ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 64

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
10 maart 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2017/418 van de Raad van 28 februari 2017 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de regering van de Cookeilanden en van het protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/419 van de Commissie van 9 maart 2017 tot goedkeuring van de basisstof Urtica spp. overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

4

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/420 van de Commissie van 9 maart 2017 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van tijmolie, synthetische steranijsolie en Quillaja-bastpoeder als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen en voor minder gangbare vogelsoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden (vergunninghouder Delacon Biotechnik GmbH) ( 1 )

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/421 van de Commissie van 9 maart 2017 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/422 van de Commissie van 9 maart 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

46

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/423 van de Commissie van 9 maart 2017 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam en geproduceerd door Fujian Viscap Shoes Co. Ltd, Vietnam Ching Luh Shoes Co. Ltd, Vinh Thong Producing-Trading-Service Co. Ltd, Qingdao Tae Kwang Shoes Co. Ltd, Maystar Footwear Co. Ltd, Lien Phat Company Ltd, Qingdao Sewon Shoes Co. Ltd, Panyu Pegasus Footwear Co. Ltd, PanYu Leader Footwear Corporation, Panyu Hsieh Da Rubber Co. Ltd, An Loc Joint Stock Company, Qingdao Changshin Shoes Company Limited, Chang Shin Vietnam Co. Ltd, Samyang Vietnam Co. Ltd, Qingdao Samho Shoes Co. Ltd, Min Yuan, Chau Giang Company Limited, Foshan Shunde Fong Ben Footwear Industrial Co. Ltd en Dongguan Texas Shoes Limited Co., ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14

72

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/424 van de Commissie van 9 maart 2017 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

105

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/425 van de Commissie van 9 maart 2017 betreffende de minimumverkoopprijs voor mageremelkpoeder voor de zesde deelinschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2080 geopende openbare inschrijving

107

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/426 van de Raad van 7 maart 2017 tot benoeming van een lid en een plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk Denemarken

108

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/427 van de Commissie van 8 maart 2017 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2012/535/EU betreffende noodmaatregelen ter preventie van de verspreiding in de Unie van Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 1482)

109

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU ( PB L 173 van 12.6.2014 )

116

 

*

Rectificatie van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels ( PB L 54 van 26.2.2013 )

116

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

10.3.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/1


BESLUIT (EU) 2017/418 VAN DE RAAD

van 28 februari 2017

betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de regering van de Cookeilanden en van het protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie en de regering van de Cookeilanden hebben onderhandeld over een vijfjarige, stilzwijgend verlengbare partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij (de „overeenkomst”) en een protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan (het „protocol”), waarbij aan Unievaartuigen vangstmogelijkheden worden toegekend in de wateren waarover de Cookeilanden de soevereiniteit of de jurisdictie voor visserijaangelegenheden hebben.

(2)

De overeenkomst en het protocol zijn overeenkomstig Besluit (EU) 2016/776 van de Raad (2) ondertekend en worden met ingang van 14 oktober 2016 voorlopig toegepast.

(3)

Bij de overeenkomst is een gemengde commissie opgericht die is belast met het toezicht op de tenuitvoerlegging, de uitlegging en de toepassing ervan. Voorts kan de gemengde commissie bepaalde wijzigingen van het protocol goedkeuren. Om de goedkeuring van dergelijke wijzigingen te vergemakkelijken dient de Commissie, onder bepaalde voorwaarden, te worden gemachtigd deze wijzigingen goed te keuren volgens een vereenvoudigde procedure.

(4)

De overeenkomst en het protocol dienen te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de regering van de Cookeilanden en het protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan worden namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 17 van de overeenkomst en artikel 13 van het protocol bedoelde kennisgevingen (3).

Artikel 3

De Europese Commissie wordt, met inachtneming van de bepalingen en voorwaarden van de bijlage bij dit besluit, gemachtigd om, namens de Unie, haar goedkeuring te hechten aan wijzigingen van het protocol binnen de gemengde commissie.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 28 februari 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

J. HERRERA


(1)  Goedkeuring van 14 februari 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2016/776 van de Raad van 29 april 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de regering van de Cookeilanden en van het protocol voor de tenuitvoerlegging daarvan (PB L 131 van 20.5.2016, blz. 1).

(3)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst en van het protocol wordt door het secretariaat-generaal van de Raad bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


BIJLAGE

Reikwijdte van de verleende bevoegdheden en procedure voor de vaststelling van het Uniestandpunt in de gemengde commissie

1.

De Commissie is gemachtigd om met de regering van de Cookeilanden te onderhandelen en, waar passend en indien is voldaan aan punt 3 van deze bijlage, over te gaan tot de goedkeuring van wijzigingen van het protocol die betrekking hebben op de volgende aspecten:

a)

de herziening van het niveau van de vangstmogelijkheden en, bijgevolg, van de betrokken financiële tegenprestatie, overeenkomstig artikel 5 en artikel 6, lid 3, onder a), van de overeenkomst en de artikelen 5 en 6 van het protocol;

b)

besluitvorming over de nadere bijzonderheden van de sectorale steun overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder b), van de overeenkomst en artikel 3 van het protocol;

c)

de technische voorwaarden en modaliteiten waaronder de Unievaartuigen hun visserijactiviteiten verrichten overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder c), van de overeenkomst en de artikelen 4 en 6 van het protocol.

2.

In de gemengde commissie die bij de overeenkomst is opgericht:

a)

handelt de Unie in overeenstemming met de doelstellingen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid nastreeft;

b)

voegt de Unie zich naar de conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over de mededeling inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

c)

ijvert de Unie voor standpunten die in overeenstemming zijn met de desbetreffende voorschriften van de regionale organisaties voor visserijbeheer en die passen in de context van gezamenlijk beheer door de kuststaten.

3.

Als er in een vergadering van de gemengde commissie een besluit moet worden genomen over wijzigingen van het protocol als bedoeld in punt 1, wordt het nodige gedaan om ervoor te zorgen dat het namens de Unie in te nemen standpunt rekening houdt met de meest recente statistische, biologische en andere relevante informatie die aan de Commissie is toegezonden.

Daartoe zenden de diensten van de Commissie op basis van die gegevens, en lang genoeg vóór de betrokken vergadering van de gemengde commissie, een document met de nadere bijzonderheden van het voorgestelde standpunt van de Unie ter bespreking en goedkeuring toe aan de Raad of zijn voorbereidende instanties.

Met betrekking tot de in punt 1, onder a), bedoelde aspecten is voor de goedkeuring van het beoogde Uniestandpunt door de Raad een gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist. In de andere gevallen wordt het beoogde Uniestandpunt in het voorbereidende document geacht te zijn goedgekeurd, tenzij een blokkerende minderheid van lidstaten daartegen bezwaar maakt tijdens een vergadering van de voorbereidende instantie van de Raad of binnen twintig dagen na ontvangst van het voorbereidende document, naargelang welk tijdstip het vroegste is. Indien bezwaren worden gemaakt, wordt de zaak aan de Raad voorgelegd.

Indien tijdens latere vergaderingen, ook vergaderingen ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het namens de Unie in te nemen standpunt, wordt de zaak voorgelegd aan de Raad of zijn voorbereidende instanties.

4.

De Commissie wordt verzocht te gelegener tijd stappen te ondernemen die noodzakelijk zijn voor de follow-up van het besluit van de gemengde commissie, met inbegrip van, waar passend, de bekendmaking van het betrokken besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie, en de indiening van voorstellen die nodig zijn voor de uitvoering van dat besluit.


VERORDENINGEN

10.3.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/419 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2017

tot goedkeuring van de basisstof Urtica spp. overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 23, lid 5, in samenhang met artikel 13, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 augustus 2015 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 23, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Institut Technique de l'Agriculture Biologique (ITAB) een goedkeuringsaanvraag ontvangen voor de stof Urtica spp. als basisstof. De aanvraag ging vergezeld van de in artikel 23, lid 3, tweede alinea, voorgeschreven informatie. Bovendien heeft de Commissie op 5 januari 2016 van Myosotis een goedkeuringsaanvraag ontvangen voor netel als basisstof. Aangezien deze aanvraag ook Urtica spp. betreft, maar met een ander voorgesteld gebruik, heeft de Commissie de beoordeling van beide aanvragen samengevoegd.

(2)

De Commissie heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) gevraagd wetenschappelijke bijstand te verlenen. Op 28 juli 2016 heeft de EFSA een technisch verslag over de betrokken stof (2) bij de Commissie ingediend. Op 7 december 2016 heeft de Commissie het evaluatieverslag (3) en het ontwerp van deze verordening aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders voorgelegd en de definitieve versies ervan opgesteld voor de bijeenkomst van dit comité op 24 januari 2017.

(3)

Uit de door de aanvrager verstrekte documentatie blijkt dat de stof Urtica spp. voldoet aan de criteria van een voedingsmiddel zoals gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (4). Bovendien wordt de stof niet voornamelijk voor gewasbeschermingsdoeleinden gebruikt, maar is zij niettemin nuttig op het gebied van gewasbescherming in een product dat bestaat uit de stof en water. Bijgevolg moet de stof als basisstof worden beschouwd.

(4)

Uit de verrichte onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat de stof Urtica spp. in het algemeen zal voldoen aan de voorschriften van artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, met name voor de toepassingen die zijn onderzocht en in het evaluatieverslag van de Commissie zijn opgenomen. Derhalve moet de stof Urtica spp. worden goedgekeurd als basisstof.

(5)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis moeten aan de goedkeuring evenwel bepaalde voorwaarden worden verbonden, die zijn opgenomen in bijlage I bij deze verordening.

(6)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (5) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van een basisstof

De stof Urtica spp., als gespecificeerd in bijlage I, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden goedgekeurd als basisstof.

Artikel 2

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, 2016. Outcome of the consultation with Member States and EFSA on the basic substance applications for Urtica spp. for use in plant protection as insecticide, acaricide and fungicide. EFSA supporting publication 2016:EN-1075. 72 blz.

(3)  http://ec.europa.eu/food/plant/pesticides/eu-pesticides-database/public/?event=activesubstance.selection&language=NL

(4)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Specifieke bepalingen

Urtica spp.

CAS-nr.: 84012-40-8 (Urtica dioica extract)

CAS-nr.: 90131-83-2 (Urtica urens extract)

Urtica spp.

Europese Farmacopee

30 maart 2017

Urtica spp. mag worden gebruikt overeenkomstig de specifieke voorwaarden in de conclusies van het evaluatieverslag over Urtica spp. (SANTE/11809/2016), met name de aanhangsels I en II.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit, de specificatie en de wijze van gebruik van de basisstof.


BIJLAGE II

Aan deel C van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (*1)

Datum van goedkeuring

Specifieke bepalingen

„14

Urtica spp.

CAS-nr.: 84012-40-8 (Urtica dioica extract)

CAS-nr.: 90131-83-2 (Urtica urens extract)

Urtica spp.

Europese Farmacopee

30 maart 2017

Urtica spp. mag worden gebruikt overeenkomstig de specifieke voorwaarden in de conclusies van het evaluatieverslag over Urtica spp. (SANTE/11809/2016), met name de aanhangsels I en II.”


(*1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit, de specificatie en de wijze van gebruik van de basisstof.


10.3.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/420 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2017

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van tijmolie, synthetische steranijsolie en Quillaja-bastpoeder als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen en voor minder gangbare vogelsoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden (vergunninghouder Delacon Biotechnik GmbH)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor de verlening van een vergunning ingediend voor een preparaat van tijmolie, synthetische steranijsolie en Quillaja-bastpoeder als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen en voor minder gangbare vogelsoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor het preparaat van tijmolie, synthetische steranijsolie en Quillaja-bastpoeder als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen en voor minder gangbare vogelsoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden, in te delen in de toevoegingscategorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 4 december 2015 (2) geconcludeerd dat het preparaat van tijmolie, synthetische steranijsolie en Quillaja-bastpoeder onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige effecten heeft op de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu. De EFSA concludeerde tevens dat het preparaat de prestaties bij mestkippen kan verbeteren. Volgens de EFSA kan deze conclusie worden uitgebreid naar opfokleghennen en worden geëxtrapoleerd naar alle minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van het preparaat van tijmolie, synthetische steranijsolie en Quillaja-bastpoeder blijkt dat aan de voorwaarden voor vergunningverlening van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is voldaan. Het gebruik van het preparaat zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „andere zoötechnische toevoegingsmiddelen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  EFSA Journal (2016); 14(7):4351.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg toevoegingsmiddel/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: andere zoötechnische toevoegingsmiddelen (verbetering van prestatieparameters)

4d15

Delacon Biotechnik GmbH

Tijmolie, synthetische steranijsolie en Quillaja-bastpoeder

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van microcapsules met de etherische olie van tijm (Thymus vulgaris L.) (1) en van synthetische steranijsolie (2): ≥ 74 mg/g,

Quillaja-bastpoeder (Quillaja saponaria) ≥ 200 mg/g

Saponinen ≤ 23 mg/g

Vaste vorm

Karakterisering van de werkzame stoffen

Tijmolie: thymol 2-4 mg/g

Steranijsolie (geproduceerd door chemische synthese): (trans en cis)-anethool 40-50 mg/g

Quillaja-bastpoeder (Quillaja saponaria) ≥ 200 mg/g

Analysemethoden  (3)

Kwantificering van thymol in het toevoegingsmiddel voor diervoeding, in voormengsels en in diervoeding: gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS)

Mestkippen

Opfokleghennen

Minder gangbare vogelsoorten (voor mest- en legdoeleinden)

150

150

1.

Vermeld in de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtemperatuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets.

2.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij gebruik te voorkomen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming.

30 maart 2027


(1)  Zoals gedefinieerd in de Europese Farmacopee van de Raad van Europa (PhEur, 2005).

(2)  Een mengsel van zuivere verbindingen dat het profiel van natuurlijke etherische steranijsolie nabootst (zonder estragol).

(3)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


10.3.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/421 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2017

tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 18,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Na een antisubsidieonderzoek („het oorspronkelijke onderzoek”) stelde de Raad bij Verordening (EG) nr. 1628/2004 (2) een definitief compenserend recht in op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India („het betrokken land”), die vallen onder de GN-codes ex 8545 11 00 (Taric-code 8545110010) en ex 8545 90 90 (Taric-code 8545909010).

(2)

Na een antidumpingonderzoek stelde de Raad bij Verordening (EG) nr. 1629/2004 (3) ook definitieve antidumpingrechten in op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India.

(3)

Na een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, dat ambtshalve was geopend, heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1354/2008 (4) de Verordeningen (EG) nr. 1628/2004 en (EG) nr. 1629/2004 gewijzigd.

(4)

Na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de compenserende maatregelen op grond van artikel 18 van de basisverordening verlengde de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1185/2010 (5) de compenserende maatregelen. Na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen verlengde de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1186/2010 (6) de antidumpingmaatregelen.

(5)

De compenserende maatregelen bestonden uit een ad-valoremrecht van 6,3 % en 7,0 % voor met naam genoemde exporteurs, met een residueel recht van 7,2 %.

2.   Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen

(6)

Na de bekendmaking van een bericht van het naderende vervallen van de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India (7) ontving de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (8).

(7)

Het verzoek werd ingediend door SGL Carbon GmbH, TOKAI Erftcarbon GmbH en GrafTech Switzerland SA („de indieners van het verzoek”), die meer dan 25 % van de totale productie van bepaalde grafietelektrodesystemen in de Unie vertegenwoordigen.

(8)

Het verzoek was gebaseerd op de overweging dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting van subsidiëring en voortzetting of herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie.

3.   Opening

(9)

Na te hebben vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, kondigde de Commissie op 15 december 2015 door bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (9) („het bericht van opening”) de opening aan van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009.

4.   Parallel onderzoek

(10)

Door middel van een bericht dat op 15 december 2015 in het Publicatieblad van de Europese Unie werd bekendgemaakt (10), kondigde de Commissie tevens de opening aan van een nieuw onderzoek, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (11), in verband met het vervallen van de definitieve antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Unie van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India.

5.   Belanghebbenden

(11)

In het bericht van opening werden de belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast stelde de Commissie de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, producenten-exporteurs, importeurs en haar bekende betrokken gebruikers in de Unie alsmede de Indiase autoriteiten specifiek op de hoogte van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en nodigde zij hen uit om eraan deel te nemen.

(12)

Alle belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen over de opening van het onderzoek en te verzoeken om door de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures te worden gehoord.

5.1.   Steekproef

(13)

In het bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 27 van de basisverordening.

a)   Steekproef van producenten in de Unie

(14)

In haar bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. In overeenstemming met artikel 27, lid 1, van de basisverordening stelde de Commissie de steekproef samen op basis van het grootste representatieve verkoopvolume dat redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kon worden onderzocht, ook rekening houdend met de geografische locatie. Deze steekproef bestond uit vier producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren goed voor meer dan 80 % van de totale productie in de Unie, op basis van informatie die tijdens de beoordeling van de representativiteit werd ontvangen. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen binnen de indieningstermijn, en bijgevolg werd de steekproef bevestigd. De steekproef is representatief voor de bedrijfstak van de Unie.

b)   Steekproef van importeurs

(15)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werden alle niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken.

(16)

Geen enkele importeur heeft zich aangemeld om de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken.

5.2.   Vragenlijsten en controles ter plaatse

(17)

De Commissie verstuurde vragenlijsten naar de Indiase overheid, alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de twee haar bekende Indiase producenten-exporteurs en 53 gebruikers die zich na de opening van het onderzoek meldden.

(18)

Antwoorden op de vragenlijst werden ontvangen van de Indiase overheid, de vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, één Indiase producent-exporteur en acht gebruikers.

(19)

De Commissie verzamelde en controleerde alle informatie die zij nodig achtte om vast te stellen of voortzetting of herhaling van subsidiëring en de daaruit voortvloeiende schade waarschijnlijk was en om het belang van de Unie te bepalen. Op grond van artikel 26 van de basisverordening werden controles ter plaatse uitgevoerd in de kantoren van de Indiase overheid in Delhi en Bhopal en bij de volgende ondernemingen:

a)

producenten in de Unie:

Graftech France SNC, Calais, Frankrijk,

Graftech Iberica S.L., Navarra, Spanje,

SGL Carbon SA, Wiesbaden, Duitsland,

Tokai Erftcarbon GmbH, Grevenbroich, Duitsland;

b)

producent-exporteur in India:

HEG Limited, Bhopal („HEG”).

6.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(20)

Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van subsidiëring had betrekking op de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 september 2015 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2012 tot het eind van het TNO („de beoordelingsperiode”).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(21)

De procedure heeft betrekking op grafietelektroden van de soort die voor elektrische ovens wordt gebruikt, met een schijnbare dichtheid van minimaal 1,65 g/cm3 en een elektrische weerstand van maximaal 6,0 μ.Ω.m, en nippels voor deze elektroden, tezamen of afzonderlijk ingevoerd en van oorsprong uit India („grafietelektroden” of „het onderzochte product”), die vallen onder de GN-codes ex 8545 11 00 (Taric-code 8545110010) en ex 8545 90 90 (Taric-code 8545909010).

2.   Soortgelijk product

(22)

Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:

het onderzochte product,

het in de Unie door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte product.

(23)

De Commissie concludeerde dat deze producten soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 2, onder c), van de basisverordening.

C.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING VAN SUBSIDIËRING

1.   Inleiding

(24)

In overeenstemming met artikel 18, lid 1, van de basisverordening onderzocht de Commissie of het vervallen van de bestaande maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting van de subsidiëring zou leiden.

(25)

Op basis van de informatie in het verzoek om een nieuw onderzoek werden de onderstaande regelingen in het kader waarvan subsidies zouden worden verstrekt, onderzocht.

 

Voor het gehele land geldende regelingen

a)

Regeling voor de terugbetaling van rechten (Duty Drawback Scheme, „DDS”)

b)

Regeling voorafgaande vergunningen (Advance Authorisation Scheme, „AAS”)

c)

Regeling focusmarkten (Focus Market Scheme, „FMS”)

d)

Regeling inzake uitvoer van goederen uit India (Merchandise Exports from India Scheme, „MEIS”)

e)

Regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering (Export Promotion Capital Goods Scheme, „EPCGS”)

f)

Regeling exportkredieten (Export Credit Scheme, „ECS”)

 

Regionale regeling

g)

Regeling vrijstelling elektriciteitsheffing (Electricity Duty Exemption Scheme, „EDES”)

(26)

De onder a) tot en met e) genoemde regelingen zijn gebaseerd op de Foreign Trade (Development and Regulation) Act nr. 22 van 1992, die op 7 augustus 1992 in werking trad („Foreign Trade Act”). De Foreign Trade Act machtigt de Indiase overheid om mededelingen over het in- en uitvoerbeleid te doen. Deze mededelingen worden samengevat in documenten over het beleid inzake buitenlandse handel, die om de vijf jaar door het Ministerie van Handel worden uitgegeven en regelmatig worden bijgewerkt. Twee van die documenten zijn relevant voor het tijdvak van dit nieuwe onderzoek: Foreign Trade Policy 2009-2014 („FTP 09-14”) en Foreign Trade Policy 2015-2020 („FTP 15-20”). Dit laatste document is in april 2015 van kracht geworden. De Indiase overheid beschrijft de procedures voor FTP 09-14 en FTP 15-20 ook in „Handbook of Procedures, Volume I, 2009-2014” („HOP I 04-09”) respectievelijk „Handbook of Procedures, Volume I, 2015-2020” („HOP I 15-20”). De Handbooks of Procedures (procedurehandboeken) worden regelmatig bijgewerkt.

(27)

De hierboven onder f) genoemde regeling exportkredieten is gebaseerd op de artikelen 21 en 35A van de Banking Regulation Act van 1949, die de Indiase centrale bank (Reserve Bank of India) toestaan om commerciële banken instructies te geven op het gebied van exportkredieten.

(28)

De hierboven onder g) genoemde regeling wordt beheerd door de autoriteiten van de staat Madhya Pradesh.

(29)

De DDS, onder de vorm van haar voorganger de kredietregeling voor invoerrechten (Duty Entitlement Passbook Scheme, „DEPBS”) (12), en de EPCGS gaven reeds aanleiding tot compenserende maatregelen in het oorspronkelijke onderzoek, terwijl de AAS, FMS, MEIS, ECS en EDES niet werden onderzocht.

(30)

Zoals in overweging 18 vermeld, verleende slechts één van de Indiase producenten-exporteurs zijn medewerking. Deze producent-exporteur vertegenwoordigde meer dan 95 % van alle Indiase invoer van grafietelektroden in de Unie en 50 % van de totale geschatte productiecapaciteit in India. De productiecapaciteit in India werd vastgesteld op basis van de gecontroleerde vragenlijst van de medewerkende producent-exporteur en openbaar toegankelijke financiële overzichten van de niet-medewerkende producent-exporteur. De medewerking van de Indiase producenten-exporteurs werd dan ook als gering beschouwd. De Indiase autoriteiten werden er naar behoren van op de hoogte gesteld dat de Commissie artikel 28 van de basisverordening kan toepassen wegens de geringe medewerking van de Indiase producenten-exporteurs. Er werden hierover geen opmerkingen ontvangen.

(31)

Na de mededeling van feiten en overwegingen beweerde de Indiase overheid dat de medewerking niet als gering kon worden beschouwd aangezien de medewerkende producent goed was voor meer dan 95 % van de Indiase uitvoer van grafietelektroden naar de Unie in het TNO en 50 % van de totale geschatte productiecapaciteit in India. In dit verband wordt verduidelijkt dat de Commissie het niveau van medewerking vaststelde op basis van de totale productiecapaciteit in India, die in het kader van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen relevanter werd geacht dan de Indiase uitvoervolumes van grafietelektroden naar de Unie in het TNO. Aangezien er in India slechts twee even grote producenten zijn en slechts een van hen zijn medewerking verleende, is het gerechtvaardigd om de medewerking als gering te kwalificeren omdat de niet-medewerkende onderneming zwaar kan wegen op de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring en herhaling van schade. Zoals in overweging 155 uiteengezet, zette de niet-medewerkende producent zijn uitvoer naar de Unie bijna volledig stop als gevolg van de hoogte van de rechten en zou hij zijn uitvoer naar alle waarschijnlijkheid in grotere hoeveelheden hervatten indien de maatregelen kwamen te vervallen. Aangezien de twee bekende producenten elk 50 % van de geschatte totale Indiase productiecapaciteit vertegenwoordigen, valt bijgevolg niet uit te sluiten dat hun respectieve aandeel in de totale Indiase uitvoer naar de Unie evenwichtiger zou worden en dus totaal anders dan de in het TNO waargenomen verhouding van circa 95/5. Het argument werd dan ook afgewezen. In ieder geval merkt de Commissie op dat dit argument irrelevant is in de context van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, waarbij het de bedoeling is te bepalen of er sprake is van voortzetting van subsidiëring. Op basis van de bevindingen met betrekking tot de enige producent-exporteur kan de Commissie nu al concluderen dat er sprake is van voortzetting van subsidiëring. Daarom is de vraag of de mate van medewerking gering dan wel hoog is volstrekt irrelevant.

2.   Regeling voor de terugbetaling van rechten (Duty Drawback Scheme, „DDS”)

2.1.   Rechtsgrondslag

(32)

De DDS is uitvoerig beschreven in de Custom & Central Excise Duties Drawback Rules 1995 en de wijzigingen daarvan bij latere mededelingen.

2.2.   Criteria om voor deze regeling in aanmerking te komen

(33)

Alle producenten-exporteurs en handelaren-exporteurs komen voor deze regeling in aanmerking.

2.3.   Toepassing in de praktijk

(34)

Een in aanmerking komende exporteur kan een terugbetaling van rechten aanvragen die wordt berekend als een percentage van de fob-waarde van de in het kader van deze regeling uitgevoerde producten. De Indiase overheid heeft voor een aantal producten, waaronder het onderzochte product, terugbetalingstarieven vastgesteld. Deze worden vastgesteld op basis van de gemiddelde hoeveelheid of waarde van de materialen die als inputs bij de productie van een product zijn gebruikt en het gemiddelde bedrag van de op inputs betaalde rechten. Zij zijn van toepassing ongeacht of er daadwerkelijk invoerrechten zijn betaald. In het TNO was het DDS-tarief 3 % met een maximum van 3,2 INR/kg tot en met 22 november 2014 en 2,4 % met een maximum van 8 INR/kg daarna.

(35)

Om de voordelen van deze regeling te genieten, moet een onderneming uitvoeren. Op het moment dat de verzendingsgegevens in de douaneserver (ICEGATE) worden ingevoerd, wordt aangegeven dat de uitvoer plaatsvindt in het kader van de DDS en wordt het DDS-bedrag onherroepelijk vastgesteld. Nadat het expeditiebedrijf het Export General Manifest (algemene uitvoervrachtlijst) heeft ingediend en het douanekantoor heeft vastgesteld dat de gegevens overeenkomen met de gegevens in de ladingsbrief, is voldaan aan alle voorwaarden voor goedkeuring van de uitkering van het terugbetalingsbedrag door rechtstreekse overmaking naar de bankrekening van de exporteur of per wissel.

(36)

De exporteur moet tevens bewijs van de verwezenlijking van inkomsten uit uitvoer voorleggen in de vorm van een bankcertificaat (Bank Realisation Certificate, „BRC”). Dit document mag worden voorgelegd na de uitkering van het terugbetalingsbedrag, maar de Indiase overheid vordert het uitgekeerde bedrag terug als de exporteur het BRC niet binnen een bepaalde termijn indient.

(37)

Het terugbetaalde bedrag mag voor elk gewenst doel worden gebruikt.

(38)

Het bedrag aan terugbetaalde rechten kan overeenkomstig de Indiase boekhoudnormen op transactiebasis als inkomsten worden geboekt zodra aan de uitvoerverplichting is voldaan.

(39)

Er werd vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur in het TNO voordelen bleef ontvangen in het kader van de DDS.

2.4.   Conclusie betreffende de DDS

(40)

Zoals in het oorspronkelijke onderzoek opgemerkt, worden in het kader van de DDS subsidies verleend in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), i), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening. Bij het zogeheten terugbetalingsbedrag voor rechten gaat het om een financiële bijdrage van de Indiase overheid, aangezien er in de vorm van een rechtstreekse overdracht van middelen door de Indiase overheid wordt uitgekeerd. Er zijn geen beperkingen gesteld ten aanzien van het gebruik van deze middelen. Daarnaast verkrijgt de exporteur door het bedrag aan terugbetaalde rechten een voordeel, want zijn liquiditeit wordt hierdoor verbeterd.

(41)

Het tarief voor de terugbetaling van rechten voor uitvoer wordt door de Indiase overheid per product vastgesteld. Hoewel de subsidie wordt omschreven als een terugbetaling van rechten, vertoont de regeling niet de kenmerken van een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), van de basisverordening. De contante betalingen aan de exporteur zijn niet gekoppeld aan de feitelijke betaling van invoerrechten op grondstoffen, en zijn geen kredietpunten voor de vereffening van invoerrechten op eerdere of toekomstige invoer van grondstoffen.

(42)

Tijdens de controle ter plaatse beweerden de Indiase overheid en de medewerkende producent-exporteur dat er een voldoende verband was tussen de terugbetalingstarieven en de op grondstoffen betaalde rechten. Dit komt omdat de Indiase overheid voor de vaststelling van de terugbetalingstarieven rekening houdt met de gemiddelde hoeveelheid of waarde van de materialen die worden gebruikt als inputs voor de vervaardiging van het product en met het gemiddelde bedrag van de op de inputs betaalde rechten.

(43)

De Commissie is echter niet van mening dat het vermeende verband tussen de terugbetalingstarieven en de op grondstoffen betaalde rechten volstaat om te kunnen stellen dat de regeling voldoet aan de regels die in bijlage I, bijlage II (definitie van en regels inzake terugbetaling voor inputs) en bijlage III (definitie van en regels inzake terugbetaling voor vervangende inputs) bij de basisverordening zijn vastgelegd. Met name wordt het kredietbedrag niet berekend in verhouding tot de werkelijk gebruikte inputs. Er is bovendien geen systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs (inclusief de hoeveelheden en herkomst ervan) in het productieproces van het uitgevoerde product worden verbruikt, dan wel of te veel invoerrechten werden betaald in de zin van bijlage I, onder i), en de bijlagen II en III bij de basisverordening. Bovendien voerde de Indiase overheid geen verder onderzoek op basis van de werkelijke inputs en transacties uit om te bepalen of te veel werd betaald. Het argument werd derhalve afgewezen.

(44)

De betaling in de vorm van een rechtstreekse overdracht van middelen door de Indiase overheid na de uitvoer door exporteurs moet bijgevolg worden beschouwd als een rechtstreekse subsidie van de Indiase overheid die afhankelijk is van uitvoerprestaties en wordt daarom geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen overeenkomstig artikel 4, lid 4, eerste alinea, onder a), van de basisverordening.

2.5.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(45)

Overeenkomstig artikel 3, punt 2, en artikel 5 van de basisverordening werd het tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiebedrag berekend aan de hand van het voordeel voor de verkrijger in het TNO. Er werd van uitgegaan dat de ontvanger het voordeel verkreeg op het ogenblik dat een uitvoertransactie in het kader van deze regeling plaatsvond. Op dat ogenblik is de Indiase overheid gehouden het terugbetalingsbedrag uit te keren, wat een financiële bijdrage is in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), van de basisverordening. Zodra de douaneautoriteiten een ladingsbrief voor de uitvoer afgeven waarin onder meer het voor die uitvoertransactie toe te kennen bedrag aan terug te betalen rechten is vermeld, heeft de Indiase overheid geen keuze meer wat het al dan niet verlenen van de subsidie betreft. Gezien het bovenstaande en aangezien er geen betrouwbaar bewijs is waaruit anders blijkt, wordt het passend geacht om voor de berekening van het door de DDS toegekende voordeel uit te gaan van alle bedragen aan terug te betalen rechten die in het TNO voor uitvoertransacties in het kader van deze regeling zijn verworven.

(46)

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd het bedrag van deze subsidies omgeslagen over de totale waarde van de uitvoer van het onderzochte product in het TNO (de noemer), omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd verleend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(47)

Op basis van het bovenstaande werd met betrekking tot deze regeling voor de medewerkende producent-exporteur een subsidiepercentage van 2,02 % vastgesteld.

3.   Regeling voorafgaande vergunningen (Advance Authorisation Scheme, „AAS”)

3.1.   Rechtsgrondslag

(48)

De regeling is in detail beschreven in de punten 4.1.1 tot en met 4.1.14 van FTP 09-14 en in de hoofdstukken 4.1 tot en met 4.30 van HOP I 09-14 evenals in de punten 4.03 tot en met 4.24 van FTP 15-20 en in de hoofdstukken 4.04 tot en met 4.52 van HOP I 15-20.

3.2.   Criteria om voor deze regeling in aanmerking te komen

(49)

De AAS bestaat uit zes subregelingen die in overweging 50 nader worden beschreven. Deze subregelingen verschillen onder meer wat de voorwaarden betreft. Producenten-exporteurs en handelaren-exporteurs die banden hebben met ondersteunende fabrikanten komen in aanmerking voor de regeling voorafgaande vergunningen voor fysieke uitvoer en voor de subregelingen voorafgaande vergunningen voor jaarlijkse behoeften. Producenten-exporteurs die aan de uiteindelijke exporteur leveren, komen in aanmerking voor de AAS voor leveringen van halffabricaten. Hoofdcontractanten die aan de in punt 8.2 van FTP 09-14 vermelde categorieën „met uitvoer gelijkgestelde verkoop” leveren, zoals de leveranciers van uitvoergerichte ondernemingen, komen in aanmerking voor de AAS-subregeling voor „met uitvoer gelijkgestelde verkoop”. Tot slot komen de toeleveranciers van producenten-exporteurs in aanmerking voor de voordelen die gelden voor „met uitvoer gelijkgestelde verkoop” op grond van de subregelingen Advance Release Order („ARO”) en Back to Back Inland Letter of Credit (documentair krediet).

3.3.   Toepassing in de praktijk

(50)

Voorafgaande vergunningen kunnen worden verstrekt voor:

i)

fysieke uitvoer: dit is de belangrijkste subregeling. In het kader van deze subregeling mogen inputs voor de vervaardiging van een bepaald uitvoerproduct vrij van rechten worden ingevoerd. „Fysieke uitvoer” betekent in deze context dat het uitvoerproduct het Indiase grondgebied moet verlaten. Welke producten mogen worden ingevoerd en hoeveel moet worden uitgevoerd, alsmede de soort uitvoerproduct zijn in de vergunning vermeld;

ii)

jaarlijkse behoefte: een dergelijke vergunning is niet gekoppeld aan een bepaald uitvoerproduct, maar aan een ruimere groep producten (bijvoorbeeld chemische en aanverwante producten). De vergunninghouder kan — tot een zekere maximumwaarde die door zijn uitvoerprestaties in het verleden wordt bepaald — elke input die bij de productie van een tot deze groep behorend product wordt gebruikt, rechtenvrij invoeren. Hij kan naar believen elk product uitvoeren dat onder de productgroep valt en waarin dergelijk rechtenvrij materiaal is verwerkt;

iii)

leveringen van halffabricaten: deze subregeling geldt wanneer twee producenten voornemens zijn één uitvoerproduct te vervaardigen en het productieproces dus wordt opgesplitst. De producent-exporteur die het halffabricaat produceert, kan de inputs rechtenvrij invoeren en hiervoor kan hem een voorafgaande vergunning voor leveringen van halffabricaten worden verleend. De uiteindelijke exporteur werkt het product af en is verplicht het afgewerkte product uit te voeren;

iv)

met uitvoer gelijkgestelde verkoop: in het kader van deze subregeling kan een hoofdcontractant vrij van rechten inputs invoeren die hij nodig heeft voor de vervaardiging van goederen die hij zal verkopen als „met uitvoer gelijkgestelde verkoop” aan categorieën afnemers die vermeld zijn in punt 8.2, onder b) tot en met f), g), i) en j), van FTP 09-14. Volgens de Indiase overheid gaat het bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop om transacties waarbij de geleverde goederen het land niet verlaten. Bepaalde categorieën transacties worden beschouwd als met uitvoer gelijkgestelde verkoop op voorwaarde dat de goederen in India zijn vervaardigd; dit geldt bijvoorbeeld voor de levering van goederen aan een uitvoergerichte onderneming of aan een onderneming die zich in een bijzondere economische zone bevindt;

v)

Advance Release Order („ARO”): de houder van de voorafgaande vergunning die voornemens is inputs in het binnenland aan te kopen in plaats van deze rechtstreeks in te voeren, kan hierbij ARO's gebruiken. In dat geval worden de voorafgaande vergunningen beschouwd als ARO's voor de binnenlandse leverancier bij levering van de hierin vermelde goederen. Dit geeft de binnenlandse leverancier recht op de voordelen die gelden bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop zoals uiteengezet in punt 8.3 van FTP 09-14 (dat wil zeggen de voorafgaande vergunning voor leveringen van halffabricaten/met uitvoer gelijkgestelde verkoop, terugbetaling van rechten bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop en terugbetaling van accijnzen). Bij toepassing van de ARO-regeling worden rechten en heffingen terugbetaald aan de leverancier in plaats van aan de uiteindelijke exporteur. De terugbetaling van rechten en heffingen is zowel mogelijk voor binnenlandse als voor ingevoerde inputs;

vi)

documentair krediet: deze subregeling heeft ook betrekking op binnenlandse leveringen aan de houder van een voorafgaande vergunning. Deze kan bij een bank een binnenlands documentair krediet openen ten gunste van een binnenlandse leverancier. De bank zal op de vergunning de rechtstreekse invoer afboeken, maar slechts voor de waarde en hoeveelheid van de goederen die in het binnenland worden aangekocht in plaats van te worden ingevoerd. De binnenlandse leverancier heeft recht op de voordelen die gelden bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop zoals uiteengezet in punt 8.3 van FTP 09-14 (dat wil zeggen de voorafgaande vergunning voor leveringen van halffabricaten/met uitvoer gelijkgestelde verkoop, terugbetaling van rechten bij met uitvoer gelijkgestelde verkoop en terugbetaling van accijnzen).

(51)

Er werd vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur in het TNO voorafgaande vergunningen voor fysieke uitvoer verkreeg in het kader van de eerste subregeling. Het is derhalve niet nodig na te gaan of de overige subregelingen aanleiding geven tot compenserende maatregelen.

(52)

Om controle door de Indiase autoriteiten mogelijk te maken, is de vergunninghouder wettelijk verplicht een waarheidsgetrouwe boekhouding in een bepaalde vorm te voeren waaruit het verbruik van de rechtenvrij ingevoerde/in het binnenland aangekochte goederen blijkt (hoofdstukken 4.26 en 4.30 en aanhangsel 23 van HOP I 09-14). Met andere woorden: hij moet een verbruiksregister bijhouden. Dit register moet worden gecontroleerd door een externe accountant die een certificaat afgeeft waarin wordt verklaard dat de voorgeschreven registers en de relevante documentatie zijn onderzocht en dat de op grond van aanhangsel 23 verstrekte informatie in alle opzichten waar en juist is.

(53)

Voor de subregeling die de betrokken onderneming in het TNO gebruikte, namelijk fysieke uitvoer, legt de Indiase overheid in de vergunning de omvang en waarde vast van de toegestane invoer en de verplichte uitvoer. Bovendien moeten de desbetreffende transacties op het moment van in- en uitvoer door overheidsambtenaren op de vergunning worden vermeld. Voor de hoeveelheden die in het kader van de AAS mogen worden ingevoerd, baseert de Indiase overheid zich op standaard-input-output-normen (SION's) die voor de meeste producten en ook voor het onderzochte product bestaan.

(54)

Ingevoerde inputs zijn niet overdraagbaar en moeten voor de vervaardiging van het uitvoerproduct worden gebruikt. De uitvoer moet plaatsvinden binnen een bepaalde termijn na de afgifte van de vergunning (24 maanden met twee mogelijke verlengingen van telkens zes maanden).

(55)

Zoals in overweging 26 uiteengezet, werd in april 2015 een nieuw FTP-document van kracht. Wat betreft de in de overwegingen 50 tot en met 54 beschreven praktische uitvoering, was de enige verandering die het nieuwe FTP-document bracht een inkorting van de termijn voor het nakomen van de uitvoerverplichting van 24 maanden tot 18 maanden. Ook moet worden opgemerkt dat alle vergunningen die in het TNO door de medewerkende producent-exporteur werden gebruikt, nog steeds aan FTP 09-14 onderworpen waren omdat zij vóór april 2015 werden afgegeven.

(56)

Uit het onderzoek bleek dat de verificatievoorschriften van de Indiase autoriteiten nog niet in acht werden genomen of nog niet in de praktijk werden uitgetest.

(57)

De medewerkende producent-exporteur hield een soort productie- en verbruiksregister bij. Er kon echter niet worden gecontroleerd welke inputs (inclusief de herkomst ervan) bij de productie van het uitgevoerde product werden verbruikt, en in welke hoeveelheden. Met het bestaande systeem was het met name niet mogelijk om te identificeren en nauwkeurig te bepalen of te veel rechten werden kwijtgescholden.

(58)

Wat de in overweging 52 genoemde verificatievoorschriften betreft, werd vastgesteld dat geen van de door de onderneming gebruikte voorafgaande vergunningen op een punt was gekomen waarop aanhangsel 23 bij de autoriteiten moest worden ingediend. Er werd echter ook vastgesteld dat de door de ondernemingen bijgehouden administratie niet zou toelaten om een teveel aan kwijtgescholden rechten te berekenen zoals gevraagd in aanhangsel 23, wat een toekomstige certificering door een externe accountant onmogelijk maakt.

(59)

Daarnaast werd vastgesteld dat slechts 75 % tot 85 % van de belangrijkste grondstof (gecalcineerde petroleumcokes) die in het kader van de AAS vrij van rechten werd ingevoerd fysiek in grafietelektroden was verwerkt, terwijl 15 % tot 25 % was verwerkt in twee bijproducten, namelijk blokken en fijne deeltjes. Ook werd geconstateerd dat ten minste een deel van beide bijproducten op de binnenlandse markt werd verkocht, en dat er geen enkel systeem bestond om de werkelijke hoeveelheden te bepalen van rechtenvrij ingevoerde gecalcineerde petroleumcokes die in de uitgevoerde of op de binnenlandse markt verkochte bijproducten werden verwerkt.

(60)

Kortom, er wordt geconcludeerd dat de medewerkende exporteur niet kon aantonen dat aan de desbetreffende FTP-bepalingen was voldaan.

