ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 255

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
21 september 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2016/1686 van de Raad van 20 september 2016 tot vaststelling van bijkomende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da'esh) en Al Qaida en daarmee verbonden natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten of lichamen

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1687 van de Raad van 20 september 2016 tot uitvoering van artikel 21, lid 2, van Verordening (EU) 2016/44 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië

12

 

*

Verordening (EU) 2016/1688 van de Commissie van 20 september 2016 tot wijziging van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft huidsensibilisering ( 1 )

14

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1689 van de Commissie van 20 september 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

17

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1690 van de Commissie van 20 september 2016 tot bepaling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 vastgestelde hoeveelheid in het kader van de tariefcontingenten die in de sector varkensvlees zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 442/2009

19

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1691 van de Commissie van 20 september 2016 tot vaststelling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 bepaalde hoeveelheid in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 536/2007 geopende tariefcontingent voor vlees van pluimvee van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

21

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1692 van de Commissie van 20 september 2016 tot vaststelling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 bepaalde hoeveelheden in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 539/2007 voor de sector eieren en ovoalbumine geopende tariefcontingenten

23

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (GBVB) 2016/1693 van de Raad van 20 september 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da'esh) en Al Qaida en daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB

25

 

*

Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2016/1694 van de Raad van 20 september 2016 tot uitvoering van Besluit (GBVB) 2015/1333 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië

33

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/1


VERORDENING (EU) 2016/1686 VAN DE RAAD

van 20 september 2016

tot vaststelling van bijkomende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da'esh) en Al Qaida en daarmee verbonden natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten of lichamen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,

Gezien Besluit (GBVB) 2016/1693 van de Raad van 20 september 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da'esh) en Al Qaida en daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB (1),

Gezien het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna de „VN-Veiligheidsraad” genoemd) heeft de bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid die uitgaat van Al Qaida en ISIS (Da'esh), aangepakt via de goedkeuring van de Resoluties 1267 (1999), 1333 (2000), 1390 (2002) en 2253 (2015).

(2)

Aan die resoluties werd in het Unierecht uitvoering gegeven met Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB (2) betreffende beperkende maatregelen tegen de leden van de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida en andere daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, en met Verordening (EG) nr. 881/2002 (3).

(3)

Op 20 september 2016 stelde de Raad Besluit (GBVB) 2016/1693 vast waarbij Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB wordt ingetrokken en vervangen.

(4)

Aangezien dat besluit bijkomende maatregelen bevat die de Raad heeft vastgesteld om de strijd op te voeren tegen de internationale terroristische dreiging die uitgaat van Al Qaida en ISIS (Da'esh), overeenkomstig de door de VN-Veiligheidsraad gegeven opdracht, wordt een bevriezing van tegoeden ingesteld tegen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die beantwoorden aan de criteria. Regelgeving is noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging ervan, met name om te garanderen dat zij door de marktdeelnemers in alle lidstaten uniform worden toegepast.

(5)

Deze verordening moet worden toegepast met inachtneming van de rechten en de beginselen die zijn erkend met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meer bepaald het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het recht op eigendom en het recht op de bescherming van persoonsgegevens.

(6)

Gelet op de specifieke bedreiging voor de internationale vrede die uitgaat van ISIS (Da'esh) en Al Qaida en om de samenhang te waarborgen met de wijzigings- en herzieningsprocedure voor de bijlage bij Besluit (GBVB) 2016/1693, moet de bevoegdheid om de lijst in bijlage I bij deze verordening te wijzigen door de Raad worden uitgeoefend.

(7)

Met het oog op de tenuitvoerlegging van deze verordening en op een zo groot mogelijke rechtszekerheid binnen de Unie dienen de namen en andere relevante gegevens over de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen wiens, respectievelijk welks tegoeden en economische middelen krachtens de verordening moeten worden bevroren, openbaar te worden gemaakt. De verwerking van persoonsgegevens krachtens deze verordening moet verlopen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4) en Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (5).

(8)

De lidstaten en de Commissie dienen elkaar in kennis te stellen van de maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, alsmede van andere relevante informatie waarover zij in verband met deze verordening beschikken.

(9)

De lidstaten dienen regels vast te stellen voor sancties in geval van overtreding van de bepalingen van deze verordening en zij dienen ervoor te zorgen dat die daadwerkelijk worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(10)

Om de doeltreffendheid van de in deze verordening vastgestelde maatregelen te garanderen, dient deze verordening onmiddellijk in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „tegoeden”: financiële activa en economische voordelen van enigerlei aard, inclusief, maar niet noodzakelijkerwijs beperkt tot contanten, cheques, geldvorderingen, wissels, postwissels en andere betalingsbewijzen; deposito's bij financiële instellingen of andere entiteiten, saldi op rekeningen, schulden en schuldbewijzen; in het openbaar en onderhands verhandelde waardepapieren en schuldbewijzen, inclusief aandelen, certificaten van waardepapieren, obligaties, promesses, warrants, schuldbekentenissen,derivatencontracten; rente, dividend of andere inkomsten uit of waarde voortkomende uit of gegenereerd door activa; krediet, recht op compensatie, garanties, uitvoeringsgaranties of andere financiële verplichtingen; kredietbrieven, cognossementen, koopbrieven; bewijsstukken van een belang in fondsen of financiële middelen en ieder ander exportfinancieringsbewijs;

b)   „economische middelen”: activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die geen tegoeden zijn maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen;

c)   „bevriezing van tegoeden”: het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van, toegang verschaffen tot of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt;

d)   „bevriezing van economische middelen”: voorkomen dat economische middelen worden gebruikt om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren;

e)   „bevoegde autoriteiten”: de bevoegde autoriteiten van de lidstaten als in bijlage II vermeld;

f)   „vordering”: een vordering van vóór of na de datum waarop een persoon, entiteit of lichaam op de lijst in bijlage I is geplaatst, ook wanneer deze de vorm van een rechtsvordering heeft, die voortvloeit uit of verband houdt met de uitvoering van een contract of transactie, en met name:

i)

een vordering tot nakoming van een verplichting die voortvloeit uit of verband houdt met een contract of transactie;

ii)

een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm;

iii)

een vordering tot schadeloosstelling in verband met een contract of een transactie;

iv)

een tegenvordering;

v)

een vordering, ook via een exequatur, waarmee wordt beoogd erkenning of uitvoering van een rechterlijke of arbitrale uitspraak of van een gelijkwaardige beslissing te verkrijgen, ongeacht de plaats van uitspraak.

Artikel 2

1.   Alle tegoeden en economische middelen die direct of indirect, ook via een derde die namens hen of op hun aanwijzing handelt, aan in bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen toebehoren, of die hun eigendom zijn, in hun bezit zijn of onder hun zeggenschap staan, worden bevroren.

