ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 297

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
4 november 2016


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1920 van de Commissie van 19 oktober 2016 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Hånnlamb (BOB))

9

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1921 van de Commissie van 20 oktober 2016 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier betreffende een in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen ingeschreven naam (Štajersko prekmursko bučno olje (BGA))

11

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1922 van de Commissie van 20 oktober 2016 tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Poularde du Périgord (BGA))

12

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1923 van de Commissie van 24 oktober 2016 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Karp zatorski (BOB))

13

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1924 van de Commissie van 3 november 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

14

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1925 van de Commissie van 31 oktober 2016 tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/17 waarbij het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig Richtlijn 2002/53/EG van de Raad wordt gemachtigd om het in de handel brengen van een in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen vermeld hennepras op zijn grondgebied te verbieden (Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 6860)

16

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1926 van de Commissie van 3 november 2016 tot goedkeuring van het acculadende fotovoltaïsche dak als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

18

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad ( PB L 248 van 18.9.2013 )

25

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/1


RICHTLIJN (EU) 2016/1919 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 oktober 2016

betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 2, onder b),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze richtlijn heeft als doel ervoor te zorgen dat het recht op toegang tot een advocaat, zoals bedoeld in Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), daadwerkelijk kan worden uitgeoefend door het beschikbaar stellen van bijstand van een door de lidstaten gefinancierde advocaat aan verdachten en beklaagden in strafprocedures en door gezochte personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel loopt uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad (4) (gezochte personen).

(2)

Door te voorzien in gemeenschappelijke minimumnormen met betrekking tot het recht op rechtsbijstand aan verdachten, beklaagden en gezochte personen, beoogt deze richtlijn het vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtsstelsels te versterken en aldus de wederzijdse erkenning van beslissingen in strafzaken te verbeteren.

(3)

In de derde alinea van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), in artikel 6, lid 3, onder c), van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in artikel 14, lid 3, onder d), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is het recht op rechtsbijstand in strafprocedures overeenkomstig de in die bepalingen genoemde voorwaarden vastgelegd. Het Handvest heeft dezelfde juridische waarde als de Verdragen en de lidstaten zijn partij bij het EVRM en het IVBPR. De ervaring heeft echter geleerd dat dit alleen niet steeds zorgt voor een voldoende mate van vertrouwen in de strafrechtsstelsels van andere lidstaten.

(4)

Op 30 november 2009 keurde de Raad een resolutie goed betreffende een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures (5) („de routekaart”). De routekaart, die uitgaat van een stapsgewijze benadering, vergt de vaststelling van maatregelen met betrekking tot het recht op vertaling en vertolking (maatregel A), het recht op informatie over de rechten en informatie over de beschuldiging (maatregel B), het recht op juridisch advies en rechtsbijstand (maatregel C), het recht te communiceren met familie, werkgever en consulaire autoriteiten (maatregel D) en bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden (maatregel E).

(5)

De Europese Raad heeft zich op 11 december 2009 ingenomen verklaard met de routekaart, en maakte deze tot onderdeel van het programma van Stockholm — Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger (6) (punt 2.4). De Europese Raad benadrukte het niet-uitputtende karakter van de routekaart door de Commissie te verzoeken onderzoek te verrichten naar verdere elementen van minimale procedurele rechten van verdachten en beklaagden, en om na te gaan of andere punten, bijvoorbeeld het vermoeden van onschuld, aandacht moeten krijgen teneinde een betere samenwerking op dat gebied te bevorderen.

(6)

Tot dusver zijn er vijf maatregelen inzake procedurele rechten in strafprocedures vastgesteld op grond van de routekaart, namelijk Richtlijnen 2010/64/EU (7), 2012/13/EU (8), 2013/48/EU, (EU) 2016/343 (9) en (EU) 2016/800 (10) van het Europees Parlement en de Raad.

(7)

Deze richtlijn betreft het tweede deel van maatregel C van de routekaart, betreffende rechtsbijstand.

(8)

Rechtsbijstand dient de kosten te dekken van de verdediging van verdachten, beklaagden en gezochte personen. Bij de verlening van rechtsbijstand moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen eisen dat verdachten, beklaagden of gezochte personen een deel van die kosten, naargelang hun financiële middelen, zelf dragen.

(9)

Onverminderd artikel 6 van Richtlijn (EU) 2016/800 mag de onderhavige richtlijn niet van toepassing zijn wanneer verdachten, beklaagden of gezochte personen afstand hebben gedaan van hun recht op toegang tot een advocaat, overeenkomstig artikel 9 respectievelijk artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2013/48/EU, en zij deze afstand niet hebben ingetrokken, of wanneer lidstaten de tijdelijke afwijkingen uit hoofde van artikel 3, lid 5 of lid 6, van Richtlijn 2013/48/EU hebben toegepast, voor de duur van die afwijking.

(10)

Indien een persoon die aanvankelijk geen verdachte of beklaagde was, zoals een getuige, verdachte of beklaagde wordt, moet deze persoon beschikken over het recht om zichzelf niet te belasten en om te zwijgen overeenkomstig het Unierecht en het EVRM, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) en door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Daarom verwijst deze richtlijn uitdrukkelijk naar de concrete situatie waarin een dergelijke persoon tijdens een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie in het kader van een strafprocedure, verdachte of beklaagde wordt. Indien tijdens een dergelijk verhoor een persoon die geen verdachte of beklaagde is, verdachte of beklaagde wordt, dient het verhoor onmiddellijk te worden stopgezet. Het verhoor moet evenwel kunnen worden voortgezet indien de persoon op de hoogte is gesteld van het feit dat hij verdachte of beklaagde is geworden en hij de in deze richtlijn vastgestelde rechten ten volle kan uitoefenen.