3.4.   Conclusie betreffende de AAS

(61)

De vrijstelling van invoerrechten is een subsidie in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening omdat zij een financiële bijdrage van de Indiase overheid vormt aangezien deze hierdoor inkomsten uit rechten derft die haar normaal zouden toekomen en omdat zij de onderzochte exporteur een voordeel toekent aangezien zijn liquiditeit erdoor wordt verbeterd.

(62)

Daarnaast zijn de voorafgaande vergunningen voor fysieke uitvoer rechtens duidelijk afhankelijk van uitvoerprestaties en daarom worden zij geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen krachtens artikel 4, lid 4, eerste alinea, onder a), van de basisverordening. Een onderneming kan deze regelingen niet gebruiken zonder zich tot uitvoer te verplichten.

(63)

De subregeling die in dit geval werd gebruikt, kan niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), van de basisverordening. Zij voldoet niet aan de regels die in bijlage I, onder i), bijlage II (definitie van en regels inzake terugbetaling voor inputs) en bijlage III (definitie van en regels inzake terugbetaling voor vervangende inputs) bij de basisverordening zijn vastgelegd. Er was geen sprake van effectieve toepassing door de Indiase overheid van een verificatiesysteem of een procedure om na te gaan of, en zo ja hoeveel, inputs bij de productie van het uitgevoerde product werden verbruikt (bijlage II, punt 4, bij de basisverordening en, in het geval van terugbetalingsregelingen voor vervangende inputs, bijlage III, deel II, punt 2, bij de basisverordening). Tevens wordt ervan uitgegaan dat de SION's voor het onderzochte product niet nauwkeurig genoeg waren en niet als verificatieregeling voor het werkelijke verbruik kunnen worden gebruikt omdat de Indiase overheid aan de hand van deze normen niet met voldoende nauwkeurigheid kan vaststellen hoeveel inputs bij de productie van de uitvoerproducten zijn verbruikt. De Indiase overheid heeft evenmin een verder onderzoek ingesteld naar de werkelijk betrokken inputs, hoewel dit vereist is als er geen effectieve verificatieregeling is (bijlage II, punt 5, en bijlage III, deel II, punt 3, bij de basisverordening).

(64)

De subregeling geeft derhalve aanleiding tot compenserende maatregelen.

3.5.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(65)

Omdat de onderzochte regeling geen toegestane terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs is, bestaat het tot compenserende maatregelen aanleiding gevende voordeel uit de kwijtschelding van invoerrechten die normaal bij de invoer van inputs verschuldigd zijn.

(66)

Aangezien er geen betrouwbaar bewijs was waaruit anders blijkt, werd het subsidiebedrag voor de medewerkende producent-exporteur berekend op basis van de gederfde invoerrechten (gewone douanerechten en bijzondere aanvullende douanerechten) op de materialen die in het kader van de subregeling in het TNO werden ingevoerd (de teller). Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), van de basisverordening werden kosten die moesten worden gemaakt om de subsidie te verkrijgen van het subsidiebedrag afgetrokken indien verzoeken daartoe gerechtvaardigd waren. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag omgeslagen over de waarde van de uitvoer van het onderzochte product in het TNO als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van de uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(67)

Met betrekking tot deze regeling werd voor de medewerkende producent-exporteur een subsidiepercentage van 0,30 % vastgesteld.

4.   Regeling focusmarkten (Focus Market Scheme, „FMS”)

4.1.   Rechtsgrondslag

(68)

De FMS is in detail beschreven in punt 3.14 van FTP 09-14 en punt 3.8 van HOP I 09-14.

4.2.   Criteria om voor deze regeling in aanmerking te komen

(69)

Alle producenten-exporteurs en handelaren-exporteurs komen voor deze regeling in aanmerking.

4.3.   Toepassing in de praktijk

(70)

In het kader van deze regeling komt de uitvoer van alle producten, met inbegrip van de uitvoer van grafietelektroden, naar landen die worden genoemd in de tabellen 1 en 2 in aanhangsel 37(C) van HOP I 09-14 in aanmerking voor kredietpunten ter waarde van 3 % van de fob-waarde. Sinds 1 april 2011 kunnen voor de uitvoer van alle producten naar landen die worden genoemd in tabel 3 in aanhangsel 37(C) („Special Focus Markets”) kredietpunten worden verkregen ter waarde van 4 % van de fob-waarde. Bepaalde soorten uitvoeractiviteiten zijn van de regeling uitgesloten, zoals de uitvoer van ingevoerde of overgeladen goederen, met uitvoer gelijkgestelde verkoop, de uitvoer van diensten en de uitvoeractiviteiten van ondernemingen die in speciale economische zones actief zijn of van uitvoerondernemingen.

(71)

De kredietpunten die in het kader van de FMS kunnen worden verkregen, zijn vrij overdraagbaar en geldig voor een periode van 24 maanden vanaf de datum van afgifte van het desbetreffende kredietpuntencertificaat. Zij kunnen worden gebruikt voor het betalen van douanerechten op later ingevoerde inputs of goederen, met inbegrip van kapitaalgoederen.

(72)

Het kredietpuntencertificaat wordt afgegeven door de haven van waaruit de uitvoer plaatsvond en nadat de goederen zijn uitgevoerd of verzonden. Zolang de klager de autoriteiten kopieën verstrekt van alle relevante uitvoerdocumenten (zoals exportorder, facturen, vrachtbrieven en bankcertificaten), heeft de Indiase overheid geen zeggenschap over de toekenning van de kredietpunten.

(73)

Er werd vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur in het TNO voordelen ontving in het kader van de FMS.

4.4.   Conclusie betreffende de FMS

(74)

In het kader van de FMS worden subsidies verleend in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening. Een FMS-kredietpunt is een financiële bijdrage van de Indiase overheid, aangezien het kredietpunt uiteindelijk zal worden gebruikt voor de vereffening van invoerrechten, waardoor de Indiase overheid inkomsten derft die haar normaal zouden toekomen. Daarnaast verkrijgt de exporteur door de FMS-kredietpunten een voordeel, omdat zijn liquiditeit erdoor verbetert.

(75)

Voorts is de FMS rechtens afhankelijk van uitvoerprestaties en daarom wordt het geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen op grond van artikel 4, lid 4, eerste alinea, onder a), van de basisverordening.

(76)

Deze regeling kan niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), van de basisverordening. Zij voldoet niet aan de strikte regels die in bijlage I, onder i), bijlage II (definitie van en regels inzake terugbetaling voor inputs) en bijlage III (definitie van en regels inzake terugbetaling voor vervangende inputs) bij de basisverordening zijn vastgelegd. Een exporteur is niet verplicht de goederen die vrij van rechten werden ingevoerd, ook echt bij het productieproces te verbruiken en de kredietpunten worden niet op basis van de werkelijk gebruikte inputs berekend. Er is geen systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs (inclusief de hoeveelheden en herkomst ervan) in het productieproces van het uitgevoerde product worden verbruikt en dus of er te veel invoerrechten werden betaald in de zin van bijlage I, onder i), en de bijlagen II en III bij van de basisverordening. Een exporteur komt ook als hij geen inputs invoert voor de FMS in aanmerking. Daarvoor volstaat het dat de exporteur goederen uitvoert; hij hoeft niet aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. Zo kunnen zelfs exporteurs die al hun inputs op de binnenlandse markt aankopen en geen goederen invoeren die als inputs kunnen worden gebruikt, toch de voordelen van de FMS genieten. Bovendien kan een exporteur FMS-kredietpunten gebruiken om kapitaalgoederen in te voeren, ook al vallen kapitaalgoederen niet onder de toelaatbare terugbetalingsregelingen voor inputs, zoals beschreven in bijlage I, onder i), bij de basisverordening, omdat zij niet worden verbruikt bij de productie van de uitgevoerde producten. Daarnaast merkt de Commissie op dat de Indiase overheid geen verder onderzoek uitvoerde op basis van de werkelijke inputs en transacties om te bepalen of te veel werd betaald.

4.5.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(77)

Aangezien er geen betrouwbaar bewijs was waaruit anders blijkt, werd de hoogte van de subsidies die aanleiding geven tot compenserende maatregelen berekend op basis van het voordeel voor de verkrijger in het TNO, zoals dit door de indieners van het verzoek werd geboekt in de vorm van inkomsten op het ogenblik dat de uitvoertransactie plaatsvond. Overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van de basisverordening werd het bedrag van deze subsidie (de teller) omgeslagen over de waarde van de uitvoer van het onderzochte product in het TNO (de noemer), omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd verleend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(78)

Op basis van het bovenstaande werd met betrekking tot deze regeling voor de medewerkende producent-exporteur een subsidiepercentage van 0,13 % vastgesteld.

Intrekking en vervanging van de FMS

(79)

Na de inwerkingtreding van FTP 15-20 op 1 april 2015, werd de FMS, samen met vier andere regelingen, samengevoegd in de regeling inzake uitvoer van goederen uit India (Merchandise Exports from India Scheme, „MEIS”) die in de overwegingen 83 tot en met 100 is beschreven. Dit werd toegelicht in het door het Indiase directoraat-generaal Buitenlandse Handel gepubliceerde document „Highlights of the Foreign Trade Policy 2015-2020” (13): „Vroeger waren er 5 verschillende regelingen (Focus Product Scheme, Market Linked Focus Product Scheme, Focus Market Scheme, Agri. Infrastructure Incentive Scrip, VKGUY) om goederenuitvoer te belonen met verschillende soorten kredietpuntencertificaten waarvan het gebruik afhankelijk was van uiteenlopende voorwaarden (sectorspecifiek of alleen de eigenlijke gebruiker). Nu zijn al deze regelingen samengevoegd tot één regeling, namelijk de regeling inzake uitvoer van goederen uit India […].”

(80)

Uit het onderzoek bleek dat de medewerkende producent-exporteur overstapte van FMS naar MEIS zodra FMS werd ingetrokken.

(81)

In het licht van de overwegingen 79 en 80 is de Commissie van oordeel dat de door de FMS verleende subsidies niet werden stopgezet maar gewoon werden samengevoegd en hernoemd en dat de door de FMS toegekende voordelen verder worden toegekend door de nieuwe regeling. Op basis daarvan wordt de FMS beschouwd als een regeling die aanleiding geeft tot compenserende maatregelen totdat zij wordt ingetrokken.

5.   Regeling inzake uitvoer van goederen uit India (Merchandise Exports from India Scheme, „MEIS”)

5.1.   Rechtsgrondslag

(82)

De MEIS is in detail beschreven in hoofdstuk 3 van FTP 15-20 en in hoofdstuk 3 van HOP I 15-20.

(83)

De MEIS trad in werking op 1 april 2015, dat wil zeggen in het midden van het TNO. Er wordt aan herinnerd dat de MEIS de opvolger is van de FMS en vier andere regelingen (Focus Product Scheme, Market Linked Focus Product Scheme, Agricultural Infrastructure Incentive Scrip en VKGUY), zoals in de overwegingen 79 tot en met 81 uiteengezet.

5.2.   Criteria om voor deze regeling in aanmerking te komen

(84)

Alle producenten-exporteurs en handelaren-exporteurs komen voor deze regeling in aanmerking.

5.3.   Toepassing in de praktijk

(85)

In aanmerking komende ondernemingen kunnen de voordelen van de MEIS genieten door specifieke producten uit te voeren naar specifieke landen die zijn onderverdeeld in groep A („Traditionele markten”, waaronder alle EU-lidstaten), groep B („Opkomende en focusmarkten”) en groep C („Andere markten”). De landen waaruit elke groep bestaat en de lijst van producten met bijbehorende beloningstarieven zijn vermeld in respectievelijk tabel 1 en tabel 2 van aanhangsel 3B van FTP 15-20.

(86)

Het voordeel komt in de vorm van kredietpunten ter waarde van een percentage van de fob-waarde van de uitvoer. In het geval van grafietelektroden werd vastgesteld dat dit percentage in het TNO 2 % was voor de uitvoer naar landen van groep B en 0 % voor de uitvoer naar landen van de groepen A en C. Bepaalde soorten uitvoer zijn van de regeling uitgesloten, zoals de uitvoer van ingevoerde of overgeladen goederen, met uitvoer gelijkgestelde verkoop, de uitvoer van diensten en de uitvoeractiviteiten van ondernemingen die in speciale economische zones actief zijn of van uitvoerondernemingen.

(87)

De MEIS-kredietpunten zijn vrij overdraagbaar en zijn geldig voor een periode van 18 maanden vanaf de datum van toekenning. Zij kunnen worden gebruikt voor: i) de betaling van douanerechten op de invoer van inputs of goederen, met inbegrip van kapitaalgoederen, ii) de betaling van accijnzen op de aankoop van inputs of goederen, met inbegrip van kapitaalgoederen, op de binnenlandse markt en iii) de betaling van belasting op de aankoop van diensten.

(88)

Een aanvraag voor het claimen van voordelen in het kader van de MEIS moet online op de website van het directoraat-generaal Buitenlandse Handel worden ingediend. De online aanvraag moet links naar relevante documenten (vrachtbrieven, bankcertificaten en landingsbewijzen) bevatten. De bevoegde regionale instantie van de Indiase overheid kent de kredietpunten toe na verificatie van de documenten. Zolang de exporteur de relevante documenten verstrekt, heeft de regionale instantie geen zeggenschap over de toekenning van de kredietpunten.

(89)

Er werd vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur in het TNO voordelen ontving in het kader van de MEIS.

5.4.   Conclusie betreffende de MEIS

(90)

In het kader van de MEIS worden subsidies verleend in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii) en artikel 3, punt 2, van de basisverordening. Een MEIS-kredietpunt is een financiële bijdrage van de Indiase overheid, aangezien het kredietpunt uiteindelijk zal worden gebruikt voor de vereffening van invoerrechten, waardoor de Indiase overheid inkomsten derft die haar anders zouden toekomen. Daarnaast verkrijgt de exporteur door de MEIS-kredietpunten een voordeel, omdat zijn liquiditeit erdoor verbetert.

(91)

Voorts is de MEIS rechtens afhankelijk van uitvoerprestaties en daarom wordt zij geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen op grond van artikel 4, lid 4, eerste alinea, onder a), van de basisverordening.

(92)

Deze regeling kan niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), van de basisverordening. Zij voldoet niet aan de strikte regels die in bijlage I, onder i), bijlage II (definitie van en regels inzake terugbetaling voor inputs) en bijlage III (definitie van en regels inzake terugbetaling voor vervangende inputs) bij de basisverordening zijn vastgelegd. Een exporteur is niet verplicht de goederen die vrij van rechten werden ingevoerd, ook echt bij het productieproces te verbruiken en de kredietpunten worden niet op basis van de werkelijk gebruikte inputs berekend. Er is geen systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs in het productieproces van het uitgevoerde product werden verbruikt, dan wel of te veel invoerrechten werden betaald in de zin van bijlage I, onder i), en de bijlagen II en III bij de basisverordening. Ook als hij geen inputs invoert, komt een exporteur voor de MEIS in aanmerking. Daarvoor volstaat het dat de exporteur goederen uitvoert; hij hoeft niet aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. Zo kunnen zelfs exporteurs die al hun inputs op de binnenlandse markt aankopen en geen goederen invoeren die als inputs kunnen worden gebruikt, toch de voordelen van de MEIS genieten. Bovendien kan een exporteur MEIS-kredietpunten gebruiken om kapitaalgoederen in te voeren, ook al vallen kapitaalgoederen niet onder de toelaatbare terugbetalingsregelingen voor inputs, zoals beschreven in bijlage I, onder i), bij de basisverordening, omdat zij niet worden verbruikt bij de productie van de uitgevoerde producten. Bovendien voerde de Indiase overheid geen verder onderzoek uit op basis van de werkelijke inputs en transacties om te bepalen of te veel werd betaald.

(93)

In het TNO kwam de uitvoer naar de Europese Unie niet rechtstreeks in aanmerking voor de MEIS omdat de EU-lidstaten deel uitmaken van groep A, die tijdens die periode niet in aanmerking kwam voor de MEIS-voordelen. Op basis daarvan stelde de Indiase overheid dat de MEIS niet mag worden beschouwd als een regeling die aanleiding geeft tot compenserende maatregelen. De MEIS-kredietpunten die op basis van de uitvoer van grafietelektroden naar derde landen worden verkregen, zijn echter vrij overdraagbaar en kunnen worden gebruikt voor de vereffening van invoerrechten op in het onderzochte product verwerkte inputs, ook als dat product naar de Unie wordt uitgevoerd. Om die reden werd geoordeeld dat in het kader van de MEIS voordelen werden toegekend voor de uitvoer van grafietelektroden in het algemeen, met inbegrip van de uitvoer naar de Unie, en bijgevolg werd het argument afgewezen.

(94)

Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde de Indiase overheid haar standpunt dat de regeling niet kon worden beschouwd als een regeling die aanleiding geeft tot compenserende maatregelen omdat alleen de uitvoer naar niet-EU-landen rechtstreeks in aanmerking kwam voor MEIS-voordelen in het TNO. De Indiase overheid droeg echter geen nieuwe argumenten aan die vraagtekens zouden zetten bij de bevindingen in overweging 93 en met name het feit dat op basis van de uitvoer van grafietelektroden naar derde landen verkregen kredietpunten vrij overdraagbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor de vereffening van invoerrechten op in het onderzochte product verwerkte inputs wanneer dat product naar de Unie wordt uitgevoerd. Het argument werd derhalve afgewezen.

5.5.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(95)

De hoogte van de subsidies die aanleiding geven tot compenserende maatregelen werd berekend op basis van het voordeel voor de verkrijger in het TNO, zoals dit door de indieners van het verzoek werd geboekt in de vorm van inkomsten op het ogenblik dat de uitvoertransactie plaatsvond.

(96)

Er werd vastgesteld dat, hoewel de MEIS en haar voorganger de FMS beide van kracht waren gedurende zes maanden (de eerste helft van het TNO voor de FMS en de tweede helft voor de MEIS), het bedrag van de door de MEIS toegekende subsidies die aanleiding geven tot compenserende maatregelen ongeveer drie keer hoger was dan het door de FMS toegekende bedrag.

(97)

In de mededeling van feiten en overwegingen sloeg de Commissie, overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van de basisverordening, dit subsidiebedrag (de teller) om over de waarde van de uitvoer van het onderzochte product in het TNO (de noemer), omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd verleend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(98)

De Indiase overheid voerde aan dat de in overweging 97 beschreven berekeningsmethode van de Commissie ertoe leidde dat MEIS-voordelen dubbel werden geteld: eenmaal voor de uitvoer naar landen die rechtstreeks in aanmerking komen voor de MEIS en eenmaal voor de wereldwijde uitvoer (inclusief de uitvoer naar de Unie). Er was echter geen sprake van dubbeltelling van voordelen aangezien de in overweging 97 beschreven berekeningsmethode erin bestaat het voor alle uitvoer toegekende voordeel alleen over de waarde van de uitvoer (inclusief de uitvoer naar de Unie) om te slaan. Het argument werd daarom afgewezen.

(99)

In elk geval is het in het kader van dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen niet nodig om het exacte subsidiepercentage van de MEIS te bepalen omdat er voldoende bewijs voor de voortzetting van subsidiëring is in het licht van de bevindingen met betrekking tot de andere onderzochte regelingen. Het is dus alleen nodig om vast te stellen dat de door de FMS toegekende voordelen verder werden toegekend door de MEIS, omdat de MEIS de voortzetting van de FMS is zoals in de overwegingen 79 tot en met 81 uiteengezet. Daartoe herberekende de Commissie het subsidiepercentage zo conservatief mogelijk door de grootste beschikbare noemer, d.w.z. de totale omzet uit grafietelektroden, te gebruiken. Op basis daarvan bedroeg het subsidiepercentage dat met betrekking tot deze regeling voor de medewerkende producent-exporteur werd berekend 0,31 %. Dit percentage is een ondergrens van het subsidiepercentage in het TNO.

(100)

Opgemerkt moet worden dat het subsidiepercentage van deze regeling naar verwachting aanzienlijk zal stijgen na het TNO omdat de Indiase overheid bij Public Notice nr. 44/2015-2020 van 29 oktober 2015 het voordeel van het subsidiepercentage van 2 % uitbreidde tot de groepen A en C, waardoor de marktdekking van de MEIS werd uitgebreid tot alle landen en in het bijzonder de EU-lidstaten. Hierdoor zal de subsidiëring toenemen in vergelijking met de vastgestelde subsidiëring in het TNO. Aangezien de MEIS-voordelen in principe voor alle uitvoer kunnen worden geclaimd, zal het subsidiepercentage voor deze regeling naar verwachting aanzienlijk toenemen en het niveau van 2 % bereiken.

6.   Regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering (Export Promotion Capital Goods Scheme, „EPCGS”)

6.1.   Rechtsgrondslag

(101)

Deze regeling is in detail beschreven in hoofdstuk 5 van FTP 09-14 en FTP 15-20 en in hoofdstuk 5 van HOP I 09-14 en HOP I 15-20.

6.2.   Criteria om voor deze regeling in aanmerking te komen

(102)

Producenten-exporteurs, handelaren-exporteurs die banden hebben met ondersteunende producenten alsmede dienstverleners komen voor deze regeling in aanmerking.

6.3.   Toepassing in de praktijk

(103)

Indien een onderneming zich tot uitvoer verplicht, mag zij kapitaalgoederen tegen een verlaagd recht invoeren. Een uitvoerverplichting is een verplichting om goederen uit te voeren voor een bepaald minimumbedrag dat overeenkomt met zes of acht keer het bedrag van de niet-betaalde rechten, afhankelijk van de gekozen subregeling. Hiertoe geeft de Indiase overheid op aanvraag en na betaling van een vergoeding een EPCGS-vergunning af. Voor alle kapitaalgoederen die in het kader van de regeling worden ingevoerd, geldt een verlaagd invoerrecht van 3 %. Om aan de uitvoerverplichting te voldoen, moeten de ingevoerde kapitaalgoederen worden gebruikt om in een bepaalde periode een bepaalde hoeveelheid voor uitvoer bestemde goederen te produceren. De kapitaalgoederen kunnen in het kader van de EPCGS ook vrij van rechten worden ingevoerd, maar in dat geval geldt wel een kortere termijn voor het nakomen van de uitvoerverplichting.

(104)

De houder van een EPCGS-vergunning mag de kapitaalgoederen ook op de binnenlandse markt kopen. In dat geval mag de binnenlandse fabrikant van de kapitaalgoederen zelf de onderdelen die nodig zijn om deze kapitaalgoederen te produceren rechtenvrij invoeren. Als alternatief kan de binnenlandse fabrikant het voordeel van met uitvoer gelijkgestelde verkoop claimen voor de levering van kapitaalgoederen aan een houder van een EPCGS-vergunning.

(105)

Net als in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur in het TNO voordelen bleef ontvangen in het kader van de EPCGS.

6.4.   Conclusie betreffende de EPCGS

(106)

In het kader van de EPCGS worden subsidies verleend in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening. De verlaagde rechten zijn een financiële bijdrage van de Indiase overheid, daar deze hierdoor inkomsten derft die haar normaal zouden toekomen. Daarnaast verkrijgt de exporteur door deze rechtenverlaging een voordeel omdat de liquiditeit van de onderneming hierdoor verbetert.

(107)

Voorts is de EPCGS rechtens afhankelijk van uitvoerprestaties, aangezien vergunningen in het kader van deze regeling niet kunnen worden verkregen zonder verplichting tot uitvoer. Daarom wordt deze regeling op grond van artikel 4, lid 4, eerste alinea, onder a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en aanleiding te geven tot compenserende maatregelen.

(108)

De EPCGS kan niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs in de zin van artikel 3, punt 1, onder a), ii), van de basisverordening. Kapitaalgoederen vallen niet onder deze toelaatbare regelingen, zoals bepaald in bijlage I, onder i), bij de basisverordening, omdat zij niet worden verbruikt bij de vervaardiging van het uitgevoerde product.

6.5.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(109)

De hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies werd overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de basisverordening berekend door de niet-betaalde douanerechten op ingevoerde kapitaalgoederen te spreiden over een tijdvak dat overeenstemt met de normale afschrijvingstermijn voor die kapitaalgoederen in de betrokken bedrijfstak. Het aldus voor het TNO berekende bedrag is gecorrigeerd door toevoeging van de rente tijdens dit tijdvak om de volledige tijdswaarde van het geld te weerspiegelen. Voor de toegevoegde rente werd het commerciële rentetarief toegepast dat in India in het TNO gold.

(110)

Overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag omgeslagen over de waarde van de uitvoer in het TNO als geschikte noemer, omdat de subsidie afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd toegekend op basis van de gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden.

(111)

Op basis van het bovenstaande werd met betrekking tot deze regeling voor de medewerkende producent-exporteur een subsidiepercentage van 0,27 % vastgesteld.

(112)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur aan dat voor de berekening van het subsidiepercentage van deze regeling het subsidiebedrag had moeten worden omgeslagen over de totale omzet van de onderneming, inclusief zowel de uitvoer als de verkoop op de binnenlandse markt in plaats van alleen de waarde van de uitvoer. Hij onderbouwde zijn argument door te stellen dat machines waarvoor in het kader van de EPCGS subsidies worden ontvangen ook kunnen worden gebruikt om op de binnenlandse markt verkochte producten te produceren en verwees naar punt F, onder b), 2), van de richtsnoeren voor de berekening van de omvang van de subsidie bij antisubsidieonderzoeken (14) („de richtsnoeren”), die een instructie met betrekking tot de berekening van de subsidiepercentages voor niet-uitvoersubsidies bevatten. De mogelijkheid om op de binnenlandse markt verkochte grafietelektroden te produceren met in het kader van de EPCGS ingevoerde machines vormt echter geen beletsel voor de kwalificatie van de EPCGS als een uitvoersubsidie omdat, zoals in de overwegingen 103 en 107 uiteengezet, deze subsidie rechtens afhankelijk is van de uitvoerprestaties. Bijgevolg was punt F, onder b), 2), van de richtsnoeren, dat niet-uitvoersubsidies betreft, niet van toepassing op de berekening van de EPCGS-subsidie en werd het argument afgewezen. Bovendien wordt eraan herinnerd dat de in de huidige procedure gebruikte berekeningsmethode voor de EPCGS dezelfde is als die welke wordt gebruikt in de andere procedures met betrekking tot grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India, d.w.z. het oorspronkelijke onderzoek (zie overweging 57 van Verordening (EG) nr. 1008/2004 van de Commissie (15)), het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek (zie overweging 54 van Verordening (EG) nr. 1354/2008) en het eerste nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (zie overweging 47 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1185/2010).

7.   Regeling exportkredieten (Export Credit Scheme, „ECS”)

(113)

De indieners van het verzoek voerden aan dat de Indiase centrale bank in het kader van de ECS een maximumrente oplegde voor door banken verstrekte exportkredieten. Deze maximumrente zou zijn vastgesteld op de basisrente min 2,5 %.

(114)

Er werd echter vastgesteld dat de Indiase centrale bank bij Master Circular DBOD No DIR(Exp.) BC 06/04.02.002/2010-11 de aan banken opgelegde maximale rente voor exportkredieten in INR met ingang van 1 juli 2010 introk en dat de Indiase centrale bank bij Master Circular DBOD No DIR(Exp.) BC 04/04.02.002/2011-2012 de aan banken opgelegde maximale rente voor exportkredieten in vreemde valuta met ingang van 5 mei 2012 introk, uitgezonderd voor een beperkt aantal specifieke bedrijfstakken. Grafietelektroden werden niet in de lijst van uitzonderingen opgenomen en volgens de geldende rechtsgrondslag was de ECS dus niet beschikbaar voor de producenten van grafietelektroden in het TNO.

(115)

Het onderzoek bevestigde dat de werkelijke rente die de medewerkende producent-exporteur voor zijn kredieten verkreeg gelijk was aan of slechts in geringe mate afweek van de basisrente van de respectieve banken die de kredieten toekennen. Omdat niets erop wees dat de Indiase centrale bank de basisrente van de banken bepaalde, werd geconcludeerd dat de rente van de exportkredieten door de banken vrij werd bepaald.

(116)

Er moet worden opgemerkt dat de Indiase centrale bank kort na het TNO een nieuw „Interest Equalisation Scheme on Pre and Post Shipment Rupee Export Credit” aankondigde in Master Circular DBR.Dir.BC.No.62/04.02.001/2015-16 van 4 december 2015. De regeling is beschikbaar voor de uitvoer van een breed scala van producten, met inbegrip van grafietelektroden, ongeacht de grootte van de producent-exporteur, en voor alle uitvoer door kleine en middelgrote ondernemingen. Op basis daarvan kan niet worden uitgesloten dat de medewerkende producent-exporteur deze regeling gebruikte of in de toekomst zal gebruiken. De verkregen voordelen, in voorkomend geval, zouden echter na het TNO zijn verkregen.

(117)

In het licht van het bovenstaande acht de Commissie het in het kader van dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen niet nodig om vaststellingen te doen over deze regeling.

8.   Regeling vrijstelling elektriciteitsheffing (Electricity Duty Exemption Scheme, „EDES”)

(118)

In het kader van het beleid tot stimulering van de industrie van 2004 verleent de deelstaat Madhya Pradesh vrijstelling van de heffing op het elektriciteitsverbruik aan ondernemingen die investeren in de opwekking van elektriciteit voor intern verbruik.

8.1.   Rechtsgrondslag

(119)

De beschrijving van de EDES zoals zij wordt toegepast door de overheid van Madhya Pradesh staat in afdeling 3-B van de Wet Elektriciteitsheffing (Electricity Duty Act) uit 1949.

8.2.   Criteria om voor deze regeling in aanmerking te komen

(120)

Iedere fabrikant die een bepaald bedrag investeert in de bouw van een elektriciteitscentrale in Madhya Pradesh, komt voor deze regeling in aanmerking.

8.3.   Toepassing in de praktijk

(121)

Volgens mededeling nr. 5691-XIII-2004 van de overheid van Madhya Pradesh van 29 september 2004 kunnen ondernemingen of personen die investeren in nieuwe interne elektriciteitscentrales met een capaciteit van meer dan 10 kW bij de inspectie Elektriciteit van Madhya Pradesh een certificaat van vrijstelling van de elektriciteitsheffing verkrijgen. De vrijstelling wordt slechts verleend voor elektriciteit die wordt opgewekt voor eigen verbruik, en alleen indien de nieuwe interne elektriciteitscentrale geen oudere vervangt. De vrijstelling wordt verleend voor vijf jaar.

(122)

Bij mededeling nr. 3023/F-4/3/13/03 van 5 april 2005 stelde de overheid van Madhya Pradesh de eerste door de medewerkende producent-exporteur gebouwde elektriciteitscentrale („de 30 MW-centrale”) met ingang van 6 april 2005 vrij voor een periode van 10 jaar. Opgemerkt wordt dat deze mededeling alleen gold voor de medewerkende producent-exporteur en dus een uitzondering vormde op de in mededeling nr. 5691-XIII-2004 vastgestelde algemene vrijstellingsperiode van 5 jaar. Dit laat vermoeden dat deze stimulans niet systematisch wordt toegekend op basis van criteria die duidelijk in wet- of regelgeving zijn vastgelegd.

(123)

Bij mededeling nr. 4328-XIII-2006 van 21 juli 2006 voerde de overheid van Madhya Pradesh verschillende vrijstellingsperioden van 5, 7 en 10 jaar in die van toepassing waren afhankelijk van de investeringswaarde van de gesubsidieerde elektriciteitscentrale.

(124)

Volgens een brief van de overheid van Madhya Pradesh van 4 februari 2015 werd voor de tweede elektriciteitscentrale van de medewerkende producent-exporteur („de 33 MW-centrale”) een vrijstelling van 7 jaar toegekend, namelijk van 10 juni 2009 tot en met 9 juni 2016.

8.4.   Conclusie betreffende de EDES

(125)

In overeenstemming met artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd de hoogte van de subsidie berekend op basis van de niet-betaalde omzetheffing op in het TNO gekochte elektriciteit (de teller) en de totale omzet van de onderneming (de noemer), aangezien de EDES niet afhankelijk is van uitvoerprestaties en het elektriciteitsverbruik niet beperkt was tot de productie van het onderzochte product.

(126)

Op basis van het bovenstaande werd met betrekking tot deze regeling voor de medewerkende producent-exporteur een subsidiepercentage van ongeveer 2 % vastgesteld.

(127)

Overeenkomstig mededeling nr. 3023/F-4/3/13/03, waarnaar in overweging 122 wordt verwezen, kwam de door de medewerkende producent-exporteur geëxploiteerde 30 MW-centrale echter in april 2015 (d.w.z. in het TNO) niet langer in aanmerking voor de EDES. Het onderzoek bevestigde dat de medewerkende producent-exporteur na die datum niet langer was vrijgesteld van rechten voor die elektriciteitscentrale.

(128)

Wat de 33 MW-centrale betreft, kwam de medewerkende producent-exporteur, zoals in overweging 124 toegelicht, niet langer in aanmerking in juni 2016. Aangezien de controle ter plaatse ook in juni 2016 werd uitgevoerd, was het niet mogelijk om ter plaatse te controleren of de voordelen na die datum inderdaad niet langer werden toegekend. Maar omdat voor de 30 MW-centrale wel kon worden gecontroleerd dat de voordelen niet langer werden toegekend, is er geen concrete reden om in twijfel te trekken dat de voordelen voor de 33 MW-centrale ook op tijd zijn verstreken.

(129)

Aangezien de voordelen van deze regeling zijn verstreken, stelde de Commissie vast dat de producent-exporteur niet langer voordelen genoot in het kader van deze regeling. In elk geval acht de Commissie het in het kader van dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen niet nodig om vaststellingen te doen over deze regeling omdat er, zoals eerder geoordeeld, voldoende bewijsmateriaal is om te concluderen dat er sprake is van voortzetting van subsidiëring op basis van de regelingen waarover de Commissie wel vaststellingen doet.

9.   Hoogte van de subsidies die aanleiding geven tot compenserende maatregelen

(130)

De subsidies die aanleiding geven tot compenserende maatregelen overeenkomstig het bepaalde in de basisverordening, uitgedrukt ad valorem, bedragen voor de medewerkende producent-exporteur:

Tabel 1

REGELINGEN

DDS

AAS

FMS

MEIS

EPCGS

Totaal

HEG Limited %

2,02

0,30

0,13

0,31

0,27

3,03

(131)

Het totale subsidiebedrag overschrijdt de in artikel 14, lid 5, van de basisverordening vermelde drempel.

(132)

De Indiase overheid voerde aan dat de niet-medewerkende producent-exporteur Graphite India Limited („GIL”) geen van de vijf tot compenserende maatregelen aanleiding gevende regelingen waarvan werd vastgesteld dat zij voordelen toekennen aan HEG gebruikte, op basis van de volgende argumenten:

a)

er werden geen DDS-kredietpunten toegekend voor uitvoer naar de Unie in het TNO;

b)

de FMS werd in het TNO beëindigd en zal in de toekomst geen voordelen toekennen aan producenten-exporteurs;

c)

de MEIS was in het TNO niet beschikbaar voor de uitvoer van grafietelektroden naar de Unie, en

d)

in het TNO werd geen enkele AAS- of EPCGS-vergunning afgegeven aan GIL.

(133)

Deze argumenten moeten echter om de volgende redenen worden afgewezen:

a)

Zelfs als GIL voor zijn uitvoer naar de Unie geen DDS-kredietpunten ontving, zou dat nog steeds niet toelaten om te concluderen dat de regeling geen voordelen toekende aan GIL. Het DDS-subsidiepercentage wordt berekend op basis van alle uitvoer van de onderneming, inclusief de uitvoer naar andere derde landen.

b)

Het onderzoek bevestigde dat de FMS in het TNO werd beëindigd, maar uit het onderzoek bleek ook, zoals in de overwegingen 79 tot en met 81 beschreven, dat de voordelen die de FMS vóór de beëindiging ervan toekende verder werden toegekend door de nieuwe MEIS die onmiddellijk na beëindiging van de FMS in werking trad.

c)

Zoals in overweging 93 toegelicht, kan louter op basis van het feit dat de uitvoer naar de Unie niet rechtstreeks in aanmerking komt voor MEIS-kredietpunten niet worden geconcludeerd dat een producent-exporteur niet de voordelen van de MEIS geniet voor zijn uitvoer- of productieactiviteiten in het algemeen. De MEIS-kredietpunten die op basis van de uitvoer van grafietelektroden naar derde landen worden verkregen, zijn vrij overdraagbaar en kunnen worden gebruikt voor de vereffening van invoerrechten op in het onderzochte product verwerkte inputs, ook als dat product naar de Unie wordt uitgevoerd. Daarom wordt geoordeeld dat deze kredietpunten voordelen verlenen voor de uitvoer van grafietelektroden alsmede de productie van GIL in het algemeen, met inbegrip van de uitvoer naar de Unie.

d)

Zelfs als GIL in het TNO geen nieuwe AAS- of EPCGS-vergunning kreeg, zou dat nog steeds niet toelaten om te concluderen dat deze regelingen geen voordelen toekenden aan GIL. GIL zou de respectieve regelingen kunnen hebben gebruikt door het gebruik van vergunningen die vóór het TNO werden verleend. In dit verband is het vermeldenswaardig dat hoewel de medewerkende producent-exporteur in het TNO geen nieuwe AAS- of EPCGS-vergunning kreeg, vastgesteld werd dat hij in het kader van beide regelingen nog steeds voordelen ontving door het gebruik van vergunningen die vóór het TNO werden verleend.

(134)

Volgens het verzoek om een nieuw onderzoek genoot GIL de voordelen van dezelfde regelingen die aanleiding geven tot compenserende maatregelen als de medewerkende producent-exporteur. Er is geen informatie beschikbaar die op het tegendeel wijst. In feite heeft het huidige onderzoek aangetoond dat twee regelingen in het kader waarvan GIL voordelen genoot en die in het oorspronkelijke onderzoek aanleiding gaven tot compenserende maatregelen (DDS en EPCGS) nog steeds bestaan en de medewerkende exporteur voordelen opleveren. Op basis van deze beschikbare feiten en in overeenstemming met artikel 28 van de basisverordening werd geconcludeerd dat de subsidiëring op nationaal niveau in het TNO voortduurde.

10.   Conclusies betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring

(135)

Er werd vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur in het TNO tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies van de Indiase overheid is blijven ontvangen. In overweging 134 is vastgesteld dat de subsidiëring ook op nationaal niveau voortduurde.

(136)

De tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidieregelingen verlenen terugkerende voordelen en er is geen enkele indicatie (behalve voor de FMS, die onmiddellijk door de MEIS werd vervangen) dat deze regelingen in de nabije toekomst zullen worden afgebouwd of dat de medewerkende producent-exporteur niet langer voordelen in het kader van deze regelingen zou verkrijgen. Integendeel, deze regelingen werden in het TNO vernieuwd in het kader van het Foreign Trade Policy 2015-2020, dat tot maart 2020 van kracht blijft. Daarnaast wordt eraan herinnerd dat na het TNO i) het subsidiepercentage van de MEIS steeg, zoals in de overwegingen 96 en 100 vastgesteld, en ii) de subsidiëring van exportkredietregelingen weer werd geactiveerd, zoals in overweging 116 vastgesteld. Bovendien komt iedere exporteur voor diverse subsidieregelingen in aanmerking.

(137)

Voorts werd onderzocht of er aanmerkelijke hoeveelheden uitvoer naar de Unie zouden plaatsvinden als de maatregelen zouden worden ingetrokken. Daartoe werden de volgende elementen onderzocht: de productiecapaciteit en reservecapaciteit in India, de uitvoer uit India naar andere derde landen en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie.

(138)

Zoals in overweging 30 vermeld, verleende slechts één producent-exporteur in India, die slechts de helft van de totale Indiase productiecapaciteit vertegenwoordigde, zijn medewerking. Overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening werden de bevindingen in de onderstaande punten derhalve gebaseerd op beschikbare gegevens. In verband hiermee gebruikte de Commissie de door de medewerkende producent-exporteur verstrekte gegevens, het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, de databank van de Verenigde Naties, door de Indiase overheid verstrekte statistieken van het directoraat-generaal Commercial Intelligence and Statistics („DGCIS”) en openbaar toegankelijke informatie.

10.1.   Productiecapaciteit en reservecapaciteit

(139)

Op basis van openbare financiële informatie en gecontroleerde gegevens van de medewerkende producent-exporteur HEG (16)  (17) verhoogden beide Indiase producenten hun productiecapaciteit met 27 % na het vorige in overweging 4 vermelde nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Aan het eind van het TNO bedroeg de totale productiecapaciteit in India 160 000 ton per jaar, gelijk verdeeld tussen de twee producenten (18). Bovendien bleek uit het onderzoek dat de Indiase producenten-exporteurs hun capaciteit waarschijnlijk verder zullen verhogen indien de vraag toeneemt (19).

(140)

Het productievolume van de twee Indiase producenten schommelde tussen 110 000 en 120 000 ton in het TNO. Op basis van het bovenstaande werd de totale Indiase reservecapaciteit geschat op 40 000 tot 50 000 ton, wat overeenkwam met 29 % tot 36 % van het verbruik in de Unie in het TNO.

(141)

Terwijl de capaciteit toenam, daalde het verbruik van grafietelektroden in India en wereldwijd. Grafietelektroden worden voornamelijk in de elektrostaalindustrie gebruikt, met name in staalfabrieken om staalschroot te smelten. De ontwikkeling van het verbruik van grafietelektroden is dan ook gecorreleerd met de ontwikkeling van de elektrostaalproductie en volgt vergelijkbare trends. Uit het onderzoek bleek dat de productie van elektrostaal in India en wereldwijd daalde tussen 2012 en het TNO (20), terwijl de productiecapaciteit van grafietelektroden in India steeg.

(142)

Eind november 2014 stelden de Indiase autoriteiten antidumpingmaatregelen in op de invoer van grafietelektroden uit de Volksrepubliek China („VRC”) (21). De verwachting is dat het marktaandeel van de Indiase producenten op de binnenlandse markt zal toenemen.

10.2.   Uitvoer naar derde landen

(143)

Op basis van openbare jaarrekeningen werd vastgesteld dat beide Indiase producenten-exporteurs op de uitvoer gericht zijn (22)  (23), aangezien zij in het TNO ongeveer 60 % van hun totale productie uitvoerden.