2.   Er worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van in bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

Artikel 3

1.   Bijlage I omvat natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen die overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Besluit (GBVB) 2016/1693 door de Raad zijn geïdentificeerd als:

a)

verbonden met ISIS (Da'esh) en Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, onder meer op volgende wijzen:

i)

deelnemen aan de financiering van ISIS (Da'esh) en Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of van handelingen of activiteiten van, in samenhang met, uit naam van, namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh) en Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

ii)

deelnemen aan de planning, facilitering, voorbereiding of uitvoering van handelingen of activiteiten of het verstrekken of ontvangen van een terroristische opleiding, zoals instructie in verband met wapens, explosieven of andere methoden of technologieën met het doel terroristische handelingen te plegen door, in samenhang met, uit naam van, namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh) en Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

iii)

handel drijven met ISIS (Da'esh) en Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, in het bijzonder handel in aardolie, aardolieproducten, modulaire raffinaderijen en daarmee verband houdende materialen, en handel in andere natuurlijke hulpbronnen en cultuurgoederen;

iv)

leveren, verkopen of overdragen van wapens of daarmee verband houdend materieel aan ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

b)

de Unie verlaten of trachten te verlaten met het oog op:

i)

de planning, voorbereiding of uitvoering van, of de deelname aan, terroristische handelingen namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of

ii)

het verstrekken of ontvangen van een terroristische opleiding namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of

iii)

op andere wijze steunen van ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

c)

de Unie trachten binnen te komen met dezelfde doeleinden als beschreven onder b), of om deel te nemen aan handelingen of activiteiten in samenhang met, uit naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

d)

werven voor of op andere wijze handelingen of activiteiten van ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, steunen, onder meer op de volgende wijzen:

i)

op enigerlei wijze, direct of indirect, verstrekken of verzamelen van financiële middelen met het oog op de financiering van reizen van personen voor de onder b) en c) beschreven doeleinden; organiseren of anderszins faciliteren van reizen van personen voor de onder b) en c) beschreven doeleinden;

ii)

benaderen van een andere persoon om deel te nemen aan handelingen of activiteiten van, in samenhang met, uit naam van, namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

e)

aanzetten of publiek ophitsen tot het plegen van handelingen of activiteiten door, in samenhang met, uit naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, daaronder begrepen het verheerlijken van dergelijke handelingen en activiteiten waardoor het gevaar ontstaat dat terroristische handelingen worden gepleegd;

f)

betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen of het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten, waaronder ontvoering, verkrachting, seksueel geweld, gedwongen huwelijk en het in slavernij brengen van personen, buiten het grondgebied van de Unie, uit naam van of namens ISIS (Da'esh), Al Qaida, of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan.

2.   Bijlage I bevat, indien beschikbaar, informatie die nodig is om de betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen te identificeren. Met betrekking tot natuurlijke personen kan die informatie bestaan uit namen, inclusief schuilnamen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres (indien bekend) en functie of beroep. Met betrekking tot rechtspersonen, entiteiten en lichamen kan die informatie bestaan uit namen, plaats en datum van registratie, registratienummer en plaats van vestiging.

Artikel 4

1.   Wanneer de Raad besluit een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam te onderwerpen aan de in de artikelen 2 en 9 bedoelde maatregelen, wijzigt het bijlage I dienovereenkomstig.

2.   De Raad stelt de in lid 1 bedoelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in kennis van zijn besluit, met inbegrip van de motivering voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij door een kennisgeving te publiceren, zodat de betrokkene daarover opmerkingen kan indienen.

3.   Indien er opmerkingen worden ingediend of belangrijk nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, heroverweegt de Raad zijn besluit en brengt hij de persoon, entiteit of het lichaam daarvan op de hoogte

4.   De lijst in bijlage I wordt met regelmatige tussenpozen, en ten minste om de twaalf maanden, opnieuw bezien.

Artikel 5

In afwijking van artikel 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, op de door hen passend geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

a)

noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

b)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

c)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor slechts het aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen, of

d)

noodzakelijk zijn voor uitzonderlijke uitgaven.

Artikel 6

In afwijking van artikel 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een arbitrale beslissing die is gegeven vóór de datum waarop de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de entiteit of het lichaam op de lijst in bijlage I werd geplaatst, of van een gerechtelijke of administratieve beslissing die in de Unie is gegeven, of van een rechterlijke beslissing die in de betrokken lidstaat uitvoerbaar is, voor, op of na die datum;

b)

de tegoeden of economische middelen worden uitsluitend benut om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijke beslissing zijn gewaarborgd of geldig zijn verklaard, binnen de grenzen gesteld door de toepasselijke wet- en regelgeving betreffende de rechten van titularissen van dergelijke vorderingen;

c)

de beslissing komt niet ten goede aan een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam;

d)

de erkenning van de beslissing is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

Artikel 7

In afwijking van artikel 2 en mits een betaling verschuldigd is door in bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen op grond van een contract of overeenkomst dat of die door hen is gesloten of een verplichting die voor hen is ontstaan vóór de datum waarop zij in bijlage I werden opgenomen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, op door hen passend geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat:

a)

de tegoeden of economische middelen worden gebruikt voor een betaling door een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam, en

b)

de betaling niet in strijd is met artikel 2, lid 2.

Artikel 8

Artikel 2, lid 2, vormt geen belemmering voor de creditering van bevroren rekeningen door financiële instellingen of kredietinstellingen in de Unie, op voorwaarde dat de bijgeboekte bedragen eveneens worden bevroren. De financiële instelling of kredietinstelling brengt de bevoegde autoriteiten onverwijld op de hoogte van dergelijke verrichtingen.

Artikel 9

Er geldt een verbod op:

a)

het verlenen van technische bijstand, tussenhandeldiensten en andere diensten met betrekking tot militaire activiteiten, en de levering, de fabricage, het onderhoud of het gebruik van goederen en technologie die vallen onder de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (6), met inbegrip van wapens en munitie, militaire voertuigen en uitrusting, paramilitaire uitrusting en onderdelen daarvoor, direct of indirect, aan in bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen;

b)

het verstrekken van financieringsmiddelen of financiële bijstand in verband met militaire activiteiten, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekering, alsook verzekeringen en herverzekeringen, voor de verkoop, de levering, de overdracht of de uitvoer van wapens en aanverwant materieel, of voor het verlenen van daaraan gerelateerde technische bijstand, tussenhandeldiensten en andere diensten, direct of indirect, aan in bijlage I vermelde personen, entiteiten of lichamen.

Artikel 10

1.   Onverminderd de geldende regels inzake rapportage, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim en artikel 337 van het Verdrag dienen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen:

a)

alle informatie die de naleving van deze verordening kan vergemakkelijken, bijvoorbeeld informatie over tegoeden of economische middelen die in het bezit zijn van of onder zeggenschap staan van een derde partij die namens op aanwijzing van in bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen handelt, of informatie over rekeningen en bedragen die overeenkomstig artikel 2 zijn bevroren, onmiddellijk te verstrekken aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar zij hun woonplaats hebben of gevestigd zijn en, rechtstreeks of via die bevoegde autoriteiten, aan de Commissie te doen toekomen;

b)

samen te werken met de bevoegde autoriteiten bij de verificatie van deze informatie.

2.   Overeenkomstig dit artikel verstrekte en ontvangen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor de doeleinden waarvoor de informatie is verstrekt of ontvangen.

3.   Alle rechtstreeks door de Commissie ontvangen aanvullende informatie wordt ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten.

Artikel 11

1.   Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben dat de verbodsbepalingen van deze verordening worden omzeild.

2.   Alle informatie waaruit blijkt dat de bepalingen van deze verordening worden of werden omzeild, dient ter kennis te worden gebracht van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en, rechtstreeks of via deze bevoegde autoriteiten, van de Commissie.

Artikel 12

1.   De bevriezing van tegoeden en economische middelen of de weigering overeenkomstig artikel 2 tegoeden of economische middelen beschikbaar te stellen, in het vertrouwen dat die maatregel in overeenstemming is met deze verordening, mag geen aanleiding geven tot enigerlei aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de entiteit of het lichaam die deze bepalingen implementeert, of van de directeuren of werknemers daarvan, tenzij het bewijs wordt geleverd dat de tegoeden en economische middelen als gevolg van nalatigheid zijn bevroren of ingehouden.

