ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 252

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
16 september 2016


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad

1

 

*

Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG ( 1 )

53

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG

118

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/1


VERORDENING (EU) 2016/1627 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 september 2016

betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is ervoor te zorgen dat de exploitatie van levende aquatische rijkdommen tot duurzame economische, ecologische en sociale omstandigheden leidt.

(2)

De Unie is partij bij het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen („het Iccat-Verdrag”) (4).

(3)

De bij dat verdrag ingestelde Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas — „Iccat”) heeft tijdens haar vijftiende buitengewone zitting in 2006 Aanbeveling 06-05 goedgekeurd tot vaststelling van een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, dat afloopt in 2022 („het herstelplan”). Deze aanbeveling is op 13 juni 2007 in werking getreden.

(4)

Het herstelplan houdt rekening met de specifieke kenmerken van de verschillende soorten vistuig en de visserijtechnieken. Bij de uitvoering van het herstelplan dienen de Unie en de lidstaten ernaar te streven de kustvisserij te stimuleren, alsmede het gebruik van vistuigen en visserijtechnieken die selectief en minder milieubelastend zijn, met inbegrip van tuigen en technieken die in de traditionele en de ambachtelijke visserij worden gebruikt, om zo bij te dragen tot een redelijke levensstandaard voor de lokale economie.

(5)

Iccat-aanbeveling 06-05 is in Unierecht omgezet bij Verordening (EG) nr. 1559/2007 van de Raad (5).

(6)

Tijdens haar zestiende buitengewone zitting in 2008 heeft de Iccat Aanbeveling 08-05 tot wijziging van Aanbeveling 06-05 goedgekeurd. Met het oog op het herstel van het blauwvintonijnbestand voorzag Aanbeveling 08-05 in een geleidelijke verlaging van het niveau van de totaal toegestane vangsten in de periode 2007-2011, vangstbeperkingen in bepaalde gebieden en perioden, een nieuwe minimummaat voor blauwvintonijn, maatregelen betreffende sport- en recreatievisserij en maatregelen inzake de kweek- en vangstcapaciteit, en in een verscherping van de Iccat-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie.

(7)

Iccat-aanbeveling 08-05 is in Unierecht omgezet bij Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad (6).

(8)

Tijdens haar zeventiende buitengewone zitting in 2010 heeft de Iccat Aanbeveling 10-04 tot wijziging van Aanbeveling 08-05 goedgekeurd. Aanbeveling 10-04 voorzag met het oog op het herstel van het blauwvintonijnbestand in een verdere vermindering van de totaal toegestane vangsten en de vangstcapaciteit, en in een verscherping van de controlemaatregelen, met name wat betreft overhevelings- en kooiverrichtingen. Ze bevatte tevens een in 2012 door het Permanent Comité voor onderzoek en statistiek van de Iccat („SCRS”) uitgebracht aanvullend advies betreffende de identificatie van paaigronden en de instelling van reservaten.

(9)

Om de herziene internationale instandhoudingsmaatregelen vervat in Aanbeveling 10-04 in Unierecht uit te voeren, is Verordening (EG) nr. 302/2009 gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 500/2012 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(10)

Tijdens haar achttiende buitengewone zitting in 2012 heeft de Iccat Aanbeveling 12-03 tot wijziging van Aanbeveling 10-04 goedgekeurd. Om het herstelplan doeltreffender te maken, voorzag Aanbeveling 12-03 in technische maatregelen betreffende verrichtingen voor het overhevelen en kooien van levende blauwvintonijn, nieuwe vereisten inzake vangstaangiften, de tenuitvoerlegging van het regionale waarnemersprogramma van de Iccat en wijzigingen van de visseizoenen. Voorts werd de rol van het SCRS met betrekking tot de beoordeling van het blauwvintonijnbestand versterkt.

(11)

Tijdens haar drieëntwintigste gewone zitting in 2013 heeft de Iccat Aanbeveling 13-07 goedgekeurd waarbij Aanbeveling 12-03 wordt gewijzigd door het aanbrengen van kleine veranderingen inzake visseizoenen die niet van invloed zijn op de vloot van de Unie. Daarnaast werd Aanbeveling 13-08 ter aanvulling van het herstelplan goedgekeurd. Bij Aanbeveling 13-08 werd een gemeenschappelijke procedure ingesteld voor het gebruik van stereoscopische camerasystemen om de hoeveelheden blauwvintonijn bij het kooien te ramen, en werd een flexibele aanvangsdatum ingevoerd voor het visseizoen van met de hengel of de sleeplijn vissende vaartuigen in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan.

(12)

Om essentiële maatregelen, zoals de maatregelen met betrekking tot visseizoenen, van Aanbevelingen 12-03 en 13-08 in Unierecht uit te voeren, werd Verordening (EG) nr. 302/2009 verder gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 544/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(13)

Tijdens haar negentiende buitengewone zitting in 2014 heeft de Iccat Aanbeveling 14-04 tot wijziging van Aanbeveling 13-07 en tot intrekking van Aanbeveling 13-08 goedgekeurd. Daarbij werden sommige van de bestaande controlebepalingen gerationaliseerd, werden de procedures voor het gebruik van stereoscopische camera's bij het kooien nader gespecificeerd en werden specifieke maatregelen voor vrijlatingen en de behandeling van dode vis ingevoerd in het herstelplan.

(14)

Aanbeveling 14-04 is bindend voor de Unie.

(15)

Alle door de Iccat in 2012, 2013 en 2014 goedgekeurde wijzigingen aan het herstelplan die nog niet zijn uitgevoerd, moeten in Unierecht worden omgezet. Daar die omzetting betrekking heeft op het herstelplan waarvan de doelstellingen en de maatregelen door de Iccat zijn vastgesteld, bestrijkt deze verordening niet de hele inhoud van de meerjarige plannen als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(16)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het begrip minimuminstandhoudingsreferentiegrootte gedefinieerd. Omwille van de consistentie moet het Iccat-begrip minimummaten in Unierecht worden omgezet als minimuminstandhoudingsreferentiegroottes. Derhalve moeten de verwijzingen naar minimummaten van blauwvintonijn in Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie (9) in deze verordening worden gelezen als verwijzingen naar minimuminstandhoudingsreferentiegroottes.

(17)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de bepalingen van deze verordening met betrekking tot overhevelings- en kooiverrichtingen en de registratie en rapportage van de activiteiten met tonnara's en vaartuigen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (10).

(18)

Sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 302/2009 zijn achterhaald — met name omdat zij nu in andere Uniehandelingen zijn opgenomen — en moeten worden geschrapt. Andere bepalingen moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met wijzigingen in de wetgeving, met name de wijzigingen die voortvloeien uit de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(19)

In het bijzonder is bij Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (11) een Unieregeling voor controle, inspectie en handhaving vastgesteld, die een alomvattende en geïntegreerde aanpak biedt, teneinde ervoor te zorgen dat alle regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd. Ook zijn bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie (12) uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgesteld. Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad (13) is een communautair systeem vastgesteld om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. Met deze handelingen wordt nu een aantal door Verordening (EG) nr. 302/2009 geregelde vraagstukken bestreken, in het bijzonder artikel 33 inzake handhavingsmaatregelen en bijlage VIII inzake de transmissie van gegevens van het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen Vessel Monitoring System („VMS”). Die bepalingen hoeven derhalve niet in de onderhavige verordening te worden opgenomen.

(20)

Overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 zijn de door het SCRS vastgestelde omrekeningsfactoren ook in het kader van de onderhavige verordening van toepassing op de berekening van in kg uitgedrukt levend gewicht van verwerkte blauwvintonijn.

(21)

Voorts is, overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EG) nr. 1224/2009, Uitvoeringsbesluit 2014/156/EU van de Commissie (14) vastgesteld. In dat uitvoeringsbesluit worden onder meer streefijkpunten en doelstellingen vastgesteld voor de controle op de blauwvintonijnvisserij in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

(22)

In Aanbeveling 06-07 van de Iccat wordt voorzien in een bemonsteringsplan voor de raming van het aantal blauwvintonijnen per grootteklasse in het kader van kweekactiviteiten. Die bepaling is uitgevoerd bij artikel 10 van Verordening (EG) nr. 302/2009. Het is niet nodig in deze verordening specifiek in een bemonsteringsplan te voorzien, daar de behoeften in verband met een dergelijk bemonsteringsplan volledig worden gedekt door de programma's die worden opgezet op grond van paragraaf 83 van Aanbeveling 14-04, die bij deze verordening moet worden uitgevoerd.

(23)

Ter wille van de duidelijkheid, de eenvoud en de rechtszekerheid moet Verordening (EG) nr. 302/2009 derhalve worden ingetrokken.

(24)

Met het oog op de naleving door de Unie van haar internationale verplichtingen uit hoofde van het Verdrag, voorziet Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/98 in afwijkingen van de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde aanlandingsverplichting voor blauwvintonijn. Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/98 worden enkele bepalingen van Iccat-aanbeveling 13-07 omgezet waarbij in een teruggooi- en vrijlatingsverplichting wordt voorzien voor vaartuigen en tonnara's waarmee in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee in bepaalde gevallen blauwvintonijn wordt gevangen. Daarom hoeven dergelijke teruggooi- en vrijlatingsverplichtingen niet in deze verordening te worden opgenomen en worden de overeenkomstige bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 dan ook onverlet gelaten,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening voorziet in de algemene bepalingen voor de uitvoering door de Unie van het herstelplan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1.

2.   Deze verordening is van toepassing op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

Artikel 2

Doel

Het doel van deze verordening is om in overeenstemming met het herstelplan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, uiterlijk in 2022 een biomassa van blauwvintonijn te bereiken die overeenkomt met de maximale duurzame vangst, waarbij het voor ten minste 60 % waarschijnlijk is dat deze doelstelling wordt gehaald.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „herstelplan”: het van 2007 tot en met 2022 lopende meerjarige herstelplan voor blauwvintonijn (Thunnus thynnus) dat was aanbevolen door de Iccat;

2.   „vissersvaartuig”: een motorvaartuig dat wordt ingezet, of is bedoeld om te worden ingezet voor de commerciële exploitatie van blauwvintonijnbestanden, inclusief vangstvaartuigen, visverwerkingsvaartuigen, ondersteuningsvaartuigen, sleepvaartuigen, vaartuigen voor overlading, transportvaartuigen die zijn uitgerust voor het vervoer van tonijnproducten, en hulpvaartuigen, met uitzondering van containerschepen;

3.   „vangstvaartuig”: een vaartuig dat wordt gebruikt voor de commerciële vangst van blauwvintonijn;

4.   „verwerkingsvaartuig”: een vaartuig aan boord waarvan visserijproducten een of meer van de volgende behandelingen ondergaan alvorens te worden verpakt: fileren of in moten verdelen, invriezen en/of verwerken;

5.   „hulpvaartuig”: een vaartuig dat wordt gebruikt om (niet verwerkte) dode blauwvintonijn van een transport-/kweekkooi, een ringzegen of een tonnara naar een aangewezen haven en/of naar een verwerkingsvaartuig te vervoeren;

6.   „sleepvaartuig”: een vaartuig dat wordt gebruikt voor het slepen van kooien;

7.   „ondersteuningsvaartuig”: elk ander onder punt 2) vermeld vissersvaartuig;

8.   „actief vissen”: de gerichte visserij op blauwvintonijn door vangstvaartuigen en tonnara's gedurende een bepaald visseizoen;

9.   „gezamenlijke visactie”: elke actie van twee of meer ringzegenvaartuigen waarbij de vangst van één ringzegenvaartuig volgens een verdeelsleutel aan een of meer andere ringzegenvaartuigen wordt toegewezen;

10.   „overhevelingsverrichtingen”:

i)

het overhevelen van levende blauwvintonijn uit het net van het vangstvaartuig naar de transportkooi;

ii)

het overhevelen van levende blauwvintonijn uit de transportkooi naar een andere transportkooi;

iii)

het overhevelen van de kooi met blauwvintonijn van een sleepvaartuig naar een ander sleepvaartuig;

iv)

het overhevelen van levende blauwvintonijn uit een kwekerij naar een andere kwekerij;

v)

het overhevelen van levende blauwvintonijn uit de tonnara naar de transportkooi;

11.   „controle-overheveling”: elke aanvullende overheveling die op verzoek van de visserij-/kwekerijexploitanten of controleautoriteiten wordt verricht ter verificatie van de hoeveelheid vis die wordt overgeheveld;

12.   „tonnara”: vast vistuig dat aan de bodem is verankerd en doorgaans een net heeft dat de blauwvintonijn naar vangkamers of een reeks vangkamers leidt waar hij wordt vastgehouden alvorens te worden geoogst;

13.   „kooien”: het overhevelen van levende blauwvintonijn uit de transportkooi of de tonnara naar de kweekkooien;

14.   „kweken”: het kooien van blauwvintonijn in kwekerijen en het voeren ervan, met als doel de blauwvintonijn te mesten en de totale biomassa ervan te verhogen;

15.   „kwekerij”: een installatie die wordt gebruikt voor het kweken van met tonnara's en/of ringzegenvaartuigen gevangen blauwvintonijn;

16.   „oogsten”: het doden van blauwvintonijn in kwekerijen of tonnara's;

17.   „overlading”: het lossen van alle of bepaalde hoeveelheden vis aan boord van een vissersvaartuig op een ander vissersvaartuig. Het lossen van dode blauwvintonijn van het ringzegenvaartuig of het sleepvaartuig op een hulpvaartuig wordt niet als een overlading beschouwd;

18.   „sportvisserij”: niet-commerciële visserij door leden van een nationale sportorganisatie of houders van een nationale sportvergunning;

19.   „recreatievisserij”: niet-commerciële visserij door anderen dan leden van een nationale sportorganisatie of houders van een nationale sportvergunning;

20.   „stereoscopische camera”: een camera met twee of meer lenzen, met een aparte beeldsensor of een apart filmframe voor elke lens, zodat driedimensionale beelden kunnen worden vastgelegd;

21.   „controlecamera”: een stereoscopische camera en/of een conventionele videocamera voor de in deze verordening bedoelde;

22.   „BCD” of „elektronisch BCD”: Bluefin Catch Document (vangstdocument) voor blauwvintonijn. Waar nodig wordt de verwijzing naar BCD vervangen door eBCD;

23.   „verantwoordelijke lidstaat” of „voor […] verantwoordelijke lidstaat”: de vlaggenlidstaat of lidstaat onder de jurisdictie waarvan de tonnara of de kwekerij valt of, indien de kwekerij of de tonnara zich op volle zee bevindt, de lidstaat waar de exploitant van de tonnara of de kwekerij is gevestigd;

24.   „taak II”: taak II zoals gedefinieerd door de Iccat in haar „Handleiding voor de opstelling van statistieken en de bemonstering van Atlantische tonijn en tonijnachtigen” (derde editie, Iccat, 1990);

25.   „CPC's”: verdragsluitende partijen bij het Iccat-verdrag, alsmede samenwerkende niet-verdragsluitende partijen, organisaties en visserijorganisaties;

26.   „verdragsgebied”: het geografische gebied dat wordt bestreken door Iccat-maatregelen zoals vastgesteld in artikel 1 van het Iccat-verdrag.

Artikel 4

Lengte van de vaartuigen

Verwijzingen naar de vaartuiglengte gelden in deze verordening als verwijzingen naar de lengte over alles.

HOOFDSTUK II

BEHEERSMAATREGELEN

Artikel 5

Voorwaarden voor beheersmaatregelen

1.   Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de visserijinspanning van zijn vangstvaartuigen en tonnara's in verhouding staat tot de vangstmogelijkheden op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee waarover die lidstaat beschikt.

2.   De overdracht van ongebruikte quota is verboden.

3.   Het charteren van vissersvaartuigen van de Unie voor de blauwvintonijnvisserij in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee is verboden.

Artikel 6

Indiening van jaarlijkse visplannen, beheersplannen voor de vangstcapaciteit en beheersplannen voor de kweek

1.   Elke lidstaat met een quotum voor blauwvintonijn zendt uiterlijk op 31 januari van elk jaar de volgende informatie aan de Commissie toe:

a)

een jaarlijks visplan voor de vangstvaartuigen en tonnara's waarmee op blauwvintonijn wordt gevist in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee;

b)

een jaarlijks beheersplan voor de vangstcapaciteit om te verzekeren dat de vangstcapaciteit van de lidstaat in verhouding staat tot het hem toegewezen quotum.

2.   De Commissie bundelt de in lid 1 bedoelde plannen en neemt ze op in het vangst- en capaciteitsbeheersplan van de Unie. De Commissie zal uiterlijk op 15 (februari van elk jaar dat plan aan het Iccat-secretariaat toezenden ter bespreking en goedkeuring door de Iccat.

3.   Uiterlijk op 15 april van elk jaar zendt elke lidstaat die voornemens is het geldende Iccat–plan inzake kweekcapaciteit te wijzigen, een jaarlijks beheersplan voor het kweken toe aan de Commissie, die het doorzendt aan het Iccat-secretariaat.

Artikel 7

Jaarlijkse visplannen

1.   In het jaarlijkse visplan dat elke lidstaat met een quotum voor blauwvintonijn indient, worden de aan elke in de artikelen 11 en 12 bedoelde vistuiggroep toegewezen quota vermeld, met inbegrip van informatie over:

a)

voor de vangstvaartuigen van meer dan 24 meter die zijn opgenomen in de in artikel 20, lid 1, onder a), bedoelde vaartuigenlijst, de aan die vaartuigen toegewezen individuele quota en de maatregelen die zijn getroffen voor de naleving van de individuele quota en bijvangstlimieten;

b)

voor de vangstvaartuigen van minder dan 24 meter en voor de tonnara's, ten minste de aan producentenorganisaties of met een soortgelijk vistuigtype vissende groepen vaartuigen toegewezen quota.

2.   In afwijking van lid 1, onder a), kunnen de aan elk vaartuig van meer dan 24 meter toegewezen individuele quota uiterlijk 30 dagen vóór de aanvang van het visseizoen voor elk dergelijk vaartuig worden ingediend.

3.   Eventuele latere wijzigingen van het jaarlijkse visplan of van de individuele quota die zijn toegewezen aan vangstvaartuigen die langer zijn dan 24 meter en zijn opgenomen in de in artikel 20, lid 1, onder a), bedoelde lijst, worden ten minste drie dagen vóór de uitoefening van de activiteit waarop deze wijziging betrekking heeft, door de betrokken lidstaat aan de Commissie toegezonden. De Commissie zendt deze wijzigingen ten minste 48 uur vóór de uitoefening van de activiteit waarop die wijziging betrekking heeft, door naar het Iccat–secretariaat.

Artikel 8

Verdeling van vangstmogelijkheden

Overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 maken de lidstaten bij de toewijzing van de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden gebruik van transparante en objectieve criteria van onder meer ecologische, sociale en economische aard, streven zij naar een eerlijke verdeling van de nationale quota over de diverse vlootsegmenten, met aandacht voor de traditionele en de ambachtelijke visserij, en zorgen zij voor stimulansen voor vissersvaartuigen die zijn uitgerust met selectief vistuig of die gebruikmaken van minder milieubelastende visserijtechnieken.

Artikel 9

Beheersplannen voor de vangstcapaciteit

1.   Het jaarlijkse beheersplan voor de vangstcapaciteit dat elke lidstaat met een quotum voor blauwvintonijn indient, voldoet aan de in dit artikel beschreven voorwaarden.

2.   Het maximumaantal in een lidstaat geregistreerde tonnara's en vissersvaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat en blauwvintonijn mogen bevissen, aan boord houden, overladen, vervoeren of aanlanden, wordt bepaald overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.   Het maximumaantal en de overeenkomstige brutotonnage van onder de vlag van een lidstaat varende vissersvaartuigen die betrokken zijn bij de blauwvintonijnvisserij in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, wordt beperkt tot het aantal — en de overeenkomstige totale brutotonnage — van onder de vlag van die lidstaat varende vissersvaartuigen die in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juli 2008 blauwvintonijn hebben bevist, aan boord gehouden, overgeladen, vervoerd of aangeland. Die limiet geldt per vistuigtype voor vangstvaartuigen.

4.   Voor vaartuigen die gemachtigd zijn om op grond van de in artikel 14, lid 2, bedoelde afwijking blauwvintonijn te bevissen, worden in bijlage I aanvullende voorwaarden vastgesteld voor de bepaling van het maximumaantal vissersvaartuigen.

5.   Het maximumaantal tonnara's van een lidstaat voor de visserij op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, mag niet groter zijn dan het aantal tonnara's waarvoor die lidstaat uiterlijk op 1 juli 2008 een machtiging heeft verleend.

6.   In afwijking van de leden 3 en 5 van dit artikel mag een lidstaat die kan aantonen dat zijn vangstcapaciteit mogelijk niet volstaat om zijn quotum volledig op te gebruiken, besluiten in zijn in artikel 7 bedoelde jaarlijkse visplannen voor de jaren 2015, 2016 en 2017 een groter aantal tonnara's en vaartuigen op te nemen.

7.   Voor de jaren 2015, 2016 en 2017 beperkt elke lidstaat het aantal van zijn ringzegenvaartuigen tot het aantal ringzegenvaartuigen waarvoor hij in 2013 of 2014 een machtiging heeft verleend. Dat geldt niet voor ringzegenvaartuigen die op grond van de in artikel 14, lid 2, onder b), bedoelde afwijking vissen.

8.   Bij het opstellen van zijn beheersplannen voor de vangstcapaciteit wordt de berekening van de vangstcapaciteit van elke lidstaat gebaseerd op de beste vangstniveaus per vaartuig en vistuig zoals in 2009 geraamd door het SCRS en overeengekomen door de Iccat tijdens de intersessionele bijeenkomst van 2010 van het nalevingscomité van de Iccat (15). Na eventuele herzieningen van die vangstniveaus door het SCRS passen de lidstaten altijd de meest recente door de Iccat overeengekomen vangstniveaus toe.

Artikel 10

Beheersplannen voor de kweek

1.   Het jaarlijkse beheersplan voor de kweek dat elke lidstaat indient, voldoet aan de in dit artikel beschreven voorwaarden.

2.   De maximumcapaciteit voor het kweken en mesten van tonijn van elke lidstaat en de maximale binnengebrachte hoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn die elke lidstaat mag toewijzen, worden bepaald overeenkomstig het VWEU en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.   De maximumcapaciteit voor het kweken en mesten van tonijn van een lidstaat mag niet groter zijn dan de capaciteit voor het kweken en mesten van tonijn van de kwekerijen van die lidstaat die waren geregistreerd in het Iccat-register van kweekvoorzieningen of een machtiging hadden gekregen en bij de Iccat waren aangemeld op 1 juli 2008.

4.   In de kwekerijen van een lidstaat mag niet meer in het wild gevangen blauwvintonijn worden binnengebracht dan het niveau van de binnengebrachte hoeveelheden die in 2005, 2006, 2007 en 2008 bij de Iccat zijn geregistreerd door de kwekerijen van die lidstaat.

5.   Elke lidstaat verdeelt de in lid 4 bedoelde jaarlijkse maximumhoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn die mag worden binnengebracht over zijn kwekerijen.

HOOFDSTUK III

TECHNISCHE MAATREGELEN

AFDELING 1

Visseizoenen

Artikel 11

Beugvaartuigen, ringzegenvaartuigen, pelagische trawlers, tonnara's en sport- en recreatievisserij

1.   Voor grote pelagische met de beug vissende vangstvaartuigen van meer dan 24 meter is de visserij op blauwvintonijn toegestaan van 1 januari tot en met 31 mei in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, met uitzondering van het gebied ten westen van 10° WL en ten noorden van 42° NB alsmede van de Noorse exclusieve economische zone, waar deze visserij van 1 augustus tot en met 31 januari is toegestaan.

2.   Voor ringzegenvaartuigen is de visserij op blauwvintonijn van 26 mei tot en met 24 juni, toegestaan in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, met uitzondering van de Noorse exclusieve economische zone, waar deze visserij van 25 juni tot en met 31 oktober is toegestaan.

3.   Voor pelagische trawlers is de visserij op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan toegestaan van 16 juni tot en met 14 oktober.

4.   Voor de sport- en recreatievisserij is de visserij op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee toegestaan van 16 juni tot en met 14 oktober.

5.   De visserij op blauwvintonijn met ander vistuig dan vermeld in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel en in artikel 12, met inbegrip van tonnara's, is het hele jaar toegestaan, overeenkomstig de Iccat–maatregelen inzake instandhouding en beheer.

Artikel 12

Met de hengel of met de sleeplijn vissende vaartuigen

1.   Voor met de hengel of met de sleeplijn vissende vaartuigen is de visserij op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee toegestaan van 1 juli tot en met 31 oktober.

2.   Elke lidstaat kan besluiten om voor met de hengel of met de sleeplijn vissende vaartuigen die onder zijn vlag in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan opereren, een afwijkende aanvangsdatum toe te passen, mits dat geen gevolgen heeft voor de bescherming van de paaigronden, en de totale duur van het visseizoen voor die visserijen niet meer dan vier maanden bedraagt.

3.   Elke lidstaat geeft in zijn jaarlijkse visplan als bedoeld in artikel 7 aan of de aanvangsdata voor die visserijen zijn gewijzigd en vermeldt daarbij tevens de coördinaten van de betrokken gebieden.

AFDELING 2

Minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, incidentele vangsten, bijvangsten

Artikel 13

De aanlandingsplicht

De bepalingen van deze afdeling doen geen afbreuk aan artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met inbegrip van toepasselijke afwijkingen daarvan.

Artikel 14

Minimuminstandhoudingsreferentiegrootte

1.   De minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee gevangen blauwvintonijn wordt vastgesteld op 30 kg of 115 cm vorklengte.

2.   In afwijking van lid 1 geldt voor blauwvintonijn een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte van 8 kg of 75 cm vorklengte wanneer het gaat om:

a)

blauwvintonijn die in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan door met de hengel of met de sleeplijn vissende vaartuigen is gevangen;

b)

blauwvintonijn die in de Adriatische Zee voor kweekdoeleinden is gevangen;

c)

blauwvintonijn die in de Middellandse Zee in het kader van de ambachtelijke kustvisserij op verse vis is gevangen door met de hengel, de beug of de handlijn vissende vaartuigen.

3.   De specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de in lid 2 van dit artikel bedoelde afwijking, zijn vastgesteld in bijlage I.

4.   De betrokken lidstaten verlenen specifieke machtigingen aan vaartuigen die vissen op grond van de in lid 2 van dit artikel bedoelde afwijking. De betrokken vaartuigen worden opgenomen in de in artikel 20, lid 1, onder a), bedoelde lijst van vangstvaartuigen. Daartoe zijn de bepalingen van de artikelen 20 en 21 van toepassing.

Artikel 15

Incidentele vangsten

1.   Onverminderd artikel 14, lid 1, is een incidentele vangst van maximaal 5 % blauwvintonijn met een gewicht tussen 8 en 30 kg of met een vorklengte tussen 75 en 115 cm toegestaan voor alle vangstvaartuigen en tonnara's die actief op blauwvintonijn vissen.

2.   Het in lid 1 genoemde percentage van 5 % wordt berekend op basis van de totale vangsten van blauwvintonijn in aantal vissen die op enig moment na elke visserijactiviteit aan boord van het vaartuig of in de tonnara worden gehouden.

3.   Incidentele vangsten worden in mindering gebracht op het quotum van de voor de vangstvaartuigen of de tonnara verantwoordelijke lidstaat.

4.   Voor de incidentele vangsten van blauwvintonijn geldt het bepaalde in de artikelen 25, 30, 31 en 32.

Artikel 16

Bijvangsten

1.   Elke lidstaat voorziet in de mogelijkheid van bijvangst van blauwvintonijn binnen zijn quotum en deelt dit aan de Commissie mee bij toezending van zijn visplan. Deze bepaling zorgt ervoor dat alle dode vis in mindering wordt gebracht op het quotum.

2.   Unievaartuigen die niet actief op blauwvintonijn vissen, vermijden dat de bijvangsten van blauwvintonijn op enig moment na een visserijactiviteit meer dan 5 % van de totale aan boord gehouden vangsten in gewicht of aantal stuks bedragen. De berekening van dat percentage op basis van het aantal stuks is alleen van toepassing op tonijn en tonijnachtigen die onder het beheer van de Iccat vallen. De lidstaten brengen alle onder de bijvangsten vallende dode vis in mindering op hun quotum.

3.   Voor de lidstaten die geen blauwvintonijnquotum hebben, worden de betrokken bijvangsten in mindering gebracht op het specifieke quotum van de Unie voor bijvangst van blauwvintonijn dat is vastgesteld overeenkomstig het VWEU en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

4.   Indien het aan de lidstaat van het betrokken vissersvaartuig of de betrokken tonnara toegewezen quotum reeds is opgebruikt, wordt het vangen van blauwvintonijn vermeden. Dode blauwvintonijn wordt in zijn geheel en onverwerkt aangeland, en wordt in beslag genomen en aan passende follow-upmaatregelen onderworpen. Overeenkomstig artikel 29 verstrekt elke lidstaat jaarlijks gegevens over de hoeveelheden van deze dode blauwvintonijn aan de Commissie, die deze gegevens doorzendt aan het Iccat-secretariaat.

5.   Op bijvangsten zijn de procedures als bedoeld in de artikelen 27, 30, 31, 32 en 56 van toepassing.

AFDELING 3

Gebruik van luchttuigen

Artikel 17

Gebruik van luchttuigen

Het gebruik van luchttuigen, inclusief vliegtuigen, helikopters of onbemande luchtvaartuigen, voor het zoeken naar blauwvintonijn is verboden.

HOOFDSTUK IV

SPORT- EN RECREATIEVISSERIJ

Artikel 18

Specifieke quota voor sport- en recreatievisserij

Elke lidstaat met een quotum voor blauwvintonijn reglementeert de sport- en recreatievisserij door toewijzing van een specifiek quotum voor die visserij en stelt de Commissie daarvan in kennis bij toezending van zijn visplan.

Artikel 19

Sport- en recreatievisserij

1.   Elke lidstaat met een quotum voor blauwvintonijn reglementeert de sport- en recreatievisserij door vismachtigingen af te geven aan vaartuigen voor sport- en recreatievisserij.

2.   In de sport- en recreatievisserij mag slechts één blauwvintonijn per dag per vaartuig worden gevangen.

3.   Alle aangelande blauwvintonijn bevindt zich in gehele staat of is ontdaan van kieuwen en/of ingewanden. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om tonijnen, en met name jonge tonijnen, die levend zijn gevangen in het kader van de sport- en recreatievisserij, zoveel mogelijk vrij te laten.

4.   Het op de markt brengen van in het kader van de sport- en recreatievisserij gevangen blauwvintonijn is verboden.

5.   Elke lidstaat registreert de vangstgegevens van sport- en recreatievisserij voor het voorafgaande jaar, met inbegrip van het gewicht en de lengte van elke blauwvintonijn, en meldt deze uiterlijk op 30 juni van elk jaar aan de Commissie. De Commissie zendt deze gegevens door aan het SCRS.

6.   Elke lidstaat brengt dode vangsten in het kader van sport- en recreatievisserij in mindering op de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 18 toegewezen quota.

HOOFDSTUK V

CONTROLEMAATREGELEN

AFDELING 1

Register van vaartuigen en tonnara's

Artikel 20

Register van vaartuigen

1.   Elke lidstaat zendt de Commissie een maand vóór de opening van het visseizoen als bedoeld in de artikelen 11 en 12, indien van toepassing, en anders een maand vóór het begin van de geldigheidsduur van de machtiging, elektronisch het volgende toe:

a)

een lijst van alle onder zijn vlag varende vangstvaartuigen die uit hoofde van een vismachtiging gemachtigd zijn om actief op blauwvintonijn te vissen in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee;

b)

een lijst van alle onder zijn vlag varende vissersvaartuigen, andere dan vangstvaartuigen, die gemachtigd zijn om voor blauwvintonijn te opereren in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

2.   Beide lijsten worden opgesteld volgens het model in de Iccat-richtsnoeren voor de indiening van gegevens en informatie.

3.   Een vissersvaartuig mag tijdens een kalenderjaar in beide in lid 1 bedoelde lijsten worden opgenomen, op voorwaarde dat het niet tegelijk in beide lijsten is opgenomen.

4.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde lijsten vermelden de naam van het vaartuig en het nummer in het vlootregister van de Unie (CFR) zoals vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie (16).

5.   Retroactieve opneming is niet toegestaan. Latere wijzigingen die in de loop van een kalenderjaar worden aangebracht in de in lid 1 bedoelde lijsten, worden slechts aanvaard indien het aangemelde vissersvaartuig om legitieme operationele redenen of vanwege overmacht niet aan de visserij kan deelnemen. De betrokken lidstaat brengt in dat geval de Commissie onmiddellijk op de hoogte, met opgave van:

a)

alle bijzonderheden over het vissersvaartuig dat/de vissersvaartuigen die een op de in lid 1 bedoelde lijsten opgenomen vaartuig zal/zullen vervangen, en

b)

een volledig overzicht van de redenen die de vervanging rechtvaardigen, alsmede alle relevante ondersteunende bewijsstukken of referenties.

6.   De Commissie zendt de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens toe aan het Iccat-secretariaat zodat de vaartuigen kunnen worden opgenomen in het Iccat-register van vangstvaartuigen die gemachtigd zijn om actief op blauwvintonijn te vissen, of in het Iccat-register van alle andere vissersvaartuigen (exclusief vangstvaartuigen) die gemachtigd zijn om voor blauwvintonijn te opereren.

7.   Het bepaalde in artikel 8 bis, leden 2, 6, 7 en 8, van Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad (17) is met de noodzakelijke wijzigingen van toepassing.

Artikel 21

Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009

De in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen zijn van toepassing ter aanvulling van die van Verordening (EG) nr. 1224/2009, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

Artikel 22

Vismachtigingen voor vaartuigen

1.   Onverminderd artikel 16 zijn vissersvaartuigen van de Unie die niet in de in artikel 20, lid 1, bedoelde Iccat-registers zijn opgenomen, niet gemachtigd om in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee blauwvintonijn te bevissen, aan boord te houden, over te laden, te vervoeren, over te hevelen, te verwerken of aan te landen.

2.   Wanneer het individuele quotum als opgebruikt wordt beschouwd, trekt de vlaggenlidstaat de vismachtiging voor blauwvintonijn in en kan hij het vaartuig verzoeken zich onmiddellijk naar een door hem aangewezen haven te begeven.

Artikel 23

Register van voor de blauwvintonijnvisserij gemachtigde tonnara's

1.   Uiterlijk op 15 februari van elk jaar verstrekken de lidstaten de Commissie een elektronische lijst van hun tonnara's die uit hoofde van een vismachtiging gemachtigd zijn om op blauwvintonijn te vissen in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. De lijst bevat de naam van de tonnara's en het registratienummer en wordt opgesteld volgens het model in de Iccat-richtsnoeren voor de indiening van vereiste gegevens en informatie.

2.   De Commissie zendt de lijst toe aan het Iccat-secretariaat, zodat die tonnara's kunnen worden opgenomen in het Iccat-register van voor de blauwvintonijnvisserij gemachtigde tonnara's.

3.   Tonnara's van de Unie die niet zijn opgenomen in het Iccat-register, zijn niet gemachtigd om in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee blauwvintonijn te bevissen, aan boord te houden, over te hevelen, te kooien, of aan te landen.

4.   Het bepaalde in artikel 8 bis, leden 2, 4, 6, 7 en 8, van Verordening (EG) nr. 1936/2001 is met de noodzakelijke wijzigingen van toepassing.

Artikel 24

Gezamenlijke visacties

1.   Voor gezamenlijke visacties op blauwvintonijn wordt slechts machtiging verleend indien de betrokken vlaggenlidstaten hiermee instemmen. Voor deze visacties wordt slechts machtiging verleend indien elk betrokken ringzegenvaartuig is uitgerust voor de visserij op blauwvintonijn en over een individueel quotum beschikt. Gezamenlijke visacties met andere verdragsluitende partijen bij het Iccat-verdrag, alsmede samenwerkende niet-verdragsluitende partijen, organisaties en visserijorganisaties („de CPC's”) zijn niet toegestaan.

2.   Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om de volgende informatie te verkrijgen van zijn vissersvaartuigen die een machtiging aanvragen om deel te nemen aan een gezamenlijke visactie:

a)

de duur;

b)

de identiteit van de betrokken exploitanten;

c)

de individuele quota van de vaartuigen;

d)

de sleutel voor de verdeling van de betrokken vangsten tussen de vissersvaartuigen, en

e)

gegevens over de kwekerijen van bestemming.

3.   Elke lidstaat zendt de in lid 2 bedoelde gegevens ten minste 15 dagen vóór het begin van de visactie toe aan de Commissie volgens het in bijlage VI opgenomen model. De Commissie zendt deze gegevens ten minste tien dagen vóór het begin van de visactie door aan het Iccat-secretariaat en de vlaggenstaten van de andere vissersvaartuigen die aan de gezamenlijke visactie deelnemen.

4.   In geval van overmacht geldt de in lid 3 gestelde termijn niet voor de in het kader van lid 2, onder e), gevraagde informatie. In dat geval kunnen de lidstaten zo snel mogelijk een actualisering van die informatie bij de Commissie indienen, samen met een beschrijving van de gebeurtenissen waardoor sprake is van overmacht. De Commissie zendt die informatie door aan het Iccat-secretariaat.

AFDELING 2

Vangsten

Artikel 25

Registratievoorschriften

1.   De kapitein van een vangstvaartuig van de Unie leeft de artikelen 14, 15, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 na en noteert de in bijlage II, deel A, bij de onderhavige verordening vermelde gegevens, indien van toepassing, in het logboek.

2.   Kapiteins van sleepvaartuigen, hulpvaartuigen en verwerkingsvaartuigen registreren hun activiteiten overeenkomstig de vereisten van bijlage II, delen B, C en D.