(144)

Ondanks de geldende maatregelen bleef de Unie een belangrijke uitvoerbestemming voor de medewerkende producent-exporteur HEG. De uitvoer van HEG was in het TNO goed voor 10 % tot 17 % van zijn totale omzet in termen van waarde en 10 % tot 20 % in termen van volume. De niet-medewerkende Indiase onderneming GIL voerde zeer kleine volumes uit naar de Unie in het TNO. Dit houdt echter verband met de antidumpingrechten en compenserende rechten die van toepassing zijn op GIL (15,7 % in totaal) in vergelijking met de antidumpingrechten en compenserende rechten die van toepassing zijn op HEG (7 % in totaal).

(145)

Bij gebrek aan een andere betrouwbaardere bron om de volumes van de uitvoer van India naar andere derde landen te bepalen, werd de databank van de Verenigde Naties gebruikt. Volgens deze databank steeg de uitvoer naar andere derde landen tussen 2012 en 2013 met 43 % en daalde hij in 2014 en 2015 met 38 % ten opzichte van 2013. Het totale uitvoervolume daalde tussen 2012 en het TNO met 10 %. In 2015 waren de belangrijkste bestemmingen voor de Indiase uitvoer de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië, Iran, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, Zuid-Korea en Egypte. Tussen 2012 en 2015 steeg de Indiase uitvoer naar sommige van deze bestemmingen (zoals Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en de Verenigde Staten), terwijl hij naar enkele andere bestemmingen daalde (Iran, Turkije, Zuid-Korea en Egypte), resulterend in een algemene daling van 9 %.

(146)

In 2012 was Rusland de op twee na belangrijkste uitvoermarkt voor de Indiase producenten in termen van volume, maar nadat Rusland in december 2012 een ad-valoremrecht van 16,04 % tot 32,83 % op grafietelektroden uit India instelde (24), daalde de uitvoer van India naar Rusland met 86 % van 4 415 ton tot 638 ton in 2015.

(147)

De informatie over uitvoervolumes in de databank van de Verenigde Naties kon worden geverifieerd aan de hand van DGCIS-statistieken, die vergelijkbare trends vertoonden als die welke in de databank van de Verenigde Naties werden waargenomen.

(148)

Daarnaast volgden de uitvoervolumes naar andere derde landen van de medewerkende producent-exporteur HEG ook vergelijkbare trends, namelijk een stijging van de uitvoervolumes naar andere derde landen van 2012 tot 2013 en een daling vanaf 2014 tot het TNO, met een algemeen dalende trend tijdens de beoordelingsperiode. Er moet worden opgemerkt dat ondanks deze daling van de uitvoervolumes het algemene niveau in het TNO aanzienlijk bleef, namelijk tussen 20 000 en 30 000 ton.

(149)

Wat de hoogte van de uitvoerprijzen op basis van de databank van de Verenigde Naties betreft, bleek uit het onderzoek dat de prijzen van de Indiase uitvoer naar bepaalde landen, zoals de Verenigde Staten en Zuid-Korea, die tussen 2012 en 2014 gemiddeld lager waren dan de prijzen in de EU, in 2015 stegen tot ongeveer hetzelfde niveau als de prijzen in de EU. Daarnaast stegen de prijzen van de Indiase uitvoer naar andere landen, zoals Saoedi-Arabië, die tussen 2012 en 2014 lager waren dan de prijzen in de EU, in 2015 tot een hoger niveau dan de prijzen in de EU. Bovendien bleven de prijzen van de Indiase uitvoer naar bepaalde andere landen, zoals Turkije, gedurende de gehele beoordelingsperiode lager dan de prijzen in de EU. Er zij evenwel op gewezen dat de prijzen in deze databank geen onderscheid maken tussen verschillende productsoorten, zodat de betrouwbaarheid van een dergelijke prijsvergelijking beperkt is.

(150)

Uit de analyse van de informatie over de prijzen van de uitvoer van de medewerkende producent-exporteur naar andere derde landen bleek dat de gemiddelde prijzen op de markt van de Unie in 2012 en 2014 hoger waren dan de gemiddelde prijzen van HEG op andere derde markten (gecorrigeerd op kalenderjaarbasis aangezien de gegevens op boekjaarbasis werden verstrekt), terwijl de gemiddelde prijzen op de markt van de Unie in het TNO lager waren dan de gemiddelde prijzen van HEG op andere derde markten.

(151)

Er waren geen andere gegevens beschikbaar om nauwkeurige prijsniveaus van de uitvoer van de Indiase producenten-exporteurs naar markten van andere derde landen vast te stellen.

10.3.   Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie

(152)

De aantrekkelijkheid van de markt van de Unie werd aangetoond door het feit dat er ondanks de van kracht zijnde antidumpingrechten en compenserende rechten geen eind kwam aan de invoer van Indiase grafietelektroden op de markt van de Unie. Tijdens de beoordelingsperiode bleef India het op een na grootste land van uitvoer naar de Unie, na de VRC. Ondanks een daling tussen 2012 en het TNO bleven de volumes en marktaandelen van de Indiase uitvoer naar de Unie aanzienlijk, zoals in overweging 179 toegelicht.

(153)

De mogelijke ontwikkeling van de uitvoer naar de Unie indien de maatregelen komen te vervallen, moet worden gezien tegen de achtergrond van de algemene daling van het verbruik van grafietelektroden in India en wereldwijd in combinatie met de reservecapaciteit in India. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid meer druk zetten op Indiase producenten-exporteurs om andere uitvoermarkten te verkennen, vooral gezien hun uitvoergerichte bedrijfsmodel. Daarom is het waarschijnlijk dat een groot deel van de beschikbare reservecapaciteit zal worden gebruikt voor uitvoer naar de markt van de Unie, mochten de maatregelen in de Unie worden ingetrokken en mocht de markt van de Unie toegankelijk zijn zonder antidumpingrechten of compenserende rechten. In het bijzonder omdat het onderzoek uitwees dat terwijl de Indiase uitvoer naar sommige markten (zoals Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en de Verenigde Staten) in 2015 steeg, de totale uitvoer uit India naar markten van andere derde landen in dalende lijn ging. Dit geeft aan dat er in bepaalde derde landen een beperkte capaciteit lijkt te zijn om extra uitvoerhoeveelheden te absorberen.

(154)

Bovendien heeft Rusland, zoals in overweging 146 vermeld, antidumpingrechten ingesteld op grafietelektroden uit India. De Indiase producenten-exporteurs hebben dus beperkte toegang tot deze markt en kunnen de volumes van hun uitvoer naar Rusland niet vergroten of omleiden, zoals blijkt uit de daling van de uitvoer naar deze bestemming vanaf 2012.

(155)

Op basis hiervan is het waarschijnlijk dat de Indiase producenten-exporteurs aanzienlijke hoeveelheden naar de Unie zullen blijven uitvoeren indien de maatregelen komen te vervallen en dat zij, rekening houdend met hun aanzienlijke reservecapaciteit, zelfs hun huidige uitvoervolumes zullen vergroten. Dit is waarschijnlijk voor de medewerkende producent-exporteur, die een stimulans zal hebben om zijn reeds aanzienlijke aanwezigheid op de markt van de Unie verder te vergroten, en nog waarschijnlijker voor de niet-medewerkende producent-exporteur, die hogere rechten betaalt dan de medewerkende producent-exporteur en zijn uitvoer naar de markt van de Unie bijna heeft stopgezet.

10.4.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring

(156)

Uit de voorgaande analyse blijkt dat i) gesubsidieerde Indiase invoer de markt van de Unie in het TNO in aanzienlijke hoeveelheden bleef binnenkomen, ii) subsidieregelingen in de nabije toekomst beschikbaar blijven, iii) beide Indiase producenten uitvoergericht zijn en reservecapaciteit hebben die zij zouden kunnen gebruiken om de volumes van hun uitvoer naar de Unie te vergroten, iv) het wereldwijde verbruik in dalende lijn gaat, wat de mogelijkheden beperkt om naar bepaalde andere markten van derde landen uit te voeren en v) het bestaan van antidumpingmaatregelen in Rusland tegen Indiase grafietelektroden de uitvoermogelijkheden van Indiase producenten-exporteurs verder beperkt. Het is dan ook waarschijnlijk dat Indiase grafietelektroden de markt van de Unie in aanzienlijke hoeveelheden en tegen gesubsidieerde prijzen zullen blijven binnenkomen mochten de maatregelen worden opgeheven.

(157)

In het licht van het bovenstaande en overeenkomstig artikel 18, lid 3, van de basisverordening concludeerde de Commissie dat de subsidiëring waarschijnlijk zal worden voortgezet indien de van kracht zijnde maatregelen komen te vervallen.

(158)

Na de mededeling van feiten en overwegingen stelde de enige medewerkende Indiase producent-exporteur, HEG, dat de Commissie bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting van subsidiëring geen rekening heeft gehouden met de feiten die betrekking hebben op de periode na het TNO. In dit verband voerde de medewerkende Indiase producent-exporteur aan dat de Commissie bij de toepassing van artikel 28 van de basisverordening geen rekening heeft gehouden met het feit dat GIL, de andere Indiase producent van grafietelektroden, heeft geïnvesteerd in een productievestiging in de Unie, namelijk Graphite Cova GmbH („GIL Cova”). HEG voerde verder aan dat GIL een strategisch langlopend contract heeft voor de verkoop van gebakken groene elektroden (wat een halffabricaat is) aan de grafitiseringsvestiging van GIL Cova. HEG beweerde ook dat vanwege de strategische investering van GIL de conclusie van de Commissie dat de uitvoer vanuit India naar de Unie zal toenemen onjuist is en dat de vaststelling dat beide Indiase producenten beschikken over reservecapaciteit voor de uitvoer louter op veronderstellingen is gebaseerd. HEG voerde ook aan dat het vervallen van de maatregelen niet tot gevolg zal hebben dat het volume van de invoer in de Unie toeneemt, aangezien de uitvoer vanuit India naar de Unie (inclusief de uitvoer van HEG naar de Unie) na het TNO in dalende lijn gaat.

(159)

Daarnaast stelde HEG dat zijn plannen om de productiecapaciteit te verhogen slechts de visie van zijn voorzitter waren naar aanleiding van het gunstige economische klimaat van 2010. Bijgevolg bespreekt de raad van bestuur in het jaarverslag van HEG voor het jaar eindigend op 31 maart 2016 geen nieuwe voorstellen voor de uitbreiding van de capaciteit meer.

(160)

Wat betreft de vergelijking van prijzen door de Commissie in de overwegingen 149 en 150 met betrekking tot de uitvoer naar markten van andere derde landen, diende HEG een analyse in van de gemiddelde cif/cfr-prijzen van zijn uitvoer naar vier andere derde landen in vergelijking met de gemiddelde cif-prijzen van zijn uitvoer naar de Unie, en concludeerde HEG dat de gemiddelde prijzen van zijn uitvoer naar de vier andere derde landen over het algemeen hoger waren dan de prijzen van zijn uitvoer naar de Unie. Daarom beweerde HEG dat de markt van de Unie, met lagere prijsniveaus, in vergelijking minder aantrekkelijk zou zijn.

(161)

Wat betreft de bewering van HEG met betrekking tot de investering van GIL in GIL Cova tijdens de beoordelingsperiode, voerde GIL een zeer klein volume uit naar de markt van de Unie. Er wordt echter aangenomen dat dit niet alleen toe te schrijven is aan de investering van GIL in GIL Cova, maar vooral aan de hoge antidumpingrechten en compenserende rechten die van toepassing zijn op de uitvoer van GIL India naar de Unie (15,7 % in totaal). Mochten de antidumpingmaatregelen en/of compenserende maatregelen worden ingetrokken, is het dan ook waarschijnlijk dat GIL zijn uitvoer naar de Unie zal hervatten, ondanks zijn investering in GIL Cova, ook rekening houdend met zijn beschikbare reservecapaciteit en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie zoals beschreven in de overwegingen 152 tot en met 155.

(162)

Wat betreft de bewering van HEG met betrekking tot de ontwikkeling van de uitvoer na het TNO, wordt benadrukt dat deze uitvoer plaatsvond terwijl de antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen van kracht waren. Bijgevolg is het waarschijnlijk dat, hoewel het volume van de uitvoer van HEG na het TNO een dalende trend vertoonde, de uitvoer van HEG naar de Unie zal toenemen indien de antidumpingmaatregelen en/of compenserende maatregelen worden ingetrokken, gelet op het feit dat HEG ondanks de bestaande maatregelen met aanzienlijke dumping en tegen aanzienlijk gesubsidieerde prijzen naar de markt van de Unie bleef uitvoeren en gelet op zijn uitvoergerichte bedrijfsmodel en zijn reservecapaciteit, die in de toekomst mogelijk zal toenemen indien de vraag naar zijn producten stijgt, zoals beschreven in de overwegingen 139 tot en met 155.

(163)

Wat betreft het voornemen van HEG om zijn capaciteit te verhogen, wordt bovendien benadrukt dat HEG tijdens de in 2016 uitgevoerde controle ter plaatse een korte video met een overzicht van de HEG-groep liet zien aan het team dat de zaak behandelde. In deze video werden onder meer de toekomstplannen van het bedrijf om zijn productiecapaciteit op te voeren uiteengezet. Bovendien verklaarden vertegenwoordigers van het bedrijf tijdens de controle ter plaatse dat deze plannen opgeschort waren omdat het bedrijf zijn capaciteit niet volledig benutte en de wereldwijde vraag afnam. Indien de antidumpingmaatregelen en/of compenserende maatregelen worden ingetrokken, is het dan ook waarschijnlijk dat de vraag naar Indiase grafietelektroden op de markt van de Unie zal toenemen en dat HEG bijgevolg een stimulans zal hebben om zijn capaciteit op te voeren teneinde aan de vraag te voldoen.

(164)

Wat betreft de bewering van HEG dat de prijzen op de markt van de Unie verschilden van die op markten van andere derde landen, wordt benadrukt dat de Commissie haar vergelijking in de overwegingen 149 en 150 heeft uitgevoerd tussen de gemiddelde prijzen van de Indiase producenten-exporteurs op andere derde markten en de gemiddelde prijzen van de producenten in de Unie op de markt van de Unie en niet de gemiddelde prijzen van de Indiase producenten op de markt van de Unie. Er wordt aan herinnerd dat de gemiddelde prijs van HEG op de markt van de Unie een prijs met aanzienlijke dumping is die de gemiddelde prijs van de producenten in de Unie onderbiedt en dus niet geschikt is voor de vergelijking in kwestie.

(165)

In het licht van het bovenstaande worden de argumenten van HEG afgewezen.

(166)

De conclusie van de Commissie dat de subsidiëring waarschijnlijk zal worden voortgezet indien de maatregelen worden ingetrokken, wordt derhalve bevestigd.

D.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN SCHADE

1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(167)

In het TNO werd het soortgelijke product door acht producenten geproduceerd (twee individuele ondernemingen en twee groepen). Zij vormen de „bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening.

2.   Voorafgaande opmerkingen

(168)

Zoals in overweging 141 vermeld, is de situatie van de bedrijfstak van de grafietelektroden nauw verbonden met die van de elektrostaalindustrie, waar grafietelektroden in de elektrostaalovens worden gebruikt om staalschroot te smelten. In deze context heersten tijdens de beoordelingsperiode negatieve marktomstandigheden binnen de elektrostaalindustrie, met een daling van het verbruik die ook tot uiting komt in het verbruik van grafietelektroden.

(169)

Aangezien er in India slechts twee producenten-exporteurs van het betrokken product zijn, worden de gegevens met betrekking tot de invoer van grafietelektroden uit India en andere derde landen in de Unie niet in precieze cijfers gepresenteerd om de vertrouwelijkheid te bewaren overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening.

3.   Verbruik in de Unie

(170)

De Commissie stelde het verbruik in de Unie vast door optelling van:

i)

de verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, verkregen na controle van de antwoorden op de vragenlijst;

ii)

de verkoop van niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten in de Unie, verkregen uit het verzoek om een nieuw onderzoek;

iii)

de verkoop van een niet in de steekproef opgenomen niet-medewerkende producent in de Unie, verkregen uit zijn jaarverslagen;

iv)

de invoer uit India, op basis van de databank van artikel 14, lid 6, en

v)

de invoer uit alle andere derde landen, op basis van Eurostat (Taric-niveau).

(171)

Het aldus vastgestelde verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt:

Tabel 2

Verbruik in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Verbruik in de Unie (ton)

151 508

140 244

146 637

139 974

Index (2012 = 100)

100

93

97

92

Bron: Antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie, verzoek om een nieuw onderzoek, Eurostat (Taric-niveau), databank van artikel 14, lid 6.

(172)

Tijdens de beoordelingsperiode liep het verbruik in de Unie met 8 % terug. Meer in het bijzonder daalde het verbruik in de Unie met 7 % in 2013, herstelde het zich met 4 % tussen 2013 en 2014, en viel het daarna weer met 5 % terug van 2014 tot het TNO.

(173)

Zoals in de overwegingen 141 en 168 vermeld, was de algemene daling van de vraag het gevolg van de negatieve marktomstandigheden die binnen de elektrostaalindustrie heersten, omdat de verkoopvolumes van grafietelektroden de ontwikkeling van het staalproductievolume in elektrische ovens volgen.

(174)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat bij de analyse van het marktaandeel en het verbruik rekening moet worden gehouden met de invoer door de producenten in de Unie vanuit hun verbonden ondernemingen in de Verenigde Staten, Mexico, Japan en Maleisië, die de afgelopen drie jaar aanzienlijk zou zijn toegenomen.

(175)

Bij de berekening van het verbruik in de Unie werd terdege rekening gehouden met de invoer vanuit alle andere derde landen, zoals in overweging 170 toegelicht, en bijgevolg is die invoer correct weerspiegeld in het totale verbruik. Het argument werd daarom afgewezen.

4.   Invoer uit het betrokken land

4.1.   Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

Tabel 3

Invoervolume en marktaandeel

Land

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

India

Volume van de invoer (ton)

9 000 -10 000

5 000 -6 000

7 000 -8 000

6 500 -7 500

 

Geïndexeerd invoervolume (2012 = 100)

100

57

80

74

Marktaandeel %

6-7

3-4

5-6

4-5

Geïndexeerd marktaandeel

100

62

83

80

Bron: Databank van artikel 14, lid 6.

(176)

De invoervolumes namen tijdens de beoordelingsperiode af. Zij daalden sterk in 2013 (– 43 %), stegen in 2014 en vielen in het TNO weer terug. In totaal bedroeg de daling tijdens de beoordelingsperiode 26 %.

(177)

De Commissie stelde het marktaandeel van de invoer vast op basis van het verbruik in de Unie zoals in overweging 170 uiteengezet.

(178)

Het marktaandeel vertoonde vergelijkbare trends als de invoervolumes, dat wil zeggen een daling tussen 2012 en 2013, een stijging tussen 2013 en 2014 en vervolgens weer een daling tussen 2014 en het TNO. In het TNO daalde het totale marktaandeel met 1,2 procentpunten ten opzichte van 2012.

(179)

Het marktaandeel van de invoer uit India aan het begin van de beoordelingsperiode schommelde tussen 6 % en 7 %. Aan het eind van het TNO was het gedaald tot 4 % à 5 %.

4.2.   Invoerprijs uit het betrokken land

(180)

De Commissie stelde de prijsontwikkeling van de invoer uit India vast op basis van gegevens in de databank van artikel 14, lid 6. Deze gegevens kwamen grotendeels overeen met de door de medewerkende producent-exporteur gemelde prijzen.

(181)

De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land ontwikkelde zich als volgt:

Tabel 4

Invoerprijs  (*1)

Land

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

India

Invoerprijzen (EUR/ton)

2 500 — 3 500

3 000 — 4 000

2 500 — 3 500

2 200 — 3 200

 

Index (2012 = 100)

100

105

89

86

(182)

De gemiddelde invoerprijzen zijn in de beoordelingsperiode in totaal met 14 % afgenomen. De invoerprijzen stegen tussen 2012 en 2013 met 5 %, liepen in 2014 met 16 % terug en daalden in het TNO met nog eens 3 %.

4.3.   Prijsonderbieding

(183)

De Commissie stelde de prijsonderbieding in het TNO vast door i) de gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort die door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie werd aangerekend, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek te vergelijken met ii) de overeenkomstige gewogen gemiddelde invoerprijs per productsoort die door de medewerkende Indiase producent aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie werd aangerekend, bepaald op cif-basis, met de nodige correcties voor antidumpingrechten, compenserende rechten en kosten na invoer.

(184)

De prijzen werden na aftrek van rabatten en kortingen per productsoort vergeleken voor transacties op hetzelfde handelsniveau en werden indien nodig gecorrigeerd. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de omzet van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in het TNO.

(185)

Uit de vergelijking bleek voor een medewerkende producent-exporteur een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van 3 % op de markt van de Unie in het TNO. Als echter de antidumpingrechten en compenserende rechten in de berekeningen worden afgetrokken, bedroeg de prijsonderbiedingsmarge 9 %. Wat de niet-medewerkende producent-exporteur betreft, werden in het TNO slechts zeer kleine hoeveelheden ingevoerd. Niettemin voerde de Commissie een schatting van de prijsonderbieding uit. De Commissie stelde een prijsonderbiedingsmarge van 12 % vast, na aftrek van de bestaande antidumpingrechten en compenserende rechten in de berekeningen. Deze schatting is echter gebaseerd op een zeer klein invoervolume, waarbij wegens het gebrek aan medewerking geen rekening is gehouden met productsoorten. Bijgevolg is de betrouwbaarheid beperkt.

4.4.   Invoer uit andere derde landen

Tabel 5

Invoervolume en marktaandeel

Land

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Totaal andere derde landen

Invoer (ton)

33 000 — 35 000

30 000 — 32 000

34 000 — 36 000

30 000 — 32 000

Index

100

90

103

90

Marktaandeel %

22-23

22-23

24-25

22-23

Prijs (EUR/ton)

2 500 -3 500

2 400 -3 400

2 400 -3 400

2 300 -3 300

Index

100

98

89

92

VRC

Invoer (ton)

14 000 -15 000

11 000 -12 000

16 000 -17 000

14 000 -15 000

 

Index

100

80

117

103

Marktaandeel %

9-10

8-9

11-12

10-11

Prijs (EUR/ton)

2 000 -3 000

1 500 -2 500

1 400 -2 400

1 600 -2 600

Index

100

94

90

99

Verenigde Staten

Invoer (ton)

3 000 -4 000

4 000 -5 000

4 200 -5 200

4 200 -5 200

 

Index

100

118

129

128

Marktaandeel %

2-3

3-4

3-4

3-4

Prijs (EUR/ton)

3 300 -4 300

3 200 -4 200

3 000 -4 000

2 800 -3 800

Index

100

96

84

81

Mexico

Invoer (ton)

3 000 -4 000

4 000 -5 000

5 500 -6 500

4 000 -5 000

 

Index

100

127

165

119

Marktaandeel %

2-3

3-4

4-5

3-4

Prijs (EUR/ton)

3 800 -4 800

3 900 -4 900

3 900 -4 900

4 000 -5 000

Index

100

103

103

115

Rusland

Invoer (ton)

3 000 -4 000

2 500 -3 500

3 500 -4 500

3 700 -4 700

 

Index

100

70

101

103

Marktaandeel %

2-3

1-2

2-3

2-3

Prijs (EUR/ton)

3 000 -4 000

2 800 -3 800

2 500 -3 500

2 100 -3 100

Index

100

91

79

75

Japan

Invoer (ton)

4 500 -5 500

3 000 -4 000

3 000 -4 000

2 000 -3 000

 

Index

100

74

62

50

Marktaandeel %

3-4

2-3

2-3

1-2

Prijs (EUR/ton)

3 400 -4 400

3 300 -4 300

2 800 -3 800

2 900 -3 900

Index

100

99

82

83

Andere derde landen

Invoer (ton)

4 000 -5 000

4 000 -5 000

1 000 -2 000

700-1 700

 

Index

100

104

25

19

Marktaandeel %

2-3

3-4

0,5-1,5

0,5-1,5

Prijs (EUR/ton)

2 600 -3 600

2 000 -3 000

1 900 -2 900

1 600 -2 600

Index

100

83

78

72

Bron: Eurostat (Taric-niveau).

(186)

In lijn met de daling van het verbruik liep het volume van de invoer uit alle andere derde landen tussen 2012 en het TNO met 10 % terug. Tijdens de beoordelingsperiode lag het marktaandeel van de invoer uit alle andere derde landen tussen 22 % en 23 %. Er werd voornamelijk ingevoerd uit de VRC, de VS, Mexico, Rusland en Japan; dit waren de enige landen met een individueel marktaandeel van meer dan 1 % in het TNO.

(187)

De prijzen van de invoer uit de VS, Japan en Mexico lagen hoger dan de prijzen van de Indiase exporteurs en de prijzen van de producenten in de Unie. Het marktaandeel van de invoer uit de VS en Mexico steeg met minder dan 1 procentpunt tijdens de beoordelingsperiode. Het marktaandeel van de invoer uit Japan daalde met 1,5 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode.

(188)

De prijzen van de invoer uit de VRC en Rusland waren lager dan de prijzen van de Indiase exporteurs en de prijzen van de producenten in de Unie (behalve in 2012 voor Rusland). Volgens de door de bedrijfstak van de Unie in het verzoek om een nieuw onderzoek verstrekte informatie bestaat een deel van de invoer uit China uit grafietelektroden met een kleine diameter (minder dan 400 millimeter), terwijl de invoer uit India en de productie van de bedrijfstak van de Unie grotendeels bestaan uit grafietelektroden met een grote diameter (25) (meer dan 400 millimeter), die duurder zijn.

(189)

Het marktaandeel van de Chinese invoer steeg met 1 procentpunt tijdens de beoordelingsperiode en lag in het TNO tussen 10 % en 11 %, terwijl het marktaandeel van de invoer uit Rusland in het TNO slechts 2 % tot 3 % bedroeg. Het steeg met 0,3 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode. Deze stijging ging echter niet ten koste van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, dat, zoals in overweging 202 toegelicht, tijdens de beoordelingsperiode met 1,9 procentpunten groeide.

(190)

Omdat in de beschikbare gegevens uit de invoerstatistieken geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende productsoorten en bijgevolg geen zinvolle prijsvergelijking per productsoort kon worden uitgevoerd, wat voor India wel mogelijk was op basis van de gedetailleerde informatie die door de medewerkende producent-exporteur werd verstrekt, kon het effect van de invoer uit de VRC en Rusland niet duidelijk worden vastgesteld.

5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

5.1.   Algemene opmerkingen

(191)

Overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met subsidiëring voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(192)

Zoals in overweging 14 vermeld, werd voor de vaststelling van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade een steekproef gebruikt.

(193)

Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie beoordeelde de macro-economische indicatoren op basis van gegevens in het verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst. De gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie beoordeelde de micro-economische indicatoren op basis van gegevens in de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst. De gegevens hadden betrekking op de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(194)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de subsidiemarge en herstel van subsidiëring in het verleden.

(195)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

(196)

Beide gegevensreeksen zijn representatief gebleken voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

5.2.   Macro-economische indicatoren

a)   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(197)

De totale productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad in de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 6

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad van producenten in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Productievolume (ton)

235 915

235 502

241 623

221 971

Index (2012 = 100)

100

100

102

94

Productiecapaciteit (ton)

297 620

297 245

299 120

290 245

Index (2012 = 100)

100

100

101

98

Bezettingsgraad %

79

79

81

76

Bron: Verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(198)

Tijdens de beoordelingsperiode daalde het productievolume met 6 %. Meer in het bijzonder steeg het eerst met 2 % tot 2014 en daalde het vervolgens in het TNO met 8 % ten opzichte van 2014.

(199)

De productiecapaciteit daalde tijdens de beoordelingsperiode met 2 %.

(200)

De afname van het productievolume had tot gevolg dat de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode met 3 procentpunten daalde.

b)   Verkoopvolume en marktaandeel

(201)

Het verkoopvolume en marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 7

Verkoopvolume en marktaandeel van producenten in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Verkoopvolume in de Unie (ton)

107 655

103 779

103 704

102 123

Index (2012 = 100)

100

96

96

95

Marktaandeel %

71,1

74,0

70,7

73,0

Bron: Verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(202)

De totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie viel tijdens de beoordelingsperiode met ongeveer 5 % terug. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie schommelde tijdens de beoordelingsperiode. Het steeg in 2013 met 2,9 procentpunten, daalde in 2014 met 3,3 procentpunten en steeg in het TNO weer met 2,3 procentpunten. Over het geheel genomen steeg het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 1,9 procentpunten.

(203)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat bij het bepalen van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie rekening moet worden gehouden met de invoer door de producenten in de Unie vanuit hun verbonden ondernemingen in de Verenigde Staten, Mexico, Japan en Maleisië. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie wordt echter berekend op basis van de verkoop van zijn eigen productie op de markt van de Unie. Er wordt geen rekening gehouden met de invoer door de bedrijfstak van de Unie omdat dit een verstorend effect op het totaalbeeld zou hebben, aangezien de invoer dubbel zou worden geteld: één keer als invoer en één keer als verkoop door de bedrijfstak van de Unie. Dit argument werd derhalve afgewezen.

c)   Groei

(204)

Tussen 2012 en het eind van het TNO nam het verbruik in de Unie met 8 % af. Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie nam met 5 % af, wat zich niettemin vertaalde in een stijging van het marktaandeel met 1,9 procentpunten.

d)   Werkgelegenheid en productiviteit

(205)

De werkgelegenheid en productiviteit ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 8

Werkgelegenheid en productiviteit van producenten in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Aantal werknemers

1 526

1 539

1 475

1 523

Index (2012 = 100)

100

101

97

100

Productiviteit (ton/werknemer)

155

153

164

146

Index (2012 = 100)

100

99

106

94

Bron: Verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(206)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie bleef tijdens de beoordelingsperiode op ongeveer hetzelfde niveau. Als gevolg van de daling van de productie (-6 % tijdens de beoordelingsperiode) nam ook de productiviteit met 6 % af in dezelfde periode.

e)   Hoogte van de subsidiemarge en herstel van subsidiëring in het verleden

(207)

Uit het onderzoek bleek dat grafietelektroden uit India nog steeds tegen gesubsidieerde prijzen op de markt van de Unie werden ingevoerd. De voor India vastgestelde subsidiemarge in het TNO lag aanzienlijk boven de de-minimisdrempel, zoals in overweging 130 beschreven. Dit viel samen met een daling van de invoerprijzen ten opzichte van 2012. Niettemin kon de bedrijfstak van de Unie profiteren van de geldende compenserende maatregelen; hij kon zijn marktaandeel handhaven en licht verhogen.

5.3.   Micro-economische indicatoren

f)   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(208)

De gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelde zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 9

Gemiddelde verkoopprijzen in de Unie en kosten per eenheid

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie (EUR/ton)

3 784

3 468

2 997

2 825

Index (2012 = 100)

100

92

79

75

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

3 357

3 116

2 776

2 745

Index (2012 = 100)

100

93

83

82

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(209)

De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie liep in het TNO gestaag terug tot 2 825 EUR/ton (-25 %). De bedrijfstak van de Unie moest zijn prijzen naar beneden bijstellen om de algemene daling van de verkoopprijzen op de markt van de grafietelektroden te weerspiegelen, die het gevolg was van de krimpende vraag in de elektrostaalindustrie.

(210)

De gemiddelde productiekosten van de bedrijfstak van de Unie daalden minder hard tijdens de beoordelingsperiode (-18 %). De belangrijkste factor die de daling van de productiekosten per eenheid beïnvloedde, was de daling van de grondstofprijzen.

(211)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de wereldwijde grondstofprijs sterker daalde dan de door de bedrijfstak van de Unie betaalde grondstofkosten tijdens de beoordelingsperiode. Bijgevolg zou de bedrijfstak van de Unie inefficiënt zijn wat betreft de aankoop van grondstoffen en zou zijn levensvatbaarheid dan ook twijfelachtig zijn.

(212)

Uit het onderzoek bleek dat de bedrijfstak van de Unie de grondstof wereldwijd bij zijn verbonden en niet-verbonden partijen aankocht tegen vergelijkbare prijzen en dat er geen aanwijzingen van inefficiënties waren wat de aankoop van grondstoffen betreft. Aangezien de bewering niet verder werd onderbouwd, werd het argument afgewezen.

g)   Loonkosten

(213)

De gemiddelde loonkosten ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 10

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR/werknemer)

66 111

66 842

67 113

67 253

Index (2012 = 100)

100

101

102

102

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(214)

De gemiddelde loonkosten per werknemer stegen tijdens de beoordelingsperiode met slechts 2 %.

h)   Voorraden

(215)

De voorraden ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 11

Voorraden

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Eindvoorraden

8 952

8 821

13 770

18 465

Index (2012 = 100)

100

99

154

206

Eindvoorraden als een percentage van de productie %

6

5

7

11

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(216)

Het niveau van de eindvoorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie is tijdens de beoordelingsperiode meer dan verdubbeld in absolute termen. In het TNO vertegenwoordigde het niveau van de voorraden ongeveer 11 % van de productie.

i)   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(217)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 12

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van de omzet)

11,3

10,2

7,4

2,8

Kasstroom (EUR)

47 981 432

46 443 978

30 426 147

31 283 121

Index (2012 = 100)

100

97

63

65

Investeringen (EUR)

25 293 559

23 133 505

21 672 869

12 313 975

Index (2012 = 100)

100

91

86

49

Rendement van investeringen %

16,5

13,9

10,1

3,9

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(218)

De Commissie stelde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie vast door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van die verkoop. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie daalde tussen 2012 en het eind van het TNO geleidelijk van 11,3 % tot 2,8 %, d.w.z. een daling van 8,5 procentpunten.

(219)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de daling van de winstgevendheid van de producenten in de Unie werd veroorzaakt door hun hoge administratieve kosten en vaste verkoopkosten.

(220)

Uit het onderzoek bleek dat de productiekosten per eenheid tijdens de beoordelingsperiode daalden, zoals in overweging 210 vermeld. Deze daling van de productiekosten per eenheid hield verband met de administratieve en verkoopkosten, ook al was de grondstof goed voor het grootste deel van de kosten. Het argument werd daarom afgewezen.

(221)

De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De nettokasstroom daalde tijdens de beoordelingsperiode met 35 %. Deze forse daling is voornamelijk het gevolg van de aanzienlijke daling van de winstgevendheid, zoals in overweging 218 beschreven.

(222)

Tijdens de beoordelingsperiode namen de jaarlijkse investeringen in het betrokken product door de bedrijfstak van de Unie met meer dan de helft af, van 25 miljoen EUR in 2012 tot 12 miljoen EUR in het TNO.

(223)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de daling van de investeringen puur te wijten is aan de afname van de vraag en aan de overcapaciteit van de productie van grafietelektroden wereldwijd.

(224)

Het onderzoek bevestigde inderdaad dat het verbruik van grafietelektroden tijdens de beoordelingsperiode afnam, zoals in overweging 172 uiteengezet. Er moet echter worden opgemerkt dat de investeringen in het betrokken product door de bedrijfstak van de Unie in het TNO van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen drie keer hoger lagen dan het investeringsniveau in het TNO van het huidige nieuwe onderzoek als ook rekening gehouden wordt met de daling van het verbruik.

(225)

Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van investeringen. Het rendement van investeringen bij de productie en verkoop van het soortgelijke product daalde geleidelijk van 16,5 % in 2012 tot 3,9 % in het TNO.

5.4.   Conclusie betreffende de situatie van de bedrijfstak van de Unie

(226)

Het onderzoek toonde aan dat, ondanks de geldende maatregelen, de meeste schade-indicatoren zich negatief ontwikkelden en dat de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie verslechterde tijdens de beoordelingsperiode. Niettemin slaagde de bedrijfstak van de Unie erin zijn marktaandeel te handhaven en licht te vergroten, wat alleen mogelijk was ten koste van de gerealiseerde winstmarges.

(227)

Hoewel deze negatieve ontwikkelingen kunnen worden verklaard door de daling van het verbruik, dat tijdens de beoordelingsperiode met 8 % afnam, bleef de invoer uit India constant aanwezig op de markt van de Unie. Deze invoer werd verkocht tegen lagere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Unie en onderboden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 3 % in het TNO. Daarnaast werd de prijsbederfmarge vastgesteld op 9 %. Bijgevolg oefende de Indiase invoer met dumping en subsidiëring nog steeds druk uit op de prijzen. De prijsdruk in het huidige TNO nam toe ten opzichte van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, toen de prijsonderbiedingsmarge minder dan 2 % bedroeg.

(228)

Door het afgenomen verbruik en door de prijsdruk die uitging van de invoer met dumping en subsidiëring zag de bedrijfstak van de Unie zich genoodzaakt zijn verkoopprijzen te verlagen. Als gevolg daarvan lag de winst, hoewel nog steeds positief (2,8 %) in het TNO, onder de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde winstdoelstelling van 8 %.

(229)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de producenten in de Unie aanzienlijk hebben geprofiteerd van de daling van de invoer uit India aangezien het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met 2 % is gestegen. Er werd beweerd dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zelfs nog groter was als ook rekening werd gehouden met de invoer van de bedrijfstak van de Unie uit andere derde landen. Tegelijkertijd wordt de bedrijfstak van de Unie geconfronteerd met zware prijsconcurrentie uit andere bronnen (met name laaggeprijsde invoer uit de VRC en Rusland). Daarom werd beweerd dat er geen schade kan worden toegeschreven aan de invoer uit India als gevolg van het vermeende kleinere marktaandeel van de producenten in de Unie.

(230)

Uit het onderzoek bleek inderdaad een daling van de volumes en marktaandelen van de invoer uit India, maar zoals in overweging 227 toegelicht, oefende de Indiase invoer met dumping en subsidiëring nog steeds druk uit op de prijzen. Deze prijsdruk nam in het huidige TNO zelfs nog toe in vergelijking met het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Het argument werd daarom afgewezen.

(231)

Dezelfde belanghebbende stelde voorts dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat laaggeprijsde invoer uit de VRC en Rusland een van de belangrijkste oorzaken van prijsdruk op de markt van de Unie is en drong aan op een volledig onderzoek naar de laaggeprijsde invoer van het betrokken product uit de VRC en Rusland alvorens te bepalen in welke mate een herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk is. Deze belanghebbende beweerde ook dat sommige Chinese fabrikanten de invoer van grafietelektroden met een grote diameter op de markt van de Unie hebben verhoogd.

(232)

Wat betreft de invoerprijzen van grafietelektroden uit de VRC en Rusland moet, zoals in de overwegingen 188 en 190 toegelicht, eraan worden herinnerd dat: i) geen zinvolle prijsvergelijking per productsoort voor de invoer uit deze landen kon worden uitgevoerd, wat voor India wel mogelijk was op basis van de gedetailleerde informatie die door de medewerkende producent-exporteur werd verstrekt; ii) het met de voor de Commissie beschikbare invoerstatistieken uit deze landen niet mogelijk is onderscheid te maken tussen verschillende productsoorten en iii) op basis van de informatie die door de bedrijfstak van de Unie in het verzoek om een nieuw onderzoek werd verstrekt, en die door gebruikers werd bevestigd, de invoer uit deze landen grotendeels gaat om grafietelektroden met een kleinere diameter die goedkoper zijn. Daarnaast liet de medewerkende producent-exporteur uit India na zijn bewering met betrekking tot de toegenomen uitvoer van grafietelektroden met een grotere diameter uit de VRC naar de Unie te onderbouwen.

(233)

Wat betreft de volumes van de invoer van grafietelektroden uit de VRC en Rusland en de marktaandelen ervan, en zoals in overweging 189 toegelicht, steeg het marktaandeel van de Chinese invoer tijdens de beoordelingsperiode met 1 procentpunt, terwijl het marktaandeel van de invoer uit Rusland met 0,3 procentpunten steeg. Deze stijgingen gingen niet ten koste van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, dat, zoals in overweging 189 beschreven, tijdens de beoordelingsperiode met 1,9 procentpunten groeide. Het argument werd daarom afgewezen.

(234)

Dezelfde belanghebbende voerde aan dat de bedrijfstak van de Unie inefficiënt was omdat hij grafietelektroden met een kleinere diameter produceerde, aangezien de verkoop van dergelijke producten slechts een deel van het totale verkoopvolume vertegenwoordigde.

(235)

De marktomstandigheden zorgen er normaal voor dat het aanbod, namelijk de verkochte productsoort, door de vraag wordt gestuurd. De bewering dat de productie van grafietelektroden met een kleinere diameter door de bedrijfstak van de Unie inefficiënt is, werd niet nader onderbouwd en het argument werd bijgevolg afgewezen.

(236)

Dezelfde belanghebbende hekelde dat er geen onderzoek werd uitgevoerd naar de gevolgen van de toegenomen volumes van invoer tegen dumpingprijzen uit andere landen, inclusief invoer afkomstig van gelieerde ondernemingen in de Verenigde Staten, Mexico, Maleisië en Japan.

(237)

Zoals in overweging 187 aangegeven, lagen de prijzen van de invoer uit de Verenigde Staten, Japan en Mexico hoger dan de prijzen van de Indiase exporteurs en de prijzen van de producenten in de Unie. Het marktaandeel van de invoer uit deze landen steeg met 0,1 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode en was kleiner dan 10 % aan het eind van het TNO. Ook had de Commissie geen enkel bewijs dat de prijzen van de invoer uit deze landen dumpingprijzen waren. Het argument werd daarom afgewezen.

(238)

Dezelfde belanghebbende voerde aan dat de Commissie bij de berekening van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarge per productsoort het productcontrolenummer („PCN”) gebruikte, waarbij geen rekening wordt gehouden met de gebruikte grondstof, hoewel deze de kosten en prijzen aanzienlijk beïnvloedt. Het vergelijken van productsoorten die van dezelfde grondstof zijn gemaakt, zou de prijsbederfmarge doen dalen van 9 % tot 8 %.

(239)

Het verschil in grondstof werd inderdaad niet in de PCN-structuur weerspiegeld, en dus werd bij de berekening van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarge geen rekening gehouden met dit verschil. Wanneer met het oog op de berekening van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarge productsoorten werden opgedeeld rekening houdend met de gebruikte grondstof, zoals de belanghebbende na de mededeling van feiten en overwegingen aanvoerde, daalde de in overweging 227 vermelde prijsbederfmarge echter met slechts 1 procentpunt tot 8 %. Deze daling had dus geen wezenlijke invloed op de door de Commissie vastgestelde prijsbederfmarge in het TNO.

