ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 138

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
25 mei 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/890 van de Raad van 24 mei 2017 tot uitvoering van artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 224/2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie

4

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit

57

 

*

Verordening (EU) 2017/893 van de Commissie van 24 mei 2017 tot wijziging van de bijlagen I en IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad, en van de bijlagen X, XIV en XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie wat de bepalingen inzake verwerkte dierlijke eiwitten betreft ( 1 )

92

 

*

Verordening (EU) 2017/894 van de Commissie van 24 mei 2017 tot wijziging van de bijlagen III en VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat de genotypering van schapen betreft ( 1 )

117

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/895 van de Commissie van 24 mei 2017 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van 3-fytase geproduceerd door Komagataella pastoris (CECT 13094) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen en legkippen (vergunninghouder Fertinagro Nutrientes S.L.) ( 1 )

120

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/896 van de Commissie van 24 mei 2017 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van 6-fytase geproduceerd door Trichoderma reesei (ATCC SD-6528) als toevoegingsmiddel voor diervoeding in vaste vorm voor alle pluimveesoorten en alle varkenssoorten (behalve speenvarkens) (vergunninghouder Danisco (UK) Ltd) ( 1 )

123

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/897 van de Commissie van 24 mei 2017 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

126

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2017/898 van de Commissie van 24 mei 2017 tot wijziging, met het oog op de vaststelling van specifieke grenswaarden voor chemische stoffen die worden gebruikt in speelgoed, van aanhangsel C van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van speelgoed, wat bisfenol A betreft ( 1 )

128

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/899 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende het gebruik van de 470-790 MHz-frequentieband in de Unie

131

 

*

Besluit (EU) 2017/900 van de Raad van 22 mei 2017 tot instelling van de ad-hocgroep Artikel 50 VEU, voorgezeten door het secretariaat-generaal van de Raad

138

 

*

Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2017/901 van de Raad van 24 mei 2017 tot uitvoering van Besluit 2013/798/GBVB betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

140

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/902 van de Commissie van 23 mei 2017 tot vaststelling van de lijst van inspecteurs van de Unie die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad inspecties mogen uitvoeren (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 3252)

143

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/903 van de Commissie van 23 mei 2017 tot wijziging van Besluit 2011/163/EU tot goedkeuring van de door derde landen ingediende plannen overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 96/23/EG van de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 3324)  ( 1 )

189

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

25.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/890 VAN DE RAAD

van 24 mei 2017

tot uitvoering van artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 224/2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 224/2014 van de Raad van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (1), en met name artikel 17, lid 1,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 10 maart 2014 Verordening (EU) nr. 224/2014 vastgesteld.

(2)

Het comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, ingesteld krachtens Resolutie 2127 (2013) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, heeft op 17 mei 2017 een persoon toegevoegd aan de lijst van personen en entiteiten die aan beperkende maatregelen onderworpen zijn.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 224/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 224/2014 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 mei 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

L. GRECH


(1)  PB L 70 van 11.3.2014, blz. 1.


BIJLAGE

De in de bijlage bij deze verordening genoemde persoon wordt toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 224/2014.

A.   Personen

„12.

Abdoulaye HISSENE (alias: a) Abdoulaye Issène; b) Abdoulaye Hissein; c) Hissene Abdoulaye; d) Abdoulaye Issène Ramadane; e) Abdoulaye Issene Ramadan; f) Issene Abdoulaye)

Geboortedatum: 1967

Geboorteplaats: Ndele, Bamingui-Bangoran, Centraal-Afrikaanse Republiek

Nationaliteit: Centraal-Afrikaanse Republiek

Paspoortnummer: Diplomatiek paspoort nr. D00000897 van de CAR, afgegeven op 5 april 2013 (geldig tot 4 april 2018)

Adres: a) KM5, Bangui, Centraal-Afrikaanse Republiek b) Nana-Grebizi, Centraal-Afrikaanse Republiek

Datum plaatsing op de VN-lijst:17 mei 2017

Overige informatie: Hissène was voorheen minister van Jeugd en Sport en kabinetslid van voormalig president Michel Djotodia van de Centraal-Afrikaanse Republiek. Daarvoor was hij de leider van de Convention of Patriots for Justice and Peace, een politieke partij. Hij wierp zich ook op tot leider van gewapende milities in Bangui, met name in de PK5-wijk (3e district).

Informatie uit de beschrijving van de redenen die is verstrekt door het Sanctiecomité:

Aanvullende informatie:

 

Abdoulaye Hissène en andere leden van de ex-Seleka werkten samen met Anti-Balaka-plunderaars die geallieerd waren met voormalig president François Bozizé van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), onder wie Maxime Mokom, om gewelddadige protestacties en rellen aan te moedigen in september 2015, bij de mislukte staatsgreep die de regering van de toenmalige interim-president Catherine Samba-Panza ten val moest brengen terwijl zij de Algemene Vergadering van de VN van 2015 bijwoonde. Mokom, Hissène en anderen werden door de Centraal-Afrikaanse regering aangeklaagd voor verschillende misdrijven, waaronder moord, brandstichting, foltering, en plundering, in de nasleep van de mislukte staatsgreep.

 

In 2015 werd Hissène een van de belangrijkste leiders van gewapende milities in de PK5-wijk van Bangui, die meer dan honderd man sterk waren. Hij heeft als zodanig de vrijheid van verkeer en de terugkeer van het staatsgezag in het gebied verhinderd, onder meer via illegale belasting van vervoer en commerciële activiteiten. In de tweede helft van 2015, trad Hissène op als vertegenwoordiger van de ex-Seleka „Nairobisten” in Bangui in een toenaderingspoging tot Anti-Balaka-strijders onder Mokom. Gewapende mannen onder leiding van Haroun Gaye en Hissène namen deel aan de gewelddadige gebeurtenissen in Bangui tussen 26 september en 3 oktober 2015.

 

Leden van de groep van Hissène worden verdacht van betrokkenheid bij een aanslag op 13 december 2015 — de dag van het grondwettelijk referendum — op het voertuig van Mohamed Moussa Dhaffane, leider van de ex-Seleka. Hissène wordt beschuldigd van het orkestreren van geweld in het KM5-district van Bangui waarbij vijf mensen om het leven kwamen en twintig gewonden vielen, en waarbij ingezetenen belet werden te gaan stemmen voor het referendum over de grondwet. Hissène bracht de verkiezingen in gevaar door het op gang brengen van een spiraal van vergeldingsacties tussen verschillende groepen.

 

Op 15 maart 2016 werd Hissène aangehouden door de politie op de M'Poko-luchthaven in Bangui en overgebracht naar de afdeling onderzoek en opsporing van de nationale gendarmerie. Vervolgens werd hij op gewelddadige manier bevrijd door zijn militie, die een wapen stal dat eerder was overgedragen door MINUSCA in het kader van een verzoek om vrijstelling dat door het Comité was goedgekeurd.

 

Op 19 juni 2016, na de arrestatie van islamitische handelaren door binnenlandse veiligheidstroepen in PK 12, ontvoerden milities van Gaye en Hissène vijf agenten van de nationale politie in Bangui. Op 20 juni trachtte MINUSCA om de politieagenten te bevrijden. Er waren schotenwisselingen tussen gewapende mannen onder leiding van Hissène Gaye en de vredeshandhavers die probeerden de gijzelaars te bevrijden. Daarbij kwamen ten minste zes personen om en raakte een vredeshandhaver gewond.

 

Op 12 augustus 2016 nam Hissène de leiding van een konvooi van zes voertuigen met zwaarbewapende manschappen. Het konvooi, dat Bangui ontvluchtte, werd ten zuiden van Sibut door MINUSCA onderschept. Het konvooi, dat onderweg was naar het noorden, en interne veiligheidstroepen beschoten elkaar bij verschillende controlepunten. Uiteindelijk werd het 40 km ten zuiden van Sibut tegengehouden door MINUSCA. Na verscheidene vuurgevechten nam MINUSCA elf van de mannen gevangen, maar Hissène en verscheidene anderen konden ontkomen. Enkele van de aangehoudenen vertelden aan MINUSCA dat Hissène de leider was van het konvooi, dat tot doel had Bria te bereiken en deel te nemen aan de vergadering van ex-Seleka-groepen georganiseerd door Nourredine Adam.

 

In augustus en september 2016 reisde het deskundigenpanel tweemaal naar Sibut om de bezittingen van het konvooi van Hissène, Gaye en Hamit Tidjani, die op 13 augustus door MINUSCA in beslag waren genomen, te inspecteren. Het panel inspecteerde eveneens de munitie die op 16 augustus in het huis van Hissène in beslag was genomen. Dodelijke en niet-dodelijke militaire uitrusting werd aangetroffen in de zes voertuigen en bij de aangehoudenen. Op 16 augustus 2016 viel de centrale gendarmerie het huis van Hissène in Bangui binnen. Daar werden meer dan 700 wapens aangetroffen.

 

Op 4 september 2016 opende een groep ex-Seleka-rebellen die op zes motoren uit Kaga-Bandoro kwamen om Hissène en zijn trawanten op te halen, in de buurt van Dékoa het vuur op MINUSCA. Tijdens dit incident werd één ex-Seleka-strijder gedood, en raakten twee vredeshandhavers en één burger gewond.”


25.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/4


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/891 VAN DE COMMISSIE

van 13 maart 2017

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 37, onder a), i), ii), iii) en vi), onder b), onder c), onder d), i), iii) tot en met vi), viii), x), xi) en xii), en onder e), i), artikel 173, lid 1, onder b), c), d) en f) tot en met j), artikel 181, lid 2, artikel 223, lid 2, onder a), en artikel 231, lid 1,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (2), en met name artikel 62, lid 1, en artikel 64, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (3) is vervangen door Verordening (EU) nr. 1308/2013, die nieuwe voorschriften voor de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit bevat. Voorts verleent laatstgenoemde verordening de Commissie de bevoegdheid om in dit verband gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Die handelingen moeten de overeenkomstige bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (4) vervangen.

(2)

Om de onderhandelingspositie van de groente- en fruitproducenten te versterken en een eerlijkere verdeling van de meerwaarde over de hele keten te bevorderen, moet de erkenning van producentenorganisaties en hun unies worden aangemoedigd. Daarbij moeten de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke structuren worden geëerbiedigd.

(3)

Er moet worden voorzien in bepalingen inzake de erkenning van producentenorganisaties voor de producten waarvoor deze een verzoek indienen. Wordt een dergelijke erkenning gevraagd voor producten die uitsluitend voor verwerking bestemd zijn, dan moet ervoor worden gezorgd dat zij ook daadwerkelijk voor verwerking worden geleverd. Producentenorganisaties moeten beschikken over de structuren die nodig zijn voor de vervulling van hun functies. Bovendien moeten producentenorganisaties in het kader van de uitvoering van een operationeel programma worden verplicht een minimumwaarde van de afgezette productie te realiseren, die door de lidstaat moet worden bepaald teneinde de efficiëntie van de ontvangen bijstand te waarborgen en daarmee de onderhandelingspositie van de groente- en fruitproducenten te versterken.

(4)

Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de regeling voor groenten en fruit en om ervoor te zorgen dat de producentenorganisaties hun werk op een duurzame en doeltreffende wijze kunnen uitvoeren, moet de stabiliteit binnen de producentenorganisaties worden gewaarborgd. Daarom moet een minimumperiode voor het lidmaatschap van een producentenorganisatie worden vastgesteld. De opzegtermijnen en de data waarop de beëindiging van het lidmaatschap van kracht mag worden, moeten door de lidstaten worden bepaald.

(5)

Een producentenorganisatie die is erkend voor een product waarvoor technische middelen ter beschikking moeten worden gesteld, moet toestemming krijgen om deze middelen via haar eigen leden, via dochterondernemingen, via een unie van producentenorganisaties waarbij zij is aangesloten, of via uitbesteding ter beschikking te stellen.

(6)

De voornaamste en wezenlijke activiteiten van een producentenorganisatie moeten verband houden met de concentratie van aanbod en met de afzet van haar producten zodat de onderhandelingspositie van de groente- en fruitproducenten wordt versterkt en een eerlijkere verdeling van de resulterende voordelen over de hele keten wordt gerealiseerd. Wel moet het de producentenorganisaties worden toegestaan ook andere, al dan niet commerciële, activiteiten te ontplooien. Samenwerking tussen producentenorganisaties moet worden bevorderd en in dit verband moet het de producentenorganisaties worden toegestaan om groenten en fruit die exclusief van een andere erkende producentenorganisatie zijn gekocht, af te zetten mits de waarde van deze producten buiten beschouwing blijft bij de berekening van de waarde van de afgezette productie in het kader van de hoofdactiviteit en in het kader van andere activiteiten.

(7)

Hoewel de concentratie van het aanbod en de afzet van de producten van de aangesloten producenten waarvoor zij is erkend, de hoofdactiviteit van een producentenorganisatie vormen, moet het de aangesloten producenten worden toegestaan een bepaald percentage van hun productie buiten de producentenorganisatie om te verkopen wanneer de producentenorganisatie daarvoor toestemming geeft en wanneer zulks in overeenstemming is met de voorwaarden van de lidstaat en de producentenorganisatie. Het totale percentage van de verkoop buiten de producentenorganisatie om mag niet uitkomen boven een bepaald maximum.

(8)

De uitbestedingsvoorschriften voor de gevallen waarin de activiteiten worden uitbesteed aan entiteiten die een nauwe relatie hebben met de producentenorganisaties, moeten nader worden bepaald.

(9)

Om de concentratie van het aanbod te vergemakkelijken, moet de fusie van bestaande producentenorganisaties tot nieuwe producentenorganisaties worden bevorderd door het vaststellen van regels voor het fuseren van de operationele programma's van de gefuseerde producentenorganisaties.

(10)

Met inachtneming van het beginsel dat een producentenorganisatie op initiatief van de producenten zelf moet worden opgericht en door hen moet worden doorgelicht, moet het aan de lidstaten worden overgelaten de voorwaarden vast te stellen voor de aanvaarding van andere natuurlijke of rechtspersonen als lid van een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

(11)

Om ervoor te zorgen dat de producentenorganisaties werkelijk een minimumaantal producenten vertegenwoordigen, moeten de lidstaten maatregelen nemen om te voorkomen dat een minderheid van de leden die eventueel het grootste deel van de productie of de aandelen of het kapitaal van de betrokken producentenorganisatie voor haar rekening neemt, een overheersende positie inneemt waarvan ten aanzien van het beheer en het functioneren van de producentenorganisatie misbruik kan worden gemaakt. Democratische verantwoording is al gewaarborgd wanneer entiteiten een rechtsvorm hebben die hen in het kader van nationale wetgeving daartoe verplicht voordat zij als producentenorganisatie worden erkend. In andere gevallen moeten de lidstaten een maximumpercentage stemrechten of aandelenbezit bepalen en relevante controles verrichten.

(12)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de erkenning en werking van de unies van producentenorganisaties, transnationale producentenorganisaties en transnationale unies van producentenorganisaties. Omwille van de consistentie moeten deze voorschriften een zo getrouw mogelijke afspiegeling zijn van de desbetreffende voorschriften inzake producentenorganisaties.

(13)

Om de toepassing van de regeling inzake steun voor operationele programma's te vergemakkelijken, moet de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisaties nauwkeurig worden omschreven en moet daarbij worden aangegeven welke producten in aanmerking mogen worden genomen en in welk afzetstadium de waarde van de productie moet worden berekend. Voor controledoeleinden en ter vereenvoudiging moet voor de berekening van de waarde van groenten en fruit die bestemd zijn om te worden verwerkt, een forfaitair tarief worden gebruikt. Dit forfaitaire tarief moet berusten op de waarde van het basisproduct — groenten en fruit die bestemd zijn om te worden verwerkt — plus de waarde van alleen die activiteiten die geen verwerkingsactiviteiten in eigenlijke zin zijn. Aangezien er naargelang van de groep producten grote verschillen bestaan tussen de volumes groenten en fruit die nodig zijn voor de productie van verwerkte groenten en fruit, moeten die verschillen tot uiting komen in de toepasselijke forfaitaire tarieven. Voor groenten en fruit die bestemd zijn voor verwerking tot verwerkte aromatische kruiden en paprikapoeder, moet eveneens een forfaitair tarief voor de berekening van de waarde van de voor verwerking bestemde groenten en fruit worden ingevoerd dat uitsluitend de waarde van het basisproduct omvat. De berekeningsmethode voor de waarde van de afgezette productie moet het effect van jaarlijkse schommelingen of ontoereikende gegevens dempen en dubbeltelling voorkomen, met name bij transnationale producentenorganisaties en hun unies. Om misbruik van de regeling te voorkomen, moet worden voorgeschreven dat de producentenorganisaties de methode voor de vaststelling van de referentieperiode normaliter niet mogen wijzigen gedurende de looptijd van een programma.

(14)

Producentenorganisaties mogen aandelen of kapitaal hebben in dochterondernemingen die ertoe bijdragen dat de productie van de leden van de organisaties in toegevoegde waarde toeneemt. Er moeten regels worden vastgesteld voor de berekening van de waarde van deze afgezette productie. De hoofdactiviteiten van deze dochterondernemingen moeten dezelfde zijn als die van de producentenorganisatie.

(15)

Met het oog op een correct gebruik van de steun moeten regels worden vastgesteld voor het beheer en de boekhouding van de actiefondsen en de financiële bijdragen van de leden daarin, waarbij zo veel mogelijk ruimte voor flexibiliteit moet worden gelaten op voorwaarde dat alle producenten gebruik kunnen maken van het actiefonds en democratisch kunnen deelnemen aan de besluitvorming over het gebruik ervan.

(16)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de werkingssfeer en de structuur van de nationale strategie voor duurzame operationele programma's en het nationale kader voor milieuacties. Doel daarvan moet zijn de toewijzing van financiële middelen te optimaliseren en de kwaliteit van de strategie te verbeteren. Er moet worden voorzien in bepalingen die voorkomen dat dezelfde actie ook in het kader van andere bijstandsregelingen, bijvoorbeeld plattelandsontwikkelings- of afzetbevorderingsprogramma's, wordt gefinancierd.

(17)

Met het oog op financiële en rechtszekerheid moet een lijst worden opgesteld van concrete acties en uitgaven die niet mogen worden opgenomen en een niet-uitputtende lijst van concrete acties die wel mogen worden opgenomen in een operationeel programma. Er moet worden voorzien in voorschriften voor subsidiabele uitgaven, voor het gebruik van forfaitaire tarieven en schalen van eenheidskosten en voor investeringen. Artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermeldt een aantal doelen voor operationele programma's, waaronder doelen voor zowel verse als verwerkte producten. Om ervoor te zorgen dat die doelen worden gehaald, moeten de voorwaarden worden bepaald waaronder acties die verband houden met de omzetting van groenten en fruit in verwerkte groenten en fruit, in aanmerking komen voor bijstand. Voor investeringen van individuele bedrijven moeten bepalingen inzake de terugvordering van de restwaarde worden vastgesteld voor gevallen waarin een lid het lidmaatschap van de producentenorganisatie opzegt.

(18)

Voor de operationele programma's van unies van producentenorganisaties gelden dezelfde voorschriften als voor de operationele programma's van producentenorganisaties, maar sommige vereisten moeten worden toegepast op het niveau van de aangesloten producentenorganisaties.

(19)

Er moeten procedures voor de indiening en goedkeuring van operationele programma's, inclusief de termijnen hiervoor, worden vastgesteld teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen tot een adequate beoordeling van de gegevens en van de maatregelen en acties die al dan niet in de programma's moeten worden opgenomen. Aangezien de programma's op jaarbasis worden beheerd, moet worden bepaald dat de programma's die vóór een bepaalde datum nog niet zijn goedgekeurd, met één jaar worden uitgesteld.

(20)

Er moet worden voorzien in een procedure voor de wijziging van de operationele programma's voor volgende jaren zodat deze programma's kunnen worden aangepast aan nieuwe omstandigheden die bij de indiening ervan niet konden worden voorzien. Bovendien moet het mogelijk zijn maatregelen en bedragen van het actiefonds te wijzigen in de loop van het jaar van uitvoering van het programma. Om te waarborgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de algemene doelen van de goedgekeurde programma's, dienen voor al die wijzigingen bepaalde door de lidstaten vast te stellen grenzen en voorwaarden te gelden en moet verplicht worden gesteld dat wijzigingen worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten.

(21)

Om liquiditeitsproblemen te voorkomen, moet ten behoeve van de producentenorganisaties een systeem van voorschotten met bijbehorende zekerheid worden toegepast. Bij beëindiging van een operationeel programma of bij intrekking van de erkenning, vrijwillig dan wel verplicht, of bij ontbinding van een producentenorganisatie moet ervoor worden gezorgd dat de doelen waarvoor de steun is betaald, zijn gehaald; anders moet de betaalde steun worden teruggestort in het Europees Landbouwgarantiefonds.

(22)

De productie van groenten en fruit is onvoorspelbaar en de producten zijn bederfelijk. Marktoverschotten kunnen, hoe gering ook, de markt ernstig verstoren. Daarom moeten voorschriften voor de werkingssfeer en de toepassing van maatregelen op het gebied van crisispreventie en crisisbeheer ten aanzien van de in artikel 1, lid 2, onder i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten worden vastgesteld. Deze voorschriften moeten met het oog op de flexibiliteit en de snelle toepassing van dergelijke maatregelen in crisissituaties voor zover mogelijk zo zijn opgezet dat de besluitvorming wordt overgelaten aan de lidstaten en de producentenorganisaties. Die voorschriften moeten echter bescherming bieden tegen misbruik van financiële bijstand van de Unie en moeten daarom voorzien in beperkingen op het gebruik van bepaalde maatregelen, ook op financieel vlak. Voorts moeten deze ervoor zorgen dat de fytosanitaire en milieuvoorschriften worden nageleefd.

(23)

Voor het uit de markt nemen van producten moeten voorschriften worden vastgesteld gezien het potentiële belang van een dergelijke maatregel. Met name moeten voorschriften worden vastgesteld die voorzien in een systeem van verhoogde bijstand voor uit de markt genomen groenten en fruit die door liefdadigheidsinstellingen en bepaalde andere instellingen gratis als humanitaire hulp worden verstrekt. Om de gratis verstrekking te vergemakkelijken, moet de mogelijkheid worden gecreëerd om liefdadigheidsinstellingen en -organisaties toe te staan een symbolische bijdrage te vragen van de eindontvangers van de uit de markt genomen producten. Bovendien moeten maximale steunniveaus voor uit de markt genomen producten worden vastgesteld om te voorkomen dat het uit de markt nemen van producten als permanente afzetmogelijkheid in de plaats komt van het op de markt brengen van producten. In dit verband moet worden doorgegaan met de toepassing van gemeenschappelijke steunniveaus voor de voornaamste producten. Voor andere producten die tot dusver niet excessief uit de markt blijken te zijn genomen, moeten maximale steunniveaus worden vastgesteld als een percentage van het gemiddelde van de geregistreerde prijzen in elke lidstaat. In elk geval moet echter om soortgelijke redenen per product en per producentenorganisatie worden vastgesteld welke hoeveelheid maximaal uit de markt mag worden genomen.

(24)

De bepalingen inzake groen oogsten en niet oogsten moeten verder worden uitgewerkt op basis van de ervaring die is opgedaan. Evenzo moeten de bepalingen inzake bijstand voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen en de herbeplanting van boomgaarden na verplichte rooiing worden vereenvoudigd.

(25)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de nationale financiële bijstand die de lidstaten mogen verlenen in regio's van de Unie waar de producenten bijzonder zwak georganiseerd zijn, met inbegrip van voorschriften voor de wijze waarop de mate van organisatie wordt berekend en een zwakke organisatie wordt aangetoond. Deze voorschriften moeten de vigerende voorschriften weerspiegelen.

(26)

Bijstand aan producentengroeperingen is deel gaan uitmaken van het plattelandsontwikkelingsbeleid in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5), maar de meldingsvoorschriften die betrekking hebben op de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen en die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van de steunregeling, moeten in deze verordening worden gehandhaafd.

(27)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld voor de soort, het formaat en de wijze van verstrekking van de meldingen die voor de uitvoering van deze verordening worden vereist. Die bepalingen moeten met name betrekking hebben op de meldingen van de producenten en producentenorganisaties aan de lidstaten en op de meldingen van de lidstaten aan de Commissie. Op grond van de ervaring met betrekking tot de geregistreerde gegevens is enige vereenvoudiging mogelijk inzake het aantal en de frequentie van de gevraagde gegevens.

(28)

Om zowel de producentenorganisaties als de lidstaten in staat te stellen de doeltreffendheid en doelmatigheid van de lopende programma's en regelingen te beoordelen, moet worden voorzien in een passende monitoring en evaluatie. Het is mogelijk om de huidige vereisten qua aantal en gedetailleerdheid te beperken zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de beoordeling.

(29)

Er moet worden voorzien in maatregelen voor de administratieve sancties die gelden wanneer onregelmatigheden worden ontdekt. Deze maatregelen moeten bestaan uit op Unieniveau vastgelegde specifieke controles en administratieve sancties en uit aanvullende nationale controles en administratieve sancties.

(30)

Er moeten procedurele bepalingen worden vastgesteld voor de voorwaarden waaronder de voorschriften van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties in de groente- en fruitsector bindend kunnen worden verklaard voor alle marktdeelnemers die in een bepaald economisch gebied zijn gevestigd. Voor de verkoop van producten op stam moet bovendien worden verduidelijkt welke voorschriften bindend moeten worden verklaard ten aanzien van, respectievelijk, de producenten en de kopers.

(31)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld voor het invoerprijssysteem voor groenten en fruit. Het feit dat de betrokken, bederfelijke soorten groenten en fruit grotendeels in consignatie worden geleverd, maakt het bijzonder moeilijk de waarde ervan te bepalen. Bepaald moet worden welke methoden mogen worden toegepast voor het berekenen van de invoerprijs op basis waarvan de ingevoerde producten in het gemeenschappelijk douanetarief worden ingedeeld. Met het oog op een correcte toepassing van het systeem moet ook in bepaalde omstandigheden worden voorzien in het stellen van een zekerheid.

(32)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld voor de melding van de prijzen en hoeveelheden van ingevoerde producten om ervoor te zorgen dat de nodige informatie de Commissie tijdig en op coherente wijze bereikt. Er moet worden voorzien in voorschriften voor de melding van gevallen van overmacht om de gevolgen van dergelijke situaties op te vangen.

(33)

Duidelijkheidshalve en omwille van de rechtszekerheid moeten de bepalingen van Verordening (EU) nr. 543/2011 die worden vervangen door deze gedelegeerde verordening en door Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie (6), worden geschrapt. De bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 inzake de handelsnormen moeten tot de vervanging ervan worden gehandhaafd. De bepalingen inzake de rechtstreeks op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen moeten worden gehandhaafd, terwijl andere artikelen die niet rechtstreeks op deze groeperingen betrekking hebben, van toepassing moeten blijven tot het einde van de uitvoering van hun erkenningsprogramma en de erkenning ervan als producentenorganisatie.

(34)

Er moeten overgangsbepalingen worden vastgesteld voor een soepele overgang van de vroegere vereisten naar de nieuwe vereisten. Producentenorganisaties moeten over de mogelijkheid beschikken om de lopende operationele programma's af te ronden volgens de eerdere regelgeving.

(35)

Deze verordening moet in werking treden op en van toepassing zijn met ingang van de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening is een aanvulling op Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder i) en j), van die verordening, met uitzondering van de handelsnormen, en is een aanvulling op Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties.

Titel II van deze verordening is evenwel uitsluitend van toepassing op de in artikel 1, lid 2, onder i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten van de sector groenten en fruit en op dergelijke producten die bestemd zijn om te worden verwerkt.

TITEL II

PRODUCENTENORGANISATIES

HOOFDSTUK I

Vereisten en erkenning

Afdeling 1

Definities

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

a)   „producent”: een landbouwer in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) die groenten en fruit als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013, en dergelijke producten die uitsluitend bestemd zijn om te worden verwerkt, produceert;

b)   „aangesloten producent”: een producent of een door producenten gevormde rechtspersoon die is aangesloten bij een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties;

c)   „dochteronderneming”: een onderneming waarin één of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties aandelen of maatschappelijk kapitaal bezitten en die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van die organisaties of unies;

d)   „transnationale producentenorganisatie”: elke organisatie waarvan ten minste één aangesloten producentenbedrijf zijn locatie in een andere lidstaat heeft dan die waar de organisatie haar hoofdzetel heeft;

e)   „transnationale unie van producentenorganisaties”: elke unie van producentenorganisaties waarvan ten minste één van de aangesloten organisaties haar locatie in een andere lidstaat heeft dan die waar de unie haar hoofdzetel heeft;

f)   „maatregel”: één van de volgende elementen:

i)

op de productieplanning gerichte acties, inclusief de investeringen in materiële activa;

ii)

acties die gericht zijn op verbetering of behoud van de productkwaliteit, in verse dan wel verwerkte vorm, inclusief investeringen in materiële activa;

iii)

acties die gericht zijn op de verhoging van de commerciële waarde van producten en op de verbetering van de afzet, inclusief investeringen in materiële activa, alsook de bevordering van de afzet van de producten, in verse dan wel verwerkte vorm, en andere dan onder punt vi) vallende afzetbevorderings- en communicatieactiviteiten;

iv)

onderzoek en experimentele productieacties, inclusief investeringen in materiële activa;

v)

opleidingsacties en acties op het gebied van de uitwisseling van beste praktijken, andere dan die onder punt vi), en acties ter bevordering van de toegang tot adviesdiensten en technische bijstand;

vi)

één van de in artikel 33, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde acties voor crisispreventie en crisisbeheer;

vii)

milieuacties als bedoeld in artikel 33, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, inclusief investeringen in materiële activa;

viii)

andere acties, inclusief investeringen in materiële activa, met uitzondering van de onder de punten i) tot en met vii), vallende acties, die gericht zijn op de verwezenlijking van één of meer doelen als bedoeld of vermeld in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

g)   „actie”: een specifieke activiteit die of een specifiek instrument dat bijdraagt tot de verwezenlijking van één of meer van de doelen als bedoeld of vermeld in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

h)   „investeringen in materiële activa”: de verwerving van tastbare activa die bijdragen tot de verwezenlijking van één of meer van de doelen als bedoeld of vermeld in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

i)   „bijproduct”: een product dat resulteert uit de bereiding van een groente- of fruitproduct en dat een positieve economische waarde heeft, doch niet het belangrijkste beoogde product is;

j)   „voorbereiding”: voorbereidende activiteiten zoals schoonmaken, snijden, schillen, bijsnijden en drogen van groenten en fruit, zonder dat ze in verwerkte groenten en fruit worden omgezet;

k)   „maatregelen van samenwerkende branches in een bedrijfskolom” als bedoeld in artikel 34, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013: activiteiten ter verwezenlijking van één of meer in artikel 157, lid 1, onder c), van die verordening genoemde doelen die zijn goedgekeurd door de lidstaat en gezamenlijk worden beheerd door een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties en ten minste één andere marktdeelnemer in de voedselverwerkings- of distributieketen;

l)   „uitgangssituatie-indicator”: een indicator die de toestand of trend aan het begin van een programmeringsperiode aangeeft en nuttige informatie kan verschaffen:

i)

bij de analyse van de uitgangssituatie met het oog op de vaststelling van een nationale strategie voor duurzame operationele programma's, of van een operationeel programma,

ii)

als referentie waaraan de resultaten en de impact van een nationale strategie of een operationeel programma kunnen worden getoetst, of

iii)

bij de interpretatie van de resultaten en de impact van een nationale strategie of een operationeel programma;

m)   „specifieke kosten”: de aanvullende kosten, berekend als het verschil tussen de traditionele en de werkelijk gemaakte kosten, en inkomsten die worden gederfd als gevolg van een actie, exclusief aanvullende inkomsten en kostenbesparingen.

Afdeling 2

Erkenningscriteria en andere vereisten

Artikel 3

Rechtsstatus van producentenorganisaties

De lidstaten omschrijven in het licht van hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke structuren de rechtspersonen die een erkenning uit hoofde van artikel 154 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 kunnen aanvragen. In voorkomend geval stellen zij ook bepalingen vast inzake duidelijk omschreven onderdelen van rechtspersonen die een erkenning uit hoofde van dat artikel kunnen aanvragen. De lidstaten kunnen aanvullende voorschriften vaststellen inzake de erkenning van producentenorganisaties en inzake rechtspersonen die een erkenning als producentenorganisatie kunnen aanvragen.

Artikel 4

Producten waarop de erkenning betrekking heeft

1.   De lidstaten erkennen een producentenorganisatie voor het product of de groep producten die in de erkenningsaanvraag zijn vermeld.

2.   Met betrekking tot uitsluitend voor verwerking bestemde producten of groepen producten erkennen de lidstaten producentenorganisaties wanneer deze organisaties via een systeem van leveringscontracten of anderszins kunnen waarborgen dat deze producten voor verwerking worden geleverd.

Artikel 5

Minimumaantal leden

Voor de toepassing van artikel 154, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 stellen de lidstaten een minimumaantal leden vast.

Bij de vaststelling van het minimumaantal leden van een producentenorganisatie kunnen de lidstaten bepalen dat, wanneer de aanvrager van een erkenning geheel of gedeeltelijk bestaat uit leden die op hun beurt uit producenten samengestelde rechtspersonen of duidelijk omschreven onderdelen van rechtspersonen zijn, het minimumaantal producenten kan worden berekend op basis van het aantal producenten dat is aangesloten bij elke rechtspersoon of elk duidelijk omschreven onderdeel van een rechtspersoon.

Artikel 6

Minimumduur van het lidmaatschap

1.   De minimumduur van het lidmaatschap van een producent mag niet minder dan één jaar bedragen.

2.   De opzegging van het lidmaatschap wordt schriftelijk aan de producentenorganisatie meegedeeld. De lidstaten bepalen de opzegtermijn, die niet meer dan zes maanden mag bedragen, en de datum waarop de beëindiging van het lidmaatschap van kracht wordt.

Artikel 7

Structuur en activiteiten van producentenorganisaties

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de producentenorganisaties beschikken over het personeel, de infrastructuur en de uitrusting die nodig zijn voor de naleving van de eisen van de artikelen 152, 154 en 160 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en voor de vervulling van hun belangrijkste functies, met name op het gebied van:

a)

de kennis van de productie van hun leden;

b)

de technische middelen voor de verzameling, de sortering, de opslag en de verpakking van de productie van hun leden;

c)

de afzet van de productie van hun leden;

d)

het commercieel en budgettair beheer, en

e)

een gecentraliseerde, op kosten gebaseerde boekhouding en een factureringssysteem overeenkomstig nationaal recht.

Artikel 8

Waarde of volume van de afzetbare productie

1.   Voor de toepassing van artikel 154, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt de waarde of het volume van de afzetbare productie berekend op dezelfde basis als de in de artikelen 22 en 23 van de onderhavige verordening beschreven waarde van de afgezette productie.

2.   Wanneer de historische gegevens over de afgezette productie van een lid voor de toepassing van lid 1 niet toereikend zijn, is de waarde van de afzetbare productie gelijk aan de feitelijke waarde van de afgezette productie over een periode van twaalf achtereenvolgende maanden. Die twaalf maanden vallen binnen de periode van drie jaar die voorafgaat aan het jaar van indiening van de erkenningsaanvraag.

Artikel 9

Minimumwaarde van de afgezette productie

Voor de toepassing van artikel 154, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 stellen de lidstaten naast een minimumaantal leden ook een minimumwaarde van de afgezette productie vast voor producentenorganisaties met een operationeel programma.

Artikel 10

Terbeschikkingstelling van technische middelen

Voor de toepassing van artikel 154, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en artikel 7, onder b), van deze verordening wordt ervan uitgegaan dat een producentenorganisatie die wordt erkend voor een product waarvoor technische middelen beschikbaar moeten worden gesteld, haar verplichting ter zake nakomt wanneer zij zelf of via haar leden, dan wel via dochterondernemingen of via een unie van producentenorganisaties waarbij zij is aangesloten, of via uitbesteding een adequaat niveau aan technische middelen ter beschikking stelt.

Artikel 11

Hoofdactiviteiten van producentenorganisaties

1.   De hoofdactiviteit van een producentenorganisatie betreft de concentratie van het aanbod en de afzet van de producten van haar leden waarvoor zij is erkend.

De in de eerste alinea bedoelde afzet wordt verricht door de producentenorganisatie zelf of onder controle van de producentenorganisatie in het geval van uitbesteding als bedoeld in artikel 13. De afzet omvat onder meer het besluit om het product te verkopen, de wijze van verkoop en, tenzij de verkoop via een veiling verloopt, de onderhandeling over de hoeveelheid en prijs ervan.

De producentenorganisaties bewaren gedurende ten minste vijf jaar documenten, met inbegrip van boekhoudkundige documenten, waaruit blijkt dat de producentenorganisatie het aanbod heeft geconcentreerd en de producten van haar leden waarvoor zij is erkend, heeft afgezet.

2.   Een producentenorganisatie mag producten van niet bij een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties aangesloten producenten verkopen, indien zij voor die producten is erkend en indien de economische waarde van die activiteit lager ligt dan de overeenkomstig artikel 22 berekende waarde van de afgezette productie van die producentenorganisatie.

3.   De afzet van groenten en fruit die rechtstreeks van een andere producentenorganisatie worden gekocht, wordt evenmin als de afzet van producten waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend, beschouwd als een onderdeel van de activiteiten van de producentenorganisatie.

4.   Bij toepassing van artikel 22, lid 8, is lid 2 van het onderhavige artikel van overeenkomstige toepassing op de betrokken dochterondernemingen.

Artikel 12

Afzet van de productie buiten de producentenorganisatie om

1.   Wanneer de producentenorganisatie toestemming daarvoor verleent en wanneer dit in overeenstemming is met de door de lidstaat en de producentenorganisatie gestelde voorwaarden, mogen de aangesloten producenten:

a)

producten rechtstreeks of buiten hun bedrijf om aan consumenten verkopen voor persoonlijk gebruik;

b)

zelf of via een andere, door hun eigen organisatie aan te wijzen producentenorganisatie, hoeveelheden producten verkopen die slechts een marginaal deel vertegenwoordigen van het volume van de afzetbare producten in kwestie van hun organisatie;

c)

zelf of via een andere, door hun eigen organisatie aan te wijzen producentenorganisatie producten afzetten die, gezien de kenmerken ervan, normaliter niet onder de commerciële activiteiten van de eigen producentenorganisatie vallen.

2.   Het percentage van de productie van een aangesloten producent dat buiten de producentenorganisatie om wordt afgezet, mag qua volume of qua waarde niet hoger zijn dan 25 %. De lidstaten mogen echter een lager percentage vaststellen. De lidstaten mogen dit percentage evenwel verhogen tot 40 % in geval van producten die onder Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (8) vallen of wanneer aangesloten producenten hun productie via een andere, door hun eigen organisatie aangewezen producentenorganisatie afzetten.

Artikel 13

Uitbesteding

1.   De activiteiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 155 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 voor uitbesteding mogen aanmerken, hebben betrekking op de doelstellingen zoals vermeld in artikel 152, lid 1, onder c), van die verordening, en omvatten onder meer de verzameling, de opslag, de verpakking en de afzet van de producten van de bij een producentenorganisatie aangesloten leden.

