ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 39

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
16 februari 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/261 van de Commissie van 15 februari 2017 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/262 van de Raad van 6 februari 2017 tot bepaling van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegde gezag voor het secretariaat-generaal van de Raad en tot intrekking van Besluit 2013/811/EU

4

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/263 van de Commissie van 14 februari 2017 betreffende risicobeperkende en versterkte bioveiligheidsmaatregelen en systemen voor vroege opsporing in verband met de risico's die wilde vogels inhouden wat de overdracht van hoogpathogene aviaire-influenzavirussen op pluimvee betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 765)  ( 1 )

6

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/264 van de Commissie van 14 februari 2017 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 766)

12

 

*

Besluit (EU) 2017/265 van de Commissie van 14 februari 2017 tot opname van de regering van Northwest Territories in Canada in de lijst van erkende instanties, bedoeld in artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 757)

43

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Besluit nr. 1/2016 van het Subcomité douane EU-Republiek Moldavië van 6 oktober 2016 tot vervanging van Protocol II bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds betreffende de definitie van het begrip producten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking [2017/266]

45

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 84/16/COL van 27 april 2016 houdende de honderdeerste wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun door invoering van nieuwe richtsnoeren voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang [2017/267]

49

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/261 VAN DE COMMISSIE

van 15 februari 2017

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 februari 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

337,2

MA

120,3

SN

359,5

TR

130,6

ZZ

236,9

0707 00 05

MA

64,9

TR

186,2

ZZ

125,6

0709 91 00

EG

128,6

ZZ

128,6

0709 93 10

MA

57,8

TR

183,0

ZZ

120,4

0805 10 22 , 0805 10 24 , 0805 10 28

EG

48,8

IL

69,5

MA

48,8

TN

49,3

TR

76,6

ZZ

58,6

0805 21 10 , 0805 21 90 , 0805 29 00

EG

93,2

IL

166,2

JM

122,7

MA

92,0

TR

87,8

ZZ

112,4

0805 22 00

IL

114,7

MA

103,2

TR

60,4

ZZ

92,8

0805 50 10

EG

82,4

TR

98,8

ZZ

90,6

0808 10 80

US

105,5

ZZ

105,5

0808 30 90

CL

121,2

CN

112,8

ZA

121,7

ZZ

118,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

16.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/4


BESLUIT (EU) 2017/262 VAN DE RAAD

van 6 februari 2017

tot bepaling van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegde gezag voor het secretariaat-generaal van de Raad en tot intrekking van Besluit 2013/811/EU

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (1), en met name artikel 2 van genoemd Statuut en artikel 6 van genoemde Regeling,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 240, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie staat het secretariaat-generaal van de Raad onder leiding van een secretaris-generaal.

(2)

Om de administratie eenvoudiger te maken en het personeel efficiënter te beheren, moet de secretaris-generaal meer mogelijkheden krijgen om zijn bevoegdheden in verband met de toepassing van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie („het Statuut”) en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie („de Regeling”) te delegeren aan de directeur-generaal van de administratie. Voorts moet de secretaris-generaal gemachtigd worden aan alle directeuren-generaal de bevoegdheid te delegeren om besluiten te nemen over interne overplaatsingen en aanstellingen in een andere functie, al naargelang van de personeelsbehoeften binnen hun directoraten-generaal.

(3)

Besluit 2013/811/EU (2) van de Raad dient te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De bevoegdheden die volgens het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag en volgens de Regeling aan het tot het sluiten van de overeenkomsten bevoegde gezag toekomen, worden, wat het secretariaat-generaal van de Raad betreft, uitgeoefend:

a)

door de Raad ten aanzien van de secretaris-generaal;

b)

door de Raad, op voorstel van de secretaris-generaal, voor de toepassing van de artikelen 1 bis, 30, 34, 41, 49, 50 en 51 van het Statuut op de directeuren-generaal;

c)

door de secretaris-generaal in alle andere gevallen.

2.   De secretaris-generaal wordt gemachtigd om alle of een deel van de bevoegdheden die hem toekomen in verband met de toepassing van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, geheel of gedeeltelijk te delegeren aan de directeur-generaal van de administratie.

3.   De secretaris-generaal wordt gemachtigd zijn bevoegdheden met betrekking tot overplaatsingen en aanstellingen in een andere functie in het belang van de dienst te delegeren aan alle directeuren-generaal binnen hun respectievelijke directoraten-generaal, zulks in overeenstemming met artikel 7, lid 1, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.

Artikel 2

Besluit 2013/811/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2017.

Gedaan te Brussel, 6 februari 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(2)  Besluit 2013/811/EU van de Raad van 17 december 2013 houdende bepaling van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegde gezag voor het secretariaat-generaal van de Raad en tot intrekking van Besluit 2011/444/EU, Euratom (PB L 355 van 31.12.2013, blz. 91).


16.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/6


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/263 VAN DE COMMISSIE

van 14 februari 2017

betreffende risicobeperkende en versterkte bioveiligheidsmaatregelen en systemen voor vroege opsporing in verband met de risico's die wilde vogels inhouden wat de overdracht van hoogpathogene aviaire-influenzavirussen op pluimvee betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 765)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,

Gezien Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (3), en met name artikel 63, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aviaire influenza is een virale infectieziekte bij vogels, waaronder pluimvee. Infecties met aviaire-influenzavirussen bij gedomesticeerd pluimvee veroorzaken twee hoofdvormen van de ziekte met een verschillende virulentie. De laagpathogene vorm leidt in de regel slechts tot milde symptomen, terwijl de hoogpathogene vorm bij de meeste pluimveesoorten een zeer hoge sterfte veroorzaakt. Die ziekte kan ernstige gevolgen hebben voor de rentabiliteit van de pluimveehouderij.

(2)

Richtlijn 2005/94/EG stelt de bestrijdingsmaatregelen vast die minimaal moeten worden genomen bij een uitbraak van die ziekte onder pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels en voorziet ook in bepaalde preventieve maatregelen met betrekking tot de bewaking en de vroege opsporing van aviaire influenza.

(3)

Richtlijn 2005/94/EG bepaalt ook dat gedetailleerde regels die als gevolg van de epidemiologische situatie nodig zijn ter aanvulling van de minimale bestrijdingsmaatregelen overeenkomstig die richtlijn kunnen worden vastgesteld door de Commissie.

(4)

Van wilde vogels, met name wilde trekkende watervogels, is bekend is dat zij de natuurlijke gastheer zijn voor laagpathogene aviaire-influenzavirussen waarvan zij tijdens hun seizoensgebonden migratiebewegingen drager zijn, gewoonlijk zonder tekenen van de ziekte te vertonen. Sinds medio 2005 is het echter bewezen dat een virusstam van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) van het subtype H5N1 wilde vogels kan besmetten en door hen over lange afstanden kan worden verspreid (4).

(5)

De aanwezigheid van aviaire-influenzavirussen bij wilde vogels vormt een voortdurende bedreiging wat betreft de directe en indirecte insleep van deze virussen in bedrijven waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden, met het risico van daaropvolgende verspreiding van het virus van een besmet bedrijf naar andere bedrijven.

(6)

Beschikking 2005/734/EG van de Commissie (5) is naar aanleiding van de insleep van het HPAI-virus van het subtype H5N1 uit Zuidoost-Azië in Europa door de westwaartse verspreiding van het virus in 2005 vastgesteld ter verbetering van de bestrijdingsmaatregelen die al in de wetgeving van de Unie waren opgenomen, met name gezien de risico's van de ongekende intercontinentale verspreiding van dat HPAI-virus door wilde vogels.

(7)

Beschikking 2005/734/EG voorziet in bioveiligheidsmaatregelen en aanvullende risicobeperkende maatregelen ter beperking van het risico van overdracht van het HPAI-H5N1-virus van wilde vogels op pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels door de preventie van direct en indirect contact tussen deze groepen. Beschikking 2005/734/EG verplicht de lidstaten om vast te stellen welke gebieden van hun grondgebied in het bijzonder risico lopen op de insleep van het HPAI-H5N1-virus in bedrijven waar pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels aanwezig zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de epidemiologische situatie en specifieke risicofactoren. De lidstaten zijn gehouden tot toepassing van bepaalde risicobeperkende maatregelen in deze gebieden met een hoog risico, bijvoorbeeld zorgen voor een ophokplicht voor het betrokken pluimvee. De lidstaten zijn ook verplicht ervoor te zorgen dat eigenaars meer bewust worden gemaakt van de risico's van overdracht en van de noodzaak om op hun bedrijven bioveiligheidsmaatregelen toe te passen.

(8)

Voorts vereist Beschikking 2005/734/EG dat de lidstaten systemen voor vroege opsporing invoeren die gericht zijn op een snelle melding door de eigenaars aan de bevoegde veterinaire autoriteit van tekenen van aviaire influenza bij pluimveekoppels waarbij rekening moet worden gehouden met specifieke parameters en beperkte wijzigingen van de productiegegevens.

(9)

Besluit 2010/367/EU van de Commissie (6) bevat richtsnoeren voor de verplichte uitvoering door de lidstaten van surveillanceprogramma's voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels, met inbegrip van vereisten inzake bemonstering en laboratoriumonderzoek. Bij dit besluit is tevens bepaald dat de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis moeten worden gesteld van abnormale sterfte of significante ziekte of sterfte bij wilde vogels, met name bij wilde trekkende watervogels.

(10)

Eind 2014 en begin 2015 werd het HPAI-H5N8-virus door wilde vogels in de Unie ingesleept. Het veroorzaakte zeer lage sterfte bij wilde vogels, maar leidde in verschillende lidstaten tot ernstige uitbraken bij pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels.

(11)

Eind oktober 2016 is een zeer nauw verwante HPAI-H5N8-virusstam vastgesteld bij wilde trekvogels, waarvan het merendeel dood is aangetroffen, in twintig lidstaten, namelijk in Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Ierland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, alsook in nabijgelegen derde landen zoals Oekraïne, Servië en Zwitserland. De meeste uitbraken zijn bevestigd in Frankrijk, Hongarije en Bulgarije in bepaalde gebieden met een groot aantal bedrijven met eenden en ganzen.

(12)

De huidige epidemiologische situatie is zeer dynamisch en verandert voortdurend. Trekvogels blijven zich verplaatsen en bij de lopende bewakingsactiviteiten van de lidstaten wordt het HPAI-H5N8-virus nog steeds bij wilde vogels vastgesteld. Het virus zal daarom gedurende de komende maanden en waarschijnlijk tijdens verdere seizoensgebonden verplaatsingen van trekvogels een bedreiging blijven voor pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels in de Unie, met het risico van verdere overdracht van het virus tussen bedrijven in bepaalde omgevingen met een hoog risico.

(13)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is momenteel een uitvoerig wetenschappelijk advies over aviaire influenza aan het voorbereiden dat in september 2017 zal worden afgerond. Gezien de huidige HPAI-H5N8-epidemie werd de EFSA echter verzocht een dringende beoordeling van de epidemiologische situatie uit te voeren en voorlopig wetenschappelijk advies uit te brengen inzake de geschiktheid van de op EU-niveau bepaalde beschermende maatregelen in verband met de risico's van wilde met HPAI-H5N8 besmette vogels.

(14)

Op 20 december 2016 heeft het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de EFSA een dringend verzoek betreffende aviaire influenza (7) gepubliceerd waarin wordt bevestigd dat de strikte uitvoering van bioveiligheids- en risicobeperkende maatregelen het belangrijkste instrument is om de directe of indirecte overdracht van HPAI-virussen van de subtypes H5 en H7 van wilde vogels naar bedrijven met pluimvee en in gevangenschap levende vogels te voorkomen. Bioveiligheid moet op dergelijke bedrijven een routinematige praktijk zijn en worden versterkt gedurende perioden van verhoogd risico.

(15)

De EFSA heeft ook geconcludeerd dat passieve bewaking van wilde vogels de meest doeltreffende manier is voor de vroege opsporing van de aanwezigheid van HPAI-virussen bij wilde vogels en beveelt aan zich te richten op het bemonsteren en testen van wilde vogels ter versterking van een aantal bepalingen betreffende wilde vogels die zijn vastgesteld in de richtsnoeren voor de uitvoering van de bewakingsprogramma's voor aviaire influenza bij wilde vogels zoals vastgesteld in bijlage II bij Besluit 2010/367/EU.

(16)

De EFSA verwijst verder naar de beoordeling (8) door het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) waarin is bepaald dat tot op heden wereldwijd geen menselijke infecties met het huidige HPAI-H5N8-virus zijn gemeld en dat uit verdere viruskarakterisering blijkt dat het nog steeds in wezen een vogelvirus betreft zonder enige specifieke verhoogde vatbaarheid bij de mens.

(17)

Uit de ervaring die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de in Beschikking 2005/734/EG vastgestelde maatregelen hebben opgedaan, blijkt dat flexibiliteit moet worden gehandhaafd om die maatregelen aan de epidemiologische situatie in de betrokken lidstaat te kunnen aanpassen.

(18)

Om de vogelpopulaties die het meeste risico lopen te bereiken en de doeltreffendheid van de in dit besluit vastgestelde maatregelen te waarborgen, moeten bepaalde preventieve maatregelen op bedrijven met pluimvee worden gericht.

(19)

De in Beschikking 2005/734/EG vastgestelde maatregelen moeten daarom worden herzien en aangepast om rekening te houden met de huidige epidemiologische situatie bij pluimvee en bij wilde vogels in de lidstaten, de door de EFSA op 20 december 2016 gepubliceerde mededeling over aviaire influenza en de ervaring die de lidstaten bij de praktische uitvoering van de maatregelen van die beschikking hebben opgedaan.