2.   Acties van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen geven geen aanleiding tot aansprakelijkheid van deze natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, indien zij niet wisten en niet redelijkerwijs konden vermoeden dat hun acties een inbreuk zouden vormen op de maatregelen in deze verordening.

Artikel 13

Geen enkele schadeloosstelling of soortgelijke vergoeding, bijvoorbeeld op grond van schuldvergelijking of van een garantie, in verband met een overeenkomst of transactie waarvan de uitvoering, al dan niet rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, werd belemmerd door maatregelen krachtens deze verordening, wordt toegekend aan de in bijlage I vermelde personen of entiteiten, noch aan enige persoon of entiteit die namens of ten behoeve van een vermelde persoon of entiteit optreedt.

Artikel 14

1.   De Commissie en de lidstaten brengen elkaar onverwijld op de hoogte van de krachtens deze verordening getroffen maatregelen en wisselen onderling alle beschikbare relevante informatie uit, met name betreffende:

a)

krachtens artikel 2 bevroren tegoeden en krachtens de artikelen 5, 6 en 7 verleende toestemmingen;

b)

inbreuken op en handhavingsproblemen met betrekking tot deze verordening en uitspraken van nationale rechtbanken.

2.   De lidstaten brengen elkaar en de Commissie onverwijld op de hoogte van alle andere relevante informatie waarover zij beschikken en die van invloed kan zijn op de tenuitvoerlegging van deze verordening.

Artikel 15

1.   De lidstaten stellen de voorschriften vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat zij ten uitvoer worden gelegd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten brengen de Commissie na de inwerkingtreding van deze verordening onverwijld op de hoogte van de in lid 1 bedoelde voorschriften, alsook van latere wijzigingen.

Artikel 16

1.   De lidstaten wijzen de in deze verordening bedoelde bevoegde autoriteiten aan en identificeren deze op de in bijlage II vermelde websites. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke wijziging van het adres van de in bijlage II genoemde websites.

2.   De lidstaten delen de Commissie na de inwerkingtreding van deze verordening onverwijld mee wie hun bevoegde autoriteiten zijn en hoe contact met hen kan worden opgenomen, en delen haar alle latere wijzigingen mee.

3.   Wanneer in deze verordening een meldingsplicht is vastgesteld, of een verplichting om de Commissie te informeren of op een andere wijze met haar te communiceren, wordt daartoe gebruikgemaakt van het adres en de andere contactgegevens die zijn vermeld in bijlage II.

Artikel 17

De Commissie wordt gemachtigd bijlage II te wijzigen op basis van door de lidstaten verstrekte informatie.

Artikel 18

Deze verordening is van toepassing:

a)

op het grondgebied van de Unie, met inbegrip van haar luchtruim;

b)

aan boord van vlieg- of vaartuigen die onder de rechtsbevoegdheid van een lidstaat vallen;

c)

op alle zich op of buiten het grondgebied van de Unie bevindende natuurlijke personen die onderdaan van een lidstaat zijn;

d)

op alle volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersonen, entiteiten of lichamen, binnen of buiten het grondgebied van de Unie;

e)

op alle rechtspersonen, entiteiten of lichamen ten aanzien van alle geheel of gedeeltelijk binnen de Unie verrichte zakelijke transacties.

Artikel 19

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

I. KORČOK


(1)  Zie bladzijde 25 van dit Publicatieblad.

(2)  Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB van de Raad van 27 mei 2002 betreffende beperkende maatregelen tegen de leden van de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida en andere daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten (PB L 139 van 29.5.2002, blz. 4).

(3)  Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida (PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9).

(4)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(5)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31). Richtlijn 95/46/EG wordt vervangen door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(6)  Recentste versie bekendgemaakt in PB C 122 van 6.4.2016, blz. 1.


BIJLAGE I

Lijst van personen, entiteiten en lichamen, bedoeld in artikel 3


BIJLAGE II

Websites voor informatie over de bevoegde autoriteiten en adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie

BELGIË

http://www.diplomatie.be/eusanctions

BULGARIJE

http://www.mfa.bg/en/pages/135/index.html

TSJECHIË

http://www.mfcr.cz/mezinarodnisankce

DENEMARKEN

http://um.dk/da/politik-og-diplomati/retsorden/sanktioner/

DUITSLAND

http://www.bmwi.de/DE/Themen/Aussenwirtschaft/aussenwirtschaftsrecht,did=404888.html

ESTLAND

http://www.vm.ee/est/kat_622/

IERLAND

http://www.dfa.ie/home/index.aspx?id=28519

GRIEKENLAND

http://www.mfa.gr/en/foreign-policy/global-issues/international-sanctions.html

SPANJE

http://www.exteriores.gob.es/Portal/es/PoliticaExteriorCooperacion/GlobalizacionOportunidadesRiesgos/Documents/ORGANISMOS%20COMPETENTES%20SANCIONES%20INTERNACIONALES.pdf

FRANKRIJK

http://www.diplomatie.gouv.fr/autorites-sanctions/

KROATIË

http://www.mvep.hr/sankcije

ITALIË

http://www.esteri.it/MAE/IT/Politica_Europea/Deroghe.htm

CΥΡRUS

http://www.mfa.gov.cy/sanctions

LETLAND

http://www.mfa.gov.lv/en/security/4539

LITOUWEN

http://www.urm.lt/sanctions

LUXEMBURG

http://www.mae.lu/sanctions

HONGARIJE

http://www.kulugyminiszterium.hu/kum/hu/bal/Kulpolitikank/nemzetkozi_szankciok/

MALTA

http://www.doi.gov.mt/EN/bodies/boards/sanctions_monitoring.asp

NEDERLAND

www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/internationale-vrede-en-veiligheid/sancties

OOSTENRIJK

http://www.bmeia.gv.at/view.php3?f_id=12750&LNG=en&version=

POLEN

http://www.msz.gov.pl

PORTUGAL

http://www.portugal.gov.pt/pt/os-ministerios/ministerio-dos-negocios-estrangeiros/quero-saber-mais/sobre-o-ministerio/medidas-restritivas/medidas-restritivas.aspx

ROEMENIË

http://www.mae.ro/node/1548

SLOVENIË

http://www.mzz.gov.si/si/zunanja_politika_in_mednarodno_pravo/zunanja_politika/mednarodna_varnost/omejevalni_ukrepi/

SLOWAKIJE

http://www.mzv.sk/sk/europske_zalezitosti/europske_politiky-sankcie_eu

FINLAND

http://formin.finland.fi/kvyhteistyo/pakotteet

ZWEDEN

http://www.ud.se/sanktioner

VERENIGD KONINKRIJK

https://www.gov.uk/sanctions-embargoes-and-restrictions

Adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie:

Europese Commissie

Dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid (FPI)

EEAS 02/309

1049 Brussel

BELGIË

E-mail: relex-sanctions@ec.europa.eu


21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1687 VAN DE RAAD

van 20 september 2016

tot uitvoering van artikel 21, lid 2, van Verordening (EU) 2016/44 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 204/2011 (1), en met name artikel 21, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 18 januari 2016 Verordening (EU) 2016/44 vastgesteld.

(2)

Eén persoon moet worden geschrapt van de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen natuurlijke personen in bijlage III, onder A, bij Verordening (EU) 2016/44.