2.   Een producentenorganisatie die een activiteit uitbesteedt, treft voor de uitvoering van de betrokken activiteit een schriftelijke commerciële regeling in de vorm van een contract, akkoord of protocol met een andere entiteit, die onder meer uit één of meer van haar leden of een dochteronderneming kan bestaan. De producentenorganisatie blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitbestede activiteit en voor de algemene beheerscontrole en het toezicht op de voor de uitvoering van de activiteit getroffen commerciële regeling.

Er wordt evenwel aangenomen dat de activiteit door de producentenorganisatie wordt verricht als deze wordt uitgevoerd door een unie van producentenorganisaties of een coöperatie waarvan de leden zelf coöperaties zijn waarbij de producentenorganisatie is aangesloten, of door een dochteronderneming die voldoet aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8.

3.   De algemene beheerscontrole en het toezicht als bedoeld in lid 2, eerste alinea, zijn doeltreffend en vereisen dat het uitbestedingscontract, -akkoord of -protocol:

a)

de producentenorganisatie in staat stelt bindende instructies te geven en bepalingen omvat die het voor de producentenorganisatie mogelijk maakt het contract, akkoord of protocol te beëindigen indien de dienstverlener de voorwaarden van het uitbestedingscontract niet naleeft;

b)

nadere voorwaarden stelt voor onder meer de verplichtingen en termijnen inzake de regelmatige rapportage die de producentenorganisatie in staat stellen daadwerkelijk controle over de uitbestede activiteiten uit te oefenen.

Uitbestedingscontracten, -akkoorden of -protocollen en de in de eerste alinea, onder b), bedoelde verslagen worden door de producentenorganisatie gedurende ten minste vijf jaar bewaard met het oog op controles achteraf en zijn toegankelijk voor alle leden die daarom verzoeken.

Artikel 14

Transnationale producentenorganisaties

1.   Een transnationale producentenorganisatie heeft haar hoofdzetel in de lidstaat waar de organisatie het grootste deel van de overeenkomstig de artikelen 22 en 23 berekende waarde van de afgezette productie realiseert.

Als alternatief mag, als de betrokken lidstaten daarmee instemmen, de hoofdzetel worden gevestigd in de lidstaat waar de aangesloten producenten in meerderheid hun locatie hebben.

2.   Wanneer de transnationale producentenorganisatie een operationeel programma uitvoert en het grootste deel van de waarde van de afgezette productie op het moment van de aanvraag voor een nieuw operationeel programma wordt gerealiseerd in een andere lidstaat of wanneer de leden van de organisatie in meerderheid hun locatie in een andere lidstaat hebben dan die waar die transnationale producentenorganisatie haar hoofdzetel heeft, blijft de hoofdzetel tot het einde van de uitvoering van het nieuwe operationele programma in de lidstaat van dat moment.

Als aan het einde van de uitvoering van dat nieuwe operationele programma echter het grootste deel van de waarde van de afgezette productie nog wordt gerealiseerd of de leden van de organisatie nog in meerderheid hun locatie hebben in een andere lidstaat dan die waar de hoofdzetel zich op dat moment bevindt, wordt de hoofdzetel verplaatst naar die andere lidstaat, tenzij de betrokken lidstaten ermee instemmen dat de locatie van de hoofdzetel niet wordt gewijzigd.

3.   De lidstaat waar de transnationale producentenorganisatie haar hoofdzetel heeft, is verantwoordelijk voor:

a)

de erkenning van de transnationale producentenorganisatie;

b)

de goedkeuring van het operationele programma van de transnationale producentenorganisatie;

c)

de totstandbrenging van de nodige administratieve samenwerking met de andere lidstaten waar de leden hun locatie hebben, voor wat betreft de naleving van de erkenningsvoorwaarden en het systeem van controles en administratieve sancties. Die andere lidstaten verlenen tijdig de nodige bijstand aan de lidstaat waar de hoofdzetel is gevestigd, en

d)

de verstrekking, op verzoek van een lidstaat waar de leden hun locatie hebben, van alle beschikbare relevante documentatie, waaronder de toepasselijke wetgeving, vertaald in de officiële taal of één van de officiële talen van die lidstaat.

Artikel 15

Fusies van producentenorganisaties

1.   Bij fusies van producentenorganisaties neemt de producentenorganisatie die uit de fusie voortkomt, de rechten en plichten van de afzonderlijke gefuseerde producentenorganisaties over. De lidstaat zorgt ervoor dat de nieuwe producentenorganisatie aan alle erkenningscriteria voldoet, en wijst haar een nieuw nummer toe voor de toepassing van het systeem van unieke identificatie, als bedoeld in artikel 22 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892.

De uit de fusie voortkomende producentenorganisatie mag hetzij de programma's parallel en afzonderlijk uitvoeren tot 1 januari van het jaar na de fusie hetzij de operationele programma's samenvoegen zodra de fusie haar beslag krijgt.

Artikel 34 is van toepassing op gefuseerde operationele programma's.

2.   In afwijking van lid 1, tweede alinea, kunnen de lidstaten op basis van een naar behoren onderbouwd verzoek toestaan dat de operationele programma's parallel worden uitgevoerd tot het einde van de normale looptijd van die programma's.

Artikel 16

Aangesloten niet-producenten

1.   De lidstaten kunnen bepalen onder welke voorwaarden natuurlijke personen of rechtspersonen die geen producent zijn, als lid van een producentenorganisatie kunnen worden aanvaard.

2.   Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde voorwaarden zorgen de lidstaten er met name voor dat het bepaalde in artikel 153, lid 2, onder c), en artikel 159, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 in acht wordt genomen.

3.   De in lid 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen mogen niet:

a)

in aanmerking worden genomen voor de erkenningscriteria;

b)

rechtstreeks baat hebben bij de door de Unie gefinancierde maatregelen.

De lidstaten kunnen, met inachtneming van de in lid 1 bedoelde voorwaarden, het recht van deze natuurlijke of rechtspersonen om deel te nemen aan de stemming over besluiten inzake het actiefonds, beperken of verbieden.

Artikel 17

Democratische verantwoordingsplicht van producentenorganisaties

1.   Wanneer een producentenorganisatie een juridische structuur heeft die haar in het kader van de toepasselijke nationale wetgeving verplicht tot democratische verantwoording, wordt voor de toepassing van deze verordening aangenomen dat aan dat vereiste is voldaan, tenzij de lidstaat anders bepaalt.

2.   Voor andere dan de in lid 1 bedoelde producentenorganisaties stellen de lidstaten een maximumpercentage stemrechten en aandelen of kapitaal vast waarover elke natuurlijke persoon of rechtspersoon mag beschikken in een producentenorganisatie. Het maximumpercentage stemrechten en aandelen of kapitaal bedraagt minder dan 50 % van de totale stemrechten en minder dan 50 % van de aandelen of het kapitaal.

In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten een hoger maximumpercentage aandelen of kapitaal vaststellen waarover een rechtspersoon mag beschikken in een producentenorganisatie, mits maatregelen worden vastgesteld die ervoor zorgen dat machtsmisbruik door deze rechtspersoon in elk geval wordt vermeden.

In afwijking van de eerste alinea wordt het door de lidstaat vastgestelde maximumpercentage aandelen of kapitaal dat de lidstaat op grond van de eerste alinea heeft vastgesteld, in het geval van producentenorganisaties die een operationeel programma ten uitvoer leggen op 17 mei 2014, pas van toepassing na afloop van dat operationele programma.

3.   De autoriteiten van de lidstaten voeren controles op de stemrechten en het aandelenbezit uit op basis van een risicoanalyse. Wanneer de leden van de producentenorganisatie zelf rechtspersonen zijn, omvatten deze controles ook de identiteit van de natuurlijke of rechtspersonen die aandelen of kapitaal in de leden bezitten.

4.   Wanneer een producentenorganisatie een duidelijk omschreven onderdeel van een rechtspersoon is, stellen de lidstaten maatregelen vast om de bevoegdheden op grond waarvan die rechtspersoon besluiten van de producentenorganisatie kan wijzigen, goedkeuren of afwijzen, te beperken of in te trekken.

Afdeling 3

Unies van producentenorganisaties

Artikel 18

Voorschriften inzake producentenorganisaties die van toepassing zijn op unies van producentenorganisaties

Het bepaalde in de artikelen 3 en 6, artikel 11, lid 3, en de artikelen 13, 15 en 17 is van overeenkomstige toepassing op unies van producentenorganisaties. Wanneer de unie van producentenorganisaties de producten van haar aangesloten producentenorganisaties zelf verkoopt, is artikel 11, lid 2, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19

Erkenning van unies van producentenorganisaties

1.   De lidstaten mogen unies van producentenorganisaties overeenkomstig artikel 156 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkennen voor de activiteit(en) met betrekking tot het product of de groep producten zoals vermeld in de erkenningsaanvraag, wanneer de unie van producentenorganisaties in staat is om die activiteit(en) op doeltreffende wijze te verrichten.

2.   Een unie van producentenorganisaties die op grond van artikel 156 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 is erkend, mag activiteiten of functies van een producentenorganisatie uitoefenen, zelfs wanneer de betrokken producten nog door haar leden worden afgezet.

3.   Een producentenorganisatie is voor een bepaald product of een bepaalde groep producten slechts lid van één unie van producentenorganisaties die een operationeel programma uitvoert.

4.   De lidstaten kunnen aanvullende voorschriften voor de erkenning van unies van producentenorganisaties vaststellen.

Artikel 20

Leden van een unie van producentenorganisaties die geen producentenorganisatie zijn

1.   De lidstaten kunnen bepalen onder welke voorwaarden natuurlijke personen of rechtspersonen die geen erkende producentenorganisatie zijn, lid mogen zijn van een unie van producentenorganisaties.

2.   Leden van een erkende unie van producentenorganisaties die geen erkende producentenorganisatie zijn, mogen niet:

a)

in aanmerking worden genomen voor de erkenningscriteria;

b)

rechtstreeks baat hebben bij de door de Unie gefinancierde maatregelen.

De lidstaten kunnen het recht van die leden om over besluiten inzake operationele programma's te stemmen, toestaan, beperken of intrekken.

Artikel 21

Transnationale unie van producentenorganisaties

1.   Een transnationale unie van producentenorganisaties heeft haar hoofdzetel in de lidstaat waar de aangesloten producentenorganisaties het grootste deel van de afgezette productie realiseren.

Als alternatief mag, als de betrokken lidstaten daarmee instemmen, de hoofdzetel worden gevestigd in de lidstaat waar de aangesloten producentenorganisaties in meerderheid hun locatie hebben.

2.   Wanneer de transnationale unie van producentenorganisaties een operationeel programma uitvoert en het grootste deel van de waarde van de afgezette productie op het moment van de aanvraag voor een nieuw operationeel programma wordt gerealiseerd in een andere lidstaat of wanneer de aangesloten producentenorganisaties hun locatie in meerderheid in een andere lidstaat hebben dan die waar die transnationale unie haar hoofdzetel heeft, blijft de hoofdzetel tot het einde van de uitvoering van het nieuwe operationele programma in de lidstaat van dat moment.

Als aan het einde van de uitvoering van dat nieuwe operationele programma echter het grootste deel van de waarde van de afgezette productie nog wordt gerealiseerd of de aangesloten producentenorganisaties hun locatie in meerderheid nog in een andere lidstaat hebben dan die waar de hoofdzetel zich op dat moment bevindt, wordt de hoofdzetel verplaatst naar die andere lidstaat, tenzij de betrokken lidstaten ermee instemmen dat de locatie van de hoofdzetel niet wordt gewijzigd.

3.   De lidstaat waar de transnationale unie van producentenorganisaties haar hoofdzetel heeft, is verantwoordelijk voor:

a)

de erkenning van de unie;

b)

in voorkomend geval, de goedkeuring van het transnationale operationele programma van de unie;

c)

de totstandbrenging van de nodige administratieve samenwerking met de andere lidstaten waar de aangesloten organisaties hun locatie hebben, voor wat betreft de naleving van de erkenningsvoorwaarden, de uitvoering van het operationele programma door de aangesloten producentenorganisaties, en het systeem van controles en administratieve sancties. Deze andere lidstaten verlenen de nodige bijstand aan de lidstaat waar de hoofdzetel zich bevindt, en

d)

de verstrekking, op verzoek van een lidstaat waar de leden hun locatie hebben, van alle beschikbare relevante documentatie, waaronder de toepasselijke wetgeving, vertaald in de officiële taal of één van de officiële talen van die lidstaat.

HOOFDSTUK II

Actiefondsen en operationele programma's

Afdeling 1

Waarde van de afgezette productie

Artikel 22

Grondslag voor de berekening

1.   De waarde van de door een producentenorganisatie afgezette productie wordt berekend op basis van de door de producentenorganisatie en haar aangesloten producenten geproduceerde groenten en fruit waarvoor de producentenorganisatie is erkend. In de waarde van de afgezette productie mogen groenten en fruit worden meegerekend die niet aan de handelsnormen hoeven te voldoen, wanneer die normen niet van toepassing zijn.

De waarde van de door een unie van producentenorganisaties afgezette productie wordt berekend op basis van de door de unie van producentenorganisaties zelf en door haar aangesloten producentenorganisaties afgezette productie van groenten en fruit waarvoor de unie van producentenorganisaties is erkend. Bij het maken van deze berekening wordt dubbeltelling voorkomen.

2.   In de waarde van de afgezette productie wordt de waarde van verwerkte groenten en fruit of van enig ander product dat geen product van de groente- en fruitsector is, niet meegerekend.

Indien producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, daarbij aangesloten producenten of dochterondernemingen die voldoen aan het vereiste van 90 % als bedoeld in lid 8 van dit artikel, voor verwerking bestemde groenten en fruit zelf of via uitbesteding hebben verwerkt tot groente- en fruitproducten als bedoeld in bijlage I, deel X, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, of tot enig ander verwerkt product als bedoeld in dit artikel en nader omschreven in bijlage I bij deze verordening, wordt de waarde van de afgezette productie van voor verwerking bestemde groenten en fruit berekend als forfaitair percentage van de gefactureerde waarde van die verwerkte producten. Dit forfaitaire percentage bedraagt:

a)

53 % voor vruchtensappen;

b)

73 % voor geconcentreerde vruchtensappen;

c)

77 % voor tomatenconcentraat;

d)

62 % voor ingevroren groenten en fruit;

e)

48 % voor groente- en fruitconserven;

f)

70 % voor conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus;

g)

81 % voor voorlopig in pekel verduurzaamde vruchten;

h)

81 % voor gedroogde vruchten;

i)

27 % voor andere verwerkte groenten en fruit dan die welke onder a) tot en met h) worden bedoeld;

j)

12 % voor verwerkte aromatische kruiden;

k)

41 % voor paprikapoeder.

3.   De lidstaten mogen de producentenorganisaties toestaan de waarde van de bijproducten mee te rekenen in de waarde van de afgezette productie.

4.   De waarde van de afgezette productie omvat de waarde van de uit de markt genomen en overeenkomstig artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 weggewerkte producten. De waarde wordt berekend op basis van de gemiddelde prijs waartegen de producentenorganisatie deze producten in de betrokken periode heeft afgezet.

5.   Alleen de productie van de producentenorganisatie en van de bij haar aangesloten producenten die door die producentenorganisatie is afgezet, wordt meegerekend in de waarde van de afgezette productie. De productie van de bij een bepaalde producentenorganisatie aangesloten producenten die wordt afgezet door een tweede, daartoe door die bepaalde producentenorganisatie aangewezen producentenorganisatie, wordt meegerekend in de waarde van de afgezette productie van de tweede producentenorganisatie. Daarbij wordt dubbeltelling voorkomen.

6.   Tenzij lid 8 van toepassing is, wordt de afgezette productie van groenten en fruit in het stadium „af producentenorganisatie” gefactureerd als in bijlage I, deel IX, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen product dat is verwerkt en verpakt, exclusief:

a)

btw;

b)

kosten van intern transport bij de producentenorganisatie wanneer de afstand tussen de verzamel- of verpakkingscentra van de producentenorganisatie en het distributiecentrum van de producentenorganisatie meer dan 300 km bedraagt.

7.   De waarde van de afgezette productie kan ook worden berekend in het stadium „af unie van producentenorganisaties”, op dezelfde grondslag als is aangegeven in lid 6.

8.   De waarde van de afgezette productie kan ook worden berekend in het stadium „af dochteronderneming”, op dezelfde grondslag als is aangegeven in lid 6, op voorwaarde dat ten minste 90 % van de aandelen of het kapitaal van de dochteronderneming in handen is van:

a)

één of meer producentenorganisatie of unies van producentenorganisaties, of

b)

aangesloten producenten van de producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties, indien de lidstaat dit goedkeurt en indien aldus wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de in artikel 152, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde doelstellingen.

9.   Bij uitbesteding wordt de waarde van de afgezette productie berekend in het stadium „af producentenorganisatie” en omvat deze de toegevoegde economische waarde van de activiteit die de producentenorganisatie heeft uitbesteed aan haar leden, aan derde partijen of aan een andere dan een in lid 8 bedoelde dochteronderneming.

10.   Wanneer de productie als gevolg van een natuurramp, weersomstandigheden, dier- of plantenziekten of plagen afneemt, mogen de op grond daarvan door de verzekering uitgekeerde vergoedingen in het kader van oogstverzekeringsacties uit hoofde van hoofdstuk III, afdeling 7, of door de producentenorganisatie beheerde gelijkwaardige acties worden meegeteld in de waarde van de afgezette productie.

Artikel 23

Referentieperiode en maximum voor financiële bijstand van de Unie

1.   De lidstaten stellen voor elke producentenorganisatie een referentieperiode van twaalf maanden vast die niet eerder begint dan op 1 januari drie jaar vóór het jaar waarvoor de steun wordt gevraagd, en uiterlijk afloopt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de steun wordt gevraagd.

De referentieperiode van twaalf maanden is het boekjaar van de betrokken producentenorganisatie.

De methode voor de vaststelling van de referentieperiode mag gedurende de looptijd van een operationeel programma niet worden gewijzigd, tenzij daarvoor gegronde redenen worden aangevoerd.

2.   Het in artikel 34, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde maximum voor de financiële bijstand van de Unie wordt jaarlijks berekend op basis van de waarde van de afgezette productie tijdens de referentieperiode van de producenten die bij de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties zijn aangesloten op 1 januari van het jaar waarvoor de steun wordt gevraagd.

3.   Als alternatief voor de in lid 2 beschreven methode kunnen de lidstaten voor niet-transnationale producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties besluiten om de feitelijke waarde van de afgezette productie in de betrokken referentieperiode van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties te gebruiken. In dat geval is het voorschrift van toepassing op alle niet-transnationale producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in die lidstaat.

4.   Indien de waarde van een product met ten minste 35 % is gedaald door omstandigheden waarvoor de producentenorganisatie niet verantwoordelijk is en waarop zij geen vat heeft, wordt ervan uitgegaan dat de waarde van de afgezette productie van dat product 65 % van de waarde van het betrokken product in de voorgaande referentieperiode bedraagt.

De producentenorganisatie licht de in de eerste alinea bedoelde redenen toe ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat.

Dit lid geldt ook voor het bepalen van de inachtneming van de minimumwaarde van de afgezette productie waarin artikel 9 voorziet.

5.   Wanneer historische gegevens over de afgezette productie voor recentelijk erkende producentenorganisaties ontoereikend zijn voor de toepassing van lid 1, is de waarde van de afgezette productie de waarde van de afzetbare productie die de producentenorganisatie met het oog op haar erkenning heeft opgegeven.

Artikel 24

Boekhouding

De lidstaten zorgen ervoor dat producentenorganisaties voldoen aan de nationale normen van op kosten gebaseerde boekhouding op basis waarvan onafhankelijke auditors de inkomsten en uitgaven van die organisaties terstond kunnen bepalen, controleren en certificeren.

Afdeling 2

Actiefondsen

Artikel 25

Financiering van actiefondsen

1.   De financiële bijdragen in het actiefonds als bedoeld in artikel 32, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 worden bepaald door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

2.   Alle aangesloten producenten of aangesloten organisaties hebben de gelegenheid om gebruik te maken van het actiefonds en op democratische wijze deel te nemen aan de besluitvorming over het gebruik van het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties en over de financiële bijdragen in de actiefondsen.

3.   Ingevolge de statuten van een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties zijn de aangesloten producenten of aangesloten organisaties verplicht de financiële bijdragen overeenkomstig haar statuten te betalen voor de oprichting en de financiering van het in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde actiefonds.

Artikel 26

Melding van het geraamde bedrag

1.   De producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties melden de lidstaat die de erkenning heeft verleend, uiterlijk op 15 september, samen met de operationele programma's of de verzoeken tot goedkeuring van wijzigingen daarvan, de geraamde bedragen van de financiële bijstand van de Unie en de bijdrage van haar leden en van de producentenorganisatie of unie zelf in de actiefondsen voor het volgende jaar.

De lidstaten mogen een latere uiterste datum dan 15 september vaststellen.

2.   Het geraamde bedrag van de actiefondsen wordt berekend op basis van de operationele programma's en de waarde van de afgezette productie. De berekening wordt opgesplitst in uitgaven voor crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen enerzijds en uitgaven voor andere maatregelen anderzijds.

Afdeling 3

Operationele programma's

Artikel 27

Nationale strategie

1.   De in artikel 36, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale strategie, die ook het in artikel 36, lid 1, van die verordening bedoelde nationale kader bevat, wordt vastgesteld vóór de jaarlijkse indiening van de ontwerpen van operationele programma's. Het nationale kader wordt eerst bij de Commissie ingediend en, na eventuele wijziging ervan overeenkomstig artikel 36, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, in de nationale strategie opgenomen.

De nationale strategie kan worden onderverdeeld in regionale elementen.

2.   Naast de in artikel 36, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde elementen bevat de nationale strategie ook alle besluiten en bepalingen die de lidstaat voor de toepassing van de artikelen 152 tot en met 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft vastgesteld.

3.   De opstelling van de nationale strategie omvat een analyse van de uitgangssituatie die wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat.

Deze analyse formuleert de prioritaire behoeften, de doelstellingen, de verwachte resultaten en de gekwantificeerde streefcijfers en toetst deze aan de uitgangssituatie.

De analyse vermeldt ook de instrumenten en acties om die doelen te halen.

4.   De lidstaten monitoren en evalueren de nationale strategie en de uitvoering ervan via operationele programma's.

De nationale strategie kan vóór de jaarlijkse indiening van de ontwerpen van operationele programma's worden gewijzigd.

5.   Om een evenwicht tussen de verschillende maatregelen te waarborgen, vermelden de lidstaten in de nationale strategie per maatregel of soort actie de maximumpercentages voor financiering uit het actiefonds.

Artikel 28

Nationaal kader voor milieuacties

De lidstaten leggen de Commissie hun in artikel 36, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde voorstel voor een kader voor en melden de Commissie daarbovenop elke wijziging van het nationale kader, waarvoor de in die alinea bedoelde procedure geldt.

De Commissie zorgt er op de door haar passend geachte wijze voor dat de nationale kaders beschikbaar zijn voor andere lidstaten.

Artikel 29

Aanvullende voorschriften van de lidstaten

De lidstaten kunnen ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013, de onderhavige verordening en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 voorschriften vaststellen voor de subsidiabiliteit van maatregelen, acties of uitgaven in het kader van operationele programma's.

Artikel 30

Relatie met plattelandsontwikkeling, staatssteun en afzetbevorderingsprogramma's

1.   Wanneer in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma of plattelandsontwikkelingsprogramma's van een lidstaat bijstand is verleend aan concrete acties die identiek zijn aan acties die in aanmerking zouden kunnen komen voor bijstand in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013, zorgt die lidstaat ervoor dat een begunstigde voor een bepaalde actie slechts bijstand kan ontvangen op grond van één regeling.

Wanneer een lidstaat dergelijke concrete acties in zijn plattelandsontwikkelingsprogramma of plattelandsontwikkelingsprogramma's opneemt, zorgt hij ervoor dat de nationale strategie de waarborgen, bepalingen en controles vermeldt die zijn ingevoerd om dubbele financiering van dezelfde actie of concrete actie te voorkomen.

2.   Producentenorganisaties waaraan de in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of artikel 19 van Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie (9) bedoelde bijstand is verleend, voeren in dezelfde periode geen operationeel programma uit.

3.   In voorkomend geval en onverminderd artikel 34, leden 1 en 3, en artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 mag het steunniveau voor onder die verordening vallende maatregelen niet hoger zijn dan dat voor maatregelen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma.

4.   Bijstand voor milieuacties die identiek zijn aan agromilieuklimaatverbintenissen of verbintenissen op het gebied van biologische landbouw als bedoeld in respectievelijk artikel 28 en artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, blijft beperkt tot maximumbedragen die in bijlage II bij die verordening zijn vermeld voor agromilieuklimaatbetalingen of voor betalingen voor biologische landbouw. Deze bedragen mogen in naar behoren onderbouwde gevallen worden verhoogd om rekening te houden met specifieke omstandigheden die moeten worden gemotiveerd in de nationale strategie en in de operationele programma's van de producentenorganisaties.

5.   Het bepaalde in lid 4 geldt niet voor milieuacties die niet direct of indirect betrekking hebben op een specifiek perceel.

6.   Wanneer producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties of brancheorganisaties bijstand ontvangen uit hoofde van afzetbevorderingsprogramma's die in het kader van Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad (10) zijn goedgekeurd, zorgen de lidstaten ervoor dat een begunstigde voor een bepaalde actie slechts bijstand kan ontvangen op grond van één regeling.

Artikel 31

Subsidiabiliteit van acties in het kader van operationele programma's

1.   Operationele programma's omvatten geen acties of uitgaven die in bijlage II zijn vermeld. Bijlage III bevat een niet-uitputtende lijst van subsidiabele acties.

2.   Uitgaven uit hoofde van subsidiabele operationele programma's worden beperkt tot de daadwerkelijk gemaakte kosten. Wel mogen de lidstaten in de volgende gevallen forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten vaststellen:

a)

wanneer naar dergelijke forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten wordt verwezen in bijlage III;

b)

wanneer bij vervoer per spoor of per schip als onderdeel van een milieubeschermingsmaatregel, in vergelijking met de kosten voor wegvervoer extra externe vervoerskosten per kilometer worden gemaakt.

Daarnaast kunnen de lidstaten besluiten om gedifferentieerde schalen van eenheidskosten te gebruiken waarin rekening wordt gehouden met regionale of lokale kenmerken.

De lidstaten evalueren de forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten ten minste om de vijf jaar.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de desbetreffende berekeningen adequaat en nauwkeurig zijn en vooraf zijn vastgesteld op basis van een eerlijke, billijke en verifieerbare berekening. Daartoe wordt door de lidstaten:

a)

ervoor gezorgd dat een orgaan dat functioneel onafhankelijk is van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma, en dat over de nodige deskundigheid beschikt, de berekeningen uitvoert of de adequatie en nauwkeurigheid ervan bevestigt;

b)

alle documentatie over de vaststelling van de forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten en over de evaluatie ervan bewaard.

4.   Een actie is slechts subsidiabel indien de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend, meer dan 50 % van de waarde uitmaken van de producten die onder die actie vallen. Daarnaast zijn de betrokken producten afkomstig van de leden van de producentenorganisatie of van bij een andere producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aangesloten producenten. De artikelen 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening van de waarde.

5.   Investeringen in materiële activa brengen de volgende verbintenissen mee:

a)

onverminderd lid 4 worden de verworven materiële activa gebruikt overeenkomstig de bestemming ervan zoals beschreven in het goedgekeurde operationele programma in kwestie;

b)

onverminderd de derde en vierde alinea van lid 6 blijven de verworven materiële activa zowel in eigendom als bezit van de begunstigde hetzij tot het einde van de fiscale afschrijvingsperiode van het materiële activum hetzij tien jaar lang indien deze laatste periode korter is. De begunstigde zorgt in die periode ook voor het onderhoud van de materiële activa. Wanneer de investering echter wordt gedaan op grond die in het kader van bijzondere nationale eigendomsregelgeving wordt gepacht, wordt het vereiste om in eigendom van de begunstigde te zijn eventueel niet toegepast, mits de investeringen ten minste gedurende de in de eerste zin van dit punt voorgeschreven periode in bezit van de begunstigde zijn geweest;

c)

wanneer de producentenorganisatie de eigenaar, en het lid van de producentenorganisatie de houder is van het materiële activum waarop de investering betrekking heeft, heeft de producentenorganisatie voor de duur van de fiscale afschrijvingsperiode recht op toegang tot dat activum.

De lidstaten mogen evenwel voor de toepassing van het bepaalde in de eerste alinea, onder b), bepalen dat een andere periode geldt dan de fiscale afschrijvingsperiode. Een dergelijke periode wordt vermeld en naar behoren gemotiveerd in hun nationale strategie en bestrijkt ten minste de in artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11) bedoelde periode.

6.   Investeringen, ook die in het kader van leaseovereenkomsten, mogen via het actiefonds worden gefinancierd in één bedrag of in identieke tranches zoals goedgekeurd in het operationele programma. De lidstaten mogen in naar behoren gemotiveerde gevallen wijzigingen van het operationele programma goedkeuren die voorzien in een nieuwe verdeling van de tranches.

Indien de fiscale afschrijvingsperiode van een investering langer is dan de looptijd van het operationele programma, mag deze ook voor het volgende operationele programma in aanmerking worden genomen.

Bij vervanging van investeringen wordt de restwaarde van de vervangen investeringen:

a)

toegevoegd aan het actiefonds van de producentenorganisatie, of

b)

in mindering gebracht op de vervangingskosten.

Indien de investering vóór het einde van de in lid 5 bedoelde periode wordt verkocht, maar niet wordt vervangen, wordt de Uniesteun die is betaald voor de financiering van de investering, teruggevorderd en teruggestort in het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) naar evenredigheid van het aantal volledige jaren dat tot het einde van de in lid 5, eerste alinea, onder b), bedoelde periode resteert.

7.   Acties, waaronder investeringen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationele programma, mogen worden uitgevoerd op individuele bedrijven of locaties van aangesloten producenten van de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of hun dochterondernemingen die voldoen aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8, ook wanneer de acties worden uitbesteed aan leden van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

Indien de aangesloten producent de producentenorganisatie verlaat, zorgen de lidstaten ervoor dat de investering of de restwaarde ervan door de producentenorganisatie wordt teruggevorderd en in het laatste geval aan het actiefonds wordt toegevoegd.

In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten bepalen dat de producentenorganisatie er niet toe verplicht is de investering of de restwaarde ervan terug te vorderen.

8.   Acties, waaronder investeringen, die verband houden met de omzetting van groenten en fruit in verwerkte groenten en fruit, kunnen in aanmerking komen voor bijstand indien die acties en investeringen gericht zijn op de verwezenlijking van de in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde doelen, met inbegrip van die welke in artikel 160 van die verordening worden bedoeld, en op voorwaarde dat deze zijn opgenomen in de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale strategie.

9.   Investeringen in niet-tastbare activa kunnen in aanmerking komen voor bijstand indien die investeringen gericht zijn op de verwezenlijking van de in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde doelen, met inbegrip van die welke in artikel 160 van die verordening worden bedoeld, en op voorwaarde dat deze zijn opgenomen in de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale strategie.

Artikel 32

Operationele programma's van unies van producentenorganisaties

1.   De lidstaten mogen toestaan dat de aangesloten producenten van unies van producentenorganisaties die geen producentenorganisaties, maar leden van dergelijke unies uit hoofde van artikel 20 zijn, de maatregelen van de unie van producentenorganisaties financieren naar evenredigheid van de bijdrage van de aangesloten producentenorganisaties.

2.   De artikelen 30, 31, 33 en 34 van deze verordening en de artikelen 4 tot en met 7 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 zijn van overeenkomstige toepassing op de operationele programma's van unies van producentenorganisaties. Het in artikel 4, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde evenwicht tussen de activiteiten is echter niet vereist voor operationele deelprogramma's van unies van producentenorganisaties.

3.   Het plafond voor de uitgaven voor crisispreventie en -beheer, als bedoeld in artikel 33, lid 3, vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt, in het kader van de operationele programma's van unies van producentenorganisaties, berekend op het niveau van elke aangesloten producentenorganisatie.

Artikel 33

Besluit

1.   De lidstaten:

a)

keuren de bedragen van de actiefondsen en de operationele programma's die aan de eisen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en die van het onderhavige hoofdstuk voldoen, goed;

b)

keuren operationele programma's goed op voorwaarde dat de betrokken producentenorganisaties instemmen met bepaalde wijzigingen, of

c)

wijzen operationele programma's in hun geheel of gedeeltelijk af.

2.   De lidstaten nemen hun besluit over de operationele programma's en actiefondsen uiterlijk op 15 december van het jaar waarin deze zijn ingediend.

De lidstaten melden dat besluit uiterlijk op 15 december aan de betrokken producentenorganisaties.

Een dergelijk besluit mag evenwel om gegronde redenen na die datum worden genomen, maar uiterlijk op 20 januari na de datum van indiening. In het goedkeuringsbesluit kan worden bepaald dat de uitgaven met ingang van 1 januari na de datum van indiening subsidiabel zijn.

Artikel 34

Wijzigingen van operationele programma's

1.   Producentenorganisaties kunnen een verzoek indienen om in de operationele programma's wijzigingen, inclusief betreffende de looptijd, aan te brengen voor de daaropvolgende jaren. De lidstaten stellen uiterste data voor de indiening en goedkeuring van dergelijke verzoeken vast zodat de goedgekeurde wijzigingen vanaf 1 januari van het jaar daarop van toepassing zijn.

Dergelijke verzoeken mogen om gegronde redenen na de door de lidstaten vastgestelde uiterste data worden goedgekeurd, maar uiterlijk op 20 januari na het jaar van het verzoek. In het goedkeuringsbesluit kan worden bepaald dat de uitgaven met ingang van 1 januari na de datum van indiening van het verzoek subsidiabel zijn.

2.   De lidstaten kunnen wijzigingen van de operationele programma's in de loop van het jaar toestaan onder door hen te bepalen voorwaarden. De besluiten inzake die wijzigingen worden genomen uiterlijk op 20 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin om een wijziging is verzocht.

De lidstaten kunnen producentenorganisaties in de loop van het jaar toestaan om:

a)

hun operationele programma slechts gedeeltelijk uit te voeren;

b)

de inhoud van het operationele programma te wijzigen;

c)

het bedrag van het actiefonds met ten hoogste 25 % van het oorspronkelijk goedgekeurde bedrag te verhogen of met een door de lidstaten vast te stellen percentage van het oorspronkelijk goedgekeurde bedrag te verlagen, op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de algemene doelen van het operationele programma;

d)

bij toepassing van artikel 53 nationale financiële steun aan het actiefonds toe te voegen.

De lidstaten stellen vast onder welke voorwaarden operationele programma's tijdens het jaar mogen worden gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Deze wijzigingen komen slechts voor steun in aanmerking voor zover de producentenorganisatie ze onverwijld aan de bevoegde autoriteit meedeelt.

De lidstaten kunnen in het geval van fusies van producentenorganisaties als bedoeld in artikel 15, lid 1, de in de tweede alinea, onder c), bedoelde percentages wijzigen.

3.   Elk wijzigingsverzoek gaat vergezeld van bewijsstukken waarin de reden voor en de aard en de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen nader zijn omschreven.

Afdeling 4

Steun

Artikel 35

Voorschotten

1.   De lidstaten kunnen producentenorganisaties toestaan een voorschot te vragen ten bedrage van een gedeelte van de steun. Dat voorschot komt overeen met de verwachte uitgaven voor het operationele programma in de periode van drie of vier maanden die begint in de maand waarin de aanvraag voor een voorschot wordt ingediend.

De lidstaten stellen de voorwaarden vast die waarborgen dat de financiële bijdragen in het actiefonds zijn geheven overeenkomstig de artikelen 24 en 25 en dat eerdere voorschotten en de overeenkomstige bijdrage van de producentenorganisatie daadwerkelijk zijn besteed.

2.   Aanvragen om vrijgave van de zekerheden mogen, vergezeld van de nodige bewijsstukken, zoals facturen en documenten waaruit blijkt dat de betalingen zijn verricht, worden ingediend tijdens het lopende programmajaar.

De vrijgegeven zekerheden bedragen maximaal 80 % van de betaalde voorschotten.

3.   Bij niet-naleving van de operationele programma's of bij ernstig verzuim van de in artikel 5, onder b) en c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde verplichtingen wordt de zekerheid verbeurd, onverminderd andere op grond van hoofdstuk V, afdeling 3, van deze titel toe te passen administratieve sancties.

Indien aan andere eisen niet wordt voldaan, wordt de zekerheid naar evenredigheid van de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid verbeurd.

Artikel 36

Stopzetting van een operationeel programma en beëindiging van een erkenning

1.   Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de uitvoering van haar operationele programma vóór het einde van de geplande looptijd ervan stopzet, worden geen verdere betalingen aan die organisatie of unie gedaan voor acties die na de datum van stopzetting worden uitgevoerd.

2.   De steun die vóór de stopzetting van het operationele programma is ontvangen voor subsidiabele acties, wordt niet teruggevorderd, mits:

a)

de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aan de erkenningscriteria heeft voldaan en de doelstellingen van de acties zoals vastgelegd in het operationele programma, zijn verwezenlijkt op het moment van stopzetting, en

b)

de investeringen die met bijstand uit het actiefonds zijn gefinancierd, in het bezit blijven van en gebruikt worden door de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of haar dochternemingen die aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8, voldoen of haar leden tot ten minste het einde van de afschrijvingsperiode als bedoeld in artikel 31, lid 5. Anders wordt de voor die investeringen betaalde financiële bijstand van de Unie teruggevorderd en teruggestort in het ELGF.

3.   De financiële bijstand van de Unie voor meerjarige verbintenissen, zoals milieuacties, wordt teruggevorderd en teruggestort in het ELGF wanneer de langetermijndoelstellingen en verwachte baten niet kunnen worden gerealiseerd als gevolg van de onderbreking van de maatregel.

4.   Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige beëindiging van een erkenning, de intrekking van een erkenning en de ontbinding van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.

5.   Onverschuldigd betaalde steun wordt teruggevorderd overeenkomstig artikel 67.

HOOFDSTUK III

Crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 37

Selectie van crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen

De lidstaten mogen bepalen dat een of meer van de in artikel 33, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde maatregelen niet van toepassing zijn op hun grondgebied.

Artikel 38

Leningen ter financiering van crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen

Leningen die op grond van artikel 33, lid 3, vijfde alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ter financiering van crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen zijn aangegaan, mogen om gegronde economische redenen worden overgeheveld naar een volgend operationeel programma indien de aflossingstermijn ervan de looptijd van het operationele programma overschrijdt.

Afdeling 2

Investeringen om het beheer van de op de markt gebrachte volumes efficiënter te maken

Artikel 39

Investeringen in verband met het beheer van volumes

1.   De lidstaten nemen in hun nationale strategie de lijst op van subsidiabele investeringen die erop gericht zijn het beheer van de afgezette volumes efficiënter te maken, als bedoeld in artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

2.   De lidstaten verlangen vóór de goedkeuring van de operationele programma's met acties die verband houden met de in lid 1 bedoelde investeringen, een motivering waaruit blijkt dat de voorgestelde investering geschikt is om een crisis op doeltreffende wijze te voorkomen of haar beter te kunnen doorstaan.