(20)

De in Beschikking 2005/734/EG vastgestelde maatregelen zijn aangepast en meermaals verlengd en zijn van toepassing tot en met 31 december 2017. Voor de duidelijkheid van de wetgeving van de Unie moet Beschikking 2005/734/EG worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen.

(21)

De in dit besluit vastgelegde maatregelen zullen indien nodig worden herzien in het licht van de uiteindelijke resultaten van het wetenschappelijk advies van de EFSA over aviaire influenza dat in september 2017 zal worden voltooid.

(22)

De in dit besluit vastgestelde maatregelen moeten van toepassing zijn tot en met 30 juni 2018.

(23)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Dit besluit bevat risicobeperkende maatregelen en systemen voor vroege opsporing in verband met de risico's die wilde vogels geven op de insleep van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) in bedrijven, alsook maatregelen voor de bewustmaking van eigenaars omtrent dergelijke risico's en de noodzaak om bioveiligheidsmaatregelen op hun bedrijven in te voeren of te versterken.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit zijn de definities in artikel 2 van Richtlijn 2005/94/EG van toepassing.

Artikel 3

Identificatie van gebieden met een hoog risico op de insleep van HPAI-virussen

De lidstaten zorgen voor de identificatie en herziening van de delen van hun grondgebied die een bijzonder risico lopen op de insleep van HPAI-virussen in bedrijven (hierna „gebieden met een hoog risico” genoemd), alsmede van de periode waarvoor een dergelijk risico bestaat, rekening houdend met de volgende zaken:

a)

de epidemiologische situatie op hun grondgebied of op het grondgebied van nabijgelegen lidstaten of derde landen, in het bijzonder met betrekking tot:

i)

de detectie van HPAI-virussen bij wilde vogels of bij uitwerpselen daarvan;

ii)

uitbraken van HPAI in bedrijven waar pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels worden gehouden die hoogstwaarschijnlijk verband houden met de detectie van HPAI-virussen als bedoeld in punt i);

iii)

detecties in het verleden van HPAI-virussen als bedoeld in de punten i) en ii) en het risico op herhaling;

b)

de risicofactoren voor de insleep van HPAI-virussen in bedrijven, in het bijzonder met betrekking tot:

i)

hun ligging langs vogeltrekroutes, met name wanneer de vogels uit Centraal- en Oost-Azië, de gebieden rond de Kaspische Zee, de gebieden rond de Zwarte Zee, het Midden-Oosten of Afrika komen;

ii)

de afstand tussen het bedrijf en watergebieden, vijvers, moerassen, meren of rivieren waar trekvogels, in het bijzonder die van de orden Anseriformes en Charadriiformes, kunnen neerstrijken;

iii)

de ligging van bedrijven in gebieden waar veel trekvogels, met name watervogels, voorkomen;

iv)

pluimvee dat in open lucht wordt gehouden, waarbij contact tussen wilde vogels en pluimvee niet voldoende kan worden voorkomen;

c)

bijkomende risicofactoren voor verspreiding van HPAI-virussen binnen bedrijven en tussen bedrijven, met name wanneer:

i)

het bedrijf in een gebied met een hoge dichtheid van bedrijven ligt;

ii)

de intensiteit van verplaatsingen van pluimvee, voertuigen en personen binnen en vanuit bedrijven en andere directe en indirecte contacten tussen bedrijven hoog is;

d)

door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en nationale en internationale instanties voor risicobeoordeling uitgevoerde risicobeoordelingen met betrekking tot de relevantie van de verspreiding van HPAI-virussen door wilde vogels;

e)

de resultaten van overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2005/94/EG uitgevoerde bewakingsprogramma's.

Artikel 4

Risicobeperkende maatregelen

1.   Afhankelijk van de specifieke epidemiologische situatie op hun grondgebied en zo lang als nodig nemen de lidstaten passende, uitvoerbare maatregelen ter beperking van het risico op overdracht van HPAI-virussen van wilde vogels op pluimvee in gebieden met een hoog risico.

2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen zijn er met name op gericht te voorkomen dat wilde vogels, met name wilde trekkende watervogels, direct of indirect in contact komen met pluimvee, en met name met eenden en ganzen.

3.   De lidstaten verbieden het volgende in gebieden met een hoog risico:

a)

het houden van pluimvee in open lucht;

b)

het gebruik van watervoorzieningen voor pluimvee in open lucht;

c)

het verstrekken van water aan pluimvee dat afkomstig is van oppervlaktewatervoorraden waartoe wilde vogels toegang hebben;

d)

de opslag van diervoeder voor pluimvee dat niet tegen wilde vogels of andere dieren is beschermd.

4.   Als verdere risicobeperkende maatregelen verbieden de lidstaten:

a)

het samenbrengen van pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels op markten, shows, tentoonstellingen en culturele evenementen;

b)

het gebruik van lokvogels van de orden Anseriformes en Charadriiformes („lokvogels”).

5.   De lidstaten herzien geregeld de maatregelen die zijn genomen uit hoofde van de leden 1 tot en met 4, teneinde deze bij te stellen en aan te passen om rekening te houden met de epidemiologische situatie, met inbegrip van de risico's van wilde vogels.

Artikel 5

Bewustmakings- en bioveiligheidsmaatregelen

De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige maatregelen worden genomen om belanghebbenden die werkzaam zijn in de pluimveesector bewust te maken van de risico's van HPAI en hun de meest adequate informatie inzake bioveiligheidsmaatregelen, met name de maatregelen die moeten worden uitgevoerd in gebieden met een hoog risico, via de meest geschikte middelen om dergelijke informatie onder hun aandacht te brengen, te verstrekken.

Artikel 6

Uitzonderingen op de in artikel 4 vastgestelde risicobeperkende maatregelen

1.   In afwijking van artikel 4, lid 3, en op voorwaarde dat bioveiligheidsmaatregelen worden genomen om het risico op overdracht van HPAI-virussen te voorkomen, kunnen de lidstaten het volgende toestaan:

a)

het houden van pluimvee in open lucht, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

het pluimvee is met netten of daken of door andere passende middelen beschermd tegen contact met wilde vogels, of

ii)

de voorziening van voeder en water voor het pluimvee vindt binnenshuis plaats of onder een afdak waardoor het neerstrijken van wilde vogels in voldoende mate wordt afgeschrikt en wordt voorkomen dat wilde vogels met voor het pluimvee bestemd voeder of water in contact komen;

b)

het gebruik van watervoorzieningen in open lucht indien deze voor redenen van dierenwelzijn voor bepaald pluimvee vereist zijn en voldoende tegen wilde watervogels worden afgeschermd;

c)

de verstrekking aan pluimvee van water dat afkomstig is van oppervlaktewater waartoe in het wild levende vogels toegang hebben indien dat is behandeld om aviaire-influenzavirussen te inactiveren.

2.   In afwijking van artikel 4, lid 4, en mits er bioveiligheidsmaatregelen worden genomen ter voorkoming van het risico op overdracht van HPAI-virussen, kunnen de lidstaten het volgende toestaan:

a)

het bijeenbrengen van pluimvee en andere in gevangenschap levende vogels op markten, shows, tentoonstellingen en culturele evenementen;

b)

het gebruik van lokvogels:

i)

in het kader van een overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2005/94/EG uitgevoerd bewakingsprogramma voor aviaire influenza, onderzoeksprojecten, ornithologische studies of andere door de bevoegde autoriteit goedgekeurde activiteiten, of

ii)

overeenkomstig passende bioveiligheidsmaatregelen en bepalingen die op het voorkomen van de overdracht van het HPAI-virus op pluimvee zijn gericht.

Artikel 7

Systemen voor vroege opsporing bij pluimveekoppels

1.   De lidstaten zorgen voor de invoering of versterking van systemen voor vroege opsporing die gericht zijn op snelle rapportage door de eigenaars aan de bevoegde autoriteit van tekenen van aviaire influenza bij pluimveekoppels op bedrijven in gebieden met een hoog risico.

2.   De systemen als bedoeld in lid 1 omvatten ten minste een aanzienlijke daling in de voeder- en waterinname en in de eierproductie, de waargenomen sterfte en klinische tekenen of postmortemlaesies die duiden op de aanwezigheid van het HPAI-virus, rekening houdend met variaties van deze parameters in de verschillende soorten pluimvee en productietypes.

Artikel 8

Meer bewaking van wilde vogels

1.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat meer passieve bewaking van wildevogelpopulaties en verdere monitoring van dode of zieke vogels plaatsvindt in overeenstemming met de richtsnoeren voor de uitvoering van de bewakingsprogramma's voor aviaire influenza bij wilde vogels als vastgesteld in bijlage II bij Besluit 2010/367/EU met specifieke aandacht voor de lijst van doelsoorten voor de bemonstering en de laboratoriumtests die zijn vervat in dat besluit en andere soorten wilde vogels waarvan is gebleken dat ze met HPAI besmet kunnen worden.

2.   De bevoegde autoriteit kan gericht bemonstering en laboratoriumonderzoek van wilde vogels uitvoeren op soorten en in geografische gebieden die voorheen nog niet door HPAI werden aangetast.

Artikel 9

Naleving en informatieverplichtingen

De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van de maatregelen die zij nemen om dit besluit na te leven en van eventuele overeenkomstig artikel 6 toegestane afwijkingen.

Artikel 10

Intrekkingen

Beschikking 2005/734/EG wordt ingetrokken.

Artikel 11

Toepasbaarheid

Dit besluit is van toepassing tot en met 30 juni 2018.

Artikel 12

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2017.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)  PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(4)  Scientific Opinion of the Panel on Animal Health and Welfare of the European Food Safety Authority on a request from the European Commission on Animal health and welfare aspects of avian influenza and the risk of its introduction into the EU poultry holdings (EFSA Journal (2008) 715, 1—161).

(5)  Beschikking 2005/734/EG van de Commissie van 19 oktober 2005 tot vaststelling van bioveiligheidsmaatregelen ter beperking van het risico van overdracht van hoogpathogene aviaire influenza, veroorzaakt door het influenza A-virus subtype H5N1, van in het wild levende vogels naar pluimvee en andere in gevangenschap gehouden vogels en tot instelling van een systeem voor vroege opsporing in risicogebieden (PB L 274 van 20.10.2005, blz. 105).

(6)  Besluit 2010/367/EU van de Commissie van 25 juni 2010 betreffende de uitvoering door de lidstaten van surveillanceprogramma's voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels (PB L 166 van 1.7.2010, blz. 22).

(7)  EFSA Journal 2017;15(1):4687, 32 blz., doi: 10.2903/j.efsa.2016.4687.

(8)  Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC), 2016, Rapid Risk Assessment: Outbreaks of highly pathogenic avian influenza A(H5N8) in Europe: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/risk-assessment-avian-influenza-H5N8-europe.pdf


16.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/12


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/264 VAN DE COMMISSIE

van 14 februari 2017

houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 766)

(Slechts de teksten in de Bulgaarse, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Spaanse en de Zweedse taal zijn authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 52,

Na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad (2) en, met ingang van 1 januari 2015, overeenkomstig artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 dient de Commissie de nodige verificaties te verrichten, de resultaten daarvan mee te delen aan de lidstaten, kennis te nemen van de opmerkingen van de lidstaten en bilaterale besprekingen te initiëren om met de betrokken lidstaten overeenstemming te bereiken en haar conclusies formeel aan deze laatste mee te delen.

(2)

De lidstaten hebben de gelegenheid gekregen een verzoek tot inleiding van een bemiddelingsprocedure in te dienen. Van deze mogelijkheid is in sommige gevallen gebruikgemaakt en de verslagen met de bevindingen zijn door de Commissie onderzocht.

(3)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 mogen uitsluitend landbouwuitgaven worden gefinancierd die zijn verricht op een wijze die niet in strijd is met de regelgeving van de Unie.

(4)

Uit de verrichte verificaties, de resultaten van de bilaterale besprekingen en de bemiddelingsprocedures is gebleken dat een deel van de door de lidstaten gedeclareerde uitgaven niet aan deze voorwaarde voldoet en derhalve niet uit het ELGF of het Elfpo mag worden gefinancierd.

(5)

Aangegeven moet worden welke bedragen niet als ten laste van het ELGF en het Elfpo worden erkend. Het gaat daarbij niet om uitgaven die zijn gedaan vóór de periode van 24 maanden die voorafging aan het tijdstip waarop de Commissie de resultaten van de verificaties schriftelijk aan de lidstaten heeft meegedeeld.

(6)

Voor de gevallen waarop dit besluit betrekking heeft, heeft de Commissie de lidstaten in een syntheseverslag de raming meegedeeld van de uitgaven die aan financiering moeten worden onttrokken omdat zij niet overeenkomstig de regelgeving van de Unie zijn verricht (3).

(7)

Met dit besluit wordt niet vooruitgelopen op de financiële consequenties die de Commissie kan trekken uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaken die op 31 december 2016 aanhangig waren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde bedragen betreffende de uitgaven van erkende betaalorganen van de lidstaten die ten laste van het ELGF of het Elfpo zijn gedeclareerd, worden aan financiering door de Unie onttrokken.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, Hongarije, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2017.

Voor de Commissie

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1).

(3)  Ares(2017)555605 van 1 februari 2017.


