ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 208

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
2 augustus 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1313 van de Commissie van 1 augustus 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat ( 1 )

1

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1314 van de Commissie van 1 augustus 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

4

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2016/1315 van de Raad van 18 juli 2016 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Associatiecomité dat is opgericht bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, over een tijdelijke wijziging van Protocol nr. 3 bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip producten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking als respons ten gunste van de personen die het conflict in Syrië ontvluchten

6

 

*

Besluit (EU) 2016/1316 van de Raad van 26 juli 2016 tot wijziging van Besluit 2009/908/EU, tot vaststelling van de voorschriften tot toepassing van het besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en betreffende het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad

42

 

*

Besluit (EU) 2016/1317 van de Raad van 28 juli 2016 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk België

45

 

 

AANBEVELINGEN

 

*

Aanbeveling (EU) 2016/1318 van de Commissie van 29 juli 2016 betreffende richtsnoeren voor de bevordering van bijna-energieneutrale gebouwen en beste praktijken om te waarborgen dat in 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen zijn

46

 

*

Aanbeveling (EU) 2016/1319 van de Commissie van 29 juli 2016 tot wijziging van Aanbeveling 2006/576/EG wat betreft deoxynivalenol, zearalenon en ochratoxine A in voeder voor gezelschapsdieren ( 1 )

58

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

2.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 208/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1313 VAN DE COMMISSIE

van 1 augustus 2016

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name het eerste alternatief, genoemd in artikel 21, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De werkzame stof is in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2) opgenomen bij Richtlijn 2001/99/EG van de Commissie (3).

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat, zoals vermeld in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, vervalt zes maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het advies van het Comité risicobeoordeling van het Europees Agentschap voor chemische stoffen door de Commissie of op 31 december 2017, indien dat eerder is.

(4)

Op 30 oktober 2015 (5) heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna de „Autoriteit” genoemd) de Commissie haar verklaring meegedeeld over de toxicologische beoordeling van POE-tallowamine (CAS-nr. 61791-26-2), een stof die in gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten vaak wordt gebruikt als formuleringshulpstof. Zij kwam tot de conclusie dat in vergelijking met glyfosaat in alle onderzochte eindpunten een significante toxiciteit van POE-tallowamine was vastgesteld. Extra probleempunten werden aangestipt met betrekking tot de mogelijk negatieve invloed van POE-tallowamine op de menselijke gezondheid indien het wordt gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten. De Autoriteit meende ook dat een waarschijnlijke verklaring voor de medische gegevens bij de mens voor gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten, is dat de toxiciteit voornamelijk wordt veroorzaakt door de POE-tallowamine-component van de formule.

(5)

Overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) in combinatie met artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moeten de lidstaten de ontwikkeling en invoering van geïntegreerde gewasbescherming en alternatieve benaderingswijzen of technieken bevorderen om hun afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden te beperken. Nu gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten op grote schaal worden gebruikt voor niet-agrarische toepassingen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat tot een minimum wordt beperkt of verboden op plaatsen zoals parken, openbare tuinen, sport- en recreatieterreinen, schoolterreinen en speelplaatsen, en gebieden in de nabijheid van zorginstellingen.

(6)

Gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat worden ook gebruikt vóór de oogst. In bepaalde situaties is het gebruik vóór de oogst teneinde de ongewenste groei van onkruid te beheersen of te voorkomen in overeenstemming met de goede landbouwpraktijken. Niettemin blijkt dat gewasbeschermingsmiddelen met glyfosaat ook worden gebruikt om het tijdstip van de oogst te beïnvloeden of het dorsen te optimaliseren, hoewel dit niet kan worden geacht tot de goede landbouwpraktijken te behoren. Dergelijk gebruik kan dus indruisen tegen artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. Wanneer de lidstaten gewasbeschermingsmiddelen toelaten, moeten zij er daarom met name op toezien dat gebruik vóór de oogst in overeenstemming is met de goede landbouwpraktijken.

(7)

De Commissie heeft de kennisgevers uitgenodigd om hun opmerkingen te maken.

(8)

In het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis is het raadzaam de gebruiksvoorwaarden van de werkzame stof te wijzigen, met name door uit te sluiten dat de formuleringshulpstof POE-tallowamine (CAS-nr. 61791-26-2) wordt gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten.

(9)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt een lijst opgesteld van formuleringshulpstoffen die niet aanvaard worden voor opname in een gewasbeschermingsmiddel. De Commissie, de Autoriteit en de lidstaten zijn begonnen met de voorbereidingen voor het opstellen van die lijst. Bij die werkzaamheden zal de Commissie bijzondere aandacht besteden aan potentieel schadelijke formuleringshulpstoffen die worden gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten. De lijst van onaanvaardbare formuleringshulpstoffen zal overeenkomstig de procedurele vereisten van artikel 27, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 in de toekomst worden vastgesteld in een aparte handeling.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tekst in de zevende kolom (Specifieke bepalingen) van vermelding 25 (glyfosaat) in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt vervangen door:

„Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over glyfosaat, en met name met de aanhangsels I en II daarvan, zoals dat op 27 juni 2016 door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders is gewijzigd. Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten:

bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van het grondwater in kwetsbare gebieden, met name bij niet voor gewassen bestemde toepassingen;

bijzondere aandacht besteden aan de risico's van het gebruik in de specifieke gebieden bedoeld in artikel 12, onder a), van Richtlijn 2009/128/EG;

bijzondere aandacht eraan besteden dat het gebruik vóór de oogst in overeenstemming is met de goede landbouwpraktijken.

De lidstaten zorgen ervoor dat gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten niet de formuleringshulpstof POE-tallowamine (CAS-nr. 61791-26-2) bevatten.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 augustus 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1

(2)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2001/99/EG van de Commissie van 20 november 2001 houdende wijziging van bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, teneinde glyfosaat en thifensulfuron-methyl op te nemen als werkzame stof (PB L 304 van 21.11.2001, blz. 14).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  EFSA Journal (2015); 13(11):4303. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(6)  Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).


2.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 208/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1314 VAN DE COMMISSIE

van 1 augustus 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 augustus 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

166,9

ZZ

166,9

0707 00 05

TR

116,3

ZZ

116,3

0709 93 10

TR

144,6

ZZ

144,6

0805 50 10

AR

187,3

CL

157,0

MA

157,0

TR

153,3

UY

171,3

ZA

165,3

ZZ

165,2

0806 10 10

BR

163,2

EG

214,9

MA

183,3

MX

378,3

US

233,8

ZZ

234,7

0808 10 80

AR

182,2

BR

108,4

CL

127,5

NZ

140,5

PE

106,8

US

177,7

UY

99,9

ZA

108,5

ZZ

131,4

0808 30 90

AR

207,1

CL

143,6

TR

164,7

ZA

127,9

ZZ

160,8

0809 29 00

TR

239,6

US

485,5

ZZ

362,6

0809 30 10 , 0809 30 90

TR

166,5

ZZ

166,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

2.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 208/6


BESLUIT (EU) 2016/1315 VAN DE RAAD

van 18 juli 2016

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Associatiecomité dat is opgericht bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, over een tijdelijke wijziging van Protocol nr. 3 bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking als respons ten gunste van de personen die het conflict in Syrië ontvluchten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds (1) (de „overeenkomst”), is op 1 mei 2002 in werking getreden. Bij artikel 89 van de overeenkomst is een Associatieraad opgericht die alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van de overeenkomst voordoen, alsmede alle andere bilaterale en internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang onderzoekt.

(2)

Bij artikel 92 van de overeenkomst is een Associatiecomité opgericht dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst en waaraan de Associatieraad gehele of gedeeltelijke bevoegdheden kan delegeren.

(3)

Overeenkomstig artikel 94, lid 1, van de overeenkomst heeft het Associatiecomité de bevoegdheid besluiten te nemen met het oog op het beheer van de overeenkomst en op de beleidsterreinen waarop de Associatieraad bevoegdheden aan het Comité heeft gedelegeerd.

(4)

Overeenkomstig artikel 2 van Besluit 2002/357/EG, EGKS van de Raad en de Commissie (2), wordt het door de Unie in het Associatiecomité in te nemen standpunt op voorstel van de Commissie door de Raad vastgesteld.

