ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 33

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
8 februari 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/207 van de Commissie van 3 oktober 2016 betreffende het gemeenschappelijke kader voor toezicht en evaluatie waarin is voorzien bij Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/208 van de Commissie van 31 oktober 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake additionele uitstromen van liquiditeit die overeenstemmen met de behoeften aan zekerheid ingevolge de impact van een ongunstig marktscenario op de derivatentransacties van een instelling ( 1 )

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/209 van de Commissie van 2 februari 2017 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/210 van de Commissie van 7 februari 2017 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase en endo-1,3(4)-bèta-glucanase geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen (vergunninghouder Adisseo France S.A.S.) ( 1 )

19

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/211 van de Commissie van 7 februari 2017 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis (LMG-S 15136), als toevoegingsmiddel voor voeding voor pluimvee, gespeende biggen en mestvarkens, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1259/2004, (EG) nr. 1206/2005 en (EG) nr. 322/2009, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 516/2007 (vergunninghouder Beldem, een onderdeel van Puratos NV) ( 1 )

23

 

*

Verordening (EU) 2017/212 van de Commissie van 7 februari 2017 tot aanwijzing van het EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers, tot vaststelling van aanvullende verantwoordelijkheden en taken van dat laboratorium en tot wijziging van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

27

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/213 van de Commissie van 7 februari 2017 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

31

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

8.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/207 VAN DE COMMISSIE

van 3 oktober 2016

betreffende het gemeenschappelijke kader voor toezicht en evaluatie waarin is voorzien bij Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing (1), en met name artikel 55, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de Commissie te ondersteunen bij het toezicht op en de evaluatie van Verordening (EU) nr. 514/2014 en de in artikel 2 daarvan bedoelde specifieke verordeningen, en om een geïntegreerde analyse op het niveau van de Unie mogelijk te maken, moeten de lidstaten, voor zover dat mogelijk is, een uniforme benadering volgen bij het verrichten van activiteiten op het gebied van toezicht en evaluatie.

(2)

Deskundigen inzake toezicht en evaluatie van de lidstaten hebben met de Commissie samengewerkt aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke resultaat- en impactindicatoren, die moeten worden gebruikt om de uitvoering van Verordening (EU) nr. 514/2014 en de specifieke verordeningen te beoordelen. Die indicatoren vullen de lijst aan van gemeenschappelijke indicatoren als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad (2), bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3), en bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(3)

Deskundigen inzake toezicht en evaluatie van de lidstaten hebben met de Commissie samengewerkt aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke evaluatievragen om de uitvoering van de nationale programma's door de lidstaten te evalueren. De evaluatievragen voldoen aan de vereisten van artikel 55, leden 3 en 6, van Verordening (EU) nr. 514/2014.

(4)

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn door Verordening (EU) nr. 514/2014 gebonden en derhalve ook door de onderhavige verordening.

(5)

Denemarken is noch door Verordening (EU) nr. 514/2014 noch door de onderhavige verordening gebonden, en is niet onderworpen aan de toepassing ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Elke lidstaat wijst binnen de verantwoordelijke instantie een coördinator aan die verantwoordelijk is voor toezicht en evaluatie, en omschrijft zijn taken.

De toezicht- en evaluatiecoördinatoren doen, via door de Commissie gefaciliteerde netwerking, het volgende:

a)

zij wisselen deskundigheid over beste praktijken voor toezicht en evaluatie uit;

b)

zij dragen bij aan de uitvoering van het gemeenschappelijke kader voor toezicht en evaluatie overeenkomstig artikel 55 van Verordening (EU) nr. 514/2014, aangevuld door de onderhavige verordening;

c)

zij faciliteren de evaluatie van de uitvoering van de nationale programma's overeenkomstig de artikelen 56 en 57 van Verordening (EU) nr. 514/2014, aangevuld door de onderhavige verordening, en

d)

zij werken met de Commissie samen aan de opstelling van een document met richtsnoeren over de wijze waarop de in artikel 56, lid 3, van Verordening (EU) nr. 514/2014 bedoelde evaluatie moet worden uitgevoerd.

Artikel 2

1.   De in artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) nr. 514/2014 bedoelde evaluatieverslagen volgen het door de Commissie te ontwikkelen model, dat de in bijlage I en bijlage II bij de onderhavige verordening opgenomen evaluatievragen omvat.

2.   In de evaluatieverslagen wordt gebruikgemaakt van de in de bijlagen III en IV vastgestelde indicatoren. De Commissie stelt de definitie, bron en uitgangssituatie van de in de bijlagen III en IV opgenomen indicatoren vast in het document met richtsnoeren over de wijze waarop de in artikel 56, lid 3, van Verordening (EU) nr. 514/2014 bedoelde evaluaties moeten worden uitgevoerd.

3.   De lidstaten dienen de evaluatieverslagen in met behulp van het bij artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 802/2014 van de Commissie (5) vastgestelde systeem voor elektronische gegevensuitwisseling („SFC 2014”).

4.   Overeenkomstig artikel 12, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 514/2014 raadpleegt de verantwoordelijke instantie het monitoringcomité over de jaarlijkse uitvoeringsverslagen en over de follow-up van de conclusies en aanbevelingen van de evaluatieverslagen voordat de documenten bij de Commissie worden ingediend.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 3 oktober 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 112.

(2)  Verordening (EU) nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer en tot intrekking van Besluit nr. 2007/125/JBZ van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 93).

(3)  Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 143).

(4)  Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 802/2014 van de Commissie van 24 juli 2014 tot vaststelling van modellen voor nationale programma's en tot vaststelling van de voorwaarden voor het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens tussen de Commissie en de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing (PB L 219 van 25.7.2014, blz. 22).


BIJLAGE I

Lijst van evaluatievragen voor de evaluatieverslagen van de lidstaten en de Commissie over het Fonds voor asiel, migratie en integratie, als bedoeld in de artikelen 56 en 57 van Verordening (EU) nr. 514/2014

Doeltreffendheid

1.

In hoeverre heeft het Fonds voor asiel, migratie en integratie (hierna „het Fonds” genoemd) de in Verordening (EU) nr. 516/2014 vastgestelde doelstellingen bereikt?

a)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan het versterken en ontwikkelen van alle aspecten van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel, met inbegrip van de externe dimensie ervan?

i)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de versterking en ontwikkeling van de asielprocedures, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de versterking en ontwikkeling van de opvangvoorzieningen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iii)

Welke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van een geslaagde uitvoering van het juridisch kader van de kwalificatierichtlijn (en de latere wijzigingen daarvan) en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iv)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de vergroting van de capaciteit van de lidstaten om asielbeleid te ontwikkelen, te monitoren en te evalueren, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

v)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de opstelling, de ontwikkeling en de uitvoering van nationale hervestigingsprogramma's en -strategieën, en andere programma's voor toelating op humanitaire gronden, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

b)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan het ondersteunen van de legale migratie naar de lidstaten overeenkomstig hun economische en sociale behoeften, zoals arbeidsmarktbehoeften, waarbij tegelijk de integriteit van de immigratieregelingen van de lidstaten wordt gewaarborgd, en aan het bevorderen van de daadwerkelijke integratie van onderdanen van derde landen?

i)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de ondersteuning van de legale migratie naar de lidstaten overeenkomstig hun economische en sociale behoeften, zoals arbeidsmarktbehoeften, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de bevordering van de daadwerkelijke integratie van onderdanen van derde landen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de ondersteuning van de samenwerking tussen de lidstaten om de integriteit van de immigratieregelingen van de lidstaten te waarborgen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking die vooruitgang?