(11)

In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd om voor relatief lichte strafbare feiten andere sancties op te leggen dan vrijheidsbeneming. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteiten te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat een dergelijke autoriteit voor lichte strafbare feiten een sanctie oplegt, en indien ofwel daartegen beroep kan worden ingesteld ofwel de zaak anderszins kan worden doorverwezen naar een in strafzaken bevoegde rechtbank, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op de procedure die bij die rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dat beroep of die verwijzing.

(12)

In sommige lidstaten zijn bepaalde lichte feiten strafbaar gesteld, zoals met name lichte verkeersovertredingen, lichte overtredingen van algemene gemeentelijke verordeningen en lichte overtredingen tegen de openbare orde. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteiten te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Indien het recht van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd, dient deze richtlijn derhalve alleen van toepassing te zijn op procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.

(13)

De toepassing van deze richtlijn op lichte strafbare feiten is onderworpen aan de in deze richtlijn gestelde voorwaarden. De lidstaten moeten een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide kunnen toepassen om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend. Op voorwaarde dat dit strookt met het recht op een eerlijk proces kan er bij bepaalde lichte strafbare feiten van worden uitgegaan dat niet is voldaan aan de gegrondheidstoets.

(14)

Het toepassingsgebied van deze richtlijn ten aanzien van bepaalde lichte strafbare feiten doet niet af aan de EVRM-verplichting van de lidstaten om het recht op een eerlijk proces te waarborgen, waaronder het recht op bijstand van een advocaat.

(15)

Op voorwaarde dat dit strookt met het recht op een eerlijk proces, vormen de volgende situaties geen vrijheidsbeneming in de zin van deze richtlijn: identificatie van de verdachte of de beklaagde; nagaan of een onderzoek moet worden ingesteld; controle op wapenbezit of om uitsluitsel te krijgen over andere soortgelijke veiligheidsvraagstukken; onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal, andere dan die welke uitdrukkelijk in deze richtlijn worden genoemd, zoals een fouillering, een lichamelijk onderzoek, een bloed-, alcohol- of vergelijkbare test, of het maken van foto's en het afnemen van vingerafdrukken; ervoor zorgen dat de verdachte of beklaagde voor een bevoegde autoriteit verschijnt overeenkomstig het nationale recht.

(16)

Deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften. De lidstaten moeten rechtsbijstand kunnen verlenen in situaties waarop deze richtlijn niet van toepassing is, bijvoorbeeld bij het verrichten van onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal, andere dan die welke uitdrukkelijk in deze richtlijn worden genoemd.

(17)

Overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder c), van het EVRM moeten verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om de bijstand van een advocaat te betalen, het recht hebben op rechtsbijstand indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. Op grond van dit minimumvereiste kunnen de lidstaten een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide toepassen. De toepassing van die tests mag niet leiden tot de beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die zijn gewaarborgd overeenkomstig het Handvest en het EVRM, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie en door het EHRM.

(18)

De lidstaten dienen te voorzien in praktische regelingen betreffende het verlenen van rechtsbijstand. In deze regelingen kan worden bepaald dat rechtsbijstand wordt verleend op verzoek van een verdachte, een beklaagde of een gezochte persoon. Gezien met name de behoeften van kwetsbare personen mag dit verzoek evenwel geen materiële voorwaarde zijn voor het verlenen van rechtsbijstand.

(19)

De bevoegde autoriteiten dienen rechtsbijstand te verlenen, zonder onnodig uitstel en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of vóór het verrichten van de in deze richtlijn genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal. Indien de bevoegde autoriteiten daartoe niet in staat zijn, dienen zij ten minste spoedrechtsbijstand of voorlopige rechtsbijstand te verlenen vóór dit verhoor of voordat die onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal worden verricht.

(20)

Gezien het specifieke karakter van de procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, dient bij de interpretatie van de uitsluitend op gezochte personen betrekking hebbende bepalingen van deze richtlijn rekening te worden gehouden met dit specifieke karakter en mag dit in geen geval afbreuk doen aan de interpretatie van de overige bepalingen van deze richtlijn.

(21)

Gezochte personen dienen recht te hebben op rechtsbijstand in de uitvoerende lidstaat. Bovendien dienen gezochte personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel loopt met het oog op strafvervolging, en die hun recht uitoefenen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen overeenkomstig Richtlijn 2013/48/EU, recht te hebben op rechtsbijstand in deze lidstaat met het oog op deze procedure in de uitvoerende lidstaat, voor zover rechtsbijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen, zoals bepaald in artikel 47 van het Handvest. Dit zou het geval zijn indien de advocaat in de uitvoerende lidstaat zijn taken in verband met de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel niet doeltreffend en efficiënt kan uitvoeren zonder de bijstand van een advocaat in de uitvaardigende lidstaat. Een beslissing inzake het verlenen van rechtsbijstand in de uitvaardigende lidstaat dient te worden genomen door een autoriteit die bevoegd is voor het nemen van dergelijke beslissingen in die lidstaat, op basis van criteria die zijn vastgesteld door die lidstaat bij de uitvoering van deze richtlijn.

(22)

Om te waarborgen dat gezochte personen daadwerkelijke toegang tot een advocaat hebben, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat gezochte personen recht op rechtsbijstand hebben tot de overlevering, of tot de beslissing inzake niet-overlevering definitief geworden is.

(23)

Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat het grondrecht op rechtsbijstand, zoals neergelegd in het Handvest en in het EVRM, wordt geëerbiedigd. Hierbij dienen zij de beginselen en richtsnoeren betreffende de toegang tot rechtsbijstand in strafrechtsstelsels van de Verenigde Naties te eerbiedigen.