(5)

Overeenkomstig artikel 39 van Protocol nr. 3 bij de overeenkomst, als gewijzigd bij Besluit nr. 1/2006 van de Associatieraad EU-Jordanië (3), kan het Associatiecomité besluiten de bepalingen van dat protocol te wijzigen.

(6)

Het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië („Jordanië”) heeft aan de internationale gemeenschap voorstellen gedaan om de economische respons op de Syrische vluchtelingencrisis op een holistische manier te benaderen.

(7)

In het kader van de op 4 februari 2016 in Londen gehouden internationale conferentie „Supporting Syria and the Region” uitte Jordanië zijn voornemen om Syrische vluchtelingen te laten deelnemen aan de formele arbeidsmarkt in Jordanië en lichtte het een aantal maatregelen toe om dat te verwezenlijken, met name met het oog op het scheppen van ongeveer 200 000 arbeidsplaatsen voor Syrische vluchtelingen.

(8)

In verband met dat initiatief verzocht Jordanië op 12 december 2015 specifiek om in het kader van de overeenkomst een tijdelijke versoepeling van de oorsprongsregels ter beschikking te stellen om de Jordaanse uitvoer naar de Unie te bevorderen en extra werkgelegenheid te creëren, in het bijzonder voor Syrische vluchtelingen.

(9)

Na het verzoek van Jordanië te hebben onderzocht, is de Raad namens de Unie van oordeel dat het gerechtvaardigd is in te stemmen met bijkomende oorsprongsregels die, met inachtneming van de in de bijlage bij het ontwerp van besluit van het Associatiecomité in bijlage dezes vermelde voorwaarden („het ontwerp van besluit van het Associatiecomité”), met name wat betreft de betrokken producten, productiezones en de creatie van werkgelegenheid voor Syrische vluchtelingen, ter beschikking moeten worden gesteld als alternatief voor de oorsprongsregels in bijlage II bij Protocol nr. 3 bij de overeenkomst voor de uitvoer van Jordanië, en die de oorsprongsregels moeten zijn welke door de Unie worden toegepast op de invoer uit de minst ontwikkelde landen in het kader van het „alles behalve wapens”-initiatief van het stelsel van algemene preferenties.

(10)

De bijlage bij het ontwerp van besluit van het Associatiecomité dient tot 31 december 2026 toepasselijk te zijn en er dient een evaluatie halverwege te worden uitgevoerd zodat de partijen zo nodig door een besluit van het Associatiecomité wijzigingen kunnen aanbrengen.

(11)

De verwezenlijking door Jordanië van zijn doelstelling om ongeveer 200 000 arbeidsplaatsen te creëren voor Syrische vluchtelingen zou een belangrijke mijlpaal vormen, ook in verband met de uitvoering van het ontwerp van besluit van het Associatiecomité. Derhalve zullen de Unie en Jordanië, zodra deze doelstelling is behaald, overwegen om een verdere vereenvoudiging door te voeren van de voorwaarden waaronder het besluit van het Associatiecomité producenten in Jordanië ten goede kan komen.

(12)

De toepassing van de bijlage bij het besluit van het Associatiecomité dient vergezeld te gaan van passende controle- en rapportageverplichtingen en de mogelijkheid moet bestaan om de toepassing van de bijlage bij het besluit van het Associatiecomité op te schorten indien de voorwaarden voor de toepassing ervan niet langer zijn vervuld of indien aan de voorwaarden voor voorzorgsmaatregelen is voldaan,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Associatiecomité EU-Jordanië dat overeenkomstig artikel 92 van de overeenkomst is opgericht wat betreft een tijdelijke wijziging van Protocol nr. 3 bij die overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking, wordt gebaseerd op het ontwerp van gezamenlijk besluit van het Associatiecomité in bijlage dezes.

2.   Kleine technische correcties van het ontwerp van besluit van het Associatiecomité kunnen worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie in het Associatiecomité zonder dat daartoe een besluit van de Raad vereist is.

Artikel 2

Na vaststelling wordt het besluit van het Associatiecomité bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)  PB L 129 van 15.5.2002, blz. 3.

(2)  Besluit 2002/357/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 26 maart 2002 betreffende de sluiting van een Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds (PB L 129 van 15.5.2002, blz. 1).

(3)  Besluit nr. 1/2006 van de Associatieraad EU-Jordanië van 15 juni 2006 tot wijziging van Protocol nr. 3 van de Europees-mediterrane overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (PB L 209 van 31.7.2006, blz. 30).


ONTWERP

BESLUIT Nr. [1]/2016 VAN HET ASSOCIATIECOMITÉ EU-JORDANIË

van [x/x/]2016

tot wijziging van Protocol nr. 3 bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de lijst van be- of verwerkingen die moeten worden uitgevoerd ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen om voor bepaalde categorieën producten, vervaardigd in speciale ontwikkelingszones en industriële gebieden en in verband met het scheppen van werkgelegenheid voor Syrische vluchtelingen en Jordaniërs, de status van oorsprong te verkrijgen

HET ASSOCIATIECOMITÉ EU-JORDANIË,

Gezien de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds („de overeenkomst”), en met name artikel 94 van de overeenkomst en artikel 39 van Protocol nr. 3 bij de overeenkomst,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië („Jordanië”) heeft de internationale gemeenschap voorstellen gedaan om de economische respons op de Syrische vluchtelingencrisis op een holistische manier te benaderen, en heeft in het kader van dit initiatief op 12 december 2015 een specifiek verzoek ingediend tot versoepeling van de oorsprongsregels die in het kader van de overeenkomst worden toegepast, met de bedoeling de uitvoer uit Jordanië naar de Unie te bevorderen en extra werkgelegenheid te creëren, in het bijzonder voor Syrische vluchtelingen en Jordaanse onderdanen.

(2)

In het kader van de op 4 februari 2016 in Londen gehouden internationale conferentie „Supporting Syria and the Region” heeft Jordanië meegedeeld dat het de deelname van Syrische vluchtelingen aan de formele arbeidsmarkt in Jordanië wenst te bevorderen en met het oog daarop binnen het jaar 50 000 arbeidsplaatsen voor Syrische vluchtelingen zal creëren, en dat het in het algemeen ernaar streeft dit aantal in de komende jaren tot ongeveer 200 000 te verhogen.

(3)

Een tijdelijke versoepeling van de toepasselijke oorsprongsregels zou het mogelijk maken dat bepaalde in Jordanië vervaardigde goederen voor het bepalen van een preferentiële behandeling bij invoer in de Unie aan minder strenge oorsprongsregels worden onderworpen dan anders het geval zou zijn. Deze tijdelijke versoepeling van de toepasselijke oorsprongsregels zou passen in het kader van de steun van de Unie aan Jordanië in de context van de Syrische crisis en tot doel hebben de kosten van het opvangen van een groot aantal Syrische vluchtelingen te verminderen.

(4)

Naar het oordeel van de Unie zou de gevraagde versoepeling van de oorsprongsregels bijdragen aan de algehele doelstelling van het creëren van ongeveer 200 000 arbeidsplaatsen voor Syrische vluchtelingen.

(5)

De versoepeling van de oorsprongsregels zou aan bepaalde voorwaarden worden onderworpen om ervoor te zorgen dat deze ten goede komt aan exporteurs die bijdragen tot de inspanningen van Jordanië om Syrische vluchtelingen aan het werk te krijgen.

(6)

De bijlage bij dit besluit is van toepassing op goederen vervaardigd in productiefaciliteiten die gelegen zijn in speciale ontwikkelingszones of industriegebieden in Jordanië en welke bijdragen aan het creëren van werkgelegenheid voor Syrische vluchtelingen en voor de Jordaanse bevolking.

(7)

Dit initiatief heeft tot doel de handel en investeringen in die ontwikkelingszones en industriegebieden te stimuleren om op die manier de economische kansen en de arbeidskansen voor Syrische vluchtelingen en voor de Jordaanse bevolking te helpen verbeteren.