iv)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de opbouw van capaciteit inzake integratie en legale migratie binnen de lidstaten, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

c)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de bevordering van billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën in de lidstaten ter ondersteuning van de bestrijding van illegale immigratie, met nadruk op de duurzaamheid van terugkeer en daadwerkelijke overname door de landen van herkomst en van doorreis?

i)

Welke vooruitgang is geboekt bij de ondersteuning van de begeleidende maatregelen inzake terugkeerprocedures, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de effectieve uitvoering van maatregelen inzake (vrijwillige en gedwongen) terugkeer, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de verbetering van de praktische samenwerking tussen de lidstaten en/of met de autoriteiten van derde landen inzake terugkeermaatregelen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iv)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de opbouw van capaciteit inzake terugkeer, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

d)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de bevordering van de solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, met name ten aanzien van de lidstaten die het meest te maken hebben met migratie en asielstromen, onder meer door praktische samenwerking?

i)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan het overbrengen van asielzoekers (herplaatsing in de zin van de Besluiten (EU) 2015/1523 (1) en (EU) 2015/1601 (2) van de Raad)?

ii)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan het overbrengen van begunstigden van internationale bescherming tussen lidstaten?

e)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de ondersteuning van de lidstaten in naar behoren gemotiveerde noodsituaties die urgente actie vereisen?

i)

Welke soort noodmaatregelen zijn uitgevoerd?

ii)

Hoe hebben de in het kader van het Fonds uitgevoerde noodmaatregelen bijgedragen tot het aanpakken van de dringende behoeften van de lidstaat?

iii)

Wat waren de belangrijkste resultaten van de noodmaatregelen?

Efficiëntie (Zijn de algemene doelstellingen van het Fonds tegen redelijke kosten verwezenlijkt?)

2.

In hoeverre zijn de resultaten van het Fonds verwezenlijkt tegen redelijke kosten in termen van ingezette financiële en personele middelen? Welke maatregelen zijn genomen om fraudegevallen en andere onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen, te rapporteren en op te volgen, en met welk resultaat?

Relevantie (Kwamen de doelstellingen van de door het Fonds gefinancierde maatregelen overeen met de werkelijke behoeften?)

3.

Beantwoordden de door de lidstaat in zijn nationale programma vastgestelde doelstellingen aan de geïdentificeerde behoeften? Voorzagen de in het jaarlijkse werkprogramma vastgestelde doelstellingen (acties van de Unie) in de werkelijke behoeften? Voorzagen de in het jaarlijkse werkprogramma vastgestelde doelstellingen (noodhulp) in de werkelijke behoeften? Welke maatregelen heeft de lidstaat genomen om op de veranderende behoeften in te spelen?

Coherentie (Waren de doelstellingen van het nationale programma coherent met de doelstellingen van andere met EU-middelen gefinancierde programma's die soortgelijke werkgebieden bestrijken? Werd de coherentie ook gewaarborgd tijdens de uitvoering van het Fonds?)

4.

Is er een beoordeling van andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen verricht en in aanmerking genomen tijdens de programmeringsfase? Zijn er mechanismen voor coördinatie tussen het Fonds en andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen opgezet voor de uitvoeringsperiode? Waren de in het kader van het Fonds uitgevoerde acties coherent met en niet in strijd met andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen?

Complementariteit (Waren de in het nationale programma vastgestelde doelstellingen en de corresponderende acties die zijn verricht, complementair met die welke in het kader van andere beleidsmaatregelen zijn vastgesteld, met name die welke door de lidstaat worden nagestreefd)?

5.

Is er een beoordeling van andere maatregelen met complementaire doelstellingen verricht en in aanmerking genomen tijdens de programmeringsfase? Zijn er mechanismen voor coördinatie tussen het Fonds en andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen opgezet om de complementariteit ervan te waarborgen tijdens de uitvoeringsperiode? Zijn er mechanismen opgezet om overlapping van financiële instrumenten te voorkomen?

Toegevoegde waarde van de EU (Heeft de EU-steun toegevoegde waarde opgeleverd?)

6.

Wat zijn de belangrijkste soorten toegevoegde waarde die voortvloeien uit de steun van het Fonds (omvang, bereik, rol, proces)? Zou de lidstaat de maatregelen die vereist zijn voor de uitvoering van het EU-beleid op de door het Fonds ondersteunde gebieden hebben verricht zonder de financiële steun van het Fonds? Wat zouden de meest waarschijnlijke gevolgen van een onderbreking van de door het Fonds verleende steun zijn? In hoeverre hebben de door het Fonds ondersteunde acties geresulteerd in een voordeel op het niveau van de Unie?

Duurzaamheid (Is het waarschijnlijk dat de positieve effecten van de door het Fonds ondersteunde projecten zullen voortduren wanneer er geen steun uit het Fonds meer wordt verleend?)

7.

Wat waren de belangrijkste maatregelen die door de lidstaat zijn genomen om de duurzaamheid van de resultaten van de met steun van het Fonds uitgevoerde projecten te waarborgen (zowel in de programmerings- als in de uitvoeringsfase)? Zijn er mechanismen opgezet om te zorgen voor een duurzaamheidscontrole in de programmerings- en de uitvoeringsfase? In hoeverre zullen de uitkomsten/voordelen van de door het Fonds ondersteunde acties daarna naar verwachting aanhouden?

Vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten (Zijn de beheerprocedures van het Fonds vereenvoudigd en de administratieve lasten voor de begunstigden ervan verminderd?)

8.

Hebben de door het Fonds geïntroduceerde innovatieve procedures (vereenvoudigde kostenoptie, meerjarenprogrammering, nationale subsidiabiliteitsvoorschriften, meer omvattende nationale programma's die flexibiliteit toelaten) voor vereenvoudiging voor de begunstigden van het Fonds gezorgd?


(1)  Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 146).

(2)  Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 80).


BIJLAGE II

Lijst van evaluatievragen voor de evaluatieverslagen van de lidstaten en de Commissie over het Fonds voor interne veiligheid, als bedoeld in de artikelen 56 en 57 van Verordening (EU) nr. 514/2014

Doeltreffendheid

1.

Hoe heeft het Fonds voor interne veiligheid (hierna „het Fonds” genoemd) bijgedragen aan de verwezenlijking van de in Verordening (EU) nr. 515/2014 omschreven algemene doelstelling?

a)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van de volgende specifieke doelstellingen:

 

het ondersteunen van een gemeenschappelijk visumbeleid om legaal reizen te vergemakkelijken;

 

het zorgen voor een hoge kwaliteit van de dienstverlening aan visumaanvragers;

 

het garanderen dat de onderdanen van derde landen gelijk worden behandeld, en

 

het tegengaan van illegale immigratie?

i)

Welke vooruitgang is geboekt bij het bevorderen van de ontwikkeling en uitvoering van het gemeenschappelijk visumbeleid om legaal reizen te vergemakkelijken, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de waarborging van betere consulaire dekking en geharmoniseerde praktijken inzake de afgifte van visa tussen de lidstaten, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van het verzekeren van de toepassing van het acquis van de Unie op visa, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iv)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de bijdrage van de lidstaten aan de verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten die in derde landen actief zijn, wat betreft de toestroom van onderdanen van derde landen naar het grondgebied van de lidstaten, met inbegrip van de preventie en bestrijding van illegale immigratie, alsmede samenwerking met derde landen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

v)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de ondersteuning van het gemeenschappelijk visumbeleid door het opzetten en exploiteren van IT-systemen en de bijbehorende communicatie-infrastructuur en -uitrusting, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

vi)