(3)

Bijlage III bij Verordening (EU) 2016/44 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Verordening (EU) 2016/44 wordt overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening gewijzigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

I. KORČOK


(1)  PB L 12 van 19.1.2016, blz. 1.


BIJLAGE

De naam van de volgende persoon en de bijbehorende vermelding worden geschrapt van de lijst in bijlage III, onder A, bij Verordening (EU) 2016/44:

A.   Personen

15.

Kolonel Taher JUWADI


21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/14


VERORDENING (EU) 2016/1688 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2016

tot wijziging van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft huidsensibilisering

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 131,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 bevat voorschriften voor de registratie van stoffen die in de Unie zijn vervaardigd of ingevoerd voor gebruik als zodanig of in mengsels of voorwerpen. De registrant moet in voorkomend geval de in Verordening (EG) nr. 1907/2006 voorgeschreven informatie verstrekken om te voldoen aan de registratievereisten.

(2)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 moeten de testmethoden die worden gebruikt om de bij die verordening vereiste informatie te verkrijgen over de intrinsieke eigenschappen van stoffen, regelmatig worden herzien en verbeterd om het aantal proeven op gewervelde dieren en het aantal betrokken dieren te verminderen. Voor zover passende en gevalideerde testmethoden beschikbaar worden, moeten Verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie (2) en de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 in voorkomend geval worden gewijzigd om dierproeven te vervangen, in aantal te verminderen of te verfijnen. Er dient rekening te worden gehouden met de in Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) vastgelegde beginselen van vervanging, vermindering en verfijning.

(3)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn in-vivo-onderzoeken nodig voor het verkrijgen van informatie over huidsensibilisering (bijlage VII, punt 8.3, bij Verordening (EG) nr. 1907/2006).

(4)

In de afgelopen jaren is aanzienlijke wetenschappelijke vooruitgang geboekt op het gebied van de ontwikkeling van alternatieve testmethoden voor huidsensibilisering. Verscheidene in-chemico- en in-vitrotestmethoden zijn gevalideerd door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor alternatieve methoden ter vervanging van dierproeven (EURL ECVAM) en/of internationaal overeengekomen door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Als deze testmethoden op passende wijze binnen het kader van een geïntegreerde aanpak van toetsing en beoordeling (IATA) worden gecombineerd, kunnen zij het mogelijk maken om informatie te verkrijgen die afdoende is om te beoordelen of een stof huidsensibilisering veroorzaakt, zonder een beroep te hoeven doen op in-vivotests.

(5)

Ter vermindering van dierproeven moet bijlage VII, punt 8.3, bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 worden gewijzigd om het gebruik van deze alternatieve methoden toe te staan wanneer op die manier toereikende informatie kan worden verkregen en wanneer de beschikbare testmethoden van toepassing zijn op de te testen stof.

(6)

De alternatieve testmethoden die momenteel beschikbaar zijn en door de OESO zijn goedgekeurd, zijn gebaseerd op een route van schadelijke effecten (Adverse Outcome Pathway; AOP) waarin de kennis over het mechanisme van de ontwikkeling van huidsensibilisering wordt beschreven. Deze methoden zijn niet bestemd om afzonderlijk te worden gebruikt, maar moeten in combinatie worden toegepast. Om huidsensibilisering op alomvattende wijze te beoordelen, moeten in de regel de methoden voor de eerste drie sleutelprocessen van de route van schadelijke effecten worden gebruikt.

(7)

Het kan echter onder bepaalde voorwaarden mogelijk zijn om voldoende informatie af te leiden zonder alle drie de sleutelprocessen expliciet te testen aan de hand van afzonderlijke testmethoden. Bijgevolg moet aan de registrant de mogelijkheid worden geboden om wetenschappelijk te verantwoorden dat hij afziet van tests voor bepaalde sleutelprocessen.

(8)

De testmethode die als eerste keuze wordt vermeld voor in-vivo-onderzoek, de lokale lymfkliertest (LLNA), verstrekt informatie over de sterkte van het sensibiliserend vermogen van een stof. De identificatie van sterke huidallergenen is belangrijk om een geschikte indeling en risicobeoordeling van dergelijke stoffen mogelijk te maken. Daarom moet worden verduidelijkt dat de verplichting om informatie te verstrekken die het mogelijk maakt te beoordelen of een stof als een sterk allergeen moet worden beschouwd, van toepassing is op alle gegevens, ongeacht of deze in vivo of in vitro zijn verkregen.

(9)

Om echter te vermijden dat dierproeven worden uitgevoerd en reeds uitgevoerde proeven worden herhaald, moeten bestaande in-vivo-onderzoeken voor huidsensibilisering die overeenkomstig de geldende testrichtsnoeren van de OESO of EU-testmethoden en in overeenstemming met goede laboratoriumpraktijken (4) zijn uitgevoerd, als geldig worden beschouwd om te voldoen aan de verplichte verstrekking van standaardinformatie voor huidsensibilisering, zelfs als de informatie die eruit wordt afgeleid, ontoereikend is om te concluderen of een stof als een sterk allergeen kan worden beschouwd.

(10)

Bovendien moeten de standaardinformatievereisten en de aanpassingsregels van bijlage VII, punt 8.3, worden herzien ter verwijdering van redundantie met regels van bijlagen VI en XI en in de inleidende delen van bijlage VII wat betreft de herziening van beschikbare gegevens, het afzien van tests voor een toxicologisch eindpunt als de beschikbare informatie aangeeft dat de stof voldoet aan de criteria voor indeling bij dat toxicologische eindpunt, of ter verduidelijking van de beoogde bedoeling van het afzien van studies voor stoffen die onder bepaalde omstandigheden ontvlambaar zijn. Daar waar verwezen wordt naar de indeling van stoffen, moeten de aanpassingsregels worden bijgewerkt zodat de terminologie overeenstemt met die van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(11)

Verder moet ECHA in samenwerking met de lidstaten en belanghebbende partijen richtsnoeren ontwikkelen over de toepassing van de testmethoden en de door deze verordening geboden mogelijkheden om af te zien van de standaardinformatievereisten van Verordening (EG) nr. 1907/2006. Daarbij dient ECHA ten volle rekening te houden met de werkzaamheden die door de OESO en andere relevante groepen wetenschappers en deskundigen zijn verricht.

(12)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze verordening vervatte bepalingen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie van 30 mei 2008 houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB L 142 van 31.5.2008, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).

(4)  Richtlijn 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (PB L 50 van 20.2.2004, blz. 44).

(5)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).


BIJLAGE

Bijlage VII, punt 8.3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt vervangen door:

„8.3.   Huidsensibilisering

Informatie aan de hand waarvan

een conclusie mogelijk is over de vraag of een stof een huidallergeen is en of zij kan worden geacht een hoog sensibiliserend vermogen bij mensen te hebben (categorie 1A), en

indien vereist, een risicobeoordeling kan worden uitgevoerd.

Het (de) in de punten 8.3.1 en 8.3.2 vermelde onderzoek(en) behoeft (behoeven) niet te worden uitgevoerd indien:

de stof is ingedeeld voor huidcorrosie (categorie 1), of

de stof een sterk zuur (pH ≤ 2,0) of een sterke base (pH ≥ 11,5) is, of

de stof bij kamertemperatuur spontaan ontvlambaar is in lucht of bij contact met water of vocht.