(8)

Bijlage II bij Protocol nr. 3 bij de overeenkomst moeten derhalve worden aangevuld met het oog op de vaststelling van de lijst van bewerkingen of verwerkingen die ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen moeten worden uitgevoerd opdat deze producten de status van oorsprong kunnen verkrijgen. De aanvullende lijst van bewerkingen of verwerkingen moet worden gebaseerd op de oorsprongsregels die de Unie hanteert ten aanzien van de invoer uit de minst ontwikkelde landen in het kader van het „alles behalve wapens”-initiatief van het stelsel van algemene preferenties.

(9)

De toepassing van de bijlage bij dit besluit tot vaststelling van een aanvullende lijst van bewerkingen en verwerkingen moet voor een bepaalde productiefaciliteit tijdelijk kunnen worden geschorst indien deze faciliteit de voorwaarden van artikel 1, punt 1, van de bijlagen bij dit besluit niet naleeft.

(10)

De toepassing van de bijlage bij dit besluit met betrekking tot een van de in artikel 2 van de bijlage bij dit besluit genoemde producten moet ook tijdelijk kunnen worden geschorst wanneer deze producten worden ingevoerd in grotere hoeveelheden en onder omstandigheden die ernstige nadelen veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor producenten in de Unie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten op het volledige of een deel van het grondgebied van de Unie, dan wel tot ernstige verstoringen kunnen leiden in een sector van de economie van de Unie, in overeenstemming met de artikelen 24 en 26 van de overeenkomst.

(11)

De geldigheid van dit besluit dient te worden beperkt tot een periode die voldoende is om stimulansen te bieden voor extra investeringen en het creëren van extra werkgelegenheid, en dient derhalve te verstrijken op 31 december 2026. De Unie en Jordanië zullen dit besluit tussentijds evalueren op grond van artikel 1, punt 7, van de bijlage bij dit besluit, en kunnen de bijlage bij dit besluit in het licht van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van het besluit wijzigen bij besluit van het Associatiecomité.

(12)

Als Jordanië de doelstelling haalt die het in het kader van de internationale conferentie van 4 februari 2016 heeft geformuleerd, namelijk ongeveer 200 000 arbeidsplaatsen voor Syrische vluchtelingen creëren, zou dat ook voor de uitvoering van dit besluit een belangrijke mijlpaal vormen, en zullen de Unie en Jordanië alsdan bekijken of deze steunmaatregel verder kan worden vereenvoudigd. Daartoe zou de bijlage bij dit besluit moeten worden gewijzigd bij besluit van het Associatiecomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij protocol nr. 3 bij de overeenkomst, met de lijst van bewerkingen of verwerkingen die ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen moeten worden verricht opdat het vervaardigde product de status van oorsprong kan verkrijgen, wordt gewijzigd en aangevuld door bijlage II a) bij protocol nr. 3 van de overeenkomst, als vervat in de bijlage bij het onderhavige besluit.

Artikel 2

Bijlage II a) bij protocol nr. 3 van de overeenkomst, als vervat in de bijlage bij dit besluit, stelt de voorwaarden vast voor de toepassing en de lijst van bewerkingen of verwerkingen die ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen moeten worden verricht opdat producten die in specifieke geografische zones worden vervaardigd met het oog op het creëren van extra werkgelegenheid voor Syrische vluchtelingen, de status van oorsprong kunnen verkrijgen.

Artikel 3

De bijlage vormt een integrerend deel van dit besluit.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan door het Associatiecomité.

Het is van toepassing tot en met 31 december 2026.

Gedaan te [Amman][Brussel], [x/x/]2016

Voor het Associatiecomité EU-Jordanië


BIJLAGE

BIJLAGE II a)

ADDENDUM BIJ DE LIJST VAN BEWERKINGEN OF VERWERKINGEN DIE TEN AANZIEN VAN NIET VAN OORSPRONG ZIJNDE MATERIALEN MOETEN WORDEN VERRICHT OPDAT HET VERVAARDIGDE PRODUCT DE STATUS VAN OORSPRONG KAN VERKRIJGEN

Artikel 1

Gemeenschappelijke bepalingen

1.   Voor de producten genoemd in artikel 2 kunnen de volgende voorschriften ook van toepassing zijn in de plaats van de voorschriften van bijlage II bij protocol nr. 3, voor zover deze producten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de bewerking of verwerking die ten aanzien van niet van oorsprong zijnde materialen moet worden verricht opdat de betrokken producten de status van oorsprong kunnen verkrijgen, vindt plaats in productiefaciliteiten in een van de volgende ontwikkelingszones of industriegebieden: industriestad Alhussein Bin Abdullah II — Alkarak, industriezone Aljeeza — Amman, industriezone Alqastal — Amman, industriezone Al Quwayrah — Aqaba, industriestad Al Tajamuat — Sahab, industriestad Dulail — Zarqa, industriezone El-Hashmieh — Zarqa, industriezones El Ressaiefeh — Zarqa, industriezone El-Sukhneh — Zarqa, ontwikkelingszone Irbid en industriestad Irbid Alhassan, industriestad King Abdullah II Bin Alhussein — Sahab, ontwikkelingszone King Hussein Bin Talal — Mafraq (met inbegrip van industriestad Mafraq), ontwikkelingszone Ma'an — Ma'an, industriezone Marka — Amman, industriestad Muwaqqar — Amman, industriezone Wadi El-Eisheh — Zarqa; en

b)

het totale personeelsbestand van elke productiefaciliteit in deze ontwikkelingszones of industriegebieden waar deze producten worden bewerkt of verwerkt, bevat een aandeel Syrische vluchtelingen van ten minste 15 % in het eerste en het tweede jaar na de inwerkingtreding van deze bijlage, en van ten minste 25 % met ingang van het derde jaar na de inwerkingtreding van deze bijlage. Het desbetreffende aandeel wordt berekend op een tijdstip na de inwerkingtreding van deze bijlage, en vervolgens op jaarlijkse basis, rekening houdend met het aantal Syrische vluchtelingen, uitgedrukt in voltijdequivalent, dat een formele en fatsoenlijke baan heeft en een arbeidsvergunning die ten minste twaalf maanden geldig is volgens de toepasselijke wetgeving van Jordanië.

2.   De bevoegde autoriteiten van Jordanië zien toe op de naleving van de in lid 1 genoemde voorwaarden, kennen exporteurs van producten die aan deze voorwaarden voldoen een vergunningsnummer toe en trekken dat nummer onverwijld in wanneer niet langer aan deze voorwaarden is voldaan.

3.   Een ingevolge deze bijlage opgesteld bewijs van oorsprong bevat de volgende verklaring in het Engels: „Derogation — Annex II(a) of Protocol 3 — name of the Development Zone or industrial area and authorisation number granted by the competent authorities of Jordan”. (Afwijking — Bijlage II a) bij protocol nr. 3 — naam ontwikkelingszone of industriegebied en nummer van de vergunning afgegeven door de bevoegde autoriteiten van Jordanië)

4.   Wanneer de douaneautoriteiten van Jordanië overeenkomstig artikel 33, lid 5, van dit protocol, als gewijzigd bij Besluit nr. 1/2006 van de Associatieraad EU-Jordanië (1), de Europese Commissie of de aanvragende douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (de „lidstaten”) in kennis hebben gesteld van de uitkomst van de controle, verduidelijken zij dat de in artikel 2 genoemde producten voldoen aan de voorwaarden van lid 1.

5.   Wanneer er bij controle of op grond van andere beschikbare gegevens aanwijzingen zijn dat niet is voldaan aan de voorwaarden van lid 1, stelt Jordanië op eigen initiatief of op verzoek van de Europese Commissie of de douaneautoriteiten van de lidstaten met de nodige spoed een onderzoek in of laat het een onderzoek instellen teneinde dergelijke inbreuken vast te stellen en een herhaling ervan te voorkomen. De Europese Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten kunnen aan dit onderzoek deelnemen.