Afdeling 3

Bijstand voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen

Artikel 40

Voorwaarden inzake de bijstand voor de administratieve kosten van het opzetten van onderlinge fondsen

1.   De lidstaten stellen nadere bepalingen vast voor bijstand voor de administratieve kosten van het opzetten van onderlinge fondsen als bedoeld in artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder d), van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

2.   De in het eerste lid bedoelde bijstand omvat zowel de financiële bijstand van de Unie als de bijdrage van de producentenorganisatie. Het totale bedrag van die bijstand is niet hoger dan 5 %, 4 % en 2 % van de bijdrage van de producentenorganisatie in respectievelijk het eerste, het tweede en het derde jaar van de werking van het onderlinge fonds.

3.   Een producentenorganisatie mag de in lid 1 bedoelde bijstand slechts één keer en uitsluitend in de eerste drie jaar van de werking van het fonds ontvangen. Wanneer een producentenorganisatie slechts in het tweede of het derde jaar van de werking van het fonds bijstand aanvraagt, bedraagt deze bijstand respectievelijk 4 % en 2 %.

4.   De lidstaten mogen maxima vaststellen voor de bedragen die een producentenorganisatie mag ontvangen als bijstand voor de administratieve kosten van het opzetten van onderlinge fondsen.

Afdeling 4

Herbeplanting van boomgaarden na verplichte rooiing

Artikel 41

Herbeplanting van boomgaarden

1.   Wanneer de lidstaten in hun nationale strategie de herbeplanting van boomgaarden na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen, als bedoeld in artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder e), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 opnemen, voldoen de maatregelen aan Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (12).

2.   De herbeplanting van boomgaarden vertegenwoordigt niet meer dan 20 % van de totale uitgaven in het kader van operationele programma's. De lidstaten kunnen besluiten een lager percentage vast te stellen.

Afdeling 5

Uit de markt nemen van producten

Artikel 42

Toepassingsgebied

Deze afdeling bevat regels voor het uit de markt nemen van producten en voor de gratis verstrekking als bedoeld in respectievelijk artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder f), en artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

Artikel 43

Driejaarsgemiddelde voor producten die voor gratis verstrekking uit de markt worden genomen

1.   Het in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde maximumpercentage van 5 % van het volume van de afgezette productie wordt berekend op basis van het wiskundige gemiddelde van de totale volumes van de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend en die tijdens de vorige drie jaar door de producentenorganisatie zijn afgezet.

2.   Voor recentelijk erkende producentenorganisaties wordt gebruikgemaakt van de volgende gegevens over de verkoopseizoenen die aan de erkenning voorafgingen:

a)

met betrekking tot organisaties die voordien producentengroeperingen waren, de overeenkomstige gegevens voor die producentengroepering, in voorkomend geval, of

b)

het volume dat van toepassing was in het kader van de erkenningsaanvraag.

Artikel 44

Voorafgaande melding van het uit de markt nemen van producten

1.   Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties melden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vooraf langs schriftelijke of elektronische weg dat zij van plan zijn om producten uit de markt te nemen.

Deze melding bevat met name de lijst van de uit de markt te nemen producten en de belangrijkste kenmerken van die producten volgens de betrokken handelsnormen, een raming van de hoeveelheid van elk betrokken product, de beoogde bestemming van de uit de markt genomen producten en de plaats waar zij overeenkomstig artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 kunnen worden geïnspecteerd.

De melding bevat een schriftelijke verklaring dat de uit de markt te nemen producten voldoen aan de in artikel 15 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde toepasselijke handelsnormen of minimumeisen.

2.   De lidstaten stellen nadere voorschriften voor producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties vast inzake de in lid 1 bedoelde meldingen, met name wat de termijnen betreft.

Artikel 45

Bijstand

1.   De bijstand voor het uit de markt nemen van producten, waaronder zowel de financiële bijstand van de Unie als de bijdrage van de producentenorganisatie vallen, is niet hoger dan de bedragen die in bijlage IV zijn vermeld.

Voor producten die niet in bijlage IV zijn genoemd, stellen de lidstaten maximumbedragen aan bijstand vast, waaronder zowel de financiële bijstand van de Unie als de bijdrage van de producentenorganisatie vallen, op een niveau dat niet hoger is dan 40 % van de gemiddelde marktprijzen over de voorgaande vijf jaar in het geval van gratis verstrekking en op een niveau dat hoger is dan 30 % van de gemiddelde marktprijzen over de voorgaande vijf jaar voor andere bestemmingen dan gratis verstrekking.

Wanneer een producentenorganisatie van derden een vergoeding voor de uit de markt genomen producten heeft ontvangen, wordt een bedrag dat gelijk is aan de ontvangen vergoeding, in mindering gebracht op de in de eerste alinea bedoelde bijstand. Om voor bijstand in aanmerking te komen, mogen de betrokken producten niet opnieuw in het commerciële circuit voor groenten en fruit terechtkomen.

2.   Niet meer dan 5 % van het volume van de productie van een bepaald product dat een bepaalde producentenorganisatie afzet, wordt uit de markt worden genomen. Hoeveelheden die worden weggewerkt op een van de in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde wijzen of op een andere door de lidstaten krachtens artikel 46, lid 2, van de onderhavige verordening goedgekeurde wijze tellen echter niet mee in dit percentage.

Het volume van de afgezette productie als bedoeld in de eerste alinea, wordt berekend als het gemiddelde van het volume van de in de voorafgaande drie jaren afgezette productie. Indien deze informatie niet beschikbaar is, wordt gebruikgemaakt van het volume van de afgezette productie waarvoor de producentenorganisatie is erkend.

Het in de eerste alinea genoemde percentage is een jaargemiddelde over een periode van drie jaar, bestaande uit het jaar in kwestie en de voorafgaande twee jaar, dat in een gegeven jaar met ten hoogste 5 procentpunten mag worden overschreden.

3.   De financiële bijstand van de Unie voor uit de markt genomen hoeveelheden groenten en fruit die worden weggewerkt of gratis worden verstrekt aan in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde liefdadigheidsinstellingen en -organisaties, wordt slechts gebruikt voor de betaling van de weggewerkte producten overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel en voor de betaling van de in artikel 16, lid 1, en artikel 17, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde kosten.

Artikel 46

Bestemmingen van uit de markt genomen producten

1.   De lidstaten bepalen de toegestane bestemmingen van uit de markt genomen producten. Zij stellen bepalingen vast die ervoor zorgen dat het uit de markt nemen van producten noch de bestemming van de betrokken producten negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen hebben.

2.   De in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde bestemmingen omvatten de gratis verstrekking als bedoeld in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, en andere door de lidstaten goedgekeurde gelijkwaardige bestemmingen.

De lidstaten mogen de in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde liefdadigheidsinstellingen en -organisaties op hun verzoek toestaan de eindontvangers van de uit de markt genomen producten om een bijdrage te vragen.

Naast de verplichtingen uit hoofde van artikel 47, lid 1, voeren de betrokken liefdadigheidsorganisaties en -instellingen, wanneer zij die toestemming hebben gekregen, een financiële boekhouding voor de concrete actie in kwestie.

De begunstigden van de gratis verstrekking van groenten en fruit mogen de verwerkers van de betrokken producten in natura betalen, wanneer met die betaling enkel de verwerkingskosten worden vergoed en wanneer de lidstaat waar de betaling wordt verricht, regels heeft vastgesteld die ervoor zorgen dat de verwerkte producten bestemd zijn om door de in de tweede alinea bedoelde eindontvangers te worden geconsumeerd.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de contacten en de samenwerking te vergemakkelijken tussen de producentenorganisaties en de door de lidstaten goedgekeurde liefdadigheidsinstellingen en -organisaties als bedoeld in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

3.   Levering van producten aan de verwerkende industrie is mogelijk. De lidstaten stellen nadere bepalingen vast die ervoor zorgen dat dit voor de betrokken bedrijfstakken in de Unie of voor ingevoerde producten geen verstoring van de mededinging veroorzaakt en dat de uit de markt genomen producten niet opnieuw in het commerciële circuit terechtkomen. Uit distillatie verkregen alcohol wordt uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden.

Artikel 47

Voorwaarden waaraan de ontvangers van uit de markt genomen producten moeten voldoen

1.   De in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde ontvangers van uit de markt genomen producten:

a)

voldoen aan de in en krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde voorschriften;

b)

voeren voor de betrokken concrete acties een aparte voorraadboekhouding;

c)

onderwerpen zich aan de controles waarin de wetgeving van de Unie voorziet, en

d)

verstrekken de bewijsstukken betreffende de eindbestemming van elk betrokken product in de vorm van een overnamecertificaat of gelijkwaardig document waarin staat dat de uit de markt genomen producten door een derde zijn overgenomen om gratis te worden verstrekt.

De lidstaten kunnen bepalen dat de ontvangers geen boekhouding hoeven te voeren als bedoeld in de eerste alinea, onder b), als zij geringe hoeveelheden ontvangen die onder een maximum liggen dat door de lidstaten wordt bepaald op basis van een gedocumenteerde risicoanalyse.

2.   De ontvangers van voor andere bestemmingen uit de markt genomen producten:

a)

voldoen aan de in en krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde voorschriften;

b)

voeren een aparte voorraadboekhouding en financiële boekhouding voor de betrokken concrete acties indien de lidstaat dat nodig acht, ook al is het product vóór levering gedenatureerd;

c)

onderwerpen zich aan de controles waarin de wetgeving van de Unie voorziet, en

d)

vragen geen aanvullende steun aan voor de uit de betrokken producten verkregen alcohol indien de uit de markt genomen producten voor distillatie bestemd zijn.

Afdeling 6

Groen oogsten en niet oogsten

Artikel 48

Voorwaarden voor de toepassing van groen oogsten en niet oogsten

1.   Groen oogsten en niet oogsten als bedoeld in artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder g), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vullen de normale teeltpraktijken aan als een daarvan verschillende praktijk.

2.   Nadat de concrete actie heeft plaatsgevonden, worden groenten en fruit die groen zijn geoogst of niet zijn geoogst, in hetzelfde groeiseizoen niet gebruikt voor verdere productiedoeleinden.

3.   Maatregelen voor groen oogsten worden niet genomen met betrekking tot groenten en fruit waarvan de normale oogst al is begonnen, en maatregelen voor niet oogsten worden niet genomen wanneer het betrokken areaal tijdens de gewone productiecyclus al commerciële productie heeft opgeleverd.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer de groente- en fruitplanten een oogstperiode van meer dan één maand hebben. In zulke gevallen wordt met de in lid 4 bedoelde bedragen enkel de in de zes weken na de concrete actie voor groen oogsten en niet oogsten te oogsten productie vergoed. Nadat de actie heeft plaatsgevonden, worden deze groente- en fruitplanten in hetzelfde groeiseizoen niet gebruikt voor verdere productiedoeleinden.

Voor de toepassing van de tweede alinea kunnen de lidstaten de toepassing van maatregelen voor groen oogsten en niet oogsten verbieden indien, in het geval van groen oogsten, een aanzienlijk deel van de normale oogst heeft plaatsgevonden en, in het geval van niet oogsten, een aanzienlijk deel van de commerciële productie reeds is weggenomen. Een lidstaat die voornemens is deze bepaling toe te passen, legt in zijn nationale strategie vast wat hij als een aanzienlijk deel beschouwd.

Groen oogsten en niet oogsten worden niet toegepast voor hetzelfde product en hetzelfde areaal in een bepaald jaar, behalve voor de doeleinden van de tweede alinea, overeenkomstig welke beide concrete acties gelijktijdig mogen worden toegepast.

4.   Bijstand voor groen oogsten wordt slechts verleend voor producten die fysiek op de velden aanwezig zijn en daadwerkelijk groen worden geoogst. De voor groen oogsten en niet oogsten betaalde vergoedingen, waaronder zowel de financiële bijstand van de Unie als de bijdrage van de producentenorganisatie vallen, zijn hectarebetalingen die de lidstaat in het kader van artikel 49, eerste alinea, onder a), vaststelt op een niveau dat niet meer dekt dan 90 % van het maximale bijstandsniveau voor het uit de markt nemen van producten dat van toepassing is op het uit de markt nemen van producten voor andere bestemmingen dan gratis verstrekking als bedoeld in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

5.   Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties melden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vooraf langs schriftelijke of elektronische weg dat zij van plan zijn om groen te oogsten of niet te oogsten.

Artikel 49

Verplichtingen van de lidstaten

De lidstaten:

a)

stellen nadere bepalingen vast voor de uitvoering van de maatregelen voor groen oogsten en niet oogsten, onder meer inzake de voorafgaande meldingen van groen oogsten en niet oogsten, de desbetreffende inhoud en termijnen, de te betalen vergoeding en de toepassing van de maatregelen, alsmede de lijst van voor de maatregelen in aanmerking komende producten;

b)

stellen bepalingen vast die ervoor zorgen dat de uitvoering van de maatregelen geen negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen heeft.

De lidstaten controleren of de maatregelen correct worden uitgevoerd, onder meer met betrekking tot de bepalingen van de eerste alinea, onder a) en b). Als de lidstaten constateren dat de maatregelen niet correct zijn uitgevoerd, keuren zij de toepassing van de maatregelen niet goed.

Afdeling 7

Oogstverzekering

Artikel 50

Doelstelling van oogstverzekeringsacties

Acties in verband met oogstverzekeringen als bedoeld in artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder h), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 worden beheerd door een producentenorganisatie en dragen bij tot het vrijwaren van het producenteninkomen en het dekken van omzetverliezen die de producentenorganisatie en/of haar leden hebben geleden als gevolg van natuurrampen, ongunstige klimaatomstandigheden en, in voorkomend geval, ziekten of plagen.

Artikel 51

Uitvoering van oogstverzekeringsacties

1.   De lidstaten stellen nadere bepalingen vast voor de uitvoering van oogstverzekeringsacties, met inbegrip van bepalingen die voorkomen dat de oogstverzekeringsacties de mededinging op de verzekeringsmarkt verstoren.

2.   De lidstaten mogen aanvullende nationale financiering verlenen voor onder het actiefonds vallende oogstverzekeringsacties. De totale overheidsbijstand voor oogstverzekeringen bedraagt evenwel niet meer dan:

a)

80 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die kunnen worden gelijkgesteld met natuurrampen;

b)

50 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen:

i)

de onder a) bedoelde verliezen en andere door ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte verliezen, en

ii)

verliezen die veroorzaakt worden door dier- of plantenziekten of door plagen.

Het in de eerste alinea, onder b), vastgestelde maximum geldt ook voor gevallen waarin de financiële bijstand van de Unie in het kader van het actiefonds normaliter 60 % bedraagt op grond van artikel 34, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

3.   Oogstverzekeringsacties hebben geen betrekking op verzekeringsuitkeringen die meer dan 100 % van het door de producent geleden inkomensverlies dekken, inclusief vergoedingen die de producent ontvangt op grond van andere bijstandsregelingen voor het verzekerde risico.

HOOFDSTUK IV

Nationale financiële bijstand

Artikel 52

Mate van organisatie van de producenten en definitie van een regio

1.   Voor de toepassing van artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt de mate van organisatie van de producenten in een regio van een lidstaat berekend op basis van de waarde van de groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die is afgezet door:

a)

erkende producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties, en

b)

de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen en de in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde producentenorganisaties en producentengroeperingen.

De waarde van de groente- en fruitproductie wordt gedeeld door de totale waarde van de groente- en fruitproductie van die regio.

De waarde van de groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die is afgezet door de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde organisaties, unies en groeperingen, omvat alleen de producten waarvoor die producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen zijn erkend. Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.

Alleen de groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen en hun leden is afgezet, telt mee in de berekening van die waarde.

Voor de berekening van de totale waarde van de groente- en fruitproductie van die regio is de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad (13) beschreven methodiek van overeenkomstige toepassing.

2.   De mate van organisatie van de producenten in een regio van een lidstaat wordt als bijzonder zwak beschouwd wanneer de overeenkomstig lid 1 berekende gemiddelde mate van organisatie voor de laatste drie jaar waarover gegevens beschikbaar zijn, minder bedraagt dan 20 %.

3.   Alleen voor de groente- en fruitproductie van de regio als bedoeld in de leden 1 en 2, mag nationale financiële bijstand worden verleend.

4.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk definiëren de lidstaten regio's als op grond van objectieve en niet-discriminerende criteria zoals hun agronomische en economische kenmerken en hun potentieel op het gebied van landbouw/groente- en fruit, of hun institutionele of administratieve structuur, op zich staande delen van hun grondgebied waarvoor gegevens beschikbaar zijn om de mate van organisatie te berekenen overeenkomstig lid 1.

De voor de toepassing van dit hoofdstuk door een lidstaat gedefinieerde regio's worden ten minste gedurende vijf jaar niet gewijzigd, tenzij een dergelijke wijziging objectief gerechtvaardigd is door substantiële redenen die geen verband houden met de berekening van de mate van organisatie van de producenten in de desbetreffende regio of regio's.

Wanneer een lidstaat om een gedeeltelijke vergoeding van de nationale financiële bijstand overeenkomstig artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 verzoekt, heeft een dergelijk verzoek betrekking op dezelfde definitie van de regio's als gespecificeerd in het verzoek om toestemming.

Artikel 53

Wijziging van het operationele programma

Een producentenorganisatie die nationale financiële bijstand wil aanvragen, wijzigt zo nodig zijn operationele programma overeenkomstig artikel 34.

HOOFDSTUK V

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Meldingen en verslagen

Artikel 54

Meldingen van de lidstaten inzake producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen

De lidstaten verstrekken de volgende informatie en documenten aan de Commissie:

a)

jaarlijks uiterlijk op 31 januari: het totale bedrag van de actiefondsen die dat jaar voor alle operationele programma's zijn goedgekeurd. Daarin worden het totale bedrag van de actiefondsen en het totale bedrag van de verleende financiële bijstand van de Unie voor deze fondsen vermeld. Deze bedragen worden verder uitgesplitst naar crisispreventiemaatregelen, crisisbeheersmaatregelen en andere maatregelen;

b)

jaarlijks uiterlijk op 15 november: een jaarverslag over producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties en de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen en over de actiefondsen, operationele programma's en erkenningsprogramma's die in het voorgaande jaar liepen. Dit jaarverslag bevat de in bijlage V bij de onderhavige verordening bedoelde informatie;

c)

jaarlijks uiterlijk op 31 januari: de bedragen voor elke komende eenjarige periode van uitvoering van de erkenningsprogramma's van de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen, met inbegrip van het lopende jaar van uitvoering. De opgegeven bedragen zijn goedgekeurd dan wel geraamd. Voor elke producentengroepering en elke komende eenjarige periode van uitvoering van het programma wordt de volgende informatie verstrekt:

i)

het totale bedrag dat in de eenjarige periode van uitvoering van het erkenningsprogramma is gemoeid, de financiële bijstand van de Unie en de bijdragen van de lidstaten, de producentengroeperingen en de leden van de producentengroeperingen;

ii)

een uitsplitsing van de steun die is verleend op grond van artikel 103 bis, lid 1, onder a), respectievelijk b), van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Artikel 55

Meldingen van de lidstaten inzake producentenprijzen van groenten en fruit op de interne markt

1.   De lidstaten melden elke woensdag uiterlijk om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) aan de Commissie welke gemiddelde prijzen voor de in bijlage VI genoemde groenten en fruit in de voorgaande week zijn genoteerd, wanneer er gegevens beschikbaar zijn.

Voor groenten en fruit die onder de in deel A van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 vermelde algemene handelsnorm vallen, worden slechts de prijzen van de producten die aan die norm voldoen, gemeld, terwijl voor producten die onder een in deel B van die bijlage vermelde specifieke handelsnorm vallen, slechts de genoteerde prijzen van producten van klasse I worden gemeld.

De lidstaten melden één enkele gewogen gemiddelde prijs per type en variëteit van het product, per grootteklasse en per presentatie conform bijlage VI bij de onderhavige verordening. Wanneer de genoteerde prijzen betrekking hebben op andere types, variëteiten, grootteklassen of presentatievormen dan die in die bijlage, melden de lidstaten aan de Commissie met welke types, variëteiten, grootteklassen en presentatievormen van de producten de prijzen overeenkomen.

Gemeld worden de prijzen af verpakkingsstation van gesorteerde, verpakte en eventueel op pallets aangeboden producten, uitgedrukt in EUR per 100 kg nettogewicht.

2.   De lidstaten wijzen in het gebied waar de betrokken groenten en fruit worden geproduceerd, representatieve markten aan. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de representatieve markten en het gewicht ervan in het gemiddelde bij de eerste melding of bij een wijziging van de representatieve markten. De lidstaten mogen op vrijwillige basis andere prijzen melden.

Afdeling 2

Monitoring en evaluatie van operationele programma's en van nationale strategieën

Artikel 56

Gemeenschappelijke prestatie-indicatoren

1.   De operationele programma's en de nationale strategieën worden gemonitord en geëvalueerd om na te gaan in hoever en hoe efficiënt en doeltreffend vooruitgang wordt geboekt bij de verwezenlijking van de doelen van de operationele programma's.

2.   Vooruitgang, efficiëntie en doeltreffendheid worden beoordeeld aan de hand van een in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 opgenomen lijst van gemeenschappelijke prestatie-indicatoren die betrekking hebben op de uitgangssituatie, de input (financiële uitvoering), de output, de resultaten en de impact van de uitgevoerde operationele programma's.

3.   De lidstaten mogen in hun nationale strategie aanvullende indicatoren opnemen.

Artikel 57

Monitoring- en evaluatieprocedures voor operationele programma's

1.   De producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties zetten een systeem op waarbij informatie wordt verzameld, geregistreerd en bijgehouden voor de samenstelling van de toepasselijke indicatoren voor de monitoring en evaluatie van de operationele programma's.

2.   De monitoringexercitie wordt zodanig verricht dat op basis van de resultaten ervan:

a)

de kwaliteit van de uitvoering van het operationele programma kan worden geverifieerd;

b)

kan worden nagegaan waar het operationele programma moet worden aangepast of herbeoordeeld;

c)

informatie kan worden verstrekt in het kader van de rapportagevereisten. De informatie over de resultaten van de monitoringactiviteiten wordt opgenomen in het in artikel 21, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde jaarverslag.

3.   De evaluatie neemt de vorm aan van een verslag in het voorlaatste jaar van uitvoering van het operationele programma als bedoeld in artikel 21, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892.

In de evaluatie-exercitie wordt nagegaan welke vooruitgang is geboekt ten aanzien van de brede doelstellingen van het programma. Daartoe wordt gebruikgemaakt van de gemeenschappelijke prestatie-indicatoren die betrekking hebben op de uitgangssituatie, de output en de resultaten.

In voorkomend geval omvat de evaluatie een kwalitatieve beoordeling van de resultaten en de impact van de milieuacties die gericht zijn op:

a)

de voorkoming van bodemerosie;

b)

een verminderd gebruik of beter beheer van gewasbeschermingsproducten;

c)

de bescherming van habitats en van de biodiversiteit, en

d)

de instandhouding van het landschap.

De resultaten van de exercitie worden gebruikt om:

a)

de inhoud van het operationele programma te verbeteren;

b)

na te gaan of en waar het operationele programma ingrijpend moet worden gewijzigd, en

c)

lessen te trekken die nuttig zijn om toekomstige operationele programma's te verbeteren.

Het evaluatieverslag wordt bij het betrokken, in artikel 21, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde jaarverslag gevoegd.

Artikel 58

Monitoring- en evaluatieprocedures voor de nationale strategie

1.   De lidstaten zetten een systeem op waarbij informatie in elektronische vorm wordt verzameld, geregistreerd en bijgehouden voor de samenstelling van de in artikel 56 genoemde indicatoren. Daartoe maken zij gebruik van de informatie van de producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties over de monitoring en evaluatie van hun operationele programma's.

2.   De monitoring heeft tot doel continu na te gaan welke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de doelen van de operationele programma's. Daartoe wordt gebruikgemaakt van de informatie in de jaarverslagen van de producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties. De monitoringexercitie wordt zodanig verricht dat op basis van de resultaten ervan:

a)

de kwaliteit van de uitvoering van de operationele programma's kan worden geverifieerd;

b)

kan worden nagegaan of en waar de nationale strategie moet worden aangepast of herbeoordeeld om de in het kader van de strategie gestelde doelen te bereiken of om het beheer van de uitvoering van de strategie, waaronder het financieel beheer van de operationele programma's, te verbeteren.

3.   In het kader van de evaluatie wordt beoordeeld welke vooruitgang is geboekt ten aanzien van de brede doelstellingen van de strategie. Daartoe wordt gebruikgemaakt van de resultaten van de monitoring en evaluatie van de operationele programma's, zoals vermeld in de door de producentenorganisaties ingediende jaarverslagen en verslagen over het voorlaatste jaar. De resultaten van de evaluatie worden gebruikt om:

a)

de kwaliteit van de strategie te verbeteren;

b)

na te gaan of en waar de strategie ingrijpend moet worden gewijzigd.

De evaluatie omvat een in 2020 uitgevoerde evaluatie-exercitie. De resultaten ervan maken deel uit van hetzelfde nationale jaarverslag als bedoeld in artikel 54, onder b). Het verslag bevat een analyse van het niveau van benutting van de financiële middelen, de efficiëntie en doeltreffendheid van de uitgevoerde operationele programma's en een beoordeling van de effecten en de impact van deze programma's, getoetst aan de doelen, streefcijfers en maatregelen van de strategie en, in voorkomend geval, aan andere, in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 omschreven doelen.

Afdeling 3

Administratieve sancties

Artikel 59

Niet-naleving van de erkenningscriteria

1.   Indien een lidstaat niet-naleving door een producentenorganisatie van een van de erkenningscriteria in verband met de vereisten van de artikelen 5 en 7, artikel 11, leden 1 en 2, en artikel 17 heeft vastgesteld, zendt hij de betrokken producentenorganisatie uiterlijk twee maanden na de vaststelling van de niet-naleving een aangetekende aanmaningsbrief waarin de geconstateerde tekortkoming en de vereiste corrigerende maatregelen worden vermeld, alsook de termijnen waarbinnen deze maatregelen moeten worden genomen, met een maximum van vier maanden. Zodra een inbreuk is vastgesteld, schorten de lidstaten de steunbetalingen op totdat de corrigerende maatregelen ten genoegen van de lidstaten zijn genomen.

2.   Als de in lid 1 bedoelde corrigerende maatregelen niet binnen de door de lidstaat vastgestelde termijn worden genomen, wordt de erkenning van de producentenorganisatie opgeschort. De lidstaat stelt de producentenorganisatie in kennis van de termijn van de opschorting, die na het verstrijken van de termijn voor het nemen van die corrigerende maatregelen onmiddellijk ingaat en niet meer mag bedragen dan twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanmaningsbrief door de producentenorganisatie. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van horizontale nationale wetgeving die eventueel voorziet in de opschorting van de erkenning nadat een gerechtelijke procedure is ingeleid.

Tijdens de periode van opschorting van de erkenning mag de producentenorganisatie haar activiteiten voortzetten, maar de steunbetalingen worden ingehouden tot de opschorting van de erkenning wordt opgeheven. Het jaarlijkse steunbedrag wordt verlaagd met 2 % voor elke kalendermaand of gedeelte daarvan waarin de erkenning is opgeschort.

De opschorting eindigt op de dag van de controle die bevestigt dat de betrokken erkenningscriteria weer in acht worden genomen.

3.   Als de criteria aan het einde van de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat vastgestelde opschortingsperiode nog steeds niet worden nageleefd, trekt de lidstaat de erkenning in vanaf de datum waarop de erkenningsvoorwaarden niet langer werden vervuld, of, indien het niet mogelijk is na te gaan wat deze datum was, vanaf de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van horizontale nationale wetgeving die eventueel voorziet in de opschorting van de erkenning nadat een gerechtelijke procedure is ingeleid. Nog verschuldigde steun over de periode waarvoor de inbreuk is vastgesteld, wordt niet betaald en ten onrechte betaalde steun wordt teruggevorderd.

4.   Indien een lidstaat heeft vastgesteld dat een producentenorganisatie een van de in artikel 154 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde en niet in lid 1 vermelde erkenningscriteria niet in acht neemt, zendt hij de betrokken producentenorganisatie uiterlijk twee maanden na de vaststelling van de niet-naleving een aangetekende aanmaningsbrief waarin de geconstateerde tekortkoming en de vereiste corrigerende maatregelen worden vermeld, alsook de termijnen waarbinnen deze maatregelen moeten worden genomen, met een maximum van vier maanden.

5.   Indien de in lid 4 bedoelde corrigerende maatregelen niet binnen de door de lidstaat vastgestelde termijn zijn genomen, worden de steunbetalingen geschorst en wordt het jaarlijkse steunbedrag verlaagd met 1 % voor elke kalendermaand of gedeelte daarvan na het verstrijken van die termijn. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van horizontale nationale wetgeving die eventueel voorziet in de opschorting van de erkenning nadat een gerechtelijke procedure is ingeleid.

6.   Indien een producentenorganisatie de criteria van het minimumvolume of de minimumwaarde van de afgezette productie uit hoofde van artikel 154, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 niet in acht heeft genomen en uiterlijk op 15 oktober van het tweede jaar na het jaar van de niet-inachtneming niet heeft bewezen dat die criteria in acht worden genomen, trekt de lidstaat haar erkenning in. De intrekking is van kracht vanaf de datum waarop de erkenningsvoorwaarden niet langer werden vervuld, of, indien het niet mogelijk is na te gaan wat deze datum was, vanaf de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld. Nog verschuldigde steun over de periode waarvoor de inbreuk is vastgesteld, wordt niet betaald en ten onrechte betaalde steun wordt teruggevorderd.

Wanneer een producentenorganisatie aan de lidstaat echter bewijst dat zij ten gevolge van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen, ondanks de genomen maatregelen ter preventie van risico's, niet kan voldoen aan de in artikel 154, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgelegde criteria inzake het minimumvolume of de minimumwaarde van de afzetbare productie zoals bepaald door de lidstaat, kan de lidstaat voor het betrokken jaar afwijken van het minimumvolume of de minimumwaarde van de afzetbare productie van deze producentenorganisatie.

7.   In gevallen waar de leden 1, 2, 4 en 5 van toepassing zijn, mogen de lidstaten betalingen verrichten na de uiterste datum die in artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 wordt genoemd. Deze betalingen mogen echter niet plaatsvinden na 15 oktober van het tweede jaar na het jaar van uitvoering van het programma.

8.   De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een producentenorganisatie de in het kader van artikel 21 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 vereiste informatie niet aan de lidstaat verstrekt.

Artikel 60

Fraude

1.   De lidstaten schorten betalingen aan of de erkenning van een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties waartegen een nationale dienst een onderzoek heeft ingesteld in verband met een beschuldiging van fraude die betrekking heeft op steun in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013, op totdat de zaak is afgerond.

2.   Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoonbaar fraude heeft gepleegd die betrekking heeft op steun in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013, gaat de lidstaat, onverminderd andere sancties die op grond van de nationale en Uniewetgeving van toepassing zijn, over tot:

a)

intrekking van de erkenning van die organisatie of unie;

b)

uitsluiting van de betrokken acties van bijstandsverlening in het kader van het betrokken operationele programma, en terugvordering van eventueel reeds voor die acties betaalde steun, en

c)

uitsluiting van die organisatie of unie van erkenning in het daaropvolgende jaar.

Artikel 61

Sanctie voor niet-subsidiabele bedragen

1.   De betalingen worden berekend op basis van subsidiabele acties.

2.   De lidstaat onderzoekt de steunaanvraag en bepaalt de subsidiabele bedragen. Hij bepaalt het bedrag dat:

a)

louter op basis van de aanvraag aan de begunstigde zou moeten worden betaald;

b)

op basis van het onderzoek van de subsidiabiliteit van de aanvraag aan de begunstigde moet worden betaald.

3.   Indien het in lid 2, onder a), bedoelde bedrag meer dan 3 % hoger is dan het in lid 2, onder b), bedoelde bedrag, wordt een sanctie toegepast. Het sanctiebedrag komt overeen met het verschil tussen de in lid 2, onder a) en b), bedoelde bedragen. Indien de producentenorganisatie kan aantonen dat zij niet verantwoordelijk is voor de opname van het niet-subsidiabele bedrag, wordt evenwel geen sanctie toegepast.

4.   De leden 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op niet-subsidiabele uitgaven die tijdens de controles ter plaatse of daaropvolgende controles aan het licht komen.

5.   Indien de waarde van de afgezette productie vóór de indiening van de steunaanvraag wordt opgegeven en gecontroleerd, worden de opgegeven en goedgekeurde waarden gebruikt om de in lid 2, onder a) en b), bedoelde bedragen te bepalen.

6.   Wanneer aan het einde van het operationele programma niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 33, lid 5, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013, wordt het totale bijstandsbedrag voor het laatste jaar van het operationele programma verlaagd naar evenredigheid van het bedrag aan uitgaven dat niet aan milieuacties is besteed.

Artikel 62

Administratieve sancties naar aanleiding van eerstelijnscontroles op het uit de markt nemen van producten

1.   Als bij de in artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde controles niet-nalevingen met betrekking tot de in artikel 15 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde handelsnormen of minimumeisen aan het licht komen waarbij de vastgestelde toleranties worden overschreden, wordt de betrokken producentenorganisatie verplicht een sanctiebedrag te betalen dat wordt berekend naar evenredigheid van de niet-conforme uit de markt genomen producten:

a)

wanneer deze hoeveelheden minder bedragen dan 10 % van de hoeveelheden die op grond van artikel 44 van deze verordening daadwerkelijk uit de markt zijn genomen, is de sanctie gelijk aan de door de Unie verleende financiële bijstand, die wordt berekend op basis van de hoeveelheden van de niet-conforme, uit de markt genomen producten;

b)

wanneer deze hoeveelheden 10 % tot en met 25 % bedragen van de hoeveelheden die daadwerkelijk uit de markt zijn genomen, bedraagt de sanctie tweemaal de door Unie verleende financiële bijstand, die wordt berekend op basis van de hoeveelheden van de niet-conforme, uit de markt genomen producten, of

c)

wanneer deze hoeveelheden meer dan 25 % van de daadwerkelijk uit de markt genomen hoeveelheid bedragen, is de sanctie gelijk aan het bedrag van de door de Unie verleende financiële bijstand voor de gehele op grond van artikel 44 van deze verordening gemelde hoeveelheid.

2.   De in de lid 1 bedoelde sancties gelden onverminderd de sancties die op grond van artikel 61 worden toegepast.

Artikel 63

Andere voor producentenorganisaties geldende administratieve sancties inzake het uit de markt nemen van producten

Uitgaven voor het uit de markt nemen van producten zijn niet subsidiabel indien de producten niet zijn weggewerkt volgens de door de lidstaat overeenkomstig artikel 46, lid 1, vastgestelde bepalingen of indien het uit de markt nemen negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen heeft gehad, zulks onverminderd de op grond van artikel 61 toegepaste sancties.

Artikel 64

Administratieve sancties voor ontvangers van producten die uit de markt zijn genomen

Wanneer bij de overeenkomstig de artikelen 29 en 30 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 uitgevoerde controles onregelmatigheden worden geconstateerd die zijn toe te schrijven aan de ontvangers van uit de markt genomen producten, worden deze ontvangers:

a)

uitgesloten van het recht op ontvangst van de producten die uit de markt zijn genomen, en

b)

verplicht de waarde van de door hen ontvangen producten plus de betrokken sorteer-, verpakkings- en vervoerskosten te betalen overeenkomstig de regelgeving van de lidstaten.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde uitsluiting wordt onmiddellijk van kracht en duurt ten minste één jaar met de mogelijkheid van verlenging.

Artikel 65

Administratieve sancties voor groen oogsten en niet oogsten

1.   Indien de producentenorganisatie niet heeft voldaan aan haar verplichtingen inzake groen oogsten, betaalt zij als sanctiebedrag het bedrag van de compensatie voor de arealen waarvoor de verplichting niet in acht is genomen. Er is onder meer sprake van niet-nakoming van de verplichtingen wanneer:

a)

het voor groen oogsten opgegeven areaal niet voor groen oogsten in aanmerking komt;

b)

de gewassen op het voor groen oogsten opgegeven areaal niet volledig zijn geoogst of de betrokken productie niet is gedenatureerd;

c)

de producentenorganisatie verantwoordelijk is voor de negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen.

2.   Indien de producentenorganisatie niet heeft voldaan aan haar verplichtingen inzake niet-oogsten, betaalt zij als sanctiebedrag het bedrag van de compensatie voor de arealen waarvoor de verplichting niet in acht is genomen. Er is onder meer sprake van niet-nakoming van de verplichtingen wanneer:

a)

het voor niet oogsten opgegeven areaal niet voor niet oogsten in aanmerking komt;

b)

de gewassen volledig of gedeeltelijk zijn geoogst;

c)

de producentenorganisatie verantwoordelijk is voor de negatieve ecologische of fytosanitaire gevolgen.

Het bepaalde in de eerste alinea, onder b), is niet van toepassing wanneer artikel 48, lid 3, tweede alinea, van toepassing is.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde sancties komen bovenop sancties die op grond van artikel 61 worden opgelegd.

Artikel 66

Verhindering van een controle ter plaatse

Indien een producentenorganisatie, inclusief haar leden of relevante vertegenwoordigers, de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, wordt een verzoek tot erkenning, de goedkeuring van een operationeel programma of een steunaanvraag afgewezen voor het deel van de desbetreffende uitgaven.

Artikel 67

Betaling van teruggevorderde steun en sancties

1.   Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties of andere betrokken marktdeelnemers betalen onverschuldigd betaalde steun met rente terug en betalen daarbovenop de in deze afdeling bedoelde sanctiebedragen.

De rente wordt berekend:

a)

op basis van de periode die is verstreken tussen de ontvangst van de onverschuldigde betaling en de terugbetaling ervan door de begunstigde;

b)

op basis van de op de datum van de onverschuldigde betaling geldende rentevoet voor de basisherfinancieringsverrichtingen van de Europese Centrale Bank zoals bekendgemaakt in reeks C van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met 3 procentpunten.

2.   De teruggevorderde steun en de opgelegde rente en sancties worden in het Europees Landbouwgarantiefonds gestort.

HOOFDSTUK VI

Uitbreiding van de voorschriften

Artikel 68

Voorwaarden voor de uitbreiding van de voorschriften

1.   Artikel 164 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 is van toepassing op producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit, mits de voorschriften van lid 4 van dat artikel:

a)

ten minste één jaar van kracht zijn;

b)

verbindend zijn verklaard voor niet meer dan drie jaar.

De lidstaten kunnen evenwel afwijken van de voorwaarden van de eerste alinea, onder a), wanneer het doel van de uit te breiden voorschriften overeenkomt met een van de in artikel 164, lid 4, eerste alinea, onder a), e), f), h), i), j), m) of n), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 genoemde doelen.

