ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 236

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
14 september 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2017/1541 van de Raad van 17 juli 2017 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken

1

 

 

Wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken

3

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1542 van de Commissie van 8 juni 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 betreffende de berekening van regelgevende kapitaalvereisten voor bepaalde categorieën activa die door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen worden aangehouden (infrastructuurondernemingen) ( 1 )

14

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU, Euratom) 2017/1543 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 6 september 2017 tot benoeming van een rechter bij het Gerecht

22

 

 

AANBEVELINGEN

 

*

Aanbeveling nr. 1/2017 van de Associatieraad EU-Egypte van 25 juli 2017 tot vaststelling van de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte [2017/1544]

23

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

14.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/1


BESLUIT (EU) 2017/1541 VAN DE RAAD

van 17 juli 2017

betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, juncto artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring door het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie werd bij Beschikking 88/540/EEG van de Raad (2) partij bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag („het Verdrag van Wenen”) en het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken („het Protocol van Montreal”). Daarna werden de volgende wijzigingen van het Protocol van Montreal goedgekeurd: de eerste wijziging bij Beschikking 91/690/EEG (3); de tweede wijziging bij Beschikking 94/68/EG (4); de derde wijziging bij Besluit 2000/646/EG (5); en de vierde wijziging bij Besluit 2002/215/EG (6).

(2)

Tijdens de 28e vergadering van de Partijen bij het Protocol van Montreal, die plaatsvond van 10 tot en met 15 oktober 2016 in Kigali, Rwanda, is de tekst aangenomen van een aanvullende wijziging van het protocol van Montreal („wijziging van Kigali”), waarin een stapsgewijze verlaging van het gebruik en de productie van fluorkoolwaterstoffen wordt toegevoegd aan de beheersingsmaatregelen van het Protocol van Montreal.

(3)

Een stapsgewijze verlaging van het gebruik en de productie van fluorkoolwaterstoffen is nodig om de bijdrage van deze stoffen aan de klimaatverandering te verminderen, en te voorkomen dat deze stoffen, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, onbegrensd in de handel worden gebracht.

(4)

De wijziging van Kigali is een noodzakelijke bijdrage aan de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, die bij Besluit (EU) 2016/1841 is goedgekeurd (7), met betrekking tot de doelstelling ervan om de wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden en om inspanningen te blijven leveren zodat de stijging verder beperkt wordt tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau.

(5)

De omvang van de bevoegdheid van de Unie ten aanzien van de aangelegenheden die onder het Verdrag van Wenen en het Protocol van Montreal vallen, is sinds 1988 aanzienlijk geëvolueerd. Overeenkomstig artikel 13, lid 3, van het Verdrag van Wenen dient de depositaris van elke belangrijke wijziging betreffende de omvang van de bevoegdheid van de Unie in die aangelegenheden in kennis te worden gesteld.

(6)

De Unie heeft reeds instrumenten vastgesteld inzake de aangelegenheden die onder de wijziging van Kigali vallen, onder meer Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(7)

De wijziging van Kigali moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De wijziging van Kigali van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken wordt namens de Europese Unie goedgekeurd.

De bevoegdheidsverklaring uit hoofde van artikel 13, lid 3, van het Verdrag van Wenen wordt eveneens goedgekeurd.

De tekst van de wijziging van Kigali en die van de bevoegdheidsverklaring zijn aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die namens de Unie gemachtigd is (zijn) de akte van goedkeuring neer te leggen, overeenkomstig artikel 13, lid 1, van het Verdrag van Wenen, samen met de bevoegdheidsverklaring (9).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum na die van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 17 juli 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

T. TAMM


(1)  Goedkeuring van 5 juli 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit 88/540/EEG van de Raad van 14 oktober 1988 betreffende goedkeuring van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag en van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (PB L 297 van 31.10.1988, blz. 8).

(3)  Besluit 91/690/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake sluiting van de wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, zoals in juni 1990 te Londen goedgekeurd door de Partijen bij het Protocol (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 28).

(4)  Besluit 94/68/EG van de Raad van 2 december 1993 betreffende de sluiting van de wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (PB L 33 van 7.2.1994, blz. 1).

(5)  Besluit 2000/646/EG van de Raad van 17 oktober 2000 betreffende de sluiting van de wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (PB L 272 van 25.10.2000, blz. 26).

(6)  Besluit 2002/215/EG van de Raad van 4 maart 2002 betreffende de sluiting van de wijziging van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (PB L 72 van 14.3.2002, blz. 18).

(7)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).

(9)  De datum van inwerkingtreding van de wijziging van Kigali zal door het secretariaat-generaal van de Raad worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


14.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/3


VERTALING

WIJZIGING VAN HET PROTOCOL VAN MONTREAL BETREFFENDE STOFFEN DIE DE OZONLAAG AFBREKEN

Artikel I

Wijziging

Artikel 1, lid 4

In artikel 1, lid 4, van het Protocol wordt de tekst

„bijlage C of bijlage E” vervangen door

„bijlage C, bijlage E of bijlage F”.

Artikel 2, lid 5

In artikel 2, lid 5, van het Protocol wordt de tekst

„en artikel 2H” vervangen door

„de artikelen 2H en 2J”.

Artikel 2, lid 8, onder a), lid 9, onder a), en lid 11

In artikel 2, lid 8, onder a), en lid 11, van het Protocol wordt de tekst

„de artikelen 2A tot en met 2I” vervangen door

„de artikelen 2A tot en met 2J”.

Aan artikel 2, lid 8, onder a), van het Protocol wordt de volgende tekst toegevoegd:

„Dergelijke overeenkomsten kunnen worden uitgebreid ter opneming van verplichtingen met betrekking tot het gebruik of de productie uit hoofde van artikel 2J mits het totale gezamenlijke berekende gebruik of de totale gezamenlijke berekende productie van de betrokken partijen de in artikel 2J voorgeschreven maxima niet overschrijdt.”

In artikel 2, lid 9, onder a), i), van het Protocol wordt na de tekst

„dient te zijn;”

„en”

geschrapt.

Artikel 2, lid 9, onder a), ii), van het Protocol wordt hernummerd tot artikel 2, lid 9, onder a), iii).

De volgende tekst wordt na artikel 2, lid 9, onder a), i), van het Protocol als artikel 2, lid 9, onder a), ii), ingevoegd:

„aanpassingen dienen te worden aangebracht aan het in groep I van bijlage A, bijlage C en bijlage F genoemde aardopwarmingsvermogen, en zo ja, wat de aanpassingen dienen te zijn, en”.

Artikel 2J

Na artikel 2I van het Protocol wordt het volgende artikel ingevoegd:

„Artikel 2J: Fluorkoolwaterstoffen

1.   Elke partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2019 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het voor het respectieve onder a) tot en met e) vermelde aantal jaren vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekend gebruik van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 15 % van haar berekend gebruik van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2F, lid 1, uitgedrukt in CO2-equivalenten:

a)

2019 tot en met 2023: 90 procent;

b)

2024 tot en met 2028: 60 procent;

c)

2029 tot en met 2033: 30 procent;

d)

2034 tot en met 2035: 20 procent;

e)

2036 en daarna: 15 procent;

2.   Onverminderd lid 1 van dit artikel kunnen de partijen besluiten dat een partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2020 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekend gebruik van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het voor het respectieve onder a) tot en met e) vermelde aantal jaren vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekend gebruik van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 25 % van haar berekend gebruik van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2F, lid 1, uitgedrukt in CO2-equivalenten:

a)

2020 tot en met 2024: 95 procent;

b)

2025 tot en met 2028: 65 procent;

c)

2029 tot en met 2033: 30 procent;

d)

2034 tot en met 2035: 20 procent;

e)

2036 en daarna: 15 procent;

3.   Elke partij die de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen produceert, verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2019 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende productie van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het percentage voor het respectieve onder a) tot en met e) vermelde aantal jaren vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekende productie van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 15 % van haar berekende productie van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2F, lid 2, uitgedrukt in CO2-equivalenten:

a)

2019 tot en met 2023: 90 procent;

b)

2024 tot en met 2028: 60 procent;

c)

2029 tot en met 2033: 30 procent;

d)

2034 tot en met 2035: 20 procent;

e)

2036 en daarna: 15 procent;

4.   Onverminderd lid 3 van dit artikel kunnen de partijen besluiten dat een partij die de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen produceert, verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2020 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende productie van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het voor het respectieve onder a) tot en met e) vermelde aantal jaren vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekende productie van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 25 % van haar berekende productie van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2 F, lid 2, uitgedrukt in CO2-equivalenten:

a)

2020 tot en met 2024: 95 procent;

b)

2025 tot en met 2028: 65 procent;

c)

2029 tot en met 2033: 30 procent;

d)

2034 tot en met 2035: 20 procent;

e)

2036 en daarna: 15 procent;

5.   De leden 1 tot en met 4 van dit artikel zijn van toepassing tenzij de partijen besluiten de productie of het gebruik van de bedoelde stoffen toe te staan voor zover dit is vereist om te voldoen aan een door de partijen overeengekomen vrijgesteld gebruik.

6.   Elke partij die de in groep I van bijlage C of in bijlage F genoemde stoffen vervaardigt, verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2020 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar uitworp van de in groep II van bijlage F genoemde stoffen, die wordt gegenereerd in elke productiefaciliteit die de in groep I van bijlage C of in bijlage F genoemde stoffen vervaardigt, voor zover mogelijk wordt vernietigd met behulp van door de partijen goedgekeurde technologieën gedurende hetzelfde tijdvak van twaalf maanden.

7.   Elke partij verzekert dat de vernietiging van in groep II van bijlage F genoemde stoffen die worden gegenereerd door faciliteiten die de in groep I van bijlage C of in bijlage F genoemde stoffen produceren, enkel met behulp van door de partijen goedgekeurde technologieën geschiedt.”.