Artikel 26

Vangstaangiften door kapiteins en exploitanten van tonnara's

1.   Kapiteins van vangstvaartuigen die actief op blauwvintonijn vissen, doen de autoriteiten van de vlaggenlidstaat dagelijks logboekgegevens toekomen, zoals het Iccat-registratienummer, de naam van het vaartuig, het begin en einde van de machtigingsperiode, de datum, het tijdstip, de locatie (lengte- en breedtegraad) en het gewicht en het aantal exemplaren van de in het verdragsgebied gevangen blauwvintonijnen. Zij zenden gedurende de hele periode waarin het vaartuig is gemachtigd om op blauwvintonijn te vissen, deze gegevens elektronisch toe volgens het model in bijlage V.

2.   Kapiteins van ringzegenvaartuigen stellen dagelijks voor elke visserijactiviteit een aangifte op als bedoeld in lid 1, ook in geval van nulvangsten.

3.   De exploitant zendt de aangiften als bedoeld in de leden 1 en 2 toe aan de autoriteiten van zijn vlaggenlidstaat: in het geval van ringzegenvaartuigen en vaartuigen langer dan 24 meter worden de aangiften met betrekking tot de vorige dag dagelijks om 9.00 uur GMT verstuurd, en in het geval van andere vangstvaartuigen worden de aangiften met betrekking tot de voorgaande, op zondag om middernacht GMT eindigende week uiterlijk op maandag om middernacht verstuurd.

4.   De exploitanten van tonnara's die actief op blauwvintonijn vissen, zenden dagelijks een vangstaangifte toe en vermelden daarin het Iccat-registratienummer, de datum, de tijd, de vangsten (gewicht en aantal vissen), ook indien het nulvangsten betreft. Zij zenden gedurende de hele periode waarin zij gemachtigd zijn om op blauwvintonijn te vissen, deze gegevens binnen 48 uur elektronisch toe aan de autoriteiten van hun lidstaat volgens het model in bijlage V.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin nadere regels worden neergelegd voor de registratie en rapportage van activiteiten van vaartuigen en tonnara's overeenkomstig de leden 1 tot en met 4 van dit artikel en bijlage V. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 59, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 27

Door de lidstaten verzonden wekelijkse en maandelijkse vangstaangiften

1.   Elke lidstaat zendt de in artikel 26 bedoelde vangstaangiften na ontvangst onverwijld elektronisch door aan de Commissie en verstrekt de Commissie onverwijld wekelijkse vangstaangiften voor alle vangstvaartuigen en tonnara's volgens het model in bijlage V. De Commissie zendt deze gegevens wekelijks door aan het Iccat-secretariaat volgens het model in de Iccat-richtsnoeren voor de indiening van gegevens en informatie.

2.   Elke lidstaat stelt de Commissie vóór de vijftiende van elke maand in kennis van de in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee gevangen hoeveelheden blauwvintonijn die de vorige maand zijn aangeland, overgeladen, met tonnara's gevangen of gekooid door de vissersvaartuigen of tonnara's die onder zijn vlag varen of in die lidstaat zijn geregistreerd. De gegevens worden verstrekt per vistuigtype en omvatten tevens bijvangsten, vangsten in de sport- en recreatievisserij en nulvangsten. De Commissie zendt die informatie onverwijld door aan het Iccat-secretariaat.

Artikel 28

Informatie over het opgebruiken van het quotum

1.   Elke lidstaat leeft de bepalingen van artikel 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 na en deelt bovendien de Commissie mee wanneer de quota die zijn toegewezen aan een in de artikel 11 of artikel 12 van onderhavige verordening bedoelde vistuiggroep, geacht worden voor 80 % te zijn opgebruikt.

2.   Elke lidstaat leeft de bepalingen van artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 na en deelt bovendien de Commissie mee wanneer de quota die zijn toegewezen aan een in de artikel 11 of artikel 12 van onderhavige verordening bedoelde vistuiggroep, of aan een gezamenlijke visactie, of aan een ringzegenvaartuig, geacht worden te zijn opgebruikt.

3.   De in lid 2 bedoelde informatie gaat vergezeld van officiële stukken waaruit blijkt dat de lidstaat een visserijstop heeft afgekondigd of een oproep tot terugkeer naar de haven heeft gedaan voor de vloot, de vistuiggroep, de gezamenlijke visactie of de vaartuigen met een individueel quotum, en waarin duidelijk de datum en het tijdstip van de sluiting worden vermeld.

Artikel 29

Jaarlijkse rapportage van de vangsten door de lidstaten

1.   Elke lidstaat dient bij de Commissie elk jaar uiterlijk op 15 maart gedetailleerde gegevens in over alle blauwvintonijnvangsten in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee in het voorgaande visseizoen. Die informatie omvat:

a)

de naam en het Iccat-nummer van elk vangstvaartuig;

b)

de geldigheidsduur van de machtiging(en) voor elk vangstvaartuig;

c)

de totale vangsten van elk vangstvaartuig, inclusief nulvangsten, gedurende de hele geldigheidsduur van de machtiging(en);

d)

het totale aantal dagen dat elk vangstvaartuig in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee gedurende de hele geldigheidsduur van de machtiging(en) heeft gevist, en

e)

de totale vangst buiten de machtigingsperiode (bijvangst), inclusief nulvangsten.

2.   Voor vaartuigen die niet gemachtigd zijn om actief op blauwvintonijn te vissen in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee maar blauwvintonijn als bijvangst vingen, omvatten de gegevens die op dezelfde als de in lid 1 bedoelde datum aan de Commissie moeten worden meegedeeld:

a)

de naam en het Iccat-nummer van het vaartuig of, indien geen registratie bij de Iccat heeft plaatsgevonden, het nationale registratienummer, en

b)

de totale blauwvintonijnvangsten.

3.   De lidstaten delen de Commissie alle gegevens mee over niet onder de leden 1 en 2 vallende vaartuigen die zeker of vermoedelijk op blauwvintonijn hebben gevist in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

4.   De Commissie zendt de op grond van de leden 1, 2 en 3 ontvangen gegevens door aan het Iccat-secretariaat.

AFDELING 3

Aanlandingen en overladingen

Artikel 30

Aangewezen havens

1.   Elke lidstaat wijst havens of plaatsen dicht bij de kust aan (aangewezen havens) waar verrichtingen voor het aanlanden of overladen van blauwvintonijn zijn toegestaan.

2.   Lidstaten mogen een haven slechts als aangewezen haven aanmerken indien zij voor die haven de toegestane tijden en plaatsen van aanlanding en overlading specificeren.

3.   Elke lidstaat verstrekt elk jaar uiterlijk op 15 februari een lijst met aangewezen havens aan de Commissie, die deze gegevens doorzendt aan het Iccat-secretariaat.

4.   In het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee gevangen blauwvintonijn mag door vissersvaartuigen uitsluitend worden aangeland en overgeladen in door de CPC's en de lidstaten overeenkomstig de leden 1 en 2 aangewezen havens of plaatsen dicht bij de kust.

Artikel 31

Aanlanding

1.   Artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt voor kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een totale lengte van minstens 12 meter die voorkomen op de lijst van vaartuigen als bedoeld in artikel 20 van deze verordening. De kennisgeving vóór aankomst uit hoofde van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 wordt toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat (en van de vlaggenlidstaat) of de CPC waarvan zij de havens of aanlandingsvoorzieningen wensen te gebruiken.

2.   Bovendien stellen de kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte van minder dan 12 meter die zijn opgenomen in de in artikel 20 bedoelde lijst van vaartuigen, ten minste vier uur vóór de verwachte tijd van aankomst in de haven, de bevoegde autoriteit van de lidstaat (en van de vlaggenlidstaat) of de CPC waarvan zij de havens of aanlandingsvoorzieningen wensen te gebruiken, in kennis van ten minste:

a)

de verwachte aankomststijd;

b)

de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden blauwvintonijn, en

c)

gegevens betreffende het geografische gebied waar de vangsten zijn gedaan.

3.   Indien de lidstaten krachtens het toepasselijke Unierecht gemachtigd zijn een kortere kennisgevingsperiode toe te passen dan die bedoeld in de leden 1 en 2, kan de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden blauwvintonijn worden gemeld op het toepasselijke tijdstip van kennisgeving vóór aankomst. Als de visgronden zich op minder dan vier uur van de haven bevinden, kan de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden blauwvintonijn te allen tijde worden gewijzigd vóór aankomst.

4.   De autoriteiten van de havenlidstaat houden een register bij van alle tijdens het lopende jaar gedane voorafgaande kennisgevingen.

5.   Alle aanlandingen worden overeenkomstig artikel 55, lid 2, gecontroleerd door de bevoegde controleautoriteiten van de havenlidstaat en een percentage daarvan wordt geïnspecteerd op basis van een risicobeoordelingssysteem waarbij quota, omvang van de vloot en visserijinspanning in aanmerking worden genomen. Alle details van het door elke lidstaat vastgestelde controlesysteem worden vermeld in het jaarlijkse inspectieplan als bedoeld in artikel 53. Dit controlesysteem is tevens van toepassing op oogstverrichtingen.

6.   In aanvulling op artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 leggen kapiteins van vangstvaartuigen van de Unie, ongeacht de lengte daarvan, na elke visreis een aanlandingsaangifte over aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat en, als de aanlanding in een haven van een andere lidstaat of CPC heeft plaatsgevonden, de bevoegde autoriteiten van de betrokken havenlidstaat of de betrokken CPC.

7.   Alle aangelande vangsten worden gewogen.

Artikel 32

Overlading

1.   Het is in alle omstandigheden verboden in het verdragsgebied blauwvintonijn op zee over te laden.

2.   Vissersvaartuigen laden gevangen blauwvintonijn alleen over in aangewezen havens onder de voorwaarden van artikel 30.

3.   De havenlidstaat zorgt ervoor dat op alle tijden en plaatsen van overlading een volledige inspectie plaatsvindt.

4.   De kapitein van het ontvangende vissersvaartuig of diens vertegenwoordiger stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de CPC waarvan hij de haven wenst te gebruiken, ten minste 48 uur vóór zijn verwachte aankomsttijd in kennis van:

a)

de verwachte datum, tijd en haven van aankomst;

b)

de geraamde hoeveelheid aan boord gehouden blauwvintonijn en informatie over het geografische gebied waar deze is gevangen;

c)

de naam van het overladende vissersvaartuig en het nummer ervan in het Iccat-register van vangstvaartuigen die zijn gemachtigd om actief op blauwvintonijn te vissen, of in het Iccat-register van andere vissersvaartuigen die zijn gemachtigd om voor blauwvintonijn te opereren in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee;

d)

de naam van het ontvangende vissersvaartuig en het nummer ervan in het Iccat–register van vangstvaartuigen die zijn gemachtigd om actief op blauwvintonijn te vissen, of in het Iccat-register van andere vissersvaartuigen die zijn gemachtigd om voor blauwvintonijn te opereren in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, en

e)

de tonnage van de over te laden blauwvintonijn en het geografische gebied waar deze is gevangen.

5.   Vissersvaartuigen mogen slechts overladen na voorafgaande toestemming daartoe van hun vlaggenstaat.

6.   Vóór de overlading stelt de kapitein van het overladende vissersvaartuig zijn vlaggenstaat in kennis van:

a)

de hoeveelheden over te laden blauwvintonijn;

b)

de datum en de haven van overlading;

c)

de naam, het registratienummer en de vlag van het ontvangende vissersvaartuig en het nummer ervan in het Iccat-register van vangstvaartuigen die zijn gemachtigd om actief op blauwvintonijn te vissen, of in het Iccat-register van andere vissersvaartuigen die zijn gemachtigd om voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee te opereren, en

d)

het geografische gebied waar de blauwvintonijn is gevangen.

7.   Alle overladingen worden in de aangewezen haven geïnspecteerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat. Deze autoriteiten:

a)

inspecteren het ontvangende vissersvaartuig bij aankomst en controleert de lading en de documentatie met betrekking tot de overlading;

b)

zenden binnen vijf dagen na de overlading een overladingsrapport toe aan de autoriteit van de vlaggenstaat van het overladende vissersvaartuig.

8.   In afwijking van de artikelen 21 en 22 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vult de kapitein van een vissersvaartuig van de Unie, ongeachte de lengte van het vissersvaartuig, de Iccat-overladingsaangifte in en zendt hij deze toe aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan het vissersvaartuig de vlag voert. De aangifte wordt uiterlijk 48 uur na de datum van overlading in de haven toegezonden volgens het model in bijlage III van deze verordening.

AFDELING 4

Overhevelingsverrichtingen

Artikel 33

Overhevelingstoestemming

1.   Vóór elke overhevelingsverrichting zendt de kapitein van het overhevelende vangstvaartuig of de exploitant van de overhevelende kwekerij of tonnara een voorafgaande overhevelingskennisgeving toe aan de bevoegde autoriteit van zijn lidstaat, met daarin de volgende gegevens:

a)

de naam van het vangstvaartuig, het sleepvaartuig, de kwekerij of de tonnara, en het nummer ervan in het Iccat-register;

b)

het verwachte tijdstip van overheveling;

c)

de geraamde hoeveelheid over te hevelen blauwvintonijn;

d)

informatie over de positie van overheveling (lengte- en breedtegraad) en de identificeerbare kooinummers;

e)

de naam van het ontvangende sleepvaartuig, het aantal gesleepte kooien en, in voorkomend geval, het nummer ervan in het Iccat-register;

f)

de haven, de kwekerij of de kooi van bestemming van de blauwvintonijn.

2.   Voor het in lid 1 uiteengezette doel wordt voor elke kooi een uniek kooinummer toegekend. Deze nummers worden toegekend aan de hand van een uniek nummeringsysteem dat bestaat uit ten minste de drielettercode van de vlag van het sleepvaartuig gevolgd door drie cijfers.

3.   Vissersvaartuigen, tonnara's of kwekerijen mogen slechts overhevelen na voorafgaande toestemming daartoe van de verantwoordelijke lidstaat. De autoriteiten van die lidstaat besluiten voor elke overhevelingsverrichting of zij toestemming zullen verlenen. Te dien einde wordt voor elke overhevelingsverrichting een uniek identificatienummer toegekend, dat aan de kapitein van het vissersvaartuig, de exploitant van de tonnara of de exploitant van de kwekerij wordt meegedeeld. Indien toestemming wordt verleend, bestaat dat nummer uit de drielettercode van de lidstaat, vier cijfers voor het jaar en de drie letters „AUT” (toestemming verleend), gevolgd door een volgnummer. Indien geen toestemming wordt verleend, bestaat het nummer uit de drielettercode van de lidstaat, vier cijfers voor het jaar en de drie letters „NEG” (toestemming geweigerd), gevolgd door een volgnummer.

4.   Indien er zich tijdens de overhevelingsverrichting vissterfte voordoet, handelen de verantwoordelijke lidstaten en de bij de overheveling betrokken exploitanten overeenkomstig bijlage XII.

5.   De overhevelingstoestemming wordt binnen 48 uur na de indiening van de voorafgaande overhevelingskennisgeving verleend of geweigerd door de voor het vangstvaartuig, het sleepvaartuig, de kwekerij of de tonnara verantwoordelijke lidstaat.

6.   Het feit dat de verantwoordelijke lidstaat toestemming geeft voor de overheveling, betekent niet automatisch dat hij tevens de kooiverrichting toestaat.

Artikel 34

Weigering van de overhevelingstoestemming

1.   De voor het vaartuig, de tonnara of de kwekerij verantwoordelijke lidstaat staat de overheveling niet toe wanneer hij na ontvangst van de voorafgaande overhevelingskennisgeving van oordeel is dat:

a)

het vangstvaartuig dat of de tonnara die volgens de aangifte de vis heeft gevangen, niet over een toereikend quotum beschikte;

b)

de hoeveelheid vis door het vangstvaartuig of de exploitant van de tonnara niet naar behoren is gemeld, voor deze hoeveelheid vis geen toestemming tot kooien is verleend, of deze hoeveelheid vis niet in mindering is gebracht op het geldende quotum;

c)

het vangstvaartuig dat of de tonnara die volgens de aangifte de vis heeft gevangen, niet is gemachtigd om op blauwvintonijn te vissen, of

d)

het sleepvaartuig dat volgens de aangifte de overgehevelde vis in ontvangst moet nemen, niet is opgenomen in het in artikel 20, lid 1, onder b), bedoelde Iccat-register van vissersvaartuigen (exclusief vangstvaartuigen) die gemachtigd zijn om voor blauwvintonijn te opereren of niet is uitgerust met een VMS.

2.   Indien de overheveling niet wordt toegestaan:

a)

vaardigt de voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat een vrijlatingsbevel uit aan de kapitein van het vangstvaartuig, of aan de exploitant van de tonnara of de kwekerij, en deelt hij deze mee dat de overheveling niet wordt toegestaan en de vis weer in zee moet worden vrijgelaten;

b)

laat de kapitein van het vangstvaartuig, de exploitant van de kwekerij of de exploitant van de tonnara, de vis weer vrij;

c)

wordt de blauwvintonijn vrijgelaten volgens de in bijlage XI vastgestelde procedures.

Artikel 35

Monitoring met behulp van een videocamera

1.   Bij overhevelingsverrichtingen van blauwvintonijn ziet de kapitein van het overhevelende vangstvaartuig, de kapitein van het overhevelende sleepvaartuig, de exploitant van de overhevelende kwekerij of de exploitant van de overhevelende tonnara erop toe dat de overhevelingsverrichtingen met een videocamera in het water worden gemonitord ter verificatie van het aantal overgehevelde vissen. De minimumnormen en -procedures voor video-opnamen zijn vastgesteld in bijlage IX.

2.   De voor het vaartuig, de tonnara of de kwekerij verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde video-opnamen ter beschikking van de inspecteurs en de regionale waarnemers van de Iccat worden gesteld.

3.   De voor het vaartuig, de tonnara of de kwekerij verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde video-opnamen ter beschikking van de inspecteurs van de Unie en de nationale waarnemers worden gesteld.

4.   De voor het vaartuig, de tonnara of de kwekerij verantwoordelijke lidstaat neemt de maatregelen die nodig zijn om vervanging, wijziging of manipulatie van de originele video-opname te voorkomen.

Artikel 36

Verificatie door regionale Iccat-waarnemers en instelling en uitvoering van onderzoek

1.   De zich aan boord van het vangstvaartuig of bij de tonnara bevindende regionale Iccat-waarnemers als vervat in artikel 51 en bijlage VII, registreren en rapporteren de overhevelingsverrichtingen, observeren en ramen de overgehevelde vangsten en verifiëren de vermeldingen in de in artikel 33 bedoelde voorafgaande overhevelingstoestemming en in de in artikel 38 bedoelde Iccat-overhevelingsaangifte.

2.   Wanneer het verschil tussen de vangstcijfers die zijn geraamd door de regionale Iccat–waarnemer, de bevoegde controleautoriteiten en/of de kapitein van het vangstvaartuig of de vertegenwoordiger van de tonnara, meer dan 10 % bedraagt, of wanneer de kwaliteit of de duidelijkheid van de video-opname ontoereikend is om dergelijke ramingen te maken, stelt de voor het vangstvaartuig, de kwekerij of de tonnara verantwoordelijke lidstaat een onderzoek in, dat vóór het kooien in de kwekerij of in elk geval uiterlijk 96 uur na instelling van het onderzoek wordt afgesloten. Zolang de resultaten van dit onderzoek niet bekend zijn, is kooien niet toegestaan en wordt de rubriek „vangsten” van het vangstdocument voor blauwvintonijn („Bluefin tuna Catch Document — BCD”) niet gevalideerd.

3.   Wanneer de kwaliteit of de duidelijkheid van de video-opname echter ontoereikend is om het aantal te ramen, mag de exploitant de autoriteiten van de vlaggenstaat van het vaartuig, de tonnara of de kwekerij verzoeken om toestemming om een nieuwe overhevelingsverrichting uit te voeren en de video-opname daarvan aan de regionale Iccat-waarnemer te verstrekken.

4.   Onverminderd de verificatie door een inspecteur ondertekenen de regionale Iccat–waarnemers de Iccat-overhevelingsaangifte alleen wanneer hun waarnemingen in overeenstemming zijn met de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de Iccat en wanneer de in de overhevelingsaangifte opgenomen informatie strookt met hun waarnemingen, inclusief een deugdelijke video-opname als bedoeld in artikel 35, lid 1. Zij ondertekenen deze verklaring met duidelijke vermelding van hun naam en Iccat-nummer.

5.   De regionale Iccat-waarnemers controleren tevens of de Iccat-overhevelingsaangifte is toegezonden aan de kapitein van het sleepvaartuig of de vertegenwoordiger van de tonnara of de kwekerij.

Artikel 37

Maatregelen voor de raming van het aantal en het gewicht van de te kooien blauwvintonijn

De lidstaten nemen de nodige maatregelen en initiatieven om voort te zoeken naar methoden ter verbetering van de raming van zowel het aantal als het gewicht van de blauwvintonijn op het moment van de vangst en het kooien. Elke lidstaat brengt elk jaar vóór 22 augustus verslag over de genomen maatregelen uit aan de Commissie, die deze verslagen indient bij het SCRS.

Artikel 38

Overhevelingsaangifte

1.   Kapiteins van vangstvaartuigen of sleepvaartuigen, exploitanten van tonnara's en exploitanten van kwekerijen vullen na de overhevelingsverrichting de Iccat-overhevelingsaangifte in volgens het model in bijlage IV en zenden deze toe aan de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat.

2.   De overhevelingsaangiften worden genummerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de vaartuigen, de kwekerijen of de tonnara's waaruit wordt overgeheveld. Het nummeringssysteem bevat de drielettercode van de lidstaat, gevolgd door vier cijfers voor het jaar en een uit drie cijfers bestaand volgnummer, gevolgd door de drie letters „ITD” (LS-20**/xxx/ITD).

3.   Het origineel van de overhevelingsaangifte begeleidt de vis bij de overheveling. De kapitein van het vangstvaartuig, de exploitant van de tonnara, de kapitein van het sleepvaartuig of de exploitant van de kwekerij bewaart een kopie van de aangifte.

4.   Kapiteins van vaartuigen die overhevelingsverrichtingen uitvoeren (inclusief sleepvaartuigen) registreren hun activiteiten overeenkomstig de vereisten van bijlage II.

Artikel 39

Uitvoeringshandelingen

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin nadere regels worden neergelegd voor overhevelingsverrichtingen overeenkomstig de artikelen 33 tot en met 38 en de in die artikelen vermelde bijlagen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 59, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

AFDELING 5

Kooiverrichtingen

Artikel 40

Toestemming om te kooien

1.   Vóór het begin van elke kooiverrichting is het verboden de transportkooien te verankeren binnen 0,5 zeemijl van kweekvoorzieningen.

2.   Vóór elke kooiverrichting stelt de bevoegde autoriteit van de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat de voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat of CPC in kennis van de door dat vaartuig of die tonnara gevangen hoeveelheden, en vraagt zij om toestemming om te kooien.

3.   De kooiverrichting vindt pas plaats nadat toestemming is gegeven door:

a)

de voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat of CPC, of

b)

de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat of CPC indien dit is overeengekomen met de betrokken lidstaat of met de vlaggen-CPC.

4.   De toestemming om te kooien wordt door de voor het vangstvaartuig, de tonnara of, indien van toepassing, de kwekerij verantwoordelijke lidstaat of CPC verleend dan wel geweigerd binnen een werkdag na het verzoek en de indiening van de in lid 2 bedoelde informatie. Indien binnen een werkdag geen antwoord is ontvangen, mag de voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat of CPC de toestemming verlenen om te kooien.

5.   Blauwvintonijn wordt vóór 15 augustus gekooid, tenzij de voor de ontvangende kwekerij verantwoordelijke lidstaat of CPC naar behoren gemotiveerde redenen opgeeft. Deze redenen worden met het kooirapport ingediend.

Artikel 41

Weigering van de toestemming om te kooien

1.   De voor het vangstvaartuig, de tonnara of, indien van toepassing, de kwekerij verantwoordelijke lidstaat weigert toestemming te geven om te kooien indien hij na ontvangst van de in artikel 40, lid 2, bedoelde informatie van oordeel is dat:

a)

het vangstvaartuig dat of de tonnara die volgens de aangifte de vis heeft gevangen, niet over een toereikend quotum voor de gekooide blauwvintonijn beschikte;

b)

de hoeveelheid vis door het vangstvaartuig of de tonnara niet naar behoren is gemeld of niet in mindering is gebracht op het geldende quotum, of

c)

het vangstvaartuig dat of de tonnara die volgens de aangifte de vis heeft gevangen, niet gemachtigd is om op blauwvintonijn te vissen.

2.   Indien het kooien niet wordt toegestaan, verzoekt de voor het vangstvaartuig verantwoordelijke lidstaat of CPC de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat of CPC de vangsten in beslag te nemen en de vis weer vrij te laten door een vrijlatingsbevel uit te vaardigen.

3.   Na ontvangst van het vrijlatingsbevel gaat de exploitant van de kwekerij over tot de vrijlating overeenkomstig bijlage XI.

Artikel 42

Documentatie voor de vangst van blauwvintonijn

De voor kwekerijen verantwoordelijke lidstaten verbieden dat voor kweekdoeleinden blauwvintonijn wordt gekooid die niet vergezeld gaat van de door de Iccat voorgeschreven documentatie en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 640/2010 van het Europees Parlement en de Raad (18). De documentatie is nauwkeurig en volledig en is bevestigd en gevalideerd door de autoriteiten van de lidstaat of CPC van de vangstvaartuigen of tonnara's.

Artikel 43

Inspecties

Voor kwekerijen verantwoordelijke lidstaten nemen de nodige maatregelen om elke kooiverrichting in de kwekerijen te inspecteren.

Artikel 44

Monitoring met behulp van een videocamera

1.   De voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat de kooiverrichtingen met een videocamera in het water worden gemonitord. Van elke kooiverrichting wordt een video-opname gemaakt overeenkomstig bijlage IX.

2.   De voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde video-opnamen ter beschikking van de inspecteurs en de regionale waarnemers van de Iccat worden gesteld.

3.   De voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde video-opnamen ter beschikking van de inspecteurs van de Unie en de nationale waarnemers worden gesteld.

4.   De voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat neemt de maatregelen die nodig zijn om vervanging, wijziging of manipulatie van de originele video-opname te voorkomen.

Artikel 45

Instelling en uitvoering van onderzoeken

1.   Wanneer het verschil in de raming van het aantal blauwvintonijnen door de regionale Iccat-waarnemer, de bevoegde controleautoriteiten van de lidstaat of de exploitant van de kwekerij meer dan 10 % bedraagt, stelt de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat in samenwerking met de voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat een onderzoek in.

2.   Zolang de resultaten van dat onderzoek niet bekend zijn, is oogsten niet toegestaan en wordt de rubriek „kweek” van het BCD niet gevalideerd.

3.   De voor de kwekerij en voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaten die de onderzoeken verrichten, mogen ter afsluiting van het onderzoek gebruik maken van andere informatie waarover zij beschikken, met inbegrip van de resultaten van de in artikel 46 bedoelde programma's.

Artikel 46

Maatregelen en programma's ter raming van het aantal en het gewicht van de te kooien blauwvintonijn

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen en initiatieven als bedoeld in artikel 37.

2.   Een programma waarbij gebruik wordt gemaakt van stereoscopische camerasystemen of alternatieve technieken met dezelfde nauwkeurigheid, wordt op 100 % van de kooiverrichtingen toegepast om het aantal vissen en het gewicht ervan bij elke kooiverrichting nauwkeuriger te kunnen bepalen.

3.   Dat programma wordt uitgevoerd volgens de in afdeling B van bijlage X vastgestelde procedures.

4.   De resultaten van dat programma worden overeenkomstig in afdeling B van bijlage X. door de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat meegedeeld aan de voor het vaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat en aan de Commissie. De Commissie zendt deze door aan het Iccat-secretariaat met het oog op doorzending aan de regionale Iccat-waarnemer.

5.   Wanneer uit de resultaten van het programma blijkt dat de hoeveelheden gekooide blauwvintonijn verschillen van de hoeveelheden die als gevangen en overgeheveld zijn gerapporteerd, stelt de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat, in samenwerking met de voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat, een onderzoek in. Wordt het onderzoek niet binnen 10 werkdagen na de mededeling van de resultaten als bedoeld in lid 4 van dit artikel afgesloten of blijkt uit de resultaten van het onderzoek dat het aantal of gemiddelde gewicht van de blauwvintonijn hoger is dan het als gevangen en overgeheveld gerapporteerde aantal of gewicht, dan geven de autoriteiten van de vlaggen-lidstaat of de vlaggen-CPC van het vangstvaartuig of de tonnara het bevel de boventallige hoeveelheden blauwvintonijn weer vrij te laten overeenkomstig de in bijlage XI vastgestelde procedures.

6.   Overeenkomstig de in bijlage X, afdeling B, punt 3, vastgestelde procedures en na de vrijlating, indien van toepassing, worden de uit het programma afgeleide hoeveelheden gebruikt om:

a)

de definitieve vangstcijfers te bepalen die op de nationale quota in mindering moeten worden gebracht;

b)

die cijfers in te vullen in de kooiverklaringen en de desbetreffende afdelingen van het BCD.

7.   Elke voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat brengt uiterlijk op 30 augustus van elk jaar verslag over de resultaten van deze proefprogramma's uit aan de Commissie, die deze verslagen indient bij het SCRS.

8.   De overheveling van levende blauwvintonijn van een kweekkooi naar een andere kweekkooi vindt niet plaats zonder de toestemming en de aanwezigheid van de controleautoriteiten van de lidstaat van de kwekerij.

9.   Is er tussen de hoeveelheden blauwvintonijn die als gevangen door het vaartuig/de tonnara zijn gerapporteerd, en de hoeveelheden die aan de hand van de controlecamera's zijn geconstateerd, een verschil van 10 % of meer als bedoeld in lid 5 van dit artikel en artikel 45, dan is er sprake van een mogelijk geval van niet-naleving door het betrokken vaartuig/de betrokken tonnara en neemt de lidstaten de nodige maatregelen om voor de passende follow-up te zorgen.

Artikel 47

Kooirapport

1.   Binnen een week na voltooiing van de kooiverrichting dient de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat een kooirapport met de in afdeling B van bijlage X vermelde elementen in bij de lidstaat of de CPC waarvan de vaartuigen of tonnara's de blauwvintonijn hebben gevangen, en bij de Commissie. Het rapport bevat ook de op grond van artikel 4 ter en bijlage I bis van Verordening (EG) nr. 1936/2001 in de kooiverklaring te verstrekken informatie. De Commissie zendt het rapport door aan het Iccat-secretariaat.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt een kooiverrichting geacht niet te zijn voltooid tot elk onderzoek dat is ingesteld en elke vrijlating die is bevolen, indien van toepassing, is afgerond.

Artikel 48

Uitvoeringshandelingen

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin nadere regels worden neergelegd voor kooiverrichtingen overeenkomstig de artikelen 40 tot en met 47 en de in die artikelen vermelde bijlagen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 59, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

AFDELING 6

Monitoring en bewaking

Artikel 49

Volgsysteem voor vaartuigen

1.   In afwijking van artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is de verplichting inzake het VMS van toepassing op alle in het in artikel 20, lid 6, van onderhavige verordening bedoelde Iccat-register van vaartuigen opgenomen sleepvaartuigen, ongeacht hun lengte.

2.   Vissersvaartuigen met een lengte van meer dan 15 meter die zijn opgenomen in de lijst van vaartuigen als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder a), of in de lijst van vaartuigen als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder b), beginnen met de doorgifte van die VMS-gegevens aan de Iccat op zijn minst 15 dagen vóór de opening van het visseizoen en gaan daar na de sluiting van elk visseizoen nog op zijn minst 15 dagen mee door, tenzij vooraf een verzoek aan de Commissie wordt gericht om het vaartuig te schrappen uit het Iccat-register van vaartuigen.

3.   Voor controledoeleinden wordt de doorgifte van VMS-gegevens van vangstvaartuigen die gemachtigd zijn om actief op blauwvintonijn te vissen, niet onderbroken wanneer de vaartuigen in de haven zijn.

4.   De lidstaten zien erop toe dat hun visserijcontrolecentra de VMS-boodschappen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen, in realtime en in „https data feed”-formaat doorzenden aan de Commissie en aan een door haar aangewezen instantie. De Commissie zendt die boodschappen elektronisch door aan het Iccat-secretariaat.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

de VMS-boodschappen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen ten minste om de twee uur aan de Commissie worden doorgezonden;

b)

bij een technisch mankement van het VMS, alternatieve boodschappen van onder hun vlag varende vissersvaartuigen die werden ontvangen overeenkomstig artikel 25, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011, binnen 24 uur na ontvangst ervan door hun visserijcontrolecentra worden doorgezonden aan de Commissie;

c)

de aan de Commissie doorgezonden boodschappen een volgnummer (met een unieke identificatiecode) krijgen om overlappingen te voorkomen;

d)

de aan de Commissie doorgezonden boodschappen in overeenstemming zijn met artikel 24, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle aan hun inspectievaartuigen ter beschikking gestelde gegevens vertrouwelijk worden behandeld en enkel worden gebruikt voor inspectie op zee.

Artikel 50

Nationaal waarnemersprogramma

1.   Met betrekking tot vaartuigen die actief zijn in de blauwvintonijnvisserij zorgen de lidstaten ervoor dat nationale waarnemers aanwezig zijn voor ten minste de volgende percentages:

a)

op 20 % van zijn pelagische trawlers (met een lengte van meer dan 15 meter);

b)

op 20 % van zijn beugvisserijvaartuigen (met een lengte van meer dan 15 meter);

c)

op 20 % van zijn met de hengel vissende vaartuigen (met een lengte van meer dan 15 meter);

d)

op 100 % van de sleepvaartuigen;

e)

bij 100 % van de oogstverrichtingen van tonnara's.

2.   De lidstaten verstrekken een officieel identificatiedocument aan de nationale waarnemers.

3.   De taken van de nationale waarnemers bestaan er met name in:

a)

de naleving van de onderhavige verordening door de vissersvaartuigen en tonnara's te monitoren;

b)

de visserijactiviteit te registreren en te rapporteren aan de hand van de volgende gegevens:

i)

de gevangen hoeveelheid (inclusief bijvangst), met inbegrip van de toestand van de soorten, zoals aan boord gehouden of dood of levend teruggegooid;

ii)

vangstgebied (lengte- en breedtegraad);

iii)

omvang van de inspanning (bijvoorbeeld aantal trekken, aantal haken), zoals gedefinieerd in de Iccat-handleiding voor verschillende vistuigtypes;

iv)

datum van de vangst;

c)

vangsten te observeren en te ramen en de in het logboek vermelde gegevens te verifiëren;

d)

vaartuigen die potentieel vissen op een wijze die indruist tegen de Iccat-instandhoudingsmaatregelen, te observeren en te registreren.

4.   Daarnaast verrichten de nationale waarnemers wetenschappelijk werk, onder meer het verzamelen van gegevens in het kader van de door de Iccat gedefinieerde taak II, wanneer dat door de Iccat wordt voorgeschreven, op basis van de instructies van het SCRS.

5.   Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 zorgt elke lidstaat tevens voor:

a)

een representatieve aanwezigheid, in tijd en ruimte, van nationale waarnemers op zijn vaartuigen en tonnara's, teneinde de Commissie te voorzien van adequate en nuttige gegevens en informatie over de vangst, de inspanning en andere wetenschappelijke en beheersaspecten, met inachtneming van de kenmerken van de betrokken vloot en visserij;

b)

degelijke protocollen voor gegevensverzameling;

c)

een degelijke opleiding en erkenning van nationale waarnemers alvorens zij worden ingezet;

d)

een zo gering mogelijke verstoring van de werkzaamheden van de vissersvaartuigen en tonnara's die in het verdragsgebied actief zijn.

6.   De gegevens en informatie die in het kader van het waarnemersprogramma van elke lidstaat worden verzameld, worden uiterlijk op 15 juli van elk jaar aan de Commissie verstrekt. De Commissie zendt deze gegevens en informatie waar passend door aan het SCRS en het Iccat-secretariaat.

Artikel 51

Regionaal Iccat-waarnemersprogramma

1.   Het regionaal Iccat-waarnemersprogramma als omschreven in de leden 2 tot en met 6 en nader gespecificeerd in bijlage VII, is van toepassing in de Unie.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat er een regionale Iccat-waarnemer aanwezig is:

a)

op alle ringzegenvaartuigen die gemachtigd zijn om op blauwvintonijn te vissen;

b)

bij alle overhevelingen van blauwvintonijn uit ringzegenvaartuigen;

c)

bij alle overhevelingen van blauwvintonijn uit tonnara's naar transportkooien;

d)

bij alle overhevelingen uit een kwekerij naar een andere kwekerij;

e)

bij alle kooiverrichtingen van blauwvintonijn in kwekerijen;

f)

bij alle verrichtingen voor het oogsten van blauwvintonijn in kwekerijen.

3.   Ringzegenvaartuigen waarop geen regionale Iccat-waarnemer aanwezig is, worden niet gemachtigd om in de blauwvintonijnvisserij te vissen of anderszins te opereren.

4.   De voor kwekerijen verantwoordelijke lidstaten zorgen ervoor dat bij alle kooiverrichtingen en bij elke oogst van vis op die kwekerijen telkens een regionale Iccat-waarnemer aanwezig is.

5.   De regionale Iccat-waarnemers hebben met name tot taak:

a)

de visserij- en kweekactiviteiten te observeren en te monitoren, zodat zij in overeenstemming zijn met de desbetreffende instandhoudings- en beheersmaatregelen van de Iccat;

b)

de Iccat-overhevelingsaangiften als bedoeld in artikel 38, de in artikel 47 bedoelde kooirapporten en de BCD's te ondertekenen wanneer zij van oordeel zijn dat de erin opgenomen informatie strookt met hun waarnemingen;

c)

wetenschappelijk werk te verrichten, zoals het nemen van monsters, zoals door de Iccat wordt voorgeschreven, op basis van de instructies van het SCRS.