(24)

Onverminderd de nationaalrechtelijke bepalingen betreffende de verplichte aanwezigheid van een advocaat, dienen beslissingen inzake het al dan niet verlenen van rechtsbijstand zonder onnodig uitstel te worden genomen door een bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit dient een onafhankelijke autoriteit te zijn die bevoegd is om beslissingen inzake het verlenen van rechtsbijstand te nemen, of een rechtbank, met inbegrip van een alleensprekende rechter. In dringende situaties dient het evenwel mogelijk te zijn de politie en het openbaar ministerie tijdelijk bij de zaak te betrekken voor zover dit noodzakelijk is voor het tijdig verlenen van rechtsbijstand.

(25)

Wanneer rechtsbijstand is verleend aan een verdachte, een beklaagde of een gezochte persoon, kan het faciliteren van de continuïteit van de vertegenwoordiging in rechte een manier zijn om de doeltreffendheid en de kwaliteit te waarborgen. In dit verband dienen de lidstaten de continuïteit van de vertegenwoordiging in rechte gedurende de gehele strafprocedure, en ook, waar toepasselijk, bij procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, te faciliteren.

(26)

Er dient te worden voorzien in passende opleiding voor alle medewerkers die betrokken zijn bij de besluitvorming ten aanzien van rechtsbijstand in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel. De lidstaten moeten, onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en verschillen in gerechtelijke organisaties binnen de Unie, degenen die verantwoordelijk zijn voor de opleiding van rechters verzoeken te voorzien in een dergelijke opleiding voor rechtbanken en rechters die beslissen over het verlenen van rechtsbijstand.

(27)

Overeenkomstig het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht moeten de lidstaten passende en doeltreffende voorzieningen in rechte instellen voor het geval van schending van een recht dat door het Unierecht aan een persoon is toegekend. Een doeltreffende voorziening in rechte moet beschikbaar zijn ingeval het recht op rechtsbijstand ondermijnd is, de verlening van rechtsbijstand vertraagd is of geheel of gedeeltelijk geweigerd is.

(28)

Teneinde de doeltreffendheid van deze richtlijn te monitoren en te evalueren, dienen uit de beschikbare gegevens relevante gegevens te worden verzameld over de tenuitvoerlegging van de in deze richtlijn vervatte rechten. Dergelijke gegevens vermelden, waar mogelijk, het aantal verzoeken om rechtsbijstand in strafprocedures, alsook in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel waarbij de betrokken lidstaat als uitvaardigende of als uitvoerende lidstaat optreedt, het aantal gevallen waarin rechtsbijstand is verleend en het aantal gevallen waarin een verzoek om rechtsbijstand is afgewezen. Ook moeten, voor zover mogelijk, gegevens worden verzameld over de kosten van het verlenen van rechtsbijstand aan verdachten of beklaagden en aan gezochte personen.

(29)

Deze richtlijn dient van toepassing te zijn op verdachten, beklaagden en gezochte personen, ongeacht hun juridische status, burgerschap of nationaliteit. De lidstaten dienen de in deze richtlijn vastgestelde rechten te eerbiedigen en te waarborgen, zonder enige discriminatie op basis van ras, huidskleur, geslacht, seksuele geaardheid, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationaliteit, etnische of sociale herkomst, vermogen, handicap of geboorte. Deze richtlijn eerbiedigt de door het Handvest en het EVRM erkende grondrechten en beginselen, waaronder het verbod op foltering en onmenselijke of onterende behandeling, het recht op vrijheid en veiligheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op menselijke integriteit, de rechten van het kind, de integratie van mensen met een handicap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging. Deze richtlijn dient te worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

(30)

Deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften. De lidstaten moeten de in deze richtlijn voorziene rechten kunnen uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Dit hogere beschermingsniveau mag geen belemmering vormen voor wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen die door deze minimumvoorschriften moet worden bevorderd. Het door de lidstaten geboden beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die zijn neergelegd in het Handvest en in het EVRM, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie en het EHRM.

(31)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk te voorzien in gemeenschappelijke minimumnormen inzake het recht op rechtsbijstand voor verdachten, beklaagden en gezochte personen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(32)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten.

(33)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn voorziet in gemeenschappelijke minimumvoorschriften met betrekking tot het recht op rechtsbijstand voor:

a)

verdachten en beklaagden in strafprocedures, en

b)

personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584/JBZ loopt (gezochte personen).

2.   Deze richtlijn vormt een aanvulling op de Richtlijnen 2013/48/EU en (EU) 2016/800. Niets in de onderhavige richtlijn mag worden uitgelegd als een beperking van de in die richtlijnen neergelegde rechten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op verdachten en beklaagden in strafprocedures die recht op toegang tot een advocaat hebben uit hoofde van Richtlijn 2013/48/EU, en:

a)

van wie de vrijheid is ontnomen;

b)

die dienen te worden bijgestaan door een advocaat overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht, of

c)

van wie wordt verlangd of aan wie wordt toegestaan aanwezig te zijn bij een onderzoekshandeling of een handeling voor het vergaren van bewijsmateriaal, die ten minste het volgende omvat:

i)

meervoudige confrontaties;

ii)

confrontaties;

iii)

reconstructies van de plaats van een delict.

2.   Deze richtlijn is ook van toepassing, bij aanhouding in de uitvoerende lidstaat, op gezochte personen die recht hebben op toegang tot een advocaat uit hoofde van Richtlijn 2013/48/EU.

3.   Deze richtlijn is, onder dezelfde voorwaarden als genoemd in lid 1, ook van toepassing op personen die aanvankelijk geen verdachte of beklaagde waren, maar die in de loop van een verhoor door de politie of een andere rechtshandhavingsinstantie verdachte of beklaagde worden.

4.   Onverminderd het recht op een eerlijk proces is deze richtlijn, met betrekking tot lichte strafbare feiten:

a)

waarvoor krachtens de wet van een lidstaat een sanctie door een andere instantie dan een in strafzaken bevoegde rechter wordt opgelegd waartegen een rechtsmiddel bij een in strafzaken bevoegde rechter kan worden ingesteld, of

b)

waarvoor geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd,

alleen van toepassing op de procedures voor een in strafzaken bevoegde rechtbank.