Artikel 3

In artikel 3 van het Protocol moet de aanhef worden vervangen door de volgende tekst:

„1.   Voor de toepassing van de artikelen 2, 2A tot en met 2J, en 5, stelt elke partij voor elke in bijlage A, bijlage B, bijlage C, bijlage E of bijlage F genoemde groep van stoffen haar berekende niveaus vast door:”.

In artikel 3, onder a), i), van het Protocol wordt de laatste puntkomma vervangen door

„, tenzij anders bepaald in lid 2;”.

Aan het einde van artikel 3 van het Protocol wordt de volgende tekst toegevoegd:

„; en

d)

wat de uitworp betreft van de in groep II van bijlage F genoemde stoffen die wordt gegenereerd in elke faciliteit die de in groep I van bijlage C of in bijlage F genoemde stoffen genereert, onder andere de hoeveelheden op te nemen die worden uitgeworpen door lekken in de apparatuur, procesontluchtingen en vernietigingsapparatuur, met uitzondering van de hoeveelheden die worden opgevangen voor gebruik, vernietiging of opslag.

2.   Bij de berekening van de niveaus voor de productie, het gebruik, de invoer, de uitvoer en de uitworp van de in groep I van bijlage C en in bijlage F genoemde stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, voor de toepassing van artikel 2J, artikel 2, lid 5 bis, en artikel 3, lid 1, onder d), gebruikt elke partij het aardopwarmingsvermogen dat voor deze stoffen is vastgesteld in groep I van bijlage A, bijlage C en bijlage F.”

Artikel 4, lid 1 septies

Na artikel 4, lid 1 sexties, van het Protocol wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 septies.   Bij de inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke partij de invoer van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen uit staten die geen partij zijn bij dit Protocol.”.

Artikel 4, lid 2 septies

Na artikel 4, lid 2 sexties, van het Protocol wordt het volgende lid ingevoegd:

„2 septies.   Bij de inwerkingtreding van dit lid verbiedt elke partij de uitvoer van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen naar staten die geen partij zijn bij dit Protocol.”.

Artikel 4, leden 5, 6 en 7

In artikel 4, leden 5, 6 en 7, van het Protocol wordt de tekst

„de bijlagen A, B, C en E” vervangen door

„de bijlagen A, B, C, E en F”.

Artikel 4, lid 8

In artikel 4, lid 8, van het Protocol wordt de tekst

„de artikelen 2A tot en met 2I” vervangen door

„de artikelen 2A tot en met 2J”.

Artikel 4B

Na artikel 4B, lid 2, van het Protocol wordt het volgende lid ingevoegd:

„2 bis.   Elke partij stelt met ingang van 1 januari 2019 of binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit artikel ten aanzien van haar, naargelang van welke datum later is, een vergunningensysteem in voor de invoer en uitvoer van nieuwe, gebruikte, hergebruikte en geregenereerde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als genoemd in bijlage F en voert dat uit. Elke onder de werking van artikel 5, lid 1, vallende partij die besluit dat zij niet in staat is een dergelijk systeem met ingang van 1 januari 2019 in te stellen en uit te voeren, kan deze maatregelen uitstellen tot respectievelijk 1 januari 2021.”

Artikel 5

In artikel 5, lid 4, van het Protocol wordt de tekst

„2I”

vervangen door

„2J”.

In artikel 5, leden 5 en 6, van het Protocol wordt de tekst

„Artikel 2I”

vervangen door

„de artikelen 2I en 2J”.

In artikel 5, lid 5, van het Protocol wordt vóór de tekst

„alle in de artikelen 2F tot en met 2H vervatte verplichtingen” „aan” ingevoegd.

„with”

Na artikel 5, lid 8 ter, van het Protocol wordt het volgende lid toegevoegd:

„8 quater.

a)

Elke onder de werking van lid 1 van dit artikel vallende partij die is onderworpen aan wijzigingen die overeenkomstig artikel 2, lid 9 worden aangebracht aan de in artikel 2J vervatte beheersingsmaatregelen, is gerechtigd de naleving van de in artikel 2J, lid 1, onder a) tot en met e), en lid 3, onder a) tot en met e), vervatte beheersingsmaatregelen op te schorten en deze maatregelen als volgt te wijzigen:

i)

2024 tot en met 2028: 100 procent;

ii)

2029 tot en met 2034: 90 procent;

iii)

2035 tot en met 2039: 70 procent;

iv)

2040 tot en met 2044: 50 procent;

v)

2045 en daarna: 20 procent;

b)

Onverminderd het bepaalde onder a) kunnen de partijen besluiten dat een onder de werking van lid 1 van dit artikel vallende partij die is onderworpen aan wijzigingen die overeenkomstig artikel 2, lid 9, worden aangebracht aan de in artikel 2J vervatte beheersingsmaatregelen, gerechtigd is de naleving van de in artikel 2J, lid 1, onder a) tot en met e), en lid 3, onder a) tot en met e), vervatte beheersingsmaatregelen op te schorten en deze maatregelen als volgt te wijzigen:

i)

2028 tot en met 2031: 100 procent;

ii)

2032 tot en met 2036: 90 procent;

iii)

2037 tot en met 2041: 80 procent;

iv)

2042 tot en met 2046: 70 procent;

v)

2047 en daarna: 15 procent;

c)

Elke onder de werking van lid 1 van dit artikel vallende partij is gerechtigd voor de berekening van haar referentiegebruik uit hoofde van artikel 2J het gemiddelde van haar berekend gebruik van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen te gebruiken voor de jaren 2020, 2021 en 2022, vermeerderd met 65 % van haar referentiegebruik van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.

d)

Onverminderd het bepaalde onder c) kunnen de partijen besluiten dat een onder de werking van lid 1 van dit artikel vallende partij voor de berekening van haar referentiegebruik uit hoofde van artikel 2J gerechtigd is het gemiddelde van haar berekend gebruik van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen te gebruiken voor de jaren 2024, 2025 en 2026, vermeerderd met 65 % van haar referentiegebruik van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.

e)

Elke onder de werking van lid 1 van dit artikel vallende partij die de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen produceert, is gerechtigd voor de berekening van haar referentieproductie uit hoofde van artikel 2J het gemiddelde van haar berekende productie van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen te gebruiken voor de jaren 2020, 2021 en 2022, vermeerderd met 65 % van haar referentieproductie van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.

f)

Onverminderd het bepaalde onder e) kunnen de partijen besluiten dat een onder de werking van lid 1 van dit artikel vallende partij die de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen produceert, gerechtigd is voor de berekening van haar referentieproductie uit hoofde van artikel 2J het gemiddelde van haar berekende productie van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen te gebruiken voor de jaren 2024, 2025 en 2026, vermeerderd met 65 % van haar referentieproductie van de in groep I van bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.

g)

Het bepaalde onder a) tot en met f) van dit lid is van toepassing op de berekende productie en het berekende gebruik tenzij een vrijstelling op grond van hoge omgevingstemperaturen van toepassing is op basis van door de partijen vastgestelde criteria.”.

Artikel 6

In artikel 6 van het Protocol wordt de tekst

„de artikelen 2A tot en met 2I” vervangen door

„de artikelen 2A tot en met 2J”.

Artikel 7, leden 2, 3 en 3 ter

In artikel 7, lid 2, van het Protocol wordt na de regel „- elke van de in bijlage E genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen over 1991,” de volgende regel ingevoegd:

„—

elke van de in bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen over de jaren 2011 tot en met 2013, zij het dat de onder de werking van artikel 5, lid 1, vallende partijen dergelijke gegevens verstrekken over de jaren 2020 tot en met 2022, maar dat de onder de werking van artikel 5, lid 1, vallende partijen waarop artikel 5, lid 8 quater, onder d) en f), van toepassing is, dergelijke gegevens verstrekken over de jaren 2024 tot en met 2026;”.

In artikel 2, leden 7 en 3, van het Protocol wordt de tekst

„C en E”

vervangen door

„C, E en F”.

Na artikel 7, lid 3 bis, van het Protocol wordt het volgende lid toegevoegd:

„3 ter.   Elke partij verstrekt het secretariaat statistische gegevens over haar jaarlijkse uitworp van de in groep II van bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per faciliteit overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder d), van het Protocol.”.

Artikel 7, lid 4

In artikel 7, lid 4, van het protocol wordt na de tekst

„statistische gegevens over” en „gegevens verstrekt over” „productie,” ingevoegd.

„production,”

Artikel 10, lid 1

In artikel 10, lid 1, van het Protocol wordt de tekst

„en artikel 2I”

vervangen door

„, artikel 2I en artikel 2J”.

Aan het einde van artikel 10, lid 1, van het Protocol wordt de volgende tekst ingevoegd:

„Wanneer een onder de werking van artikel 5, lid 1, vallende partij ervoor kiest gebruik te maken van financiering in het kader van een andere financiële regeling waardoor een deel van de overeengekomen meerkosten zou kunnen worden gedekt, wordt dat deel niet gedekt door de financiële regeling van artikel 10 van dit Protocol.”.

Artikel 17

In artikel 17 van het Protocol wordt de tekst

„de artikelen 2A tot en met 2I” vervangen door

„de artikelen 2A tot en met 2J”.