6.   De vlaggenlidstaat waarborgt dat kapiteins, bemanningsleden, personeel en eigenaren van kwekerijen, tonnara's en vaartuigen, regionale Iccat-waarnemers bij het uitoefenen van hun taken niet hinderen, intimideren, beïnvloeden, omkopen of proberen om te kopen.

AFDELING 7

Inspecties en kruiscontroles

Artikel 52

Iccat-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie

1.   De in bijlage VIII opgenomen Iccat-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie („de Iccat-regeling”) is van toepassing in de Unie.

2.   De lidstaten waarvan de vissersvaartuigen gemachtigd zijn om in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee op blauwvintonijn te vissen, wijzen inspecteurs aan en verrichten inspecties op zee in het kader van de Iccat-regeling.

3.   Wanneer in een bepaalde periode meer dan 15 onder de vlag van een lidstaat varende vissersvaartuigen bij de blauwvintonijnvisserij in het verdragsgebied zijn betrokken, zet die lidstaat een inspectievaartuig in voor het verrichten van inspectie en controle op zee in het verdragsgebied gedurende de gehele periode waarin die vaartuigen daar aanwezig zijn. Aan die verplichting wordt geacht te zijn voldaan indien de lidstaten meewerken aan het inzetten van een inspectievaartuig of indien een inspectievaartuig van de Unie wordt ingezet in het verdragsgebied.

4.   De Commissie of een door haar aangewezen instantie kan inspecteurs van de Unie voor de Iccat-regeling inzetten.

5.   De Commissie of een door haar aangewezen instantie zorgt voor de coördinatie van de bewakings- en inspectiewerkzaamheden voor de Unie. De Commissie kan, in overleg met de betrokken lidstaten, gezamenlijke inspectieprogramma's opstellen waarmee de Unie haar verplichtingen in het kader van de Iccat-regeling kan nakomen. De lidstaten waarvan de vissersvaartuigen bij de blauwvintonijnvisserij betrokken zijn, nemen de nodige maatregelen om de uitvoering van deze programma's te vergemakkelijken, met name met betrekking tot de vereiste personele en materiële middelen, alsmede de perioden en geografische gebieden waarin die moeten worden ingezet.

6.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 april van elk jaar in kennis van de namen van de inspecteurs en de inspectievaartuigen die zij in de loop van het jaar voor de Iccat-regeling willen inzetten. Op basis van die gegevens stelt de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, elk jaar een planning op voor de deelname van de Unie aan de regeling, die zij aan het Iccat-secretariaat en aan de lidstaten toezendt.

Artikel 53

Toezending van de inspectieplannen

1.   De lidstaten zenden uiterlijk op 31 januari van elk jaar hun inspectieplannen toe aan de Commissie. De inspectieplannen worden opgesteld in overeenstemming met:

a)

de doelstellingen, prioriteiten en procedures alsmede de ijkpunten voor inspectieactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in het uit hoofde van artikel 95 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde speciale controle- en inspectieprogramma voor blauwvintonijn uit het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee;

b)

het uit hoofde van artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde nationale controleactieprogramma voor blauwvintonijn uit het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

2.   De Commissie bundelt de nationale inspectieplannen en neemt ze op in het inspectieplan van de Unie. Het inspectieplan wordt door de Commissie ter goedkeuring door de Iccat doorgezonden aan het Iccat-secretariaat, samen met de in artikel 6, lid 1, bedoelde plannen.

Artikel 54

Inspecties in geval van inbreuken

1.   De vlaggenlidstaat neemt de in lid 2 van dit artikel bepaalde maatregelen wanneer een onder zijn vlag varend vaartuig:

a)

zijn in de artikelen 25 en 26 bedoelde rapportageverplichting niet is nagekomen, of

b)

een inbreuk heeft begaan op de bepalingen van de onderhavige verordening, de artikelen 89 tot en met 93 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 of hoofdstuk IX van Verordening (EG) nr. 1005/2008.

2.   De vlaggenlidstaat ziet erop toe dat onder zijn gezag een fysieke inspectie in zijn havens wordt verricht of, wanneer het vaartuig zich niet in een van zijn havens bevindt, door een andere door de vlaggenstaat aangewezen persoon wordt verricht.

Artikel 55

Kruiscontrole

1.   Mede aan de hand van inspectieverslagen, waarnemingsverslagen en VMS-gegevens controleert elke lidstaat de indiening van logboeken en relevante gegevens die zijn opgenomen in de logboeken van zijn vissersvaartuigen, de overhevelings- of overladingsdocumenten en de BCD's, overeenkomstig artikel 109 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.   Telkens wanneer wordt aangeland, overgeladen of gekooid, verricht elke lidstaat kruiscontroles tussen de per soort in het logboek van het vissersvaartuig geregistreerde hoeveelheden of de per soort in de overhevelings- of overladingsaangifte geregistreerde hoeveelheden en de hoeveelheden die zijn geregistreerd in de aanlandingsaangifte of de kooiverklaring, en elk ander relevant document zoals facturen en/of verkoopdocumenten, in overeenstemming met artikel 109 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

AFDELING 8

Op de markt brengen

Artikel 56

Marktmaatregelen

1.   Onverminderd de Verordeningen (EG) nr. 1224/2009 en (EG) nr. 1005/2008 en Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (19), zijn het verhandelen, aanlanden, invoeren, uitvoeren, kooien voor mest- of kweekdoeleinden, wederuitvoeren en overladen van blauwvintonijn uit het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee zonder accurate, volledige en gevalideerde documentatie zoals vastgesteld bij deze verordening, Verordening (EU) nr. 640/2010 en artikel 4 ter van Verordening (EG) nr. 1936/2001, in de Unie verboden.

2.   Het verhandelen, invoeren, aanlanden, kooien voor mest- of kweekdoeleinden, verwerken, uitvoeren, wederuitvoeren en overladen van blauwvintonijn uit het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee zijn in de Unie verboden indien:

a)

de blauwvintonijn is gevangen door vissersvaartuigen of tonnara's waarvan de vlaggenstaat niet beschikt over een quotum, vangstbeperking of toegewezen visserijinspanning voor blauwvintonijn uit het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan of de Middellandse Zee, in het kader van de voorwaarden van de beheers- en instandhoudingsmaatregelen van de Iccat, of

b)

de blauwvintonijn is gevangen door een vissersvaartuig of een tonnara waarvan het individuele quotum op het tijdstip van de vangst was opgebruikt of waarvan de staat op het tijdstip van de vangst niet meer over vangstmogelijkheden beschikte.

3.   Onverminderd de Verordeningen (EG) nr. 1224/2009, (EG) nr. 1005/2008 en (EU) nr. 1379/2013, zijn het verhandelen, het invoeren, het aanlanden, het verwerken en het uitvoeren door mestbedrijven of kwekerijen van blauwvintonijn uit het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee die niet voldoen aan de in lid 1 van dit artikel van de onderhavige verordening bedoelde verordeningen, in de Unie verboden.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 57

Evaluatie

De lidstaten dienen uiterlijk op 15 september van elk jaar een gedetailleerd verslag over de uitvoering van deze verordening in bij de Commissie. Op basis van de van de lidstaten ontvangen informatie dient de Commissie uiterlijk op 15 oktober van elk jaar een gedetailleerd verslag over de uitvoering van Iccat-aanbeveling 14-04 in bij het Iccat-secretariaat.

Artikel 58

Financiering

Voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (20) is het meerjarige herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee een meerjarig plan in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 59

Toepassing

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor visserij en aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 60

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 302/2009 wordt ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XIII.

Artikel 61

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 14 september 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

I. KORČOK


(1)  PB C 383 van 17.11.2015, blz. 100.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juli 2016.

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen („het Iccat-Verdrag”) (PB L 162 van 18.6.1986, blz. 34).

(5)  Verordening (EG) nr. 1559/2007 van de Raad van 17 december 2007 tot vaststelling van een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 520/2007 (PB L 340 van 22.12.2007, blz. 8).

(6)  Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad van 6 april 2009 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee tot wijziging van Verordening (EG) nr. 43/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1559/2007 (PB L 96 van 15.4.2009, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 500/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee (PB L 157 van 16.6.2012, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 544/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee (PB L 163 van 29.5.2014, blz. 7).

(9)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie, als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, in het kader van het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen en van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 16 van 23.1.2015, blz. 23).

(10)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(11)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1)

(12)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).

(14)  Uitvoeringsbesluit 2014/156/EU van de Commissie van 19 maart 2014 tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de bevissing van blauwvintonijnbestanden in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee en zwaardvisbestanden in de Middellandse Zee en voor de bevissing van sardine- en ansjovisbestanden in het noordelijke deel van de Adriatische Zee (PB L 85 van 21.3.2014, blz. 15).

(15)  Verslag van de intersessionele bijeenkomst van het nalevingscomité (Madrid, Spanje, 24 tot en met 26 februari 2010), punt 5 en aanhangsel 3 bij bijlage 4.2.

(16)  Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 25).

(17)  Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad van 27 september 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 263 van 3.10.2001, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) nr. 640/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 tot vaststelling van een vangstdocumentatieprogramma voor blauwvintonijn Thunnus thynnus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1984/2003 van de Raad (PB L 194 van 24.7.2010, blz. 1).

(19)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(20)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).


BIJLAGE I

Specifieke voorwaarden voor de in artikel 14, lid 2, bedoelde visserijen

1.

In aanvulling op de bepalingen van artikel 9, lid 3, wordt het maximumaantal met de hengel en de sleeplijn vissende vaartuigen die gemachtigd zijn om, onder de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de in artikel 14, lid 2, onder a), vermelde afwijking, in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan op blauwvintonijn te vissen, vastgesteld op het aantal vangstvaartuigen van de Unie die in 2006 aan de gerichte visserij op blauwvintonijn hebben deelgenomen.

2.

In aanvulling op de bepalingen van artikel 9, lid 3, wordt het maximumaantal vangstvaartuigen die gemachtigd zijn om, onder de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de in artikel 14, lid 2, onder b), bedoelde afwijking, in de Adriatische Zee voor kweekdoeleinden op blauwvintonijn te vissen, vastgesteld op het aantal vangstvaartuigen van de Unie die in 2008 aan de gerichte visserij op blauwvintonijn hebben deelgenomen. Te dien einde wordt rekening gehouden met het aantal Kroatische vangstvaartuigen die in 2008 aan de gerichte visserij op blauwvintonijn hebben deelgenomen.

3.

In aanvulling op de bepalingen van artikel 9, lid 3, wordt het maximumaantal met de hengel, de beug en de handlijn vissende vaartuigen die gemachtigd zijn om, onder de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de in artikel 14, lid 2, onder c), bedoelde afwijking, in de Middellandse Zee op blauwvintonijn te vissen, vastgesteld op het aantal vangstvaartuigen van de Unie dat in 2008 aan de gerichte visserij op blauwvintonijn hebben deelgenomen.

4.

Het maximumaantal vangstvaartuigen dat volgens de punten 1, 2 en 3 van deze bijlage is vastgesteld, wordt overeenkomstig het VWEU en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 aan de lidstaten toegewezen.

5.

Niet meer dan 7 % van het quotum van de Unie voor blauwvintonijn met een gewicht tussen 8 en 30 kg of een lengte tussen 75 en 115 cm wordt aan de in artikel 14, lid 2, onder a), en in punt 1 van deze bijlage bedoelde gemachtigde vangstvaartuigen toegewezen. Dit quotum wordt overeenkomstig het VWEU en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 aan de lidstaten toegewezen.

6.

In afwijking van artikel 14, lid 2, onder a), mag binnen het in punt 5 van deze bijlage vermelde quotum van 7 % tot 100 ton worden toegewezen voor de vangst van blauwvintonijn met een gewicht van 6,4 kg of een lengte van 70 cm door met de hengel vissende vaartuigen van minder dan 17 meter.

7.

De maximale toewijzing van het quotum van de Unie aan de lidstaten om te vissen onder de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de in artikel 14, lid 2, onder b), en punt 2 van deze bijlage bedoelde afwijking wordt overeenkomstig het VWEU en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgesteld.

8.

Niet meer dan 2 % van het quotum van de Unie voor blauwvintonijn met een gewicht tussen 8 en 30 kg of een lengte tussen 75 en 115 cm wordt aan de in artikel 14, lid 2, onder c), en in punt 3 van deze bijlage bedoelde gemachtigde vangstvaartuigen toegewezen. Dit quotum wordt overeenkomstig het VWEU en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 aan de lidstaten toegewezen.

9.

Elke lidstaat waarvan de met de hengel, de beug, de handlijn of de sleeplijn vissende vaartuigen overeenkomstig artikel 14, lid 2, en deze bijlage gemachtigd zijn om op blauwvintonijn te vissen, stelt de volgende voorschriften inzake het staartmerk vast:

a)

op elke blauwvintonijn wordt onmiddellijk na het lossen een staartmerk aangebracht;

b)

elk staartmerk heeft een uniek identificatienummer en wordt opgenomen in statistische documenten betreffende blauwvintonijn en aangebracht op de buitenkant van elke verpakking die tonijn bevat.


BIJLAGE II

LOGBOEKVOORSCHRIFTEN

A.   VANGSTVAARTUIGEN

Minimumspecificaties voor visserijlogboeken:

1.

De bladzijden van het logboek zijn genummerd.

2.

Het logboek wordt elke dag ingevuld (middernacht) en in elk geval vóór aankomst in de haven.

3.

In geval van inspecties op zee wordt het logboek aangevuld.

4.

Eén kopie van de bladzijden blijft aan het logboek gehecht.

5.

Logboeken worden aan boord bewaard en bestrijken een jaar.

Minimumstandaardinformatie in visserijlogboeken:

1.

Naam en adres van de kapitein.

2.

Data en havens van vertrek, data en havens van aankomst.

3.

Naam van het vaartuig, registratienummer, Iccat-nummer, internationale radioroepnaam en IMO-nummer (indien beschikbaar).

4.

Vistuig:

a)

soort naar FAO-code;

b)

afmetingen (bv. lengte, maaswijdte, aantal haken).

5.

Activiteiten op zee met (ten minste) één lijn per dag van de visreis:

a)

activiteit (bv. vissen, stomen);

b)

positie: exacte dagelijkse posities (in graden en minuten), voor elke visserijactiviteit of op het middaguur op dagen waarop niet is gevist;

c)

vangstgegevens, waaronder:

1.

FAO-code;

2.

levend gewicht (RWT) in kg per dag;

3.

aantal stuks per dag.

Voor ringzegenvaartuigen wordt dit per visserijactiviteit geregistreerd, ook in geval van nulvangsten.

6.

Handtekening van de kapitein.

7.

Manier van wegen: schatten, wegen aan boord.

8.

In het logboek wordt de hoeveelheid in equivalent levend gewicht genoteerd en worden de in de evaluatie gebruikte omrekeningsfactoren vermeld.

Minimuminformatie in visserijlogboeken in geval van aanlanding of overlading:

1.

Data en haven van aanlanding/overlading.

2.

Producten:

a)

soorten en aanbiedingsvorm naar FAO-code;

b)

aantal vissen of dozen en hoeveelheid in kg.

3.

Handtekening van de kapitein of de gemachtigde.

4.

In geval van overlading: naam, vlag en Iccat-nummer van het ontvangende vaartuig.

Minimuminformatie in visserijlogboeken in geval van overheveling naar kooien:

1.

Datum, tijd en positie (breedtegraad/lengtegraad) van de overheveling.

2.

Producten:

a)

identificatie van de soorten naar FAO-code;

b)

aantal en hoeveelheid in kg van de naar kooien overgehevelde vissen.

3.

Naam, vlag en Iccat-nummer van het sleepvaartuig.

4.

Naam en Iccat-nummer van de kwekerij van bestemming.

5.

In het geval van een gezamenlijke visactie noteren de kapiteins, in aanvulling op de in de punten 1 tot en met 4 vermelde informatie, het volgende in het logboek:

a)

met betrekking tot het vangstvaartuig dat de vis naar kooien overhevelt:

de hoeveelheid aan boord genomen vangsten,

de hoeveelheid van de op het individuele quotum in mindering gebrachte vangsten,

de namen van de andere bij de gezamenlijke visactie (GVA) betrokken vaartuigen;

b)

met betrekking tot de andere vangstvaartuigen in dezelfde gezamenlijke visactie die niet bij de overheveling van de vis betrokken zijn:

de namen, internationale radioroepnamen en Iccat-nummers van die vaartuigen,

de vermelding dat geen vangsten aan boord zijn genomen of naar kooien zijn overgeheveld,

de hoeveelheid van de op hun individuele quota in mindering gebrachte vangsten,

de naam en het Iccat-nummer van het onder a) bedoelde vangstvaartuig.

B.   SLEEPVAARTUIGEN

1.

De kapitein van een sleepvaartuig noteert in het dagelijkse logboek het volgende: de datum, tijd en positie van de overheveling, de overgehevelde hoeveelheden (aantal vissen en hoeveelheid in kg), het nummer van de kooi, evenals de naam, de vlag en het Iccat-nummer van het vangstvaartuig, de naam en het Iccat-nummer van het andere betrokken vaartuig of de andere betrokken vaartuigen, de naam en het Iccat-nummer van de kwekerij van bestemming, en het nummer van de Iccat-overhevelingsaangifte.

2.

Verdere overhevelingen naar hulpvaartuigen of andere sleepvaartuigen worden gemeld, met dezelfde informatie als in punt 1, evenals de naam, de vlag en het Iccat-nummer van de hulpvaartuigen of andere sleepvaartuigen en het nummer van de Iccat-overhevelingsaangifte.

3.

Het dagelijkse logboek bevat de gegevens van alle gedurende het visseizoen uitgevoerde overhevelingen. Het dagelijkse logboek wordt aan boord gehouden en is te allen tijde beschikbaar voor controledoeleinden.

C.   HULPVAARTUIGEN

1.

De kapitein van een hulpvaartuig noteert de activiteiten dagelijks in het logboek, inclusief de datum, tijd en posities, de hoeveelheden aan boord genomen blauwvintonijn, en de naam van het vissersvaartuig, de kwekerij of de tonnara waarmee hij werkt.

2.

Het dagelijkse logboek bevat de gegevens van alle gedurende het visseizoen uitgevoerde activiteiten. Het dagelijkse logboek wordt aan boord gehouden en is te allen tijde beschikbaar voor controledoeleinden.

D.   VERWERKINGSVAARTUIGEN

1.

De kapitein van een verwerkingsvaartuig noteert in het dagelijkse logboek het volgende: de datum, tijd en positie van de activiteiten, de overgeladen hoeveelheden en het aantal en gewicht van de blauwvintonijn die het vaartuig heeft ontvangen van kwekerijen, tonnara's of vangstvaartuigen, indien van toepassing. De kapitein noteert tevens de namen en Iccat-nummers van die kwekerijen, tonnara's of vangstvaartuigen.

2.

De kapitein van een verwerkingsvaartuig houdt een dagelijks logboek over de visverwerking bij, waarin het levend gewicht en het aantal vissen dat is overgeheveld of overgeladen, de gebruikte omrekeningsfactor, en de gewichten en hoeveelheden per aanbiedingsvorm van de producten worden gespecificeerd.

3.

De kapitein van een verwerkingsvaartuig houdt een opslagschema bij met de locatie en de hoeveelheden van elke soort en de aanbiedingsvorm.

4.

Het dagelijkse logboek bevat de gegevens van alle gedurende het visseizoen uitgevoerde overladingen. Het dagelijkse logboek, het logboek over de visverwerking, het opslagschema en de originelen van de Iccat-overladingsaangiften worden aan boord gehouden en zijn te allen tijde beschikbaar voor controledoeleinden.


BIJLAGE III

Iccat-overladingsaangifte

Image

Tekst van het beeld

Image

Tekst van het beeld

BIJLAGE IV

Image

Tekst van het beeld

Image

Tekst van het beeld

BIJLAGE V

Vangstaangifteformulier

Vlag

Iccat-nummer

Naam vaartuig

Startdatum aangifte

Einddatum aangifte

Duur aangifteperiode (dagen)

Datum van de vangst

Plaats van de vangst

Vangst

Toegewezen gewicht bij een gezamenlijke visactie (kg)

Breedtegraad

Lengtegraad

Gewicht (kg)

Aantal stuks

Gemiddeld gewicht (kg)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


BIJLAGE VI

Gezamenlijke visactie

Vlaggenstaat

Naam vaartuig

Iccat-nummer

Duur van de actie

Identiteit van de exploitanten

Individueel quotum van het vaartuig

Sleutel voor verdeling per vaartuig

Kweek- en mestbedrijf van bestemming

CPC

Iccat-nummer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Datum …

Validering door de vlaggenstaat:


BIJLAGE VII

Regionaal Iccat-waarnemersprogramma

AANWIJZING VAN REGIONALE ICCAT-WAARNEMERS

1.

Voor de uitvoering van zijn taken beschikt elke regionale Iccat-waarnemer over de volgende kwalificaties:

a)

voldoende ervaring met het identificeren van vissoorten en vistuig;

b)

voldoende kennis van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de Iccat, die is gevalideerd aan de hand van een door de lidstaten beschikbaar gesteld certificaat en is gebaseerd op de opleidingsrichtsnoeren van de Iccat;

c)

de capaciteit tot accurate waarneming en registratie;

d)

voldoende kennis van de taal van de vlaggenstaat van het geobserveerde vaartuig of de geobserveerde kwekerij.

VERPLICHTINGEN VAN DE REGIONALE ICCAT-WAARNEMERS

2.

De regionale Iccat-waarnemers:

a)

hebben de technische opleiding gevolgd die volgens de door de Iccat opgestelde richtsnoeren is vereist;

b)

zijn onderdaan van een van de lidstaten en, voor zover mogelijk, niet van de lidstaat van de kwekerij of de tonnara of van de vlaggenstaat van het ringzegenvaartuig. Indien blauwvintonijn uit de kooi wordt geoogst en als vers product wordt verhandeld, mag de regionale Iccat-waarnemer die de oogst observeert echter een onderdaan zijn van de voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat;

c)

zijn in staat de in punt 3 van deze bijlage vermelde taken uit te voeren;

d)

zijn opgenomen in de door de Iccat bijgehouden lijst van regionale Iccat-waarnemers;

e)

hebben geen lopende financiële belangen in, noch voordeel bij de blauwvintonijnvisserij.

TAKEN REGIONALE ICCAT-WAARNEMERS

3.

De taken van de regionale Iccat-waarnemers behelzen met name het volgende:

a)

op ringzegenvaartuigen zien de waarnemers toe op de naleving van de betrokken, door de Iccat vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen. Meer in het bijzonder doet de regionale waarnemer het volgende:

1.

indien de regionale Iccat-waarnemer zaken constateert die erop kunnen wijzen dat de Iccat-aanbevelingen niet wordt nageleefd, die informatie onverwijld indienen bij de uitvoerende onderneming van de regionale Iccat-waarnemer, die deze informatie onverwijld doorzendt aan de autoriteiten van de vlaggenstaat van het vangstvaartuig;

2.

de visserijactiviteiten registreren en rapporteren;

3).

vangsten te observeren en te ramen en de in het logboek vermelde gegevens te verifiëren;

4.

een dagelijks rapport van de overhevelingsverrichtingen van de ringzegenvaartuigen opstellen;

5.

vaartuigen die mogelijk vissen op een wijze die indruist tegen de Iccat-instandhoudings- en beheersmaatregelen, observeren en registreren;

6.

de uitgevoerde overhevelingsverrichtingen registreren en rapporteren;

7.

de positie verifiëren van vaartuigen die overhevelingsverrichtingen uitvoeren;

8.

de overgehevelde producten waarnemen en ramen, onder meer aan de hand van video-opnamen;

9.

de naam en het Iccat-nummer van het betrokken vissersvaartuig waarnemen en registreren;

10.

op verzoek van de Commissie wetenschappelijk werk verrichten, zoals het verzamelen van taak II-gegevens, op basis van richtsnoeren van het SCRS;

b)

wat kwekerijen en tonnara's betreft, zien de regionale Iccat-waarnemers toe op de naleving van de desbetreffende, door de Iccat vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen. Meer in het bijzonder doen de regionale Iccat-waarnemers het volgende:

1.

de gegevens in de overhevelingsaangifte, de kooiverklaring en het vangstdocument voor blauwvintonijn (Bluefin tuna Catch Document — BCD) verifiëren, onder meer aan de hand van video-opnamen;

2.

de gegevens in de overhevelingsaangifte, de kooiverklaring en de BCD's certificeren;

3.

een dagelijks rapport van de overhevelingsverrichtingen van de kwekerijen en tonnara's opstellen;

4.

de overhevelingsaangifte, de kooiverklaring en de BCD's alleen medeondertekenen als hij van oordeel is dat de daarin vermelde gegevens overeenstemmen met zijn waarnemingen, inclusief een video-opname die voldoet aan de voorschriften bedoeld in artikel 35, lid 1, en artikel 44, lid 1;

5.

op verzoek van de Commissie wetenschappelijk werk verrichten, zoals het nemen van monsters op basis van richtsnoeren van het SCRS;

6.

de aanwezigheid van alle soorten merken, met inbegrip van natuurlijke merken, registreren en verifiëren, en elke aanwijzing van recente merkverwijderingen melden;

c)

algemene rapporten opstellen aan de hand van de overeenkomstig dit punt verzamelde gegevens en de kapitein/exploitant van de kwekerij de gelegenheid geven daarin relevante informatie op te nemen;

d)

het onder punt c) bedoelde algemene rapport binnen 20 dagen na de waarnemingsperiode indienen bij het secretariaat;

e)

eventuele, andere, door de Iccat gedefinieerde taken uitvoeren.

4.

Alle informatie over de visserijactiviteiten en de overhevelingsverrichtingen van de ringzegenvaartuigen en van de kwekerijen wordt door de regionale Iccat-waarnemers vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de verbintenis die zij daartoe bij hun aanstelling als regionaal Iccat-waarnemer schriftelijk zijn aangegaan.

5.

De regionale Iccat-waarnemers voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de vlaggenstaat of de staat van de kwekerij met jurisdictie over het/de aan hen voor waarneming toegewezen vaartuig/kwekerij.

6.

De regionale Iccat-waarnemers eerbiedigen de hiërarchische verhoudingen en algemene gedragsregels die gelden voor alle bemanningsleden van het vaartuig en personeelsleden van de kwekerij, tenzij die regels de uitoefening van de taken van de regionale Iccat-waarnemers in het kader van dit programma in de weg staan en tenzij ze in strijd zijn met de in punt 7 van deze bijlage en artikel 51, lid 6, bepaalde verplichtingen van de bemanningsleden van het vaartuig en de personeelsleden van de kwekerij.

VERPLICHTINGEN VAN DE VLAGGENLIDSTATEN TEN AANZIEN VAN REGIONALE ICCAT-WAARNEMERS

7.

Lidstaten die verantwoordelijk zijn voor een ringzegenvaartuig, kwekerij of tonnara, zorgen ervoor dat regionale Iccat-waarnemers:

a)

toegang wordt verleend tot het personeel van het vaartuig, de kwekerij en de tonnara, en tot het vistuig, de kooien en de apparatuur;

b)

indien zij daarom verzoeken, ook toegang wordt verleend tot de volgende apparatuur, als die aanwezig is op het vaartuig waarvoor zij zijn aangewezen, om de uitvoering van hun taken als bepaald in punt 3 van deze bijlage te vergemakkelijken:

1.

satellietnavigatieapparatuur;

2.

radarschermen, als die worden gebruikt;

3.

elektronische-communicatieapparatuur;

c)

logies, maaltijden en adequate sanitaire voorzieningen van dezelfde kwaliteit als de officieren krijgen;

d)

voldoende ruimte op de brug of in het stuurhuis krijgen om hun administratieve werkzaamheden uit te voeren, evenals voldoende ruimte op het dek krijgen voor het uitoefenen van hun waarnemerstaken.

KOSTEN DIE VOORTVLOEIEN UIT HET REGIONAAL ICCAT-WAARNEMERSPROGRAMMA

8.

Alle kosten die voortvloeien uit de activiteiten van regionale Iccat-waarnemers zijn voor rekening van de exploitant van de kwekerij of de eigenaar van het ringzegenvaartuig.


BIJLAGE VIII

Iccat-regeling inzake gezamenlijke internationale inspectie

Tijdens haar vierde gewone zitting (Madrid, november 1975) en haar jaarvergadering van 2008 in Marrakesh is de Iccat het volgende overeengekomen.

Overeenkomstig lid 3 van artikel IX van het Iccat-verdrag beveelt de Iccat aan de volgende regelingen vast te stellen inzake internationale controle buiten de wateren onder nationale jurisdictie met het oog op de toepassing van het verdrag en de maatregelen in het kader daarvan:

I.   ERNSTIGE INBREUKEN

1.

Voor de toepassing van deze procedures gelden de volgende inbreuken op de door de Iccat aangenomen instandhoudings- en beheersmaatregelen als ernstige inbreuken:

a)

het vissen zonder vergunning of machtiging van de vlaggen-CPC;

b)

het niet overeenkomstig de rapportagevoorschriften van de Iccat bijhouden van vangstaangiften en vangstgerelateerde gegevens of het apert verkeerd rapporteren van dergelijke vangst- en/of vangstgerelateerde gegevens;

c)

het vissen in een gesloten gebied;

d)

het vissen tijdens een gesloten seizoen;

e)

het opzettelijk vangen of aan boord houden van soorten in strijd met door de Iccat aangenomen geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen;

f)

het significant overschrijden van op grond van de Iccat-regels geldende vangstbeperkingen of quota;

g)

het gebruiken van verboden vistuig;

h)

het vervalsen of verbergen van de kentekens, de identiteit of het inschrijvingsnummer van een vissersvaartuig;

i)

het achterhouden, vervalsen of laten verdwijnen van bewijsmateriaal dat van belang is voor het onderzoek naar een inbreuk;

j)

het begaan van meerdere inbreuken die, samen, een ernstige schending van de geldende Iccat-maatregelen vormen;

k)

het belagen, weerstaan, intimideren, seksueel intimideren, beïnvloeden, hinderen of belemmeren van een erkende inspecteur of waarnemer;

l)

het knoeien met of onklaar maken van het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS-systeem);

m)

andere eventueel door de Iccat omschreven inbreuken zodra deze zijn opgenomen in een herziene versie van deze procedures en deze verspreid is;

n)

het vissen met behulp van verkenningsvliegtuigen;

o)

het verstoren van de werking van het VMS en/of het exploiteren van een vaartuig zonder VMS;

p)

het overhevelen van vis zonder overhevelingsaangifte;

q)

overlading op zee.

2.

Indien de erkende inspecteur bij een inspectie aan boord van een vissersvaartuig een activiteit of toestand opmerkt die een in punt 1 gedefinieerde ernstige inbreuk kan vormen, stellen de autoriteiten van de vlaggenstaat van de inspectievaartuigen de vlaggenstaat van het vissersvaartuig daarvan onverwijld in kennis, zowel rechtstreeks als via het Iccat- secretariaat. In dergelijke situaties stelt de inspecteur tevens elk inspectievaartuig van de vlaggenstaat van het vissersvaartuig waarvan bekend is dat het zich in de buurt bevindt, daarvan in kennis.

3.

De Iccat-inspecteur registreert de verrichte inspecties en alle eventueel geconstateerde inbreuken in het logboek van het vissersvaartuig.

4.

De vlaggenlidstaat zorgt ervoor dat naar aanleiding van een in punt 2 bedoelde inspectie het betrokken vissersvaartuig elke visserijactiviteit stopzet. De vlaggenlidstaat verzoekt het vissersvaartuig zich binnen 72 uur naar een door hem aangewezen haven te begeven, waar een onderzoek wordt ingesteld.

5.

Indien het vaartuig niet wordt verzocht zich naar een haven te begeven, motiveert de vlaggenlidstaat dat tijdig tegenover de Europese Commissie, die de informatie doorzendt aan het Iccat-secretariaat, dat deze motivering op verzoek ter beschikking stelt van de overige verdragsluitende partijen.

II.   UITVOERING VAN INSPECTIES

6.

De inspecties worden uitgevoerd door inspecteurs die door de verdragsluitende partijen zijn aangewezen. De namen van de daartoe bevoegde overheidsinstanties en elke daartoe door hun respectieve overheden aangewezen inspecteurs worden aan de Iccat gemeld.

7.

Vaartuigen die overeenkomstig deze bijlage internationale inspecties aan boord uitvoeren, voeren een speciale vlag of wimpel die door de Iccat is goedgekeurd en door het Iccat- secretariaat is verstrekt. De namen van de vaartuigen die hiervoor worden gebruikt, worden vóór aanvang van de inspectieactiviteiten zo spoedig als praktisch haalbaar aan het Iccat- secretariaat gemeld. Het Iccat-secretariaat stelt informatie betreffende de aangewezen inspectievaartuigen beschikbaar aan alle CPC's, onder meer door deze informatie op zijn met een wachtwoord beveiligde website te publiceren.

8.

Elke inspecteur is in het bezit van een passend, door de autoriteiten van de vlaggenstaat verstrekt identiteitsbewijs volgens het model in punt 21 van deze bijlage.

9.

Onverminderd de in punt 16 bedoelde overeengekomen regelingen houdt een vaartuig dat de vlag voert van een verdragsluitende partij en dat in het verdragsgebied buiten de onder nationale jurisdictie vallende wateren op tonijn of tonijnachtigen vist, halt wanneer het desbetreffende sein uit het internationale seinboek is gegeven door een vaartuig dat onder de in punt 7 beschreven Iccat-wimpel vaart en dat een inspecteur aan boord heeft, tenzij het vaartuig op dat ogenblik visserijactiviteiten uitoefent, in welk geval het halt houdt zodra deze activiteiten zijn beëindigd. De kapitein van het vaartuig staat het inspectieteam, zoals gespecificeerd in punt 10, toe aan boord van het vaartuig te komen, en zorgt voor een loodsladder. De kapitein stemt in met alle controles van apparatuur, vangst, vistuig en relevante documenten die de inspecteur noodzakelijk acht om de naleving te verifiëren van de geldende aanbevelingen van de Iccat ten aanzien van de vlaggenstaat van het vaartuig dat wordt geïnspecteerd. Voorts mogen inspecteurs alle uitleg vragen die zij nodig achten.

10.

De grootte van het inspectieteam wordt, rekening houdend met de relevante omstandigheden, bepaald door de commandant van het inspectievaartuig. Het inspectieteam moet zo klein mogelijk zijn om de in deze bijlage bepaalde taken veilig te kunnen uitvoeren.

11.

Bij het aan boord komen leggen de inspecteurs het in punt 8 beschreven identiteitsbewijs over. De inspecteurs houden zich aan de algemeen geaccepteerde internationale regelgeving, procedures en praktijken met betrekking tot de veiligheid van het geïnspecteerde vaartuig en zijn bemanning, verstoren de visserijactiviteiten of het stuwen van producten zo min mogelijk en vermijden, voor zover praktisch mogelijk, handelingen die een negatief effect kunnen hebben op de kwaliteit van de vangst aan boord.

Bij dit onderzoek gaat elke inspecteur uitsluitend na of de geldende aanbevelingen van de Iccat ten aanzien van de vlaggenstaat van het betrokken vaartuig worden nageleefd. Hierbij kan de inspecteur de kapitein van het vissersvaartuig verzoeken om alle nodige medewerking. De inspecteur stelt een inspectieverslag op in een door de Iccat goedgekeurde vorm. De inspecteur ondertekent het verslag in aanwezigheid van de kapitein van het vaartuig, die het recht heeft om opmerkingen die hij nuttig acht toe te voegen of te laten toevoegen, en ondertekent deze opmerkingen.

12.

Een kopie van het verslag wordt verstrekt aan de kapitein van het vaartuig en aan de overheid van het inspectieteam, die op haar beurt een kopie bezorgt aan de bevoegde autoriteiten van de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig en aan de Iccat. Indien een schending van de aanbevelingen van de Iccat wordt geconstateerd, stelt de inspecteur zo mogelijk ook elk inspectievaartuig van de vlaggenstaat van het vissersvaartuig waarvan bekend is dat het zich in de buurt bevindt, daarvan in kennis.

13.

Verzet tegen een inspecteur of niet-uitvoering van zijn instructies wordt door de vlaggenstaat van het geïnspecteerde vaartuig op gelijke wijze behandeld als dergelijk gedrag ten opzichte van een nationale inspecteur.

14.

De inspecteur voert de in het kader van deze regelingen aan hem toevertrouwde taken uit overeenkomstig de regels in deze verordening, doch blijft onder het operationele toezicht van zijn nationale autoriteiten staan en is aan hen verantwoording verschuldigd.

15.

De verdragsluitende partijen geven aan inspectieverslagen, waarnemingsinformatiebladen overeenkomstig Aanbeveling 94-09 en verklaringen op grond van documentinspecties door inspecteurs van andere verdragsluitende partijen in het kader van deze regelingen, dezelfde waarde en hetzelfde gevolg als zij overeenkomstig hun nationale wetgeving doen ten aanzien van de door hun eigen inspecteurs opgemaakte verslagen. De bepalingen van dit punt verplichten de verdragsluitende partijen er niet toe aan een verslag dat is opgesteld door een inspecteur van een andere verdragsluitende partij, grotere bewijskracht toe te kennen dan het in het eigen land van de inspecteur zou hebben. De verdragsluitende partijen werken samen teneinde gerechtelijke of andere procedures die voortvloeien uit een in het kader van deze regelingen door een inspecteur ingediend rapport, te vergemakkelijken.