6.   Na de inwerkingtreding van deze bijlage dient Jordanië jaarlijks bij de Europese Commissie een verslag in over de werking en de gevolgen van deze bijlage, met inbegrip van 8-cijferige dan wel zo gedetailleerd mogelijke productie- en uitvoerstatistieken en een lijst van de ondernemingen die in de ontwikkelingszones en industriegebieden produceren, onder vermelding van het percentage Syrische vluchtelingen die zij elk op jaarbasis in dienst hebben. Deze verslagen en eventuele problemen met betrekking tot de uitvoering of de monitoring van de onderhavige bijlage worden gezamenlijk door de partijen geëvalueerd binnen de organen die uit hoofde van de associatieovereenkomst zijn ingesteld, met name het Subcomité industrie, handel en diensten. Ook beraden de partijen zich op een eventuele deelname van internationale organisaties zoals de Internationale Arbeidsorganisatie en de Wereldbank aan het monitoringproces.

7.   Vier jaar na de inwerkingtreding van deze bijlage verrichten de partijen een tussentijdse evaluatie om na te gaan of eventuele wijzigingen moeten worden doorgevoerd in het licht van de ervaring die met de uitvoering van de bijlage is opgedaan en van de ontwikkelingen van het conflict in Syrië; op basis van deze tussentijdse evaluatie kan het Associatiecomité eventuele wijzigingen van de bijlage in overweging nemen.

8.   Zodra Jordanië erin geslaagd is een grotere deelname van Syrische vluchtelingen aan de formele arbeidsmarkt te faciliteren, doordat het in totaal circa 200 000 werkvergunningen aan Syrische vluchtelingen heeft afgegeven, gaan de partijen na of de bepalingen van deze bijlage verder kunnen worden vereenvoudigd met inachtneming van de ontwikkelingen in de Syrische vluchtelingencrisis. Het Associatiecomité kan deze bijlage in die zin wijzigen.

9.

a)

Indien de Unie van oordeel is dat onvoldoende is aangetoond dat Jordanië of een specifieke productiefaciliteit de voorwaarden van lid 1 naleeft, kan zij deze kwestie aan het Associatiecomité voorleggen. Daarbij wordt aangegeven of de niet-naleving van de voorwaarden van lid 1 toe te schrijven is aan Jordanië dan wel aan een specifieke productiefaciliteit.

b)

Indien het Associatiecomité binnen 90 dagen nadat de kwestie aan het comité is voorgelegd, niet verklaart dat de voorwaarden van lid 1 worden nageleefd of indien het deze bijlage niet wijzigt, wordt de toepassing van de bijlage geschorst. In haar doorverwijzing naar het Associatiecomité geeft de Unie de duur van de schorsing aan.

c)

Het Associatiecomité kan ook besluiten de termijn van 90 dagen te verlengen; in dat geval gaat de schorsing in wanneer het Associatiecomité binnen de verlengde termijn geen van de onder b) bedoelde acties onderneemt.

d)

Deze bijlage kan opnieuw van toepassing worden indien het Associatiecomité daartoe besluit.

e)

In het geval van een schorsing blijft deze bijlage gedurende 4 maanden van toepassing op goederen die zich op de datum waarop de tijdelijke schorsing ingaat, in transit bevinden dan wel in tijdelijke opslag zijn in een douane-entrepot of in een vrije zone in de Unie, en waarvoor voorafgaand aan de datum van tijdelijke schorsing naar behoren een bewijs van oorsprong is opgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage.

10.   Indien een van de in artikel 2 genoemde producten waarop deze bijlage van toepassing is, wordt ingevoerd in grotere hoeveelheden en onder omstandigheden die ernstige nadelen veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor producenten in de Unie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten op het volledige of een deel van het grondgebied van de Unie, dan wel tot ernstige verstoringen kunnen leiden in een sector van de economie van de Unie, als bedoeld in de artikelen 24 en 26 van de overeenkomst, kan de Unie de zaak voor behandeling voorleggen aan het Associatiecomité. Indien het Associatiecomité binnen 90 dagen nadat de kwestie aan het comité is voorgelegd, geen besluit neemt tot beëindiging van dat ernstige nadeel of de dreiging ervan, of aan de ernstige verstoring, of indien geen andere bevredigende oplossing is gevonden, wordt de toepassing van deze bijlage voor het betrokken product geschorst totdat het Associatiecomité een besluit neemt waarin wordt verklaard dat het nadeel of de verstoring niet langer bestaat, dan wel totdat door de partijen een bevredigende oplossing is gevonden, die aan het Associatiecomité is gemeld.

11.   Deze bijlage is van toepassing vanaf de dag van inwerkingtreding van het besluit van het Associatiecomité waaraan het is gehecht, en tot en met 31 december 2026.

Artikel 2

Lijst van producten en van vereiste bewerkingen en verwerkingen

De lijst van producten waarop deze bijlage van toepassing is en de voorschriften inzake bewerking en verwerking die kunnen worden toegepast als alternatief voor de voorschriften van bijlage II, volgen hieronder.

Bijlage I bij protocol nr. 3 van de overeenkomst, met de inleidende aantekeningen bij de lijst in bijlage II bij protocol nr. 3 van de overeenkomst, is mutatis mutandis van toepassing op onderstaande lijst, met inachtneming van de volgende wijzigingen:

 

In aantekening 5.2 worden in de tweede alinea de volgende basismaterialen toegevoegd:

glasvezel;

metaalvezel.

 

De tekst van aantekening 7.3 wordt vervangen door:

Wat de posten ex 2707 en 2713 betreft, wordt geen oorsprong verkregen door eenvoudige behandelingen zoals reinigen, decanteren, ontzouten, afsplitsen van water, filtreren, kleuren, merken, het verkrijgen van een bepaald zwavelgehalte door het mengen van producten met uiteenlopende zwavelgehaltes, alle combinaties van die behandelingen of soortgelijke behandelingen.

ex hoofdstuk 25

Zout; zwavel; aarde en steen; gips, kalk en cement; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 2519

Natuurlijk magnesiumcarbonaat (magnesiet), fijngemaakt, in hermetisch gesloten recipiënten, en magnesiumoxide, ook indien zuiver, ander dan gesmolten magnesia of doodgebrande magnesia (gesinterd)

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Wel mag natuurlijk magnesiumcarbonaat (magnesiet) worden gebruikt.

ex hoofdstuk 27

Minerale brandstoffen, minerale oliën en distillatieproducten daarvan; bitumineuze stoffen; minerale was, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 2707

Olie waarin het gewicht van de aromatische bestanddelen dat van de niet-aromatische bestanddelen overtreft, zijnde soortgelijke olie als minerale olie verkregen bij het distilleren van hogetemperatuursteenkoolteer, die voor meer dan 65 % van het volume distilleert bij een temperatuur van 250 °C of lager (mengsels van benzine en benzol daaronder begrepen), bestemd om te worden gebruikt als motorbrandstof of als andere brandstof

Raffinagebewerkingen en/of een of meer specifieke behandelingen (2)

of

Andere behandelingen waarbij alle gebruikte materialen zijn ingedeeld onder een andere post dan het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 50 % van de prijs af fabriek van het product

2710

Aardolie en olie uit bitumineuze materialen, andere dan ruwe; preparaten die 70 of meer gewichtspercenten aardolie of olie uit bitumineuze materialen bevatten en waarvan het karakter door deze olie wordt bepaald, elders genoemd noch elders onder begrepen; afvalolie

Raffinagebewerkingen en/of een of meer specifieke behandelingen (3)

of

Andere behandelingen waarbij alle gebruikte materialen zijn ingedeeld onder een andere post dan het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 50 % van de prijs af fabriek van het product.