2.   De voorschriften die voor alle producenten in een specifiek economisch gebied verbindend worden verklaard, gelden niet voor producten die ter verwerking worden geleverd in het kader van een contract dat vóór het begin van de oogst is getekend, tenzij de uitbreiding van de voorschriften uitdrukkelijk op dergelijke producten betrekking heeft, met uitzondering van de marktrapportagevoorschriften als bedoeld in artikel 164, lid 4, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

3.   Voorschriften van producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties kunnen niet verbindend worden verklaard voor producenten van biologische producten die onder Verordening (EG) nr. 834/2007 vallen, tenzij deze zijn overeengekomen tussen ten minste 50 % van de producenten die onder die verordening vallen in het economisch gebied waarin de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties actief is en die organisatie of unie ten minste 60 % van een dergelijke productie van dat gebied vertegenwoordigt.

4.   De in artikel 164, lid 4, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde voorschriften gelden niet voor producten die zijn geproduceerd buiten het specifieke economische gebied als bedoeld in artikel 164, lid 2, van die verordening.

Artikel 69

Nationale voorschriften

1.   Voor de toepassing van artikel 164, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 kunnen de lidstaten bepalen dat het economische gebied dat bij de uitbreiding van de voorschriften van een brancheorganisatie in aanmerking wordt genomen, een regio of het gehele nationale grondgebied met homogene productie- en afzetomstandigheden is.

2.   Ter bepaling van de representativiteit van producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in de zin van artikel 164, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 voorzien de lidstaten in voorschriften ter uitsluiting van:

a)

producenten wier productie grotendeels bestemd is om op het bedrijf of in het productiegebied rechtstreeks aan de verbruiker te worden verkocht;

b)

de onder a) bedoelde rechtstreekse verkoop;

c)

producten die ter verwerking worden geleverd in het kader van een contract dat vóór het begin van de oogst is getekend, tenzij de uitbreiding van de voorschriften uitdrukkelijk op dergelijke producten betrekking heeft;

d)

producenten of de productie van biologische producten die onder Verordening (EG) nr. 834/2007 vallen.

Artikel 70

Melding van de uitbreiding van voorschriften en economische gebieden

1.   Als een lidstaat de Commissie krachtens artikel 164, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 in kennis stelt van de voorschriften die hij voor een bepaald product en economisch gebied verbindend heeft verklaard, stelt hij haar onverwijld in kennis van:

a)

het economisch gebied waarin deze voorschriften zullen gelden;

b)

de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie die om de uitbreiding van de voorschriften heeft verzocht, en de gegevens waaruit blijkt dat aan artikel 164, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 is voldaan;

c)

wanneer een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties om de uitbreiding van de voorschriften verzoekt, het aantal producenten dat tot die organisatie of unie behoort, en het totale aantal producenten in het betrokken economische gebied. Deze informatie moet betrekking hebben op de situatie ten tijde van de indiening van het verzoek om uitbreiding van de voorschriften;

d)

wanneer een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties om de uitbreiding van de voorschriften verzoekt, de totale productie van het economische gebied en de productie die door die organisatie of unie is afgezet in het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn;

e)

de datum waarop de uit te breiden voorschriften van toepassing zijn geworden op de betrokken producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie, en

f)

de datum waarop de uitbreiding van de voorschriften van kracht wordt en de duur ervan.

2.   Wanneer een lidstaat op grond van artikel 164, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bij uitbreiding van de voorschriften van brancheorganisaties nationale voorschriften voor de representativiteit vaststelt, meldt hij die voorschriften aan de Commissie, samen met een motivering daarvan plus de melding van de uitbreiding van de voorschriften zelf.

3.   Voordat de uitgebreide voorschriften openbaar worden gemaakt, deelt de Commissie die voorschriften op enigerlei door haar passend geachte wijze aan de lidstaten mee.

Artikel 71

Intrekking van de uitbreiding van de voorschriften

De Commissie stelt het in artikel 175, onder d), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde besluit waarbij een lidstaat wordt verplicht tot intrekking van een door die lidstaat op grond van artikel 164, lid 1, van die verordening genomen besluit tot uitbreiding van de voorschriften, vast wanneer zij constateert dat:

a)

het besluit van de lidstaat tot uitsluiting van de mededinging in een aanzienlijk deel van de interne markt of tot belemmering van de vrijhandel leidt of daardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in het gedrang komen;

b)

artikel 101, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op de tot andere producenten uitgebreide voorschriften;

c)

niet aan de bepalingen van dit hoofdstuk is voldaan.

Het voor die voorschriften vastgestelde besluit van de Commissie is van toepassing vanaf de datum waarop een dergelijke bevinding aan de betrokken lidstaat is gemeld.

Artikel 72

Kopers van producten op stam

1.   In geval van verkoop van producten op stam door een producent die niet bij een producentenorganisatie is aangesloten, wordt de koper als producent van de betrokken producten beschouwd voor wat betreft de naleving van de productie-, rapportage- en afzetvoorschriften.

2.   De betrokken lidstaat kan besluiten dat andere dan de in lid 1 bedoelde voorschriften verbindend kunnen worden verklaard voor de koper, wanneer deze voor het beheer van de betrokken productie verantwoordelijk is.

TITEL III

HANDEL MET DERDE LANDEN INVOERPRIJSSYSTEEM

Artikel 73

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)   „partij”: de goederen die worden aangeboden met een aangifte voor het vrije verkeer die slechts betrekking heeft op goederen van dezelfde oorsprong en van dezelfde GN-code, en

b)   „importeur”: de aangever in de zin van artikel 5, lid 15, van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (14).

Artikel 74

Melding van prijzen en van hoeveelheden ingevoerde producten

1.   Voor elk van de in bijlage VII, deel A, vermelde producten en perioden melden de lidstaten voor elke marktdag en oorsprong uiterlijk de eerstvolgende werkdag om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) de volgende gegevens aan de Commissie:

a)

de gemiddelde representatieve prijzen van de uit derde landen ingevoerde producten die op de invoermarkten van de lidstaten zijn verkocht, en

b)

de totale hoeveelheden waarop de onder a) bedoelde prijzen betrekking hebben.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de door hen representatief geachte invoermarkten, die ook Londen, Milaan, Perpignan en Rungis omvatten.

Wanneer de in de eerste alinea, onder b), bedoelde totale hoeveelheden kleiner zijn dan tien ton, worden de betrokken prijzen niet aan de Commissie gemeld.

2.   De in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde prijzen worden geregistreerd:

a)

voor elk van de in bijlage VII, deel A, genoemde producten;

b)

voor alle beschikbare variëteiten en grootteklassen, en

c)

in het stadium importeur/groothandelaar, of in het stadium groothandelaar/detailhandelaar wanneer in het stadium importeur/groothandelaar geen noteringen beschikbaar zijn.

Deze prijzen worden verlaagd met de volgende bedragen:

a)

een handelsmarge van 15 % voor de handelscentra Londen, Milaan en Rungis en van 8 % voor de andere handelscentra, en

b)

de kosten van vervoer en verzekering binnen het douanegebied van de Unie.

Voor de overeenkomstig de vorige alinea in mindering te brengen vervoers- en verzekeringskosten kunnen de lidstaten standaardbedragen vaststellen. Deze standaardbedragen en de methoden voor de berekening ervan worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de Commissie.

3.   De overeenkomstig lid 2 geregistreerde prijzen worden, wanneer deze in het stadium groothandelaar/detailhandelaar worden vastgesteld, verlaagd met:

a)

een bedrag dat gelijk is aan 9 % in verband met de handelsmarge van de groothandelaar, en

b)

een bedrag van 0,7245 EUR per 100 kg in verband met de kosten van de handling van goederen, marktgeld en marktbelastingen.

4.   Voor in bijlage VII, deel A, opgenomen producten waarvoor een specifieke handelsnorm geldt, worden de volgende prijzen als representatief beschouwd:

a)

de prijzen van de producten van klasse I wanneer de hoeveelheden van deze klasse ten minste 50 % van de totale afgezette hoeveelheid uitmaken;

b)

de prijzen van de producten van klasse I en klasse II wanneer de hoeveelheden van deze klassen ten minste 50 % van de totale afgezette hoeveelheid uitmaken;

c)

de prijzen van de producten van klasse II wanneer producten van klasse I ontbreken, tenzij wordt besloten daarop een aanpassingscoëfficiënt toe te passen omdat deze producten op grond van de kwaliteitskenmerken ervan gewoonlijk niet als producten van klasse I worden afgezet.

De in de eerste alinea, onder c), bedoelde aanpassingscoëfficiënt wordt toegepast na aftrek van de in lid 2 bedoelde bedragen.

Voor in bijlage VII, deel A, opgenomen producten waarvoor geen specifieke handelsnorm geldt, worden de prijzen van producten die aan de algemene handelsnorm voldoen, als representatief beschouwd.

Artikel 75

Als basis te nemen invoerprijs

1.   Voor de toepassing van artikel 181, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn de in dat artikel bedoelde producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit die welke in bijlage VII bij de onderhavige verordening zijn vermeld.

2.   Wanneer de douanewaarde van de in bijlage VII, deel A, vermelde producten wordt bepaald aan de hand van de transactiewaarde als bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 952/2013 en die douanewaarde meer dan 8 % hoger is dan het door de Commissie als standaardinvoerwaarde berekende forfaitaire tarief op het ogenblik waarop de aangifte voor het vrije verkeer voor die producten wordt ingediend, moet de importeur een in artikel 148 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (15) bedoelde zekerheid stellen. Daartoe is het op de in bijlage VII, deel A, van de onderhavige verordening vermelde producten toe te passen invoerrecht gelijk aan het bedrag van de rechten die de importeur zou hebben betaald wanneer de betrokken producten op basis van de standaardinvoerwaarde waren ingedeeld.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer de standaardinvoerwaarde hoger is dan de invoerprijzen die zijn opgenomen in bijlage I, derde deel, afdeling I, bijlage 2, bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (16), of wanneer de aangever verzoekt om de onmiddellijke boeking van het bedrag aan rechten dat uiteindelijk op de goederen van toepassing is, in plaats van het stellen van een zekerheid.

3.   Wanneer de douanewaarde van de in bijlage VII, deel A, vermelde producten wordt berekend overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 952/2013, worden de rechten in mindering gebracht overeenkomstig artikel 38, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892. In dat geval stelt de importeur een zekerheid die gelijk is aan het bedrag van de rechten die hij zou hebben betaald indien de producten waren ingedeeld op basis van de geldende standaardinvoerwaarde.

4.   De douanewaarde van in consignatie ingevoerde goederen wordt rechtstreeks bepaald overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 952/2013 en daartoe is de overeenkomstig artikel 38 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 berekende standaardinvoerwaarde van toepassing gedurende de desbetreffende periode.

5.   Binnen één maand vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen vier maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is geaccepteerd, bewijst de importeur dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de prijzen als bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 952/2013 juist zijn, dan wel bepaalt hij de douanewaarde als bedoeld in artikel 74, lid 2, onder c), van die verordening.

Onverminderd lid 6 wordt bij niet-inachtneming van een van bovengenoemde termijnen de gestelde zekerheid verbeurd.

De gestelde zekerheid wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de afzetvoorwaarden ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd. Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verbeurd bij wijze van betaling van de invoerrechten.

Om te bewijzen dat de partij is afgezet tegen de in de eerste alinea vastgestelde condities, stelt de importeur naast de factuur alle documenten ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van de relevante douanecontroles met betrekking tot de verkoop en de afzet van alle producten van de partij in kwestie, met inbegrip van documenten die verband houden met vervoer, verzekering, handling en opslag van de partij.

Wanneer de productvariëteit of het type van de groenten en fruit krachtens de in artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde handelsnormen op de verpakking moeten worden vermeld, wordt de productvariëteit of het type van de groenten en fruit die deel uitmaken van de partij vermeld op de documenten inzake vervoer, de facturen en de leveringsbon.

6.   Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de importeur kan de in lid 5, eerste alinea, bedoelde termijn van vier maanden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat met ten hoogste drie maanden worden verlengd.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij verificatie constateren dat niet aan de eisen van dit artikel is voldaan, vorderen zij het verschuldigde recht in overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 952/2013. Bij de vaststelling van het bedrag of het resterende bedrag aan rechten dat moet worden ingevorderd, wordt een rente toegepast voor de periode vanaf de datum waarop de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht tot en met de datum van de invordering. Als rentevoet wordt de rentevoet toegepast die volgens het nationale recht bij invorderingen van toepassing is.

TITEL IV

ALGEMENE BEPALINGEN, OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 76

Nationale sancties

Onverminderd de sancties die in Verordening (EU) nr. 1306/2013, Verordening (EU) nr. 1308/2013, de onderhavige verordening of Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 zijn vermeld, passen de lidstaten op nationaal niveau sancties toe bij onregelmatigheden die verband houden met de vereisten van deze verordeningen, ook met betrekking tot producentenorganisaties die geen operationeel programma uitvoeren. Die sancties zijn zo doeltreffend, evenredig en ontradend dat de financiële belangen van de Unie op adequate wijze worden beschermd.

Artikel 77

Meldingen

1.   De lidstaten wijzen een autoriteit of instantie aan die als enige bevoegd is voor de meldingen inzake:

a)

producentengroeperingen, producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties, conform artikel 54;

b)

producentenprijzen van groenten en fruit op de interne markt, conform artikel 55;

c)

prijzen en hoeveelheden van de uit derde landen ingevoerde producten die op de representatieve invoermarkten worden verkocht, conform artikel 74;

d)

in het vrije verkeer gebrachte invoervolumes, conform artikel 39 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze aanwijzing en van de contactgegevens van de betrokken autoriteit of instantie, alsmede van elke wijziging van deze informatie.

De lijst van de aangewezen autoriteiten en instanties — met vermelding van naam en adres — wordt via de door de Commissie opgezette informatiesystemen met alle passende middelen, waaronder bekendmaking op het internet, ter beschikking van de lidstaten en van het publiek gesteld.

3.   De meldingen waarin de onderhavige verordening en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 voorzien, worden gedaan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie (17).

4.   Als een lidstaat nalaat een melding te doen die vereist is op grond van Verordening (EU) nr. 1308/2013, de onderhavige verordening of Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892, of als de melding niet juist blijkt in het licht van objectieve informatie waarover de Commissie beschikt, kan de Commissie de maandelijkse betalingen als bedoeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voor de sector groenten en fruit gedeeltelijk of volledig opschorten totdat de melding op correcte wijze is verricht.

Artikel 78

Melding van overmacht

Voor de toepassing van artikel 59, lid 7, en artikel 64, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wordt elk geval van overmacht binnen dertig werkdagen vanaf de datum waarop het geval van overmacht zich heeft voorgedaan, aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat gemeld, met bewijzen daarvan ten genoegen van die autoriteit.

Artikel 79

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt geschrapt.

2)

De artikelen 19 tot en met 35 worden geschrapt.

3)

De artikelen 50 tot en met 148 worden geschrapt.

4)

De bijlagen VI tot en met XVIII worden geschrapt.

Artikel 80

Overgangsbepalingen

1.   Onverminderd artikel 34 kan een in het kader van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 goedgekeurd operationeel programma op verzoek van een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties:

a)

tot het einde ervan doorlopen onder de in het kader van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 geldende voorwaarden;

b)

worden gewijzigd om te voldoen aan de eisen van Verordening (EU) nr. 1308/2013, de onderhavige verordening en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892, of

c)

worden vervangen door een nieuw, in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013, de onderhavige verordening en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 goedgekeurd operationeel programma.

2.   In afwijking van artikel 23 wordt het maximum voor de financiële bijstand van de Unie voor 2017 berekend op basis van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011.

3.   Voor de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen blijven de geschrapte bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 als genoemd in artikel 79 van de onderhavige verordening, van toepassing totdat deze producentengroeperingen als producentenorganisatie zijn erkend of de betrokken lidstaat de betaalde steun krachtens artikel 116, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 heeft teruggevorderd.

Artikel 81

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(3)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (zie bladzijde 57 van dit Publicatieblad).

(7)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(8)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in de plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 193 van 1.7.2014, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 56).

(11)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(12)  Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 5 december 2003 betreffende de landbouwrekeningen in de Gemeenschap (PB L 33 van 5.2.2004, blz. 1).

(14)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(15)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).

(16)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(17)  Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie van 31 augustus 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de kennisgeving door de lidstaten aan de Commissie van de informatie en de documenten ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening, de regeling voor rechtstreekse betalingen, de afzetbevordering voor landbouwproducten en de regelingen voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (PB L 228 van 1.9.2009, blz. 3).


BIJLAGE I

Verwerkte producten als bedoeld in artikel 22, lid 2

Categorie

GN-code

Omschrijving

Vruchtensappen

ex 2009

Ongegiste vruchtensappen, uitgezonderd druivensap en druivenmost van de onderverdelingen 2009 61 en 2009 69 , bananensap van onderverdeling ex 2009 80 en geconcentreerde ongegiste groentesappen zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen.

Geconcentreerde vruchtensappen zijn vruchtensappen die onder post ex 2009 vallen en die worden verkregen door fysische verwijdering van ten minste 50 % van het watergehalte in verpakkingen met een netto-inhoud van ten minste 200 kg.

Tomatenconcentraat

ex 2002 90 31

ex 2002 90 91

Tomatenconcentraat met een drogestofgehalte van niet minder dan 28 % in onmiddellijke verpakkingen met een netto-inhoud van ten minste 200 kg.

Bevroren groenten en fruit

ex 0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, met uitzondering van suikermaïs van onderverdeling 0710 40 00 , olijven van onderverdeling 0710 80 10 en vruchten van de geslachten Capsicum of Pimenta van onderverdeling 0710 80 59 .

ex 0811

Vruchten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met uitzondering van bevroren bananen van onderverdeling ex 0811 90 95

ex 2004

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006 , met uitzondering van suikermaïs (Zea mays var. saccharata) van onderverdeling ex 2004 90 10 , olijven van onderverdeling ex 2004 90 30 en aardappelen, bereid of verduurzaamd in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken van onderverdeling 2004 10 91 .

Groente- en fruitconserven

ex 2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, met uitzondering van:

vruchten van het geslacht Capsicum van onderverdeling 2001 90 20 ;

suikermaïs (Zea mays var. saccharata) van onderverdeling 2001 90 30 ;

broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten van onderverdeling 2001 90 40 ;

palmharten van onderverdeling 2001 90 60 ;

olijven van onderverdeling 2001 90 65 ;

wijnstokbladeren, hopscheuten en dergelijke eetbare plantendelen van onderverdeling ex 2001 90 97 .

ex 2002

Tomaten op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, met uitzondering van het hierboven omschreven tomatenconcentraat van de onderverdelingen ex 2002 90 31 en ex 2002 90 91 .

ex 2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006 , met uitzondering van olijven van onderverdeling 2005 70 , suikermaïs (Zea mays var. saccharata) van onderverdeling 2005 80 00 , scherpsmakende vruchten van het geslacht Capsicum van onderverdeling 2005 99 10 en aardappelen, bereid of verduurzaamd in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken van onderverdeling 2005 20 10 .

ex 2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen, met uitzondering van:

pindakaas van onderverdeling 2008 11 10 ;

andere noten, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen, van onderverdeling ex 2008 19 ;

palmharten van onderverdeling 2008 91 00 ;

maïs van onderverdeling 2008 99 85 ;

broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten van onderverdeling 2008 99 91 ;

wijnstokbladeren, hopscheuten en dergelijke eetbare plantendelen van onderverdeling ex 2008 99 99 ;

op andere wijze bereide of verduurzaamde mengsels van bananen van de onderverdelingen ex 2008 92 59 , ex 2008 92 78 , ex 2008 92 93 en ex 2008 92 98 ;

op andere wijze bereide of verduurzaamde bananen van de onderverdelingen ex 2008 99 49 , ex 2008 99 67 en ex 2008 99 99 .

Paddenstoelenconserven

2003 10

Paddenstoelen van het geslacht Agaricus, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur.

Voorlopig in pekel verduurzaamde vruchten

ex 0812

Voorlopig in pekel verduurzaamde vruchten, doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie, met uitzondering van bananen van onderverdeling ex 0812 90 98 .

Gedroogde vruchten

ex 0813

0804 20 90

0806 20

ex 2008 19

Vruchten, andere dan bedoeld bij de posten 0801 tot en met 0806 , gedroogd.

Gedroogde vijgen.

Rozijnen en krenten.

Andere noten, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen, met uitzondering van tropische noten en mengsels met een gehalte aan tropische noten.

Andere verwerkte groenten en fruit

 

In bijlage I, deel X, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 opgenomen verwerkte groenten en fruit die niet tot de in de bovenvermelde categorieën opgenomen producten behoren.

Verwerkte aromatische kruiden

ex 0910

ex 1211

Gedroogde tijm.

Basilicum, citroenmelisse, munt, origanum vulgare (oregano/wilde marjolein), rozemarijn, salie, gedroogd, al dan niet gesneden, fijngestampt of in poedervorm.

Paprikapoeder

ex 0904

Peper van het geslacht Piper; vruchten van de geslachten Capsicum en Pimenta, gedroogd, fijngestampt of gemalen, met uitzondering van niet-scherpsmakende pepers van onderverdeling 0904 20 10 .


BIJLAGE II

Lijst van niet-subsidiabele acties en uitgaven in het kader van operationele programma's als bedoeld in artikel 31, lid 1

1.

Algemene productiekosten, en met name kosten voor mycelium, zaaizaad en niet-blijvende teelten (zelfs niet indien gecertificeerd); gewasbeschermingsproducten (inclusief middelen voor geïntegreerde bestrijding); meststoffen en andere productiemiddelen; ophaalkosten en vervoerskosten (intern en extern); opslagkosten; verpakkingskosten (inclusief het gebruik en beheer van verpakkingen), zelfs in het kader van nieuwe procedés; exploitatiekosten (met name elektriciteit, brandstoffen en onderhoud).

2.

Administratie- en personeelskosten, exclusief uitgaven voor de uitvoering van actiefondsen en operationele programma's.

3.

Inkomens- of prijstoeslagen buiten crisispreventie en -beheer.

4.

Verzekeringskosten met uitzondering van de oogstverzekeringsmaatregelen als bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling 7.

5.

Aflossing van kredieten die zijn opgenomen voor een concrete actie die reeds is uitgevoerd vóór de aanvang van het operationele programma, met uitzondering van de in artikel 38 bedoelde kredieten.

6.

Aankoop van onbebouwde grond voor een bedrag dat hoger is dan 10 % van de totale subsidiabele uitgaven voor de betrokken concrete actie.

7.

Kosten voor vergaderingen en opleidingsprogramma's die geen verband houden met het operationele programma.

8.

Concrete acties of kosten betreffende de hoeveelheden die door de leden van de producentenorganisatie buiten de Unie worden geproduceerd.

9.

Concrete acties die bij de andere economische activiteiten van de producentenorganisatie tot concurrentievervalsing kunnen leiden.

10.

Investeringen in vervoersmiddelen voor de afzet of distributie van goederen door de producentenorganisatie.

11.

Kosten voor het gebruik van gehuurde goederen.

12.

Uitgaven die verband houden met een leaseovereenkomst (belastingen, rente, verzekeringskosten enz.) en de desbetreffende exploitatiekosten.

13.

Toeleverings- of uitbestedingscontracten betreffende de concrete acties of uitgaven die in deze lijst als niet-subsidiabel zijn aangemerkt.

14.

Belasting op de toegevoegde waarde (btw), behalve indien deze krachtens de nationale btw-wetgeving niet terugvorderbaar is.

15.

Nationale of regionale belastingen of fiscale heffingen.

16.

Debetrente, tenzij de bijdrage wordt verleend in een andere vorm dan niet terug te betalen rechtstreekse bijstand.

17.

Investeringen in aandelen of kapitaal van ondernemingen als het om een financiële investering gaat.

18.

Kosten die worden gemaakt door andere partijen dan producentenorganisaties of de daarbij aangesloten leden, dan unies van producentenorganisaties of de daarbij aangesloten producenten of dan dochterondernemingen in de situatie als bedoeld in artikel 22, lid 8.

19.

Investeringen of soortgelijke typen acties in andere bedrijven en/of bedrijfsruimten dan die van de producentenorganisatie of daarbij aangesloten producenten, van de unie van producentenorganisaties of daarbij aangesloten producenten of van een dochteronderneming in de situatie als bedoeld in artikel 22, lid 8.

20.

Maatregelen die de producentenorganisatie buiten de Unie heeft uitbesteed.


BIJLAGE III

Niet-uitputtende lijst van subsidiabele acties en uitgaven in het kader van operationele programma's als bedoeld in artikel 31, lid 1

1.

Specifieke kosten voor:

kwaliteitsverbeteringsmaatregelen;

biologische gewasbeschermingsmiddelen (bijv. lokstoffen en predatoren) die bij biologische, geïntegreerde of conventionele productie worden gebruikt;

milieuacties als bedoeld in artikel 33, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

biologische, geïntegreerde of experimentele productie, inclusief specifieke kosten van biologisch zaai- en plantgoed;

de monitoring van de inachtneming van de in titel II van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde normen, van de fytosanitaire voorschriften en van de maximumresidugehalten.

Met specifieke kosten worden de aanvullende kosten bedoeld, die worden berekend als het verschil tussen de traditionele en de werkelijk gemaakte kosten, en inkomsten die worden gederfd als gevolg van een actie, exclusief aanvullende inkomsten en kostenbesparingen.

Voor elke categorie van de in de eerste alinea bedoelde subsidiabele specifieke kosten kunnen de lidstaten, met het oog op de berekening van de aanvullende kosten in vergelijking met de traditionele kosten, op naar behoren gemotiveerde wijze forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten vaststellen.

2.

Administratie- en personeelskosten die verband houden met de uitvoering van actiefondsen en operationele programma's, waaronder:

a)

overheadkosten die specifiek betrekking hebben op het actiefonds of operationele programma, inclusief beheers- en personeelskosten, kosten voor verslagen en evaluatiestudies en kosten voor het voeren en beheren van de boekhouding, waarvoor een forfaitair standaardtarief ten belope van maximaal 2 % van het overeenkomstig artikel 33 goedgekeurde bedrag van het actiefonds wordt toegekend, met een maximum van 180 000 EUR, waaronder zowel de financiële bijstand van de Unie als de bijdrage van de producentenorganisatie vallen.

Voor operationele programma's van erkende unies van producentenorganisaties worden de overheadkosten berekend door de in de eerste alinea bedoelde overheadkosten van alle producentenorganisaties bij elkaar op te tellen, met dien verstande dat het resulterende bedrag niet hoger mag zijn dan 1 250 000 EUR per unie van producentenorganisaties.

De lidstaten mogen de financiering beperken tot de werkelijke kosten en moeten in dat geval de subsidiabele kosten bepalen;

b)

personeelskosten, inclusief juridisch verplichte lasten in verband met lonen en salarissen, indien deze rechtstreeks door de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochterondernemingen in de situatie als bedoeld in artikel 22, lid 8, en bij goedkeuring door de lidstaten door coöperaties die zijn aangesloten bij de producentenorganisatie, worden gedragen en indien deze verbonden zijn aan maatregelen om:

i)

de kwaliteit of milieubescherming te verbeteren of op een hoog niveau te houden;

ii)

de afzet te verbeteren.

Voor de uitvoering van deze maatregelen moet hoofdzakelijk vakbekwaam personeel worden ingeschakeld. Indien de producentenorganisatie daarvoor eigen werknemers of aangesloten producenten inschakelt, moet de door hen gewerkte tijd worden gedocumenteerd.

Indien een lidstaat alle in dit punt bedoelde subsidiabele personeelskosten op een andere manier wil financieren dan via een beperking ervan tot de werkelijke kosten, stelt hij vooraf en op naar behoren gemotiveerde wijze forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten tot maximaal 20 % van het goedgekeurde actiefonds vast. Dit percentage mag in naar behoren gemotiveerde gevallen worden verhoogd.

Producentenorganisaties die forfaitaire standaardtarieven wensen, moeten ten genoegen van de lidstaat het bewijs van de uitvoering van de actie leveren;

c)

juridische kosten en administratiekosten in verband met fusies van producentenorganisaties en in verband met de oprichting van transnationale producentenorganisaties of transnationale unies van producentenorganisaties; haalbaarheidsstudies en voorstellen die in dit verband in opdracht van de producentenorganisatie worden verricht c.q. opgesteld.

3.

Kosten voor vergaderingen en opleidingsprogramma's wanneer deze verband houden met het operationele programma, inclusief dagvergoedingen en reis- en verblijfkosten, in voorkomend geval op basis van forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten.

4.

Afzetbevordering:

afzetbevordering van merknamen/handelsmerken van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en dochterondernemingen in de situatie als bedoeld in artikel 22, lid 8;

algemene afzetbevordering en afzetbevordering van kwaliteitsmerken;

kosten van promotiedrukwerk op verpakkingen of etiketten in het kader van het bepaalde onder een van de vorige twee streepjes, mits het operationele programma daarin voorziet.

Het gebruik van geografische namen is slechts toegestaan indien:

a)

het een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding betreft die onder Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) valt, of

b)

deze geografische namen in alle gevallen waarin het bepaalde onder a) niet van toepassing is, ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap.

Het voor algemene afzetbevordering en afzetbevordering van kwaliteitsmerken bedoelde promotiemateriaal moet worden voorzien van het logo van de Europese Unie (enkel voor visuele media) en van de volgende vermelding: „Campagne die is medegefinancierd door de Europese Unie”. Producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en dochterondernemingen in de situatie als bedoeld in artikel 22, lid 8, van deze verordening, mogen het logo van de Europese Unie onder geen beding gebruiken voor de afzetbevordering van hun merknaam/handelsmerk.

5.

Vervoers-, sorteer- en verpakkingskosten van gratis verstrekte producten als bedoeld in de artikelen 16 en 17 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892.

6.

Aankoop van onbebouwde grond die nodig is voor een in het operationele programma opgenomen investering, mits de grond minder kost dan 10 % van de totale subsidiabele uitgaven voor de betrokken concrete actie. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan een hoger percentage worden vastgesteld voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud.

7.

Aankoop van uitrusting, inclusief tweedehandsuitrusting, tenzij deze tweedehandsuitrusting al eens met nationale of Uniebijstand is aangeschaft in de periode van zeven jaar vóór de aankoop.

8.

Investeringen in vervoersmiddelen wanneer de producentenorganisatie ten genoegen van de betrokken lidstaat motiveert dat de vervoersmiddelen uitsluitend worden gebruikt voor intern vervoer bij de producentenorganisatie. Investeringen in extra truckvoorzieningen voor koeltransport of CA-vervoer.

9.

Leasing binnen de grenzen van de netto marktwaarde van het object, inclusief tweedehandsuitrusting waarvoor geen nationale of Uniebijstand is ontvangen in de periode van zeven jaar vóór de leasing.

10.

Huur van uitrusting of andere objecten wanneer dit een economisch verantwoord alternatief voor aankoop is en de lidstaat goedkeuring verleent.

11.

Investeringen in aandelen of kapitaal van ondernemingen indien deze investeringen rechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationele programma.


(1)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).


BIJLAGE IV

Maximumbedragen aan bijstand voor uit de markt genomen producten als bedoeld in artikel 45, lid 1

Product

Maximumbijstand (EUR/100 kg)

Gratis verstrekking

Overige bestemmingen

Bloemkool

21,05

15,79

Tomaten (1 juni-31 oktober)

7,25

7,25

Tomaten (1 november-31 mei)

33,96

25,48

Appelen

24,16

18,11

Druiven

53,52

40,14

Abrikozen

64,18

48,14

Nectarines

37,82

28,37

Perziken

37,32

27,99

Peren

33,96

25,47

Aubergines

31,2

23,41

Meloenen

48,1

36,07

Watermeloenen

9,76

7,31

Sinaasappelen

21,00

21,00

Mandarijnen

25,82

19,50

Clementines

32,38

24,28

Satsuma's

25,56

19,50

Citroenen

29,98

22,48


BIJLAGE V

In het jaarverslag van de lidstaten op te nemen informatie, als bedoeld in artikel 54, onder b)

Alle informatie moet betrekking hebben op het jaar waarover wordt gerapporteerd. Ook moet het verslag informatie bevatten over uitgaven die zijn gedaan na het eind van dit rapportagejaar. Tevens moet informatie worden verstrekt over de verrichte controles en toegepaste administratieve sancties voor dat jaar, ook indien deze na dat jaar zijn uitgevoerd c.q. toegepast. Wat betreft de informatie die tijdens het jaar verandert, moet het jaarverslag een overzicht geven van de veranderingen in deze informatie die zich in de loop van het rapportagejaar hebben voorgedaan, en van de situatie zoals die bestaat op 31 december van het rapportagejaar.

DEEL A — INFORMATIE OVER MARKTBEHEER

1.   Administratieve informatie

a)

Nationale wetgeving die is vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 32 tot en met 38, de artikelen 152 tot en met 160 en de artikelen 164 en 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, inclusief de nationale strategie voor duurzame operationele programma's die geldt voor de operationele programma's die worden uitgevoerd in het rapportagejaar.

b)

Informatie over producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen:

codenummer;

naam en contactgegevens;

datum van erkenning (voorlopige erkenning in het geval van producentengroeperingen);

alle betrokken rechtspersonen of duidelijk omschreven onderdelen van rechtspersonen en alle betrokken dochterondernemingen;

aantal leden (uitgesplitst naar producenten en niet-producenten) en veranderingen in het lidmaatschap in de loop van het jaar;

groente- en fruitareaal (in totaal en uitgesplitst naar de voornaamste gewassen), betrokken producten en beschrijving van de verkochte eindproducten (met vermelding van de waarde en het volume volgens de belangrijkste bronnen) en de voornaamste bestemmingen van de producten, uitgaande van de waarde (met gegevens over de voor de verse markt afgezette producten, de voor verwerking verkochte producten en de uit de markt genomen producten);

veranderingen in de structuur in de loop van het jaar, en met name informatie over pas erkende of opgerichte organisaties, intrekkingen en opschortingen van erkenningen, en fusies, met vermelding van de datum.

c)

Informatie over brancheorganisaties:

naam van de organisatie en contactgegevens;

datum van erkenning;

betrokken producten;

veranderingen in de loop van het jaar.

2.   Informatie over de uitgaven

a)

Producentenorganisaties. Financiële gegevens per begunstigde (producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties):

actiefonds: totaalbedrag, financiële bijstand van de Unie, van de lidstaat (nationale bijstand), bijdragen van de producentenorganisatie en de leden;

beschrijving van de omvang van de financiële bijstand van de Unie in het kader van artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

financiële gegevens van het operationele programma, per producentenorganisatie en unie van producentenorganisaties;

waarde van de afgezette productie: totale waarde en waarde per rechtspersoon van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties;

uitgaven voor het operationele programma, uitgesplitst naar maatregel en type actie die als subsidiabel is geselecteerd;

informatie over het volume van de uit de markt genomen producten, per product en per maand, en uitgesplitst naar het totale uit de markt genomen volume en het voor gratis verstrekking uit de markt genomen volume, in ton;

lijst van goedgekeurde instanties voor de toepassing van artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

b)

Producentengroeperingen die op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 zijn gevormd. Financiële gegevens per begunstigde:

totaalbedrag, steun van de Unie, van de lidstaat en bijdragen van de producentengroepering en leden;

steun van de lidstaat, met de subtotalen voor de producentengroeperingen in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde jaar van de overgangsperiode;

uitgaven aan investeringen die in het kader van artikel 103 bis, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 nodig zijn voor de erkenning, uitgesplitst naar steun van de Unie, de lidstaat en de producentengroepering;

waarde van de afgezette productie, met de subtotalen voor producentengroeperingen in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde jaar van de overgangsperiode.

c)

Producentenorganisaties en producentengroeperingen als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013:

waarde en volume van de afgezette productie en aantal leden.

3.   Informatie over de uitvoering van de nationale strategie:

beknopte beschrijving van de vorderingen die zijn gemaakt bij de uitvoering van de operationele programma's, uitgesplitst naar type maatregel als genoemd in artikel 2, lid 1, onder f). Daarbij wordt uitgegaan van de financiële en gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren en wordt een samenvatting gegeven van de informatie in de jaarlijkse voortgangsverslagen van de producentenorganisaties over de operationele programma's;

een samenvatting van de resultaten van de evaluaties van de operationele programma's zoals ingediend door de producentenorganisaties, inclusief de kwalitatieve beoordelingen van de resultaten en effecten van de milieuacties;

een samenvatting van de voornaamste problemen die zijn ondervonden bij de uitvoering van de nationale strategie en het beheer ervan, en van de eventuele getroffen maatregelen, waarbij dan tevens wordt aangegeven of de nationale strategie is bijgewerkt en zo ja, waarom. De tekst van de bijgewerkte strategie wordt bij het jaarverslag gevoegd.

DEEL B — INFORMATIE VOOR DE GOEDKEURING VAN DE REKENINGEN

Informatie over controles en administratieve sancties:

door de lidstaat uitgevoerde controles: gegevens over de bezochte organen en de data van die bezoeken;

controlepercentages;

resultaten van de controles;

toegepaste administratieve sancties.