Bijlage A

De tabel voor groep I van bijlage A bij het Protocol wordt vervangen door de onderstaande tabel:

Groep

Stof

Ozonafbrekend vermogen *

Aardopwarmingsvermogen over 100 jaar

Groep I

CFCl3

(CFC-11)

1,0

4 750

CF2Cl2

(CFC-12)

1,0

10 900

C2F3Cl3

(CFC-113)

0,8

6 130

C2F4Cl2

(CFC-114)

1,0

10 000

C2F5Cl

(CFC-115)

0,6

7 370

Bijlage C en bijlage F

De tabel voor groep I van bijlage C bij het Protocol wordt vervangen door de onderstaande tabel:

Groep

Stof

Aantal isomeren

Ozonafbrekend vermogen *

Aardopwarmingsvermogen over 100 jaar ***

Groep I

CHFCl2

(HCFC-21) **

1

0,04

151

CHF2Cl

(HCFC-22) **

1

0,055

1 810

CHFCl

(HCFC-31)

1

0,02

 

C2HFCl4

(HCFC-121)

2

0,01-0,04

 

C2HF2Cl3

(HCFC-122)

3

0,02-0,08

 

C2HF3Cl2

(HCFC-123)

3

0,02-0,06

77

CHCl2CF3

(HCFC-123) **

0,02

 

C2HF4Cl

(HCFC-124)

2

0,02-0,04

609

CHFClCF3

(HCFC-124) **

0,022

 

C2H2FCl3

(HCFC-131)

3

0,007-0,05

 

C2H2F2Cl2

(HCFC-132)

4

0,008-0,05

 

C2H2F3Cl

(HCFC-133)

3

0,02-0,06

 

C2H3FCl2

(HCFC-141)

3

0,005-0,07

 

CH3CFCl2

(HCFC-141b) **

0,11

725

C2H3F2Cl

(HCFC-142)

3

0,008-0,07

 

CH3CF2Cl

(HCFC-142b) **

0,065

2 310

C2H4FCl

(HCFC-151)

2

0,003-0,005

 

C3HFCl6

(HCFC-221)

5

0,015-0,07

 

C3HF2Cl5

(HCFC-222)

9

0,01-0,09

 

C3HF3Cl4

(HCFC-223)

12

0,01-0,08

 

C3HF4Cl3

(HCFC-224)

12

0,01-0,09

 

C3HF5Cl2

(HCFC-225)

9

0,02-0,07

 

CF3CF2CHCl2

(HCFC-225ca) **

0,025

122

CF2ClCF2CHClF

(HCFC-225cb) **

0,033

595

C3HF6Cl

(HCFC-226)

5

0,02-0,10

 

C3H2FCl5

(HCFC-231)

9

0,05-0,09

 

C3H2F2Cl4

(HCFC-232)

16

0,008-0,10

 

C3H2F3Cl3

(HCFC-233)

18

0,007-0,23

 

C3H2F4Cl2

(HCFC-234)

16

0,01-0,28

 

C3H2F5Cl

(HCFC-235)

9

0,03-0,52

 

C3H3FCl4

(HCFC-241)

12

0,004-0,09

 

C3H3F2Cl3

(HCFC-242)

18

0,005-0,13

 

C3H3F3Cl2

(HCFC-243)

18

0,007-0,12

 

C3H3F4Cl

(HCFC-244)

12

0,009-0,14

 

C3H4FCl3

(HCFC-251)

12

0,001-0,01

 

C3H4F2Cl2

(HCFC-252)

16

0,005-0,04

 

C3H4F3Cl

(HCFC-253)

12

0,003-0,03

 

C3H5FCl2

(HCFC-261)

9

0,002-0,02

 

C3H5F2Cl

(HCFC-262)

9

0,002-0,02

 

C3H6FCl

(HCFC-271)

5

0,001-0,03

 

*

Waar met betrekking tot de factor voor het ozonafbrekend vermogen (ozone depleting potential — ODP) een interval is aangegeven, dient in het kader van het Protocol de hoogste aangegeven waarde te worden gebruikt. Indien slechts één enkele ODP-waarde is vermeld, is deze berekend op basis van laboratoriummetingen. Indien een interval is vermeld, gaat het om schattingen waarover minder zekerheid bestaat. Elk interval geldt voor de betrokken groep isomeren. De bovengrens wordt gevormd door de geschatte ODP van de isomeer met de hoogste ODP, de ondergrens door de geschatte ODP van de isomeer met de laagste ODP.

**

Ter aanduiding van de stoffen die de interessantste commerciële mogelijkheden bieden, met de bijbehorende, in het kader van het Protocol te gebruiken ODP-waarde.

***

Voor stoffen waarvoor geen aardopwarmingsvermogen (global warming potential — GWP) is aangegeven, is de standaardwaarde 0 van toepassing totdat middels de in artikel 2, lid 9, onder a), ii), bepaalde procedure een GWP-waarde wordt opgenomen.

Aan het Protocol wordt na bijlage E de volgende bijlage toegevoegd:

„Bijlage F: Aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen

Groep

Stof

Aardopwarmingsvermogen over 100 jaar

Groep I

CHF2CHF2

HFC-134

1 100

CH2FCF3

HFC-134a

1 430

CH2FCHF2

HFC-143

353

CHF2CH2CF3

HFC-245fa

1 030

CF3CH2CF2CH3

HFC-365mfc

794

CF3CHFCF3

HFC-227ea

3 220

CH2FCF2CF3

HFC-236cb

1 340

CHF2CHFCF3

HFC-236ea

1 370

CF3CH2CF3

HFC-236fa

9 810

CH2FCF2CHF2

HFC-245ca

693

CF3CHFCHFCF2CF3

HFC-43-10mee

1 640

CH2F2

HFC-32

675

CHF2CF3

HFC-125

3 500

CH3CF3

HFC-143a

4 470

CH3F

HFC-41

92

CH2FCH2F

HFC-152

53

CH3CHF2

HFC-152a

124

 

 

 

Groep II

CHF3

HFC-23

14 800

Artikel II

Verband met de wijziging van 1999

Geen enkele staat of organisatie voor regionale economische integratie kan een akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, respectievelijk toetreding tot, deze wijziging nederleggen zonder hetzij vooraf hetzij tegelijk hiermee een dergelijke akte neder te leggen met betrekking tot de op de elfde vergadering van de partijen te Peking op 3 december 1999 aanvaarde wijziging.

Artikel III

Verband met het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het Protocol van Kyoto daarbij

Deze wijziging is niet bedoeld om tot gevolg te hebben dat fluorkoolwaterstoffen buiten het toepassingsgebied van de in de artikelen 4 en 12 van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of de in de artikelen 2, 5, 7 en 10 van het Protocol van Kyoto daarbij vervatte toezeggingen vallen.

Artikel IV

Inwerkingtreding

1.

Met uitzondering van het bepaalde in lid 2 treedt deze wijziging in werking op 1 januari 2019, mits ten minste 20 akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de wijziging zijn nedergelegd door staten of organisaties voor regionale economische integratie die partij zijn bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken. Ingeval op genoemde datum niet aan deze voorwaarde is voldaan, treedt de wijziging in werking op de negentigste dag na de datum waarop daaraan is voldaan.

2.

De in artikel I van deze wijziging vastgestelde wijzigingen van artikel 4 van het Protocol, Handel met staten die geen partij zijn, treden in werking op 1 januari 2033, mits ten minste 70 akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de wijziging zijn nedergelegd door staten of organisaties voor regionale economische integratie die partij zijn bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken. Ingeval op genoemde datum niet aan deze voorwaarde is voldaan, treedt de wijziging in werking op de negentigste dag na de datum waarop daaraan is voldaan.

3.

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt een dergelijke door een regionale organisatie voor economische integratie nedergelegde akte niet meegeteld naast de door haar lidstaten nedergelegde akten.

4.

Na de inwerkingtreding van deze wijziging overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 en 2, treedt zij ten aanzien van elke andere partij bij het Protocol in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel V

Voorlopige toepassing

Elke partij kan te allen tijde voor de inwerkingtreding van deze wijziging ten aanzien van haar verklaren dat zij de in artikel 2J vastgestelde beheersingsmaatregelen en de overeenkomstige gegevensverstrekking van artikel 7 in afwachting van de inwerkingtreding voorlopig zal toepassen.


Verklaring van de Europese Unie overeenkomstig artikel 13, lid 3, van het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag betreffende de omvang van haar bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden die vallen onder het Verdrag en het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken

De volgende staten zijn momenteel lid van de Europese Unie: het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, is de Europese Unie bevoegd om toe te treden tot internationale overeenkomsten, en om de daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

bescherming van de gezondheid van de mens;

behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van de klimaatverandering.

De Unie heeft haar bevoegdheid ten aanzien van het toepassingsgebied van het Verdrag van Wenen en het Protocol van Montreal uitgeoefend door rechtsinstrumenten aan te nemen, in het bijzonder Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (herschikking) (1), waarbij eerdere wetgeving ter bescherming van de ozonlaag werd vervangen, en Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (2). De Unie is bevoegd voor het nakomen van de verplichtingen uit het Verdrag van Wenen en het Protocol van Montreal waarvoor in rechtsinstrumenten van de Unie, en met name de hierboven genoemde, gemeenschappelijke regels zijn vastgesteld, indien en voor zover zulke gemeenschappelijke regels worden beïnvloed of het toepassingsgebied ervan wordt gewijzigd door bepalingen van het Verdrag van Wenen of het Protocol van Montreal of een handeling ter uitvoering daarvan; in andere gevallen blijft de Unie haar bevoegdheid delen met haar lidstaten.

De uitoefening van bevoegdheden door de Europese Unie ingevolge de Verdragen, is door de aard ervan voortdurend in ontwikkeling. De Unie behoudt zich daarom het recht voor deze verklaring aan te passen.

Op het gebied van onderzoek als bedoeld in het Verdrag, heeft de Unie de bevoegdheid activiteiten uit te voeren, met name om programma's vast te stellen en uit te voeren; de uitoefening van die bevoegdheid belet de lidstaten evenwel niet hun eigen bevoegdheden uit te oefenen.


(1)   PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1.

(2)   PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195.