(240)

Dezelfde belanghebbende stelde de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde winstdoelstelling van 8 % in vraag en beweerde dat de fabrikanten van grafietelektroden verliezen leden als gevolg van de daling van de internationale vraag naar staal en dat de winstdoelstelling van 8 % dus niet meer gerechtvaardigd was.

(241)

Er wordt aan herinnerd dat het nagestreefde winstniveau op de verkoop van het soortgelijke product op de markt van de Unie het niveau moet zijn dat een bedrijfstak van dit type in de sector onder normale concurrentievoorwaarden, namelijk bij afwezigheid van invoer met dumping/subsidiëring, redelijkerwijs zou kunnen bereiken. In dit verband werden, zoals in overweging 34 van Verordening (EG) nr. 1628/2004 opgemerkt, de winstniveaus van de bedrijfstak van de Unie toen het marktaandeel van de invoer met subsidiëring het kleinst was (namelijk in 1999) grondig onderzocht. Daarom werd definitief geconcludeerd dat om de schademarge te berekenen de winstmarge waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij representatief is voor de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie bij afwezigheid van schade veroorzakende subsidiëring uit India op 8 % moet worden vastgesteld. Het argument werd daarom afgewezen.

(242)

Op basis van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie in het TNO uiterst kwetsbaar was, grotendeels als gevolg van de negatieve marktomstandigheden en de daaruit voortvloeiende daling van het verbruik. Om die reden was de beoordeling van de Commissie vooral gericht op de waarschijnlijkheid van een herhaling van schade als gevolg van de invoer met subsidiëring uit India.

6.   Waarschijnlijkheid van een herhaling van schade

(243)

Om vast te stellen hoe waarschijnlijk de herhaling van schade is mochten de maatregelen tegen India worden ingetrokken, werden de volgende elementen onderzocht: de productiecapaciteit en reservecapaciteit in India, de uitvoer uit India naar andere derde landen en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie.

(244)

In overweging 155 werd geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de Indiase producenten-exporteurs aanzienlijke hoeveelheden naar de Unie zullen blijven uitvoeren indien de maatregelen komen te vervallen en dat zij zelfs hun huidige uitvoervolumes zullen vergroten en dat deze uitvoer waarschijnlijk tegen gesubsidieerde prijzen zal plaatsvinden.

(245)

Zoals in de overwegingen 139 en 140 vastgesteld, wordt de Indiase productiecapaciteit in het TNO op ongeveer 160 000 ton geschat, terwijl de reservecapaciteit op 40 000 tot 50 000 ton wordt geschat, wat overeenkwam met 29 % tot 36 % van het verbruik in de Unie in dezelfde periode. Zoals in overweging 139 beschreven, zullen de Indiase producenten-exporteurs hun capaciteit bovendien waarschijnlijk verder verhogen indien de vraag toeneemt. Zoals in overweging 142 vermeld, stelden de Indiase autoriteiten eind november 2014 antidumpingmaatregelen in op de invoer van grafietelektroden uit de VRC. Verwacht wordt dat het marktaandeel van de Indiase producenten op de binnenlandse markt hierdoor groter wordt.

(246)

Wegens de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie zoals in de overwegingen 152 tot en met 155 beschreven, zal, indien de maatregelen worden ingetrokken, ten minste een deel van de reservecapaciteit naar alle waarschijnlijkheid worden uitgevoerd naar de markt van de Unie. Zoals in overweging 143 beschreven, zijn Indiase producenten zeer uitvoergericht. Wat de prijzen van grafietelektroden betreft, werd, zoals in overweging 149 beschreven, voor sommige van de bestemmingen van de Indiase uitvoer vastgesteld dat de prijzen in de Unie hoger waren. Gezien de verschillende productmix doet deze informatie echter geen afbreuk aan de algemene beoordeling dat nieuwe capaciteit naar de markt van de Unie zal worden uitgevoerd aangezien de betrouwbaarheid van deze prijsvergelijking beperkt is.

(247)

Zoals in overweging 146 vermeld, stelde Rusland antidumpingmaatregelen tegen de Indiase invoer van grafietelektroden in en daalde de uitvoer uit India naar Rusland aanzienlijk tijdens de beoordelingsperiode. Dit impliceert dat de toegang tot de op twee na belangrijkste uitvoermarkt voor Indiase producenten-exporteurs wordt beperkt en dat het met de huidige of waarschijnlijk zelfs toegenomen reservecapaciteit die in overweging 245 is vermeld zeer waarschijnlijk is dat Indiase producenten-exporteurs hun invoer van het betrokken product naar de markt van de Unie aanzienlijk zullen verhogen indien de maatregelen komen te vervallen.

(248)

Zoals in overweging 185 vastgesteld, zouden de Indiase invoerprijzen zonder antidumpingrechten en compenserende rechten de verkoopprijzen in de Unie met 9 % onderbieden. Voor de niet-medewerkende producent-exporteur werd de prijsonderbiedingsmarge zonder opname van antidumpingrechten en compenserende rechten in de berekening geschat op 12 %. Dit is een indicatie van wat het waarschijnlijke prijspeil van de invoer uit India zou kunnen zijn mochten de maatregelen worden ingetrokken. Op basis hiervan is het waarschijnlijk dat de prijsdruk op de markt van de Unie aanzienlijk zal toenemen mochten de maatregelen worden ingetrokken, waardoor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie verder zou verslechteren.

(249)

Wat volumes betreft, zou de intrekking van de maatregelen Indiase producenten-exporteurs zeer waarschijnlijk toelaten om hun marktaandeel op de markt van de Unie te vergroten. Met name de niet-medewerkende producent-exporteur, die momenteel onderworpen is aan het hogere recht van 15,7 %, zou een sterke stimulans hebben om zijn uitvoer naar de markt van de Unie te hervatten en aanzienlijke hoeveelheden uit te voeren. Mocht deze situatie zich voordoen, zou de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopvolumes en marktaandelen onmiddellijk zien krimpen.

(250)

Op basis hiervan zullen de Indiase producenten-exporteurs na het wegvallen van de maatregelen hun aanwezigheid op de markt van de Unie waarschijnlijk vergroten, in termen van ingevoerde hoeveelheden en marktaandelen, door in te voeren tegen dumpingprijzen en gesubsidieerde prijzen die de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onderbieden. Dit zal de prijsdruk op de markt van de Unie verhogen, met negatieve gevolgen voor de winstgevendheid en financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie. Dit zal er ook toe leiden dat de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie verder verslechtert.

(251)

Op basis van de hierboven genoemde factoren heeft de Commissie de conclusie getrokken dat het erg waarschijnlijk is dat de schade zich zal herhalen als de bestaande maatregelen worden ingetrokken.

E.   BELANG VAN DE UNIE

(252)

Overeenkomstig artikel 31 van de basisverordening onderzocht de Commissie of het behoud van de bestaande compenserende maatregelen tegen India in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs en gebruikers.

(253)

Er wordt aan herinnerd dat bij het oorspronkelijke onderzoek het vaststellen van maatregelen niet in strijd met het belang van de Unie werd geacht.

(254)

Overeenkomstig artikel 31, lid 2, van de basisverordening werden alle belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun standpunten kenbaar te maken.

(255)

Op basis hiervan onderzocht de Commissie of er, ondanks haar conclusie dat een voortzetting van subsidiëring en herhaling van schade waarschijnlijk is, dwingende redenen bestonden om te concluderen dat de handhaving van de bestaande maatregelen niet in het belang van de Unie is.

1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(256)

Zoals in overweging 226 uiteengezet, stelden de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat om zijn marktaandelen te behouden. Tegelijkertijd werd in overweging 250 geconcludeerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk zou verslechteren indien de compenserende maatregelen tegen India komen te vervallen. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat de handhaving van de maatregelen tegen India de bedrijfstak van de Unie ten goede zou komen.

2.   Belang van de importeurs/handelaren

(257)

Zoals in overweging 16 vermeld, heeft geen van de importeurs zijn medewerking verleend aan het huidige onderzoek of zich hierbij kenbaar gemaakt. Daarom waren er geen indicaties dat de handhaving van de maatregelen voor de importeurs negatieve gevolgen zou hebben die opwegen tegen de positieve gevolgen van de maatregelen.

3.   Belang van gebruikers

(258)

Zoals in overweging 18 vermeld, dienden 8 van de 53 gebruikers waarmee contact werd opgenomen een ingevulde vragenlijst in. Vier van hen hebben uit India ingevoerde grafietelektroden gebruikt. Hun invoer vertegenwoordigde ongeveer 20 % van alle invoer van het betrokken product uit India.

(259)

Er wordt aan herinnerd dat bij het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat de instelling van maatregelen geen grote gevolgen zou hebben voor de gebruikers. Hoewel de maatregelen al tien jaar van kracht zijn, bleven gebruikers in de Unie hun elektroden onder meer uit India betrekken. De gebruikers dienden geen informatie in waaruit blijkt dat er moeilijkheden zijn geweest bij het vinden van andere bronnen, en uit het onderzoek bleek dergelijke informatie evenmin.

(260)

Wat de gevolgen van de instelling van maatregelen voor de gebruikers betreft, werd bij het oorspronkelijke onderzoek bovendien vastgesteld dat een kostenverhoging waarschijnlijk geen grote gevolgen zou hebben voor de gebruikende industrie omdat het aandeel van grafietelektroden in de totale kosten van die industrie te verwaarlozen is. Deze bevindingen werden in het huidige nieuwe onderzoek bevestigd omdat er geen aanwijzingen voor het tegendeel werden gevonden na de instelling van maatregelen. Bovendien voerde geen van de vier gebruikers argumenten tegen de handhaving van de maatregelen aan.

(261)

Eén federatie van staalproducenten, de Duitse federatie van de staalindustrie (Wirtschaftsvereinigung Stahl) kantte zich tegen de voortzetting van de maatregelen en voerde aan dat de maatregelen hebben geleid tot concurrentienadelen voor staalproducenten in de Unie ten opzichte van staalproducenten in andere regio's waar geen maatregelen met betrekking tot grafietelektroden zijn ingesteld. De federatie beweerde dat de voortzetting van de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat zou stellen haar dominante positie te handhaven. De ontwikkeling van de invoer uit India na de instelling van de maatregelen laat echter duidelijk zien dat de invoer uit India doorging tijdens de beoordelingsperiode. Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat steeds meer grafietelektroden uit andere derde landen de markt van de Unie binnenkomen.

(262)

Op basis hiervan en in lijn met de conclusies die in het oorspronkelijke onderzoek zijn getrokken, wordt verwacht dat de voortzetting van de maatregelen geen aanzienlijk negatieve gevolgen zal hebben voor de gebruikers en dat er daarom geen dwingende redenen zijn om te concluderen dat het niet in het belang van de Unie is om de bestaande maatregelen te verlengen.

4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(263)

Gezien het bovenstaande concludeerde de Commissie dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande compenserende maatregelen met betrekking tot de invoer uit India niet te verlengen.

F.   COMPENSERENDE MAATREGELEN

(264)

Alle belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd beoogd de geldende compenserende maatregelen te handhaven. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen. Er is naar behoren rekening gehouden met deze opmerkingen.

(265)

Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1185/2010 ingestelde compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India op grond van artikel 18 van de basisverordening moeten worden gehandhaafd.

(266)

Na de mededeling van feiten en overwegingen verzocht de medewerkende producent-exporteur uit India de Commissie om de voortzetting van maatregelen gedurende een periode van twee jaar te overwegen. Het onderzoek bracht echter geen uitzonderlijke omstandigheden aan het licht die zouden rechtvaardigen dat de duur van de maatregelen tot twee jaar wordt beperkt.

(267)

De individuele compenserende rechten voor ondernemingen die in deze verordening met naam worden genoemd, zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het betrokken product dat door deze ondernemingen en dus door de specifiek vermelde juridische entiteiten is vervaardigd. Deze rechten zijn niet van toepassing op het ingevoerde betrokken product dat is vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

(268)

Verzoeken in verband met de toepassing van een individueel compenserend recht (bijvoorbeeld na een naamswijziging van de onderneming of na de oprichting van een nieuwe productie- of handelsmaatschappij) moeten onverwijld aan de Commissie (26) worden gericht en vergezeld gaan van alle relevante gegevens, met name over wijzigingen in de activiteiten van de onderneming die verband houden met de productie, de binnenlandse verkoop en de uitvoer die bijvoorbeeld tot die naamswijziging of de oprichting van een productie- of handelsmaatschappij hebben geleid. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

(269)

Deze verordening is in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (27),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op grafietelektroden van de soort die voor elektrische ovens wordt gebruikt, met een schijnbare dichtheid van minimaal 1,65 g/cm3 en een elektrische weerstand van maximaal 6,0 μ.Ω.m, die vallen onder GN-code ex 8545 11 00 (Taric-code 8545110010), en nippels voor deze elektroden, die vallen onder GN-code ex 8545 90 90 (Taric-code 8545909010), tezamen of afzonderlijk ingevoerd, van oorsprong uit India.

2.   Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:

Onderneming

Recht %

Aanvullende Taric-code

Graphite India Limited (GIL), 31 Chowringhee Road, Kolkatta — 700016, West Bengal

6,3

A530

HEG Limited, Bhilwara Towers, A-12, Sector-1, Noida — 201301, Uttar Pradesh

7,0

A531

Alle andere ondernemingen

7,2

A999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55.

(2)  Verordening (EG) nr. 1628/2004 van de Raad van 13 september 2004 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 295 van 18.9.2004, blz. 4).

(3)  Verordening (EG) nr. 1629/2004 van de Raad van 13 september 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 295 van 18.9.2004, blz. 10).

(4)  Verordening (EG) nr. 1354/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1628/2004 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India en van Verordening (EG) nr. 1629/2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 350 van 30.12.2008, blz. 24).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1185/2010 van de Raad van 13 december 2010 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 (PB L 332 van 16.12.2010, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1186/2010 van de Raad van 13 december 2010 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 332 van 16.12.2010, blz. 17).

(7)  PB C 82 van 10.3.2015, blz. 4.

(8)  Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93). Deze verordening is bij de basisverordening gecodificeerd.

(9)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India (PB C 415 van 15.12.2015, blz. 25).

(10)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India (PB C 415 van 15.12.2015, blz. 33).

(11)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).

(12)  De overgang van de DEPBS naar de DDS wordt toegelicht in onder meer de overwegingen 47 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 van de Raad van 21 mei 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat (pet) van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 (PB L 137 van 23.5.2013, blz. 1).

(13)  http://dgft.gov.in/exim/2000/highlight2015.pdf

(14)  PB C 394 van 17.12.1998, blz. 6.

(15)  Verordening (EG) nr. 1008/2004 van de Commissie van 19 mei 2004 tot instelling van voorlopige antisubsidierechten op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 183 van 20.5.2004, blz. 35).

(16)  http://www.google.be/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&cad=rja&uact=8&ved=0ahUKEwiqt6H2u9_QAhWEzRoKHYUwBVEQFggfMAA&url=http%3A%2F%2Fhegltd.com%2Fwebmaster%2FDownloadFile.aspx%3Fd%3D..%2Fuploads%2FFinance%2F70Results_Release.pdf&usg=AFQjCNGMpUymLm4BNOjIMmolLDgwSGgcDw

(17)  http://content.icicidirect.com/mailimages/IDirect_GraphiteIndia_Q1FY16.pdf

(18)  http://hegltd.com/ en http://www.graphiteindia.com/

(19)  http://hegltd.com/WEBMASTER/DownloadFile.aspx?D=../Uploads/Newsletter/News9.pdf

(20)  https://www.worldsteel.org/statistics/statistics-archive/yearbook-archive.html

(21)  http://www.dgtr.gov.in/sites/default/files/adfin_Graphite_Electrodes_diameters_ChinaPR.pdf

(22)  http://hegltd.com/pdf/HEGLtd_Q1_FY_16_Investors_Presentation.pdf

(23)  http://www.graphiteindia.com/View/investor_relation.aspx (zie GIL Q3 FY2015 Earnings Presentation.pdf, blz. 14).

(24)  http://www.eurasiancommission.org/_layouts/Lanit.EEC.Desicions/Download.aspx?IsDlg=0&ID=3805&print=1

(*1)  De gemiddelde prijs is exclusief bestaande antidumpingrechten/compenserende rechten.

Bron: Databank van artikel 14, lid 6.

(25)  Grafietelektroden met een kleine en grote diameter zijn beide in dezelfde Taric-codes opgenomen.

(26)  Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, Directoraat H, 1049 Brussel, BELGIË.

(27)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21).


10.3.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/46


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/422 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2017

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Na een antidumpingonderzoek stelde de Raad bij Verordening (EG) nr. 1629/2004 (2) een definitief antidumpingrecht in op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India („het betrokken land”), die vallen onder de GN-codes ex 8545 11 00 (Taric-code 8545110010) en ex 8545 90 90 (Taric-code 8545909010).

(2)

Na een antisubsidieonderzoek stelde de Raad bij Verordening (EG) nr. 1628/2004 (3) ook een definitief compenserend recht in op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India.

(3)

Na een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, dat ambtshalve was geopend, heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1354/2008 (4) de Verordeningen (EG) nr. 1628/2004 en (EG) nr. 1629/2004 gewijzigd.

(4)

Na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening verlengde de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1186/2010 (5) de antidumpingmaatregelen. Na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de compenserende maatregelen verlengde de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1185/2010 (6) de compenserende maatregelen.

(5)

De antidumpingmaatregelen bestonden uit een ad-valoremrecht van 9,4 % en 0 % voor met naam genoemde exporteurs, met een residueel recht van 8,5 %.

2.   Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen

(6)

Na de bekendmaking van een bericht van het naderende vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India (7) ontving de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (8).

(7)

Het verzoek werd ingediend door SGL Carbon GmbH, TOKAI Erftcarbon GmbH en GrafTech Switzerland SA („de indieners van het verzoek”), die meer dan 25 % van de totale productie van bepaalde grafietelektrodesystemen in de Unie vertegenwoordigen.

(8)

Het verzoek was gebaseerd op de overweging dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting van dumping en voortzetting of herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie.

3.   Opening

(9)

Na te hebben vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, kondigde de Commissie op 15 december 2015 door bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (9) („het bericht van opening”) de opening aan van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009.

4.   Parallel onderzoek

(10)

Door middel van een bericht dat op 15 december 2015 in het Publicatieblad van de Europese Unie werd bekendgemaakt (10), kondigde de Commissie tevens de opening aan van een nieuw onderzoek, op grond van artikel 18, van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad (11), in verband met het vervallen van de definitieve compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Unie van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India.

5.   Belanghebbenden

(11)

In het bericht van opening werden de belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast stelde de Commissie de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, producenten-exporteurs, importeurs en haar bekende betrokken gebruikers in de Unie alsmede de Indiase autoriteiten specifiek op de hoogte van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en nodigde zij hen uit om eraan deel te nemen.

(12)

Alle belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen over de opening van het nieuwe onderzoek en te verzoeken om door de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures te worden gehoord.

5.1.   Steekproef

(13)

In het bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening.

a)   Steekproef van producenten in de Unie

(14)

In haar bericht van opening deelde de Commissie mee dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. In overeenstemming met artikel 17, lid 1, van de basisverordening stelde de Commissie de steekproef samen op basis van het grootste representatieve verkoopvolume dat redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kon worden onderzocht, ook rekening houdend met de geografische locatie. Deze steekproef bestond uit vier producenten in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren goed voor meer dan 80 % van de totale productie in de Unie, op basis van informatie die tijdens de beoordeling van de representativiteit werd ontvangen. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit om opmerkingen over de voorlopige steekproef in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen binnen de indieningstermijn, en bijgevolg werd de steekproef bevestigd. De steekproef is representatief voor de bedrijfstak van de Unie.

b)   Steekproef van importeurs

(15)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werden alle niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken.

(16)

Geen enkele importeur heeft zich aangemeld om de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken.

5.2.   Vragenlijsten en controles ter plaatse

(17)

De Commissie verstuurde vragenlijsten naar alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, 2 Indiase producenten-exporteurs en 53 gebruikers die zich na de opening van het onderzoek meldden.

(18)

Antwoorden op de vragenlijst werden ontvangen van de 4 in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, 1 Indiase producent-exporteur en 8 gebruikers van het onderzochte product. De andere producent-exporteur die aan het oorspronkelijke onderzoek meewerkte, Graphite India Limited („GIL”), diende bij dit nieuwe onderzoek geen antwoord op de vragenlijst in.

(19)

De Commissie verzamelde en controleerde alle informatie die zij nodig achtte om vast te stellen of voortzetting of herhaling van dumping en de daaruit voortvloeiende schade waarschijnlijk was en om het belang van de Unie te bepalen. Op grond van artikel 16 van de basisverordening werden controles ter plaatse uitgevoerd bij de volgende ondernemingen:

a)

producenten in de Unie:

Graftech France S.N.C., Calais, Frankrijk,

Graftech Iberica S.L., Navarra, Spanje,

SGL Carbon SA, Wiesbaden, Duitsland,

Tokai Erftcarbon GmbH, Grevenbroich, Duitsland;

b)

producent-exporteur in India:

HEG Limited, Bhopal („HEG”).

6.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(20)

Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping had betrekking op de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 september 2015 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2012 tot het eind van het TNO („de beoordelingsperiode”).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(21)

De procedure heeft betrekking op grafietelektroden van de soort die voor elektrische ovens wordt gebruikt, met een schijnbare dichtheid van minimaal 1,65 g/cm3 en een elektrische weerstand van maximaal 6,0 μ.Ω.m, en nippels voor deze elektroden, tezamen of afzonderlijk ingevoerd en van oorsprong uit India („grafietelektroden” of „het onderzochte product”), die vallen onder de GN-codes ex 8545 11 00 (Taric-code 8545110010) en ex 8545 90 90 (Taric-code 8545909010).

2.   Soortgelijk product

(22)

Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:

het onderzochte product,

het in de Unie door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte product.

(23)

De Commissie concludeerde dat deze producten soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

1.   Voorafgaande opmerkingen

(24)

Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening werd nagegaan of het waarschijnlijk is dat de dumping zal worden voortgezet of zich opnieuw zal voordoen indien de bestaande maatregelen vervallen.

(25)

Zoals vermeld in overweging 18 verleende slechts één Indiase producent-exporteur zijn medewerking aan het huidige onderzoek. Deze onderneming was goed voor meer dan 95 % van de uitvoer van grafietelektroden uit India naar de Unie in het TNO. Daarom vond de Commissie dat zij over voldoende gegevens beschikte om de uitvoerprijs en de dumpingmarge in het TNO te beoordelen.

(26)

Deze producent-exporteur vertegenwoordigde evenwel slechts 50 % van de totale productiecapaciteit en slechts 40 % à 50 % van de totale productie van grafietelektroden in India in het TNO. Bovendien varieerde zijn uitvoer naar andere derde landen tussen slechts 43 % en 52 % van de totale uitvoer uit India naar andere derde landen in het TNO (het exacte aandeel van de enige medewerkende Indiase producent-exporteur in de totale Indiase productie en de totale uitvoer kan om redenen van vertrouwelijkheid niet worden bekendgemaakt). Om die reden en aangezien de andere Indiase producent van grafietelektroden geen medewerking verleende, vond de Commissie dat zij niet over voldoende gegevens beschikte om te onderzoeken of voortzetting of herhaling van dumping en schade waarschijnlijk is, zodat overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening beschikbare gegevens moesten worden gebruikt om te beoordelen hoe de invoer zich zou ontwikkelen indien de maatregelen zouden worden ingetrokken.

(27)

De Indiase autoriteiten werden er naar behoren van op de hoogte gesteld dat de Commissie wegens de geringe medewerking van de Indiase producenten-exporteurs artikel 18 van de basisverordening kan toepassen. Er werden hierover geen opmerkingen ontvangen.

(28)

Daarom werden de bevindingen in punt 3 op beschikbare gegevens gebaseerd. Hiertoe werden de door de medewerkende producent-exporteur verstrekte gegevens, het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, statistieken van Eurostat, de gegevens die de lidstaten overeenkomstig artikel 14, lid 6, van de basisverordening („de databank van artikel 14, lid 6”) verzamelen en openbaar toegankelijke gegevens gebruikt.

2.   Invoer met dumping in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek

2.1.   Normale waarde

(29)

Eerst onderzocht de Commissie of de totale binnenlandse verkoop van de enige medewerkende producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur in het TNO ten minste 5 % bedroeg van zijn totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van het onderzochte product. Op basis daarvan was de totale verkoop op de binnenlandse markt van het soortgelijke product door de enige medewerkende producent-exporteur representatief.

(30)

Vervolgens stelde de Commissie voor de producent-exporteur met een representatieve binnenlandse verkoop vast welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde soorten. De soorten grafietelektroden werden aan de hand van de volgende criteria bepaald: i) of zij met of zonder nippel verkocht worden; ii) de diameter en iii) de lengte.

(31)

De medewerkende producent-exporteur voerde aan dat bij de vaststelling van identieke of rechtstreeks vergelijkbare soorten grafietelektroden rekening moet worden gehouden met het feit dat deze worden vervaardigd van „needle coke” (de basisgrondstof) van uiteenlopende kwaliteit. Het onderzoek bevestigde inderdaad dat de onderneming in het productieproces twee verschillende soorten „needle coke” gebruikt, namelijk ingevoerde „needle coke”, die van betere kwaliteit is, en gewone „needle coke”, die op de Indiase markt wordt gekocht. Er werd eveneens bevestigd dat de soort cokes die wordt gebruikt, bepalend is voor de productiekosten en de prijs van het eindproduct.

(32)

Met het oog op een billijke vergelijking splitste de Commissie derhalve voor de dumpingberekening elke productsoort op in laagwaardige en hoogwaardige producten.

(33)

Daarna onderzocht de Commissie of de binnenlandse verkoop door de enige medewerkende producent-exporteur op zijn binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een productsoort die naar de Unie wordt uitgevoerd, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het TNO ten minste 5 % bedroeg van de totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van de identieke of vergelijkbare productsoort. De Commissie stelde vast dat die productsoorten representatief waren.

(34)

Vervolgens bepaalde de Commissie voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het TNO om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoopprijs kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening.

(35)

De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:

a)

de binnenlandse verkoop van de productsoort tegen nettoverkoopprijzen die ten minste gelijk zijn aan de berekende productiekosten, meer dan 80 % van het totale verkoopvolume van deze productsoort vertegenwoordigde, en

b)

de gewogen gemiddelde verkoopprijs van die productsoort ten minste gelijk is aan de productiekosten per eenheid.

(36)

In dit geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het TNO.

(37)

De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten in het TNO indien:

a)

de winstgevende verkoop van de productsoort 80 % of minder van de totale verkoop van die productsoort bedraagt, of

b)

de gewogen gemiddelde prijs van die productsoort lager ligt dan de productiekosten per eenheid.

(38)

Voor een productsoort van het soortgelijke product waarvan in het kader van normale handelstransacties geen of onvoldoende hoeveelheden werden verkocht, stelde de Commissie de normale waarde vast volgens de bepalingen van artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening.

(39)

Voor een dergelijke productsoort werd de normale waarde berekend door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de enige medewerkende producent-exporteur in het TNO te vermeerderen met:

a)

het gewogen gemiddelde van de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”) die door de enige medewerkende producent-exporteur in verband met de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties in het TNO werden gemaakt, en

b)

de gewogen gemiddelde winst die door de enige medewerkende producent-exporteur op de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties in het TNO werd gemaakt.

(40)

Voor productsoorten die in het geheel niet werden verkocht op de binnenlandse markt, werden de gewogen gemiddelde VAA-kosten en de gewogen gemiddelde winst op alle normale handelstransacties op de binnenlandse markt in de normale waarde opgenomen.

2.2.   Uitvoerprijs

(41)

De enige medewerkende producent-exporteur voerde rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie uit. Daarom was de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het betrokken product dat met het oog op uitvoer naar de Unie werd verkocht, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

(42)

Tijdens de controle ter plaatse werd in de door de medewerkende exporteur verstrekte uitvoerprijzen een aantal fouten vastgesteld. Die fouten werden rechtgezet en de producent-exporteur werd daarvan naar behoren in kennis gesteld.

2.3.   Vergelijking

(43)

De Commissie vergeleek de normale waarde en de uitvoerprijs, zoals hierboven vastgesteld, in het stadium af fabriek.

(44)

Waar dat voor het verkrijgen van een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, paste de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toe voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid ervan. Voor zover dit van toepassing en gerechtvaardigd was, werden correcties toegepast voor door de producent-exporteur betaalde vervoerskosten, ladings-, overladings-, lossings- en aanverwante kosten, verpakkingskosten, kredietkosten, bankkosten en compenserende rechten.

(45)

De enige medewerkende producent-exporteur verzocht uit hoofde van artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening om een correctie voor op grondstoffen betaalde invoerheffingen omdat volgens hem in de prijs van voor verbruik in India geproduceerde grafietelektroden invoerheffingen waren begrepen, terwijl die heffingen krachtens de regeling voor de terugbetaling van rechten (Duty Drawback Scheme, „DDS”) werden terugbetaald wanneer het product naar de Unie werd uitgevoerd. Uit het onderzoek bleek echter dat er geen rechtstreeks verband is tussen de bedragen die in het kader van de DDS bij de uitvoer van grafietelektroden werden ontvangen en de rechten die werkelijk op gebruikte ingevoerde grondstoffen werden betaald. Daarom wordt geoordeeld dat de producent-exporteur niet kan bewijzen dat een terugbetaalde belasting op uitvoer was inbegrepen in de binnenlandse prijzen. Dat werd ook bevestigd in de overwegingen 38 tot en met 42 van het parallelle antisubsidieonderzoek, waarin werd vastgesteld dat de DDS een subsidie in de vorm van een financiële bijdrage van de Indiase overheid is en niet kan worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs. De correctie kan derhalve niet worden toegestaan.

(46)

Daarnaast verzocht de medewerkende Indiase producent-exporteur uit hoofde van artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening om een correctie omdat volgens hem in de prijs van het soortgelijke product invoerheffingen waren begrepen wanneer dat product voor verbruik in India was bestemd, terwijl die heffingen krachtens de regeling voorafgaande vergunningen (Advanced Authorisation Scheme, „AAS”) niet werden geïnd wanneer het product naar de Unie werd uitgevoerd. Uit het onderzoek bleek echter dat er geen systeem bestaat om te verifiëren dat de krachtens de AAS rechtenvrij ingevoerde grondstoffen uitsluitend in uitgevoerde grafietelektroden werden gebruikt. Daarom is de Commissie van oordeel dat de producent-exporteur niet kan bewijzen dat de niet-betaalde belasting op uitvoer was inbegrepen in de binnenlandse prijzen. Dat werd ook bevestigd in de overwegingen 59 tot en met 62 van het parallelle antisubsidieonderzoek, waarin werd vastgesteld dat de AAS een subsidie in de vorm van een financiële bijdrage van de Indiase overheid is en niet kan worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs of voor vervangende inputs. Deze correctie kan derhalve niet worden toegestaan.

2.4.   Dumpingmarge

(47)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per soort vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het onderzochte product. Op basis van die methode werd voor de medewerkende producent-exporteur in het TNO een dumpingmarge van 29,8 % vastgesteld.

(48)

Tijdens de controle ter plaatse bij de enige medewerkende producent-exporteur in India voerde deze aan dat rekening moet worden gehouden met de volgens hem aanzienlijke schommeling van de prijs van de belangrijkste grondstof („needle coke”) in het TNO, en verzocht hij de Commissie om de dumpingmarge om die reden op kwartaalbasis te berekenen. Daaruit zou blijken dat er in het TNO geen sprake was van dumping. Aan het einde van de controle ter plaatse verstrekte die producent-exporteur in dat verband de productiekosten per kwartaal.

(49)

Aangezien dit verzoek niet in een eerder stadium van de procedure, noch in het antwoord op de vragenlijst was ingediend, kon de Commissie het niet naar behoren onderzoeken; zij kon derhalve niet vaststellen of de verstrekte gegevens volledig en correct zijn.

(50)

Op basis van de tijdens de controle ter plaatse verstrekte gegevens werd in elk geval vastgesteld dat van bepaalde, maar niet van alle productsoorten de productiekosten per eenheid in het TNO elk kwartaal daalden. In het laatste kwartaal stegen de productiekosten per eenheid van meerdere PCN's. De uitvoerprijs per eenheid daalde op vergelijkbare wijze, met uitzondering van het laatste kwartaal, waarin de uitvoerprijs, op die van twee productsoorten na, steeg. De onderneming voerde in elk kwartaal van het TNO aanzienlijke volumes uit; in de onderstaande tabel wordt de uitsplitsing per kwartaal weergegeven (het precieze volume kan om redenen van vertrouwelijkheid niet worden vrijgegeven). Verder werd niet elke productsoort in elk kwartaal verkocht: van de 23 door de medewerkende producent-exporteur op de markt van de Unie verkochte productsoorten werden er slechts 6 in elk kwartaal verkocht.

(51)

Uit de berekening van de dumpingmarge voor elk kwartaal volgens de in de overwegingen 29 tot en met 47 uiteengezette methode bleek dat in elk kwartaal van het TNO aanzienlijke dumping plaatsvond.

Tabel 1

TNO

Dumpingmarge %

Volume van de uitvoer (ton)

Oktober 2014-december 2014

23,1

[1 500 -1 700 ]

Januari 2015-maart 2015

32,3

[1 900 -2 100 ]

April 2015-juni 2015

15,4

[1 500 -1 700 ]

Juli 2015-september 2015

6,4

[1 100 -1 400 ]

(52)

De bewering van de medewerkende producent-exporteur dat uit een berekening van zijn dumpingmarge op kwartaalbasis zou blijken dat er geen dumping plaatsvond, is dus onjuist. De dumpingmarges waren in elk kwartaal aanzienlijk en ook de gemiddelde dumpingmarge in het TNO, berekend op basis van die driemaandelijkse marges, bleef op een aanzienlijk niveau (19,3 %).

(53)

Hoewel de dumpingmarge per productsoort schommelt naargelang het kwartaal (een stijging in het eerste kwartaal van 2015 ten opzichte van het laatste kwartaal van 2014 en vervolgens een daling tot het eind van het TNO), had de geleidelijke daling van de productiekosten in het TNO niet het vermeende effect. In werkelijkheid is de daling van de dumpingmarge ook ten dele toe te schrijven aan een stijging van de uitvoerprijs. Er wordt aan herinnerd dat het verzoek van de medewerkende producent-exporteur om de dumpingmarge op kwartaalbasis te berekenen enkel was gebaseerd op de schommelingen van de grondstofprijs. De Commissie concludeerde dan ook dat de verstrekte gegevens geen afbreuk doen aan de bevindingen inzake dumping in het TNO en dus evenmin aan de bevindingen inzake de voortzetting van dumping in de overwegingen 57 tot en met 87.

(54)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de enige medewerkende Indiase producent-exporteur aan dat de Commissie bij de berekening van de winstgevendheid — op basis waarvan de normale waarde wordt berekend — onderscheid moet maken tussen uit binnenlandse cokes vervaardigde producten enerzijds en uit ingevoerde „needle coke” vervaardigde producten anderzijds. De reden daarvoor is een verschil in het gebruik van deze producten. Dezelfde producent-exporteur voerde ook aan dat enkel de uit ingevoerde „needle coke” vervaardigde producten, die in zijn vlamboogoven met hoog vermogen worden gebruikt, op de markt van de Unie worden verkocht en dat de voor de berekening van de normale waarde gebruikte winstgevendheid derhalve enkel op basis van die productsoorten mag worden berekend. Tijdens een hoorzitting met de Commissie na de mededeling van feiten en overwegingen gaf HEG verder aan dat de Commissie volgens de bovenstaande beweringen bij de berekening van de normale waarde geen gewogen gemiddelde van de winstgevendheid van de totale binnenlandse verkoop mag gebruiken. HEG voerde aan dat de Commissie twee afzonderlijke winstgevendheidspercentages moet berekenen, rekening houdend met de oorsprong van de cokes, en het overeenkomstige percentage moet gebruiken voor de berekening van de normale waarde.

(55)

In zijn antwoord op de vragenlijst vermeldde HEG voor elke productsoort de oorsprong van de grondstof en de prestaties van de grafietelektroden. Wanneer echter alleen rekening wordt gehouden met die twee elementen, blijkt uit de vergelijking tussen de op de markt van de Unie verkochte productsoorten en de op de Indiase markt verkochte producten dat HEG in het TNO op beide markten dezelfde productsoorten verkocht. Het eerste onderdeel van de bewering is dan ook feitelijk onjuist.

(56)

Verder gebruikte de Commissie, zoals uiteengezet in de overwegingen 39 en 40, voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening het gewogen gemiddelde van de winst op de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties in het TNO. Indien de individuele winstmarge voor elke productsoort, zoals die door de onderneming tijdens de in overweging 54 bedoelde hoorzitting werd verstrekt, zou worden gebruikt, zou de in overweging 47 genoemde dumpingmarge niettemin slechts met 3,2 procentpunten dalen tot 26,7 %. Derhalve heeft die daling geen wezenlijke invloed op de bevindingen van de Commissie inzake dumping in het TNO en dus evenmin op de bevindingen inzake de voortzetting van dumping in de overwegingen 57 tot en met 87.

3.   Ontwikkeling van de invoer indien de maatregelen worden ingetrokken

(57)

In aansluiting op de vaststelling dat er in het TNO aanzienlijke dumping plaatsvond, ging de Commissie na of de dumping waarschijnlijk zou worden voortgezet indien de maatregelen zouden komen te vervallen. De volgende elementen werden onderzocht: de productiecapaciteit en reservecapaciteit in India, de uitvoer uit India naar andere derde landen en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie.

(58)

Zoals vermeld in overweging 25 verleende slechts één producent-exporteur in India, die slechts de helft van de totale Indiase productiecapaciteit vertegenwoordigde, zijn medewerking. Overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening werden de bevindingen in de onderstaande punten derhalve gebaseerd op beschikbare gegevens. In deze context gebruikte de Commissie de door de medewerkende producent-exporteur verstrekte gegevens, het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, de databank van de Verenigde Naties, de door de Indiase overheid in het in overweging 10 bedoelde parallelle antisubsidieonderzoek verstrekte gegevens en openbaar toegankelijke gegevens.

3.1.   Productiecapaciteit en reservecapaciteit

(59)

Op basis van openbare financiële informatie en gecontroleerde gegevens van de medewerkende producent-exporteur (12)  (13) verhoogden beide Indiase producenten hun productiecapaciteit met 27 % na het vorige in overweging 4 vermelde nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Aan het eind van het TNO bedroeg de totale productiecapaciteit in India 160 000 ton per jaar, gelijk verdeeld tussen de twee producenten (14). Bovendien bleek uit het onderzoek dat de Indiase producenten-exporteurs hun capaciteit waarschijnlijk verder zullen verhogen indien de vraag toeneemt (15).

(60)

Het productievolume van de twee Indiase producenten schommelde tussen 110 000 en 120 000 ton in het TNO. Op basis van het bovenstaande werd de totale Indiase reservecapaciteit geschat op 40 000 tot 50 000 ton, wat overeenkwam met 29 % tot 36 % van het verbruik in de Unie in het TNO.

(61)

Terwijl de capaciteit toenam, daalde het verbruik van grafietelektroden in India en wereldwijd. Grafietelektroden worden voornamelijk in de elektrostaalindustrie gebruikt, met name in staalfabrieken om staalschroot te smelten. De ontwikkeling van het verbruik van grafietelektroden is dan ook gecorreleerd met de ontwikkeling van de elektrostaalproductie en volgt vergelijkbare trends. Uit het onderzoek bleek dat de productie van elektrostaal in India en wereldwijd daalde tussen 2012 en het TNO (16), terwijl de productiecapaciteit van grafietelektroden in India steeg.

(62)

Eind november 2014 stelden de Indiase autoriteiten antidumpingmaatregelen in op de invoer van grafietelektroden uit de Volksrepubliek China („VRC”) (17). De verwachting is dat het marktaandeel van de Indiase producenten op de binnenlandse markt zal toenemen.

3.2.   Uitvoer naar derde landen

(63)

Op basis van openbare jaarrekeningen werd vastgesteld dat beide Indiase producenten-exporteurs op de uitvoer gericht zijn (18)  (19), aangezien zij in het TNO ongeveer 60 % van hun totale productie uitvoerden.

(64)

Ondanks de geldende maatregelen bleef de Unie een belangrijke uitvoerbestemming voor de medewerkende producent-exporteur HEG. De uitvoer van HEG was in het TNO goed voor 10 % tot 17 % van zijn totale omzet in termen van waarde en 10 % tot 20 % in termen van volume. De niet-medewerkende Indiase onderneming GIL voerde zeer kleine volumes uit naar de Unie in het TNO. Dit houdt echter verband met de antidumpingrechten en compenserende rechten die van toepassing zijn op GIL (15,7 % in totaal) in vergelijking met de antidumpingrechten en compenserende rechten die van toepassing zijn op HEG (7 % in totaal).

(65)

Bij gebrek aan een andere betrouwbaardere bron om de volumes van de uitvoer van India naar andere derde landen te bepalen, werd de databank van de Verenigde Naties gebruikt. Volgens deze databank steeg de uitvoer naar andere derde landen tussen 2012 en 2013 met 43 % en daalde hij in 2014 en 2015 met 38 % ten opzichte van 2013. Het totale uitvoervolume daalde tussen 2012 en het TNO met 10 %. In 2015 waren de belangrijkste bestemmingen voor de Indiase uitvoer de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië, Iran, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, Zuid-Korea en Egypte. Tussen 2012 en 2015 steeg de Indiase uitvoer naar sommige van deze bestemmingen (zoals Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en de Verenigde Staten), terwijl hij naar enkele andere bestemmingen daalde (Iran, Turkije, Zuid-Korea en Egypte), resulterend in een algemene daling van 9 %.

(66)

In 2012 was Rusland de op twee na belangrijkste uitvoermarkt voor de Indiase producenten in termen van volume, maar nadat Rusland in december 2012 een ad-valoremrecht van 16,04 % tot 32,83 % op grafietelektroden uit India instelde (20), daalde de uitvoer van India naar Rusland met 86 % van 4 415 ton tot 638 ton in 2015.

(67)

De gegevens over uitvoervolumes in de databank van de Verenigde Naties konden worden geverifieerd aan de hand van de door de Indiase overheid in het parallelle antisubsidieonderzoek verstrekte gegevens, namelijk uitvoerstatistieken van het directoraat-generaal Commercial Intelligence and Statistics, die vergelijkbare trends vertoonden als die welke in de databank van de Verenigde Naties werden waargenomen.