8.3.1.   Huidsensibilisering, in vitro/in chemico

Informatie uit een of meer overeenkomstig artikel 13, lid 3, erkende in-vitro-/in-chemicotestmethode(n) voor elk van de volgende sleutelprocessen van huidsensibilisering:

a)

moleculaire interactie met huideiwitten,

b)

ontstekingsrespons in keratinocyten,

c)

activering van dendritische cellen.

De(ze) test(s) behoeft (behoeven) niet te worden uitgevoerd indien:

een in-vivo-onderzoek overeenkomstig punt 8.3.2 beschikbaar is, of

de beschikbare in-vitro-/in-chemicotestmethoden niet van toepassing zijn op de stof of niet geschikt zijn voor indeling en risicobeoordeling overeenkomstig punt 8.3.

Indien het op basis van informatie uit een of meer testmethoden voor een of twee van de in kolom 1 vermelde sleutelprocessen reeds mogelijk is de stof in te delen en een risicobeoordeling uit te voeren overeenkomstig punt 8.3, behoeven onderzoeken voor het (de) andere sleutelproces(sen) niet te worden uitgevoerd.

8.3.2.   Huidsensibilisering, in vivo

Een in-vivo-onderzoek wordt alleen uitgevoerd indien de in punt 8.3.1 vermelde in-vitro-/in-chemicotestmethoden niet van toepassing zijn, of indien de uit deze onderzoeken verkregen resultaten niet geschikt zijn voor indeling en risicobeoordeling overeenkomstig punt 8.3.

De lokale lymfkliertest (LLNA) is de eerste keuze voor in-vivo-onderzoek. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan een andere test worden gebruikt. Het gebruik van een andere in-vivotest dient met redenen te worden omkleed.

In-vivo-onderzoeken voor huidsensibilisering die vóór 11 oktober 2016 zijn uitgevoerd of begonnen en die aan de in artikel 13, lid 3, eerste alinea, en in artikel 13, lid 4, vermelde vereisten voldoen, worden geacht te voldoen aan de verplichting tot verstrekking van standaardinformatie.”


21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1689 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

178,6

ZZ

178,6

0707 00 05

TR

116,3

ZZ

116,3

0709 93 10

TR

138,1

ZZ

138,1

0805 50 10

AR

104,4

CL

127,6

MA

81,7

TR

109,9

UY

121,8

ZA

96,9

ZZ

107,1

0806 10 10

EG

265,2

TR

131,0

ZZ

198,1

0808 10 80

AR

110,6

BR

97,9

CL

136,6

NZ

128,3

US

141,5

ZA

102,8

ZZ

119,6

0808 30 90

AR

168,5

CL

103,5

TR

134,3

ZA

157,8

ZZ

141,0

0809 30 10 , 0809 30 90

TR

130,3

ZZ

130,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1690 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2016

tot bepaling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 vastgestelde hoeveelheid in het kader van de tariefcontingenten die in de sector varkensvlees zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 442/2009

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 2 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 442/2009 van de Commissie (2) zijn jaarlijkse tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector varkensvlees. De in bijlage I, deel B, van genoemde verordening opgenomen contingenten worden beheerd volgens de methode van het gelijktijdige onderzoek.

(2)

De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2016 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2016 zijn ingediend, zijn kleiner dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg dienen de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, te worden vastgesteld en te worden toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid.

(3)

Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 442/2009 en die aan de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 moeten worden toegevoegd, zijn opgenomen in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EG) nr. 442/2009 van de Commissie van 27 mei 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten in de sector varkensvlees (PB L 129 van 28.5.2009, blz. 13).


BIJLAGE

Volgnummer

Niet-aangevraagde hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 beschikbare hoeveelheden

(in kg)

09.4038

17 032 500

09.4170

2 461 000

09.4204

2 312 000


21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1691 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2016

tot vaststelling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 bepaalde hoeveelheid in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 536/2007 geopende tariefcontingent voor vlees van pluimvee van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 2 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 536/2007 van de Commissie (2) is een jaarlijks tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector vlees van pluimvee van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.

(2)

De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2016 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2016 zijn ingediend, zijn kleiner dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg moeten de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, worden vastgesteld en toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid,

(3)

Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 536/2007 en die aan de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 moeten worden toegevoegd, zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EG) nr. 536/2007 van de Commissie van 15 mei 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een aan de Verenigde Staten van Amerika toegewezen tariefcontingent voor vlees van pluimvee (PB L 128 van 16.5.2007, blz. 6).


BIJLAGE

Volgnummer

Niet-aangevraagde hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 beschikbare hoeveelheden

(in kg)

09.4169

10 672 500


21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/23


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1692 VAN DE COMMISSIE

van 20 september 2016

tot vaststelling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 bepaalde hoeveelheden in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 539/2007 voor de sector eieren en ovoalbumine geopende tariefcontingenten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 2 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 539/2007 van de Commissie (2) zijn jaarlijkse tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector eieren en ovoalbumine.

(2)

De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2016 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2016 zijn ingediend, zijn kleiner dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg moeten de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, worden vastgesteld en toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid.

(3)

Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De hoeveelheden waarvoor geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 539/2007 en die aan de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 moeten worden toegevoegd, zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EG) nr. 539/2007 van de Commissie van 15 mei 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten voor eieren en ovoalbumine (PB L 128 van 16.5.2007, blz. 19).


BIJLAGE

Volgnummer

Niet-aangevraagde hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2017 beschikbare hoeveelheden

(in kg, equivalent eieren in de schaal)

09.4015

67 500 000

09.4401

2 739 810

09.4402

7 750 000


BESLUITEN

21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/25


BESLUIT (GBVB) 2016/1693 VAN DE RAAD

van 20 september 2016

betreffende beperkende maatregelen tegen ISIS (Da'esh) en Al Qaida en daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad heeft op 19 oktober 2001 verklaard vastbesloten te zijn het terrorisme in al zijn verschijningsvormen wereldwijd te bestrijden en zich te blijven inzetten om de coalitie van de internationale gemeenschap ter bestrijding van het terrorisme in al zijn vormen te versterken.

(2)

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties („de VN-Veiligheidsraad”) heeft op 16 januari 2002 Resolutie 1390 (2002) aangenomen („UNSCR 1390 (2002)”), waarbij de maatregelen die werden opgelegd uit hoofde van de Resoluties van de VN-Veiligheidsraad 1267 (1999) („UNSCR 1267 (1999)”) en 1333 (2000) („UNSCR 1333 (2000)”) werden uitgebreid tot Osama bin Laden en leden van de organisatie Al Qaida en andere daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, aangewezen door het overeenkomstig UNSCR 1267 (1999) ingestelde comité.

(3)

UNSCR 1390 (2002) behelst een aanpassing van de draagwijdte van de sancties ten aanzien van de bevriezing van tegoeden, het visumverbod, het embargo op de levering, verkoop en overdracht van wapens, alsmede op de verstrekking van technisch advies, bijstand of opleiding in verband met militaire activiteiten uit hoofde van UNSCR 1267 (1999) en UNSCR 1333 (2000).

(4)

UNSCR 1390 (2002) is door de VN-Veiligheidsraad aangenomen op basis van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, dat het de VN-Veiligheidsraad mogelijk maakt alle nodige maatregelen te nemen voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

(5)

Die maatregelen, die door de VN-Veiligheidsraad zijn aangenomen in het kader van de bestrijding van het internationaal terrorisme, zijn in het recht van de Unie omgezet bij Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB (1), dat door de Raad is vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, alsmede bij Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad (2).