VERORDENINGEN

14.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/14


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1542 VAN DE COMMISSIE

van 8 juni 2017

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 betreffende de berekening van regelgevende kapitaalvereisten voor bepaalde categorieën activa die door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen worden aangehouden (infrastructuurondernemingen)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (1), en met name artikel 50, lid 1, onder a), en artikel 111, lid 1, onder b), c) en m),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het investeringsplan voor Europa richt zich vooral op het wegnemen van investeringsbelemmeringen, het verlenen van technische ondersteuning en zichtbaarheid aan investeringsprojecten, en het slimmer benutten van nieuwe en bestaande financiële middelen. Met name is de derde pijler van het investeringsplan gebaseerd op het wegnemen van investeringsbelemmeringen en het vergroten van de voorspelbaarheid van de regelgeving ten einde ervoor te zorgen dat Europa aantrekkelijk blijft voor investeringen.

(2)

Een van de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie is om kapitaal in Europa te mobiliseren en het te kanaliseren naar onder meer infrastructuurprojecten die kapitaal nodig hebben om uit te breiden en banen te creëren. Verzekeringsmaatschappijen, met name levensverzekeraars, behoren tot de grootste institutionele beleggers in Europa en kunnen eigenvermogens- zowel als vreemdvermogensfinanciering voor langetermijninfrastructuur verlenen.

(3)

Op 2 april 2016 is Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/467 van de Commissie (2) tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie (3) in werking getreden, waardoor een afzonderlijke activaklasse voor infrastructuurprojecten ten behoeve van risicokalibraties werd gecreëerd.

(4)

De Commissie heeft de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa) om verder technisch advies gevraagd, en heeft dat advies ontvangen, met betrekking tot de criteria en kalibratie van een nieuwe activaklasse voor infrastructuurondernemingen. In dat technische advies werden ook bepaalde wijzigingen aanbevolen van de criteria voor kwalificerende beleggingen in infrastructuurprojecten zoals ingevoerd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/467.

(5)

Om van toepassing te zijn op situaties van gestructureerde projectfinanciering waarbij meerdere juridische entiteiten van een groep van ondernemingen betrokken zijn, moet de definitie van infrastructuurprojectentiteit worden vervangen en uitgebreid tot zowel individuele entiteiten als groepen van ondernemingen. Om van toepassing te zijn op entiteiten die een substantieel deel van hun inkomsten via infrastructuuractiviteiten genereren, moet de formulering van de inkomstencriteria worden gewijzigd. Om de bronnen van inkomsten van een infrastructuurentiteit te beoordelen, moet het meest recente boekjaar, indien beschikbaar, of een financieringsvoorstel zoals een obligatieprospectus of financiële projecties bij een leningaanvraag worden gebruikt. De definitie van infrastructuuractiva moet fysieke activa omvatten zodat relevante infrastructuurentiteiten kunnen kwalificeren.

(6)

Om infrastructuurentiteiten die om juridische of eigendomsredenen niet in staat zijn met betrekking tot alle activa zekerheid te verschaffen aan leners, niet zonder meer uit te sluiten, moeten mechanismen worden vastgelegd die andere zekerheidsregelingen ten gunste van verschaffers van vreemd vermogen mogelijk maken.

(7)

Rekening houdend met situaties waarbij inpandgeving vóór wanbetaling misschien niet toegestaan is onder het nationale recht, moet het vereiste dat eigen vermogen in pand wordt gegeven aan verschaffers van vreemd vermogen, in andere zekerheidsregelingen worden opgenomen.

(8)

Indien de toestemming door de bestaande verschaffers van vreemd vermogen impliciet besloten ligt in de voorwaarden van het desbetreffende document zoals een maximale schuldlimiet, moet verdere emissie van vreemd vermogen door een bestaande infrastructuurentiteit of groep van ondernemingen toegestaan zijn voor kwalificerende infrastructuurbeleggingen.

(9)

Kalibraties in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 moeten evenredig zijn met het betrokken risico.

(10)

Op basis van het technisch advies van Eiopa om de bestaande behandeling van kwalificerende beleggingen in infrastructuurprojecten te wijzigen, moeten de bestaande bepalingen voor infrastructuurprojecten worden gewijzigd.

(11)

Het technisch advies van Eiopa en aanvullend bewijs bevestigen dat beleggingen in kwalificerende infrastructuurondernemingen veiliger kunnen zijn dan niet-infrastructuurbeleggingen. Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 moet worden gewijzigd om de nieuwe risicokalibraties voor vreemdvermogensbeleggingen in kwalificerende infrastructuurondernemingen op te nemen om deze beleggingen van niet-infrastructuurbeleggingen te onderscheiden.

(12)

Passende definities en kwalificatiecriteria moeten zorgen voor een prudent beleggingsgedrag van verzekeringsondernemingen. Die definities en criteria moeten ervoor zorgen dat alleen veiligere beleggingen lagere kalibraties zullen krijgen.

(13)

De diversificatie van inkomsten is misschien niet altijd mogelijk voor infrastructuurentiteiten die kerninfrastructuuractiva of -diensten aan andere infrastructuurondernemingen leveren. In dergelijke situaties moeten „take-or-pay”-contracten worden toegestaan bij de beoordeling van de voorspelbaarheid van inkomsten.

(14)

Bij stresstesting als onderdeel van beleggingsrisicobeheer moeten risico's uit hoofde van niet-infrastructuuractiviteiten in aanmerking genomen worden. Om een prudente beoordeling van het beleggingsrisico te maken, mag niet met de inkomsten die door dergelijke activiteiten worden gegenereerd rekening worden gehouden bij het bepalen of aan de financiële verplichtingen kan worden voldaan.

(15)

Na de invoering van de nieuwe klasse van kwalificerende infrastructuurondernemingsactiva moeten andere bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 dienovereenkomstig worden aangepast, zoals de formule voor het solvabiliteitskapitaalvereiste en de duediligencevereisten die essentieel zijn voor prudente beleggingsbeslissingen door verzekeringsmaatschappijen.

(16)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(17)

Om directe beleggingen in deze klasse van langetermijninfrastructuuractiva toe te staan, is het van belang ervoor te zorgen dat deze verordening zo spoedig mogelijk in werking treedt, op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 worden de punten 55 bis en 55 ter vervangen door:

„55 bis.   „infrastructuuractiva”: fysieke activa, structuren of installaties, systemen en netwerken die wezenlijke openbare diensten verrichten of ondersteunen;

55 ter.   „infrastructuurentiteit”: een entiteit of groep ondernemingen die tijdens het meest recente boekjaar van die entiteit of groep waarvoor cijfers beschikbaar zijn of in een financieringsvoorstel het substantiële merendeel van haar inkomsten verkrijgt uit eigendom, financiering, ontwikkeling of exploitatie van infrastructuuractiva;”.

2)

In artikel 164 bis wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Voor de toepassing van deze verordening omvatten de kwalificerende infrastructuurbeleggingen de beleggingen in een infrastructuurentiteit die aan de volgende criteria voldoet:

a)

de kasstromen die door de infrastructuuractiva worden gegenereerd, staan toe dat aan alle financiële verplichtingen wordt voldaan onder aanhoudende stress die gevolgen heeft voor de risico's van het project;

b)

de kasstromen die de infrastructuurentiteit voor de schuldeisers en de kapitaalinbrengers genereert, zijn voorspelbaar;

c)

het beheer van de infrastructuuractiva en de infrastructuurentiteit is onderworpen aan een regelgevend of contractueel kader waardoor de schuldeisers en de kapitaalinbrengers een hoog beschermingsniveau genieten, dat onder meer in het volgende voorziet:

a)

het contractuele kader omvat bepalingen die schuldeisers en kapitaalinbrengers effectief beschermen tegen verliezen die voortvloeien uit de beëindiging van het project door de partij die ermee akkoord gaat de goederen of diensten van het infrastructuurproject te kopen, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de inkomsten van de infrastructuurentiteit worden gefinancierd door betalingen van een groot aantal gebruikers, of

ii)

de inkomsten zijn onderworpen aan regelgeving op het gebied van kapitaalrendement;

b)

de infrastructuurentiteit heeft voldoende reserves of andere financiële voorzieningen om de noodfinanciering en de behoeften aan werkkapitaal van het project te dekken.

Wanneer in obligaties of leningen is belegd, voorziet dit contractuele kader ook in het volgende:

i)

alle activa en contracten die kritiek zijn voor de exploitatie van het project, worden de schuldeisers als zekerheid of het voordeel van zekerheid verschaft, in zoverre dit door de toepasselijke wetgeving is toegestaan;

ii)

het gebruik van de netto-exploitatiekasstromen na de verplichte betalingen uit het project voor andere doeleinden dan het aflossen van de schuld wordt beperkt;

iii)

beperkingen op activiteiten die nadelig kunnen zijn voor de schuldeisers, met inbegrip van het feit dat nieuwe schuld niet kan worden uitgegeven zonder toestemming van de bestaande schuldeisers in de met hen overeengekomen vorm, tenzij een dergelijke nieuwe schuldemissies is toegestaan krachtens de documentatie voor de bestaande schuld.