BIJLAGE VI

Prijsmeldingen als bedoeld in artikel 55, lid 1

Product

Type/variëteit

Presentatie/grootte

Representatieve markten

Tomaten

Rond

Grootte 57-100 mm, in bulk in verpakkingen van ca. 5-6 kg

België

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Nederland

Polen

Portugal

Roemenië

Trostomaten

In bulk in verpakkingen van ca. 3-6 kg

Kerstomaten

Schalen van ca. 250-500 g

Abrikozen

Alle typen en variëteiten

Grootte 45-50 mm

Schalen of verpakkingen van ca. 6-10 kg

Bulgarije

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Nectarines

Wit vruchtvlees

Grootte A-B

Schalen of verpakkingen van ca. 6-10 kg

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Geel vruchtvlees

Grootte A-B

Schalen of verpakkingen van ca. 6-10 kg

Perziken

Wit vruchtvlees

Grootte A-B

Schalen of verpakkingen van ca. 6-10 kg

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Portugal

Geel vruchtvlees

Grootte A-B

Schalen of verpakkingen van ca. 6-10 kg

Tafeldruiven

Alle typen en variëteiten met pitten

Schalen of verpakkingen van 1 kg

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Portugal

Schalen of verpakkingen van 1 kg

Alle typen en variëteiten zonder pitten

Peren

Blanquilla

Grootte 55/60, verpakkingen van ca. 5-10 kg

België

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Nederland

Polen

Portugal

Conference

Grootte 60/65+, verpakkingen van ca. 5-10 kg

Williams

Grootte 65+/75+, verpakkingen van ca. 5-10 kg

Rocha

Abbé Fétel

Grootte 70/75, verpakkingen van ca. 5-10 kg

Kaiser

Doyenné du Comice

Grootte 75/90, verpakkingen van ca. 5-10 kg

Appelen

Golden delicious

Grootte 70/80, verpakkingen van ca. 5-20 kg

België

Tsjechië

Duitsland

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Oostenrijk

Braeburn

Jonagold (of Jonagored)

Idared

Fuji

Shampion

Granny smith

Red delicious en andere rode variëteiten

Boskoop

Gala

Grootte 70/80, verpakkingen van ca. 5-20 kg

Frankrijk

Italië

Hongarije

Nederland

Polen

Portugal

Roemenië

Elstar

Cox orange

Satsuma's

Alle variëteiten

Grootte 1-X-3, verpakkingen van ca. 10-20 kg

Spanje

Citroenen

Alle variëteiten

Grootte 3-4, verpakkingen van ca. 10-20 kg

Griekenland

Spanje

Italië

Clementines

Alle variëteiten

Grootte 1-X-3, verpakkingen van ca. 10-20 kg

Griekenland

Spanje

Italië

Mandarijnen

Alle variëteiten

Grootte 1-2, verpakkingen van ca. 10-20 kg

Griekenland

Spanje

Italië

Portugal

Sinaasappelen

Salustiana

Grootte 3-6, verpakkingen van ca. 10-20 kg

Griekenland

Spanje

Italië

Portugal

Navelinas

Navelate

Lanelate

Valencia late

Tarocco

Navel

Courgettes

Alle variëteiten

Grootte 14-21, los in de verpakking

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Nederland

Kersen

Alle zoete variëteiten

Grootte 22 en meer, los in de verpakking

Bulgarije

Tsjechië

Duitsland

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Polen

Portugal

Roemenië

Komkommers

Gladde variëteiten

Grootte 350-500 g, gerangschikt in de verpakking

Bulgarije

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Nederland

Polen

Knoflook

Wit

Grootte 50-60 mm, verpakkingen van ca. 2-5 kg

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Paars

Grootte 45-55 mm, verpakkingen van ca. 2-5 kg

Spring

Grootte 50-60 mm, verpakkingen van ca. 2-5 kg

Pruimen

Alle typen en variëteiten

Grootte 35 mm en meer

Bulgarije

Duitsland

Spanje

Frankrijk

Italië

Hongarije

Polen

Roemenië

Grootte 35 mm en meer

Grootte 40 mm en meer

Grootte 40 mm en meer

Paprika's

Alle typen en variëteiten

Grootte 70 mm en meer

Bulgarije

Griekenland

Spanje

Italië

Hongarije

Nederland

Portugal

Grootte 50 mm en meer

Grootte 40 mm en meer

Sla

Alle typen en variëteiten

Grootte 400 g en meer, verpakkingen van 8-12

Duitsland

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Nederland

Portugal

Verenigd Koninkrijk

Grootte 400 g en meer, verpakkingen van 8-12

Aardbeien

Alle variëteiten

Verpakkingen van 250/500 g

België

Duitsland

Spanje

Frankrijk

Italië

Nederland

Polen

Portugal

Verenigd Koninkrijk

Gekweekte paddenstoelen

Met gesloten hoed

Middelgroot (30-65 mm)

Ierland

Spanje

Frankrijk

Hongarije

Nederland

Polen

Verenigd Koninkrijk

Kiwi's

Hayward

Grootte 105-125 g, verpakkingen van ca. 3-10 kg

Griekenland

Frankrijk

Italië

Portugal

Bloemkool

Alle typen en variëteiten

Grootte 16-20 mm

Duitsland

Spanje

Frankrijk

Italië

Polen

Asperges

Alle typen en variëteiten

grootte 10-16/16+

Duitsland

Spanje

Frankrijk

Nederland

Polen

Aubergines

Alle typen en variëteiten

Grootte 40+/70+

Spanje

Italië

Roemenië

Wortelen

Alle typen en variëteiten

Gebruikelijke normen op de representatieve markt

Duitsland

Spanje

Frankrijk

Italië

Nederland

Polen

Verenigd Koninkrijk

Uien

Alle typen en variëteiten

Grootte 40-80

Duitsland

Spanje

Frankrijk

Italië

Nederland

Polen

Verenigd Koninkrijk

Bonen

Alle typen en variëteiten

Gebruikelijke normen op de representatieve markt

België

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Polen

Prei

Alle typen en variëteiten

Gebruikelijke normen op de representatieve markt

België

Duitsland

Spanje

Frankrijk

Nederland

Polen

Watermeloenen

Alle typen en variëteiten

Gebruikelijke normen op de representatieve markt

Griekenland

Spanje

Italië

Hongarije

Roemenië

Meloenen

Alle typen en variëteiten

Gebruikelijke normen op de representatieve markt

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Italië

Kool

Alle typen en variëteiten

Gebruikelijke normen op de representatieve markt

Duitsland

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Polen

Roemenië

Verenigd Koninkrijk


BIJLAGE VII

Lijst van producten voor de toepassing van het invoerprijssysteem van titel III

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, wordt de omschrijving van de producten als louter indicatief beschouwd. Voor de toepassing van deze bijlage wordt de werkingssfeer van de regelingen van titel III bepaald door de draagwijdte van de GN-codes zoals deze bij de vaststelling van de onderhavige verordening bestaan. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door „ex”, wordt de werkingssfeer van de aanvullende rechten zowel door de draagwijdte van de GN-code en de omschrijving van de producten als door de corresponderende periode van toepassing bepaald.

DEEL A

GN-code

Omschrijving

Toepassingsperiode

ex 0702 00 00

Tomaten

1 januari t/m 31 december

ex 0707 00 05

Komkommers (1)

1 januari t/m 31 december

ex 0709 90 80

Artisjokken

1 november t/m 30 juni

0709 90 70

Courgettes

1 januari t/m 31 december

ex 0805 10 20

Sinaasappelen, andere dan pomeransen (bittere oranjeappelen), vers

1 december t/m 31 mei

ex 0805 20 10

Clementines

1 november tot eind februari

ex 0805 20 30 ex 0805 20 50 ex 0805 20 70 ex 0805 20 90

Mandarijnen (tangerines en satsuma's daaronder begrepen); wilkings en soortgelijke kruisingen van citrusvruchten

1 november tot eind februari

ex 0805 50 10

Citroenen (Citrus limon, Citrus limonum)

1 juni t/m 31 mei

ex 0806 10 10

Tafeldruiven

21 juli t/m 20 november

ex 0808 10 80

Appelen

1 juli t/m 30 juni

ex 0808 20 50

Peren

1 juli t/m 30 april

ex 0809 10 00

Abrikozen

1 juni t/m 31 juli

ex 0809 20 95

Kersen, andere dan zure kersen

21 mei t/m 10 augustus

ex 0809 30 10 ex 0809 30 90

Perziken, nectarines daaronder begrepen

11 juni t/m 30 september

ex 0809 40 05

Pruimen

11 juni t/m 30 september

DEEL B

GN-code

Omschrijving

Toepassingsperiode

ex 0707 00 05

Komkommers die bestemd zijn om te worden verwerkt

1 mei t/m 31 oktober

ex 0809 20 05

Zure kersen (Prunus cerasus)

21 mei t/m 10 augustus


25.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/57


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/892 VAN DE COMMISSIE

van 13 maart 2017

tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 38, artikel 174, lid 1, onder d), artikel 181, lid 3, en artikel 182, leden 1 tot en met 4,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (2), en met name artikel 58, lid 4, onder a), artikel 62, lid 2, onder a) tot en met d) en h), en artikel 64, lid 7, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (3) is vervangen door Verordening (EU) nr. 1308/2013, die nieuwe voorschriften voor de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit bevat. Voorts verleent laatstgenoemde verordening de Commissie de bevoegdheid om in dit verband gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Die handelingen moeten een aantal bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (4) vervangen. Die verordening is gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van de Commissie (5).

(2)

Om de toewijzing van financiële middelen te optimaliseren en de kwaliteit van de strategie te verbeteren, moet worden voorzien in bepalingen inzake de inhoud en structuur van de nationale strategie voor duurzame operationele programma's en het nationale kader voor milieuacties. Om de opstelling en uitvoering van die acties te faciliteren, moet worden vastgesteld welke milieuacties in dat nationale kader mogen worden opgenomen en aan welke vereisten moet worden voldaan.

(3)

Voorts moet worden voorzien in voorschriften voor de inhoud van de operationele programma's, voor de in te dienen documenten, voor de uiterste data van indiening en voor de uitvoeringsperioden van operationele programma's.

(4)

Voor een correcte toepassing van de steunregeling voor producentenorganisaties moet worden bepaald welke informatie in de steunaanvragen moet worden opgenomen en welke procedures gelden voor de betaling van de steun. Om liquiditeitsproblemen te voorkomen, moet ten behoeve van de producentenorganisaties een systeem van voorschotten met bijbehorende zekerheden beschikbaar komen. Om soortgelijke redenen moet kunnen worden gekozen voor een ander systeem voor de vergoeding van reeds gedane uitgaven.

(5)

Aangezien de productie van groenten en fruit onvoorspelbaar is en de producten bederfelijk zijn, kunnen marktoverschotten, hoe gering ook, de markt duidelijk verstoren. Daarom moeten uitvoeringsvoorschriften voor crisispreventie en crisisbeheer worden vastgesteld.

(6)

Voor de nationale financiële bijstand die de lidstaten mogen verlenen in gebieden van de Unie waar de producenten bijzonder zwak georganiseerd zijn, moeten nadere voorschriften worden vastgesteld. Er moet worden voorzien in procedures voor de goedkeuring van dergelijke nationale financiële bijstand en voor de goedkeuring en het bedrag van de vergoeding door de Unie. Daarnaast moet het vergoedingsniveau worden vastgesteld.

(7)

Er moet worden voorzien in bepalingen voor het type en formaat van bepaalde informatie die moet worden verstrekt in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 en de onderhavige verordening. Die bepalingen moeten betrekking hebben op de informatie die door producenten en producentenorganisaties aan de lidstaten en door de lidstaten aan de Commissie moet worden verstrekt.

(8)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld voor de administratieve controles en de controles ter plaatse die nodig zijn voor een correcte toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 in de sector groenten en fruit.

(9)

Voor de toepassing van artikel 59, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet worden voorzien in voorschriften voor de correctie van kennelijke fouten in steun- en andere aanvragen, meldingen of verzoeken.

(10)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor financiële bijdragen van producenten die niet zijn aangesloten bij een in een bepaald economisch gebied representatief geachte producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie waarvan de voorschriften verbindend worden verklaard.

(11)

Standaardinvoerwaarden moeten worden berekend op basis van het gewogen gemiddelde van de gemiddelde representatieve prijzen van de ingevoerde producten die op de invoermarkten van de lidstaten worden verkocht, waarbij gebruik wordt gemaakt van de gegevens over deze prijzen en over de ingevoerde hoeveelheden van de betrokken producten die door de lidstaten overeenkomstig artikel 74 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 aan de Commissie zijn gemeld. Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de gevallen waarin geen gemiddelde representatieve prijzen beschikbaar zijn voor producten van een bepaalde oorsprong.

(12)

Er moeten nadere voorschriften worden vastgesteld voor het invoerrecht dat bovenop het in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde invoerrecht kan worden geheven op bepaalde producten. Bepaald moet worden dat dat aanvullende invoerrecht kan worden opgelegd indien de invoervolumes van de betrokken producten bepaalde, per product en per toepassingsperiode vastgestelde drempelniveaus overschrijden. Aangezien goederen die op weg zijn naar de Unie, vrijgesteld zijn van het aanvullende invoerrecht, moeten voor deze goederen specifieke bepalingen worden vastgesteld.

(13)

Deze verordening moet in werking treden op en van toepassing zijn met ingang van de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

PRODUCENTENORGANISATIES

AFDELING 1

Inleidende bepalingen

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   De onderhavige verordening bevat voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft, met uitzondering van de handelsnormen.

2.   De hoofdstukken I tot en met V zijn uitsluitend van toepassing op de in artikel 1, lid 2, onder i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten van de sector groenten en fruit en op dergelijke producten die uitsluitend bestemd zijn om te worden verwerkt.

AFDELING 2

Operationele programma's

Artikel 2

Nationale strategie voor duurzame operationele programma's

De structuur en inhoud van de in artikel 36, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale strategie is in overeenstemming met bijlage I bij de onderhavige verordening.

Artikel 3

Nationale kaders voor milieuacties en de subsidiabele investeringen

1.   In een apart onderdeel van het in artikel 36, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale kader worden de vereisten van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) vermeld waaraan moet worden voldaan door de in het kader van een operationeel programma geselecteerde milieuacties.

Voor de toepassing van artikel 33, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 omvat het nationale kader een niet-uitputtende lijst van milieuacties en de daarvoor in de lidstaat geldende voorwaarden.

De in de tweede alinea bedoelde lijst kan de volgende typen milieuacties bevatten:

a)

acties die identiek zijn aan agromilieuklimaatverbintenissen of verbintenissen op het gebied van biologische landbouw als bedoeld in respectievelijk artikel 28 en artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, en die zijn opgenomen in het plattelandsontwikkelingsprogramma van de betrokken lidstaat.

b)

investeringen die gunstig zijn voor het milieu;

c)

andere acties die gunstig zijn voor het milieu, met inbegrip van acties die direct noch indirect verband houden met een bepaald perceel, maar wel gerelateerd zijn aan de sector groenten en fruit, mits deze bijdragen tot bodembescherming, water- of energiebesparing, de verbetering of het beheer van de waterkwaliteit, van habitats of van de biodiversiteitsbescherming, de mitigatie van klimaatverandering en de terugdringing of een beter beheer van afval.

Voor elke in de derde alinea, onder b) en c), bedoelde milieuactie bevat het nationale kader de volgende informatie:

a)

de motivering van de actie, uitgaande van de effecten ervan op het milieu, en

b)

de specifieke aangegane verbintenis of verbintenissen.

Het nationale kader bevat ten minste één actie inzake de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijdingspraktijken.

2.   Milieuacties die identiek zijn aan agromilieuklimaatverbintenissen of verbintenissen op het gebied van biologische landbouw en waaraan bijstand wordt verleend in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma, hebben dezelfde looptijd als die verbintenissen. Wanneer de actie een langere looptijd heeft dan het oorspronkelijke operationele programma, wordt de actie voortgezet in een volgend operationeel programma.

De lidstaten kunnen voor milieuacties een kortere looptijd toestaan of zelfs toestaan dat deze worden stopgezet in naar behoren gemotiveerde gevallen, en met name rekening houdend met de resultaten van de evaluatie in het voorlaatste jaar van uitvoering van het operationele programma als bedoeld in artikel 57, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891.

3.   Voor het milieu gunstige investeringen die worden gedaan op de locatie van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties of dochterondernemingen die voldoen aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, of op de locatie van hun aangesloten leden, komen voor bijstand in aanmerking als deze investeringen:

a)

kunnen resulteren in een vermindering van het huidige gebruik van productiemiddelen, de uitstoot van verontreinigende stoffen of afval in het productieproces, of

b)

kunnen resulteren in een vervanging van het gebruik van energie uit fossiele bronnen door energie uit hernieuwbare bronnen, of

c)

kunnen resulteren in een vermindering van de milieurisico's die gepaard gaan met het gebruik van bepaalde productiemiddelen, zoals gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen, of

d)

leiden tot een verbetering van het milieu, of

e)

verband houden met niet-productieve investeringen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de doelen van een agromilieuklimaatverbintenis of een verbintenis op het gebied van biologische landbouw wanneer die doelen betrekking hebben op de bescherming van habitats en de biodiversiteit.

4.   De in lid 3, onder a), bedoelde investeringen komen voor bijstand in aanmerking als deze voorzien in een vermindering met ten minste 15 %, berekend over de fiscale afschrijvingsperiode van de investering ten opzichte van de daarvóór bestaande situatie van:

a)

het gebruik van productiemiddelen die niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen zijn, zoals water of fossiele brandstof, of een mogelijke bron van milieuvervuiling zijn, zoals meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of bepaalde soorten energiebronnen;

b)

de uitstoot van lucht-, bodem- of waterverontreinigende stoffen in het productieproces, of

c)

de productie van afval, waaronder afvalwater, in het productieproces.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten investeringen aanvaarden die een verlaging met ten minste 7 % mogelijk maken, berekend over de fiscale afschrijvingsperiode van de investering ten opzichte van de daarvóór bestaande situatie, mits die investeringen ten minste één extra milieuvoordeel opleveren.

De verwachte vermindering en, in voorkomend geval, het verwachte extra milieuvoordeel worden vooraf aangetoond met de projectspecificaties of andere technische documenten die de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties bij de indiening van het voorgestelde operationele programma of van de wijziging van zo'n programma ter goedkeuring moet presenteren en die de resultaten tonen die met de investering kunnen worden behaald, zoals gestaafd door de technische documenten of door een onafhankelijke gekwalificeerde organisatie of deskundige die is goedgekeurd door de lidstaat.

Investeringen gericht op een vermindering van het watergebruik:

a)

voorzien in een vermindering met ten minste 5 % van het watergebruik in druppelirrigatie- of soortgelijke systemen ten opzichte van het verbruik vóór de investering, en

b)

resulteren niet in een netto-uitbreiding van het irrigatieareaal, tenzij het totale waterverbruik voor irrigatie van het gehele landbouwbedrijf, ook na uitbreiding van het areaal, niet hoger is dan het gemiddelde waterverbruik in de periode van vijf jaar vóór de investering.

5.   In lid 3, onder b), bedoelde investeringen in de vorm van energieopwekkingssystemen komen voor bijstand in aanmerking indien de hoeveelheid opgewekte energie niet hoger is dan de hoeveelheid die vooraf op jaarbasis kan worden gebruikt voor de acties op het gebied van groenten en fruit door de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties, dochteronderneming of de leden van de producentenorganisatie die van de investering profiteren.

6.   In lid 3, onder c) en d), bedoelde investeringen komen voor bijstand in aanmerking indien deze bijdragen tot bodembescherming, water- of energiebesparing, de verbetering of het beheer van de waterkwaliteit, van habitats of van de biodiversiteitsbescherming, de mitigatie van klimaatverandering en de terugdringing of een beter beheer van afval, ook al is de bijdrage ervan niet kwantificeerbaar.

De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties levert wanneer zij het voorgestelde operationele programma of de wijziging van zo'n programma ter goedkeuring indient, het bewijs van de verwachte positieve bijdrage aan een of meer milieudoelen. De nationale bevoegde autoriteit mag verlangen dat dat bewijs wordt geleverd in de vorm van projectspecificaties zoals gestaafd door een onafhankelijke organisatie of deskundige voor de betrokken milieugebieden.

7.   Voor milieuacties gelden de volgende voorschriften:

a)

verscheidene milieuacties mogen met elkaar worden gecombineerd mits zij elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. In geval van een combinatie van andere milieuacties dan investeringen in materiële activa wordt bij de bepaling van het steunniveau rekening gehouden met de specifieke gederfde inkomsten en de specifieke extra kosten die het gevolg zijn van de combinatie;

b)

verbintenissen om het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of andere productiemiddelen te beperken worden slechts aanvaard indien de toepassing van die beperkingen kan worden beoordeeld op een wijze die zekerheid verschaft dat de verbintenissen worden nagekomen;

c)

de in lid 3 bedoelde investeringen die gunstig zijn voor het milieu, komen volledig in aanmerking voor bijstand.

Artikel 4

Inhoud van de operationele programma's

1.   De operationele programma's bevatten de volgende informatie:

a)

een beschrijving van de uitgangssituatie, in voorkomend geval gebaseerd op de in bijlage II, punt 5, vermelde gemeenschappelijke uitgangssituatie-indicatoren;

b)

de doelen van het programma, rekening houdend met de vooruitzichten voor de productie en afzetmogelijkheden, met een toelichting over de wijze waarop het programma moet bijdragen tot en strookt met de doelen van de nationale strategie, onder andere wat het evenwicht tussen de activiteiten betreft. In de beschrijving van de doelen worden meetbare streefdoelen aangegeven om de monitoring van de geleidelijke voortgang bij de uitvoering van het programma te vergemakkelijken;

c)

de voorgestelde maatregelen, waaronder de acties op het gebied van crisispreventie en -beheer;

d)

de looptijd van het programma, en

e)

de financiële aspecten, en met name:

i)

de wijze van berekening en het niveau van de financiële bijdragen;

ii)

de wijze van financiering van het actiefonds;

iii)

de nodige onderbouwing van de differentiëring van de bijdrage, en

iv)

voor elk jaar van uitvoering van het programma: de begroting en het tijdschema voor de concrete acties.

2.   In de operationele programma's wordt aangegeven:

a)

in hoever de verschillende maatregelen een aanvulling vormen op en stroken met andere maatregelen, inclusief maatregelen die worden gefinancierd uit of in aanmerking komen voor bijstand uit andere fondsen van de Unie, en met name in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en afzetbevorderingsprogramma's die in het kader van Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad (7) zijn goedgekeurd. In voorkomend geval wordt tevens verwezen naar maatregelen die in het kader van eerdere operationele programma's zijn uitgevoerd, en

b)

dat zij geen risico van dubbele financiering uit fondsen van de Unie meebrengen.

Artikel 5

Met het operationele programma in te dienen documenten

Operationele programma's gaan vergezeld van:

a)

het bewijs dat een actiefonds is gevormd;

b)

een schriftelijke verbintenis van de producentenorganisatie waarin zij aangeeft dat zij Verordening (EU) nr. 1308/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 en de onderhavige verordening in acht neemt, en

c)

een schriftelijke verbintenis van de producentenorganisatie waarin zij aangeeft dat zij direct noch indirect andere uniale of nationale financiering heeft ontvangen of zal ontvangen voor acties die in aanmerking komen voor steun uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 in de sector groenten en fruit.

Artikel 6

Uiterste indieningsdatum

1.   Een operationeel programma wordt door een producentenorganisatie uiterlijk op 15 september van het jaar vóór dat van de uitvoering van dat programma ter goedkeuring ingediend bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de producentenorganisatie haar hoofdzetel heeft. De lidstaten mogen evenwel een latere uiterste datum dan 15 september vaststellen.

2.   Wanneer een rechtspersoon of een duidelijk omschreven onderdeel van een rechtspersoon, met inbegrip van een op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroepering of een in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde producentengroepering, een aanvraag tot erkenning als producentenorganisatie indient, kan zij terzelfder tijd het in lid 1 bedoelde operationele programma ter goedkeuring indienen. De goedkeuring van het operationele programma wordt afhankelijk gesteld van de erkenning die uiterlijk op de in artikel 33, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 genoemde uiterste datum wordt verleend.

Artikel 7

Perioden van uitvoering van operationele programma's

1.   Operationele programma's worden uitgevoerd in jaarperioden die lopen van 1 januari tot en met 31 december.

2.   Met de uitvoering van een uiterlijk op 15 december goedgekeurd operationeel programma wordt op 1 januari van het daaropvolgende jaar aangevangen.

De uitvoering van een na 15 december goedgekeurd operationeel programma wordt met één jaar uitgesteld.

3.   In afwijking van lid 2 wordt, ingeval artikel 33, lid 2, derde alinea, of artikel 34, lid 1, tweede alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van toepassing is, met de uitvoering van overeenkomstig die bepalingen goedgekeurde operationele programma's aangevangen uiterlijk op 31 januari na de goedkeuring ervan.

AFDELING 3

Steun

Artikel 8

Goedgekeurd steunbedrag

De lidstaten melden het goedgekeurde steunbedrag uiterlijk op 15 december vóór het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, aan de producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties.

In afwijking van de eerste alinea wordt, ingeval artikel 33, lid 2, derde alinea, of artikel 34, lid 1, tweede alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van toepassing is, het goedgekeurde steunbedrag uiterlijk op 20 januari van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, door de lidstaten aan die organisaties en unies gemeld.

Artikel 9

Steunaanvragen

1.   Voor elk operationeel programma waarvoor steun wordt aangevraagd, dient de producentenorganisatie uiterlijk op 15 februari na het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat een aanvraag om toekenning van de steun of van het saldo van de steun in.

2.   Bij de steunaanvraag worden bewijsstukken gevoegd met betrekking tot:

a)

de gevraagde steun;

b)

de waarde van de afgezette productie;

c)

de van de leden ontvangen financiële bijdragen en de bijdragen van de producentenorganisatie zelf;

d)

de voor het operationele programma verrichte uitgaven;

e)

de naar actie uitgesplitste uitgaven voor crisispreventie en crisisbeheer;

f)

het naar actie uitgesplitste deel van het actiefonds dat is besteed aan crisispreventie en -beheer;

g)

de naleving van artikel 33, lid 3, artikel 33, lid 5, eerste alinea, en artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

h)

een schriftelijke verbintenis waarin wordt aangegeven dat geen dubbele uniale of nationale financiering is ontvangen voor maatregelen of concrete acties die in aanmerking komen voor steun uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 in de sector groenten en fruit;

i)

in het geval van een aanvraag voor een betaling die is gebaseerd op forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten als bedoeld in artikel 31, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, het bewijs van uitvoering van de betrokken actie, en

j)

het in artikel 21 bedoelde jaarverslag.

3.   De steunaanvraag mag betrekking hebben op geprogrammeerde, maar niet daadwerkelijk gedane uitgaven indien de volgende elementen worden aangetoond:

a)

de betrokken concrete acties konden niet uiterlijk op 31 december van het jaar van uitvoering van het operationele programma niet plaatsvinden door omstandigheden waarop de betrokken producentenorganisatie geen vat had;

b)

die concrete acties kunnen wel plaatsvinden uiterlijk op 30 april na het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, en

c)

een gelijkwaardige bijdrage van de producentenorganisatie blijft in het actiefonds.

De steun wordt slechts betaald en de overeenkomstig artikel 11, lid 2, gestelde zekerheid slechts vrijgegeven als het bewijs wordt geleverd dat de in de eerste alinea, onder b), bedoelde geprogrammeerde uitgaven zijn verricht uiterlijk op 30 april na het jaar waarvoor de betrokken uitgaven waren geprogrammeerd, en voor zover wordt vastgesteld dat aanspraak op de steun kan worden gemaakt.

4.   In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat aanvragen die na de in lid 1 vastgestelde datum zijn ingediend, toch aanvaarden indien de nodige controles zijn uitgevoerd en de in artikel 10 genoemde uiterste datum van betaling in acht wordt genomen. Wanneer de aanvraag na de in lid 1 genoemde datum wordt ingediend, wordt de steun voor elke dag van overschrijding van de uiterste indieningsdatum voor de aanvraag met 1 % verlaagd.

5.   Unies van producentenorganisaties mogen een in lid 1 bedoelde steunaanvraag alleen namens aangesloten producentenorganisaties indienen wanneer deze producentenorganisaties zijn erkend in dezelfde lidstaat die de unie van producentenorganisaties heeft erkend, en voor elke aangesloten organisatie de in lid 2 bedoelde bewijsstukken worden ingediend. De producentenorganisaties zijn de eindbegunstigden van de steun.

6.   Producentenorganisaties die zijn aangesloten bij transnationale unies van producentenorganisaties, vragen steun aan in de lidstaat waar zij zijn erkend voor acties die op het grondgebied van die lidstaat worden uitgevoerd. De transnationale unie van producentenorganisaties doet de lidstaat waar zij haar hoofdzetel heeft, een kopie van de aanvraag toekomen.

7.   Onverminderd lid 6 mogen transnationale unies van producentenorganisaties een steunaanvraag indienen in de lidstaat waar de unie haar hoofdzetel heeft, voor de acties die op het niveau van de unie worden uitgevoerd, mits er geen risico van dubbele financiering bestaat.

Artikel 10

Betaling van de steun

De lidstaten betalen de aangevraagde steun uiterlijk op 15 oktober na het jaar waarin het programma is uitgevoerd.

Artikel 11

Voorschotten

1.   Aanvragen voor voorschotten kunnen onder de door de lidstaten gestelde voorwaarden worden ingediend, hetzij op driemaandelijkse basis in januari, april, juli en oktober, hetzij op viermaandelijkse basis in januari, mei en september.

Het totale bedrag van de voorschotten voor een bepaald jaar bedraagt niet meer dan 80 % van het oorspronkelijk goedgekeurde steunbedrag voor het operationele programma.

2.   De voorschotten worden betaald nadat overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie (8) een zekerheid is gesteld die overeenkomt met 110 % van het bedrag van het voorschot.

3.   De lidstaten kunnen een minimumbedrag voor de voorschotten en de uiterste data voor de betaling ervan vaststellen.

Artikel 12

Gedeeltelijke betalingen

1.   De lidstaten kunnen producentenorganisaties toestaan te verzoeken om de betaling van het gedeelte van de steun dat overeenkomt met de reeds in het kader van het operationele programma bestede bedragen.

2.   Aanvragen kunnen te allen tijde worden ingediend, doch niet vaker dan driemaal per jaar. De aanvragen gaan vergezeld van bewijsstukken, zoals facturen en documenten waaruit blijkt dat de betalingen zijn verricht.

3.   De betalingen op grond van aanvragen om gedeelten van de steun bedragen niet meer dan 80 % van het deel van de steun dat overeenkomt met de bedragen die in het kader van het operationele programma reeds zijn besteed voor de betrokken periode. De lidstaten kunnen een minimumbedrag voor de gedeeltelijke betalingen en uiterste data voor het aanvragen ervan vaststellen.

HOOFDSTUK II

CRISISPREVENTIE- EN CRISISBEHEERSMAATREGELEN

Artikel 13

Opleidingsmaatregelen en uitwisselingen van betere praktijken

De lidstaten stellen bepalingen vast inzake de voorwaarden waaraan opleidingsmaatregelen en uitwisselingen van betere praktijken moeten voldoen om als crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen te worden aangemerkt.

Artikel 14

Afzetbevorderings- en communicatiemaatregelen

1.   De lidstaten stellen bepalingen vast inzake de voorwaarden waaraan afzetbevorderings- en communicatiemaatregelen moeten voldoen, ongeacht of die maatregelen verband houden met crisispreventie of crisisbeheer. Deze bepalingen moeten, zo nodig, een snelle toepassing van de maatregelen mogelijk maken.

2.   Acties in het kader van afzetbevorderings- en communicatiemaatregelen vormen een aanvulling op reeds lopende afzetbevorderings- en communicatieacties op andere gebieden dan crisispreventie en -beheer die door de betrokken producentenorganisatie in haar operationele programma worden toegepast.

Artikel 15

Handelsnormen van uit de markt genomen producten

1.   Een product dat uit de markt wordt genomen, voldoet aan de handelsnorm voor dat product als bedoeld in titel II van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, behalve wat de presentatie- en de aanduidingsvoorschriften betreft. Wanneer producten in bulk uit de markt worden genomen, worden de minimumeisen van klasse II in acht genomen

De in de betrokken norm omschreven miniproducten moeten echter voldoen aan de geldende handelsnorm, met inbegrip van de presentatie- en aanduidingsvoorschriften.

2.   Wanneer voor een bepaald product geen handelsnorm geldt, wordt voldaan aan de minimumeisen van bijlage III. De lidstaten kunnen voorschriften ter aanvulling van die minimumeisen vaststellen.

Artikel 16

Vervoerskosten in het kader van gratis verstrekking

1.   De kosten van landvervoer die verbonden zijn aan de gratis verstrekking van uit de markt genomen producten, zijn in het kader van het operationele programma subsidiabel op basis van de in bijlage IV vermelde schaal van eenheidskosten naargelang van de afstand tussen de plaats van de uitdemarktneming en de plaats van levering.

In het geval van zeevervoer bepalen de lidstaten de afstand tussen de plaats van de uitdemarktneming en de plaats van uiteindelijke levering. De compensatie mag niet hoger zijn dan de kosten die in aanmerking zouden komen bij landvervoer over de kortste afstand tussen de plaats van lading en de plaats van uiteindelijke levering, waar landvervoer mogelijk is. Op de bedragen van bijlage IV wordt een correctiecoëfficiënt van 0,6 toegepast.

Bij gecombineerd vervoer zijn de toepasselijke vervoerskosten gelijk aan de som van de kosten die corresponderen met de afstand van het landvervoer, plus 60 % van de kostenverhoging die zou gelden als de totale vervoersafstand over land was afgelegd, zulks overeenkomstig bijlage IV.

2.   De vervoerskosten worden betaald aan de partij die de financiële kosten van het betrokken vervoer daadwerkelijk draagt.

De betaling van deze vergoeding vindt plaats tegen overlegging van bewijsstukken waarin met name de volgende informatie is vermeld:

a)

de naam van de begunstigde organisaties;

b)

de hoeveelheid betrokken producten;

c)

de overname door de begunstigde organisaties en de gebruikte vervoermiddelen, en

d)

de afstand tussen de plaats van de uitdemarktneming en de plaats van levering.

Artikel 17

Sorteer- en verpakkingskosten in het kader van gratis verstrekking

1.   De sorteer- en verpakkingskosten van groenten en fruit die uit de markt zijn genomen, zijn subsidiabel in het kader van operationele programma's. Voor producten in verpakkingen van minder dan 25 kg nettogewicht zijn de forfaitaire bedragen van bijlage V van toepassing.

2.   De verpakkingen van de voor gratis verstrekking bestemde producten zijn voorzien van het Europese embleem en één of meer in bijlage VI opgenomen vermeldingen.

3.   De sorteer- en verpakkingskosten worden betaald aan de producentenorganisatie die het sorteren en verpakken heeft uitgevoerd.

De betaling van deze vergoeding vindt plaats tegen overlegging van bewijsstukken waarin met name de volgende informatie is vermeld:

a)

de naam van de begunstigde organisaties;

b)

de hoeveelheid betrokken producten, en

c)

de overname door de begunstigde organisaties, met vermelding van de presentatie.

HOOFDSTUK III

NATIONALE FINANCIËLE BIJSTAND

Artikel 18

Toestemming voor de betaling van nationale financiële bijstand

1.   Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar vragen de lidstaten toestemming aan de Commissie om op grond van artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 nationale financiële bijstand te verlenen voor tijdens dat kalenderjaar uit te voeren operationele programma's.

Het verzoek gaat vergezeld van bewijsstukken:

a)

waaruit blijkt dat de producenten in de betrokken regio bijzonder zwak georganiseerd zijn in de zin van artikel 52 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891;

b)

waaruit blijkt dat alleen bijstand wordt verleend voor producten van de sector groenten en fruit die in die regio geproduceerd zijn, en

c)

met nadere informatie over de producentenorganisaties en het betrokken bijstandsbedrag en het aandeel van de financiële bijdragen op grond van artikel 32, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

2.   Het verzoek wordt binnen drie maanden door de Commissie via een besluit goedgekeurd of afgewezen. Die termijn gaat in op de dag volgende op die waarop de Commissie een volledig ingevuld verzoek van de lidstaat heeft ontvangen. Als de Commissie binnen de termijn van drie maanden niet om aanvullende informatie vraagt, wordt het verzoek als volledig beschouwd.

Artikel 19

Aanvraag voor en betaling van de nationale financiële steun

1.   De artikelen 9 en 10 zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor en de betaling van de nationale financiële bijstand.

2.   De lidstaten mogen aanvullende voorschriften voor de betaling van de nationale financiële bijstand vaststellen, bijvoorbeeld voor de mogelijkheid om voorschotten te betalen en gedeeltelijke betalingen te verrichten.

Artikel 20

Vergoeding van de nationale financiële steun door de Unie

1.   Vóór 1 januari van het tweede jaar na het jaar van uitvoering van het programma mogen de lidstaten de Unie verzoeken om vergoeding van de goedgekeurde nationale financiële bijstand die daadwerkelijk aan de producentenorganisaties is betaald.

Het verzoek gaat vergezeld van bewijsstukken waaruit blijkt dat in drie van de vier voorgaande jaren is voldaan aan artikel 35, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

Voor de berekening van de mate van organisatie van producenten in de sector groenten en fruit telt de waarde van de groente- en fruitproductie van de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen ook mee.

Het verzoek om vergoeding door de Unie van de nationale financiële bijstand bevat ook:

a)

nadere informatie over de betrokken producentenorganisaties;

b)

het betaalde bijstandsbedrag, dat voor elke producentenorganisatie beperkt blijft tot het oorspronkelijk toegestane bedrag, en

c)

een beschrijving van het actiefonds met vermelding van het totale bedrag, de financiële bijstand van de Unie, de nationale financiële bijstand en de bijdragen van de producentenorganisaties en van de leden.

2.   Het verzoek wordt door de Commissie goedgekeurd of afgewezen.

Het verzoek wordt afgewezen wanneer de voorschriften voor de toestemming voor en vergoeding van de nationale financiële bijstand niet zijn nageleefd of de in of krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde voorschriften voor producentenorganisaties, actiefondsen en operationele programma's niet in acht zijn genomen.

3.   Wanneer het verzoek tot vergoeding door de Unie van de bijstand is goedgekeurd, worden de subsidiabele uitgaven bij de Commissie gedeclareerd overeenkomstig de procedure van artikel 11 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (9).

4.   De Unie vergoedt maximaal 60 % van de aan de producentenorganisaties verleende nationale financiële bijstand. Het vergoede bedrag is niet hoger dan 48 % van de financiële bijstand van de Unie als bedoeld in artikel 32, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

HOOFDSTUK IV

INFORMATIE, VERSLAGEN EN CONTROLES

AFDELING 1

Informatie en verslagen

Artikel 21

Informatie en jaarverslagen van producentengroeperingen, producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties en jaarverslagen van de lidstaten

1.   Op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat verstrekken de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen, erkende producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties alle informatie die nodig is voor de opstelling van het in artikel 54, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 bedoelde jaarverslag. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om informatie te verzamelen over het aantal leden, het volume en de waarde van de afgezette productie van producentenorganisaties die geen operationeel programma hebben ingediend. Producentenorganisaties en de in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde producentengroeperingen wordt gevraagd het aantal leden, het volume en de waarde van de afgezette productie mee te delen.

2.   Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties dienen jaarverslagen over de uitvoering van hun operationele programma's samen met hun steunaanvragen in.

Die jaarverslagen hebben betrekking op:

a)

het tijdens het voorgaande jaar uitgevoerde operationele programma;

b)

de belangrijkste wijzigingen van het operationele programma, en

c)

de verschillen tussen de geraamde steun en de aangevraagde steun.

3.   Het jaarverslag van producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties vermeldt:

a)

hetgeen is bereikt met het operationele programma, op basis van de in bijlage II vermelde indicatoren en, in voorkomend geval, de in de nationale strategie vermelde aanvullende indicatoren, en wel als volgt:

i)

gemeenschappelijke uitgangssituatie-indicatoren en (financiële) inputindicatoren worden in elk jaarverslag gebruikt;

ii)

resultaat- en outputindicatoren worden in de laatste twee jaar van het operationele programma gebruikt, en

b)

een samenvatting van de voornaamste problemen die zijn ondervonden bij het beheer van het programma, en van maatregelen die zijn getroffen om de kwaliteit en doeltreffendheid van de uitvoering van het programma te waarborgen.

In voorkomend geval wordt in het jaarverslag aangegeven welke waarborgen overeenkomstig de nationale strategie en artikel 33, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn ingevoerd om het milieu te beschermen tegen potentiële hogere druk die wordt veroorzaakt door in het kader van het operationele programma gesteunde investeringen.

4.   In het jaarverslag van de producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties van het voorlaatste jaar van een operationeel programma wordt aangetoond in hoever de doelen van de programma's zijn bereikt. Tevens moet in dit verslag worden ingegaan op de factoren die van invloed zijn geweest op het welslagen of falen van de uitvoering van het programma, en op de wijze waarop met die factoren rekening is gehouden in het lopende programma of rekening zal worden gehouden in het volgende operationele programma.

De lidstaat neemt in zijn in artikel 54, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 bedoelde jaarverslag nadere informatie over de in de eerste alinea bedoelde gevallen op.

