ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 113

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
29 april 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Kennisgeving van de inwerkingtreding, tussen de Europese Unie en Peru, van het aanvullende protocol bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/747 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de criteria voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen, en de omstandigheden en voorwaarden waaronder de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen geheel of gedeeltelijk kan worden opgeschort ( 1 )

2

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/748 van de Commissie van 14 december 2016 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de massa van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die in 2013, 2014 en 2015 zijn geregistreerd ( 1 )

9

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/749 van de Commissie van 24 februari 2017 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de schrapping van Kazachstan van de lijst van landen in bijlage I bij die verordening

11

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/750 van de Commissie van 24 februari 2017 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad tot vaststelling van aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

12

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/751 van de Commissie van 16 maart 2017 tot wijziging van de Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2015/2205, (EU) 2016/592 en (EU) 2016/1178 wat betreft de uiterste datum voor de naleving van clearingverplichtingen door bepaalde tegenpartijen die in otc-derivaten handelen ( 1 )

15

 

*

Verordening (EU) 2017/752 van de Commissie van 28 april 2017 tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) nr. 10/2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen ( 1 )

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/753 van de Commissie van 28 april 2017 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof cyhalofop-butyl overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

24

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/754 van de Commissie van 28 april 2017 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Ecuador

28

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/755 van de Commissie van 28 april 2017 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof mesosulfuron overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

35

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/756 van de Commissie van 28 april 2017 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

40

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/757 van de Commissie van 28 april 2017 inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de tariefcontingenten die voor de deelperiode april 2017 zijn geopend bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011

42

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/758 van de Raad van 25 april 2017 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de achtste vergadering van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen over de voorstellen voor wijzigingen van de bijlagen A, B en C

45

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/759 van de Commissie van 28 april 2017 betreffende de door luchtvaartmaatschappijen te gebruiken gemeenschappelijke protocollen en dataformaten bij het doorgeven van PNR-gegevens aan passagiersinformatie-eenheden

48

 

*

Besluit (EU) 2017/760 van de Europese Centrale Bank van 24 april 2017 betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017 (ECB/2017/11)

52

 

 

AANBEVELINGEN

 

*

Aanbeveling (EU) 2017/761 van de Commissie van 26 april 2017 over de Europese pijler van sociale rechten

56

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels ( PB L 183 van 8.7.2016 )

62

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen ( PB L 183 van 8.7.2016 )

62

 

*

Rectificatie van Besluit (EU) 2015/774 van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2015 inzake een overheidsprogramma voor aankoop van activa op secundaire markten (ECB/2015/10) ( PB L 121 van 14.5.2015 )

63

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/1


Kennisgeving van de inwerkingtreding, tussen de Europese Unie en Peru, van het aanvullende protocol bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

Het aanvullende protocol bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (1), dat op 30 juni 2015 in Brussel is ondertekend, treedt overeenkomstig artikel 12, lid 3, ervan op 1 mei 2017 in werking tussen de Europese Unie en Peru.


(1)  PB L 204 van 31.7.2015, blz. 3.


VERORDENINGEN

29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/2


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/747 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de criteria voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen, en de omstandigheden en voorwaarden waaronder de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen geheel of gedeeltelijk kan worden opgeschort

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (1), en met name artikel 69, lid 5, en artikel 71, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (hierna het „Fonds” genoemd) is overeenkomstig Verordening (EU) nr. 806/2014 opgericht als een gemeenschappelijke financieringsregeling voor alle lidstaten die aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme in de zin van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (2) en aan het gemeenschappelijk afwikkelingmechanisme deelnemen (hierna de „deelnemende lidstaten” genoemd).

(2)

Krachtens artikel 67 van Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds opgericht en worden de doelen vastgelegd waarvoor de gemeenschappelijke afwikkelingsraad (hierna de „afwikkelingsraad” genoemd) een beroep kan doen op de middelen van het Fonds.

(3)

Overeenkomstig artikel 76 van Verordening (EU) nr. 806/2014 kan in het kader van een afwikkelingsregeling slechts een beroep op het Fonds worden gedaan wanneer dat volgens de afwikkelingsraad noodzakelijk is om de effectieve toepassing van de afwikkelingsinstrumenten te verzekeren overeenkomstig de opdracht van het Fonds. Het Fonds moet derhalve over toereikende financiële middelen beschikken opdat het afwikkelingskader doeltreffend kan functioneren en het Fonds waar nodig kan optreden met het oog op een doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en ter bescherming van de financiële stabiliteit zonder dat het geld van de belastingbetalers moet worden aangesproken.

(4)

Artikel 70, lid 2 van Verordening (EU) nr. 806/2014 bepaalt dat de afwikkelingsraad bevoegd is voor de berekening van de individuele vooraf te betalen bijdragen die zijn verschuldigd door alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend, en dat die jaarlijkse bijdragen moeten worden berekend op basis van één enkel gemeenschappelijk streefbedrag dat is vastgesteld als percentage van het bedrag van de gedekte deposito's van alle kredietinstellingen waaraan in alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend.

(5)

Daarom moet de afwikkelingsraad er conform artikel 67, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014 voor zorgen dat de beschikbare financiële middelen van het Fonds aan het einde van een initiële periode van acht jaar vanaf 1 januari 2016, of anders vanaf de datum waarop artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 krachtens artikel 99, lid 6, van die verordening van toepassing wordt, ten minste het in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde streefbedrag bereiken.

(6)

Overeenkomstig de artikelen 67 en 69 van Verordening (EU) nr. 806/2014 moet de afwikkelingsraad er tijdens de in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde initiële periode voor zorgen dat de bijdragen aan het Fonds zo evenwichtig mogelijk in de tijd gespreid worden totdat het streefbedrag is bereikt, en moet hij de initiële periode met ten hoogste vier jaar verlengen ingeval het Fonds gecumuleerde uitbetalingen van meer dan 50 % van het streefbedrag heeft verricht en indien is voldaan aan de criteria van deze verordening. De overeenkomstig artikel 69, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 geïnde jaarlijkse bijdragen kunnen dus meer dan 12,5 % van het streefbedrag bedragen. Indien na de initiële periode de beschikbare financiële middelen dalen tot onder het streefbedrag, moet de afwikkelingsraad ervoor zorgen dat de reguliere vooraf te betalen bijdragen worden verhoogd totdat het streefbedrag is bereikt. Nadat het streefbedrag voor het eerst is bereikt en indien de beschikbare financiële middelen vervolgens zijn gedaald tot minder dan twee derde van het streefbedrag, moet de Raad ervoor zorgen dat deze bijdragen worden vastgesteld op een niveau waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat het streefbedrag binnen zes jaar kan worden bereikt. Derhalve kunnen de in artikel 69, lid 4, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde jaarlijkse bijdragen meer dan 12,5 % van het streefbedrag bedragen om dit streefbedrag binnen zes jaar te bereiken.

(7)

Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 moet bij de berekening van de vooraf te betalen bijdragen rekening worden gehouden met de conjunctuurcyclus en met het mogelijke effect van procyclische bijdragen op de financiële positie van de instellingen die de bijdragen betalen.

(8)

Bij de berekening van elke verandering die in lagere vooraf te betalen bijdragen resulteert, moet rekening gehouden met het feit dat dit later tot een verhoging zou kunnen leiden om ervoor te zorgen dat het streefcijfer binnen de vastgestelde termijnen wordt bereikt.

(9)

Alle veranderingen in het niveau van de vooraf te betalen bijdragen of verlengingen van de initiële periode moeten gelijkelijk op alle instellingen in de deelnemende lidstaten worden toegepast opdat geen herschikking tussen deze instellingen van de bijdragen wordt teweeggebracht.

(10)

Overeenkomstig artikel 71, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014 moet de afwikkelingsraad de door een instelling achteraf te betalen buitengewone bijdragen geheel of gedeeltelijk opschorten indien dat noodzakelijk is om haar financiële positie te beschermen. Bij het bepalen of de opschorting noodzakelijk is om de financiële positie van een instelling te beschermen, moet de afwikkelingsraad de mogelijke gevolgen onderzoeken van een betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor de solvabiliteits- en liquiditeitspositie van deze instelling.

(11)

De opschorting van buitengewone achteraf te betalen bijdragen moet op verzoek van een instelling door de afwikkelingsraad worden verleend om de beoordeling door de afwikkelingsraad te vergemakkelijken van de vraag of deze instelling voldoet aan de in artikel 71, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde opschortingsvoorwaarden. De betrokken instelling moet alle gegevens verstrekken die door de afwikkelingsraad noodzakelijk worden geacht om een dergelijke beoordeling uit te voeren. De afwikkelingsraad moet rekening houden met alle gegevens waarover de nationale bevoegde autoriteiten beschikken om overlappingen met betrekking tot de kennisgevingsverplichtingen te voorkomen.

(12)

Bij de beoordeling van de gevolgen van de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor de solvabiliteit of liquiditeit van de instelling moet de afwikkelingsraad de gevolgen van de betaling voor de kapitaal- en liquiditeitspositie van de instelling onderzoeken. In de analyse moet worden uitgegaan van een verlies op de balans van de instelling dat overeenstemt met het bedrag dat moet worden betaald wanneer het is verschuldigd, en moet voor een passende termijn een raming worden opgesteld van de kapitaalratio's van de instelling na dit verlies. Voorts moet worden uitgegaan van een uitstroom van middelen die overeenstemt met het bedrag dat moet worden betaald wanneer het is verschuldigd, en moet het liquiditeitsrisico worden beoordeeld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening voorziet in regels tot bepaling van:

1.

de criteria voor de spreiding in de tijd van de bijdragen aan het Fonds overeenkomstig artikel 69, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

2.

de criteria voor het bepalen van het aantal jaren waarmee de in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde initiële periode uit hoofde van artikel 69, lid 3, van Verordening (EU) nr. 806/2014 kan worden verlengd;

3.

de criteria voor het vaststellen van de in artikel 69, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde jaarlijkse bijdragen;

4.

de omstandigheden en voorwaarden waaronder de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen uit hoofde van artikel 71, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014 geheel of gedeeltelijk kan worden opgeschort.

Artikel 2

Definities

Tevens wordt in de zin van deze verordening verstaan onder:

1.   „initiële periode”: een periode als omschreven in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014;

2.   „opschortingsperiode”: een periode van ten hoogste zes maanden.

HOOFDSTUK II

CRITERIA MET BETREKKING TOT VOORAF TE BETALEN BIJDRAGEN

Artikel 3

Criteria voor de spreiding in de tijd van vooraf te betalen bijdragen tijdens de initiële periode

1.   Bij de beoordeling van de conjunctuurcyclus en het mogelijke effect van procyclische bijdragen op de financiële positie van de instellingen die de bijdragen betalen overeenkomstig artikel 69, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014, neemt de afwikkelingsraad ten minste de volgende indicatoren in aanmerking:

a)

de in de bijlage opgenomen macro-economische indicatoren om vast te stellen in welke fase de conjunctuurcyclus zich bevindt;

b)

de in de bijlage opgenomen indicatoren om de financiële positie vast te stellen van de instellingen die de bijdragen betalen.

2.   De door de afwikkelingsraad in aanmerking te nemen indicatoren worden voor alle deelnemende lidstaten gezamenlijk vastgesteld.

3.   Elk besluit van de afwikkelingsraad om de bijdragen in de tijd te spreiden, wordt gelijkelijk toegepast op alle instellingen die aan het Fonds bijdragen.

4.   Het niveau van de jaarlijkse bijdragen mag in een gegeven bijdrageperiode pas relatief lager zijn dan het gemiddelde van de overeenkomstig artikel 69, lid 1, en artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014 berekende jaarlijkse bijdragen wanneer de afwikkelingsraad op basis van conservatieve prognoses bevestigt dat het streefbedrag aan het einde van de initiële periode kan worden bereikt.

Artikel 4

Criteria om het aantal jaren te bepalen waarmee de initiële periode kan worden verlengd

1.   Voor het bepalen van het aantal jaren waarmee de in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde initiële periode overeenkomstig artikel 69, lid 3, van Verordening (EU) nr. 806/2014 kan worden verlengd, houdt de afwikkelingsraad ten minste rekening met de volgende criteria:

a)

het minimumaantal jaren dat vereist is om het in artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde streefbedrag te bereiken waarbij de jaarlijkse bijdragen in de loop van de initiële periode niet tweemaal het gemiddelde van de jaarlijkse bedragen overschrijden;

b)

de conjunctuurcyclus en het mogelijke effect van procyclische bijdragen op de financiële positie van de instellingen die de bijdragen betalen, zoals aangegeven door de in artikel 4, lid 1, bedoelde indicatoren;

c)

eventuele additionele uitbetalingen door het Fonds die, na raadpleging van het Europees Comité voor systeemrisico's, in de volgende periode van vier jaar door de afwikkelingsraad worden verwacht.

2.   De afwikkelingsraad verlengt in geen geval de initiële periode met meer dan vier jaar.

Artikel 5

Criteria voor het vaststellen van de jaarlijkse bijdragen na de initiële periode

Bij de berekening van de in artikel 69, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde bijdragen houdt de afwikkelingsraad rekening met de conjunctuurcyclus en met het mogelijke effect van procyclische bijdragen op de financiële positie van de instellingen die de bijdragen betalen, zoals aangegeven door de in artikel 4 bedoelde indicatoren.

HOOFDSTUK III

OPSCHORTING VAN ACHTERAF TE BETALEN BIJDRAGEN

Artikel 6

Opschorting van buitengewone achteraf te betalen bijdragen

1.   De afwikkelingsraad schort, hetzij op eigen initiatief na raadpleging van de nationale afwikkelingsautoriteit, hetzij op voorstel van een nationale afwikkelingsautoriteit, overeenkomstig artikel 71, lid 2, van Verordening (EU) nr. 806/2014 de betaling door een instelling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen geheel of gedeeltelijk op, indien dat noodzakelijk is om haar financiële positie te beschermen.

2.   De opschorting van buitengewone achteraf te betalen bijdragen kan door de afwikkelingsraad worden toegekend op verzoek van een instelling. De betrokken instelling verstrekt alle gegevens die door de afwikkelingsraad noodzakelijk worden geacht om de beoordeling uit te voeren van de gevolgen van de betaling van de buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor haar financiële positie. De afwikkelingsraad houdt rekening met alle gegevens waarover de nationale bevoegde autoriteiten beschikken om uit te maken of de betrokken instelling aan de in lid 4 genoemde opschortingsvoorwaarden voldoet.

3.   Bij het bepalen of de betrokken instelling aan de opschortingsvoorwaarden voldoet, onderzoekt de afwikkelingsraad de mogelijke gevolgen van een betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor de solvabiliteits- en liquiditeitspositie van de instelling. Ingeval deze instelling deel uitmaakt van een groep, heeft de beoordeling ook betrekking op de gevolgen voor de solvabiliteit en de liquiditeit van de groep als geheel.

