende transportvaartuig, en

de geografische locatie van de vangsten per soort en, indien van toepassing, per bestand, overeenkomstig de statistische ICCAT-gebieden.

2.3   De kapitein van het betrokken vissersvaartuig vult de ICCAT-overladingsaangifte in en zendt deze uiterlijk 15 dagen na de overlading door aan zijn vlaggenlidstaat, samen met zijn nummer in het ICCAT-register van vissersvaartuigen, indien van toepassing.

3.   Ontvangend vaartuig

3.1   Uiterlijk 24 uur vóór het begin en aan het einde van de overlading informeert de kapitein van het ontvangende transportvaartuig de havenstaatautoriteiten over de vangsthoeveelheden tonijn en tonijnachtigen die op zijn vaartuig zijn overgeladen, vult hij de ICCAT-overladingsaangifte in en zendt hij deze binnen 24 uur door aan de bevoegde autoriteiten.

3.2   De kapitein van het ontvangende transportvaartuig doet ten minste 48 uur vóór de aanlanding een ICCAT-overladingsaangifte toekomen aan de autoriteiten van de aanlandingsstaat die bevoegd zijn.

Samenwerking tussen de havenstaat en de aanlandingsstaat

4.   De in de bovenstaande punten bedoelde havenstaat en aanlandingsstaat onderzoeken de overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage ontvangen informatie, zo nodig in samenwerking met de vlaggen-CPC van het vissersvaartuig, om de overeenstemming tussen de gemelde vangsten, overladingen en aanlandingen van elk vaartuig te bepalen. Deze verificatie wordt op zodanige wijze verricht dat een vissersvaartuig niet weinig mogelijk hinder en ongemak ondervindt en kwaliteitsverlies van de vis wordt vermeden.

Rapportage

5.   Elke vlaggenlidstaat van het vissersvaartuig neemt in zijn jaarverslag aan de ICCAT de gegevens over de overladingen door zijn vaartuigen op.


BIJLAGE VIII

REGIONAAL ICCAT-WAARNEMERSPROGRAMMA VOOR OVERLADINGSVERRICHTINGEN OP ZEE

1.

De lidstaten schrijven voor dat transportvaartuigen in het ICCAT-register van vaartuigen die zijn gemachtigd om overladingen te ontvangen in het ICCAT-verdragsgebied en die overladen op zee, een regionale ICCAT-waarnemer aan boord moeten hebben bij elke overladingsverrichting in het ICCAT-verdragsgebied.

2.

De waarnemers worden door de ICCAT aangewezen en aan boord geplaatst van de transportvaartuigen die zijn gemachtigd om in het ICCAT-verdragsgebied overladingen te ontvangen van grote pelagische beugvisserijvaartuigen die de vlag voeren van de CPC's die het regionale ICCAT-waarnemersprogramma uitvoeren.

Aanwijzing van waarnemers

3.

Voor de uitvoering van hun taken dienen de aangewezen waarnemers over de volgende kwalificaties te beschikken:

aangetoond vermogen om ICCAT-soorten en vistuig te identificeren, met een sterke voorkeur voor personen met ervaring als waarnemer op pelagische beugvisserijvaartuigen;

voldoende kennis van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de ICCAT;

de capaciteit tot accurate waarneming en registratie;

voldoende kennis van de taal van de vlaggenstaat van het waargenomen schip.

Verplichtingen van de waarnemer

4.

De waarnemers:

a)

hebben de technische opleiding gevolgd die vereist is volgens de door de ICCAT opgestelde richtsnoeren;

b)

zijn geen onderdanen of burgers van de vlaggenstaat van het ontvangende transportvaartuig;

c)

zijn in staat de in punt 5 vermelde taken uit te voeren;

d)

komen voor op de door de ICCAT bijgehouden lijst van waarnemers;

e)

zijn geen bemanningslid van het grote pelagische beugvisserijvaartuig of van het transportvaartuig of een werknemer van de onderneming van het grote pelagische beugvisserijvaartuig of het transportvaartuig.

5.

De waarnemer monitort de naleving van de desbetreffende, door de ICCAT vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen door het grote pelagische beugvisserijvaartuig en het transportvaartuig. De taken van de waarnemer bestaan met name in het volgende:

5.1

Een bezoek brengen aan het grote pelagische beugvisserijvaartuig dat voornemens is over te laden op een transportvaartuig, rekening houdend met de in punt 9 weergegeven kwesties, en alvorens de overlading plaatsvindt, teneinde:

a)

de geldigheid te controleren van de machtiging of vergunning van het vissersvaartuig om tonijn en tonijnachtigen en andere, samen met die soorten in het ICCAT-verdragsgebied gevangen soorten te vangen;

b)

de vorige machtigingen van het vissersvaartuig om over te laden op zee van de vlaggen-CPC en, indien van toepassing, de kuststaat, te inspecteren;

c)

de totale hoeveelheid vangsten aan boord per soort en, indien mogelijk, per bestand, en de totale hoeveelheden op het transportvaartuig over te laden hoeveelheden te controleren en te registreren;

d)

te controleren dat het volgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS) functioneert, het logboek te onderzoeken en aantekeningen te verifiëren, indien mogelijk;

e)

te verifiëren of de vangst aan boord resulteert uit overdrachten van andere vaartuigen, en de documentatie over zulke overdrachten te controleren;

f)

indien er aanwijzingen zijn van inbreuken waarbij het vissersvaartuig betrokken is, de inbreuk(en) onmiddellijk te melden aan de kapitein van het transportvaartuig (met inachtneming van veiligheidsoverwegingen) en aan de onderneming die het waarnemersprogramma uitvoert, die deze melding onverwijld doorzendt aan de autoriteiten van de vlaggen-CPC van het vissersvaartuig, en

g)

de resultaten van deze op het vissersvaartuig uitgevoerde taken in het verslag van de waarnemer te registeren.

5.2

De activiteiten van het transportvaartuig waarnemen en:

a)

de verrichte overladingsactiviteiten registreren en er verslag over uitbrengen;

b)

de positie van vaartuigen die overladingsverrichtingen uitvoeren, verifiëren;

c)

hoeveelheden overgeladen tonijn en tonijnachtigen waarnemen en ramen, per soort en, indien bekend, per bestand;

d)

de hoeveelheden andere, samen met tonijn en tonijnachtigen gevangen soorten waarnemen en ramen, per soort, indien bekend;

e)

de naam en het ICCAT-registratienummer van het betrokken grote pelagische beugvisserijvaartuig waarnemen en registreren;

f)

de in de overladingsaangifte opgenomen gegevens verifiëren, onder meer door vergelijking met het logboek van het grote pelagische beugvisserijvaartuig, waar mogelijk;

g)

de in de overladingsaangifte opgenomen gegevens certifiëren;

h)

de overladingsaangifte medeondertekenen, en

i)

producthoeveelheden per soort observeren en ramen wanneer deze worden gelost in de haven waar de waarnemer van boord gaat, om de consistentie te verifiëren met de hoeveelheden die zijn ontvangen gedurende overladingsverrichtingen op zee.

5.3

Voorts doet de waarnemer het volgende:

a)

een dagelijks verslag van de overladingsverrichtingen van het transportvaartuig opstellen;

b)

algemene verslagen opstellen aan de hand van de overeenkomstig de taken van de waarnemer verzamelde informatie en de kapitein de gelegenheid bieden daarin relevante informatie op te nemen;

c)

het onder b) bedoelde algemene verslag binnen 20 dagen na de waarnemingsperiode bij het ICCAT-secretariaat indienen;

d)

eventuele, andere, door de ICCAT gedefinieerde taken uitvoeren.

6.

Alle informatie over de visserijactiviteiten van het grote pelagische beugvisserijvaartuig en van de eigenaren van het grote pelagische beugvisserijvaartuig wordt door de waarnemers vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de verbintenis die zij daartoe bij hun aanstelling als waarnemer schriftelijk zijn aangegaan.

7.

Waarnemers voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de vlaggenlidstaat en, indien van toepassing, de kuststaat met jurisdictie over het aan hen voor waarneming toegewezen vaartuig.

8.

Waarnemers eerbiedigen de hiërarchische verhoudingen en algemene gedragsregels die gelden voor alle bemanningsleden, tenzij die regels de uitoefening van de taken van de waarnemer uit hoofde van dit programma in de weg staan en tenzij ze in strijd zijn met de in punt 9 vermelde verplichtingen van de bemanning.

Verantwoordelijkheden van de vlaggenstaten van transportvaartuigen

9.

De aan de uitvoering van het regionale waarnemersprogramma verbonden voorwaarden waaraan de vlaggenstaten van de transportvaartuigen en hun kapiteins onderworpen zijn, omvatten met name het volgende:

a)

waarnemers hebben toegang tot de bemanning van het vaartuig, tot relevante documentatie, en tot het vistuig en de apparatuur;

b)

indien zij daarom verzoeken, wordt de waarnemers ook toegang verleend tot de volgende apparatuur, indien die aanwezig is op de vaartuigen waarop zij zijn gestationeerd, om de uitvoering van hun taken als vermeld in punt 5 te vergemakkelijken:

i)

satellietnavigatieapparatuur;

ii)

radarschermen, wanneer die worden gebruikt;

iii)

elektronische-communicatieapparatuur, en

iv)

de voor het wegen van het overgeladen product gebruikte weegschaal;

c)

waarnemers krijgen accommodatie, waaronder logies, maaltijden en adequate sanitaire voorzieningen, van dezelfde kwaliteit als de officieren;

d)

waarnemers krijgen voldoende ruimte op de brug of in het stuurhuis om hun administratieve werk uit te voeren, en op het dek krijgen zij voldoende ruimte voor het uitoefenen van hun waarnemerstaak;

e)

het wordt waarnemers toegestaan de gunstigste locatie en methode te bepalen voor het bekijken van overladingsverrichtingen en het ramen van soorten/bestanden en overgeladen hoeveelheden. In dit verband moet de kapitein van het transportvaartuig, met inachtneming van praktische en veiligheidsoverwegingen, voorzien in de behoeften van de waarnemer, onder meer door het product desgevraagd tijdelijk op het dek van het transportvaartuig te plaatsen voor inspectie door de waarnemers en de waarnemers voldoende tijd te geven om hun taken te vervullen. Waarnemingen worden verricht op een wijze die zo weinig mogelijk hinder veroorzaakt en voorkomt dat de kwaliteit van de overgeladen producten wordt aangetast;

f)

In het licht van de bepalingen van punt 10, waarborgt de kapitein van het transportvaartuig dat alle nodige bijstand wordt geboden aan de waarnemer om voor een veilig transport tussen de transport- en vissersvaartuigen te zorgen indien weers- en andere omstandigheden een dergelijke uitwisseling toelaten, en

g)

de vlaggenlidstaten waarborgen dat kapiteins, bemanning en eigenaren van vaartuigen de waarnemers bij het uitoefenen van hun taak niet hinderen, intimideren, beïnvloeden en zich niet met hen bemoeien, en hen niet omkopen of proberen om te kopen.

Verantwoordelijkheden van grote pelagische beugvisserijvaartuigen tijdens overladingen

10.

Indien weers- en andere omstandigheden het toelaten, wordt het waarnemers toegestaan het vissersvaartuig te bezoeken en er wordt hun toegang gegeven tot het personeel, alle relevante documentatie, en de delen van het vaartuig zoals noodzakelijk om hun in punt 5 vermelde taken te verrichten. De kapitein van het vissersvaartuig waarborgt dat de waarnemer alle nodige bijstand wordt geboden om voor een veilig transport tussen de transport- en de vissersvaartuigen te zorgen. Indien vóór de aanvang van de overladingsverrichtingen geen bezoek aan het grote pelagische beugvisserijvaartuig mogelijk is omdat de omstandigheden een onaanvaardbaar risico voor het welzijn van de waarnemer vormen, dan mogen die overladingsverrichtingen toch plaatsvinden.

Waarnemersvergoeding

11.

De kosten voor de uitvoering van dit programma worden gefinancierd door de vlaggen-CPC's van de grote pelagische beugvisserijvaartuigen die overladingsverrichtingen willen uitvoeren. Deze vergoeding wordt berekend op basis van de totale kosten van het programma. Deze vergoeding wordt overgeschreven op een speciale rekening van het ICCAT-secretariaat, die door het ICCAT-secretariaat wordt beheerd voor het uitvoeren van het programma.

12.

Een groot pelagisch beugvisserijvaartuig mag niet deelnemen aan het programma voor overlading op zee, indien de vergoedingen uit hoofde van punt 11 niet zijn betaald.


RICHTLIJNEN

30.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 315/40


RICHTLIJN (EU) 2017/2108 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 november 2017

tot wijziging van Richtlijn 2009/45/EG inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een betere toepassing van Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) is nodig om, aan de hand van de gemeenschappelijke veiligheidsnormen waarin de richtlijn voorziet, een hoog veiligheidsniveau en aldus het vertrouwen van passagiers te handhaven, en om een gelijk speelveld in stand te houden. Richtlijn 2009/45/EG dient uitsluitend van toepassing te zijn op de passagiersschepen en -vaartuigen waarvoor de veiligheidsnormen van die richtlijn zijn ontwikkeld. Een aantal specifieke types schepen, en met name tenders, zeilschepen en schepen voor het vervoer van niet bij de exploitatie van het schip betrokken geschoold personeel naar bijvoorbeeld offshore-installaties, mogen derhalve niet binnen haar toepassingsgebied vallen.

(2)

Door schepen vervoerde tenders worden gebruikt om passagiers rechtstreeks over te brengen van passagiersschepen naar de wal en terug, waarbij de kortste veilige zeeroute wordt gevolgd. Zij zijn niet geschikt en mogen niet worden gebruikt voor andere soorten diensten zoals toeristische rondvaarten langs de kust. Dergelijke rondvaarten moeten worden uitgevoerd door schepen die voldoen aan de eisen voor passagiersschepen van de kuststaat, zoals bepaald in onder meer de IMO-richtsnoeren (MSC.1/Circ. 1417 betreffende richtsnoeren voor tenders van passagiersschepen). De lidstaten en de Commissie moeten ertoe bijdragen dat de IMO zich buigt over een herziening van de richtsnoeren, teneinde de veiligheid te verbeteren. De Commissie moet beoordelen of de richtsnoeren een verplicht karakter moeten krijgen.

(3)

Passagiersschepen die niet mechanisch worden voortgestuwd, vallen buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/45/EG. Zeilschepen mogen niet volgens die richtlijn worden gecertificeerd, aangezien hun mechanische voortstuwing uitsluitend bedoeld is als hulpmiddel en voor noodgevallen. De Commissie moet daarom uiterlijk in 2020 onderzoeken of gemeenschappelijke Europese voorschriften nodig zijn voor deze categorie passagiersschepen.

(4)

Offshore-installaties worden bediend door vaartuigen die industrieel personeel vervoeren. Dat industrieel personeel moet een verplichte veiligheidsopleiding met succes afronden en moet voldoen aan bepaalde verplichte medische geschiktheidscriteria. Zij moeten daarom onder andere en specifieke veiligheidsvoorschriften vallen die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. De lidstaten en de Commissie moeten actieve ondersteuning verlenen aan de lopende IMO-activiteiten op het gebied van veiligheidsnormen voor offshore-vaartuigen naar aanleiding van IMO-resolutie MSC.418(97).

(5)

Uit het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT) is gebleken dat niet alle lidstaten uit aluminium vervaardigde schepen op grond van Richtlijn 2009/45/EG certificeren. Hierdoor ontstaat een ongelijke situatie die indruist tegen de doelstelling om een gelijk en hoog veiligheidsniveau te waarborgen voor passagiers van binnenlandse scheepvaart in de Unie. Ter vermijding van een niet-uniforme toepassing door verschillende interpretaties van de definitie van aluminium als gelijkwaardig materiaal en de toepasbaarheid van de overeenkomstige veiligheidsnormen, wat zou resulteren in verschillende interpretaties van het toepassingsgebied van de richtlijn, moet de definitie van „gelijkwaardig materiaal” in Richtlijn 2009/45/EG worden verduidelijkt. De lidstaten moeten striktere brandpreventiemaatregelen kunnen treffen, overeenkomstig de bepalingen van onderhavige richtlijn inzake aanvullende veiligheidseisen.