Niettegenstaande punt i) van de tweede alinea mogen, voor beleggingen in obligaties of leningen, indien ondernemingen kunnen aantonen dat zekerheid bij alle activa en contracten voor schuldeisers niet essentieel is om hun beleggingen effectief te beschermen of grotendeels te recupereren, andere zekerheidsmechanismen worden gebruikt. In dat geval omvatten de andere zekerheidsmechanismen ten minste één van de volgende:

i)

inpandgeving van aandelen;

ii)

rechten om tussenbeide te komen;

iii)

pandrecht op bankrekeningen;

iv)

controle over kasstromen;

v)

bepalingen voor overdracht van contracten;

d)

wanneer in obligaties of leningen is belegd, kan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de toezichthouder aantonen dat zij de belegging tot het einde van de looptijd kan aanhouden;

e)

wanneer in obligaties of leningen is belegd waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, hebben het beleggingsinstrument en andere op gelijke voet staande instrumenten een hogere rang dan alle andere schuldvorderingen met uitzondering van wettelijke schuldvorderingen en schuldvorderingen van aanbieders van liquiditeitsfaciliteiten, trustees en tegenpartijen bij derivatentransacties;

f)

wanneer in aandelen is belegd, of in obligaties of leningen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt aan de volgende criteria voldaan:

i)

de infrastructuuractiva en de infrastructuurentiteit zijn in de EER of in de OESO gevestigd;

ii)

wanneer de infrastructuurentiteit in de bouwfase verkeert, wordt door de kapitaalinbrenger aan de volgende criteria voldaan, of wanneer er meer dan een kapitaalinbrenger is, door de groep van kapitaalinbrengers als een geheel:

de kapitaalinbrengers hebben in het verleden met succes toezicht gehouden op infrastructuurprojecten en beschikken over de nodige deskundigheid;

de kapitaalinbrengers hebben een laag risico van wanbetaling of er is voor de infrastructuurenteit een laag risico van materiële verliezen ten gevolge van hun wanbetaling;

de kapitaalinbrengers worden ertoe aangezet de belangen van de beleggers te beschermen;

iii)

indien er bouwrisico's zijn, zijn er waarborgen gesteld voor de voltooiing van het project volgens het overeengekomen bestek, met het overeengekomen budget of tegen de overeengekomen datum van voltooiing;

iv)

wanneer de exploitatierisico's materieel zijn, worden ze correct beheerd;

v)

de infrastructuurentiteit gebruikt beproefde technologieën en ontwerpen;

vi)

de kapitaalstructuur van de infrastructuurentiteit stelt haar in staat haar schulden af te lossen;

vii)

het herfinancieringsrisico voor de infrastructuurentiteit is laag;

viii)

de infrastructuurentiteit gebruikt derivaten alleen om risico's te limiteren.”.

3)

Het volgende artikel 164 ter wordt ingevoegd:

„Artikel 164 ter

Kwalificerende beleggingen in infrastructuurondernemingen

Voor de toepassing van deze verordening omvatten de kwalificerende beleggingen in infrastructuurondernemingen de beleggingen in een infrastructuurentiteit die aan de volgende criteria voldoet:

1.

verreweg de meeste inkomsten van de infrastructuurentiteit worden verkregen uit eigendom, financiering, ontwikkeling of exploitatie van infrastructuuractiva gelegen in de EER of de OESO;

2.

de inkomsten van de infrastructuuractiva voldoen aan een van de criteria waarvan sprake in artikel 164 bis, lid 2, onder a);

3.

wanneer de inkomsten van de infrastructuurentiteit niet door betalingen van een groot aantal gebruikers worden gefinancierd, is de partij die zich ertoe verbindt de goederen of diensten van de infrastructuurentiteit te kopen, een van de entiteiten opgesomd in artikel 164 bis, lid 2, onder b);

4.

de inkomsten zijn gediversifieerd qua activiteiten, ligging of betalers, tenzij de inkomsten zijn onderworpen aan regelgeving op het gebied van kapitaalrendement overeenkomstig artikel 164 bis, lid 1, onder c), punt a), ii), of een „take-or-pay”-contract of de inkomsten beschikbaarheidgebaseerd zijn;

5.

wanneer in obligaties of leningen is belegd, kan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming aan de toezichthouder aantonen dat zij de belegging tot het einde van de looptijd kan aanhouden;

6.

indien geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is voor de infrastructuurentiteit:

a)

staat de kapitaalstructuur van de infrastructuuronderneming deze toe al haar schulden af te lossen onder conservatieve aannames op basis van een analyse van de relevante financiële ratio's;

b)

is de infrastructuurentiteit actief geweest gedurende ten minste drie jaar of, in geval van een overgenomen bedrijf, gedurende ten minste drie jaar in bedrijf geweest;

7.

indien een kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is voor de infrastructuurentiteit, geldt voor een dergelijke kredietbeoordeling een kredietkwaliteitscategorie tussen 0 en 3.”.

4)

Artikel 168 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 komt als volgt te luiden:

„1.   De ondermodule aandelenrisico als bedoeld in punt b) van de tweede alinea van artikel 105, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG omvat een ondermodule risico voor aandelen van type 1, een ondermodule risico voor aandelen van type 2, een ondermodule risico voor kwalificerende infrastructuuraandelen en een ondermodule risico voor kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen.”;

b)

het volgende lid 3 ter wordt ingevoegd:

„3 ter.   Kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen bestaan uit aandelenbeleggingen in infrastructuurentiteiten die aan de in artikel 164 ter vastgestelde criteria voldoen.”;

c)

lid 4 komt als volgt te luiden:

„4.   Het kapitaalvereiste voor het aandelenrisico wordt als volgt berekend:

Formula

waarbij:

a)

SCRequ1 staat voor het kapitaalvereiste voor aandelen van type 1;

b)

SCRequ2 staat voor het kapitaalvereiste voor aandelen van type 2;

c)

SCRquinf staat voor het kapitaalvereiste voor kwalificerende infrastructuuraandelen;

d)

SCRquinfc staat voor het kapitaalvereiste voor kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen;”

d)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de punten a) en b) worden vervangen door:

„a)

aandelen, andere dan kwalificerende infrastructuuraandelen of kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen, die worden aangehouden binnen instellingen voor collectieve belegging welke kwalificerende sociaalondernemerschapsfondsen zijn als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*1) indien de doorkijkbenadering als vastgesteld in artikel 84 van deze verordening mogelijk is voor alle blootstellingen binnen de instelling voor collectieve belegging, of rechten van deelneming of aandelen van die fondsen indien de doorkijkbenadering niet mogelijk is voor alle blootstellingen binnen de instelling voor collectieve belegging;

b)

aandelen, andere dan kwalificerende infrastructuuraandelen of kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen, die worden aangehouden binnen instellingen voor collectieve belegging welke kwalificerende durfkapitaalfondsen zijn als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*2) indien de doorkijkbenadering als vastgesteld in artikel 84 van deze verordening mogelijk is voor alle blootstellingen binnen de instelling voor collectieve belegging, of rechten van deelneming of aandelen van die fondsen indien de doorkijkbenadering niet mogelijk is voor alle blootstellingen binnen de instelling voor collectieve belegging.

(*1)  Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18)."

(*2)  Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1).”;"

ii)

in punt c) wordt punt i) vervangen door:

„i)

aandelen, andere dan kwalificerende infrastructuuraandelen of kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen, die binnen dergelijke instellingen worden aangehouden indien de doorkijkbenadering als vastgesteld in artikel 84 van deze verordening mogelijk is voor alle blootstellingen binnen de alternatieve beleggingsinstelling;”;

iii)

punt d) wordt vervangen door:

„d)

aandelen, andere dan kwalificerende infrastructuuraandelen of kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen, die worden aangehouden binnen instellingen voor collectieve belegging die als Europese langetermijnbeleggingsinstellingen zijn toegestaan overeenkomstig Verordening (EU) 2015/760, indien de doorkijkbenadering als vastgesteld in artikel 84 van deze verordening mogelijk is voor alle blootstellingen binnen de instelling voor collectieve belegging, of rechten van deelneming of aandelen van die instellingen indien de doorkijkbenadering niet mogelijk is voor alle blootstellingen binnen de instelling voor collectieve belegging.”.

5)

In artikel 169 wordt een lid 4 ingevoegd dat als volgt luidt:

„4.   Het kapitaalvereiste voor kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen als bedoeld in artikel 168 van deze verordening, is gelijk aan het verlies aan kernvermogen als gevolg van de volgende onmiddellijke dalingen:

a)

een onmiddellijke daling gelijk aan 22 % van de waarde van beleggingen in kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen in verbonden ondernemingen in de zin van artikel 212, lid 1, onder b), en artikel 212, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG indien deze beleggingen strategisch van aard zijn;

b)

een onmiddellijke daling gelijk aan de som van 36 % en 92 % van de symmetrische aanpassing als bedoeld in artikel 172 van deze verordening in de waarde van kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen behalve die als bedoeld in punt a).”.

6)

In artikel 170 wordt een lid 4 ingevoegd dat als volgt luidt:

„4.   Indien een verzekerings- of herverzekeringsonderneming van de toezichthouder goedkeuring heeft ontvangen om de bepalingen als vastgesteld in artikel 304 van Richtlijn 2009/138/EG toe te passen, is het kapitaalvereiste voor kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen gelijk aan het verlies aan kernvermogen als gevolg van een onmiddellijke daling:

a)

gelijk aan 22 % van de waarde van de kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen die overeenstemmen met het bedrijf als bedoeld in artikel 304, lid 1, onder b), i), van Richtlijn 2009/138/EG;

b)

gelijk aan 22 % van de waarde van beleggingen in kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen in verbonden ondernemingen in de zin van artikel 212, leden 1, onder b), en 2, van Richtlijn 2009/138/EG indien deze beleggingen strategisch van aard zijn;

c)

gelijk aan de som van 36 % en 92 % van de symmetrische aanpassing als bedoeld in artikel 172 van deze verordening in de waarde van kwalificerende infrastructuurondernemingsaandelen behalve die als bedoeld in punt a) of b).”.

7)

In artikel 171 wordt de inleidende zin vervangen door:

„Voor de toepassing van artikel 169, lid 1, onder a), lid 2, onder a), lid 3, onder a), en lid 4, onder a), en van artikel 170, lid 1, onder b), lid 2, onder b), lid 3, onder b), en lid 4, onder b), wordt onder aandelenbeleggingen van strategische aard verstaan aandelenbeleggingen waarvoor de deelnemende verzekerings- of herverzekeringsonderneming het volgende aantoont:”.