4.   De afwikkelingsraad kan de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen opschorten wanneer hij van oordeel is dat deze een van de volgende gevolgen met zich kan brengen:

a)

een waarschijnlijke inbreuk binnen de komende zes maanden op de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) vastgelegde minimale eigenvermogensvereisten voor een instelling;

b)

een waarschijnlijke inbreuk binnen de komende zes maanden op het in artikel 412, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde en in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie (4) gepreciseerde minimale liquiditeitsdekkingsvereiste.

c)

een waarschijnlijke inbreuk binnen de komende zes maanden op het in artikel 105 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (5) bedoelde specifieke liquiditeitsvereiste voor een instelling.

5.   De afwikkelingsraad beperkt de opschortingsperiode tot de duur die noodzakelijk is om risico's te voorkomen voor de financiële positie van de betrokken instelling of van de groep waartoe zij behoort. De afwikkelingsraad gaat op gezette tijden na of de in lid 4 genoemde opschortingsvoorwaarden tijdens de opschortingsperiode nog steeds zijn vervuld.

6.   Op verzoek van deze instelling kan de afwikkelingsraad de opschortingsperiode verlengen wanneer hij van oordeel is dat de in lid 4 genoemde opschortingsvoorwaarden nog steeds zijn vervuld. De duur van een dergelijke verlenging is niet langer dan zes maanden.

Artikel 7

Beoordeling van de gevolgen van de opschorting voor de solvabiliteit

1.   De afwikkelingsraad, of de nationale afwikkelingsautoriteit, beoordeelt de gevolgen van de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor de toetsingsvermogenspositie van de instelling. Deze beoordeling omvat een analyse van de mogelijke gevolgen van een betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor de naleving door de instelling van de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde minimale eigenvermogensvereisten.

2.   Ten behoeve van deze beoordeling wordt het bedrag van de achteraf te betalen bijdragen van de eigenvermogenspositie van de instelling afgetrokken.

3.   De in lid 1 bedoelde analyse heeft ten minste betrekking op de periode tot de volgende in artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie (6) vastgelegde rapportage-inleverdatum voor het eigenvermogensvereiste.

Artikel 8

Beoordeling van de gevolgen van de opschorting voor de liquiditeit

1.   De afwikkelingsraad, of de nationale afwikkelingsautoriteit, beoordeelt de gevolgen van de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor de liquiditeitspositie van de instelling. Deze beoordeling omvat een analyse van de mogelijke gevolgen van een betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen voor het vermogen van de instelling om te voldoen aan het in artikel 412, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde en in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 vastgelegde liquiditeitsdekkingsvereiste.

2.   Ten behoeve van de in lid 1 bedoelde analyse voegt de afwikkelingsraad bij de berekening van de in artikel 20, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 omschreven netto liquiditeitsuitstromen een liquiditeitsuitstroom toe gelijk aan 100 % van het bedrag dat moet worden betaald wanneer de betaling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen is verschuldigd.

3.   De afwikkelingsraad beoordeelt ook de gevolgen van een onder lid 2 vastgestelde dergelijke uitstroom voor de in artikel 105 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde specifieke liquiditeitsvereisten.

4.   De in lid 1 bedoelde analyse heeft ten minste betrekking op de periode tot de volgende in artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 vastgelegde rapportage-inleverdatum voor het liquiditeitsdekkingsvereiste.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

(3)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).


BIJLAGE

Macro-economische indicatoren om vast te stellen in welke fase de conjunctuurcyclus zich bevindt

Bbp-groeiprognoses en economische vertrouwensindex van de Europese Commissie.

Bbp-groei van de macro-economische prognoses voor het eurogebied van de Europese Centrale Bank.

Indicatoren om de financiële positie vast te stellen van de instellingen die de bijdragen betalen

1.

Kredietstroom in de particuliere sector als percentage van het bbp en verandering in de totale verplichtingen van de financiële sector van het scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden van de Europese Commissie.

2.

Samengestelde indicator van systeemstress en waarschijnlijkheid dat twee of meer grote en complexe bankgroepen van de deelnemende lidstaten gelijktijdig in gebreke blijven van het risicodashboard van het Europees Comité voor systeemrisico's.

3.

Wijzigingen in de acceptatiecriteria voor kredietverlening aan huishoudens (woninghypotheken) en wijzigingen in de kredietacceptiecriteria voor leningen aan niet-financiële vennootschappen van het risicodashboard van het Europees Comité voor systeemrisico's.

4.

Indicatoren van de rentabiliteit van grote bankgroepen van de deelnemende lidstaten die zijn opgenomen in het risicodashboard van de Europese Bankautoriteit, zoals rendement van het eigen vermogen en netto rentebaten als percentage van de totale bedrijfsopbrengsten.

5.

Indicatoren van de solvabiliteit van de grote bankgroepen van de deelnemende lidstaten die zijn opgenomen in het risicodashboard van de Europese Bankautoriteit, zoals tier 1-kapitaal als percentage van de totale activa ongerekend immateriële activa, alsook probleemleningen en achterstallige leningen als percentage van de totale leningen.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/9


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/748 VAN DE COMMISSIE

van 14 december 2016

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de massa van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die in 2013, 2014 en 2015 zijn geregistreerd

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 13, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De waarde voor de gemiddelde massa die wordt gebruikt voor het berekenen van de specifieke CO2-emissies voor elk nieuw licht bedrijfsvoertuig moet om de drie jaar worden aangepast om rekening te houden met de veranderingen in de gemiddelde massa van nieuwe voertuigen die in de Unie worden geregistreerd.

(2)

Uit de monitoring van de massa in rijklare toestand van nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen die in de kalenderjaren 2013, 2014 en 2015 zijn geregistreerd, blijkt duidelijk dat de gemiddelde massa is toegenomen, en de in punt 1, onder b), van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 510/2011 vermelde waarde M0 moet derhalve worden aangepast.

(3)

Bij de berekening van de nieuwe waarde moet uitsluitend worden gebruikgemaakt van de massawaarden die door de betrokken voertuigfabrikanten konden worden geverifieerd, waarbij massawaarden die duidelijk incorrect waren (namelijk minder dan 500 kg) of waarden die betrekking hadden op voertuigen die buiten het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 510/2011 vallen, waaronder voertuigen met een referentiemassa van meer dan 2 840 kg, moeten worden uitgesloten. Bovendien is de nieuwe waarde gebaseerd op het gewogen gemiddelde met inachtneming van het aantal nieuwe registraties in elk referentiejaar.

(4)

Tegen die achtergrond moet de M0-waarde die vanaf 2018 van toepassing is, met 60,4 kg worden verhoogd van 1 706,0 naar 1 766,4 kg,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage I bij Verordening (EU) nr. 510/2011 wordt punt 1, onder b), vervangen door:

„Vanaf 2018:

specifieke CO2-emissies = 175 + a × (M – M0)

waarbij:

M

=

de massa van het voertuig in kilogram (kg)

M0

=

1 766,4

a

=

0,093;”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 december 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/11


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/749 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2017

tot wijziging van Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de schrapping van Kazachstan van de lijst van landen in bijlage I bij die verordening

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (1), en met name artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In verband met de toetreding van Kazachstan tot de Wereldhandelsorganisatie moet worden voorzien in de uitsluiting van dit land van het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2015/755.

(2)

Verordening (EU) 2015/755 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 wordt de naam „Kazachstan” geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/12


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/750 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2017

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad tot vaststelling van aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad van 25 april 2005 tot vaststelling van aanvullende douanerechten op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (1), en met name artikel 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aangezien de Verenigde Staten hebben verzuimd de Continued Dumping and Subsidy Offset Act (wet betreffende compensatie voor voortzetting van dumping en handhaving van subsidie — CDSOA) in overeenstemming te brengen met hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), wordt ingevolge Verordening (EG) nr. 673/2005 met ingang van 1 mei 2005 een aanvullend ad-valoremrecht van 15 % geheven op de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika. Conform de door de WTO verleende machtiging om tariefconcessies ten aanzien van de Verenigde Staten te schorsen, moet de Commissie het niveau van deze schorsing jaarlijks aanpassen aan de mate waarin de voordelen voor de Europese Unie op dat moment door de CDSOA worden tenietgedaan of uitgehold.

(2)

Voor het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn, zijn in het kader van de CDSOA uitbetalingen gedaan in verband met antidumping- en antisubsidierechten die in het begrotingsjaar 2016 (1 oktober 2015-30 september 2016) zijn geïnd, alsmede aanvullende uitbetalingen van in de begrotingsjaren 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 geïnde antidumping- en antisubsidierechten. Aan de hand van de door de Customs and Border Protection van de Verenigde Staten gepubliceerde gegevens is de mate waarin de voordelen voor de Unie werden tenietgedaan of uitgehold, berekend op 8 165 179 USD.

(3)

De mate waarin de voordelen werden tenietgedaan of uitgehold, is toegenomen en bijgevolg ook het niveau van de schorsing. Het niveau van de schorsing kan echter niet aan de mate waarin de voordelen werden tenietgedaan of uitgehold, worden aangepast door producten aan de lijst in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 673/2005 toe te voegen of daaruit te schrappen. Om het niveau van de schorsing aan te passen aan de mate waarin de voordelen werden tenietgedaan of uitgehold, moet de Commissie bijgevolg overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder e), van die verordening de lijst van producten in bijlage I ongewijzigd laten en de hoogte van het aanvullend recht wijzigen. De vier in bijlage I opgenomen producten moeten daarom op de lijst blijven staan en de hoogte van het aanvullend invoerrecht moet worden gewijzigd en worden vastgesteld op 4,3 %.

(4)

Een aanvullend ad-valoremrecht van 4,3 % op de uit de Verenigde Staten ingevoerde producten van bijlage I vertegenwoordigt, berekend over één jaar, een handelswaarde die het bedrag van 8 165 179 USD niet overschrijdt.

(5)

Om vertraging bij de toepassing van de gewijzigde hoogte van het aanvullend invoerrecht te voorkomen, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan.

(6)

Verordening (EG) nr. 673/2005 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 673/2005 van de Raad wordt vervangen door:

„Artikel 2

Voor de in bijlage I bij deze verordening opgenomen producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika wordt naast de douanerechten op grond van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (*1) een aanvullend ad-valoremrecht van 4,3 % ingesteld.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 110 van 30.4.2005, blz. 1, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 38/2014 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 18 van 21.1.2014, blz. 52).


BIJLAGE

BIJLAGE I

De producten waarop de aanvullende rechten worden toegepast, worden aangeduid met hun achtcijferige GN-code. De omschrijving van de producten die onder deze codes zijn ingedeeld, is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1810/2004 (2).

 

0710 40 00

 

9003 19 30

 

8705 10 00

 

6204 62 31



29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/15


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/751 VAN DE COMMISSIE

van 16 maart 2017

tot wijziging van de Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2015/2205, (EU) 2016/592 en (EU) 2016/1178 wat betreft de uiterste datum voor de naleving van clearingverplichtingen door bepaalde tegenpartijen die in otc-derivaten handelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2015/2205 (2), (EU) 2016/592 (3) en (EU) 2016/1178 (4) van de Commissie worden 4 categorieën tegenpartijen onderscheiden ten behoeve van het vaststellen van de data waarop hun respectieve clearingverplichtingen een aanvang nemen. De tegenpartijen worden in categorieën ingedeeld volgens het niveau van hun juridische en operationele capaciteit en volgens hun handelsactiviteit met betrekking tot otc-derivaten.

(2)

Teneinde een tijdige en ordelijke toepassing van de clearingverplichting te garanderen, zijn voor deze verschillende categorieën tegenpartijen in de tijd gespreide infaseringstermijnen vastgesteld.

(3)

Bij de vaststelling van de datum vanaf wanneer de clearingverplichting voor tegenpartijen van categorie 3 in werking treedt, is rekening gehouden met het feit dat het merendeel van die tegenpartijen enkel toegang tot een centrale tegenpartij (CTP) kan krijgen door ofwel een cliënt, ofwel een indirecte cliënt van een clearinglid te worden.

(4)

Tegenpartijen met de laagste otc-derivatenactiviteit maken deel uit van categorie 3. Uit recente gegevens blijkt dat tegenpartijen van die categorie met ernstige problemen worden geconfronteerd bij het treffen van de nodige regelingen voor de clearing van dergelijke derivatencontracten. Dit is toe te schrijven aan de complexiteit van beide soorten toegang tot clearingregelingen, nl. cliëntclearing en indirectecliëntclearing.

(5)

Wat ten eerste de regelingen voor cliëntclearing betreft, lijken er voor clearingleden als gevolg van kostenkwesties weinig stimulansen te bestaan om hun aanbod inzake cliëntclearing sterk uit te breiden. Dat geldt zelfs nog meer voor tegenpartijen met een beperkte otc-derivatenactiviteit. Daarbij komt nog dat een herziening aan de gang is van het regelgevingskader betreffende de kapitaalvereisten die op cliëntclearingactiviteiten van toepassing zijn, wat leidt tot onzekerheden die op hun beurt een rem zetten op het uitbouwen door clearingleden van het aanbod inzake cliëntclearing.

(6)

Wat ten tweede de regelingen voor indirectecliëntclearing betreft, zijn tegenpartijen wegens een onbestaand aanbod momenteel niet in staat toegang tot CTP's te krijgen door een indirecte cliënt van een clearinglid te worden.

(7)

In het licht van deze moeilijkheden en om die tegenpartijen extra tijd te gunnen om de nodige clearingregelingen te voltooien, is het raadzaam de data waarop de clearingverplichting in werking treedt, uit te stellen voor tegenpartijen van categorie 3. Er is echter wel al rekening gehouden met de stimulansen voor het centraliseren binnen een groep van het beheer van aan intragroeptransacties verbonden risico's. Het uitstel van deze data heeft dan ook geen gevolgen voor die stimulansen en voor de data van transacties in bepaalde otc-derivaten die tussen tegenpartijen van dezelfde groep worden gesloten.

(8)

Gezien de positieve gevolgen die uit de invoering van clearingregelingen voortvloeien en teneinde dubbel werk bij de voorbereiding van de clearing van verschillende aan de clearingverplichting onderworpen activaklassen te vermijden, verdient het aanbeveling de nieuwe data vanaf wanneer de clearingverplichting voor tegenpartijen van categorie 3 in werking treedt, te laten samenvallen.

(9)

Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2015/2205, (EU) 2016/592 en (EU) 2016/1178 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Deze verordening is gebaseerd op ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority, ESMA) bij de Commissie heeft ingediend.