(68)

Daarnaast volgden de uitvoervolumes naar andere derde landen van de medewerkende producent-exporteur HEG ook vergelijkbare trends, namelijk een stijging van de uitvoervolumes naar andere derde landen van 2012 tot 2013 en een daling vanaf 2014 tot het TNO, met een algemeen dalende trend tijdens de beoordelingsperiode. Er moet worden opgemerkt dat ondanks deze daling van de uitvoervolumes het algemene niveau in het TNO aanzienlijk bleef, namelijk tussen 20 000 en 30 000 ton.

(69)

Wat de hoogte van de uitvoerprijzen op basis van de databank van de Verenigde Naties betreft, bleek uit het onderzoek dat de prijzen van de Indiase uitvoer naar bepaalde landen, zoals de Verenigde Staten en Zuid-Korea, die tussen 2012 en 2014 gemiddeld lager waren dan de prijzen in de EU, in 2015 stegen tot ongeveer hetzelfde niveau als de prijzen in de EU. Daarnaast stegen de prijzen van de Indiase uitvoer naar andere landen, zoals Saoedi-Arabië, die tussen 2012 en 2014 lager waren dan de prijzen in de EU, in 2015 tot een hoger niveau dan de prijzen in de EU. Bovendien bleven de prijzen van de Indiase uitvoer naar bepaalde andere landen, zoals Turkije, gedurende de gehele beoordelingsperiode lager dan de prijzen in de EU. Er zij evenwel op gewezen dat de prijzen in deze databank geen onderscheid maken tussen verschillende productsoorten, zodat de betrouwbaarheid van een dergelijke prijsvergelijking beperkt is.

(70)

Uit de analyse van de informatie over de prijzen van de uitvoer van de medewerkende producent-exporteur naar andere derde landen bleek dat de gemiddelde prijzen op de markt van de Unie in 2012 en 2014 hoger waren dan de gemiddelde prijzen van HEG op andere derde markten (gecorrigeerd op kalenderjaarbasis aangezien de gegevens op boekjaarbasis werden verstrekt), terwijl de gemiddelde prijzen op de markt van de Unie in het TNO lager waren dan de gemiddelde prijzen van HEG op andere derde markten.

(71)

Er waren geen andere gegevens beschikbaar om nauwkeurige prijsniveaus van de uitvoer van de Indiase producenten-exporteurs naar markten van andere derde landen vast te stellen.

3.3.   Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie

(72)

De aantrekkelijkheid van de markt van de Unie werd aangetoond door het feit dat er ondanks de van kracht zijnde antidumpingrechten en compenserende rechten geen eind kwam aan de invoer van Indiase grafietelektroden op de markt van de Unie. Tijdens de beoordelingsperiode bleef India het op een na grootste land van uitvoer naar de Unie, na de VRC. Ondanks een daling tussen 2012 en het TNO bleven de volumes en marktaandelen van de Indiase uitvoer naar de Unie aanzienlijk, zoals in overweging 100 toegelicht.

(73)

De mogelijke ontwikkeling van de uitvoer naar de Unie indien de maatregelen komen te vervallen, moet worden gezien tegen de achtergrond van de algemene daling van het verbruik van grafietelektroden in India en wereldwijd in combinatie met de reservecapaciteit in India. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid meer druk zetten op Indiase producenten-exporteurs om andere uitvoermarkten te verkennen, vooral gezien hun uitvoergerichte bedrijfsmodel. Daarom is het waarschijnlijk dat een groot deel van de beschikbare reservecapaciteit zal worden gebruikt voor uitvoer naar de markt van de Unie, mochten de maatregelen in de Unie worden ingetrokken en mocht de markt van de Unie toegankelijk zijn zonder antidumpingrechten of compenserende rechten. In het bijzonder omdat het onderzoek uitwees dat terwijl de Indiase uitvoer naar sommige markten (zoals Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en de Verenigde Staten) in 2015 steeg, de totale uitvoer uit India naar markten van andere derde landen in dalende lijn ging. Dit geeft aan dat er in bepaalde derde landen een beperkte capaciteit lijkt te zijn om extra uitvoerhoeveelheden te absorberen.

(74)

Bovendien heeft Rusland, zoals in overweging 66 vermeld, antidumpingrechten ingesteld op grafietelektroden uit India. De Indiase producenten-exporteurs hebben dus beperkte toegang tot deze markt en kunnen de volumes van hun uitvoer naar Rusland niet vergroten of omleiden, zoals blijkt uit de daling van de uitvoer naar deze bestemming vanaf 2012.

(75)

Op basis hiervan is het waarschijnlijk dat de Indiase producenten-exporteurs aanzienlijke hoeveelheden naar de Unie zullen blijven uitvoeren indien de maatregelen komen te vervallen en dat zij, rekening houdend met hun aanzienlijke reservecapaciteit, zelfs hun huidige uitvoervolumes zullen vergroten. Dit is waarschijnlijk voor de medewerkende producent-exporteur, die een stimulans zal hebben om zijn reeds aanzienlijke aanwezigheid op de markt van de Unie verder te vergroten, en nog waarschijnlijker voor de niet-medewerkende producent-exporteur, die hogere rechten betaalt dan de medewerkende producent-exporteur en zijn uitvoer naar de markt van de Unie bijna heeft stopgezet.

3.4.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping

(76)

Uit de voorgaande analyse blijkt dat i) Indiase invoer de markt van de Unie met aanzienlijke dumping en in aanzienlijke hoeveelheden bleef binnenkomen, ii) beide Indiase producenten uitvoergericht zijn en reservecapaciteit hebben die zij zouden kunnen gebruiken om de volumes van hun uitvoer tegen dumpingprijzen naar de Unie te vergroten, iii) het wereldwijde verbruik in dalende lijn gaat, wat de mogelijkheden beperkt om naar bepaalde andere markten van derde landen uit te voeren en iv) het bestaan van antidumpingmaatregelen in Rusland tegen Indiase grafietelektroden de uitvoermogelijkheden van Indiase producenten-exporteurs verder beperkt.

(77)

Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat voortzetting van dumping waarschijnlijk is als de bestaande maatregelen worden ingetrokken.

(78)

Na de mededeling van feiten en overwegingen stelde de enige medewerkende Indiase producent-exporteur, HEG, dat de Commissie bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping geen rekening heeft gehouden met de feiten die betrekking hebben op de periode na het TNO. In dit verband voerde de medewerkende Indiase producent-exporteur aan dat de Commissie bij de toepassing van artikel 18 van de basisverordening geen rekening heeft gehouden met het feit dat GIL, de andere Indiase producent van grafietelektroden, heeft geïnvesteerd in een productievestiging in de Unie, namelijk Graphite Cova GmbH („GIL Cova”). HEG voerde verder aan dat GIL een strategisch langlopend contract heeft voor de verkoop van gebakken groene elektroden (wat een halffabricaat is) aan de grafitiseringsvestiging van GIL Cova. HEG beweerde ook dat vanwege de strategische investering van GIL de conclusie van de Commissie dat de uitvoer vanuit India naar de Unie zal toenemen onjuist is en dat de vaststelling dat beide Indiase producenten beschikken over reservecapaciteit voor de uitvoer louter op veronderstellingen is gebaseerd. HEG voerde ook aan dat het vervallen van de maatregelen niet tot gevolg zal hebben dat het volume van de invoer in de Unie toeneemt, aangezien de uitvoer vanuit India naar de Unie (inclusief de uitvoer van HEG naar de Unie) na het TNO in dalende lijn gaat.

(79)

Daarnaast stelde HEG dat zijn plannen om de productiecapaciteit te verhogen slechts de visie van zijn voorzitter waren naar aanleiding van het gunstige economische klimaat van 2010. Bijgevolg bespreekt de raad van bestuur in het jaarverslag van HEG voor het jaar eindigend op 31 maart 2016 geen nieuwe voorstellen voor de uitbreiding van de capaciteit meer.

(80)

Wat betreft de vergelijking van prijzen door de Commissie in de overwegingen 69 en 70 met betrekking tot de uitvoer naar markten van andere derde landen, diende HEG een analyse in van de gemiddelde cif/cfr-prijzen van zijn uitvoer naar vier andere derde landen in vergelijking met de gemiddelde cif-prijzen van zijn uitvoer naar de Unie, en concludeerde HEG dat de gemiddelde prijzen van zijn uitvoer naar de vier andere derde landen over het algemeen hoger waren dan de prijzen van zijn uitvoer naar de Unie. Daarom beweerde HEG dat de markt van de Unie, met lagere prijsniveaus, in vergelijking minder aantrekkelijk zou zijn.

(81)

Wat betreft de bewering van HEG met betrekking tot de investering van GIL in GIL Cova tijdens de beoordelingsperiode, voerde GIL een zeer klein volume uit naar de markt van de Unie. Er wordt echter aangenomen dat dit niet alleen toe te schrijven is aan de investering van GIL in GIL Cova, maar vooral aan de hoge antidumpingrechten en compenserende rechten die van toepassing zijn op de uitvoer van GIL India naar de Unie (15,7 % in totaal). Mochten de antidumpingmaatregelen en/of compenserende maatregelen worden ingetrokken, is het dan ook waarschijnlijk dat GIL zijn uitvoer naar de Unie zal hervatten, ondanks zijn investering in GIL Cova, ook rekening houdend met zijn beschikbare reservecapaciteit en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie zoals beschreven in de overwegingen 72 tot en met 75.

(82)

Wat betreft de bewering van HEG met betrekking tot de ontwikkeling van de uitvoer na het TNO, wordt benadrukt dat deze uitvoer plaatsvond terwijl de antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen van kracht waren. Bijgevolg is het waarschijnlijk dat, hoewel het volume van de uitvoer van HEG na het TNO een dalende trend vertoonde, de uitvoer van HEG naar de Unie zal toenemen indien de antidumpingmaatregelen en/of compenserende maatregelen worden ingetrokken, gelet op het feit dat HEG ondanks de bestaande maatregelen met aanzienlijke dumping naar de markt van de Unie bleef uitvoeren en gelet op zijn uitvoergerichte bedrijfsmodel en zijn reservecapaciteit, die in de toekomst mogelijk zal toenemen indien de vraag naar zijn producten stijgt, zoals beschreven in de overwegingen 59 tot en met 75.

(83)

Wat betreft het voornemen van HEG om zijn capaciteit te verhogen, wordt bovendien benadrukt dat HEG tijdens de in 2016 uitgevoerde controle ter plaatse een korte video met een overzicht van de HEG-groep liet zien aan het team dat de zaak behandelde. In deze video werden onder meer de toekomstplannen van het bedrijf om zijn productiecapaciteit op te voeren uiteengezet. Bovendien verklaarden vertegenwoordigers van het bedrijf tijdens de controle ter plaatse dat deze plannen opgeschort waren omdat het bedrijf zijn capaciteit niet volledig benutte en de wereldwijde vraag afnam. Indien de antidumpingmaatregelen en/of compenserende maatregelen worden ingetrokken, is het dan ook waarschijnlijk dat de vraag naar Indiase grafietelektroden op de markt van de Unie zal toenemen en dat HEG bijgevolg een stimulans zal hebben om zijn capaciteit op te voeren teneinde aan de vraag te voldoen.

(84)

Wat betreft de bewering van HEG dat de prijzen op de markt van de Unie verschilden van die op markten van andere derde landen, wordt benadrukt dat de Commissie haar vergelijking in de overwegingen 69 en 70 heeft uitgevoerd tussen de gemiddelde prijzen van de Indiase producenten-exporteurs op andere derde markten en de gemiddelde prijzen van de producenten in de Unie op de markt van de Unie en niet de gemiddelde prijzen van de Indiase producenten op de markt van de Unie. Er wordt aan herinnerd dat de gemiddelde prijs van HEG op de markt van de Unie een prijs met aanzienlijke dumping is die de gemiddelde prijs van de producenten in de Unie onderbiedt en dus niet geschikt is voor de vergelijking in kwestie.

(85)

In het licht van het bovenstaande worden de argumenten van HEG afgewezen.

(86)

Een andere belanghebbende voerde aan dat de Indiase producenten als gevolg van het lagere energieverbruik (de belangrijkste kostenpost) en de lagere loonkosten duidelijke comparatieve voordelen hebben op het gebied van kostenefficiëntie. Evenwel moet worden opgemerkt dat uit het onderzoek bleek dat de belangrijkste kostenpost in het productieproces van grafietelektroden in India in werkelijkheid de cokes zijn en niet de energie of de lonen. Hoe dan ook zou een comparatief voordeel voor de Indiase producenten, indien dat zou bestaan, een soortgelijk effect hebben op de uitvoerprijs en de normale waarde, en dus niet van invloed zijn op de dumpingmarge. Deze bewering is dus feitelijk onjuist en het argument wordt derhalve afgewezen.

(87)

De conclusie van de Commissie dat de dumping waarschijnlijk zal worden voortgezet indien de maatregelen worden ingetrokken, wordt derhalve bevestigd.

D.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN SCHADE

1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(88)

In het TNO werd het soortgelijke product door acht producenten geproduceerd (twee individuele ondernemingen en twee groepen). Zij vormen de „bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

2.   Voorafgaande opmerkingen

(89)

Zoals in overweging 61 vermeld, is de situatie van de bedrijfstak van de grafietelektroden nauw verbonden met die van de elektrostaalindustrie, waar grafietelektroden in de elektrostaalovens worden gebruikt om staalschroot te smelten. In deze context heersten tijdens de beoordelingsperiode negatieve marktomstandigheden binnen de elektrostaalindustrie, met een daling van het verbruik die ook tot uiting komt in het verbruik van grafietelektroden.

(90)

Aangezien er in India slechts twee producenten-exporteurs van het betrokken product zijn, worden de gegevens met betrekking tot de invoer van grafietelektroden uit India en andere derde landen in de Unie niet in precieze cijfers gepresenteerd om de vertrouwelijkheid te bewaren overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening.

3.   Verbruik in de Unie

(91)

De Commissie stelde het verbruik in de Unie vast door optelling van:

i)

de verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, verkregen na controle van de antwoorden op de vragenlijst;

ii)

de verkoop van niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten in de Unie, verkregen uit het verzoek om een nieuw onderzoek;

iii)

de verkoop van een niet in de steekproef opgenomen niet-medewerkende producent in de Unie, verkregen uit zijn jaarverslagen;

iv)

de invoer uit India, op basis van de databank van artikel 14, lid 6, en

v)

de invoer uit alle andere derde landen, op basis van Eurostat (Taric-niveau).

(92)

Het aldus vastgestelde verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt:

Tabel 2

Verbruik in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Verbruik in de Unie (ton)

151 508

140 244

146 637

139 974

Index (2012 = 100)

100

93

97

92

Bron: Antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie, verzoek om een nieuw onderzoek, Eurostat (Taric-niveau), databank van artikel 14, lid 6.

(93)

Tijdens de beoordelingsperiode liep het verbruik in de Unie met 8 % terug. Meer in het bijzonder daalde het verbruik in de Unie met 7 % in 2013, herstelde het zich met 4 % tussen 2013 en 2014, en viel het daarna weer met 5 % terug van 2014 tot het TNO.

(94)

Zoals in de overwegingen 61 en 89 vermeld, was de algemene daling van de vraag het gevolg van de negatieve marktomstandigheden die binnen de elektrostaalindustrie heersten, omdat de verkoopvolumes van grafietelektroden de ontwikkeling van het staalproductievolume in elektrische ovens volgen.

(95)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat bij de analyse van het marktaandeel en het verbruik rekening moet worden gehouden met de invoer door de producenten in de Unie vanuit hun verbonden ondernemingen in de Verenigde Staten, Mexico, Japan en Maleisië, die de afgelopen drie jaar aanzienlijk zou zijn toegenomen.

(96)

Bij de berekening van het verbruik in de Unie werd terdege rekening gehouden met de invoer vanuit alle andere derde landen, zoals in overweging 91 toegelicht, en bijgevolg is die invoer correct weerspiegeld in het totale verbruik. Het argument werd daarom afgewezen.

4.   Invoer uit het betrokken land

4.1.   Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

Tabel 3

Invoervolume en marktaandeel

Land

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

India

Volume van de invoer (ton)

9 000 -10 000

5 000 -6 000

7 000 -8 000

6 500 -7 500

Geïndexeerd invoervolume (2012 = 100)

100

57

80

74

Marktaandeel %

6-7

3-4

5-6

4-5

Geïndexeerd marktaandeel

100

62

83

80

Bron: Databank van artikel 14, lid 6.

(97)

De invoervolumes namen tijdens de beoordelingsperiode af. Zij daalden sterk in 2013 (– 43 %), stegen in 2014 en vielen in het TNO weer terug. In totaal bedroeg de daling tijdens de beoordelingsperiode 26 %.

(98)

De Commissie stelde het marktaandeel van de invoer vast op basis van het verbruik in de Unie zoals in overweging 91 uiteengezet.

(99)

Het marktaandeel vertoonde vergelijkbare trends als de invoervolumes, dat wil zeggen een daling tussen 2012 en 2013, een stijging tussen 2013 en 2014 en vervolgens weer een daling tussen 2014 en het TNO. In het TNO daalde het totale marktaandeel met 1,2 procentpunten ten opzichte van 2012.

(100)

Het marktaandeel van de invoer uit India aan het begin van de beoordelingsperiode schommelde tussen 6 % en 7 %. Aan het eind van het TNO was het gedaald tot 4 % à 5 %.

4.2.   Invoerprijs uit het betrokken land

(101)

De Commissie stelde de prijsontwikkeling van de invoer uit India vast op basis van gegevens in de databank van artikel 14, lid 6. Deze gegevens kwamen grotendeels overeen met de door de medewerkende producent-exporteur gemelde prijzen.

(102)

De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land ontwikkelde zich als volgt:

Tabel 4

Invoerprijs  (21)

Land

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

India

Invoerprijzen (EUR/ton)

2 500 -3 500

3 000 -4 000

2 500 -3 500

2 200 -3 200

Index (2012 = 100)

100

105

89

86

(103)

De gemiddelde invoerprijzen zijn in de beoordelingsperiode in totaal met 14 % afgenomen. De invoerprijzen stegen tussen 2012 en 2013 met 5 %, liepen in 2014 met 16 % terug en daalden in het TNO met nog eens 3 %.

4.3.   Prijsonderbieding

(104)

De Commissie stelde de prijsonderbieding in het TNO vast door: i) de gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort die door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie werd aangerekend, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek te vergelijken met: ii) de overeenkomstige gewogen gemiddelde invoerprijs per productsoort die door de medewerkende Indiase producent aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie werd aangerekend, bepaald op cif-basis, met de nodige correcties voor antidumpingrechten, compenserende rechten en kosten na invoer.

(105)

De prijzen werden na aftrek van rabatten en kortingen per productsoort vergeleken voor transacties op hetzelfde handelsniveau en werden indien nodig gecorrigeerd. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de omzet van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in het TNO.

(106)

Uit de vergelijking bleek voor een medewerkende producent-exporteur een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van 3 % op de markt van de Unie in het TNO. Als echter de antidumpingrechten en compenserende rechten in de berekeningen worden afgetrokken, bedroeg de prijsonderbiedingsmarge 9 %. Wat de niet-medewerkende producent-exporteur betreft, werden in het TNO slechts zeer kleine hoeveelheden ingevoerd. Niettemin voerde de Commissie een schatting van de prijsonderbieding uit. De Commissie stelde een prijsonderbiedingsmarge van 12 % vast, na aftrek van de bestaande antidumpingrechten en compenserende rechten in de berekeningen. Deze schatting is echter gebaseerd op een zeer klein invoervolume, waarbij wegens het gebrek aan medewerking geen rekening is gehouden met productsoorten. Bijgevolg is de betrouwbaarheid beperkt.

4.4.   Invoer uit andere derde landen

Tabel 5

Invoervolume en marktaandeel

Land

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Totaal andere derde landen

Invoer (ton)

33 000 -35 000

30 000 -32 000

34 000 -36 000

30 000 -32 000

Index

100

90

103

90

Marktaandeel %

22-23

22-23

24-25

22-23

Prijs (EUR/ton)

2 500 -3 500

2 400 -3 400

2 400 -3 400

2 300 -3 300

Index

100

98

89

92

VRC

Invoer (ton)

14 000 -15 000

11 000 -12 000

16 000 -17 000

14 000 -15 000

Index

100

80

117

103

Marktaandeel %

9-10

8-9

11-12

10-11

Prijs (EUR/ton)

2 000 -3 000

1 500 -2 500

1 400 -2 400

1 600 -2 600

Index

100

94

90

99

Verenigde Staten

Invoer (ton)

3 000 -4 000

4 000 -5 000

4 200 -5 200

4 200 -5 200

Index

100

118

129

128

Marktaandeel %

2-3

3-4

3-4

3-4

Prijs (EUR/ton)

3 300 -4 300

3 200 -4 200

3 000 -4 000

2 800 -3 800

Index

100

96

84

81

Mexico

Invoer (ton)

3 000 -4 000

4 000 -5 000

5 500 -6 500

4 000 -5 000

Index

100

127

165

119

Marktaandeel %

2-3

3-4

4-5

3-4

Prijs (EUR/ton)

3 800 -4 800

3 900 -4 900

3 900 -4 900

4 000 -5 000

Index

100

103

103

115

Rusland

Invoer (ton)

3 000 -4 000

2 500 -3 500

3 500 -4 500

3 700 -4 700

Index

100

70

101

103

Marktaandeel %

2-3

1-2

2-3

2-3

Prijs (EUR/ton)

3 000 -4 000

2 800 -3 800

2 500 -3 500

2 100 -3 100

Index

100

91

79

75

Japan

Invoer (ton)

4 500 -5 500

3 000 -4 000

3 000 -4 000

2 000 -3 000

Index

100

74

62

50

Marktaandeel %

3-4

2-3

2-3

1-2

Prijs (EUR/ton)

3 400 -4 400

3 300 -4 300

2 800 -3 800

2 900 -3 900

Index

100

99

82

83

Andere derde landen

Invoer (ton)

4 000 -5 000

4 000 -5 000

1 000 -2 000

700-1 700

Index

100

104

25

19

Marktaandeel %

2-3

3-4

0,5-1,5

0,5-1,5

Prijs (EUR/ton)

2 600 -3 600

2 000 -3 000

1 900 -2 900

1 600 -2 600

Index

100

83

78

72

Bron: Eurostat (Taric-niveau).

(107)

In lijn met de daling van het verbruik liep het volume van de invoer uit alle andere derde landen tussen 2012 en het TNO met 10 % terug. Tijdens de beoordelingsperiode lag het marktaandeel van de invoer uit alle andere derde landen tussen 22 % en 23 %. Er werd voornamelijk ingevoerd uit de VRC, de VS, Mexico, Rusland en Japan; dit waren de enige landen met een individueel marktaandeel van meer dan 1 % in het TNO.

(108)

De prijzen van de invoer uit de VS, Japan en Mexico lagen hoger dan de prijzen van de Indiase exporteurs en de prijzen van de producenten in de Unie. Het marktaandeel van de invoer uit de VS en Mexico steeg met minder dan 1 procentpunt tijdens de beoordelingsperiode. Het marktaandeel van de invoer uit Japan daalde met 1,5 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode.

(109)

De prijzen van de invoer uit de VRC en Rusland waren lager dan de prijzen van de Indiase exporteurs en de prijzen van de producenten in de Unie (behalve in 2012 voor Rusland). Volgens de door de bedrijfstak van de Unie in het verzoek om een nieuw onderzoek verstrekte informatie bestaat een deel van de invoer uit China uit grafietelektroden met een kleine diameter (minder dan 400 millimeter), terwijl de invoer uit India en de productie van de bedrijfstak van de Unie grotendeels bestaan uit grafietelektroden met een grote diameter (22) (meer dan 400 millimeter), die duurder zijn.

(110)

Het marktaandeel van de Chinese invoer steeg met 1 procentpunt tijdens de beoordelingsperiode en lag in het TNO tussen 10 % en 11 %, terwijl het marktaandeel van de invoer uit Rusland in het TNO slechts 2 % tot 3 % bedroeg en in de beoordelingsperiode met 0,3 procentpunten steeg. Deze stijging ging echter niet ten koste van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, dat, zoals in overweging 123 toegelicht, tijdens de beoordelingsperiode met 1,9 procentpunten groeide.

5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

5.1.   Algemene opmerkingen

(112)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(113)

Zoals in overweging 14 vermeld, werd voor de vaststelling van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade een steekproef gebruikt.

(114)

Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie beoordeelde de macro-economische indicatoren op basis van gegevens in het verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst. De gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie beoordeelde de micro-economische indicatoren op basis van gegevens in de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst. De gegevens hadden betrekking op de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(115)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping.

(116)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

(117)

Beide gegevensreeksen zijn representatief gebleken voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

5.2.   Macro-economische indicatoren

a)   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(118)

De totale productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad in de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 6

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad van producenten in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Productievolume (ton)

235 915

235 502

241 623

221 971

Index (2012 = 100)

100

100

102

94

Productiecapaciteit (ton)

297 620

297 245

299 120

290 245

Index (2012 = 100)

100

100

101

98

Bezettingsgraad %

79

79

81

76

Bron: Verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(119)

Tijdens de beoordelingsperiode daalde het productievolume met 6 %. Meer in het bijzonder steeg het eerst met 2 % tot 2014 en daalde het vervolgens in het TNO met 8 % ten opzichte van 2014.

(120)

De productiecapaciteit daalde tijdens de beoordelingsperiode met 2 %.

(121)

De afname van het productievolume had tot gevolg dat de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode met 3 procentpunten daalde.

b)   Verkoopvolume en marktaandeel

(122)

Het verkoopvolume en marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 7

Verkoopvolume en marktaandeel van producenten in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Verkoopvolume in de Unie (ton)

107 655

103 779

103 704

102 123

Index (2012 = 100)

100

96

96

95

Marktaandeel %

71,1

74,0

70,7

73,0

Bron: Verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(123)

De totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie viel tijdens de beoordelingsperiode met ongeveer 5 % terug. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie schommelde tijdens de beoordelingsperiode. Het steeg in 2013 met 2,9 procentpunten, daalde in 2014 met 3,3 procentpunten en steeg in het TNO weer met 2,3 procentpunten. Over het geheel genomen steeg het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 1,9 procentpunten.

(124)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat bij het bepalen van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie rekening moet worden gehouden met de invoer door de producenten in de Unie vanuit hun verbonden ondernemingen in de Verenigde Staten, Mexico, Japan en Maleisië. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie wordt echter berekend op basis van de verkoop van zijn eigen productie op de markt van de Unie. Er wordt geen rekening gehouden met de invoer door de bedrijfstak van de Unie omdat dit een verstorend effect op het totaalbeeld zou hebben, aangezien de invoer dubbel zou worden geteld: één keer als invoer en één keer als verkoop door de bedrijfstak van de Unie. Dit argument werd derhalve afgewezen.

c)   Groei

(125)

Tussen 2012 en het eind van het TNO nam het verbruik in de Unie met 8 % af. Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie nam met 5 % af, wat zich niettemin vertaalde in een stijging van het marktaandeel met 1,9 procentpunten.

d)   Werkgelegenheid en productiviteit

(126)

De werkgelegenheid en productiviteit ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 8

Werkgelegenheid en productiviteit van producenten in de Unie

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Aantal werknemers

1 526

1 539

1 475

1 523

Index (2012 = 100)

100

101

97

100

Productiviteit (ton/werknemer)

155

153

164

146

Index (2012 = 100)

100

99

106

94

Bron: Verzoek om een nieuw onderzoek, jaarverslagen van de niet-medewerkende producent in de Unie en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(127)

De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie bleef tijdens de beoordelingsperiode op ongeveer hetzelfde niveau. Als gevolg van de daling van de productie (-6 % tijdens de beoordelingsperiode) nam ook de productiviteit met 6 % af in dezelfde periode.

e)   Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(128)

Uit het onderzoek bleek dat grafietelektroden uit India nog steeds tegen dumpingprijzen op de markt van de Unie werden ingevoerd. De voor India vastgestelde dumpingmarge in het TNO lag aanzienlijk boven de de-minimisdrempel, zoals in overweging 47 beschreven. Dit viel samen met een daling van de invoerprijzen ten opzichte van 2012. Niettemin kon de bedrijfstak van de Unie profiteren van de geldende antidumpingmaatregelen; hij kon zijn marktaandeel handhaven en licht verhogen.

5.3.   Micro-economische indicatoren

a)   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(129)

De gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelde zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 9

Gemiddelde verkoopprijzen in de Unie en kosten per eenheid

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie (EUR/ton)

3 784

3 468

2 997

2 825

Index (2012 = 100)

100

92

79

75

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

3 357

3 116

2 776

2 745

Index (2012 = 100)

100

93

83

82

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(130)

De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie liep in het TNO gestaag terug tot 2 825 EUR/ton (– 25 %). De bedrijfstak van de Unie moest zijn prijzen naar beneden bijstellen om de algemene daling van de verkoopprijzen op de markt van de grafietelektroden te weerspiegelen, die het gevolg was van de krimpende vraag in de elektrostaalindustrie.

(131)

De gemiddelde productiekosten van de bedrijfstak van de Unie daalden minder hard tijdens de beoordelingsperiode (– 18 %). De belangrijkste factor die de daling van de productiekosten per eenheid beïnvloedde, was de daling van de grondstofprijzen.

(132)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de wereldwijde grondstofprijs sterker daalde dan de door de bedrijfstak van de Unie betaalde grondstofkosten tijdens de beoordelingsperiode. Bijgevolg zou de bedrijfstak van de Unie inefficiënt zijn wat betreft de aankoop van grondstoffen en zou zijn levensvatbaarheid dan ook twijfelachtig zijn.

(133)

Uit het onderzoek bleek dat de bedrijfstak van de Unie de grondstof wereldwijd bij zijn verbonden en niet-verbonden partijen aankocht tegen vergelijkbare prijzen en dat er geen aanwijzingen van inefficiënties waren wat de aankoop van grondstoffen betreft. Aangezien het argument niet verder werd onderbouwd, werd het afgewezen.

b)   Loonkosten

(134)

De gemiddelde loonkosten ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 10

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR/werknemer)

66 111

66 842

67 113

67 253

Index (2012 = 100)

100

101

102

102

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(135)

De gemiddelde loonkosten per werknemer stegen tijdens de beoordelingsperiode met slechts 2 %.

c)   Voorraden

(136)

De voorraden ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 11

Voorraden

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Eindvoorraden

8 952

8 821

13 770

18 465

Index (2012 = 100)

100

99

154

206

Eindvoorraden als een percentage van de productie %

6

5

7

11

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(137)

Het niveau van de eindvoorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie is tijdens de beoordelingsperiode meer dan verdubbeld in absolute termen. In het TNO vertegenwoordigde het niveau van de voorraden ongeveer 11 % van de productie.

d)   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(138)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 12

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2012

2013

2014

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van de omzet)

11,3

10,2

7,4

2,8

Kasstroom (EUR)

47 981 432

46 443 978

30 426 147

31 283 121

Index (2012 = 100)

100

97

63

65

Investeringen (EUR)

25 293 559

23 133 505

21 672 869

12 313 975

Index (2012 = 100)

100

91

86

49

Rendement van investeringen %

16,5

13,9

10,1

3,9

Bron: Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de vragenlijst.

(139)

De Commissie stelde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie vast door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als een percentage van die verkoop. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie daalde tussen 2012 en het eind van het TNO geleidelijk van 11,3 % tot 2,8 %, d.w.z. een daling van 8,5 procentpunten.

(140)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de daling van de winstgevendheid van de producenten in de Unie werd veroorzaakt door hun hoge administratieve kosten en vaste verkoopkosten.

(141)

Uit het onderzoek bleek dat de productiekosten per eenheid tijdens de beoordelingsperiode daalden, zoals in overweging 131 vermeld. Deze daling van de productiekosten per eenheid hield verband met de administratieve en verkoopkosten, ook al was de grondstof goed voor het grootste deel van de kosten. Het argument werd daarom afgewezen.

(142)

De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De nettokasstroom daalde tijdens de beoordelingsperiode met 35 %. Deze forse daling is voornamelijk het gevolg van de aanzienlijke daling van de winstgevendheid, zoals in overweging 139 beschreven.

(143)

Tijdens de beoordelingsperiode namen de jaarlijkse investeringen in het betrokken product door de bedrijfstak van de Unie met meer dan de helft af, van 25 miljoen EUR in 2012 tot 12 miljoen EUR in het TNO.

(144)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de daling van de investeringen puur te wijten is aan de afname van de vraag en aan de overcapaciteit van de productie van grafietelektroden wereldwijd.

(145)

Het onderzoek bevestigde inderdaad dat het verbruik van grafietelektroden tijdens de beoordelingsperiode afnam, zoals in overweging 93 uiteengezet. Er moet echter worden opgemerkt dat de investeringen in het betrokken product door de bedrijfstak van de Unie in het TNO van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen drie keer hoger lagen dan het investeringsniveau in het TNO van het huidige nieuwe onderzoek als ook rekening gehouden wordt met de daling van het verbruik.

(146)

Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van investeringen. Het rendement van investeringen bij de productie en verkoop van het soortgelijke product daalde geleidelijk van 16,5 % in 2012 tot 3,9 % in het TNO.

5.4.   Conclusie betreffende de situatie van de bedrijfstak van de Unie

(147)

Het onderzoek toonde aan dat, ondanks de geldende maatregelen, de meeste schade-indicatoren zich negatief ontwikkelden en dat de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie verslechterde tijdens de beoordelingsperiode. Niettemin slaagde de bedrijfstak van de Unie erin zijn marktaandeel te handhaven en licht te vergroten, wat alleen mogelijk was ten koste van de gerealiseerde winstmarges.

(148)

Hoewel deze negatieve ontwikkelingen kunnen worden verklaard door de daling van het verbruik, dat tijdens de beoordelingsperiode met 8 % afnam, bleef de invoer uit India constant aanwezig op de markt van de Unie. Deze invoer werd verkocht tegen lagere prijzen dan die van de bedrijfstak van de Unie en onderboden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 3 % in het TNO. Daarnaast werd de prijsbederfmarge vastgesteld op 9 %. Bijgevolg oefende de Indiase invoer met dumping en subsidiëring nog steeds druk uit op de prijzen. De prijsdruk in het huidige TNO nam toe ten opzichte van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, toen de prijsonderbiedingsmarge minder dan 2 % bedroeg.

(149)

Door het afgenomen verbruik en door de prijsdruk die uitging van de invoer met dumping en subsidiëring zag de bedrijfstak van de Unie zich genoodzaakt zijn verkoopprijzen te verlagen. Als gevolg daarvan lag de winst, hoewel nog steeds positief (2,8 %) in het TNO, onder de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde winstdoelstelling van 8 %.

(150)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de medewerkende producent-exporteur uit India aan dat de producenten in de Unie aanzienlijk hebben geprofiteerd van de daling van de invoer uit India aangezien het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met 2 % is gestegen. Er werd beweerd dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zelfs nog groter was als ook rekening werd gehouden met de invoer van de bedrijfstak van de Unie uit andere derde landen. Tegelijkertijd wordt de bedrijfstak van de Unie geconfronteerd met zware prijsconcurrentie uit andere bronnen (met name laaggeprijsde invoer uit de VRC en Rusland). Daarom werd beweerd dat er geen schade kan worden toegeschreven aan de invoer uit India als gevolg van het vermeende kleinere marktaandeel van de producenten in de Unie.

(151)

Uit het onderzoek bleek inderdaad een daling van de volumes en marktaandelen van de invoer uit India, maar zoals in overweging 148 toegelicht, oefende de Indiase invoer met dumping en subsidiëring nog steeds druk uit op de prijzen. Deze prijsdruk nam in het huidige TNO zelfs nog toe in vergelijking met het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Het argument werd daarom afgewezen.

(152)

Dezelfde belanghebbende stelde voorts dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat laaggeprijsde invoer uit de VRC en Rusland een van de belangrijkste oorzaken van prijsdruk op de markt van de Unie is en drong aan op een volledig onderzoek naar de laaggeprijsde invoer van het betrokken product uit de VRC en Rusland alvorens te bepalen in welke mate een herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk is. Deze belanghebbende beweerde ook dat sommige Chinese fabrikanten de invoer van grafietelektroden met een grote diameter op de markt van de Unie hebben verhoogd.

(153)

Wat betreft de invoerprijzen van grafietelektroden uit de VRC en Rusland moet, zoals in de overwegingen 109 en 111 toegelicht, eraan worden herinnerd dat: i) geen zinvolle prijsvergelijking per productsoort voor de invoer uit deze landen kon worden uitgevoerd, wat voor India wel mogelijk was op basis van de gedetailleerde informatie die door de medewerkende producent-exporteur werd verstrekt; ii) het met de voor de Commissie beschikbare invoerstatistieken uit deze landen niet mogelijk is onderscheid te maken tussen verschillende productsoorten, en iii) op basis van de informatie die door de bedrijfstak van de Unie in het verzoek om een nieuw onderzoek werd verstrekt, en die door gebruikers werd bevestigd, de invoer uit deze landen grotendeels gaat om grafietelektroden met een kleinere diameter die goedkoper zijn. Daarnaast liet de medewerkende producent-exporteur uit India na zijn bewering met betrekking tot de toegenomen uitvoer van grafietelektroden met een grotere diameter uit de VRC naar de Unie te onderbouwen.

(154)

Wat betreft de volumes van de invoer van grafietelektroden uit de VRC en Rusland en de marktaandelen ervan, en zoals in overweging 110 toegelicht, steeg het marktaandeel van de Chinese invoer tijdens de beoordelingsperiode met 1 procentpunt, terwijl het marktaandeel van de invoer uit Rusland met 0,3 procentpunten steeg. Deze stijgingen gingen niet ten koste van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, dat, zoals in overweging 110 beschreven, tijdens de beoordelingsperiode met 1,9 procentpunten groeide. Het argument werd daarom afgewezen.

(155)

Dezelfde belanghebbende voerde aan dat de bedrijfstak van de Unie inefficiënt was omdat hij grafietelektroden met een kleinere diameter produceerde, aangezien de verkoop van dergelijke producten slechts een deel van het totale verkoopvolume vertegenwoordigde.

(156)

De marktomstandigheden zorgen er normaal voor dat het aanbod, namelijk de verkochte productsoort, door de vraag wordt gestuurd. De bewering dat de productie van grafietelektroden met een kleinere diameter door de bedrijfstak van de Unie inefficiënt is, werd niet nader onderbouwd en het argument werd bijgevolg afgewezen.

(157)

Dezelfde belanghebbende hekelde dat er geen onderzoek werd uitgevoerd naar de gevolgen van de toegenomen volumes van invoer tegen dumpingprijzen uit andere landen, inclusief invoer afkomstig van gelieerde ondernemingen in de Verenigde Staten, Mexico, Maleisië en Japan.

(158)

Zoals in overweging 108 aangegeven, lagen de prijzen van de invoer uit de Verenigde Staten, Japan en Mexico hoger dan de prijzen van de Indiase exporteurs en de prijzen van de producenten in de Unie. Het marktaandeel van de invoer uit deze landen steeg met 0,1 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode en was kleiner dan 10 % aan het eind van het TNO. Ook had de Commissie geen enkel bewijs dat de prijzen van de invoer uit deze landen dumpingprijzen waren. Het argument werd daarom afgewezen.

(159)

Dezelfde belanghebbende voerde aan dat de Commissie bij de berekening van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarge per productsoort het productcontrolenummer („PCN”) gebruikte, waarbij geen rekening wordt gehouden met de gebruikte grondstof, hoewel deze de kosten en prijzen aanzienlijk beïnvloedt. Het vergelijken van productsoorten die van dezelfde grondstof zijn gemaakt, zou de prijsbederfmarge doen dalen van 9 % tot 8 %.

(160)

Het verschil in grondstof werd inderdaad niet in de PCN-structuur weerspiegeld, en dus werd bij de berekening van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarge geen rekening gehouden met dit verschil. Wanneer met het oog op de berekening van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarge productsoorten werden opgedeeld rekening houdend met de gebruikte grondstof, zoals de belanghebbende na de mededeling van feiten en overwegingen aanvoerde, daalde de in overweging 148 vermelde prijsbederfmarge echter met slechts 1 procentpunt tot 8 %. Deze daling had dus geen wezenlijke invloed op de door de Commissie vastgestelde prijsbederfmarge in het TNO.

(161)

Dezelfde belanghebbende stelde de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde winstdoelstelling van 8 % in vraag en beweerde dat de fabrikanten van grafietelektroden verliezen leden als gevolg van de daling van de internationale vraag naar staal en dat de winstdoelstelling van 8 % dus niet meer gerechtvaardigd was.

(162)

Er wordt aan herinnerd dat het nagestreefde winstniveau op de verkoop van het soortgelijke product op de markt van de Unie het niveau moet zijn dat een bedrijfstak van dit type in de sector onder normale concurrentievoorwaarden, namelijk bij afwezigheid van invoer met dumping/subsidiëring, redelijkerwijs zou kunnen bereiken. In dit verband werden, zoals in overweging 26 van Verordening (EG) nr. 1629/2004 opgemerkt, de winstniveaus van de bedrijfstak van de Unie toen het marktaandeel van de invoer met dumping het kleinst was (namelijk in 1999) grondig onderzocht. Daarom werd definitief geconcludeerd dat om de schademarge te berekenen de winstmarge waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat zij representatief is voor de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie bij afwezigheid van schade veroorzakende dumping uit India op 8 % moet worden vastgesteld. Het argument werd daarom afgewezen.

(163)

Op basis van het bovenstaande concludeerde de Commissie dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie in het TNO uiterst kwetsbaar was, grotendeels als gevolg van de negatieve marktomstandigheden en de daaruit voortvloeiende daling van het verbruik. Om die reden was de beoordeling van de Commissie vooral gericht op de waarschijnlijkheid van een herhaling van schade als gevolg van de invoer met dumping uit India.

6.   Waarschijnlijkheid van een herhaling van schade

(164)

Om vast te stellen hoe waarschijnlijk de herhaling van schade is mochten de maatregelen tegen India worden ingetrokken, werden de volgende elementen onderzocht: de productiecapaciteit en reservecapaciteit in India, de uitvoer uit India naar andere derde landen en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie.

(165)

In overweging 75 werd geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat de Indiase producenten-exporteurs aanzienlijke hoeveelheden naar de Unie zullen blijven uitvoeren indien de maatregelen komen te vervallen en dat zij zelfs hun huidige uitvoervolumes zullen vergroten en dat deze uitvoer waarschijnlijk tegen dumpingprijzen zal plaatsvinden.