(6)

Een aanzienlijk aantal passagiersschepen vervaardigd uit een aluminiumlegering zorgt voor regelmatige en frequente maritieme verbindingen tussen havens binnen een lidstaat. Omdat naleving van de vereisten van deze richtlijn ernstige gevolgen zou hebben voor zulk vervoer en de daarmee verband houdende sociaaleconomische effecten, en financiële en technische implicaties zou hebben voor bestaande en nieuwe schepen, moeten die lidstaten gedurende een beperkte periode de mogelijkheid hebben om hun nationale recht op dergelijke passagiersschepen toe te passen, waarbij een passend veiligheidsniveau moet worden gehandhaafd.

(7)

Om de juridische duidelijkheid en samenhang te verbeteren en zo het veiligheidsniveau te verhogen, moeten een aantal definities en verwijzingen worden bijgewerkt en in overeenstemming worden gebracht met de internationale of Uniale regelgeving. Daarbij is het essentieel dat het huidige toepassingsgebied van Richtlijn 2009/45/EG niet wordt gewijzigd. Met name de definitie van traditioneel schip moet beter worden afgestemd op Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), zonder afbreuk te doen aan de huidige criteria inzake bouwjaar en materiaaltype. De definitie van „plezierjacht” en „pleziervaartuig” moet beter worden afgestemd op het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS-verdrag van 1974).

(8)

In het licht van het evenredigheidsbeginsel is gebleken dat de huidige bindende eisen op basis van het SOLAS-verdrag van 1974 moeilijk aanpasbaar zijn voor kleine passagiersschepen met een lengte van minder dan 24 meter. Bovendien worden kleine schepen meestal niet uit staal vervaardigd. Daarom is slechts een zeer klein aantal van die schepen gecertificeerd op grond van Richtlijn 2009/45/EG. Omdat zich geen specifieke veiligheidsproblemen voordoen en de Richtlijn 2009/45/EG niet in passende normen voorziet, moeten schepen met een lengte van minder dan 24 meter derhalve van het toepassingsgebied van die richtlijn worden uitgesloten en moeten zij worden onderworpen aan specifieke veiligheidsnormen van de lidstaten, die beter in staat zijn om te oordelen of voor die schepen plaatselijke vaarbeperkingen in termen van afstand tot de kust of havens en weersomstandigheden moeten worden opgelegd. Bij het vaststellen van die normen moeten de lidstaten door de Commissie te publiceren richtsnoeren in aanmerking nemen. Die richtsnoeren moeten in voorkomend geval rekening houden met alle internationale overeenkomsten en verdragen van de IMO, en moeten vermijden dat bijkomende eisen worden ingevoerd die verder gaan dan de bestaande internationale regels. De Commissie wordt verzocht die richtsnoeren zo snel mogelijk aan te nemen.

(9)

Om de definities van zeegebieden in Richtlijn 2009/45/EG verder te vereenvoudigen en de lasten voor de lidstaten zo veel mogelijk te beperken, moeten overbodige of ontoereikende criteria worden geschrapt. Zonder afbreuk te doen aan het veiligheidsniveau, moet de definitie van zeegebieden waarbinnen schepen van klasse C en D mogen varen, worden vereenvoudigd door het criterium „waar schipbreukelingen aan land kunnen gaan” en door „de afstand tot het toevluchtsoord” uit de definitie van die zeegebieden te schrappen. De geschiktheid van een specifieke kustlijn als toevluchtsoord is een dynamische parameter die alleen per geval kan worden beoordeeld door de lidstaten. Eventuele exploitatiebeperkingen voor een bepaalde schip in verband met de afstand tot een toevluchtsoord moeten in het veiligheidscertificaat van het passagiersschip worden opgenomen.

(10)

Omdat Griekenland specifieke geografische en weerkundige kenmerken heeft en een groot aantal eilanden telt dat regelmatig en frequent moet worden bediend, zowel via verbindingen met het vasteland als via onderlinge verbindingen, en er daardoor veel maritieme verbindingen mogelijk zijn, moet Griekenland kunnen afwijken van de verplichting om zeegebieden vast te stellen. In plaats daarvan moet Griekenland passagiersschepen kunnen indelen volgens de specifieke zeeroute die zij volgen, waarbij tegelijk voor de klassen passagiersschepen dezelfde criteria en dezelfde veiligheidsnormen blijven gelden.

(11)

Ter vermijding van de ongewenste negatieve effecten van de huidige bepalingen, waarbij omgebouwde vrachtschepen soms niet als nieuwe passagiersschepen worden beschouwd, moet worden verduidelijkt dat de ombouwvereisten niet enkel voor bestaande passagiersschepen gelden, maar voor alle schepen.

(12)

Aangezien een havenstaat overeenkomstig Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) kan overgaan tot inspectie van een passagiersschip of een hogesnelheidspassagiersvaartuig dat onder een andere vlag dan de vlag van die havenstaat vaart en binnenlandse reizen maakt, zijn de specifieke bepalingen van artikel 5, lid 3, van Richtlijn 2009/45/EG overbodig geworden en moeten zij worden geschrapt.

(13)

In het licht van de verschillen tussen eisen inzake lekstabiliteit in het SOLAS-verdrag van 1974 en de specifieke Unie-eisen inzake lekstabiliteit voor ro-ropassagiersschepen uit Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), moeten de noodzaak van Richtlijn 2003/25/EG en de meerwaarde daarvan worden beoordeeld aan de hand van de vraag of die eisen in het SOLAS-verdrag van 1974 hetzelfde veiligheidsniveau garanderen.

(14)

De Commissie dient een databank op te zetten en te onderhouden om de transparantie te verhogen en de aanmelding van vrijstellingen, gelijkwaardige maatregelen en aanvullende veiligheidsmaatregelen door de lidstaten te faciliteren. In die databank moeten zowel het ontwerp als de aangenomen versie van de aangemelde maatregelen worden opgenomen. De getroffen maatregelen moeten openbaar worden gemaakt.

(15)

In het licht van de bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ingevoerde wijzigingen, moeten de aan de Commissie voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/45/EG verleende bevoegdheden dienovereenkomstig worden bijgewerkt. Er moeten uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(16)

Om rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau en de opgedane ervaring en om de transparantie te verbeteren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU zo nodig handelingen vast te stellen tot niet-toepassing, in het kader van deze richtlijn, van wijzigingen aan de internationale instrumenten en tot bijwerking van de technische eisen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Om met name een gelijke betrokkenheid bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen te waarborgen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.

(17)

Aangezien de specifieke verwijzingen in artikel 14 naar lopende IMO-werkzaamheden verouderd zijn, moet dat artikel worden geschrapt. Wel blijven de algemene doelstellingen van het internationale optreden om de veiligheid van passagiersschepen te verbeteren en een gelijk speelveld in te richten relevant, en moeten zij worden nagestreefd in overeenstemming met de Verdragen. Daartoe moeten de lidstaten en de Commissie zich binnen het IMO-kader inspannen voor de herziening en verbetering van de voorschriften van het SOLAS-verdrag van 1974.

(18)

Het is belangrijk dat door de lidstaten opgelegde sancties naar behoren worden uitgevoerd, en dat zij doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(19)

In het licht van de volledige monitoringcyclus van inspecties door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) moet de Commissie de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/45/EG uiterlijk 21 december 2026 evalueren en hierover een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten moeten samenwerken met de Commissie om alle voor die evaluatie vereiste informatie te verzamelen.

(20)

Om onevenredige administratieve lasten te vermijden voor lidstaten zonder zeegrens en zonder zeehavens en zonder schepen onder hun vlag die onder deze richtlijn vallen, moeten die lidstaten van de bepalingen van deze richtlijn kunnen afwijken. Dit betekent dat zij, zolang aan die voorwaarden is voldaan, niet gehouden zijn deze richtlijn om te zetten.

(21)

De menselijke factor is een fundamenteel onderdeel van scheepvaartveiligheid en de daarmee verband houdende procedures. Om een hoog veiligheidsniveau te handhaven, is het noodzakelijk rekening te houden met het verband tussen veiligheid, leef- en arbeidsomstandigheden aan boord en opleiding, waaronder opleiding inzake grensoverschrijdende reddingsoperaties en noodgevallen, overeenkomstig de internationale voorschriften. De lidstaten en de Commissie moeten dan ook op internationaal niveau een proactieve rol spelen om de sociale omstandigheden van zeevarenden aan boord van schepen te monitoren en te verbeteren.

(22)

Om de uitvoering te vergemakkelijken, moet EMSA de Commissie en de lidstaten ondersteunen in overeenstemming met de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(23)

Richtlijn 2009/45/EG moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2009/45/EG

Richtlijn 2009/45/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) wordt vervangen door:

„a)   „internationale verdragen”: de actuele versies van de volgende verdragen, met inbegrip van de protocollen en wijzigingen daarvan:

i)

het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (het SOLAS-verdrag van 1974), en

ii)

het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966;”;

b)

punt b) wordt vervangen door:

„b)   „Intact Stability Code”: de „Code inzake de stabiliteit in onbeschadigde toestand voor alle onder de IMO-instrumenten vallende scheepstypen”, als vervat in Resolutie A.749(18) van de algemene vergadering van de IMO van 4 november 1993, of de „Internationale Code inzake de stabiliteit in onbeschadigde toestand, 2008”, als vervat in IMO-Resolutie MSC.267(85) van 4 december 2008, in hun bijgewerkte versies;”;

c)

punt g), ii), wordt vervangen door:

„ii)

hun maximumsnelheid als gedefinieerd in voorschrift 1.4.30 van de High Speed Craft Code van 1994 en voorschrift 1.4.1938 van de High Speed Craft code van 2000, is minder dan 20 knopen;”;

d)

punt m) wordt vervangen door:

„m)   „boeghoogte”: de boeghoogte als gedefinieerd in voorschrift 39 van het Internationaal Verdrag inzake de uitwatering van schepen van 1966;”;

e)

in punt q) wordt de eerste alinea vervangen door:

„q)   zeegebied”: een zeegebied of zeeroute als vastgesteld volgens artikel 4;”;

f)

punt r) wordt vervangen door:

„r)   „havengebied”: een gebied als omschreven door de lidstaat dat er jurisdictie over heeft, dat niet op grond van artikel 4 als zeegebied is aangewezen en zich uitstrekt tot aan de buitenste permanente havenwerken die een integrerend deel vormen van de haven, of tot aan de grenzen die zijn bepaald door natuurlijke geografische elementen die een estuarium of een soortgelijk beschermd gebied beschutten;”;

g)

punt s) wordt geschrapt;

h)

punt u) wordt vervangen door:

„u)   „havenstaat”: een lidstaat naar of vanuit welks haven(s) een onder een andere vlag dan die van die lidstaat varend schip of vaartuig binnenlandse reizen onderneemt;”;

i)

punt v) wordt vervangen door:

„v)   „erkende organisatie”: een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad (*1) erkende organisatie;

(*1)  Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 11).”;"

j)

punt y) wordt vervangen door:

„y)   „personen met verminderde mobiliteit”: personen voor wie het gebruik van het openbaar vervoer bijzondere moeilijkheden meebrengt, met inbegrip van ouderen, personen met een handicap, personen met zintuiglijke beperkingen, rolstoelgebruikers, zwangere vrouwen, en personen die kleine kinderen begeleiden;”

k)

de volgende punten worden toegevoegd:

„z)   „zeilschip”: een schip dat door zeilen wordt voortgestuwd, zelfs indien het over een mechanische nood- of hulpkrachtbron beschikt;

za)   „gelijkwaardig materiaal”: aluminiumlegering of elk ander niet-brandbaar materiaal waarvan de kenmerken inzake materiaalstructuur en -integriteit — hetzij uit zichzelf, hetzij dankzij de aanwezige isolatie — aan het einde van de van toepassing zijnde standaardbrandproef gelijkwaardig zijn aan die van staal;

zb)   „standaardbrandproef”: een proef waarbij gedeelten van de betrokken schotten of dekken in een proefoven worden blootgesteld aan temperaturen die ongeveer overeenkomen met de standaard tijdtemperatuurkromme overeenkomstig de testmethode die gespecificeerd is in de International Code for Application of Fire Test Procedures, vervat in de meest recente versie van IMO-resolutie MSC.307(88) van 3 december 2010;

zc)   „traditioneel schip”: elk type historisch passagiersschip dat voor 1965 is ontworpen, alsmede replica's daarvan, die hoofdzakelijk met de originele materialen zijn gebouwd, waaronder schepen die zijn ontworpen ter ondersteuning en promotie van traditionele ambachten en zeemanschap, die samen fungeren als levend cultureel erfgoed en worden geëxploiteerd overeenkomstig de traditionele zeemanstechnieken en -beginselen;

zd)   „plezierjacht of pleziervaartuig”: vaartuig dat niet voor handelsdoeleinden wordt gebruikt, ongeacht de voortstuwingsmiddelen;

ze)   „tender”: een door een schip vervoerde boot die wordt gebruikt voor de overbrenging van meer dan 12 passagiers tussen een schip dat voor anker ligt en de wal, en terug;

zf)   „offshoredienstschip”: een schip dat wordt gebruikt om industrieel personeel te vervoeren en te herbergen dat aan boord geen werk verricht dat essentieel is voor de exploitatie van het schip;

zg)   „offshoredienstvaartuig”: een vaartuig dat wordt gebruikt om industrieel personeel te vervoeren en te herbergen dat aan boord geen werk verricht dat essentieel is voor de exploitatie van het vaartuig;

zh)   „ingrijpende reparaties, aanpassingen en wijzigingen”: een van de volgende ingrepen:

elke wijziging waardoor de afmetingen van een schip aanzienlijk worden gewijzigd, zoals de verlenging door de toevoeging van een extra middenstuk,

elke wijziging waardoor de passagierscapaciteit van een schip aanzienlijk wordt gewijzigd, zoals de ombouw van een voertuigdek tot passagiersaccommodatie,

elke wijziging die de levensduur van een schip aanzienlijk verlengt, zoals het vernieuwen van de passagiersaccommodatie op een volledig dek,

elke ombouw van een willekeurig type schip tot passagiersschip.”.

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op de volgende passagiersschepen en -vaartuigen, ongeacht de vlag waaronder zij varen, wanneer zij voor binnenlandse reizen worden gebruikt:

a)

nieuwe en bestaande passagiersschepen van 24 meter of meer;

b)

hogesnelheidspassagiersvaartuigen.

Elke lidstaat moet, in zijn hoedanigheid van havenstaat, ervoor zorgen dat passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die varen onder de vlag van een staat die geen lidstaat is, volledig aan de eisen van deze richtlijn voldoen voordat zij mogen worden gebruikt voor binnenlandse reizen in die lidstaat.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

passagiersschepen zijnde:

i)

oorlogsschepen en troepentransportschepen;

ii)

zeilschepen;

iii)

schepen zonder mechanische voortstuwingsmiddelen;

iv)

uit ander materiaal dan staal of gelijkwaardig materiaal vervaardigde vaartuigen die niet onder de normen voor hogesnelheidsvaartuigen (Resolutie MSC 36 (63) of MSC.97 (73)) of dynamisch ondersteunde vaartuigen (Resolutie A.373 (X)) vallen;

v)

houten schepen van primitieve bouw;

vi)

traditionele schepen;

vii)

plezierjachten;

viii)

uitsluitend in havengebieden gebruikte schepen;

ix)

offshoreserviceschepen, of

x)

tenders;

b)

hogesnelheidspassagiersvaartuigen zijnde:

i)

vaartuigen voor oorlogsdoeleinden en troepentransport;

ii)

pleziervaartuigen;

iii)

uitsluitend in havengebieden gebruikte vaartuigen, of

iv)

offshoredienstvaartuigen.