Hoe heeft de in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 515/2014 bedoelde operationele steun bijgedragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstelling inzake het gemeenschappelijke visumbeleid?

b)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de volgende specifieke doelstellingen:

 

het ondersteunen van een geïntegreerd grensbeheer, met inbegrip van de bevordering van verdere harmonisatie van maatregelen betreffende het grensbeheer overeenkomstig de gemeenschappelijke normen van de Unie en door middel van het delen van informatie tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie;

 

ervoor zorgen dat enerzijds de buitengrenzen zo goed mogelijk en op uniform en hoog niveau worden gecontroleerd en beschermd, onder meer door het tegengaan van illegale migratie, en dat anderzijds de overschrijdingen van de buitengrenzen vlot verlopen overeenkomstig het Schengenacquis, waarbij tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat personen die deze nodig hebben, toegang krijgen tot internationale bescherming, in overeenstemming met de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van mensenrechten, inclusief het beginsel van „non-refoulement”?

i)

Welke vooruitgang is geboekt bij het bevorderen van de ontwikkeling, uitvoering en handhaving van beleid dat waarborgt dat personen niet worden gecontroleerd bij het overschrijden van de binnengrenzen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de uitvoering van personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van het geleidelijk opzetten van een geïntegreerd beheersysteem voor de buitengrenzen, gebaseerd op solidariteit en verantwoordelijkheid, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iv)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van het verzekeren van de toepassing van het acquis van de Unie op grensbeheer, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

v)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van het bijdragen aan het vergroten van de situatiekennis aan de buitengrenzen en het verbeteren van het reactievermogen van de lidstaten, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

vi)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van het opzetten en exploiteren van IT-systemen en de bijbehorende communicatie-infrastructuur en -uitrusting ter ondersteuning van grenscontroles en grensbewaking aan de buitengrenzen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

vii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de ondersteuning van diensten aan de lidstaten in naar behoren gemotiveerde noodsituaties die urgente actie aan de buitengrenzen vereisen, en hoe heeft de noodhulp bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang? Welke soort noodmaatregelen zijn uitgevoerd? Hoe hebben de in het kader van het Fonds uitgevoerde noodmaatregelen bijgedragen tot het aanpakken van de dringende behoeften van de lidstaat? Wat waren de belangrijkste resultaten van de noodmaatregelen?

viii)

Hoe heeft de in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 515/2014 bedoelde operationele steun bijgedragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstelling inzake het grensbeheer?

2.

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van de in Verordening (EU) nr. 513/2014 omschreven algemene doelstelling?

a)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de volgende specifieke doelstellingen:

 

Preventie van grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme;

 

Versterking van de coördinatie en de samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten en andere nationale autoriteiten van de lidstaten, onder meer met Europol of andere relevante instanties van de Unie, en met betrokken derde landen en internationale organisaties?

i)

Welke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de verwachte resultaten van de versterking van het vermogen van de lidstaten om grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, te bestrijden, en hun wederzijdse samenwerking op dit gebied te versterken, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling van administratieve en operationele coördinatie en samenwerking tussen de overheidsinstanties van de lidstaten, Europol of andere relevante instanties van de Unie en, in voorkomend geval, met derde landen en internationale organisaties, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iii)

Welke vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling van opleidingsprogramma's, onder andere met betrekking tot technische en professionele vaardigheden en kennis over verplichtingen in verband met de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden, ter uitvoering van het Europees beleid inzake opleidingen, onder meer door middel van specifieke uitwisselingsprogramma's van de Unie op het gebied van rechtshandhaving, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iv)

Welke vooruitgang is geboekt bij het voorzien in maatregelen, waarborgen, mechanismen en beste praktijken voor de opsporing en ondersteuning van getuigen en slachtoffers van criminaliteit, met inbegrip van slachtoffers van terrorisme, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

b)

Hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de versterking van de capaciteit van de lidstaten om veiligheidsgerelateerde risico's en crises doeltreffend te beheren, en mensen en kritieke infrastructuur te beschermen tegen terreuraanvallen en andere veiligheidsgerelateerde incidenten?

i)

Welke vooruitgang is geboekt bij de versterking van de administratieve en operationele capaciteit van de lidstaten om kritieke infrastructuur in alle sectoren van het economisch leven te beschermen, onder meer door middel van publiek-private partnerschappen en verbeterde coördinatie, samenwerking en uitwisseling en verspreiding van knowhow en ervaring binnen de Unie en met betrokken derde landen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

ii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de totstandbrenging van beveiligde verbindingen en effectieve coördinatie tussen de actoren op het gebied van bestaande sectorspecifieke vroegtijdige waarschuwing en samenwerking bij crises op het niveau van de Unie en op nationaal niveau, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

iii)

Welke vooruitgang is geboekt op het gebied van de verbetering van het administratieve en operationele vermogen van de lidstaten en de Unie om uitgebreide risico- en dreigingsbeoordelingen te ontwikkelen, en hoe heeft het Fonds bijgedragen aan de verwezenlijking van die vooruitgang?

Efficiëntie (Zijn de resultaten van het Fonds tegen redelijke kosten bereikt?)

3.

In hoeverre zijn de verwachte resultaten van het Fonds verwezenlijkt tegen redelijke kosten in termen van ingezette financiële en personele middelen? Welke maatregelen zijn genomen om fraudegevallen en andere onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen, te rapporteren en op te volgen, en wat was het resultaat ervan?

Relevantie (Kwamen de doelstellingen van de door het Fonds gefinancierde maatregelen overeen met de werkelijke behoeften?)

4.

Beantwoordden de door de lidstaat in zijn nationale programma vastgestelde doelstellingen aan de geïdentificeerde behoeften? Voorzagen de in het jaarlijkse werkprogramma vastgestelde doelstellingen (acties van de Unie) in de werkelijke behoeften? Voorzagen de in het jaarlijkse werkprogramma vastgestelde doelstellingen (noodhulp) in de werkelijke behoeften? Welke maatregelen heeft de lidstaat genomen om op de veranderende behoeften in te spelen?

Coherentie (Waren de doelstellingen van het nationale programma coherent met de doelstellingen van andere met EU-middelen gefinancierde programma's die soortgelijke werkgebieden bestrijken? Werd de coherentie ook gewaarborgd tijdens de uitvoering van het Fonds?)

5.

Is er een beoordeling van andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen verricht en in aanmerking genomen tijdens de programmeringsfase? Zijn er mechanismen voor coördinatie tussen het Fonds en andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen opgezet voor de uitvoeringsperiode? Waren de in het kader van het Fonds uitgevoerde acties coherent met en niet in strijd met andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen?

Complementariteit (Waren de in het nationale programma vastgestelde doelstellingen en de corresponderende acties die zijn verricht, complementair met die welke in het kader van andere beleidsmaatregelen zijn vastgesteld, met name die welke door de lidstaat worden nagestreefd?)

6.

Is er een beoordeling van andere maatregelen met complementaire doelstellingen verricht en in aanmerking genomen tijdens de programmeringsfase? Zijn er mechanismen voor coördinatie tussen het Fonds en andere maatregelen met soortgelijke doelstellingen opgezet voor de uitvoeringsperiode om de complementariteit ervan te waarborgen tijdens de uitvoeringsperiode? Zijn er mechanismen opgezet om overlapping van financiële instrumenten te voorkomen?

Toegevoegde waarde van de EU (Heeft de EU-steun toegevoegde waarde opgeleverd?)

7.