(11)

De ESMA heeft een open publieke raadpleging gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (5) opgerichte Stakeholdergroep effecten en markten om advies verzocht, en het Europees Comité voor systeemrisico's geraadpleegd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205

In artikel 3, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205 wordt punt c) vervangen door:

„c)

21 juni 2019 voor tegenpartijen van categorie 3;”.

Artikel 2

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592

In artikel 3, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 wordt punt c) vervangen door:

„c)

21 juni 2019 voor tegenpartijen van categorie 3;”.

Artikel 3

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178

In artikel 3, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 wordt punt c) vervangen door:

„c)

21 juni 2019 voor tegenpartijen van categorie 3;”.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205 van de Commissie van 6 augustus 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting (PB L 314 van 1.12.2015, blz. 13).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 van de Commissie van 1 maart 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting (PB L 103 van 19.4.2016, blz. 5).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 van de Commissie van 10 juni 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting (PB L 195 van 20.7.2016, blz. 3).

(5)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/18


VERORDENING (EU) 2017/752 VAN DE COMMISSIE

van 28 april 2017

tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) nr. 10/2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (1), en met name artikel 5, lid 1, onder a), c), d), e), h), i) en j), en artikel 11, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie (2) (hierna „de verordening” genoemd) zijn specifieke voorschriften vastgesteld inzake materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen.

(2)

Sinds de laatste wijziging van de verordening heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) nadere rapporten gepubliceerd over specifieke stoffen die mogen worden gebruikt in materialen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en over het toegestane gebruik van reeds toegelaten stoffen. Ook werden enkele tekstuele fouten en dubbelzinnigheden geconstateerd. Om ervoor te zorgen dat de verordening de recentste bevindingen van de EFSA weerspiegelt en om alle twijfel ten aanzien van de juiste toepassing ervan weg te nemen, moet de verordening worden gewijzigd en gerectificeerd.

(3)

In tabel 1 van bijlage I bij de verordening wordt ten aanzien van de toelating van verscheidene stoffen verwezen naar noot (1) in tabel 3 van die bijlage. Dit betekent dat de naleving wordt gecontroleerd aan de hand van het restgehalte per oppervlakte die met levensmiddelen in contact komt (QMA), in afwachting van de beschikbaarheid van een analysemethode waarmee de specifieke migratie kan worden bepaald. Aangezien er toereikende migratietestmethoden beschikbaar zijn en de specifieke migratielimieten zijn vastgesteld, moet de mogelijkheid om de naleving te controleren aan de hand van het restgehalte worden geschrapt uit de vermeldingen voor stoffen met de FCM-stofnummers 142, 168, 202, 387, 462, 467, 481, 502, 662 en 779.

(4)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (3) over het gebruik van de stof diëthyl[[3,5-bis(1,1-dimethylethyl)-4-hydroxyfenyl]methyl]fosfonaat, met CAS-nummer 976-56-7 en FCM-stofnummer 1007. Volgens de conclusies van de EFSA levert deze stof geen veiligheidsrisico voor de consument op bij gebruik in een concentratie van maximaal 0,2 % m/m, op basis van het eindgewicht van de polymeer, in het polymerisatieproces voor de vervaardiging van poly(ethyleentereftalaat) (PET) dat bestemd is om met alle soorten levensmiddelen in contact te komen bij alle contacttijden en -temperaturen. Daarom moet deze stof aan de EU-lijst van toegelaten stoffen worden toegevoegd met de beperking dat zij alleen bij het polymerisatieproces voor de vervaardiging van PET mag worden gebruikt, in een concentratie van maximaal 0,2 % (m/m). Aangezien de EFSA heeft aangegeven dat de stof in het polymerisatieproces wordt gebruikt en deel gaat uitmaken van de polymere ruggengraat van de uiteindelijke polymeer, moet zij als uitgangsstof worden opgenomen.

(5)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (4) over het gebruik van de stof (methacrylzuur, ethylacrylaat, n-butylacrylaat, methylmethacrylaat en butadieen) copolymeer in nanovorm, met FCM-stofnummer 1016. Volgens de conclusies van de EFSA levert deze stof geen veiligheidsrisico voor de consument op bij gebruik als additief in een concentratie van maximaal 10 % m/m in PVC zonder weekmakers of maximaal 15 % m/m in PLA zonder weekmakers, dat in contact met alle soorten levensmiddelen bij kamertemperatuur of lager wordt gebruikt voor langdurige opslag. Daarom moet dit additief in de EU-lijst van toegelaten stoffen worden opgenomen met de beperking dat aan deze specificaties moet worden voldaan.

(6)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (5) over het gebruik van het additief montmorillonietklei gemodificeerd met dimethyldialkyl(C16-C18)ammoniumchloride, met FCM-nummer 1030. Volgens de conclusies van de EFSA levert dit mengsel geen veiligheidsrisico op bij gebruik in een concentratie van maximaal 12 % m/m in polyolefinen, bestemd voor droge levensmiddelen waarvoor volgens bijlage III bij Verordening (EU) nr. 10/2011 simulant E wordt gebruikt, wanneer het wordt gebruikt bij kamertemperatuur of lager en als de migratie van de stoffen 1-chloorhexadecaan en 1-chlooroctadecaan, die als verontreinigingen of afbraakproducten aanwezig kunnen zijn, niet meer dan 0,05 mg/kg levensmiddel bedraagt. De EFSA merkte op dat de deeltjes plaatjes kunnen vormen die in één dimensie in het nanobereik kunnen liggen, maar dat migratie van dergelijke plaatjes niet wordt verwacht als zij parallel aan het filmoppervlak gericht zijn en volledig in de polymeer zijn opgenomen. Daarom moet dit additief in de EU-lijst van toegelaten stoffen worden opgenomen met de beperking dat aan deze specificaties moet worden voldaan.

(7)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (6) over het gebruik van het additief α-tocoferyl-acetaat, met FCM-nummer 1055 en CAS-nummers 7695-91-2 en 58-95-7. Volgens de conclusies van de EFSA levert het gebruik van deze stof als antioxidant in polyolefinen geen veiligheidsrisico op. De EFSA merkte op dat de stof bij hydrolyse uiteenvalt in α-tocoferol en azijnzuur, beide toegelaten levensmiddelenadditieven uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad (7). Hierdoor bestaat het risico dat de bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 vastgestelde beperkingen voor deze twee hydrolyseproducten worden overschreden. Bijgevolg moet dit additief in de EU-lijst van toegelaten stoffen worden opgenomen met de beperking dat het alleen als antioxidant in polyolefinen mag worden gebruikt en moet in een noot worden aangegeven dat de in Verordening (EG) nr. 1333/2008 vermelde beperkingen in acht genomen moeten worden.

(8)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (8) over het gebruik van het additief gemalen zonnebloempitschillen, met FCM-nummer 1060. Volgens de conclusies van de EFSA levert deze stof geen veiligheidsrisico op bij gebruik als additief in kunststoffen bestemd om met droge levensmiddelen in contact te komen, wanneer zij wordt gebruikt bij kamertemperatuur of lager. De schillen moeten afkomstig zijn van zonnebloempitten die geschikt zijn voor menselijke consumptie en de kunststof die het additief bevat mag niet aan een hogere verwerkingstemperatuur dan 240 °C worden blootgesteld. Bijgevolg moet dit additief in de EU-lijst van toegelaten stoffen worden opgenomen met de beperking dat het alleen mag worden gebruikt in contact met levensmiddelen waarvoor volgens tabel 2 van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 10/2011 simulant E wordt gebruikt, op voorwaarde dat het afkomstig is van zonnebloempitten die geschikt zijn voor menselijke consumptie en dat het kunststof product waarin het additief is opgenomen niet aan een hogere verwerkingstemperatuur dan 240 °C wordt blootgesteld.

(9)

De EFSA heeft een positief wetenschappelijk advies uitgebracht (9) over het gebruik van een bepaald mengsel met FCM-nummer 1062, bestaande uit 97 % tetraëthylorthosilicaat (TEOS) met CAS-nummer 78-10-4 en 3 % hexamethyldisilazaan (HMDS) met CAS-nummer 999-97-3. Volgens de conclusies van de EFSA levert dit mengsel geen veiligheidsrisico op bij gebruik in een concentratie van maximaal 0,12 % (m/m) als uitgangsstof bij de recyclage van PET. Daarom moet dit mengsel als uitgangsstof aan de EU-lijst van toegelaten stoffen worden toegevoegd met de beperking dat het alleen bij de recyclage van PET mag worden gebruikt, in een concentratie van maximaal 0,12 % (m/m).

(10)

De EFSA heeft een advies uitgebracht over de risico's voor de volksgezondheid van de aanwezigheid van nikkel (Ni) in levensmiddelen en drinkwater (10). In het advies wordt een toelaatbare dagelijkse inname (TDI) van 2,8 μg Ni per kg lichaamsgewicht vastgesteld en wordt aangegeven dat de gemiddelde chronische blootstelling aan Ni via de voeding boven de TDI ligt, in het bijzonder bij de jonge bevolking. Het is derhalve passend om een allocatiefactor van 10 % toe te passen op de op conventionele wijze afgeleide migratielimiet. Daarom is het passend een migratielimiet van 0,02 mg/kg levensmiddel vast te stellen voor de migratie van nikkel uit materialen van kunststof die zijn bestemd om met levensmiddelen in contact te komen. Deze limiet moet bijgevolg worden toegevoegd aan de specificatie voor de migratie van metalen in bijlage II bij de verordening.

(11)

In punt 4 van bijlage III bij de verordening is bepaald welke combinaties van simulanten die representatief zijn voor verschillende soorten levensmiddelen, moeten worden gebruikt voor het bepalen van de totale migratie. De tekst van punt 4 is niet duidelijk genoeg en moet daarom worden verduidelijkt.

(12)

In punt 8, onder iii), van bijlage IV bij de verordening is bepaald dat in de verklaring van overeenstemming die door de exploitant wordt verstrekt, de verhouding kan worden vermeld tussen de oppervlakte die met levensmiddelen in contact komt en het volume, op grond waarvan is bepaald dat het materiaal of voorwerp aan de voorschriften voldoet. Voor de exploitant die het materiaal of voorwerp ontvangt is het echter niet altijd duidelijk of deze verhouding tevens de grootste verhouding is waarbij aan de artikelen 17 en 18 van de verordening wordt voldaan. In andere gevallen kan de vermelding van een verhouding tussen de oppervlakte en het volume irrelevant zijn voor de vraag of kan worden uitgegaan van overeenstemming bij de verhoudingen van het afgewerkte materiaal of voorwerp. In die gevallen zou gelijkwaardige informatie nodig zijn, zoals het minimumvolume van de verpakking bij doppen en sluitingen. Punt 8, onder iii), van bijlage IV bij de verordening moet derhalve worden verduidelijkt door te verwijzen naar de grootste oppervlakte-volumeverhouding waarvoor is vastgesteld dat aan de artikelen 17 en 18 wordt voldaan, of gelijkwaardige informatie.

(13)

Verordening (EU) nr. 10/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Om de administratieve belasting te beperken en exploitanten voldoende tijd te bieden om hun praktijken aan te passen om aan de voorschriften van deze verordening te voldoen, moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I, II, III en IV bij Verordening (EU) nr. 10/2011 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Materialen en voorwerpen van kunststof die voldoen aan Verordening (EU) nr. 10/2011 zoals die van toepassing was voor de inwerkingtreding van deze verordening, mogen tot en met 19 mei 2018 in de handel worden gebracht en mogen in de handel blijven tot de voorraden zijn uitgeput.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Punt 2 van de bijlage is van toepassing vanaf 19 mei 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 april 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4.

(2)  Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen (PB L 12 van 15.1.2011, blz. 1).

(3)  EFSA Journal 2016;14(7):4536.

(4)  EFSA Journal 2015;13(2):4008.

(5)  EFSA Journal 2015;13(11):4285.

(6)  EFSA Journal 2016;14(3):4412.

(7)  Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16).

(8)  EFSA Journal 2016;14(7):4534.

(9)  EFSA Journal 2016;14(1):4337.

(10)  EFSA Journal 2015;13(2):4002.


BIJLAGE

Verordening (EU) nr. 10/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1 wordt tabel 1 als volgt gewijzigd:

i)

in kolom 11 worden de verwijzingen naar noot (1) voor de stoffen met FCM-stofnummers 142, 168, 202, 387, 462, 467, 481, 502, 662 en 779 geschrapt;

ii)

de volgende vermeldingen worden in numerieke volgorde van de FCM-stofnummers ingevoegd:

„1007

 

976-56-7

diëthyl[[3,5-bis(1,1-dimethylethyl)-4-hydroxyfenyl]methyl]fosfonaat

neen

ja

neen

 

 

Alleen voor gebruik in een concentratie van maximaal 0,2 % m/m, op basis van het eindgewicht van de polymeer, in het polymerisatieproces voor de vervaardiging van poly(ethyleentereftalaat) (PET)”

 

„1016

 

 

(methacrylzuur,ethylacrylaat, n-butylacrylaat, methylmethacrylaat en butadieen) copolymeer in nanovorm

ja

neen

neen

 

 

Alleen voor gebruik in een concentratie van maximaal:

a)

10 % m/m in PVC zonder weekmakers;

b)

15 % m/m in PLA zonder weekmakers.

Het afgewerkte materiaal moet bij kamertemperatuur of lager worden gebruikt.”

 

„1030

 

 

montmorillonietklei gemodificeerd met dimethyldialkyl(C16-C18)ammoniumchloride

ja

neen

neen

 

 

Alleen voor gebruik in een concentratie van maximaal 12 % (m/m) in polyolefinen die bij kamertemperatuur of lager in contact komen met droge levensmiddelen waarvoor volgens tabel 2 van bijlage III simulant E wordt gebruikt.

De som van de specifieke migratie van 1-chloorhexadecaan en 1-chlooroctadecaan mag niet hoger zijn dan 0,05 mg/kg levensmiddel.

Kan plaatjes in nanovorm bevatten die slechts in één dimensie dunner zijn dan 100 nm. Deze plaatjes moeten parallel aan het polymeeroppervlak gericht zijn en volledig in de polymeer zijn opgenomen.”

 

„1055

 

7695-91-2

58-95-7

α-tocoferyl-acetaat

ja

neen

neen

 

 

Alleen voor gebruik als antioxidant in polyolefinen

(24)”

„1060

 

 

gemalen zonnebloempitschillen

ja

neen

neen

 

 

Alleen voor gebruik bij kamertemperatuur of lager in contact met levensmiddelen waarvoor volgens tabel 2 van bijlage III levensmiddelsimulant E wordt gebruikt.

De schillen moeten afkomstig zijn van zonnebloempitten die geschikt zijn voor menselijke consumptie.