3.   Lidstaten zonder zeehavens en zonder passagiersschepen of -vaartuigen onder hun vlag die onder deze richtlijn vallen, mogen afwijken van de bepalingen van deze richtlijn, behalve van de verplichting in de tweede alinea.

De lidstaten die wensen gebruik te maken van een dergelijke afwijking, delen de Commissie uiterlijk op 21 december 2019 mee of aan de voorwaarden is voldaan en houden de Commissie vervolgens jaarlijks op de hoogte van elke verdere wijziging. Deze lidstaten mogen onder deze richtlijn vallende passagiersschepen of -vaartuigen niet toestaan onder hun vlag te varen zolang zij de richtlijn niet hebben omgezet en uitgevoerd.”.

3)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

Categorieën zeegebieden en klassen passagiersschepen

1.   Zeegebieden worden in de volgende categorieën onderverdeeld:

„Gebied A”

een zeegebied buiten de zeegebieden B, C en D

„Gebied B”

een zeegebied waarvan de geografische coördinaten op geen enkel punt meer dan 20 mijl van de kustlijn verwijderd zijn, gerekend bij een gemiddelde tijhoogte, maar dat buiten de gebieden C en D ligt.

„Gebied C”

een zeegebied waarvan de geografische coördinaten op geen enkel punt meer dan 5 mijl van de kustlijn verwijderd zijn, gerekend bij een gemiddelde tijhoogte, maar buiten zeegebied D, indien aanwezig.

Voorts bedraagt de kans op een significante golfhoogte van meer dan 2,5 meter minder dan 10 % gedurende een periode van één jaar voor een schip dat het hele jaar door in de vaart is, of gedurende een specifieke periode voor een schip dat slechts een deel van het jaar, bijvoorbeeld in de zomer, in de vaart is.

„Gebied Df”

een zeegebied waarvan de geografische coördinaten op geen enkel punt meer dan 3 mijl van de kustlijn verwijderd zijn, gerekend bij een gemiddelde tijhoogte.

Voorts bedraagt de kans op een significante golfhoogte van meer dan 1,5 meter minder dan 10 % gedurende een periode van één jaar voor een schip dat het hele jaar door in de vaart is, of gedurende een specifieke periode voor een schip dat slechts een deel van het jaar, bijvoorbeeld in de zomer, in de vaart is.

2.   Elke lidstaat:

a)

stelt een lijst op van de zeegebieden onder zijn jurisdictie, en actualiseert deze indien nodig;

b)

bepaalt de binnengrens van het zeegebied dat het dichtst bij zijn kustlijn ligt;

c)

maakt de lijst bekend in een openbare databank die kan worden geraadpleegd op de internetsite van de bevoegde maritieme instantie;

d)

stelt de Commissie in kennis van de plaats waar de informatie zich bevindt, en van eventuele wijzigingen van de lijst.

3.   In afwijking van de verplichting om een lijst van zeegebieden op te stellen, kan Griekenland een lijst van zeeroutes in Griekenland opstellen, en waar nodig actualiseren, met gebruikmaking van dezelfde criteria als voor de categorieën in lid 1.

4.   Passagiersschepen worden, naargelang van het zeegebied waarin zij mogen varen, ingedeeld in de volgende klassen:

„Klasse A”

passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in de gebieden A, B, C en D.

„Klasse B”

passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in de gebieden B, C en D.

„Klasse C”

passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in de gebieden C en D.

„Klasse D”

passagiersschip dat wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in gebied D.

5.   Voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen gelden de categorieën van hoofdstuk 1 (1.4.10) en (1.4.11) van de High Speed Craft Code van 1994, dan wel van hoofdstuk 1 (1.4.12) en (1.4.13) van de High Speed Craft Code van 2000.”.

4)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Elke lidstaat erkent in zijn hoedanigheid van havenstaat, het veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsvaartuigen en de exploitatievergunning die door een andere lidstaat wordt afgegeven voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen, wanneer zij worden gebruikt voor binnenlandse reizen, of het in artikel 13 bedoelde veiligheidscertificaat voor passagiersschepen dat door een andere lidstaat wordt afgegeven voor passagiersschepen, wanneer zij worden gebruikt voor binnenlandse reizen.”;

b)

lid 3 wordt geschrapt;

c)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Uitrusting van zeeschepen die voldoet aan de overeenkomstig Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad (*2) vastgestelde eisen, wordt geacht te voldoen aan de vereisten van deze richtlijn.

(*2)  Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 146).”."

5)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

romp, hoofd- en hulpwerktuigen en elektrische en automatische installaties dienen te worden gebouwd en onderhouden volgens de classificatienormen vervat in de voorschriften van een erkende organisatie, of daaraan gelijkwaardige voorschriften die door een administratie worden toegepast overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad (*3);

(*3)  Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 47).”;"

ii)

punt c) wordt geschrapt;

b)

in punt b) van lid 2:

wordt punt ii) geschrapt;

wordt punt iii) vervangen door:

„iii)

niettegenstaande het bepaalde in punt i), worden nieuwe passagiersschepen van klasse D vrijgesteld van de eis inzake de minimumboeghoogte van het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966;”;

c)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de punten c) en d) worden vervangen door:

„c)

bestaande passagiersschepen van de klassen C en D dienen te voldoen aan de specifieke relevante eisen van deze richtlijn en, wat betreft zaken die niet onder deze eisen vallen, aan de regels van de administratie van de vlaggenstaat. Die regels dienen te voorzien in een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van bijlage I, hoofdstukken II-1 en II-2, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke plaatselijke bedrijfsomstandigheden in de zeegebieden waarin schepen van deze klassen mogen varen. Alvorens bestaande passagiersschepen van de klassen C en D voor geregelde binnenlandse reizen in een havenstaat kunnen worden gebruikt, dient de administratie van de vlaggenstaat de instemming van de havenstaat met die regels te verkrijgen;

d)

wanneer een lidstaat van mening is dat de door de administratie van de havenstaat op grond van punt c) voorgeschreven regels onredelijk zijn, stelt hij de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met daarin haar beslissing of die regels al dan niet redelijk zijn. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”;

ii)

de punten e) en f) worden geschrapt;

d)

lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt a) wordt het derde streepje vervangen door:

„—

het vaartuig volledig voldoet aan de eisen van de Code of Safety for Dynamically Supported Craft (DSC-code), als vervat in de meest actuele versie van IMO-Resolutie A.373(10);”;

ii)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

bij de bouw en het onderhoud van hogesnelheidspassagiersvaartuigen en hun uitrusting dient te worden voldaan aan de voorschriften voor classificatie van hogesnelheidsvaartuigen van een erkende organisatie of aan daarmee gelijkwaardige voorschriften die door een administratie worden toegepast overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2009/15/EG.”;

e)

de volgende leden worden toegevoegd:

„5.   Bij ingrijpende reparaties, verbouwingen en wijzigingen van nieuwe en bestaande schepen en de bijbehorende installaties dient te worden voldaan aan de voor nieuwe schepen geldende eisen, zoals uiteengezet in lid 2, punt a); verbouwingen van een schip die uitsluitend tot doel hebben een hogere overleefbaarheidsnorm te bereiken, worden niet als ingrijpende wijzigingen beschouwd.

6.   Schepen die vóór 20 december 2017 uit een gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd, dienen uiterlijk 22 december 2025 aan de eisen van deze richtlijn te voldoen.

7.   In afwijking van deze richtlijn kan een lidstaat die op 20 december 2017 meer dan 60 passagiersschepen onder zijn vlag heeft die zijn vervaardigd uit een aluminiumlegering de volgende passagiersschepen voor de volgende perioden vrijstellen van de bepalingen van deze richtlijn:

a)

passagiersschepen van de klassen B, C en D die na 20 december 2017 zijn vervaardigd uit een aluminiumlegering voor een periode van 10 jaar na die, en

b)

passagiersschepen van de klassen B, C en D die vóór 20 december 2017 zijn vervaardigd uit een aluminiumlegering, voor een periode van 12 jaar na die datum,

mits die schepen uitsluitend tussen havens van die lidstaat varen.

Een lidstaat die gebruik wenst te maken van deze afwijking, stelt de Commissie daarvan uiterlijk op 21 december 2019 in kennis en licht de Commissie ook in over de inhoud. Hij deelt ook elke latere wijziging aan de Commissie mee. De Commissie informeert de andere lidstaten overeenkomstig artikel 9, lid 4.”.

6)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Ro-ro-passagiersschepen van klasse C, waarvan de kielen werden gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk bouwstadium bevond op of na 1 oktober 2004, en alle ro-ro passagiersschepen van de klassen A en B voldoen aan de artikelen 6, 8 en 9 van Richtlijn 2003/25/EG.”.

b)

lid 2 wordt geschrapt;

7)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt de tweede alinea geschrapt;

b)

lid 4 wordt geschrapt.

8)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Een lidstaat mag volgens de procedure van lid 4 maatregelen treffen die gelijkwaardig zijn aan bepaalde specifieke eisen van deze richtlijn, mits die gelijkwaardige maatregelen minstens even doeltreffend zijn als de genoemde eisen.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Een lidstaat die gebruikmaakt van de in de leden 1, 2 of 3 verleende rechten moet de in de tweede tot en met zevende alinea van dit lid beschreven procedure in acht nemen.

De lidstaat stelt de Commissie in kennis van de maatregelen die hij voornemens is te treffen, en die kennisgeving bevat voldoende bijzonderheden om te bevestigen dat een toereikend veiligheidsniveau wordt gehandhaafd.

Indien de Commissie binnen zes maanden na de kennisgeving uitvoeringshandelingen vaststelt met daarin haar beslissing dat de voorgestelde maatregelen niet gerechtvaardigd zijn, wordt van de betrokken lidstaat geëist dat hij de voorgestelde maatregelen wijzigt of niet vaststelt. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

De vastgestelde maatregelen moeten in de relevante nationale wetgeving worden opgenomen en aan de Commissie en de andere lidstaten worden meegedeeld.

Elke maatregel dient te worden toegepast op alle passagiersschepen van dezelfde klasse of op vaartuigen wanneer die onder dezelfde nader omschreven omstandigheden varen, zonder onderscheid naar vlag, nationaliteit of plaats van vestiging van de exploitant van deze schepen of vaartuigen.

De in lid 3 bedoelde maatregelen gelden slechts zolang het schip of het vaartuig onder de aangegeven omstandigheden vaart.

De lidstaten melden de in de tweede en vierde alinea bedoelde maatregelen aan bij de Commissie door middel van een databank die de Commissie daartoe opzet en bijhoudt en waartoe de Commissie en de lidstaten toegang hebben. De Commissie maakt de getroffen maatregelen bekend op een publiekelijk toegankelijke website.”;

c)

in lid 5 wordt punt c) vervangen door:

„c)

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met daarin haar beslissing of het besluit van de lidstaat om de exploitatie van dit schip of vaartuig op te schorten of aanvullende veiligheidsmaatregelen op te leggen, al dan niet gerechtvaardigd is wegens ernstig gevaar voor de veiligheid van de mens, eigendommen of het milieu, en indien de opschorting of het opleggen van aanvullende maatregelen niet gerechtvaardigd is, wordt de betrokken lidstaat verzocht de opschorting of de maatregelen in te trekken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

9)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt d) vervangen door:

„d)

de specifieke verwijzingen naar de „internationale verdragen” en IMO-resoluties bedoeld in artikel 2, punten g), m), q) en zb), artikel 3, lid 2, onder a), artikel 6, lid 1, onder b), en artikel 6, lid 2), onder b).”;

b)

in lid 2:

i)

wordt punt b) vervangen door:

„b)

de technische specificaties vervat in de wijzigingen van de internationale verdragen voor schepen van de klassen B, C en D en vaartuigen aan te passen in het licht van de opgedane ervaring;”;

ii)

worden de volgende punten toegevoegd:

„c)

technische onderdelen te vereenvoudigen en te verduidelijken in het licht van de bij hun uitvoering opgedane ervaring;

d)

de verwijzingen naar andere Unie-instrumenten die van toepassing zijn op binnenlandse passagiersschepen, te actualiseren.”;

c)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

„3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de wijzigingen van deze richtlijn bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel aan te nemen.

4.   In uitzonderlijke omstandigheden, indien terdege gemotiveerd door een adequate analyse door de Commissie en ter voorkoming van een ernstige en onaanvaardbare dreiging voor de maritieme veiligheid, voor de gezondheid, voor het leven of de werkomstandigheden aan boord of voor het mariene milieu, dan wel ter voorkoming van een onverenigbaarheid met de maritieme wetgeving van de Unie, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn zodanig te wijzigen dat een wijziging van de in artikel 2 bedoelde internationale instrumenten niet wordt toegepast in het kader van deze richtlijn.

Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de internationaal vastgestelde periode voor stilzwijgende goedkeuring van de betrokken wijziging of de beoogde datum van inwerkingtreding van die wijziging vastgesteld. In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van een dergelijke gedelegeerde handeling nemen de lidstaten geen initiatieven om die wijziging op te nemen in hun nationale wetgeving of om de wijziging van het betrokken internationaal instrument toe te passen.”.

10)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 10 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De in artikel 10, leden 3 en 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 10, leden 3 en 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 20 december 2017. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10, leden 3 en 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 10, lid 3 of 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.”.

11)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (*4) van toepassing.

(*4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”;"

b)

lid 3 wordt geschrapt.

12)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Elk passagiersschip moet door de administratie van de vlaggenstaat worden onderworpen aan de in de punten a), b) en c) vermelde onderzoeken:

a)

een eerste onderzoek voordat het schip in bedrijf wordt gesteld;

b)

een periodiek onderzoek om de twaalf maanden, en

c)

aanvullende onderzoeken, indien nodig.”;

b)

lid 2 wordt geschrapt.

13)

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Alle nieuwe en bestaande passagiersschepen die aan de eisen van deze richtlijn voldoen, moeten beschikken over een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen dat strookt met deze richtlijn. Dit certificaat dient de in bijlage II vastgelegde vorm te hebben. Dit certificaat wordt afgegeven door de administratie van de vlaggenstaat nadat het eerste onderzoek als omschreven in artikel 12, lid 1, punt a), heeft plaatsgevonden.”;

b)

in lid 3 wordt de derde alinea vervangen door:

„Voordat zij de exploitatievergunning afgeeft voor hogesnelheidspassagiersvaartuigen die worden gebruikt voor binnenlandse reizen in een havenstaat, overlegt de administratie van de vlaggenstaat met de havenstaat over eventuele operationele voorwaarden waaronder de exploitatie van dat vaartuig in die staat moet plaatsvinden. Deze voorwaarden moeten door de administratie van de vlaggenstaat worden vermeld op de exploitatievergunning.”;

c)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Overeenkomstig artikel 9, leden 1, 2 en 3, moeten voor schepen of vaartuigen ingestelde aanvullende veiligheidsmaatregelen, gelijkwaardige maatregelen en vrijstellingen op het certificaat van het schip of van het vaartuig worden vermeld.”.

14)

Artikel 14 wordt geschrapt.

15)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 16 bis

Evaluatie

De Commissie evalueert de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en deelt de resultaten van die evaluatie uiterlijk 22 december 2026 mee aan het Europees Parlement en de Raad.”.