Wat zijn de belangrijkste soorten toegevoegde waarde die voortvloeien uit de steun van het Fonds (omvang, bereik, rol, proces)? Zou de lidstaat de maatregelen die vereist zijn voor de uitvoering van het EU-beleid op de door het Fonds ondersteunde gebieden hebben verricht zonder de financiële steun van het Fonds? Wat zouden de meest waarschijnlijke gevolgen van een onderbreking van de door het Fonds verleende steun zijn? In hoeverre hebben de door het Fonds ondersteunde acties geresulteerd in een voordeel op het niveau van de Unie? Wat was de toegevoegde waarde van de operationele steun?

Duurzaamheid (Is het waarschijnlijk dat de positieve effecten van de door het Fonds ondersteunde projecten zullen voortduren wanneer er geen steun uit het Fonds meer wordt verleend?)

8.

Wat waren de belangrijkste maatregelen die door de lidstaat zijn genomen om de duurzaamheid van de resultaten van de met steun van het Fonds uitgevoerde projecten te waarborgen (zowel in de programmerings- als in de uitvoeringsfase)? Zijn er mechanismen opgezet om te zorgen voor een duurzaamheidscontrole in de programmerings- en de uitvoeringsfase? In hoeverre zullen de uitkomsten/voordelen van de door het Fonds ondersteunde acties daarna naar verwachting aanhouden? Welke maatregelen zijn genomen om de continuïteit te waarborgen van de dankzij de operationele steun verrichte activiteiten?

Vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten (Zijn de beheerprocedures van het Fonds vereenvoudigd en de administratieve lasten voor de begunstigden ervan verminderd?)

9.

Hebben de door het Fonds geïntroduceerde innovatieve procedures (vereenvoudigde kostenoptie, meerjarenprogrammering, nationale subsidiabiliteitsvoorschriften, meer omvattende nationale programma's die flexibiliteit toelaten, operationele ondersteuning en de bijzondere doorreisregeling voor Litouwen) voor vereenvoudiging voor de begunstigden van het Fonds gezorgd?


BIJLAGE III

Lijst van gemeenschappelijke resultaat- en impactindicatoren voor de evaluatieverslagen van de lidstaten en de Commissie, als bedoeld in de artikelen 56 en 57 van Verordening (EU) nr. 514/2014

Indicatoren voor de evaluatie van de specifieke doelstellingen van Verordening (EU) nr. 516/2014

1.   Indicatoren per specifieke doelstelling

a)

Het versterken en ontwikkelen van alle aspecten van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel, met inbegrip van de externe dimensie ervan:

i)

aantal voor niet-begeleide minderjarigen aangepaste plaatsen dat door het Fonds voor asiel, migratie en integratie (hierna „het Fonds” genoemd) is ondersteund, vergeleken met het totale aantal plaatsen dat voor niet-begeleide minderjarigen is aangepast;

ii)

aantal hangende zaken in eerste aanleg, volgens duur;

iii)

aandeel definitieve positieve besluiten in beroep;

iv)

aantal personen in de opvangregeling (aantal aan het einde van de verslagleggingsperiode);

v)

aantal personen in de opvangregeling vergeleken met het aantal asielzoekers;

vi)

aantal voor niet-begeleide minderjarigen aangepaste opvangplaatsen vergeleken met het totale aantal niet-begeleide minderjarigen;

vii)

convergentie van de erkenningspercentages in eerste aanleg/laatste aanleg van de lidstaten voor asielzoekers uit eenzelfde derde land.

b)

Het ondersteunen van de legale migratie naar de lidstaten overeenkomstig hun economische en sociale behoeften, zoals arbeidsmarktbehoeften, waarbij tegelijk de integriteit van de immigratieregelingen van de lidstaten wordt gewaarborgd, en het bevorderen van de daadwerkelijke integratie van onderdanen van derde landen:

i)

aandeel onderdanen van derde landen aan wie de status van langdurig ingezetene is toegekend ten opzichte van het totale aantal onderdanen van derde landen;

ii)

werkgelegenheidsgraad: kloof tussen onderdanen van derde landen en onderdanen van het gastland;

iii)

werkloosheidspercentage: kloof tussen onderdanen van derde landen en onderdanen van het gastland;

iv)

activiteitsgraad: kloof tussen onderdanen van derde landen en onderdanen van het gastland;

v)

aandeel voortijdige schoolverlaters: kloof tussen onderdanen van derde landen en onderdanen van het gastland;

vi)

aandeel 30- tot 34-jarigen met een tertiaire opleiding: kloof tussen onderdanen van derde landen en onderdanen van het gastland;

vii)

aandeel van de bevolking dat met sociale armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd: kloof tussen onderdanen van derde landen en onderdanen van het gastland.

c)

Het bevorderen van billijke en doeltreffende terugkeerstrategieën in de lidstaten ter ondersteuning van de bestrijding van illegale immigratie, met nadruk op de duurzaamheid van terugkeer en daadwerkelijke overname door de landen van herkomst en doorreis:

i)

aantal door het Fonds ondersteunde verwijderingen, vergeleken met het totale aantal gevallen van terugkeer na een bevel om het grondgebied te verlaten;

ii)

aantal teruggekeerde personen in het kader van door het Fonds ondersteunde gezamenlijke terugkeeroperaties, vergeleken met het totale aantal door het Fonds ondersteunde terugkeeroperaties;

iii)

aantal personen dat is teruggekeerd en dat vóór of na terugkeer door het Fonds medegefinancierde herintegratiebijstand heeft gekregen, vergeleken met het totale aantal door het Fonds ondersteunde gevallen van vrijwillige terugkeer;

iv)

aantal met steun van het Fonds gecreëerde/gerenoveerde plaatsen in detentiecentra, vergeleken met het totale aantal plaatsen in detentiecentra;

v)

aantal gevallen van terugkeer na een uitzettingsbevel, vergeleken met het aantal onderdanen van derde landen die het bevel hebben gekregen het grondgebied te verlaten;

vi)

ten aanzien van afgewezen asielzoekers uitgevaardigde terugkeerbesluiten;

vii)

effectieve terugkeer van afgewezen asielzoekers.

2.   Indicatoren voor doelmatigheid, meerwaarde en duurzaamheid, als bedoeld in Verordening (EU) nr. 514/2014

d)

Om de doelmatigheid, meerwaarde en duurzaamheid te meten en te evalueren:

i)

aantal voltijdequivalenten in de verantwoordelijke instantie, de gedelegeerde instantie en de auditinstantie die zich bezighouden met de uitvoering van het Fonds en worden betaald met de technische bijstand of uit de nationale begrotingen, vergeleken met het aantal uitgevoerde projecten en het voor het begrotingsjaar gevraagde bedrag;

ii)

technische bijstand plus de administratieve (indirecte) kosten van projecten vergeleken met het voor het begrotingsjaar gevraagde bedrag;

iii)

absorptiepercentage van het Fonds.