De verwerkingstemperatuur van de kunststof waarin het additief is opgenomen, mag niet hoger zijn dan 240 °C.”

 

„1062

 

 

mengsel bestaande uit 97 % tetraëthylorthosilicaat (TEOS) met CAS-nummer 78-10-4 en 3 % hexamethyldisilazaan (HMDS) met CAS-nummer 999-97-3

neen

ja

neen

 

 

Alleen voor gebruik bij de productie van gerecycleerd PET, in een concentratie van maximaal 0,12 % (m/m)”

 

b)

in punt 3 wordt aan tabel 3 de volgende vermelding toegevoegd:

„(24)

De stof, of de hydrolyseproducten ervan, zijn toegelaten levensmiddelenadditieven en de overeenstemming met artikel 11, lid 3, moet worden gecontroleerd.”.

2)

In punt 1 van bijlage II wordt de volgende regel ingevoegd na de regel betreffende mangaan:

„nikkel = 0,02 mg/kg levensmiddel of levensmiddelsimulant;”.

3)

In bijlage III wordt punt 4 vervangen door:

„4.   Voor het bepalen van de totale migratie te gebruiken levensmiddelsimulanten

De levensmiddelsimulanten die worden gebruikt voor tests om aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan, worden overeenkomstig tabel 3 gekozen:

Tabel 3

Te gebruiken levensmiddelsimulanten om aan te tonen dat aan de totale migratielimiet wordt voldaan

Levensmiddelen

Voor de tests te gebruiken levensmiddelsimulanten

alle soorten levensmiddelen

1)

gedestilleerd water of water van gelijkwaardige kwaliteit of levensmiddelsimulant A;

2)

levensmiddelsimulant B, en

3)

levensmiddelsimulant D2.

alle soorten levensmiddelen met uitzondering van zure levensmiddelen

1)

gedestilleerd water of water van gelijkwaardige kwaliteit of levensmiddelsimulant A, en

2)

levensmiddelsimulant D2.

alle waterige en alcoholhoudende levensmiddelen en melkproducten

levensmiddelsimulant D1

alle waterige, zure en alcoholhoudende levensmiddelen en melkproducten

1)

levensmiddelsimulant D1, en

2)

levensmiddelsimulant B.

alle waterige levensmiddelen en alcoholhoudende levensmiddelen met een alcoholgehalte tot 20 %

levensmiddelsimulant C

alle waterige en zure levensmiddelen en alcoholhoudende levensmiddelen met een alcoholgehalte tot 20 %

1)

levensmiddelsimulant C, en

2)

levensmiddelsimulant B.”

(4)

In bijlage IV wordt punt 8, onder iii), vervangen door:

„iii)

de grootste verhouding tussen de oppervlakte die met levensmiddelen in contact komt en het volume waarvoor de overeenstemming overeenkomstig de artikelen 17 en 18 is gecontroleerd, of gelijkwaardige informatie;”.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/753 VAN DE COMMISSIE

van 28 april 2017

tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof cyhalofop-butyl overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 20, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2002/64/EG van de Commissie (2) is cyhalofop-butyl als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3).

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in de bijlage, deel A, bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De goedkeuring van de in de bijlage, deel A, bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 vermelde werkzame stof cyhalofop-butyl vervalt op 30 juni 2017.

(4)

Er is een aanvraag ingediend om de vermelding van cyhalofop-butyl in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG te verlengen; deze aanvraag is overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie (5) binnen de in dat artikel vermelde termijn ingediend.

(5)

De aanvrager heeft de overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1141/2010 vereiste aanvullende dossiers ingediend. De lidstaat-rapporteur heeft vastgesteld dat de aanvraag volledig was.

(6)

De lidstaat-rapporteur heeft in overleg met de lidstaat-corapporteur een beoordelingsverslag over de verlenging opgesteld en dit verslag op 18 oktober 2013 bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie ingediend.

(7)

De EFSA heeft dit beoordelingsverslag voor opmerkingen aan de aanvrager en de lidstaten toegezonden en de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. De EFSA heeft het aanvullende beknopte dossier tevens toegankelijk gemaakt voor het publiek.

(8)

Op 9 december 2014 heeft de EFSA de Commissie haar conclusie (6) meegedeeld over de vraag of cyhalofop-butyl naar verwachting aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zal voldoen. De Commissie heeft het ontwerpevaluatieverslag voor cyhalofop-butyl op 28 mei 2015 aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders voorgelegd.

(9)

Met betrekking tot een of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat, is vastgesteld dat aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 werd voldaan. Aan deze goedkeuringscriteria wordt dus geacht te zijn voldaan.

(10)

Het is derhalve passend om de goedkeuring van cyhalofop-butyl te verlengen.

(11)

De risicobeoordeling voor de verlenging van de goedkeuring van cyhalofop-butyl is gebaseerd op een beperkt aantal representatieve gebruiksdoeleinden, die echter geen beperking inhouden van de gebruiksdoeleinden waarvoor gewasbeschermingsmiddelen die cyhalofop-butyl bevatten, mogen worden toegelaten. Het is dan ook passend de beperking tot gebruik als herbicide niet te handhaven.

(12)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden vast te stellen.

(13)

Overeenkomstig artikel 20, lid 3, in samenhang met artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof

De goedkeuring van de in bijlage I gespecificeerde werkzame stof cyhalofop-butyl wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden verlengd.

Artikel 2

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 april 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2002/64/EG van de Commissie van 15 juli 2002 houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde cinidon-ethyl, cyhalofop-butyl, famoxadone, florasulam, metalaxyl-M en picolinafen op te nemen als werkzame stof (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 27).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot vaststelling van de procedure voor de verlenging van de opneming van een tweede groep werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot opstelling van de lijst van die stoffen (PB L 322 van 8.12.2010, blz. 10).

(6)  EFSA Journal (2014); 12(1):3943. Online beschikbaar op www.efsa.europa.eu


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Cyhalofop-butyl

CAS-nr.: 122008-85-9

CIPAC-nr.: 596

butyl-(R)-2-[4(4-cyaan-2-fluorfenoxy) fenoxy]propionaat

950 g/kg

1 juli 2017

30 juni 2032

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen wordt rekening gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over cyhalofop-butyl, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling besteden de lidstaten bijzondere aandacht aan:

de bescherming van de toedieners,

de technische specificatie,

de bescherming van niet tot de doelsoorten behorende landplanten.

De gebruiksvoorwaarden omvatten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1.

in deel A wordt vermelding 34 over cyhalofop-butyl geschrapt;

2.

in deel B wordt de volgende vermelding toegevoegd:

„113

Cyhalofop-butyl

CAS-nr.: 122008-85-9

CIPAC-nr.: 596

butyl-(R)-2-[4(4-cyaan-2-fluorfenoxy) fenoxy]propionaat

950 g/kg

1 juli 2017

30 juni 2032

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen wordt rekening gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over cyhalofop-butyl, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling besteden de lidstaten bijzondere aandacht aan:

de bescherming van de toedieners,

de technische specificatie,

de bescherming van niet tot de doelsoorten behorende landplanten.

De gebruiksvoorwaarden omvatten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen.”


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/28


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/754 VAN DE COMMISSIE

van 28 april 2017

betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Ecuador

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 58, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit (EU) 2016/2369 (2) („het besluit”) heeft de Raad zijn goedkeuring gegeven aan de ondertekening namens de Unie van het protocol van toetreding („het protocol”) tot de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, („de overeenkomst”) om rekening te houden met de toetreding van Ecuador, en aan de voorlopige toepassing van het protocol vanaf 1 januari 2017 (3).

(2)

In de overeenkomst is bepaald dat de douanerechten op de invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit Ecuador worden verlaagd of afgeschaft overeenkomstig de lijst inzake tariefafschaffing in bijlage I bij de overeenkomst. Volgens bijlage I wordt de verlaging of de afschaffing van de douanerechten voor bepaalde goederen van oorsprong uit Ecuador verleend in het kader van tariefcontingenten.

(3)

De tariefcontingenten die zijn opgenomen in subsectie 3 van sectie B van aanhangsel 1 van bijlage I bij de overeenkomst, worden door de Commissie beheerd op basis van de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van douaneaangiften voor het vrije verkeer overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (4).

(4)

Om het contingentsysteem waarin het protocol voorziet, vlot te kunnen toepassen en beheren, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van dezelfde datum als die van de voorlopige toepassing van het protocol.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Er worden tariefcontingenten van de Unie geopend voor goederen van oorsprong uit Ecuador overeenkomstig de bijlage.

Artikel 2

De in de bijlage vastgestelde tariefcontingenten worden beheerd overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 april 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Besluit (EU) 2016/2369 van de Raad van 11 november 2016 betreffende de ondertekening namens de Unie en de voorlopige toepassing van het protocol van toetreding tot de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van Ecuador (PB L 356 van 24.12.2016, blz. 1).

(3)  PB L 358 van 29.12.2016, blz. 1.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).


BIJLAGE

Niettegenstaande de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur wordt de omschrijving van de goederen in de vijfde kolom van de tabel geacht slechts een indicatieve waarde te hebben.

In het kader van deze bijlage wordt het preferentiestelsel bepaald door de GN-codes in de derde kolom van de tabel zoals deze op het moment van vaststelling van deze verordening van toepassing zijn. Wanneer de GN-code wordt voorafgegaan door de aanduiding „ex”, wordt het preferentiestelsel zowel door de strekking van de GN-code als door de bijbehorende omschrijving in de vijfde kolom van de tabel bepaald.

Volgnummer

 

GN-code

Taric-onderverdeling

Omschrijving

Contingentperiode

Omvang van het contingent (nettogewicht in ton, tenzij anders bepaald)

Contingentrecht

09.7525

 

0703 20 00

 

Knoflook, vers of gekoeld

1.1-31.12

500

0

09.7526

 

0710 40 00

 

Suikermais, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren

1.1-31.12

300

0

2004 90 10

2005 80 00

 

Suikermais (Zea mays var. saccharata), op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of in azijnzuur

09.7527

 

0711 51 00

 

Paddenstoelen van het geslacht Agaricus, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie

1.1-31.12

100

0

2003 10 20

2003 10 30

 

Paddenstoelen van het geslacht Agaricus, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur

09.7528

 

0711 90 30

 

Suikermais, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie

1.1-31.12

400

0

2001 90 30

 

Suikermais (Zea mays var. saccharata), bereid of verduurzaamd in azijn of in azijnzuur

2008 99 85

 

Mais, andere dan suikermais (Zea mays var. saccharata), bereid of verduurzaamd, zonder toegevoegde alcohol of toegevoegde suiker

09.7529

 

1005 90 00

 

Mais (andere dan zaaigoed)

1.1-31.12

37 000  (1)

0

1102 20

 

Maismeel

09.7530

 

1006 10 30

1006 10 50

1006 10 71

1006 10 79

1006 20

1006 30

1006 40

 

Rijst (met uitzondering van padie, zaaigoed)

1.1-31.12

5 000

0

09.7531

 

1108 14 00

 

Maniokzetmeel (cassave):

1.1-31.12

3 000

0

09.7532

 

1701 13

1701 14

 

Ruwe rietsuiker, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen

1.1-31.12

15 000  (2)

0

09.7533

 

1701 91

1701 99

 

Rietsuiker en beetwortelsuiker, alsmede chemisch zuivere sacharose, in vaste vorm, andere dan ruwe suiker, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen

1.1-31.12

10 000  ton uitgedrukt in equivalent ruwe suiker (3)

0

 

1702 30

 

Glucose in vaste vorm en glucosestroop, in droge toestand geen of minder dan 20 gewichtspercenten fructose bevattend

 

1702 40 90

 

Glucose in vaste vorm en glucosestroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen, en in droge toestand 20 of meer maar minder dan 50 gewichtspercenten fructose bevattend (met uitzondering van isoglucose en invertsuiker)

 

1702 50

 

Chemisch zuivere fructose in vaste vorm

 

1702 90 30

1702 90 50

1702 90 71

1702 90 75

1702 90 79

1702 90 80

1702 90 95

 

Andere suikers (met uitzondering van lactose (melksuiker) en melksuikerstroop, ahornsuiker en ahornsuikerstroop, glucose en glucosestroop, fructose en fructosestroop en chemisch zuivere fructose), daaronder begrepen invertsuiker en andere suiker en suikerstropen die in droge toestand 50 gewichtspercenten fructose bevatten

Ex

1704 90 99

91

99

Ander suikerwerk zonder cacao, met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) van 70 of meer gewichtspercenten

 

1806 10 30

1806 10 90

 

Cacaopoeder, met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) of met een isoglucosegehalte, berekend als sacharose, van 65 of meer gewichtspercenten

Ex

1806 20 95

90

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten, hetzij in blokken of in staven, met een gewicht van meer dan 2 kg, hetzij in vloeibare toestand of in de vorm van pasta, poeder, korrels of dergelijke, in recipiënten of in andere verpakkingen, met een inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 2 kg, met een gehalte aan cacaoboter van minder dan 18 gewichtspercenten (met uitzondering van cacaopoeder, cacaofantasie en zogenaamde „chocolate milk crumb”) en met een gehalte aan sacharose van 70 of meer gewichtspercenten (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen)

Ex

1901 90 99

36

Andere bereidingen voor menselijke consumptie met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) van 70 of meer gewichtspercenten

Ex

2006 00 31

90

Kersen, gekonfijt met suiker (uitgedropen, geglaceerd of uitgekristalliseerd), met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) van 70 of meer gewichtspercenten

Ex

2006 00 38

19

89

Groenten, vruchten, vruchtenschillen en andere plantendelen (met uitzondering van gember, kersen, tropische vruchten en tropische noten), gekonfijt met suiker (uitgedropen, geglaceerd of uitgekristalliseerd), met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) van 70 of meer gewichtspercenten

Ex

Ex

Ex

2007 91 10

2007 99 20

2007 99 31

90

90

95

99

95

99

95

99

02

04

06

17

19

24

27

30

34

37

40

44

47

52

56

75

85

Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta, door koken of stoven verkregen, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen (met uitzondering van gehomogeniseerde bereidingen), met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) van 70 of meer gewichtspercenten

Ex

2007 99 33

Ex

2007 99 35

Ex

2007 99 39

Ex

2009 11 11

19

99

Vruchten- of groentesap, met een waarde van niet meer dan 30 EUR per 100 kg nettogewicht en met een gehalte aan toegevoegde suiker van meer dan 30 gewichtspercenten

Ex

2009 11 91

2009 19 11

29

39

59

79

Ex

2009 19 91

2009 29 11

19

99

 

Ex

2009 29 91

2009 39 11

19

99

 

Ex

2009 39 51

2009 39 91

2009 49 11

19

99

 

Ex

2009 49 91

2009 81 11

2009 81 51

90

 

Ex

2009 89 11

19

99

29

39

59

79

 

Ex

2009 89 35

 

2009 89 61

2009 89 86

 

 

Ex

Ex

2009 90 11

2009 90 21

90

19

99

Mengsels van sappen, met een waarde van niet meer dan 30 EUR per 100 kg nettogewicht en met een gehalte aan toegevoegde suiker van meer dan 30 gewichtspercenten

 

2009 90 31

2009 90 71

2009 90 94

 

Ex

Ex

2101 12 98

2101 20 98

92

85

Preparaten op basis van koffie, thee of maté, met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) of met een isoglucosegehalte, berekend als sacharose, van 70 of meer gewichtspercenten

Ex

2106 90 98

26

33

34

38

53

55

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen, met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) of met een isoglucosegehalte, berekend als sacharose, van 70 of meer gewichtspercenten

Ex

3302 10 29

10

Bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt in de drankenindustrie, die alle essentiële aromatische stoffen van een bepaalde drank bevatten, met een effectief alcoholvolumegehalte van niet meer dan 0,5 % vol., bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 5 of meer gewichtspercenten glucose of zetmeel, met een sacharosegehalte (het gehalte aan invertsuiker, berekend als sacharose, daaronder begrepen) of met een isoglucosegehalte, berekend als sacharose, van 70 of meer gewichtspercenten

09.7534

 

2208 40 51

 

Rum met een gehalte aan vluchtige stoffen, andere dan ethylalcohol en methylalcohol, van 225 g/hl zuivere alcohol of meer, met een tolerantie van 10 percent, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 liter

1.1-31.12

250 hectoliter (4)

0

2208 40 99

 

Rum in verpakkingen inhoudende meer dan 2 liter, met een waarde van niet meer dan 2 EUR per liter zuivere alcohol


(1)  Vanaf 1.1.2018 jaarlijkse verhoging van de omvang met 1 110 ton.