16)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in hoofdstuk II-2, deel A, punt 13.1, wordt de eerste alinea vervangen door:

„Aan boord van elk passagiersschip moeten ter instructie van de scheepsofficieren algemene plannen permanent zijn opgehangen op daarvoor in aanmerking komende plaatsen waarop voor elk dek duidelijk zijn aangegeven de controlestations, de verschillende brandsecties omgeven door schotten van klasse A, de secties omgeven door schotten van klasse B, alsmede aanwijzingen betreffende de brandontdekkingsinstallaties, de brandalarminstallaties, de sprinklerinstallatie, de brandblusmiddelen, de toegangen tot de verschillende compartimenten, dekken enz. en het ventilatiesysteem met inbegrip van bijzonderheden omtrent de plaatsen waar de ventilatoren kunnen worden bediend, de plaatsen van de brandkleppen en de nummers van de ventilatoren die elke sectie bedienen. In plaats daarvan mogen de genoemde details zijn opgenomen in een boekje, waarvan een exemplaar moet worden verstrekt aan iedere officier, terwijl één exemplaar steeds aan boord op een toegankelijke plaats beschikbaar moet zijn. Plannen en boekjes moeten goed worden bijgehouden door veranderingen zo spoedig mogelijk daarbij in aan te brengen. De beschrijving van die plannen en boekjes dienen in de officiële taal van de vlaggenstaat gesteld te zijn. Indien deze taal Engels noch Frans is, moet er een vertaling in één van deze talen worden toegevoegd. Indien het schip wordt gebruikt voor binnenlandse reizen in een andere lidstaat, moet een vertaling in de officiële taal van die havenstaat, indien het om een andere taal dan Engels of Frans gaat, worden toegevoegd.”;

b)

in hoofdstuk III, punt 2, wordt het inleidende deel van voetnoot 1 bij de tabel vervangen door:

„Groepsreddingsmiddelen kunnen bestaan uit reddingsboten of reddingsvlotten of een combinatie daarvan, in overeenstemming met voorschrift III/2.2. De administratie van de vlaggenstaat kan, wanneer dat gerechtvaardigd is op grond van de beschutte aard van de reizen en/of de gunstige klimatologische omstandigheden in het vaargebied, en op voorwaarde dat de havenlidstaat dit niet afwijst, met betrekking tot de aanbevelingen van IMO MSC/Circ.1046 het volgende aanvaarden:”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 21 december 2019 de bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 21 december 2019.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 15 november 2017.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

M. MAASIKAS


(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 167.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 oktober 2017.

(3)  Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 163 van 25.6.2009, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10).

(5)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

(6)  Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen (PB L 123 van 17.5.2003, blz. 22).

(7)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(8)  Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1).


30.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 315/52


RICHTLIJN (EU) 2017/2109 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 november 2017

tot wijziging van Richtlijn 98/41/EG van de Raad inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen en Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Nauwkeurige en tijdige informatie over het aantal opvarenden of hun identiteit is essentieel voor de voorbereiding en effectiviteit van opsporings- en reddingsoperaties. Bij een ongeval op zee kan optimale en volledige samenwerking tussen de bevoegde nationale instanties van de betrokken staat of staten, de scheepsexploitant en hun vertegenwoordigers sterk bijdragen aan de effectiviteit van de operaties. Een aantal aspecten van die samenwerking zijn geregeld bij Richtlijn 98/41/EG van de Raad (3).

(2)

Uit de resultaten van de geschiktheidscontrole in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT) en de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 98/41/EG, is gebleken dat gegevens over opvarenden niet altijd meteen beschikbaar zijn voor de bevoegde instanties wanneer zij die nodig hebben. Om iets aan deze situatie te doen, moeten de huidige eisen van Richtlijn 98/41/EG in overeenstemming worden gebracht met de eisen voor het melden van gegevens langs elektronische weg, wat zal leiden tot meer efficiëntie. Digitalisering zal ook een betere toegang tot gegevens over een groot aantal passagiers in noodsituaties of in de nasleep van een ongeval op zee mogelijk maken.

(3)

De afgelopen 17 jaar zijn belangrijke technologische vorderingen gemaakt wat de communicatiemiddelen voor en de opslag van gegevens over scheepsbewegingen betreft. Langs de Europese kusten zijn verschillende verplichte scheepsmeldingssystemen opgezet overeenkomstig de voorschriften ter zake van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). Zowel het Unierecht als het nationale recht waarborgt dat schepen voldoen aan de voor die systemen geldende meldingsverplichtingen. Nu is het noodzakelijk dat vooruitgang wordt geboekt op het vlak van technologische innovatie aan de hand van de tot nu toe behaalde resultaten, ook op internationaal niveau, waarbij altijd het criterium van technologische neutraliteit moet worden gehandhaafd.

(4)

Het verzamelen, het doorgeven en het delen van scheepsgegevens zijn mogelijk gemaakt, vereenvoudigd en geharmoniseerd door het nationale elektronische platform bedoeld in Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) en het systeem van de Unie voor de uitwisseling van maritieme informatie (SafeSeaNet) bedoeld in Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (5). De krachtens Richtlijn 98/41/EG vereiste gegevens over de opvarenden moeten daarom worden gemeld aan het nationale elektronische platform,zodat de bevoegde instantie meteen toegang heeft tot de gegevens in een noodsituatie of in de nasleep van een ongeval op zee. Het aantal opvarenden moet worden gemeld aan het nationale elektronische platform met gebruikmaking van passende, door de lidstaten zelf gekozen technische middelen. Een andere optie is dat het moet worden gemeld aan de aangewezen instantie door middel van het automatische identificatiesysteem.

(5)

Om de verstrekking en uitwisseling van informatie in het kader van deze richtlijn te vergemakkelijken en de administratieve lasten te verlichten, dienen de lidstaten gebruik te maken van de bij Richtlijn 2010/65/EU vastgestelde geharmoniseerde meldingsformaliteiten. Bij een ongeval met gevolgen voor meer dan één lidstaat, moeten de lidstaten informatie ter beschikking stellen van de andere lidstaten via het SafeSeaNet-systeem.

(6)

Om de lidstaten voldoende tijd te geven om nieuwe functionaliteiten toe te voegen aan de nationale elektronische platformen, is het zinvol te voorzien in een overgangsperiode tijdens welke de lidstaten het huidige systeem voor de registratie van de opvarenden van passagiersschepen kunnen blijven gebruiken.

(7)

De vooruitgang die is geboekt met de ontwikkeling van de nationale elektronische platformen, moet als basis dienen voor de ontwikkeling in de toekomst van een omgeving met één Europees elektronisch platform.

(8)

De lidstaten moeten exploitanten, en met name kleinere exploitanten, aansporen om gebruik te maken van het nationale elektronische platform. Met het oog op de naleving van het evenredigheidsbeginsel moeten de lidstaten echter de mogelijkheid hebben om, onder bepaalde voorwaarden, kleinere exploitanten die nog geen gebruikmaken van het nationale elektronische platform en voornamelijk actief zijn op korte binnenlandse reizen van minder dan 60 minuten, vrij te stellen van de verplichting om het aantal opvarenden te melden aan het nationale elektronische platform.

(9)

Teneinde rekening te houden met de specifieke geografische ligging van de eilanden Helgoland en Bornholm en de aard van de vervoerverbindingen ervan met het vasteland, moeten Duitsland, Denemarken en Zweden meer tijd krijgen om de lijst van opvarenden op te stellen en moeten zij deze gegevens gedurende een overgangsperiode volgens het huidige systeem kunnen verstrekken.

(10)

De lidstaten moeten de mogelijkheid blijven behouden om het minimum van 20 mijl voor het registreren en melden van de lijst van opvarenden te verlagen. Dit recht omvat ook reizen met passagiersschepen die een groot aantal passagiers vervoeren en tijdens één langere reis opeenvolgende havens aandoen op een afstand van minder dan 20 mijl. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten het minimum van 20 mijl kunnen verlagen, zodat de krachtens deze richtlijn vereiste gegevens kunnen worden geregistreerd met betrekking tot opvarenden die zijn ingescheept in de eerste haven of in de tussenliggende havens.

(11)

Teneinde bij een ongeval tijdig betrouwbare informatie aan familieleden te verstrekken, onnodige vertragingen in de consulaire bijstand en andere diensten te beperken en identificatieprocedures te vergemakkelijken, moeten ook gegevens over de nationaliteit van de opvarenden worden verstrekt. De lijst van de voor reizen van meer dan 20 mijl vereiste gegevens moet worden vereenvoudigd en verduidelijkt, en zo veel mogelijk worden afgestemd op de meldingsverplichtingen voor het nationale elektronische platform.

(12)

In het licht van de verbeteringen betreffende de elektronische middelen voor de registratie van gegevens, en rekening houdend met het feit dat persoonsgegevens vóór het vertrek van het schip worden verzameld, moet de huidige termijn van 30 minuten in Richtlijn 98/41/EG worden verlaagd tot 15 minuten.

(13)

Het is belangrijk dat voor elke opvarende wordt voorzien in duidelijke instructies die bij een noodsituatie moeten worden gevolgd, in overeenstemming met de internationale voorschriften.

(14)

Om de rechtszekerheid te verhogen en de samenhang met verwante Uniewetgeving te verbeteren, en met name Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), moeten een aantal achterhaalde, dubbelzinnige en verwarrende verwijzingen worden geactualiseerd of geschrapt. De definitie van „passagiersschip” moet worden afgestemd op andere Uniewetgeving, zonder het toepassingsgebied van deze richtlijn te buiten te gaan. De definitie van „beschutte wateren” moet worden vervangen door een begrip dat is afgestemd op Richtlijn 2009/45/EG met het oog op de vrijstellingen in het kader van deze richtlijn, waarbij de nabijheid van opsporings- en reddingsvoorzieningen moet worden gegarandeerd. De definitie van „passagiersregistratiebeambte” moet worden aangepast aan de nieuwe taakomschrijving, waarvan het bewaren van gegevens niet langer deel uitmaakt. De definitie van „aangewezen instantie” moet de bevoegde instanties omvatten die direct of indirect toegang hebben tot de krachtens deze richtlijn vereiste gegevens. De overeenkomstige eisen voor passagiersregistratiesystemen van maatschappijen moeten worden geschrapt.

(15)

Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op plezierjachten of pleziervaartuigen. De richtlijn mag met name niet van toepassing zijn op plezierjachten of pleziervaartuigen die in rompbevrachting gegeven zijn en vervolgens geen passagiers vervoeren voor handelsdoeleinden.

(16)

De lidstaten moeten verantwoordelijk blijven voor het toezicht op de naleving van de gegevensregistratievoorschriften van Richtlijn 98/41/EG en met name voor de nauwkeurige en tijdige registratie van de gegevens. Teneinde de consistentie van de gegevens te waarborgen, moet het mogelijk zijn steekproefsgewijs controles uit te voeren.

(17)

Voor zover de maatregelen van de Richtlijnen 98/41/EG en 2010/65/EU de verwerking van persoonsgegevens met zich meebrengen, dient deze verwerking te geschieden overeenkomstig het Unierecht inzake de bescherming van persoonsgegevens, met name Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (7) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (8). In het bijzonder, en onverminderd andere wettelijke verplichtingen krachtens het gegevensbeschermingsrecht, mogen persoonsgegevens die zijn verzameld overeenkomstig Richtlijn 98/41/EG, niet voor andere doeleinden worden verwerkt of gebruikt, en mogen zij niet langer worden bewaard dan nodig is voor de toepassing van Richtlijn 98/41/EG. Persoonsgegevens moeten derhalve automatisch en zonder onnodige vertraging worden gewist zodra de reis van het schip veilig is voltooid of in voorkomend geval na afronding van een onderzoek of gerechtelijke procedure in de nasleep van een ongeval of een noodsituatie.

(18)

Rekening houdend met de stand van de techniek en de uitvoeringskosten moet elke maatschappij passende technische en organisatorische maatregelen nemen om de krachtens deze richtlijn verwerkte persoonsgegevens te beschermen tegen onopzettelijke of onrechtmatige vernietiging of onopzettelijk verlies, wijziging, en ongeoorloofde bekendmaking of toegang, overeenkomstig de Uniewetgeving en de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming.

(19)

In het licht van het evenredigheidsbeginsel en aangezien passagiers er zelf baat bij hebben correcte gegevens te verstrekken, volstaat de huidige wijze van verzamelen van persoonsgegevens op basis van verklaringen door de passagiers zelf voor de toepassing van Richtlijn 98/41/EG. Tegelijk moeten elektronische registratie- en controlesystemen waarborgen dat voor elke opvarende unieke gegevens worden geregistreerd.

(20)

De Commissie dient een databank op te zetten en te onderhouden om de transparantie te verhogen en de aanmelding van vrijstellingen en afwijkingsverzoeken door de lidstaten te faciliteren. In die databank moet zowel het ontwerp als de aangenomen versie van de aangemelde maatregelen worden opgenomen. De getroffen maatregelen moeten openbaar worden gemaakt.

(21)

De gegevens over de melding van vrijstellingen en afwijkingsverzoeken door de lidstaten moeten worden geharmoniseerd en gecoördineerd om een zo doeltreffend mogelijk gebruik van deze gegevens te garanderen.

(22)

In het licht van de bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ingevoerde wijzigingen moeten de aan de Commissie voor de uitvoering van Richtlijn 98/41/EG verleende bevoegdheden worden bijgewerkt. Er moeten uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(23)

Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau en de transparantie te verbeteren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het niet toepassen, in het kader van deze richtlijn, van wijzigingen van de internationale instrumenten, indien nodig. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(24)

In het licht van de volledige monitoringcyclus van inspecties door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid moet de Commissie de uitvoering van Richtlijn 98/41/EG uiterlijk 22 december 2026 evalueren en hierover verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten moeten samenwerken met de Commissie om alle voor die evaluatie vereiste informatie te verzamelen.

(25)

In het licht van de wijzigingen van Richtlijn 98/41/EG moeten gegevens over de opvarenden worden opgenomen in de lijst van meldingsformaliteiten bedoeld in deel A van de bijlage bij Richtlijn 2010/65/EU.

(26)

Om onevenredige administratieve lasten te vermijden voor lidstaten zonder zeegrens die geen zeehavens hebben en die geen passagiersschepen onder hun vlag hebben die onder deze richtlijn vallen, moeten dergelijke lidstaten van de bepalingen van deze richtlijn kunnen afwijken. Dit betekent dat zij, zolang aan deze voorwaarde is voldaan, niet gehouden zijn deze richtlijn om te zetten.

(27)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op 9 december 2016 formeel advies uitgebracht.

(28)

De Richtlijnen 98/41/EG en 2010/65/EU moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 98/41/EG

Richtlijn 98/41/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het tweede streepje wordt vervangen door:

„—   „passagiersschip”: schip of hogesnelheidsvaartuig dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers,”;

b)

het zesde streepje wordt vervangen door:

„—   „passagiersregistratiebeambte”: in voorkomend geval, de verantwoordelijke persoon die door een maatschappij is aangewezen om aan de verplichtingen van de ISM-code te voldoen, dan wel een persoon die door een maatschappij is aangewezen als verantwoordelijke voor de overdracht van de gegevens van personen die aan boord zijn gegaan van een passagiersschip van de maatschappij,”;

c)

het zevende streepje wordt vervangen door:

„—   „aangewezen instantie”: de bevoegde instantie van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de opsporings- en reddingsoperaties of betrokken is bij de nasleep van een ongeval en die toegang heeft tot de krachtens deze richtlijn vereiste gegevens,”;

d)

het negende streepje wordt geschrapt;

e)

in het tiende streepje wordt de inleidende zin vervangen door:

„—   „geregelde dienst”: een reeks oversteken door een schip waarmee de verbinding tussen dezelfde twee of meer havens wordt onderhouden, of een reeks reizen van en naar dezelfde haven waarbij geen tussenliggende havens worden aangedaan, hetzij:”;

f)

het volgende streepje wordt toegevoegd:

„—   „havengebied”: een gebied als gedefinieerd in artikel 2, onder r), van Richtlijn 2009/45/EG,”;

g)

het volgende streepje wordt toegevoegd:

„—   „plezierjacht of pleziervaartuig”: vaartuig dat niet voor handelsdoeleinden wordt gebruikt, ongeacht de voortstuwingsmiddelen ervan.”.