16.

a)

De verdragsluitende partijen stellen de Iccat uiterlijk op 15 februari van elk jaar in kennis van hun voorlopige plannen voor de uitvoering van inspectieactiviteiten uit hoofde van deze verordening in dat kalenderjaar. De Iccat kan aan de verdragsluitende partijen suggesties doen voor de coördinatie van nationale activiteiten op dit gebied, ook ten aanzien van het aantal inspecteurs en het aantal vaartuigen met inspecteurs aan boord.

b)

De in deze verordening vastgestelde regelingen en de plannen voor deelname daaraan zijn van toepassing tussen de verdragsluitende partijen, tenzij deze onderling anderszins zijn overeengekomen, in welk geval de Iccat hiervan in kennis wordt gesteld. De uitvoering van de regeling tussen twee verdragsluitende partijen wordt echter geschorst indien één van hen de Iccat hiervan, in afwachting van de sluiting van een dergelijke overeenkomst, in kennis heeft gesteld.

17.

a)

Het vistuig wordt geïnspecteerd overeenkomstig de regelgeving die van toepassing is op de sector waarin de inspectie plaatsvindt. De inspecteur vermeldt de sector waarvoor de inspectie heeft plaatsgevonden en geeft een beschrijving van eventuele inbreuken die in het inspectieverslag zijn geconstateerd.

b)

De inspecteur heeft het recht om alle vistuig dat wordt gebruikt of dat zich aan boord bevindt, te inspecteren.

18.

De inspecteur brengt een door de Iccat goedgekeurd identificatiemerk aan op elk geïnspecteerd vistuig dat in strijd met de geldende aanbevelingen van de Iccat ten aanzien van de vlaggenstaat van het betrokken vaartuig lijkt te zijn gebruikt en vermeldt dit in zijn verslag.

19.

De inspecteur mag het vistuig, de apparatuur, de documentatie en elk ander element dat hij noodzakelijk acht, zodanig fotograferen dat kenmerken die volgens hem niet in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving, zichtbaar zijn. In dat geval worden de gefotografeerde elementen vermeld in het verslag en worden kopieën van de foto's aan de kopie van het verslag aan de vlaggenstaat gehecht.

20.

De inspecteur inspecteert waar nodig de gehele vangst aan boord om vast te stellen of deze in overeenstemming is met de Iccat-aanbevelingen.

21.

Het model voor de identiteitskaart van inspecteurs is als volgt:

Image


BIJLAGE IX

Minimumnormen voor video-opnameprocedures

Overhevelingsverrichtingen

1.

Het elektronische opslagmedium met de originele video-opname wordt na afloop van de overhevelingsverrichting zo snel mogelijk verstrekt aan de regionale Iccat-waarnemer, die het onmiddellijk parafeert om latere manipulatie te voorkomen.

2.

De originele opname wordt gedurende de gehele machtigingsperiode bewaard aan boord van het vangstvaartuig of door de exploitant van de kwekerij of de tonnara.

3.

Er worden twee identieke kopieën van de video-opname gemaakt. Eén kopie wordt aan de regionale Iccat-waarnemer aan boord van het ringzegenvaartuig verstrekt en één kopie wordt aan de nationale waarnemer aan boord van het sleepvaartuig bezorgd. Laatstgenoemde kopie wordt bij de overhevelingsaangifte en de daarbij behorende vangsten gevoegd. Deze procedure is slechts van toepassing voor nationale waarnemers in het geval van overheveling tussen sleepvaartuigen.

4.

Aan het begin en/of het einde van elke video-opname wordt het nummer van de Iccat-overhevelingsvergunning getoond.

5.

Bij elke video-opname worden het tijdstip en de datum van de opname permanent getoond.

6.

Voordat de overheveling aanvangt, toont de video-opname het openen en sluiten van het net of de deur, en of de ontvangende kooien en overhevelende kooien al blauwvintonijn bevatten.

7.

De video-opname is doorlopend, zonder onderbrekingen of uitgeknipte beelden, en beslaat de volledige overhevelingsverrichting.

8.

De video-opname is van voldoende kwaliteit om het aantal overgehevelde blauwvintonijnen te kunnen ramen.

9.

Indien de video-opname van onvoldoende kwaliteit is om het aantal overgehevelde blauwvintonijnen te kunnen ramen, verzoeken de controleautoriteiten om een nieuwe overheveling. Bij een dergelijke nieuwe overheveling wordt alle blauwvintonijn in de ontvangende kooi naar een andere, lege kooi overgeheveld.

Kooiverrichtingen

1.

Het elektronische opslagmedium met de originele video-opname wordt na afloop van de kooiverrichting zo snel mogelijk verstrekt aan de regionale Iccat-waarnemer, die het onmiddellijk parafeert om latere manipulatie te voorkomen.

2.

De originele video-opname wordt gedurende de gehele machtigingsperiode door, waar dit van toepassing is, de kwekerij bewaard.

3.

Er worden twee identieke kopieën van de video-opname gemaakt. Eén kopie wordt verstrekt aan de regionale Iccat-waarnemer die in de kwekerij is ingezet.

4.

Aan het begin en/of het einde van elke video-opname wordt het nummer van de Iccat-kooivergunning getoond.

5.

Bij elke video-opname worden het tijdstip en de datum van de opname permanent getoond.

6.

Voordat het kooien aanvangt, toont de video-opname het openen en sluiten van het net of de deur, en of de ontvangende kooien en overhevelende kooien al blauwvintonijn bevatten.

7.

De video-opname is doorlopend, zonder onderbrekingen of uitgeknipte beelden, en beslaat de volledige kooiverrichting.

8.

De video-opname is van voldoende kwaliteit om het aantal overgehevelde blauwvintonijnen te kunnen ramen.

9.

Indien de video-opname van onvoldoende kwaliteit is om het aantal overgehevelde blauwvintonijnen te kunnen ramen, verzoeken de controleautoriteit om een nieuwe kooiverrichting. Bij een dergelijke nieuwe kooiverrichting wordt alle blauwvintonijn in de ontvangende kooi van de kwekerij naar een andere, lege kooi van de kwekerij overgeheveld.


BIJLAGE X

Normen en procedures voor de programma's en rapportageverplichtingen als bedoeld in artikel 46, leden 2 tot en met 7, en artikel 47, lid 1

A.   Gebruik van stereoscopische camerasystemen

Het gebruik van stereoscopische camerasystemen in de context van kooiverrichtingen, zoals vereist overeenkomstig artikel 46 van deze verordening, vindt plaats met inachtneming van de volgende punten:

1.

De bemonsteringsintensiteit van levende vis bedraagt ten minste 20 % van de hoeveelheid vis die wordt gekooid. Wanneer dat technisch mogelijk is, geschiedt de bemonstering van de levende vis sequentieel, door een op vijf specimens te meten; die monsters worden genomen door de vis te meten op een afstand tussen 2 en 8 meter van de camera.

2.

De doorgangssluis die de overhevelende kooi met de ontvangende kooi verbindt, is maximaal 10 meter breed en maximaal 10 meter hoog.

3.

Wanneer de lengtemetingen van de vis een multimodale verdeling te zien geven (twee of meer groepen van verschillende grootte), dient het mogelijk te zijn voor dezelfde kooiverrichting meer dan een omrekeningsalgoritme te gebruiken; het/de meest actuele algoritme(n) dat/die door het SCRS is/zijn vastgesteld, wordt/worden gebruikt om vorklengten om te rekenen naar totaal gewicht, overeenkomstig de groottecategorie van de vis die tijdens de kooiverrichting wordt gemeten.

4.

De validering van de stereoscopische lengtemetingen geschiedt voorafgaand aan elke kooiverrichting met gebruikmaking van een schaalstok op een afstand tussen 2 en 8 meter.

5.

Wanneer de resultaten van het stereoscopische programma worden meegedeeld, wordt de foutenmarge die inherent is aan de technische specificaties van het stereoscopische camerasysteem vermeld; de marge mag ten hoogste +/– 5 % bedragen.

6.

Het verslag over de resultaten van het stereoscopische programma omvat bijzonderheden over alle bovengenoemde technische specificaties, met inbegrip van de bemonsteringsintensiteit, de bemonsteringsmethode, de afstand tot de camera, de afmetingen van de doorgangssluis en de algoritmen (lengte-gewichtverhouding). Het SCRS beziet deze specificaties opnieuw en doet indien nodig aanbevelingen tot wijziging ervan.

7.

In gevallen waarin de kwaliteit van het beeldmateriaal van de stereoscopische camera onvoldoende is om het gewicht van de blauwvintonijn die wordt gekooid, te ramen, geven de autoriteiten van de voor het vangstvaartuig, de tonnara of de kwekerij verantwoordelijke lidstaten opdracht tot een nieuwe kooiverrichting.

B.   Presentatie en gebruik van de resultaten van de programma's

1.

Besluiten betreffende verschillen tussen de vangstaangifte en de resultaten van het stereoscopische-systeemprogramma worden ten aanzien van de gezamenlijke visactie (GVA) of de totale tonnaravangsten genomen voor GVA's en tonnaravangsten bestemd voor een kweekvoorziening waarbij één CPC en/of lidstaat betrokken is. Het besluit betreffende verschillen tussen de vangstaangifte en de resultaten van het stereoscopische-systeemprogramma wordt genomen ten aanzien van de kooiverrichtingen voor GVA's waarbij meer dan een CPC en/of lidstaat betrokken is, tenzij door de autoriteiten van alle vlaggen-CPC's/ vlaggenlidstaten van de bij de GVA betrokken vangstvaartuigen anders overeengekomen is.

2.

De voor de kwekerij verantwoordelijke lidstaat verstrekt een verslag aan de voor het vangstvaartuig of de tonnara verantwoordelijke lidstaat of CPC en aan de Commissie, dat de volgende documenten omvat:

a)

een technisch verslag van het stereoscopische systeem met:

algemene informatie: soort, plaats, kooi, datum, algoritme,

statistische informatie over de groottesortering: gemiddeld gewicht en gemiddelde lengte, minimumgewicht en -lengte, maximumgewicht en -lengte, aantal bemonsterde exemplaren, gewichtsverdeling, grootteverdeling.

b)

gedetailleerde resultaten van het programma, met de grootte en het gewicht van elk bemonsterd exemplaar.

c)

een kooirapport met:

algemene informatie over de verrichting: nummer van de kooiverrichting, naam van de kwekerij, kooinummer, BCD-nummer (Bluefin tuna Catch Document — vangstdocument voor blauwvintonijn), ITD-nummer (Iccat Transfer Document), naam en vlag van het vangstvaartuig of de tonnara, naam en vlag van het sleepvaartuig, datum van de verrichting met het stereoscopische systeem en bestandsnaam van het filmmateriaal,

het algoritme voor de omrekening van lengte in gewicht,

de vergelijking tussen de in het BCD opgegeven hoeveelheden en de met het stereoscopische systeem geconstateerde hoeveelheden, uitgedrukt in aantal exemplaren, gemiddeld gewicht en totaal gewicht (formule voor de berekening van het verschil: (Stereoscopisch systeem — BCD) / Stereoscopisch systeem * 100),

de foutenmarge van het systeem,

voor kooirapporten met betrekking tot GVA's/tonnara's bevat het laatste kooirapport ook een samenvatting van alle informatie in voorgaande kooirapporten.

3.

Bij ontvangst van het kooirapport treffen de autoriteiten van de lidstaat van het vangstvaartuig of de tonnara in de volgende situaties de volgende maatregelen:

a)

Het totale door het vangstvaartuig of de tonnara in het BCD opgegeven gewicht ligt binnen de schaal van de met het stereoscopische systeem geregistreerde meetwaarden:

er wordt geen bevel tot vrijlating gegeven,

in het BCD wordt zowel het aantal (aan de hand van het aantal exemplaren dat is geconstateerd met controlecamera's of alternatieve technieken) als het gemiddelde gewicht gewijzigd, terwijl het totale gewicht niet wordt gewijzigd.

b)

Het totale door het vangstvaartuig of de tonnara in het BCD opgegeven gewicht ligt onder het laagste cijfer van de schaal van met het stereoscopische systeem geregistreerde meetwaarden:

er wordt bevel tot vrijlating gegeven met gebruikmaking van het laagste cijfer van de schaal van met het stereoscopische systeem geregistreerde meetwaarden,

de vis wordt vrijgelaten volgens de procedure van artikel 34, lid 2, en bijlage XI,

in het BCD wordt na de vrijlating zowel het aantal (aan de hand van het aantal exemplaren dat is geconstateerd met controlecamera's, verminderd met het aantal vrijgelaten exemplaren) als het gemiddelde gewicht gewijzigd, terwijl het totale gewicht niet wordt gewijzigd.

c)

Het totale door het vangstvaartuig of de tonnara in het BCD opgegeven gewicht ligt boven het hoogste cijfer van de schaal van met het stereoscopische systeem geregistreerde meetwaarden:

er wordt geen bevel tot vrijlating gegeven,

in het BCD wordt het volgende gewijzigd: totaal gewicht (aan de hand van het hoogste cijfer van de schaal van met het stereoscopische systeem geregistreerde meetwaarden), aantal exemplaren (aan de hand van de resultaten van de controlecamera's) en, dienovereenkomstig, gemiddeld gewicht.

4.

Voor elke relevante wijziging van het BCD stroken de in rubriek 2 (aantal en gewicht) ingevoerde waarden met die in rubriek 6 en mogen de waarden in de rubrieken 3, 4 en 6 niet hoger zijn dan die in rubriek 2.

5.

In het geval van compensatie van in individuele kooirapporten geconstateerde verschillen tussen alle kooiverrichtingen van een GVA/tonnara, ongeacht of er een vrijlatingsverrichting vereist is, worden alle relevante BCD's gewijzigd op basis van de laagste schaal van met het stereoscopische systeem geregistreerde meetwaarden. De BCD's die de hoeveelheden vrijgelaten blauwvintonijn betreffen, worden ook gewijzigd om rekening te houden met het aantal/gewicht van de vrijgelaten vis. De BCD's betreffende blauwvintonijn die niet is vrijgelaten maar waarvoor de resultaten van de stereoscopische systemen of alternatieve technieken verschillen van de als gevangen en overgeheveld gerapporteerde blauwvintonijn, worden ook gewijzigd om rekening te houden met deze verschillen.

De BCD's betreffende de vangsten waarvoor de vrijlatingsverrichting heeft plaatsgevonden, worden ook gewijzigd om rekening te houden met het aantal/gewicht van de vrijgelaten vis.


BIJLAGE XI

Vrijlatingsprotocol

1.

De vrijlating van blauwvintonijn uit transport-/kweekkooien in zee wordt opgenomen met een videocamera en geobserveerd door een regionale Iccat-waarnemer, die een verslag opstelt en dit samen met de video-opnamen bij het Iccat-secretariaat indient.

2.

Wanneer een vrijlatingsbevel is gegeven, verzoekt de exploitant van de kwekerij erom dat een regionale Iccat-waarnemer wordt ingezet.

3.

De vrijlating van de blauwvintonijn uit tonnara's in zee wordt geobserveerd door een nationale waarnemer, die een verslag opstelt en indient bij de controleautoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat.

4.

Voordat een vrijlatingsverrichting plaatsvindt, kunnen de controleautoriteiten van de lidstaat opdracht geven tot een controle-overheveling met gebruikmaking van standaard- en/of stereoscopische camera's om het aantal en het gewicht van de vrij te laten vis te ramen.

5.

De autoriteiten van de lidstaat kunnen alle extra maatregelen nemen die zij nodig achten om te waarborgen dat de vrijlatingsverrichtingen plaatsvinden op het moment dat en de plaats die het meest geschikt is om de kans te verhogen dat de vis terugkeert naar het bestand. De exploitant is verantwoordelijk voor de overleving van de vis totdat de vrijlatingsverrichting heeft plaatsgevonden. Deze vrijlatingsverrichtingen vinden plaats binnen drie weken na afloop van de kooiverrichtingen.

6.

Na afloop van de oogstverrichtingen wordt vis die overblijft in een kwekerij en niet onder de BCD valt, vrijgelaten volgens de in artikel 34, lid 2, en deze bijlage vastgelegde procedures.


BIJLAGE XII

Behandeling van dode vis

Tijdens visserijactiviteiten door ringzegenvaartuigen worden de hoeveelheden dood in de ringzegen aangetroffen vis in het logboek van het vissersvaartuig geregistreerd en in mindering gebracht op het quotum van de lidstaat.

Registratie/behandeling van dode vis tijdens de eerste overheveling

1.

Het BCD wordt aan de exploitant van het sleepvaartuig verstrekt met rubriek 2 (totale vangst), rubriek 3 (verhandeling van levende vis) en rubriek 4 (overheveling — inclusief „dode” vis) ingevuld.

De totale in de rubrieken 3 en 4 gerapporteerde hoeveelheden zijn gelijk aan de in rubriek 2 gerapporteerde hoeveelheden. Het BCD gaat vergezeld van de originele Iccat–overhevelingsaangifte (Iccat Transfer Declaration — ITD) overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. De in de ITD gerapporteerde hoeveelheden (levend overgeheveld) zijn gelijk aan de in rubriek 3 van het begeleidende BCD gerapporteerde hoeveelheden.

2.

Een deel van het BCD met rubriek 8 (handelsinformatie) wordt ingevuld en overhandigd aan de exploitant van het hulpvaartuig dat de dode blauwvintonijn naar de kust vervoert (of deze wordt aan boord van het vangstvaartuig gehouden in geval van rechtstreekse aanlanding aan de kust). Deze dode vis en dit deel van het BCD gaan vergezeld van een kopie van de ITD.

3.

De hoeveelheden dode vis worden geregistreerd in het BCD van het vangstvaartuig dat de vangst heeft verricht of, in geval van GVA's, in het BCD van de vangstvaartuigen of van een onder een andere vlag varend vaartuig dat aan de GVA deelneemt.


BIJLAGE XIII

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 302/2009

Deze verordening

Artikel 1

Artikelen 1 en 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 4, lid 2

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 4, leden 3 en 5

Artikel 7

Artikel 4, lid 4, tweede alinea

Artikel 6, lid 1, onder a), en lid 2

Artikel 4, lid 6, onder a) en onder b), tweede alinea

Artikel 54

Artikel 4, lid 6, derde alinea

Artikel 20, lid 2

Artikel 4, leden 7 tot en met 12

Artikel 4, lid 13

Artikel 5, lid 3

Artikel 4, lid 15

Artikel 17

Artikel 5, lid 1

Artikel 6, lid 1, onder b)

Artikel 5, leden 2 tot en met 6

Artikel 9, leden 1 tot en met 6

Artikel 5, leden 7, 8 en 9, eerste alinea

Artikel 5, lid 9, tweede alinea

Artikel 6, lid 2

Artikel 6

Artikel 10

Artikel 7

Artikelen 11 en 12

Artikel 8

Artikel 17

Artikel 9, leden 1 en 2

Artikel 14, leden 1 en 2

Artikel 9, leden 3, 4, 5, 7, 8, 9 en 10

Bijlage I

Artikel 9, lid 6

Artikel 9, lid 11

Artikel 14, lid 3

Artikel 9, leden 12 tot en met 15

Artikel 15

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 16, leden 2, 3 en 5

Artikel 12, leden 1 tot en met 4

Artikel 19

Artikel 12, lid 5

Artikel 13, leden 1, 2 en 3

Artikel 19

Artikel 13, lid 4

Artikel 14, leden 1, 2, 3 en 5

Artikel 20

Artikel 14, lid 4

Artikel 22, lid 1

Artikel 15

Artikel 23

Artikel 16

Artikel 29, leden 1, 3 en 4

Artikel 17

Artikel 30

Artikel 18, lid 1

Artikel 25

Artikel 18, lid 2

Bijlage II

Artikel 19

Artikel 24, leden 1, 2 en 3

Artikel 20, leden 1 en 2

Artikel 26, leden 1, 2 en 3

Artikel 20, leden 3 en 4

Artikel 27

Artikel 21

Artikel 31, leden 1 tot en met 4 en 6

Artikel 22, lid 1 en lid 2, eerste alinea

Artikel 33, leden 1, 3 en 5

Artikel 22, lid 2, tweede alinea

Artikel 34, lid 1

Artikel 22, lid 3

Artikel 34, lid 2

Artikel 22, lid 4

Artikel 38, leden 1, 2 en 3

Artikel 22, lid 5

Bijlage II

Artikel 22, lid 6

Artikel 33, lid 6

Artikel 22, lid 7

Artikel 35, lid 1, en bijlage IX

Artikel 22, lid 8 en lid 9, eerste alinea

Artikel 36

Artikel 22, lid 9, tweede alinea

Artikel 22, lid 10

Artikel 39

Artikel 23

Artikel 32

Artikel 24, lid 1

Artikel 47, lid 1

Artikel 24, leden 2, 4 en 6

Artikel 40, leden 2 tot en met 5

Artikel 24, lid 3

Artikel 41, leden 1 en 2

Artikel 24, lid 5

Artikel 42

Artikel 24, lid 7

Artikel 44, lid 1, en bijlage IX

Artikel 24, lid 8, eerste alinea

Artikel 45, leden 1 en 2

Artikel 24, lid 9

Artikel 24, lid 10

Artikel 48

Artikel 24 bis

Bijlage X

Artikel 25

Artikel 49

Artikel 26, lid 1

Artikel 26, lid 4

Artikel 26, lid 2

Artikel 27, lid 1

Artikel 26, lid 3

Artikel 26, lid 5

Artikel 27, lid 1

Artikel 31, lid 5

Artikel 27, lid 2

Artikel 41

Artikel 27, lid 3

Artikel 3, punt 24

Artikel 28

Artikel 55

Artikel 29

Artikel 52

Artikel 30

Artikel 50

Artikel 31, lid 1 en lid 2, onder a), b), c) en h)

Artikel 51, leden 2 tot en met 6

Artikel 31, lid 2, onder d) tot en met g)

Bijlage VII

Artikel 31, leden 3 en 4

Bijlage VII

Artikel 32

Artikel 35, leden 2, 3 en 4

Artikel 44, leden 2, 3 en 4

Artikel 33

Artikel 33 bis

Artikel 53

Artikel 34

Artikel 56

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 57

Artikel 38

Artikel 58

Artikel 38 bis

Artikel 59, leden 1 en 2

Artikel 39

Artikel 60

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 61


16.9.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/53


VERORDENING (EU) 2016/1628 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 september 2016

inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De interne markt omvat een gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal moet worden gewaarborgd. Daartoe zijn maatregelen voor het verminderen van luchtvervuiling door motoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines vastgesteld in Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad (3). De inspanningen voor de ontwikkeling en de werking van de interne markt van de Unie moeten worden voortgezet.

(2)

De interne markt moet gebaseerd zijn op transparante, eenvoudige en consistente regelgeving die rechtszekerheid en duidelijkheid biedt ten bate van zowel het bedrijfsleven als de consument.

(3)

Met het oog op een eenvoudigere en snellere vaststelling van de wetgeving voor EU-typegoedkeuring voor motoren is een nieuwe regelgevende aanpak geïntroduceerd. Volgens die aanpak stelt de wetgever de fundamentele regels en beginselen vast en verleent hij de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde en uitvoeringshandelingen met betrekking tot verdere technische details vast te stellen. Daarom moeten, wat de materiële voorschriften betreft, in deze verordening alleen essentiële bepalingen inzake de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren worden vastgesteld en moet de bevoegdheid om de technische specificaties in gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te leggen aan de Commissie worden overgedragen.

(4)

Bij Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) is een regelgevend kader vastgesteld voor de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen. Gezien de overeenkomsten tussen de onderwerpen en de positieve ervaring met de toepassing van Verordening (EU) nr. 167/2013 moeten veel van de rechten en plichten die in die verordening zijn vastgesteld, in aanmerking worden genomen wat betreft niet voor de weg bestemde mobiele machines. Het is echter van cruciaal belang dat een aparte reeks regels wordt vastgesteld, teneinde volledig rekening te houden met de specifieke voorschriften voor motoren voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines.

(5)

In Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) zijn de essentiële gezondheids- en veiligheidsvoorschriften met betrekking tot het ontwerpen en de fabricage vastgesteld, ter verbetering van de veiligheid van in de handel gebrachte machines. In die richtlijn worden evenwel geen emissievoorschiften voor verontreinigende gassen en deeltjes voor motoren voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines vastgelegd. Er dienen derhalve bepaalde specifieke verplichtingen voor fabrikanten van niet voor de weg bestemde mobiele machines te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de motoren in deze machines worden gemonteerd op een manier die geen negatieve gevolgen heeft voor de prestaties van de motor wat de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes ervan betreft. Bepaalde verplichtingen in verband met aspecten van de emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines zijn eveneens noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de emissiegrenswaarden voor motoren die in deze verordening zijn vastgesteld, doeltreffend zijn.

(6)

In deze verordening moeten materiële voorschriften worden opgenomen met betrekking tot emissiegrenswaarden en EU-typegoedkeuringsprocedures voor motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines. De belangrijkste elementen van de desbetreffende voorschriften van deze verordening zijn gebaseerd op de resultaten van de door de Commissie uitgevoerde effectbeoordeling van 20 november 2013, waarin de verschillende opties werden geanalyseerd door de mogelijke voor- en nadelen met betrekking tot de economische, milieu-, veiligheids- en sociale aspecten en met betrekking tot de gezondheidseffecten tegen elkaar af te zetten. Bij deze analyse kwamen zowel kwalitatieve als kwantitatieve aspecten aan bod.

(7)

Om de werking van de interne markt te waarborgen, moeten in deze verordening geharmoniseerde regels voor EU-typegoedkeuring van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines worden vastgesteld. Daartoe moeten nieuwe emissiegrenswaarden worden vastgesteld en worden toegepast op motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines alsmede voor land- en bosbouwmachines, om de technologische vooruitgang in aanmerking te nemen en te komen tot convergentie met het beleid van de Unie in de sector wegvervoer. Deze nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de Uniedoelstellingen inzake luchtkwaliteit en de vermindering van emissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines en land- en bosbouwvoertuigen, hetgeen leidt tot een minder groot aandeel in emissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines in verhouding tot emissies van wegvoertuigen. Het toepassingsgebied van de Uniewetgeving moet daarom worden uitgebreid, teneinde de harmonisering van de markt op Unieniveau en op internationaal niveau te verbeteren en het risico van marktverstoringen en negatieve gezondheidseffecten tot een minimum te beperken

(8)

Naast de uitbreiding van het toepassingsgebied van de Uniewetgeving op het vlak van harmonisering van de markt, waarbij het risico van marktverstoringen tot een minimum wordt beperkt, beoogt deze verordening het huidige regelgevingskader te vereenvoudigen, onder meer door middel van maatregelen voor het vereenvoudigen van administratieve procedures, en tevens beoogt deze verordening de algemene voorwaarden voor handhaving van deze wetgeving te verbeteren, met name door de regels met betrekking tot markttoezicht te versterken.

(9)

In het witboek van de Europese Commissie van 28 maart 2011, getiteld „Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte — werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem”, wordt de bijzondere rol van de spoorwegen en de binnenscheepvaart voor de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen onderstreept. Gezien de vooruitgang van deze vervoerwijzen op het vlak van het verbeteren van de luchtkwaliteit ongunstig afsteekt tegen die van andere sectoren, moeten de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten op hun eigen bevoegdheidsgebied verschillende manieren aanbieden om innovaties op het gebied van uitlaatgassen te ondersteunen, zodat de aanhoudende groei van het vervoer van goederen per spoor en via de binnenvaart gepaard gaat met een verbetering van de luchtkwaliteit in Europa.

(10)

De voorschriften met betrekking tot motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines moeten de beginselen volgen die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 5 juni 2002 met als titel „Actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving””.

(11)

Het zevende algemene milieuactieprogramma van de Unie dat is vastgesteld bij Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) wijst erop dat de Unie is overeengekomen niveaus van luchtkwaliteit te bereiken die niet leiden tot aanzienlijk negatief effecten op, of risico's voor, de menselijke gezondheid en het milieu. Bij Uniewetgeving zijn passende emissiegrenswaarden vastgesteld voor de kwaliteit van de omgevingslucht ter bescherming van de volksgezondheid, en in het bijzonder van gevoelige personen, alsook voor nationale emissieplafonds (7). In aansluiting op haar mededeling van 4 mei 2001 inzake het programma Schone lucht voor Europa (Clean Air for Europe — CAFE) heeft de Commissie op 21 september 2005 een andere mededeling goedgekeurd, getiteld „Thematische strategie inzake luchtverontreiniging”. Een van de conclusies van die thematische strategie is dat de emissies door de vervoersector (vervoer door de lucht, over zee en over het land), door de huishoudens en door de energie- en de landbouwsector en de industrie verder moeten worden verminderd om de Uniedoelstellingen inzake luchtkwaliteit te verwezenlijken. In die context moet het verminderen van emissies van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines worden benaderd als onderdeel van een algemene strategie. De nieuwe, „fase V” genoemde, emissiegrenswaarden zijn één van de maatregelen ter vermindering van de huidige emissies van luchtverontreinigende stoffen tijdens het gebruik, waaronder verontreinigende deeltjes, en ozonprecursoren zoals stikstofoxiden (NOx) en koolwaterstoffen.

(12)

Op 12 juni 2012 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie, middels het internationaal agentschap voor kankeronderzoek, uitlaatgassenemissies van dieselmotoren geherclassificeerd als „kankerverwekkend voor de mens” (Groep 1), op basis van afdoende bewijs dat blootstelling verbonden is met een verhoogd risico op longkanker.

(13)

Om een verbetering van de luchtkwaliteit in de Unie tot stand te brengen en de Uniedoelstellingen inzake bescherming van de luchtkwaliteit van nu tot 2020 en daarna duurzaam te verwezenlijken, moet onverminderd worden gestreefd naar een vermindering van de emissies van verschillende soorten motoren. Daarom moeten fabrikanten van tevoren duidelijke en alomvattende informatie krijgen over de toekomstige emissiegrenswaarden alsook een passend tijdschema om die na te leven en om te werken aan de nodige technische oplossingen.

(14)

Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het concurrentievermogen van de markten en de fabrikanten, de directe en indirecte kosten voor het bedrijfsleven en de voordelen op verschillende gebieden, zoals de aanmoediging van innovatie, betere luchtkwaliteit, lagere gezondheidskosten en extra levensjaren.

(15)

De verlaging van de emissies van motoren op een duurzame manier vereist een voortdurende intensivering van de rechtstreekse samenwerking tussen fabrikanten en hierbij betrokken bedrijfssectoren enerzijds en gevestigde instellingen voor wetenschappelijk onderzoek anderzijds. Deze samenwerking speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van nieuwe producten en technologieën die een positieve bijdrage leveren tot de verbetering van de luchtkwaliteit.

(16)

Emissies van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines hebben een belangrijk aandeel in de totale door de mens veroorzaakte emissies van bepaalde schadelijke luchtverontreinigende stoffen. Motoren die verantwoordelijk zijn voor een aanzienlijk aandeel in luchtvervuiling door NOx en deeltjes moeten onder de nieuwe emissiegrenswaarden vallen.

(17)

Om werknemers in de directe omgeving van machines te verzekeren van een zo groot mogelijke bescherming en werknemers in de nabijheid van meerdere machines en apparaten zo weinig mogelijk bloot te stellen aan de specifieke cumulatieve blootstelling, dient de nu beschikbare technologie te worden benut om emissies tot een minimum te beperken.

(18)

De Commissie moet emissies waarvoor nog geen regelgeving bestaat en die vrijkomen als gevolg van het toenemende gebruik van nieuwe brandstofformules, motortechnologie en emissiebeheersingssystemen, regelmatig beoordelen. Indien nodig moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel indienen om deze emissies te reglementeren.

(19)

De invoering van motoren op alternatieve brandstoffen, die mogelijk een geringe emissie van NOx en verontreinigende deeltjes hebben, moet worden aangemoedigd. De grenswaarden voor totale koolwaterstoffen moeten derhalve worden aangepast teneinde niet-methaanhoudende koolwaterstoffen en methaanemissies in aanmerking te nemen.

(20)

Deze verordening doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om, met inachtneming van de Verdragen, de voorschriften vast te stellen die zij noodzakelijk achten om ervoor te zorgen dat het publiek en de werknemers beschermd zijn telkens wanneer in deze verordening bedoelde niet voor de weg bestemde mobiele machines in gebruik zijn, op voorwaarde dat dergelijke voorschriften niet van invloed zijn op het in de handel brengen van motoren voor dergelijke machines.

(21)

Met het oog op de regulering van de emissies van ultrafijne deeltjes (0,1 μm en kleiner) moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend voor emissies van deeltjes, naast de momenteel gevolgde aanpak op basis van de deeltjesmassa, ook een aanpak op basis van het deeltjesaantal vast te stellen. De aanpak op basis van het aantal moet uit de resultaten van het deeltjesmeetprogramma van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) putten en moet met de bestaande ambitieuze doelstellingen voor het milieu stroken.

(22)

Om deze milieudoelstellingen te verwezenlijken is het aangewezen dat de in deze verordening vastgelegde grenzen voor het deeltjesaantal moeten beantwoorden aan de beste resultaten die op dit moment met gebruikmaking van de best beschikbare technologie door deeltjesfilters behaald kunnen worden.

(23)

Gezien de lange levensduur van niet voor de weg bestemde mobiele machines is het gepast na te denken over het aan de nieuwe regelgeving aanpassen van reeds in gebruik zijnde motoren. Dergelijke aanpassingen moeten met name gericht zijn op dichtbevolkte stedelijke gebieden teneinde de lidstaten te helpen te voldoen aan de Uniewetgeving inzake luchtkwaliteit. Om ervoor te zorgen dat deze aanpassingen van een vergelijkbaar en ambitieus niveau zijn, moeten de lidstaten rekening houden met de beginselen van VN/ECE-reglement nr. 132.

(24)

Waar mogelijk en wanneer technologieën met elkaar verweven zijn, dient gestreefd te worden naar synergie-effecten tussen het reduceren van de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines en de emissiegrenswaarden die worden toegepast voor zware voertuigen. Dat zou tot meer schaalvoordelen en een betere luchtkwaliteit kunnen leiden.

(25)

De Commissie moet wereldwijd geharmoniseerde testcycli opnemen in de testprocedures die ten grondslag liggen aan de verordeningen betreffende EU-typegoedkeuring met betrekking tot emissies. Ook het toepassen van draagbare emissiemeetsystemen voor toezicht op de werkelijke emissie tijdens het gebruik moet worden overwogen.

(26)

Om de werkelijke emissies tijdens het gebruik aan te pakken en om de procedure betreffende de overeenstemming tijdens het gebruik voor te bereiden, dient, binnen een passend tijdschema, een testmethode voor het bewaken van de naleving van de emissieprestatievoorschriften op basis van het gebruik van draagbare emissiemeetsystemen te worden vastgesteld.

(27)

De correcte werking van het uitlaatgasnabehandelingssysteem, met name in het geval van NOx, is essentieel om de grenswaarden inzake verontreinigende emissies na te leven. In dit verband moeten maatregelen worden vastgesteld die de goede werking garanderen van uitlaatgasnabehandelingssystemen die gebruikmaken van elk niet-terugwinbaar of verbruiksreagens.

(28)

Draagbare brandbestrijdingspompen zijn essentieel in bepaalde noodsituaties waarin een gekanaliseerde watervoorziening ontbreekt. De montage van uitlaatgasnabehandelingssystemen in motoren voor dergelijke apparaten zou het gewicht en de bedrijfstemperaturen ervan echter zodanig doen oplopen dat zij voor de bediener gevaarlijk worden en het zou onmogelijk worden om ze met de hand te dragen. Draagbare brandbestrijdingspompen moeten daarom van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(29)

Wijzigingen aan een motor zoals de deactivering van het uitlaatgasnabehandelingssysteem of het opvoeren van het vermogen van de motor zouden ernstige gevolgen kunnen hebben voor de emissie prestatie en de duurzaamheid van de motor. Rechtspersonen die dergelijke wijzigingen uitvoeren moeten derhalve verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de naleving van de toepasselijke emissiegrenswaarden.

(30)

Motoren die onder de nieuwe regelgeving inzake emissiegrenswaarden en EU-typegoedkeuringsprocedures zoals vastgesteld in deze verordening vallen, en daarmee conform zijn, moeten in de lidstaten in de handel mogen worden gebracht. Die motoren hoeven niet te voldoen aan andere nationale emissievoorschriften om in de handel te mogen worden gebracht. Zulks onverminderd het recht van de lidstaten het gebruik van reeds in de handel gebrachte motoren te bevorderen of te beperken, voor zover de gehanteerde criteria niet discriminerend zijn en objectief gerechtvaardigd zijn. De lidstaten die EU-typegoedkeuring verlenen, moeten verificatiemaatregelen nemen teneinde de motoren die onder EU-typegoedkeuringsprocedures zijn geproduceerd, te kunnen identificeren.

(31)

Motoren bestemd voor uitvoer en voor gebruik door de strijdkrachten mogen niet onderworpen worden aan de in deze verordening vastgestelde emissiegrenswaarden. Om dergelijke motoren te onderscheiden van motoren waarvoor die emissiegrenswaarden wel gelden, moeten evenwel in bepaalde gevallen opschriften worden voorgeschreven.

(32)

Om rekening te houden met belemmeringen voor toelevering en een „just-in-time”-productiestroom mogelijk te maken, en om onnodige kosten en administratieve lasten te voorkomen, moet het een fabrikant worden toegestaan om, met toestemming van de fabrikant van de oorspronkelijke uitrusting (original equipment manufacturer — OEM), een motor afzonderlijk van zijn uitlaatgasnabehandelingssyteem te leveren.

(33)

Sommige niet voor de weg bestemde mobiele machines zijn in bedrijf in extreme omstandigheden, met risico's voor het leven of de gezondheid, of zijn onderworpen aan strenge technische voorschriften. Gezien die bijzondere omstandigheden en het betrekkelijk kleine aantal motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines, moet, met betrekking tot de in deze verordening vastgestelde emissiegrenswaarden, worden voorzien in bepaalde vrijstellingen voor motoren die worden gebruikt op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen en voor gebruik in voertuigen voor het te water laten van reddingsboten.