AFDELING 2

Controles

Artikel 22

Systeem van unieke identificatie

De lidstaten zorgen ervoor dat op de steunaanvragen van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen een systeem van unieke identificatie van toepassing is. Dit identificatiesysteem is compatibel met het in artikel 73 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde systeem voor de identificatie van begunstigden.

Artikel 23

Indieningsprocedures

Onverminderd de artikelen 9, 24 en 25 voorzien de lidstaten in procedures voor de indiening van steunaanvragen, erkenningsverzoeken, verzoeken tot goedkeuring van operationele programma's en betalingsaanvragen.

Artikel 24

Erkenning

1.   Vóór de erkenning van een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in het kader van artikel 154, lid 4, onder a), of artikel 156, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 onderwerpen de lidstaten de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aan administratieve controles en controles ter plaatse om na te gaan of aan de erkenningscriteria wordt voldaan.

2.   De lidstaten verrichten ten minste om de vijf jaar administratieve controles en controles ter plaatse waarbij voor alle erkende producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties, ook die welke geen operationeel programma uitvoeren, wordt nagegaan of aan de erkenningscriteria wordt voldaan.

Artikel 25

Goedkeuring van operationele programma's en van wijzigingen daarvan

1.   Vóór de goedkeuring van een operationeel programma op grond van artikel 33 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 verifieert de lidstaat met alle passende middelen, waaronder controles ter plaatse, het ter goedkeuring ingediende operationele programma en, in voorkomend geval, het wijzigingsverzoek. Deze controles hebben met name betrekking op:

a)

de juistheid van de in artikel 4, lid 1, onder a), b) en e), bedoelde informatie die in het ontwerp van operationeel programma moet worden opgenomen;

b)

de overeenstemming van het programma met artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, met de nationale strategie en met het nationale kader;

c)

de subsidiabiliteit van de acties en van de voorgestelde uitgaven, en

d)

de consistentie en technische kwaliteit van het programma, de deugdelijkheid van de ramingen en van het steunprogramma, en de planning van de uitvoering ervan.

2.   Met de in lid 1 bedoelde controles wordt nagegaan of:

a)

de streefdoelen meetbaar zijn en kunnen worden gemonitord en bereikt met de voorgestelde acties, en

b)

de concrete acties waarvoor steun wordt gevraagd, verenigbaar zijn met het toepasselijke nationale en Unierecht, met name op het gebied van staatssteun, plattelandsontwikkeling en afzetbevorderingsprogramma's, en met dwingende normen die in nationale wetgeving of de nationale strategie zijn vastgelegd.

Artikel 26

Administratieve controles

1.   De procedures voor de administratieve controles schrijven voor dat de ondernomen concrete acties, de verificatieresultaten en de ten aanzien van discrepanties genomen maatregelen moeten worden geregistreerd.

2.   Vóór de verlening van de steun verrichten de lidstaten administratieve controles van alle steunaanvragen.

3.   Administratieve controles van steunaanvragen omvatten, in voorkomend geval, een verificatie van:

a)

het samen met de steunaanvraag toegezonden jaarverslag over de uitvoering van het operationele programma;

b)

de waarde van de afgezette productie, de bijdragen in het actiefonds en de gedane uitgaven;

c)

de juiste correlatie van de uitgaven waarvoor een aanvraag is ingediend, met de geleverde producten en diensten;

d)

de overeenstemming van de ondernomen acties met de in het goedgekeurde operationele programma opgenomen acties, en

e)

de inachtneming van de opgelegde financiële of andere grenzen en maxima.

4.   Met betrekking tot de in het kader van het operationele programma gedane uitgaven worden betalingsbewijzen overgelegd. De gebruikte facturen zijn op naam gesteld van de producentenorganisatie, de unie van producentenorganisaties of de dochteronderneming die voldoet aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, of, met goedkeuring van de lidstaat, van een of meer aangesloten producenten. Facturen die betrekking hebben op de personeelskosten als bedoeld in punt 2 van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, worden echter op naam gesteld van de producentenorganisatie, de unie van producentenorganisaties of de dochteronderneming die voldoet aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8, van die verordening of, met goedkeuring van de lidstaat, de coöperaties die bij de producentenorganisatie zijn aangesloten.

Artikel 27

Controles ter plaatse van jaarlijkse steunaanvragen

1.   De lidstaten verrichten op de locatie van de producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en hun dochternemingen, waar zulks van toepassing is, controles ter plaatse op de naleving van de voorwaarden die verbonden zijn aan de erkenning, de verlening van steun of de toekenning van het saldo ervan voor het betrokken jaar als bedoeld in artikel 9, lid 1; deze controles vormen een aanvulling op de administratieve controles.

2.   De controles ter plaatse hebben betrekking op een steekproef van ten minste 30 % van de voor elk jaar aangevraagde totale steun. Elke producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties die een operationeel programma uitvoert, wordt ten minste om de drie jaar bezocht.

3.   De lidstaten bepalen de te controleren producentenorganisaties op basis van een risicoanalyse waarin rekening wordt gehouden met de volgende criteria:

a)

het steunbedrag;

b)

de bevindingen bij de controles in voorgaande jaren;

c)

een aselecte parameter, en

d)

andere door de lidstaten te bepalen parameters.

4.   Controles ter plaatse mogen worden aangekondigd, mits de doelstelling van de controle daardoor niet in het gedrang komt.

5.   De controles ter plaatse hebben betrekking op alle verbintenissen en verplichtingen die in voorkomend geval door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties of hun leden of dochterondernemingen zijn aangegaan en die bij het bezoek kunnen worden gecontroleerd en die niet konden worden gecontroleerd bij de administratieve controles. Controles ter plaatse hebben met name betrekking op:

a)

de inachtneming van de erkenningscriteria voor het betrokken jaar;

b)

de uitvoering van de acties en de consistentie ervan met het goedgekeurde operationele programma;

c)

voor een relevant aantal acties: de overeenstemming van de uitgaven met het Unierecht en de inachtneming van de daarin vastgelegde uiterste data;

d)

het gebruik van het actiefonds, met inbegrip van de uitgaven die zijn opgegeven in aanvragen tot betaling van voorschotten of gedeeltelijke betalingen, de waarde van de afgezette productie, de bijdragen in het actiefonds en de opgegeven uitgaven zoals gestaafd door boekhoudkundige of gelijkwaardige documenten;

e)

de volledige levering van de producten door de leden, de levering van de diensten en de waarheidsgetrouwheid van de uitgaven waarvoor een aanvraag is ingediend, en

f)

tweedelijnscontroles als bedoeld in artikel 30, voor de uitgaven betreffende het uit de markt nemen, groen oogsten en niet oogsten.

6.   De waarde van de afgezette productie wordt geverifieerd op basis van het overeenkomstig het nationale recht geauditeerde en gecertificeerde financiële boekhoudsysteem.

Daartoe kunnen de lidstaten bepalen dat de opgave van de waarde van de afgezette productie op dezelfde wijze moet worden gecertificeerd als de financiële boekhoudkundige gegevens.

De controle van de opgave van de waarde van de afgezette productie mag worden uitgevoerd vóór de indiening van de betrokken steunaanvraag, maar uiterlijk vóór de betaling van de steun.

7.   Behalve in uitzonderlijke omstandigheden omvatten controles ter plaatse een bezoek aan de plaats waar de actie wordt uitgevoerd of, indien de actie niet tastbaar is, aan de promotor van de actie. Met name acties in individuele bedrijven van leden van producentenorganisaties die onder de in lid 2 bedoelde steekproef vallen, worden ten minste eenmaal bezocht om de uitvoering ervan te verifiëren.

De lidstaat kan echter besluiten van een dergelijk bezoek af te zien wanneer de acties kleinschalig zijn of wanneer er volgens de lidstaat slechts een gering risico bestaat dat de voorwaarden voor het ontvangen van steun niet zijn vervuld of de concrete actie niet is uitgevoerd. Dit besluit en de motivering ervan worden geregistreerd. De risicoanalysecriteria van lid 3 zijn van overeenkomstige toepassing op het onderhavige lid.

8.   Alleen controles die aan alle eisen van het onderhavige artikel voldoen, mogen worden meegerekend om te bepalen of het in lid 2 genoemde controlepercentage is bereikt.

9.   De resultaten van de controles ter plaatse worden beoordeeld om uit te maken of eventueel geconstateerde problemen systematisch voorkomen en daardoor een risico voor andere soortgelijke acties, begunstigden of organisaties meebrengen. Deze beoordeling verschaft tevens duidelijkheid over de oorzaken van dergelijke situaties, over nader onderzoek dat eventueel vereist is, en over de aanbevolen corrigerende en preventieve actie.

Indien bij de controles significante onregelmatigheden in een regio, in een deel van een regio of bij een bepaalde producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aan het licht komen, voert de lidstaat in de loop van het jaar aanvullende controles in de betrokken regio of van de betrokken organisatie of unie uit en verhoogt hij het percentage overeenkomstige aanvragen dat het daaropvolgende jaar moet worden gecontroleerd.

Artikel 28

Verslagen van controles ter plaatse

1.   Voor elke controle ter plaatse wordt een verslag uitgewerkt dat ten minste de volgende informatie bevat:

a)

de steunregeling en de gecontroleerde aanvraag;

b)

de namen en functies van de aanwezige personen;

c)

de gecontroleerde acties, maatregelen en documenten, inclusief het auditspoor en de geverifieerde ondersteunende bewijsstukken, en

d)

de resultaten van de controle.

2.   Een vertegenwoordiger van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties wordt in de gelegenheid gesteld het verslag te ondertekenen om zijn aanwezigheid bij de controle te bevestigen en zijn opmerkingen te noteren. Wanneer onregelmatigheden worden geconstateerd, ontvangt de begunstigde een kopie van het verslag.

Artikel 29

Eerstelijnscontroles op het uit de markt nemen van producten

1.   De lidstaten verrichten bij elke producentenorganisatie overeenkomstig de procedures van titel II, hoofdstuk II, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 eerstelijnscontroles op het uit de markt nemen van producten, die bestaan uit een documenten- en identiteitscontrole, ondersteund door een fysieke controle, van het gewicht van de uit de markt genomen producten en een controle op de naleving van het bepaalde in artikel 15. De controle vindt plaats nadat de in artikel 44, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 bedoelde melding binnen de in lid 2 van dat artikel bedoelde termijnen is ontvangen.

2.   De eerstelijnscontroles hebben betrekking op 100 % van de hoeveelheid uit de markt genomen producten. Na deze controle worden de uit de markt genomen producten, met uitzondering van de voor gratis verstrekking bestemde producten, onder toezicht van de bevoegde autoriteiten gedenatureerd of via levering aan de verwerkingsindustrie weggewerkt overeenkomstig de bepalingen en voorwaarden die de lidstaat overeenkomstig artikel 46 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 heeft vastgesteld.

3.   Wanneer de producten voor gratis verstrekking zijn bestemd, mogen de lidstaten een lager dan het in lid 2 genoemde percentage controleren, mits per verkoopseizoen en per producentenorganisatie niet minder dan 10 % van de betrokken hoeveelheden wordt gecontroleerd. De controles mogen worden verricht op de locatie van de producentenorganisatie of die van de ontvangers van de producten. Wanneer bij de controles onregelmatigheden aan het licht komen, voeren de lidstaten aanvullende controles uit.

Artikel 30

Tweedelijnscontroles op het uit de markt nemen van producten

1.   De lidstaten verrichten op de locatie van de producentenorganisatie en van de ontvangers van uit de markt genomen producten tweedelijnscontroles op het uit de markt nemen van producten uit op basis van een risicoanalyse. In de risicoanalyse wordt rekening gehouden met de bevindingen bij eerdere eerste- en tweedelijnscontroles en met de vraag of de producentenorganisatie over enigerlei kwaliteitsborgingsprocedure beschikt. Op basis van deze risicoanalyse wordt de minimumfrequentie van de tweedelijnscontroles voor elke producentenorganisatie bepaald.

2.   De in lid 1 bedoelde tweedelijnscontroles hebben betrekking op:

a)

de specifieke voorraad- en boekhoudadministratie die moet worden gevoerd door elke producentenorganisatie die tijdens het betrokken verkoopseizoen producten uit de markt neemt;

b)

de afgezette hoeveelheden die in de steunaanvragen zijn opgegeven, waarbij met name de voorraad- en boekhoudadministratie en de facturen worden gecontroleerd en wordt nagegaan of die opgaven in overeenstemming zijn met de boekhoudkundige en fiscale gegevens van de betrokken producentenorganisaties;

c)

de rekeningen, en met name de waarheidsgetrouwheid van de netto-ontvangsten van de producentenorganisaties zoals opgegeven in hun betalingsaanvragen, en de evenredigheid van kosten die voor het uit de markt nemen van producten in rekening zijn gebracht, en

d)

de bestemming van uit de markt genomen producten zoals opgegeven in de betalingsaanvraag, en de denaturering ervan.

3.   Elke controle omvat een steekproef van ten minste 5 % van de hoeveelheden die de producentenorganisatie in de loop van het verkoopseizoen uit de markt heeft genomen.

4.   De in lid 2, onder a), bedoelde specifieke voorraad- en boekhoudadministratie vermeldt voor elk uit de markt genomen product de volgende stromen, uitgedrukt in ton:

a)

de productie die de leden van de producentengroepering en de leden van andere producentenorganisaties overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder b) en c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 hebben geleverd;

b)

de verkopen van de producentenorganisatie, naar producten die voor de markt voor verse producten zijn bestemd en producten die voor verwerking zijn bestemd, en

c)

de uit de markt genomen producten.

5.   De controles op de bestemming van de uit de markt genomen producten omvatten:

a)

een steekproefsgewijze controle van de voorraadadministratie die ontvangers moeten voeren, en van de financiële boekhouding van de betrokken liefdadigheidsorganisaties en -instellingen wanneer artikel 46, lid 2, tweede alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van toepassing is, en

b)

controles op de inachtneming van de desbetreffende milieuvereisten.

6.   Wanneer bij de tweedelijnscontroles onregelmatigheden aan het licht komen, verrichten de lidstaten grondigere tweedelijnscontroles voor het betrokken jaar en verhogen zij in het daaropvolgende jaar de frequentie van de tweedelijnscontroles op de locatie van de betrokken producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

Artikel 31

Groen oogsten en niet oogsten

1.   Voordat tot groen oogsten wordt overgegaan, gaan de lidstaten door middel van een controle ter plaatse na of de betrokken producten niet beschadigd zijn en of het betrokken areaal goed is onderhouden. Na het groen oogsten verifiëren de lidstaten of de gewassen op het betrokken areaal volledig zijn geoogst en het geoogste product is gedenatureerd.

2.   Voordat tot niet oogsten wordt overgegaan, gaan de lidstaten door middel van een controle ter plaatse na of het betrokken areaal goed is onderhouden, of de gewassen niet al gedeeltelijk zijn geoogst, of het product goed ontwikkeld is en of het in het algemeen van een deugdelijke handelskwaliteit zou zijn.

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de productie is gedenatureerd. Indien dat niet mogelijk is, vergewissen zij zich tijdens bezoeken ter plaatse of bezoeken gedurende het oogstseizoen ervan dat niet wordt geoogst.

3.   Wanneer artikel 48, lid 3, tweede alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van toepassing is:

a)

is lid 2, eerste alinea, van dit artikel, waarin is bepaald dat geen gedeeltelijke oogst mag hebben plaatsgevonden, niet van toepassing, en

b)

zorgen de lidstaten ervoor dat de groente- en fruitplanten waarop maatregelen voor niet oogsten en groen oogsten zijn toegepast, in hetzelfde groeiseizoen niet voor verdere productiedoeleinden worden gebruikt.

4.   Artikel 30, leden 1, 2, 3 en 6, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32

Transnationale producentenorganisaties

1.   De lidstaat waar een transnationale producentenorganisatie haar hoofdzetel heeft, draagt de volledige verantwoordelijkheid voor het organiseren van controles op die organisatie met betrekking tot het operationele programma en het actiefonds, alsmede voor de toepassing van administratieve sancties wanneer uit dergelijke controles blijkt dat verplichtingen niet zijn nagekomen.

2.   De andere lidstaten die overeenkomstig artikel 14, lid 3, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 administratieve samenwerking moeten verlenen, verrichten deze administratieve controles en controles ter plaatse overeenkomstig de voorschriften van de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde lidstaat en brengen hem verslag daarover uit. Zij nemen de door de in lid 1 bedoelde lidstaat gestelde termijnen in acht.

3.   De voorschriften van de in lid 1 bedoelde lidstaat gelden voor de producentenorganisatie, het operationele programma en het actiefonds. Voor fytosanitaire en milieuaangelegenheden en voor crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen gelden echter de voorschriften van de lidstaat waar de respectieve acties plaatsvinden.

Artikel 33

Transnationale unies van producentenorganisaties

1.   De lidstaat waar een producentenorganisatie die is aangesloten bij een transnationale unie haar hoofdzetel heeft, draagt de volledige verantwoordelijkheid voor het organiseren van controles met betrekking tot acties van het operationele programma zoals uitgevoerd op zijn grondgebied en van het actiefonds, alsmede voor de toepassing van administratieve sancties wanneer uit dergelijke controles blijkt dat verplichtingen niet zijn nagekomen.

2.   De in lid 1 bedoelde lidstaat werkt nauw samen met de lidstaat waar de transnationale unie van producentenorganisaties haar hoofdzetel heeft, en meldt de resultaten van de verrichte controles en de eventueel toegepaste sancties onverwijld.

3.   De lidstaat waar de transnationale unie van producentenorganisaties haar hoofdzetel heeft, draagt de volledige verantwoordelijkheid voor het organiseren van controles met betrekking tot acties van het operationele programma zoals uitgevoerd op het niveau van de transnationale unie, en van het actiefonds van de transnationale unie, almede voor de toepassing van administratieve sancties wanneer uit dergelijke controles blijkt dat verplichtingen niet zijn nagekomen. Hij zorgt ook voor de coördinatie van controles en betalingen die betrekking hebben op acties van de operationele programma's zoals uitgevoerd op het grondgebied van de andere lidstaten.

4.   De acties van de operationele programma's voldoen aan de nationale voorschriften van de lidstaten waar deze daadwerkelijk worden uitgevoerd.

Artikel 34

Controles

Onverminderd de specifieke bepalingen van deze verordening of van andere wetgeving van de Unie voeren de lidstaten controles en maatregelen in om een correcte toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 en de onderhavige verordening te waarborgen. Die controles en maatregelen zijn zo doeltreffend, evenredig en ontradend dat de financiële belangen van de Unie op adequate wijze worden beschermd.

Met name zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

alle subsidiabiliteitscriteria die in de uniale of de nationale wetgeving, de nationale strategie of het nationale kader zijn vastgelegd, kunnen worden gecontroleerd;

b)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de controles, beschikken over voldoende gekwalificeerd en ervaren personeel om de controles op doeltreffende wijze uit te voeren, en

c)

controles worden uitgevoerd om onregelmatige dubbele financiering van maatregelen in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013 in de sector groenten en fruit en in het kader van andere uniale of nationale regelingen te voorkomen.

Artikel 35

Kennelijke fouten

Bij kennelijke fouten die door de bevoegde autoriteit van de lidstaat als zodanig zijn erkend, als bedoeld in artikel 59, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, kunnen meldingen, aanvragen of verzoeken die in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 of de onderhavige verordening tot een lidstaat worden gericht, alsmede steunaanvragen op elk moment na de indiening ervan worden gecorrigeerd en aangepast.

HOOFDSTUK V

UITBREIDING VAN DE VOORSCHRIFTEN

Artikel 36

Financiële bijdragen

Wanneer een lidstaat krachtens artikel 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bepaalt dat marktdeelnemers die niet bij een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of brancheorganisatie zijn aangesloten, maar voor wie voorschriften verbindend worden verklaard, een financiële bijdrage moeten betalen, stuurt de lidstaat naar de Commissie de informatie door die nodig is om te beoordelen of aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan. Deze informatie omvat de berekeningsgrondslag voor de bijdrage, het bedrag per eenheid, de betrokken activiteiten en de daarmee gemoeide kosten.

Artikel 37

Uitbreiding van de voorschriften voor een periode die langer is dan één jaar

1.   Wanneer wordt besloten de uitbreiding van de voorschriften langer dan één jaar toe te passen, gaan de lidstaten voor elk jaar na of gedurende de gehele geldigheidsduur van de uitbreiding wordt voldaan aan de representativiteitsvoorwaarden van artikel 164, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

2.   Indien de lidstaten constateren dat niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan, trekken zij de uitbreiding in vanaf het begin van het daaropvolgende jaar.

3.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van intrekkingen. De Commissie maakt dergelijke informatie op passende wijze openbaar.

HOOFDSTUK VI

INVOERPRIJSSYSTEEM EN INVOERRECHTEN

Artikel 38

Standaardinvoerwaarden

1.   Voor elk van de in deel A van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 vermelde producten en toepassingsperioden stelt de Commissie elke werkdag voor elke oorsprong een standaardinvoerwaarde vast die gelijk is aan het gewogen gemiddelde van de in artikel 74 van die verordening bedoelde representatieve prijzen, verminderd met een standaardbedrag van 5 EUR/100 kg en met de ad-valoremdouanerechten.

2.   Wanneer voor de in deel A van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 vermelde producten en toepassingsperioden een standaardinvoerwaarde wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 74 en 75 van die verordening en dit artikel, is de in artikel 142 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (10) bedoelde prijs per eenheid niet van toepassing. De prijs per eenheid wordt dan vervangen door de in lid 1 bedoelde standaardinvoerwaarde.

3.   Wanneer voor een product van een bepaalde oorsprong geen standaardinvoerwaarde van kracht is, is het gewogen gemiddelde van de voor dat product van kracht zijnde standaardinvoerwaarden van toepassing.

4.   Gedurende de in deel A van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 vermelde toepassingsperioden blijven de standaardinvoerwaarden van toepassing zolang zij niet worden gewijzigd. Zij gelden echter niet langer wanneer twee opeenvolgende weken geen gemiddelde representatieve prijs aan de Commissie is gemeld.

Wanneer door de toepassing van de eerste alinea geen standaardinvoerwaarde voor een bepaald product geldt, is de standaardinvoerwaarde voor dat product gelijk aan de laatste gemiddelde standaardinvoerwaarde.

5.   In afwijking van lid 1 is in gevallen waarin geen standaardinvoerwaarde kon worden berekend, vanaf de eerste dag van de in deel A van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 vermelde toepassingsperioden geen standaardinvoerwaarde van toepassing.

6.   De wisselkoers die voor de standaardinvoerwaarde geldt, is de meest recente wisselkoers die de Europese Centrale Bank heeft bekendgemaakt vóór de laatste dag van de periode waarvoor prijzen worden toegezonden.

7.   De Commissie maakt de standaardinvoerwaarden in euro bekend via Taric (11).

HOOFDSTUK VII

AANVULLENDE INVOERRECHTEN

Artikel 39

Heffing van het aanvullende invoerrecht

1.   Een in artikel 182, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoeld aanvullend invoerrecht kan worden toegepast op de producten en gedurende de perioden die in bijlage VII bij deze verordening zijn vermeld. Dat aanvullende invoerrecht is van toepassing indien de hoeveelheid van een van de in het vrij verkeer gebrachte producten voor een van de toepassingsperioden zoals vermeld in die bijlage, hoger is dan het drempelvolume voor dat product.

2.   Voor elk van de in bijlage VII vermelde producten stellen de lidstaten de Commissie tijdens de in die bijlage vermelde perioden in kennis van bijzonderheden over de volumes die in het vrij verkeer zijn gebracht overeenkomstig de in artikel 55 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 vastgestelde bepalingen inzake het toezicht op preferentiële invoer.

3.   Het aanvullende invoerrecht wordt geheven op hoeveelheden die in het vrij verkeer worden gebracht na de datum van toepassing van dit recht, mits:

a)

de overeenkomstig artikel 74 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 bepaalde douanewaarde leidt tot toepassing van de hoogste specifieke rechten die voor invoer met de betrokken oorsprong gelden, en

b)

de invoer plaatsvindt in de periode van toepassing van het aanvullend recht.

Artikel 40

Bedrag van het aanvullende invoerrecht

Het aanvullende invoerrecht dat overeenkomstig artikel 39 wordt toegepast, komt overeen met een derde van het douanerecht dat in het gemeenschappelijk douanetarief is gespecificeerd voor het product in kwestie.

Voor producten waarvoor een invoertariefpreferentie met betrekking tot het ad-valoremrecht geldt, komt het aanvullende recht evenwel overeen met een derde van het specifieke douanerecht voor het product in kwestie wanneer artikel 39, lid 2, van toepassing is.

Artikel 41

Vrijstellingen van het aanvullende invoerrecht

1.   Vrijgesteld van het aanvullende invoerrecht zijn:

a)

goederen die in het kader van een tariefcontingent worden ingevoerd;

b)

goederen die het land van oorsprong hebben verlaten vóór het besluit tot toepassing van het aanvullende invoerrecht en die worden vervoerd met een vervoerdocument dat geldt vanaf de plaats van lading in het land van oorsprong tot de plaats van lossing in de Unie en dat is opgesteld vóór de toepassing van het aanvullende invoerrecht.

2.   De belanghebbende partijen leveren ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs dat aan de vereisten van lid 1 is voldaan.

Douaneautoriteiten mogen ervan uitgaan dat goederen het land van oorsprong hebben verlaten vóór de datum van toepassing van het aanvullende invoerrecht als één van de volgende documenten wordt overgelegd:

a)

bij vervoer over zee, het connossement waaruit blijkt dat de lading vóór die datum heeft plaatsgevonden;

b)

bij vervoer per spoor, de vrachtbrief die vóór die datum is aanvaard door de spoorwegdiensten van het land van oorsprong;

c)

bij vervoer over de weg, het CMR-contract (Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg) of elk ander douanevervoersdocument dat in het land van oorsprong vóór die datum is afgegeven, als aan de voorwaarden van de bilaterale of multilaterale regelingen inzake uniaal of gemeenschappelijk douaneverkeer is voldaan;

d)

bij vervoer per vliegtuig, de luchtvrachtbrief waaruit blijkt dat de luchtvaartmaatschappij de producten vóór die datum heeft aanvaard.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 42

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(3)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (zie bladzijde 4 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(7)  Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 56).

(8)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 18).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).

(11)  http://ec.europa.eu/taxation_customs/customs/customs_duties/tariff_aspects/customs_tariff/index_en.htm


BIJLAGE I

Structuur en inhoud van de nationale strategie voor duurzame operationele programma's als bedoeld in artikel 2

1.   Looptijd van de nationale strategie

Door de lidstaat aan te geven.

2.   Analyse van de situatie wat de sterke en de zwakke punten en het ontwikkelingspotentieel betreft, de op basis daarvan gekozen strategie en een toelichting bij de keuze van de prioriteiten, op grond van artikel 36, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013

2.1.   Analyse van de situatie

Beschrijving van de bestaande situatie in de sector groenten en fruit aan de hand van gekwantificeerde gegevens, met nadruk op de sterke en de zwakke punten, de ongelijkheden, de behoeften, de achterstanden en het ontwikkelingspotentieel op basis van de in punt 5 van bijlage II vermelde relevante gemeenschappelijke uitgangssituatie-indicatoren en van andere aanvullende indicatoren indien van toepassing. Deze beschrijving betreft in elk geval:

de prestaties van de sector groenten en fruit: de sterke en zwakke punten van de sector, het concurrentievermogen en het ontwikkelingspotentieel van de producentenorganisaties;

de milieueffecten (impact/drukfactoren en positieve aspecten) van de groente- en fruitproductie, waaronder de voornaamste trends.

2.2.   Op basis van de sterke en de zwakke punten gekozen strategie

Beschrijving van de voornaamste terreinen waarop de interventie naar verwachting een maximale meerwaarde zal opleveren:

relevantie van de voor de operationele programma's gestelde doelen, van de verwachte resultaten en de mate waarin deze reëel gezien kunnen worden gerealiseerd;

interne coherentie van de strategie, aanwezigheid van elkaar versterkende interacties en mogelijke conflicten of tegenstellingen tussen de operationele doelstellingen van de diverse gekozen acties;

complementariteit en consistentie van de gekozen acties met andere nationale of regionale acties en met activiteiten die de Unie financieel steunt, en met name met plattelandsontwikkelings- en afzetbevorderingsmaatregelen;

verwachte resultaten en gevolgen, afgezet tegen de uitgangssituatie, en de bijdrage ervan aan doelstellingen van de Unie.

2.3.   Effecten van de vorige nationale strategie (indien van toepassing)

Beschrijving van de resultaten en effecten van recent uitgevoerde operationele programma's.

3.   Doelstellingen van de operationele programma's en prestatie-indicatoren, als bedoeld in artikel 36, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1308/2013

Beschrijving van de gekozen soorten acties die voor bijstand in aanmerking komen (niet-uitputtende lijst), de nagestreefde doelstellingen, de verifieerbare streefdoelen en de indicatoren aan de hand waarvan de vorderingen bij de verwezenlijking van doelstellingen, de efficiëntie en de effectiviteit kunnen worden beoordeeld.

3.1.   Voorschriften voor alle of verschillende soorten acties

De lidstaten zorgen ervoor dat alle acties van de nationale strategie en van het nationale kader verifieerbaar en controleerbaar zijn. Wanneer bij de beoordeling blijkt dat niet is voldaan aan het vereiste van verifieerbaarheid en controleerbaarheid, worden de betrokken acties dienovereenkomstig aangepast of geschrapt.

Wanneer bijstand wordt verleend op basis van forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten, zorgen de lidstaten ervoor dat de betrokken berekeningen adequaat en nauwkeurig zijn en op voorhand zijn vastgesteld op basis van een billijke, evenwichtige en verifieerbare berekening. Milieuacties voldoen aan artikel 33, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

De lidstaten stellen voorzorgsmaatregelen, bepalingen en controles vast die voorkomen dat gekozen acties die voor bijstand in aanmerking komen, ook worden gesteund via andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en met name plattelandsontwikkelings- en afzetbevorderingsprogramma's of andere nationale of regionale regelingen.

Er zijn, overeenkomstig artikel 33, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, doeltreffende voorzorgsmaatregelen genomen om het milieu te beschermen tegen potentiële extra druk als gevolg van investeringen in het kader van de operationele programma's en er zijn, overeenkomstig artikel 36, lid 1, van die verordening, subsidiabiliteitscriteria vastgesteld die ervoor zorgen dat de in het kader van de operationele programma's gesteunde investeringen in individuele bedrijven in overeenstemming zijn met de doelstellingen van artikel 191 VWEU en van het Zevende Milieuactieprogramma van de Unie.

3.2.   Specifieke informatie die vereist is per soort actie ter verwezenlijking van de doelen als vermeld of bedoeld in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 (alleen te verstrekken voor de soorten acties die zijn gekozen)

3.2.1.   Verwerving van vaste activa

soorten investeringen die voor bijstand in aanmerking komen,

andere vormen van verwerving die voor steun in aanmerking komen, zoals huur en leasing,

bijzonderheden over de subsidiabiliteitsvoorwaarden.

3.2.2.   Andere acties

beschrijving van de soorten acties die voor bijstand in aanmerking komen,

bijzonderheden over de subsidiabiliteitsvoorwaarden.

4.   Aanwijzing van bevoegde autoriteiten en verantwoordelijke instanties

De door de lidstaat aangewezen nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor het beheer, de monitoring en de evaluatie van de nationale strategie.

5.   Beschrijving van de monitoring- en evaluatiesystemen

De prestatie-indicatoren van de nationale strategie bestaan uit de in artikel 4 bedoelde en in bijlage II vermelde gemeenschappelijke prestatie-indicatoren. Voor zover dit passend wordt geacht, worden in de nationale strategie aanvullende indicatoren opgenomen die betrekking hebben op nationale en/of regionale behoeften, omstandigheden en doelstellingen die specifiek zijn voor de nationale operationele programma's.

5.1.   Beoordeling van de operationele programma's en rapportageverplichtingen voor producentenorganisaties als bedoeld in artikel 36, lid 2, onder d) en e), van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

Beschrijving van de monitoring- en evaluatieverplichtingen en -procedures voor de operationele programma's, met inbegrip van de rapportageverplichtingen voor producentenorganisaties.

5.2.   Monitoring en evaluatie van de nationale strategie

Beschrijving van de monitoring- en evaluatieverplichtingen en -procedures voor de nationale strategie.


BIJLAGE II

Lijst van gemeenschappelijke prestatie-indicatoren als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 21, lid 3, onder a), van deze verordening en artikel 56, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891

Het systeem van gemeenschappelijke prestatie-indicatoren voor acties die door de producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en hun leden worden uitgevoerd in het kader van een operationeel programma, sluit niet noodzakelijkerwijs alle factoren in die een rol kunnen spelen en van invloed kunnen zijn op de output, de resultaten en de impact van een operationeel programma. De aan de hand van de gemeenschappelijke prestatie-indicatoren verzamelde informatie moet daarom worden geïnterpreteerd in het licht van de kwantitatieve en kwalitatieve informatie over andere sleutelfactoren voor het welslagen of falen van het programma.

1.   GEMEENSCHAPPELIJKE INDICATOREN INZAKE DE FINANCIËLE UITVOERING (INPUTINDICATOREN) (JAARLIJKS)

Maatregel

Soort actie

Inputindicatoren (jaarlijks)

Acties die gericht zijn op de productieplanning

a)

Investeringen in materiële activa

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

c)

Andere acties

Uitgaven (EUR)

Acties die gericht zijn op verbetering of behoud van de productkwaliteit

a)

Investeringen in materiële activa

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

c)

Andere acties

Uitgaven (EUR)

Acties die gericht zijn op verbetering van de afzet

a)

Investeringen in materiële activa

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

c)

Afzetbevorderings- en communicatieactiviteiten (behalve in verband met crisispreventie en-beheer)

d)

Andere acties

Uitgaven (EUR)

Onderzoek en experimentele productie

a)

Investeringen in materiële activa

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

c)

Andere acties

Uitgaven (EUR)

Opleidingsacties en acties betreffende de uitwisseling van informatie over best practices (behalve die welke verband houden met crisispreventie en -beheer) en acties die gericht zijn op de bevordering van de toegang tot adviesdiensten en technische bijstand

Op basis van het voornaamste onderwerp:

a)

Biologische productie

b)

Geïntegreerde productie of geïntegreerde plaagbestrijding

c)

Andere milieukwesties

d)

Traceerbaarheid

e)

Productkwaliteit, waaronder residuen van bestrijdingsmiddelen

f)

Andere issues

Uitgaven (EUR)

Crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen

a)

Investeringen om de op de markt gebrachte volumes efficiënter te beheren

b)

Opleidingsmaatregelen en uitwisselingen van beste praktijken

c)

Afzetbevordering en communicatie, preventief of gedurende een crisisperiode

d)

Bijstand voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen

e)

Herbeplanting van boomgaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat

f)

Uit de markt nemen van producten

g)

Groen oogsten of niet oogsten van groenten en fruit

h)

Oogstverzekering

Uitgaven (EUR)

Milieuacties

a)

Investeringen in materiële activa

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

c)

Biologische productie

d)

Geïntegreerde productie

e)

Beter gebruik of beheer van water, zoals waterbesparing en drainage

f)

Acties voor bodembehoud (bijvoorbeeld grondbewerkingstechnieken om bodemerosie te voorkomen of te verminderen, plantendek, beheerslandbouw, bodembedekking)

g)

Acties voor de aanleg of het behoud van habitats die gunstig zijn voor de biodiversiteit (bijv. natte gronden) of voor het behoud van het landschap, waaronder het behoud van historische elementen (bijv. stapelmuurtjes, terrassen, bosjes)

h)

Acties om energie te besparen of energie efficiënter te gebruiken; omschakeling naar energie uit hernieuwbare bronnen

i)

Acties om de afvalproductie te verminderen en het afvalbeheer te verbeteren

j)

Andere acties

Uitgaven (EUR)

Andere acties

a)

Investeringen in materiële activa

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

c)

Andere acties

Uitgaven (EUR)

2.   GEMEENSCHAPPELIJKE OUTPUTINDICATOREN (LAATSTE TWEE JAAR VAN HET OPERATIONELE PROGRAMMA)

Maatregel

Soort actie

Outputindicatoren (jaarlijks)

Acties die gericht zijn op de productieplanning

a)

Investeringen in materiële activa

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Totale waarde van de investeringen (EUR)

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

c)

Andere acties

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Acties die gericht zijn op verbetering of behoud van de productkwaliteit

a)

Investeringen in materiële activa

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Totale waarde van de investeringen (EUR)

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

c)

Andere acties

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Acties die gericht zijn op verbetering van de afzet

a)

Investeringen in materiële activa

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Totale waarde van de investeringen (EUR)

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

c)

Afzetbevorderings- en communicatieactiviteiten (behalve in verband met crisispreventie en -beheer)

Aantal ondernomen acties (1)

d)

Andere acties

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Onderzoek en experimentele productie

 

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Aantal projecten

Opleidingsacties en acties betreffende de uitwisseling van informatie over best practices (behalve die welke verband houden met crisispreventie en -beheer) en acties die gericht zijn op de bevordering van de toegang tot adviesdiensten en technische bijstand

Op basis van het voornaamste onderwerp:

a)

Biologische productie

b)

Geïntegreerde productie of geïntegreerde plaagbestrijding

c)

Andere milieukwesties

d)

Traceerbaarheid

e)

Productkwaliteit, waaronder residuen van bestrijdingsmiddelen

f)

Andere onderwerpen

Aantal door de deelnemers ontvangen opleidingsdagen

Crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen

a)

Investeringen om de op de markt gebrachte volumes efficiënter te beheren

Totale waarde van de investeringen (EUR)

b)

Opleidingsmaatregelen en uitwisselingen van beste praktijken

Aantal ondernomen acties

c)

Afzetbevordering en communicatie, preventief of gedurende een crisisperiode

Aantal ondernomen acties (1)

d)

Bijstand voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen

Aantal ondernomen acties (4)

e)

Herbeplanting van boomgaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

f)

Uit de markt nemen van producten

Aantal ondernomen acties (2)

g)

Groen oogsten en niet oogsten

Aantal ondernomen acties (3)

h)

Oogstverzekering

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Milieuacties

a)

Investeringen in materiële activa (5)

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Totale waarde van de investeringen (EUR)

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing (6)

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

c)

Biologische productie

d)

Geïntegreerde productie

e)

Beter gebruik en/of beheer van water, zoals waterbesparing en drainage

f)

Acties voor bodembehoud (bijv. grondbewerkingstechnieken om bodemerosie te voorkomen of te verminderen, plantendek, beheerslandbouw, bodembedekking)

g)

Acties voor de aanleg of het behoud van habitats die gunstig zijn voor de biodiversiteit (bijv. natte gronden) of voor het behoud van het landschap, waaronder het behoud van historische elementen (bijv. stapelmuurtjes, terrassen, bosjes)

h)

Acties om energie te besparen en/of energie efficiënter te verbruiken; omschakeling naar energie uit hernieuwbare bronnen

i)

Acties om de afvalproductie te verminderen en het afvalbeheer te verbeteren

j)

Andere acties

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties Aantal hectaren

Andere acties

a)

Investeringen in materiële activa

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

Totale waarde van de investeringen (EUR)

b)

Andere vormen van verwerving van vaste activa, zoals huur en leasing

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

c)

Andere acties

Aantal bedrijven dat deelneemt aan de acties

3.   GEMEENSCHAPPELIJKE RESULTAATINDICATOREN (LAATSTE TWEE JAAR VAN HET OPERATIONELE PROGRAMMA)

Maatregel

Resultaatindicatoren (meting)

Acties die gericht zijn op de productieplanning

Mutatie in het totale volume van de afgezette productie (ton) Mutatie in de waarde per eenheid van de afgezette productie (EUR/kg)

Acties die gericht zijn op verbetering of behoud van de productkwaliteit

Mutatie in het volume van de afgezette productie die voldoet aan de voorschriften van een specifieke „kwaliteitsregeling” (ton) (7)

Mutatie in de waarde per eenheid van de afgezette productie (EUR/kg)

Acties die gericht zijn op verbetering van de afzet

Mutatie in het totale volume van de afgezette productie (ton) Mutatie in de waarde per eenheid van de afgezette productie (EUR/kg)

Opleidingsacties en uitwisseling van informatie over beste praktijken (behalve die welke verband houden met crisispreventie en -beheer) en acties die gericht zijn op de bevordering van de toegang tot adviesdiensten en technische bijstand

Aantal mensen dat alle opleidingsactiviteiten/het volledige programma heeft gevolgd Aantal bedrijven dat gebruikmaakt van adviesdiensten

Crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen

 

a)

Investeringen om de op de markt gebrachte volumes efficiënter te beheren

Totaal volume van de productie onder volumebeheer (ton)

b)

Opleidingsacties

Aantal mensen dat alle opleidingsactiviteiten/het volledige programma heeft gevolgd

c)

Afzetbevordering en communicatie

Geraamde mutatie in het volume van de afgezette productie van producten waarvoor afzetbevorderings-/communicatieactiviteiten hebben plaatsgevonden (ton)

d)

Bijstand voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen

Totale waarde van het opgerichte onderlinge fonds (EUR)

e)

Herbeplanting van boomgaarden waar dat nodig is na verplichte rooiing om sanitaire of fytosanitaire redenen in opdracht van de bevoegde autoriteit van de lidstaat

Totaal areaal herbeplante boomgaarden (ha)

f)

Uit de markt nemen van producten

Totaal volume uit de markt genomen producten (ton)

g)

Groen oogsten en niet oogsten

Totaal areaal groen oogsten en niet oogsten (ha)

h)

Oogstverzekering

Totale waarde van het verzekerde risico (EUR)

Milieuacties

Geraamde mutatie in het jaarlijkse verbruik van minerale meststoffen/hectare, per minerale meststof (N en P2O3) (ton/ha)

Geraamde mutatie in het jaarlijkse waterverbruik/hectare (m3/ha)

Geraamde mutatie in het jaarlijkse energieverbruik, per energiebron of brandstof (liter/m3/kWh per ton afgezette productie)

Geraamde mutatie in het jaarlijkse volume van geproduceerd afval (ton)

Andere acties

Mutatie in het totale volume van de afgezette productie (ton)

Mutatie in de waarde per eenheid van de afgezette productie (EUR/kg)

Noot: De referentiesituatie voor de beoordeling van mutaties is de situatie aan het begin van het programma.