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

1.   Deze richtlijn is van toepassing op passagiersschepen, met uitzondering van:

oorlogsschepen en troepentransportschepen,

plezierjachten en pleziervaartuigen,

schepen die uitsluitend in havengebieden of binnenwateren worden gebruikt.

2.   Lidstaten zonder zeehavens en zonder passagiersschepen onder hun vlag die onder deze richtlijn vallen, mogen afwijken van de bepalingen van deze richtlijn, behalve van de verplichting in de tweede alinea.

De lidstaten die van een afwijking gebruik wensen te maken, delen de Commissie uiterlijk op 21 december 2019 mee of aan de voorwaarden is voldaan, en houden de Commissie vervolgens jaarlijks op de hoogte van elke verdere wijziging. Deze lidstaten mogen onder deze richtlijn vallende passagiersschepen niet toestaan onder hun vlag te varen zolang zij de richtlijn niet hebben omgezet en uitgevoerd.”.

3)

In artikel 4 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Vóór het vertrek van een passagiersschip wordt het aantal opvarenden meegedeeld aan de kapitein van het schip en met passende technische middelen gemeld aan het krachtens artikel 5 van Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1) ingestelde elektronische platform of, indien de lidstaat dit wenst, meegedeeld via het automatisch identificatiesysteem aan de aangewezen instantie.

Gedurende een overgangsperiode van zes jaar met ingang van 20 december 2017 kunnen de lidstaten toestaan dat gegevens nog worden meegedeeld aan de passagiersregistratiebeambte van de maatschappij of het systeem aan de wal van de maatschappij dat hetzelfde doel dient, in plaats van te vereisen dat het aan het elektronische platform of via het automatisch identificatiesysteem aan de aangewezen instantie wordt gemeld.

(*1)  Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG (PB L 283 van 29.10.2010, blz. 1).”."

4)

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

1.   Indien een passagiersschip vanuit een haven in een lidstaat vertrekt voor een reis waarvan de afstand tussen het vertrekpunt en de volgende aanloophaven meer dan 20 zeemijl bedraagt, worden de volgende gegevens geregistreerd:

de familienamen van de opvarenden, hun voornamen, hun geslacht, hun nationaliteit en hun geboortedatum;

door passagiers op eigen initiatief verstrekte informatie in verband met speciale zorg of bijstand die in een noodsituatie noodzakelijk kan zijn;

indien de lidstaat daarvoor kiest, een door passagiers op eigen initiatief verstrekt contactnummer voor noodsituaties.

2.   De in lid 1 vermelde gegevens worden vóór het vertrek van het passagiersschip verzameld en bij het vertrek van het passagiersschip, d.w.z. ten laatste binnen 15 minuten na het vertrek van dat schip, gemeld aan het krachtens artikel 5 van Richtlijn 2010/65/EU ingestelde elektronische platform.

3.   Gedurende een overgangsperiode van zes jaar met ingang van 20 december 2017 kunnen de lidstaten toestaan dat gegevens nog worden meegedeeld aan de passagiersregistratiebeambte van de maatschappij of het systeem aan de wal van de maatschappij dat hetzelfde doel dient, in plaats van te vereisen dat het aan het elektronische platform wordt gemeld.

4.   Onverminderd andere wettelijke verplichtingen overeenkomstig de Uniewetgeving en de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming mogen in het kader van deze richtlijn verzamelde persoonsgegevens niet voor andere doeleinden worden verwerkt of gebruikt. Deze persoonsgegevens worden altijd behandeld overeenkomstig het Unierecht inzake gegevensbescherming en privacy, en worden automatisch en zonder onnodige vertraging gewist zodra ze niet meer nodig zijn.”.

5)

In artikel 6 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Voor schepen die onder de vlag van een derde land varen, uit een haven buiten de Unie vertrekken en als bestemming een haven op het grondgebied van een lidstaat hebben, moet de betrokken lidstaat de maatschappij ertoe verplichten de in artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens te verstrekken overeenkomstig artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2.”.

6)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

1.   Alle maatschappijen die de verantwoordelijkheid dragen voor de exploitatie van een passagiersschip moeten, wanneer dat vereist is krachtens de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn, een passagiersregistratiebeambte aanstellen die belast wordt met het melden van de in die artikelen bedoelde gegevens aan het krachtens artikel 5 van Richtlijn 2010/65/EU ingestelde elektronische platform of aan de aangewezen instantie via het automatisch identificatiesysteem.

2.   Overeenkomstig artikel 5 van deze richtlijn verzamelde persoonsgegevens worden door de maatschappij niet langer bewaard dan voor de toepassing van deze richtlijn noodzakelijk is, en in ieder geval uiterlijk totdat de betrokken reis van het schip veilig is voltooid en de gegevens zijn gemeld aan het krachtens artikel 5 van Richtlijn 2010/65/EU ingestelde elektronische platform. Onverminderd andere specifieke wettelijke verplichtingen krachtens het Unierecht of het nationale recht, onder meer voor statistische doeleinden, worden de gegevens automatisch en zonder onnodige vertraging gewist zodra ze daartoe niet meer nodig zijn.

3.   Elke maatschappij zorgt ervoor dat gegevens over passagiers die hebben verklaard in noodsituaties speciale zorg of bijstand nodig te hebben, terdege worden geregistreerd en vóór het vertrek van het passagiersschip aan de kapitein worden meegedeeld.”.

7)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

punt a) wordt geschrapt;

de punten b) en c) worden vervangen door:

„2.   Een lidstaat uit wiens haven een passagiersschip vertrekt, kan het passagiersschip vrijstellen van de verplichting het aantal opvarenden te melden aan het krachtens artikel 5 van Richtlijn 2010/65/EU ingestelde elektronische platform, mits het betrokken schip geen hogesnelheidsvaartuig is, het geregelde diensten onderhoudt met een reisafstand van minder dan één uur tussen aanloophavens die uitsluitend in zeegebied D als vastgesteld krachtens artikel 4 van Richtlijn 2009/45/EG gelegen zijn, en de nabijheid van opsporings- en reddingsvoorzieningen in dat zeegebied is verzekerd.

Een lidstaat kan passagiersschepen die reizen uitvoeren tussen twee havens of van en naar dezelfde haven en daarbij geen tussenliggende havens aandoen, vrijstellen van de in artikel 5 van deze richtlijn neergelegde verplichtingen, mits het betrokken schip uitsluitend in zeegebied D als vastgesteld krachtens artikel 4 van Richtlijn 2009/45/EG opereert, en de nabijheid van opsporings- en reddingsvoorzieningen in dat zeegebied is verzekerd.”;

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„In afwijking van artikel 5, lid 2, en onverminderd de in artikel 5, lid 3, neergelegde overgangsperiode, hebben de volgende lidstaten het recht de volgende vrijstellingen toe te passen:

i)

Duitsland kan de termijnen voor het verzamelen en melden van de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens verlengen tot één uur na vertrek in het geval van passagiersschepen die van en naar het eiland Helgoland varen, en

ii)

Denemarken en Zweden kunnen de termijnen voor het verzamelen en melden van de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens verlengen tot één uur na vertrek in het geval van passagiersschepen die van en naar het eiland Bornholm varen.”;

b)

in lid 3 worden de punten a) en b) vervangen door:

„a)

De lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van zijn besluit om een vrijstelling te verlenen van de verplichtingen uit hoofde van artikel 5, met opgave van gegronde redenen daarvoor. Deze kennisgeving gebeurt door middel van een daartoe door de Commissie opgezette en bijgehouden databank, die voor de Commissie en de lidstaten toegankelijk is. De Commissie maakt de getroffen maatregelen bekend op een publiekelijk toegankelijke website;

b)

Indien de Commissie binnen zes maanden na een dergelijke kennisgeving van mening is dat de vrijstelling niet gerechtvaardigd is of de mededinging kan schaden, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om de lidstaat te verplichten zijn besluit te wijzigen of in te trekken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”;

c)

in lid 4 wordt de derde alinea vervangen door:

„Het verzoek wordt bij de Commissie ingediend via de databank bedoeld in lid 3. Indien de Commissie binnen zes maanden na een dergelijk verzoek van mening is dat de afwijking niet gerechtvaardigd is of de mededinging kan schaden, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om de lidstaat te verplichten het voorgestelde besluit te wijzigen of niet vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

8)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat maatschappijen een procedure voor de registratie van gegevens hebben die waarborgt dat de krachtens deze richtlijn vereiste gegevens nauwkeurig en tijdig worden gemeld.

2.   Elke lidstaat wijst de instantie aan die toegang krijgt tot de krachtens deze richtlijn vereiste gegevens. De lidstaten zorgen ervoor dat die aangewezen instantie in een noodsituatie of in de nasleep van een ongeval onmiddellijk toegang heeft tot de krachtens deze richtlijn vereiste gegevens.

3.   Overeenkomstig artikel 5 verzamelde persoonsgegevens worden door de lidstaten niet langer bewaard dan voor de toepassing van deze richtlijn noodzakelijk is, en in ieder geval niet langer dan:

a)

tot het moment waarop de betrokken reis van het schip veilig is voltooid, maar in elk geval niet langer dan zestig dagen na het vertrek van het schip, of

b)

in het geval van een noodsituatie of in de nasleep van een ongeval, totdat de mogelijke onderzoeken of gerechtelijke procedures zijn afgerond.

4.   Onverminderd andere specifieke wettelijke verplichtingen krachtens het Unierecht of het nationale recht, onder meer verplichtingen voor statistische doeleinden, worden de gegevens automatisch en zonder onnodige vertraging gewist zodra ze voor de toepassing van deze richtlijn niet meer nodig zijn.”.

9)

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn worden de vereiste gegevens zodanig verzameld en geregistreerd dat de passagiers bij het in- of uitschepen geen onnodige vertraging oplopen.

2.   Vermeden wordt dat op eenzelfde of vergelijkbare route meermaals gegevens worden verzameld.”.

10)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 bis

1.   De verwerking van persoonsgegevens krachtens deze richtlijn geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (*2).

2.   De verwerking van persoonsgegevens door instellingen en organen van de Unie krachtens deze richtlijn, onder meer in het elektronische platform en het SafeSeaNet, geschiedt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (*3).

(*2)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1)."

(*3)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).”."

11)

Artikel 12 wordt vervangen door:

„Artikel 12

1.   In uitzonderlijke omstandigheden, en indien terdege gemotiveerd door een adequate analyse van de Commissie en met het oog op het voorkomen van een ernstige en onaanvaardbare dreiging voor de maritieme veiligheid, dan wel van onverenigbaarheid met de maritieme Uniewetgeving, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn in die zin te wijzigen dat een wijziging van de in artikel 2 bedoelde internationale instrumenten niet wordt toegepast in het kader van deze richtlijn.

2.   Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de internationaal vastgestelde periode voor stilzwijgende goedkeuring van de betreffende wijziging of de beoogde datum van inwerkingtreding van die wijziging vastgesteld. In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van een dergelijke gedelegeerde handeling nemen de lidstaten geen initiatieven om die wijziging op te nemen in hun nationale wetgeving of om de wijziging van het betrokken internationaal instrument toe te passen.”.

12)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 12 bis

1.   De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 20 december 2017. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

13)

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (*4) van toepassing.

(*4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”;"

b)

lid 3 wordt geschrapt.

14)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 14 bis

De Commissie evalueert de uitvoering van deze richtlijn en deelt de resultaten van die evaluatie uiterlijk op 22 december 2026 mee aan het Europees Parlement en de Raad.

Uiterlijk op 22 december 2022 legt de Commissie een tussentijds verslag over de uitvoering van deze richtlijn voor aan het Europees Parlement en de Raad.”.

Artikel 2

Wijzigingen van de bijlage bij Richtlijn 2010/65/EU

Aan deel A van de bijlage bij Richtlijn 2010/65/EU wordt het volgende punt toegevoegd:

„7.   Informatie betreffende opvarenden

Artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2, van Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35).”.

Artikel 3

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 21 december 2019 de bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 21 december 2019.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 15 november 2017.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

M. MAASIKAS


(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 172.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 oktober 2017.

(3)  Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35).

(4)  Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG (PB L 283 van 29.10.2010, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10).

(6)  Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 163 van 25.6.2009, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


30.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 315/61


RICHTLIJN (EU) 2017/2110 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 november 2017

betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Uniewetgeving inzake een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen dateert van 1999. Die wetgeving moet worden bijgewerkt om rekening te houden met de vorderingen bij de uitvoering van de havenstaatcontroleregeling die is vastgesteld bij Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) en met de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van het op 26 januari 1982 in Parijs ondertekende Memorandum van overeenstemming inzake havenstaatcontrole („Memorandum van Parijs”).

(2)

Uit een geschiktheidscontrole in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (REFIT) blijkt dat het Unierechtskader inzake de veiligheid van passagiersschepen voor een gemeenschappelijk veiligheidsniveau voor passagiersschepen in de Unie heeft gezorgd. Uit de controle blijkt ook dat door de wijze waarop het Unierecht inzake de veiligheid van passagiers zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld als reactie op verschillende behoeften en situaties, er een zekere mate van overlapping en dubbel werk is ontstaan, wat kan en moet worden gestroomlijnd en vereenvoudigd om de administratieve lasten voor reders te verminderen en om de van de maritieme instanties van de lidstaten verwachte inspanningen te rationaliseren.

(3)

Waar mogelijk combineren de meeste lidstaten de verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-passagiersschepen reeds met andere soorten onderzoeken en inspecties, namelijk onderzoeken door de vlaggenstaat en inspecties in het kader van de havenstaatcontrole. Om het aantal inspecties verder te verminderen en ervoor te zorgen dat het schip of vaartuig maximaal beschikbaar is voor commerciële exploitatie, terwijl dezelfde strenge veiligheidsnormen gehandhaafd blijven, moeten vaartuigen die onderworpen zijn aan inspecties in het kader van de havenstaatcontrole binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2009/16/EG worden gebracht. Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet worden beperkt tot ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die geregelde diensten verzekeren tussen havens in een lidstaat of tussen een haven in een lidstaat en een haven in een derde land, waarbij het schip onder de vlag van de betrokken lidstaat vaart. Op vaartuigen die worden ingezet op geregelde diensten met ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen tussen een lidstaat en een derde land, moet Richtlijn 2009/16/EG van toepassing zijn indien het vaartuig niet onder de vlag van de betrokken lidstaat vaart.

(4)

Het concept „staat van ontvangst” is bij Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (4) ingevoerd vóór de uitbreiding van de Unie in 2004 om de samenwerking met derde landen te vergemakkelijken. Dat concept is niet langer relevant en moet dus worden geschrapt.

(5)

Richtlijn 1999/35/EG bepaalt dat de staten van ontvangst per periode van twaalf maanden een specifiek onderzoek en een onderzoek tijdens een geregelde dienst moeten verrichten. Deze eis diende ervoor te zorgen dat die twee inspecties worden verricht met voldoende tussentijd, maar uit de geschiktheidscontrole in het kader van het REFIT is gebleken dat dit niet altijd het geval is. Om de inspectieregeling te verduidelijken en voor een geharmoniseerd inspectiekader te zorgen dat een hoog veiligheidsniveau garandeert en tegelijkertijd rekening houdt met de gemeenschappelijke behoeften van de passagiersdiensten, moet worden verduidelijkt dat de twee jaarlijkse inspecties moeten plaatsvinden met regelmatige tussenpozen van ongeveer zes maanden. Indien het vaartuig operationeel is, mag de tijd tussen die opeenvolgende inspecties niet korter zijn dan vier maanden en niet langer dan acht maanden.