BIJLAGE

Besluit: 53

Begrotingspost: 05040501

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

SI

Certificering

2013

Elfpo-vorderingen te vroeg als oninbaar opgegeven

EENMALIG

 

EUR

1 214,10

0,00

1 214,10

 

 

 

 

 

Totaal SI:

EUR

1 214,10

0,00

1 214,10


Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

EUR

1 214,10

0,00

1 214,10

Begrotingspost: 05070107

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

PT

Financiële audit — Te late betalingen en betalingstermijnen

2012

Correctie vanwege te late betalingen

EENMALIG

 

EUR

– 341 058,21

– 613 918,73

272 860,52

 

Financiële audit — Overschrijding

2012

Correctie vanwege overschrijding van de maxima

EENMALIG

 

EUR

– 2 249 991,75

– 2 249 991,75

0,00

 

 

 

 

 

Totaal PT:

EUR

– 2 591 049,96

– 2 863 910,48

272 860,52

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

SI

Certificering

2013

Bekende fouten ELGF GBCS

EENMALIG

 

EUR

285,33

0,00

285,33

 

 

 

 

 

Totaal SI:

EUR

285,33

0,00

285,33


Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

EUR

– 2 590 764,63

– 2 863 910,48

273 145,85

Begrotingspost: 6701

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

AT

Certificering

2014

Financiële goedkeuring BJ 2014

EENMALIG

 

EUR

– 827 514,15

0,00

– 827 514,15

 

 

 

 

 

Totaal AT:

EUR

– 827 514,15

0,00

– 827 514,15

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

BG

Certificering

2013

Terugboeking wegens administratieve fouten ELGF

EENMALIG

 

EUR

– 808 946,28

0,00

– 808 946,28

 

Certificering

2014

Bekende fout ELGF GBCS

EENMALIG

 

EUR

– 23 513,30

0,00

– 23 513,30

 

Certificering

2013

ELGF GBCS te hoge opgaven

EENMALIG

 

EUR

– 12 839,99

0,00

– 12 839,99

 

 

 

 

 

Totaal BG:

EUR

– 845 299,57

0,00

– 845 299,57

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

CY

Randvoorwaarden

2014

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — rechtstreekse steun — aanvraagjaar (AJ) 2013

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 516 617,16

0,00

– 516 617,16

 

Randvoorwaarden

2015

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — rechtstreekse steun — AJ 2014

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 503 559,05

– 8 178,75

– 495 380,30

 

Randvoorwaarden

2013

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — wijn — AJ 2014

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 29 474,10

0,00

– 29 474,10

 

Randvoorwaarden

2014

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — wijn — AJ 2014

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 2 023,66

0,00

– 2 023,66

 

 

 

 

 

Totaal CY:

EUR

– 1 051 673,97

– 8 178,75

– 1 043 495,22

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

DE

Randvoorwaarden

2013

Tekortschietende evaluatie van dieren met 2 ontbrekende oormerken (RBE's 7 en 8) — AJ 2012

EENMALIG

 

EUR

– 38 456,61

0,00

– 38 456,61

 

Randvoorwaarden

2014

Tekortschietende evaluatie van dieren met 2 ontbrekende oormerken (RBE's 7 en 8) — AJ 2013

EENMALIG

 

EUR

– 45 384,43

0,00

– 45 384,43

 

Randvoorwaarden

2015

Tekortschietende evaluatie van dieren met 2 ontbrekende oormerken (RBE's 7 en 8) — AJ 2014

EENMALIG

 

EUR

– 95 307,89

0,00

– 95 307,89

 

Certificering

2011

Herstructurering van de suikerindustrie — niet-subsidiabele bedragen

EENMALIG

 

EUR

– 17 137,39

0,00

– 17 137,39

 

Certificering

2012

Herstructurering van de suikerindustrie — niet-subsidiabele bedragen

EENMALIG

 

EUR

– 1 731 625,19

0,00

– 1 731 625,19

 

Onregelmatigheden

2010

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 1 964 861,71

0,00

– 1 964 861,71

 

 

 

 

 

Totaal DE:

EUR

– 3 892 773,22

0,00

– 3 892 773,22

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

ES

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet voldaan aan erkenningsvoorwaarden

EENMALIG

 

EUR

– 33 191,89

– 10 156,42

– 23 035,47

 

Doorlichting van transacties

2010

Te late doorlichtingen in La Rioja en Andalusië

FORFAITAIR

0,50 %

EUR

– 146 150,05

0,00

– 146 150,05

 

Doorlichting van transacties

2011

Te late doorlichtingen in La Rioja en Andalusië

FORFAITAIR

0,50 %

EUR

– 93 858,26

0,00

– 93 858,26

 

Doorlichting van transacties

2012

Te late doorlichtingen in La Rioja en Andalusië

FORFAITAIR

0,50 %

EUR

– 35 460,70

0,00

– 35 460,70

 

Doorlichting van transacties

2010

Te late doorlichting — La Rioja

FORFAITAIR

0,50 %

EUR

– 2 995,48

0,00

– 2 995,48

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Andalusië

EENMALIG

 

EUR

– 1 531 131,62

– 9 722,69

– 1 521 408,93

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Andalusië

EENMALIG

 

EUR

– 2 159 599,27

– 41 333,00

– 2 118 266,27

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Andalusië

EENMALIG

 

EUR

– 1 456 751,54

– 36 337,16

– 1 420 414,38

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Andalusië

EENMALIG

 

EUR

– 1 499 753,12

– 14 200,84

– 1 485 552,28

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Andalusië

EENMALIG

 

EUR

– 896 215,57

– 2 557,15

– 893 658,42

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Aragon

EENMALIG

 

EUR

– 8 679,88

– 55,12

– 8 624,76

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Aragon

EENMALIG

 

EUR

– 10 681,51

– 534,08

– 10 147,43

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Aragon

EENMALIG

 

EUR

– 28 978,00

– 175,03

– 28 802,97

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Aragon

EENMALIG

 

EUR

– 84 663,69

0,00

– 84 663,69

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Aragon

EENMALIG

 

EUR

– 84 019,25

0,00

– 84 019,25

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Balearen

EENMALIG

 

EUR

– 11 860,02

– 75,32

– 11 784,70

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Balearen

EENMALIG

 

EUR

– 14 278,97

– 86,25

– 14 192,72

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Balearen

EENMALIG

 

EUR

– 233 449,16

– 2 262,89

– 231 186,27

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Balearen

EENMALIG

 

EUR

– 13 983,26

– 79,24

– 13 904,02

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Balearen

EENMALIG

 

EUR

– 8 720,47

– 113,07

– 8 607,40

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Canarische Eilanden

EENMALIG

 

EUR

– 22 767,51

– 798,11

– 21 969,40

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Canarische Eilanden

EENMALIG

 

EUR

– 54 144,30

– 15 229,33

– 38 914,97

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Canarische Eilanden

EENMALIG

 

EUR

– 83 110,99

– 4 155,55

– 78 955,44

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Canarische Eilanden

EENMALIG

 

EUR

– 127 228,11

– 1 732,48

– 125 495,63

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Canarische Eilanden

EENMALIG

 

EUR

– 114 108,33

– 1 463,88

– 112 644,45

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla la Mancha

EENMALIG

 

EUR

– 26 883,50

– 1 712,30

– 25 171,20

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla la Mancha

EENMALIG

 

EUR

– 15 731,99

– 95,02

– 15 636,97

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla la Mancha

EENMALIG

 

EUR

– 37 119,79

– 224,21

– 36 895,58

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla la Mancha

EENMALIG

 

EUR

– 16 217,50

0,00

– 16 217,50

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla la Mancha

EENMALIG

 

EUR

– 29 443,87

0,00

– 29 443,87

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla Leon

EENMALIG

 

EUR

– 26 234,89

– 166,59

– 26 068,30

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla Leon

EENMALIG

 

EUR

– 151 821,60

– 917,00

– 150 904,60

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla Leon

EENMALIG

 

EUR

– 22 932,79

– 138,58

– 22 794,21

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla Leon

EENMALIG

 

EUR

– 32 744,91

0,00

– 32 744,91

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Castilla Leon

EENMALIG

 

EUR

– 68 357,82

0,00

– 68 357,82

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Catalonië

EENMALIG

 

EUR

– 225 773,04

0,00

– 225 773,04

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Catalonië

EENMALIG

 

EUR

– 170 694,03

– 8 534,70

– 162 159,33

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Catalonië

EENMALIG

 

EUR

– 181 248,30

– 9 062,42

– 172 185,88

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Catalonië

EENMALIG

 

EUR

– 192 820,93

0,00

– 192 820,93

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Catalonië

EENMALIG

 

EUR

– 254 597,71

0,00

– 254 597,71

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Comunidad Valenciana

EENMALIG

 

EUR

– 146 386,75

0,00

– 146 386,75

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Comunidad Valenciana

EENMALIG

 

EUR

– 200 166,03

– 31 147,05

– 169 018,98

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Comunidad Valenciana

EENMALIG

 

EUR

– 170 287,72

0,00

– 170 287,72

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Comunidad Valenciana

EENMALIG

 

EUR

– 168 918,35

– 3 707,16

– 165 211,19

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Comunidad Valenciana

EENMALIG

 

EUR

– 153 236,13

– 3 351,18

– 149 884,95

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Extremadura

EENMALIG

 

EUR

– 7 573,50

– 4 869,44

– 2 704,06

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Extremadura

EENMALIG

 

EUR

– 41 935,82

– 253,29

– 41 682,53

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Extremadura

EENMALIG

 

EUR

– 6 398,76

– 38,65

– 6 360,11

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Extremadura

EENMALIG

 

EUR

– 8 379,93

0,00

– 8 379,93

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Extremadura

EENMALIG

 

EUR

– 4 382,72

0,00

– 4 382,72

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — La Rioja

EENMALIG

 

EUR

– 127 765,77

– 9 710,55

– 118 055,22

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — La Rioja

EENMALIG

 

EUR

– 185 478,26

– 2 132,67

– 183 345,59

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — La Rioja

EENMALIG

 

EUR

– 282 683,90

– 1 707,41

– 280 976,49

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — La Rioja

EENMALIG

 

EUR

– 284 838,08

– 28,74

– 284 809,34

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — La Rioja

EENMALIG

 

EUR

– 139 011,79

0,00

– 139 011,79

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Murcia

EENMALIG

 

EUR

– 259 156,57

– 1 645,65

– 257 510,92

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Murcia

EENMALIG

 

EUR

– 416 517,97

– 113 614,89

– 302 903,08

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Murcia

EENMALIG

 

EUR

– 521 156,18

– 3 147,78

– 518 008,40

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Murcia

EENMALIG

 

EUR

– 401 418,38

0,00

– 401 418,38

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Murcia

EENMALIG

 

EUR

– 283 457,53

0,00

– 283 457,53

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Navarra

EENMALIG

 

EUR

– 15 774,57

– 100,17

– 15 674,40

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Navarra

EENMALIG

 

EUR

– 44 467,97

– 268,59

– 44 199,38

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Navarra

EENMALIG

 

EUR

– 215 685,94

– 1 302,74

– 214 383,20

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Navarra

EENMALIG

 

EUR

– 241 224,50

0,00

– 241 224,50

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Navarra

EENMALIG

 

EUR

– 72 761,39

0,00

– 72 761,39

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Baskenland

EENMALIG

 

EUR

0,00

0,00

0,00

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Baskenland

EENMALIG

 

EUR

– 46 466,16

– 280,65

– 46 185,51

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Baskenland

EENMALIG

 

EUR

– 37 334,18

– 225,49

– 37 108,69

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Baskenland

EENMALIG

 

EUR

– 18 369,50

0,00

– 18 369,50

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-subsidiabele uitgaven — milieumaatregelen — Baskenland

EENMALIG

 

EUR

– 18 173,37

0,00

– 18 173,37

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Goedkeuring van het programma en deugdelijkheid van de ramingen

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 2 471 338,23

– 410 946,34

– 2 060 391,89

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Goedkeuring van het programma en deugdelijkheid van de ramingen

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 2 458 742,85

– 487 812,57

– 1 970 930,28

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Goedkeuring van het programma en deugdelijkheid van de ramingen

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 2 824 856,16

– 409 515,20

– 2 415 340,96

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Goedkeuring van het programma en deugdelijkheid van de ramingen

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 64 228,60

– 753,71

– 63 474,89

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Goedkeuring van het programma en deugdelijkheid van de ramingen

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 4 355,01

0,00

– 4 355,01

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Erkenning van producentenorganisaties

EENMALIG

 

EUR

– 183 847,65

– 9 192,38

– 174 655,27

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2009

Erkenning van producentenorganisaties en operationele programma's

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 3 922 888,80

– 2 042 758,51

– 1 880 130,29

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Erkenning van producentenorganisaties en operationele programma's

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 4 917 485,69

– 2 566 722,82

– 2 350 762,87

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Erkenning van producentenorganisaties en operationele programma's

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 440 969,18

– 220 484,59

– 220 484,59

 

Andere rechtstreekse steun — Posei (2014+)

2015

Het centraal register (RIIA) bevat fouten die ten koste gaan van de juistheid van de grondige administratieve kruiscontroles overeenkomstig Verordening (EU) nr. 180/2014

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 82 894,34

0,00

– 82 894,34

 

Andere rechtstreekse steun — Posei

2013

Het centraal register (RIIA) bevat fouten die ten koste gaan van de juistheid van de grondige administratieve kruiscontroles overeenkomstig Verordening (EU) nr. 180/2014 en Verordening (EG) nr. 793/2006

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 280 114,91

– 14 005,75

– 266 109,16

 

Andere rechtstreekse steun — Posei (2014+)

2014

Het centraal register (RIIA) bevat fouten die ten koste gaan van de juistheid van de grondige administratieve kruiscontroles overeenkomstig Verordening (EU) nr. 180/2014 en Verordening (EG) nr. 793/2006