(34)

Teneinde fabrikanten in staat te stellen praktijktests uit te voeren die inherent zijn aan het ontwikkelingsproces, moet het tijdelijk in de handel brengen van motoren waarvoor in die fase geen EU-typegoedkeuring is verleend, worden toegestaan. Ook moeten vrijstellingen kunnen worden verleend waarbij het tijdelijk in de handel brengen van motoren met het oog op praktijktests van prototypes wordt toegestaan.

(35)

Om rekening te houden met langetermijnprojecten in de spoorwegsector die grote investeringen vergen, moet, overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad (8), worden voorzien in een vrijstelling voor motoren die zijn opgenomen in projecten die voor de datum van toepassing van deze verordening zijn gestart en waarvan de ontwikkeling zich in een vergevorderd stadium bevindt.

(36)

Het is van essentieel belang dat de technische innovatie in verband met de emissieprestatie van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines niet wordt belemmerd met voorschriften die thans niet in de administratieve procedures voor type-goedkeuring zijn opgenomen. Daarom moet worden voorzien in bepaalde vrijstellingen en voorschriften voor motoren waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn verwerkt.

(37)

OEM's die jaarlijks een beperkte hoeveelheid produceren, stuiten op grote problemen als zij hun machines vernieuwen binnen de standaardovergangsperiode. Die fabrikanten zijn gewoonlijk kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) met een beperkte technische capaciteit, die de informatie over motoren van toekomstige fasen vaak later ontvangen dan andere OEM's. Dit geldt met name voor fabrikanten van landbouwmachines die jaarlijks een beperkte hoeveelheid produceren waarbij deze op een grote structurele uitdaging stuiten bij de overgang naar de fase V-emissiegrenswaarden. Daarom is het noodzakelijk met betrekking tot dergelijke gevallen in specifieke regels te voorzien.

(38)

Het in de handel brengen van motoren die bestemd zijn ter vervanging van motoren die reeds in niet voor de weg bestemde mobiele machines zijn gemonteerd, en die voldoen aan minder strenge emissiegrenswaarden dan die welke in deze verordening zijn vastgelegd, moet worden toegestaan om fabrikanten in staat te stellen hun garantieverplichtingen na te komen en ervoor te zorgen dat dergelijke motoren in voldoende mate op de markt beschikbaar zijn.

(39)

Volgens de huidige ramingen zal een aantal locomotieven voor brede spoorwijdte tussen 2016 en 2025 moeten worden vervangen. Locomotieven met krachtige motoren die geschikt zijn voor het 1 520 mm-spoorwegnet zijn op de Unie-markt niet beschikbaar. Op maat gemaakte oplossingen zouden de kosten van nieuwe locomotieven aanmerkelijk verhogen en zouden de spoorwegondernemingen ervan afhouden hun vloten te vernieuwen. De technische en economische beperkingen van het 1 520 mm-spoorwegnet zouden in de EU-typegoedkeuringsprocedures een plaats moeten krijgen. Met het oog op het vergemakkelijken en versnellen van de vergroening van de spoorwegsector in de betrokken lidstaten en het bevorderen van het gebruik van de beste beschikbare technologie die momenteel op de markt is, dient er wat bepaalde voorschriften betreft een tijdelijke vrijstelling te worden verleend voor deze locomotieven op het spoorwegnet. Een dergelijke vrijstelling zou het effect van het spoorwegverkeer op het milieu kunnen verminderen.

(40)

Katoen wordt binnen de Unie slechts in zeer weinig lidstaten geproduceerd. Vanwege de hoge kosten van nieuwe oogstmachines voor katoen, en om bijkomende financiële lasten voor de sector katoenproductie, die de economische levensvatbaarheid van de sector verder zouden bedreigen, te voorkomen, moeten de marktdeelnemers toegang krijgen tot een breed scala aan beschikbare tweedehands oogstmachines voor katoen. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om, gedurende een beperkte periode, het nationale recht toe te passen op in dergelijke machines gemonteerde motoren.

(41)

Met betrekking tot markttoezicht moeten in deze verordening verplichtingen worden opgelegd aan de nationale autoriteiten die specifieker zijn dan de overeenkomstige verplichtingen in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(42)

Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de overeenstemming van de productie, die een van de hoekstenen van het EU-typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en naar behoren functioneert, moet de aangewezen bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

(43)

De Unie is partij bij de overeenkomst van de UNECE (Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en voertuigdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene overeenkomst van 1958”). Bijgevolg moeten de goedkeuringen verleend uit hoofde van de VN/ECE-reglementen, en wijzigingen daarop, waaraan de Unie, in het kader van de toepassing van Besluit 97/836/EG van de Raad (10), haar goedkeuring heeft gehecht of waartoe de Unie is toegetreden, worden erkend als gelijkwaardig met de in het kader van deze verordening verleende EU-typegoedkeuringen. Teneinde te zorgen voor consistentie en onderlinge afstemming tussen Unie- en VN/ECE-regelgeving, moet de Commissie dienovereenkomstig de bevoegdheid worden toegekend gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde te bepalen welke VN/ECE-reglementen van toepassing moeten zijn op EU-typegoedkeuringen.

(44)

Teneinde deze verordening aan te vullen met nadere technische bijzonderheden moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van het toezicht op emissieprestaties tijdens het gebruik, technische tests en meetprocedures, overeenstemming van de productie, afzonderlijke levering van het uitlaatgasnabehandelingssystemen van een motor, motoren voor tests in de praktijk, motoren voor gebruik in explosieve atmosferen, gelijkwaardigheid van EU-typegoedkeuringen voor motoren, informatie voor OEM's en eindgebruikers, en normen voor en beoordeling van technische diensten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (11). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(45)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12).

(46)

De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op deze verordening en erop toezien dat deze regels worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(47)

Gezien de doorlopende technische vooruitgang en de laatste bevindingen op het gebied van onderzoek en innovatie, moeten de verdere mogelijkheden voor de vermindering van vervuilende emissies door motoren die zijn gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines worden geïnventariseerd. Bij deze beoordelingen moet de nadruk liggen op de motorcategorieën die voor het eerst binnen het toepassingsgebied van de verordening vallen en op de categorieën waarvoor de emissiegrenswaarden bij deze verordening ongewijzigd blijven.

(48)

De in deze verordening vastgelegde specifieke grenswaarden, testprocedures en voorschriften voor emissies van verontreinigende stoffen moeten ook gelden voor motoren voor land- en bosbouwtractoren die onder Verordening (EU) nr. 167/2013 vallen. Gezien het gecombineerde effect van het uitstel van fase IV voor landbouwtrekkers van de categorieën T2, T4.1 en C2 en de toepassingsdata van fase V, zou fase IV van zeer korte duur zijn wat betreft de vermogensgroep 56-130 kW. Om inefficiëntie en onnodige lasten te voorkomen moet de fase IV-datum van verplichte EU-typegoedkeuring met een jaar worden uitgesteld en moet de flexibiliteit-hoeveelheid op passende wijze worden verhoogd. Voorts moeten de overgangsbepalingen in deze verordening met betrekking tot de toepassingsvoorschriften van fase V ook gelden voor motoren van fase IIIB. Verordening (EU) nr. 167/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie (13) dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(49)

Ter wille van de duidelijkheid, voorspelbaarheid, rationele ordening en vereenvoudiging en om de lasten voor de fabrikanten van motoren en niet voor de weg bestemde mobiele machines te verminderen, mag deze verordening slechts een beperkt aantal uitvoeringsfasen voor de invoering van nieuwe emissieniveaus en EU-typegoedkeuringsprocedures omvatten. Het is van essentieel belang de voorschriften tijdig te definiëren, teneinde fabrikanten voldoende aanlooptijd te bieden om technische oplossingen voor in serie geproduceerde motoren te ontwikkelen, te testen en toe te passen en fabrikanten en goedkeuringsinstanties voldoende aanlooptijd te bieden om de nodige administratieve systemen in te voeren.

(50)

Richtlijn 97/68/EG is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid, voorspelbaarheid, rationele ordening en vereenvoudiging, moet die richtlijn worden ingetrokken en vervangen door een verordening en een beperkt aantal gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. Door de vaststelling van een verordening wordt ervoor gezorgd dat de bepalingen ervan rechtstreeks op met name fabrikanten, goedkeuringsinstanties en technische diensten van toepassing zijn en veel sneller en efficiënter kunnen worden gewijzigd en beter aan de technische vooruitgang kunnen worden aangepast.

(51)

Richtlijn 97/68/EG moet derhalve worden ingetrokken met ingang van een datum die de industrie voldoende tijd zal bieden om zich aan te passen aan deze verordening en aan de technische specificaties en administratieve bepalingen die in op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen worden vastgesteld.

(52)

Richtlijn 97/68/EG voorziet niet in een afwijking voor motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines die moeten worden gebruikt op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Om rekening te houden met de strenge technische voorschriften die essentieel zijn voor de operationele veiligheid van dergelijke motoren, moet Richtlijn 97/68/EG worden gewijzigd om toe te staan dat afwijkingen voor deze motoren worden toegepast totdat die richtlijn wordt ingetrokken.

(53)

Het uitwisselen van gegevens en informatie met betrekking tot EU-typegoedkeuringen moet worden verbeterd zodat deze verordening snel en doeltreffend kan worden toegepast. Daarom moeten de nationale instanties worden verplicht efficiënt onderling en met de Commissie samen te werken en gegevens en informatie met betrekking tot EU-typegoedkeuringen uit te wisselen via het informatiesysteem interne markt („IMI”) dat is ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad (14). Om de uitvoering van deze verordening te vergemakkelijken, moet een specifieke module van het IMI worden ingevoerd die aangepast is aan niet voor de weg bestemde mobiele machines. Het moet ook mogelijk zijn voor fabrikanten en technische diensten om het IMI voor de uitwisseling van gegevens en informatie over motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines te gebruiken.

(54)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vastleggen van geharmoniseerde regels inzake administratieve en technische voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en EU-typegoedkeuringsprocedures voor motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijk, maar, gelet op de omvang en de gevolgen ervan, beter verwezenlijkt kunnen worden op het niveau van de Unie, kan de Unie in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij deze verordening worden voor alle in artikel 2, lid 1, bedoelde motoren emissiegrenswaarden vastgesteld voor verontreinigende gassen en deeltjes, alsmede de administratieve en technische voorschriften met betrekking tot EU-typegoedkeuring.

Bij deze verordening worden ook bepaalde verplichtingen vastgesteld voor niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin een motor als vermeld in artikel 2, lid 1, wordt of is gemonteerd, wat betreft de emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes van dergelijke motoren.

2.   Bij deze verordening worden tevens de voorschriften vastgesteld voor het markttoezicht op in artikel 2, lid 1, bedoelde motoren die worden gemonteerd of die bedoeld zijn om te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines, en waarvoor EU-typegoedkeuring moet worden verleend.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op alle onder de in artikel 4, lid 1, opgenomen categorieën vallende motoren die worden gemonteerd of bedoeld zijn te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines, en voor zover het de emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes van dergelijke motoren betreft, op deze niet voor de weg bestemde mobiele machines.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op motoren voor:

a)

de voortbeweging van voertuigen als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (15);

b)

de voortbeweging van landbouw- en bosbouwtrekkers als omschreven in artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) nr. 167/2013;

c)

de voortbeweging van voertuigen als bedoeld in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad (16);

d)

stationaire machines;

e)

zeeschepen waarvoor een geldig zeevaart- of veiligheidscertificaat vereist is;

f)

schepen als omschreven in Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad (17) die buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen;

g)

de voortbeweging of de hulpdoeleinden van binnenschepen met een netto vermogen van minder dan 19 kW;

h)

vaartuigen als omschreven in artikel 1, van Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad (18) ;

i)

luchtvaartuigen als omschreven in artikel 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie (19);

j)

recreatievoertuigen, met uitzondering van sneeuwscooters, terreinvoertuigen en side-by-side-voertuigen;

k)

voertuigen en machines die uitsluitend in wedstrijden worden gebruikt of uitsluitend daartoe bestemd zijn;

l)

draagbare brandbestrijdingspompen die worden omschreven in en die vallen onder de Europese norm inzake draagbare brandbestrijdingspompen (20);

m)

verkleinde schaalmodellen of schaalreplica's van voertuigen of machines, voor recreatiedoeleinden geproduceerd op kleinere schaal dan het origineel en met een nettovermogen van minder dan 19 kW.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)   „niet voor de weg bestemde mobiele machines”: mobiele machine, vervoerbare industriële uitrusting of voertuig met of zonder carrosserie of wielen, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg; hieronder vallen ook machines die zijn gemonteerd op het chassis van voertuigen bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg;

2)   „EU-typegoedkeuring”: de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een motortype of motorfamilie aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;

3)   „verontreinigende gassen”: de volgende verontreinigende stoffen in de gasvorm ervan, die door een motor worden uitgestoten: koolmonoxide (CO), totale koolwaterstoffen (HC) en stikstofoxiden (NOx); NOx betreft daarbij stikstofoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt als NO2-equivalent;

4)   „deeltjes” of „PM”: de massa van het materiaal in het gas dat door een motor wordt uitgestoten en op een gespecificeerd filtermedium wordt opgevangen na verdunning van het gas met schone, gefiltreerde lucht zodat de temperatuur niet meer dan 325 K (52 °C) bedraagt;

5)   „deeltjesaantal” of „PN”: het aantal vaste deeltjes met een diameter groter dan 23 nm dat door een motor wordt uitgestoten;

6)   „verontreinigende deeltjes”: elke emissie van een motor die als PM of PN wordt gemeten;

7)   „interne verbrandingsmotor” of „motor”: een energieomzetter, maar geen gasturbine, die is ontworpen om chemische energie (input) om te zetten in mechanische energie (output) middels een intern verbrandingsproces; omvat, indien deze zijn geïnstalleerd, het emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (hardware en berichten) tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van de motor en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of van niet voor de weg bestemde mobiele machines, die nodig is om aan de hoofdstukken II en III te voldoen;

8)   „motortype”: een groep van motoren die onderling niet verschillen wat betreft de essentiële motorkenmerken;

9)   „motorfamilie”: een door de fabrikant bepaalde groep van motoren die vanwege hun ontwerp vergelijkbare eigenschappen bezitten wat betreft de uitlaatemissie en die aan de geldende emissiegrenswaarden voldoen;

10)   „basismotor”: een motortype dat op zodanige wijze uit een motorfamilie is gekozen dat de emissie-eigenschappen representatief zijn voor die motorfamilie;

11)   „ruilmotor”: een motor die:

a)

uitsluitend gebruikt wordt om een motor te vervangen die reeds op de markt wordt gebracht en in niet voor de weg bestemde mobiele machines is gemonteerd, en

b)

voldoet aan een emissiefase die lager is dan die die van toepassing is op de datum waarop de motor wordt vervangen;

12)   „in gebruik zijnde motor”: een motor die wordt gebruikt in niet voor de weg bestemde mobiele machines in de normale bedrijfspatronen, -omstandigheden en -belasting daarvan, en die bestemd is voor de uitvoering van de emissiemonitoringtests als bedoeld in artikel 19;

13)   „CI-motor”: een motor die werkt volgens het principe van compressieontsteking („CI”);

14)   „SI-motor”: een motor die werkt volgens het principe van elektrische ontsteking;

15)   „SI-motor voor handapparatuur”: een SI-motor met een referentievermogen van minder dan 19 kW, en die gebruikt wordt in een apparaat dat ten minste aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

het wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de bediener gedragen;

b)

het werkt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) op meerdere posities, zoals ondersteboven of op zijn kant;

c)

zijn gecombineerde drooggewicht, motor inbegrepen, bedraagt minder dan 20 kg en het voldoet ten minste aan een van de volgende voorwaarden:

i)

het apparaat wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de bediener fysisch ondersteund of gedragen;

ii)

het apparaat wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de bediener fysisch ondersteund ofwel door de stand van zijn lichaam bestuurd;

iii)

het apparaat wordt gebruikt in een generator of pomp;

16)   „vloeibare brandstof”: brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden in vloeibare vorm voorkomt (298 K, absolute omgevingsdruk 101,3 kPa);

17)   „gasvormige brandstof”: brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden volledig gasvormig is (298 K, absolute omgevingsdruk 101,3 kPa);

18)   „dual-fuelmotor”: een motor die is ontworpen om tegelijkertijd met vloeibare brandstof en een gasvormige brandstof te werken, waarbij beide brandstoffen apart worden gedoseerd en de verbruikte hoeveelheid van een van de brandstoffen ten opzichte van de andere kan variëren naargelang de bedrijfsomstandigheden;

19)   „single-fuelmotor”: een motor die geen dual-fuelmotor is;

20)   „GER (gasenergieverhouding)”: bij een dual-fuelmotor de verhouding tussen de energie-inhoud van de gasvormige brandstof en die van beide brandstoffen; bij single-fuelmotoren wordt de GER gedefinieerd als 1 of 0, afhankelijk van het type brandstof;

21)   „motor met constant toerental”: een motor waarvan de EU-typegoedkeuring beperkt is tot bedrijf met constant toerental, met uitzondering van motoren waarvan de reguleerfunctie voor een constant toerental is verwijderd of uitgeschakeld; hij kan voorzien zijn van een functie voor stationair draaien ten behoeve van het starten en uitzetten en van een regelaar die op verschillende toerentallen kan worden ingesteld wanneer de motor wordt uitgezet;

22)   „motor met variabel toerental”: een motor die geen motor met constant toerental is;

23)   „bedrijf met constant toerental”: een motorbedrijf met een regelaar die de vraag van de operator automatisch regelt om het motortoerental te handhaven, zelfs onder variërende belasting;

24)   „hulpmotor”: een motor die is gemonteerd of bestemd is te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines, en die geen directe of indirecte aandrijfkracht levert;

25)   „nettovermogen”: het vermogen van de motor uitgedrukt in kW, verkregen op de testbank aan het uiteinde van de krukas of het equivalent daarvan, gemeten overeenkomstig de in VN/ECE-Reglement nr. 120 opgenomen methode voor het meten van het vermogen van interne verbrandingsmotoren gebruikmakend van een referentiebrandstof of brandstofcombinatie als vastgesteld in artikel 25, lid 2;

26)   „referentievermogen”: het nettovermogen dat wordt gebruikt om toepasselijke emissiegrenswaarden voor de motor vast te stellen;

27)   „nominaal nettovermogen”: het door de fabrikant opgegeven nettovermogen, uitgedrukt in kW, van de motor bij nominaal toerental;

28)   „maximaal nettovermogen”: de hoogste waarde van het nettovermogen op de nominaalvermogenscurve bij vollast voor het motortype;

29)   „nominaal toerental”: het door de regelaar van een motor toegestane maximumtoerental bij vollast volgens opgave van de fabrikant of, als er geen regelaar is, het toerental waarbij van de motor het maximaal nettovermogen wordt verkregen volgens opgave van de fabrikant;

30)   „productiedatum van de motor”: de datum, uitgedrukt in maand en jaar, waarop de motor de eindcontrole passeert, na het verlaten van de productielijn, en gereed is voor levering of opslag;

31)   „overgangsperiode”: de eerste 24 maanden na de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van fase V-motoren;

32)   „overgangsmotor”: een motor met een productiedatum vóór de in bijlage III genoemde datum voor het in de handel brengen van fase V-motoren, en die:

a)

voldoet aan de meest recente toepasselijke emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is op 5 oktober 2016, of

b)

valt onder een vermogensgroep, of wordt gebruikt of is bestemd voor gebruik in een toepassing, die op 5 oktober 2016 op het niveau van de Unie niet onderworpen was aan grenswaarden inzake verontreinigende emissies en typegoedkeuring;

33)   „productiedatum van de niet voor de weg bestemde mobiele machine”: de maand en het jaar dat is aangegeven op de voorgeschreven opschriften van de machine of, in afwezigheid van een voorgeschreven opschrift, de maand en het jaar waarin de machine de eindcontrole passeert na het verlaten van de productielijn;

34)   „binnenschip”: een schip dat binnen het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2016/1629 valt;

35)   „generatoraggregaat”: een onafhankelijke niet voor de weg bestemde mobiele machine die geen deel uitmaakt van een aandrijflijn en hoofdzakelijk bestemd is voor het opwekken van elektriciteit;

36)   „stationaire machines”: machines die zijn bestemd om voor het eerste gebruik permanent op één locatie te worden geïnstalleerd en niet bestemd zijn voor verplaatsing, over de weg of op andere wijze, behalve tijdens het transport van de plaats van productie naar de plaats van eerste installatie;

37)   „permanent geïnstalleerd”: met bouten vastgezet of op andere manier zodanig bevestigd dat het niet verwijderd kan worden zonder gebruik van gereedschap of instrumenten, op een fundering of ander bevestigingspunt die of dat ervoor moet zorgen dat de motor op één enkele plek in een gebouw, constructie, faciliteit of installatie functioneert;

38)   „sneeuwscooter”: een zelfrijdende machine bedoeld voor vervoer buiten de wegen, voornamelijk op sneeuw, aangedreven door rupsbanden die in contact staan met de sneeuw en bestuurd door een ski of ski's die in contact staat of staan met de sneeuw, en met een maximale onbeladen massa in rijklare toestand van 454 kg (met inbegrip van de standaarduitrusting, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof en uitrustingsstukken, maar zonder optionele accessoires en bestuurder);

39)   „terreinvoertuig” of „ATV”: een gemotoriseerd voertuig, aangedreven door een motor, dat voornamelijk is bestemd voor vervoer op onverharde oppervlakken op vier of meer wielen met ballonbanden, alleen voorzien van een zitplaats waarop de bestuurder schrijlings zit of van een zitplaats waar de bestuurder schrijlings zit en van een zitplaats voor niet meer dan één passagier, en van een stuurstang;

40)   „side-by-side-voertuig” of „SbS”: een niet-geleed, door de bediener bestuurd voertuig met eigen aandrijving dat voornamelijk is bestemd voor vervoer op onverharde oppervlakken op vier of meer wielen, met een minimale ongeladen massa in rijklare toestand van 300 kg (met inbegrip van de standaarduitrusting, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof en uitrustingsstukken, maar zonder optionele accessoires en bestuurder) en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km/h of meer; een dergelijk voertuig is tevens ontworpen voor het vervoer van personen en/of goederen, en/of voor het duwen en trekken van uitrustingsstukken, wordt anders dan door een stuurstang bestuurd, is ontworpen voor recreatieve of transportdoeleinden en vervoert ten hoogste zes personen, waaronder de bestuurder, die naast elkaar op een of meer niet-zadelzitplaatsen zitten;

41)   „spoorvoertuig”: een niet voor de weg bestemde mobiele machine die uitsluitend op de spoorweg rijdt;

42)   „locomotief”: een spoorvoertuig dat is ontworpen om direct via de eigen wielen of indirect via de wielen van andere spoorvoertuigen te voorzien in de aandrijfkracht voor de eigen voortbeweging en voor de voortbeweging van andere spoorvoertuigen die zijn ontworpen voor het vervoer van vracht, passagiers en andere uitrustingsstukken, en dat zelf niet is ontworpen of bestemd om vracht of passagiers te vervoeren, behalve de personen die het bedienen;

43)   „treinstel”: een spoorvoertuig dat is ontworpen om direct via de eigen wielen of indirect via de wielen van andere spoorvoertuigen te voorzien in de aandrijfkracht voor de eigen voortbeweging, en dat specifiek is ontworpen voor het vervoer van goederen of passagiers, of zowel goederen als passagiers, en geen locomotief is;

44)   „hulpspoorvoertuig”: spoorvoertuig dat geen treinstel of locomotief is, met inbegrip van maar niet uitsluitend een spoorvoertuig dat specifiek is ontworpen om onderhouds- of constructiewerkzaamheden of hefverrichtingen uit te voeren die verband houden met het spoor of andere spoorweginfrastructuur;

45)   „mobiele kraan”: een giekkraan die op eigen kracht verrijdbaar is zonder of met vaste kraanbaan of op beide manieren, en zijn stabiliteit aan de zwaartekracht ontleent, en voor het verplaatsen gebruik maakt van banden, rupsbanden of andere mobiele voorzieningen.

46)   „sneeuwblazer”: een toestel met eigen aandrijving dat uitsluitend is ontworpen voor het sneeuwruimen vanaf een verhard oppervlak door het verzamelen van een hoeveelheid sneeuw die vervolgens met kracht via een koker wordt uitgeworpen;

47)   „op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een motor of een niet voor de weg bestemde mobiele machine, met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie;

48)   „in de handel brengen”: het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een motor of niet voor de weg bestemde mobiele machines;

49)   „fabrikant”: de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de EU-typegoedkeuring voor motoren of de vergunningsprocedure en voor de conformiteit van de productie van de motor, en die tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht op de door hem geproduceerde motoren, ongeacht of deze direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van de motor waarvoor EU-typegoedkeuring wordt aangevraagd;

50)   „vertegenwoordiger van de fabrikant” of „vertegenwoordiger”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant naar behoren schriftelijk is gemachtigd om de fabrikant te vertegenwoordigen bij kwesties met betrekking tot de goedkeuringsinstantie of de markttoezichtautoriteit en namens de fabrikant op te treden bij onder deze verordening vallende aangelegenheden;

51)   „importeur”: elke in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een motor uit een derde land in de handel brengt, ongeacht of de motor al in een niet voor de weg bestemde mobiele machine is gemonteerd;

52)   „distributeur”: een natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, behalve de fabrikant of de importeur, die een motor op de markt aanbiedt;

53)   „marktdeelnemer”: de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de importeur of de distributeur;

54)   „fabrikant van originele uitrusting” of „OEM”: een natuurlijke of rechtspersoon die niet voor de weg bestemde mobiele machines fabriceert;

55)   „goedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen en door hem is aangemeld bij de Commissie en die bevoegd is:

a)

voor alle aspecten van de EU-typegoedkeuring van een motortype of motorfamilie;

b)

voor de vergunningsprocedure;

c)

voor het verlenen en, in voorkomend geval, het intrekken of weigeren van EU-typegoedkeuring, en het afgeven van EU-typegoedkeuringscertificaten;

d)

om op te treden als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten;

e)

voor de aanwijzing van de technische diensten, en

f)

om ervoor te zorgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van de productie;

56)   „technische dienst”: een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten of de goedkeuringsinstantie zelf wanneer die deze functies vervult;

57)   „markttoezicht”: activiteiten en maatregelen van de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat motoren die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie;

58)   „markttoezichtautoriteit”: de autoriteit van een lidstaat die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied;

59)   „nationale autoriteit”: een goedkeuringsinstantie of enige andere autoriteit die, met betrekking tot motoren die bestemd zijn om worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines of tot niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin motoren zijn gemonteerd, betrokken is bij en verantwoordelijk is voor markttoezicht, grenscontroles of het in de handel brengen in een lidstaat;

60)   „eindgebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon behalve de fabrikant, fabrikant van originele uitrusting, invoerder of distributeur, die verantwoordelijk is voor het bedienen van de in een niet voor de weg bestemde mobiele machine gemonteerde motor;

61)   „emissiebeheersingstrategie”: een onderdeel of een reeks onderdelen van het ontwerp die zijn opgenomen in het totaalontwerp van een motor of een niet voor de weg bestemde mobiele machine waarin een motor is gemonteerd, en die gebruikt worden bij het beheersen van emissies;

62)   „emissiebeheersingssysteem”: een voorziening, systeem of ontwerpelement die of dat de emissie beheerst of vermindert;

63)   „manipulatiestrategie”: een emissiebeheersingsstrategie die de doelmatigheid van het emissiebeheersingssysteem vermindert onder omgevings- of motorbedrijfsomstandigheden die hetzij bij een normaal gebruik van de machine, hetzij buiten de testprocedures van de EU-typegoedkeuring optreden;

64)   „elektronische regeleenheid”: de elektronische voorziening van een motor, die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en gegevens van motorsensoren gebruikt om motorparameters te regelen;

65)   „uitlaatgasrecirculatie” of „EGR”: een technische voorziening die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en de emissies vermindert door de door de verbrandingskamer(s) uitgestoten uitlaatgassen weer naar de motor te voeren om vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht te worden gemengd, met uitzondering van het gebruik van kleptiming om de hoeveelheid residueel uitlaatgas in de verbrandingskamer(s) dat vóór of tijdens de verbranding met instromende lucht wordt gemengd, te vergroten;

66)   „uitlaatgasnabehandelingssysteem”: een katalysator, deeltjesfilter, deNOx-systeem, gecombineerd deNOx-deeltjesfilter of elke andere voorziening voor emissievermindering, met uitzondering van uitlaatgasrecirculatie (EGR) en turbocompressoren, die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem maar voorbij de uitlaatpoorten van de motor is gemonteerd;

67)   „manipulatie”: de inactivering, bijstelling of wijziging van het emissiebeheersingssysteem, inclusief software of andere logische besturingselementen van die systemen, met als al dan niet bedoeld gevolg dat de emissieprestaties van de motor slechter worden;

68)   „testcyclus”: een sequentie van testpunten, elk bij een specifiek toerental en koppel van de motor bij een test onder transiënte of statische bedrijfsomstandigheden;

69)   „testcyclus in statische toestand”: een testcyclus waarin het motortoerental en het koppel op een eindige reeks nominaal constante waarden worden gehouden; tests in statische toestand worden in één bepaalde modus of in een modus met overgangen uitgevoerd;

70)   „transiënte testcyclus”: een testcyclus met een sequentie van genormaliseerde toerental- en koppelwaarden die binnen een tijdspanne per seconde variëren;

71)   „motorcarter”: de afgesloten ruimten in of buiten de motor die met het oliecarter zijn verbonden door in- of uitwendige verbindingen waaruit gassen en dampen kunnen ontsnappen;

72)   „regeneratie”: een gebeurtenis waarbij de emissieniveaus veranderen terwijl de prestaties van het uitlaatgasnabehandelingssysteem door het ontwerp worden hersteld en die kan worden ingedeeld als continue regeneratie of niet-frequente (periodieke) regeneratie;

73)   „emissieduurzaamheidsperiode” of „EDP”: het aantal uren dat wordt besteed of, waar van toepassing, de afstand die wordt aangewend om de verslechteringsfactoren vast te stellen;

74)   „verslechteringsfactoren”: de reeks factoren die het verband aantonen tussen emissies aan het begin en aan het eind van de emissieduurzaamheidsperiode;

75)   „virtuele tests”: computersimulaties, daaronder begrepen berekeningen, die gebruikt worden om het prestatieniveau van een motor aan te tonen als hulp bij besluitvorming zonder dat een fysieke motor dient te worden gebruikt.

Artikel 4

Motorcategorieën

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende motorcategorieën, onderverdeeld in de in bijlage I opgenomen subcategorieën:

1.   „categorie NRE”:

a)

motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines die bestemd en geschikt zijn om, al dan niet over de weg, zich te verplaatsen of verplaatst te worden, die niet zijn uitgesloten krachtens artikel 2, lid 2, en die niet zijn opgenomen in een andere, in de punten 2 tot en met 10 van dit lid vastgestelde categorie;

b)

motoren met een referentievermogen van minder dan 560 kW die gebruikt worden in de plaats van fase V-motoren van de categorieën IWP, IWA, RLL of RLR;

2.   „categorie NRG”: motoren met een referentievermogen van meer dan 560 kW die uitsluitend worden gebruikt in generatoraggregaten; motoren voor generatoraggregaten zonder deze eigenschappen, worden opgenomen in categorie NRE of NRS overeenkomstig hun eigenschappen;

3.   „categorie NRSh”: SI-motoren voor handapparatuur met een referentievermogen van minder dan 19 kW, uitsluitend bestemd voor gebruik in met de hand vastgehouden machines;

4.   „categorie NRS”: SI-motoren met een referentievermogen van minder dan 56 kW die niet zijn opgenomen in categorie NRSh;

5.   „categorie IWP”:

a)

motoren met een referentievermogen van 19 kW of meer, die uitsluitend in binnenschepen voor directe of indirecte voortbeweging worden gebruikt of daarvoor zijn bedoeld;

b)

motoren die worden gebruikt in plaats van motoren uit categorie IWA op voorwaarde dat zij voldoen aan artikel 24, lid 8;

6.   „categorie IWA”: hulpmotoren met een referentievermogen dat groter is dan of gelijk is aan 19 kW die uitsluitend in binnenschepen worden gebruikt;

7.   „categorie RLL”: motoren die uitsluitend in locomotieven voor voortbeweging worden gebruikt of daarvoor zijn bedoeld;

8.   „categorie RLR”:

a)

motoren die uitsluitend in treinstellen voor voortbeweging worden gebruikt of daarvoor zijn bedoeld;

b)

motoren die worden gebruikt in de plaats van fase V-motoren van de categorie RLL;

9.   „categorie SMB”: SI-motoren uitsluitend bestemd voor gebruik in sneeuwscooters; andere motoren voor sneeuwscooters dan SI-motoren worden opgenomen in categorie NRE;

10.   „categorie ATS”: SI-motoren uitsluitend bestemd voor gebruik in ATV's en SbS-voertuigen; andere motoren voor ATV's en SbS-voertuigen dan SI-motoren worden opgenomen in categorie NRE.

2.   Een motor met variabel toerental van een bepaalde categorie kan worden gebruikt in de plaats van een motor met constant toerental van dezelfde categorie.

Motoren met variabel toerental van categorie IWP die worden gebruikt om te werken met constant toerental, moeten daarnaast voldoen aan artikel 24, lid 7, of artikel 24, lid 8, naar gelang het geval.

3.   Motoren voor hulpspoorvoertuigen en hulpmotoren voor treinstellen en locomotieven worden opgenomen in categorie NRE of NRS, naar gelang hun eigenschappen.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 5

Verplichtingen van de lidstaten

1.   De lidstaten richten overeenkomstig deze verordening goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten op of wijzen deze aan.

2.   De lidstaten stellen de Commissie van de oprichting en aanwijzing van de in lid 1 bedoelde goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten in kennis; de kennisgeving bevat hun naam, post- en elektronisch adres, en bevoegdheidsgebieden. De Commissie maakt de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties bekend op haar website.

3.   De lidstaten geven uitsluitend toestemming voor het in de handel brengen van:

a)

motoren waarvoor een geldige EU-typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening is verleend, ongeacht of die motoren al in niet voor de weg bestemde mobiele machines zijn gemonteerd, en

b)

niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin onder a) bedoelde motoren zijn gemonteerd.

4.   De lidstaten mogen het in de handel brengen van:

a)

motoren niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van aspecten die verband houden met de constructie of de werking ervan welke onder deze verordening vallen, indien die motoren aan de voorschriften van deze verordening voldoen;

b)

niet voor de weg bestemde mobiele machines niet verbieden, beperken of belemmeren op gronden die verband houden met emissies van verontreinigende gassen en deeltjes door in dergelijke machines gemonteerde motoren, indien die motoren binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen en aan de voorschriften ervan voldoen.

5.   De lidstaten organiseren en verrichten overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008 markttoezicht en controles met betrekking tot motoren die op de markt zijn.

Artikel 6

Verplichtingen van goedkeuringsinstanties

1.   De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat fabrikanten die een EU-typegoedkeuring aanvragen, aan deze verordening voldoen.

2.   De goedkeuringsinstanties verlenen uitsluitend een EU-typegoedkeuring voor motortypen of motorfamilies die aan deze verordening voldoen.

3.   De goedkeuringsinstanties maken middels het IMI een register bekend van alle motortypen en motorfamilies waarvoor EU-typegoedkeuringen zijn verleend, uitgebreid of ingetrokken, of ten aanzien waarvan de aanvraag van een EU-typegoedkeuring is geweigerd.

Dat register bevat ten minste de volgende informatie:

a)

naam en adres van de fabrikant en naam van het bedrijf, indien verschillend;

b)

handelsnaam(namen) of merk(en), naar gelang het geval, van de fabrikant;

c)

motortypen waarvoor een EU-typegoedkeuring van het motortype nodig is of, waar van toepassing, de EU-typegoedkeuring van de motorfamilie;

d)

motorcategorie;

e)

het nummer van de EU-typegoedkeuring, met inbegrip van het nummer van eventuele uitbreidingen;

f)

datum van het verlenen, verlengen, weigeren of intrekken van de EU-typegoedkeuring, en

g)

inhoud van de hoofdstukken „Algemene informatie over de motor” en „Definitief emissieresultaat” van het in artikel 24, lid 12, bedoelde testrapport.

Artikel 7

Verplichtingen van markttoezichtautoriteiten

1.   De markttoezichtautoriteiten voeren, op toereikende schaal en op basis van een toereikend percentage, monsters, documentencontroles en indien gewenst fysieke of laboratoriumcontroles van motoren uit. Hierbij houden zij rekening met gevestigde beginselen van risicobeoordeling, klachten en andere relevante informatie.

2.   De markttoezichtautoriteiten kunnen marktdeelnemers voorschrijven dat deze die documenten en informatie beschikbaar stellen die de autoriteiten noodzakelijk achten om de activiteiten van de autoriteiten uit te voeren.

Artikel 8

Algemene verplichtingen van de fabrikanten

1.   Wanneer fabrikanten hun motoren in de handel brengen, zorgen zij ervoor dat die motoren zijn vervaardigd en goedgekeurd overeenkomstig deze verordening.

2.   Als fabrikanten een motor waarvoor een EU-typegoedkeuring moet worden verleend, zodanig wijzigen dat die vervolgens tot een andere categorie of subcategorie behoort, zorgen zij ervoor dat die motor voldoet aan de voorschriften welke op die categorie of subcategorie van toepassing zijn.

Als een rechtspersoon een motor zodanig wijzigt dat de emissiegrenswaarden voor die motor volgens de categorie of subcategorie ervan niet langer worden nageleefd, wordt die rechtspersoon geacht verantwoordelijk te zijn voor het opnieuw naleven van de emissiegrenswaarden.

3.   Fabrikanten zijn jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de EU-typegoedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de overeenstemming van de productie, ongeacht of zij rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een motor betrokken zijn.