(6)

Richtlijn 1999/35/EG heeft het over „onderzoeken” in plaats van „inspecties”. Met het woord „onderzoek” wordt in internationale verdragen de plicht van vlaggenstaten bedoeld om toezicht te houden op de naleving door schepen van de internationale normen en, in voorkomend geval, certificaten af te geven of te verlengen. De speciale inspectieregeling voor ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten kan echter niet als een onderzoek worden beschouwd en de desbetreffende inspectieformulieren kunnen en mogen niet als zeewaardigheidscertificaten worden beschouwd. Daarom moet de term „onderzoek” worden vervangen door „inspectie” als wordt verwezen naar specifieke onderzoeken zoals momenteel bedoeld in Richtlijn 1999/35/EG.

(7)

Gelet op hun specifieke risicoprofiel dient de regelmatige inspectie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen een prioriteit te zijn. Elke inspectie van binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/16/EG vallende ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen moet worden meegeteld bij het totale aantal jaarlijks door elke lidstaat uitgevoerde inspecties.

(8)

De kosten in verband met inspecties die tot een uitvaarverbod voor vaartuigen leiden, moeten door de maatschappij worden gedragen.

(9)

Om rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau en de opgedane ervaring, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zo nodig handelingen vast te stellen tot niet-toepassing, in het kader van deze richtlijn, van wijzigingen aan de internationale instrumenten en tot actualisering van de technische eisen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (5). Met name om een gelijke betrokkenheid bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen te waarborgen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.

(10)

Richtlijn 2009/16/EG moet worden gewijzigd om te bewerkstelligen dat de inhoud en de frequentie van inspecties van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen worden behouden. Specifieke bepalingen voor inspecties en verificaties van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten die in aanmerking komen voor havenstaatcontrole, moeten derhalve worden opgenomen in Richtlijn 2009/16/EG.

(11)

Bij de uitoefening van inspecties uit hoofde van Richtlijn 2009/16/EG wordt al het mogelijke gedaan om te vermijden dat een schip onnodig wordt aangehouden of opgehouden.

(12)

Het is belangrijk rekening te houden met de arbeids- en leefomstandigheden van de bemanning aan boord en met hun opleiding en kwalificaties, aangezien gezondheid, veiligheid en sociale overwegingen nauw met elkaar verbonden zijn.

(13)

In het licht van de volledige monitoringcyclus van inspecties door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid moet de Commissie de tenuitvoerlegging van deze richtlijn uiterlijk zeven jaar na de uiterste datum voor de omzetting van deze richtlijn evalueren en hierover verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten moeten samenwerken met de Commissie om alle voor die evaluatie vereiste informatie te verzamelen.

(14)

Om niet aan zee grenzende lidstaten geen onevenredig grote administratieve lasten op te leggen, moet een de minimis-regel die lidstaten in staat stellen af te wijken van de bepalingen van deze richtlijn, wat betekent dat die lidstaten, voor zover zij voldoen aan bepaalde criteria, niet verplicht zijn deze richtlijn om te zetten.

(15)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het garanderen van de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten, gelet op de internemarktdimensie van het passagiersvervoer over zee en degrensoverschrijdende aard van de exploitatie van dergelijke schepen en vaartuigen in de Unie en op internationaal niveau, maar op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt door een gemeenschappelijk veiligheidsniveau tot stand te brengen en marktverstoring te vermijden, kan de Unie maatregelen vaststellen, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(16)

Om de juridische duidelijkheid en samenhang te verbeteren en gezien het aantal wijzigingen, moet Richtlijn 1999/35/EG worden ingetrokken en Richtlijn 2009/16/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die varen:

a)

op een geregelde dienst tussen een haven van een lidstaat waarvan zij de vlag voeren en een haven in een derde land, of

b)

op een geregelde dienst voor binnenlandse reizen in zeegebieden waarin schepen van klasse A mogen varen overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (6).

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die onder Richtlijn 2009/16/EG vallen.

3.   De lidstaten kunnen deze richtlijn toepassen op ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die varen op een geregelde dienst voor binnenlandse reizen in andere dan de in lid 1, punt b), bedoelde zeegebieden.

4.   Lidstaten zonder zeehavens die kunnen staven dat op jaarbasis minder dan 5 % van het totale aantal individuele vaartuigen dat gedurende de drie voorgaande jaren hun rivierhavens heeft aangedaan, passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen zijn die onder deze richtlijn vallen, mogen van de bepalingen van deze richtlijn afwijken, behalve van de verplichting in de tweede alinea.

Die lidstaten zonder zeehavens delen de Commissie uiterlijk op 21 december 2019 het totale aantal vaartuigen en het aantal ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen mee dat hun havens gedurende de in de eerste alinea vermelde periode van drie jaar heeft aangedaan, en brengen de Commissie vervolgens jaarlijks op de hoogte van elke verdere wijziging van deze cijfers.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.   „ro-ro-passagiersschip”: een schip dat de nodige voorzieningen heeft om weg- of spoorvoertuigen het vaartuig op en af te laten rijden en dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

2.   „hogesnelheidspassagiersvaartuig”: een vaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het SOLAS-verdrag van 1974, dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

3.   „SOLAS-verdrag van 1974”: het Internationale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974, met inbegrip van de protocollen en wijzigingen daarvan, in de meest actuele versie;

4.   „High Speed Craft Code”: de „Internationale code voor de veiligheid van hogesnelheidsvaartuigen”, als vastgelegd bij Resolutie MSC.36 (63) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO van 20 mei 1994, of de Internationale code voor de veiligheid van hogesnelheidsvaartuigen van 2000 (HSC-code van 2000), als vastgelegd bij IMO-resolutie MSC.97 (73) van december 2000, in de meest actuele versie;

5.   „HSSC”: de „Survey Guidelines under the Harmonized System of Survey and Certification” van de IMO, in de meest actuele versie;

6.   „geregelde dienst”: een reeks oversteken van een ro-ro-passagiersschip of een hogesnelheidspassagiersvaartuig ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee of meer havens, of een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussenliggende aanloophavens, welke plaatsvinden:

a)

volgens een gepubliceerde dienstregeling, of

b)

met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen;

7.   „zeegebied”: een zeegebied of zeeroute als vastgesteld volgens artikel 4 van Richtlijn 2009/45/EG;

8.   „certificaten”:

a)

voor ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die worden gebruikt voor internationale reizen, de veiligheidscertificaten die zijn afgegeven volgens respectievelijk het SOLAS-verdrag van 1974 of de High Speed Craft Code, samen met de desbetreffende registers van uitrusting;

b)

voor ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die worden gebruikt voor binnenlandse reizen, de veiligheidscertificaten die zijn afgegeven overeenkomstig Richtlijn 2009/45/EG, samen met de desbetreffende registers van uitrusting;

9.   „administratie van de vlaggenstaat”: de bevoegde instanties van de staat onder wiens vlag het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig gerechtigd is te varen;

10.   „binnenlandse reis”: een reis in zeegebieden van een haven van een lidstaat naar dezelfde of een andere haven binnen die lidstaat;

11.   „maatschappij”: de organisatie of persoon die ermee heeft ingestemd alle taken en verantwoordelijkheden op zich te nemen die zijn opgelegd door de Internationale Veiligheidsmanagementcode voor het veilige gebruik van schepen en voor verontreinigingspreventie (ISM-code), in de actuele versie ervan, of, wanneer hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag van 1974 niet van toepassing is, de eigenaar van het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig of een andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig van de eigenaar heeft overgenomen;

12.   „inspecteur”: een werknemer in de overheidssector of andere persoon die door de bevoegde instantie van de lidstaat is gemachtigd om de in deze richtlijn bedoelde inspecties uit te voeren en aan die bevoegde instantie verantwoording verschuldigd is en voldoet aan de minimumcriteria bedoeld in bijlage XI bij Richtlijn 2009/16/EG;

13.   „bevoegde instantie van de lidstaat”: de door de lidstaat krachtens deze richtlijn aangewezen instantie die verantwoordelijk is voor de in het kader van deze richtlijn aan haar toegewezen taken.

Artikel 3

Inspecties vóór aanvang van de dienst

1.   Voordat een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig wordt ingezet op een geregelde dienst die onder deze richtlijn valt, voeren de bevoegde instanties van de lidstaten een inspectie uit die bestaat uit:

a)

een controle van de naleving van de voorschriften van bijlage I, en

b)

een inspectie overeenkomstig bijlage II, om zich ervan te vergewissen dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig voldoet aan de voorschriften voor de veilige exploitatie van een geregelde dienst.

2.   De inspectie vóór aanvang van de dienst wordt uitgevoerd door een inspecteur.

3.   Wanneer een lidstaat daarom verzoekt, leveren maatschappijen vooraf het bewijs dat aan de voorschriften van bijlage I is voldaan, maar niet vroeger dan een maand voor de inspectie vóór aanvang van de dienst.

Artikel 4

Uitzonderingen op de verplichte inspectie vóór aanvang van de dienst

1.   Bij inspecties vóór aanvang van de dienst kan een lidstaat beslissen bepaalde voorschriften of procedures van de bijlagen I en II met betrekking tot het jaarlijkse onderzoek of inspectie die de vlaggenstaat in de voorafgaande zes maanden heeft uitgevoerd niet toe te passen, mits de relevante procedures en richtsnoeren voor onderzoeken als gespecificeerd in de HSSC of procedures gericht op het verwezenlijken van hetzelfde doel zijn gevolgd. De lidstaten geven de betrokken informatie door aan de inspectiedatabank overeenkomstig artikel 10.

2.   Wanneer een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig wordt ingezet op een geregelde dienst, kan de lidstaat rekening houden met inspecties en onderzoeken die met betrekking tot dat ro-ro-passagiersschip of dat hogesnelheidspassagiersvaartuig zijn uitgevoerd ten behoeve van een andere onder deze richtlijn vallende geregelde dienst. Wanneer de lidstaat genoegen neemt met die eerdere inspecties en onderzoeken en van mening is dat zij relevant zijn voor de nieuwe exploitatieomstandigheden, hoeven de in artikel 3, lid 1, bedoelde inspecties niet te worden uitgevoerd voordat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig op de nieuwe geregelde dienst wordt ingezet.

3.   Op verzoek van een maatschappij kunnen de lidstaten vooraf bevestigen dat zij ermee instemmen dat de voorgaande inspecties en onderzoeken relevant zijn voor de nieuwe operationele omstandigheden.

4.   Indien door onvoorziene omstandigheden er een dringende behoefte is om snel een vervangend ro-ro-passagiersschip of een hogesnelheidspassagiersvaartuig in te zetten teneinde de continuïteit van de dienst te verzekeren en lid 2 niet van toepassing is, kan de lidstaat toestemming geven om het ro-ro-passagiersschip of het vaartuig te gebruiken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

een visuele inspectie en documentencontrole leidt niet tot het vermoeden dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig niet voldoet aan de voorschriften voor een veilige exploitatie, en

b)

de lidstaat voltooit de inspectie vóór aanvang van de dienst als bedoeld in artikel 3, lid 1, binnen één maand.

Artikel 5

Regelmatige inspecties

1.   De lidstaten verrichten eens in de twaalf maanden:

a)

een inspectie overeenkomstig bijlage II, en

b)

een inspectie tijdens een geregelde dienst, die niet eerder dan vier maanden, maar niet later dan acht maanden na de in punt a) genoemde inspectie plaatsvindt en betrekking heeft op de in bijlage III genoemde punten en, naargelang het professionele oordeel van de inspecteur, voldoende punten van de bijlagen I en II, zodat kan worden gewaarborgd dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig blijft voldoen aan alle voorschriften voor een veilige exploitatie.

Een overeenkomstig artikel 3 uitgevoerde inspectie vóór aanvang van de dienst wordt beschouwd als een inspectie voor de toepassing van punt a).

2.   De in lid 1, onder a), bedoelde inspectie kan naar goeddunken van de lidstaat worden uitgevoerd tegelijkertijd of in combinatie met het jaarlijkse onderzoek door de vlaggenstaat, mits de relevante procedures en richtsnoeren voor onderzoeken als gespecificeerd in de HSSC of volgens procedures met hetzelfde doel worden gevolgd.

3.   Een lidstaat verricht een inspectie overeenkomstig bijlage II telkens als het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig ingrijpende reparaties, verbouwingen of aanpassingen ondergaat of wanneer een verandering van beheer of een overgang naar een andere klasse plaatsvindt. De lidstaat kan het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig bij een verandering van beheer of een overgang naar een andere klasse evenwel vrijstellen van de in de eerste zin van dit lid voorgeschreven inspectie na rekening te hebben gehouden met eerder uitgevoerde inspecties van het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig en mits die verandering of overgang niet van invloed is op de veilige exploitatie van het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig.

Artikel 6

Inspectieverslag

1.   Nadat een inspectie overeenkomstig deze richtlijn is uitgevoerd, stelt de inspecteur een verslag op conform bijlage IX van Richtlijn 2009/16/EG.

2.   De in het verslag opgenomen informatie wordt meegedeeld aan de in artikel 10 bedoelde inspectiedatabank. De kapitein ontvangt een kopie van het inspectieverslag.

Artikel 7

Verhelpen van tekortkomingen, uitvaarverbod en opschorting van inspectie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat elke tekortkoming die tijdens een overeenkomstig deze richtlijn uitgevoerde inspectie is bevestigd of ontdekt, wordt verholpen.

2.   Indien de tekortkomingen een duidelijk gevaar inhouden voor de gezondheid of de veiligheid of een onmiddellijk gevaar inhouden voor de gezondheid of het leven, het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig, de bemanning en de passagiers, zorgt de bevoegde instantie van de lidstaat ervoor dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig een uitvaarverbod wordt opgelegd. De kapitein ontvangt een afschrift van dat verbod.

3.   Het uitvaarverbod wordt pas opgeheven als de tekortkoming en het gevaar naar het oordeel van de bevoegde instantie van de lidstaat zijn verholpen of als de bevoegde instantie van de lidstaat heeft vastgesteld dat het schip of vaartuig, onder eventuele noodzakelijke voorwaarden, kan uitvaren of de activiteit mag hervatten zonder gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de passagiers en de bemanning of voor het ro-ro-passagiersschip, het hogesnelheidspassagiersvaartuig of andere schepen.

4.   Indien een in lid 2 bedoelde tekortkoming niet zonder meer kan worden verholpen in de haven waar zij is bevestigd of ontdekt, kan de bevoegde instantie van de lidstaat het schip of vaartuig toestaan verder te varen naar een geschikte reparatiewerf waar de tekortkoming wel zonder meer kan worden verholpen.

5.   Indien de algemene toestand van een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig duidelijk niet aan de normen voldoet, kan de bevoegde instantie van de lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden de inspectie van dat schip of vaartuig opschorten totdat de maatschappij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig niet langer een manifest gevaar oplevert voor de veiligheid of de gezondheid of niet langer een onmiddellijke bedreiging vormt voor het leven van de bemanning en de passagiers of om ervoor te zorgen dat het voldoet aan de desbetreffende eisen van de toepasselijke internationale verdragen.

6.   Indien de bevoegde instantie van de lidstaat de inspectie overeenkomstig lid 5 opschort, geldt voor het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig automatisch een uitvaarverbod. Het uitvaarverbod wordt opgeheven indien de inspectie is hervat en met succes is afgerond, en indien aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel en artikel 9, lid 2, is voldaan.

7.   Ter vermijding van een havencongestie kan de bevoegde instantie van de lidstaat toestaan dat een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig waarvoor een uitvaarverbod geldt, naar een ander deel van de haven wordt verplaatst als dat op een veilige manier kan gebeuren. Het risico op havencongestie is echter geen criterium om een uitvaarverbod op te leggen dan wel op te heffen. Havenautoriteiten of haveninstanties faciliteren de opvang van dergelijke schepen.