In ieder geval is deze richtlijn van toepassing wanneer een beslissing inzake detentie wordt genomen en tijdens detentie, in elk stadium van de procedure tot de beëindiging van de procedure.

Artikel 3

Definitie

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder „rechtsbijstand” de financiering door een lidstaat van de bijstand van een advocaat, waardoor de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat mogelijk wordt gemaakt.

Artikel 4

Rechtsbijstand in strafprocedures

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om voor de bijstand van een advocaat te betalen, het recht op rechtsbijstand kunnen uitoefenen wanneer de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.

2.   De lidstaten kunnen een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide toepassen om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend overeenkomstig lid 1.

3.   Wanneer een lidstaat een draagkrachttoets toepast, houdt hij rekening met alle relevante en objectieve factoren, waaronder inkomen, vermogen en gezinssituatie van de betrokkene, alsook de kosten van de bijstand van een advocaat en de levensstandaard in die lidstaat, om overeenkomstig de in die lidstaat toepasselijke criteria te bepalen of een verdachte of een beklaagde onvoldoende middelen heeft om voor de bijstand van een advocaat te betalen.

4.   Wanneer een lidstaat een gegrondheidstoets toepast, houdt hij rekening met de ernst van het strafbaar feit, de complexiteit van de zaak en de ernst van de sanctie die op het spel staat, om te bepalen of de belangen van een behoorlijke rechtspleging eisen dat rechtsbijstand wordt verleend. In elk geval wordt er in de volgende situaties van uitgegaan dat is voldaan aan de gegrondheidstoets:

a)

wanneer een verdachte of een beklaagde voor een bevoegde rechtbank of rechter verschijnt met het oog op een beslissing over detentie in elk stadium van de procedures die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, en

b)

tijdens detentie.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat rechtsbijstand wordt verleend zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of vóór het verrichten van de in artikel 2, lid 1, onder c), genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal.

6.   Rechtsbijstand wordt alleen verleend in het kader van de strafrechtelijke procedure waarin de betrokkene ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd.

Artikel 5

Rechtsbijstand in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel

1.   De uitvoerende lidstaat zorgt ervoor dat gezochte personen recht op rechtsbijstand hebben vanaf de aanhouding uit hoofde van een Europees aanhoudingsbevel tot hun overlevering, of tot de beslissing inzake niet-overlevering definitief geworden is.

2.   De uitvaardigende lidstaat zorgt ervoor dat gezochte personen tegen wie een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel loopt met het oog op strafvervolging, en die hun recht uitoefenen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen om de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, overeenkomstig artikel 10, leden 4 en 5, van Richtlijn 2013/48/EU, recht op rechtsbijstand in de uitvaardigende lidstaat hebben met het oog op een dergelijke procedure in de uitvoerende lidstaat, voor zover rechtsbijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

3.   Het in de leden 1 en 2 genoemde recht op rechtsbijstand kan afhankelijk zijn van een draagkrachttoets overeenkomstig artikel 4, lid 3, dat van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 6

Beslissingen inzake het verlenen van rechtsbijstand

1.   Beslissingen inzake het al dan niet verlenen van rechtsbijstand en inzake de aanstelling van advocaten worden zonder onnodig uitstel door een bevoegde autoriteit genomen. De lidstaten nemen de passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteit haar beslissingen zorgvuldig en met eerbiediging van de rechten van de verdediging neemt.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan verdachten, beklaagden en gezochte personen schriftelijk wordt meegedeeld of hun verzoek om rechtsbijstand geheel of gedeeltelijk is afgewezen.

Artikel 7

Kwaliteit van rechtsbijstandsdiensten en opleiding

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen, ook wat betreft de financiering, om ervoor te zorgen dat:

a)

er een doeltreffend en voldoende kwaliteitsvol rechtsbijstandssysteem is, en

b)

de rechtsbijstandsdiensten van een zodanige kwaliteit zijn om het eerlijke verloop van de procedure op passende wijze te waarborgen, met behoorlijke inachtneming van de onafhankelijkheid van de advocatuur.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat wordt voorzien in een passende opleiding voor de medewerkers die betrokken zijn bij de besluitvorming ten aanzien van rechtsbijstand in strafprocedures en procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

3.   Met behoorlijke inachtneming van de onafhankelijkheid van de advocatuur en van de rol van diegenen die voor de opleiding van advocaten verantwoordelijk zijn, nemen de lidstaten passende maatregelen om het verstrekken van een passende opleiding aan advocaten die rechtsbijstandsdiensten verlenen, te bevorderen.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat verdachten, beklaagden en gezochte personen het recht hebben om op hun verzoek de aan hen toegewezen rechtsbijstandsadvocaat te laten vervangen, wanneer dit door de specifieke omstandigheden gerechtvaardigd is.

Artikel 8

Rechtsmiddelen

De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten, beklaagden en gezochte personen op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun uit deze richtlijn voortvloeiende rechten zijn geschonden.

Artikel 9

Kwetsbare personen

De lidstaten zorgen ervoor dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten, beklaagden en gezochte personen.

Artikel 10

Verstrekking van gegevens en verslaglegging

1.   De lidstaten zenden de Commissie uiterlijk 25 mei 2021 en vervolgens om de drie jaar, beschikbare gegevens toe over de wijze waarop de in deze richtlijn vastgestelde rechten ten uitvoer zijn gelegd.