2711

Aardgas en andere gasvormige koolwaterstoffen

Raffinageberwerkingen en/of een of meer specifieke behandelingen

of

Andere behandelingen waarbij alle gebruikte materialen zijn ingedeeld onder een andere post dan het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 50 % van de prijs af fabriek van het product

2712

Vaseline; paraffine, microkristallijne was uit aardolie, slack wax, ozokeriet, montaanwas, turfwas, andere minerale was en soortgelijke door synthese of op andere wijze verkregen producten, ook indien gekleurd

Raffinagebewerkingen en/of een of meer specifieke behandelingen (3)

of

Andere behandelingen waarbij alle gebruikte materialen zijn ingedeeld onder een andere post dan het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 50 % van de prijs af fabriek van het product

2713

Petroleumcokes, petroleumbitumen en andere residuen van aardolie of van olie uit bitumineuze materialen

Raffinagebewerkingen en/of een of meer specifieke behandelingen (2)

of

Andere behandelingen waarbij alle gebruikte materialen zijn ingedeeld onder een andere post dan het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 50 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 28

Anorganische chemische producten; anorganische of organische verbindingen van edele metalen, van radioactieve elementen, van zeldzame aardmetalen en van isotopen; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 2811

Zwaveltrioxide

Vervaardiging uit zwaveldioxide

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 2840

Natriumperboraat

Vervaardiging uit dinatriumtetraboraatpentahydraat

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

2843

Edele metalen in colloïdale toestand; anorganische of organische verbindingen van edele metalen, al dan niet chemisch bepaald; amalgamen van edele metalen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met inbegrip van andere materialen van post 2843

ex 2852

Kwikverbindingen van inwendige ethers, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post. De waarde van alle gebruikte materialen van post 2909 mag evenwel niet hoger zijn dan 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

 

Kwikverbindingen van nucleïnezuren en zouten daarvan, al dan niet chemisch bepaald; andere heterocyclische verbindingen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post. De waarde van de gebruikte materialen van de posten 2852 , 2932 , 2933 en 2934 mag evenwel niet hoger zijn dan 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 29

Organische chemische producten; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 2905

Metaalalcoholaten van alcohol bedoeld bij deze post en van ethanol; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met inbegrip van andere materialen van post 2905 . Metaalalcoholaten bedoeld bij deze post mogen evenwel slechts worden gebruikt tot een totale waarde van ten hoogste 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

2905 43 ;

2905 44 ;

2905 45

Mannitol; D-glucitol (sorbitol); Glycerol

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige postonderverdeling, met uitzondering van materialen van dezelfde postonderverdeling als het product. Materialen van dezelfde postonderverdeling als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

2915

Verzadigde eenwaardige acyclische carbonzuren, daarvan afgeleide anhydriden, halogeniden, peroxyden en peroxyzuren; halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten van deze producten

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post. De waarde van de gebruikte materialen van de posten 2915 en 2916 mag evenwel niet hoger zijn dan 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 2932

Inwendige ethers, alsmede halogeen-, sulfo, nitro- en nitrosoderivaten daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post. De waarde van alle gebruikte materialen van post 2909 mag evenwel niet hoger zijn dan 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

 

Cyclische acetalen en inwendige hemiacetalen, alsmede halogeen-, sulfo, nitro- en nitrosoderivaten daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

2933

Heterocyclische verbindingen met uitsluitend één of meer stikstofatomen als hetero-atoom

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post. De waarde van de gebruikte materialen van de posten 2932 en 2933 mag evenwel niet hoger zijn dan 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

2934

Nucleïnezuren en zouten daarvan, al dan niet chemisch bepaald; andere heterocyclische verbindingen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post. De waarde van de gebruikte materialen van de posten 2932 , 2933 en 2934 mag evenwel niet hoger zijn dan 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

Hoofdstuk 31

Meststoffen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

Hoofdstuk 32

Looi- en verfextracten; looizuur (tannine) en derivaten daarvan; pigmenten en andere kleur- en verfstoffen; verf en vernis; stopverf en mastiek; inkt

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 33

Etherische oliën en harsaroma's; Parfums, cosmetische producten en toiletartikelen; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3301

Etherische oliën (ook indien daaruit terpenen zijn afgesplitst), vast of vloeibaar; harsaroma's; door extractie verkregen oleoharsen; geconcentreerde oplossingen van etherische oliën in vet, in vette oliën, in was of in soortgelijke stoffen, verkregen door enfleurage of door maceratie; terpeenhoudende bijproducten, afgesplitst uit etherische oliën; gedistilleerd aromatisch water en waterige oplossingen van etherische oliën

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met inbegrip van materialen van een andere „groep” (4) van deze post. Materialen van dezelfde groep als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 34

Zeep, organische tensioactieve producten, wasmiddelen, smeermiddelen, kunstwas, bereide was, poets- en onderhoudsmiddelen, kaarsen en soortgelijke artikelen, modelleerpasta's, tandtechnische waspreparaten en tandtechnische preparaten op basis van gebrand gips, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3404

Kunstwas en bereide was:

op basis van paraffine, van was uit aardolie of uit bitumineuze mineralen, uit slack wax of uit scale wax

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

Hoofdstuk 35

Eiwitstoffen; gewijzigd zetmeel; lijm; enzymen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van materialen van dezelfde post als het product, waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is 70 % van de prijs af fabriek van het product

Hoofdstuk 37

Producten voor fotografie en cinematografie

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 38

Diverse producten van de chemische industrie; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3803

Geraffineerde tallolie

Raffineren van ruwe tallolie

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3805

Sulfaatterpentijnolie, gezuiverd

Zuivering, inhoudende het distilleren of het raffineren van ruwe sulfaatterpentijnolie

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

3806 30

gomesters

Vervaardiging uit harszuren

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3807

Houtteerpek

Distillatie van houtteer

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

3809 10

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in soortgelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen: op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

3823

Industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid-oils; industriële vetalcoholen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met inbegrip van andere materialen van post 3823

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

3824 60

Sorbitol, andere dan die bedoeld bij postonderverdeling 2905 44

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige postonderverdeling, met uitzondering van materialen van dezelfde postonderverdeling als het product en van postonderverdeling 2905 44 . Materialen van dezelfde postonderverdeling als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 39

Kunststof en artikelen daarvan; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3907

Copolymeer, vervaardigd uit polycarbonaat en acrylonitril-butadieen-styreencopolymeer (ABS)

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van dezelfde post als het product mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 50 % van de prijs af fabriek van het product (5)

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

 

Polyester

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging uit polycarbonaat van tetrabroom(bisfenol A)

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3920

Ionomeervellen of -foliën

Vervaardiging uit een thermoplastisch partieel zout, zijnde een copolymeer van ethyleen en metacrylzuur, gedeeltelijk geneutraliseerd met metaalionen, voornamelijk zink en natrium

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 3921

Kunststoffolie, gemetalliseerd

Vervaardiging uit zeer transparant polyesterfolie met een dikte van minder dan 23 micron (6)

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 40

Rubber en artikelen daarvan; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

4012

Gebruikte of van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden van rubber; massieve of halfmassieve banden, verwisselbare loopvlakken voor banden en velglinten van rubber:

 

 

van een nieuw loopvlak voorziene luchtbanden, massieve of halfmassieve banden, van rubber

Van een nieuw loopvlak voorzien van gebruikte banden

 

Andere

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van de posten 4011 en 4012

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 41

Onthaarde huiden en vellen (andere dan pelterijen), alsmede leder; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

4101 t/m 4103

Huiden en vellen van runderen (buffels daaronder begrepen), van paarden of van paardachtigen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt, gepekeld of anderszins geconserveerd, doch niet gelooid, niet tot perkament verwerkt of verder bewerkt), ook indien onthaard of gesplit; Huiden van schapen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt, gepekeld of anderszins geconserveerd, doch niet gelooid, niet tot perkament verwerkt of verder bewerkt), ook indien onthaard of gesplit, andere dan die op basis van aantekening 1, punt c), bij hoofdstuk 41 zijn uitgezonderd; Andere huiden en vellen, ongelooid (vers, gezouten, gedroogd, gekalkt, gepekeld of anderszins geconserveerd, doch niet gelooid, niet tot perkament verwerkt of verder bewerkt), ook indien onthaard of gesplit, andere dan die op basis van aantekening 1, punten b) en c), bij hoofdstuk 41 zijn uitgezonderd

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

4104 t/m 4106

Gelooide onthaarde huiden en vellen, ook indien gesplit, maar niet verder bewerkt

Opnieuw looien van gelooide of voorgelooide huiden en vellen van postonderverdelingen 4104 11 , 4104 19 , 4105 10 , 4106 21 , 4106 31 of 4106 91 ,

of

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

4107 , 4112 , 4113

Verder bewerkt leder, na looien of drogen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Materialen van de postonderverdelingen 4104 41 , 4104 49 , 4105 30 , 4106 22 , 4106 32 en 4106 92 mogen evenwel slechts worden gebruikt indien de gelooide of gedroogde huiden of de vellen in droge staat opnieuw worden gelooid