(6)

De VN-Veiligheidsraad heeft op 17 december 2015 Resolutie 2253 (2015) aangenomen („UNSCR 2253 (2015)”), waarbij het toepassingsgebied van de maatregelen die uit hoofde van UNSCR 1390 (2002) waren opgelegd, werd uitgebreid tot personen, groepen, ondernemingen of entiteiten die verbonden zijn met de Islamitische Staat in Irak en de Levant („ISIS (Da'esh)”), en waarin hij opnieuw ISIS (Da'esh), Al Qaida en daarmee verbonden personen, groepen en ondernemingen ondubbelzinnig veroordeelde wegens voortdurende en veelvuldige misdadige terroristische handelingen die gericht zijn op het doden van onschuldige burgers en andere slachtoffers, op vernietiging van eigendom en op verregaande ondermijning van de stabiliteit.

(7)

In dat verband werd in UNSCR 2253 (2015) opnieuw onderstreept dat sancties ter ondersteuning van terrorismebestrijding een belangrijk instrument zijn voor de handhaving en het herstel van internationale vrede en veiligheid en werd eraan herinnerd dat ISIS (Da'esh) een splintergroepering van Al Qaida is en dat elke persoon, groep, onderneming of entiteit die ISIS (Da'esh) steunt, in aanmerking komt voor opname op de lijst van de Verenigde Naties („VN”).

(8)

ISIS (Da'esh) en Al Qaida vormen een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid. De beperkende maatregelen die de Unie heeft vastgesteld in het kader van de strijd tegen ISIS (Da'esh) en Al Qaida en daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten, vallen onder de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, bedoeld in artikel 21, lid 2, onder c), van het Verdrag.

(9)

Gelet op de dreiging die uitgaat van ISIS (Da'esh) en Al Qaida, moet het voor de Raad mogelijk zijn om gerichte beperkende maatregelen op te leggen aan iedere persoon, ongeacht zijn nationaliteit of staatsburgerschap, of aan iedere entiteit die verantwoordelijk is voor terroristische acties namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh) en Al Qaida, overeenkomstig de in dit besluit vastgestelde criteria.

(10)

Doel van dergelijke gerichte maatregelen is om acties namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh) en Al Qaida te voorkomen.

(11)

Er moet worden voorzien in beperkingen op het binnenkomen op of doorreizen over het grondgebied van de lidstaten van ISIS (Da'esh) en Al Qaida en daarmee verbonden personen, ook personen die onderdaan van een lidstaat zijn. Onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten om de interne veiligheid te waarborgen, mogen dergelijke beperkingen niet beletten dat aangewezen onderdanen van een lidstaat over het grondgebied van een andere lidstaat kunnen terugkeren naar de lidstaat van hun nationaliteit, of dat aangewezen familieleden van onderdanen van een lidstaat met datzelfde doel over het grondgebied van een andere lidstaat kunnen reizen.

(12)

UNSCR 1373 (2001) voorziet erin dat passende maatregelen moeten worden genomen wanneer lidstaten van de Verenigde Naties vaststellen dat personen of entiteiten betrokken zijn bij terroristische activiteiten.

(13)

Tegelijkertijd moeten de maatregelen tot omzetting van UNSCR's 1267 (1999), 1390 (2002) en 2253 (2015) in Unierecht, worden aangepast in het licht van de bepalingen van de betrokken resoluties van de VN-Veiligheidsraad.

(14)

Overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de Raad, wanneer hij besluit om de naam van een persoon of entiteit in de lijst in de bijlage op te nemen, de individuele, specifieke en concrete redenen daartoe aangeven, en moet een dergelijk besluit op een voldoende solide feitelijke grondslag berusten.

(15)

Ter wille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moeten de beperkende maatregelen die zijn opgelegd door Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB, zoals gewijzigd bij latere besluiten, worden geconsolideerd in een nieuw rechtsinstrument met bepalingen die het de Raad mogelijk maken beperkende maatregelen op te leggen aan personen en entiteiten.

(16)

Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB moet worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen.

(17)

Voor de uitvoering van bepaalde maatregelen is een verder optreden van de Unie nodig,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De directe of indirecte levering, verkoop, overdracht of uitvoer van wapens en alle soorten aanverwant materieel, waaronder wapens en munitie, militaire voertuigen en militaire uitrusting, paramilitaire uitrusting en onderdelen daarvoor, aan personen, groepen, ondernemingen of entiteiten die door de VN-Veiligheidsraad — uit hoofde van UNSCR's 1267 (1999), 1333 (2000) en 2253 (2015), zoals bijgewerkt door het overeenkomstig UNSCR 1267 (1999) ingestelde comité („het comité”), of door de Raad zijn aangewezen, of aan degenen die namens hen of op hun aanwijzing handelen, door onderdanen van de lidstaten of vanaf of via het grondgebied van de lidstaten, of met gebruikmaking van onder hun vlag varende schepen of hun luchtvaartuigen, is verboden, ongeacht of de goederen oorspronkelijk van het grondgebied van de lidstaten afkomstig zijn.

2.   Er geldt een verbod op:

a)

het direct of indirect verlenen van technische bijstand, diensten als tussenpersoon en andere diensten, gerelateerd aan militaire activiteiten of aan levering, fabricage, onderhoud of gebruik van wapens en alle soorten aanverwant materieel, waaronder wapens en munitie, militaire voertuigen en militaire uitrusting, paramilitaire uitrusting, en onderdelen daarvoor aan de in lid 1 bedoelde personen, groepen, ondernemingen of entiteiten;

b)

het direct of indirect verstrekken van financieringsmiddelen of financiële bijstand gerelateerd aan militaire activiteiten, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekering, alsook verzekeringen en herverzekeringen, voor de verkoop, de levering, de overdracht of de uitvoer van wapens en aanverwant materieel, of voor het verlenen van daaraan gerelateerde technische bijstand, diensten als tussenpersoon en andere diensten, aan de in lid 1 bedoelde personen, groepen, ondernemingen of entiteiten;

c)

het bewust en opzettelijk deelnemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de onder a) of b) bedoelde verbodsbepalingen worden omzeild.

Artikel 2

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het binnenkomen van of doorreizen over hun grondgebied te beletten van personen die door de VN-Veiligheidsraad overeenkomstig UNSCR's 1267 (1999), 1333 (2000) en 2253 (2015), of door het comité op de sanctielijst zijn geplaatst en aan reisbeperkingen zijn onderworpen vanwege:

a)

het deelnemen aan de financiering, planning, facilitering, voorbereiding of uitvoering van handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van Al Qaida of ISIS (Da'esh) of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

b)

het leveren, verkopen of overdragen daaraan van wapens en daarmee verband houdend materieel;

c)

het daarvoor werven of op andere wijze steunen van handelingen of activiteiten daarvan, of

d)

het onder directe of indirecte zeggenschap staan van, of het anderszins steun verlenen aan personen, groepen, ondernemingen en entiteiten die met Al Qaida of ISIS (Da'esh) verbonden zijn, en die op de sanctielijst van ISIS (Da'esh) en Al Qaida zijn opgenomen.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het binnenkomen van of doorreizen over hun grondgebied te beletten van personen:

a)

die verbonden zijn met ISIS (Da'esh) en Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, onder meer doordat ze:

i)

deelnemen aan de financiering van ISIS (Da'esh) en Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of aan de financiering van handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van die organisaties of entiteiten;