2.   De Commissie brengt uiterlijk 25 mei 2022 en vervolgens om de drie jaar, aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn. In dit verslag beoordeelt de Commissie de toepassing van deze richtlijn op het gebied van het recht op rechtsbijstand in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

Artikel 11

Non-regressie

Geen enkele bepaling van deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die zijn vastgelegd in het Handvest, het EVRM, of andere relevante bepalingen van het internationaal recht of van het recht van een lidstaat die een hoger beschermingsniveau biedt.

Artikel 12

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 25 mei 2019 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt daarin of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De methoden voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de tekst van de nationaalrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 26 oktober 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

I. LESAY


(1)  PB C 226 van 16.7.2014, blz. 63.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 oktober 2016.

(3)  Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1).

(4)  Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.)

(5)  PB C 295 van 4.12.2009, blz. 1.

(6)  PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

(7)  Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1).

(9)  Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB L 65 van 11.3.2016, blz. 1).

(10)  Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1).


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1920 VAN DE COMMISSIE

van 19 oktober 2016

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Hånnlamb (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Zweden ingediende aanvraag tot registratie van de naam „Hånnlamb” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam „Hånnlamb” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam „Hånnlamb” (BOB) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.1. (Vers vlees (en verse slachtafval)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 oktober 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 239 van 1.7.2016, blz. 22.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1921 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2016

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier betreffende een in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen ingeschreven naam (Štajersko prekmursko bučno olje (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Slovenië ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding „Štajersko prekmursko bučno olje”, die bij Verordening (EU) nr. 901/2012 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam „Štajersko prekmursko bučno olje” (BGA) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 901/2012 van de Commissie van 2 oktober 2012 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Štajersko prekmursko bučno olje (BGA)) (PB L 268 van 3.10.2012, blz. 3).

(3)  PB C 225 van 22.6.2016, blz. 11.


4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1922 VAN DE COMMISSIE

van 20 oktober 2016

tot inschrijving van een naam in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Poularde du Périgord (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Frankrijk ingediende aanvraag tot registratie van de naam „Poularde du Périgord” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de naam „Poularde du Périgord” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam „Poularde du Périgord” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde naam wordt een product aangeduid van categorie 1.1. (Vers vlees (en verse slachtafval)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 oktober 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 228 van 24.6.2016, blz. 3.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1923 VAN DE COMMISSIE

van 24 oktober 2016

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Karp zatorski (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Polen ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Karp zatorski”, die bij Verordening (EU) nr. 485/2011 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam „Karp zatorski” (BOB) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 oktober 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 485/2011 van de Commissie van 18 mei 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Karp zatorski (BOB)) (PB L 133 van 20.5.2011, blz. 6).

(3)  PB C 225 van 22.6.2016, blz. 6.


4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1924 VAN DE COMMISSIE

van 3 november 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 november 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

104,9

ZZ

104,9

0707 00 05

TR

142,5

ZZ

142,5

0709 93 10

MA

91,2

TR

148,9

ZZ

120,1

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

PE

132,9

TR

74,7

ZZ

103,8

0805 50 10

AR

67,2

BR

79,0

CL

77,0

TR

87,7

ZA

65,7

ZZ

75,3

0806 10 10

BR

307,6

PE

304,9

TR

151,1

ZZ

254,5

0808 10 80

AR

260,6

AU

236,5

CL

139,2

NZ

145,3

ZA

126,7

ZZ

181,7

0808 30 90

TR

176,8

ZZ

176,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/16


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/1925 VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2016

tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/17 waarbij het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig Richtlijn 2002/53/EG van de Raad wordt gemachtigd om het in de handel brengen van een in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen vermeld hennepras op zijn grondgebied te verbieden

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 6860)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (1), en met name artikel 18,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om te voorkomen dat steun wordt verleend aan illegale teelten, bepaalt artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) dat de voor de productie van hennep gebruikte arealen slechts subsidiabel zijn indien het tetrahydrocannabinolgehalte (THC) van de gebruikte rassen maximaal 0,2 % bedraagt.

(2)

Artikel 45, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie (3) bepaalt dat, indien tijdens het tweede jaar het gemiddelde van alle monsters van een bepaald hennepras hoger ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximale THC-gehalte, de lidstaat een verzoek indient om te worden gemachtigd de handel in dit ras overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2002/53/EG te verbieden.

(3)

Op 28 april 2015 heeft de Commissie van het Verenigd Koninkrijk een verzoek ontvangen om machtiging voor een verbod op het in de handel brengen van het hennepras Finola, omdat het THC-gehalte van dit ras voor het tweede jaar op rij hoger lag dan het toegelaten gehalte van 0,2 %.

(4)

Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/17 (4) vastgesteld en het Verenigd Koninkrijk toegestaan op zijn grondgebied het in de handel brengen van dat hennepras te verbieden.

(5)

Op 15 maart 2016 heeft het Verenigd Koninkrijk de Commissie officieel meegedeeld dat na nader onderzoek van monsters van het hennepras Finola is vastgesteld dat het THC-gehalte voor 2014 niet hoger lag dan de drempel van 0,2 % zoals bepaald in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

(6)

In dit kader heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/17.

(7)

Dat uitvoeringsbesluit moet bijgevolg worden ingetrokken.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/17

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/17 wordt ingetrokken.

Artikel 2

Adressaat

Dit besluit is gericht tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2016.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 69).

(4)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/17 van de Commissie van 7 januari 2016 waarbij het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig Richtlijn 2002/53/EG van de Raad wordt gemachtigd om het in de handel brengen van een in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen vermeld hennepras op zijn grondgebied te verbieden (PB L 5 van 8.1.2016, blz. 7).


4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/18


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/1926 VAN DE COMMISSIE

van 3 november 2016

tot goedkeuring van het acculadende fotovoltaïsche dak als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 12, lid 4,

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie van 25 juli 2011 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2), en met name artikel 10, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De aanvraag die op 4 februari 2016 is ingediend door a2solar Advanced and Automotive Solar Systems GmbH („de aanvrager”) voor de goedkeuring van het acculadende fotovoltaïsche dak als eco-innovatie is beoordeeld overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 en de Technical Guidelines for the preparation of applications for the approval of innovative technologies pursuant to Regulation (EC) No 443/2009 (3).