BIJLAGE IV

Lijst van gemeenschappelijke resultaat- en impactindicatoren voor de evaluatieverslagen van de lidstaten en de Commissie, als bedoeld in de artikelen 56 en 57 van Verordening (EU) nr. 514/2014

Indicatoren voor de evaluatie van de specifieke doelstellingen van Verordening (EU) nr. 513/2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer, en Verordening (EU) nr. 515/2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa

1.   Indicatoren per specifieke doelstelling

a)

Het ondersteunen van een gemeenschappelijk visumbeleid om legaal reizen te vergemakkelijken, het zorgen voor een hoge kwaliteit van de dienstverlening aan visumaanvragers, het garanderen dat onderdanen van derde landen gelijk worden behandeld en het tegengaan van illegale migratie:

i)

aantal met steun van het Fonds voor interne veiligheid (hierna „het Fonds” genoemd) verrichte Schengenevaluatiebezoeken op het gebied van visa;

ii)

aantal Schengenevaluatieaanbevelingen op het gebied van visa waaraan gevolg is gegeven met de steun van het Fonds, vergeleken met het totale aantal aanbevelingen dat is gedaan;

iii)

aantal personen die vervalste reisdocumenten gebruiken en die zijn ontdekt bij consulaten waarvoor steun uit het Fonds wordt verleend;

iv)

aantal visumaanvragers die een Schengenvisum moeten aanvragen buiten hun land van woonplaats;

v)

aantal landen in de wereld waarvan de ingezetenen visumplichtig zijn en waar het aantal aanwezige of vertegenwoordigde lidstaten is toegenomen.

b)

Het ondersteunen van een geïntegreerd grensbeheer, met inbegrip van de bevordering van verdere harmonisatie van maatregelen betreffende het grensbeheer overeenkomstig de gemeenschappelijke normen van de Unie en door middel van het delen van informatie tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie („Frontex”), om ervoor te zorgen dat enerzijds de buitengrenzen zo goed mogelijk en op uniform en hoog niveau worden gecontroleerd en beschermd, onder meer door het tegengaan van illegale migratie, en dat anderzijds de overschrijdingen van de buitengrenzen vlot verlopen overeenkomstig het Schengenacquis, waarbij tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat personen die deze nodig hebben, toegang krijgen tot internationale bescherming, in overeenstemming met de verplichtingen van de lidstaten op het gebied van mensenrechten, inclusief het beginsel van „non-refoulement”:

i)

aantal met steun van het Fonds verrichte Schengenevaluatiebezoeken op het gebied van grenzen;

ii)

aantal Schengenevaluatieaanbevelingen op het gebied van grenzen waaraan gevolg is gegeven met de steun van het Fonds, vergeleken met het totale aantal aanbevelingen dat is gedaan;

iii)

aantal tijdens door Frontex gecoördineerde operaties gebruikte stukken uitrusting die zijn aangekocht met steun van het Fonds, vergeleken met het totale aantal stukken uitrusting gebruikt voor door Frontex gecoördineerde operaties;

iv)

aantal aan de buitengrenzen van de EU geconstateerde irreguliere grensoverschrijdingen a) tussen de grensdoorlaatposten; b) bij de grensdoorlaatposten;

v)

aantal opzoekingen in het Schengeninformatiesysteem (SIS) II;

vi)

aantal bij de grensdoorlaatposten ontdekte personen die vervalste reisdocumenten gebruiken.

c)

Voorkoming van criminaliteit, bestrijding van grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, en versterking van de coördinatie en de samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten en andere nationale autoriteiten van de lidstaten, onder meer met Europol of andere relevante instanties van de Unie, en met betrokken derde landen en internationale organisaties:

i)

resultaten van door het Fonds ondersteunde acties die leiden tot de ontwrichting van georganiseerde criminele groeperingen;

ii)

aantal/waarde van bevroren, in beslag genomen en geconfisqueerde criminele activa als gevolg van acties die onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 513/2014 vallen;

iii)

aantal door de politie geregistreerde misdrijven, verdachten, vervolgingen en veroordelingen als gevolg van acties die onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 513/2014 vallen;

iv)

hoeveelheid drugs in beslag genomen in het kader van door het Fonds ondersteunde acties ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit;

v)

aantal beschermde of geholpen slachtoffers van misdrijven;

vi)

hoeveelheid via het kader van Prüm uitgewisselde informatie (op basis van de meting van het totale aantal DNA-overeenkomsten per jaar; het totale aantal vingerafdrukovereenkomsten per jaar; het totale aantal overeenkomsten met voertuigregistratiegegevens per jaar);

vii)

hoeveelheid via de applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (SIENA) uitgewisselde informatie (op basis van de meting van de per jaar door de lidstaten, Europol en derde partijen opgestarte SIENA-zaken; aantal per jaar door de lidstaten, Europol en derde partijen uitgewisselde SIENA-berichten);

viii)

hoeveelheid via het Europol-informatiesysteem (EIS) gedeelde gegevens (op basis van de meting van het aantal per jaar door de lidstaten in het EIS ingevoerde personen en objecten; het aantal door de lidstaten per jaar in het EIS ingevoerde personen en objecten (verdachten, veroordeelden); het aantal door de lidstaten per jaar verrichte EIS-opzoekingen).

d)

Versterking van de capaciteit van de lidstaten en de Unie om veiligheidsgerelateerde risico's en crises doeltreffend te beheren, en voorbereiding op en bescherming van mensen en kritieke infrastructuur tegen terreuraanvallen en andere veiligheidsgerelateerde incidenten:

i)

aantal terroristische aanslagen (op basis van de meting van mislukte, verijdelde of uitgevoerde terroristische aanslagen; aantal slachtoffers van terroristische aanslagen).

2.   Indicatoren voor doelmatigheid, meerwaarde en duurzaamheid, als bedoeld in Verordening (EU) nr. 514/2014

e)

Om de doelmatigheid, meerwaarde en duurzaamheid te meten en te evalueren:

i)

aantal voltijdequivalenten in de verantwoordelijke instantie, de gedelegeerde instantie en de auditinstantie die zich bezighouden met de uitvoering van het Fonds en worden betaald met de technische bijstand of uit de nationale begrotingen, vergeleken met het aantal uitgevoerde projecten en het voor het begrotingsjaar gevraagde bedrag;

ii)

technische bijstand plus de administratieve (indirecte) kosten van projecten vergeleken met het voor het begrotingsjaar gevraagde bedrag;

iii)

absorptiepercentage van het Fonds;

iv)

aantal stukken uitrusting in gebruik twee jaar na de aankoop ervan/aantal in het kader van het Fonds aangekochte stukken uitrusting (> dan 10 000 EUR);

v)

aandeel van de onderhoudskosten van in het kader van het Fonds aangekochte uitrusting in de totale bijdrage van de Unie aan door het Fonds gecofinancierde acties.


8.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/14


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/208 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2016

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake additionele uitstromen van liquiditeit die overeenstemmen met de behoeften aan zekerheid ingevolge de impact van een ongunstig marktscenario op de derivatentransacties van een instelling

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 423, lid 3, vierde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 423, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voegen instellingen een additionele uitstroom toe die overeenstemt met de behoeften aan zekerheid ingevolge de impact van een ongunstig marktscenario op de derivatentransacties, financieringstransacties en overige contracten voor zover die van wezenlijk belang zijn. Gelet op overwegingen met betrekking tot het wezenlijke belang, is er een dringende noodzaak om een additionele uitstroom te specificeren die overeenstemt met de behoeften aan zekerheid ingevolge de impact van een ongunstig marktscenario op de derivatentransacties, terwijl het wezenlijke belang van de behoeften aan zekerheid die zouden voortvloeien uit de impact van een ongunstig marktscenario op de financieringstransacties en overige contracten, in een volgende fase zullen worden bezien.

(2)

Gezien het feit dat in artikel 423, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 sprake is van behoeften aan zekerheid, dienen de in te stellen regels te worden beperkt tot derivatentransacties die zijn gedekt met zekerheden, met inbegrip van transacties die binnen 30 dagen vervallen.