(2)  Vanaf 1.1.2018 jaarlijkse verhoging van de omvang met 450 ton.

(3)  Vanaf 1.1.2018 jaarlijkse verhoging van de omvang met 150 ton, uitgedrukt in equivalent ruwe suiker.

(4)  Vanaf 1.1.2018 jaarlijkse verhoging van de omvang met 10 hectoliter.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/35


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/755 VAN DE COMMISSIE

van 28 april 2017

tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof mesosulfuron overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 20, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2003/119/EG van de Commissie (2) is mesosulfuron in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3) opgenomen als werkzame stof.

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De goedkeuring van de werkzame stof mesosulfuron, zoals vermeld in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, vervalt op 31 januari 2018.

(4)

Er is een aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van mesosulfuron ingediend overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (5) en binnen de in dat artikel vermelde termijn.

(5)

De aanvrager heeft de overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 vereiste aanvullende dossiers ingediend. De lidstaat-rapporteur heeft vastgesteld dat de aanvraag volledig was.

(6)

De lidstaat-rapporteur heeft in overleg met de lidstaat-corapporteur een beoordelingsverslag over de verlenging opgesteld en dit verslag op 5 oktober 2015 bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie ingediend.

(7)

De EFSA heeft het beoordelingsverslag over de verlenging voor opmerkingen aan de aanvrager en de lidstaten toegezonden en de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. De EFSA heeft het aanvullende beknopte dossier tevens toegankelijk gemaakt voor het publiek.

(8)

Op 22 september 2016 heeft de EFSA de Commissie haar conclusie (6) meegedeeld met betrekking tot de vraag of mesosulfuron (onderzochte variant: mesosulfuronmethyl) naar verwachting zal voldoen aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. De Commissie heeft het ontwerpverslag over de verlenging voor mesosulfuronmethyl op 6 december 2016 aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders voorgelegd.

(9)

Met betrekking tot een of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat, is vastgesteld dat aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 werd voldaan.

(10)

Het is derhalve passend om de goedkeuring van mesosulfuron te verlengen.

(11)

De risicobeoordeling voor de verlenging van de goedkeuring van mesosulfuron is gebaseerd op een beperkt aantal representatieve gebruiksdoeleinden, die echter geen beperking inhouden van de gebruiksdoeleinden waarvoor gewasbeschermingsmiddelen die mesosulfuron bevatten, mogen worden toegelaten. Het is derhalve passend om de beperking tot gebruik als herbicide niet te handhaven.

(12)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, in samenhang met artikel 6 daarvan, en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden verzocht.

(13)

Overeenkomstig artikel 20, lid 3, in samenhang met artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2016 van de Commissie (7) is de geldigheidsduur voor mesosulfuron verlengd tot 31 januari 2018 om het mogelijk te maken de verlengingsprocedure te voltooien voordat de goedkeuring van die stof vervalt. Aangezien er vóór de vervaldatum van de verlengde geldigheidsduur een besluit is genomen over de verlenging, moet deze verordening in werking treden vanaf 1 juli 2017.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof

De goedkeuring van de in bijlage I gespecificeerde werkzame stof mesosulfuron wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden verlengd.

Artikel 2

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 april 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2003/119/EG van de Commissie van 5 december 2003 houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde mesosulfuron, propoxycarbazon en zoxamide op te nemen als werkzame stof (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 41).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).

(6)  EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), 2016. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance mesosulfuron (variant evaluated mesosulfuron-methyl). EFSA Journal 2016;14(10):4584, 26 blz., doi:10.2903/j.efsa.2016.4584; online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2016 van de Commissie van 17 november 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen acetamiprid, benzoëzuur, flazasulfuron, mecoprop-P, mepanipyrim, mesosulfuron, propineb, propoxycarbazon, propyzamide, propiconazool, Pseudomonas chlororaphis stam: MA 342, pyraclostrobine, quinoxyfen, thiacloprid, thiram, ziram, zoxamide (PB L 312 van 18.11.2016, blz. 21).


BIJLAGE I

Benaming,

identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Mesosulfuron (moederstof)

Mesosulfuronmethyl (variant)

CAS-nr.: 208465-21-8

(mesosulfuronmethyl)

CIPAC-nr.: 663

(mesosulfuron)

CIPAC-nr.: 663.201

(mesosulfuronmethyl)

Mesosulfuronmethyl:

methyl-2-[(4,6-dimethoxypyrimidine-2-ylcarbamoyl)sulfamoyl]-α-(methaansulfonamido)-p-toluaat

Mesosulfuron:

2-[(4,6-dimethoxypyrimidine-2-ylcarbamoyl)sulfamoyl]-α-(methaansulfonamido)-p-toluylzuur

≥ 930 g/kg

(uitgedrukt als mesosulfuronmethyl)

1 juli 2017

30 juni 2032

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het verslag over de verlenging voor mesosulfuron, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van in het water levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende landplanten;

de bescherming van het grondwater.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager dient bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA bevestigende informatie in betreffende het effect van waterbehandelingsprocessen op de aard van de in het drinkwater aanwezige residuen uiterlijk twee jaar na de bekendmaking door de Commissie van richtsnoeren voor de evaluatie van het effect van waterbehandelingsprocessen op de aard van de in het oppervlaktewater en het grondwater aanwezige residuen.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In deel A wordt vermelding 75 over mesosulfuron geschrapt.

2)

In deel B wordt de volgende vermelding toegevoegd:

„111

Mesosulfuron (moederstof)

Mesosulfuronmethyl (variant)

CAS-nr.: 208465-21-8

(mesosulfuronmethyl)

CIPAC-nr.: 663

(mesosulfuron)

CIPAC-nr.: 663.201

(mesosulfuronmethyl)

Mesosulfuronmethyl:

methyl-2-[(4,6-dimethoxypyrimidine-2-ylcarbamoyl)sulfamoyl]-α-(methaansulfonamido)-p-toluaat

Mesosulfuron:

2-[(4,6-dimethoxypyrimidine-2-ylcarbamoyl)sulfamoyl]-α-(methaansulfonamido)-p-toluylzuur

≥ 930 g/kg

(uitgedrukt als mesosulfuronmethyl)

1 juli 2017

30 juni 2032

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het verslag over de verlenging voor mesosulfuron, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van in het water levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende landplanten;

de bescherming van het grondwater.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager dient bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA bevestigende informatie in betreffende het effect van waterbehandelingsprocessen op de aard van de in het drinkwater aanwezige residuen uiterlijk twee jaar na de bekendmaking door de Commissie van richtsnoeren voor de evaluatie van het effect van waterbehandelingsprocessen op de aard van de in het oppervlaktewater en het grondwater aanwezige residuen.”.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/40


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/756 VAN DE COMMISSIE

van 28 april 2017

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 april 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

EG

288,4

MA

99,5

TR

115,6

ZZ

167,8

0707 00 05

MA

79,4

TR

147,7

ZZ

113,6

0709 93 10

TR

140,9

ZZ

140,9

0805 10 22 , 0805 10 24 , 0805 10 28

EG

50,0

IL

141,6

MA

55,7

TR

41,8

ZA

43,6

ZZ

66,5

0805 50 10

EG

56,5

TR

54,0

ZZ

55,3

0808 10 80

AR

227,9

BR

112,9

CL

124,5

NZ

146,7

US

116,7

ZA

81,8

ZZ

135,1

0808 30 90

AR

168,8

CL

142,4

CN

98,4

NZ

206,0

ZA

116,8

ZZ

146,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/42


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/757 VAN DE COMMISSIE

van 28 april 2017

inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de tariefcontingenten die voor de deelperiode april 2017 zijn geopend bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 van de Commissie (2) betreft de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst, die overeenkomstig bijlage I bij die uitvoeringsverordening zijn verdeeld over landen van oorsprong en over verscheidene deelperioden.

(2)

De maand april is de tweede deelperiode voor het in artikel 1, lid 1, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgestelde contingent.

(3)

Blijkens de gegevens die overeenkomstig artikel 8, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 zijn verstrekt, hebben de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die uitvoeringsverordening gedurende de eerste tien werkdagen van april 2017 zijn ingediend voor het contingent met volgnummer 09.4130, betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient te worden bepaald in hoeverre invoercertificaten kunnen worden afgegeven, door de overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (3) berekende toewijzingscoëfficiënt vast te stellen die moet worden toegepast op de voor het betrokken contingent gevraagde hoeveelheden.

(4)

Uit de bovenbedoelde gegevens blijkt ook dat de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 gedurende de eerste tien werkdagen van april 2017 zijn ingediend voor de contingenten met de volgnummers 09.4127, 09.4128 en 09.4129, betrekking hebben op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid.

(5)

Ook dient overeenkomstig artikel 5, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 voor de contingenten met de volgnummers 09.4127, 09.4128, 09.4129 en 09.4130 de totale hoeveelheid te worden vastgesteld die beschikbaar is voor de volgende deelperiode.

(6)

Met het oog op een efficiënt beheer van de procedure voor afgifte van de invoercertificaten dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Op grond van de aanvragen van certificaten voor de invoer van rijst in het kader van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgestelde contingent met het volgnummer 09.4130 die gedurende de eerste tien werkdagen van april 2017 zijn ingediend, worden certificaten afgegeven voor de gevraagde hoeveelheid, vermenigvuldigd met de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënt.

2.   De totale hoeveelheid die in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgestelde contingenten met de volgnummers 09.4127, 09.4128, 09.4129 en 09.4130 beschikbaar is voor de volgende deelperiode, wordt vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 april 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 van de Commissie van 7 december 2011 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (PB L 325 van 8.12.2011, blz. 6).

(3)  Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).


BIJLAGE

Hoeveelheden die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 voor de deelperiode april 2017 moeten worden toegewezen, dan wel beschikbaar zijn voor de daaropvolgende deelperiode

Het in artikel 1, lid 1, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgestelde contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30:

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode april 2017

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode juli 2017 (in kg)

Verenigde Staten

09.4127

 (1)

17 808 482

Thailand

09.4128

 (1)

8 909 652

Australië

09.4129

 (1)

911 500

Andere landen van oorsprong

09.4130

0,695296 %

0


(1)  De aanvragen hebben betrekking op hoeveelheden die kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de beschikbare hoeveelheden: alle aanvragen zijn derhalve ontvankelijk.


BESLUITEN

29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/45


BESLUIT (EU) 2017/758 VAN DE RAAD

van 25 april 2017

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de achtste vergadering van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen over de voorstellen voor wijzigingen van de bijlagen A, B en C

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 14 oktober 2004 is het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen („het verdrag”) namens de Europese Gemeenschap bij Besluit 2006/507/EG van de Raad (1) goedgekeurd.

(2)

De Unie heeft de uit het verdrag voortvloeiende verplichtingen ten uitvoer gelegd in het Unierecht door middel van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(3)

De Unie wijst met klem op de noodzaak de bijlagen A, B en/of C bij het verdrag geleidelijk uit te breiden met nieuwe stoffen die rekening houdend met het voorzorgsbeginsel als persistente organische verontreinigende stoffen (persistent organic pollutants — POP's) moeten worden aangemerkt, teneinde te voldoen aan de doelstelling van het verdrag en de verbintenis die alle regeringen tijdens de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (Johannesburg, 2002) zijn aangegaan om vóór 2020 de schadelijke effecten van chemische stoffen zo veel mogelijk te beperken.

(4)

Op grond van artikel 22 van het verdrag kan de Conferentie van de Partijen besluiten nemen tot wijziging van de bijlagen A, B en/of C bij het verdrag. Die besluiten treden in werking één jaar na de datum van mededeling van een wijziging door de depositaris, behalve voor de partijen bij het verdrag („de partijen”) die hiervan uitgesloten wensen te blijven.

(5)

Na een aanmelding van commerciële decabroomdifenylether (c-decaBDE) door Noorwegen in 2013, heeft de Toetsingscommissie Persistente Organische Verontreinigende Stoffen („de toetsingscommissie”), die werd opgericht in het kader van het verdrag, haar werkzaamheden inzake c-decaBDE afgerond. De toetsingscommissie is tot het besluit gekomen dat c-decaBDE voldoet aan de criteria van het verdrag voor opname in bijlage A bij het verdrag. De achtste Conferentie van de Partijen wordt geacht een besluit te nemen over de opname van c-decaBDE in bijlage A bij het verdrag.

(6)

De vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van decabroomdifenylether, als stof als zodanig, als bestanddeel van andere stoffen, in mengsels en in voorwerpen, zijn beperkt op grond van Verordening (EU) 2017/227 van de Commissie (3), waarbij vermelding 67 in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (4) (REACH) („vermelding 67”) werd opgenomen. Op grond van vermelding 67 zijn de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik van decabroomdifenylether slechts toegestaan gedurende een beperkte tijd voor nieuwe luchtvaartuigen en voor reserveonderdelen voor luchtvaartuigen, motorvoertuigen, landbouw- en bosbouwvoertuigen en bepaalde machines.