(2)

Uit de in de aanvraag verstrekte informatie blijkt dat aan de in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009 en de in de artikelen 2 en 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 bedoelde voorwaarden en criteria is voldaan. Daarom moet het door de aanvrager voorgestelde acculadende fotovoltaïsche dak als innoverende technologie worden goedgekeurd.

(3)

Bij de Uitvoeringsbesluiten 2014/806/EU (4) en (EU) 2015/279 (5) heeft de Commissie twee aanvragen betreffende acculadende fotovoltaïsche daken goedgekeurd. Op basis van de opgedane ervaring bij de beoordeling van die aanvragen en de huidige aanvraag is bevredigend en overtuigend aangetoond dat een acculadend fotovoltaïsch dak voldoet aan de in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009 en in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 bedoelde goedkeuringscriteria, en ten opzichte van het basisvoertuig een emissiereductie van ten minste 1 g CO2/km oplevert. Daarom moet in algemene termen worden erkend, en overeenkomstig artikel 12, lid 4, van Verordening (EG) nr. 443/2009 worden geattesteerd, dat deze innoverende technologie de CO2-emissies vermindert en worden voorzien in een algemene testmethode voor de certificering van de CO2-besparingen.

(4)

Het is daarom passend fabrikanten de mogelijkheid te bieden om CO2-besparingen als gevolg van het gebruik van fotovoltaïsche daken die aan die voorwaarden voldoen, te certificeren. Teneinde te waarborgen dat alleen fotovoltaïsche daken die aan die voorwaarden voldoen, voor certificering worden voorgesteld, moet de fabrikant samen met de bij de typegoedkeuringsinstantie ingediende aanvraag voor certificering ook een verificatierapport overleggen van een onafhankelijke certificeringsinstantie waarin wordt bevestigd dat de component aan de in dit besluit vastgestelde voorwaarden voldoet.

(5)

Indien de typegoedkeuringsinstantie oordeelt dat het acculadende fotovoltaïsche dak niet aan de voorwaarden voor certificering voldoet, moet de aanvraag voor certificering van de besparingen worden afgewezen.

(6)

Het is passend de testmethode voor de bepaling van de CO2-besparingen door het gebruik van acculadende fotovoltaïsche daken goed te keuren.

(7)

Om te bepalen hoeveel CO2-besparingen een acculadend fotovoltaïsch dak oplevert, moet overeenkomstig de artikelen 5 en 8 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 het basisvoertuig worden gedefinieerd waarmee de doelmatigheid van het met de innoverende technologie uitgeruste voertuig moet worden vergeleken. De Commissie is van oordeel dat het basisvoertuig een variant moet zijn die in alle opzichten identiek is aan het eco-innovatievoertuig met uitzondering van het fotovoltaïsche dak en, indien van toepassing, zonder de extra accu en andere apparaten die specifiek voor de omzetting van zonne-energie in elektriciteit en de opslag ervan nodig zijn.

(8)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 moet worden aangetoond dat het acculadende fotovoltaïsche dak onlosmakelijk met de efficiënte werking van het voertuig verbonden is. Dit betekent dat de energie die met het fotovoltaïsche dak wordt opgewekt bijvoorbeeld niet uitsluitend bestemd mag zijn voor een comfortverhogende voorziening.

(9)

Teneinde een bredere verspreiding van acculadende fotovoltaïsche daken in nieuwe voertuigen te vergemakkelijken, moeten fabrikanten ook de mogelijkheid krijgen om met een enkele certificeringsaanvraag de certificering van de CO2-besparingen door meerdere fotovoltaïsche systemen aan te vragen. Het is echter passend te waarborgen dat wanneer van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, een mechanisme wordt toegepast waarmee alleen de inzet van de efficiëntste fotovoltaïsche daksystemen wordt gestimuleerd.

(10)

Om de algemene eco-innovatiecode vast te stellen die overeenkomstig de bijlagen I, VIII en IX bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumenten moet worden vermeld, moet voor de innoverende technologie de individuele code worden gespecificeerd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring

Het acculadende fotovoltaïsche dak zoals beschreven in de aanvraag van a2solar Advanced and Automotive Solar Systems GmbH wordt goedgekeurd als innoverende technologie in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009.

Artikel 2

Aanvraag voor certificering van CO2-besparingen

1.   De fabrikant kan certificering aanvragen van de CO2-besparing die wordt bereikt met een acculadend fotovoltaïsch-daksysteem voor gebruik in conventionele door een verbrandingsmotor aangedreven voertuigen van categorie M1 dat alle volgende elementen omvat:

a)

een fotovoltaïsch dak;

b)

een voorziening die nodig is voor de omzetting van zonne-energie in elektriciteit en de opslag ervan;

c)

een daarvoor bestemde opslagcapaciteit.

2.   De totale massa van de onderdelen wordt gecontroleerd en bevestigd in een verslag van een onafhankelijke en gecertificeerde instantie.

Artikel 3

Certificering van CO2-besparingen

1.   De CO2-emissiereductie die wordt bereikt met fotovoltaïsche daksystemen zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, wordt bepaald volgens de in de bijlage beschreven methode.

2.   Wanneer een fabrikant certificering van de CO2-besparing aanvraagt voor meer dan één acculadend fotovoltaïsch daksysteem met betrekking tot één voertuigversie, bepaalt de typegoedkeuringsinstantie welk van de geteste daken de geringste CO2-besparing oplevert, en vermeldt zij de laagste waarde in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumentatie. Die waarde wordt overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 in het certificaat van overeenstemming vermeld.