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 234 195,06

0,00

– 234 195,06

 

 

 

 

 

Totaal ES:

EUR

– 32 613 727,82

– 6 501 642,40

– 26 112 085,42

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

FR

Andere rechtstreekse steun — artikelen 68-72 van V. 73/2009

2014

Essentiële controle: administratieve controles, met inbegrip van kruiscontroles, ter vaststelling van de subsidiabiliteit van de steun (productiviteitsratio)

EENMALIG

 

EUR

– 1 297 619,43

0,00

– 1 297 619,43

 

Andere rechtstreekse steun — artikelen 68-72 van V. 73/2009

2015

Essentiële controle: administratieve controles, met inbegrip van kruiscontroles, ter vaststelling van de subsidiabiliteit van de steun (productiviteitsratio)

EENMALIG

 

EUR

– 2 043 712,69

0,00

– 2 043 712,69

 

Andere rechtstreekse steun — artikelen 68-72 van V. 73/2009

2014

Essentiële controle: controles op de juistheid van de steunberekening, met inbegrip van de toepassing van administratieve sancties (verschil > 50 %)

EENMALIG

 

EUR

– 369 979,82

0,00

– 369 979,82

 

Andere rechtstreekse steun — artikelen 68-72 van V. 73/2009

2015

Essentiële controle: controles op de juistheid van de steunberekening, met inbegrip van de toepassing van administratieve sancties (verschil > 50 %)

EENMALIG

 

EUR

– 393 123,12

0,00

– 393 123,12

 

 

 

 

 

Totaal FR:

EUR

– 4 104 435,06

0,00

– 4 104 435,06

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

GB

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (100 % uitsluiting van 10 niet-conforme producentenorganisaties)

EENMALIG

 

EUR

– 1 233 654,04

0,00

– 1 233 654,04

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (100 % uitsluiting van 10 niet-conforme producentenorganisaties)

EENMALIG

 

EUR

– 1 776 039,39

0,00

– 1 776 039,39

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (100 % uitsluiting van 10 niet-conforme producentenorganisaties)

EENMALIG

 

EUR

– 2 327,82

0,00

– 2 327,82

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (100 % uitsluiting van 10 niet-conforme producentenorganisaties)

EENMALIG

 

EUR

– 1 050 108,51

0,00

– 1 050 108,51

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (extrapolatie)

EENMALIG

 

EUR

– 2 905 862,05

0,00

– 2 905 862,05

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (extrapolatie)

EENMALIG

 

EUR

– 3 362 953,03

0,00

– 3 362 953,03

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (extrapolatie)

EENMALIG

 

EUR

– 7 253,20

0,00

– 7 253,20

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Niet-naleving van de erkenningscriteria voor producentenorganisaties (extrapolatie)

EENMALIG

 

EUR

– 446 492,31

0,00

– 446 492,31

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2010

Zwakke punten in essentiële controles bij operationele programma's van de producentenorganisaties

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 789 356,47

– 413 951,61

– 375 404,86

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Zwakke punten in essentiële controles bij de operationele programma's van de producentenorganisaties

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 877 758,79

– 513 899,25

– 363 859,54

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Zwakke punten in essentiële controles bij de operationele programma's van de producentenorganisaties

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 1 432,06

– 958,11

– 473,95

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Zwakke punten in de essentiële controles bij de operationele programma's van de producentenorganisaties

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 178 835,64

– 149 660,08

– 29 175,56

 

Certificering

2006

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 406 257,93

0,00

– 406 257,93

 

Onregelmatigheden

2007

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 698,64

0,00

– 698,64

 

Onregelmatigheden

2008

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 9 595,20

0,00

– 9 595,20

 

Onregelmatigheden

2009

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 1 892,62

0,00

– 1 892,62

 

Onregelmatigheden

2010

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 195,28

0,00

– 195,28

 

Onregelmatigheden

2011

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 1 291,27

0,00

– 1 291,27

 

Onregelmatigheden

2012

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 1 880,44

0,00

– 1 880,44

 

Onregelmatigheden

2013

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 2 127,59

0,00

– 2 127,59

 

Onregelmatigheden

2014

Zwakke punten in de procedures voor het vorderingenbeheer

EENMALIG

 

EUR

– 462,29

0,00

– 462,29

 

 

 

 

 

Totaal GB:

EUR

– 13 056 474,57

– 1 078 469,05

– 11 978 005,52

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

GR

Certificering

2013

Fouten die de certificerende instantie heeft ontdekt in de volledigheidstoets van de bijlage III-tabel

EENMALIG

 

EUR

– 131 353,03

0,00

– 131 353,03

 

Certificering

2014

Bekende fout ontdekt door de certificerende instantie in de niet-GBCS-populatie van het ELGF

EENMALIG

 

EUR

– 11 875,16

0,00

– 11 875,16

 

 

 

 

 

Totaal GR:

EUR

– 143 228,19

0,00

– 143 228,19

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

HU

Groenten en fruit — voorlopig erkende producentengroeperingen (PG's)

2013

Zwak punt PG's in essentiële controle OP 2013

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 57 894,35

0,00

– 57 894,35

 

Groenten en fruit — voorlopig erkende producentengroeperingen

2014

Zwak punt PG's in essentiële controle OP 2013

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 504 307,84

0,00

– 504 307,84

 

Groenten en fruit — operationele programma's incl. uitdemarktnemingen

2014

Zwak punt PO's in essentiële controle OP 2012 & 2013 BJ 2014

FORFAITAIR

7,00 %

EUR

– 199 419,79

0,00

– 199 419,79

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Zwak punt PO's in essentiële controle OP 2012 & 2013 BJ 2013

FORFAITAIR

7,00 %

EUR

– 66 339,25

– 47 385,18

– 18 954,07

 

 

 

 

 

Totaal HU:

EUR

– 827 961,23

– 47 385,18

– 780 576,05

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

IT

Randvoorwaarden

2012

Gebrekkige controle van RBE's 1 en 5, te mild sanctiesysteem en toepassing toleranties, landbouwers met dieren, AJ 2011

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 655 096,22

– 1 048,74

– 654 047,48

 

Randvoorwaarden

2013

Gebrekkige controle van RBE's 1 en 5, te mild sanctiesysteem en toepassing toleranties, landbouwers met dieren, AJ 2012

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 666 277,37

0,00

– 666 277,37

 

Randvoorwaarden

2014

Gebrekkige controle van RBE's 1, 3 en 5 en minimumvoorschriften voor meststoffen, AJ 2013

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 752 819,71

0,00

– 752 819,71

 

Randvoorwaarden

2012

Gebrekkige controle van RBE's 1, 3 en 5 en minimumvoorschriften voor meststoffen, landbouwers zonder dieren, AJ 2011

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 483 713,21

– 774,38

– 482 938,83

 

Randvoorwaarden

2013

Gebrekkige controle van RBE's 1, 3 en 5 en minimumvoorschriften voor meststoffen, landbouwers zonder dieren, AJ 2012

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 523 645,95

0,00

– 523 645,95

 

Certificering

2012

Niet-naleving van de betalingstermijnen

EENMALIG

 

EUR

– 210 365,00

0,00

– 210 365,00

 

Voedselhulp in de Gemeenschap

2010

Niet-naleving van termijnen voor plaatsing overheidsopdrachten

EENMALIG

 

EUR

– 1 197 563,28

0,00

– 1 197 563,28

 

Voedselhulp in de Gemeenschap

2011

Niet-naleving van termijnen voor plaatsing overheidsopdrachten

EENMALIG

 

EUR

– 4 573 837,72

0,00

– 4 573 837,72

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2011

Zwakke punten in controles van erkenning van PO's: OP 2011 — BJ 2011-2013

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 1 122 952,77

0,00

– 1 122 952,77

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Zwakke punten in controles van erkenning van PO's: OP 2011 — BJ 2011-2013

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 3 580 398,29

0,00

– 3 580 398,29

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Zwakke punten in controles van erkenning van PO's: OP 2011 — BJ 2011-2013

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 3 853,07

0,00

– 3 853,07

 

Groenten en fruit — operationele programma's incl. uitdemarktnemingen

2014

Zwakke punten in controles van erkenning van PO's: OP 2011 — BJ 2014

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

6 043,13

0,00

6 043,13

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2012

Zwakke punten in controles van erkenning van PO's: OP 2012 — BJ 2012-2013

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 464 814,60

0,00

– 464 814,60

 

Groenten en fruit — operationele programma's

2013

Zwakke punten in controles van erkenning van PO's: OP 2012 — BJ 2012-2013

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 1 407 604,32

0,00

– 1 407 604,32

 

Groenten en fruit — operationele programma's incl. uitdemarktnemingen

2014

Zwakke punten in controles van erkenning van PO's: OP 2012 — BJ 2014

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

1 101,64

0,00

1 101,64

 

 

 

 

 

Totaal IT:

EUR

– 15 635 796,74

– 1 823,12

– 15 633 973,62

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

LV

Randvoorwaarden

2014

Onvoldoende controles ter plaatse voor RBE's 7 & 8, tekortschietende controles op meldingen van verplaatsingen van dieren — pijler I — AJ 2013

EENMALIG

 

EUR

– 189 485,56

0,00

– 189 485,56

 

Randvoorwaarden

2015

Onvoldoende controles ter plaatse voor RBE's 7 & 8, tekortschietende controles op meldingen van verplaatsingen van dieren — pijler I — AJ 2014

EENMALIG

 

EUR

– 210 598,79

0,00

– 210 598,79

 

 

 

 

 

Totaal LV:

EUR

– 400 084,35

0,00

– 400 084,35

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

PL

Certificering

2014

ELGF niet-GBCS, fout geconstateerd bij systeemgerichte toetsing van de controles ter plaatse

EENMALIG

 

EUR

– 7 165,39

0,00

– 7 165,39

 

Groenten en fruit — uitzonderlijke steunmaatregelen

2011

Foutieve opbrengsten (areaal/productie)

EENMALIG

 

EUR

– 26 377 055,48

– 669 020,35

– 25 708 035,13

 

Voedselhulp in de Gemeenschap

2010

Niet-naleving van de regels voor plaatsing overheidsopdrachten — programmajaar 2010

EENMALIG

 

EUR

– 1 873 784,07

0,00

– 1 873 784,07

 

Voedselhulp in de Gemeenschap

2011

Niet-naleving van de regels voor plaatsing overheidsopdrachten — programmajaar 2010

EENMALIG

 

EUR

– 27 609,40

0,00

– 27 609,40

 

Voedselhulp in de Gemeenschap

2011

Niet-naleving van de regels voor plaatsing overheidsopdrachten — programmajaar 2011

EENMALIG

 

EUR

– 1 442 500,04

0,00

– 1 442 500,04

 

Voedselhulp in de Gemeenschap

2012

Niet-naleving van de regels voor plaatsing overheidsopdrachten — programmajaar 2011

EENMALIG

 

EUR

– 18 723,79

0,00

– 18 723,79

 

Voedselhulp in de Gemeenschap

2012

Niet-naleving van de regels voor plaatsing overheidsopdrachten — programmajaar 2012

EENMALIG

 

EUR

– 329 465,32

0,00

– 329 465,32

 

Groenten en fruit — uitzonderlijke steunmaatregelen

2011

Zwakke punten in verband met meldingen en controles vooraf

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 937 813,75

– 547 965,83

– 389 847,92

 

 

 

 

 

Totaal PL:

EUR

– 31 014 117,24

– 1 216 986,18

– 29 797 131,06


Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

EUR

– 104 413 086,11

– 8 854 484,68

– 95 558 601,43

Begrotingspost: 6711

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

BG

Certificering

2014

Bekende fout Elfpo GBCS

EENMALIG

 

EUR

– 9 930,63

0,00

– 9 930,63

 

Certificering

2013

Elfpo GBCS, te hoge opgave en bekende fout

EENMALIG

 

EUR

– 186 798,27

0,00

– 186 798,27

 

Certificering

2014

Bekende fout Elfpo niet-GBCS

EENMALIG

 

EUR

– 581 320,04

0,00

– 581 320,04

 

Certificering

2013

Meest waarschijnlijke fout Elfpo niet-GBCS,

EENMALIG

 

EUR

– 1 797 022,09

0,00

– 1 797 022,09

 

Certificering

2014

Financiële fouten in het kader van de maatregelen 121 en 123

EENMALIG

 

EUR

– 125 203,54

0,00

– 125 203,54

 

Certificering

2013

Maatregel 123 — problemen i.v.m. evaluatiecomité

EENMALIG

 

EUR

– 41 588,29

0,00

– 41 588,29

 

Certificering

2014

Andere Elfpo-fouten

EENMALIG

 

EUR

– 11 380,50

0,00

– 11 380,50

 

 

 

 

 

Totaal BG:

EUR

– 2 753 243,36

0,00

– 2 753 243,36

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

CY

Randvoorwaarden

2013

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — PO — AJ 2013

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 1 482,85

0,00

– 1 482,85

 

Randvoorwaarden

2014

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — PO — AJ 2013

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 117 859,18

0,00

– 117 859,18

 

Randvoorwaarden

2014

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — PO — AJ 2014

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 150,09

0,00

– 150,09

 

Randvoorwaarden

2015

Tekortkomingen in alle 4 essentiële controles en in 2 aanvullende controles (controlestatistieken, toezicht) — PO — AJ 2014

FORFAITAIR

10,00 %

EUR

– 115 046,28

0,00

– 115 046,28

 

 

 

 

 

Totaal CY:

EUR

– 234 538,40

0,00

– 234 538,40

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

DE

Randvoorwaarden

2015

Tekortschietende evaluatie van dieren met 2 ontbrekende oormerken (RBE's 7 en 8) — AJ 2013

EENMALIG

 

EUR

– 291,68

0,00

– 291,68

 

 

 

 

 

Totaal DE:

EUR

– 291,68

0,00

– 291,68

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

ES

Certificering

2013

Actieplanmaatregelen 122, 223 en 226. Rechterlijke beslissing (zaak niet voldoende ondersteund)

EENMALIG

 

EUR

– 33 557,18

0,00

– 33 557,18

 

Certificering

2012

Fouten van voorgaande jaren waarvoor geen terugvorderingen zijn ingeleid

EENMALIG

 

EUR

– 5 463,58

0,00

– 5 463,58

 

Certificering

2011

Geen verantwoording voor de betaling van een factuur

EENMALIG

 

EUR

– 35,99

0,00

– 35,99

 

Certificering

2012

Meest waarschijnlijke fout voor de niet-GBCS-populatie Elfpo

EENMALIG

 

EUR

– 347 412,15

0,00

– 347 412,15

 

 

 

 

 

Totaal ES:

EUR

– 386 468,90

0,00

– 386 468,90

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

FI

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, areaalgerelateerde maatregelen)

2013

Maatregel 214: verificatie van de subsidiabiliteitscriteria voor biologische landbouw en beoordeling van de terugwerkende kracht van een inbreuk

EENMALIG

 

EUR

– 2 548,82

0,00

– 2 548,82

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, areaalgerelateerde maatregelen)

2014

Maatregel 214: verificatie van de subsidiabiliteitscriteria voor biologische landbouw en beoordeling van de terugwerkende kracht van een inbreuk

EENMALIG

 

EUR

– 54 037,45

0,00

– 54 037,45

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, areaalgerelateerde maatregelen)

2015

Maatregel 214: verificatie van de subsidiabiliteitscriteria voor biologische landbouw en beoordeling van de terugwerkende kracht van een inbreuk

EENMALIG

 

EUR

– 28 246,38

0,00

– 28 246,38

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, niet-areaalgerelateerde maatregelen)

2014

Maatregel 215: passende verificatie van verbintenissen in verband met begrazing/buitenuitloop, en beoordeling van de terugwerkende kracht van een inbreuk

EENMALIG

 

EUR

– 38 301,03

0,00

– 38 301,03

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, niet-areaalgerelateerde maatregelen)

2015

Maatregel 215: passende verificatie van verbintenissen in verband met begrazing/toegang tot een buitenuitloop, en beoordeling van de terugwerkende kracht van een inbreuk

EENMALIG

 

EUR

– 31 769,21

0,00

– 31 769,21

 

 

 

 

 

Totaal FI:

EUR

– 154 902,89

0,00

– 154 902,89

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

FR

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 1 — Maatregelen met forfaitaire steun (2007-2013)

2013

Niet-naleving van art. 25 van Verordening (EU) nr. 65/2011 (controles ter plaatse verricht na de slotbetaling)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 1 258 058,85

– 884 557,22

– 373 501,63

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 1 — Maatregelen met forfaitaire steun

2014

Niet-naleving van art. 25 van Verordening (EU) nr. 65/2011 (controles ter plaatse verricht na de slotbetaling)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 1 539 396,19

0,00

– 1 539 396,19

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 1 — Maatregelen met forfaitaire steun

2015

Niet-naleving van art. 25 van Verordening (EU) nr. 65/2011 (controles ter plaatse verricht na de slotbetaling)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 381 195,39

0,00

– 381 195,39

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo (2014-2020) — Maatregelen met forfaitaire steun

2016

Niet-naleving van art. 25 van Verordening (EU) nr. 65/2011 (controles ter plaatse verricht na de slotbetaling)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 1 681 851,57

0,00

– 1 681 851,57

 

 

 

 

 

Totaal FR:

EUR

– 4 860 502,00

– 884 557,22

– 3 975 944,78

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

GR

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, areaalgerelateerde maatregelen)

2013

Subsidiabiliteit van blijvend grasland

EENMALIG

 

EUR

– 16 790 207,07

– 482,39

– 16 789 724,68

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, areaalgerelateerde maatregelen)

2014

Subsidiabiliteit van blijvend grasland

EENMALIG

 

EUR

– 4 092 054,10

0,00

– 4 092 054,10

 

Certificering

2013

Fouten die de certificerende instantie heeft ontdekt in de volledigheidstoets van de bijlage III-tabel

EENMALIG

 

EUR

– 80 114,44

0,00

– 80 114,44

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo (2014-2020) — GBCS-maatregelen

2015

Maatregelen 211 en 212: niet-subsidiabiliteit van blijvend grasland

EENMALIG

 

EUR

– 2 075 014,04

0,00

– 2 075 014,04

 

 

 

 

 

Totaal GR:

EUR

– 23 037 389,65

– 482,39

– 23 036 907,26

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

HU

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 4 Leader (2007-2013)

2014

Zwak punt in de selectieprocedure voor projecten, derde aanvraagronde

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 2 042 124,67

0,00

– 2 042 124,67

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 4 Leader (2007-2013)

2015

Zwak punt in de selectieprocedure voor projecten, derde aanvraagronde

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 1 664 147,37

0,00

– 1 664 147,37

 

 

 

 

 

Totaal HU:

EUR

– 3 706 272,04

0,00

– 3 706 272,04

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

IT

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, niet-areaalgerelateerde maatregelen)

2013

Maatregelen 216 en 226: adequaat auditspoor (registratie van de verrichte controlewerkzaamheden) voor administratieve controles en controles ter plaatse (aanvullende controle)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 15 494,80

0,00

– 15 494,80

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, niet-areaalgerelateerde maatregelen)

2014

Maatregelen 216 en 226: adequaat auditspoor (registratie van de verrichte controlewerkzaamheden) voor administratieve controles en controles ter plaatse (aanvullende controle)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 56 911,92

0,00

– 56 911,92

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo (2014-2020), bosbouwmaatregelen

2015

Maatregelen 216 en 226: adequaat auditspoor (registratie van de verrichte controlewerkzaamheden) voor administratieve controles en controles ter plaatse (aanvullende controle)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 42 742,25

0,00

– 42 742,25

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo (2014-2020), investeringen — particuliere begunstigden

2015

Maatregelen 216 en 226: adequaat auditspoor (registratie van de verrichte controlewerkzaamheden) voor administratieve controles en controles ter plaatse (aanvullende controle)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 1 353,14

0,00

– 1 353,14

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo (2014-2020), bosbouwmaatregelen

2016

Maatregelen 216 en 226: adequaat auditspoor (registratie van de verrichte controlewerkzaamheden) voor administratieve controles en controles ter plaatse (aanvullende controle)

FORFAITAIR

2,00 %

EUR

– 1 739,03

0,00

– 1 739,03

 

Certificering

2012

Niet-naleving van de betalingstermijnen

EENMALIG

 

EUR

– 5 006 487,10

– 5 006 487,10

0,00

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo, investeringen — particuliere begunstigden

2015

De Italiaanse autoriteiten hebben in onvoldoende mate kruiscontroles tussen de verschillende beschikbare databanken verricht om eventuele dubbele financiering van zonnepanelen op te sporen.

EENMALIG

 

EUR

– 216 521,27

0,00

– 216 521,27

 

 

 

 

 

Totaal IT:

EUR

– 5 341 249,51

– 5 006 487,10

– 334 762,41

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

LV

Randvoorwaarden

2014

Onvoldoende controles ter plaatse voor RBE's 7 & 8, tekortschietende controles op meldingen van verplaatsingen van dieren — pijler II — AJ 2013

EENMALIG

 

EUR

– 125 376,52

0,00

– 125 376,52

 

Randvoorwaarden

2015

Onvoldoende controles ter plaatse voor RBE's 7 & 8, tekortschietende controles op meldingen van verplaatsingen van dieren — pijler II — AJ 2013

EENMALIG

 

EUR

– 3 253,18

0,00

– 3 253,18

 

Randvoorwaarden

2014

Onvoldoende controles ter plaatse voor RBE's 7 & 8, tekortschietende controles op meldingen van verplaatsingen van dieren — pijler II — AJ 2014

EENMALIG

 

EUR

– 83 384,34

0,00

– 83 384,34

 

Randvoorwaarden

2015

Onvoldoende controles ter plaatse voor RBE's 7 & 8, tekortschietende controles op de meldingen van verplaatsingen van dieren — pijler II — AJ 2014

EENMALIG

 

EUR

– 2 163,59

0,00

– 2 163,59

 

 

 

 

 

Totaal LV:

EUR

– 214 177,63

0,00

– 214 177,63

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

PL

Certificering

2014

Elfpo niet-GBCS, fout geconstateerd bij systeemgerichte toetsing van de controles ter plaatse

EENMALIG

 

EUR

– 1 125,27

0,00

– 1 125,27

 

 

 

 

 

Totaal PL:

EUR

– 1 125,27

0,00

– 1 125,27

Lidstaat

Maatregel

BJ

Reden

Soort

Correctie (%)

Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

SE

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, niet-areaalgerelateerde maatregelen)

2013

Maatregel 216 — Passende evaluatie van de redelijkheid van de kosten aan de hand van een vergelijking van verschillende offertes

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 17 893,40

0,00

– 17 893,40

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, niet-areaalgerelateerde maatregelen)

2014

Maatregel 216 — Passende evaluatie van de redelijkheid van de kosten aan de hand van een vergelijking van verschillende offertes

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 207 835,80

– 207 835,80

0,00

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo (2014-2020), investeringen — particuliere begunstigden

2015

Maatregel 216 — Passende evaluatie van de redelijkheid van de kosten aan de hand van een vergelijking van verschillende offertes

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 242 832,60

0,00

– 242 832,60

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo as 2 (2007-2013, niet-areaalgerelateerde maatregelen)

2014

Maatregel 227 — Zwakke punten in de verificatie van de procedure voor de plaatsing van overheidsopdrachten

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 3 525,20

– 3 525,20

0,00

 

Plattelandsontwikkeling Elfpo (2014-2020), bosbouwmaatregelen

2015

Maatregel 227 — Zwakke punten in de verificatie van de procedure voor de plaatsing van overheidsopdrachten

FORFAITAIR

5,00 %

EUR

– 4 039,15

0,00

– 4 039,15

 

 

 

 

 

Totaal SE:

EUR

– 476 126,15

– 211 361,00

– 264 765,15


Valuta

Bedrag

In mindering gebrachte bedragen

Financiële gevolgen

EUR

– 41 166 287,48

– 6 102 887,71

– 35 063 399,77


16.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/43


BESLUIT (EU) 2017/265 VAN DE COMMISSIE

van 14 februari 2017

tot opname van de regering van Northwest Territories in Canada in de lijst van erkende instanties, bedoeld in artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 757)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 van de Commissie van 13 oktober 2015 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten (1), en met name artikel 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) zijn de voorwaarden vastgesteld waaronder zeehondenproducten die afkomstig zijn van door de Inuit- of andere inheemse gemeenschappen beoefende jacht, in de Unie op de markt mogen worden gebracht. Wanneer de zeehondenproducten op de markt worden gebracht, moet een erkende instantie bevestigen dat aan die voorwaarden is voldaan.

(2)

In artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 zijn de vereisten vastgesteld waaraan instanties moeten voldoen om voor de doeleinden van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1007/2009 in een lijst van erkende instanties te worden opgenomen.

(3)

Wanneer zeehondenproducten die afkomstig zijn van door de Inuit- of andere inheemse gemeenschappen beoefende jacht, op de markt worden gebracht, moeten zij vergezeld gaan van een door een erkende instantie afgegeven document dat bevestigt dat aan de voorwaarden in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 is voldaan.

(4)

De Commissie heeft op 22 november 2016 een verzoek van de regering van Northwest Territories ontvangen om te worden toegelaten als erkende instantie voor de doeleinden van artikel 3, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1007/2009. Het verzoek ging vergezeld van de overeenkomstig artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 vereiste documenten.

(5)

De Commissie is op basis van de ingediende documenten nagegaan of de regering van Northwest Territories voldeed aan de vereisten om te worden toegelaten als erkende instantie overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850.

(6)

De Commissie heeft geconcludeerd dat de regering van Northwest Territories aan elk van de vereisten in artikel 3, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 voldoet en daarom in de lijst van erkende instanties moet worden opgenomen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De regering van Northwest Territories wordt beschouwd als erkende instantie voor de doeleinden van artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850.

Artikel 2

De inhoud van dit besluit wordt onverwijld op de website van de Commissie bekendgemaakt.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de regering van Northwest Territories in Canada.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2017.

Voor de Commissie

Karmenu VELLA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 271 van 16.10.2015, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 36).


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

16.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/45


BESLUIT Nr. 1/2016 VAN HET SUBCOMITÉ DOUANE EU-REPUBLIEK MOLDAVIË

van 6 oktober 2016

tot vervanging van Protocol II bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking [2017/266]

HET SUBCOMITÉ DOUANE EU-REPUBLIEK MOLDAVIË,

Gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (1), en met name artikel 38 van Protocol II bij die overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 144, lid 2, van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (hierna „de overeenkomst” genoemd), wordt verwezen naar Protocol II bij de overeenkomst (hierna „protocol II” genoemd), dat de oorsprongsregels bevat en voorziet in cumulatie van oorsprong tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië.

(2)

De meeste bepalingen van de overeenkomst op het gebied van de handel en daarmee verband houdende aangelegenheden, met inbegrip van protocol II, zijn voorlopig toegepast sinds 1 september 2014.