Hoofdstuk 42

Lederwaren; zadel- en tuigmakerswerk; reisartikelen, handtassen en soortgelijke bergingsmiddelen; werken van darmen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 43

Pelterijen, bontwerk en namaakbont; Artikelen daarvan; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

4301

Pelterijen (koppen, staarten, poten en andere delen, geschikt voor bontwerk, daaronder begrepen), niet gelooid noch anderszins bereid, andere dan de ongelooide huiden en vellen bedoeld bij de posten 4101 , 4102 en 4103

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

ex 4302

Pelterijen, gelooid of anderszins bereid, samengevoegd:

 

 

banen, zakken, vierkanten, kruisen en soortgelijke vormen

Bleken of verven, naast snijden en samenvoegen van niet-samengevoegde gelooide of anderszins bereide pelterijen

 

Andere

Vervaardiging uit niet-samengevoegde gelooide of anderszins bereide pelterijen

4303

Kleding, kledingtoebehoren en andere artikelen, van bont

Vervaardiging uit niet- samengevoegde, gelooide of anderszins bereide pelterijen van post 4302

ex hoofdstuk 44

Hout en houtwaren; houtskool; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 4407

Hout, overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm

Schaven, schuren of aaneenvoegen door middel van een vingerlasverbinding

ex 4408

Fineerplaten (die verkregen door het snijden van gelaagd hout daaronder begrepen) en platen voor de vervaardiging van triplex- en multiplexhout, met een dikte van niet meer dan 6 mm, met verbinding aan de randen, alsmede ander hout, overlangs gezaagd, dan wel gesneden of geschild, met een dikte van niet meer dan 6 mm, geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding

Aanbrengen van een verbinding, schaven, schuren of aaneenvoegen door middel van een vingerlasverbinding

ex 4410 tot en met ex 4413

Lijstwerk, met inbegrip van plinten en soortgelijk lijstwerk

In profiel frezen of vormen

ex 4415

Pakkisten, kratten, trommels en soortgelijke verpakkingsmiddelen, van hout

Vervaardiging uit niet op maat gezaagde planken

ex 4418

Schrijn- en timmerwerk voor bouwwerken, van hout

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Wel mogen houtpanelen met cellenstructuur en dakspanen („shingles” en „shakes”) worden gebruikt

 

lijstwerk

In profiel frezen of vormen

ex 4421

Hout geschikt gemaakt voor de vervaardiging van lucifers; houten schoenpinnen

Vervaardiging uit hout van een willekeurige post, met uitzondering van houtdraad van post 4409

ex hoofdstuk 51

Wol, fijn haar en grof haar; garens en weefsels van paardenhaar (crin); met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

5106 t/m 5110

Garens van wol, van fijn haar of grof haar, of van paardenhaar (crin)

Het spinnen van natuurlijke vezels of de extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het spinnen (7)

5111 t/m 5113

Weefsels van wol, van fijn haar of grof haar, of van paardenhaar:

Weven (7)

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen van voorbewerking of afwerking (zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanente finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), mits de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 52

Katoen; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

5204 t/m 5207

Garens van katoen

Het spinnen van natuurlijke vezels of de extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het spinnen (7)

5208 t/m 5212

Weefsels van katoen:

Weven (7)

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen van voorbewerking of afwerking (zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanente finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), mits de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 53

Andere plantaardige textielvezels; papiergarens en weefsels daarvan; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

5306 t/m 5308

Garens van andere plantaardige textielvezels; papiergarens

Het spinnen van natuurlijke vezels of de extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het spinnen (7)

5309 t/m 5311

Weefsels van andere plantaardige textielvezels; weefsels van papiergarens:

Weven (7)

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), op voorwaarde dat de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

5401 t/m 5406

Monofilamenten en garens, van synthetische of kunstmatige filamenten

Extrusie van kunstmatige vezels samen met het spinnen of het spinnen van natuurlijke vezels (7)

5407 en 5408

Weefsels van synthetische of kunstmatige filamentgarens:

Weven (7)

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen van voorbewerking of afwerking (zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanente finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), mits de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

5501 t/m 5507

Synthetische of kunstmatige stapelvezels

Extrusie van synthetische of van kunstmatige vezels

5508 t/m 5511

Garens van synthetische of kunstmatige stapelvezels

Het spinnen van natuurlijke vezels of de extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het spinnen (7)

5512 t/m 5516

Weefsels van synthetische of kunstmatige stapelvezels:

Weven (7)

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen van voorbewerking of afwerking (zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanente finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), mits de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 56

Watten, vilt en gebonden textielvlies; speciale garens; bindgaren, touw en kabel, alsmede werken daarvan, met uitzondering van:

Extrusie van kunstmatige vezels samen met het spinnen of het spinnen van natuurlijke vezels

of

Aanbrengen van een flockprint samen met verven of bedrukken (7)

5602

Vilt, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen:

 

 

Naaldgetouwvilt

Extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het maken van het weefsel

Echter:

polypropyleenfilamentgarens van post 5402 ,

polypropyleenvezels van post 5503 of 5506 , of

polypropyleenkabels van post 5501 ,

waarvan de titer van elk filament of elke vezel minder dan 9 decitex bedraagt,

kunnen worden gebruikt, mits de totale waarde ervan niet hoger is dan 40 % van de prijs af fabriek van het product

of

Het maken van het weefsel alleen in geval van vilt dat van natuurlijke vezels is gemaakt (7)

 

Ander

Extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het maken van het weefsel

of

Het maken van het weefsel alleen in geval van vilt dat van natuurlijke vezels is gemaakt (7)

5603

Gebonden textielvlies, ook indien geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen

Alle andere processen dan weven, met inbegrip van naaldponsen

5604

Draad en koord van rubber, bekleed met textiel; textielgarens, alsmede strippen en artikelen van dergelijke vorm bedoeld bij post 5404 of 5405 , geïmpregneerd, bekleed, bedekt of ommanteld met rubber of met kunststof:

 

 

Draad en koord van rubber, bekleed met textiel;

Vervaardiging uit draad of koord, van rubber, niet omwoeld of omvlochten met textiel

 

Ander

Extrusie van kunstmatige vezels samen met het spinnen of het spinnen van natuurlijke vezels (7)

5605

Metaalgarens, ook indien omwoeld, bestaande uit textielgarens of uit strippen en artikelen van dergelijke vorm bedoeld bij post 5404 of 5405 , verbonden met metaaldraad, -strippen of -poeder, dan wel bedekt met metaal

Extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het spinnen of het spinnen van natuurlijke en of synthetische of kunstmatige vezels (7)

5606

Omwoeld garen, alsmede strippen en artikelen van dergelijke vorm bedoeld bij post 5404 of 5405 , omwoeld, andere dan die bedoeld bij post 5605 en andere dan omwoeld paardenhaar (crin); chenillegaren; kettingsteekgaren (zogeheten chainettegaren)

Extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met het spinnen of het spinnen van natuurlijke en/of synthetische of kunstmatige stapelvezels

of

Spinnen samen met het aanbrengen van flockprints

of

Het aanbrengen van flockprints samen met verven (7)

Hoofdstuk 57

Tapijten:

Het spinnen van natuurlijke en/of synthetische of kunstmatige stapelvezels of de extrusie van synthetisch of kunstmatig filamentgaren,in beide gevallen samen met het weven

of

Vervaardiging van kokos-, sisal- of jutegaren

of

Het aanbrengen van flockprint samen met verven of bedrukken

of

Tuften samen met verven of bedrukken

Extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met niet-weeftechnieken, met inbegrip van naaldponsen (7)

Echter:

polypropyleenfilamentgarens van post 5402 ,

polypropyleenvezels van post 5503 of 5506 , of

polypropyleenkabels van post 5501 ,

waarvan de titer in alle gevallen van één enkel filament of vezel minder dan 9 decitex bedraagt, mogen worden gebruikt, op voorwaarde dat de totale waarde ervan niet meer bedraagt dan 40 % van de prijs af fabriek van het product