4.   GEMEENSCHAPPELIJKE IMPACTINDICATOREN (LAATSTE TWEE JAAR VAN HET OPERATIONELE PROGRAMMA)

Maatregel

Brede doelstellingen

Impactindicatoren (meting)

Acties die gericht zijn op de productieplanning

Vergroting van het concurrentievermogen

Aantrekkelijker maken van het lidmaatschap van producentenorganisaties

Geraamde mutatie in de totale waarde van de afgezette productie (EUR)

Mutatie in het totale aantal groente- en fruitproducenten dat actief lid (8) is van de betrokken producentenorganisatie (PO)/unie van producentenorganisaties (UPO) (aantal)

Mutatie in het totale groente- en fruitteeltareaal van de leden van de betrokken PO/UPO (ha)

Acties die gericht zijn op verbetering of behoud van de productkwaliteit

Acties die gericht zijn op verbetering van de afzet

Onderzoek en experimentele productie

Opleidingsacties en uitwisseling van informatie over beste praktijken (behalve die welke verband houden met crisispreventie en -beheer) en/of acties die gericht zijn op de bevordering van de toegang tot adviesdiensten en technische bijstand

Crisispreventie- en crisisbeheersmaatregelen

Milieuacties

Behoud en bescherming van het milieu:

 

a)

waterkwaliteit

Geraamde mutatie in het totale verbruik van minerale meststoffen, per minerale meststof (N en P2O3) (ton)

b)

duurzaam watergebruik

Geraamde mutatie in het totale waterverbruik (m3)

c)

mitigatie van klimaatverandering

Geraamde mutatie in het totale energieverbruik, per energiebron of brandstof (in liter/m3/kWh)

Andere acties

Vergroting van het concurrentievermogen

Aantrekkelijker maken van het lidmaatschap van een producentenorganisatie

Geraamde mutatie in de totale waarde van de afgezette productie (EUR)

Mutatie in het totale aantal groente- en fruitproducenten dat actief lid (8) is van de betrokken PO/UPO (aantal)

Mutatie in het totale groente- en fruitteeltareaal van de leden van de betrokken producentenorganisatie/unie van producentenorganisaties (ha)

Noot: De referentiesituatie voor de beoordeling van mutaties is de situatie aan het begin van het programma.

5.   GEMEENSCHAPPELIJKE UITGANGSSITUATIE-INDICATOREN

Noot:

De uitgangssituatie-indicatoren dienen voor het analyseren van de situatie aan het begin van de programmeringsperiode. Sommige uitgangssituatie-indicatoren zijn slechts relevant voor de individuele operationele programma's op het niveau van de producentenorganisatie (bijv. hoeveelheid van de productie die tegen minder dan 80 % van de door de PO/UPO ontvangen gemiddelde prijs is afgezet). Andere gemeenschappelijke uitgangssituatie-indicatoren zijn tevens relevant voor de nationale strategieën op het niveau van de lidstaten (bijv. de totale waarde van de afgezette productie).

Normaliter moeten de uitgangssituatie-indicatoren worden berekend als driejaarsgemiddelden. Indien geen gegevens beschikbaar zijn, moeten deze worden berekend aan de hand van gegevens over ten minste één jaar.

Doelstellingen

Uitgangssituatie-indicatoren met betrekking tot de doelstellingen

Brede doelstellingen

Indicator

Definitie (en meting)

Vergroting van het concurrentievermogen

Totale waarde van de afgezette productie

Totale waarde van de afgezette productie van de PO/UPO (EUR)

Aantrekkelijker maken van het lidmaatschap van de producentenorganisatie

Aantal groente- en fruitproducenten dat actief lid is van de betrokken PO/UPO

Aantal groente- en fruitproducenten dat actief lid (9) is van de betrokken PO/UPO

Totaal groente- en fruitteeltareaal van de leden van de betrokken PO/UPO

Totaal groente- en fruitteeltareaal van de leden van de PO/UPO (ha)

Specifieke doelstellingen

 

 

Bevordering van de concentratie van het aanbod

Totaal volume van de afgezette productie

Totale volume van de afgezette productie van de PO/UPO (ton)

Bevordering van de afzet van producten van de leden

Afstemming van de productie op de vraag, wat kwaliteit en hoeveelheden betreft

Volume van de afgezette productie dat voldoet aan de voorschriften van een specifieke „kwaliteitsregeling” (10), naar voornaamste soorten „kwaliteitsregelingen” (ton)

Verhoging van de commerciële waarde van de producten

Gemiddelde waarde per eenheid van de afgezette productie

Totale waarde van de afgezette productie/totaal volume van de afgezette productie (EUR/kg)

Bevordering van kennis en verbetering van het menselijk potentieel

Aantal deelnemers aan opleidingsactiviteiten

Aantal mensen dat de afgelopen drie jaar alle opleidingsactiviteiten/het volledige opleidingsprogramma heeft gevolgd (aantal)

 

Aantal bedrijven dat gebruikmaakt van adviesdiensten

Bij een PO/UPO aangesloten bedrijven dat gebruikmaakt van adviesdiensten (aantal)

Doelstellingen

Uitgangssituatie-indicatoren met betrekking tot de doelstellingen

Indicator

Definitie (en meting)

Specifieke milieudoelstellingen

Bodembescherming

Areaal dat met bodemerosie wordt bedreigd, met vermelding van erosiebestrijdingsmaatregelen

Groente- en fruitareaal dat met bodemerosie wordt bedreigd (11) en waarvoor erosiebestrijdingsmaatregelen worden uitgevoerd (ha)

Behoud en verbetering van de waterkwaliteit

Areaal met verlaagd gebruik/beter beheer van meststoffen

Groente- en fruitareaal met verlaagd gebruik of beter beheer van meststoffen (ha)

Duurzaam watergebruik

Areaal met waterbesparingsmaatregelen

Fruit- en groenteareaal met waterbesparingsmaatregelen (ha)

Bescherming van habitat en biodiversiteit en instandhouding van het landschap

Biologische productie

Areaal met biologische groente- en/of fruitteelt (ha)

Geïntegreerde productie

Areaal met geïntegreerde groente- en/of fruitteelt (ha)

Andere acties op het gebied van de bescherming van habitat en biodiversiteit en de instandhouding van het landschap

Areaal waarop andere acties op het gebied van de bescherming van habitat en biodiversiteit en de instandhouding van het landschap worden toegepast (ha)

Mitigatie van klimaatverandering

Kasverwarming — energie-efficiëntie

Geraamd jaarlijks energieverbruik voor kasverwarming, per energiebron (ton/liter/m3/kWh per ton afgezette productie)

Beperking van het volume geproduceerd afval

Hoeveelheid of volume afval

Ton/liter/m3


(1)  Elke dag van een afzetbevorderingscampagne geldt als één actie.

(2)  Uitdemarktnemingen van één product in verschillende perioden van het jaar en uitdemarktnemingen van verschillende producten gelden als verschillende acties. Elke uitdemarktneming van een bepaald product geldt als één actie.

(3)  Groen oogsten en niet oogsten van verschillende producten gelden als verschillende acties. Groen oogsten en niet oogsten van één product geldt als één actie, ongeacht het aantal daardoor in beslag genomen dagen, het aantal deelnemende bedrijven en het aantal betrokken percelen of hectaren.

(4)  Acties voor het opzetten van verschillende onderlinge fondsen gelden als verschillende acties.

(5)  Met inbegrip van niet-productieve investeringen die verbonden zijn met de in het kader van andere milieuacties aangegane verbintenissen.

(6)  Met inbegrip van andere vormen van verwerving van vaste activa die verbonden zijn met de in het kader van andere milieuacties aangegane verbintenissen.

(7)  Onder voorschriften inzake „kwaliteit” wordt hier verstaan: een reeks nadere voorschriften voor de productiemethoden: a) waarbij een onafhankelijke controle-instantie controleert of deze worden nageleefd en b) die leiden tot een eindproduct waarvan de kwaliteit: i) duidelijk uitstijgt boven de in de handel gangbare normen voor volksgezondheid, plantengezondheid en milieu en ii) aansluit bij de bestaande en te verwachten afzetmogelijkheden. De voornaamste „kwaliteitsregelingen” zijn onder meer: a) gecertificeerde biologische productie, b) beschermde geografische aanduidingen en beschermde oorsprongsbenamingen, c) gecertificeerde geïntegreerde productie, d) particuliere gecertificeerde kwaliteitsregelingen voor producten.

(8)  Actieve leden zijn leden die producten leveren aan de PO/UPO.

(9)  Actieve leden zijn leden die producten leveren aan de PO/UPO.

(10)  Onder voorschriften inzake „kwaliteit” wordt hier verstaan: een reeks nadere voorschriften voor de productiemethoden: a) waarbij een onafhankelijke controle-instantie controleert of deze worden nageleefd en b) die leiden tot een eindproduct waarvan de kwaliteit: i) duidelijk uitstijgt boven de in de handel gangbare normen voor volksgezondheid, plantengezondheid en milieu en ii) aansluit bij de bestaande en te verwachten afzetmogelijkheden. De voornaamste „kwaliteitsregelingen” zijn: a) gecertificeerde biologische productie, b) beschermde geografische aanduidingen en beschermde oorsprongsbenamingen, c) gecertificeerde geïntegreerde productie, d) particuliere gecertificeerde kwaliteitsregelingen voor producten.

(11)  Bedoeld wordt: de bodemerosie die dreigt op schuin aflopende percelen met een helling van meer dan 10 %, ongeacht of erosiebestrijdingsmaatregelen (zoals bodembedekking en vruchtwisseling) zijn getroffen. Lidstaten die over de relevante informatie beschikken, mogen in plaats daarvan de volgende definitie gebruiken: als een met bodemerosie bedreigd perceel wordt beschouwd elk perceel waar het voorspelde bodemverlies groter is dan de natuurlijke bodemvorming, ongeacht of erosiebestrijdingsmaatregelen (zoals bodembedekking en vruchtwisseling) zijn getroffen.


BIJLAGE III

Minimumeisen voor uit de markt genomen producten als bedoeld in artikel 15, lid 2

1.

Deze producten moeten als volgt zijn:

intact,

gezond; niet toegestaan zijn producten die zijn aangetast door rot of die een zodanige kwaliteitsvermindering vertonen dat zij niet meer geschikt zijn voor consumptie,

zuiver, nagenoeg vrij van zichtbare ongerechtigheden,

nagenoeg vrij van plagen en van aantastingen door plagen,

vrij van abnormaal uitwendig vocht,

vrij van een vreemde geur en/of smaak.

2.

De producten moeten, rekening houdend met de aard ervan, voldoende ontwikkeld en voldoende rijp zijn.

3.

De producten moeten de kenmerken van de variëteit en het handelstype hebben.


BIJLAGE IV

Vervoerskosten in verband met gratis verstrekking als bedoeld in artikel 16, lid 1

Afstand tussen de plaats van uitdemarktneming en de plaats van levering

Vervoerskosten (EUR/ton) (1)

Minder dan of gelijk aan 25 km

18,20

Meer dan 25 km maar minder dan of gelijk aan 200 km

41,40

Meer dan 200 km maar minder dan of gelijk aan 350 km

54,30

Meer dan 350 km maar minder dan of gelijk aan 500 km

72,60

Meer dan 500 km maar minder dan of gelijk aan 750 km

95,30

Meer dan 750 km

108,30


(1)  Toeslag voor gekoeld vervoer: 8,50 EUR/t.


BIJLAGE V

Sorteer- en verpakkingskosten als bedoeld in artikel 17, lid 1

Product

Sorteer- en verpakkingskosten (EUR/ton)

Appelen

187,70

Peren

159,60

Sinaasappelen

240,80

Clementines

296,60

Perziken

175,10

Nectarines

205,80

Watermeloenen

167,00

Bloemkool

169,10

Andere producten

201,10


BIJLAGE VI

Op de verpakking van producten aan te brengen vermeldingen als bedoeld in artikel 17, lid 2

Продукт, предназначен за безплатна дистрибуция (Регламент за изпълнение (ЕC) 2017/… )

Producto destinado a su distribución gratuita [Reglamento de ejecución (UE) 2017/… ]

Produkt určený k bezplatné distribuci [prováděcí nařízení (EU) 2017/… ]

Produkt til gratis uddeling (gennemførelsesforordning (EU) 2017/… )

Zur kostenlosen Verteilung bestimmtes Erzeugnis (Durchführungsverordnung (EU) 2017/… )

Tasuta jagamiseks mõeldud tooted [rakendusmäärus (EL) 2017/… ]

Προϊόν προοριζόμενο για δωρεάν διανομή [εκτελεστικός κανονισμός (ΕΕ) 2017/… ]

Product for free distribution (Implementing Regulation (EU) 2017/… )

Produit destiné à la distribution gratuite [règlement d'exécution (UE) 2017/… ]

Proizvod za slobodnu distribuciju (Provedbena uredba (EU) 2017/… )

Prodotto destinato alla distribuzione gratuita [regolamento di esecuzione (UE) 2017/… ]

Produkts paredzēts bezmaksas izplatīšanai [Īstenošanas regula (ES) 2017/… ]

Nemokamai platinamas produktas [Įgyvendinimo reglamentas (ES) 2017/… ]

Ingyenes szétosztásra szánt termék ((EU) 2017/… végrehajtási rendelet)

Prodott destinat għad-distribuzzjoni bla ħlas [Regolament ta' implimentazzjoni (UE) 2017/… ]

Voor gratis verstrekking bestemd product (Uitvoeringsverordening (EU) 2017/… )

Produkt przeznaczony do bezpłatnej dystrybucji [Rozporządzenie wykonawcze (UE) 2017/… ]

Produto destinado a distribuição gratuita [Regulamento de execução (UE) 2017/… ]

Produs destinat distribuirii gratuite [Regulamentul de punere în aplicare (UE) 2017/… ]

Výrobok určený na bezplatnú distribúciu [vykonávacie nariadenie (EÚ) 2017/… ]

Proizvod, namenjen za prosto razdelitev [Izvedbena uredba (EU) 2017/… ]

Ilmaisjakeluun tarkoitettu tuote (täytäntöönpanoasetus (EU) 2017/… )

Produkt för gratisutdelning (genomförandeförordning (EU) 2017/…)


BIJLAGE VII

Producten en perioden voor de toepassing van aanvullende invoerrechten als bedoeld in artikel 39

Onverminderd de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur wordt de omschrijving van de producten als louter indicatief beschouwd. Voor de toepassing van deze bijlage wordt de werkingssfeer van de aanvullende rechten bepaald door de draagwijdte van de GN-codes zoals deze bij de vaststelling van de onderhavige verordening bestaan.

Volgnummer

GN-code

Omschrijving product

Toepassingsperiode

78.0015

0702 00 00

Tomaten

1 oktober t/m 31 mei

78.0020

1 juni t/m 30 september

78.0065

0707 00 05

Komkommers

1 mei t/m 31 oktober

78.0075

1 november t/m 30 april

78.0085

0709 91 00

Artisjokken

1 november t/m 30 juni

78.0100

0709 93 10

Courgettes

1 januari t/m 31 december

78.0110

0805 10 20

Sinaasappelen

1 december t/m 31 mei

78.0120

0805 20 10

Clementines

1 november t/m eind februari

78.0130

0805 20 30 0805 20 50 0805 20 70 0805 20 90

Mandarijnen (tangerines en satsuma's daaronder begrepen); wilkings en soortgelijke kruisingen van citrusvruchten

1 november t/m eind februari

78.0155

0805 50 10

Citroenen

1 juni t/m 31 december

78.0160

1 januari t/m 31 mei

78.0170

0806 10 10

Tafeldruiven

16 juli t/m 16 november

78.0175

0808 10 80

Appelen

1 januari t/m 31 augustus

78.0180

1 september t/m 31 december

78.0220

0808 30 90

Peren

1 januari t/m 30 april

78.0235

1 juli t/m 31 december

78.0250

0809 10 00

Abrikozen

1 juni t/m 31 juli

78.0265

0809 29 00

Kersen, andere dan zure kersen

16 mei t/m 15 augustus

78.0270

0809 30

Perziken, nectarines daaronder begrepen

16 juni t/m 30 september

78.0280

0809 40 05

Pruimen

16 juni t/m 30 september


25.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 138/92


VERORDENING (EU) 2017/893 VAN DE COMMISSIE

van 24 mei 2017

tot wijziging van de bijlagen I en IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad, en van de bijlagen X, XIV en XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie wat de bepalingen inzake verwerkte dierlijke eiwitten betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name artikel 23, eerste alinea,

Gezien Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (2), en met name artikel 31, lid 2, tweede alinea, artikel 41, lid 3, derde alinea, en artikel 42, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn voorschriften vastgesteld inzake de preventie, bestrijding en uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij runderen, schapen en geiten. De verordening is van toepassing op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong, en in een aantal specifieke gevallen op de uitvoer daarvan.

(2)

Krachtens artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 999/2001 is het gebruik van van dieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers verboden. In artikel 7, lid 2, van die verordening wordt dat verbod uitgebreid tot niet-herkauwers en beperkt, voor wat betreft de voedering van dergelijke dieren, tot producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig bijlage IV bij die verordening.

(3)

In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt het verbod van artikel 7, lid 1, uitgebreid tot het vervoederen aan niet-herkauwende landbouwhuisdieren, met uitzondering van vleesetende pelsdieren, van onder meer verwerkte dierlijke eiwitten. Bij wijze van afwijking van dat verbod en onder specifieke voorwaarden kan krachtens bijlage IV, hoofdstuk II, onder punt c), het vervoederen van verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van niet-herkauwers, echter enkel aan aquacultuurdieren worden toegestaan, op voorwaarde dat de verwerkte dierlijke eiwitten en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten overeenkomstig bijlage IV, hoofdstuk IV, deel D, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden geproduceerd. Dit deel bepaalt momenteel dat de dierlijke bijproducten die worden gebruikt voor de productie van dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig moeten zijn van slachthuizen of van uitsnijderijen. Gezien het productieproces van van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten kan in het geval van insecten niet aan deze voorwaarde worden voldaan. Als gevolg hiervan is het gebruik van van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten in diervoeders voor aquacultuurdieren momenteel niet toegestaan.

(4)

In verscheidene lidstaten is men begonnen met het kweken van insecten voor de productie van verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van die insecten of van andere insectenderivaten, bestemd voor voeder voor gezelschapsdieren. Deze productie wordt uitgevoerd volgens de nationale controleregelingen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Uit onderzoek blijkt dat gekweekte insecten een alternatieve en duurzame oplossing kunnen zijn voor de conventionele bronnen van dierlijke eiwitten voor diervoeders voor niet-herkauwende landbouwhuisdieren.

(5)

Op 8 oktober 2015 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een wetenschappelijk advies uitgebracht inzake een risicoprofiel met betrekking tot de productie en de consumptie van insecten als levensmiddelen en als diervoeders (3). Wat de risico's met betrekking tot de aanwezigheid van prionen betreft, concludeert de EFSA dat de gevaren bij niet-verwerkte insecten naar verwachting evenveel of minder zullen voorkomen vergeleken met de gevaren die in momenteel toegestane eiwitbronnen van dierlijke afkomst voorkomen, zolang de insecten gevoederd zijn met substraten die geen stoffen bevatten die afkomstig zijn van herkauwers of de mens (mest). Aangezien de verwerking van insecten het vóórkomen van biologische gevaren verder kan doen afnemen, is die conclusie ook van toepassing op van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten.

(6)

Overeenkomstig de in artikel 3, punt 6, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 vastgelegde definitie van „landbouwhuisdieren”, moeten insecten, die voor de productie van van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten worden gekweekt, worden beschouwd als landbouwhuisdieren, en zij zijn derhalve onderworpen aan de in artikel 7 van en bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 vastgelegde voorschriften inzake het voederverbod, evenals aan de in Verordening (EG) nr. 1069/2009 vastgelegde voorschriften betreffende diervoeding. Het gebruik van eiwitten van herkauwers, afval, vleesbeendermeel en mest als diervoeders voor insecten is dus verboden. Bovendien is het gebruik van faecaliën als diervoeding overeenkomstig bijlage III bij Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) verboden.

(7)

Van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en mengvoeders die dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, moeten derhalve worden toegestaan voor de voeding van aquacultuurdieren. Derhalve moet bijlage IV, hoofdstuk II, onder c), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 dienovereenkomstig worden gewijzigd, en moet in hoofdstuk IV van bijlage IV bij die verordening een deel worden toegevoegd waarin voorwaarden worden vastgelegd met betrekking tot TSE voor de productie van van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten.

(8)

Naar analogie van hetgeen reeds van toepassing is op van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en mengvoeders die dergelijke verwerkte eiwitten bevatten, die bestemd zijn voor het voederen van aquacultuurdieren, moeten specifieke voorwaarden worden bepaald voor de productie en het gebruik van van insecten afkomstige dierlijke eiwitten om een risico op versleping met andere eiwitten die een TSE-risico kunnen vormen voor herkauwers te vermijden. Naar analogie van de in deel A van hoofdstuk IV van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 vastgelegde voorwaarden, moeten met name van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten worden geproduceerd in verwerkingsbedrijven die uitsluitend van gekweekte insecten afkomstige producten vervaardigen.

(9)

In het belang van de juridische zekerheid is het bovendien passend in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 999/2001 een definitie van gekweekte insecten in te voegen.

(10)

De bijlagen I en IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

In bijlage X bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (5) zijn regels vastgelegd voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009, waaronder parameters voor de productie van veilige diervoeders van dierlijke oorsprong voor de voeding van landbouwhuisdieren. Enkel dierlijke bijproducten en afgeleide producten die overeenstemmen met de eisen in bijlage X bij Verordening (EU) nr. 142/2011 mogen worden vervoederd aan herkauwers, andere dan pelsdieren. Hoewel levende en gedroogde insecten in voeder voor landbouwhuisdieren niet onder bijlage X bij die verordening vallen, is het gebruik van gedroogde insecten in of als voeder voor gezelschapsdieren onderworpen aan bijlage XIII bij de bovengenoemde verordening.

(12)

De wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 om van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten voor de voeding van aquacultuurdieren toe te staan, zal waarschijnlijk de mogelijkheid openen voor een grotere productie van van insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten in de Unie. Hoewel de huidige insectenteelt voor voeder voor gezelschapsdieren op kleine schaal door de bestaande nationale controleregelingen kan worden aangepakt, zijn de bepalingen van de Unie inzake diergezondheid, volksgezondheid, plantgezondheid of milieurisico's passend om de veilige insectenteelt op grote schaal binnen de Unie te waarborgen. De in de Unie geteelde insectensoorten mogen niet pathogeen zijn of een ander nadelig effect hebben op de plant-, dier- of menselijke gezondheid, noch mogen zij worden herkend als vectoren van menselijke, dierlijke of plantpathogenen, en mogen zij niet worden beschermd of gedefinieerd als invasieve uitheemse soorten. Rekening houdend met deze nationale risicobeoordelingen en met het advies van de EFSA van 8 oktober 2015, kunnen de volgende insectensoorten worden geïdentificeerd als de soorten die momenteel in de Unie worden geteeld en die aan de bovengenoemde veiligheidsvoorwaarden voor de productie van insecten voor gebruik in diervoeders voldoen: de zwarte soldaatvlieg (Hermetica illucens), de huisvlieg (Musca domestica), de meeltor (Tenebrio molitor), de piepschuimkever (Alphitobius diaperinus), de huiskrekel (Acheta domesticus), de dierentuinkrekel (Gryllodes sigillatus) en de steppenkrekel (Gryllus assimilis).

(13)

Bijlage X bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet derhalve worden gewijzigd om in afdeling 1 van hoofdstuk II een lijst van insectensoorten toe te voegen die kunnen worden gebruikt voor de productie van van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten. Deze lijst moet de bovengenoemde insectensoorten bevatten en kan later op grond van een beoordeling van de risico's die de insectensoorten voor de diergezondheid, volksgezondheid, plantgezondheid of het milieu kunnen vormen, worden gewijzigd.

(14)

In bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 zijn eisen inzake de invoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten uit derde landen vastgesteld. De veiligheidsvoorschriften voor het kweken van insecten voor gebruik in voeder voor aquacultuurdieren en voor het in de handel brengen van van die insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten, met name wat betreft de insectensoorten die mogen worden gebruikt en het voeder dat aan de insecten mag worden gegeven, moeten ook van toepassing zijn op de invoer uit derde landen. De afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk I van bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moeten derhalve worden gewijzigd om die eisen voor invoer in de Unie vast te leggen.

(15)

In bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 zijn modellen van gezondheidscertificaten voor de invoer in de Unie van dierlijke bijproducten vastgesteld. Het in hoofdstuk I van bijlage XV bij die verordening vastgestelde model van gezondheidscertificaat is van toepassing op de invoer in de Unie van verwerkte dierlijke eiwitten. Voor de invoer van van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten moet een nieuw model van gezondheidscertificaat worden vastgesteld dat de specifieke eisen omvat voor het telen van gekweekte insecten voor de productie van verwerkte dierlijke eiwitten, zoals genoemd in bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 142/2011, evenals de andere relevante eisen voor de invoer van verwerkte dierlijke eiwitten. Derhalve moet in hoofdstuk 1 van bijlage XV een nieuw model van het gezondheidscertificaat voor de invoer van van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten worden ingevoerd.

(16)

Bovendien moet het in hoofdstuk I van bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 ingevoerde nieuwe model van het gezondheidscertificaat ook rekening houden met de wijziging door Verordening (EU) 2016/1396 van de Commissie (6) met betrekking tot TSE, die van toepassing is op de invoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten van runderen, schapen of geiten, zoals vastgesteld in hoofdstuk D van bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001.

(17)

De bijlagen X, XIV en XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(18)

In bijlage IV, hoofdstuk III, deel A, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn eisen vastgelegd om versleping tussen enerzijds vismeel, dicalcium- en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong, bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers, alsook mengvoeders die deze producten bevatten, die bestemd zijn voor het voederen van niet-herkauwende landbouwhuisdieren, en anderzijds diervoeders voor herkauwers tijdens bulkvervoer te voorkomen. Gezien een gelijkaardig risico op versleping zich kan voordoen wanneer die materialen in bulk zijn opgeslagen, moeten de eisen van deel A van hoofdstuk III van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden uitgebreid om de opslag in bulk van vismeel, dicalcium- en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong, bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers en mengvoeders die deze materialen bevatten te dekken.

(19)

In bijlage IV, hoofdstuk V, deel B, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn eisen vastgelegd om versleping tussen enerzijds voedermiddelen in bulk en mengvoeders in bulk die andere van herkauwers afkomstige producten dan melk en producten op basis van melk, dicalcium- en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong en gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van huiden en vellen van herkauwers bevatten, en anderzijds diervoeders voor landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren tijdens vervoer te voorkomen. Aangezien een gelijkaardig risico op versleping zich kan voordoen wanneer die materialen in bulk zijn opgeslagen, moeten de eisen van bijlage IV, hoofdstuk V, deel B, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden uitgebreid en eveneens van toepassing zijn op de opslag in bulk van voedermiddelen en mengvoeders die andere van herkauwers afkomstige producten dan melk en producten op basis van melk, dicalcium- en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong en gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van huiden en vellen van herkauwers bevatten.

(20)

Uit hoofde van bijlage IV, hoofdstuk IV, deel D, onder a), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten dierlijke bijproducten gebruikt voor de productie van verwerkte dierlijke eiwitten, andere dan vismeel, afkomstig van niet-herkauwers en die bestemd voor gebruik in voeder voor aquacultuurdieren, afkomstig zijn van slachthuizen die geen herkauwers slachten en van uitsnijderijen die geen vlees van herkauwers uitbenen of versnijden. In punt a) wordt voorzien in een afwijking van die voorwaarde voor slachthuizen die doeltreffende maatregelen treffen om versleping tussen bijproducten van herkauwers en niet-herkauwers te voorkomen en die door de bevoegde autoriteit zijn geïnspecteerd en op die grond zijn toegestaan.

(21)

Om het gebruik van meer soorten grondstoffen mogelijk te maken voor de productie van van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bestemd voor gebruik in voeder voor aquacultuurdieren of bestemd voor uitvoer, is het passend bijlage IV, hoofdstuk IV, deel D, onder a), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 te wijzigen zodat het gebruik van dierlijke bijproducten afkomstig van andere inrichtingen dan slachthuizen of uitsnijderijen wordt toegestaan, op voorwaarde dat die andere inrichtingen uitsluitend materiaal van niet-herkauwers vervaardigen, of van de bevoegde autoriteit toestemming hebben gekregen na een inspectie ter plaatse, op basis van dezelfde kanalisatievoorschriften als voorzien in de bestaande afwijking voor slachthuizen, aangezien die kanalisatievoorschriften de nodige garanties bieden voor het voorkomen en controleren van versleping. Het is tevens passend de bestaande afwijking voor slachthuizen uit te breiden tot uitsnijderijen, op voorwaarde dat dezelfde kanalisatievoorschriften worden toegepast. Bijlage IV, hoofdstuk IV, deel D, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(22)

Uit hoofde van bijlage IV, hoofdstuk IV, deel A, onder b), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten op het begeleidende handelsdocument of op het gezondheidscertificaat en op de verpakking van vismeel en van vismeel bevattende mengvoeders duidelijk de woorden „bevat vismeel — niet geschikt voor herkauwers” worden vermeld. Het in artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 vermelde handelsdocument of gezondheidscertificaat is echter niet vereist voor mengvoeders. Het is derhalve passend bijlage IV, hoofdstuk IV, deel A, onder b), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 te wijzigen om te verduidelijken dat de woorden „bevat vismeel — niet geschikt voor herkauwers” in het geval van vismeel bevattende mengvoeders enkel op het etiket van de mengvoeders moeten worden vermeld. Deel B, punt d) van deel C en punt e) van deel D van hoofdstuk IV van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten in dit verband ook worden gewijzigd.

(23)

Uit hoofde van bijlage IV, hoofdstuk V, deel C, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt de productie van voeder voor landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, in inrichtingen die voeder vervaardigen voor gezelschapsdieren of voor pelsdieren die producten van herkauwers bevatten die verboden zijn voor gebruik in voeder voor landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, verboden. Voor inrichtingen die voeder vervaardigen voor gezelschapsdieren of voor pelsdieren die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, afkomstig van niet-herkauwers, andere dan vismeel, moet een gelijkaardig verbod worden vastgesteld om de afwezigheid van versleping van voeder voor herkauwers, andere dan pelsdieren of aquacultuurdieren met in dergelijke diervoeder verboden producten, te waarborgen. Bijlage IV, hoofdstuk V, deel C, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(24)

Uit hoofde van bijlage IV, hoofdstuk V, deel E, punt 1, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 is de uitvoer van van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten verboden. Dat verbod was oorspronkelijk bedoeld om de verspreiding van boviene spongiforme encefalopathie (BSE) te beperken, ten tijde van de BSE-epidemie in de Unie toen vooral Europa door deze epidemie werd getroffen. De situatie in de Unie rond BSE is echter significant verbeterd. In 2015 werden in de Unie vijf gevallen van BSE gemeld, tegenover 2 166 gemelde gevallen in 2001. Deze verbetering in de situatie rond BSE in de Unie komt tot uiting in het feit dat 23 lidstaten nu worden erkend als landen met een verwaarloosbaar BSE-risico overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG van de Commissie (7), op basis van de internationaal erkende BSE-risicostatus van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE).

(25)

Het verbod op de uitvoer van van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten moet derhalve worden opgeheven en worden vervangen door specifieke voorwaarden die moeten worden nageleefd om, in vergelijking met de huidige epidemiologische situatie voor BSE, de last voor handel te verminderen en meer proportionaliteit te brengen. Die voorwaarden moeten er met name voor zorgen dat de uitgevoerde producten geen vleesbeendermeel bevatten, waarvan de uitvoer uit hoofde van artikel 43, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 niet is toegestaan. Aangezien vleesbeendermeel gespecifieerd risicomateriaal kan bevatten of afkomstig kan zijn van dieren die door een andere oorzaak dan slachting voor menselijk gebruik zijn gestorven, vormt vleesbeendermeel een hoger BSE-risico en zou het derhalve niet mogen worden uitgevoerd.

(26)

Om ervoor te zorgen dat de uitgevoerde van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten geen vleesbeendermeel bevatten en niet zijn gebruikt voor andere doeleinden dan toegestaan door de wetgeving van de Unie, moeten de van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten in hermetisch gesloten recipiënten rechtsreeks worden vervoerd van het verwerkingsbedrijf naar de plaats van uitgang uit de Unie, die een grensinspectiepost moet zijn die is opgenomen in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG van de Commissie (8), om officiële controles mogelijk te maken. Dergelijke officiële controles moeten volgens de bestaande officiële controleprocedures worden uitgevoerd, met name het handelsdocument overeenkomstig het in bijlage VIII, hoofdstuk III, punt 6, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 opgestelde model en de communicatie tussen bevoegde autoriteiten via het geïntegreerd veterinair computersysteem (Traces), ingevoerd bij Beschikking 2004/292/EG van de Commissie (9).

(27)

Overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 moet het verwerkingsbedrijf worden erkend voor de verwerking van categorie 3-materiaal en overeenkomstig artikel 45 van die verordening moet het onderworpen zijn aan regelmatige officiële controles, inclusief wat betreft de door die verordening vereiste duurzame merking van categorie 1- en 2-materiaal, wanneer het verwerkingsbedrijf ook is erkend voor de verwerking van categorie 1- en/of 2-materiaal.

(28)

Uit hoofde van bijlage IV, hoofdstuk V, deel E, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet mengvoeder dat van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevat en dat bestemd is voor uitvoer, overeenkomstig bepaalde voorschriften worden geproduceerd, met name verwijzend naar bijlage IV, hoofdstuk V, deel A, onder e), bij die verordening, die op zijn beurt verwijst naar deel D van hoofdstuk IV van die bijlage. Gezien die kruisverwijzingen hebben geleid tot verschillende interpretaties, is het passend bijlage IV, hoofdstuk V, deel E, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 te herformuleren ter verduidelijking van de voorwaarden die van toepassing zijn op de productie van van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten of mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten, bestemd voor de uitvoer uit de Unie.

(29)

Met name de verwijzing in bijlage IV, hoofdstuk V, deel E, punt 2, onder b), bij Verordening (EG) nr. 999/2001, met betrekking tot de uitvoer van mengvoeders die van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, naar punt d) van deel D van hoofdstuk IV van die bijlage, met betrekking tot de productie van van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten voor de voeding van aquacultuurdieren, is niet aan alle gevallen aangepast. Hoewel de mengvoederinrichting zich uit hoofde van bijlage IV, hoofdstuk IV, deel D, onder d), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 uitsluitend mag toeleggen op de productie van voeders voor aquacultuurdieren, of toestemming krijgt op basis van getroffen maatregelen om versleping tussen voeders voor aquacultuurdieren en voeders voor andere landbouwhuisdieren tegen te gaan, vormt bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001, in het geval van uitvoer, geen beperking voor de soorten waar de uitgevoerde mengvoeders in het derde land aan mogen worden gevoed. De versleping die in dit geval moet worden tegengegaan, is dus die tussen de uitgevoerde mengvoeders die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, afkomstig van niet-herkauwers, en de voeders voor andere landbouwhuisdieren dan aquacultuurdieren die in de Unie in de handel worden gebracht. Bijlage IV, hoofdstuk V, deel E, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(30)

De in de bovenstaande overwegingen beschreven wijzigingen betreffende 1) de opslag van bepaalde voedermiddelen en mengvoeders, 2) de productie van van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten, 3) de uitvoer van mengvoeders die van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten en 4) het gebruik van grondstoffen van andere inrichtingen dan slachthuizen en uitsnijderijen voor de verwerking van van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten, omvatten eisen voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten om op grond van de naleving van die eisen bepaalde inrichtingen te registreren of te erkennen. Bijlage IV, hoofdstuk V, deel A, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet derhalve worden gewijzigd zodat de verplichting voor de lidstaten, om openbare lijsten van die inrichtingen bij te houden en openbaar te maken, eraan kan worden toegevoegd.