(3)

Krachtens artikel 38 van protocol II kan het bij artikel 200 van de overeenkomst opgerichte Subcomité douane besluiten de bepalingen van dat protocol te wijzigen.

(4)

De Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (2) (hierna „de conventie” genoemd) strekt ertoe de protocollen inzake de oorsprongsregels die momenteel van kracht zijn tussen de landen van het pan-Euro-mediterrane gebied, door één rechtshandeling te vervangen.

(5)

De Unie heeft de conventie op 15 juni 2011 ondertekend. Het Gemengd Comité van de conventie heeft, met Besluit nr. 2 van 21 mei 2014 (3), bepaald dat de Republiek Moldavië wordt uitgenodigd om tot de conventie toe te treden.

(6)

De Unie en de Republiek Moldavië hebben hun akte van aanvaarding respectievelijk op 26 maart 2012 en 31 juli 2015 bij de depositaris van de conventie neergelegd. Bijgevolg is op grond van artikel 10, lid 3, van de conventie de conventie voor de Unie en de Republiek Moldavië op respectievelijk 1 mei 2012 en 1 september 2015 in werking getreden.

(7)

Protocol II moet derhalve worden vervangen door een nieuw protocol dat naar de conventie verwijst,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Protocol II bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 december 2016.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2016.

Voor het Subcomité douane

De voorzitter

P. KOVACS

Secretarissen

O. ZIKUNA

N. CALENIC


(1)  PB L 260 van 30.8.2014, blz. 4.

(2)  PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.

(3)  PB L 217 van 23.7.2014, blz. 88.


BIJLAGE

„PROTOCOL II

BETREFFENDE DE DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG” EN REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 1

Toepasselijke regels van oorsprong

1.   Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn aanhangsel I en de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (1) (hierna „de conventie” genoemd), van toepassing.

2.   Alle verwijzingen naar de „desbetreffende overeenkomst” in aanhangsel I en in de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie gelden als verwijzingen naar deze overeenkomst.

Artikel 2

Geschillenregeling

1.   Indien er een geschil ontstaat in verband met de controleprocedures in artikel 32 van aanhangsel I van de conventie dat niet kan worden opgelost door de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit die de controle moet uitvoeren, wordt dit aan het Subcomité douane voorgelegd. De bepalingen betreffende het geschillenbeslechtingsmechanisme in hoofdstuk 14 (Beslechting van geschillen) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst zijn niet van toepassing.

2.   In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Artikel 3

Wijzigingen van het protocol

Het Subcomité douane kan besluiten de bepalingen van dit protocol te wijzigen.

Artikel 4

Opzegging van de conventie

1.   Indien ofwel de Europese Unie ofwel de Republiek Moldavië de depositaris van de conventie schriftelijk te kennen geeft de conventie op grond van artikel 9 van de conventie te willen opzeggen, openen de Europese Unie en de Republiek Moldavië onmiddellijk onderhandelingen over oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst.

2.   Tot de inwerkingtreding van deze nieuw overeengekomen oorsprongsregels blijven op deze overeenkomst de op het moment van opzegging geldende oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie van toepassing. Vanaf de opzegging worden de oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie evenwel zo uitgelegd dat zij uitsluitend bilaterale cumulatie tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië toestaan.

Artikel 5

Overgangsbepalingen — cumulatie

Niettegenstaande artikel 16, lid 5, en artikel 21, lid 3, van aanhangsel I van de conventie mag het bewijs van oorsprong een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring zijn indien bij de cumulatie alleen EVA-staten, de Faeröer, de Europese Unie, Turkije, de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces en de Republiek Moldavië zijn betrokken.”


(1)  PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

16.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/49


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 84/16/COL

van 27 april 2016

houdende de honderdeerste wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun door invoering van nieuwe richtsnoeren voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang [2017/267]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (HIERNA „DE AUTORITEIT” GENOEMD),

GEZIEN de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd), en met name de artikelen 61, 62 en 63 en Protocol nr. 26,

GEZIEN de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24 en artikel 5, lid 2, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

Overeenkomstig artikel 24 van de Toezichtovereenkomst geeft de Autoriteit uitvoering aan de staatssteunbepalingen van de EER-overeenkomst.

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder b), van de Toezichtovereenkomst maakt de Autoriteit mededelingen of richtsnoeren bekend over aangelegenheden waarop de EER-overeenkomst betrekking heeft, indien die Overeenkomst of de Toezichtovereenkomst daarin uitdrukkelijk voorziet of indien de Autoriteit zulks nodig acht.

Op 20 juni 2014 heeft de Europese Commissie een mededeling vastgesteld met „criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang” (1). Die mededeling zal worden toegepast van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020.

Die mededeling is ook voor de Europese Economische Ruimte relevant.

Een eenvormige toepassing van de EER-staatssteunregels in de hele Europese Economische Ruimte dient te worden verzekerd overeenkomstig de homogeniteitsdoelstelling die in artikel 1 van de EER-overeenkomst is vastgesteld.

De Autoriteit dient ingevolge punt II onder de titel „ALGEMEEN” op bladzijde 9 van bijlage XV bij de EER-overeenkomst, na overleg met de Commissie, besluiten vast te stellen die met de besluiten van de Commissie overeenstemmen.

NA overleg met de Europese Commissie,

NA raadpleging van de EVA-staten over dit onderwerp bij brief van 25 januari 2016,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De materiële regels op het gebied van staatssteun worden gewijzigd door invoering van nieuwe richtsnoeren voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang. Deze nieuwe richtsnoeren zijn aan dit besluit gehecht en maken er integrerend deel van uit.

Artikel 2

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 27 april 2016.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Sven Erik SVEDMAN

Voorzitter

Frank BÜCHEL

Lid van het College


(1)  PB C 188 van 20.6.2014, blz. 4.


BIJLAGE

Richtsnoeren voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang  (1)

INHOUD

1.

Inleiding

2.

Toepassingsgebied

3.

Criteria om in aanmerking te komen

3.1.

Definitie van een project

3.2.

Gemeenschappelijk Europees belang

3.2.1.

Algemene cumulatieve criteria

3.2.2.

Algemene positieve indicatoren

3.2.3.

Specifieke criteria

3.3.

Een belangrijk project

4.

Verenigbaarheidscriteria

4.1.

Noodzaak en evenredigheid van de steun

4.2.

Voorkoming van ongewenste concurrentieverstoringen en afwegingstoets

4.3.

Transparantie

5.

Slotbepalingen

5.1.

Aanmeldingsverplichting

5.2.

Doorlichting achteraf en verslaglegging

5.3.

Inwerkingtreding, geldigheidsduur en herziening

In aanmerking komende kosten

1.   Inleiding

1.

Dit hoofdstuk van de richtsnoeren wil handvatten bieden voor het toetsen van overheidsfinanciering voor belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang aan de staatssteunregels.

2.

Belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang kunnen een zeer aanzienlijke bijdrage leveren tot economische groei, banen en concurrentiekracht voor het bedrijfsleven en de economie van de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER” genoemd), omdat ze positieve overloopeffecten hebben voor de interne markt en de samenleving.

3.

Dankzij dit soort projecten kunnen kennis, deskundigheid, financiële middelen en economische spelers uit de hele EER worden gebundeld, zodat aanzienlijk markt- of systeemfalen en grote maatschappelijke uitdagingen worden aangepakt, waarvoor er anders geen oplossing zou komen. Ze zijn ontworpen om de krachten van de publieke en de particuliere sector te bundelen voor de uitvoering van grootschalige projecten die aanzienlijke voordelen voor de EER en de burgers van de overeenkomstsluitende partijen opleveren.

4.

Belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang kunnen relevant zijn voor alle beleidslijnen en -initiatieven die gemeenschappelijke Europese doelstellingen vervullen, met name wat betreft de Europa 2020-doelstellingen (2), de vlaggenschipinitiatieven van de Europese Unie en cruciale sectoren voor economische groei — zoals Key Enabling Technologies (KET's) (3).

5.

In het initiatief voor de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (SAM) (4) wordt ervoor gepleit om staatssteun om te buigen naar doelstellingen van gemeenschappelijk Europees belang in lijn met de prioriteiten van de Europa 2020-agenda, zodat marktfalen of ander belangrijk systeemfalen kan worden aangepakt dat een hinderpaal is voor het stimuleren van groei en banen en de ontwikkeling van een geïntegreerde, dynamische en concurrerende interne markt. De uitrol van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang vergt vaak een aanzienlijke bijdrage van de overheid, omdat de markt dit soort projecten anders niet zou financieren. In deze richtsnoeren wordt uiteengezet welke regels van toepassing zijn ingeval overheidsfinanciering van dit soort projecten staatssteun vormt. Dit moet garanderen dat er op de interne markt een gelijk speelveld behouden blijft.

6.

Het initiatief voor de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (SAM) is een geschikte gelegenheid om de bestaande richtsnoeren bij te werken en tot één document te bundelen, zodat deze kunnen worden afgestemd op de Europa 2020-doelstellingen en de doelstellingen van het SAM-initiatief en ook kunnen worden uitgebreid tot andere sectoren waar dit toepassing kan vinden. Deze richtsnoeren vervangen dus alle bestaande bepalingen met betrekking tot belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang. Zo bieden deze richtsnoeren de overeenkomstsluitende partijen op maat gesneden en multidisciplinaire houvast dat de ontwikkeling moet stimuleren van belangrijke samenwerkingsprojecten die de gemeenschappelijke Europese belangen bevorderen.

7.

Volgens artikel 61, lid 3, onder b), van de EER-overeenkomst kan steun om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen, als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst worden beschouwd. Daarom wordt in deze richtsnoeren het nodige houvast geboden ten aanzien van de criteria die de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (hierna „de Autoriteit” genoemd) zal toepassen bij het beoordelen van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang. Eerst wordt het toepassingsgebied van deze richtsnoeren afgebakend, waarna een lijst van criteria wordt gegeven die de Autoriteit voor de toepassing van artikel 61, lid 3, onder b), van de EER-overeenkomst zal hanteren om de aard en het belang van dit soort projecten te beoordelen. Vervolgens wordt uiteengezet hoe de Autoriteit overheidsfinanciering voor belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang op hun verenigbaarheid met de staatssteunregels zal beoordelen.

8.

Deze richtsnoeren sluiten niet uit dat steun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang ook op grond van andere bepalingen, en met name artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar kan worden verklaard. Het raamwerk van staatssteunregels is gemoderniseerd om de overeenkomstsluitende partijen ruimere mogelijkheden te bieden voor het subsidiëren van belangrijke projecten die marktfalen en cohesieproblemen op verschillende terreinen willen aanpakken, en zo bij te dragen tot duurzame groei en banen. Die bepalingen geven echter misschien geen volledig antwoord op omvang, specifieke kenmerken en aspecten van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, waarvoor mogelijk specifieke bepalingen inzake subsidiabiliteit, procedures en verenigbaarheid nodig zijn, die in deze richtsnoeren worden uiteengezet.

2.   Toepassingsgebied

9.

Deze richtsnoeren zijn van toepassing op belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang in alle economische sectoren.

10.

Deze richtsnoeren zijn niet van toepassing op:

a)

maatregelen die steun behelzen voor ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun (5), of richtsnoeren die deze wijzigen of vervangen;

b)

maatregelen die ad-hocsteun behelzen voor ondernemingen ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Autoriteit waarin steun onrechtmatig en met de werking van de EER-overeenkomst onverenigbaar is verklaard;

c)

steunmaatregelen die op zich of door de daaraan verbonden voorwaarden of financieringswijze tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het EER-recht leiden (6), met name:

steunmaatregelen waarbij aan de toekenning van de steun de verplichting voor de begunstigde verbonden is om zijn hoofdkantoor in de betrokken overeenkomstsluitende partij te hebben of om overwegend in die overeenkomstsluitende partij te zijn gevestigd;

steunmaatregelen waarbij aan de toekenning van de steun de verplichting voor de begunstigde is verbonden om binnenlands geproduceerde goederen of binnenlandse diensten te gebruiken;

steunmaatregelen die beperkingen stellen aan de mogelijkheden voor de begunstigde om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie (hierna „O&O&I” genoemd) in andere overeenkomstsluitende partijen te exploiteren.

3.   Criteria om in aanmerking te komen

11.

Om te bepalen of een project onder artikel 61, lid 3, onder b), van de EER-overeenkomst valt, zullen de volgende criteria worden toegepast.

3.1.   Definitie van een project

12.

Het steunvoornemen betreft één project dat duidelijk is omschreven wat betreft de doelstellingen en de uitvoeringsvoorwaarden ervan, met inbegrip van alle deelnemers en de financiering ervan (7).

13.

De Autoriteit kan ook een „geïntegreerd project” als in aanmerking komend beschouwen. Daarbij gaat het om een groep afzonderlijke projecten die zijn opgenomen in een gemeenschappelijke structuur, routekaart of programma die of dat op dezelfde doelstelling is gericht en op een coherente systemische benadering is gebaseerd. De afzonderlijke onderdelen van het geïntegreerde project mogen betrekking hebben op verschillende niveaus van de leveringsketen, maar moeten complementair en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de belangrijke Europese doelstelling (8).

3.2.   Gemeenschappelijk Europees belang

3.2.1.   Algemene cumulatieve criteria

14.

Het project moet concreet, duidelijk en aanwijsbaar bijdragen tot één of meer gemeenschappelijke Europese doelstellingen en moet een aanzienlijk effect hebben op het concurrentievermogen van de EER, op duurzame groei, op het aangaan van maatschappelijke uitdagingen of waardecreatie in de hele EER.