ii)

deelnemen aan de planning, facilitering, voorbereiding of uitvoering van handelingen of activiteiten of het verstrekken of ontvangen van terroristische opleiding, zoals instructie in verband met wapens, explosieven of andere methoden of technologieën met het doel terroristische handelingen te plegen, door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh) en Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

iii)

handel drijven met ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, in het bijzonder in olie, olieproducten, modulaire raffinaderijen en daarmee verband houdende materialen, alsmede in andere natuurlijke hulpbronnen en cultuurgoederen;

iv)

wapens en daarmee verband houdend materieel leveren, verkopen of overdragen aan ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

b)

die buiten de Unie reizen of trachten te reizen met het oog op:

i)

de planning, voorbereiding of uitvoering van, of de deelname aan, terroristische handelingen namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

ii)

het verstrekken of ontvangen van een terroristische opleiding namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

iii)

het anderszins ondersteunen van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

c)

die de Unie trachten binnen te komen met dezelfde doeleinden als bedoeld in punt b), of om deel te nemen aan handelingen of activiteiten in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

d)

die werven voor, of anderszins steun verlenen aan handelingen of activiteiten van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, onder meer door:

i)

het op enigerlei wijze, direct of indirect, verstrekken of verzamelen van financiële middelen met het oog op de financiering van reizen van personen voor de doeleinden als bedoeld in de punten b) en c); het organiseren of anderszins faciliteren van reizen van personen voor de doeleinden als bedoeld in de punten b) en c);

ii)

het benaderen van een andere persoon om deel te nemen aan handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

e)

die aanzetten of publiek ophitsen tot het plegen van handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, daaronder begrepen door het aanmoedigen of het verheerlijken van dergelijke handelingen of activiteiten waardoor het gevaar ontstaat dat terroristische handelingen kunnen worden gepleegd;

f)

die betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen of het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten, waaronder ontvoering, verkrachting, seksueel geweld, gedwongen huwelijk en het in slavernij brengen van personen, buiten het grondgebied van de Unie, onder de naam van of namens ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan,

als genoemd in de bijlage.

3.   De leden 1 en 2 houden niet in dat de lidstaten verplicht zijn de eigen onderdanen de toegang tot hun grondgebied te ontzeggen.

4.   Lid 1 is niet van toepassing indien het binnenkomen of doorreizen noodzakelijk is in verband met een gerechtelijk proces, of indien het comité van oordeel is dat het binnenkomen of doorreizen gerechtvaardigd is.

5.   De lidstaten kunnen ontheffing van de krachtens lid 2 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die gerechtvaardigd plaatsvinden:

a)

op grond van dringende humanitaire noden;

b)

met het oog op een gerechtelijk proces, of

c)

in gevallen waarin een lidstaat gebonden is door een verplichting ten aanzien van een internationale organisatie.

6.   Een lidstaat die de in lid 5 bedoelde ontheffingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. Wat de punten a) en b) van lid 5 betreft, wordt de ontheffing geacht te zijn toegestaan, tenzij door één of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgenomen ontheffing, schriftelijk bezwaar wordt gemaakt bij de Raad. Indien door één of meer leden van de Raad bezwaar wordt gemaakt, kan de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten de voorgenomen ontheffing te verlenen.

7.   De door een lidstaat krachtens lid 5 verleende machtiging tot het binnenkomen van of doorreizen over zijn grondgebied van in de bijlage genoemde personen, geldt alleen voor het doel en voor de personen waarvoor zij is verleend.

Artikel 3

1.   Alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van personen, groepen, ondernemingen en entiteiten die door de VN-Veiligheidsraad overeenkomstig UNSCR's 1267 (1999), 1333 (2000) en 2253 (2015), of door het comité op de sanctielijst zijn geplaatst en aan een bevriezing van tegoeden zijn onderworpen vanwege:

a)

het deelnemen aan de financiering, planning, facilitering, voorbereiding of uitvoering van handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van Al Qaida of ISIS (Da'esh) of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

b)

het leveren, verkopen of overdragen daaraan van wapens en daarmee verband houdend materieel;

c)

het daarvoor werven of op andere wijze steunen van handelingen of activiteiten daarvan;

d)

het in het bezit zijn of onder directe of indirecte zeggenschap staan van, of het anderszins steun verlenen aan personen, groepen, ondernemingen en entiteiten die met ISIS (Da'esh) of Al Qaida verbonden zijn, en die op de sanctielijst van ISIS (Da'esh) en Al Qaida zijn opgenomen, of van een derde partij die namens hen of op hun aanwijzing handelt,

worden bevroren.

2.   Tegoeden, andere financiële activa of economische middelen worden direct noch indirect aan of ten behoeve van de in lid 1 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen ter beschikking gesteld.

3.   Alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van personen, groepen, ondernemingen of entiteiten:

a)

die verbonden zijn met ISIS (Da'esh) en Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, onder meer doordat ze:

i)

deelnemen aan de financiering van ISIS (Da'esh) en Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of aan de financiering van handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van die organisaties;

ii)

deelnemen aan de planning, facilitering, voorbereiding of uitvoering van handelingen of activiteiten of het verstrekken of ontvangen van terroristische opleiding zoals instructie in verband met wapens, explosieven of andere methoden of technologieën met het doel terroristische handelingen te plegen door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh) en Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

iii)

handel drijven met ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, met name in olie, olieproducten, modulaire raffinaderijen en daarmee verband houdende materialen, alsmede in andere natuurlijke hulpbronnen en cultuurgoederen;

iv)

wapens en daarmee verband houdend materieel leveren, verkopen of overdragen aan ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

b)

die buiten de Unie reizen of trachten te reizen met het oog op:

i)

de planning, voorbereiding of uitvoering van, of de deelname aan, terroristische handelingen namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

ii)

het verstrekken of ontvangen van een terroristische opleiding namens of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan; of

iii)

het anderszins ondersteunen van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

c)

die de Unie trachten binnen te komen met het doel als bedoeld in punt b), of om deel te nemen aan handelingen of activiteiten in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

d)

die werven voor, of anderszins steun verlenen aan de handelingen of activiteiten van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, onder meer door:

i)

het op enigerlei wijze, direct of indirect, verstrekken of verzamelen van financiële middelen met het oog op de financiering van reizen van personen voor de doeleinden als bedoeld in de punten b) en c); het organiseren of anderszins faciliteren van reizen van personen voor de doeleinden als bedoeld in de punten b) en c);

ii)

het benaderen van een andere persoon om deel te nemen aan handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

e)

die aanzetten of publiek ophitsen tot het plegen van handelingen of activiteiten door, in samenhang met, onder de naam van, namens, of ter ondersteuning van ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, daaronder begrepen door het aanmoedigen of het verheerlijken van dergelijke handelingen of activiteiten waardoor het gevaar ontstaat dat terroristische handelingen kunnen worden gepleegd;

f)

die betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen of het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten, waaronder ontvoering, verkrachting, seksueel geweld, gedwongen huwelijk en het in slavernij brengen van personen, buiten het grondgebied van de Unie, onder de naam van of namens ISIS (Da'esh), Al Qaida of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan,

als vermeld in de bijlage, worden bevroren.

4.   Tegoeden, andere financiële activa of economische middelen worden direct noch indirect aan of ten behoeve van de in lid 3 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen ter beschikking gesteld.