8)

In artikel 180 worden de volgende leden 14, 15 en 16 toegevoegd:

„14.   Aan blootstellingen in de vorm van obligaties en leningen die aan de in lid 15 vastgestelde criteria voldoen, wordt een risicofactor stress i toegekend afhankelijk van de kredietkwaliteitscategorie en de duration van de blootstelling overeenkomstig de volgende tabel:

Kredietkwaliteitscategorie

0

1

2

3

Duration

(duri )

stress i

ai

bi

ai

bi

ai

bi

ai

bi

Tot 5

bi · duri

0,68 %

0,83 %

1,05 %

1,88 %

Meer dan 5 en niet meer dan 10

ai + bi · (duri – 5)

3,38 %

0,38 %

4,13 %

0,45 %

5,25 %

0,53 %

9,38 %

1,13 %

Meer dan 10 en niet meer dan 15

ai + bi · (duri – 10)

5,25 %

0,38 %

6,38 %

0,38 %

7,88 %

0,38 %

15,0 %

0,75 %

Meer dan 15 en niet meer dan 20

ai + bi · (duri – 15)

7,13 %

0,38 %

8,25 %

0,38 %

9,75 %

0,38 %

18,75 %

0,75 %

Meer dan 20

min[ai + bi · (duri – 20);1]

9,0 %

0,38 %

10,13 %

0,38 %

11,63 %

0,38 %

22,50 %

0,38 %

15.   De criteria voor blootstellingen waaraan overeenkomstig lid 14 een risicofactor wordt toegekend, zijn de volgende:

a)

de blootstelling heeft betrekking op een kwalificerende infrastructuurondernemingsbelegging die aan de in artikel 164 ter vastgestelde criteria voldoet;

b)

de blootstelling is geen actiefpost die aan de volgende voorwaarden voldoet:

hij is toegewezen aan een matchingopslagportefeuille overeenkomstig artikel 77 ter, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG;

hij heeft een kredietkwaliteitscategorie tussen 0 en 2 toegekend gekregen;

c)

er is voor de infrastructuurentiteit een kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar;

d)

aan de blootstelling is een kredietkwaliteitscategorie tussen 0 en 3 toegekend.

16.   Aan blootstellingen in de vorm van obligaties en leningen die aan de in lid 15, onder a) en b), vastgestelde criteria voldoen maar niet aan het in lid 15, onder c), vastgestelde criterium, wordt een risicofactor stressi toegekend gelijk aan kredietkwaliteitscategorie 3 en de duration van de blootstelling overeenkomstig de in lid 14 opgenomen tabel.”.

9)

In artikel 181 wordt het tweede lid van punt b) vervangen door:

„Voor activa in de toegewezen portefeuille waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen EKBI beschikbaar is, en voor kwalificerende infrastructuuractiva en voor kwalificerende infrastructuurondernemingsactiva waaraan kredietkwaliteitscategorie 3 is toegekend, is de verminderingsfactor gelijk aan 100 %.”.

10)

Artikel 261 bis wordt vervangen door:

„Artikel 261 bis

Risicobeheer voor kwalificerende infrastructuurbeleggingen of kwalificerende infrastructuurondernemingsbeleggingen

1.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen leggen adequate zorgvuldigheid aan de dag voordat zij een kwalificerende infrastructuurbelegging of een kwalificerende infrastructuurondernemingsbelegging doen, met inbegrip van al het volgende:

a)

een gedocumenteerde beoordeling van de manier waarop de infrastructuurentiteit aan de in artikel 164 bis of artikel 164 ter vastgestelde criteria voldoet, die aan een valideringsproces is onderworpen, uitgevoerd door personen die niet onder invloed staan van de personen die verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van de criteria en geen mogelijke belangenconflicten met die personen hebben;

b)

een bevestiging dat alle financiële modellen voor de kasstromen van de infrastructuurentiteit zijn onderworpen aan een valideringsproces, uitgevoerd door personen die niet onder invloed staan van de personen die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van het financiële model en geen mogelijke belangenconflicten met die personen hebben.

2.   Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die een kwalificerende infrastructuurbelegging of een kwalificerende infrastructuurondernemingsbelegging aanhouden, monitoren regelmatig de kasstromen en de waarde van het onderpand die de infrastructuurentiteit ondersteunen, en voeren daarop stresstests uit. Alle stresstests staan in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de aan het infrastructuurproject verbonden risico's.

3.   Bij de stresstesting worden de risico's uit hoofde van niet-infrastructuuractiviteiten in aanmerking genomen, maar met de inkomsten die door dergelijke activiteiten gegenereerd worden, wordt geen rekening gehouden bij het bepalen of de infrastructuurentiteit in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen.

4.   Wanneer verzekerings- of herverzekeringsondernemingen materiële kwalificerende infrastructuurbeleggingen of kwalificerende infrastructuurondernemingsbeleggingen aanhouden, nemen zij bij het vaststellen van de in artikel 41, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde schriftelijke procedures bepalingen op voor een actieve monitoring van die beleggingen tijdens de bouwfase, en voor een maximalisering van het gedekte bedrag uit hoofde van die beleggingen in geval van een herschikkingsscenario.

5.   Verzekerings- of herverzekeringsondermingen die een kwalificerende infrastructuurbelegging of een kwalificerende infrastructuurondernemingsbelegging in obligaties of leningen aanhouden, richten hun activa-passivabeheer zodanig in dat zij de belegging voortdurend tot het einde van de looptijd kunnen aanhouden.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juni 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/467 van de Commissie van 30 september 2015 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 met betrekking tot de berekening van de wettelijke kapitaalvereisten voor verschillende klassen van activa die door verzekerings- en herverzekeringsondernemingen worden aangehouden (PB L 85 van 1.4.2016, blz. 6).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en de uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 12 van 17.1.2015, blz. 1).


BESLUITEN

14.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/22


BESLUIT (EU, Euratom) 2017/1543 VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN

van 6 september 2017

tot benoeming van een rechter bij het Gerecht

DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 254 en 255,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 48 van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad (1), is bepaald dat het Gerecht vanaf 1 september 2016 uit 47 rechters bestaat. Artikel 2, onder b), van die verordening bepaalt de ambtstermijn van de zeven extra rechters op zodanige wijze dat het einde daarvan samenvalt met de gedeeltelijke vervangingen in het Gerecht die op 1 september 2019 en op 1 september 2022 zullen plaatsvinden.

(2)

Dat is de context waarin de heer Geert DE BAERE is voorgedragen voor het ambt van extra rechter bij het Gerecht.

(3)

Het comité dat is ingesteld bij artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft een advies uitgebracht over de geschiktheid van de heer Geert DE BAERE voor de uitoefening van het ambt van rechter bij het Gerecht.

(4)

Overgegaan dient te worden tot benoeming van heer Geert DE BAERE voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2022,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De heer Geert DE BAERE wordt benoemd tot rechter bij het Gerecht voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2022.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 6 september 2017.

De voorzitter

K. TAEL


(1)  Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (PB L 341 van 24.12.2015, blz. 14).


AANBEVELINGEN

14.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 236/23


AANBEVELING Nr. 1/2017 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-EGYPTE

van 25 juli 2017

tot vaststelling van de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte [2017/1544]

DE ASSOCIATIERAAD EU-EGYPTE,

Gezien de Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds (1), en met name artikel 76,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds (hierna de „overeenkomst” genoemd) is op 25 juni 2001 ondertekend en op 1 juni 2004 in werking getreden.

(2)

Artikel 76 van de overeenkomst geeft de Associatieraad de bevoegdheid passende besluiten vast te stellen om de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken.

(3)

Overeenkomstig artikel 86 van de overeenkomst dienen de partijen alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen en zien zij erop toe dat de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen worden bereikt.

(4)

Bij de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid is voorgesteld de samenwerking met partners naar een hoger plan te tillen en zo het gevoel van betrokkenheid van beide partijen te vergroten,

(5)

De Unie en Egypte zijn overeengekomen hun partnerschap te consolideren door middel van een reeks prioriteiten voor de periode 2017-2020, waarbij ernaar gestreefd wordt de gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken waarmee de Unie en Egypte worden geconfronteerd, de gemeenschappelijke belangen te bevorderen en de stabiliteit op de lange termijn te garanderen aan weerszijden van de Middellandse Zee;

BEVEELT AAN:

Artikel 1

De Associatieraad beveelt aan dat de partijen de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte zoals opgenomen in de bijlage bij deze aanbeveling, uitvoeren.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte vervangen het actieplan EU-Egypte, waarvan de uitvoering werd aanbevolen in Aanbeveling nr. 1/2007 van de Associatieraad van 6 maart 2007.

Artikel 3

Deze aanbeveling treedt in werking op de dag waarop ze wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2017.

Voor de Associatieraad EU-Egypte

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)   PB L 304 van 30.9.2004, blz. 39.


BIJLAGE

PRIORITEITEN VAN HET PARTNERSCHAP EU-EGYPTE 2017-2020

I.   Inleiding

Het algemene kader voor de samenwerking tussen de EU en Egypte is vastgelegd in de associatieovereenkomst die in 2001 is ondertekend en in 2004 in werking is getreden. Alle onderdelen van de associatieovereenkomst blijven weliswaar van kracht, maar dit document beschrijft de partnerschapsprioriteiten voor de komende drie jaar die de EU en Egypte gezamenlijk hebben bepaald in het licht van het herziene Europees nabuurschapsbeleid.

Met deze partnerschapsprioriteiten wordt ernaar gestreefd de gemeenschappelijke uitdagingen aan te pakken waarmee de EU en Egypte worden geconfronteerd, de gemeenschappelijke belangen te bevorderen en aan weerszijden van de Middellandse Zee stabiliteit op de lange termijn te garanderen. Een gemeenschappelijke inzet voor de universele waarden van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten ligt aan de basis van de partnerschapsprioriteiten. Zij hebben ook tot doel de samenwerking te versterken met het oog op de ondersteuning van de „duurzame ontwikkelingsstrategie — visie 2030” van Egypte.