(3)

Om een gelijk speelveld te garanderen voor instellingen en derivatenmarkten, dient de berekening van de additionele uitstromen van zekerheid te zijn gebaseerd op de Historical Look-back Approach (HLBA) voor variaties van de marktwaardering die het Bazels Comité voor Bankentoezicht (BCBS) voor het bepalen van deze additionele uitstromen van zekerheden heeft ontwikkeld, waarbij voor dat doel wordt gebruikgemaakt van de grootste geaggregeerde cumulatieve netto-uitstroom of -instroom van zekerheden, gerealiseerd over alle 30-dagenperioden in de voorgaande 24 maanden op portefeuilleniveau.

(4)

De Europese Bankenautoriteit (hierna „de EBA” genoemd) heeft bij de Commissie een ontwerp van technische reguleringsnormen ingediend. Overeenkomstig evenwel de procedure van artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft de Commissie de EBA in kennis gesteld van haar voornemen om dat ontwerp voor technische reguleringsnormen niet te bevestigen, waarbij zij de redenen voor het niet-bevestigen van deze normen heeft uiteengezet. De EBA heeft het ontwerp voor technische reguleringsnormen opnieuw ingediend in de vorm van een formeel advies waarin de door de Commissie voorgestelde benadering die strikt is gebaseerd op de Historical Look-back Approach (HLBA) van het BCBS, wordt geaccepteerd.

(5)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die door de EBA aan de Commissie zijn voorgelegd.

(6)

De EBA heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies van de in overeenstemming met artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wezenlijk belang van derivatentransacties van een instelling

1.   Derivatentransacties van een instelling worden voor de toepassing van artikel 423, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 als zijnde van wezenlijk belang beschouwd wanneer de totale notionele bedragen van dit soort transacties op enigerlei tijdstip in de voorgaande twee jaar meer dan 10 % van de in artikel 412, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde nettoliquiditeitsuitstromen bedroeg.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt bij de berekening van de nettoliquiditeitsuitstromen geen rekening gehouden met de in artikel 423, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde component van additionele uitstromen.

Artikel 2

Berekening van een additionele uitstroom van liquiditeit die overeenstemt met de behoeften aan zekerheid ingevolge de impact van een ongunstig marktscenario op de derivatentransacties van een instelling

1.   De additionele uitstroom van liquiditeit die overeenstemt met de behoeften aan zekerheid ingevolge de impact van een ongunstig marktscenario op de derivatentransacties van een instelling die op grond van artikel 1 van deze verordening als zijnde van wezenlijk belang worden beschouwd, is de grootste absolute nettostroom van zekerheden over een periode van 30 dagen die is gerealiseerd in de 24 maanden voorafgaand aan de datum van berekening van het in artikel 412, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde liquiditeitsdekkingsvereiste.

2.   Instellingen mogen instromen en uitstromen van transacties alleen op nettobasis behandelen wanneer deze worden uitgevoerd op grond van dezelfde kaderverrekeningsovereenkomst. De absolute netto-uitstroom van zekerheden is gebaseerd op de gerealiseerde uit- en instromen, en de verrekening vindt plaats op het portefeuilleniveau van de instelling.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


8.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/209 VAN DE COMMISSIE

van 2 februari 2017

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 februari 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Stephen QUEST

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie


(1)  PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Drie artikelen die samen zijn verpakt voor de verkoop in het klein:

a)

een blocnote die bestaat uit ongeveer 75 blanco vellen papier (het achterste vel bevat contactgegevens van de verkooppunten waar nieuwe blocnotes verkregen kunnen worden) met afmetingen van ongeveer 8 × 14 cm. De vellen zijn bovenaan vastgelijmd en zijn geperforeerd zodat afzonderlijke vellen kunnen worden afgescheurd. De achterkant en een klein deel van de voorkant zijn bedekt met karton;

b)

een houder voor de blocnote met afmetingen van ongeveer 32 × 10 cm die is vervaardigd van kunststof in vellen en vanbinnen is verstevigd met karton. Het kartonnen deel van de blocnote is in een inkeping in de houder geplaatst. De houder, die over de blocnote kan worden gevouwen, heeft ook een bergvakje van doorzichtige kunststof in het bovenste deel en een lus van elastische textielstof waarin een kogelpen geplaatst kan worden;

c)

een dunne kogelpen van kunststof met een lengte van ongeveer 10 cm is in de lus van textiel geplaatst.

(Zie afbeelding) (*1)

4820 10 30

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 b) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 4820 , 4820 10 en 4820 10 30 .

De artikelen vormen goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein in de zin van algemene regel 3 b). De blocnote heeft de belangrijkste functie wat betreft het gebruik van het assortiment, namelijk voorzien in schrijfpapier voor korte notities of boodschappen. De houder is slechts een soort omhulsel om de blocnote te beschermen tegen vuil en kreuken. Gelet op de objectieve kenmerken (grootte, ontwerp en waarde), vormt de kogelpen van kunststof geen essentieel onderdeel van het assortiment. Een andere pen of een ander potlood kan worden gebruikt om op de blocnote te schrijven. De blocnote verleent het assortiment derhalve zijn wezenlijke karakter.

De blocnote wordt ingedeeld onder post 4820 , die zakboekjes en blocnotes van alle soorten omvat (zie de GS-toelichtingen op post 4820 , eerste alinea, punt 1).

Het assortiment moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 4820 10 30 als zakboekjes, blocnotes, brievenblocs en memorandablocs.

Image

(*1)  De afbeelding is louter ter informatie.


8.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/210 VAN DE COMMISSIE

van 7 februari 2017

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase en endo-1,3(4)-bèta-glucanase geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen (vergunninghouder Adisseo France S.A.S.)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 en endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6 geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(3)

Die aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 en endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6 geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen, in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

Het gebruik van dat preparaat was voor een periode van tien jaar toegestaan voor mestkippen, opfokleghennen en voor minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/661 van de Commissie (2) en voor kalkoenen gehouden voor mest- en fokdoeleinden bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2304 van de Commissie (3).

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 25 mei 2016 (4) geconcludeerd dat het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 en endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6 geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702 onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige effecten heeft voor de diergezondheid, de gezondheid van de mens of het milieu en dat het de prestaties van legkippen heeft verbeterd. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 en endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6 geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „verteringsbevorderaars”, wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 februari 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/661 van de Commissie van 28 april 2015 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase en endo-1,3(4)-bèta-glucanase geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen en voor minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mest- en legdoeleinden (vergunninghouder Adisseo France S.A.S.) (PB L 110 van 29.4.2015, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2304 van de Commissie van 10 december 2015 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase en endo-1,3(4)-bèta-glucanase geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor kalkoenen gehouden voor mest- en fokdoeleinden (vergunninghouder Adisseo France S.A.S.) (PB L 326 van 11.12.2015, blz. 39).

(4)  EFSA Journal 2016; 14(6):4510.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Activiteitseenheden/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars

4a22

Adisseo France S.A.S.

Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8

en

endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8) en endo-1,3(4)-bèta-glucanase (EC 3.2.1.6) geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702, met een minimale activiteit van:

in vaste vorm: endo-1,4-bèta-xylanase 22 000 VU/g en endo-1,3(4)-bèta-glucanase 15 200 VU (1)/g;

in vloeibare vorm: endo-1,4-bèta-xylanaseactiviteit 5 500 VU/ml en endo-1,3(4)-bèta-glucanaseactiviteit 3 800 VU/ml.

Karakterisering van de werkzame stof

Endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8) en endo-1,3(4)-bèta-glucanase (EC 3.2.1.6) geproduceerd door Talaromyces versatilis sp. nov. IMI CC 378536 en Talaromyces versatilis sp. nov. DSM 26702.