5.   In afwijking van de leden 1, 2, 3 en 4 kunnen ontheffingen worden verleend voor tegoeden, financiële activa of economische middelen die:

a)

noodzakelijk zijn ter dekking van basisuitgaven, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies of nutsvoorzieningen;

b)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten overeenkomstig het nationaal recht, of

c)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten, overeenkomstig het nationaal recht, voor het gewoon houden of beheren van bevroren tegoeden, andere financiële activa en economische middelen.

Deze ontheffingen worden enkel verleend mits de betrokken lidstaat het comité kennis heeft gegeven van zijn voornemen om, naargelang het geval, de toegang tot de tegoeden, andere financiële activa of economische middelen toe te staan, en het comité niet binnen drie werkdagen na de kennisgeving een negatief besluit heeft genomen.

6.   In afwijking van de leden 1, 2, 3 en 4 kunnen tevens ontheffingen worden verleend voor tegoeden, financiële activa of economische middelen die noodzakelijk zijn ter dekking van uitzonderlijke uitgaven, mits deze vaststelling door de bevoegde autoriteit van de lidstaat is gemeld bij het comité, waar van toepassing, en door het comité is goedgekeurd.

7.   Lid 3 belet niet dat een aangewezen persoon of entiteit betalingen doet die verschuldigd zijn op grond van een contract dat is gesloten voordat de persoon of entiteit op de lijst werd geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet direct of indirect wordt ontvangen door een in lid 1 of lid 3 bedoelde persoon of entiteit.

8.   In afwijking van lid 3 kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een scheidsrechterlijke beslissing die is gegeven vóór de datum waarop de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de entiteit of het lichaam, bedoeld in lid 3, op de lijst in de bijlage is geplaatst, dan wel van een vóór, op of na die datum in de Unie gegeven rechterlijke of administratieve beslissing, of in de betrokken lidstaat uitvoerbare rechterlijke beslissing;

b)

de tegoeden of economische middelen zullen uitsluitend worden aangewend om vorderingen te voldoen die bij een dergelijke beslissing zijn gewaarborgd of geldig zijn verklaard, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften betreffende de rechten van de houders van dergelijke vorderingen;

c)

de beslissing komt niet ten goede aan een op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam; alsmede

d)

de erkenning van het vonnis is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

9.   De leden 2 en 4 zijn niet van toepassing op de bijboeking van betalingen op bevroren rekeningen van in lid 1 of lid 3 bedoelde personen of entiteiten, op voorwaarde dat die betalingen bevroren worden.

Artikel 4

Geen vorderingen, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of enige soortgelijke vergoeding, bijvoorbeeld op grond van schuldvergelijking of van een garantie, in verband met een overeenkomst of transactie waarvan de uitvoering, al dan niet rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk wordt aangetast door maatregelen overeenkomstig UNSCR's 1267 (1999), 1333 (2000) en 2253 (2015), met inbegrip van de maatregelen die door de Unie of door een lidstaat worden getroffen in overeenstemming met, ter uitvoering van of in verband met de ter zake dienende beslissingen van de VN-Veiligheidsraad of onder onderhavig besluit vallende maatregelen, worden toegekend aan de door de VN aangewezen personen en entiteiten of de op de lijst in de bijlage geplaatste personen en entiteiten, of aan een persoon of entiteit die met behulp van of ten behoeve van de bedoelde personen en entiteiten optreedt.

Artikel 5

1.   De Raad stelt, op voorstel van een lidstaat of de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met eenparigheid van stemmen de lijst in de bijlage vast en keurt wijzigingen daarin goed.

2.   De Raad stelt de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, ondernemingen en entiteiten in kennis van het in lid 1 bedoelde besluit, met inbegrip van de motivering, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij door middel van de bekendmaking van een kennisgeving, zodat die natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, ondernemingen of entiteiten daarover opmerkingen kunnen indienen.

3.   Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, toetst de Raad het in lid 1 bedoelde besluit en brengt hij de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, onderneming of entiteit daarvan op de hoogte.

4.   In afwijking van lid 1 kan de Raad, indien een lidstaat van oordeel is dat zich een substantiële verandering van omstandigheden heeft voorgedaan die een invloed heeft op de aanwijzing van een in de lijst opgenomen persoon of entiteit, op voorstel van die lidstaat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om de naam van de betrokken persoon of entiteit van de lijst in de bijlage te schrappen.

Artikel 6

1.   Dit besluit wordt, in het bijzonder in het licht van de toepasselijke besluiten van de VN-Veiligheidsraad of het comité, naargelang van het geval herzien, gewijzigd of ingetrokken.

2.   De in artikel 2, lid 2, en artikel 3, leden 3 en 4, bedoelde maatregelen worden op gezette tijden en ten minste om de twaalf maanden opnieuw bezien.

3.   Wanneer opmerkingen worden ingediend door een overeenkomstig artikel 2, lid 2, of artikel 3, leden 3 en 4, aangewezen persoon of entiteit, beziet de Raad de aanwijzing in het licht van die opmerkingen, en zijn de maatregelen niet meer van toepassing indien de Raad volgens de procedure van artikel 5 vaststelt dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing ervan.

4.   Indien op basis van substantieel nieuw bewijsmateriaal een nader verzoek wordt gedaan om een persoon uit de bijlage te schrappen, voert de Commissie overeenkomstig lid 3 een nadere toetsing uit.

5.   De in artikel 2, lid 2, en artikel 3, leden 3 en 4, bedoelde maatregelen gelden tot en met 23 september 2017.

Artikel 7

Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB wordt ingetrokken en vervangen door dit besluit.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

I. KORČOK


(1)  Gemeenschappelijk Standpunt 2002/402/GBVB van de Raad van 27 mei 2002 betreffende beperkende maatregelen tegen de leden van de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida en andere daarmee verbonden personen, groepen, ondernemingen en entiteiten (PB L 139 van 29.5.2002, blz. 4).

(2)  Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al-Qa'ida (PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9).


BIJLAGE

Lijst van personen, groepen, ondernemingen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2 en 3


21.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 255/33


UITVOERINGSBESLUIT (GBVB) 2016/1694 VAN DE RAAD

van 20 september 2016

tot uitvoering van Besluit (GBVB) 2015/1333 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,

Gezien Besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van Besluit 2011/137/GBVB (1), en met name artikel 13, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 31 juli 2015 Besluit (GBVB) 2015/1333 vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig Besluit (GBVB) 2015/1333 heeft de Raad een volledige evaluatie uitgevoerd van de lijsten van personen en entiteiten in de bijlagen II en IV bij dat besluit.

(3)

Eén persoon moet worden geschrapt van de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen natuurlijke personen in bijlage II, onder A, en bijlage IV, onder A, bij Besluit (GBVB) 2015/1333.

(4)

De bijlagen II en IV bij Besluit (GBVB) 2015/1333 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen II en IV bij Besluit (GBVB) 2015/1333 worden overeenkomstig de bijlage bij het onderhavige besluit gewijzigd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 september 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

I. KORČOK


(1)  PB L 206 van 1.8.2015, blz. 34.


BIJLAGE

I.

De naam van de volgende persoon en de bijbehorende vermelding worden geschrapt van de lijst in bijlage II, onder A, bij Besluit (GBVB) 2015/1333:

A.   Personen

15.

Kolonel Taher JUWADI

II.

De naam van de volgende persoon en de bijbehorende vermelding worden geschrapt van de lijst in bijlage IV, onder A, bij Besluit (GBVB) 2015/1333:

A.   Personen

15.

Kolonel Taher JUWADI