Artikel 8

Recht op beroep

1.   De maatschappij heeft het recht beroep in te stellen tegen een uitvaarverbod dat door de bevoegde instantie van de lidstaat wordt opgelegd. Een beroep heeft geen opschortende werking, behalve als overeenkomstig het nationale recht voorlopige maatregelen worden toegestaan. Overeenkomstig hun nationale wetgeving moeten de lidstaten daartoe passende procedures instellen en handhaven.

2.   De bevoegde instantie van de lidstaat informeert de kapitein van het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig waarvoor een uitvaarverbod geldt, over het recht op beroep en de toepasselijke procedures. Wanneer ten gevolge van een beroep een uitvaarverbod wordt ingetrokken of gewijzigd, zorgen de lidstaten ervoor dat de in artikel 10 bedoelde inspectiedatabank onverwijld wordt bijgewerkt.

Artikel 9

Kosten

1.   Indien tijdens de in de artikelen 3 en 5 bedoelde inspecties tekortkomingen worden bevestigd of ontdekt die een uitvaarverbod rechtvaardigen, worden alle met de inspecties verband houdende kosten door de maatschappij gedragen.

2.   Het uitvaarverbod wordt pas opgeheven nadat de volledige betaling heeft plaatsgevonden of een toereikende waarborg voor de terugbetaling van de kosten is verstrekt.

Artikel 10

Inspectiedatabank

1.   De Commissie zorgt voor de ontwikkeling, het onderhoud en de bijwerking van een inspectiedatabank waarop alle lidstaten zijn aangesloten en waarin alle informatie is opgeslagen die nodig is voor de toepassing van het bij deze richtlijn ingestelde inspectiesysteem. Deze databank wordt opgezet op basis van de in artikel 24 van Richtlijn 2009/16/EG bedoelde inspectiedatabank en dient over soortgelijke functies te beschikken.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie van de overeenkomstig deze richtlijn uitgevoerde inspecties, waaronder informatie over tekortkomingen en uitvaarverboden, onverwijld wordt overgebracht naar de inspectiedatabank zodra het inspectieverslag is voltooid of het uitvaarverbod is opgeheven. Met betrekking tot de bijzonderheden van de informatie zijn de bepalingen van bijlage XIII bij Richtlijn 2009/16/EG van overeenkomstige toepassing.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie die is overgebracht naar de inspectiedatabank binnen 72 uur worden gevalideerd met het oog op de bekendmaking ervan.

4.   De Commissie zorgt ervoor dat via de inspectiedatabank alle relevante gegevens met betrekking tot de toepassing van deze richtlijn kunnen worden opgevraagd op basis van de door de lidstaten verstrekte inspectiegegevens.

5.   De lidstaten hebben toegang tot alle in de inspectiedatabank geregistreerde gegevens die relevant zijn voor de toepassing van het bij deze richtlijn en bij Richtlijn 2009/16/EG ingestelde inspectiesysteem.

Artikel 11

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 12

Wijzigingsprocedure

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze richtlijn, om rekening te houden met de internationale ontwikkelingen, met name binnen de IMO, en om op grond van de opgedane ervaring de technische voorschriften te verbeteren.

2.   In uitzonderlijke omstandigheden, en indien terdege gemotiveerd door een adequate analyse door de Commissie en ter voorkoming van een ernstige en onaanvaardbare dreiging voor de maritieme veiligheid, de gezondheid, het leven of de werkomstandigheden aan boord of het mariene milieu, dan wel ter voorkoming van een onverenigbaarheid met de maritieme wetgeving van de Unie, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 13 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn in die zin te wijzigen dat een wijziging van de in artikel 2 bedoelde internationale instrumenten in het kader van deze richtlijn niet wordt toegepast.

Die gedelegeerde handelingen moeten uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de internationaal vastgestelde periode voor stilzwijgende goedkeuring van de betreffende wijziging of de beoogde datum van inwerkingtreding van die wijziging worden vastgesteld. In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van een dergelijke gedelegeerde handeling nemen de lidstaten geen initiatieven om die wijziging op te nemen in hun nationale wetgeving of om de wijziging van het betrokken internationaal instrument toe te passen.

Artikel 13

Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie

1.   De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 20 december 2017. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 14

Wijzigingen van Richtlijn 2009/16/EG

Richtlijn 2009/16/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:

„25.   „ro-ro-passagiersschip”: een schip dat de nodige voorzieningen heeft om weg- of spoorvoertuigen het vaartuig op en af te laten rijden, en dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

26.   „hogesnelheidspassagiersvaartuig”: een vaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het SOLAS-verdrag van 1974, dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

27.   „geregelde dienst”: een reeks oversteken van een ro-ro-passagiersschip of een hogesnelheidspassagiersvaartuig ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee of meer havens, of een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussenliggende aanloophavens, welke plaatsvinden:

i)

volgens een gepubliceerde dienstregeling, of

ii)

met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen;”.

2)

Aan artikel 3, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Deze richtlijn is eveneens van toepassing op inspecties van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die worden uitgevoerd buiten een haven of ankerplaats tijdens een geregelde dienst overeenkomstig artikel 14 bis.”.

3)

In artikel 13 wordt de inleidende zin vervangen door:

„De lidstaten zorgen ervoor dat schepen die overeenkomstig artikel 12 of artikel 14 bis voor inspectie zijn geselecteerd, als volgt aan een eerste of meer gedetailleerde inspectie worden onderworpen:”.

4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 14 bis

Inspecties van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op een geregelde dienst

1.   Ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen die worden ingezet op een geregelde dienst komen in aanmerking voor inspecties overeenkomstig de termijnen en andere voorschriften van bijlage XVII.

2.   De lidstaten houden bij het plannen van inspecties van ro-ro-passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen naar behoren rekening met het vaar- en onderhoudsschema van het ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig.

3.   Wanneer een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig overeenkomstig bijlage XVII aan een inspectie is onderworpen, wordt die inspectie in de inspectiedatabank geregistreerd en in aanmerking genomen voor de toepassing van de artikelen 10, 11 en 12 en om de naleving van de inspectieverplichting van elke lidstaat te berekenen. De inspectie wordt meegeteld voor het totale aantal jaarlijkse inspecties dat elke lidstaat overeenkomstig artikel 5 moet uitvoeren.

4.   Artikel 9, lid 1, artikel 11, punt a), en artikel 14 zijn niet van toepassing op ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op een geregelde dienst die overeenkomstig dit artikel wordt geïnspecteerd.

5.   De bevoegde instantie zorgt ervoor dat ro-ro-passagiersschepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen die overeenkomstig artikel 11, punt b), aan een aanvullende inspectie worden onderworpen, worden geselecteerd voor een inspectie overeenkomstig bijlage I, deel II, punten 3A, c), en 3B, c). Overeenkomstig onderhavig lid uitgevoerde inspecties laten het inspectie-interval zoals bepaald in punt 2 van bijlage XVII onverlet.

6.   De inspecteur van de bevoegde instantie van de havenstaat kan ermee instemmen om tijdens een inspectie van een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig door een havenstaatinspecteur van een andere lidstaat als waarnemer te worden vergezeld. Indien de vlaggenstaat van het vaartuig een lidstaat is, nodigt de havenstaat op verzoek een vertegenwoordiger van de vlaggenstaat uit om bij de inspectie als waarnemer aanwezig te zijn.”.

5)

In artikel 15 wordt lid 3 geschrapt.

6)

In artikel 16 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Een lidstaat weigert de toegang tot zijn havens en ankerplaatsen van elk schip dat:

vaart onder de vlag van een staat met een aanhoudingsgraad in de zwarte lijst, vastgesteld overeenkomstig het Memorandum van Parijs op basis van in de inspectiedatabank geregistreerde informatie die jaarlijks door de Commissie wordt bekendgemaakt, en dat meer dan twee keer is aangehouden in de loop van de afgelopen 36 maanden in een haven of ankerplaats van een lidstaat of een staat die het Memorandum van Parijs heeft ondertekend, of

vaart onder de vlag van een staat met een aanhoudingsgraad in de grijze lijst, vastgesteld overeenkomstig het Memorandum van Parijs op basis van in de inspectiedatabank geregistreerde informatie die jaarlijks door de Commissie wordt bekendgemaakt, en dat meer dan twee keer is aangehouden in de loop van de afgelopen 24 maanden in een haven of ankerplaats van een lidstaat of een staat die het Memorandum van Parijs heeft ondertekend.

De eerste alinea is niet van toepassing in de in artikel 21, lid 6, genoemde omstandigheden.

De weigering van toegang geldt zodra het schip de haven of ankerplaats heeft verlaten waar het voor een derde keer is aangehouden en waar een weigering van toegang is uitgevaardigd.”.

7)

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

BIJLAGE XVII

Inspecties van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op een geregelde dienst

1.1.

Voordat een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig wordt ingezet op een geregelde dienst die onder deze richtlijn valt, voeren de lidstaten een inspectie uit overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2017/2110 (*1), om ervoor te zorgen dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig voldoet aan de voorschriften voor de veilige exploitatie van een geregelde dienst.

1.2.

Wanneer een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig op een geregelde dienst wordt ingezet, kan de betrokken lidstaat rekening houden met inspecties die een andere lidstaat in de afgelopen acht maanden met betrekking tot dat ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig heeft uitgevoerd ten behoeve van een andere onder deze richtlijn vallende geregelde dienst, mits de lidstaat in elk geval van oordeel is dat die eerdere inspecties relevant zijn voor de nieuwe exploitatieomstandigheden en dat tijdens die inspecties aan de noodzakelijke voorschriften voor de veilige exploitatie van een geregelde dienst was voldaan. De in punt 1.1 bedoelde inspecties hoeven niet te worden toegepast vooraleer het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig op de nieuwe geregelde dienst wordt ingezet.

1.3.

Indien er door onvoorziene omstandigheden een dringende behoefte is om snel een vervangend ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig in te zetten om de continuïteit van de dienst te verzekeren en punt 1.2 niet van toepassing is, kan de lidstaat toestemming geven om het passagiersschip of het vaartuig te gebruiken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

een visuele inspectie en documentencontrole leidt niet tot het vermoeden dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig niet voldoet aan de voorschriften voor een veilige exploitatie, en

b)

de lidstaat verricht de inspectie vóór aanvang van de dienst als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2017/2110, binnen één maand.

2.

De lidstaten verrichten eenmaal per jaar, zij het niet eerder dan vier maanden en niet later dan acht maanden na de vorige inspectie:

a)

een inspectie, met inachtneming van de voorschriften van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2017/2110, en van Verordening (EU) nr. 428/2010 (*2) van de Commissie, voor zover van toepassing, en

b)

een inspectie tijdens een geregelde dienst. Die inspectie omvat de in bijlage III bij Richtlijn (EU) 2017/2110, genoemde punten en, naargelang het professionele oordeel van de inspecteur, voldoende punten van de bijlagen I en II bij Richtlijn (EU) 2017/2110 teneinde zich ervan te vergewissen dat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig nog steeds voldoet aan alle voorschriften voor een veilige exploitatie.

3.

Wanneer een ro-ro-passagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig niet is geïnspecteerd in overeenstemming met punt 2, wordt het ro-ro-passagiersschip en hogesnelheidspassagiersvaartuig als behorende tot prioriteitsklasse I beschouwd.

4.

Een overeenkomstig punt 1.1. uitgevoerde inspectie wordt beschouwd als een inspectie voor de toepassing van punt 2, a), van deze bijlage.

”.

(*1)  Richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad (PB L 315 van 30.11.2017, blz. 61)."

(*2)  Verordening (EU) nr. 428/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 ter uitvoering van artikel 14 van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de uitgebreide inspectie van schepen betreft (PB L 125 van 21.5.2010, blz. 2)."

Artikel 15

Intrekking

Richtlijn 1999/35/EG wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 16

Evaluatie

De Commissie evalueert de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en deelt de resultaten van die evaluatie uiterlijk 21 december 2026 mee aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 17

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 21 december 2019 de nodige bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Die bepalingen worden toegepast vanaf 21 december 2019.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 19

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 15 november 2017.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

M. MAASIKAS


(1)  PB C 34 van 2.2.2017, blz. 176.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 oktober 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 oktober 2017.

(3)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

(4)  Richtlijn 1999/35/EG van de Raad van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (PB L 138 van 1.6.1999, blz. 1).

(5)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(6)  Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 163 van 25.6.2009, blz. 1).


BIJLAGE I

SPECIFIEKE VEREISTEN VOOR VAARTUIGEN OP GEREGELDE DIENSTEN

(zoals bedoeld in de artikelen 3 en 5)

De volgende punten dienen te worden gecontroleerd:

1.

de kapitein krijgt vóór het vertrek van het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig passende informatie over de beschikbaarheid van walsystemen voor navigatieondersteuning en andere informatiesystemen die hem zullen helpen de reizen veilig uit te voeren, en hij gebruikt de door de lidstaten opgezette navigatieondersteunings- en informatiesystemen;

2.

de relevante bepalingen van de paragrafen 2 tot en met 6 van MSC/Circ. 699 van 17 juli 1995„Herziene richtsnoeren voor veiligheidsinstructies aan passagiers” worden toegepast;

3.

op een gemakkelijk toegankelijke plaats is een tabel met de arbeidsorganisatie aan boord opgehangen, die het volgende omvat:

a)

het rooster voor de dienst op zee en de dienst in de haven, en

b)

de maximumwerktijd of de vereiste minimumrusttijd voor het wachtdoende personeel;

4.

de kapitein wordt niet belemmerd bij het nemen van beslissingen die naar zijn professioneel oordeel noodzakelijk zijn voor een veilige navigatie en exploitatie, met name bij slecht weer en hoge zee;

5.

de kapitein houdt een rapport bij over de navigatieactiviteiten en incidenten die van belang zijn voor een veilige navigatie;

6.

elke schade aan of blijvende doorbuiging van de rompdeuren en bijbehorende rompbeplating die de integriteit van het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig kunnen aantasten en alle tekortkomingen bij de borging van deze deuren worden onmiddellijk gerapporteerd aan de administratie van de vlaggenstaat en de havenstaat en worden onmiddellijk tot hun tevredenheid gerepareerd;

7.

er is een bijgewerkt vaarplan beschikbaar voordat het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig zijn reis aanvangt en bij het opmaken van het vaarplan wordt ten volle rekening gehouden met de richtsnoeren van Resolutie A.893 (21) van de algemene vergadering van de IMO van 25 november 1999, „Richtsnoeren voor vaarplanning”;

8.

algemene informatie over de aan boord beschikbare diensten en hulp voor ouderen en personen met een beperking wordt meegedeeld aan de passagiers en beschikbaar gesteld in een voor personen met een visuele beperking geschikte vorm.


BIJLAGE II

PROCEDURES VOOR INSPECTIES

(zoals bedoeld in de artikelen 3 en 5)

1.

Bij de inspecties moet erop worden toegezien dat de door of namens de vlaggenstaat vastgestelde wettelijke vereisten worden nageleefd, met name inzake constructie, indeling en stabiliteit, machines en elektrische installaties, lading en stabiliteit, brandbeveiliging, maximumaantal passagiers, reddingsmiddelen en het vervoer van gevaarlijke goederen, radiocommunicatie en navigatie. Daartoe omvatten de inspecties het volgende:

starten van het noodaggregaat,

inspecteren van de noodverlichting,

inspecteren van de noodvoeding voor de radio-installaties,

testen van het boordomroepsysteem,

brandoefening, met inbegrip van een demonstratie dat men in staat is de persoonlijke brandweeruitrusting te gebruiken,

bedienen van de noodbrandbluspomp met twee brandslangen, aangesloten op de hoofdbrandblusleiding,

testen van de op afstand bediende noodstop voor de brandstofvoorziening naar ketels en hoofd- en hulpmotoren, en voor de ventilatie,

testen van de bediening op afstand en ter plaatse voor het sluiten van de brandkleppen,

testen van de branddetectie- en -alarmsystemen,

testen van de branddeuren om te zien of die naar behoren sluiten,

de werking van de lenspompen,

sluiten van de waterdichte deuren in de schotten, zowel op afstand als ter plaatse,

demonstratie waaruit blijkt dat bemanningsleden op sleutelposten op de hoogte zijn van de instructies voor schadebeperking,

strijken van ten minste één hulpverleningsboot en één reddingsboot; starten en testen van hun voortstuwings- en besturingssysteem; weer ophalen en terugplaatsen op hun opstellingsplaats,

nagaan of alle reddingsboten en hulpverleningsboten overeenstemmen met de inventaris,

testen van de stuurinrichting en hulpstuurinrichting van het schip of vaartuig.