(31)

Om de last voor de bevoegde autoriteiten te beperken, moet de bekendmaking van de lijsten van exploitanten worden beperkt tot die gevallen waarbij dergelijke bekendmaking noodzakelijk is voor de exploitanten om te bepalen welke mogelijke leveranciers aan de eisen van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 voldoen, en voor de bevoegde autoriteiten om de naleving van die eisen doorheen de productieketen te controleren. Bijlage IV, hoofdstuk V, deel A moet derhalve worden gewijzigd om de lijsten van geregistreerde zelf mengende veehouders uit te sluiten van de verplichting om openbaar te worden gemaakt.

(32)

Aangezien de lidstaten en exploitanten voldoende tijd nodig hebben om zich aan te passen aan de door deze verordening aangebrachte wijzigingen in deel A van hoofdstuk III wat betreft de opslag van bepaalde voedermiddelen in bulk en mengvoeders, en bijlage IV, hoofdstuk V, delen A, B, en C, bij Verordening (EG) nr. 999/2001, wat betreft de lijsten van inrichtingen die overeenkomstig bepaalde eisen van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 produceren, wat betreft de opslag van diervoeders die van herkauwers afkomstige producten bevatten, en wat betreft de productie van voeder voor gezelschapsdieren die van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, moeten deze wijzigingen met ingang van 1 januari 2018 van toepassing zijn.

(33)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

De bijlagen X, XIV en XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2017.

De onderstaande door deze verordening aangebrachte wijzigingen aan bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zullen echter pas van toepassing zijn vanaf 1 januari 2018:

a)

de door bijlage I, punt 2, onder b), i), bij deze verordening aan deel A van hoofdstuk III van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 aangebrachte wijzigingen; alsmede

b)

de door bijlage I, punt 2, onder d), i), bij deze verordening aan bijlage IV, hoofdstuk V, delen A, B en C, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 aangebrachte wijzigingen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(3)  Scientific Opinion on a Risk profile related to production and consumption of insects as food and feed, The EFSA Journal (2015);13(10):4257.

(4)  Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2016/1396 van de Commissie van 18 augustus 2016 tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 225 van 19.8.2016, blz. 76).

(7)  Beschikking 2007/453/EG van de Commissie van 29 juni 2007 tot vaststelling van de BSE-status van lidstaten, derde landen of gebieden daarvan naargelang van hun BSE-risico (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 84).

(8)  Beschikking 2009/821/EG van de Commissie van 28 september 2009 tot opstelling van een lijst van erkende grensinspectieposten, tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor door de veterinaire deskundigen van de Commissie uitgevoerde inspecties en tot vaststelling van de veterinaire eenheden in Traces (PB L 296 van 12.11.2009, blz. 1).

(9)  Beschikking 2004/292/EG van de Commissie van 30 maart 2004 betreffende de toepassing van het TRACES-systeem en tot wijziging van Beschikking 92/486/EEG (PB L 94 van 31.3.2004, blz. 63).


BIJLAGE I

De bijlagen I en IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan punt 1, onder d), wordt het volgende punt iv) toegevoegd:

„iv)

„etiket” in artikel 3, lid 2, onder t).”,

b)

aan punt 2 worden de volgende punten toegevoegd:

„m)   „gekweekte insecten”: landbouwhuisdieren, zoals beschreven in artikel 3, lid 6, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, van die insectensoorten die zijn toegestaan voor de productie van verwerkte dierlijke eiwitten, overeenkomstig bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 1, deel A, punt 2, bij Verordening (EU) nr. 142/2011;

n)   „zelf mengende veehouders”: veehouders die mengvoeders mengen voor het exclusieve gebruik in hun eigen bedrijf.”.

2)

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

in hoofdstuk II wordt punt c) vervangen door:

„c)

aquacultuurdieren van de volgende voedermiddelen en mengvoeders:

i)

verwerkte dierlijke eiwitten, andere dan vismeel en van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van niet-herkauwers, en mengvoeders die dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten bevatten en die worden geproduceerd, in de handel gebracht en gebruikt overeenkomstig de in hoofdstuk III vermelde algemene voorwaarden en de in deel D van hoofdstuk IV vermelde specifieke voorwaarden;

ii)

van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en mengvoeders die dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten bevatten en die worden geproduceerd, in de handel gebracht en gebruikt overeenkomstig de in hoofdstuk III vermelde algemene voorwaarden en de in deel F van hoofdstuk IV vermelde specifieke voorwaarden”,

b)

hoofdstuk III wordt als volgt gewijzigd:

i)

deel A wordt vervangen door:

„DEEL A

Vervoer en opslag van voedermiddelen en mengvoeders die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het voederen van niet-herkauwende landbouwhuisdieren

1.

De volgende producten die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het voederen van niet-herkauwende landbouwhuisdieren worden vervoerd in voertuigen of containers en opgeslagen in opslagfaciliteiten die niet worden gebruikt voor het vervoer of de opslag van diervoeders voor herkauwers:

a)

verwerkte dierlijke eiwitten in bulk afkomstig van niet-herkauwers, met inbegrip van vismeel en verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten;

b)

dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat in bulk van dierlijke oorsprong;

c)

bloedproducten in bulk afkomstig van niet-herkauwers;

d)

mengvoeders in bulk die de onder a), b) en c) vermelde voedermiddelen bevatten.

De administratie betreffende het type vervoerde of in een opslagbedrijf opgeslagen producten wordt ten minste twee jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.

2.

In afwijking van punt 1 mogen voertuigen, containers en opslagfaciliteiten die eerder voor het vervoer of de opslag van de in dat punt vermelde producten zijn gebruikt, vervolgens voor het vervoer of de opslag van diervoeders voor herkauwers worden gebruikt, op voorwaarde dat de voertuigen, containers en opslagfaciliteiten vooraf zijn gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde gedocumenteerde procedure om versleping te voorkomen.

Telkens wanneer een dergelijke procedure wordt gebruikt, wordt de documentatie daarvan ten minste twee jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.

3.

Opslagbedrijven die overeenkomstig punt 2 de in punt 1 vermelde voedermiddelen en mengvoeders opslaan, worden door de bevoegde autoriteit erkend op basis van de controle van naleving van de in punt 2 vermelde voorwaarden.

4.

Verwerkte dierlijke eiwitten in bulk afkomstig van niet-herkauwers, met inbegrip van verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten maar met uitzondering van vismeel, en mengvoeders in bulk die dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, worden vervoerd in voertuigen en containers en opgeslagen in opslagfaciliteiten die niet worden gebruikt voor het vervoer of de opslag van diervoeders voor andere niet-herkauwende landbouwhuisdieren dan aquacultuurdieren.

5.

In afwijking van punt 4 mogen voertuigen, containers en opslagfaciliteiten die eerder voor het vervoer of de opslag van de in dat punt vermelde producten zijn gebruikt, vervolgens voor het vervoer of de opslag van diervoeders voor niet-herkauwende landbouwhuisdieren, andere dan aquacultuurdieren, worden gebruikt, op voorwaarde dat de voertuigen, containers en opslagfaciliteiten vooraf zijn gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde gedocumenteerde procedure om versleping te voorkomen.

Telkens wanneer een dergelijke procedure wordt gebruikt, wordt de documentatie daarvan ten minste twee jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.”,

ii)

in deel B wordt punt 3 vervangen door:

„3.

In afwijking van punt 1 is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit mengvoeders die de in dat punt vermelde producten bevatten, niet vereist voor zelf mengende veehouders, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

zij zijn door de bevoegde autoriteit geregistreerd als producenten van volledige diervoeders van mengvoeders die de in punt 1 vermelde producten bevatten;

b)

zij houden uitsluitend niet-herkauwende dieren;

c)

mengvoeders die vismeel bevatten en bij de productie van volledige diervoeders worden gebruikt, bevatten minder dan 50 % ruw eiwit;

d)

mengvoeders die dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong bevatten en bij de productie van volledige diervoeders worden gebruikt, bevatten minder dan 10 % totaal fosfor;

e)

mengvoeders die bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers bevatten en bij de productie van volledige diervoeders worden gebruikt, bevatten minder dan 50 % ruw eiwit.”,

iii)

in deel C wordt punt a) vervangen door:

„a)

verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers, met inbegrip van vismeel en verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten”,

iv)

in deel D, punt 1, wordt punt a) vervangen door:

„a)

verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers, met inbegrip van vismeel en verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten”,

c)

hoofdstuk IV wordt als volgt gewijzigd:

i)

in deel A wordt punt b) vervangen door:

„b)

op het in artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde begeleidende handelsdocument of het gezondheidscertificaat, naargelang van het geval, alsook op het etiket van vismeel, worden duidelijk de woorden „Vismeel — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers, behalve niet-gespeende herkauwers” vermeld;

op het etiket van vismeel bevattende mengvoeders voor niet-herkauwende landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, worden duidelijk de woorden „Bevat vismeel — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld.”,

ii)

deel B wordt vervangen door:

„DEEL B

Specifieke voorwaarden voor het gebruik van dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong en dergelijke fosfaten bevattende mengvoeders die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het voederen van niet-herkauwende landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren

a)

op het in artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde begeleidende handelsdocument of het gezondheidscertificaat, naargelang van het geval, alsook op het etiket van dicalcium-/tricalciumfosfaat, worden duidelijk de woorden „dicalcium-/tricalciumfosfaat — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld;

b)

op het etiket van dicalcium-/tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong bevattende mengvoeders voor niet-herkauwende landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, worden duidelijk de woorden „Bevat dicalcium/tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld.”,

iii)

in deel C wordt de eerste alinea van punt c) vervangen door:

„c)

de bloedproducten worden geproduceerd in verwerkingsbedrijven die uitsluitend bloed van niet-herkauwers verwerken en die door de bevoegde autoriteit als zodanig zijn geregistreerd.”,

iv)

in deel C wordt punt d) vervangen door:

„d)

op het in artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde begeleidende handelsdocument of het gezondheidscertificaat, naargelang van het geval, alsook op het etiket van bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers, worden duidelijk de woorden „Bloedproducten van niet-herkauwers — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld;

op het etiket van mengvoeders die bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers bevatten, worden duidelijk de woorden „Bevat bloedproducten van niet-herkauwers — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld.”,

v)

in deel D worden de titel van dat deel, de inleidende zin van de eerste alinea en punt a) vervangen door:

„DEEL D

Specifieke voorwaarden voor de productie en het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers, andere dan vismeel en van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten, en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het voederen van aquacultuurdieren

De volgende specifieke voorwaarden zijn van toepassing op de productie en het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers, andere dan vismeel en van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten, en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het voederen van aquacultuurdieren:

a)

de dierlijke bijproducten die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de productie van de in dit deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten zijn afkomstig van:

i)

slachthuizen die geen herkauwers slachten en die als zodanig door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd, of

ii)

uitsnijderijen die geen vlees van herkauwers uitbenen of versnijden en die als zodanig door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd, of

iii)

andere inrichtingen dan die bedoeld in i) of ii) die geen producten van herkauwers hanteren en die als zodanig door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd.

In afwijking van deze specifieke voorwaarde kan de bevoegde autoriteit toestaan dat herkauwers worden geslacht in een slachthuis waar dierlijke bijproducten van niet-herkauwers voor de productie van de in dit deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten worden geproduceerd, en dat producten van herkauwers worden gehanteerd in een uitsnijderij of een andere inrichting die dierlijke bijproducten van niet-herkauwers produceert voor de productie van de in dit deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten.

Dit kan alleen worden toegestaan als de bevoegde autoriteit bij een inspectie ter plaatse heeft geconstateerd dat de maatregelen die zijn getroffen om versleping te voorkomen, doeltreffend zijn.

Deze maatregelen omvatten ten minste de volgende eisen:

i)

het slachten van niet-herkauwers gebeurt in slachtlijnen die fysiek gescheiden zijn van de lijnen die voor het slachten van herkauwers worden gebruikt;

ii)

producten van niet-herkauwers worden gehanteerd in productielijnen die fysiek gescheiden zijn van de lijnen die voor het hanteren van producten van herkauwers worden gebruikt;

iii)

de verzameling, de opslag, het vervoer en de verpakking van dierlijke bijproducten afkomstig van niet-herkauwers vinden plaats in faciliteiten die gescheiden zijn van die voor dierlijke bijproducten afkomstig van herkauwers;

iv)

de dierlijke bijproducten afkomstig van niet-herkauwers worden regelmatig bemonsterd en geanalyseerd om de aanwezigheid van eiwitten van herkauwers op te sporen. De gebruikte analysemethode is voor dat doel wetenschappelijk gevalideerd. De frequentie van de bemonstering en de analyse wordt bepaald op basis van een risicobeoordeling die door de exploitant wordt uitgevoerd als onderdeel van zijn op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures.”,

vi)

in deel D wordt de eerste alinea van punt c) vervangen door:

„c)

de in dit deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten worden geproduceerd in verwerkingsbedrijven die zich uitsluitend toeleggen op de verwerking van de dierlijke bijproducten van niet-herkauwers die afkomstig zijn van de onder punt a) vermelde slachthuizen, uitsnijderijen of andere inrichtingen. Deze verwerkingsbedrijven worden door de bevoegde autoriteit als zodanig geregistreerd.”,

vii)

in deel D wordt in de tweede alinea van punt d) de inleidende zin van i) vervangen door:

„i)

kan de bevoegde autoriteit de productie van mengvoeders die de in dit deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, voor aquacultuurdieren in inrichtingen die ook mengvoeders voor andere landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, produceren, na een inspectie ter plaatse toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:”,

viii)

in deel D worden de punten d), onder ii), en e) vervangen door:

„ii)

is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit mengvoeders die de in dit deel genoemde verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, niet vereist voor zelf mengende veehouders, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

zij zijn door de bevoegde autoriteit als zodanig geregistreerd,

zij houden uitsluitend aquacultuurdieren, en

mengvoeders die de in dit deel genoemde verwerkte dierlijke eiwitten bevatten en die voor de productie van de volledige diervoeders worden gebruikt, bevatten minder dan 50 % ruw eiwit;

e)

op het in artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde begeleidende handelsdocument of het gezondheidscertificaat, naargelang van het geval, van de in dit deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten en op het etiket worden duidelijk de woorden „Verwerkte dierlijke eiwitten van niet-herkauwers — niet geschikt voor voeders voor andere landbouwhuisdieren dan aquacultuurdieren en pelsdieren” vermeld.

Op het etiket van mengvoeders die de in dit deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, worden duidelijk de woorden

„Bevat verwerkte dierlijke eiwitten van niet-herkauwers — niet geschikt voor vervoedering aan andere landbouwhuisdieren dan aquacultuurdieren en pelsdieren” vermeld.”,

ix)

in deel E worden de punten b) tot en met g) vervangen door:

„b)

op het in artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde begeleidende handelsdocument of het gezondheidscertificaat, naargelang van het geval, alsook op het etiket van vismeel voor gebruik in melkvervangers, worden duidelijk de woorden „Vismeel — niet geschikt voor voeders voor andere herkauwers dan gespeende herkauwers” vermeld;

c)

het gebruik van vismeel voor niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren wordt alleen toegestaan voor de productie van melkvervangers die in droge staat worden gedistribueerd en na oplossing in een bepaalde hoeveelheid vloeistof worden toegediend en die bestemd zijn voor het voederen van niet-gespeende herkauwers als aanvulling op of ter vervanging van moedermelk voordat het spenen is voltooid;

d)

vismeel bevattende melkvervangers die zijn bestemd voor niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren worden geproduceerd in inrichtingen die geen andere mengvoeders voor herkauwers vervaardigen en die daarvoor van de bevoegde autoriteit toestemming hebben gekregen.

In afwijking van die specifieke voorwaarde kan de bevoegde autoriteit de productie van andere mengvoeders voor herkauwers in inrichtingen die ook vismeel bevattende melkvervangers bestemd voor niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren vervaardigen, na een inspectie ter plaatse toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

tijdens de opslag, het vervoer en de verpakking worden andere mengvoeders voor herkauwers bewaard in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten die worden gebruikt voor vismeel in bulk en vismeel bevattende melkvervangers in bulk;

ii)

andere mengvoeders voor herkauwers worden vervaardigd in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten waar vismeel bevattende melkvervangers worden vervaardigd;

iii)

de administratie betreffende de aankoop en het gebruik van vismeel en de verkoop van vismeel bevattende melkvervangers wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;

iv)

de andere mengvoeders bestemd voor herkauwers worden regelmatig bemonsterd en geanalyseerd om te verifiëren dat zij geen niet-toegestane bestanddelen van dierlijke oorsprong bevatten; daarbij wordt gebruikgemaakt van de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 genoemde analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de controle van diervoeders; de frequentie van de bemonstering en de analyse wordt bepaald op basis van een risicobeoordeling die door de exploitant wordt uitgevoerd als onderdeel van zijn op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures; de resultaten worden ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;

e)

importeurs zien erop toe dat elke zending van ingevoerde vismeel bevattende melkvervangers pas in de Unie in het vrije verkeer worden gebracht wanneer deze overeenkomstig de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 genoemde analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de controle van diervoeders is onderzocht om te verifiëren dat zich hierin geen niet-toegestane bestanddelen van dierlijke oorsprong bevinden;

f)

op het etiket van vismeel bevattende melkvervangers die voor niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren zijn bestemd, worden duidelijk de woorden „Bevat vismeel — niet geschikt voor vervoedering aan andere herkauwers dan niet-gespeende herkauwers” vermeld;

g)

vismeel bevattende melkvervangers in bulk bestemd voor niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren worden vervoerd in voertuigen en containers en opgeslagen in opslagfaciliteiten die niet worden gebruikt voor het vervoer of de opslag van andere voor herkauwers bestemde diervoeders.

In afwijking van die specifieke voorwaarde mogen voertuigen, containers en opslagfaciliteiten die voor het vervoer of de opslag van vismeel bevattende melkvervangers in bulk voor niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren zijn gebruikt, vervolgens ook voor het vervoer of de opslag van ander bulkvoeder voor herkauwers worden gebruikt, op voorwaarde dat de voertuigen, containers en opslagfaciliteiten vooraf zijn gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde gedocumenteerde procedure om versleping te voorkomen. Telkens wanneer een dergelijke procedure wordt gebruikt, wordt de documentatie daarvan ten minste twee jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.

h)

op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, worden maatregelen genomen om te voorkomen dat vismeel bevattende melkvervangers aan andere herkauwers dan niet-gespeende herkauwers worden vervoederd. De bevoegde autoriteit stelt een lijst op van de bedrijven waar vismeel bevattende melkvervangers worden gebruikt, door middel van een systeem van voorafgaande kennisgeving door het bedrijf of een ander systeem, waarbij wordt gewaarborgd dat aan deze specifieke voorwaarde wordt voldaan.”;

x)

het onderstaande deel F wordt toegevoegd:

„DEEL F

Specifieke voorwaarden voor de productie en het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van gekweekte insecten, en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het voederen van aquacultuurdieren

De volgende specifieke voorwaarden zijn van toepassing op de productie en het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van gekweekte insecten, en mengvoeders die dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het voederen van aquacultuurdieren:

a)

verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van gekweekte insecten, worden:

i)

verwerkt in verwerkingsbedrijven die overeenkomstig artikel 24, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 zijn erkend en die uitsluitend producten afkomstig van gekweekte insecten vervaardigen, en

ii)

overeenkomstig de eisen in bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 1 bij Verordening (EU) nr. 142/2011 vervaardigd,

b)

mengvoeders die van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, moeten worden vervaardigd in inrichtingen die daartoe door de bevoegde autoriteit zijn erkend en die zich uitsluitend toeleggen op de productie van voeders voor aquacultuurdieren.

In afwijking van deze specifieke voorwaarde:

i)

kan de bevoegde autoriteit de productie van mengvoeders die van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, voor aquacultuurdieren in inrichtingen die ook mengvoeders voor andere landbouwhuisdieren, behalve pelsdieren, produceren, na een inspectie ter plaatse toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

de mengvoeders voor herkauwers worden vervaardigd en tijdens de opslag, het vervoer en de verpakking bewaard in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten waar mengvoeders voor niet-herkauwers worden vervaardigd en bewaard;

de mengvoeders voor aquacultuurdieren worden vervaardigd en tijdens de opslag, het vervoer en de verpakking bewaard in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten waar mengvoeders voor andere niet-herkauwers worden vervaardigd en bewaard;

de administratie betreffende de aankoop en het gebruik van de in dit deel genoemde verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van gekweekte insecten, en de verkoop van mengvoeders die deze eiwitten bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;

de mengvoeders voor landbouwhuisdieren, andere dan aquacultuurdieren, worden regelmatig bemonsterd en geanalyseerd om te verifiëren dat zij geen niet-toegestane bestanddelen van dierlijke oorsprong bevatten; daarbij wordt gebruikgemaakt van de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 genoemde analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de controle van diervoeders; de frequentie van de bemonstering en de analyse wordt bepaald op basis van een risicobeoordeling die door de exploitant wordt uitgevoerd als onderdeel van zijn op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures; de resultaten worden ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.

ii)

een specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit mengvoeders die van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, is niet vereist voor zelf mengende veehouders, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

zij zijn door de bevoegde autoriteit als zodanig erkend;

zij houden uitsluitend aquacultuurdieren, en

mengvoeders die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, afkomstig van gekweekte insecten, en die voor de productie van de volledige diervoeders worden gebruikt, bevatten minder dan 50 % ruw eiwit,

c)

op het in artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde begeleidende handelsdocument of het gezondheidscertificaat, naargelang van het geval, van dierlijke eiwitten, afkomstig van gekweekte insecten, en op het etiket worden duidelijk de woorden „Verwerkte eiwitten afkomstig van insecten — niet geschikt voor voeders voor andere landbouwhuisdieren dan aquacultuurdieren en pelsdieren” vermeld;

Op het etiket van mengvoeders die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, afkomstig van insecten, worden duidelijk de woorden

„Bevat verwerkte dierlijke eiwitten van niet-herkauwers — niet geschikt voor vervoedering aan andere landbouwhuisdieren dan aquacultuurdieren en pelsdieren” vermeld.”,

d)

hoofdstuk V wordt als volgt gewijzigd:

i)

de delen A, B en C worden vervangen door:

„DEEL A

Lijsten

1.

De lidstaten houden de volgende lijsten bij en maken deze openbaar:

a)

slachthuizen die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel C, onder a), de eerste alinea, als zodanig zijn geregistreerd, alsook erkende slachthuizen waarvan bloed dat geproduceerd is overeenkomstig hoofdstuk IV, deel C, onder a), de tweede, derde en vierde alinea, kan worden betrokken;

b)

verwerkingsbedrijven die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel C, onder c), de eerste alinea, als zodanig zijn geregistreerd, alsook verwerkingsbedrijven die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel C, onder c), de tweede, derde en vierde alinea, met toestemming van de bevoegde autoriteit bloedproducten produceren;

c)

slachthuizen, uitsnijderijen en andere inrichtingen die respectievelijk overeenkomstig de hoofdstuk IV, deel D, onder a), de eerste alinea, als zodanig zijn geregistreerd en vanwaar waarvan dierlijke bijproducten die zijn bestemd voor de productie van de in dat deel bedoelde verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers kunnen worden betrokken, alsook slachthuizen, uitsnijderijen en andere inrichtingen die met toestemming van de bevoegde autoriteit verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers produceren, vanwaar overeenkomstig hoofdstuk IV, deel D, onder a), de tweede, derde en vierde alinea, dierlijke bijproducten die zijn bestemd voor de productie van verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van niet-herkauwers, kunnen worden betrokken;

d)

verwerkingsbedrijven die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel D, onder c), de eerste alinea, als zodanig zijn geregistreerd, alsook verwerkingsbedrijven die met toestemming van de bevoegde autoriteit verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers produceren en die voldoen aan hoofdstuk IV, deel D, onder c), de tweede, derde en vierde alinea;

e)

erkende mengvoederinrichtingen die overeenkomstig deel B van hoofdstuk III van de bevoegde autoriteit mengvoeders vervaardigen die vismeel, dicalcium- en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong of bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers bevatten;

f)

erkende mengvoederinrichtingen die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel D, onder d), mengvoeders vervaardigen die verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers bevatten; alsook erkende mengvoederinrichtingen die overeenkomstig hoofdstuk V, deel E, punt 3, onder b), onder ii), uitsluitend mengvoeders vervaardigen voor uitvoer uit de Unie of mengvoeders voor uitvoer uit de Unie en mengvoeders voor aquacultuurdieren die in de handel moeten worden gebracht;

g)

erkende mengvoederinrichtingen die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel E, onder d), vismeel bevattende melkvervangers voor niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren vervaardigen;

h)

erkende mengvoederinrichtingen die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel F, onder b), mengvoeders vervaardigen die dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten bevatten;

i)

Overeenkomstig hoofdstuk III, deel A, punt 3, of overeenkomstig hoofdstuk V, deel E, punt 3, onder d), de derde alinea, erkende opslagbedrijven.

2.

De lidstaten houden lijsten bij van zelf mengende veehouders die overeenkomstig hoofdstuk III, deel B, punt; hoofdstuk IV, deel D, onder d), onder ii); en hoofdstuk IV, deel F, onder b), onder ii), zijn erkend.

DEEL B

Vervoer en opslag van voedermiddelen en mengvoeders die van herkauwers afkomstige producten bevatten

1.

Voedermiddelen in bulk en mengvoeders in bulk die andere dan in de volgende punten a) tot en met d) vermelde, van herkauwers afkomstige producten bevatten, worden vervoerd in voertuigen en containers en opgeslagen in opslagfaciliteiten die niet worden gebruikt voor respectievelijk het vervoer of de opslag van diervoeders voor landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren:

a)

melk, producten op basis van melk, melkderivaten, biest en biestproducten;

b)

dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong;

c)

gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van huiden en vellen van herkauwers;

d)

gesmolten vet van herkauwers met een maximumgehalte aan onoplosbare verontreinigingen van 0,15 gewichtsprocent en derivaten gemaakt van dergelijk vet.

2.

In afwijking van punt 1 mogen voertuigen, containers en opslagfaciliteiten die eerder voor het vervoer of de opslag van de in dat punt vermelde voedermiddelen in bulk en mengvoeders in bulk zijn gebruikt, vervolgens voor het vervoer of de opslag van diervoeders voor landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, worden gebruikt, op voorwaarde dat de voertuigen, containers en opslagfaciliteiten vooraf zijn gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde gedocumenteerde procedure om versleping te voorkomen.

Telkens wanneer een dergelijke procedure wordt gebruikt, wordt de documentatie daarvan ten minste twee jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.

DEEL C

Productie van mengvoeders voor pelsdieren of voor gezelschapsdieren die van herkauwers of niet-herkauwers afkomstige producten bevatten

1.

Mengvoeders voor pelsdieren of gezelschapsdieren die andere dan de in de punten a) tot en met d) vermelde, van herkauwers afkomstige producten bevatten, worden niet geproduceerd in inrichtingen die voeders voor landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, vervaardigen:

a)

melk, producten op basis van melk, melkderivaten, biest en biestproducten;

b)

dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong;

c)

gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van huiden en vellen van herkauwers;

d)

gesmolten vet van herkauwers met een maximumgehalte aan onoplosbare verontreinigingen van 0,15 gewichtsprocent en derivaten gemaakt van dergelijk vet.

2.

Mengvoeders voor pelsdieren of voor gezelschapsdieren die van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, andere dan vismeel, worden niet geproduceerd in inrichtingen die voeders voor landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren of aquacultuurdieren, vervaardigen.”,

ii)

deel D wordt vervangen door:

„DEEL D

Gebruik en opslag op landbouwbedrijven van voor landbouwhuisdieren bestemde voedermiddelen en mengvoeders die van herkauwers afkomstige producten bevatten

Het gebruik en de opslag van voor landbouwhuisdieren bestemde voedermiddelen en mengvoeders die andere dan in de punten a) tot en met d) vermelde, van herkauwers afkomstige producten bevatten, op bedrijven waar landbouwhuisdieren, andere dan pelsdieren, worden gehouden, zijn verboden:

a)

melk, producten op basis van melk, melkderivaten, biest en biestproducten;

b)

dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong;

c)

gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van huiden en vellen van herkauwers;

d)

gesmolten vet van herkauwers met een maximumgehalte aan onoplosbare verontreinigingen van 0,15 gewichtsprocent en derivaten gemaakt van dergelijk vet;”,

iii)

deel E wordt vervangen door:

„DEEL E

Uitvoer van verwerkte dierlijke eiwitten en van producten die dergelijke eiwitten bevatten

1.

De uitvoer van van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten of van van zowel herkauwers als niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten, wordt alleen onder de volgende voorwaarden toegestaan:

a)

de verwerkte dierlijke eiwitten worden rechtstreeks in gesloten recipiënten vervoerd van het verwerkingsbedrijf van de productie naar de plaats van uitgang van het grondgebied van de Unie, wat een in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG van de Commissie (*1) opgenomen erkende grensinspectiepost is. Vooraleer de verwerkte dierlijke eiwitten het grondgebied van de Unie verlaten, moet de voor het vervoer verantwoordelijke exploitant de bevoegde autoriteit bij die grensinspectiepost op de hoogte brengen van de aankomst van de zending aan de plaats van uitgang;

b)

de zending gaat vergezeld van een naar behoren ingevuld handelsdocument dat overeenkomstig het model in punt 6 van hoofdstuk III van bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 142/2011 is opgesteld en is afgegeven via het door Beschikking 2004/292/EG van de Commissie (*2) ingevoerde geïntegreerde veterinaire computersysteem (Traces). Op dat handelsdocument moet de grensinspectiepost waar de zending het land verlaat worden aangeduid als punt van uitgang in vak I.28;

c)

wanneer de zending aankomt op het punt van uitgang, controleert de bevoegde autoriteit aan de grensinspectiepost de zegel van elke container die aan de grensinspectiepost wordt aangeboden.

In afwijking hiervan mag de bevoegde autoriteit aan de grensinspectiepost op basis van een risico-analyse beslissen de zegel van de container steekproefsgewijs te controleren.

Indien de controle van de zegel niet toereikend is, moet de zending worden vernietigd of worden teruggezonden naar de inrichting van oorsprong.

De bevoegde autoriteit aan de grensinspectiepost stelt de voor de inrichting van oorsprong bevoegde autoriteit via Traces in kennis van de aankomst van de zending aan het punt van uitgang en, wanneer van toepassing, van het resultaat van de controle van de zegel en van getroffen corrigerende maatregelen;

d)

de voor de inrichting van oorsprong bevoegde autoriteit voert regelmatige officiële controles uit om de correcte uitvoering van de punten a) en b) te controleren, en om te controleren dat de bevestiging van de uitgevoerde controle aan het uitgangspunt voor elke zending verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van herkauwers voor uitvoer van de bevoegde autoriteit aan de grensinspectiepost via Traces werd ontvangen.

2.

Onverminderd punt 1 is de uitvoer van producten die verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van herkauwers bevatten, verboden.

In afwijking hiervan is dat verbod niet van toepassing op verwerkt voeder voor gezelschapsdieren dat verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van herkauwers bevat, dat:

a)

overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 in een erkende inrichting voor voeder voor gezelschapsdieren is verwerkt, en

b)

overeenkomstig de wetgeving van de Unie is verpakt en geëtiketteerd.

3.

De uitvoer van verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers en van mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten, wordt alleen onder de volgende voorwaarden toegestaan:

a)

de verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers worden geproduceerd in verwerkingsbedrijven die voldoen aan de eisen van hoofdstuk IV, deel D, onder c);

b)

de mengvoeders die verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers bevatten, worden geproduceerd in mengvoederinrichtingen:

i)

die overeenkomstig hoofdstuk IV, deel D, onder d), produceren; of

ii)

waar de verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van zijn, die worden gebruikt in mengvoeders voor uitvoer in verwerkingsbedrijven die overeenstemmen met punt a) en zich ofwel

uitsluitend toeleggen op de productie van mengvoeders voor uitvoer uit de Unie en hiertoe door de bevoegde autoriteit zijn erkend;

uitsluitend toeleggen op de productie van mengvoeders voor uitvoer uit de Unie en op de productie van mengvoeders voor aquacultuurdieren die in de handel van de Unie moeten worden gebracht, en hiervoor door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

c)

de mengvoeders die verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers bevatten, worden verpakt en geëtiketteerd overeenkomstig de juridische vereisten van het invoerende land. Wanneer de mengvoeders die verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers bevatten niet overeenkomstig de wetgeving van de Unie is geëtiketteerd, worden de woorden: „Bevat verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers” op het etiket vermeld;

d)

verwerkte dierlijke eiwitten in bulk afkomstig van niet-herkauwers en mengvoeders in bulk die dergelijke eiwitten bevatten en die bestemd zijn voor uitvoer uit de Unie, worden vervoerd in voertuigen en containers en opgeslagen in opslagfaciliteiten die niet worden gebruikt voor respectievelijk het vervoer of de opslag van diervoeders voor het in de handel brengen en voor de voeding van herkauwers of van andere niet-herkauwende landbouwhuisdieren dan aquacultuurdieren. De administratie betreffende het type vervoerde of opgeslagen producten wordt ten minste twee jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.

In afwijking van de eerste alinea mogen voertuigen, containers en opslagfaciliteiten die eerder zijn gebruikt voor het vervoer of de opslag van verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers in bulk en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten in bulk, en voor uitvoer uit de Unie, vervolgens worden gebruikt voor het vervoer of de opslag van voeders voor het in de handel brengen en voor het vervoederen aan herkauwers of andere niet-herkauwende landbouwdieren dan aquacultuurdieren, op voorwaarde dat zij vooraf zijn gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde gedocumenteerde procedure om versleping te voorkomen. Telkens wanneer een dergelijke procedure wordt gebruikt, wordt de documentatie daarvan ten minste twee jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden.

Opslagbedrijven die verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers in bulk en mengvoeders die dergelijke eiwitten bevatten, opslaan onder de in de tweede alinea van punt d) vastgelegde voorwaarden, worden door de bevoegde autoriteit erkend op basis van controle van hun naleving met de eisen in die alinea.

4.

In afwijking van punt 3 zijn de daarin vermelde voorwaarden niet van toepassing op:

a)

voeder voor gezelschapsdieren dat verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers bevat en dat is verwerkt in een inrichting voor voeder voor gezelschapsdieren die overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 is erkend en dat overeenkomstig de wetgeving van de Unie is verpakt en geëtiketteerd;

b)

vismeel, op voorwaarde dat het is geproduceerd overeenkomstig deze bijlage;

c)

verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten, op voorwaarde dat zij zijn geproduceerd overeenkomstig deze bijlage;

d)

mengvoeders die geen andere verwerkte dierlijke eiwitten bevatten dan vismeel en verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten, op voorwaarde dat zij zijn geproduceerd overeenkomstig deze bijlage;

e)

van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren of van biologische meststoffen en bodemverbeteraars in het derde land van bestemming, op voorwaarde dat de uitvoerder vóór de uitvoer ervoor zorgt dat elke zending van verwerkte dierlijke eiwitten overeenkomstig de in punt 2.2. van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 152/2009 vastgestelde analysemethode is geanalyseerd om de afwezigheid van van herkauwers afkomstige bestanddelen te controleren.

(*1)  Beschikking 2009/821/EG van de Commissie van 28 september 2009 tot opstelling van een lijst van erkende grensinspectieposten, tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor door veterinaire deskundigen van de Commissie uitgevoerde inspecties en tot vaststelling van de veterinaire eenheden in Traces (PB L 296 van 12.11.2009, blz. 1)."

(*2)  Beschikking 2004/292/EG van de Commissie van 30 maart 2004 betreffende de toepassing van het Traces-systeem en tot wijziging van Beschikking 92/486/EEG (PB L 94 van 31.3.2004, blz. 63).”."



BIJLAGE II

De bijlagen X, XIV en XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 1, deel A, wordt vervangen door:

„A.   Grondstoffen

1.

Alleen dierlijke bijproducten bestaande uit categorie 3-materiaal of van dergelijke dierlijke bijproducten afgeleide producten, die niet genoemd worden in artikel 10, onder n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mogen worden gebruikt voor de vervaardiging van verwerkte dierlijke eiwitten.

2.

Verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van gekweekte insecten voor de productie van voeders voor andere landbouwhuisdieren dan pelsdieren mogen enkel van onderstaande insectensoorten afkomstig zijn:

i)

de zwarte soldaatvlieg (Hermetia illucens) en de huisvlieg (Musca domestica);

ii)

de meeltor (Tenebrio molitor) en de piepschuimkever (Alphitobius diaperinus);

iii)

de huiskrekel (Acheta domesticus), de dierentuinkrekel (Gryllodes sigillatus) en de steppenkrekel (Gryllus assimilis).”.

2)

Bijlage XIV, hoofdstuk I, wordt als volgt gewijzigd:

a)

In afdeling 1, tabel 1, wordt de eerste rij vervangen door:

„1)

Verwerkte dierlijke eiwitten, met inbegrip van mengsels en andere producten dan voeder voor gezelschapsdieren die dergelijke eiwitten bevatten, en mengvoeders als omschreven in artikel 3, lid 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 767/2009, die dergelijke eiwitten bevatten

Categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder a), b), d), e), f), h), i), j), k), l) en m).

a)

de verwerkte dierlijke eiwitten moeten vervaardigd zijn overeenkomstig bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 1; en

b)

de verwerkte dierlijke eiwitten voldoen aan de aanvullende eisen in afdeling 2 van dit hoofdstuk.

a)

voor verwerkte dierlijke eiwitten met uitzondering van vismeel:

derde landen die zijn opgenomen in de lijst in bijlage II, deel 1, bij Verordening (EU) nr. 206/2010;

b)

voor vismeel:

derde landen die zijn opgenomen in de lijst in bijlage II bij Beschikking 2006/766/EG.

a)

voor andere verwerkte dierlijke eiwitten dan die afkomstig van gekweekte insecten:

bijlage XV, hoofdstuk 1;

b)

voor van gekweekte insecten afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten:

bijlage XV, hoofdstuk 1(A).”

b)

aan afdeling 2 wordt het volgende punt 5 toegevoegd:

„5.

Verwerkte dierlijke eiwitten verkregen van gekweekte insecten mogen in de Unie worden ingevoerd op voorwaarde dat zij overeenkomstig de volgende voorwaarden zijn vervaardigd:

a)

de insecten tot een van de volgende soorten behoren:

de zwarte soldaatvlieg (Hermetia illucens) en de huisvlieg (Musca domestica);

de meeltor (Tenebrio molitor) en de piepschuimkever (Alphitobius diaperinus);

de huiskrekel (Acheta domesticus), de dierentuinkrekel (Gryllodes sigillatus) en de steppenkrekel (Gryllus assimilis);

b)

het substraat voor de voeding van insecten mag enkel producten van niet-dierlijke oorsprong of de volgende producten van dierlijke oorsprong van categorie 3-materiaal bevatten:

vismeel;

bloedproducten van niet-herkauwers;

dicalcium- en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong;

gehydrolyseerde eiwitten van niet-herkauwers;

gehydrolyseerde eiwitten uit huiden van herkauwers;

gelatine en collageen van niet-herkauwers;