15.

Het project moet een belangrijke bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke Europese doelstellingen, doordat het bijvoorbeeld van majeur belang is voor de Europa 2020-strategie, de Europese onderzoeksruimte, de Europese KET's-strategie (9), de Energiestrategie voor Europa (10), het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030 (11), de Europese strategie voor energiezekerheid (12), de Europese strategie voor micro- en nano-elektronische onderdelen en systemen, de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie of de vlaggenschipinitiatieven van de Unie zoals de Innovatie-Unie (13), de Digitale Agenda voor Europa (14), het hulpbronnenefficiënte Europa (15) of het geïntegreerde industriebeleid in een tijd van mondialisering (16).

16.

Bij het project moet in de regel meer dan één overeenkomstsluitende partij betrokken zijn (17) en de voordelen ervan mogen niet beperkt blijven tot de financierende overeenkomstsluitende partijen, maar moeten een aanzienlijk deel van de EER bestrijken. De voordelen van het project moeten duidelijk zijn afgebakend op een concrete en aanwijsbare wijze (18).

17.

De voordelen van het project mogen niet beperkt blijven tot de betrokken ondernemingen of sectoren, maar moeten een bredere relevantie hebben en op ruimere schaal in de Europese economie of samenleving kunnen worden toegepast via duidelijk, concreet en aanwijsbaar omschreven positieve overloopeffecten (zoals dat ze systemische effecten hebben op meerdere niveaus van de waardeketen of op up- of downstreammarkten, of alternatieve toepassingen bieden in andere sectoren of voor de modale shift).

18.

Het project moet cofinanciering door de begunstigde behelzen.

19.

Het project moet het beginsel in acht nemen van de uitfasering van milieuschadelijke subsidies, zoals dat is herhaald in het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa (19).

3.2.2.   Algemene positieve indicatoren

20.

Naast de cumulatieve criteria van onderdeel 3.2.1 zal de Autoriteit zich positiever opstellen wanneer:

a)

het project zodanig is vormgegeven dat alle belangstellende overeenkomstsluitende partijen kunnen deelnemen, rekening houdende met het soort project, de daarmee nagestreefde doelstelling en de financieringsbehoeften ervan;

b)

bij de vormgeving van het project de Europese Commissie of juridische entiteiten zoals de Europese Investeringsbank (EIB) waaraan de Europese Commissie haar bevoegdheden heeft gedelegeerd, zijn betrokken;

c)

bij de selectie van het project de Europese Commissie of juridische entiteiten waaraan de Europese Commissie haar bevoegdheden heeft gedelegeerd, zijn betrokken, mits die entiteiten daarbij uitsluitend handelen als een uitvoeringsstructuur;

d)

bij de governancestructuur van het project de Europese Commissie — of juridische entiteiten waaraan de Europese Commissie haar bevoegdheden heeft gedelegeerd — en meerdere overeenkomstsluitende partijen zijn betrokken;

e)

het project een groot aantal samenwerkingsvormen omvat in termen van aantal partners, deelname van organisaties uit verschillende sectoren of deelname van ondernemingen van verschillende grootte;

f)

het project cofinanciering van een EVA-fonds of een fonds van de Europese Unie behelst (20).

3.2.3.   Specifieke criteria

21.

O&O&I-projecten moeten bijzonder innovatief zijn of in termen van O&O&I aanzienlijke toegevoegde waarde opleveren in het licht van de huidige stand van de techniek in de betrokken sector.

22.

Projecten die industriële toepassing omvatten, moeten de ontwikkeling mogelijk maken van een nieuw product of een nieuwe dienst met een sterke onderzoeks- en innovatiecomponent en/of de ontwikkeling van een fundamenteel innovatief productieproces. Regelmatige bijwerkingen zonder innovatieve dimensie van bestaande faciliteiten en de ontwikkeling van nieuwere versies van bestaande producten kwalificeren niet als belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang.

23.

Milieu-, energie- of vervoersprojecten moeten van groot belang zijn, hetzij voor de strategie van de Europese Unie op het gebied van milieu, energie (met inbegrip van de voorzieningszekerheid) of vervoer, hetzij door hun aanzienlijke bijdrage tot de interne markt, onder meer voor die specifieke sectoren.

3.3.   Een belangrijk project

24.

Om als belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te kunnen worden aangemerkt, moet een project kwantitatief of kwalitatief belangrijk zijn. Het dient bijzonder groot in omvang of reikwijdte te zijn en/of een zeer aanzienlijke technologische of financiële risicograad te vertonen.

4.   Verenigbaarheidscriteria

25.

Wanneer de Autoriteit steun ter verwezenlijk van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang op grond van artikel 61, lid 3, onder b), van de EER-overeenkomst op zijn verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst onderzoekt, zal zij rekening houden met de hierna genoemde criteria (21).

26.

De Autoriteit zal een afwegingstoets uitvoeren om na te gaan of de verwachte positieve effecten opwegen tegen de eventuele negatieve effecten, zoals hierna uiteengezet.

27.

Gezien de aard van het project kan de Autoriteit oordelen dat marktfalen of ander belangrijk systeemfalen, alsmede de bijdrage tot een gemeenschappelijk Europees belang, mag worden aangenomen wanneer het project de in deel 3 beschreven verenigbaarheidscriteria vervult.

4.1.   Noodzaak en evenredigheid van de steun

28.

De steun mag niet de projectkosten subsidiëren die een onderneming sowieso zou moeten maken, noch mag deze een vergoeding zijn voor het normale zakelijke risico van een economische activiteit. De verwezenlijking van het project dient zonder de steun onmogelijk te zijn of het project dient te worden verwezenlijkt in beperktere omvang of op beperktere schaal of op een andere manier die de van het project verwachte voordelen aanzienlijk zou beperken (22). Steun zal alleen als evenredig worden beschouwd indien hetzelfde resultaat niet met minder steun zou kunnen worden behaald.

29.

De overeenkomstsluitende partijen moeten de Autoriteit afdoende informatie verschaffen over het gesteunde project, alsmede een uitgebreide beschrijving van het nulscenario (counterfactual) dat overeenstemt met de situatie waarin door overeenkomstsluitende partijen geen steun wordt verleend. Het nulscenario kan bestaan in het ontbreken van een alternatief project of in een helder omschreven en voldoende voorspelbaar alternatief project waarmee de begunstigde bij zijn interne besluitvorming heeft rekening gehouden, en kan betrekking hebben op een alternatief project dat geheel of ten dele buiten de EER wordt uitgevoerd.

30.

Indien er geen alternatief project is, zal de Autoriteit zich ervan vergewissen dat het steunbedrag niet hoger uitkomt dan het minimum dat voor het gesteunde project noodzakelijk is om voldoende winstgevend te zijn, doordat daarmee bijvoorbeeld een interne opbrengstvoet (IRR) kan worden behaald die overeenstemt met de sectorale of ondernemingsspecifieke benchmark of hurdle rate. Voor dat doel kan ook worden gebruikgemaakt van normale rendementspercentages die de begunstigde in andere vergelijkbare investeringsprojecten projecten verlangt, van zijn kapitaalkosten als geheel of van de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector zijn waar te nemen. Alle desbetreffende verwachte kosten en baten moeten voor de hele levensduur van het project in aanmerking worden genomen.

31.

Het maximale steunpeil zal worden bepaald aan de hand van de vastgestelde financieringskloof afgezet tegen de in aanmerking komende kosten. Indien dit door de analyse van de financieringskloof wordt gerechtvaardigd, kan de steunintensiteit oplopen tot 100 % van de in aanmerking komende kosten. Met de financieringskloof wordt het verschil bedoeld tussen de positieve en negatieve kasstromen gedurende de levensduur van de investering, contant gemaakt op basis van een passende disconteringsfactor waarin het rendement tot uiting komt dat de begunstigde verlangt om het project uit te voeren, met name gelet op de daaraan verbonden risico's. De in aanmerking komende kosten zijn de in het aanhangsel vastgestelde kosten (23).

32.

Wanneer wordt aangetoond (bijv. aan de hand van bedrijfsinterne documenten) dat de begunstigde van de steun een duidelijke keuze heeft om óf een project met steun uit te voeren óf een alternatief project zonder steun, zal de Autoriteit de verwachte netto contante waarde van de investering in het gesteunde project en van het als nulscenario gehanteerde project vergelijken, rekening houdende met de waarschijnlijkheid dat verschillende businessscenario's kunnen spelen.

33.

Bij die beoordeling zal de Autoriteit naar de volgende elementen kijken:

a)

:

precieze omschrijving van de beoogde verandering

:

de van de staatssteun verwachte gedragswijziging — lancering van een nieuw project, of uitbreiding van de omvang, reikwijdte of uitvoeringssnelheid van een project — moet door de overeenkomstsluitende partij duidelijk worden omschreven. De gedragswijziging moet in kaart worden gebracht door een vergelijking te maken van de verwachte uitkomst en het beoogde activiteitenvolume mét en zonder steun. Het verschil tussen deze beide scenario's geeft aan welke impact de steunmaatregel heeft en wat het stimulerende effect ervan is;

b)

:

mate van winstgevendheid

:

wanneer de uitvoering van een project op zich onvoldoende winstgevend is om door een particuliere onderneming te worden uitgevoerd, maar wel belangrijke voordelen zou opleveren voor de samenleving, is de kans groter dat de steun een stimulerend effect heeft.

34.

Om daadwerkelijke of potentiële, rechtstreekse of indirecte verstoringen van het internationale handelsverkeer aan te pakken, kan de Autoriteit rekening houden met het feit dat buiten de EER gevestigde concurrenten — al dan niet rechtstreeks — voor vergelijkbare projecten steun met een gelijkwaardige intensiteit (in de voorbije drie jaar) hebben ontvangen of deze zullen ontvangen. Wanneer verstoringen van het internationale handelsverkeer zich echter waarschijnlijk pas na meer dan drie jaar voordoen, kan, gelet op het specifieke karakter van de betrokken sector, de referentieperiode dienovereenkomstig worden verlengd. Voor zover mogelijk, zal de betrokken overeenkomstsluitende partij de Autoriteit voldoende informatie verschaffen om haar in staat te stellen de situatie te beoordelen, met name wat betreft de noodzaak rekening te houden met het concurrentievoordeel dat een concurrent in een derde land geniet. Indien de Autoriteit niet over bewijsmateriaal betreffende de toegekende of voorgenomen steun beschikt, kan zij haar besluit ook op indirect bewijsmateriaal baseren.

35.

Voor het vergaren van bewijsmateriaal kan de Autoriteit gebruikmaken van haar onderzoeksbevoegdheden (24).

36.

De keuze van het steuninstrument moet ook gebeuren met het oog op het marktfalen of ander belangrijk systeemfalen waarvoor dit een oplossing probeert te bieden. Wanneer bijvoorbeeld het onderliggende probleem onvoldoende toegang tot externe financiering is, dienen overeenkomstsluitende partijen normaal gesproken gebruik te maken van steun in de vorm van liquiditeitssteun, zoals leningen of garanties. (25) Wanneer het ook nodig is om de onderneming in bepaalde mate in het risico te doen delen, dient een terugbetaalbaar voorschot normaal gesproken het te kiezen steuninstrument te zijn. Terugbetaalbare steuninstrumenten zullen over het algemeen als een positieve indicator worden beschouwd.

37.

De doelstellingen inzake energiezekerheid en energie-efficiëntie moeten, waar dat relevant is, in de analyse mee in rekening worden genomen.

38.

De Autoriteit zal gunstiger oordelen over projecten die een aanzienlijke eigen bijdrage van de begunstigden of van onafhankelijke particuliere investeerders omvatten. Een inbreng van materiële en immateriële activa, maar ook van gronden, moet tegen marktprijs worden verrekend.

39.

De selectie van begunstigden via een concurrerende, transparante en niet-discriminerende tender zal als een positieve aanwijzing worden beschouwd.

4.2.   Voorkoming van ongewenste concurrentieverstoringen en afwegingstoets

40.

De overeenkomstsluitende partij dient het bewijs te leveren dat de voorgenomen steunmaatregel het geschikte beleidsinstrument is om de doelstelling van het project te verwezenlijken. Een steunmaatregel zal alleen als geschikt worden beschouwd indien dezelfde uitkomst niet met andere, minder verstorende beleidsinstrumenten of andere, minder verstorende soorten steuninstrumenten kan worden behaald.

41.

Wil de steun verenigbaar zijn, dan moeten de negatieve effecten van de steunmaatregel in termen van mededingingsdistorsies en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen overeenkomstsluitende partijen beperkt zijn en moeten de positieve effecten ervan, in termen van bijdrage aan de doelstelling van gemeenschappelijk Europees belang, opwegen tegen die negatieve effecten.

42.

Bij de beoordeling van de negatieve effecten van de steunmaatregel zal de Autoriteit haar analyse toespitsen op de voorzienbare gevolgen die de steun kan hebben op de concurrentie tussen ondernemingen op de betrokken productmarkten, met inbegrip van upstream- of downstreammarkten, en het risico op overcapaciteit.

43.

De Autoriteit zal het risico op marktafscherming en marktdominantie nagaan, met name in het geval van geen of beperkte verspreiding van de onderzoeksresultaten. Projecten waarbij het om de bouw van infrastructuur gaat (26), moeten een open en niet-discriminerende toegang tot de infrastructuur en niet-discriminerende prijsstelling garanderen (27).

44.