(7)

Na een aanmelding van gechloreerde paraffines met een korte keten (short-chain chlorinated paraffins — SCCP's) door de Unie in 2006 is de toetsingscommissie tot het besluit gekomen dat SCCP's voldoen aan de criteria van het verdrag voor opname in bijlage A bij het verdrag. De achtste Conferentie van de Partijen wordt geacht een besluit te nemen over de opname van SCCP's in bijlage A bij het verdrag.

(8)

De productie, het in de handel brengen en het gebruik van SCCP's zijn verboden, met bepaalde vrijstellingen, op grond van Verordening (EG) nr. 850/2004, als gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2030 van de Commissie (5). In die gewijzigde verordening zijn tevens grenswaarden gespecificeerd voor de aanwezigheid van SCCP's in andere gechloreerde paraffinemengsels die voortkomen uit het productieproces. Aangezien SCCP's zich over grote afstand in het milieu kunnen verspreiden, zou een mondiale geleidelijke beëindiging van het gebruik van deze stof meer voordelen bieden voor de burger van de Unie dan een verbod enkel binnen de Unie krachtens Verordening (EG) nr. 850/2004.

(9)

Na een aanmelding van hexachloorbutadieen (HCBD) door de Unie in 2011 is de toetsingscommissie tot het besluit gekomen dat HCBD voldoet aan de criteria van het verdrag voor opname in de bijlagen A en C bij het verdrag. De zevende Conferentie van de Partijen heeft besloten HCBD in bijlage A bij het verdrag op te nemen. De Conferentie van de Partijen heeft echter Besluit SC-7/11 vastgesteld, waarbij de toetsingscommissie werd verzocht om HCBD nader te evalueren op basis van nieuwe beschikbare informatie met betrekking tot opname ervan in bijlage C bij het verdrag, en om een aanbeveling te doen inzake de opname van HCBD in bijlage C zodat deze door de achtste Conferentie van de Partijen in overweging kan worden genomen.

(10)

De productie, het in de handel brengen en het gebruik van HCBD zijn verboden in de Unie op grond van Verordening (EG) nr. 850/2004, als gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 519/2012 van de Commissie (6), maar de stof kan bij sommige industriële activiteiten onopzettelijk worden geproduceerd. Dergelijke activiteiten vallen onder Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) en vereisen de toepassing van bepaalde emissiebeheersmaatregelen. Aangezien HCBD zich over grote afstand in het milieu kan verspreiden, zouden maatregelen op wereldschaal tegen het onopzettelijke vrijkomen van deze stof meer voordelen bieden voor de burger van de Unie dan de in Verordening (EG) nr. 850/2004 vervatte maatregelen, die enkel binnen de Unie worden genomen.

(11)

Perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) en derivaten daarvan zijn reeds opgenomen in bijlage B bij het verdrag, met een aantal „acceptabele doeleinden”. De Conferentie van de Partijen zal worden verzocht te evalueren of die acceptabele doeleinden nog steeds nodig zijn. Bij Verordening (EG) nr. 850/2004 zijn de productie, het in de handel brengen en het gebruik van PFOS verboden, maar wordt vrijstelling verleend voor bepaalde toepassingen die in de Unie nog steeds nodig zijn. Bijgevolg moet de Unie haar steun verlenen aan het schrappen van de „acceptabele doeleinden” voor PFOS en derivaten daarvan die niet langer nodig zijn voor de partijen, met uitzondering van die voor fotoresist- en antireflectiecoatings voor halfgeleiders, als etsmiddel voor samengestelde halfgeleiders en keramische filters en in hardmetalen bekleding, uitsluitend in gesloten systemen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het namens de Unie in te nemen standpunt tijdens de achtste vergadering van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Stockholm bestaat erin, in overeenstemming met de relevante aanbevelingen van de Toetsingscommissie Persistente Organische Verontreinigende Stoffen, haar steun te geven aan:

de opname van decabroomdifenylether (BDE-209) in commerciële decabroomdifenylether (c-decaBDE) in bijlage A bij het verdrag, met „specifieke vrijstellingen” voor de productie en het gebruik van decaBDE in reserveonderdelen voor de automobielsector. De Unie geeft haar steun aan deze opname in de bijlage met aanvullende „specifieke vrijstellingen” voor luchtvaartuigen en voor reserveonderdelen voor luchtvaartuigen in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/227, alsook voor reserveonderdelen voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en bepaalde machines, indien andere partijen of rechtstreeks betrokken belanghebbenden kunnen aantonen deze nodig te hebben;

de opname van gechloreerde paraffines met een korte keten (short-chain chlorinated paraffins — SCCP's) in bijlage A bij het verdrag;

de opname van hexachloorbutadieen (HCBD) in bijlage C bij het verdrag;

de schrapping van de volgende „acceptabele doeleinden” in de vermelding betreffende perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) en derivaten daarvan in bijlage B bij het verdrag: fotografische toepassingen, hydraulische vloeistoffen voor de luchtvaart, bepaalde medische apparatuur (bv. ethyleentetrafluorethyleen-copolymeerlagen (ETFE-lagen) en productie van radio-opake ETFE, medische apparatuur voor in-vitrodiagnostiek en CCD-kleurfilters), blusschuim, insectenlokstoffen voor de bestrijding van bladsnijdersmieren Atta spp. en Acromyrmex spp.

2.   In het licht van de ontwikkelingen tijdens de achtste Conferentie van de Partijen kan een verfijning van dit standpunt worden overeengekomen via coördinatie ter plaatse.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 25 april 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

I. BORG


(1)  Besluit 2006/507/EG van de Raad van 14 oktober 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 209 van 31.7.2006, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7).

(3)  Verordening (EU) 2017/227 van de Commissie van 9 februari 2017 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft bis(pentabroomfenyl)ether (PB L 35 van 10.2.2017, blz. 6).

(4)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2015/2030 van de Commissie van 13 november 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen met betrekking tot bijlage I (PB L 298 van 14.11.2015, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 519/2012 van de Commissie van 19 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende persistente organische verontreinigende stoffen met betrekking tot bijlage I (PB L 159 van 20.6.2012, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/48


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/759 VAN DE COMMISSIE

van 28 april 2017

betreffende de door luchtvaartmaatschappijen te gebruiken gemeenschappelijke protocollen en dataformaten bij het doorgeven van PNR-gegevens aan passagiersinformatie-eenheden

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (1), en met name artikel 16, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn (EU) 2016/681 wordt bepaald dat de Commissie een lijst van gemeenschappelijke protocollen en ondersteunde dataformaten opstelt, waarvan luchtvaartmaatschappijen gebruik moeten maken bij het doorgeven van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) aan de lidstaten. De luchtvaartmaatschappijen zijn verplicht het gemeenschappelijk protocol en het dataformaat die zij voornemens zijn te gebruiken, uit te kiezen en de lidstaten daarvan in kennis te stellen.

(2)

De keuzemogelijkheden dienen rekening te houden met de actuele situatie van de bedrijfstak, om mogelijk te maken dat Richtlijn (EU) 2016/681 snel ten uitvoer wordt gelegd en negatieve economische gevolgen voor de luchtvaartmaatschappijen te voorkomen. Tegelijkertijd moeten de geboden keuzemogelijkheden de veiligheid en betrouwbaarheid van de doorgifte van PNR-gegevens waarborgen.

(3)

Kleine luchtvaartmaatschappijen die geen vluchten uitvoeren volgens een specifieke openbare dienstregeling en niet over de nodige technische infrastructuur beschikken om de in de bijlage genoemde dataformaten en doorgifteprotocollen te gebruiken, dienen te worden vrijgesteld van de verplichting om deze formaten en protocollen te gebruiken. De lidstaten zouden met de luchtvaartmaatschappijen op bilaterale basis afspraken moeten maken over de elektronische middelen die moeten worden gebruikt om een passend veiligheidsniveau voor de doorgifte van PNR-gegevens door deze luchtvaartmaatschappijen te waarborgen.

(4)

Overeenkomstig overweging 17 van Richtlijn (EU) 2016/681 dienen de richtsnoeren van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) de grondslag te zijn bij het vaststellen van de ondersteunde dataformaten voor de doorgifte van PNR-gegevens door luchtvaartmaatschappijen aan de lidstaten.

(5)

Het dataformaat PNRGOV, dat als internationale norm voor de doorgifte van PNR-gegevens is erkend, is gezamenlijk ontwikkeld door overheden, luchtvaartmaatschappijen en dienstverleners onder auspiciën van de Internationale Luchtvaartassociatie (IATA), de ICAO en de Werelddouaneorganisatie (WDO). Het dataformaat PNRGOV moet voldoen aan de normen voor de uitwisseling van passagiers- en luchthavengegevens (Passenger and Airport Data Interchange Standards (PADIS) — de EDIFACT- en XML-implementatierichtsnoeren voor PNRGOV-berichten), die zijn goedgekeurd en gepubliceerd door het Contactcomité voor de richtsnoeren van de WCO/IATA/ICAO over API- en PNR-gegevens.

(6)

UN/EDIFACT PAXLST is het voor de doorgifte van advance passenger information (API-gegevens) te gebruiken dataformaat. Dit formaat moet overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/681 worden gebruikt voor de doorgifte van API-gegevens die luchtvaartmaatschappijen in het kader van hun normale bedrijfsvoering hebben verzameld, maar niet met dezelfde technische middelen bewaren als andere PNR-gegevens.

(7)

Tegenwoordig maken de meeste luchtvaartmaatschappijen voor de doorgifte van passagiersgegevens aan de nationale autoriteiten gebruik van twee doorgifteprotocollen: IBM MQ en IATA Type B.

(8)

IBM MQ is een propriëtair product van IBM Corporation dat voor veilige en betrouwbare bezorging van berichten zorgt, de integriteit van het bericht behoudt en het risico van informatieverlies minimaliseert, en gebruikmaakt van wachtrijen om de uitwisseling van berichten tussen toepassingen, systemen, diensten en bestanden te vergemakkelijken.

(9)

Type B messaging is de term die de IATA hanteert voor het berichtensysteem dat gebruikt wordt in de luchtvaart- en de reissector. Het geldt binnen de luchtvaartsector als uiterst betrouwbaar en veilig en ondersteunt dan ook bedrijfskritische toepassingen.

(10)

Niet alle luchtvaartmaatschappijen zijn in staat om binnen minder dan vier tot vijf jaar over te stappen op een ander doorgifteprotocol dan zij momenteel gebruiken.

(11)

Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/681 moeten luchtvaartmaatschappijen, met ingang van één jaar na de datum waarop dit uitvoeringsbesluit wordt vastgesteld, ten minste een van de daarbij ingestelde dataformaten en gemeenschappelijke protocollen kunnen gebruiken.

(12)

In dit uitvoeringsbesluit moet derhalve de actuele situatie van de bedrijfstak in aanmerking worden genomen en worden voorzien in de mogelijkheid dat luchtvaartmaatschappijen, ook voor de toepassing van Richtlijn (EU) 2016/681, gebruik blijven maken van dezelfde dataformaten en doorgifteprotocollen die momenteel binnen de bedrijfstak de norm zijn.

(13)

Anderzijds moet het gebruik van open standaarddataformaten en doorgifteprotocollen, inclusief de toepassing van Europese normen, zo veel mogelijk worden aangemoedigd.

(14)

De Commissie stimuleert momenteel het gebruik van het AS4-protocol, met name in het kader van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen. Dit protocol moet derhalve als alternatief voor de protocollen IBM MQ en IATA Type B worden genoemd.

(15)

De bedrijfstak en de lidstaten moeten worden aangemoedigd om samen met de internationale partners, de ICAO en de WDO de nodige maatregelen te nemen om geschikte open standaardprotocollen op te nemen in de lijst van internationaal aanvaarde referentieprotocollen die de luchtvaartmaatschappijen mogen gebruiken voor de doorgifte van PNR-gegevens aan de passagiersinformatie-eenheden van de lidstaten.

(16)

Dit uitvoeringsbesluit moet derhalve binnen vier jaar na de datum van vaststelling worden geëvalueerd om te beoordelen of de propriëtaire producten kunnen worden vervangen door open standaarddoorgifteprotocollen. Tevens moet daarbij worden overwogen om eventuele nieuwe edities van de bestaande EDIFACT- en XML-versies van PNRGOV en EDIFACT PAXLST aan de lijst toe te voegen en mogelijk XML-normen voor het API-berichtenverkeer te ontwikkelen.

(17)

De lidstaten kunnen eveneens overwegen om aan de luchtvaartmaatschappijen de ontvangst van een PNR-doorgifte te bevestigen door middel van een ACKRES-bericht. Een besluit daartoe moet worden gebaseerd op een bilaterale regeling tussen de luchtvaartmaatschappij en de lidstaat, zoals door de IATA aanbevolen.

(18)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) 2016/681 bedoelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Gemeenschappelijke protocollen en ondersteunde dataformaten

1.   Luchtvaartmaatschappijen maken, bij het doorgeven van PNR-gegevens aan de passagiersinformatie-eenheden van de lidstaten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/681, gebruik van een van de dataformaten en doorgifteprotocollen bedoeld in de punten 1 en 2 van de bijlage bij dit besluit.

2.   Indien luchtvaartmaatschappijen API-gegevens (advance passenger information) als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/681 niet samen met de PNR-gegevens voor dezelfde vlucht doorgeven, maken zij gebruik van het dataformaat bedoeld in punt 3 van de bijlage bij dit besluit.

3.   Luchtvaartmaatschappijen die geen vluchten van of naar derde landen dan wel vluchten binnen de EU volgens een specifieke openbare dienstregeling uitvoeren en niet beschikken over de noodzakelijke infrastructuur ter ondersteuning van de in de bijlage vermelde dataformaten en doorgifteprotocollen, geven in afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel de PNR-gegevens door met bilateraal door de luchtvaartmaatschappij en de desbetreffende lidstaat overeen te komen elektronische middelen die voldoende waarborgen bieden wat de technische beveiligingsmaatregelen betreft.

Artikel 2

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 28 april 2021 verricht de Commissie een evaluatie van dit uitvoeringsbesluit. Bij de evaluatie wordt in het bijzonder beoordeeld of de mogelijkheid bestaat om, uitsluitend of in aanvulling op de bestaande protocollen, in open standaarddoorgifteprotocollen te voorzien, waarbij de aansluiting bij internationale normen en beste praktijken wordt gewaarborgd.

2.   In het licht van deze evaluatie kan de Commissie een wijziging van dit besluit vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 28 april 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 119 van 4.5.2016, blz. 132.