Artikel 4

Eco-innovatiecode

De eco-innovatiecode 21 wordt vermeld in de typegoedkeuringsdocumentatie wanneer overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 naar dit besluit wordt verwezen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 3 november 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.

(2)  PB L 194 van 26.7.2011, blz. 19.

(3)  https://circabc.europa.eu/w/browse/f3927eae-29f8-4950-b3b3-d2e700598b52

(4)  Uitvoeringsbesluit 2014/806/EU van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de goedkeuring van het acculadende Webasto-zonnedak als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 332 van 19.11.2014, blz. 34).

(5)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/279 van de Commissie van 19 februari 2015 betreffende de goedkeuring van het acculadende Asola-zonnedak als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's in de zin van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 47 van 20.2.2015, blz. 26).

(6)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).


BIJLAGE

METHODE OM DE CO2-BESPARINGEN VAN ACCULADENDE FOTOVOLTAÏSCHE DAKEN TE BEPALEN

1.   INLEIDING

Om te bepalen welke CO2-emissiereducties kunnen worden toegeschreven aan het gebruik van een acculadend fotovoltaïsch dak (hierna: „PV-dak”) voor gebruik in een voertuig van categorie M1, moet het volgende worden vastgesteld:

(1)

testomstandigheden;

(2)

testapparatuur;

(3)

bepaling van het piekvermogen;

(4)

berekening van de CO2-besparing;

(5)

berekening van de statistische marge van de CO2-besparing.

2.   SYMBOLEN, PARAMETERS EN EENHEDEN

Latijnse symbolen

Formula

CO2-besparingen [g CO2/km]

CO2

Koolstofdioxide

CF

Omrekeningsfactor (l/100 km — (g CO2/km) [gCO2/l] zoals gedefinieerd in tabel 3

M

Gemiddelde jaarlijks afgelegde afstand [km/jaar] zoals gedefinieerd in tabel 4

Formula

Gemeten gemiddeld piekvermogen van het PV-dak [W]

n

Aantal metingen van het piekvermogen van het PV-dak, te weten ten minste 5

SCC

Zonnecorrectiecoëfficiënt [-] zoals gedefinieerd in tabel 1.

Formula

Statistische marge van de totale CO2-besparingen [g CO2/km]

SIR

Jaarlijkse Europese gemiddelde zoninstraling [W/m2], te weten 120 W/m2

SIR_STC

Totale instraling bij standaardtestomstandigheden [W/m2], te weten 1 000 W/m2

Formula

Standaardafwijking van het rekenkundig gemiddelde van het piekvermogen van het PV-dak [W]

UFIR

Gebruiksfactor (beschaduwingseffect), te weten 0,51

VPe

Verbruik van effectief vermogen [l/kWh] zoals gedefinieerd in tabel 2

Image

Gevoeligheid van de berekende CO2-besparingen in relatie tot het gemiddeld piekvermogen van het PV-dak [W]

Griekse symbolen

ΔCO2m

De CO2-correctiecoëfficiënt vanwege de extra massa van het zonnesysteem [g CO2/km] zoals gedefinieerd in tabel 5

Δm

Extra massa als gevolg van de installatie van het zonnesysteem [kg]

ηA

Efficiëntie van de alternator [%], te weten 67 %

ηSS

Efficiëntie van het zonnesysteem [%], te weten 76 %

Φ

Langshelling van het zonnepaneel [°];

Indices

Index (i) verwijst naar de meting van het piekvermogen van het PV-dak

3.   METINGEN EN BEPALING VAN HET PIEKVERMOGEN

Het gemeten gemiddelde piekvermogen Formula van het PV-dak moet voor elke voertuigvariant experimenteel worden bepaald. De voorafgaande stabiliseringvan de geteste voorziening moet gebeuren overeenkomstig de in de internationale norm IEC 61215-2:2016 gespecificeerde testmethode (1). De metingen van het piekvermogen moeten worden verricht in normale testomstandigheden als gedefinieerd in de internationale norm IEC/TS 61836: 2007 (2).

Er moet een gedemonteerd compleet PV-dak worden gebruikt. De vier hoekpunten van het paneel moeten contact maken met het meetvlak.

De metingen van het piekvermogen moeten ten minste vijf maal worden verricht en het rekenkundig gemiddelde (Formula) moet worden berekend.

4.   BEREKENING VAN DE CO2-BESPARINGEN

De CO2-besparingen van het PV-dak moeten worden berekend aan de hand van formule 1 (3).

Formule 1

Formula

waarbij:

Formula

:

CO2-besparingen [g CO2/km]

SIR

:

Jaarlijkse Europese gemiddelde zoninstraling [W/m2], te weten 120 W/m2

UFIR

:

Gebruiksfactor (beschaduwingseffect) [-], te weten 0,51

ηSS

:

Efficiëntie van het fotovoltaïsche systeem [%], te weten 76 %.

Formula

:

Gemeten gemiddeld piekvermogen van het PV-dak [W]

SIR_STC

:

Totale instraling bij standaardtestomstandigheden [W/m2], te weten 1 000 W/m2

SCC

:

Zonnecorrectiecoëfficiënt [-] zoals gedefinieerd in tabel 1. De totale beschikbare opslagcapaciteit van het accusysteem of de waarde van het zonnecorrectiecoëfficiëntie moet door de voertuigfabrikant worden verstrekt.

Tabel 1

Zonnecorrectiecoëfficiënt

Totale beschikbare opslagcapaciteit van (12 V) accusysteem/gemiddeld piekvermogen van het PV-dak [Ah/W] (4)

0,10

0,20

0,30

0,40

0,50

0,60

> 0,666

Zonnecorrectiecoëfficiënt (SCC)

0,481

0,656

0,784

0,873

0,934

0,977

1

VPe

:

Verbruik van effectief vermogen [l/kWh] zoals gedefinieerd in tabel 2

Tabel 2

Verbruik van effectief vermogen

Motortype

Verbruik van effectief vermogen (VPe)

[l/kWh]

Benzine

0,264

Benzine turbo

0,280

Diesel

0,220

ηA

:

Efficiëntie van de alternator [%], te weten 67 %.