4.   Fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om hun serieproductie in overeenstemming te houden met het goedgekeurde type en om emissies van in gebruik zijnde motoren te monitoren volgens artikel 19.

Er wordt overeenkomstig hoofdstuk VI rekening gehouden met wijzigingen in het ontwerp of in de kenmerken van een motortype, en met wijzigingen in de voorschriften waarmee een motortype conform is verklaard.

5.   In aanvulling op de in artikel 32 bedoelde voorgeschreven opschriften, vermelden fabrikanten op de motoren die zij hebben geproduceerd en in de handel brengen, of, wanneer dit niet mogelijk is, op een bij de motor gevoegd document, hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd merk en contactadres in de Unie.

6.   Op gemotiveerd verzoek verstrekken fabrikanten de OEM een duplicaat van de voorgeschreven opschriften als bedoeld in artikel 15, lid 4.

7.   Fabrikanten zorgen gedurende de periode dat zij voor een motor verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de overeenstemming van de motor met dit hoofdstuk en hoofdstuk III niet in het gedrang komt.

8.   Fabrikanten houden het in artikel 23, lid 1, bedoelde EU-typegoedkeuringscertificaat met de bijlagen en, waar van toepassing, een kopie van de in artikel 31 bedoelde overeenstemmingsverklaring gedurende 10 jaar na het in de handel brengen van een motor ter beschikking van de goedkeuringsinstanties.

9.   Fabrikanten verstrekken nationale autoriteiten op gemotiveerd verzoek en via de goedkeuringsinstantie een kopie van het EU-typegoedkeuringscertificaat voor een motor. Die kopie wordt gesteld in een taal die de verzoekende nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen.

10.   Voor de EU-typegoedkeuring van motoren wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd, één binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan om hen voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen.

11.   Voor het markttoezicht wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd, één binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan, die de in lid 10 bedoelde vertegenwoordiger kan zijn.

Artikel 9

Verplichtingen van fabrikanten betreffende motoren die niet conform zijn

1.   Een fabrikant die redenen heeft om aan te nemen of van mening is dat een van zijn motoren die in de handel is gebracht, niet conform deze verordening is, onderzoekt onmiddellijk de aard van de vermoede non-overeenstemming en de waarschijnlijkheid dat deze optreedt.

Op basis van het resultaat van het onderzoek neemt de fabrikant corrigerende maatregelen om ervoor te zorgen dat de in productie zijnde motoren tijdig in overeenstemming worden gebracht met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie.

De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, onmiddellijk in kennis van het onderzoek, waarbij hij met name de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijft.

2.   Niettegenstaande lid 1, is een fabrikant niet verplicht corrigerende maatregelen te nemen met betrekking tot motoren die niet conform deze verordening zijn als gevolg van wijzigingen die nadat de motor in de handel is gebracht en zonder toestemming van de fabrikant zijn aangebracht.

Artikel 10

Verplichtingen van de vertegenwoordigers van de fabrikant voor markttoezicht

De vertegenwoordigers van de fabrikant voor markttoezicht voeren ten minste de volgende taken uit, die worden gespecificeerd in een schriftelijk mandaat dat zij van de fabrikant ontvangen:

a)

ervoor zorgen dat het in artikel 23, lid 1, bedoelde EU-typegoedkeuringscertificaat met de bijlagen en, waar van toepassing, een kopie van de in artikel 31 bedoelde overeenstemmingsverklaring, gedurende tien jaar na het in de handel brengen van een motor ter beschikking wordt gehouden van de goedkeuringsinstanties;

b)

de goedkeuringsinstantie op gemotiveerd verzoek alle benodigde informatie en documentatie verstrekken om de overeenstemming van de productie van een motor aan te tonen;

c)

op verzoek van de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten deze medewerking verlenen met betrekking tot eventueel uit hoofde van het mandaat getroffen maatregelen.

Artikel 11

Algemene verplichtingen van importeurs

1.   Importeurs brengen alleen motoren in de handel die conform zijn met de verleende EU-typegoedkeuring.

2.   Voordat een motor waarvoor een EU-typegoedkeuring is verleend, in de handel wordt gebracht, zorgt de importeur ervoor dat:

a)

het in artikel 23, lid 1, bedoelde EU-typegoedkeuringscertificaat met de bijlagen beschikbaar is;

b)

de motor voorzien is van het voorgeschreven opschrift, bedoeld in artikel 32;

c)

de motor voldoet aan artikel 8, lid 5.

3.   De importeur houdt gedurende een periode van tien jaar na het in de handel brengen van een motor, waar van toepassing, een kopie van de in artikel 31 bedoelde overeenstemmingsverklaring ter beschikking van de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten en zorgt ervoor dat het in artikel 23, lid 1, bedoelde EU-typegoedkeuringscertificaat met de bijlagen op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.

4.   De importeur vermeldt op de motor, of wanneer dat niet mogelijk is, in een bij de motor gevoegd document, zijn naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd merk en het adres waar hij bereikt kan worden.

5.   De importeur zorgt ervoor dat de motor vergezeld gaat van de in artikel 43 bedoelde informatie en instructies.

6.   Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een motor verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van de motor met dit hoofdstuk of hoofdstuk III niet in het gedrang komt.

7.   De importeur verstrekt aan een verzoekende nationale autoriteit op gemotiveerd verzoek alle benodigde informatie en documentatie om de overeenstemming van een motor aan te tonen. Die informatie en documentatie wordt gesteld in een taal die voor de verzoekende nationale autoriteit gemakkelijk te begrijpen is.

Artikel 12

Verplichtingen van importeurs betreffende motoren die niet conform zijn

1.   Een importeur die redenen heeft om aan te nemen of van mening is dat een motor niet aan deze verordening voldoet, en in het bijzonder dat de motor niet conform is met de EU-typegoedkeuring ervoor, brengt de motor niet in de handel totdat deze in overeenstemming is gebracht.

De importeurs stelt de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten, alsook de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daar zonder onnodige vertraging van in kennis.

2.   Een importeur die redenen heeft om aan te nemen of van mening is dat een motor die door hem in de handel is gebracht, niet conform deze verordening is, onderzoekt onmiddellijk de aard van de vermoede non-conformiteit en de mate van waarschijnlijkheid dat deze optreedt.

Op basis van het resultaat van het onderzoek neemt de importeur corrigerende maatregelen om ervoor te zorgen dat de in productie zijnde motoren tijdig conform worden gemaakt met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie, en stelt hij de fabrikant daarvan in kennis.

Artikel 13

Algemene verplichtingen van distributeurs

1.   Distributeurs die een motor op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid ten aanzien van de voorschriften van deze verordening.

2.   Alvorens een motor op de markt aan te bieden, verifiëren de distributeurs:

a)

of de fabrikant heeft voldaan aan artikel 8, lid 5;

b)

indien van toepassing, of de importeur heeft voldaan aan artikel 11, leden 2 en 4;

c)

of de motor voorzien is van het voorgeschreven opschrift, bedoeld in artikel 32;

d)

of de informatie en instructies bedoeld in artikel 43 beschikbaar zijn in een taal die de OEM gemakkelijk kan begrijpen.

3.   Distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een motor verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van de motor met dit hoofdstuk of hoofdstuk III niet in het gedrang komt.

4.   Op gemotiveerd verzoek zorgen de distributeurs ervoor dat de fabrikant de verzoekende nationale autoriteit de in artikel 8, lid 8, genoemde documenten verstrekt of dat de importeur de verzoekende nationale autoriteit de in artikel 11, lid 3, genoemde documenten verstrekt.

Artikel 14

Verplichtingen van distributeurs betreffende motoren die niet conform zijn

1.   Wanneer een distributeur redenen heeft om aan te nemen of van mening is dat een motor niet conform is met deze verordening, biedt hij de motor niet op de markt aan totdat hij in conformiteit is gebracht.

2.   De distributeur die redenen heeft om aan te nemen of van mening is dat een motor die hij op de markt heeft aangeboden niet conform is met deze verordening, stelt de fabrikant of diens vertegenwoordiger daarvan in kennis om ervoor te zorgen dat overeenkomstig artikel 9 of artikel 12 de corrigerende maatregelen worden genomen die nodig zijn om de in productie zijnde motoren conform te maken met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie.

Artikel 15

Verplichtingen van OEM's betreffende de montage van motoren

1.   OEM's monteren in niet voor de weg bestemde mobiele machines motoren waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend, volgens de instructies van de fabrikant overeenkomstig artikel 43, lid 2, en op een manier die geen negatieve gevolgen heeft voor de prestaties van de motor wat de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes betreft.

2.   Wanneer een OEM zich niet houdt aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde instructies of een motor tijdens de montage in niet voor de weg bestemde mobiele machines wijzigt op een manier die negatieve gevolgen heeft voor de prestaties van de motor wat de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes betreft, wordt die OEM voor de toepassing van deze verordening beschouwd als een fabrikant en gelden voor hem met name de verplichtingen van de artikelen 8 en 9.

3.   OEM's monteren in niet voor de weg bestemde mobiele machines motoren waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend uitsluitend in overeenstemming met de in artikel 4 voorziene soorten exclusief gebruik.

4.   Wanneer het voorgeschreven opschrift, bedoeld in artikel 32, niet zichtbaar is zonder dat er onderdelen worden verwijderd, brengt de OEM op de niet voor de weg bestemde mobiele machine een duidelijk zichtbaar duplicaat aan van het opschrift als bedoeld in dat artikel en in de desbetreffende uitvoeringshandeling, dat door de fabrikant is geleverd.

5.   Wanneer niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin een overgangsmotor is gemonteerd in de handel zijn gebracht overeenkomstig artikel 58, lid 5, vermelden de OEM's de productiedatum van de niet voor de weg bestemde mobiele machine als onderdeel van het opschrift op de machine.

6.   Wanneer een fabrikant een motor afzonderlijk van zijn uitlaatgasnabehandelingssysteem aan een OEM levert in overeenstemming met artikel 34, lid 3, verstrekt de OEM, waar van toepassing, de fabrikant informatie over de assemblage van de motor en het uitlaatgasnabehandelingssysteem ervan.

Artikel 16

Toepassing van de verplichtingen van fabrikanten op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur die een motor onder zijn eigen naam of merk op de markt aanbiedt, of zo'n motor zodanig wijzigt dat de conformiteit ervan met de van toepassing zijnde voorschriften in het gedrang kan komen, worden voor de toepassing van deze verordening beschouwd als fabrikant en voor hen gelden met name de verplichtingen van de artikelen 8 en 9.

Artikel 17

Kennisgevingsverplichting voor marktdeelnemers en OEM's

Marktdeelnemers en OEM's delen de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten, op verzoek en gedurende vijf jaar na het in de handel brengen, onderstaande gegevens mee:

a)

welke marktdeelnemer een motor aan hen heeft geleverd;

b)

aan welke marktdeelnemer of, indien mogelijk, aan welke OEM zij een motor hebben geleverd.

HOOFDSTUK III

MATERIËLE VOORSCHRIFTEN

Artikel 18

Voorschriften betreffende uitlaatemissies voor EU-typegoedkeuring

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat motortypen en motorfamilies zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat zij voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk II en van dit hoofdstuk.

2.   Vanaf de in bijlage III opgenomen datum waarop de motoren in de handel worden gebracht mogen motortypen en motorfamilies de fase V-uitlaatemissiegrenswaarden van bijlage II niet overschrijden.

Wanneer een motorfamilie, overeenkomstig de in de betrokken uitvoeringshandeling opgenomen parameters die de motorfamilie definiëren, meer dan één vermogensgroep beslaat, dient de basismotor (voor EU-typegoedkeuringsdoeleinden) en alle motortypen binnen dezelfde familie (voor overeenstemming van de productie) met betrekking tot de toepasselijke vermogensgroepen:

a)

aan de meest strenge emissiegrenswaarden te voldoen;

b)

te worden getest met testcycli die overeenkomen met de meest strenge emissiegrenswaarden;

c)

te voldoen aan de vroegst toepasbare in bijlage III opgenomen data voor EU-typegoedkeuring en het in de handel brengen.

3.   De uitlaatemissies van motortypen en motorfamilies worden gemeten op basis van de in artikel 24 vermelde testcycli en overeenkomstig artikel 25.

4.   Motortypen en motorfamilies worden ontworpen en uitgerust met emissiebeheersingsstrategieën op een wijze die manipulatie zoveel mogelijk voorkomt. Het gebruik van manipulatiestrategieën is verboden.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met nadere gegevens met betrekking tot de parameters die moeten worden gebruikt voor de definitie van motortypes en -families, en van de bedrijfsmodi ervan, en de nadere technische gegevens voor het voorkomen van de in lid 4 van dit artikel bedoelde manipulatie. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 19

Monitoring van emissies van in gebruik zijnde motoren

1.   De emissies van verontreinigende gassen van motoren behorende tot motortypes of -families van emissiefase V met een typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening worden gemonitord door in gebruik zijnde motoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines te testen gedurende hun normale bedrijfscyclus. Dergelijke tests vallen onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant en worden conform de voorschriften van de goedkeuringsinstantie uitgevoerd op motoren die correct zijn onderhouden, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen inzake de selectie van motoren, testprocedures en verslaglegging van resultaten voor de verschillende motorcategorieën.

De Commissie voert proefprogramma's uit teneinde passende testprocedures te ontwikkelen voor de motorcategorieën en subcategorieën waarvoor nog geen testprocedures bestaan.

De Commissie voert voor iedere motorcategorie monitoringsprogramma's uit teneinde te bepalen in welke mate de gemeten emissies uit de testcyclus overeenkomen met de in de praktijk gemeten emissies. Deze programma's en de resultaten ervan worden jaarlijks aan de lidstaten gepresenteerd en vervolgens openbaar gemaakt.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het aanvullen van deze verordening met gedetailleerde regelingen betreffende de in lid 1 van dit artikel vermelde selectie van motoren, testprocedures en verslaglegging van de resultaten. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 20

Aanvraag voor EU-typegoedkeuring

1.   Fabrikanten dienen een afzonderlijke aanvraag voor EU-typegoedkeuring voor elk motortype of elke motorcategorie in bij de goedkeuringsinstantie van een lidstaat, en elke aanvraag gaat vergezeld van het in artikel 21 vermelde informatiedossier. Er wordt slechts één aanvraag ingediend voor een motortype of motorfamilie, indien van toepassing, en bij slechts één goedkeuringsautoriteit.

2.   De fabrikanten stellen de technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de EU-typegoedkeuringstests een motor ter beschikking die de in het in artikel 21 bedoelde informatiedossier beschreven kenmerken van het motortype, of in het geval van een motorfamilie, van de basismotor bezit.

3.   Indien in het geval van een aanvraag voor EU-typegoedkeuring van een motorfamilie de goedkeuringsinstantie van mening is dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde geselecteerde basismotor waarop de ingediende aanvraag betrekking heeft niet ten volle de in het in artikel 21 vermelde informatiedossier beschreven motorfamilie vertegenwoordigt, stellen de fabrikanten een andere en, zo nodig, een extra basismotor die volgens de goedkeuringsinstantie de motorfamilie vertegenwoordigt ter beschikking.

4.   Binnen een maand nadat het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie in productie is genomen, dienen de fabrikanten het eerste plan voor het monitoren van in gebruik zijnde motoren in bij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft gegeven voor dit motortype of, waar van toepassing, deze motorfamilie.

Artikel 21

Informatiedossier

1.   De aanvrager legt aan de goedkeuringsinstantie een informatiedossier over dat de volgende elementen omvat:

a)

een informatiedocument, met een lijst van referentiebrandstoffen en, wanneer de fabrikant zulks verlangt, andere gespecificeerde brandstoffen, brandstofmengsels of brandstofemulsies als bedoeld in artikel 25, lid 2, en beschreven overeenkomstig de in artikel 25, lid 4, bedoelde gedelegeerde handelingen („het informatiedocument”);

b)

alle relevante gegevens, tekeningen, foto's en andere informatie met betrekking tot het motortype of, waar van toepassing, de basismotor;

c)

alle aanvullende informatie waar door de goedkeuringsinstantie in het kader van de aanvraagprocedure voor de EU-typegoedkeuring om wordt gevraagd.

2.   Het informatiedossier kan worden verstrekt in papieren of in een elektronisch formaat die aanvaard is door de technische dienst en de goedkeuringsinstantie.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om modellen vast te stellen voor het inlichtingenformulier en het informatiedossier. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK V

VERLOOP VAN DE EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 22

Algemene bepalingen

1.   De goedkeuringsinstantie die de aanvraag ontvangt, verleent EU-typegoedkeuring voor alle motortypen of motorfamilies die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

de gegevens in het informatiedossier;

b)

de voorschriften van deze verordening, met name de in artikel 26 vermelde regelingen inzake de overeenstemming van de productie.

2.   Als een motor voldoet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften leggen goedkeuringsinstanties geen andere EU-typegoedkeuringsvoorschriften op met betrekking tot uitlaatemissies voor niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin dergelijke motor is gemonteerd.

3.   Na de data voor de EU-typegoedkeuring van motoren vermeld in bijlage III voor elke subcategorie motoren, verlenen goedkeuringsinstanties geen EU-typegoedkeuring voor een motortype of motorfamilie dat/die niet voldoet aan de voorschriften van deze verordening.

4.   De EU-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens een geharmoniseerd systeem dat de Commissie vaststelt.

5.   Via het IMI verricht de goedkeuringsinstantie het volgende:

a)

zij stelt de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten een lijst ter beschikking met de door haar verleende EU-typegoedkeuringen, of, waar van toepassing, uitgebreide EU-typegoedkeuringen, binnen een maand na de afgifte van het overeenkomstig EU-typegoedkeuringscertificaat;

b)

zij stelt de goedkeuringsinstanties zonder vertraging van de andere lidstaten een lijst ter beschikking met de door haar geweigerde of ingetrokken EU-typegoedkeuringen, vergezeld van een motivering voor de beslissingen;

c)

zij verstuurt, binnen een maand na ontvangst van een verzoek van de goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat, een exemplaar van het EU-typegoedkeuringscertificaat van het motortype of de motorfamilie, indien bestaand, aan die goedkeuringsinstantie samen met het in lid 6 bedoelde informatiepakket, voor ieder motortype of iedere motorfamilie waarvoor zij de typegoedkeuring heeft verleend, geweigerd of de EU-typegoedkeuring die zij heeft ingetrokken.

6.   De goedkeuringsinstantie stelt een informatiepakket samen dat bestaat uit het informatiedossier plus het testrapport en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd (het informatiepakket).

Het informatiepakket bevat een inhoudsopgave, genummerd of voorzien van andere tekens zodat alle pagina's en de opzet van ieder document duidelijk worden aangegeven en alle opeenvolgende stappen in het beheer van de EU-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van herzieningen en actualiseringen, zijn geregistreerd.

De goedkeuringsinstantie zorgt ervoor dat de informatie in het informatiepakket ter beschikking is gedurende een periode van minstens 25 jaar na afloop van de geldigheid van de desbetreffende EU-typegoedkeuring.

7.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om het volgende vast te stellen:

a)

de methode voor het vaststellen van het in lid 4 vermelde geharmoniseerde nummeringssysteem;

b)

de modellen en gegevensstructuur voor de in lid 5 bedoelde uitwisseling van informatie.

Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 23

Specifieke bepalingen voor het EU-typegoedkeuringscertificaat

1.   De volgende stukken worden als bijlage bij het EU-typegoedkeuringscertificaat gevoegd:

a)

het informatiepakket;

b)

waar van toepassing, naam en een voorbeeld van de handtekening van de personen die gemachtigd zijn overeenstemmingsverklaringen als bedoeld in artikel 31, te ondertekenen met vermelding van hun positie in het bedrijf.

2.   De Commissie stelt een model op voor het EU-typegoedkeuringscertificaat.

3.   Voor elk motortype dat of elke motorfamilie dat werd goedgekeurd doet de goedkeuringsinstantie het volgende:

a)

alle relevante rubrieken van het EU-typegoedkeuringscertificaat invullen en het testrapport er bijvoegen;

b)

de inhoudsopgave bij het informatiepakket samenstellen;

c)

het ingevulde certificaat en de bijlagen onverwijld aan de aanvrager verstrekken.

4.   Indien de geldigheid van een EU-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 35 beperkt is of indien het motortype of de motorfamilie van de toepassing van sommige bepalingen van deze verordening is vrijgesteld, worden deze beperkingen of vrijstellingen in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij het model voor het EU-typegoedkeuringscertificaat bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016.volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 24

Voor EU-typegoedkeuring vereiste tests

1.   Door middel van passende tests die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze verordening is voldaan. De procedures voor de metingen en tests, alsmede de specifieke uitrustingsstukken en instrumenten voor de uitvoering van deze testen, zijn in artikel 25 vastgesteld.

2.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie het aantal motoren ter beschikking dat volgens de relevante gedelegeerde handelingen nodig is voor de uitvoering van de voorgeschreven tests.

3.   De voorgeschreven tests worden uitgevoerd op motoren die representatief zijn voor het goed te keuren motortype of, waar van toepassing, de goed te keuren basismotor van de motorfamilie.

Niettegenstaande de eerste alinea kan de fabrikant, in overeenstemming met de goedkeuringsinstantie, een motor selecteren die weliswaar niet representatief is voor het goed te keuren motortype of, indien van toepassing, niet representatief is voor de goed te keuren basismotor van de motorfamilie, maar die een aantal van de meest ongunstige kenmerken ten aanzien van het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

4.   De testcycli die van toepassing zijn op de uitvoering van EU-typegoedkeuringstests zijn opgenomen in bijlage IV. De testcycli die van toepassing zijn op alle in de EU-typegoedkeuring opgenomen motortypen worden vermeld in het informatiedocument.

5.   Een motor die representatief is voor het motortype of, waar van toepassing, de basismotor van de motorfamilie, of een motor die is geselecteerd overeenkomstig lid 3, tweede alinea, wordt getest op een dynamometer met gebruikmaking van de toepasselijke testcyclus in statische toestand (niet voor wegverkeer) zoals vermeld in tabellen IV-1 tot en met IV-10 in bijlage IV. De fabrikant kan voor het uitvoeren van de tests kiezen voor de specifieke modus of de modus met overgangen. Met uitzondering van de in de leden 7 en 8 vermelde gevallen hoeft een motor met variabel toerental van een bepaalde categorie die in een toepassing met constant toerental van dezelfde categorie wordt gebruikt, niet te worden getest met de testcyclus in statische toestand met het toepasselijke constante toerental.

6.   In geval van een motor met constant toerental met een regelaar die op een verschillend toerental kan worden ingesteld, worden de in lid 5 opgenomen voorschriften voor ieder toepasbaar constant toerental nageleefd en geeft het informatiedocument aan welke snelheden voor ieder motortype van toepassing zijn.

7.   In geval van een motor uit categorie IWP bestemd voor gebruik in zowel werking met variabel toerental als werking met constant toerental, worden de in lid 5 vastgestelde voorschriften voor iedere toepasselijke testcyclus in statische toestand afzonderlijk nageleefd en geeft het informatiedocument iedere testcyclus in statische toestand aan waarvoor aan die voorschriften is voldaan.

8.   In geval van een motor uit categorie IWP die bestemd is voor gebruik in de plaats van een motor uit de categorie IWA overeenkomstig artikel 4, lid 2, wordt afzonderlijk aan de voorschriften van lid 5 van dit artikel voor iedere toepasselijke in tabellen IV-5 en IV-6 van bijlage IV opgenomen testcyclus in statische toestand voldaan en geeft het informatiedocument iedere testcyclus in statische toestand aan waarvoor aan deze voorschriften is voldaan.

9.   Met uitzondering van motoren waarvoor overeenkomstig artikel 34, leden 5 en 6, een typegoedkeuring is verleend, worden motoren met variabel toerental uit de categorie NRE met een nettovermogen van minimaal 19 kW en maximaal 560 kW in aanvulling op de voorschriften van lid 5 van dit artikel, ook getest op een dynamometer met een transiënte testcyclus zoals vastgesteld in tabel IV-11 van bijlage IV.

10.   Motoren uit de subcategorieën NRS-v-2b en NRS-v-3 met een maximaal toerental van minder dan of gelijk aan 3 400 tpm worden in aanvulling op de voorschriften van lid 5, ook getest op een dynamometer met een transiënte testcyclus zoals vastgesteld in tabel IV-12 van bijlage IV.

11.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van de gedetailleerde technische specificaties en karakteristieken van de in dit artikel bedoelde testcycli in statische toestand en transiënte testcycli, met inbegrip van de overeenkomstige methode voor het bepalen van de instellingen betreffende de belasting en snelheid van de motor. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld.

12.   De Commissie kan gedelegeerde handelingen vaststellen om het uniforme formaat van het voor EU-typegoedkeuring vereiste testverslag vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 25

Verrichten van metingen en tests voor EU-typegoedkeuring

1.   De eindresultaten van de tests van uitlaatemissies voor motoren die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, worden berekend door op de resultaten van de laboratoriumtests al het volgende toe te passen:

a)

de emissies van cartergassen, indien vereist op grond van lid 3 en indien niet reeds opgenomen in de laboratoriummetingen;

b)

de nodige aanpassingsfactoren, indien vereist op grond van lid 3 en wanneer de motor met een regeneratief uitlaatgasnabehandelingssysteem is uitgerust;

c)

met betrekking tot alle motoren, de verslechteringsfactoren die betrekking hebben op de in bijlage V opgenomen emissieduurzaamheidsperioden.

2.   Het testen van een motortype of motorfamilie om na te gaan of het voldoet aan de emissiegrenswaarden die bij deze verordening zijn vastgesteld wordt uitgevoerd door gebruik te maken van de volgende referentiebrandstoffen of brandstofcombinaties, naar gelang het geval:

a)

diesel;

b)

benzine;

c)

benzine/oliemengsel voor tweetakt-SI-motoren;

d)

aardgas/biomethaan;

e)

vloeibaar petroleumgas (LPG);

f)

ethanol.

Het motortype of de motorfamilie voldoet voorts ook aan de in deze verordening neergelegde emissiegrenswaarden met betrekking tot andere specifieke brandstoffen, brandstofmengsels of brandstofemulsies die door de fabrikant worden opgenomen in de aanvraag voor een EU-typegoedkeuring, en voor zover zulks is vermeld in het informatiedossier.

3.   Bij het verrichten van metingen en tests wordt voldaan aan de technische voorschriften met betrekking tot:

a)

apparatuur en procedures voor het uitvoeren van tests;

b)

apparatuur en procedures voor emissiemeting en monsterneming;

c)

methoden voor de evaluatie van gegevens en voor berekeningen;

d)

methoden voor het bepalen van verslechteringsfactoren;

e)

waar het motoren van de categorieën NRE, NRG, IWP, IWA, RLR, NRS, NRSh, SMB en ATS betreft die voldoen aan de fase V-emissiegrenswaarden zoals opgenomen in bijlage II:

i)

methoden om emissies van cartergassen in rekening te brengen;

ii)

methoden om continue of niet-frequente regeneratie bij uitlaatgasnabehandelingssystemen te bepalen en in rekening te brengen;

f)

ten aanzien van elektronisch gestuurde motoren uit de categorieën NRE, NRG, IWP, IWA, RLL en RLR die voldoen aan de fase V-emissiegrenswaarden zoals vermeld in bijlage II en waarbij zowel de dosering als de timing van de brandstofinspuiting elektronisch wordt geregeld of waarbij het emissiebeheersingssysteem voor de vermindering van NOx elektronisch wordt geactiveerd, gedeactiveerd of gemoduleerd:

i)

emissiebeheersingsstrategieën, en zijn met inbegrip van de benodigde documenten om die strategieën aan te tonen;

ii)

NOx-beheersingsmaatregelen, en zijn met inbegrip van de methode om die beheersingsmaatregelen aan te tonen;

iii)

het gebied van de testcyclus in statische toestand (niet voor wegverkeer) waarin de toegestane overschrijding van de emissiegrenswaarden van bijlage II, beheerst wordt;

iv)

de selectie door de technische dienst van aanvullende meetpunten binnen het beheersgebied tijdens de emissiebanktest.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van:

a)

de methode voor het aanpassen van de resultaten van emissielaboratoriumtests om rekening te houden met de in lid 1, onder c), vermelde verslechteringsfactoren;

b)

de technische eigenschappen van de in lid 2 vermelde referentiebrandstoffen en, in voorkomend geval, de voorschriften voor de beschrijving van andere in het informatiedossier beschreven specifieke brandstoffen, brandstofmengsels of brandstofemulsies;

c)

de gedetailleerde technische voorschriften en kenmerken voor het verrichten van de in lid 3 bedoelde metingen en tests;

d)

de methode die gebruikt wordt voor het meten van deeltjesaantallen, waarbij rekening wordt gehouden met de in wijzigingsreeks 06 van VN/ECE-reglement nr. 49 vermelde specificaties;

e)

de gedetailleerde technische voorschriften die toegepast worden bij het testen van dual-fuelmotoren of van monofuelmotoren op basis van gasvormige brandstof zoals bedoeld in bijlage II.

Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld.

Artikel 26

Regelingen inzake de overeenstemming van de productie

1.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die EU-typegoedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende regelingen zijn getroffen om te waarborgen dat de in productie zijnde motoren conform zullen zijn met het goedgekeurde type wat betreft de voorschriften van deze verordening.

2.   Een goedkeuringsinstantie die een typegoedkeuring heeft verleend neemt met betrekking tot die EU-typegoedkeuring de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat door de fabrikant afgegeven verklaringen van overeenstemming voldoen aan artikel 31.

3.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die EU-typegoedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen nog steeds afdoende zijn zodat in productie zijnde motoren in overeenstemming zullen blijven met het goedgekeurde type en de eventuele overeenstemmingsverklaringen aan artikel 31 zullen blijven voldoen.

4.   Om te verifiëren of een motor conform is met het goedgekeurde type, mag de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle controles of tests die vereist zijn voor de EU-typegoedkeuring uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief in de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.

5.   Indien een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat de overeenkomstig lid 1 overeengekomen regelingen niet worden toegepast, significant afwijken van de overeengekomen regelingen en controleplannen, niet meer worden toegepast of niet langer als afdoende worden beschouwd, terwijl de productie wel wordt voortgezet, neemt zij ofwel de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de procedure voor de overeenstemming van de productie correct wordt nageleefd, of trekt zij de EU-typegoedkeuring in.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de bepaling van de gedetailleerde maatregelen en de procedures die de goedkeuringsinstanties moeten nemen en volgen om ervoor te zorgen dat de in productie zijnde motoren conform zijn met het goedgekeurde type. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

WIJZIGINGEN EN GELDIGHEIDSDUUR VAN EU-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 27

Algemene bepalingen

1.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend onverwijld in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket.

In geval van dergelijke wijziging, besluit die goedkeuringsinstantie welke van de procedures van artikel 28 moet worden gevolgd.

Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie na overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EU-typegoedkeuring moet worden verleend.

2.   Een aanvraag tot wijziging van een EU-typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke EU-typegoedkeuring heeft verleend.

3.   Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging inspecties of tests moeten worden herhaald, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis.

De in artikel 28 vastgelegde procedures zijn alleen van toepassing als de goedkeuringsinstantie op grond van die inspecties of tests tot de conclusie komt dat nog steeds aan de voorwaarden voor EU-typegoedkeuring wordt voldaan.

Artikel 28

Herzieningen en uitbreidingen van EU-typegoedkeuringen

1.   Wanneer gegevens van het informatiepakket zijn gewijzigd zonder dat daarvoor inspecties of tests hoefden te worden herhaald, wordt een dergelijke wijziging een „herziening” genoemd.

In geval van dergelijke herziening, herziet de goedkeuringsinstantie zonder onnodige vertraging de relevante bladzijden van het informatiepakket vast, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging wordt vermeld, en zij vermeldt tevens de herzieningsdatum en voegt hierbij een herziene inhoudsopgave van het informatiepakket. Met een geconsolideerde, geactualiseerde versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijzigingen, wordt geacht aan het in dit lid bedoelde voorschrift te zijn voldaan.

2.   Wijzigingen als bedoeld in lid 1 worden „uitbreiding” genoemd, wanneer de gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen zijn gewijzigd en een of meer van de volgende situaties optreden:

a)

er zijn aanvullende inspecties of nieuwe tests nodig;

b)

enige informatie die is opgenomen in het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c)

een nieuw voorschrift dat in deze verordening of een krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandeling wordt vastgesteld, is van toepassing voor het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie.

In het geval van een uitbreiding stelt de goedkeuringsinstantie een bijgewerkt EU-typegoedkeuringscertificaat vast, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer. Op dat EU-typegoedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de uitbreidingsdatum vermeld.

3.   Telkens als bladzijden van het informatiepakket worden gewijzigd of als een geconsolideerde, geactualiseerde versie wordt opgesteld, wordt de inhoudsopgave die bij het EU-typegoedkeuringscertificaat is gevoegd dienovereenkomstig gewijzigd zodat daarin de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de geactualiseerde versie is vermeld.

4.   Indien een in lid 2, onder c), bedoeld nieuw voorschrift, wat emissieprestaties betreft, uit technisch oogpunt irrelevant is voor een motortype of motorfamilie, wordt geen wijziging van de EU-typegoedkeuring voor dat motortype of die motorfamilie vereist.

Artikel 29

Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

1.   In geval van een herziening van een EU-typegoedkeuringscertificaat verstrekt de goedkeuringsinstantie de aanvrager zonder onnodige vertraging de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde, geactualiseerde versie, inclusief de herziene inhoudsopgave bij het informatiepakket, als bedoeld in artikel 28, lid 1, tweede alinea.

2.   In geval van een uitbreiding van een EU-typegoedkeuringscertificaat verstrekt de goedkeuringsinstantie de aanvrager zonder onnodige vertraging het geactualiseerde EU-typegoedkeuringscertificaat bedoeld in artikel 28, lid 2, met inbegrip van de bijlagen, en de inhoudsopgave bij het informatiepakket.

3.   De goedkeuringsinstantie stelt via het IMI de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten in kennis van elke wijziging van EU-typegoedkeuringen, overeenkomstig artikel 22, lid 5.

Artikel 30

Geldigheid van EU-typegoedkeuring

1.   Een EU-typegoedkeuring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.

2.   In elk van de volgende gevallen wordt een EU-typegoedkeuring van een motor ongeldig:

a)

wanneer met betrekking tot het in de handel brengen van motoren nieuwe voorschriften in werking treden die op het goedgekeurde motortype of in voorkomend geval motorfamilie van toepassing zijn, en de EU-typegoedkeuring niet dienovereenkomstig kan worden uitgebreid of herzien;

b)

wanneer de productie van het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie vrijwillig definitief wordt stopgezet;

c)

wanneer de geldigheid van de EU-typegoedkeuring afloopt ten gevolge van een beperking, overeenkomstig artikel 35, lid 3;

d)

wanneer de EU-typegoedkeuring is ingetrokken overeenkomstig artikel 26, lid 5, artikel 39, lid 1, of artikel 40, lid 3.

3.   Wanneer aan de voorwaarden voor de geldigheid van een EU-typegoedkeuring niet langer voldaan is ten aanzien van slechts één motortype binnen een motorfamilie, wordt de EU-typegoedkeuring van de betrokken motorfamilie alleen voor dat motortype ongeldig.

4.   Wanneer de productie van een motortype of in voorkomend geval motorfamilie definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, van die stopzetting in kennis.

Uiterlijk een maand na ontvangst van die kennisgeving stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor dat motortype of die motorfamilie heeft verleend de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten hiervan in kennis.

5.   Wanneer een EU-typegoedkeuring van een motortype of, in voorkomend geval, van een motorfamilie ongeldig wordt, stelt de fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 4, de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de overeenkomstige EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis.

In die gevallen deelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring verleend, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld alle ter zake dienende informatie mee.

Die mededeling omvat met name de productiedatum en het motoridentificatienummer van de laatste geproduceerde motor.

6.   Aan de in de leden 4 en 5 vermelde kennisgevingsvoorschriften wordt geacht te zijn voldaan door het uploaden van de betrokken informatie naar IMI.

HOOFDSTUK VII

OVEREENSTEMMINGSVERKLARING EN OPSCHRIFTEN

Artikel 31

Overeenstemmingsverklaring

1.   Als houder van EU-typegoedkeuring voor een motortype of een motorfamilie levert de fabrikant een overeenstemmingsverklaring („overeenstemmingsverklaring”) af bij motoren die in de handel worden gebracht, op basis van:

a)

een vrijstelling bedoeld in artikel 34, leden 2, 4, 5, 6, 7 of 8, en artikel 35, lid 4, of

b)

een overgangsbepaling als bedoeld in artikel 58, leden 9, 10 of 11.

Deze verklaring bevat de specifieke kenmerken en beperkingen die gelden voor de motor, wordt kosteloos bij de motor geleverd en vergezelt, waar passend, de niet voor de weg bestemde mobiele machine waarin de motor wordt gemonteerd. De levering ervan wordt niet afhankelijk gesteld van een uitdrukkelijk verzoek daartoe of het verstrekken van aanvullende gegevens aan de fabrikant. De overeenstemmingsverklaring mag ook in de vorm van een beveiligd elektronisch bestand worden geleverd.

Op verzoek van de eindgebruiker verstrekt de fabrikant, gedurende een periode van tien jaar na de productiedatum van de motor, een duplicaat van de overeenstemmingsverklaring, tegen betaling van een bedrag dat niet hoger is dan de hieraan verbonden kosten. Op dergelijk duplicaat van de overeenstemmingsverklaring is het woord „duplicaat” duidelijk zichtbaar.

2.   De overeenstemmingsverklaring wordt opgesteld in ten minste een van de officiële talen van de instellingen van de Unie.

Een lidstaat mag de fabrikant voorschrijven dat de overeenstemmingsverklaring naar de officiële taal of talen van de lidstaat wordt vertaald.