II.   Voorgestelde prioriteiten

De partnerschapsprioriteiten moeten de verwachtingen van de bevolking aan weerszijden van de Middellandse Zee helpen inlossen, en in het bijzonder zorgen voor sociale rechtvaardigheid, waardige werkgelegenheid, economische welvaart en aanzienlijk betere levensomstandigheden, waardoor de stabiliteit van Egypte en de EU wordt versterkt. Door innovatie geschraagde inclusieve groei en doeltreffend en participatief bestuur, op basis van de beginselen van de rechtsstaat en met inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zijn essentiële aspecten van deze doelstellingen. De partnerschapsprioriteiten houden ook rekening met de rol van de EU en die van Egypte als internationale spelers en hebben tot doel zowel hun bilaterale als hun regionale en internationale samenwerking te versterken. Het hernieuwde partnerschap is gebaseerd op de volgende overkoepelende prioriteiten:

1.   Duurzame modernisering van de economie en sociale ontwikkeling van Egypte

De EU en Egypte zullen als belangrijke partners samenwerken bij de verwezenlijking van de sociaal-economische doelstellingen die zijn opgenomen in de „duurzame ontwikkelingsstrategie — visie 2030” van Egypte om stabiliteit en welvaart in Egypte tot stand te brengen.

a)   Economische modernisering en ondernemerschap

Egypte is vastbesloten om sociaal-economische duurzaamheid op de lange termijn tot stand te brengen door onder andere een gunstiger klimaat te scheppen voor inclusieve groei en werkgelegenheid, in het bijzonder voor jongeren en vrouwen, onder meer door de integratie van de informele sector in de economie te bevorderen. Met het oog op economische duurzaamheid op de lange termijn moet Egypte maatregelen nemen die meer begrotingsruimte kunnen genereren om zijn duurzame ontwikkelingsstrategie beter uit te voeren, de hervormingen van het subsidie- en belastingstelsel stimuleren, waarbij de rol van de particuliere sector wordt versterkt en het ondernemingsklimaat wordt verbeterd om meer buitenlandse investeringen aan te trekken, onder meer door een meer open en concurrerend handelsbeleid, door optimaal profijt te trekken van het digitale dividend en door ondersteuning van essentiële infrastructuurprojecten zoals de ontwikkeling van een efficiënt transportsysteem. Voorts zal de EU de inspanningen van Egypte ondersteunen op het vlak van de hervorming van het openbaar bestuur en behoorlijk bestuur, onder meer door gebruik te maken van statistieken van hoge kwaliteit en rekening te houden met de digitale revolutie en de daaraan gerelateerde nieuwe bedrijfsmodellen en maatschappelijke modellen.

In de Egyptische strategie voor duurzame ontwikkeling wordt veel belang gehecht aan kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en aan megaprojecten zoals het ontwikkelingsproject voor het Suezkanaal, het „gouden driehoek”-project voor minerale hulpbronnen in Opper-Egypte en het ontginnen van vier miljoen hectare voor landbouw en urbanisatie, alsook aan de Egyptische kennisbank, die allemaal een belangrijke bijdrage leveren aan sociaal-economische ontwikkeling op de lange termijn. Gezien het belang van de ontwikkeling van kmo's voor de inclusieve groei zal deze sector een centrale rol blijven spelen in de samenwerking van de EU met Egypte. De EU zal ook nagaan hoe het potentieel voor de sociaal-economische ontwikkeling van het ontwikkelingsproject voor het Suezkanaal (knooppunt Suezkanaal) kan worden bevorderd. Voorts zullen de EU en Egypte samenwerken op het vlak van onderzoek en innovatie en bij het bevorderen van digitale technologieën en diensten. In deze context hebben Egypte en de EU hun belangstelling te kennen gegeven voor een intensivering van de samenwerking bij een aantal belangrijke activiteiten op het vlak van onderzoek en hoger onderwijs, onder meer in het kader van Horizon 2020 en Erasmus +.

Gezien het onschatbare en veelzijdige Egyptische erfgoed en de belangrijke bijdrage van de culturele sector (sterk gerelateerd aan het toerisme) aan het bbp, de werkgelegenheid en de deviezenreserves van het land en de Egyptische samenleving in brede zin, zal bijzondere aandacht uitgaan naar de link tussen cultuur, cultureel erfgoed en lokale economische ontwikkeling.

b)   Handel en investeringen

De EU en Egypte zijn belangrijke handelspartners. Beide partijen zijn vastbesloten de bestaande handels- en investeringsbetrekkingen te versterken en ervoor te zorgen dat de handelsbepalingen van de associatieovereenkomst Egypte-EU tot instelling van een vrijhandelszone zodanig worden uitgevoerd dat de vrijhandelszone haar volledige potentieel kan bereiken. De EU heeft vroeger het idee geopperd van een diepe en brede alomvattende vrijhandelsovereenkomst (DCFTA) om de bestaande vrijhandelszone zowel te verdiepen als uit te breiden; de EU en Egypte zullen evenwel ook gezamenlijk vaststellen welke andere geschikte benaderingen kunnen worden ingezet om de handelsbetrekkingen te versterken.

c)   Sociale ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid

Egypte bevestigt zijn bereidheid om de sociale ontwikkeling en de sociale rechtvaardigheid te hervormen en te bevorderen, om de sociale en demografische problemen waarmee het land wordt geconfronteerd, aan te pakken en de personele middelen van het land te stimuleren waarmee de economische en sociale ontwikkeling van het land kan worden versneld. In dit verband zal de EU Egypte steunen bij zijn inspanningen om gemarginaliseerde groepen te beschermen tegen de mogelijke negatieve gevolgen van economische hervormingen door middel van een sociaal vangnet en sociale bescherming. Verder zullen de EU en Egypte de plattelands- en stadsontwikkeling blijven bevorderen, alsook streven naar een verbetering van de basisdienstverlening, met bijzondere aandacht voor de modernisering van het onderwijs (met inbegrip van de technische en beroepsopleidingen) en de gezondheidszorg. De EU zal haar ervaring delen bij de totstandkoming van een inclusieve ziektekostenverzekering en een betere gezondheidszorg.

d)   Energiezekerheid, milieu en klimaatactie

De EU en Egypte zullen samenwerken bij de diversificatie van de energiebronnen, met bijzondere aandacht voor hernieuwbare energiebronnen, en bij acties op het vlak van energie-efficiëntie. Op verzoek van de Egyptische regering zal de EU Egypte steunen bij zijn inspanningen ter actualisering van zijn geïntegreerde energiestrategie, die erop gericht is te voldoen aan de eisen inzake duurzame ontwikkeling en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Voorts biedt de ontdekking van offshore gasvelden in Egypte aanzienlijke mogelijkheden om synergie-effecten tot stand te brengen tussen de EU en Egypte op het vlak van conventionele energiebronnen, gezien de bestaande infrastructuur voor het vloeibaar maken van gas in Egypte. Hierdoor wordt de energieopwekking meer voorspelbaar, hetgeen in het belang is van zowel Egypte — gezien de aanzienlijke consumptiebehoeften van het land en het potentieel om inkomsten te genereren (hetgeen ook gunstig is voor het ondernemingsklimaat en de sociale ontwikkeling) — als de EU, die haar energiebevoorrading kan diversifiëren. De versterking van de energiedialoog tussen de EU en Egypte zal bijdragen tot het bepalen van de essentiële terreinen waarop kan worden samengewerkt (zoals technische bijstand voor de oprichting van een regionaal energieknooppunt), gezamenlijk onderzoek, uitwisseling van ervaring en beste praktijken, technologieoverdracht en de bevordering van subregionale samenwerking (binnen het Middellandse Zeegebied), waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak om de mariene ecosystemen van het Middellandse Zeegebied te behouden.

De EU en Egypte zullen samenwerken bij de bevordering van maatregelen op het vlak van klimaat en milieu binnen het kader van de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling. Overeenkomstig de afspraken naar aanleiding van de goedkeuring van het klimaatverdrag van Parijs zal de EU de uitvoering ondersteunen van de voorgenomen nationaal bepaalde bijdragen van Egypte op het vlak van mitigatie- en adaptatiebeleid. Voorts zullen de EU en Egypte samenwerken om de doelstellingen te verwezenlijken die onder andere in de Ontwikkelingsagenda 2030 en het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering zijn vastgesteld.

Egypte en de EU zullen de potentiële samenwerking onderzoeken op terreinen zoals duurzaam hulpbronnenbeheer, met inbegrip van watervoorraden, het behoud van de biodiversiteit, riolering en waterzuivering, beheer van vast afval, inclusief de vermindering van industriële vervuiling, het beheer van chemische stoffen en gevaarlijk afval, alsook de strijd tegen woestijnvorming en bodemdegradatie. Egypte en de EU onderzoeken ook de mogelijkheden die de ministeriële verklaring van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ) over de blauwe economie biedt via de IMP/CC (1) faciliteit. De volgende samenwerkingsterreinen worden onder meer overwogen: slimme zeehavens, maritieme clusters, geïntegreerd beheer van kustgebieden en zeevisserij.

2.   Partnerschap op het gebied van buitenlands beleid

De EU en Egypte hebben er beide belang bij dat de samenwerking inzake buitenlands beleid op bilateraal, regionaal en internationaal niveau wordt versterkt.

Stabilisering van de gemeenschappelijke nabuurschap en daarbuiten

Voor Egypte is hierbij een rol weggelegd, via zijn zetel in de VN-Veiligheidsraad en zijn zetel in de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie. Voorts is ook de Arabische Liga (LAS) in Egypte gevestigd, waarmee de EU voornemens is de samenwerking te verdiepen en te verbreden. Egypte en de EU zullen streven naar meer samenwerking en een gemeenschappelijke visie op een aantal vraagstukken, ook op multilateraal niveau. Het partnerschap tussen de EU en Egypte is belangrijk voor de stabiliteit en de welvaart van het Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten en Afrika. Samenwerking tussen de EU en Egypte, onder meer binnen regionale fora, heeft tot doel bij te dragen aan conflictoplossing, vredesopbouw en de aanpak van politieke en economische uitdagingen in deze regio's. Voorts zullen de EU en Egypte de informatie-uitwisseling verbeteren over belangrijke regionale en internationale uitdagingen die voor beide partijen van belang zijn.