CF

:

Omrekeningsfactor (l/100 km — (g CO2/km) [g CO2/l] zoals gedefinieerd in tabel 3

Tabel 3

Omrekeningsfactor voor brandstof

Brandstoftype

Omrekeningsfactor (l/100 km) — (g CO2/km) (CF)

[gCO2/l]

Benzine

2 330

Diesel

2 640

M

:

Gemiddelde jaarlijks afgelegde afstand [km/jaar] zoals gedefinieerd in tabel 4

Tabel 4

Gemiddelde jaarlijks afgelegde afstand voor voertuigen van categorie M1

Brandstoftype

Gemiddelde jaarlijks afgelegde afstand [km/jaar]

Benzine

12 700

Diesel

17 000

Φ

:

Langshelling van het zonnepaneel [°]. Deze waarde moet door de voertuigfabrikant worden verstrekt

ΔCO2m

:

CO2-correctiecoëfficiënt vanwege de extra massa van het PV-dak en, indien van toepassing, de extra accu en andere apparaten die specifiek voor de omzetting van zonne-energie in elektriciteit en de opslag ervan nodig zijn [g CO2/km] zoals gedefinieerd in tabel 5.

Tabel 5

CO2-correctiecoëfficiënt vanwege de extra massa

Brandstoftype

CO2-correctiecoëfficiënt vanwege de extra massa (ΔCO2m)

[g CO2/km]

Benzine

0,0277 · Δm

Diesel

0,0383 · Δm

In tabel 5 is Δm de extra massa in verband met de installatie van het fotovoltaïsche systeem, bestaande uit het PV-dak en, indien van toepassing, de extra accu en andere apparaten die specifiek voor de omzetting van zonne-energie in elektriciteit en de opslag ervan nodig zijn.

Met name is Δm het positieve verschil tussen de massa van het fotovoltaïsche systeem en de massa van een standaard stalen dak. De massa van een standaard stalen dak wordt verondersteld 12 kg te bedragen. Als het gewicht van het PV-systeem minder dan 12 kg bedraagt, hoeft geen correctie voor de verandering in massa te worden toegepast.

5.   BEREKENING VAN DE STATISTISCHE MARGE

De standaardafwijking van het rekenkundig gemiddelde van het piekvermogen moet worden berekend aan de hand van formule 2.

Formule 2

Formula

waarbij:

Formula

:

Standaardafwijking van het rekenkundig gemiddelde van het piekvermogen [W]

Formula

:

Meetwaarde van het piekvermogen [W]

Formula

:

Rekenkundig gemiddelde van het piekvermogen [W]

n

:

Aantal metingen van het piekvermogen, te weten ten minste 5

De standaardafwijking van het rekenkundig gemiddelde van het piekvermogen van het PV-dak leidt tot een statistische marge in de CO2-besparingen Formula. Deze waarde wordt berekend met formule 3:

Formule 3

Image

6.   STATISTISCHE SIGNIFICANTIE

Voor elk type, elke variant en elke versie van een voertuig dat is uitgerust met het acculadende PV-dak moet worden aangetoond dat de minimumdrempel van 1 gCO2/km op statistisch significante wijze wordt overschreden, als vastgesteld in artikel 9, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011. Bijgevolg moet formule 4 worden gebruikt.

Formule 4

Formula

waarbij:

MT

:

Minimumdrempel [g CO2/km], te weten 1 g CO2/km.

Formula

:

Statistische marge van de totale CO2-besparingen [g CO2/km]

Wanneer de CO2-emissiebesparingen met de berekening volgens formule 4 onder de in artikel 9, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 vermelde drempelwaarde blijven, is artikel 11, lid 2, tweede alinea, van die verordening, van toepassing.


(1)  De Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC): IEC 61215-2:2016 standard for „Terrestrial photovoltaic (PV) modules — Design qualification and type approval”.

(2)  De Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC): IEC 61836-2007 standard for „Solar photovoltaic energy systems — Terms, definitions and symbols”.

(3)  Technical Guidelines for the preparation of applications for the approval of innovative technologies pursuant to Regulation (EC) No 443/2009 and Regulation (EU) No 510/2011. https://circabc.europa.eu/sd/a/bbf05038-a907-4298-83ee-3d6cce3b4231/Technical%20Guidelines%20October%202015.pdf

(4)  De totale opslagcapaciteit omvat een gemiddelde bruikbare opslagcapaciteit van de startaccu van 10 Ah (12 V) Alle waarden hebben betrekking op een jaarlijkse gemiddelde zoninstraling van 120 W/m2, een beschaduwingsaandeel van 0,49 en een gemiddelde voertuigrijtijd van 1 uur per dag bij een vereist elektrisch vermogen van 750 W.


Rectificaties

4.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/25


Rectificatie van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad

( Publicatieblad van de Europese Unie L 248 van 18 september 2013 )

Bladzijde 13, artikel 15, lid 1, vijfde alinea:

in plaats van:

„Het Comité van toezicht kan het Bureau in terdege gemotiveerde gevallen om aanvullende informatie betreffende onderzoeken verzoeken, maar mogen geen inmenging in de verrichting van lopende onderzoeken vormen.”,

lezen:

„Het Comité van toezicht kan het Bureau in terdege gemotiveerde gevallen verzoeken om aanvullende informatie betreffende onderzoeken, waaronder rapporten en aanbevelingen over afgesloten onderzoeken, zonder zich te mengen in de wijze waarop lopende onderzoeken worden verricht.”.