3.   De personen die gemachtigd zijn om de overeenstemmingsverklaringen te ondertekenen, maken deel uit van de organisatie van de fabrikant en worden door de directie van die organisatie naar behoren gemachtigd om volledig de wettelijke verantwoordelijkheid van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie of de conformiteit van de productie van de motor.

4.   De overeenstemmingsverklaring wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die waarin deze verordening voorziet.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de modelovereenstemmingsverklaring vast te stellen, met inbegrip van de kenmerken ter voorkoming van vervalsing en die verificatie van het beveiligd elektronisch bestand mogelijk maken. Daartoe voorzien de uitvoeringshandelingen in de technische beveiligingen die gebruikt worden om de overeenstemmingsverklaring te beschermen. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 32

Voorgeschreven opschriften op de motor

1.   De fabrikant brengt een opschrift aan op iedere motor die conform het goedgekeurde type is vervaardigd („het voorgeschreven opschrift”).

2.   Voor de volgende motoren, bevat het voorgeschreven opschrift aanvullende informatie waaruit blijkt dat voor de motor de toepasselijke vrijstelling of overgangsbepaling geldt:

a)

motoren voor uitvoer naar derde landen conform artikel 34, lid 1, die vervaardigd zijn in de Unie, of buiten de Unie en vervolgens gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines in de Unie;

b)

motoren die in de handel zijn gebracht overeenkomstig artikel 34, leden 2, 5, 6 of 8;

c)

motoren die tijdelijk in de handel zijn gebracht overeenkomstig artikel 34, lid 4;

d)

overgangsmotoren die in de handel zijn gebracht overeenkomstig artikel 58, lid 5;

e)

ruilmotoren die in de handel zijn gebracht overeenkomstig artikel 34, lid 7, of artikel 58, leden 10 of 11.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om het model vast te stellen voor het in lid 1 vermelde voorgeschreven opschrift, met inbegrip van de verplichte essentiële informatie die moet worden verstrekt wanneer de motor de productielijn verlaat, de verplichte essentiële informatie die moet worden verstrekt voordat de motor in de handel wordt gebracht, en, in voorkomend geval, de aanvullende informatie als bedoeld in lid 2 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 33

Tijdelijke opschriften op de motor

1.   De fabrikant brengt een tijdelijk opschrift aan op iedere motor die conform het goedgekeurde type is vervaardigd en in de handel wordt gebracht op grond van artikel 34, lid 3.

2.   Een motor die nog niet in overeenstemming is met het goedgekeurde type, en aan de fabrikant van die motor wordt geleverd wordt alleen van een tijdelijk opschrift voorzien.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om het model vast te stellen voor de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde tijdelijke opschriften, met inbegrip van de verplichte essentiële informatie die daarin moeten worden aangegeven. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK VIII

VRIJSTELLINGEN

Artikel 34

Algemene vrijstellingen

1.   Behalve wat betreft artikel 32, lid 2, onder a), vallen motoren voor uitvoer naar derde landen niet onder deze verordening.

2.   Behalve wat betreft artikel 32, lid 2, onder b), vallen motoren voor gebruik door de strijdkrachten niet onder deze verordening.

Voor de toepassing van dit lid worden de burgerbescherming, de brandweer, de ordediensten en de medische nooddiensten, niet beschouwd als onderdeel van de strijdkrachten.

3.   Onverminderd de bepalingen van artikel 32 en met toestemming van de OEM kan een fabrikant aan die OEM een motor afzonderlijk van het uitlaatgasnabehandelingssysteem leveren.

4.   Niettegenstaande artikel 5, lid 3, staan de lidstaten toe dat motoren waarvoor geen EU-typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening is verleend, voor praktijktests tijdelijk in de handel worden gebracht.

5.   Niettegenstaande artikel 18, lid 2 en artikel 22, lid 3, verlenen de lidstaten de EU-typegoedkeuring voor, en staan zij het in de handel brengen toe van, motoren die voldoen aan de in bijlage VI opgenomen emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes voor motoren voor speciale doeleinden, op voorwaarde dat de motoren bestemd zijn te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines die zijn bedoeld voor gebruik in een plaats waar ontploffingsgevaar kan heersen, als gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (21).

6.   Niettegenstaande artikel 18, lid 2, en artikel 22, lid 3, kunnen de lidstaten, op verzoek, de EU-typegoedkeuring verlenen voor, en staan zij het in de handel brengen toe van, motoren die voldoen aan de in bijlage VI opgenomen emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes voor motoren voor speciale doeleinden, in de handel worden gebracht, op voorwaarde dat de motoren bestemd zijn te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend worden gebruikt voor het te water laten en weer binnenhalen van reddingsboten geëxploiteerd door een nationale reddingsdienst.

7.   Niettegenstaande artikel 5, lid 3, en artikel 18, lid 2, kunnen de lidstaten met betrekking tot motoren van categorie RLL of RLR die uiterlijk 31 december 2011 in de Unie in de handel zijn gebracht, het in de handel brengen van ruilmotoren toestaan indien de goedkeuringsinstantie na onderzoek erkent en concludeert dat het monteren van een motor die voldoet aan de toepasselijke emissiegrenswaarden als bedoeld in tabellen II-7 en II-8 van bijlage II tot significante technische problemen zal leiden. In een dergelijk geval voldoen de ruilmotoren hetzij aan de emissiegrenswaarden waaraan zij hadden moeten voldoen om op 31 december 2011 in de Unie in de handel te worden gebracht, hetzij aan strengere emissiegrenswaarden.

Met betrekking tot motoren van de categorieën RLL en RLR die na 31 december 2011 in de Unie in de handel zijn gebracht, kunnen de lidstaten het in de handel brengen toestaan van ruilmotoren die voldoen aan de grenswaarden waaraan de te vervangen motoren moesten voldoen toen deze oorspronkelijk in de Unie in de handel werden gebracht.

8.   Met betrekking tot motoren van de categorieën RLL of RLR, kunnen de lidstaten het in de handel brengen toestaan van motoren die voldoen aan de meest recente toepasselijke emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is op 5 oktober 2016, op voorwaarde dat:

a)

deze motoren deel uitmaken van een project dat zich op 6 oktober 2016 in een vergevorderd ontwikkelingsstadium bevindt, als gedefinieerd in Richtlijn 2008/57/EG, en

b)

het gebruik van motoren die voldoen aan de toepasselijke emissiegrenswaarden bepaald in tabellen II-7 of II-8 van bijlage II tot buitensporige kosten zou leiden.

Uiterlijk op 17 september 2017 stelt iedere lidstaat de Commissie in kennis van de lijst van dergelijke projecten.

9.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 58 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het aanvullen van deze verordening met gedetailleerde technische specificaties en voorwaarden voor:

a)

het afzonderlijk leveren van een motor en het uitlaatgasnabehandelingssysteem aan een OEM door een fabrikant zoals bedoeld in lid 3;

b)

het tijdelijk in de handel brengen voor praktijktests van motoren waarvoor geen EU-typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening is verleend, zoals bedoeld in lid 4;

c)

het verlenen van de EU-typegoedkeuring voor en het toestaan van het in de handel brengen van motoren die voldoen aan de in bijlage VI opgenomen emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes voor motoren voor speciale doeleinden, zoals bedoeld in leden 5 en 6.

Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld.

Artikel 35

Vrijstellingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

1.   Een fabrikant kan een EU-typegoedkeuring aanvragen voor een type motor of motorfamilie waarvoor nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast en dat ten gevolge van deze nieuwe technologieën of nieuwe concepten onverenigbaar is met een of meer van de in deze verordening opgenomen voorschriften.

2.   De goedkeuringsinstantie verleent de in lid 1 bedoelde EU-typegoedkeuring indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de aanvraag zijn de redenen vermeld waarom de desbetreffende nieuwe technologieën of nieuwe concepten tot gevolg hebben dat het motortype of de motorfamilie onverenigbaar is met een of meer van de voorschriften van deze verordening;

b)

in de aanvraag zijn de milieuaspecten van de nieuwe technologieën of nieuwe concepten beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om ervoor te zorgen dat een milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd dat ten minste gelijkwaardig is aan het door de voorschriften van deze verordening geboden niveau waarvan vrijstelling wordt aangevraagd;

c)

er worden testbeschrijvingen en -resultaten aangevoerd die aantonen dat aan de voorwaarde in punt b) is voldaan.

3.   Voor het verlenen van de in lid 1 bedoelde EU-typegoedkeuring is goedkeuring door de Commissie vereist.

Indien van toepassing wordt in de goedkeuring door de Commissie aangegeven of er op de geldigheid beperkingen van toepassing zijn.

De goedkeuring wordt gegeven door middel van een uitvoeringshandeling.

4.   In afwachting van het goedkeuringsbesluit van de Commissie conform lid 3, mag de goedkeuringsinstantie een voorlopige EU-typegoedkeuring verlenen die alleen geldig is:

a)

op het grondgebied van die lidstaat;

b)

voor een motortype of een motorfamilie waarop de aangevraagde vrijstelling betrekking heeft, en

c)

voor een periode van ten minste 36 maanden.

Wanneer een voorlopige EU-typegoedkeuring is verleend, stelt de goedkeuringsinstantie de Commissie en de overige lidstaten daarvan onverwijld in kennis, door middel van een dossier dat de in lid 2 bedoelde gegevens bevat.

In het opschrift van het EU-typegoedkeuringscertificaat en het opschrift van de overeenkomstige overeenstemmingsverklaring wordt aangegeven dat het hierbij om een voorlopige goedkeuring met een beperkt geldigheidsgebied van zo'n voorlopige EU-typegoedkeuring gaat.

5.   Wanneer een goedkeuringsinstantie besluit een in lid 4 bedoelde voorlopige EU-typegoedkeuring binnen haar grondgebied te aanvaarden stelt zij de bevoegde goedkeuringsinstantie en de Commissie daarvan schriftelijk in kennis.

6.   Als de Commissie beslist de in lid 3 bedoelde goedkeuring niet te geven, stelt de goedkeuringsinstantie de houder van de in lid 4 bedoelde voorlopige EU-typegoedkeuring, er onmiddellijk van in kennis dat de voorlopige EU-typegoedkeuring zes maanden na de datum van de weigering van de Commissie wordt ingetrokken.

Niettegenstaande de beslissing van de Commissie om de in lid 3 bedoelde goedkeuring niet te geven, kunnen motoren die conform de voorlopige EU-typegoedkeuring zijn vervaardigd voordat deze ongeldig is geworden, in de handel worden gebracht in elke lidstaat waarvan de goedkeuringsautoriteiten de voorlopige EU-typegoedkeuring hadden aanvaard.

7.   Aan de in de tweede alinea van lid 4 en in lid 5 vermelde voorschriften wordt geacht te zijn voldaan wanneer de betrokken informatie naar IMI is geüpload.

8.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de in lid 3 van dit artikel vermelde goedkeuring vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

9.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de geharmoniseerde modellen vast te stellen voor het EU-typegoedkeuringscertificaat en de overeenstemmingsverklaring bedoeld in lid 4 van dit artikel, met inbegrip van de daarin verplicht te vermelden informatie. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 36

Latere aanpassing van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen

1.   Wanneer de Commissie een krachtens artikel 35 verleende vrijstelling goedkeurt, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen in kwestie aan de technologische ontwikkelingen aan te passen.

Wanneer de krachtens artikel 35 goedgekeurde vrijstelling betrekking heeft op een bij een VN/ECE-reglement gereguleerde kwestie, stelt de Commissie een wijziging van dat reglement voor volgens de toepasselijke procedure van de Herziene Overeenkomst van 1958.

2.   Zodra de betrokken in lid 1 bedoelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen zijn gewijzigd, heft de Commissie elke beperking op die is opgelegd in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de vrijstelling.

Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen niet zijn ondernomen, kan de Commissie, op verzoek van de lidstaat die de voorlopige EU-typegoedkeuring heeft verleend, door middel van een besluit in de vorm van een uitvoeringshandeling vastgesteld volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoekprocedure, die lidstaat toestaan de EU-typegoedkeuring uit te breiden.

HOOFDSTUK IX

PRODUCTIEGEGEVENS EN VERIFICATIE

Artikel 37

Verplichtingen van fabrikanten met betrekking tot productiegegevens

1.   Een fabrikant verstrekt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend een lijst met het aantal motoren dat van elk type en elke motorsubcategorie motoren in overeenstemming met deze verordening en conform de EU-typegoedkeuring geproduceerd is sinds de laatste verslaglegging inzake productie of sinds de voorschriften van deze verordening voor het eerst van kracht werden.

Die lijst zal worden ingediend:

a)

binnen 45 dagen na het einde van ieder kalenderjaar;

b)

onmiddellijk na elk van de in bijlage III vermelde data voor het in de handel brengen van motoren, en

c)

uiterlijk op iedere andere datum die de bevoegde instantie kan vaststellen.

2.   In de in lid 1 vermelde lijst wordt de verband aangegeven tussen de identificatienummers enerzijds en de overeenkomstige motortypen en, indien van toepassing, motorfamilies en de EU-typegoedkeuringsnummers anderzijds, indien deze verbanden niet uit het motorcodesysteem blijken.

3.   De in lid 1 bedoelde lijst geeft ook elk geval aan waarin de fabrikant stopt met het produceren van een motortype of motorfamilie waarvoor typegoedkeuring is verleend.

4.   De fabrikant bewaart een kopie van de lijst bedoeld in lid 1 voor een periode van ten minste 20 jaar na het verstrijken van de geldigheidsduur van de betrokken EU-typegoedkeuring.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om het formaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde lijst vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 38

Verificatiemaatregelen

1.   De goedkeuringsinstantie van een lidstaat die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt de nodige maatregelen om, indien nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, ervoor te zorgen dat de identificatienummers met betrekking tot de EU-typegoedkeuring correct worden toegewezen aan en gebruikt door fabrikanten voordat de motor waarvoor typegoedkeuring is verleend in de handel wordt gebracht of op de markt wordt aangeboden.

2.   Een extra verificatie van de identificatienummers kan worden uitgevoerd in combinatie met de controle van de overeenstemming van de productie als vastgesteld in artikel 26.

3.   Met betrekking tot de verificatie van de identificatienummers verstrekken de fabrikant of de vertegenwoordiger van de fabrikant, op verzoek, de bevoegde goedkeuringsinstantie onverwijld de benodigde gegevens betreffende de afnemers van de fabrikant alsook de identificatienummers van de motoren waarvan is medegedeeld dat zij in overeenstemming met de bepalingen van artikel 37 zijn geproduceerd. Wanneer motoren worden aangeboden aan een OEM, zijn geen nadere gegevens van de fabrikant vereist.

4.   Indien de fabrikant, naar aanleiding van een verzoek daartoe van de goedkeuringsinstantie, niet in staat is aan te tonen dat de voorgeschreven opschriften worden nageleefd, kan de goedkeuringsinstantie de EU-typegoedkeuring die voor het betrokken motortype of de betrokken motorfamilie is verleend, intrekken. De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen een maand in kennis van de intrekking van een EU-typegoedkeuring en van de redenen voor die intrekking, overeenkomstig artikel 22, lid 5.

HOOFDSTUK X

VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 39

Motoren die niet in overeenstemming met het goedgekeurde type zijn

1.   Indien motoren met een voorgeschreven opschrift en, indien van toepassing, met een overeenstemmingsverklaring, niet in overeenstemming met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie zijn, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend de nodige maatregelen teneinde de in productie zijnde motoren in overeenstemming met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie te brengen. Deze maatregelen kunnen de intrekking van de EU-typegoedkeuring inhouden wanneer de door de fabrikant genomen remediërende maatregelen ontoereikend zijn.

De bevoegde goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten in kennis van de genomen maatregelen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EU-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als gebrek aan overeenstemming met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie, wanneer die afwijkingen niet overeenkomstig hoofdstuk VI zijn goedgekeurd.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie vaststelt dat motoren die vergezeld gaan van een overeenstemmingsverklaring, indien van toepassing, of van een in een andere lidstaat afgegeven typegoedkeuringsmerk zijn voorzien, niet in overeenstemming zijn met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie, kan zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of in productie zijnde motoren nog in overeenstemming met het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie zijn. Na ontvangst van het verzoek treft de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend zo spoedig mogelijk en uiterlijk drie maanden na de datum van het verzoek de in lid 1 bedoelde maatregelen.

4.   De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen een maand in kennis van de intrekking van een EU-typegoedkeuring en van de redenen voor die intrekking, overeenkomstig artikel 22, lid 5.

5.   Indien de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, de haar ter kennis gebrachte non-conformiteit betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen.

De goedkeuringsinstantie houdt de Commissie daarvan op de hoogte en de Commissie pleegt zo nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen.

Artikel 40

Terugroepen van motoren

1.   Wanneer een fabrikant aan wie een EU-typegoedkeuring is verleend, ingevolge artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2008 wordt gedwongen in de handel gebrachte motoren terug te roepen, ongeacht of die in niet voor de weg bestemde mobiele machines zijn gemonteerd, omdat de motoren een ernstig risico voor de bescherming van het milieu of de volksgezondheid vormen:

a)

stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend daarvan onmiddellijk in kennis, en

b)

stelt de fabrikant die goedkeuringsinstantie een reeks passende maatregelen voor om het bedoelde ernstig risico aan te pakken.

2.   De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onverwijld aan de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten en aan de Commissie mee.

De goedkeuringsinstanties zorgen ervoor dat deze maatregelen in hun lidstaten daadwerkelijk worden uitgevoerd.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie de maatregelen ontoereikend acht of van mening is dat ze niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stelt zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend daarvan onverwijld in kennis.

Indien de fabrikant vervolgens geen doeltreffende corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle vereiste beschermingsmaatregelen, met inbegrip van de intrekking van de EU-typegoedkeuring.

Bij intrekking van de EU-typegoedkeuring stelt de goedkeuringsinstantie binnen een maand na deze intrekking de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per aangetekend schrijven of gelijkwaardige elektronische middelen in kennis.

Artikel 41

Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

1.   Besluiten van de volgende soort of voor het volgend doel worden met redenen omkleed:

a)

besluiten die uit hoofde van deze verordening worden genomen;

b)

besluiten waarbij een EU-typegoedkeuring wordt geweigerd of ingetrokken;

c)

besluiten waarbij een in de handel gebrachte motor moet worden teruggeroepen;

d)

besluiten waarbij het in de handel brengen van een motor wordt verboden, beperkt of verhinderd, of

e)

besluiten waarbij het in de handel brengen van niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin een binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende motor is gemonteerd, wordt verboden, beperkt of verhinderd.

2.   De goedkeuringsinstanties stellen de betrokken partij in kennis van:

a)

elk in lid 1 bedoeld besluit;

b)

de rechtsmiddelen waarover zij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat beschikt, alsmede van de voor deze rechtsmiddelen geldende termijnen.

HOOFDSTUK XI

INTERNATIONALE REGLEMENTEN EN VERSTREKKING VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 42

Erkenning van gelijkwaardige typegoedkeuringen voor motoren

1.   De Unie kan, in het kader van multilaterale of bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en derde landen, de gelijkwaardigheid erkennen tussen de bij deze verordening vastgestelde voorwaarden en bepalingen voor EU-typegoedkeuringen van motoren, en de bij internationale regelgeving of regelgeving van derde landen vastgestelde procedures.

2.   Verleende typegoedkeuringen en voorgeschreven opschriften die conform zijn aan de VN/ECE-reglementen of wijzigingen daarop waar de Unie voor heeft gestemd of waartoe de Unie is toegetreden als vastgesteld in de in lid 4, onder a), bedoelde uitvoeringshandeling, worden erkend als gelijkwaardig aan de overeenkomstig deze verordening verleende EU-typegoedkeuringen en voorgeschreven opschriften.

3.   EU-typegoedkeuringen die worden verleend op basis van Uniehandelingen als vermeld op de lijst in de in lid 4, onder b), bedoelde uitvoeringshandeling worden erkend als gelijkwaardig aan de overeenkomstig deze verordening verleende EU-typegoedkeuringen.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van:

a)

de lijst met VN/ECE-reglementen of wijzigingen daarop, inclusief eventueel daarin geformuleerde voorschriften in verband met de toepassing ervan, waar de Unie voor heeft gestemd of waartoe de Unie is toegetreden, en die moeten worden toegepast op EU-typegoedkeuring van motortypes en motorfamilies die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines;

b)

de lijst met handelingen van de Unie op grond waarvan EU-typegoedkeuringen worden verleend, inclusief eventueel daarin geformuleerde toepassingsvoorschriften.

Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld.

Artikel 43

Informatie en instructies bedoeld voor OEM's en eindgebruikers

1.   Een fabrikant verstrekt OEM's of eindgebruikers geen technische informatie over de bij deze verordening voorgeschreven gegevens die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.

2.   De fabrikant stelt alle relevante informatie en instructies die nodig zijn voor het correct monteren van een motor in niet voor de weg bestemde mobiele machines ter beschikking aan OEM's, met inbegrip van een beschrijving van alle speciale voorwaarden of beperkingen die aan het monteren of het gebruik van de motor zijn verbonden.

3.   De fabrikanten stellen alle relevante informatie en benodigde instructies bedoeld voor de eindgebruiker ter beschikking aan OEM's, met inbegrip van een beschrijving van alle speciale voorwaarden of beperkingen die aan het gebruik van een motor zijn verbonden.

4.   De fabrikanten stellen de emissiewaarden van koolstofdioxide (CO2) die tijdens het EU-typegoedkeuringsproces zijn vastgesteld ter beschikking aan de OEM's, en dragen de OEM's op om die informatie, tezamen met verklarende informatie over de testvoorwaarden, kenbaar te maken aan de eindgebruiker van de niet voor de weg bestemde mobiele machine waarin de motor wordt gemonteerd.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de nadere bepaling van de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel vermelde informatie en instructies. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld.

Artikel 44

Uitwisseling van gegevens en informatie via IMI

1.   De uitwisseling van gegevens en informatie met betrekking tot EU-typegoedkeuringen tussen nationale autoriteiten of tussen nationale autoriteiten en de Commissie in het kader van deze verordening, geschiedt elektronisch, via het IMI.

2.   Alle relevante informatie met betrekking tot overeenkomstig deze verordening verleende EU-typegoedkeuringen wordt centraal verzameld en via het IMI ter beschikking gesteld van de nationale instanties en van de Commissie.

3.   De Commissie zorgt ervoor dat het IMI ook:

a)

voorziet in de uitwisseling van gegevens en informatie tussen fabrikanten of technische diensten, enerzijds, en nationale autoriteiten of de Commissie, anderzijds;

b)

toegang verschaft aan het publiek tot bepaalde gegevens en informatie met betrekking tot de resultaten van typegoedkeuringen en de resultaten van de monitoring van in gebruik zijnde motoren;

c)

wanneer dat passend en technisch en economisch haalbaar is, en met instemming van de betrokken lidstaten, faciliteiten verstrekt voor de automatische overdracht van gegevens tussen bestaande nationale databanken en het IMI.

4.   Elk in lid 3 bedoeld gebruik van het IMI is facultatief.

5.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen om de gedetailleerde technische voorschriften en procedures vast te stellen die noodzakelijk zijn om het IMI en bestaande nationale databanken, bedoeld in lid 3, onder c), van dit artikel, met elkaar te verbinden. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 31 december 2016 volgens de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK XII

AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 45

Voorschriften met betrekking tot technische diensten

1.   Een technische dienst wordt overeenkomstig artikel 47 aangewezen door een goedkeuringsautoriteit en voldoet aan de voorschriften van de leden 2 tot en met 9 van dit artikel.

2.   Een technische dienst wordt opgericht naar het nationale recht van een lidstaat en bezit rechtspersoonlijkheid.

3.   De technische dienst is een derde partij die niet betrokken is bij het ontwerp, de fabricage, de levering of het onderhoud van de motoren die hij beoordeelt.

Een instantie die lid is van een organisatie van ondernemers of van een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de fabricage, de beschikbaarstelling, de assemblage, de montage, het gebruik of het onderhoud van de door haar beoordeelde, geteste of geïnspecteerde motoren, kan worden geacht aan de eerste alinea te voldoen, op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten worden aangetoond.

4.   De technische dienst, met inbegrip van zijn hoogste leidinggevenden en het personeel ervan dat belast is met het uitvoeren van de categorieën activiteiten waarvoor de overeenkomstig artikel 47, lid 1, technische dienst is aangewezen, treedt niet op als de ontwerper, fabrikant, leverancier, monteur of onderhoudspersoon van de motoren die hij beoordeelt, en vertegenwoordigt evenmin partijen die bij deze activiteiten betrokken zijn. Deze beperking belet niet dat de beoordeelde motoren als bedoeld in lid 3 van dit artikel, worden gebruikt voor het functioneren van de technische dienst of voor persoonlijke doeleinden.

De technische dienst zorgt ervoor dat de activiteiten van zijn dochterondernemingen of onderaannemers niet van invloed zijn op zijn vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid ten aanzien van de categorieën activiteiten waarvoor de dienst is aangewezen.

5.   De technische dienst voert de categorieën activiteiten waarvoor de dienst is aangewezen uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied, en de personeelsleden ervan zijn vrij van elke druk of beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun beoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, in het bijzonder van druk en beïnvloeding van de kant van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.   De technische dienst toont zijn aanwijzende goedkeuringsinstantie aan dat hij in staat is alle categorieën activiteiten uit te voeren waarvoor hij in overeenstemming met artikel 47, lid 1, wil worden aangewezen, door ervoor te zorgen dat hij beschikt over:

a)

personeel met passende vaardigheden, specifieke technische kennis en beroepsopleiding, alsmede voldoende en passende ervaring om de taken uit te voeren;

b)

beschrijvingen van de relevante procedures voor de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, om aldus de transparantie en de reproduceerbaarheid van die procedures te waarborgen;

c)

procedures voor het uitvoeren van de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, terdege rekening houdend met de mate van complexiteit van de technologie van de motor in kwestie en met het feit of de motor in massa- of serieproductie is geproduceerd, en

d)

de benodigde middelen om zich op passende wijze te kunnen kwijten van de taken die verband houden met de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, alsmede over toegang tot alle noodzakelijke apparatuur of faciliteiten.

7.   De technische dienst, met inbegrip van de hoogste leidinggevenden ervan en het beoordelingspersoneel, zijn onpartijdig en oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten waarvoor technische dienst is aangewezen, in het gedrang zouden kunnen brengen.

8.   De technische dienst sluit een aansprakelijkheidsverzekering ter dekking van zijn activiteiten af, tenzij de aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de lidstaat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de beoordeling.

9.   Het personeel van een technische dienst is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening of bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering geven.

Het personeel van een technische dienst is niet gebonden aan de in de eerste alinea genoemde verplichting waar het uitwisselen van informatie met de aanwijzende goedkeuringsinstantie betreft, of indien het Unierecht of het nationale recht dergelijke uitwisseling voorschrijft.

De eigendomsrechten worden beschermd.

Artikel 46

Dochterondernemingen van en uitbesteding door technische diensten

1.   De technische dienst mag uitsluitend met instemming van zijn aanwijzende goedkeuringsinstantie specifieke taken die verband houden met de activiteiten waarvoor hij is aangewezen overeenkomstig artikel 47, lid 1, uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.

In die gevallen zorgt de technische dienst ervoor dat de onderaannemer of dochteronderneming voldoet aan de voorschriften van artikel 45, en stelt hij de aanwijzende goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte.

2.   De technische dienst draagt de volledige verantwoordelijkheid voor de taken die worden verricht door zijn onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze zijn gevestigd.

3.   De technische dienst houdt de relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door hen uitgevoerde taken ter beschikking van de aanwijzende goedkeuringsinstantie.

Artikel 47

Aanwijzing van technische diensten

1.   De goedkeuringsinstanties wijzen technische diensten aan voor een of meer van de volgende categorieën van activiteiten, afhankelijk van hun competentiegebieden:

a)   categorie A: uitvoeren van de in deze verordening bedoelde tests in de faciliteiten van de technische dienst in kwestie;

b)   categorie B: toezien op de in deze verordening bedoelde tests, indien de uitvoering plaatsvindt in de faciliteiten van een fabrikant of van een derde;

c)   categorie C: op een geregelde basis evalueren en controleren van de door de fabrikant toegepaste procedures voor het zekerstellen van de overeenstemming van de productie;

d)   categorie D: uitvoeren van of toezien op tests of inspecties voor het zekerstellen van de overeenstemming van de productie.

2.   Een goedkeuringsinstantie kan optreden als technische dienst voor een of meer van de in lid 1 bedoelde categorieën activiteiten.

3.   Technische diensten van een derde land die niet overeenkomstig dit artikel zijn aangewezen, kunnen krachtens artikel 50 worden aangemeld, indien in een dergelijke erkenning van technische diensten is voorzien in een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land.

Een technische dienst die overeenkomstig artikel 45, lid 2, is opgericht, kan evenwel in derde landen dochterondernemingen oprichten, mits de dochterondernemingen rechtstreeks worden geleid en gecontroleerd door die technische dienst.

Artikel 48

Procedures voor prestatienormen en de beoordeling van technische diensten

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van:

a)

de normen waaraan de technische diensten moeten voldoen;

b)

de procedure voor de beoordeling van de technische diensten, met inbegrip van het dienovereenkomstige rapport, overeenkomstig artikel 49.

Artikel 49

Beoordeling van de vaardigheden van technische diensten

1.   De aanwijzende goedkeuringsinstantie stelt een beoordelingsverslag op waaruit blijkt dat de kandidaat-technische dienst is beoordeeld op de naleving van deze verordening en van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen. Het beoordelingsverslag kan een door een nationale accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat omvatten, waarin wordt verklaard dat de technische dienst aan de voorschriften van deze verordening voldoet.

De beoordeling waarop het beoordelingsverslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd volgens een in artikel 48 bedoelde gedelegeerde handeling.

2.   De aanwijzende goedkeuringsinstantie beziet het beoordelingsverslag ten minste om de drie jaar opnieuw.

3.   De aanwijzende goedkeuringsinstantie deelt het beoordelingsverslag op verzoek van de Commissie aan deze mee. In dergelijke gevallen en als de beoordeling niet is gebaseerd op een door een nationale accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat, stelt de aanwijzende goedkeuringsinstantie aan de Commissie schriftelijke bewijsstukken ter beschikking waaruit het volgende blijkt:

a)

de bekwaamheid van de technische dienst;

b)

de regeling die is getroffen om te waarborgen dat de technische dienst regelmatig door de aanwijzende goedkeuringsinstantie wordt gecontroleerd, en

c)

de technische dienst voldoet aan de voorschriften van deze verordening en van de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde handelingen.

4.   Een goedkeuringsinstantie die overeenkomstig artikel 47, lid 2, als technische dienst wenst op te treden, toont door middel van een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke beoordelaars aan dat zij aan de voorwaarden voldoet. Deze beoordelaars kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij afzonderlijk van het personeel dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd.

Artikel 50

Aanmeldingsprocedures

1.   Met betrekking tot elke technische dienst die zij hebben aangewezen, melden de lidstaten aan de Commissie de volgende gegevens:

a)

de naam van de technische dienst;

b)

het adres, inclusief het elektronische adres;

c)

de verantwoordelijke personen;

d)

de activiteitencategorie, en

e)

eventuele wijzigingen in verband met de in artikel 47 bedoelde aanwijzing.

2.   Een technische dienst kan de in artikel 47, lid 1, bedoelde activiteiten namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie alleen verrichten als die technische dienst van tevoren overeenkomstig lid 1 van dit artikel bij de Commissie is aangemeld.

3.   Dezelfde technische dienst kan door verschillende aanwijzende goedkeuringsinstanties worden aangewezen en door de lidstaten van deze aanwijzende goedkeuringsinstanties worden aangemeld, ongeacht de categorie of categorieën van activiteiten die deze dienst overeenkomstig artikel 47, lid 1, zal uitoefenen.

4.   Wanneer voor de toepassing van een gedelegeerde handeling een specifieke organisatie of bevoegd orgaan moet worden aangewezen die of dat een activiteit verricht die niet onder artikel 47, lid 1, valt, gaan de betrokken lidstaten over tot aanmelding daarvan aan de Commissie overeenkomstig dit artikel.

5.   De Commissie maakt de lijst en de gegevens van de overeenkomstig dit artikel aangemelde technische diensten bekend op haar website.

Artikel 51

Wijzigingen van de aanwijzing

1.   Wanneer een aanwijzende goedkeuringsinstantie heeft geconstateerd of vernomen dat een door haar aangewezen technische dienst hetzij niet meer aan de voorschriften van deze verordening voldoet hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, wordt de aanwijzing door de aanwijzende goedkeuringsinstantie beperkt, opgeschort of, in voorkomend geval, herroepen, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan deze voorschriften of het niet-nakomen van deze verplichtingen.

De lidstaat die deze technische dienst bij de Commissie heeft aangemeld overeenkomstig artikel 50, lid 1, stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van deze eventuele beperking, opschorting of herroeping.

De Commissie wijzigt de in artikel 50, lid 5, bedoelde bekendgemaakte informatie dienovereenkomstig.

2.   Wanneer de aanwijzing wordt beperkt, opgeschort of herroepen als bedoeld in lid 1, of de technische dienst zijn activiteiten heeft gestaakt, doet de aanwijzende goedkeuringsinstantie het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die technische dienst hetzij door een andere technische dienst worden behandeld, hetzij aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie of aan de markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 52

Betwisting van de bekwaamheid van technische diensten

1.   De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels over de bekwaamheid van een technische dienst of over de vraag of een technische dienst nog aan de voorschriften voldoet en zijn verantwoordelijkheden nakomt.

2.   De lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie verstrekt de Commissie, op verzoek, alle informatie in verband met de grondslag van de aanwijzing of de handhaving van de aanwijzing van de betrokken technische dienst.

3.   De Commissie zorgt ervoor dat alle tijdens haar onderzoek ontvangen gevoelige informatie vertrouwelijk wordt behandeld.

4.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een technische dienst niet of niet meer aan de aanwijzingsvoorschriften voldoet, stelt zij de lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie daarvan op de hoogte, teneinde samen met die lidstaat de noodzakelijke corrigerende maatregelen vast te stellen, en verzoekt zij die lidstaat deze corrigerende maatregelen, inclusief, in voorkomend geval, de herroeping van de aanwijzing, te nemen.

Artikel 53

Operationele verplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten voeren de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen uit namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie en volgens de beoordelings- en testprocedures zoals bedoeld in deze verordening en in de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

Technische diensten houden toezicht op de tests die nodig zijn voor EU-typegoedkeuring of voeren deze zelf uit, alsook op de inspecties in dat verband, overeenkomstig deze verordening of in een op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, tenzij alternatieve procedures zijn toegestaan.

Technische diensten voeren geen tests, beoordelingen of inspecties uit waarvoor zij niet zijn aangewezen.

2.   Technische diensten:

a)

stellen de aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde in staat om hen bij het uitvoeren van hun beoordelingen te observeren, indien die autoriteit zulks aangewezen acht, en

b)

verstrekken op verzoek, onverminderd het bepaalde in artikel 45, lid 9, en artikel 54, de aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde de desgevraagde informatie over de categorieën activiteiten die zij uitvoeren en die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

3.   Wanneer een technische dienst vaststelt dat een fabrikant niet aan de voorschriften in deze verordening heeft voldaan, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie, die de fabrikant op haar beurt voorschrijft passende corrigerende maatregelen te nemen.

De aanwijzende goedkeuringsinstantie geeft geen EU-typegoedkeuringscertificaat af totdat de fabrikant de passende corrigerende maatregelen ten genoegen van die goedkeuringsinstantie heeft genomen.

4.   Wanneer een technische dienst die namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie optreedt, bij de controle van de overeenstemming van de productie na de afgifte van een EU-typegoedkeuringscertificaat constateert dat een motortype of motorfamilie niet langer aan deze verordening voldoet, meldt hij dit feit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie.

De goedkeuringsinstantie neemt de in artikel 26 bepaalde passende maatregelen.

Artikel 54

Informatieverplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten stellen hun aanwijzende goedkeuringsinstantie op de hoogte van:

a)

elke non-conformiteit die een weigering, beperking, opschorting of intrekking van een EU-typegoedkeuring nodig kan maken;

b)

alle omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor hun aanwijzing;

c)

alle informatieverzoeken van markttoezichtautoriteiten over hun activiteiten.

2.   Op verzoek van hun aanwijzende goedkeuringsinstanties verstrekken technische diensten informatie over de activiteiten binnen het toepassingsgebied van hun aanwijzing en over alle andere verrichte activiteiten, inclusief grensoverschrijdende activiteiten en uitbestedingen.

HOOFDSTUK XIII

GEDELEGEERDE HANDELINGEN EN UITVOERINGSHANDELINGEN

Artikel 55

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 19, lid 2, artikel 24, lid 11, artikel 25, lid 4, artikel 26, lid 6, artikel 34, lid 9, artikel 42, lid 4, artikel 43, lid 5, en artikel 48, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 6 oktober 2016.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19, lid 2, artikel 24, lid 11, artikel 25, lid 4, artikel 26, lid 6, artikel 34, lid 9, artikel 42, lid 4, artikel 43, lid 5, en artikel 48, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 19, lid 2, artikel 24, lid 11, artikel 25, lid 4, artikel 26, lid 6, artikel 34, lid 9, artikel 42, lid 4, artikel 43, lid 5, en artikel 48, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 56

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 40, lid 1, van Richtlijn 2007/46/EG ingestelde technisch comité motorvoertuigen. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK XIV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 57

Sancties

1.   De lidstaten voorzien in sancties voor inbreuken op deze verordening en op de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen door marktdeelnemers of OEM's. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 7 oktober 2018 van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd.