(166)

Zoals in overweging 60 vastgesteld, wordt de Indiase productiecapaciteit in het TNO op ongeveer 160 000 ton geschat, terwijl de reservecapaciteit op 40 000 tot 50 000 ton wordt geschat, wat overeenkwam met 29 % tot 36 % van het verbruik in de Unie in dezelfde periode. Zoals in overweging 59 beschreven, zullen de Indiase producenten-exporteurs hun capaciteit bovendien waarschijnlijk verder verhogen indien de vraag toeneemt. Zoals in overweging 62 vermeld, stelden de Indiase autoriteiten eind november 2014 antidumpingmaatregelen in op de invoer van grafietelektroden uit de VRC. Verwacht wordt dat het marktaandeel van de Indiase producenten op de binnenlandse markt hierdoor groter wordt.

(167)

Wegens de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie zoals in de overwegingen 72 tot en met 75 beschreven, zal, indien de maatregelen worden ingetrokken, ten minste een deel van de reservecapaciteit naar alle waarschijnlijkheid worden uitgevoerd naar de markt van de Unie. Zoals in overweging 63 beschreven, zijn Indiase producenten zeer uitvoergericht. Wat de prijzen van grafietelektroden betreft, werd, zoals in overweging 69 beschreven, voor sommige van de bestemmingen van de Indiase uitvoer vastgesteld dat de prijzen in de Unie hoger waren. Gezien de verschillende productmix doet deze informatie echter geen afbreuk aan de algemene beoordeling dat nieuwe capaciteit naar de markt van de Unie zal worden uitgevoerd aangezien de betrouwbaarheid van deze prijsvergelijking beperkt is.

(168)

Zoals in overweging 66 vermeld, stelde Rusland antidumpingmaatregelen tegen de Indiase invoer van grafietelektroden in en daalde de uitvoer uit India naar Rusland aanzienlijk tijdens de beoordelingsperiode. Dit impliceert dat de toegang tot de op twee na belangrijkste uitvoermarkt voor Indiase producenten-exporteurs wordt beperkt en dat het met de huidige of waarschijnlijk zelfs toegenomen reservecapaciteit die in overweging 166 is vermeld zeer waarschijnlijk is dat Indiase producenten-exporteurs hun invoer van het betrokken product naar de markt van de Unie aanzienlijk zullen verhogen indien de maatregelen komen te vervallen.

(169)

Zoals in overweging 106 vastgesteld, zouden de Indiase invoerprijzen zonder antidumpingrechten en compenserende rechten de verkoopprijzen in de Unie met 9 % onderbieden. Voor de niet-medewerkende producent-exporteur werd de prijsonderbiedingsmarge zonder opname van antidumpingrechten en compenserende rechten in de berekening geschat op 12 %. Dit is een indicatie van wat het waarschijnlijke prijspeil van de invoer uit India zou zijn mochten de maatregelen worden ingetrokken. Op basis hiervan is het waarschijnlijk dat de prijsdruk op de markt van de Unie aanzienlijk zal toenemen mochten de maatregelen worden ingetrokken, waardoor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie verder zou verslechteren.

(170)

Wat volumes betreft, zou de intrekking van de maatregelen Indiase producenten-exporteurs zeer waarschijnlijk toelaten om hun marktaandeel op de markt van de Unie te vergroten. Met name de niet-medewerkende producent-exporteur, die momenteel onderworpen is aan het hogere recht van 15,7 %, zou een sterke stimulans hebben om zijn uitvoer naar de markt van de Unie te hervatten en aanzienlijke hoeveelheden uit te voeren. Mocht deze situatie zich voordoen, zou de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopvolumes en marktaandelen onmiddellijk zien krimpen.

(171)

Op basis hiervan zullen de Indiase producenten-exporteurs na het wegvallen van de maatregelen hun aanwezigheid op de markt van de Unie waarschijnlijk vergroten, in termen van ingevoerde hoeveelheden en marktaandelen, door in te voeren tegen dumpingprijzen en gesubsidieerde prijzen die de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onderbieden. Dit zal de prijsdruk op de markt van de Unie verhogen, met negatieve gevolgen voor de winstgevendheid en financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie. Dit zal er ook toe leiden dat de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie verder verslechtert.

(172)

Op basis van de hierboven genoemde factoren heeft de Commissie de conclusie getrokken dat het erg waarschijnlijk is dat de door de invoer met dumping uit India veroorzaakte schade zich zal herhalen als de bestaande maatregelen worden ingetrokken.

E.   BELANG VAN DE UNIE

(173)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening onderzocht de Commissie of het behoud van de bestaande antidumpingmaatregelen tegen India in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs en gebruikers.

(174)

Er wordt aan herinnerd dat bij het oorspronkelijke onderzoek het vaststellen van maatregelen niet in strijd met het belang van de Unie werd geacht.

(175)

Overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening werden alle belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun standpunten kenbaar te maken.

(176)

Op basis hiervan onderzocht de Commissie of er, ondanks haar conclusie dat een voortzetting van dumping en herhaling van schade waarschijnlijk is, dwingende redenen bestonden om te concluderen dat de handhaving van de bestaande maatregelen niet in het belang van de Unie is.

1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(177)

Zoals in overweging 147 uiteengezet, stelden de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat om zijn marktaandelen te behouden. Tegelijkertijd werd in overweging 172 geconcludeerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk zou verslechteren indien de antidumpingmaatregelen tegen India komen te vervallen. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat de handhaving van de maatregelen tegen India de bedrijfstak van de Unie ten goede zou komen.

2.   Belang van de importeurs/handelaren

(178)

Zoals in overweging 16 vermeld, heeft geen van de importeurs zijn medewerking verleend aan het huidige onderzoek of zich hierbij kenbaar gemaakt. Daarom waren er geen indicaties dat de handhaving van de maatregelen voor de importeurs negatieve gevolgen zou hebben die opwegen tegen de positieve gevolgen van de maatregelen.

3.   Belang van gebruikers

(179)

Zoals in overweging 18 vermeld, dienden 8 van de 53 gebruikers waarmee contact werd opgenomen een ingevulde vragenlijst in. Vier van hen hebben uit India ingevoerde grafietelektroden gebruikt. Hun invoer vertegenwoordigde ongeveer 20 % van alle invoer van het betrokken product uit India.

(180)

Er wordt aan herinnerd dat bij het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat de instelling van maatregelen geen grote gevolgen zou hebben voor de gebruikers. Hoewel de maatregelen al tien jaar van kracht zijn, bleven gebruikers in de Unie hun elektroden onder meer uit India betrekken. De gebruikers dienden geen informatie in waaruit blijkt dat er moeilijkheden zijn geweest bij het vinden van andere bronnen, en uit het onderzoek bleek dergelijke informatie evenmin.

(181)

Wat de gevolgen van de instelling van maatregelen voor de gebruikers betreft, werd bij het oorspronkelijke onderzoek bovendien vastgesteld dat een kostenverhoging waarschijnlijk geen grote gevolgen zou hebben voor de gebruikende industrie omdat het aandeel van grafietelektroden in de totale kosten van die industrie te verwaarlozen is. Deze bevindingen werden in het huidige nieuwe onderzoek bevestigd omdat er geen aanwijzingen voor het tegendeel werden gevonden na de instelling van maatregelen. Bovendien voerde geen van de vier gebruikers argumenten tegen de handhaving van de maatregelen aan.

(182)

Eén federatie van staalproducenten, de Duitse federatie van de staalindustrie (Wirtschaftsvereinigung Stahl) kantte zich tegen de voortzetting van de maatregelen en voerde aan dat de maatregelen hebben geleid tot concurrentienadelen voor staalproducenten in de Unie ten opzichte van staalproducenten in andere regio's waar geen maatregelen met betrekking tot grafietelektroden zijn ingesteld. De federatie beweerde dat de voortzetting van de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat zou stellen haar dominante positie te handhaven. De ontwikkeling van de invoer uit India na de instelling van de maatregelen laat echter duidelijk zien dat de invoer uit India doorging tijdens de beoordelingsperiode. Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat steeds meer grafietelektroden uit andere derde landen de markt van de Unie binnenkomen.

(183)

Op basis hiervan en in lijn met de conclusies die in het oorspronkelijke onderzoek zijn getrokken, wordt verwacht dat de voortzetting van de maatregelen geen aanzienlijk negatieve gevolgen zal hebben voor de gebruikers en dat er daarom geen dwingende redenen zijn om te concluderen dat het niet in het belang van de Unie is om de bestaande maatregelen te verlengen.

4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(184)

Gezien het bovenstaande concludeerde de Commissie dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer uit India niet te verlengen.

F.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(185)

Alle belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd beoogd de geldende antidumpingmaatregelen te handhaven. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen. Er is naar behoren rekening gehouden met deze opmerkingen.

(186)

Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat de bij Verordening (EU) nr. 1225/2009 ingestelde antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van grafietelektroden van oorsprong uit India op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening moeten worden gehandhaafd.

(187)

Na de mededeling van feiten en overwegingen verzocht de medewerkende producent-exporteur uit India de Commissie om de voortzetting van maatregelen gedurende een periode van twee jaar te overwegen. Het onderzoek bracht echter geen uitzonderlijke omstandigheden aan het licht die zouden rechtvaardigen dat de duur van de maatregelen tot twee jaar wordt beperkt.

(188)

De individuele antidumpingrechten voor ondernemingen die in deze verordening met naam worden genoemd, zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het betrokken product dat door deze ondernemingen en dus door de specifiek vermelde rechtspersonen is vervaardigd. Deze rechten zijn niet van toepassing op het ingevoerde betrokken product dat is vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

(189)

Verzoeken in verband met de toepassing van een individueel antidumpingrecht (bijvoorbeeld na een naamswijziging van de onderneming of na de oprichting van een nieuwe productie- of handelsmaatschappij) moeten onverwijld aan de Commissie (23) worden gericht en vergezeld gaan van alle relevante gegevens, met name over wijzigingen in de activiteiten van de onderneming die verband houden met de productie, de binnenlandse verkoop en de uitvoer die bijvoorbeeld tot die naamswijziging of de oprichting van een productie- of handelsmaatschappij hebben geleid. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

(190)

Het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op grafietelektroden van de soort die voor elektrische ovens wordt gebruikt, met een schijnbare dichtheid van minimaal 1,65 g/cm3 en een elektrische weerstand van maximaal 6,0 μ.Ω.m, die vallen onder GN-code ex 8545 11 00 (Taric-code 8545110010), en nippels voor deze elektroden, die vallen onder GN-code ex 8545 90 90 (Taric-code 8545909010), tezamen of afzonderlijk ingevoerd, van oorsprong uit India.

2.   Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:

Onderneming

Recht

Aanvullende Taric-code

Graphite India Limited (GIL), 31 Chowringhee Road, Kolkatta — 700016, West Bengal

9,4 %

A530

HEG Limited, Bhilwara Towers, A-12, Sector-1, Noida — 201301, Uttar Pradesh

0 %

A531

Alle andere ondernemingen

8,5 %

A999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Verordening (EG) nr. 1629/2004 van de Raad van 13 september 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 295 van 18.9.2004, blz. 10).

(3)  Verordening (EG) nr. 1628/2004 van de Raad van 13 september 2004 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 295 van 18.9.2004, blz. 4).

(4)  Verordening (EG) nr. 1354/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1628/2004 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India en van Verordening (EG) nr. 1629/2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 350 van 30.12.2008, blz. 24).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1186/2010 van de Raad van 13 december 2010 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 332 van 16.12.2010, blz. 17).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1185/2010 van de Raad van 13 december 2010 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 (PB L 332 van 16.12.2010, blz. 1).

(7)  PB C 82 van 10.3.2015, blz. 5.

(8)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51). Deze verordening is bij de basisverordening gecodificeerd.

(9)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India (PB C 415 van 15.12.2015, blz. 33).

(10)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde grafietelektrodesystemen van oorsprong uit India (PB C 415 van 15.12.2015, blz. 25).

(11)  Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93). Deze verordening is gecodificeerd door Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 55)

(12)  http://www.google.be/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&cad=rja&uact=8&ved=0ahUKEwiqt6H2u9_QAhWEzRoKHYUwBVEQFggfMAA&url=http%3A%2F%2Fhegltd.com%2Fwebmaster%2FDownloadFile.aspx%3Fd%3D..%2Fuploads%2FFinance%2F70Results_Release.pdf&usg=AFQjCNGMpUymLm4BNOjIMmolLDgwSGgcDw

(13)  http://content.icicidirect.com/mailimages/IDirect_GraphiteIndia_Q1FY16.pdf

(14)  http://hegltd.com/ en http://www.graphiteindia.com/

(15)  http://hegltd.com/WEBMASTER/DownloadFile.aspx?D=../Uploads/Newsletter/News9.pdf

(16)  https://www.worldsteel.org/statistics/statistics-archive/yearbook-archive.html

(17)  http://www.dgtr.gov.in/sites/default/files/adfin_Graphite_Electrodes_diameters_ChinaPR.pdf

(18)  http://hegltd.com/pdf/HEGLtd_Q1_FY_16_Investors_Presentation.pdf

(19)  http://www.graphiteindia.com/View/investor_relation.aspx (zie GIL Q3 FY2015 Earnings Presentation.pdf, blz. 14).

(20)  http://www.eurasiancommission.org/_layouts/Lanit.EEC.Desicions/Download.aspx?IsDlg=0&ID=3805&print=1

(21)  De gemiddelde prijs is exclusief bestaande antidumpingrechten/compenserende rechten.

Bron: Databank van artikel 14, lid 6.

(22)  Grafietelektroden met een kleine en grote diameter zijn beide in dezelfde Taric-codes opgenomen.

(23)  Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, Directoraat H, 1049 Brussel, BELGIË.


10.3.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/72


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/423 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2017

betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam en geproduceerd door Fujian Viscap Shoes Co. Ltd, Vietnam Ching Luh Shoes Co. Ltd, Vinh Thong Producing-Trading-Service Co. Ltd, Qingdao Tae Kwang Shoes Co. Ltd, Maystar Footwear Co. Ltd, Lien Phat Company Ltd, Qingdao Sewon Shoes Co. Ltd, Panyu Pegasus Footwear Co. Ltd, PanYu Leader Footwear Corporation, Panyu Hsieh Da Rubber Co. Ltd, An Loc Joint Stock Company, Qingdao Changshin Shoes Company Limited, Chang Shin Vietnam Co. Ltd, Samyang Vietnam Co. Ltd, Qingdao Samho Shoes Co. Ltd, Min Yuan, Chau Giang Company Limited, Foshan Shunde Fong Ben Footwear Industrial Co. Ltd en Dongguan Texas Shoes Limited Co., ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”), en met name artikel 266,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4, en artikel 14, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

(1)

Op 23 maart 2006 heeft de Commissie Verordening (EG) nr. 553/2006 (2) tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder („schoeisel”) uit de Volksrepubliek China („VRC” of „China”) en Vietnam („de voorlopige verordening”) vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 1472/2006 (3) heeft de Raad voor een periode van twee jaar definitieve antidumpingrechten, variërend van 9,7 % tot 16,5 %, ingesteld op bepaald schoeisel met bovendeel van leder uit Vietnam en de VRC („Verordening (EG) nr. 1472/2006” of „de litigieuze verordening”).

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 388/2008 (4) heeft de Raad het definitieve antidumpingrecht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de VRC uitgebreid tot de verzending van hetzelfde product uit de SAR (Speciale Administratieve Regio) Macau, al dan niet aangegeven als zijnde van oorsprong uit de SAR Macau.

(4)

Na een op 3 oktober 2008 geopend nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen (5) heeft de Raad de antidumpingmaatregelen bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 (6) met 15 maanden verlengd, d.w.z. tot en met 31 maart 2011, waarna de maatregelen kwamen te vervallen („Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009”).

(5)

Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd en Risen Footwear (HK) Co Ltd alsmede Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd („de verzoekers”) hebben bij het Gerecht van eerste aanleg (thans: „het Gerecht”) beroep ingesteld tegen de litigieuze verordening. Bij arresten van 4 maart 2010 in zaak T-401/06, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, en van 4 maart 2010 in de gevoegde zaken T-407/06 en T-408/06, Zhejiang Aokang Shoes en Wenzhou Taima Shoes/Raad, heeft het Gerecht deze beroepen verworpen.

(6)

De verzoekers hebben tegen die arresten hogere voorziening ingesteld. In zijn arresten van 2 februari 2012 in zaak C-249/10 P, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, en van 15 november 2012 in zaak C-247/10 P, Zhejiang Aokang Shoes/Raad („de arresten Brosmann en Aokang”), heeft het Hof van Justitie die arresten vernietigd. Het Hof was van oordeel dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het had geoordeeld dat de Commissie niet verplicht was om de op artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening gebaseerde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) van de niet in de steekproef opgenomen marktdeelnemers te onderzoeken (punt 36 van het arrest in zaak C-249/10 P en punten 29 en 32 van het arrest in zaak C-247/10 P).

(7)

Het Hof deed de zaak vervolgens zelf af. Het oordeelde dat „de Commissie de met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken had moeten onderzoeken die rekwirantes haar uit hoofde van artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening hadden doen toekomen teneinde voor een BMO in aanmerking te komen in het kader van de antidumpingprocedure waarop de litigieuze verordening betrekking heeft. Vervolgens moet worden geconstateerd dat het niet uitgesloten is dat een dergelijk onderzoek er voor hen toe zou hebben geleid dat hun een ander definitief antidumpingrecht werd opgelegd dan het recht van 16,5 % dat volgens artikel 1, lid 3, van de litigieuze verordening op hen is toegepast. Uit deze bepaling blijkt immers dat een definitief antidumpingrecht van 9,7 % is opgelegd aan de enige voor de steekproef geselecteerde Chinese marktdeelnemer die als een marktgerichte onderneming is behandeld. Zoals uit punt 38 van het onderhavige arrest volgt, hadden rekwirantes eveneens voor laatstgenoemd tarief in aanmerking moeten komen indien de Commissie had vastgesteld dat ook zij op marktvoorwaarden opereerden en indien geen individuele dumpingmarge kon worden berekend.” (punt 42 van het arrest in zaak C-249/10 P en punt 36 van het arrest in zaak C-247/10 P).

(8)

Dientengevolge heeft het Hof de litigieuze verordening nietig verklaard voor zover zij de betrokken verzoekers betreft.

(9)

In oktober 2013 heeft de Commissie met een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt bericht (7) aangekondigd dat zij had besloten de antidumpingprocedure te hervatten op het precieze punt waarop de onwettigheid zich heeft voorgedaan en na te gaan of de verzoekers in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005 op marktvoorwaarden opereerden. Met dat bericht werden belanghebbenden uitgenodigd contact op te nemen en zich kenbaar te maken.

(10)

In maart 2014 heeft de Raad bij Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU (8) het voorstel van de Commissie voor een uitvoeringsverordening van de Raad betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd, Risen Footwear (HK) Co. Ltd en Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd verworpen en de procedure met betrekking tot deze producenten stopgezet. Het standpunt van de Raad luidde dat bij de importeurs die schoenen van deze producenten-exporteurs hadden gekocht en aan wie de relevante douaneheffingen waren terugbetaald door de bevoegde nationale autoriteiten op basis van artikel 236 van Verordening (EEG) nr. 2913/1992 van de Raad (9) („het communautair douanewetboek”) een gewettigd vertrouwen was ontstaan op basis van artikel 1, lid 4, van de litigieuze verordening, dat de bepalingen van het communautair douanewetboek en met name artikel 221 daarvan op de heffing van de rechten van toepassing verklaart.

(11)

Drie importeurs van het betrokken product, C&J Clark International Ltd („Clark”), Puma SE („Puma”) en Timberland Europe B.V. („Timberland”) („de betrokken importeurs”), hebben bezwaar aangetekend tegen de antidumpingrechten op schoeisel uit China en Vietnam en beriepen zich bij hun nationale gerechten op de in de overwegingen 5 tot en met 7 vermelde rechtspraak. Deze hebben de zaken naar het Hof van Justitie verwezen voor een prejudiciële beslissing.

(12)

Op 4 februari 2016 heeft het Hof in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, C & J Clark International Limited en Puma (10), Verordening (EG) nr. 1472/2006 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 ongeldig verklaard voor zover de Europese Commissie de verzoeken om BMO en individuele behandeling („IB”) van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC en Vietnam niet heeft onderzocht („de arresten”), wat in strijd is met de voorschriften van artikel 2, lid 7, onder b), en artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (11).

(13)

In zaak C-571/14, Timberland Europe, heeft het Hof van Justitie op 11 april 2016 besloten om de zaak in het register door te halen op verzoek van de verwijzende nationale rechter.

(14)

Artikel 266 VWEU bepaalt dat de instellingen de maatregelen moeten nemen die nodig zijn ter uitvoering van de arresten van het Hof. Indien een door de instellingen in het kader van een bestuurlijke procedure, zoals de antidumpingprocedure, vastgestelde handeling nietig wordt verklaard, wordt aan een arrest van het Hof uitvoering gegeven door de nietig verklaarde handeling te vervangen door een nieuwe waarin de door het Hof vastgestelde onwettigheid wordt opgeheven (12).

(15)

Volgens de rechtspraak van het Hof mag de procedure ter vervanging van de nietig verklaarde handeling weer worden hervat op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (13). Dit houdt onder meer in dat wanneer een handeling tot afsluiting van een bestuurlijke procedure nietig wordt verklaard, de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op de voorbereidende handelingen, zoals die tot inleiding van de antidumpingprocedure. Indien een verordening tot instelling van definitieve antidumpingmaatregelen nietig wordt verklaard, betekent dit dat de antidumpingprocedure na de nietigverklaring nog hangende is, aangezien de tot afsluiting van de antidumpingprocedure vastgestelde handeling uit de rechtsorde van de Unie verdwijnt (14), tenzij de onwettigheid reeds in het stadium van de inleiding van de procedure is ontstaan.

(16)

Met uitzondering van het feit dat de instellingen de verzoeken om BMO en IB van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC en Vietnam niet hebben onderzocht, blijven alle andere bepalingen van Verordening (EG) nr. 1472/2006 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van kracht.

(17)

In het onderhavige geval heeft de onwettigheid zich na de inleiding van de procedure voorgedaan. De Commissie heeft derhalve besloten de onderhavige na de arresten nog hangende antidumpingprocedure te hervatten op het precieze punt waar de onwettigheid zich heeft voorgedaan, en na te gaan of de betrokken producenten-exporteurs in de met het onderzoektijdvak overeenkomende periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005 („het onderzoektijdvak”) op marktvoorwaarden werkten. Waar passend heeft de Commissie ook onderzocht of de betrokken producenten-exporteurs in aanmerking kwamen voor een IB overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (15) van de Raad (de „basisverordening vóór wijziging”) (16).

(18)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1395 van de Commissie (17) is opnieuw een definitief antidumpingrecht ingesteld en is het voorlopige recht definitief geïnd op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de VRC dat door Clark en Puma wordt ingevoerd en wordt vervaardigd door dertien Chinese producenten-exporteurs die verzoeken om BMO en IB hebben ingediend, maar die niet in de steekproef waren opgenomen.

(19)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 van de Commissie (18) is opnieuw een definitief antidumpingrecht ingesteld en is het voorlopige recht definitief geïnd op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam dat door Clark, Puma en Timberland wordt ingevoerd en wordt vervaardigd door bepaalde Vietnamese producenten-exporteurs die verzoeken om BMO en IB hadden ingediend, maar die niet in de steekproef waren opgenomen.

(20)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 (19) heeft de Commissie opnieuw een definitief antidumpingrecht ingesteld en definitief het voorlopige antidumpingrecht geïnd op door Puma en Timberland ingevoerd schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door General Footwear Ltd, alsmede van oorsprong uit Vietnam en vervaardigd door Diamond Vietnam Co Ltd en Ty Hung Footgearmex/Footwear Co. Ltd („Ty Hung Co. Ltd”), die verzoeken om BMO en IB hebben ingediend, maar die niet in de steekproef zijn opgenomen.

(21)

De geldigheid van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1395, (EU) 2016/1647 en (EU) 2016/1731 is door Puma en Timberland voor het Gerecht betwist in de zaken T-781/16, Puma e.a./Commissie, en T-782/16, Timberland Europe/Commissie. De geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1395 is voor het Gerecht ook betwist door Clark in de zaken T-790/16, C & J Clark International/Commissie, en T-861/16, C & J Clark International/Commissie.

(22)

Met het oog op de uitvoering van het arrest in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, C & J Clark International Limited en Puma, zoals vermeld in overweging 12, heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (20) vastgesteld. In artikel 1 van die verordening heeft de Commissie de nationale douaneautoriteiten gelast alle verzoeken om terugbetaling van de definitieve antidumpingrechten die zijn betaald in verband met de invoer van schoeisel van oorsprong uit China en Vietnam door importeurs op basis van artikel 236 van het communautair douanewetboek en gebaseerd op het feit dat een niet in de steekproef opgenomen producent-exporteur om BMO of IB had verzocht in het onderzoek dat had geleid tot instelling van de definitieve maatregelen bij Verordening (EG) nr. 1472/2006 („oorspronkelijke onderzoek”), door te sturen. De Commissie beoordeelt het desbetreffende verzoek om BMO of IB en stelt opnieuw het toepasselijke recht vast. Op deze basis moeten de nationale douaneautoriteiten vervolgens een besluit nemen over het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de antidumpingrechten.

(23)

De geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 is voorwerp van een prejudiciële vraag die op 9 mei 2016 door het Finanzgericht Düsseldorf is ingediend (zaak C-256/16, Deichmann). Voornoemd verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geschil tussen Deichmann, een Duitse importeur van schoeisel, en de desbetreffende nationale douaneautoriteit, het Hauptzollamt Duisburg. Het geschil betreft de terugbetaling van antidumpingrechten die zijn betaald door Deichmann in verband met de invoer van schoeisel van onder andere zijn Chinese leverancier Chengdu Sunshine Shoes Co. Ltd, welke onderneming een verzoek om BMO en IB had ingediend en niet in de steekproef was opgenomen. Een tweede verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 is op 28 november 2016 ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) van het Verenigd Koninkrijk (zaak C-612/16, C & J Clark International).

(24)

Naar aanleiding van een kennisgeving van de Franse douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 onderzocht de Commissie voorts verzoeken om BMO/IB van drie Chinese producenten-exporteurs, Chengdu Sunshine Shoes Co. Ltd, Foshan Nanhai Shyang Yuu Footwear Ltd en Fujian Sunshine Footwear Co. Ltd.

(25)

Als gevolg daarvan stelde de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2257 (21) opnieuw een definitief antidumpingrecht in en inde zij definitief het voorlopige recht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China dat wordt vervaardigd door drie producenten-exporteurs die verzoeken om BMO en IB hadden ingediend, maar die niet in de steekproef waren opgenomen.

(26)

Op 12 juli 2016 hebben de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk de Commissie overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 in kennis gesteld van verzoeken om terugbetaling van importeurs in de Unie en hebben zij ondersteunende documenten verstrekt.

(27)

Op 13 juli 2016 hebben de Belgische douaneautoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 in kennis gesteld van verzoeken om terugbetaling van importeurs in de Unie en hebben zij ondersteunende documenten verstrekt.

(28)

Op 26 juli 2016 hebben de Zweedse douaneautoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 in kennis gesteld van verzoeken om terugbetaling van importeurs in de Unie en hebben zij ondersteunende documenten verstrekt.

(29)

In die kennisgevingen, die het voorwerp zijn van deze verordening, worden in totaal 246 ondernemingen genoemd als leveranciers van schoeisel uit China en Vietnam.

(30)

Voor een groot aantal van deze bedrijven (168 ondernemingen vermeld in bijlage III bij deze verordening) heeft de Commissie geen weet van de indiening van een aanvraag voor BMO of IB in het oorspronkelijke onderzoek. Onder deze ondernemingen bevonden zich ook ondernemingen die niet betrokken zijn bij het onderzoek omdat zij bijvoorbeeld niet in China of Vietnam zijn gevestigd of het handelsondernemingen of slechts verwerkende bedrijven betrof die in elk geval geen recht op een individuele dumpingmarge hebben. De ondernemingen in bijlage III konden ook niet aantonen dat zij verbonden waren met een van de Chinese of Vietnamese producenten-exporteurs die tijdens het oorspronkelijke onderzoek een verzoek om BMO/IB hadden ingediend. Zoals in overweging 79 wordt gezegd, erkent de Commissie evenwel dat mogelijk niet alle importeurs die van die handelaren schoeisel kochten, wisten dat zij de Commissie de namen moesten meedelen van de producenten-exporteurs van wie die handelaren hun schoeisel betrokken. In overweging 79 wordt ook in detail uiteengezet waarom de Commissie op grond daarvan heeft beslist het onderzoek van de in bijlage III genoemde ondernemingen tijdelijk op te schorten.

(31)

Van de resterende ondernemingen waren er twintig reeds eerder beoordeeld, hetzij afzonderlijk of als onderdeel van een groep ondernemingen die was opgenomen in de steekproef van Chinese of Vietnamese producenten-exporteurs in het oorspronkelijke onderzoek (vermeld in bijlage IV bij deze verordening). Aangezien voor geen van deze ondernemingen een individueel recht is vastgesteld, wordt op de invoer van schoeisel van deze ondernemingen het recht van 16,5 % voor China of van 10 % voor Vietnam toegepast. Het in overweging 12 vermelde arrest had geen gevolgen voor deze rechten.

(32)

Van de resterende ondernemingen waren er 31 (vermeld in bijlage V bij deze verordening) reeds eerder beoordeeld, hetzij afzonderlijk of als onderdeel van een groep ondernemingen, in het kader van de uitvoering van het in overweging 12 genoemde arrest, namelijk in Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU of in Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1395, (EU) 2016/1647, (EU) 2016/1731 of 2016/2257. Die beoordelingen betroffen mede acht ondernemingen die bij de Commissie werden aangemeld en die na de mededeling van feiten en overwegingen zijn geïdentificeerd aan de hand van opmerkingen van de Federation of the European Sporting Goods Industry („FESI”) en de Footwear Coalition volgens welke zij verbonden zijn met een van de ondernemingen of groepen ondernemingen die in een van de genoemde verordeningen reeds eerder zijn beoordeeld.

(33)

Zoals vermeld in overweging 10, is aan ondernemingen of groepen ondernemingen die zijn beoordeeld in Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU niet opnieuw een antidumpingrecht opgelegd, op grond dat de rechten reeds aan die ondernemingen waren terugbetaald en bij hen dus een gewettigd vertrouwen was gewekt dat niet opnieuw rechten zouden worden opgelegd. De verzoeken om terugbetaling van importeurs in de Unie die verbonden zijn met ondernemingen of groepen ondernemingen die zijn beoordeeld in de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1395, 2016/1647, (EU) 2016/1731 en (EU) 2016/2257 kunnen daarentegen niet worden ingewilligd. Die importeurs bevinden zich immers in een andere rechtpositie dan die welke zijn beoordeeld in Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU, met name nu bij hen geen gewettigd vertrouwen is gewekt.

(34)

Na de mededeling van feiten en overwegingen is een ter kennis van de Commissie gebrachte Chinese producent-exporteur via opmerkingen van FESI en de Footwear Coalition geïdentificeerd als een onderneming die tijdens het oorspronkelijke onderzoek een aanvraag voor BMO/IB had ingediend maar niet in de steekproef was opgenomen, en evenmin was beoordeeld in eerdere uitvoeringshandelingen, genoemd in de overwegingen 18 tot en met 20 en 25. Dezelfde partijen identificeerden ook vier andere ondernemingen die ter kennis van de Commissie waren gebracht en die verbonden waren met Chinese of Vietnamese producenten-exporteurs die tijdens het oorspronkelijke onderzoek een aanvraag voor BMO/IB hadden ingediend maar niet in de steekproef waren opgenomen, en evenmin waren beoordeeld in eerdere uitvoeringshandelingen, genoemd in de overwegingen 18 tot en met 20 en 25. In totaal moet dus van vijf ondernemingen (vermeld in bijlage VI) of van hun verbonden ondernemingen het verzoek om BMO/IB worden beoordeeld. Die beoordelingen kunnen niet worden afgerond binnen de termijn voor deze uitvoeringsverordening, en zullen bijgevolg het voorwerp zijn van een volgende uitvoeringshandeling. De behandeling van de verzoeken van importeurs in de Unie die bij die ondernemingen betrekken (vermeld in bijlage VI) om terugbetaling moet derhalve tijdelijk worden opgeschort in afwachting van de beoordeling van de verzoeken om BMO/IB van de betrokken leveranciers in China en/of Vietnam.

(35)

Ten slotte stelden dezelfde partijen na de mededeling van feiten en overwegingen dat zes in bijlage III genoemde ondernemingen verbonden waren met een onderneming of groep ondernemingen die reeds was beoordeeld in eerdere uitvoeringshandelingen, en bijgevolg als zodanig moesten worden aangemerkt. De stukken in het dossier leverden echter geen bewijs voor die stelling, die hoe dan ook niet werd gestaafd door enig ander bewijsmateriaal. Dit argument wordt daarom afgewezen.

(36)

De overige negentien ondernemingen waren Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs die niet waren opgenomen in de steekproef voor het oorspronkelijke onderzoek en die een aanvraag voor BMO/IB hadden ingediend. Derhalve heeft de Commissie de door deze ondernemingen ingediende verzoeken om BMO en IB beoordeeld. Die beoordeling betrof mede twee ondernemingen die bij de Commissie werden aangemeld en die na de mededeling van feiten en overwegingen zijn geïdentificeerd aan de hand van opmerkingen van FESI en de Footwear Coalition volgens welke zij verbonden zijn met een Chinese producent-exporteur die thans wordt beoordeeld.

(37)

Kortom, de Commissie heeft in de onderhavige verordening de aanvragen voor BMO/IB beoordeeld van: Fujian Viscap Shoes Co. Ltd, Vietnam Ching Luh Shoes Co Ltd, Vinh Thong Producing-Trading-Service Co. Ltd, Qingdao Tae Kwang Shoes Co. Ltd, Maystar Footwear Co. Ltd, Lien Phat Company Ltd, Qingdao Sewon Shoes Co. Ltd, Panyu Pegasus Footwear Co. Ltd, PanYu Leader Footwear Corporation, Panyu Hsieh Da Rubber Co. Ltd, An Loc Joint Stock Company, Qingdao Changshin Shoes Company Limited, Chang Shin Vietnam Co. Ltd, Samyang Vietnam Co. Ltd, Qingdao Samho Shoes Co. Ltd, Min Yuan, Chau Giang Company Limited, Foshan Shunde Fong Ben Footwear Industrial Co. Ltd en Dongguan Texas Shoes Limited Co.

B.   UITVOERING VAN HET ARREST VAN HET HOF VAN JUSTITIE IN DE GEVOEGDE ZAKEN C-659/13 EN C-34/14 VOOR INVOER UIT CHINA

(38)

De Commissie heeft de mogelijkheid om alleen de aspecten van de litigieuze verordening te corrigeren die tot de nietigverklaring ervan hebben geleid en de delen van de beoordeling waarop het arrest geen betrekking heeft, ongewijzigd te laten (22).

(39)

Deze verordening heeft tot doel de aspecten van de litigieuze verordening te corrigeren die onverenigbaar met de basisverordening zijn bevonden en die hebben geleid tot de nietigverklaring van de verordening voor zover zij betrekking heeft op de in overweging 37 genoemde producenten-exporteurs.

(40)

Alle andere bevindingen in de litigieuze verordening en in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009, die het Hof niet nietig heeft verklaard, blijven geldig en worden opgenomen in deze verordening.

(41)

De hierna volgende overwegingen blijven dan ook beperkt tot de nieuwe beoordeling die nodig is om de arresten van het Hof uit te voeren.

(42)

De Commissie heeft onderzocht of BMO of IB moest worden toegekend aan de in overweging 37 genoemde producenten-exporteurs („de betrokken producenten-exporteurs”) die met betrekking tot het onderzoektijdvak een verzoek om BMO/IB hadden ingediend. Daarmee wil de Commissie nagaan in welke mate de betrokken importeurs recht hebben op een terugbetaling van de antidumpingrechten die zij op de uitvoer van deze leveranciers hebben betaald.

(43)

Indien de analyse zou uitwijzen dat BMO had moeten worden toegekend aan de betrokken producenten-exporteurs op wier uitvoer antidumpingrechten zijn betaald door de betrokken importeurs, dan zou een individueel recht moeten worden toegekend aan die producent-exporteur en de terugbetaling van de rechten beperkt zijn tot een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen het betaalde recht en het individuele recht, namelijk in het geval van invoer uit China het verschil tussen 16,5 % en het recht dat werd ingesteld voor de enige exporteur in de steekproef aan wie BMO is toegekend, te weten 9,7 %, en in het geval van invoer uit Vietnam het verschil tussen 10 % en het eventuele individuele recht dat is berekend voor de betrokken producent-exporteur.

(44)

Indien de analyse zou uitwijzen dat IB had moeten worden toegekend aan een producent-exporteur wiens verzoek om BMO was afgewezen, dan zou een individueel recht moeten worden toegekend aan die producent-exporteur en de terugbetaling van de rechten beperkt zijn tot een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen het betaalde recht, namelijk in het geval van invoer uit China 16,5 % en in het geval van invoer uit Vietnam 10 %, en het eventuele individuele recht dat voor de betrokken producent-exporteur werd berekend.

(45)

Zou de analyse van de verzoeken om BMO en IB daarentegen uitwijzen dat zowel BMO als IB moet worden afgewezen, dan kan geen terugbetaling van de antidumpingrechten worden toegestaan.

(46)

Zoals uiteengezet in overweging 12, heeft het Hof de litigieuze verordening en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 nietig verklaard wat de uitvoer van bepaald schoeisel van bepaalde Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs betreft, voor zover de Commissie de verzoeken om BMO en IB die door deze producenten-exporteurs waren ingediend, niet heeft onderzocht.

(47)

De Commissie heeft daarom de verzoeken om BMO en IB van de betrokken producenten-exporteurs onderzocht teneinde het recht vast te stellen dat op hun uitvoer moet worden toegepast. Uit de beoordeling kwam naar voren dat uit de verstrekte informatie niet bleek dat de betrokken producenten-exporteurs op marktvoorwaarden opereerden of in aanmerking kwamen voor een individuele behandeling (zie voor een nadere toelichting overwegingen 48 en volgende).

1.   Beoordeling van de BMO-verzoeken

(48)

Er zij op gewezen dat de bewijslast overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening rust op de producent die een BMO-verzoek indient. Daartoe is in artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, bepaald dat het door een producent ingediende verzoek voldoende bewijs moet bevatten van het feit dat de producent op marktvoorwaarden opereert als bedoeld in dat lid. De instellingen van de Unie hoeven derhalve niet te bewijzen dat de producent niet voldoet aan de voorwaarden om voor behandeling als marktgerichte onderneming in aanmerking te komen. Het staat daarentegen aan deze instellingen om te beoordelen of het door de betrokken producent geleverde bewijs volstaat om aan te tonen dat is voldaan aan de in artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, van de basisverordening gestelde criteria om BMO te kunnen toekennen, en aan de rechter van de Unie om na te gaan of die beoordeling niet op een kennelijke onjuistheid berust (punt 32 van het arrest in zaak C-249/10 P en punt 24 van het arrest in zaak C-247/10 P).

(49)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening moet zijn voldaan aan de vijf criteria van dat artikel om BMO aan een producent-exporteur toe te kennen. Daarom heeft de Commissie besloten dat wanneer aan ten minste één criterium niet was voldaan, dat voldoende was om het BMO-verzoek af te wijzen.

(50)

Geen enkele van de betrokken producenten-exporteurs kon aantonen dat hij voldeed aan criterium 1 (besluiten van bedrijven). De Commissie heeft meer bepaald vastgesteld dat de meeste van de betrokken producenten-exporteurs (ondernemingen 7, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25) (23) niet vrijelijk hun op de binnenlandse en de buitenlandse markt te verkopen hoeveelheden konden vaststellen. In dit verband heeft de Commissie vastgesteld dat er beperkingen golden aangaande de productie en/of een beperking van de verkoophoeveelheden op specifieke markten (binnenlandse markt en exportmarkt). Bovendien hebben sommige van de betrokken producenten-exporteurs (ondernemingen 8, 9, 10, 15) geen essentiële en volledige informatie verstrekt (bv. bewijsmateriaal betreffende de structuur en het kapitaal van de onderneming, bewijsmateriaal of verduidelijking betreffende de besluitvorming in de onderneming) om aan te tonen dat de besluiten van hun bedrijf werden genomen als reactie op marktsignalen zonder staatsinmenging van betekenis.

(51)

Met betrekking tot criterium 2 (boekhouding) hebben de ondernemingen 8, 10, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 21, 24 en 25 bovendien niet aangetoond dat zij beschikten over een basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen. Met name is uit de BMO-beoordelingen gebleken dat deze ondernemingen de Commissie geen advies/rapport van een externe accountant hebben overgelegd, dat hun rekeningen niet werden gecontroleerd, of dat bij verschillende posten op de balans en de winst- en verliesrekening toelichtingen ontbraken.

(52)

Met betrekking tot criterium 3 (activa en „doorwerking”) hebben de ondernemingen 7, 8, 9, 10, 11, 13, 15, 16, 17, 18, 19, 22, 23 en 25 niet aangetoond dat er geen verstoringen waren die nog voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie. Met name hebben deze ondernemingen geen wezenlijke en volledige informatie verstrekt over onder meer de activa van de onderneming en de voorwaarden en de waarde van de grondgebruiksrechten.

(53)

Ten slotte heeft de Commissie, gelet op de in overweging 49 genoemde redenen, voor geen van de betrokken producenten-exporteurs de criteria 4 (faillissements- en eigendomswetten) en 5 (omrekening van munteenheden) onderzocht. De Commissie heeft de betrokken producenten-exporteurs in kennis gesteld van de BMO-bevindingen en hen uitgenodigd opmerkingen te maken. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen.

2.   Beoordeling van de IB-verzoeken

(54)

Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening vóór wijziging wordt, wanneer artikel 2, lid 7, onder a), van dezelfde verordening van toepassing is, een individueel recht vermeld voor exporteurs die kunnen aantonen dat zij voldoen aan alle criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening vóór wijziging.