De Autoriteit zal een beoordeling maken van de potentiële negatieve effecten op het handelsverkeer, met inbegrip van het risico op een subsidiewedloop tussen overeenkomstsluitende partijen die zich kan voordoen met name wat betreft de keuze van een locatie.

4.3.   Transparantie

45.

De overeenkomstsluitende partijen moeten ervoor zorgen dat de volgende informatie op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau, wordt gepubliceerd:

a)

de tekst van de steunmaatregel en de uitvoeringsbepalingen ervan, of een link daarnaar;

b)

de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten;

c)

de identiteit van de individuele begunstigden, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum waarop de steun is toegekend, het soort onderneming (kmo of grote onderneming); de regio waar de begunstigde onderneming is gevestigd (op NUTS 2-niveau), en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde onderneming actief is (op NACE-groepsniveau) (28).

46.

Van dat vereiste kan ontheffing worden verleend ten aanzien van individuele steunverleningen van minder dan 500 000 EUR. Dit soort informatie moet worden bekendgemaakt nadat de subsidiebeschikking is gegeven, moet ten minste tien jaar worden bewaard en moet zonder beperkingen beschikbaar zijn voor het brede publiek (29). Overeenkomstsluitende partijen zullen de bovengenoemde informatie pas vanaf 1 juli 2016 moeten verschaffen.

5.   Slotbepalingen

5.1.   Aanmeldingsverplichting

47.

Overeenkomstig artikel 1, lid 3, in deel I van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie moeten overeenkomstsluitende partijen de Autoriteit van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen op de hoogte brengen, met inbegrip van steun voor een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang.

48.

Overeenkomstsluitende partijen die bij hetzelfde belangrijke project van gemeenschappelijk Europees belang zijn betrokken, wordt verzocht om, voor zover mogelijk, bij de Autoriteit een gemeenschappelijke aanmelding in te dienen.

5.2.   Doorlichting achteraf en verslaglegging

49.

Over de tenuitvoerlegging van het project moet op regelmatige tijdstippen verslag worden gedaan. In voorkomend geval kan de Autoriteit vragen dat een doorlichting achteraf wordt uitgevoerd.

5.3.   Inwerkingtreding, geldigheidsduur en herziening

50.

Deze richtsnoeren zullen worden toegepast vanaf de datum van de vaststelling ervan tot en met 31 december 2020.

51.

De Autoriteit zal de in deze richtsnoeren uiteengezette beginselen toepassen op alle aangemelde steunvoornemens waarover zij zich moet uitspreken na de bekendmaking van deze richtsnoeren op de website van de Autoriteit, ook wanneer die voornemens vóór de bekendmaking van deze richtsnoeren zijn aangemeld.

52.

Overeenkomstig het hoofdstuk betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun (in deel II van de richtsnoeren staatssteun) (30) zal de Autoriteit in het geval van niet-aangemelde steun deze richtsnoeren toepassen indien de steun werd toegekend nadat deze richtsnoeren in werking zijn getreden, en in alle overige gevallen de regels die van toepassing waren op het tijdstip dat de steun werd toegekend.

53.

De Autoriteit kan te allen tijde besluiten deze richtsnoeren te wijzigen wanneer zulks noodzakelijk mocht zijn om met het mededingingsbeleid verband houdende redenen of om rekening te houden met andere beleidstakken, met internationale verplichtingen, met ontwikkelingen op de markten, of om iedere andere gerechtvaardigde reden.


(1)  Deze richtsnoeren stemmen overeen met de mededeling van de Europese Commissie betreffende criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van staatssteun ter bevordering van de verwezenlijking van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, die op 20 juni 2014 is bekendgemaakt (PB C 188 van 20.6.2014, blz. 4).

(2)  Mededeling van de Commissie „Europa 2020, een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”, COM(2010) 2020 definitief van 3 maart 2010.

(3)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën — een brug naar groei en banen”, COM(2012) 341 final van 26 juni 2012.

(4)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „De modernisering van het EU-staatssteunbeleid”, COM(2012) 209 final van 8 mei 2012.

(5)  Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden, zoals vastgesteld bij Besluit nr. 321/14/COL (PB L 271 van 16.10.2015, blz. 35 en EER-Supplement nr. 62 van 15.10.2015, blz. 1). Zoals uiteengezet in punt 23 van die richtsnoeren, kan een onderneming in moeilijkheden, aangezien haar bestaan zelf in het gedrang is, niet worden beschouwd als een passend instrument om aan de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen, zolang haar levensvatbaarheid niet is verzekerd.

(6)  Zie bijv. arrest van het Hof van Justitie van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C-156/98, ECLI:EU:C:2000:467, punt 78, en arrest van het Hof van Justitie van 22 december 2008, Régie Networks, C-333/07, ECLI:EU:C:2008:764, punten 94-116.

(7)  In het geval van onderzoek en ontwikkeling, moeten twee of meer projecten, wanneer ze niet duidelijk van elkaar te scheiden zijn, en met name wanneer ze onafhankelijk van elkaar geen kansen op technologisch succes hebben, als één project worden beschouwd. Steun voor een project dat alleen tot een verplaatsing van de locatie van het project binnen de EER leidt, zonder veranderingen aan de aard, omvang of schaal van het project, zal niet als verenigbaar worden beschouwd.

(8)  Hierna worden de begrippen „één project” en „geïntegreerd project” kortweg „project” genoemd.

(9)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Een Europese strategie voor sleuteltechnologieën — een brug naar groei en banen”, COM(2012) 341 final van 26 juni 2012.

(10)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Energie 2020 — Een strategie voor een concurrerende, duurzame en continu geleverde energie”, COM(2010) 639 definitief van 10 november 2010.

(11)  Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030”, COM(2014) 15 final van 22 januari 2014.

(12)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad Parlement „Europese strategie voor energiezekerheid”, COM(2014) 330 final van 28 mei 2014.

(13)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Europa 2020-kerninitiatief Innovatie-Unie”, COM(2010) 546 definitief van 6 oktober 2010.

(14)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Een digitale agenda voor Europa”, COM(2010) 245 definitief/2 van 26 augustus 2010, zoals erkend in de resolutie van de 37e bijeenkomst van het Gemengd Parlementair Comité van de EER op 26 oktober 2011.

(15)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Efficiënt gebruik van hulpbronnen. Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie”, COM(2011) 21 definitief van 26 januari 2011.

(16)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Een geïntegreerd industriebeleid in een tijd van mondialisering. Concurrentievermogen en duurzaamheid centraal stellen”, COM(2010) 614 definitief/4 van 28 oktober 2010.

(17)  Met uitzondering van onderling verbonden onderzoeksinfrastructuur en TEN-T-projecten die van fundamenteel transnationaal belang zijn omdat ze deel uitmaken van een fysiek verbonden grensoverschrijdend netwerk of die van wezenlijk belang zijn om grensoverschrijdende verkeersleiding of interoperabiliteit te versterken.

(18)  Het enkele feit dat het project door ondernemingen in verschillende landen wordt uitgevoerd of dat onderzoeksinfrastructuur nadien wordt gebruikt door ondernemingen die in verschillende EER-Staten zijn gevestigd, is niet voldoende om een project als een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang aan te merken. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verklaard dat een project slechts als van gemeenschappelijk Europees belang kan worden beschouwd wanneer het project deel uitmaakt van een transnationaal Europees programma dat door de regeringen van verschillende EER-Staten gezamenlijk wordt gesteund, of ook nog wanneer het een onderdeel vormt van een initiatief waartoe verschillende EER-Staten in onderling overleg hebben besloten om het hoofd te bieden aan een gemeenschappelijke dreiging; zie arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 1988, Exécutif régional wallon/Commissie, 62/87 en 72/87, ECLI:EU:C:1988:132, punten 22-23.

(19)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa”, COM(2011) 571 definitief van 20 september 2011.

(20)  Centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de EVA of de Europese Unie beheerde EVA-financiering of financiering van de Europese Unie die niet direct of indirect onder de controle van de overeenkomstsluitende partijen staat, vormt geen staatssteun.

(21)  Volgens de rechtspraak beschikt de Autoriteit over een discretionaire bevoegdheid wanneer het erom gaat belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang op hun verenigbaarheid te beoordelen; zie arrest Exécutif régional wallon, reeds aangehaald, ECLI:EU:C:1988:132, punt 21.

(22)  De steunaanvraag moet plaatsvinden vóór de aanvang van de werkzaamheden, d.w.z. vóór hetzij de start van de bouwwerkzaamheden van de investering, hetzij de eerste vaste toezegging om uitrusting te bestellen, hetzij een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt, naargelang wat als eerste plaatsvindt. De aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van voorlopige haalbaarheidsstudies worden niet als aanvang van de werkzaamheden beschouwd.

(23)  In het geval van een geïntegreerd project moeten de in aanmerking komende kosten worden uitgesplitst op het niveau van elk van de afzonderlijke projecten.

(24)  Zie artikel 1, lid 3, van Verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 204 van 31.7.2013, blz. 15). Op het tijdstip van de vaststelling van deze richtsnoeren werd overwogen om Verordening (EU) nr. 734/2013 in de EER-overeenkomst op te nemen. Verordening (EG) nr. 659/1999 was in de EER-overeenkomst opgenomen bij Besluit nr. 164/2001 van het Gemengd Comité (PB L 65 van 7.3.2002, blz. 46 en EER-Supplement nr. 13 van 7.3.2002, blz. 26).

(25)  Steun in de vorm van garanties moet in de tijd beperkt zijn, terwijl voor steun in de vorm van leningen aflossingstermijnen moeten gelden.

(26)  Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen dat pilotlijnen niet als infrastructuur worden beschouwd.

(27)  Wanneer het project energie-infrastructuur behelst, moet het onderworpen zijn aan de tarief- en toegangsregulering en de ontbundelingseisen overeenkomstig interne-marktwetgeving.

(28)  Met uitzondering van bedrijfsgevoelige en andere vertrouwelijke informatie, in goed onderbouwde gevallen en na toestemming van de Autoriteit; zie het hoofdstuk over geheimhouding bij beschikkingen inzake staatssteun, Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 15/04/COL van 18 februari 2004 (PB L 154 van 8.6.2006, blz. 27 en EER-Supplement nr. 29 van 8.6.2006, blz. 1).

(29)  Deze informatie moet worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van de toekenning van de steun. In het geval van onrechtmatige steun zullen overeenkomstsluitende partijen ervoor moeten zorgen dat deze informatie achteraf wordt bekendgemaakt, uiterlijk zes maanden vanaf de datum van de beschikking van de Autoriteit. Deze informatie moet beschikbaar worden gesteld in een standaard waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht, opgehaald en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt, bv. in CSV- of XML-formaat.

(30)  Besluit nr. 154/07/COL (PB L 73 van 19.3.2009, blz. 23 en EER-Supplement nr. 15 van 19.3.2009, blz. 1).

Aanhangsel

In aanmerking komende kosten

a)

Haalbaarheidsstudies, met inbegrip van voorbereidende technische studies, en de kosten voor het verkrijgen van de voor de uitvoering van het project vereiste vergunningen.

b)

Kosten van apparatuur en uitrusting (met inbegrip van installaties en vervoermiddelen) voor zover en voor zolang ze voor het project worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd.

c)

Kosten van de verwerving (of bouw) van gebouwen, infrastructuur en gronden voor zover en voor zolang ze voor het project worden gebruikt. Wanneer deze kosten worden bepaald ten opzichte van de commerciële overdrachtswaarde of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten — in plaats van de afschrijvingskosten — dient de financieringskloof — vooraf of achteraf — te worden verminderd met de restwaarde van de grond, het gebouw of de infrastructuur.

d)

Kosten van andere materialen, leveranties en dergelijke producten die voor het project nodig zijn.

e)

Kosten verbonden aan de verkrijging, validering en verdediging van octrooien en andere immateriële activa. Kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden ingekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt

f)

Personeelskosten en administratieve kosten (met inbegrip van de algemene kosten) die rechtstreeks uit O&O&I-activiteiten voortvloeien, met inbegrip van met de eerste industriële toepassing (1) verband houdende O&O&I-activiteiten, of die, in het geval van een infrastructuurproject, bij de bouw van de infrastructuur worden gemaakt.

g)

In het geval van steun voor een project voor de eerste industriële toepassing zijn kapitaaluitgaven (CAPEX) en exploitatiekosten (OPEX) opgenomen, zolang de industriële toepassing aansluit op een O&O&I-activiteit (2) en deze zelf een zeer belangrijke O&O&I-component bevat die integrerend deel uitmaakt van en een noodzakelijk onderdeel is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van het project. De exploitatiekosten moeten op die component van het project betrekking hebben.

h)

Andere kosten kunnen, indien dat gerechtvaardigd is, worden geaccepteerd en wanneer deze onlosmakelijk verband houden met de uitvoering van het project, met uitsluiting van exploitatiekosten die niet onder punt g) vallen.


(1)  Met „eerste industriële toepassing” wordt het opschalen van pilotfaciliteiten bedoeld, of de allereerste uitrusting en faciliteiten die de fasen nà de pilotlijn — met inbegrip van de testfase — omvatten, doch niet de massaproductie of de commerciële activiteiten.

(2)  De eerste industriële toepassing hoeft niet noodzakelijk te worden uitgevoerd door dezelfde entiteit als die welke de O&O&I-activiteiten verrichtte, zolang eerstgenoemde de rechten verkrijgt om de resultaten van de voorgaande O&O&I-activiteit te gebruiken én de O&O&I-activiteit en de eerste industriële toepassing beiden onder het project vallen en tezamen worden aangemeld.