Samenwerking op het vlak van crisismanagement en humanitaire bijstand

De EU en Egypte zullen de samenwerking en het overleg intensiveren en zullen ervaringen uitwisselen op het vlak van crisismanagement en -preventie, zowel bilateraal als regionaal, om in hun gemeenschappelijke nabuurschap en daarbuiten de complexe uitdagingen op het vlak van vrede, stabiliteit en ontwikkeling aan te pakken die voortkomen uit conflicten en natuurrampen.

3.   Versterking van de stabiliteit

Stabilisering is een gemeenschappelijke uitdaging waarmee de EU en Egypte worden geconfronteerd. Om stabiliteit te kunnen verwezenlijken, is het essentieel een moderne, democratische staat op te bouwen die baten oplevert die op een billijke wijze onder de volledige bevolking worden verdeeld. Mensenrechten — burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten, zoals omschreven in het internationaal recht inzake de mensenrechten, het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Egyptische grondwet — zijn een gemeenschappelijke waarde en vormen de hoeksteen van een moderne, democratische staat. Derhalve zijn Egypte en de EU vastbesloten om overeenkomstig hun internationale verplichtingen de democratie, de fundamentele vrijheden en mensenrechten als grondwettelijke rechten van al hun burgers te bevorderen. In deze context zal de EU ondersteuning verlenen aan Egypte bij de omzetting van deze rechten in wetgeving.

a)   Een moderne, democratische staat

Egypte en de EU streven naar verantwoordingsplicht, de naleving van de beginselen van de rechtsstaat en de volledige eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en willen gehoor geven aan de verlangens van hun burgers. De EU zal Egypte steunen bij zijn inspanningen ter vergroting van de capaciteit van de overheidsinstellingen voor het uitvoeren van doeltreffende hervormingen in de openbare sector en die van de instellingen voor wetshandhaving voor het uitvoeren van hun taken op het gebied van de veiligheid voor alle burgers, en om de grondwettelijke functies van het nieuwe parlement te ontwikkelen. Voorts zullen de EU en Egypte op de volgende terreinen meer samenwerken: de modernisering van justitie, een betere toegang tot de rechter voor alle burgers via rechtsbijstandsregelingen en de oprichting van gespecialiseerde rechtbanken, de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën en corruptiebestrijding. De EU en Egypte zullen ook overwegen justitiële samenwerking in civiele en strafzaken te ontwikkelen. Parlementaire samenwerking tussen de EU en Egypte, onder meer door gestructureerde contacten tussen parlementaire comités en groepen, zou de coördinatie versterken en het wederzijds begrip bevorderen. Voorts zal de EU Egypte steunen bij zijn inspanningen om de lokale autoriteiten meer zeggenschap te geven bij de planning en uitvoering van openbare dienstverlening, te zorgen voor gelijke kansen op economisch, sociaal en politiek vlak en de sociale integratie van alle Egyptenaren te bevorderen.

b)   Veiligheid en terrorisme

Veiligheid is een gezamenlijke doelstelling. Terrorisme en gewelddadig extremisme dat de voedingsbodem vormt voor terrorisme, zijn een bedreiging voor het sociale weefsel van naties aan weerszijden van de Middellandse Zee. Zij vormen een grote bedreiging voor de veiligheid en het welzijn van onze burgers. Het is een gemeenschappelijke doelstelling van de EU en Egypte om het hoofd te bieden aan deze bedreigingen door samen te werken op basis van een alomvattende benadering waarbij de diepere oorzaken van het terrorisme worden aangepakt met inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden om aldus radicalisering succesvol te bestrijden en te voorkomen en de sociaal-economische ontwikkeling te bevorderen. De EU en Egypte zullen blijven samenwerken bij de bestrijding van extremisme en elke vorm van discriminatie, met inbegrip van islamofobie en vreemdelingenhaat.

Voorts heeft de samenwerking onder meer ook betrekking op de versterking van de luchtvaartveiligheid, bescherming van de veiligheid en de capaciteit om grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit zoals migrantensmokkel, mensenhandel, drugshandel en witwaspraktijken te voorkomen en te bestrijden.

Beide partijen komen overeen om nauwer samen te werken bij de uitvoering van het VN-actieprogramma ter bestrijding van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens, onder meer door de uitwisseling van ervaringen, opleiding en andere activiteiten voor capaciteitsopbouw.

c)   Beheer van migratiestromen waarbij beide partijen gebaat zijn

De politieke verklaring van de top van Valletta en het gezamenlijke actieplan van Valletta vormen het belangrijkste kader voor de samenwerking tussen de EU en Egypte op het vlak van migratie. De EU zal de inspanningen van de Egyptische regering ondersteunen die tot doel hebben het Egyptische kader voor migratiebeheer te versterken, onder meer door wetgevingshervormingen en strategieën voor migratiebeheer. Bij het voorkomen en bestrijden van irreguliere migratie, mensenhandel en -smokkel, inclusief identificatie en bijstandsverlening aan de slachtoffers van mensenhandel, kan Egypte rekenen op EU-steun. De EU zal ook zorgen voor de ondersteuning en versterking van de capaciteit van Egypte om de rechten van migranten te beschermen en te voorzien in bescherming van hen die — overeenkomstig de internationale normen — voor bescherming in aanmerking komen. De EU en Egypte zullen onderzoeken hoe zij kunnen samenwerken op het vlak van de vrijwillige terugkeer van irreguliere migranten naar hun land van oorsprong om ervoor te zorgen dat migratie mondiaal op een legale manier wordt beheerd. Deze benadering gaat samen met een samenwerking die gericht is op het aanpakken van de diepere oorzaken van irreguliere migratie, met name onderontwikkeling, armoede en werkloosheid.

Mobiliteit van personen kan bijdragen tot de ontwikkeling van vaardigheden en kennis, die op hun beurt de ontwikkeling van Egypte kunnen bevorderen. Hierbij kunnen ook duurzame contacten worden uitgebouwd tussen hoog geschoolde arbeidskrachten in de EU en Egypte. De EU en Egypte zetten zich in voor de volledige bescherming van de rechten van migranten.

III.   Beginselen van de samenwerking

De bevordering van de menselijke factor en interpersoonlijke contacten zal resulteren in sterkere banden tussen de EU en Egypte, waardoor het partnerschap tussen beide partners wordt geconsolideerd. Wederzijdse verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid ten opzichte van de Europese en Egyptische bevolking zijn een essentieel aspect van de partnerschapsprioriteiten.

Vraagstukken van gemeenschappelijk belang dienen ook te worden aangepakt door middel van een sterkere regionale en subregionale (Zuid-Zuid) samenwerking. In dit verband zullen de EU en Egypte samenwerken binnen het kader van de UMZ en via de Anna Lindh-stichting, in het bijzonder op het vlak van interculturele dialoog.

De cultuur van dialoog is een waardevol instrument gebleken bij het ontwikkelen van wederzijds respect. Essentieel zijn de verdieping van de politieke dialoog over democratie en mensenrechten en de handhaving van de technische aspecten die deze dialoog versterken. Met deze dialoog kan ook vaste vorm worden gegeven aan het partnerschap en kunnen de diepgang en de verwezenlijkingen van het partnerschap worden beoordeeld.

Overeenkomstig de prioriteiten van de Egyptische regering zal specifieke aandacht voor jongeren — van wie de stabiliteit op de lange termijn van onze samenlevingen afhangt — en voor vrouwen — essentieel om vooruitgang te boeken in elke samenleving — in alle partnerschapsprioriteiten worden geïntegreerd. Hoofddoel is jongeren en vrouwen zeggenschap te geven en hen te voorzien van de wettelijke en praktische instrumenten om hun rol in de samenleving te kunnen vervullen door actief deel te nemen aan de economie en het bestuur van hun land. De EU zal haar ervaring op het vlak van de bestrijding van vrouwendiscriminatie, de bevordering van gendergelijkheid en inclusie, en het creëren van kansen voor jongeren, ter beschikking blijven stellen van Egypte.

De EU en Egypte zijn beide van mening dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke en krachtige bijdrage levert aan de uitvoering van hun partnerschapsprioriteiten en aan een transparant, participatief bestuur en dat maatschappelijke organisaties het lopende proces van duurzame ontwikkeling in Egypte kunnen ondersteunen. Beide partijen zullen samenwerken met het maatschappelijk middenveld om een doeltreffende bijdrage te leveren aan het proces van economische, politieke en sociale ontwikkeling overeenkomstig de Egyptische grondwet en de respectieve nationale wetgeving.

IV.   Conclusie

In een geest van gedeelde verantwoordelijkheid hebben de EU en Egypte gezamenlijk partnerschapsprioriteiten bepaald en zullen zij in onderling overleg een evaluatie- en monitoringmechanisme ontwikkelen. Er wordt ook voorzien in een tussentijdse evaluatie om na te gaan welk effect de partnerschapsprioriteiten hebben gehad. Overeenkomstig de gerichte aanpak van de partnerschapsprioriteiten zullen de EU en Egypte met het oog op hun wederzijdse belangen de uitvoering van hun associatieovereenkomst rationaliseren. Het Associatiecomité en de Associatieraad blijven de centrale organen voor de algemene evaluatie van de uitvoering van de partnerschapsprioriteiten op jaarbasis.


(1)  Faciliteit voor een regionale beleidsdialoog inzake een geïntegreerd maritiem beleid/klimaatverandering.