(55)

Net als in overweging 48 moet erop worden gewezen dat de bewijslast rust op de producent die een IB-verzoek indient overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening vóór wijziging. Daartoe is in artikel 9, lid 5, eerste alinea, bepaald dat het ingediende verzoek met bewijsmateriaal moet worden ondersteund. De instellingen van de Unie hoeven derhalve niet te bewijzen dat de exporteur niet voldoet aan de voorwaarden om voor een individuele behandeling in aanmerking te komen. Het staat daarentegen aan de instellingen van de Unie om te beoordelen of het door de betrokken exporteur geleverde bewijs volstaat om aan te tonen dat is voldaan aan de in artikel 9, lid 5, van de basisverordening vóór wijziging vastgestelde criteria om een IB te kunnen verlenen.

(56)

Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening vóór wijziging moeten exporteurs op grond van met bewijsmateriaal ondersteunde verzoeken aantonen dat aan de vijf criteria van dat artikel is voldaan, zodat hun een IB kan worden toegekend. Daarom heeft de Commissie besloten dat wanneer aan één criterium niet was voldaan, dat voldoende was om het IB-verzoek te weigeren.

(57)

Dit zijn de vijf criteria:

1.

in geval van ondernemingen of joint ventures die geheel of gedeeltelijk in buitenlandse handen zijn, zijn de exporteurs vrij om kapitaal en winsten te repatriëren;

2.

de uitvoerprijzen en -hoeveelheden en de verkoopvoorwaarden worden vrij vastgesteld;

3.

het merendeel van de aandelen is in het bezit van particulieren; staatsambtenaren die deel uitmaken van de raad van bestuur of die leidinggevende functies vervullen, moeten in de minderheid zijn of er moet worden aangetoond dat de onderneming niettemin voldoende vrij is van staatsinmenging;

4.

omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers; en

5.

de staatsinmenging is niet dusdanig dat maatregelen ontweken kunnen worden indien voor individuele exporteurs een ander recht wordt vastgesteld.

(58)

Alle negentien betrokken producenten-exporteurs die om BMO hebben verzocht, verzochten ook om IB voor het geval hun geen BMO zou worden toegekend. De Commissie heeft daarom de IB-verzoeken van elke betrokken producent-exporteur onderzocht.

(59)

Met betrekking tot criterium 1 (repatriëring van kapitaal en winsten) hebben de ondernemingen 9 en 20 niet bewezen dat zij vrij zijn kapitaal en winsten te repatriëren; zij hebben dus niet aangetoond dat aan dit criterium was voldaan.

(60)

Met betrekking tot criterium 2 (uitvoerhoeveelheden en -prijzen kunnen vrij worden vastgesteld) heeft de Commissie geconcludeerd dat de ondernemingen 7, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 22, 23 en 24 niet hadden bewezen dat zakelijke besluiten zoals de vaststelling van uitvoerprijzen en -hoeveelheden en de verkoopvoorwaarden vrij worden vastgesteld in reactie op marktsignalen, aangezien het onderzochte bewijsmateriaal, zoals statuten of bedrijfsvergunningen, blijk geeft van een beperking van de productie en/of de verkoop van schoeisel in specifieke markten.

(61)

Aangaande criterium 3 (onderneming — management en aandeelhouders — is voldoende vrij van staatsinmenging) hebben de ondernemingen 7, 8, 9, 10, 13, 15, 16, 17, 18, 19, 22, 23 en 25 niet de nodige informatie verstrekt om aan te tonen dat zij voldoende vrij waren van staatsinmenging. Met name werd geen informatie gegeven over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de grondgebruiksrechten werden overgedragen aan deze ondernemingen.

(62)

Voorts hebben de ondernemingen 8, 10, 17, 18 en 25 niet aangetoond dat zij voldeden aan criterium 5 (ontwijking), aangezien geen informatie is verstrekt over de besluitvorming in de onderneming.

(63)

Ten slotte heeft de Commissie, gelet op de in overweging 56 genoemde bepalingen, voor geen van de betrokken producenten-exporteurs criterium 4 (omrekening van munteenheden tegen de marktkoers) onderzocht.

(64)

Geen van de negentien betrokken producenten-exporteurs voldeed aan de voorwaarden van artikel 9, lid 5, van de basisverordening vóór wijziging, zodat aan geen van deze ondernemingen IB werd toegekend. De Commissie heeft de betrokken producenten-exporteurs daarvan in kennis gesteld en hen uitgenodigd opmerkingen te maken. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen.

(65)

Het residuele antidumpingrecht ten aanzien van China en Vietnam, van respectievelijk 16,5 % en 10 %, moet derhalve worden ingesteld op de uitvoer van de negentien betrokken producenten-exporteurs voor de periode waarin Verordening (EG) nr. 1472/2006 van toepassing was. De toepassingsperiode van die verordening liep oorspronkelijk van 7 oktober 2006 tot 7 oktober 2008. Na de opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen werd die termijn op 30 december 2009 verlengd tot en met 31 maart 2011. De in de arresten geconstateerde onwettigheid bestaat in het feit dat de instellingen van de Unie hebben nagelaten te bepalen of de door de betrokken producenten-exporteurs vervaardigde producten moeten worden onderworpen aan het residuele antidumpingrecht of aan een individueel recht. Gelet op de door het Hof geconstateerde onwettigheid is er geen rechtsgrond om de producten van de betrokken producenten-exporteurs volledig vrij te stellen van de betaling van antidumpingrechten. In een nieuwe handeling waarmee de door het Hof geconstateerde onwettigheid wordt verholpen, moeten bijgevolg niet de maatregelen als zodanig, maar alleen het toepasselijke antidumpingrecht opnieuw worden beoordeeld.

(66)

Aangezien de conclusie luidt dat ten aanzien van de betrokken producenten-exporteurs opnieuw de residuele rechten voor China en Vietnam moeten worden ingesteld met handhaving van het oorspronkelijk bij de litigieuze verordening en bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 vastgestelde tarief, hoeft Verordening (EG) nr. 388/2008 niet te worden gewijzigd. Die verordening blijft van kracht.

C.   CONCLUSIES

(67)

Op basis van de gemaakte opmerkingen en de analyse daarvan wordt geconcludeerd dat het voor China en Vietnam geldende residuele antidumpingrecht, d.w.z. respectievelijk 16,5 % en 10 %, opnieuw moet worden ingesteld voor de periode gedurende welke de litigieuze verordening van toepassing was.

D.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(68)

De betrokken producenten-exporteurs en alle belanghebbenden die zich kenbaar hadden gemaakt, zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was aan te bevelen om het definitieve antidumpingrecht ten aanzien van de uitvoer afkomstig van de negentien betrokken producenten-exporteurs opnieuw in te stellen. Zij konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen ten aanzien van de mededeling van feiten en overwegingen.

E.   OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN NA DE MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(69)

Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de Commissie opmerkingen ontvangen namens i) FESI en de Footwear Coalition (24), als vertegenwoordigers van de importeurs van schoeisel in de Unie, en ii) Cortina NV („Cortina”), een importeur van schoeisel in de Unie.

(70)

In hun opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van feiten en overwegingen hebben FESI en de Footwear Coalition eerst opgemerkt dat de huidige uitvoeringsverordening is gebaseerd op dezelfde rechtsgrondslag en motivering als de eerder door de Commissie vastgestelde verordeningen met betrekking tot dezelfde uitvoeringsprocedure, te weten de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1395, (EU) 2016/1647, (EU) 2016/1731 en (EU) 2016/2257. In hun antwoord op de mededeling van feiten en overwegingen hebben zij derhalve verwezen naar de opmerkingen die zij in verband met voornoemde verordeningen op 16 december 2015, respectievelijk 6 juni 2016, 16 juni 2016 en 11 augustus 2016 hadden ingediend, en hebben zij deze opmerkingen door middel van verwijzing in hun antwoord opgenomen, maar zonder die opmerkingen en argumenten te specificeren.

(71)

In antwoord op deze opmerkingen verwijst de Commissie naar de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1395, (EU) 2016/1647, (EU) 2016/1731 en (EU) 2016/2257, waarin uitvoerig werd ingegaan op de opmerkingen die FESI en de Footwear Coalition thans in het kader van de huidige uitvoeringsverordening formuleren. Aangezien FESI en de Footwear Coalition hun argumenten niet verder hebben uitgewerkt, is de Commissie van oordeel dat die met de voornoemde verordeningen volledig zijn beantwoord; de conclusies die in dit verband in die verordeningen zijn getrokken, worden hierbij bevestigd.

(72)

Daarnaast hebben FESI en de Footwear Coalition opmerkingen gemaakt die hieronder in detail worden behandeld.

Status van de in bijlage III vermelde ondernemingen

(73)

FESI en de Footwear Coalition hebben aangevoerd dat de Commissie ten aanzien van de in bijlage III vermelde ondernemingen een onwettige aanpak heeft gevolgd. Door in bijlage III ondernemingen op te nemen die zijn verbonden met ondernemingen die zij reeds had beoordeeld in het kader van haar Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1395, (EU) 2016/1647, (EU) 2016/1731 of (EU) 2016/2257, heeft de Commissie gehandeld in strijd met het begrip „één economische eenheid” dat zij in het oorspronkelijke onderzoek had toegepast. Bovendien zou een dergelijke aanpak juridische inconsistenties meebrengen, aangezien de Commissie via de bovengenoemde verordeningen opnieuw antidumpingrechten heeft ingesteld ten aanzien van deze ondernemingen, terwijl die in bijlage III zijn opgenomen als ondernemingen die blijkbaar geen verzoek om BMO/IB in het kader van het oorspronkelijke onderzoek hebben ingediend.

(74)

Niet-verbonden handelaren hoefden hoe dan ook niet in bijlage III te worden vermeld, aangezien zij niet wettelijk verplicht waren in de loop van het oorspronkelijke onderzoek om een BMO/IB te verzoeken.

(75)

Ten slotte hebben FESI en de Footwear Coalition betoogd dat de met Chinese of Vietnamese leveranciers verbonden ondernemingen die in het oorspronkelijke onderzoek om een BMO/IB hadden verzocht, maar nog niet in een van de in overweging 63 genoemde verordeningen in het kader van de uitvoering van de in overweging 12 bedoelde arresten zijn beoordeeld, evenmin in bijlage III hadden moeten worden opgenomen. Volgens hen zou een dergelijke aanpak de Commissie met name beletten om in de toekomst elk verzoek om BMO/IB van de zijde van hun verbonden leveranciers in China en Vietnam te beoordelen. Ook zou de Commissie verplicht zijn na te gaan welke ondernemingen/handelaren die op de lijst van door de nationale douaneautoriteiten aangemelde ondernemingen staan, tot dezelfde groep van ondernemingen behoren, en vast te stellen of zij deel uitmaken van een van de Chinese of Vietnamese producenten-exporteurs die in de loop van het oorspronkelijke onderzoek een BMO-/IB-verzoek hadden ingediend, maar tijdens dat onderzoek niet in de steekproef zijn opgenomen. Anders zou de Commissie de belanghebbenden een onmogelijke bewijslast opleggen.

(76)

Zoals vermeld in overweging 34, hebben FESI en de Footwear Coalition na de mededeling van feiten en overwegingen vastgesteld dat er inderdaad met Chinese of Vietnamese producenten-exporteurs verbonden ondernemingen waren die tijdens het oorspronkelijke onderzoek een BMO-/IB-verzoek hadden ingediend, maar die niet in de steekproef waren opgenomen en evenmin waren beoordeeld in het kader van de eerdere uitvoeringsverordeningen die worden vermeld in de overwegingen 18 tot en met 20 en 25. De informatie van deze belanghebbenden is bevestigd door de informatie in het dossier, zodat de door deze ondernemingen ingediende verzoeken om BMO/IB zullen worden beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling zal het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke rechtshandeling. Het verzoek ten aanzien van deze ondernemingen werd dus ingewilligd en die ondernemingen worden niet in bijlage III vermeld.

(77)

Wat de handelaren betreft die om terugbetaling van de betaalde rechten hebben verzocht (al dan niet verbonden met Chinese of Vietnamese leveranciers), is de Commissie van oordeel dat de bewijslast op deze handelaren rust.

(78)

Geen van de in bijlage III vermelde handelaren heeft evenwel informatie of bewijs verstrekt met betrekking tot zijn leveranciers in China of Vietnam (met uitzondering van die bedoeld in overweging 76).

(79)

De Commissie erkent evenwel dat mogelijkerwijs niet alle importeurs die schoeisel bij die handelaren hebben gekocht, wisten dat zij de Commissie de namen moesten meedelen van de producenten-exporteurs van wie die handelaren hun schoeisel betrokken. Om te waarborgen dat hun recht van verweer volledig wordt geëerbiedigd, heeft de Commissie derhalve besloten om specifiek contact met de betrokken importeurs op te nemen en hen van hun situatie op de hoogte te brengen en bewust te maken van hun bewijslast. Om hiervoor voldoende tijd te hebben, wordt het onderzoek van de in bijlage III vermelde ondernemingen tijdelijk opgeschort totdat de Commissie contact heeft opgenomen met de betrokken importeurs en hun de tijd heeft gegeven om te reageren. De termijn van acht maanden voor de beoordeling van de verzoeken om BMO/IB zal ingaan op de dag waarop de importeur de Commissie de namen en adressen van de betrokken producenten-exporteurs meedeelt of, wanneer geen antwoord wordt ontvangen binnen de door de Commissie bepaalde termijn, op de dag waarop die termijn verstrijkt.

Opschorting van de lopende uitvoering

(80)

FESI en de Footwear Coalition hebben tevens betoogd dat de Commissie in het belang van de rechtszekerheid geen verdere rechtshandelingen moet vaststellen en bekendmaken met betrekking tot de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, zolang het Hof geen uitspraak heeft gedaan in de aanhangige prejudiciële zaken betreffende de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 (zie overweging 23), Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 (zie overweging 19) en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 (zie overweging 20). In dit verband hebben zij aangevoerd dat artikel 278 VWEU, dat bepaalt dat juridische stappen tegen door de instellingen vastgestelde rechtshandelingen geen opschortende werking hebben, in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat niet wordt gevraagd om de toepassing van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 op te schorten, maar om geen verdere verordeningen vast te stellen waarbij opnieuw definitieve antidumpingrechten worden ingesteld op uit China en Vietnam ingevoerd schoeisel. Om dezelfde redenen achtten zij ook de arresten Zuckerfabrik Süderdithmarschen/Altana geen juridisch relevant referentiekader.

(81)

Wat artikel 278 VWEU en de arresten Zuckerfabrik Süderdithmarschen/Altana betreft, is de Commissie het met FESI en de Footwear Coalition eens dat deze rechtspraak niet relevant is voor de beoordeling of de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 al dan niet moet worden opgeschort. De Commissie is echter van oordeel dat zij verplicht is om dat arrest binnen een redelijke termijn uit te voeren en dat nog aanhangige procedures met betrekking tot eerdere handelingen tot uitvoering van dat arrest geen geldige reden vormen om geen volledige uitvoering aan het arrest te geven. Door het arrest niet volledig uit te voeren, zou zij met name andere belanghebbenden dan FESI en de Footwear Coalition de mogelijkheid ontnemen hun rechten in het kader van de administratieve procedure en een eventuele gerechtelijke procedure uit te oefenen.

(82)

Met betrekking tot de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 hebben FESI en de Footwear Coalition aangevoerd dat aan deze verordeningen en aan elke nieuwe verordening betreffende het opnieuw instellen van definitieve rechten op schoeisel van oorsprong uit China en Vietnam dezelfde rechtsgrondslag en dezelfde aanpak en redenering van de Commissie ten grondslag liggen, zodat de nietigverklaring van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2016/1647 en (EU) 2016/1731 ook zou inhouden dat elke latere soortgelijke verordening eveneens ongeldig zou zijn. Uit de benadering van de Commissie zou derhalve geen uitvoering te goeder trouw blijken bij het arrest in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, C & J Clark International en Puma, dat in overweging 12 wordt genoemd.

(83)

Ten slotte hebben FESI en de Footwear Coalition betoogd dat voor de uitvoering van bovenbedoeld arrest geen door het Hof van Justitie gestelde termijn zou gelden en dat de uitvoering daarvan negatieve gevolgen zou hebben voor de importeurs in de Unie, maar anderzijds geen enkel financieel voordeel voor de Unie zou meebrengen. Om deze redenen zou de Commissie geen uitvoering aan het arrest moeten geven, in afwachting van de uitkomst van de bij het Hof aanhangige zaken die worden genoemd in overweging 80.

(84)

De Commissie verwijst naar de in overweging 81 uiteengezette redenen.

Procedurele vereisten voor de beoordeling van BMO- en IB-verzoeken

(85)

FESI en de Footwear Coalition hebben aangevoerd dat de bewijslast bij de beoordeling van verzoeken om BMO/IB bij de Commissie ligt, omdat de Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs aan de bewijslast hadden voldaan door in de loop van het oorspronkelijke onderzoek BMO-/IB-verzoeken in te dienen. Ook hadden de producenten-exporteurs op wie de huidige uitvoeringsverordening betrekking heeft dezelfde procedurele rechten moeten krijgen als de tijdens het oorspronkelijke onderzoek in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Met name waren er enkel controles op stukken in plaats van controlebezoeken ter plaatse uitgevoerd, en de Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs was geen enkele gelegenheid geboden om hun BMO-/IB-verzoek aan te vullen naar aanleiding van schriftelijke aanmaningen tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens.

(86)

Verder hebben FESI en de Footwear Collection verklaard dat de producenten-exporteurs op wie deze uitvoeringsverordening betrekking heeft niet dezelfde procedurele waarborgen genoten als die welke in standaardantidumpingonderzoeken worden toegepast, maar dat strengere normen werden gehanteerd. Volgens hen heeft de Commissie geen rekening gehouden met de tijd die is verstreken tussen het indienen van de verzoeken om BMO/IB in het oorspronkelijke onderzoek en de beoordeling van die verzoeken. Daarenboven kregen de producenten-exporteurs tijdens het oorspronkelijke onderzoek slechts 15 dagen de tijd om hun verzoeken om BMO/IB in te vullen, in plaats van de gebruikelijke 21 dagen.

(87)

Op basis hiervan hebben FESI en de Footwear Coalition aangevoerd dat het fundamentele rechtsbeginsel dat belanghebbenden hun recht van verweer ten volle moeten kunnen uitoefenen, dat is neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet is geëerbiedigd. Volgens hen heeft de Commissie derhalve, door de producenten-exporteurs niet in de gelegenheid te stellen onvolledige informatie aan te vullen, misbruik van bevoegdheid gemaakt en de bewijslast in de fase van de uitvoering in feite omgekeerd.

(88)

Ten slotte zou deze benadering niet alleen discriminerend zijn jegens de Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs die in het oorspronkelijke onderzoek in de steekproef waren opgenomen, maar ook jegens andere producenten-exporteurs in landen zonder markteconomie die voorwerp waren van een antidumpingonderzoek en in het kader van dat onderzoek verzoeken om BMO/IB hadden ingediend. Daarom zouden voor de Chinese en Vietnamese ondernemingen waarop de huidige uitvoeringsverordening betrekking heeft, niet dezelfde vereisten voor informatieverstrekking als bij een normaal onderzoek van 15 maanden moeten gelden en zouden op hen geen strengere procedurele normen van toepassing mogen zijn.

(89)

FESI en de Footwear Coalition hebben eveneens aangevoerd dat de Commissie feitelijk de beschikbare gegevens in de zin van artikel 18, lid 1, van de basisverordening heeft toegepast, maar zich daarbij niet heeft gehouden aan de procedureregels van artikel 18, lid 4, van de basisverordening.

(90)

De Commissie herinnert eraan dat de bewijslast volgens de rechtspraak overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening rust op de producent die een BMO-/IB-verzoek indient. Daartoe wordt in artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, bepaald dat het door een dergelijke producent ingediende verzoek voldoende bewijs moet bevatten van het feit dat de producent op marktvoorwaarden opereert als bedoeld in dat lid. Zoals het Hof in de arresten Brosmann en Aokang heeft vastgesteld, hoeven de instellingen derhalve niet te bewijzen dat de producent niet voldoet aan de voorwaarden om voor behandeling als marktgerichte onderneming in aanmerking te komen. Het staat daarentegen aan de Commissie om te beoordelen of het door de betrokken producent geleverde bewijs volstaat om aan te tonen dat is voldaan aan de in artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, van de basisverordening vastgestelde criteria voor het verlenen van een BMO/IB (zie overweging 48). In dat verband zij erop gewezen dat de Commissie niet verplicht is de producent-exporteur te verzoeken zijn BMO-/IB-verzoek met nadere informatie aan te vullen. Zij kan haar beoordeling baseren op de door de producent-exporteur ingediende informatie.

(91)

Met betrekking tot het argument dat enkel controles op stukken zijn uitgevoerd, merkt de Commissie op dat het bij de controle op stukken om een procedure gaat waarbij de verzoeken om BMO/IB worden geanalyseerd op basis van de door de producent-exporteur ingediende documenten. Alle verzoeken om BMO/IB worden onderworpen aan een controle op stukken door de Commissie. De Commissie kan bovendien besluiten inspecties ter plaatse uit te voeren. Inspecties ter plaatse zijn echter niet verplicht en worden evenmin voor elk verzoek om BMO/IB uitgevoerd. Als inspecties ter plaatse worden uitgevoerd, hebben zij gewoonlijk tot doel een bepaalde voorlopige beoordeling door de instellingen te bevestigen en/of de juistheid van de door de betrokken producent-exporteur verstrekte inlichtingen na te gaan. Met andere woorden, indien uit de door de producent-exporteur overgelegde bewijzen duidelijk blijkt dat een BMO/IB niet gerechtvaardigd is, blijft de aanvullende en facultatieve fase van inspecties ter plaatse doorgaans achterwege. Het staat aan de Commissie te beoordelen of een controlebezoek nuttig is (25). Zij heeft een discretionaire bevoegdheid om te beslissen hoe de informatie in een BMO-/IB-verzoek wordt gecontroleerd. Wanneer de Commissie dus, zoals in het onderhavige geval, aan de hand van een controle op stukken vaststelt dat zij over voldoende bewijs beschikt om over een BMO-/IB-verzoek te kunnen beslissen, is een controlebezoek niet noodzakelijk en kan dit niet worden verlangd.

(92)

Met betrekking tot het argument dat het recht van verweer niet naar behoren is geëerbiedigd doordat de Commissie heeft besloten geen schriftelijke aanmaningen tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens te versturen, dient in de eerste plaats in herinnering te worden gebracht dat het recht van verweer een subjectief recht is en dat FESI en de Footwear Coalition zich niet kunnen beroepen op schending van een subjectief recht van andere ondernemingen. In de tweede plaats betwist de Commissie dat het gebruikelijk is dat aanzienlijke hoeveelheden informatie worden uitgewisseld en dat op getailleerde wijze ontbrekende gegevens worden aangevuld wanneer alleen een controle op stukken plaatsvindt, in tegenstelling tot de situatie waarin een controle op stukken gepaard gaat met een verificatie ter plaatse. FESI en de Footwear Coalition hebben geen bewijs van het tegendeel kunnen leveren.

(93)

De opmerkingen van FESI en de Footwear Coalition over discriminatie zijn eveneens ongegrond. Er wordt aan herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling wordt geschonden wanneer de instellingen van de Unie vergelijkbare situaties verschillend behandelen en daardoor bepaalde marktdeelnemers ten opzichte van andere benadelen, zonder dat dit onderscheid in behandeling door het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht wordt gerechtvaardigd (26). Dat doet de Commissie nu juist niet: door van de niet in de steekproef opgenomen Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs te verlangen dat zij met het oog op een herbeoordeling verzoeken om BMO/IB indienen, is zij voornemens deze voordien niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te behandelen op gelijke voet met hen die wel in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek waren opgenomen. Aangezien de basisverordening in dit verband niet in een minimumtermijn voorziet, is er bovendien geen sprake van discriminatie zolang de betrokken termijn redelijk is en de partijen voldoende gelegenheid geeft om de noodzakelijke informatie (opnieuw) te verzamelen, en tegelijkertijd hun recht van verweer wordt veiliggesteld.

(94)

Wat artikel 18, lid 1, van de basisverordening betreft, heeft de Commissie in dit geval de door de betrokken producenten-exporteurs verstrekte informatie aanvaard, heeft zij deze informatie niet verworpen en heeft zij haar beoordeling erop gebaseerd. Bijgevolg heeft de Commissie artikel 18 niet toegepast. De procedure van artikel 18, lid 4, van de basisverordening hoefde dan ook niet te worden gevolgd. De procedure van artikel 18, lid 4, wordt gevolgd wanneer de Commissie van plan is bepaalde door de belanghebbende verstrekte informatie te verwerpen en in de plaats daarvan de beschikbare gegevens te gebruiken.

Rechtsgrondslag voor het heropenen van het onderzoek

(95)

FESI en de Footwear Coalition hebben aangevoerd dat de Commissie zou handelen in strijd met artikel 266 VWEU, aangezien dit artikel haar niet de rechtsgrondslag voor het heropenen van het onderzoek in verband met een vervallen maatregel biedt. Zij hebben er nogmaals op gewezen dat het op grond van artikel 266 VWEU niet is toegestaan met terugwerkende kracht antidumpingrechten in te stellen, wat ook zou worden bevestigd door het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-458/98 P, Industrie des poudres sphériques/Raad.

(96)

Volgens hen is de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van schoeisel uit China en Vietnam met het vervallen van de maatregelen op 31 maart 2011 beëindigd. Daartoe had de Commissie op 16 maart 2011 een bericht van het vervallen van de rechten bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (27) („bericht van het vervallen van maatregelen”); de bedrijfstak van de Unie had geen melding gemaakt van voortzetting van dumping en het bericht van het vervallen van maatregelen is evenmin ongeldig verklaard bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(97)

Voorts biedt ook de basisverordening geen rechtsgrondslag om het antidumpingonderzoek te heropenen.

(98)

In deze context hebben zij verder aangevoerd dat de hervatting van het onderzoek en de beoordeling van de verzoeken om BMO/IB die de betrokken Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs in het oorspronkelijke onderzoek hebben ingediend, in strijd zijn met het universele beginsel van verjaring of verval. Dit beginsel is neergelegd in de WTO-overeenkomst en in de basisverordening die voorzien in een geldigheidsduur van vijf jaar voor de maatregelen, en in artikel 236, lid 1, en artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek die voorzien in een periode van drie jaar waarbinnen enerzijds de importeurs kunnen verzoeken om terugbetaling van antidumpingrechten en anderzijds de nationale douaneautoriteiten invoerrechten en antidumpingrechten kunnen heffen (28). Artikel 266 VWEU staat geen afwijking van dit beginsel toe.

(99)

Ten slotte is betoogd dat de Commissie geen redenen of eerdere rechtspraak heeft aangevoerd ter onderbouwing van het gebruik van artikel 266 VWEU als rechtsgrondslag voor het heropenen van de procedure.

(100)

Wat het ontbreken van een rechtsgrondslag voor het heropenen van het onderzoek betreft, verwijst de Commissie naar de rechtspraak die wordt geciteerd in overweging 15, volgens welke zij het onderzoek mag hervatten op het precieze punt waarop de onwettigheid zich heeft voorgedaan. Volgens de rechtspraak moet de wettigheid van een antidumpingverordening worden beoordeeld in het licht van de objectieve regels van het recht van de Unie en niet in het licht van een besluitvormingspraktijk, zelfs wanneer die zou bestaan (wat hier niet het geval is). Derhalve kan de eerdere praktijk van de Commissie, waarvan hier geen sprake is, geen gewettigd vertrouwen wekken: volgens vaste rechtspraak van het Hof kan het gewettigd vertrouwen alleen worden gewekt wanneer de instellingen nauwkeurige toezeggingen hebben gedaan waaruit een belanghebbende op goede gronden kan afleiden dat de instellingen van de Unie op een bepaalde manier zouden handelen (29). Noch FESI noch de Footwear Coalition heeft getracht aan te tonen dat in casu dergelijke toezeggingen zijn gedaan. Dat geldt des te meer omdat de genoemde eerdere praktijk niet overeenkomt met de feitelijke en juridische situatie van de huidige zaak en de verschillen kunnen worden verklaard aan de hand van feitelijke en juridische verschillen met de huidige zaak.

(101)

Het gaat om de volgende verschillen: de door het Hof geconstateerde onwettigheid heeft geen betrekking op de bevindingen inzake dumping, schade en belang van de Unie, en dus ook niet op het beginsel van de instelling van rechten, maar alleen op de precieze hoogte van die rechten. De eerdere nietigverklaringen waarop de belanghebbenden zich beroepen, hadden daarentegen wel betrekking op de bevindingen inzake dumping, schade en belang van de Unie. Het is de instellingen dus toegestaan de precieze hoogte van de rechten voor de betrokken producenten-exporteurs te herberekenen.

(102)

Met name was het in de onderhavige zaak niet nodig om de belanghebbenden om aanvullende informatie te verzoeken. De Commissie moest in de plaats daarvan informatie beoordelen die weliswaar was verstrekt maar niet was beoordeeld vóór de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1472/2006. Zoals opgemerkt in overweging 100, houdt de praktijk in vorige zaken hoe dan ook geen precieze en onvoorwaardelijke toezegging in voor de huidige zaak.

(103)

Ten slotte zijn alle partijen waartegen de procedure is gericht, namelijk de betrokken producenten-exporteurs, de partijen in de rechtszaken en de vereniging die één van die partijen vertegenwoordigt, via de mededeling van feiten en overwegingen op de hoogte gebracht van de relevante feiten waarop de Commissie zich wil baseren om de huidige BMO/IB-beoordeling aan te nemen. Hun recht van verweer wordt dus geëerbiedigd. In dit verband moet in het bijzonder worden opgemerkt dat niet-verbonden importeurs in een antidumpingprocedure geen recht van verweer genieten aangezien die procedure niet tegen hen is gericht.

(104)

Wat het argument betreft dat de maatregelen in kwestie op 31 maart 2011 zijn vervallen, ziet de Commissie niet in waarom het vervallen van de maatregelen zou verhinderen dat de Commissie na een arrest waarbij de oorspronkelijke handeling nietig werd verklaard, een nieuwe handeling vaststelt ter vervanging van de nietig verklaarde handeling. Volgens de rechtspraak waarnaar in overweging 15 wordt verwezen, moet de administratieve procedure worden hervat op het punt waarop de onwettigheid zich heeft voorgedaan.

(105)

Als gevolg van de nietigverklaring van de tot besluit van de procedure vastgestelde rechtshandeling is de antidumpingprocedure nog hangende. De Commissie is verplicht die procedure af te sluiten; in artikel 9, lid 4, van de basisverordening wordt bepaald dat een onderzoek door een besluit van de Commissie wordt afgesloten.

Artikel 236 van het communautair douanewetboek

(106)

FESI en de Footwear Coalition hebben tevens aangevoerd dat de procedure voor het heropenen van het onderzoek en het met terugwerkende kracht instellen van antidumpingrechten neerkomt op misbruik van bevoegdheid door de Commissie en in strijd is met het Verdrag betreffende de Europese Unie. Volgens hen is de Commissie niet bevoegd tussenbeide te komen in de toepassing van artikel 236, lid 1, van het communautair douanewetboek door de terugbetaling van de antidumpingrechten te beletten. Het stond aan de nationale douaneautoriteiten om de consequenties te trekken uit een nietigverklaring van een handeling waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, en die autoriteiten zouden tevens verplicht zijn die rechten terug te betalen die door het Hof ongeldig waren verklaard.

(107)

In dit verband staat volgens FESI en de Footwear Coalition artikel 14, lid 3, van de basisverordening de Commissie niet toe af te wijken van artikel 236 van het communautair douanewetboek, aangezien de basisverordening en het douanewetboek regelingen van gelijke orde zijn, en de basisverordening niet kan worden beschouwd als een lex specialis van het communautair douanewetboek.

(108)

Voorts, zo voegen zij hieraan toe, verwijst artikel 14, lid 3, van de basisverordening niet naar artikel 236 van het communautair douanewetboek en bepaalt het alleen dat de Commissie bijzondere bepalingen kan vaststellen, maar geen afwijkingen van het communautair douanewetboek.

(109)

In antwoord hierop moet worden benadrukt dat artikel 14, lid 1, van de basisverordening de bepalingen met betrekking tot de douanewetgeving van de Unie niet automatisch van toepassing verklaart op de instelling van individuele antidumpingrechten (30). Integendeel, artikel 14, lid 3, van de basisverordening verleent de instellingen van de Unie het recht de bepalingen met betrekking tot de douanewetgeving van de Unie, waar nodig en zinvol, om te zetten en toepasselijk te maken (31).

(110)

Voor deze omzetting is niet vereist dat alle bepalingen van de douanewetgeving van de Unie volledig worden toegepast. Artikel 14, lid 3, van de basisverordening voorziet uitdrukkelijk in de vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen”; dit is een goed voorbeeld van een afwijking van de bepalingen van de douanewetgeving van de Unie. Op basis hiervan heeft de Commissie gebruikgemaakt van de uit artikel 14, lid 3, van de basisverordening voortvloeiende bevoegdheden en van de nationale douaneautoriteiten verlangd dat zij tijdelijk geen enkele terugbetaling verrichten. Dit laat de exclusieve bevoegdheid van de nationale douaneautoriteiten met betrekking tot geschillen over douaneschulden onverlet: de beslissingsbevoegdheid blijft bij de douaneautoriteiten van de lidstaten. Zij beslissen nog steeds op basis van de conclusies van de Commissie ten aanzien van de verzoeken om BMO en IB of al dan niet terugbetaling moet worden toegestaan.

(111)

Hoewel niets in de douanewetgeving van de Unie in de weg kan staan aan de terugbetaling van ten onrechte betaalde douanerechten, kan dit met zoveel woorden dus niet worden gezegd met betrekking tot de terugbetaling van antidumpingrechten. Derhalve, en gezien de algemene noodzaak om de eigen middelen van de Unie te beschermen tegen ongegronde verzoeken om terugbetaling en de daarmee verband houdende moeilijkheid om onterechte terugbetalingen vervolgens terug te vorderen, kon de Commissie niet anders dan tijdelijk afwijken van de douanewetgeving van de Unie door gebruik te maken van haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 14, lid 3, van de basisverordening.

Ontbreken van rechtsgrondslag

(112)

FESI en de Footwear Coalition hebben eveneens aangevoerd dat de Commissie in strijd met artikel 296 VWEU heeft nagelaten een passende motivering te geven en evenmin de rechtsgrondslag heeft vermeld op basis waarvan de rechten met terugwerkende kracht opnieuw zijn ingesteld en de terugbetaling van de rechten is geweigerd aan de importeurs op wie de huidige uitvoeringsverordening betrekking heeft. Derhalve heeft de Commissie volgens hen het recht van de belanghebbenden op doeltreffende rechterlijke bescherming geschonden.

(113)

De Commissie is van oordeel dat de uitgebreide juridische onderbouwing in het algemene informatiedocument en in deze verordening een afdoende motivering van deze verordening vormt.

Gewettigd vertrouwen

(114)

FESI en de Footwear Coalition hebben voorts aangevoerd dat het met terugwerkende kracht corrigeren van vervallen maatregelen in strijd is met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. FESI heeft in de eerste plaats verklaard dat de partijen, met inbegrip van de importeurs, de zekerheid hadden gekregen dat de maatregelen op 31 maart 2011 zouden vervallen en dat de partijen — gezien de tijd die was verstreken sinds het oorspronkelijke onderzoek — er op goede gronden van mochten uitgaan dat het oorspronkelijke onderzoek niet zou worden hervat of heropend. Zo mochten ook de Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs er op goede gronden op vertrouwen dat hun in het kader van het oorspronkelijke onderzoek ingediende verzoeken om BMO/IB niet meer door de Commissie zouden worden onderzocht, alleen al omdat deze verzoeken niet waren beoordeeld binnen de termijn van drie maanden die daarvoor in het oorspronkelijke onderzoek geldt.

(115)

Wat het gewettigd vertrouwen van de belanghebbenden betreft dat de antidumpingmaatregelen zijn vervallen en dat het onderzoek niet meer zal worden heropend, wordt verwezen naar de overwegingen 104 en 105, waarin deze argumenten in detail zijn behandeld.

(116)

Wat het gewettigd vertrouwen van de Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs betreft dat hun verzoeken om BMO/IB niet meer zullen worden onderzocht, wordt verwezen naar overweging 100, waarin dit argument tevens is behandeld in het licht van de rechtspraak van het Hof op dit gebied.

Beginsel van non-discriminatie

(117)

FESI en de Footwear Coalition hebben verklaard dat door de retroactieve instelling van antidumpingmaatregelen i) de importeurs op wie de huidige uitvoeringsverordening betrekking heeft, worden gediscrimineerd ten opzichte van de importeurs op wie de uitvoering van de arresten Brosmann en Aokang (genoemd in overweging 6) betrekking heeft en aan wie de rechten die zijn betaald op de invoer van schoeisel afkomstig van de vijf producenten-exporteurs op wie deze arresten eveneens betrekking hebben, zijn terugbetaald, en ii) de producenten-exporteurs op wie de huidige uitvoeringsverordening betrekking heeft, worden gediscrimineerd ten opzichte van de vijf producenten-exporteurs op wie de uitvoering van de arresten Brosmann en Aokang eveneens betrekking heeft en die ingevolge Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU aan geen enkel recht waren onderworpen.

(118)

Wat het argument inzake discriminatie betreft, wijst de Commissie eerst op de voorwaarden die moeten zijn vervuld om van discriminatie te kunnen spreken, zoals uiteengezet in overweging 93.

(119)

Vervolgens merkt zij op dat het verschil tussen de importeurs op wie de huidige uitvoeringsverordening betrekking heeft en de importeurs op wie de uitvoering van de arresten Brosmann en Aokang betrekking heeft, is dat de laatstbedoelde importeurs, anders dan de eerstbedoelde importeurs, hebben besloten Verordening (EG) nr. 1472/2009 voor het Gerecht aan te vechten.

(120)

Een besluit van een instelling van de Unie dat niet binnen de in artikel 263, zesde alinea, VWEU gestelde termijn is aangevochten door degene tot wie het is gericht, wordt te zijnen aanzien definitief. Deze regel is met name gebaseerd op de overweging dat beroepstermijnen de rechtszekerheid beogen te waarborgen door te voorkomen dat handelingen van de Unie die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in geding kunnen worden gebracht (32).

(121)

Dit procesrechtelijke beginsel van Unierecht leidt onvermijdelijk tot twee groepen: zij die zijn opgekomen tegen een handeling van de Unie en daardoor mogelijk in een gunstige positie zijn terechtgekomen (zoals Brosmann en de vier overige producenten-exporteurs), en zij die dat niet hebben gedaan. Dit betekent evenwel niet dat de Commissie de twee partijen ongelijk heeft behandeld en daardoor het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden. Door te kennen te geven dat een partij tot deze laatste categorie behoort vanwege een bewuste beslissing om niet tegen een handeling van de Unie op te komen, wordt deze groep niet gediscrimineerd.

(122)

Alle belanghebbenden hebben dus te allen tijde rechterlijke bescherming genoten voor de rechterlijke instanties van de Unie.

(123)

Aangaande de vermeende discriminatie van de producenten-exporteurs op wie de huidige uitvoeringsverordening betrekking heeft en die ingevolge Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU aan geen enkel recht waren onderworpen, moet worden opgemerkt dat het besluit van de Raad om niet opnieuw rechten in te stellen duidelijk is genomen met het oog op de bijzondere omstandigheden van de specifieke situatie zoals die bestond op het tijdstip waarop de Commissie haar voorstel voor het opnieuw instellen van die rechten heeft ingediend, in het bijzonder dat de desbetreffende antidumpingrechten reeds waren terugbetaald, en voor zover de oorspronkelijke mededeling van de schuld aan de betrokken schuldenaar in het verlengde van de arresten Brosmann en Aokang was ingetrokken. Volgens de Raad had deze terugbetaling bij de betrokken importeurs een gewettigd vertrouwen gewekt. Aangezien er geen vergelijkbare terugbetaling aan andere importeurs heeft plaatsgevonden, bevinden deze zich niet in een situatie die vergelijkbaar is met de situatie van de importeurs op wie het besluit van de Raad betrekking heeft.

(124)

Hoe dan ook kan het feit dat de Raad ervoor heeft gekozen op een bepaalde manier te handelen, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval dat aan hem is voorgelegd, de Commissie er niet toe verplichten om op precies dezelfde wijze uitvoering aan een ander arrest te geven.

Bevoegdheid van de Commissie om definitieve antidumpingmaatregelen in te stellen

(125)

Bovendien hebben FESI en de Footwear Coalition aangevoerd dat de Commissie in het kader van de huidige uitvoering niet bevoegd is tot vaststelling van de verordening waarbij met terugwerkende kracht een antidumpingrecht wordt ingesteld, en dat deze bevoegdheid hoe dan ook aan de Raad zou toekomen. Wordt namelijk het onderzoek hervat op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan, dan moeten ook dezelfde regels worden toegepast als bij het oorspronkelijke onderzoek, in het kader waarvan de Raad definitieve maatregelen heeft aangenomen. Overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad (33) (ook „algemene handelswet I” genoemd) is de nieuwe besluitvormingsprocedure op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek in de onderhavige context niet van toepassing, aangezien vóór de inwerkingtreding van de algemene handelswet I i) de Commissie reeds een handeling had vastgesteld (de voorlopige verordening), ii) de raadplegingen die waren vereist krachtens Verordening (EG) nr. 384/96, waren begonnen en beëindigd, en iii) de Commissie reeds een voorstel had aangenomen voor een verordening van de Raad tot vaststelling van definitieve maatregelen. Op basis hiervan concludeerden FESI en de Footwear Coalition dat de besluitvormingsprocedures van vóór de inwerkingtreding van de algemene handelswet I moesten worden toegepast.

(126)

Dat argument is echter toegespitst op de datum van opening van het onderzoek (die inderdaad relevant is wat de overige inhoudelijke wijzigingen betreft die in de basisverordening zijn aangebracht), maar gaat eraan voorbij dat Verordening (EU) nr. 37/2014 een ander criterium (namelijk de inleiding van de bij het vaststellen van maatregelen te volgen procedure) hanteert. Het standpunt van FESI en de Footwear Coalition is derhalve gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de overgangsbepaling in Verordening (EU) nr. 37/2014.