BIJLAGE

1.   Dataformaten voor de doorgifte van PNR-gegevens

EDIFACT PNRGOV, zoals beschreven in de EDIFACT-implementatierichtsnoeren; PNR-gegevens worden gepusht naar de staten of andere autoriteiten; PNRGOV-bericht versie 11.1 of nieuwer;

XML PNRGOV, zoals beschreven in de XML-implementatierichtsnoeren; PNR-gegevens worden gepusht naar de staten of andere autoriteiten; PNRGOV-bericht versie 13.1 of nieuwer.

2.   Doorgifteprotocollen voor de doorgifte van PNR-gegevens

IBM MQ;

IATA Type B;

AS4-profiel van ebMS 3.0 versie 1.0, OASIS-norm, gepubliceerd op 23 januari 2013. Implementatie van AS4 overeenkomstig het e-SENS AS4-profiel dat is ontwikkeld in het kader van de Large Scale Pilot van e-SENS, actuele identificator en versie: „PR — AS4 — 1.10”. De financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen blijft ook vanaf 2017 zorgen voor het onderhoud en de verbetering van deze implementatierichtsnoeren.

3.   Dataformaten voor de doorgifte van API-gegevens, indien deze afzonderlijk van het PNR-bericht worden doorgegeven

EDIFACT PAXLST, zoals beschreven in de implementatierichtsnoeren, versie 2003 of nieuwer, van WCO/IATA/ICAO Passenger List message (PAXLST).


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/52


BESLUIT (EU) 2017/760 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 24 april 2017

betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017 (ECB/2017/11)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), met name artikel 30,

Gezien Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41) (2), met name artikel 3, lid 1 en artikel 9, lid 2,

Overwegende:

(1)

Het totale bedrag van de krachtens artikel 9, lid 2 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) aan te rekenen jaarlijkse vergoeding voor toezicht moet de uitgaven van de Europese Centrale Bank (ECB) in verband met haar toezichttaken in de betrokken vergoedingsperiode dekken, maar is niet hoger dan deze uitgaven. Deze uitgaven betreffen primair kosten die rechtstreeks verband houden met de ECB-toezichttaken, zoals direct toezicht op belangrijke entiteiten, oversight op het toezicht op minder belangrijke entiteiten en het uitvoeren van horizontale taken en gespecialiseerde diensten. Deze uitgaven omvatten tevens kosten die indirect verband houden met de ECB-toezichttaken, bv. door de ondersteunende diensten van de ECB verleende diensten, waaronder gebouwen, personeelsbeheer, administratieve diensten, budgettering en controlling, accountingdiensten, juridische diensten, communicatie- en vertaaldiensten, interne audit, en statistische en informatietechnologiediensten.

(2)

Ter berekening van de door iedere belangrijke onder toezicht staande entiteit en belangrijke onder toezicht staande groep en minder belangrijke onder toezicht staande entiteit en minder belangrijke onder toezicht staande groep verschuldigde jaarlijkse vergoeding voor toezicht moeten de totale kosten uitgesplitst worden op basis van de uitgaven die zijn toegerekend aan de betreffende functies die het directe toezicht uitoefenen op belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen en het indirecte toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen.

(3)

Het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017 moet worden berekend als de som van: a) de geraamde jaarlijkse toezichtkosten voor 2017, op basis van de voor 2017 goedgekeurde ECB-begroting, rekening houdend met ontwikkelingen in de geraamde jaarlijkse ECB-kosten die bekend waren toen dit Besluit werd vastgesteld, en b) het overschot of tekort van 2016.

(4)

Het overschot of tekort wordt vastgesteld door de werkelijke jaarlijkse toezichtkosten van 2016, zoals bedoeld in de ECB-jaarrekening voor 2016 (3), in mindering te brengen op de geraamde jaarlijkse voor 2016 aangerekende kosten, zoals vastgelegd in de bijlage bij Besluit (EU) 2016/661 van de Europese Centrale Bank (ECB/2016/7) (4).

(5)

Overeenkomstig artikel 5, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) moet bij het vaststellen van de geraamde jaarlijkse toezichtkosten voor 2017 tevens rekening worden gehouden met niet-inbare vergoedingsbedragen die verband houden met vorige vergoedingsperiodes, met overeenkomstig artikel 14 ontvangen rentebetalingen en met overeenkomstig artikel 7, lid 3 van die verordening ontvangen of terugbetaalde bedragen, indien van toepassing,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Binnen het kader van dit Besluit zijn de definities in Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (5) en Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) van toepassing.

Artikel 2

Totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017

1.   Het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017 bedraagt 424 957 652 EUR waarvan de berekening in bijlage I is vastgelegd.

2.   Elke categorie van onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen betaalt het volgende totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht:

a)

belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen: 391 279 654 EUR;

b)

minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen: 33 677 998 EUR.

De uitsplitsing van het totale voor iedere categorie verschuldigde bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017 is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 24 april 2017.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  PB L 311 van 31.10.2014, blz. 23.

(3)  Gepubliceerd op de ECB-website op: www.ecb.europa.eu in februari 2017.

(4)  Besluit (EU) 2016/661 van de Europese Centrale Bank van 15 april 2016 betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2016 (ECB/2016/7) (PB L 114 van 28.4.2016, blz. 14).

(5)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).


BIJLAGE I

Berekening van het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017

(EUR)

Geraamde jaarlijkse kosten voor 2017

464 676 594

Salarissen en voordelen

208 621 881

Huur en onderhoud gebouwen

54 990 329

Overige bedrijfskosten

201 064 384

Overschot/tekort voor 2016

– 41 089 798

Bedragen waarmee overeenkomstig artikel 5, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) rekening moet worden gehouden

1 370 856

Met vorige vergoedingsperiodes verband houdende niet-inbare vergoedingsbedragen

0

Overeenkomstig artikel 14 van de bovengenoemde verordening ontvangen rentebetalingen

– 23 761

Overeenkomstig artikel 7, lid 3 van de bovengenoemde verordening ontvangen of terugbetaalde bedragen

1 394 617

TOTAAL

424 957 652


BIJLAGE II

Uitsplitsing van het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2017

(EUR)

 

Belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen

Minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen

Totaal

Geraamde jaarlijkse kosten voor 2017

427 700 563

36 976 031

464 676 594

Overschot/tekort voor 2016

– 37 593 510

– 3 496 288

– 41 089 798

Bedragen waarmee overeenkomstig artikel 5, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) rekening moet worden gehouden

1 172 601

198 255

1 370 856

Met vorige vergoedingsperiodes verband houdende niet-inbare vergoedingsbedragen

0

0

0

Overeenkomstig artikel 14 van de bovengenoemde verordening ontvangen rentebetalingen

8 696

15 065

23 761

Overeenkomstig artikel 7, lid 3 van de bovengenoemde verordening ontvangen of terugbetaalde bedragen

1 181 297

213 320

1 394 617

TOTAAL

391 279 654

33 677 998

424 957 652


AANBEVELINGEN

29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/56


AANBEVELING (EU) 2017/761 VAN DE COMMISSIE

van 26 april 2017

over de Europese pijler van sociale rechten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de Unie onder meer tot doel het welzijn van haar volkeren te bevorderen en te werken aan een duurzame ontwikkeling van Europa, gebaseerd op een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen en gericht op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang. De Unie bestrijdt sociale uitsluiting en discriminatie en bevordert sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind.

(2)

Op grond van artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie houdt de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid.

(3)

Artikel 151 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Unie en de lidstaten zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, op de volgende doelstellingen richten: de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

(4)

Artikel 152 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Unie de rol van de sociale partners op het niveau van de Unie erkent en bevordert, rekening houdend met de verschillen tussen de nationale stelsels. Zij bevordert hun onderlinge dialoog, met inachtneming van hun autonomie.

(5)

Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat voor het eerst is afgekondigd tijdens de Europese Raad van Nice op 7 december 2000, bevestigt en bevordert een aantal beginselen die essentieel zijn voor het Europees sociaal model. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, en tot de lidstaten wanneer die het recht van de Unie ten uitvoer brengen.

(6)

Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bevat bepalingen tot vaststelling van de bevoegdheden van de Unie met betrekking tot onder meer de vrijheid van verkeer van werknemers (artikelen 45 tot en met 48), het recht van vestiging (artikelen 49 tot en met 55), sociale politiek (artikelen 151 tot en met 161), de bevordering van de dialoog tussen werkgevers en werknemers (artikel 154), met inbegrip van overeenkomsten die op het niveau van de Unie worden gesloten en uitgevoerd (artikel 155), gelijke beloning voor mannen en vrouwen voor gelijke arbeid (artikel 157), de bijdrage aan de ontwikkeling van onderwijs en beroepsopleiding van hoog gehalte (artikelen 165 en 166), het optreden van de Unie als aanvulling op het nationale beleid en tot bevordering van de samenwerking op het gebied van gezondheid (artikel 168), de economische, sociale en territoriale samenhang (artikelen 174 tot en met 178), het opstellen van en het toezicht op de uitvoering van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (artikel 121), het opstellen van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid en het verrichten van onderzoek naar de uitvoering ervan (artikel 148) en, meer in het algemeen, de aanpassing van de wetgevingen (artikelen 114 tot en met 117).

(7)

Het Europees Parlement heeft aangedrongen op de vaststelling van een solide Europese pijler van sociale rechten om de sociale rechten te versterken, te zorgen voor een positieve impact op het leven van de burgers op korte en middellange termijn en steun mogelijk te maken voor de Europese eenmaking in de 21e eeuw (1). De Europese Raad heeft benadrukt dat de economische en sociale onzekerheid als een prioriteit moet worden aangepakt, en riep op voor iedereen een veelbelovende toekomst te scheppen, onze levenswijze veilig te stellen en jongeren betere kansen te bieden (2). De leiders van 27 lidstaten en die van de Europese Raad, het Europees Parlement, en de Europese Commissie hebben zich er in de agenda van Rome toe verplicht toe te werken naar een sociaal Europa. Die belofte is gebaseerd op de beginselen van duurzame groei en op de bevordering van economische en sociale vooruitgang, naast die van samenhang en convergentie, waarbij tegelijk de integriteit van de interne markt wordt gehandhaafd (3). De sociale partners hebben toegezegd dat zij zullen blijven meewerken aan een Europa dat voordelen oplevert voor zijn werknemers en ondernemingen (4).

(8)

De voltooiing van de Europese eengemaakte markt in de afgelopen decennia is gepaard gegaan met de ontwikkeling van een solide sociaal acquis, dat tot vooruitgang heeft geleid op het gebied van de vrijheid van verkeer, levens- en arbeidsomstandigheden, de gelijkheid van vrouwen en mannen, gezondheid en veiligheid op het werk, sociale bescherming en onderwijs en opleiding. Door de invoering van de euro kreeg de Unie een stabiele gemeenschappelijke munt, die door 340 miljoen burgers in 19 lidstaten wordt gedeeld en die hun dagelijks leven vergemakkelijkt en hen beschermt tegen financiële instabiliteit. De Unie is ook aanzienlijk uitgebreid, zodat meer economische kansen worden geboden en de sociale vooruitgang op het hele continent wordt bevorderd.

(9)

Arbeidsmarkten en samenlevingen ontwikkelen zich snel, met nieuwe kansen en nieuwe uitdagingen tot gevolg die voortkomen uit de mondialisering, de digitale revolutie, veranderende werkpatronen en maatschappelijke en demografische ontwikkelingen. De lidstaten staan vaak in meer of mindere mate voor dezelfde uitdagingen, zoals aanzienlijke ongelijkheid, langdurige werkloosheid, jeugdwerkloosheid en solidariteit tussen de generaties.

(10)

Europa heeft laten zien dat het vastbesloten was om een uitweg te vinden uit de financiële en economische crisis, en als gevolg van vastberaden optreden is de economie van de Unie nu stabieler, met ongekend hoge werkgelegenheidsniveaus en een gestaag dalende werkloosheid. De crisis heeft echter ingrijpende sociale gevolgen gehad — variërend van jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid tot armoederisico — en het aanpakken van die gevolgen blijft een dringende prioriteit.

(11)

Voor een groot deel zijn de sociale uitdagingen en de uitdagingen op het vlak van de werkgelegenheid in Europa het gevolg van de relatief bescheiden groei, die te wijten is aan ongebruikt potentieel bij de arbeidsparticipatie en de productiviteit. Economische en sociale vooruitgang zijn met elkaar verweven, en de oprichting van een Europese pijler van sociale rechten zou onderdeel moeten zijn van een bredere inspanning om een inclusiever en duurzamer groeimodel te realiseren door het Europese concurrentievermogen te vergroten en Europa aantrekkelijker te maken om te investeren, banen te scheppen en de sociale cohesie te bevorderen.

(12)

De Europese pijler van sociale rechten is bedoeld om bij huidige en toekomstige uitdagingen als leidraad te fungeren voor de doelmatige verwezenlijking van resultaten op sociaal en werkgelegenheidsgebied, die zich rechtstreeks richten op de essentiële behoeften van mensen en een betere afbakening en uitvoering van sociale rechten bewerkstelligen.

(13)

Meer nadruk op werkgelegenheid en sociale prestaties is bijzonder belangrijk om de weerbaarheid te verhogen en de Economische en Monetaire Unie te verdiepen. De Europese pijler van sociale rechten is daarom in eerste instantie ontworpen voor de eurozone, maar is van toepassing op alle lidstaten die zich erbij wensen aan te sluiten.

(14)

De Europese pijler van sociale rechten vormt de uitdrukking van beginselen en rechten die essentieel zijn voor billijke en goed functionerende arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels in het Europa van de 21e eeuw. In de pijler worden bepaalde rechten opnieuw bevestigd die al aanwezig zijn in het acquis van de Unie. Daarnaast omvat de pijler nieuwe beginselen, die betrekking hebben op de uitdagingen die voortkomen uit maatschappelijke, technologische en economische ontwikkelingen.

(15)

De in de Europese pijler van sociale rechten vervatte beginselen hebben betrekking op burgers van de Unie en onderdanen van derde landen met een verblijfsvergunning. Als in een beginsel wordt verwezen naar werknemers, worden hiermee alle werkenden bedoeld, ongeacht de aard, vorm en duur van hun dienstbetrekking.

(16)

De Europese pijler van sociale rechten verbiedt het lidstaten of hun sociale partners niet, ambitieuzere sociale normen vast te stellen. In het bijzonder is niets in de Europese pijler van sociale rechten te interpreteren als een beperking op, of als afbreuk doend aan, rechten en beginselen die zijn erkend, binnen hun respectieve werkingssfeer, in het recht van de Unie, het internationaal recht en internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, waaronder het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende Europees Sociaal Handvest en de relevante verdragen en aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie.