Juteweefsel mag als rug worden gebruikt

ex hoofdstuk 58

Speciale weefsels: getufte textielstoffen; kant; tapisserieën; passementwerk; borduurwerk: met uitzondering van:

Weven (7)

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen van voorbewerking of afwerking (zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanente finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), mits de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

5805

Tapisserieën, met de hand geweven (zoals gobelins, Vlaamse tapisserieën, aubussons, beauvais en dergelijke) of met de naald vervaardigd (bij voorbeeld halve kruissteek, kruissteek), ook indien geconfectioneerd

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

5810

Borduurwerk, aan het stuk, in banden of in de vorm van motieven

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

5901

Weefsels bedekt met lijm of met zetmeelachtige stoffen, van de soort gebruikt voor het boekbinden, voor het kartonneren, voor foedraalwerk of voor dergelijk gebruik; calqueerlinnen en tekenlinnen; schilderdoek; stijflinnen (buckram) en dergelijke weefsels voor steunvormen van hoeden

Weven samen met verven of het aanbrengen van flockprint of een deklaag

of

Het aanbrengen van flockprint samen met verven of bedrukken

5902

Bandenkoordweefsel („tyre cord fabric”) van garens met een hoge sterktegraad, van nylon of van andere polyamiden, van polyesters of van viscoserayon:

 

 

Bevattende niet meer dan 90 gewichtspercenten textielmaterialen

Weven

 

Ander

Extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met weven

5903

Weefsels, geïmpregneerd, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van kunststof, andere dan die bedoeld bij post 5902

Weven samen met verven of het aanbrengen van een deklaag

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), op voorwaarde dat de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

5904

Linoleum, ook indien in bepaalde vorm gesneden, vloerbedekking, bestaande uit een deklaag of een bekleding op een drager van textiel, ook indien in bepaalde vorm gesneden

Weven samen met verven of het aanbrengen van een deklaag (7)

5905

Wandbekleding van textielstof

 

 

geïmpregneerd, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van rubber, kunststof of andere materialen

Weven samen met verven of het aanbrengen van een deklaag

 

Ander

Het spinnen van natuurlijke en/of synthetische of kunstmatige stapelvezels of de extrusie van synthetisch of kunstmatig filamentgaren,in beide gevallen samen met het weven

of

Weven samen met verven of het aanbrengen van een deklaag

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), op voorwaarde dat de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product (7):

5906

Gegummeerde weefsels, andere dan die bedoeld bij post 5902 :

 

 

Brei- en haakwerk aan het stuk

Het spinnen van natuurlijke en/of synthetische of kunstmatige stapelvezels of de extrusie van synthetisch of kunstmatig filamentgaren,in beide gevallen samen met breien

of

Breien samen met verven of het aanbrengen van een deklaag

of

Het verven van garen van natuurlijke vezels samen met het breien (7)

 

Andere weefsels, vervaardigd van synthetische filamentgarens, bevattende meer dan 90 gewichtspercenten textielmaterialen

Extrusie van synthetische of kunstmatige vezels samen met weven

 

Ander

Weven samen met verven of het aanbrengen van een deklaag

of

Het verven van garen van natuurlijke vezels samen met weven

5907

Weefsels, anderszins geïmpregneerd, bekleed of bedekt; beschilderd doek voor theatercoulissen, voor achtergronden van studio's of voor dergelijk gebruik

Weven samen met verven of het aanbrengen van flockprint of een deklaag

of

Het aanbrengen van flockprint samen met verven of bedrukken

of

Bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), op voorwaarde dat de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

5908

Kousen, pitten en wieken, voor lampen, voor komforen, voor aanstekers, voor kaarsen en dergelijke, geweven, gevlochten of gebreid; gloeikousjes en rondgebreide buisjes voor het vervaardigen van gloeikousjes, ook indien geïmpregneerd:

 

 

Gloeikousjes, geïmpregneerd

Vervaardiging uit rond gebreide buisjes

 

Ander

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

5909 t/m 5911

Artikelen van textiel, voor technisch gebruik:

 

 

polijstschijven, andere dan die van vilt bedoeld bij post 5911

Weven

 

al dan niet vervilte weefsels, van de soort gewoonlijk gebruikt voor papiermachines of voor ander technisch gebruik, ook indien geïmpregneerd of bekleed, rondgeweven of eindloos met enkelvoudige of meervoudige ketting en/of inslag, dan wel plat geweven met meervoudige ketting en/of inslag bedoeld bij post 5911

Weven (7)

 

Ander

Extrusie van synthetische of kunstmatige filamentgarens of het spinnen van natuurlijke of synthetische of kunstmatige stapelvezels, samen met weven (7)

of

Weven samen met verven of het aanbrengen van een deklaag

Hoofdstuk 60

Brei- en haakwerk aan het stuk

Het spinnen van natuurlijke en/of synthetische of kunstmatige stapelvezels of de extrusie van synthetisch of kunstmatig filamentgaren,in beide gevallen samen met breien

of

Breien samen met verven of het aanbrengen van flockprint of een deklaag

of

Het aanbrengen van flockprint samen met verven of bedrukken

of

Het verven van garen van natuurlijke vezels samen met het breien

of

Twijnen of texturiseren, samen met breien, mits de waarde van de gebruikte niet-getwijnde, niet-getexturiseerde garens niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product

Hoofdstuk 61

Kleding en kledingtoebehoren, van brei- of haakwerk:

 

 

verkregen door aaneennaaien of anderszins aaneenzetten van twee of meer stukken brei- of haakwerk die hetzij in vorm zijn gesneden hetzij direct in vorm zijn verkregen

Vervaardiging uit weefsel

 

Ander

Het spinnen van natuurlijke en/of synthetische of kunstmatige stapelvezels of de extrusie van synthetisch of kunstmatig filamentgaren, in beide gevallen samen met het breien (direct in vorm gebreide producten)

of

Het verven van garen van natuurlijke vezels samen met breien (direct in vorm gebreide producten) (7)

ex hoofdstuk 62

Kleding en kledingtoebehoren, andere dan van brei- of haakwerk; met uitzondering van:

Vervaardiging uit weefsel

6213 en 6214

Zakdoeken, sjaals, sjerpen, hoofddoeken en halsdoeken, mantilles, sluiers, voiles en dergelijke artikelen:

 

 

Geborduurd

Weven samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

of

Vervaardiging uit niet-geborduurd weefsel, op voorwaarde dat de waarde van het gebruikte niet-geborduurde weefsel niet meer bedraagt dan 40 % van de prijs af fabriek van het product (8)

of

Confectioneren voorafgegaan door bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), op voorwaarde dat de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product (7)  (8)

 

Ander

Weven samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

of

Confectioneren gevolgd door bedrukken samen met ten minste twee bewerkingen (voorbewerking of afwerking, zoals wassen, bleken, merceriseren, thermofixeren, ruwen, kalanderen, krimpvrij maken, permanent finish, decatiseren, impregneren, herstellen en noppen), op voorwaarde dat de waarde van de gebruikte niet-bedrukte weefsels niet hoger is dan 47,5 % van de prijs af fabriek van het product (7)  (8)

6217

Andere geconfectioneerde kledingtoebehoren; delen (andere dan die bedoeld bij post 6212 ) van kleding of van kledingtoebehoren:

 

 

Geborduurd

Weven samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

of

vervaardiging uit niet-geborduurd weefsel, op voorwaarde dat de waarde van het gebruikte niet-geborduurde weefsel niet meer bedraagt dan 40 % van de prijs af fabriek van het product (8)

 

Vuurbestendige uitrustingen van weefsel bedekt met een folie van met aluminium verbonden polyester

Weven samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

of

Voorzien van een deklaag, mits de waarde van het gebruikte weefsel zonder deklaag niet hoger is dan 40 % van de prijs af fabriek van het product, samen met confectioneren (met inbegrip van snijden) (8)

 

Tussenvoeringen voor kragen en omslagen, uitgesneden

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van materialen van dezelfde post als het product, waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is 40 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 63

Andere geconfectioneerde artikelen van textiel; stellen of assortimenten; oude kleren en dergelijke; lompen en vodden; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