2.

Bij inspecties moet er vooral op worden gelet of de bemanningsleden vertrouwd zijn en efficiënt omgaan met de veiligheidsprocedures, noodprocedures, onderhoud, werkpraktijken, veiligheid van passagiers, procedures op de brug en handelingen met betrekking tot lading en voertuigen. Er moet worden gecontroleerd of zeevarenden in staat zijn om opdrachten en instructies te begrijpen en, voor zover van toepassing, te geven, en om te rapporteren in de gemeenschappelijke werktaal, zoals vastgesteld in het scheepsjournaal. Documenten die aantonen dat bemanningsleden met succes een speciale opleiding hebben gevolgd, dienen te worden gecontroleerd, met name met betrekking tot:

het omgaan met grote groepen mensen,

het met het schip vertrouwd maken,

veiligheidsopleiding voor personeel dat belast is met de zorg voor de veiligheid van de passagiers in passagiersruimten, met name die van ouderen en mensen met een beperking in een noodsituatie, en

crisisbeheer en menselijk gedrag.

Bij de inspectie wordt beoordeeld of de dienstroosters onredelijke vermoeidheid veroorzaken, vooral bij het wachtdoende personeel.

3.

Vaarbevoegdheidsbewijzen van bemanningsleden aan boord van schepen die onder deze richtlijn vallen, dienen te voldoen aan de bepalingen van Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad (1).


(1)  Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33).


BIJLAGE III

INSPECTIEPROCEDURES TIJDENS EEN GEREGELDE DIENST

(zoals bedoeld in artikel 5)

Wanneer inspecties worden uitgevoerd tijdens een geregelde dienst dient het volgende te worden gecontroleerd:

1.

Passagiersgegevens

Controleren hoe wordt gewaarborgd dat het aantal passagiers waarvoor het ro-ro-passagiersschip of het hogesnelheidspassagiersvaartuig (hierna „het schip” genoemd) is gecertificeerd, niet wordt overschreden en of de wijze van registratie van passagiersgegevens strookt met Richtlijn 98/41/EG van de Raad (1). Controleren hoe de informatie over het totale aantal passagiers aan de kapitein wordt doorgegeven en, in voorkomend geval, hoe passagiers die een retourtrip maken zonder aan wal te gaan, worden meegeteld in het totale aantal dat de terugreis maakt.

2.

Informatie over belading en stabiliteit

Indien van toepassing, controleren of er betrouwbare instrumenten voor het meten van de diepgang zijn geïnstalleerd en in gebruik zijn. Controleren of er maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat het schip niet overbelast wordt en het water niet boven de toepasselijke indelingslastlijn komt. Controleren of de belading en stabiliteitsbeoordeling volgens de voorschriften zijn gebeurd. Controleren of goederenvoertuigen en andere lading worden gewogen, indien dat is vereist, en of de cijfers voor belading en stabiliteitsbeoordeling aan het schip worden doorgegeven. Controleren of de documenten voor het gebruik bij beschadiging (damage control plans) permanent zijn uitgehangen en of de scheepsofficieren daarover instructieboekjes hebben ontvangen.

3.

Vaarklaar maken

Controleren van de naleving van de procedure volgens welke het schip vaarklaar wordt gemaakt voordat het de ligplaats verlaat — dit moet een positieve rapportageprocedure omvatten waarbij wordt bevestigd dat alle wind- en waterdichte deuren in de romp gesloten zijn. Controleren of alle deuren van de voertuigdekken gesloten zijn voordat het schip de ligplaats verlaat, dan wel net lang genoeg open blijven om het sluiten van de boegklep mogelijk te maken; controleren van de sluitingsmiddelen van de boeg-, achter- en zijdeuren, en van de aanwezigheid van verklikkerlichten en videobewaking om op de navigatiebrug de stand van de deuren aan te geven. Eventuele problemen met de werking van de verklikkerlichten, vooral problemen met de schakelaars bij de deuren, dienen te worden geverifieerd en gerapporteerd.

4.

Veiligheidsmededelingen

Controleren van de vorm van de routineveiligheidsmededelingen en de opgehangen instructies en aanwijzingen over noodprocedures in de toepasselijke taal of talen. Controleren of de routineveiligheidsmededelingen aan het begin van de reis worden gedaan en op alle voor het publiek toegankelijke plaatsen, inclusief de open dekken, kunnen worden gehoord.

5.

Aantekeningen in het journaal

Controleren of in het journaal melding wordt gemaakt van het sluiten van de deuren van boeg en achtersteven en van andere wind- en waterdichte deuren, van de oefeningen met de deuren in de waterdichte schotten, van de beproeving van de stuurinrichting enz. Ook diepgang, uitwatering en stabiliteit dienen te worden genoteerd, alsmede de gemeenschappelijke werktaal van de bemanning.

6.

Gevaarlijke goederen

Controleren of gevaarlijke of verontreinigende goederen volgens de desbetreffende voorschriften worden vervoerd en met name of een verklaring betreffende gevaarlijke of verontreinigende goederen is verstrekt samen met een ladingsbrief of laadplan waarop hun plaats aan boord staat aangegeven. Controleren of de desbetreffende lading door een passagiersschip mag worden vervoerd, en of de gevaarlijke of verontreinigende goederen op de juiste wijze zijn gemerkt, geëtiketteerd, geladen, gestuwd en afgezonderd.

Controleren of voertuigen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren, van de juiste opschriften zijn voorzien en goed zijn vastgezet. Controleren of op de wal een kopie van de ladingsbrief of het laadplan beschikbaar is als er gevaarlijke of verontreinigende goederen worden vervoerd. Controleren of de kapitein op de hoogte is vande meldingsvoorschriften van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) en van de instructies inzake de te volgen noodprocedures en de eerste hulp bij ongevallen met gevaarlijke goederen of de zee verontreinigende stoffen. Controleren of het ventilatiesysteem op de voertuigdekken steeds in werking is, en in verhoogde werking wanneer de voertuigmotoren draaien, en of er op de brug een of andere indicatie is die laat zien of de ventilatie van de voertuigdekken in werking is.

7.

Vastzetten van vrachtwagens

Controleren hoe vrachtwagens worden vastgezet, bijvoorbeeld groepsgewijs of met afzonderlijke sjorringen. Controleren of er voldoende sterke bevestigingspunten zijn. Controle van de voorzieningen voor het vastzetten van vrachtwagens bij zwaar weer of verwacht zwaar weer. Controleren hoe touringcars en motorfietsen worden vastgezet. Controleren of op het schip een handleiding aanwezig is voor het vastzetten van lading.

8.

Voertuigdekken

Controleren of de ruimten van bijzondere aard en de ro-ro-laadruimten voortdurend worden bewaakt door middel van wachtrondes of een videobewakingssysteem, om erop toe te zien dat voertuigen niet gaan schuiven tijdens zwaar weer en of er geen onbevoegden in deze ruimten komen. Controleren of branddeuren en toegangsdeuren gesloten worden gehouden en er waarschuwingen zijn opgehangen dat de passagiers niet op de voertuigdekken mogen komen zolang het schip op zee is.

9.

Sluiten van de waterdichte deuren

Controleren of de in de bedieningsinstructies van het schip voorgeschreven gedragslijn voor de deuren in de waterdichte schotten wordt gevolgd. Controleren of de vereiste oefeningen worden uitgevoerd. Controleren of het bedieningsorgaan op de brug voor de waterdichte deuren, indien mogelijk, op „local” wordt gehouden. Controleren of de deuren bij beperkt zicht en in gevaarlijke situaties gesloten worden gehouden. Controleren of de bemanningsleden geleerd hebben de deuren op de juiste wijze te bedienen en op de hoogte zijn van de gevaren van verkeerd gebruik.

10.

Brandrondedienst

Controleren of er een doeltreffende brandrondedienst wordt onderhouden, zodat een eventuele brand snel kan worden ontdekt. Dat geldt ook voor de ruimten van bijzondere aard waar geen vast branddetectie- en brandalarmsysteem is geïnstalleerd. Die ruimten mogen op de onder punt 8 aangegeven wijze worden bewaakt.

11.

Communicatie in noodsituaties

Controleren of er volgens de monsterrol voldoende bemanningsleden zijn om passagiers in een noodsituatie bij te staan en of de bemanningsleden gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn en in staat zijn in een noodsituatie met passagiers te communiceren, waarbij moet worden gekeken naar een passende en toereikende combinatie van de volgende factoren:

a)

de taal of talen, afgestemd op de meest voorkomende nationaliteiten van de passagiers die op een bepaalde route worden vervoerd;

b)

de waarschijnlijkheid dat een basiswoordenschat Engels kan dienen om elementaire instructies te geven aan een passagier die hulp nodig heeft, ongeacht of de passagier en het bemanningslid een gemeenschappelijke taal hebben;

c)

de eventuele behoefte om in een noodsituatie op een andere manier te communiceren (bv. een demonstratie, aanwijzingen met de hand, de aandacht vestigen op de vindplaats van de instructies, verzamelpunten, reddingsmiddelen of evacuatieroutes, wanneer mondelinge communicatie niet mogelijk is);

d)

de vraag of er aan de passagiers in hun moedertaal of -talen volledige veiligheidsinstructies zijn verstrekt;

e)

de talen waarin tijdens een noodsituatie of oefening mededelingen kunnen worden omgeroepen om de passagiers essentiële aanwijzingen te geven en het de bemanningsleden gemakkelijker te maken de passagiers te helpen.

12.

Gemeenschappelijke werktaal voor de bemanning

Controleren of er een werktaal is vastgesteld met het oog op de doeltreffende uitvoering van de veiligheidstaken van de bemanning, en of deze werktaal in het scheepsjournaal genoteerd is.

13.

Veiligheidsuitrusting

Controleren of de reddings- en brandbestrijdingsmiddelen, met inbegrip van de branddeuren en andere gemakkelijk controleerbare constructieve brandveiligheidsvoorzieningen, in orde zijn. Controleren of de brandbestrijdingsinstructies permanent zijn opgehangen dan wel of de scheepsofficieren de desbetreffende instructieboekjes ter informatie hebben ontvangen. Controleren of de reddingsvesten op geschikte plaatsen zijn opgeborgen en de opbergplaatsen van de reddingsvesten voor kinderen gemakkelijk herkenbaar zijn. Controleren of de lading van voertuigen niet de werking belemmert van brandblusinstallaties, noodafsluiters, bedieningsorganen van de stormkleppen enz. die eventueel op de voertuigdekken aanwezig zijn.

14.

Navigatie- en radiocommunicatieapparatuur

Controleren of de navigatie- en radiocommunicatieapparatuur, waaronder EPIRB's, goed werkt.

15.

Extra noodverlichting

Controleren of er aanvullende noodverlichting is geïnstalleerd indien dat is vereist en of er een register van gebreken wordt bijgehouden.

16.

Ontsnappingsvoorzieningen

Controleren of de ontsnappingsvoorzieningen, met inbegrip van de vluchtwegen, volgens de regels gemarkeerd zijn en of de verlichting daarvan zowel vanuit de hoofdvoeding als de noodvoeding gewaarborgd is. Controleren van de maatregelen die moeten beletten dat voertuigen worden geparkeerd op vluchtroutes die over of langs voertuigdekken lopen. Controleren of uitgangen, met name uitgangen van belastingvrije winkels, die soms door stapels goederen worden versperd, worden vrijgehouden.

17.

Schoonhouden van de machinekamer

Controleren of de machinekamer conform de onderhoudsprocedures schoon wordt gehouden.

18.

Afvalverwijdering

Controleren of de voorzieningen voor het verwerken en verwijderen van afval voldoende zijn.

19.

Planmatig onderhoud

Controleren of alle maatschappijen specifieke permanente opdrachten hebben, met een systeem van planmatig onderhoud, voor alle zones die belangrijk zijn voor de veiligheid, met inbegrip van de boeg-, achter- en zijdeuren en hun sluitmiddelen, maar ook voor de machinekamer en de veiligheidsuitrusting. Controleren of er schema's zijn voor het periodiek controleren van alle onderdelen, om de veiligheid op het allerhoogste peil te houden. Controleren of er procedures zijn voor het registreren van tekortkomingen en de bevestiging dat die naar behoren zijn verholpen, zodat de kapitein en de aangewezen persoon aan wal binnen de managementstructuur van de maatschappij op de hoogte worden gebracht van de tekortkomingen en worden ingelicht wanneer die binnen een bepaalde tijd zijn verholpen. Controleren of de periodieke controle van de goede werking van het sluitsysteem van de binnenste en buitenste boegdeur ook de verklikkerlichten, bewakingsapparatuur en spuigaten in de ruimten tussen de boegklep en de binnendeur omvat, en in het bijzonder de sluitmechanismen en de bijbehorende hydraulische systemen.

20.

Maken van een reis

Tijdens een reis moet van de gelegenheid worden gebruikgemaakt om te controleren op overbezetting, waarbij wordt gekeken naar de beschikbare zitplaatsen en de versperring van doorgangen, trappen en nooduitgangen door bagage of door passagiers die geen zitplaats vinden. Gecontroleerd moet worden of passagiers het voertuigdek hebben verlaten voordat het schip afvaart en of zij niet eerder toegang krijgen dan vlak voor het afmeren.


(1)  Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35).

(2)  Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10).


BIJLAGE IV

CORRELATIETABEL

Richtlijn 1999/35/EG

Deze richtlijn

Artikel 1

Artikel 2, punten a), b), d), e), f), g), h), j), m), o) en r)

Artikel 2, punten 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12

Artikel 2, punten c), i), k), l), n), p), q), s)

Artikel 3

Artikel 1

Artikel 4

Artikel 5, punt 1, a)

Artikel 3

Artikel 5, punt 1, b) en artikel 5, punt 2

Artikel 6

Artikel 3

Artikel 7

Artikel 4

Artikel 8, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 5, lid 3

Artikel 8, lid 3

Artikel 9, lid 1

Artikel 9

Artikel 6

Artikel 10, lid 1, punten a), b) en c)

Artikel 7

Artikel 10, lid 1, punt d)

Artikel 10, lid 2

Artikel 7

Artikel 10, lid 3

Artikel 8

Artikel 10, lid 4

Artikel 11, leden 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8

Artikel 11, lid 6

Artikel 6, lid 1

Artikel 13, leden 1, 2, 4 en 5

Artikel 13, lid 3

Artikel 6, lid 2, en artikel 10

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 12

Artikel 18

Artikel 11

Artikel 19

Artikel 17

Artikel 20

Artikel 16

Artikel 21

Artikel 18

Artikel 22

Artikel 19

Bijlage I

Bijlage I


Rectificaties

30.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 315/78


Rectificatie van Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven

( Publicatieblad van de Europese Unie L 39 van 9 februari 2013 )

Bladzijde 10, bijlage I, tabel, voetnoot 1:

in plaats van:

„(1)

Verordening (EG) nr. 948/2009 van de Commissie (PB L 287 van 31.10.2009, blz. 1).”,

lezen:

„(1)

Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).”.

Bladzijde 11, bijlage II, tabel, voetnoot 1:

in plaats van:

„(1)

Verordening (EG) nr. 948/2009.”,

lezen:

„(1)

Verordening (EEG) nr. 2658/87.”.