(17)

Het in de praktijk tot uitdrukking brengen van de Europese pijler van sociale rechten is een gedeelde inzet en een gedeelde verantwoordelijkheid van de Unie, haar lidstaten en de sociale partners. De beginselen en rechten van de Europese pijler van sociale rechten moeten zowel op het niveau van de Unie als op dat van haar lidstaten worden uitgevoerd, binnen hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.

(18)

Op het niveau van de Unie leidt de Europese pijler van sociale rechten niet tot een uitbreiding van haar bevoegdheden zoals vastgelegd in de Verdragen. Aan de pijler moet binnen de grenzen van die bevoegdheden invulling worden gegeven.

(19)

Op het niveau van de lidstaten eerbiedigt de pijler de verscheidenheid van culturen en tradities van de volkeren van Europa, evenals de nationale identiteit van de lidstaten en de manier waarop zij hun overheden op nationaal, regionaal en lokaal niveau hebben ingericht. De oprichting van de pijler laat met name het recht van de lidstaten om de beginselen van hun socialezekerheidsstelsels vast te stellen onverlet, en mag geen gevolgen hebben voor het financiële evenwicht van die stelsels.

(20)

De sociale dialoog speelt een centrale rol bij het versterken van sociale rechten en het bevorderen van duurzame en inclusieve groei. Een essentiële rol bij het nastreven en in praktijk brengen van de Europese pijler van sociale rechten is weggelegd voor de sociale partners op alle niveaus, met inachtneming van hun autonomie en het recht op collectieve actie,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

EUROPESE PIJLER VAN SOCIALE RECHTEN

HOOFDSTUK I

Gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt

1.   Onderwijs, opleiding en een leven lang leren

Iedereen heeft recht op hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs, opleiding en een leven lang leren om de vaardigheden te verwerven en te onderhouden die nodig zijn om ten volle aan het maatschappelijk leven te kunnen deelnemen en overgangen op de arbeidsmarkt met succes te kunnen opvangen.

2.   Gendergelijkheid

a)

Het beginsel van gelijke behandeling en gelijke kansen voor vrouwen en mannen moet worden gewaarborgd en bevorderd op alle vlakken, waaronder dat van de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling.

b)

Vrouwen en mannen hebben recht op gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid.

3.   Gelijke kansen

Ongeacht gender, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid heeft iedereen recht op gelijke behandeling en gelijke kansen op het gebied van werkgelegenheid, sociale bescherming, onderwijs en de toegang tot goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn. Gelijke kansen voor ondervertegenwoordigde groepen worden bevorderd.

4.   Actieve ondersteuning bij het vinden van werk

a)

Iedereen heeft recht op tijdige en op maat gesneden hulp bij het verbeteren van zijn of haar vooruitzichten om een baan te vinden of zich als zelfstandige te vestigen. Hieronder valt het recht op ondersteuning bij het zoeken van werk en bij opleiding en herscholing. Iedereen die van baan wisselt, heeft er recht op dat opgebouwde sociale en opleidingsrechten worden overgedragen.

b)

Binnen vier maanden nadat jongeren werkloos zijn geworden of het onderwijs hebben verlaten, hebben zij recht op voortgezet onderwijs, een plaats in het leerlingstelsel, een stageplaats of een geschikt baanaanbod.

c)

Werklozen hebben recht op persoonlijke, doorlopende en coherente ondersteuning. Langdurig werklozen hebben uiterlijk na 18 maanden werkloosheid recht op een uitgebreide individuele beoordeling.

HOOFDSTUK II

Billijke arbeidsvoorwaarden

5.   Veilige en flexibele werkgelegenheid

a)

Ongeacht de aard en de duur van hun arbeidsrelatie hebben werknemers recht op een billijke en gelijke behandeling wat betreft arbeidsvoorwaarden, toegang tot sociale bescherming en opleiding. De overgang naar arbeidsrelaties voor onbepaalde duur wordt bevorderd.

b)

In overeenstemming met de geldende wetgeving en collectieve overeenkomsten wordt gewaarborgd dat werkgevers over de nodige flexibiliteit beschikken om zich snel aan te kunnen passen aan veranderingen in de economische context.

c)

Innovatieve vormen van werk die goede arbeidsvoorwaarden waarborgen, worden bevorderd. Ondernemerschap en werken als zelfstandige worden gestimuleerd. Arbeidsmobiliteit wordt vergemakkelijkt.

d)

Arbeidsrelaties die leiden tot onzekere arbeidsvoorwaarden worden voorkomen, onder meer door een verbod op misbruik van atypische arbeidsovereenkomsten. Een proeftijd moet een redelijke tijdsduur hebben.

6.   Loon

a)

Werknemers hebben recht op een billijk loon waarmee zij een fatsoenlijke levensstandaard kunnen genieten.

b)

Er wordt gezorgd voor toereikende minimumlonen, die voorzien in de behoeften van de werknemer en zijn of haar gezin in het licht van de nationale economische en sociale omstandigheden, maar waarbij tegelijkertijd de toegang tot werk en de prikkel om werk te zoeken worden gewaarborgd. Armoede onder werkenden wordt voorkomen.

c)

Lonen worden op een transparante en voorspelbare manier vastgesteld, volgens de nationale gebruiken en met inachtneming van de autonomie van de sociale partners.

7.   Informatie over arbeidsvoorwaarden en bescherming bij ontslag

a)

Werknemers hebben het recht om bij hun indiensttreding schriftelijk in kennis te worden gesteld van hun rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsrelatie, waaronder die met betrekking tot de proeftijd.

b)

Voorafgaand aan een ontslag hebben werknemers het recht te worden geïnformeerd over de redenen die eraan ten grondslag liggen en moet hun een redelijke opzegtermijn worden geboden. Zij hebben het recht op toegang tot een doeltreffend en onpartijdig systeem van geschillenbeslechting en, bij een kennelijk onredelijk ontslag, een recht op verhaal, waarbij onder meer een passende schadevergoeding is inbegrepen.

8.   Sociale dialoog en betrokkenheid van werknemers

a)

De sociale partners worden, met inachtneming van de nationale gebruiken, geraadpleegd over de vormgeving en uitvoering van economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid. Zij worden aangemoedigd te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten op gebieden die voor hen van belang zijn, met inachtneming van hun autonomie en het recht op collectieve actie. In voorkomend geval worden overeenkomsten tussen de sociale partners op het niveau van de Unie en haar lidstaten uitgevoerd.

b)

Werknemers of hun vertegenwoordigers hebben het recht tijdig te worden geïnformeerd en geraadpleegd over zaken die voor hen van belang zijn, in het bijzonder als het gaat om de overdracht, herstructurering en fusie van ondernemingen en om gevallen van collectief ontslag.

c)

Het verlenen van steun, gericht op het vergroten van het vermogen van sociale partners om de sociale dialoog te bevorderen, wordt aangemoedigd.

9.   Evenwicht tussen werk en privéleven

Ouders en mensen met zorgtaken hebben recht op geschikte vormen van verlof, flexibele werkregelingen en toegang tot zorgvoorzieningen. Vrouwen en mannen hebben gelijke toegang tot speciale vormen van verlof om hun zorgtaken te kunnen vervullen en worden aangemoedigd daar op een evenwichtige manier gebruik van te maken.

10.   Een gezonde, veilige en goed aangepaste werkomgeving en gegevensbescherming

a)

Werknemers hebben recht op een hoog niveau van bescherming van hun gezondheid en veiligheid op het werk.

b)

Werknemers hebben recht op een werkomgeving die op hun professionele behoeften is afgestemd en hen in staat stelt langer op de arbeidsmarkt actief te blijven.

c)

Werknemers hebben er recht op dat hun persoonlijke gegevens binnen het kader van hun werk worden beschermd.

HOOFDSTUK III

Sociale bescherming en inclusie

11.   Kinderopvang en hulp aan kinderen

a)

Kinderen hebben recht op betaalbare en goede opvang en onderwijs voor jonge kinderen.

b)

Kinderen hebben recht op bescherming tegen armoede. Kinderen uit kansarme milieus hebben recht op specifieke maatregelen die gelijke kansen versterken.

12.   Sociale bescherming

Ongeacht de aard en de duur van hun arbeidsrelatie hebben werknemers en, onder vergelijkbare voorwaarden, zelfstandigen recht op adequate sociale bescherming.

13.   Werkloosheidsuitkeringen

Werklozen hebben recht op geschikte vormen van activeringsondersteuning, verzorgd door openbare diensten voor arbeidsvoorziening met het oog op hun (re-)integratie op de arbeidsmarkt, en op toereikende werkloosheidsuitkeringen gedurende een redelijke periode, in overeenstemming met de door hen betaalde bijdragen en de nationale regels die bepalen wie voor dergelijke voorzieningen in aanmerking komt. Deze uitkeringen mogen geen negatieve prikkel vormen voor een snelle terugkeer op de arbeidsmarkt.

14.   Minimuminkomen

Iedereen die over onvoldoende middelen beschikt, heeft het recht op adequate voorzieningen voor een minimuminkomen om in alle levensfasen een waardig leven te kunnen leiden, en op praktische toegang tot goederen en diensten die de zelfredzaamheid van mensen bevorderen. Voor mensen die tot werken in staat zijn, moeten de voorzieningen voor een minimuminkomen worden gecombineerd met prikkels om (weer) actief te worden op de arbeidsmarkt.

15.   Inkomen voor ouderen en pensioenen

a)

Werknemers en zelfstandigen hebben bij pensionering recht op een pensioen dat in verhouding staat tot hun bijdragen en een passend inkomen vormt. Vrouwen en mannen hebben gelijke mogelijkheden om pensioenrechten te verwerven.

b)

Iedereen heeft op oudere leeftijd recht op middelen die een waardig leven mogelijk maken.

16.   Gezondheidszorg

Iedereen heeft recht op tijdige toegang tot betaalbare preventieve en curatieve gezondheidszorg van goede kwaliteit.

17.   Inclusie van personen met een handicap

Personen met een handicap hebben recht op inkomenssteun waarmee een waardig leven wordt gewaarborgd, op diensten die hen in staat stellen om op de arbeidsmarkt en in de samenleving actief te zijn en op een werkomgeving die aan hun behoeften is aangepast.

18.   Langdurige zorg

Iedereen heeft recht op betaalbare en hoogwaardige langdurige zorg, met name in de vorm van thuiszorg en gemeenschapsgerichte diensten.

19.   Huisvesting en ondersteuning voor daklozen

a)

Personen die dit nodig hebben, hebben toegang tot goede sociale huisvesting of tot hoogwaardige hulp bij huisvesting.

b)

Kwetsbare personen hebben recht op passende ondersteuning en bescherming tegen gedwongen uitzetting.

c)

Passend onderdak en adequate diensten worden verstrekt aan daklozen om hun sociale integratie te bevorderen.

20.   Toegang tot essentiële diensten

Iedereen heeft recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water, sanitaire voorzieningen, energie, vervoer, financiële diensten en digitale communicatie. Hulp bij de toegang tot deze diensten is beschikbaar voor personen die daar behoefte aan hebben.

Gedaan te Brussel, 26 april 2017.

Voor de Commissie

Marianne THYSSEN

Lid van de Commissie


(1)  Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2017 over de Europese pijler van sociale rechten (2016/2095(INI)).

(2)  De Verklaring van Bratislava van 16 september 2016.

(3)  De Verklaring van Rome van 25 maart 2017.

(4)  Gemeenschappelijke verklaring van de sociale partners van 24 maart 2017.


Rectificaties

29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/62


Rectificatie van Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels

( Publicatieblad van de Europese Unie L 183 van 8 juli 2016 )

Bladzijde 28, artikel 69, leden 2 en 3:

in plaats van:

„2.   Als de vordering in de lidstaat van oorsprong vóór 29 januari 2019 is ingesteld, worden de na deze datum gegeven beslissingen erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig hoofdstuk IV, mits de toegepaste bevoegdheidsregels in overeenstemming zijn met die welke in hoofdstuk II zijn bepaald.

3.   Hoofdstuk III is slechts van toepassing op echtgenoten die na 29 januari 2019 in het huwelijk treden of het op het huwelijksvermogensstelsel toepasselijke recht bepalen.”,

lezen:

„2.   Als de vordering in de lidstaat van oorsprong vóór 29 januari 2019 is ingesteld, worden de op of na die datum gegeven beslissingen erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig hoofdstuk IV, mits de toegepaste bevoegdheidsregels in overeenstemming zijn met die welke in hoofdstuk II zijn bepaald.

3.   Hoofdstuk III is slechts van toepassing op echtgenoten die op of na 29 januari 2019 in het huwelijk treden of het op het huwelijksvermogensstelsel toepasselijke recht bepalen.”.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/62


Rectificatie van Verordening (EU) 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 183 van 8 juli 2016 )

Bladzijde 56, artikel 69, leden 2 en 3:

in plaats van:

„2.   Als de vordering in de lidstaat van oorsprong vóór 29 januari 2019 is ingesteld, worden de na deze datum gegeven beslissingen erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig hoofdstuk IV, mits de toegepaste bevoegdheidsregels in overeenstemming zijn met die welke in hoofdstuk II zijn bepaald.

3.   Hoofdstuk III is slechts van toepassing op partners die na 29 januari 2019 hun partnerschap registreren of het op de vermogensrechtelijke gevolgen van hun geregistreerd partnerschap toepasselijke recht bepalen.”,

lezen:

„2.   Als de vordering in de lidstaat van oorsprong vóór 29 januari 2019 is ingesteld, worden de op of na deze datum gegeven beslissingen erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig hoofdstuk IV, mits de toegepaste bevoegdheidsregels in overeenstemming zijn met die welke in hoofdstuk II zijn bepaald.

3.   Hoofdstuk III is slechts van toepassing op partners die op of na 29 januari 2019 hun partnerschap registreren of het op de vermogensrechtelijke gevolgen van hun geregistreerd partnerschap toepasselijke recht bepalen.”.


29.4.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 113/63


Rectificatie van Besluit (EU) 2015/774 van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2015 inzake een overheidsprogramma voor aankoop van activa op secundaire markten (ECB/2015/10)

( Publicatieblad van de Europese Unie L 121 van 14 mei 2015 )

Bladzijde 1, derde regel (titel):

in plaats van:

„inzake een overheidsprogramma voor aankoop van activa op secundaire markten (ECB/2015/10)”,

lezen:

„inzake een programma voor de aankoop van door de publieke sector uitgegeven schuldbewijzen op secundaire markten (ECB/2015/10)”.

Bladzijde 1, overweging 3, tweede regel:

in plaats van:

„overheidsprogramma voor activa-aankoop op secundaire markten”,

lezen:

„programma voor de aankoop van door de publieke sector uitgegeven schuldbewijzen op secundaire markten”.