Analysemethode  (2)

Voor de kwantificering van de endo-1,4-bèta-xylanaseactiviteit:

viscosimetrische methode gebaseerd op de afname van de viscositeit die wordt veroorzaakt door de inwerking van endo-1,4-bèta-xylanase op het xylaan bevattende substraat (tarwearabinoxylaan).

Voor de kwantificering van de endo-1,3(4)-bèta-glucanaseactiviteit:

viscosimetrische methode gebaseerd op de afname van de viscositeit die wordt veroorzaakt door de inwerking van endo-1,3(4)-bèta-glucanase op het glucaansubstraat (gerstbètaglucaan) bij een pH van 5,5 en een temperatuur van 30 °C.

Legkippen

Endo-1,4-bèta-xylanase 1 100 VU

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase 760 VU

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren die kunnen voortvloeien uit het gebruik. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, worden bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming en huidbescherming.

28 februari 2027


(1)  1 VU (viscosimetrische eenheid) is de hoeveelheid enzym die het substraat (respectievelijk bèta-glucaan van gerst en tarwearabinoxylaan) hydrolyseert, waardoor de viscositeit van de oplossing vermindert, om een verandering van 1 (dimensieloze eenheid)/min in de relatieve vloeibaarheid te produceren bij 30 °C en een pH van 5,5.

(2)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


8.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/23


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/211 VAN DE COMMISSIE

van 7 februari 2017

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis (LMG-S 15136), als toevoegingsmiddel voor voeding voor pluimvee, gespeende biggen en mestvarkens, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1259/2004, (EG) nr. 1206/2005 en (EG) nr. 322/2009, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 516/2007 (vergunninghouder Beldem, een onderdeel van Puratos NV)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG is een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis (LMG-S 15136), als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen bij Verordening (EG) nr. 1259/2004 van de Commissie (3), voor gespeende biggen bij Verordening (EG) nr. 1206/2005 van de Commissie (4), voor mestvarkens en mestkalkoenen bij Verordening (EG) nr. 516/2007 van de Commissie (5) en voor legkippen bij Verordening (EG) nr. 322/2009 van de Commissie (6). Vervolgens is dat preparaat overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1831/2003 was dat preparaat ook voor een periode van tien jaar toegestaan voor eenden bij Verordening (EG) nr. 242/2007 van de Commissie (7).

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, in samenhang met artikel 7 van die verordening, is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis (LMG-S 15136), als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor pluimvee, gespeende biggen en mestvarkens. De aanvrager heeft gevraagd dit toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” in te delen. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 13 juli 2016 (8) geconcludeerd dat het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis (LMG-S 15136) onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het gebruik van dat preparaat een gunstige invloed kan hebben op mestkippen, legkippen, gespeende biggen en mestvarkens. Deze conclusie kan worden uitgebreid tot opfokleghennen en fokkippen. Verder is de EFSA van oordeel dat deze conclusie kan worden geëxtrapoleerd tot minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mest-, fok- en legdoeleinden. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Met betrekking tot mestkalkoenen heeft de EFSA tevens geconcludeerd dat er in twee studies aanwijzingen waren voor een positief effect op het uiteindelijke lichaamsgewicht en de voederconversie. Een derde studie waaruit een aanzienlijk betere voederconversie blijkt, zoals reeds beoordeeld en aanvaard in de vorige evaluatie voor de vergunning, werd door de EFSA niet significant geacht. Aangezien deze bewijzen als een belangrijke indicatie van de verbetering van zoötechnische parameters werden beschouwd en op basis van de lange gebruiksgeschiedenis, is geoordeeld dat de verstrekte gegevens voldoen aan de voorwaarden voor het aantonen van de doeltreffendheid van het toevoegingsmiddel voor mestkalkoenen.

(6)

Uit de beoordeling van het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis (LMG-S 15136), blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De Verordeningen (EG) nr. 1259/2004, (EG) nr. 1206/2005 en (EG) nr. 322/2009 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Verordening (EG) nr. 516/2007 moet worden ingetrokken.

(8)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Vergunningverlening

Voor het in de bijlage omschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „verteringsbevorderaars”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1259/2004

Bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1259/2004 wordt geschrapt.

Artikel 3

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1206/2005

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1206/2005 wordt de vermelding betreffende E 1606, endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8, geschrapt.

Artikel 4

Wijziging van Verordening (EG) nr. 322/2009

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 322/2009 wordt geschrapt.

Artikel 5

Intrekking

Verordening (EG) nr. 516/2007 wordt ingetrokken.

Artikel 6

Overgangsmaatregelen

Het in de bijlage omschreven preparaat en diervoeding die dat preparaat bevat die vóór 28 augustus 2017 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 28 februari 2017 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 februari 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1259/2004 van de Commissie van 8 juli 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 239 van 9.7.2004, blz. 8).

(4)  Verordening (EG) nr. 1206/2005 van de Commissie van 27 juli 2005 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 197 van 28.7.2005, blz. 12).

(5)  Verordening (EG) nr. 516/2007 van de Commissie van 10 mei 2007 tot verlening van een permanente vergunning voor een toevoegingsmiddel voor diervoeding (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 22).

(6)  Verordening (EG) nr. 322/2009 van de Commissie van 20 april 2009 tot verlening van permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 101 van 21.4.2009, blz. 9).

(7)  Verordening (EG) nr. 242/2007 van de Commissie van 6 maart 2007 tot verlening van een vergunning voor het gebruik van endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 (Belfeed B1100MP en Belfeed B1100ML) als toevoegingsmiddel in diervoeding (PB L 73 van 13.3.2007, blz. 1).

(8)  EFSA Journal (2016); 14(9):4562.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Activiteitseenheden/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars

4a1606i

Beldem, onderdeel van Puratos NV

Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis LMG-S 15136, met een minimale activiteit van 400 IU (1)/g.

Vaste en vloeibare vorm.

Pluimvee

10 IU

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor gebruik bij gespeende biggen tot 35 kg lichaamsgewicht.

3.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij gebruik te voorkomen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, worden bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming.

28 februari 2027

Karakterisering van de werkzame stof

Endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Bacillus subtilis LMG-S 15136.

Gespeende biggen

10 IU

Analysemethode  (2)

Voor de kwantificering van de werkzaamheid van xylanase in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

colorimetrische methode die de reducerende suikers meet die worden vrijgemaakt door inwerking van xylanase op berkenhoutxylaansubstraat bij aanwezigheid van 3,5-dinitrosalicylzuur (DNS).

Voor de kwantificering van de werkzaamheid van xylanase in voormengsels en diervoeders:

colorimetrische methode die de in water oplosbare kleurstof meet die door inwerking van xylanase wordt vrijgemaakt uit met azurine vernette tarwearabinoxylaansubstraten.

Mestvarkens

10 IU


(1)  1 IU komt overeen met de hoeveelheid enzym die bij een pH van 4,5 en een temperatuur van 30 °C 1 micromol reducerende suikers (xylose-equivalent) per minuut vrijmaakt uit berkenhoutxylaan.

(2)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


8.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/27


VERORDENING (EU) 2017/212 VAN DE COMMISSIE

van 7 februari 2017

tot aanwijzing van het EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers, tot vaststelling van aanvullende verantwoordelijkheden en taken van dat laboratorium en tot wijziging van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 32, leden 5 en 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 882/2004 zijn de algemene taken, verplichtingen en voorschriften vastgesteld voor de referentielaboratoria van de Europese Unie („EU-referentielaboratoria”) voor levensmiddelen en diervoeders en voor diergezondheid. De EU-referentielaboratoria voor diergezondheid en levende dieren staan vermeld in deel II van bijlage VII bij die verordening.