(127)

Gezien de vermelding van „procedures die zijn ingeleid voor de vaststelling van maatregelen” in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 37/2014, waarin de overgangsbepalingen voor de wijzigingen in de besluitvormingsprocedures voor de vaststelling van antidumpingmaatregelen zijn opgenomen, en gezien de betekenis van het begrip „procedure” in de basisverordening voor een onderzoek dat werd geopend vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 37/2014, maar in het kader waarvan de Commissie het relevante comité nog niet had geraadpleegd met het oog op de vaststelling van maatregelen vóór die inwerkingtreding, zijn namelijk op de procedure voor de vaststelling van bovengenoemde antidumpingmaatregelen de nieuwe bepalingen van toepassing. Dat geldt ook voor procedures waarbij maatregelen op basis van de oude bepalingen zijn ingesteld en opnieuw worden onderzocht, of voor maatregelen waarbij op basis van de oude bepalingen voorlopige rechten zijn ingesteld, maar de procedure voor de vaststelling van definitieve maatregelen bij de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 37/2014 nog niet was begonnen. Anders gezegd, Verordening (EU) nr. 37/2014 is van toepassing op een specifieke „procedure voor vaststelling” en niet op de gehele duur van een bepaald onderzoek of zelfs een bepaalde procedure.

(128)

Derhalve was de juiste besluitvormingsprocedure die moest worden toegepast, die welke was ingevoerd bij de algemene handelswet I.

(129)

Cortina heeft in de eerste plaats betoogd dat de Commissie niet over een rechtsgrondslag beschikt voor het onderzoek van de door producenten-exporteurs in het kader van het oorspronkelijke onderzoek ingediende BMO-/IB-verzoeken. Volgens haar werd de procedure, die is afgesloten met het verstrijken van de maatregelen op 31 maart 2011, niet ongeldig door het arrest in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, en kan zij daarom niet worden heropend.

(130)

In antwoord hierop verwijst de Commissie naar de uiteenzetting in de overwegingen 104 en 105.

(131)

Cortina heeft in de tweede plaats aangevoerd dat de huidige procedure in strijd is met de beginselen van niet-terugwerkende kracht en rechtszekerheid, die zijn verankerd in artikel 10 van de basisverordening.

(132)

Met betrekking tot het argument in verband met de terugwerkende kracht op basis van artikel 10 van de basisverordening en artikel 10 van de WTO-antidumpingovereenkomst („WTO ADA”) zij erop gewezen dat artikel 10, lid 1, van de basisverordening de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van de WTO ADA overneemt en bepaalt dat voorlopige maatregelen en definitieve antidumpingrechten uitsluitend worden toegepast op producten die na de inwerkingtreding van het krachtens artikel 7, lid 1, respectievelijk artikel 9, lid 4, van de basisverordening genomen besluit in het vrije verkeer worden gebracht. In het onderhavige geval worden de antidumpingrechten in kwestie uitsluitend toegepast op producten die na de inwerkingtreding van de krachtens artikel 7, lid 1, respectievelijk artikel 9, lid 4, van de basisverordening vastgestelde voorlopige en litigieuze (definitieve) verordening in het vrije verkeer zijn gebracht. De terugwerkende kracht in de zin van artikel 10, lid 1, van de basisverordening heeft echter uitsluitend betrekking op een situatie waarin de goederen in het vrije verkeer werden gebracht voordat maatregelen werden ingesteld, zoals blijkt uit de tekst zelf van die bepaling en uit de uitzondering waarin artikel 10, lid 4, van de basisverordening voorziet.

(133)

De Commissie merkt ook op dat er in het onderhavige geval noch sprake is van schending van het beginsel van terugwerkende kracht, noch van schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

(134)

Om te beoordelen of er bij een maatregel sprake is van terugwerkende kracht wordt in de rechtspraak van het Hof een onderscheid gemaakt tussen de toepassing van een nieuwe regel op een situatie die een definitief karakter heeft gekregen (ook aangeduid als bestaande of definitieve rechtssituatie) (34) en een situatie die reeds bestond vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regel, maar die nog geen definitief karakter heeft (ook aangeduid als tijdelijke situatie) (35).

(135)

In het onderhavige geval is de situatie van de invoer van de betrokken producten tijdens de toepassingsperiode van Verordening (EG) nr. 1472/2006 nog niet definitief omdat het op de producten toepasselijke antidumpingrecht als gevolg van de nietigverklaring van de litigieuze verordening nog niet definitief is vastgesteld. Tevens werden de importeurs van schoeisel door de bekendmaking van het bericht van inleiding (36) en de voorlopige verordening gewaarschuwd dat mogelijk dergelijke rechten zouden worden ingesteld. Volgens de vaste rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie kunnen marktdeelnemers niet van een gewettigd vertrouwen uitgaan zolang de instellingen geen handeling hebben vastgesteld tot afsluiting van de bestuurlijke procedure waardoor deze een definitief karakter krijgt (37).

(136)

De onderhavige verordening wordt onmiddellijk toegepast op de toekomstige gevolgen van een bestaande situatie: de invoerrechten op schoeisel zijn geheven door de nationale douaneautoriteiten. Als gevolg van de verzoeken om terugbetaling, waarover nog geen definitieve beslissing is genomen, vormen zij een bestaande situatie. Deze verordening stelt het op die invoer toepasselijke recht vast en regelt dus de toekomstige gevolgen van een bestaande situatie.

(137)

In elk geval is terugwerkende kracht, zelfs wanneer er sprake zou zijn van terugwerkende kracht in de zin van het recht van de Unie (quod non), hoe dan ook gerechtvaardigd, om de volgende reden.

(138)

De materieelrechtelijke voorschriften van de Unie kunnen van toepassing zijn op situaties die vóór de inwerkingtreding ervan bestonden, voor zover er blijkens hun bewoordingen, doelstellingen of opzet zulke gevolgen aan moeten worden toegekend (38). Met name werd in zaak C-337/88, Società agricola fattoria alimentare (SAFA), geoordeeld dat: „ofschoon het beginsel van rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet dat een gemeenschapsbesluit reeds vóór zijn afkondiging van kracht is, hiervan bij wijze van uitzondering [kan] worden afgeweken, indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het gewettigd vertrouwen van de betrokkenen naar behoren is in acht genomen”. (39).

(139)

In het onderhavige geval bestaat het te bereiken doel in de nakoming van de verplichting van de Commissie als bedoeld in artikel 266 VWEU. Aangezien het Hof in de in overweging 12 genoemde arresten alleen een onwettigheid heeft vastgesteld met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het toepasselijke recht, en niet met betrekking tot de instelling van de maatregelen als zodanig (dat wil zeggen ten aanzien van de bevindingen inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie), mochten de betrokken producenten-exporteurs er niet op vertrouwen dat geen definitieve antidumpingrechten zouden worden ingesteld. Bijgevolg kan de instelling van die rechten, ook al had deze met terugwerkende kracht plaatsgevonden (quod non), niet worden geacht in strijd te zijn met het vertrouwensbeginsel.

(140)

In de derde plaats heeft Cortina aangevoerd dat de vaststelling van de Commissie in overweging 46 dat het Hof van Justitie de litigieuze verordening en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 nietig heeft verklaard wat de uitvoer van bepaald schoeisel van bepaalde Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs betreft, onjuist is, voor zover Verordening (EG) nr. 1472/2006 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 bij het arrest in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 niet nietig zijn verklaard jegens de negentien betrokken producenten/exporteurs, maar met werking erga omnes. Indien de Commissie uitsluitend ten aanzien van de invoer van de negentien betrokken producenten-exporteurs opnieuw een antidumpingrecht zou instellen, en niet ten aanzien van de invoer van alle andere producenten-exporteurs op wie het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, C & J Clark International en Puma, in gelijke mate ziet, dan zou dit ongerechtvaardigde discriminatie inhouden ten aanzien van de invoer van deze andere producenten-exporteurs, zulks in strijd met artikel 266 VWEU.

(141)

Wat betreft het argument van discriminerende behandeling van de invoer van andere producenten-exporteurs op wie het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, C & J Clark International en Puma, ziet, merkt de Commissie op dat de producenten-exporteurs en enkele importeurs op wie de onderhavige verordening betrekking heeft, daartegen rechterlijke bescherming genieten voor de rechterlijke instanties van de Unie. Andere importeurs genieten deze bescherming via de nationale rechterlijke instanties, die als rechter van gemeen recht van de Unie fungeren.

(142)

Zoals vermeld in overweging 21, heeft de Commissie met het oog op de uitvoering van het arrest in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14, C & J Clark International en Puma, Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 vastgesteld. Volgens artikel 1 van deze verordening moeten nationale douaneautoriteiten alle verzoeken om terugbetaling van de in verband met de invoer van schoeisel van oorsprong uit China en Vietnam betaalde definitieve antidumpingrechten die door importeurs zijn ingediend op basis van artikel 236 van het communautair douanewetboek en die zijn gebaseerd op het feit dat een niet in de steekproef opgenomen producent-exporteur in het kader van het oorspronkelijke onderzoek om BMO of IB had verzocht, doorzenden naar de Commissie. De Commissie zal het desbetreffende verzoek om BMO of IB beoordelen en opnieuw het toepasselijke recht instellen. Op basis hiervan zullen de nationale douaneautoriteiten vervolgens een beslissing nemen over het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de antidumpingrechten.

(143)

Daarom zal de Commissie, indien aan de bovenstaande criteria is voldaan, voor alle invoer van schoeisel de BMO- en IB-verzoeken onderzoeken, en zullen er opnieuw antidumpingrechten worden ingesteld op basis van de objectieve criteria van artikel 2, lid 7, onder b), en artikel 9, lid 5, van de basisverordening vóór de wijziging ervan. Derhalve zullen alle andere niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC en Vietnam en hun importeurs in een later stadium op dezelfde manier worden behandeld volgens de procedure van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223. Enkel wanneer er geen nationale procedures aanhangig zijn, vindt er geen beoordeling van de BMO- en IB-verzoeken plaats, aangezien deze geen praktisch nut zou hebben.

(144)

In de vierde plaats heeft Cortina betoogd dat het discriminerend zou zijn om opnieuw een antidumpingrecht ten aanzien van de negentien betrokken producenten-exporteurs in te stellen, aangezien er na de arresten Brosmann en Aokang niet opnieuw antidumpingrechten werden ingesteld.

(145)

Dit argument is ongegrond. Importeurs die hebben ingevoerd van Brosmann en de overige vier producenten-exporteurs waarop het arrest in de zaken C-247/10 P en C-249/10 P betrekking heeft, bevinden zich in een andere juridische en feitelijke situatie aangezien hun producenten-exporteurs hebben besloten beroep aan te tekenen tegen de litigieuze verordening en aangezien de rechten hun zijn terugbetaald, zodat zij zijn beschermd door artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek. Van een dergelijk beroep of een dergelijke terugbetaling is voor anderen geen sprake. Zie in dit verband ook de overwegingen 118 tot en met 122.

(146)

In de vijfde plaats heeft Cortina betoogd dat er sprake was van diverse procedurele onregelmatigheden in het kader van dit onderzoek. Om te beginnen is het mogelijk dat de betrokken producenten-exporteurs niet langer in staat zijn om relevante opmerkingen in te dienen en aanvullend bewijs te verstrekken ter onderbouwing van de door hen een aantal jaren geleden gedane verzoeken om een BMO/IB. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de ondernemingen niet langer bestaan of dat documenten ter zake niet langer beschikbaar zijn.

(147)

Daarnaast zouden, anders dan bij het oorspronkelijke onderzoek, de maatregelen van de Commissie de facto en de jure alleen gevolgen voor importeurs hebben, aangezien zij niet over middelen voor een doeltreffende input beschikken en niet van hun leveranciers kunnen verlangen dat zij met de Commissie samenwerken.

(148)

De Commissie merkt op dat niets in de basisverordening haar verplicht exporterende ondernemingen die om BMO/IB verzoeken de mogelijkheid te bieden ontbrekende feitelijke informatie aan te vullen. Zij herinnert eraan dat volgens de rechtspraak de bewijslast overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening rust op de producent die een BMO-/IB-verzoek indient. Daartoe wordt in artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, bepaald dat het door een dergelijke producent ingediende verzoek voldoende bewijs moet bevatten van het feit dat hij op marktvoorwaarden opereert als bedoeld in dat lid. Zoals het Hof in de arresten Brosmann en Aokang heeft vastgesteld, hoeven de instellingen derhalve niet te bewijzen dat de producent niet voldoet aan de voorwaarden om voor behandeling als marktgerichte onderneming in aanmerking te komen. Het staat daarentegen aan de Commissie om te beoordelen of het door de betrokken producent geleverde bewijs volstaat om aan te tonen dat is voldaan aan de in artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, van de basisverordening vastgestelde criteria om een BMO/IB te kunnen toekennen (zie overweging 44). Het recht gehoord te worden betreft de beoordeling van die feiten, maar houdt niet het recht in onvolledige informatie aan te vullen. Anders zou de producent-exporteur de beoordeling tot in het oneindige kunnen verlengen door de informatie beetje bij beetje te verstrekken.

(149)

In dat verband zij erop gewezen dat de Commissie niet verplicht is de producent-exporteur te verzoeken zijn BMO-/IB-verzoek met nadere informatie aan te vullen. Zoals aangegeven in de vorige overweging, kan de Commissie haar beoordeling baseren op de informatie die de producent-exporteur heeft ingediend. In elk geval hebben de betrokken producenten-exporteurs de beoordeling van hun BMO-/IB-verzoeken door de Commissie niet aangevochten, en evenmin hebben zij aangegeven over welke documenten of medewerkers zij niet langer beschikken. De bewering is daarom dermate abstract dat de instellingen bij de beoordeling van de BMO-/IB-verzoeken geen rekening kunnen houden met dergelijke moeilijkheden. Vanwege het speculatieve karakter van dit argument en het ontbreken van nadere mededelingen omtrent de documenten en medewerkers die niet meer ter beschikking staan en omtrent het belang van die documenten en medewerkers voor de beoordeling van het BMO-/IB-verzoek, wordt dit argument afgewezen.

(150)

Wat het argument betreft dat importeurs geen middelen zouden hebben om een zinvolle input te verstrekken, merkt de Commissie het volgende op. Ten eerste ontberen importeurs een recht van verweer, aangezien de antidumpingmaatregel niet tegen hen, maar tegen de producenten-exporteurs gericht is. Ten tweede hadden importeurs reeds tijdens de aan de vaststelling van de litigieuze verordening voorafgaande administratieve procedure de gelegenheid om opmerkingen over dat punt in te dienen. Ten derde hadden importeurs die meenden dat er sprake was van een onregelmatigheid in dit verband, de noodzakelijke contractuele regelingen moeten treffen met hun leveranciers om te verzekeren dat de noodzakelijke documentatie ter beschikking stond. Dit argument moet bijgevolg worden afgewezen.

(151)

In de zesde plaats heeft Cortina betoogd dat de Commissie niet heeft onderzocht of het instellen van de antidumpingrechten in het belang van de Unie zou zijn; volgens haar waren de maatregelen in strijd met het belang van de Unie omdat zij i) al bij de eerste instelling het beoogde effect hadden; ii) geen extra voordeel voor de bedrijfstak van de Unie zouden opleveren; iii) geen gevolgen zouden hebben voor de producenten-exporteurs en iv) aanzienlijke kosten zouden meebrengen voor de importeurs in de Unie.

(152)

De onderhavige zaak betreft enkel de verzoeken om BMO/IB omdat dat het enige punt is waarop het Hof van Justitie een onjuiste rechtsopvatting heeft vastgesteld. Wat het belang van de Unie aangaat, blijft de beoordeling in Verordening (EG) nr. 1472/2006 volledig van kracht. Daarenboven is de huidige maatregel gerechtvaardigd om het financiële belang van de Unie te beschermen.

(153)

In de zevende plaats heeft Cortina aangevoerd dat het antidumpingrecht bij hernieuwde instelling niet langer zou kunnen worden geïnd omdat de verjaringstermijn van artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek (thans artikel 103, lid 1, van het douanewetboek van de Unie) was verstreken. Volgens haar zou deze situatie neerkomen op misbruik van bevoegdheid door de Commissie.

(154)

De Commissie herinnert eraan dat volgens artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek (artikel 103, lid 1, van het douanewetboek van de Unie) de verjaringstermijn niet van toepassing is wanneer overeenkomstig artikel 243 van het communautair douanewetboek (artikel 44, lid 2, van het douanewetboek van de Unie) beroep wordt ingesteld, zoals het geval is in alle onderhavige zaken, waarin het gaat om beroepen op grond van artikel 236 van het communautair douanewetboek (artikel 119 van het douanewetboek van de Unie). Het recht op beroep in de zin van artikel 103, lid 3, van het douanewetboek van de Unie strekt zich, gezien de in artikel 44, lid 2, daarvan verstrekte verduidelijking, uit van de aanvankelijke betwisting van de beslissing van de nationale douaneautoriteiten waarbij de rechten worden ingesteld tot de definitieve uitspraak van de nationale rechterlijke instanties, in voorkomend geval ook in de vorm van een verzoek om een prejudiciële beslissing. De periode van drie jaar wordt derhalve opgeschort met ingang van de datum waarop het beroep wordt ingesteld.

(155)

Ten slotte heeft Cortina aangevoerd dat de Commissie zich na het verstrijken van punt 15, onder a), ii), van het Protocol inzake toetreding van China tot de WTO op 11 december 2016 niet langer kan baseren op de methode die werd gebruikt om in het kader van het oorspronkelijke onderzoek de normale waarde voor Chinese exporteurs vast te stellen (d.w.z. de referentielandmethode in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening).

(156)

De litigieuze verordening werd in 2006 aangenomen. De op deze procedure toepasselijke wetgeving is Verordening (EU) 2016/1036. Daarom wordt dit argument afgewezen.

(157)

Deze verordening is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op schoeisel met bovendeel van leder of kunstleder, met uitzondering van sportschoeisel, volgens een speciale techniek vervaardigd schoeisel, pantoffels en ander huisschoeisel en schoeisel met beschermende neus, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam en vervaardigd door de producenten-exporteurs die zijn opgenomen in de lijst in bijlage II bij deze verordening, ingedeeld onder de GN-codes 6403 20 00, ex 6403 30 00 (40), ex 6403 51 11, ex 6403 51 15, ex 6403 51 19, ex 6403 51 91, ex 6403 51 95, ex 6403 51 99, ex 6403 59 11, ex 6403 59 31, ex 6403 59 35, ex 6403 59 39, ex 6403 59 91, ex 6403 59 95, ex 6403 59 99, ex 6403 91 11, ex 6403 91 13, ex 6403 91 16, ex 6403 91 18, ex 6403 91 91, ex 6403 91 93, ex 6403 91 96, ex 6403 91 98, ex 6403 99 11, ex 6403 99 31, ex 6403 99 33, ex 6403 99 36, ex 6403 99 38, ex 6403 99 91, ex 6403 99 93, ex 6403 99 96, ex 6403 99 98 en ex 6405 10 00 (41), dat in de Europese Unie werd ingevoerd tijdens de toepassingsperiode van Verordening (EG) nr. 1472/2006 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009. De Taric-codes zijn opgenomen in bijlage I bij deze verordening.

2.   Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

—   „sportschoeisel”: schoeisel in de zin van aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 64 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie (42);

—   „volgens een speciale techniek vervaardigd schoeisel”: schoeisel met een cif-prijs per paar van 7,5 EUR of meer, bestemd voor sportieve bezigheden, voorzien van een gegoten zool — niet-gespoten — bestaande uit een of meer lagen, vervaardigd van synthetische materialen, speciaal ontworpen om schokken als gevolg van verticale of zijwaartse bewegingen op te vangen en met technische kenmerken zoals luchtdichte kussentjes gevuld met gas of met vloeistoffen, met mechanische bestanddelen die de schokken opvangen of neutraliseren, of met materialen zoals polymeren met een lage dichtheid, ingedeeld onder de GN-codes ex 6403 91 11, ex 6403 91 13, ex 6403 91 16, ex 6403 91 18, ex 6403 91 91, ex 6403 91 93, ex 6403 91 96, ex 6403 91 98, ex 6403 99 91, ex 6403 99 93, ex 6403 99 96 en ex 6403 99 98;

—   „schoeisel met beschermende neus”: schoeisel met een beschermende neus met een energieweerstand van ten minste 100 joule (43), ingedeeld onder de GN-codes ex 6403 30 00 (44), ex 6403 51 11, ex 6403 51 15, ex 6403 51 19, ex 6403 51 91, ex 6403 51 95, ex 6403 51 99, ex 6403 59 11, ex 6403 59 31, ex 6403 59 35, ex 6403 59 39, ex 6403 59 91, ex 6403 59 95, ex 6403 59 99, ex 6403 91 11, ex 6403 91 13, ex 6403 91 16, ex 6403 91 18, ex 6403 91 91, ex 6403 91 93, ex 6403 91 96, ex 6403 91 98, ex 6403 99 11, ex 6403 99 31, ex 6403 99 33, ex 6403 99 36, ex 6403 99 38, ex 6403 99 91, ex 6403 99 93, ex 6403 99 96, ex 6403 99 98 en ex 6405 10 00;

—   „pantoffels en ander huisschoeisel”: schoeisel dat is ingedeeld onder de GN-code ex 6405 10 00.

3.   Het definitieve antidumpingrecht, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, vervaardigd door de producenten-exporteurs die zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening, bedraagt 16,5 % voor de betrokken Chinese producenten-exporteurs en 10 % voor de betrokken Vietnamese producenten-exporteurs.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 553/2006, worden definitief geïnd. De als zekerheid gestelde bedragen die het bedrag van de definitieve antidumpingrechten overschrijden, worden vrijgegeven.

Artikel 3

De beoordeling van de situatie van de in bijlage III bij deze verordening vermelde ondernemingen wordt tijdelijk opgeschort totdat de importeur die de nationale douaneautoriteiten om terugbetaling heeft verzocht, de Commissie de namen en adressen heeft meegedeeld van de producenten-exporteurs bij wie de betrokken handelaren het schoeisel hebben gekocht of, wanneer geen antwoord wordt ontvangen binnen de door de Commissie voor het verstrekken van die informatie bepaalde termijn, tot de datum waarop die termijn verstrijkt. Die termijn wordt vastgesteld in een brief van de Commissie aan de betrokken importeur, en mag in geen geval korter zijn dan één maand.

De Commissie onderzoekt de ontvangen informatie binnen acht maanden na de datum van ontvangst ervan. De nationale douaneautoriteiten wordt opgedragen de geïnde douanerechten niet terug te betalen totdat de Commissie de beoordeling van de desbetreffende verzoeken heeft afgerond.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Verordening (EG) nr. 553/2006 van de Commissie van 23 maart 2006 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (PB L 98 van 6.4.2006, blz. 3).

(3)  Verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam (PB L 275 van 6.10.2006, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 388/2008 van de Raad van 29 april 2008 tot uitbreiding van de bij Verordening (EG) nr. 1472/2006 ingestelde definitieve antidumpingmaatregelen ten aanzien van schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de verzending van hetzelfde product uit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als zijnde van oorsprong uit de SAR Macau (PB L 117 van 1.5.2008, blz. 1).

(5)  PB C 251 van 3.10.2008, blz. 21.

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (PB L 352 van 30.12.2009, blz. 1).

(7)  PB C 295 van 11.10.2013, blz. 6.

(8)  Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU van de Raad van 18 maart 2014 tot verwerping van het voorstel voor een uitvoeringsverordening betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd, Risen Footwear (HK) Co. Ltd en Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd (PB L 82 van 20.3.2014, blz. 27).

(9)  Verordening (EEG) nr. 2913/1992 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1 ).

(10)  PB C 106 van 21.3.2016, blz. 2.

(11)  Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1).

(12)  Arrest van het Hof van Justitie van 26 april 1988, Asteris AE e.a. en Helleense Republiek/Commissie, gevoegde zaken 97, 193, 99 en 215/86 (Jurispr. 1988, blz. 2181, punten 27 en 28).

(13)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 november 1998, Spanje/Commissie, zaak C-415/96 (Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31); arrest van het Hof van Justitie van 3 oktober 2000, Industrie des Poudres Sphériques/Raad, zaak C-458/98 P (Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80—85); arrest van het Gerecht van 9 juli 2008, Alitalia/Commissie, zaak T-301/01 (Jurispr. 2008, blz. II-1753, punten 99 en 142); arrest van het Gerecht van 12 mei 2011, Région Nord-Pas de Calais/Commissie, gevoegde zaken T-267/08 en T-279/08 (Jurispr. 2011, blz. II-1999, punt 83).

(14)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 november 1998, Spanje/Commissie, zaak C-415/96 (Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31); arrest van het Hof van Justitie van 3 oktober 2000, Industrie des Poudres Sphériques/Raad, zaak C-458/98 P (Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80—85).

(15)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).

(16)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 werd later gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 765/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 237 van 3.9.2012, blz. 1). Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 765/2012 zijn de door de verordening ingevoerde wijzigingen enkel van toepassing op procedures die na de inwerkingtreding van die verordening worden ingeleid. De huidige procedure werd echter ingeleid op 7 juli 2005 (PB C 166 van 7.7.2005, blz. 14).

(17)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1395 van de Commissie van 18 augustus 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Buckinghan Shoe Mfg Co., Ltd, Buildyet Shoes Mfg., DongGuan Elegant Top Shoes Co. Ltd, Dongguan Stella Footwear Co Ltd, Dongguan Taiway Sports Goods Limited, Foshan City Nanhai Qun Rui Footwear Co., Jianle Footwear Industrial, Sihui Kingo Rubber Shoes Factory, Synfort Shoes Co. Ltd, Taicang Kotoni Shoes Co. Ltd, Wei Hao Shoe Co. Ltd, Wei Hua Shoe Co. Ltd, Win Profile Industries Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (PB L 225 van 19.8.2016, blz. 52).

(18)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 van de Commissie van 13 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en geproduceerd door Best Royal Co. Ltd, Lac Cuong Footwear Co. Ltd, Lac Ty Co. Ltd, Saoviet Joint Stock Company (Megastar Joint Stock Company), VMC Royal Co. Ltd, Freetrend Industrial Ltd en haar verbonden onderneming Freetrend Industrial A (Vietnam) Co. Ltd, Fulgent Sun Footwear Co., Ltd, General Shoes Ltd, Golden Star Co. Ltd, Golden Top Company Co., Ltd, Kingmaker Footwear Co. Ltd, Tripos Enterprise Inc., Vietnam Shoe Majesty Co., Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (PB L 245 van 14.9.2016, blz. 16).

(19)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 van de Commissie van 28 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Vietnam en vervaardigd door General Footwear Ltd (China), Diamond Vietnam Co. Ltd en Ty Hung Footgearmex/Footwear Co. Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (PB L 262 van 29.9.2016, blz. 4).

(20)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van de Commissie van 17 februari 2016 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (PB L 41 van 18.2.2016, blz. 3).

(21)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2257 van de Commissie van 14 december 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Chengdu Sunshine Shoes Co. Ltd, Foshan Nanhai Shyang Yuu Footwear Ltd en Fujian Sunshine Footwear Co. Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (PB L 340 I van 15.12.2016, blz. 1).

(22)  Arrest van het Hof van Justitie van 3 oktober 2000, Industrie des Poudres Sphériques/Raad, C-458/98 P, Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80—85.

(23)  Teneinde de vertrouwelijkheid te beschermen, zijn de namen van de ondernemingen vervangen door cijfers. De ondernemingen 1 tot en met 3 zijn onderzocht in de in overweging 20 genoemde Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731, de ondernemingen 4 tot en met 6 in de in overweging 24 genoemde Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2257. Aan de ondernemingen die de onderhavige verordening aangaat, zijn de opeenvolgende nummers 7 tot en met 25 toegekend.

(24)  Wolverine Europe BV, Wolverine Europe Limited en Damco Netherlands BV hebben in hun antwoord op het algemene informatiedocument verwezen naar de opmerkingen van FESI en de Footwear Coalition.

(25)  Arrest van het Gerecht van 25 oktober 2011, Transnational Company „Kazchrome” en ENRC Marketing/Raad, T-192/08, Jurispr. blz. II-7449, punt 298. Het arrest is in hogere voorziening bevestigd bij het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013, Transnational Company „Kazchrome” en ENRC Marketing/Raad, C-10/12 P, ECLI:EU:C:2013:865.

(26)  Arrest van het Gerecht van 23 oktober 2003, Changzhou Hailong Electronics & Light Fixtures Co. Ltd en Zhejiang Yankon Group Co. Ltd/Raad, T-255/01, Jurispr. blz. II-4741, punt 60.

(27)  Bericht van het vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 82 van 16.3.2011, blz. 4).

(28)  Die termijn is thans te vinden in artikel 103, lid 1, en artikel 121, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(29)  Arrest van het Hof van Justitie van 2 april 2009, Mebrom/Commissie, C-373/07 P, Jurispr. blz. I-54, punten 91-94.

(30)  Zie het werkdocument van de diensten van de Commissie over de uitvoering van de arresten van het Hof van Justitie van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, C-249/10 P, en van 15 november 2012, Zhejiang Aokang Shoes/Raad, C-247/10 P, gehecht aan het voorstel voor een Uitvoeringsverordening van de Raad betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en geproduceerd door Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd, Risen Footwear (HK) Co. Ltd en Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd (SWD/2014/046 final, punten 45-48).

(31)  Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2010, Stils Met, C-382/09, Jurispr. blz. I-9315, punten 42-43. Zo berust de Taric, die ook wordt gebruikt als een manier om ervoor te zorgen dat de handelsbeschermingsmaatregelen worden nageleefd, op artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(32)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 februari 2001, Nachi Europe, C-239/99, Jurispr. blz. I-1197, punt 29.

(33)  Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek voor wat de procedures tot het nemen van bepaalde maatregelen betreft (PB L 18 van 21.1.2014, blz. 1).

(34)  Arresten van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Licata/ESC, 270/84, Jurispr. blz. 2305, punt 31; van 29 juni 1999, Butterfly Music, C-60/98, Jurispr. blz. I-3939, punt 24; van 14 april 1970, Bundesknappschaft/Brock, 68/69, Jurispr. blz. 171, punt 6; van 4 juli 1973, Westzucker GmbH/Einfuhr- und Vorratsstelle für Zucker, 1/73, Jurispr. blz. 723, punt 5; van 5 december 1973, SOPAD/FORMA e.a., 143/73, Jurispr. blz. 1433, punt 8; van 15 februari 1978, Bauche, 96/77, Jurispr. blz. 383, punt 48; van 25 oktober 1978, Koninklijke Scholten-Honig NV e.a./Hoofdproductschap voor Akkerbouwproducten, 125/77, Jurispr. blz. 1991, punt 37; van 5 februari 1981, Ρ./Commissie, 40/79, Jurispr. blz. 361, punt 12; arrest van het Gerecht van 19 november 2008, Griekenland/Commissie, T-404/05, Jurispr. blz. II-272, punt 77; arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2008, Commissie/Freistaat Sachsen, C-334/07 Ρ, Jurispr. blz. I-9465, punt 53;

(35)  Arrest van het Gerecht van 18 november 2004, Ferrière Nord/Commissie, T-176/01, Jurispr. blz. II-3931, punt 139; arrest Commissie/Freistaat Sachsen.

(36)  PB C 166 van 7.7.2005, blz. 14.

(37)  Arrest van 14 januari 1997, Spanje/Commissie, C-169/95, Jurispr. 1997, blz. I-135, punten 51-54; arrest van het Gerecht van 5 augustus 2003, P & O European Ferries (Vizcaya)/Commissie, T-116/01 en T-118/01, Jurispr. blz. II-2957, punt 205.

(38)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 juli 1993, GruSa Fleisch/Hauptzollamt Hamburg-Jonas, C-34/92, Jurispr. blz. I-4147, punt 22. Dezelfde of een eendere formulering is onder meer gebruikt in de arresten van het Hof van Justitie van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., 212/80 tot en met 217/80, Jurispr. blz. 2735, punten 9-10; en van 10 februari 1982, Bout, 21/81, Jurispr. blz. 381, punt 13; arresten van het Gerecht van 19 februari 1998, Eyckeler & Malt/Commissie, T-42/96, Jurispr. blz. II-401, punten 53 en 55-56; en van 28 januari 2004, Euroagri/Commissie, T-180/01, Jurispr. blz. II-369, punten 36-37.

(39)  Arrest van het Hof van Justitie van 9 januari 1990, SAFA/Amministrazione delle finanze dello Stato, 337/88, Jurispr. blz. I-1, punt 13.

(40)  Bij Verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 301 van 31.10.2006, blz. 1) is deze GN-code met ingang van 1 januari 2007 vervangen door de GN-codes ex 6403 51 05, ex 6403 59 05, ex 6403 91 05 en ex 6403 99 05.

(41)  Zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 286 van 28.10.2005, blz. 1). De productomschrijving wordt bepaald door een combinatie van de beschrijving van het product in artikel 1, lid 1, en die in de desbetreffende GN-codes.

(42)  Zie voetnoot 41.

(43)  De energieweerstand wordt gemeten volgens de Europese Norm EN345 of EN346.

(44)  Bij Verordening (EG) nr. 1549/2006 is deze GN-code met ingang van 1 januari 2007 vervangen door de GN-codes ex 6403 51 05, ex 6403 59 05, ex 6403 91 05 en ex 6403 99 05.


BIJLAGE I

Taric-codes voor schoeisel met bovendeel van leder of kunstleder zoals omschreven in artikel 1

a)

Vanaf 7 oktober 2006:

6403300039, 6403300089, 6403511190, 6403511590, 6403511990, 6403519190, 6403519590, 6403519990, 6403591190, 6403593190, 6403593590, 6403593990, 6403599190, 6403599590, 6403599990, 6403911199, 6403911399, 6403911699, 6403911899, 6403919199, 6403919399, 6403919699, 6403919899, 6403991190, 6403993190, 6403993390, 6403993690, 6403993890, 6403999199, 6403999329, 6403999399, 6403999629, 6403999699, 6403999829, 6403999899 en 6405100080

b)

Vanaf 1 januari 2007:

6403510519, 6403510599, 6403511190, 6403511590, 6403511990, 6403519190, 6403519590, 6403519990, 6403590519, 6403590599, 6403591190, 6403593190, 6403593590, 6403593990, 6403599190, 6403599590, 6403599990, 6403910519, 6403910599, 6403911199, 6403911399, 6403911699, 6403911899, 6403919199, 6403919399, 6403919699, 6403919899, 6403990519, 6403990599, 6403991190, 6403993190, 6403993390, 6403993690, 6403993890, 6403999199, 6403999329, 6403999399, 6403999629, 6403999699, 6403999829, 6403999899 en 6405100080

c)

Vanaf 7 september 2007:

6403510515, 6403510518, 6403510595, 6403510598, 6403511191, 6403511199, 6403511591, 6403511599, 6403511991, 6403511999, 6403519191, 6403519199, 6403519591, 6403519599, 6403519991, 6403519999, 6403590515, 6403590518, 6403590595, 6403590598, 6403591191, 6403591199, 6403593191, 6403593199, 6403593591, 6403593599, 6403593991, 6403593999, 6403599191, 6403599199, 6403599591, 6403599599, 6403599991, 6403599999, 6403910515, 6403910518, 6403910595, 6403910598, 6403911195, 6403911198, 6403911395, 6403911398, 6403911695, 6403911698, 6403911895, 6403911898, 6403919195, 6403919198, 6403919395, 6403919398, 6403919695, 6403919698, 6403919895, 6403919898, 6403990515, 6403990518, 6403990595, 6403990598, 6403991191, 6403991199, 6403993191, 6403993199, 6403993391, 6403993399, 6403993691, 6403993699, 6403993891, 6403993899, 6403999195, 6403999198, 6403999325, 6403999328, 6403999395, 6403999398, 6403999625, 6403999628, 6403999695, 6403999698, 6403999825, 6403999828, 6403999895, 6403999898, 6405100081 en 6405100089


BIJLAGE II

Lijst van producenten-exporteurs ten aanzien van de invoer waarvan een definitief antidumpingrecht wordt opgelegd

Naam van de producent-exporteur

Aanvullende Taric-code

An Loc Joint Stock Company (Vietnam)

A999

Chang Shin Vietnam Co. Ltd (Dong Nai — Vietnam) en de met haar verbonden onderneming Changshin Inc. (Busan — Zuid-Korea)

A999

Chau Giang Company Limited (Haiphong City, Vietnam)

A999

Dongguan Texas Shoes Limited Co.

A999

Foshan Shunde Fong Ben Footwear Industrial Co.Ltd (Foshan City — China)

A999

Fujian Viscap Shoes Co.Ltd (Quanzhou — China)

A999

Lien Phat Company Ltd (Vietnam)

A999

Maystar Footwear Co. Ltd (Zhuhai — China) (verbonden met Kingmaker)

A999

Min Yuan (Guangzhou — China) en verbonden ondernemingen E-Light en Golden Chang

A999

Panyu Hsieh Da Rubber Co. Ltd (China)

A999

PanYu Leader Footwear Corporation (Guangzhou — China)

A999

Panyu Pegasus Footwear Co. Ltd (Guangzhou — China)

A999

Qingdao Changshin Shoes Company Limited (Qingdao — China) en de met haar verbonden onderneming Changshin Inc. (Busan — Zuid-Korea)

A999

Qingdao Samho Shoes Co. Ltd (China) en de verbonden onderneming Samho shoes Co. Ltd (Zuid-Korea)

A999

Qingdao Sewon Shoes Co. Ltd (Qingdao — China)

A999

Qingdao Tae Kwang Shoes Co. Ltd (China) en de verbonden onderneming Tae Kwang Industrial Co. (Korea) (verbonden met in de steekproef opgenomen Taekwang Vina)

A999

Samyang Vietnam Co. Ltd (Ho Chi Minh City — Vietnam)

A999

Vietnam Ching Luh Shoes Co. Ltd (Vietnam)

A999

Vinh Thong Producing-Trading-Service Co. Ltd (Ho Chi Minh — Vietnam)

A999


BIJLAGE III

Lijst van ondernemingen waarvan de beoordeling wordt opgeschort overeenkomstig artikel 3

 

ALAMODE

 

ALL PASS

 

ALLIED JET LIMITED

 

ALLIED JET LIMITED C/O SHENG RONG F

 

AMERICAN ZABIN INTL

 

AN THINH FOOTWEAR CO. LTD

 

AQUARIUS CORPORATION

 

ASIA FOOTWEAR

 

BCNY INTERNATIONAL INC.

 

BESCO ENTERPRISE

 

BEST CAPITAL

 

BRANCH OF EMPEREOR CO. LTD

 

BRENTWOOD FUJIAN INDUSTRY CO. LTD

 

BRENTWOOD TRADING COMPANY

 

BROWN PACIFIC TRADING LTD

 

BUFENG

 

BULLBOXER

 

C AND C ACCORD LTD

 

CALSON INVESTMENT LIMITED

 

CALZ.SAB SHOES S.R.L.

 

CARLSON GROUP

 

CD STAR

 

CHAOZHOU ZHONG TIAN CHENG

 

CHINA EVER

 

CORAL REEF ASIA PACIFIC LTD

 

CULT DESIGN

 

DHAI HOAN FOOTWEAR PRODUCTION JOINT STOCK COMPANY

 

DIAMOND GROUP INTERNATIONAL LTD/YONG ZHOU XIANG WAY SPORTS GOODS LTD

 

DONG GUAN CHANG AN XIAO BIAN SEVILLA

 

DONG GUAN HUA XIN SHOES LTD

 

DONGGUAN QIAOSHENG FOOTWEAR CO.

 

DONGGUAN TA YUE SHOES CO. LTD

 

DONGGUAN YONGXIN SHOES CO. LTD

 

EASTERN SHOES COLLECTION CO. LTD

 

EASY DENSE LIMITED

 

ENIGMA/MORE SHOES INC.

 

EVAIS CO. LTD

 

EVER CREDIT PACIFIC LTD

 

EVERGIANT

 

EVERGO ENTERPRISES LTD C/O THUNDER

 

FH SPORTS AGENCIES LTD

 

FIJIAN GUANZHOU FOREIGN TRADE CORP

 

FOSTER INVESTMENTS INC.

 

FREEMANSHOES CO. LTD

 

FU XIANG FOOTWEAR

 

FUJIAN JINMAIWANG SHOES & GARMENTS PRODUCTS CO. LTD

 

GERLI

 

GET SUCCESS LIMITED GLOBE DISTRIBUTING CO. LTD

 

GOLDEN STEPS FOOTWEAR LTD

 

GOODMILES

 

HA CHEN TRADE CORPORATION

 

HAI VINH TRADING COMP

 

HAIPHONG SHOLEGA

 

HANLIN (BVI) INT'L COMPNAY LTD C/O

 

HAPPY THOSE INTERNATIONAL LTD

 

HAWSHIN

 

HESHAN SHI HENGYU FOOTWEAR LTD

 

HIEP TRI CO. LTD

 

HISON VINA CO. LTD

 

HOLLY PACIFIC LTD

 

HUEY CHUEN SHOES GROUP/FUH CHUEN CO. LTD

 

HUI DONG FUL SHING SHOES CO. LTD

 

HUNEX

 

HUNG TIN CO. LTD

 

IFR

 

INTER — PACIFIC CORP.

 

IPC HONG KONG BRANCH LTD

 

J.C. TRADING LIMITED

 

JASON FOOTWEAR

 

JIA HSIN CO. LTD

 

JIA HUAN

 

JINJIANG YIREN SHOES CO. LTD

 

JOU DA

 

JUBILANT TEAM INTERNATIONAL LTD

 

JWS INTERNATIONAL CORP

 

KAI YANG VIETNAM CO. LTD

 

KAIYANG VIETNAM CO. LTD

 

KIM DUCK TRADING PRODUCTION

 

LEGEND FOOTWEAR LTD ALSO SPELLED AT LEGENT FOOTWEAR LTD

 

LEIF J. OSTBERG, INC.

 

LU XIN JIA

 

MAI HUONG CO. LTD

 

MARIO MICHELI

 

MASTERBRANDS

 

MAYFLOWER

 

MING WELL INT'L CORP.

 

MIRI FOOTWEAR INTERNATIONAL, INC.

 

MIX MODE

 

MORGAN INT'L CO. LTD C/O HWASHUN

 

NEW ALLIED

 

NEW FU XIANG

 

NORTHSTAR SOURCING GROUP HK LTD

 

O.T. ENTERPRISE CO.

 

O'LEAR IND VIETNAM CO. LTD ALSO SPELLED AS O'LEER IND. VIETNAM CO. LTD

 

O'LEER IND. VIETNAM CO. LTD

 

ONTARIO DC

 

OSCO INDUSTRIES LTD

 

OSCO VIETNAM COMPANY LTD

 

PACIFIC BEST CO. LTD

 

PERFECT GLOBAL ENTERPRISES LTD

 

PETER TRUONG STYLE, INC.

 

PETRONA TRADING CORP

 

PHUOC BINH COMPANY LTD