2.   Inbreuken die aanleiding geven tot een sanctie zijn:

a)

het afleggen van valse verklaringen, met name tijdens de EU-typegoedkeuringsprocedures, de procedures die tot terugroeping leiden of de procedures met betrekking tot vrijstellingen;

b)

het vervalsen van testresultaten met betrekking tot een EU-typegoedkeuring of tot de monitoring op in gebruik zijnde motoren;

c)

het achterhouden van gegevens of technische specificaties die tot de terugroeping van motoren, of tot de weigering of de intrekking van een EU-typegoedkeuring zouden kunnen leiden;

d)

het gebruiken van manipulatiestrategieën;

e)

het weigeren van toegang tot informatie;

f)

het zonder EU-typegoedkeuring in de handel brengen van motoren waarvoor een EU-typegoedkeuring vereist is, of het met die intentie vervalsen van documenten of voorgeschreven opschriften;

g)

het in de handel brengen van overgangsmotoren en niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin dergelijke motoren zijn gemonteerd in strijd met de vrijstellingsbepalingen;

h)

het schenden van de in artikel 35, leden 3 en 4, opgenomen beperkingen;

i)

het in de handel brengen van een motor die zodanig is gewijzigd dat hij niet langer conform de specificaties van de EU-typegoedkeuring is;

j)

het monteren van een motor in niet voor de weg bestemde mobiele machines voor ander gebruik dan het exclusieve gebruik waarin is voorzien in artikel 4;

k)

het in de handel brengen van een motor voor speciale doeleinden in het kader van artikel 34, leden 5 of 6, voor gebruik in andere niet voor de weg bestemde machines dan die waarin in die leden is voorzien;

l)

het in de handel brengen van een motor in het kader van artikel 34, leden 7 of 8 en artikel 58, leden 9, 10 of 11, voor gebruik in een andere machine dan die waarin in die leden is voorzien;

m)

het in de handel brengen van niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin motoren zijn gemonteerd die onder de EU-typegoedkeuring uit hoofde van deze verordening vallen, zonder die goedkeuring;

n)

het in de handel brengen van niet voor de weg bestemde mobiele machines die in strijd zijn met een in artikel 34, lid 8, genoemde beperking voor niet voor de weg bestemde mobiele machines.

Artikel 58

Overgangsbepalingen

1.   Onverminderd hoofdstukken II en III, leidt deze verordening niet tot ongeldigverklaring van EU-typegoedkeuringen of vrijstellingen vóór de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van motoren.

2.   De goedkeuringsinstanties mogen overeenkomstig de relevante wetgeving die geldt op 5 oktober 2016 EU-typegoedkeuringen blijven verlenen tot de in bijlage III genoemde verplichte data voor de EU-typegoedkeuring van motoren, en overeenkomstig die wetgeving vrijstellingen blijven verlenen tot de in bijlage III genoemde verplichte data voor het in de handel brengen van motoren.

De lidstaten mogen overeenkomstig de relevante wetgeving die geldt op 5 oktober 2016 het in de handel brengen van motoren blijven toestaan tot de in bijlage III genoemde verplichte data voor het in de handel brengen van motoren.

3.   In afwijking van deze verordening kunnen motoren waarvoor krachtens de op 5 oktober 2016 geldende toepasselijke wetgeving EU-typegoedkeuring is verleend of die voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en zijn aangenomen als CCR-Fase II in het kader van de Herziene Rijnvaartakte, blijven in de handel worden gebracht tot de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van motoren.

Nationale autoriteiten verbieden, beperken of verhinderen in die gevallen niet het in de handel brengen van motoren die in overeenstemming met het goedgekeurde type zijn.

4.   Motoren die op 5 oktober 2016 niet binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 97/68/EG vielen, kunnen op basis van eventuele geldige nationale wetgeving blijven in de handel worden gebracht tot de in bijlage III genoemde data voor het in de handel brengen van motoren.

5.   Onverminderd artikel 5, lid 3, artikel 18, lid 2, en, voor zover van toepassing, Richtlijn 2008/57/EG en Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie (22) kunnen overgangsmotoren en, in voorkomend geval, de niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin die overgangsmotoren zijn gemonteerd, blijven in de handel worden gebracht tijdens de overgangsperiode, op voorwaarde dat de machine waarin de overgangsmotor is gemonteerd uiterlijk 18 maanden na het begin van de overgangsperiode is geproduceerd.

Voor motoren van de categorie NRE staan de lidstaten de verlenging toe van de overgangsperiode en van de in de eerste alinea vermelde periode van 18 maanden met een extra periode van 12 maanden voor OEM's met een totale jaarlijkse productie van minder dan 100 eenheden van niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin interne verbrandingsmotoren zijn gemonteerd. Voor de berekening van die jaarlijkse totale productie worden alle door dezelfde natuurlijke of rechtspersoon beheerde OEM's als één enkele OEM beschouwd.

Voor motoren van de categorie NRE in mobiele kranen worden de overgangsperiode en de in de eerste alinea bedoelde periode van 18 maanden verlengd met 12 maanden.

Voor motoren van de categorie NRS met een vermogen van minder dan 19 kW in sneeuwblazers worden de overgangsperiode en de in de eerste alinea bedoelde periode van 18 maanden verlengd met 24 maanden.

6.   Behoudens lid 5 van dit artikel voldoen overgangsmotoren ten minste aan een van de volgende voorschriften:

a)

zij zijn in overeenstemming met motortypen of motorfamilies waarvoor de EU-typegoedkeuring krachtens artikel 30, lid 2, onder a), niet langer geldig is, en vallen op de productiedata van de motoren onder een geldige EU-typegoedkeuring die voldoet aan de meest recente toepasselijke emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende wetgeving die van toepassing is op 5 oktober 2016;

b)

zij behoren tot een vermogensgroep die op 5 oktober 2016 niet onderworpen was aan typegoedkeuring die verband houdt met grenswaarden inzake verontreinigende emissies op het niveau van de Unie, of

c)

zij worden gebruikt of zijn bestemd voor gebruik in een toepassing die op 5 oktober 2016 niet onderworpen was aan typegoedkeuring die verband houdt met grenswaarden inzake verontreinigende emissies op het niveau van de Unie.

7.   De periode voor het in de handel brengen van overgangsmotoren wordt beperkt tot:

a)

24 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, eerste alinea, genoemde geval;

b)

36 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, tweede en derde alinea, genoemde geval;

c)

48 maanden na de in bijlage III genoemde toepasselijke datum voor het in de handel brengen van motoren, in het in lid 5, vierde alinea, genoemde geval.

8.   Fabrikanten zorgen ervoor dat overgangsmotoren die tijdens de overgangsperiode in de handel zijn gebracht, van het in artikel 32, lid 2, onder d)m bedoelde opschrift zijn voorzien.

9.   Niettegenstaande artikel 5, lid 3, artikel 18, lid 2, en artikel 22 kunnen de lidstaten gedurende een termijn die uiterlijk verstrijkt op 17 september 2026 het in de handel brengen toestaan van motoren van de categorie RLL met een maximaal nettovermogen van meer dan 2 000 kW die niet aan de in bijlage II genoemde emissiegrenswaarden voldoen en worden gemonteerd in locomotieven die uitsluitend op een technisch geïsoleerd 1 520 mm-spoorwegnet rijden. Gedurende die termijn voldoen de in de handel gebrachte motoren ten minste aan de grenswaarden waaraan zij moesten voldoen om op 31 december 2011 in de handel te worden gebracht. De goedkeuringsinstanties van de lidstaten verlenen EU-typegoedkeuring voor en staan het in de handel brengen van dergelijke motoren toe.

10.   Niettegenstaande artikel 5, lid 3, en artikel 18, lid 2, staan de lidstaten het in de handel brengen van ruilmotoren toe voor een termijn van ten hoogste 15 jaar vanaf de toepasselijke data voor het in de handel brengen van fase V-motoren als bedoeld in bijlage III, op voorwaarde dat de motoren behoren tot een categorie gelijkwaardig aan NRS met een referentievermogen van ten minste 19 kW, of behoren tot een categorie gelijkwaardig aan NRG, indien de ruilmotor en de oorspronkelijke motor tot een motorcategorie of een vermogensgroep behoren waarvoor op 31 december 2016 geen typegoedkeuringsverplichting op het niveau van de Unie gold.

11.   Niettegenstaande artikel 5, lid 3, en artikel 18, lid 2, staan de lidstaten het in de handel brengen van ruilmotoren toe voor een termijn van ten hoogste 20 jaar vanaf de toepasselijke data voor het in de handel brengen van fase V-motoren als bedoeld in bijlage III, op voorwaarde dat de motoren:

a)

behoren tot de categorie NRE met een referentievermogen van ten minste 19 kW en ten hoogste 560 kW en voldoen aan een emissiefase die niet meer dan 20 jaar voor het in de handel brengen van deze motoren is verstreken en die minstens even streng is als de emissiegrenswaarden waaraan de te vervangen motor moest voldoen toen die oorspronkelijk in de handel werd gebracht;

b)

behoren tot een categorie gelijkwaardig aan NRE en met een referentievermogen van meer dan 560 kW, indien de ruilmotor en de basismotor tot een motorcategorie of een vermogensgroep behoren waarvoor op 31 december 2016 geen typegoedkeuringsverplichting op het niveau van de Unie gold.

12.   De lidstaten kunnen besluiten om, voor een termijn die uiterlijk verstrijkt op 17 september 2026, de bepalingen van deze verordening niet toe te passen op motoren die gemonteerd zijn in machines voor de katoenpluk.

13.   Fabrikanten dragen er zorg voor dat ruilmotoren van het in artikel 32, lid 2, onder e), bedoelde opschrift zijn voorzien.

Artikel 59

Verslag

1.   Uiterlijk op 31 december 2021 informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze verordening vastgestelde EU-typegoedkeuringsprocedures.

2.   Op basis van de krachtens lid 1 verstrekte informatie dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2022 bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening.

Artikel 60

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 31 december 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van de vraag of het mogelijk is geharmoniseerde maatregelen vast te stellen voor het monteren van verbeterde emissiebeheerinrichtingen in motoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines die al in de Unie in de handel zijn gebracht. In dat verslag wordt ook aandacht besteed aan technische maatregelen en regelingen inzake financiële stimulansen, teneinde de lidstaten te helpen te voldoen aan de Uniewetgeving inzake luchtkwaliteit, door mogelijke maatregelen tegen luchtvervuiling in dichtbevolkte gebieden te evalueren, met inachtneming van de Unieregels over staatssteun.

2.   Uiterlijk op 31 december 2020 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over:

a)

de beoordeling van mogelijkheden voor het verder verlagen van verontreinigende emissies, op basis van de beschikbare technologieën en een kosten-batenanalyse.

Met name voor motoren van de categorieën IWP en IWA, de beoordeling van de technologische en economische haalbaarheid van:

i)

een verdere verlaging van de emissiegrenswaarde voor emissies van PN en NOx;

ii)

een verdere verlaging van de A-factor voor motoren op basis van volledig en gedeeltelijk gasvormige brandstof in het kader van een klimaatneutraal bedrijf in vergelijking met motoren op basis van dieselbrandstof, en

iii)

de toevoeging van grenswaarden voor PN aan de motorcategorieën waarvoor in bijlage II bij deze verordening geen dergelijke waarde zijn opgenomen;

b)

het vaststellen van potentieel relevante typen verontreinigende stoffen die niet onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

3.   Uiterlijk op 31 december 2025 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over het gebruik van de vrijstellingsclausules waarin is voorzien in artikel 34, leden 4 en 5, en over de monitoring van de resultaten van de in artikel 19 genoemde emissietests en de conclusies die daaruit zijn getrokken.

Daarnaast omvat het verslag een beoordeling van de voor EU-typegoedkeuring vereiste tests, bedoeld in de artikelen 24 en 25, met bijzondere aandacht voor de mate waarin die tests stroken met reële bedrijfsomstandigheden voor motoren, en een beoordeling van de vraag of het haalbaar is om tests voor emissies van verontreinigende deeltjes in te voeren als onderdeel van de in artikel 19 bedoelde tests van in gebruik zijnde motoren.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde verslagen:

a)

zijn gebaseerd op een raadpleging van de betrokken belanghebbenden;

b)

houden rekening met bestaande aanverwante Unie- en internationale normen, en

c)

gaan in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

Artikel 61

Wijzigingen van Richtlijn 97/68/EG

Richtlijn 97/68/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 9 worden aan lid 4 bis de volgende alinea's toegevoegd:

„In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten op verzoek van een OEM motoren in de handel brengen die voldoen aan de emissiegrenswaarden van fase III A, op voorwaarde dat die motoren zijn bestemd om te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines die gebruikt zullen worden op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen, zoals omschreven in artikel 2, punt 5), van Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (*).

Fabrikanten verstrekken de goedkeuringsinstantie het bewijs dat de motoren uitsluitend worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines die zijn gecertificeerd als zijnde conform deze voorschriften. Op deze motoren wordt naast het in bijlage I, afdeling 3, vermelde voorgeschreven „merkteken” op de machine een etiket aangebracht met de tekst „Motor voor beperkt gebruik in machines geproduceerd door”, gevolgd door de naam van de OEM en de unieke referentie van de afwijking in kwestie.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten EU-typegoedkeuring verlenen voor en het in de handel brengen toestaan van motoren van de categorie RLL met een maximaal nettovermogen van meer dan 2 000 kW die niet aan de in bijlage II genoemde emissiegrenswaarden voldoen en moeten worden gemonteerd in locomotieven die uitsluitend op een technisch geïsoleerd 1 520 mm-spoorwegnet rijden. Die motoren voldoen ten minste aan de grenswaarden waaraan zij moesten voldoen om op 31 december 2011 in de handel te worden gebracht.

(*)  Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 309).”."

2)

Aan artikel 10 wordt het volgende lid toegevoegd:

„8.   De lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn niet toe te passen op motoren die gemonteerd zijn in machines voor de katoenpluk.”.

Artikel 62

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012

In de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 wordt het volgende punt toegevoegd:

„9.

Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van de Verordening (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (**): Artikel 44.

Artikel 63

Wijziging van Verordening (EU) nr. 167/2013

Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 167/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De bepalingen inzake motorcategorieën, uitlaatemissiegaswaarden, testcycli, emissieduurzaamheidsperioden, voorschriften voor uitlaatemissies, de monitoring van emissies van in gebruik zijnde motoren, en het verrichten van metingen en tests, alsmede de overgangsbepalingen en de bepalingen die voorzien in vroegtijdige EU-typegoedkeuring en het in de handel brengen van fase V-motoren, zoals die zijn neergelegd voor niet voor de weg bestemde mobiele machines bij Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (***) en bij de op grond daarvan vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, zijn van toepassing.

Voor het in de handel brengen, registreren of in het verkeer brengen van trekkers van de categorieën T2, T4.1 en C2 worden motoren uit de vermogensgroep 56-130 kW die aan de voorschriften van fase III B voldoen, beschouwd als overgangsmotoren zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 32, van Verordening (EU) 2016/1628.

(***)  Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van de Verordening (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53).”;"

2)

Aan lid 6 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In afwijking van het beginsel in de tweede alinea is de Commissie bevoegd om uiterlijk op 31 december 2016 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 (****) van de Commissie, in die zin te wijzigen dat:

a)

voor EU-typegoedkeuringsdoeleinden voor trekkers van de categorieën T2, T4.1 en C2, de in artikel 11, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 genoemde uitsteltermijn vier jaar bedraagt, en

b)

binnen de flexibele regeling als bedoeld in artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96, de toegestane flexibiliteit uit hoofde van punt 1.1.1 van bijlage V bij die gedelegeerde verordening wordt verhoogd tot 150 % voor trekkers van de categorieën T2, T4.1 en C2.

(****)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie van 1 oktober 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 16 van 23.1.2015, blz. 1).”."

Artikel 64

Intrekking

1.   Onverminderd artikel 58, leden 1 tot en met 4, van deze verordening, wordt Richtlijn 97/68/EG met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 65

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2017, met uitzondering van artikel 61, dat van toepassing is met ingang van 6 oktober 2016.

Vanaf 6 oktober 2016 weigeren de goedkeuringsinstanties niet om EU-typegoedkeuring te verlenen voor een nieuw motortype of een nieuwe motorfamilie of verbieden zij niet het in de handel brengen indien dat motortype of die motorfamilie voldoet aan de hoofdstukken II, III, IV en VIII en aan de krachtens deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 14 september 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

I. KORČOK


(1)  Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 februari 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 5 juli 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 juli 2016.

(3)  Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24).

(6)  Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet”. (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).

(7)  Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het zesde milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1); Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

(10)  Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene overeenkomst van 1958”) (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).

(11)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(12)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(13)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie van 1 oktober 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 16 van 23.1.2015, blz. 1).

(14)  Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie („de IMI-verordening”) (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1).

(15)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

(16)  Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 52).

(17)  Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EEG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG (zie bladzijde 118 van dit Publicatieblad).

(18)  Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van Richtlijn 94/25/EG (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 90).

(19)  Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).

(20)  Europese norm EN 14466+A1:2009 (Brandweerpompen 06, blz. 1/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffend).

(21)  Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 309).

(22)  Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem „rollend materieel — locomotieven en reizigerstreinen” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 228).


BIJLAGE I

Definitie van de in artikel 4 bedoelde subcategorieën motoren

Tabel I-1:Subcategorieën van motorcategorie NRE zoals gedefinieerd in artikel 4, 1, punt 1

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

NRE

CI

variabel

0 < P < 8

NRE-v-1

Maximaal nettovermogen

CI

8 ≤ P < 19

NRE-v-2

CI

19 ≤ P < 37

NRE-v-3

CI

37 ≤ P < 56

NRE-v-4

alle

56 ≤ P < 130

NRE-v-5

130 ≤ P ≤ 560

NRE-v-6

P > 560

NRE-v-7

CI

constant

0 < P < 8

NRE-c-1

Nominaal nettovermogen

CI

8 ≤ P < 19

NRE-c-2

CI

19 ≤ P < 37

NRE-c-3

CI

37 ≤ P < 56

NRE-c-4

alle

56 ≤ P < 130

NRE-c-5

130 ≤ P ≤ 560

NRE-c-6

P > 560

NRE-c-7


Tabel I-2: Subcategorieën van motorcategorie NRG zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 2

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

NRG

alle

variabel

P > 560

NRG-v-1

Maximaal nettovermogen

constant

P > 560

NRG-c-1

Nominaal nettovermogen


Tabel I-3: Subcategorieën van motorcategorie NRSh zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 3

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Cilinderinhoud (cm3)

Subcategorie

Referentievermogen

NRSh

SI

variabel of constant

0 < P < 19

SV < 50

NRSh-v-1a

Maximaal nettovermogen

SV ≥ 50

NRSh-v-1b


Tabel I-4: Subcategorieën van motorcategorie NRS zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 4

Categorie

Ontstekings type

Toerental

Vermogens-groep (kW)

Cilinderinhoud (cm3)

Subcategorie

Referentievermogen

NRS

SI

variabel ≥ 3 600 tpm, of constant

0 < P < 19

80 ≤ SV < 225

NRS-vr-1a

Maximaal nettovermogen

SV ≥ 225

NRS-vr-1b

variabel < 3 600 tpm

80 ≤ SV < 225

NRS-vi-1a

SV ≥ 225

NRS-vi-1b

variabel of constant

19 ≤ P < 30

SV ≤ 1 000

NRS-v-2a

Maximaal nettovermogen

SV > 1 000

NRS-v-2b

30 ≤ P < 56

alle

NRS-v-3

Maximaal nettovermogen

Voor motoren < 19 kW met SV < 80 cm3 in niet met de hand vastgehouden machines worden motoren van de categorie NRSh gebruikt.

Tabel I-5: Subcategorieën van motorcategorie IWP zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 5

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogens groep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

IWP

alle

variabel

19 ≤ P < 75

IWP-v-1

Maximaal nettovermogen

75 ≤ P < 130

IWP-v-2

130 ≤ P < 300

IWP-v-3

P ≥ 300

IWP-v-4

constant

19 ≤ P < 75

IWP-c-1

Nominaal nettovermogen

75 ≤ P < 130

IWP-c-2

130 ≤ P < 300

IWP-c-3

P ≥ 300

IWP-c-4


Tabel I-6: Subcategorieën van motorcategorie IWA zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 6

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

IWA

alle

variabel

19 ≤ P < 75

IWA-v-1

Maximaal nettovermogen

75 ≤ P < 130

IWA-v-2

130 ≤ P < 300

IWA-v-3

P ≥ 300

IWA-v-4

constant

19 ≤ P < 75

IWA-c-1

Nominaal nettovermogen

75 ≤ P < 130

IWA-c-2

130 ≤ P < 300

IWA-c-3

P ≥ 300

IWA-c-4


Tabel I-7:Subcategorieën van motorcategorie RLL zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 7

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

RLL

alle

variabel

P > 0

RLL-v-1

Maximaal nettovermogen

constant

P > 0

RLL-c-1

Nominaal nettovermogen


Tabel I-8:Subcategorieën van motorcategorie RLR zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

RLR

alle

variabel

P > 0

RLR-v-1

Maximaal nettovermogen

constant

P > 0

RLR-c-1

Nominaal nettovermogen


Tabel I-9:Subcategorieën van motorcategorie SMB zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 9

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

SMB

SI

variabel of constant

P > 0

SMB-v-1

Maximaal nettovermogen


Tabel I-10:Subcategorieën van motorcategorie ATS zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 10

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Referentievermogen

ATS

SI

variabel of constant

P > 0

ATS-v-1

Maximaal nettovermogen


BIJLAGE II

Uitlaatemissiegrenswaarden als bedoeld in artikel 18, lid 2

Tabel II-1:Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie NRE als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1)

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC

NOx

Deeltjesmassa

PN

A

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

g/kWh

g/kWh

#/kWh

 

Fase V

NRE-v-1

NRE-c-1

0 < P < 8

CI

8,00

(HC + NOx ≤ 7,50)

0,40 (1)

1,10

Fase V

NRE-v-2

NRE-c-2

8 ≤ P < 19

CI

6,60

(HC + NOx ≤ 7,50)

0,40

1,10

Fase V

NRE-v-3

NRE-c-3

19 ≤ P < 37

CI

5,00

(HC + NOx ≤ 4,70)

0,015

1 × 1012

1,10

Fase V

NRE-v-4

NRE-c-4

37 ≤ P < 56

CI

5,00

(HC + NOx ≤ 4,70)

0,015

1 × 1012

1,10

Fase V

NRE-v-5

NRE-c-5

56 ≤ P < 130

alle

5,00

0,19

0,40

0.015

1 × 1012

1,10

Fase V

NRE-v-6

NRE-c-6

130 ≤ P ≤ 560

alle

3,50

0,19

0,40

0,015

1 × 1012

1,10

Fase V

NRE-v-7

NRE-c-7

P > 560

alle

3,50

0,19

3,50

0,045

6,00


Tabel II-2:Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie NRG zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 2)

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC

NOx

Deeltjesmassa

PN

A

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

g/kWh

g/kWh

#/kWh

 

Fase V

NRG-v-1

NRG-c-1

P > 560

alle

3,50

0,19

0,67

0,035

6,00


Tabel II-3: Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie NRSh zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 3)

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC + NOx

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

Fase V

NRSh-v-1a

0 < P < 19

SI

805

50

Fase V

NRSh-v-1b

603

72


Tabel II-4: Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie NRS zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 4)

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC + NOx

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

Fase V

NRS-vr-1a

NRS-vi-1a

0 < P < 19

SI

610

10

Fase V

NRS-vr-1b

NRS-vi-1b

610

8

Fase V

NRS-v-2a

19 ≤ P ≤ 30

610

8

Fase V

NRS-v-2b

NRS-v-3

19 ≤ P < 56

4,40 (*)

2,70 (*)


Tabel II-5: Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie IWP zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 5)

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC

NOx

Deeltjesmassa

PN

A

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

g/kWh

g/kWh

#/kWh

 

Fase V

IWP-v-1

IWP-c-1

19 ≤ P < 75

alle

5,00

(HC + NOx ≤ 4,70)

0,30

6,00

Fase V

IWP-v-2

IWP-c-2

75 ≤ P < 130

alle

5,00

(HC + NOx ≤ 5,40)

0,14

6,00

Fase V

IWP-v-3

IWP-c-3

130 ≤ P < 300

alle

3,50

1,00

2,10

0,10

6,00

Fase V

IWP-v-4

IWP-c-4

P ≥ 300

alle

3,50

0,19

1,80

0,015

1 × 1012

6,00


Tabel II-6:Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie IWA zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 6)

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC

NOx

Deeltjesmassa

PN

A

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

g/kWh

g/kWh

#/kWh

 

Fase V

IWA-v-1

IWA-c-1

19 ≤ P < 75

alle

5,00

(HC + NOx ≤ 4,70)

0,30

6,00

Fase V

IWA-v-2

IWA-c-2

75 ≤ P < 130

alle

5,00

(HC + NOx ≤ 5,40)

0,14

6,00

Fase V

IWA-v-3

IWA-c-3

130 ≤ P < 300

alle

3,50

1,00

2,10

0,10

6,00

Fase V

IWA-v-4

IWA-c-4

P ≥ 300

alle

3,50

0,19

1,80

0,015

1 × 1012

6,00


Tabel II-7: Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie RLL zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 7

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekings-type

CO

HC

NOx

Deeltjesmassa

PN

A

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

g/kWh

g/kWh

#/kWh

 

Fase V

RLL-c-1

RLL-v-1

P > 0

alle

3,50

(HC + NOx ≤ 4,00)

0,025

6,00


Tabel II-8: Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie RLR zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC

NOx

Deeltjesmassa

PN

A

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

g/kWh

g/kWh

#/kWh

 

Fase V

RLR-c-1

RLR-v-1

P > 0

alle

3,50

0,19

2,00

0.015

1 × 1012

6,00


Tabel II-9: Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie SMB zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 9

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

NOx

HC

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

g/kWh

Fase V

SMB-v-1

P > 0

SI

275

75


Tabel II-10: Fase V emissiegrenswaarden voor motorcategorie ATS zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 10

Emissiefase

Subcategorie motor

Vermogensgroep

Ontstekingstype

CO

HC + NOx

 

 

kW

 

g/kWh

g/kWh

Fase V

ATS-v-1

P > 0

SI

400

8

Specifieke bepalingen voor totale grenswaarden voor koolwaterstof (HC) voor motoren op basis van volledig en gedeeltelijk gasvormige brandstof

1.

Voor de subcategorieën waarvoor een A-factor is vastgesteld worden de in tabellen II-1 tot en met II-10 aangegeven grenswaarden voor koolwaterstof voor motoren op basis van volledig en gedeeltelijk gasvormige brandstof vervangen door een grenswaarde berekend met de volgende formule:

HC = 0,19 + (1,5 × A × GER)

waarbij GER staat voor de gemiddelde gasenergieverhouding voor de betrokken testcyclus. Wanneer zowel testcycli in statische toestand als transiënte testcycli van toepassing zijn, wordt de GER vanuit de transiënte testcyclus met warme start vastgesteld. Waar meer dan één testcyclus in statische toestand van toepassing is, wordt de gemiddelde GER voor elke cyclus afzonderlijk vastgesteld.

Indien de berekende grenswaarde voor HC de waarde van 0,19 + A overschrijdt, worden de grenswaard voor HC vastgesteld op 0,19 + A.

Image

2.

Voor subcategorieën met een gezamenlijke HC- en NOx-grenswaarde wordt de gezamenlijke grenswaarde voor HC en NOx verlaagd tot 0,19 g/kWh en geldt ze alleen voor NOx.

3.

Voor motoren op basis van niet-gasvormige brandstof geldt de formule niet.


(1)  0,60 voor met de hand te starten en met lucht gekoelde motoren met directe inspuiting

(*)  Optioneel, als alternatief, een combinatie van waarden die voldoet aan de vergelijking (HC + NOx) × CO0,784 ≤ 8,57 en de volgende voorwaarden: CO ≤ 20,6 g/kWh en (HC + NOx) ≤ 2,7 g/kWh


BIJLAGE III

Tijdschema voor de toepassing van deze verordening met betrekking tot EU-typegoedkeuring en het in de handel brengen

Tabel III-1: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie NRE

Categorie

Ontstekingstype

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

NRE

CI

0 < P < 8

NRE-v-1

NRE-c-1

1 januari 2018

1 januari 2019

CI

8 ≤ P < 19

NRE-v-2

NRE-c-2

CI

19 ≤ P < 37

NRE-v-3

NRE-c-3

1 januari 2018

1 januari 2019

37 ≤ P < 56

NRE-v-4

NRE-c-4

alle

56 ≤ P < 130

NRE-v-5

NRE-c-5

1 januari 2019

1 januari 2020

130 ≤ P ≤ 560

NRE-v-6

NRE-c-6

1 januari 2018

1 januari 2019

P > 560

NRE-v-7

NRE-c-7

1 januari 2018

1 januari 2019


Tabel III-2:Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie NRG

Categorie

Ontstekingstype

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

NRG

alle

P > 560

NRG-v-1

NRG-c-1

1 januari 2018

1 januari 2019


Tabel III-3: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie NRSh

Categorie

Ontstekingstype

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

NRSh

SI

0 < P < 19

NRSh-v-1a

NRSh-v-1b

1 januari 2018

1 januari 2019


Tabel III-4: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie NRS

Categorie

Ontstekingstype

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

NRS

SI

0 < P < 56

NRS-vr-1a

NRS-vi-1a

NRS-vr-1b

NRS-vi-1b

NRS-v-2a

NRS-v-2b

NRS-v-3

1 januari 2018

1 januari 2019


Tabel III-5: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie IWP

Categorie

Ontstekings-type

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

IWP

alle

19 ≤ P < 300

IWP-v-1

IWP-c-1

IWP-v-2

IWP-c-2

IWP-v-3

IWP-c-3

1 januari 2018

1 januari 2019

P ≥ 300

IWP-v-4

IWP-c-4

1 januari 2019

1 januari 2020


Tabel III-6: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie IWA

Categorie

Ontstekingstype

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

IWA

alle

19 ≤ P < 300

IWA-v-1

IWA-c-1

IWA-v-2

IWA-c-2

IWA-v-3

IWA-c-3

1 januari 2018

1 januari 2019

P ≥ 300

IWA-v-4

IWA-c-4

1 januari 2019

1 januari 2020


Tabel III-7:Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie RLL

Categorie

Ontstekings-type

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

RLL

alle

P > 0

RLL-v-1

RLL-c-1

1 januari 2020

1 januari 2021


Tabel III-8:Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie RLR

Categorie

Ontstekings-type

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

RLR

alle

P > 0

RLR-v-1

RLR-c-1

1 januari 2020

1 januari 2021


Tabel III-9: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie SMB

Categorie

Ontstekings-type

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

SMB

SI

P > 0

SMB-v-1

1 januari 2018

1 januari 2019


Tabel III-10:Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie ATS

Categorie

Ontstekingstype

Vermogens-groep (kW)

Subcategorie

Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor

 

 

 

 

EU-typegoedkeuring van motoren

in de handel brengen van motoren

ATS

SI

P > 0

ATS-v-1

1 januari 2018

1 januari 2019


BIJLAGE IV

Testcycli in statische toestand, niet voor wegverkeer (NRSC)

Tabel IV-1: NRSC-testcycli voor motoren uit categorie NRE

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

NRE

variabel

Motor met variabel toerental met een referentievermogen van minder dan 19 kW

NRE-v-1

NRE-v-2

G2 of C1

Motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of meer maar niet meer dan 560 kW

NRE-v-3

NRE-v-4

NRE-v-5

NRE-v-6

C1

Motor met variabel toerental met een referentievermogen van meer dan 560 kW

NRE-v-7

C1

constant

Motor met constant toerental

NRE-c-1

NRE-c-2

NRE-c-3

NRE-c-4

NRE-c-5

NRE-c-6

NRE-c-7

D2


Tabel IV-2: NRSC-testcycli voor motoren uit categorie NRG

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

NRG

variabel

Motor met variabel toerental voor generatoraggregaat

NRG-v-1

C1

constant

Motor met constant toerental voor generatoraggregaat

NRG-c-1

D2


Tabel IV-3:NRSC-testcycli voor motoren uit categorie NRSh

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

NRSh

variabel of constant

Motor met een referentievermogen van 19 kW of minder, voor gebruik in handapparatuur

NRSh-v-1a

NRSh-v-1b

G3


Tabel IV-4:NRSC-testcycli voor motoren uit categorie NRS

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

NRS

variabel < 3 600 rpm

Motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of minder, bedoeld voor toerental < 3 600 rpm

NRS-vi-1a

NRS-vi-1b

G1

variabel ≥ 3 600 rpm, of constant

Motor met variabel toerental met een referenievermogen van 19 kW of minder, bedoeld voor toerental < 3 600 rpm; motor met constant toerental met een referentievermogen van 19 kW of minder

NRS-vr-1a

NRS-vr1b

G2

variabel of constant

Motor met zowel een referentievermogen tussen 19 kW en 30 kW als een totale cilinderinhoud van minder dan 1 liter

NRS-v-2a

G2

Motor met een referentievermogen van meer dan 19 kW, behalve een motor met zowel een referentievermogen tussen 19 kW en 30 kW als een totale cilinderinhoud van minder dan 1 liter

NRS-v-2b

NRS-v-3

C2


Tabel IV-5: NRSC-testcycli voor motoren uit categorie IWP

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

IWP

variabel

Motor met variabel toerental bestemd voor voortbeweging die volgens een vaste-spoedschroefcurve werkt

IWP-v-1

IWP-v-2

IWP-v-3

IWP-v-4

E3

constant

Motor met constant toerental bestemd voor voortbeweging die met schroef met regelbare spoed of elektrisch gekoppelde schroef werkt

IWP-c-1

IWP-c-2

IWP-c-3

IWP-c-4

E2


Tabel IV-6: NRSC-testcycli voor motoren uit categorie IWA

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

IWA

variabel

Motor met variabel toerental bedoeld voor hulpgebruik voor binnenschepen

IWA-v-1

IWA-v-2

IWA-v-3

IWA-v-4

C1

constant

Motor met constant toerental bedoeld voor hulpgebruik voor binnenschepen

IWA-c-1

IWA-c-2

IWA-c-3

IWA-c-4

D2


Tabel IV-7:NRSC-testcycli voor motoren uit categorie RLL

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

RLL

variabel

Motor met variabel toerental voor de voortbeweging van locomotieven

RLL-v-1

F

constant

Motor met constant toerental voor de voortbeweging van locomotieven

RLL-c-1

D2


Tabel IV-8: NRSC-testcycli voor motoren uit categorie RLR

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

RLR

variabel

Motor met variabel toerental voor de voortbeweging van treinstellen

RLR-v-1

C1

constant

Motor met constant toerental voor de voortbeweging van treinstellen

RLR-c-1

D2


Tabel IV-9: NRSC-testcycli voor motoren uit categorie SMB

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

SMB

variabel of constant

Motoren voor de voortbeweging van sneeuwscooters

SMB-v-1

H


Tabel IV-10:NRSC-testcycli voor motoren uit categorie ATS

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

NRSC

ATS

variabel of constant

Motoren voor de voortbeweging van ATV's of SbS-voertuigen

ATS-v-1

G1

Transiënte testcycli, niet voor wegverkeer

Tabel IV-11:Transiënte testcycli, niet voor wegverkeer, voor motoren uit categorie NRE

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

 

NRE

variabel

Motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of meer maar niet meer dan 560 kW

NRE-v-3

NRE-v-4

NRE-v-5

NRE-v-6

NRTC


Tabel IV-12:Transiënte testcycli, niet voor wegverkeer, voor motoren uit categorie NRS (1)

Categorie

Toerental

Doel

Subcategorie

 

NRS

variabel of constant

Motor met een referentievermogen van meer dan 19 kW, behalve een motor met zowel een referentievermogen tussen 19 kW en 30 kW als een totale cilinderinhoud van minder dan 1 liter

NRS-v-2b

NRS-v-3

LSI-NRTC


(1)  Alleen van toepassing voor motoren met een maximaal testtoerental ≤ 3 400 tpm.


BIJLAGE V

Emissieduurzaamheidsperioden (EDP) als bedoeld in artikel 25, lid 1

Tabel V-1: EDP voor motorcategorie NRE

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

EDP (uren)

NRE

CI

variabel

0 < P < 8

NRE-v-1

3 000

CI

8 ≤ P < 19

NRE-v-2

CI

19 ≤ P < 37

NRE-v-3

5 000

CI

37 ≤ P < 56

NRE-v-4

8 000

alle

56 ≤ P < 130

NRE-v-5

130 ≤ P ≤ 560

NRE-v-6

P > 560

NRE-v-7

CI

constant

0 < P < 8

NRE-c-1

3 000

CI

8 ≤ P < 19

NRE-c-2

CI

19 ≤ P < 37

NRE-c-3

CI

37 ≤ P < 56

NRE-c-4

8 000

alle

56 ≤ P < 130

NRE-c-5

130 ≤ P ≤ 560

NRE-c-6

P > 560

NRE-c-7


Tabel V-2: EDP voor motorcategorie NRE

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Subcategorie

EDP (uren)

NRG

alle

constant

P > 560

NRG-v-1

8 000

variabel

NRG-c-1


Tabel V-3: EDP voor motorcategorie NRSh

Categorie

Ontstekings-type

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Cilinder inhoud (cm3)

Subcategorie

EDP (uren)

NRSh

SI

variabel of constant

0 < P < 19

SV < 50

NRSh-v-1a

50/125/300 (1)

SV ≥ 50

NRSh-v-1b


Tabel V-4: EDP voor motorcategorie NRS

Categorie

Ontstekingstype

Toerental

Vermogensgroep (kW)

Cilinder inhoud (cm3)

Subcategorie

EDP (uren)

NRS

SI

variabel ≥ 3 600  rpm, of constant

0 < P < 19

80 ≤ SV < 225

NRS-vr-1a

125/250/500 (2)

variabel < 3 600  rpm

NRS-vi-1a

variabel ≥ 3 600  rpm, of constant

SV ≥ 225

NRS-vr-1b

250/500/1 000  (2)

variabel < 3 600  rpm

NRS-vi-1b

variabel of constant

19 ≤ P < 30