(2)

Er bestaat nog geen EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers. EU-referentielaboratoria moeten de gebieden van de diergezondheid en van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen beslaan waar precieze analytische en diagnostische resultaten nodig zijn. Bij uitbraken van pest bij kleine herkauwers zijn precieze analytische en diagnostische resultaten nodig.

(3)

Op 30 juni 2016 heeft de Commissie een oproep tot het indienen van kandidaturen gepubliceerd met het oog op de selectie en aanwijzing van een EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers. Het geselecteerde laboratorium „Centre de coopération internationale en recherche agronomique pour le développement (Cirad)” moet worden aangewezen als het EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers.

(4)

Naast de algemene bevoegdheden en taken zoals vastgelegd in artikel 32, lid 2, van Verordening (EG) nr. 882/2004 moeten de geselecteerde laboratoria bepaalde aanvullende verantwoordelijkheden en taken krijgen. Deze betreffen met name hun schakelfunctie tussen de nationale referentielaboratoria van de lidstaten om de werkzaamheden ervan te ondersteunen en optimale methoden te verstrekken voor de diagnose van pest bij kleine herkauwers.

(5)

Bijlage VII, deel II, bij Verordening (EG) nr. 882/2004 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het geselecteerde laboratorium Centre de coopération internationale en recherche agronomique pour le développement (Cirad), Montpellier, Frankrijk, wordt aangewezen als het referentielaboratorium van de Europese Unie („EU-referentielaboratorium”) voor pest bij kleine herkauwers.

De aanvullende verantwoordelijkheden en taken voor dat laboratorium zijn vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

In bijlage VII, deel II, bij Verordening (EG) nr. 882/2004 wordt het volgende punt 20 toegevoegd:

„20.

EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers

Centre de coopération internationale en recherche agronomique pour le développement (Cirad)

TA A-15/G

Campus International de Baillarguet

34398 Montpellier Cedex

FRANKRIJK”.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 februari 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.


BIJLAGE

Verantwoordelijkheden en taken van het EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers

Naast de algemene bevoegdheden en taken van EU-referentielaboratoria in de sector diergezondheid uit hoofde van artikel 32, lid 2, van Verordening (EG) nr. 882/2004 heeft het EU-referentielaboratorium voor pest bij kleine herkauwers de volgende verantwoordelijkheden en taken:

1.

fungeren als schakel tussen de nationale referentielaboratoria van de lidstaten en zorgen voor optimale methoden voor de diagnose van pest bij kleine herkauwers bij vee, met name door:

a)

typering en volledige antigeen- en genoomkarakterisering en fylogenetische analyse (verwantschap met andere stammen van hetzelfde virus) van virussen uit te voeren en stammen van virussen van pest bij kleine herkauwers op te slaan met het oog op de bevordering van diagnostische diensten in de Unie en, wanneer dat relevant en noodzakelijk is, met het oog op bijvoorbeeld epidemiologische follow-ups of verificatie van een diagnose;

b)

een geactualiseerde verzameling stammen en isolaten van pest bij kleine herkauwers en specifieke sera en andere reagentia tegen de ziekte, indien beschikbaar, aan te leggen en te onderhouden;

c)

de diagnose te harmoniseren en ervoor te zorgen dat tests in de Unie deskundig worden verricht door periodieke vergelijkende proeven tussen laboratoria en externe kwaliteitsborgingswerkzaamheden te organiseren en uit te voeren met betrekking tot de diagnose van deze ziekte in de Unie en de resultaten van die proeven periodiek aan de Commissie, de lidstaten en de betrokken nationale referentielaboratoria toe te sturen;

d)

de deskundigheid met betrekking tot deze ziekte op peil te houden met het oog op een snelle differentiële diagnose, in het bijzonder ten aanzien van andere relevante virale ziekten;

e)

onderzoek te verrichten met het oog op de ontwikkeling van betere ziektebestrijdingsmethoden in samenwerking met de nationale referentielaboratoria die voor deze ziekte zijn aangewezen en waarmee de Commissie heeft ingestemd;

f)

de Commissie over wetenschappelijke aspecten die verband houden met pest bij kleine herkauwers en, in het bijzonder, over de selectie en het gebruik van vaccinstammen voor virussen van pest bij kleine herkauwers te adviseren;

2.

de werkzaamheden van de nationale referentielaboratoria van de lidstaten die zijn aangewezen voor de diagnose van pest bij kleine herkauwers ondersteunen, met name door:

a)

standaardsera en andere referentiereagentia, zoals virussen, geïnactiveerde antigenen of cellijnen, op te slaan en aan deze laboratoria te leveren met het oog op de standaardisering van de diagnostische tests en de reagentia die in elke lidstaat worden gebruikt, wanneer het agens moet worden geïdentificeerd en/of serologische tests nodig zijn;

b)

actieve steun te verlenen bij de diagnose van ziekten in verband met het vermoeden en de bevestiging van uitbraken in lidstaten door isolaten van toegezonden virussen van pest bij kleine herkauwers te onderzoeken met het oog op bevestiging van de diagnose, virustypering, en het leveren van een bijdrage tot epidemiologisch onderzoek en epidemiologische studies, en door de resultaten van deze activiteiten onverwijld mee te delen aan de Commissie, de lidstaten en de betrokken nationale referentielaboratoria;

3.

informatie verstrekken en zorgen voor bijscholing, met name door:

a)

opleiding, na- en bijscholing en workshops te bevorderen voor nationale referentielaboratoria die voor de diagnose van pest bij kleine herkauwers zijn aangewezen en voor deskundigen op het gebied van laboratoriumdiagnoses met het oog op de harmonisatie van de diagnosetechnieken voor deze ziekte in de hele Unie;

b)

deel te nemen aan internationale fora, met name wat de standaardisatie van analysemethoden voor deze ziekte en de toepassing daarvan betreft;

c)

samen te werken met de betrokken bevoegde laboratoria in niet-EU-landen waar deze ziekte heerst, met betrekking tot diagnosemethoden voor pest bij kleine herkauwers;

d)

de desbetreffende in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) en het handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren (Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) vastgestelde aanbevelingen inzake testen te evalueren tijdens de jaarlijkse vergadering van voor de diagnose van pest bij kleine herkauwers aangewezen nationale referentielaboratoria;

e)

de Commissie bij te staan bij het evalueren van de in de gezondheidscode voor landdieren en het handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren vastgestelde aanbevelingen van de OIE;

f)

de ontwikkelingen inzake de epidemiologie van pest bij kleine herkauwers te volgen.


8.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 33/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/213 VAN DE COMMISSIE

van 7 februari 2017

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 februari 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

125,6

TN

311,6

TR

151,5

ZZ

196,2

0707 00 05

MA

81,3

TR

187,9

ZZ

134,6

0709 91 00

EG

181,2

ZZ

181,2

0709 93 10

MA

109,8

TR

223,6

ZZ

166,7

0805 10 22 , 0805 10 24 , 0805 10 28

EG

40,2

IL

80,7

MA

48,4

TN

56,6

TR

77,1

ZZ

60,6

0805 21 10 , 0805 21 90 , 0805 29 00

EG

91,5

IL

133,7

JM

112,4

MA

89,6

TR

83,0

ZZ

102,0

0805 22 00

IL

88,5

MA

96,1

ZZ

92,3

0805 50 10

EG

85,5

TR

89,1

ZZ

87,3

0808 10 80

CN

139,4

US

205,0

ZZ

172,2

0808 30 90

CL

181,7

CN

112,8

TR

154,0

ZA

98,4

ZZ

136,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.