6301 t/m 6304

Dekens, beddenlinnen en dergelijke; gordijnen en dergelijke; en andere artikelen voor stoffering:

 

 

van vilt of van gebonden textielvlies

Elk ander proces dan weven, met inbegrip van naaldponsen, samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

 

andere:

 

 

– –

Geborduurd

Weven of breien samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

of

Vervaardiging uit niet-geborduurd weefsel, op voorwaarde dat de waarde van het gebruikte niet-geborduurde weefsel niet meer bedraagt dan 40 % van de prijs af fabriek van het product (8)  (9)

 

– –

Ander

Weven of breien samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

6305

Zakken voor verpakkingsdoeleinden

Weven of breien samen met confectioneren (met inbegrip van snijden) (7)

6306

dekkleden en zonneschermen voor winkelpuien en dergelijke; tenten; zeilen voor schepen, zeilplanken, zeilwagens en zeilsleden; kampeerartikelen:

 

 

Van gebonden textielvlies

Elk ander proces dan weven, met inbegrip van naaldponsen, samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

 

Ander

Weven samen met confectioneren (met inbegrip van snijden) (7)  (8)

of

Voorzien van een deklaag, mits de waarde van het gebruikte weefsel zonder deklaag niet hoger is dan 40 % van de prijs af fabriek van het product, samen met confectioneren (met inbegrip van snijden)

6307

Andere geconfectioneerde artikelen, patronen voor kleding daaronder begrepen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 40 % van de prijs af fabriek van het product

6308

Stellen of assortimenten, bestaande uit weefsel en garen, ook indien met toebehoren, voor de vervaardiging van tapijten, van tapisserieën, van geborduurde tafelkleden en servetten of van dergelijke artikelen van textiel, opgemaakt voor de verkoop in het klein

Elk onderdeel van het stel of het assortiment moet voldoen aan de regel die ervoor zou gelden indien het niet in het stel of assortiment was opgenomen. Niet van oorsprong zijnde artikelen mogen evenwel in het stel of het assortiment worden opgenomen tot een totale waarde van 25 % van de prijs af fabriek van het stel of het assortiment

ex hoofdstuk 64

Schoeisel, beenkappen en dergelijke artikelen; delen daarvan; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van samenvoegingen van bovendelen met een binnenzool of met andere binnendelen, bedoeld bij post 6406

6406

Delen van schoeisel (daaronder begrepen bovendelen, al dan niet voorzien van zolen, andere dan buitenzolen); inlegzolen, hielkussens en dergelijke artikelen; slobkousen, beenkappen en dergelijke artikelen, alsmede delen daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

Hoofdstuk 65

Hoofddeksels en delen daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

ex hoofdstuk 68

Werken van steen, van gips, van cement, van asbest, van mica en van dergelijke stoffen, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 6803

Werken van leisteen of van samengekit leigruis

Vervaardiging uit bewerkte leisteen

ex 6812

Werken van asbest; werken van mengsels samengesteld met asbest of met asbest en magnesiumcarbonaat

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

ex 6814

Werken van mica, geagglomereerd of gereconstitueerd mica daaronder begrepen, op een drager van papier, van karton of van andere stoffen

Vervaardiging uit bewerkt mica (geagglomereerd of gereconstitueerd mica daaronder begrepen)

Hoofdstuk 69

Keramische producten

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 70

Glas en glaswerk, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

7006

Optisch glas van 7003 , 7004 of 7005 , schuin geslepen randen, gegraveerd, geboord

 

 

platen van glas (substraten), bekleed met een diëlektrisch laagje, halfgeleidend, volgens de normen van SEMII (10)

Vervaardiging uit niet-beklede platen van glas (substraten) van post 7006

 

Andere

Vervaardiging uit materialen bedoeld bij post 7001

7010

Flessen, flacons, bokalen, potten, buisjes, ampullen en andere houders, van glas, voor vervoer of voor verpakking van goederen; weckglazen; stoppen, deksels en andere sluitingen, van glas

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

slijpen van glaswerk, mits de totale waarde van het ongeslepen glaswerk niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

7013

Glaswerk voor tafel-, keuken-, toilet- of kantoorgebruik, voor binnenhuisversiering of voor dergelijk gebruik, ander dan bedoeld bij post 7010 of 7018

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

slijpen van glaswerk, mits de totale waarde van het ongeslepen glaswerk niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

of

versieren met de hand (met uitzondering van zijdezeefdruk) van met de hand geblazen glaswerk, mits de totale waarde van het met de mond geblazen glaswerk niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

ex 7019

Werken (andere dan garen) van glasvezels

Vervaardiging uit:

ongekleurde lonten, rovings en garens, ook indien gesneden, of

glaswol

ex hoofdstuk 71

Echte en gekweekte parels, edelstenen en halfedelstenen, edele metalen en metalen geplateerd met edele metalen, alsmede werken daarvan; fancybijouterieën; munten, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

7106 , 7108 en 7110

Edele metalen:

 

 

onbewerkt

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van de posten 7106 , 7108 en 7110

of

Elektrolytische, thermische of chemische scheiding van edele metalen bedoeld bij post 7106 , 7108 of 7110

of

Fusie en/of legering van edele metalen van post 7106 , 7108 of 7110 , onderling of met onedele metalen

 

halfbewerkt of in poedervorm

Vervaardiging uit onbewerkte edele metalen

ex 7107 , ex 7109 en ex 7111

Metalen geplateerd met edele metalen, halfbewerkt

Vervaardiging uit metalen geplateerd met edele metalen, onbewerkt

7115

Andere werken van edele metalen of van metalen geplateerd met edele metalen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

7117

Fancybijouterieën

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

vervaardiging uit delen van onedel metaal, niet geplateerd of bedekt met edele metalen, waarvan de totale waarde niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 73

Werken van gietijzer, van ijzer en van staal; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

ex 7301

damwandprofielen

Vervaardiging uit materialen bedoeld bij post 7207

7302

Bestanddelen van spoorbanen, van gietijzer, van ijzer of van staal: spoorstaven (rails), contrarails en heugels voor tandradbanen, wisseltongen, puntstukken, wisselstangen en andere bestanddelen van kruisingen en wissels, dwarsliggers, losplaten, spoorstoelen, wiggen, onderlegplaten, klemplaten, dwarsplaten en dwarsstangen en andere bestanddelen, voor het leggen, het verbinden of het bevestigen van rails

Vervaardiging uit materialen bedoeld bij post 7206

7304 , 7305 en 7306

Buizen, pijpen en holle profielen, van ijzer of van staal

Vervaardiging uit materialen van post 7206 , 7207 , 7208 , 7209 , 7210 , 7211 , 7212 , 7218 , 7219 , 7220 of 7224

ex 7307

Hulpstukken voor buizen van roestvrij staal

Draaien, boren, ruimen, draadsnijden, afbramen en zandstralen van gesmede onbewerkte stukken met een totale waarde van niet meer dan 35 % van de prijs af fabriek van het product

7308

Constructiewerken en delen van constructiewerken (bijvoorbeeld bruggen, brugdelen, sluisdeuren, vakwerkmasten en andere masten, pijlers, kolommen, kapconstructies, deuren en ramen, alsmede kozijnen daarvoor, drempels, luiken, balustrades), van gietijzer, van ijzer of van staal, andere dan de geprefabriceerde bouwwerken bedoeld bij post 9406 ; platen, staven, profielen, buizen en dergelijke, van gietijzer, van ijzer of van staal, gereedgemaakt voor gebruik in constructiewerken

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen van dezelfde post als het product Gelaste profielen bedoeld bij post 7301 mogen evenwel niet worden gebruikt

ex 7315

Sneeuwkettingen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen van post 7315 niet hoger is 50 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 74

Koper en werken van koper; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

7403

Geraffineerd koper en koperlegeringen, ruw

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

ex hoofdstuk 76

Aluminium en werken van aluminium; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

7601

Ruw aluminium

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

7607

Bladaluminium (ook indien bedrukt of op een drager van papier, van karton, van kunststof of op dergelijke dragers) met een dikte van niet meer dan 0,2 mm (de dikte van de drager niet meegerekend)

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 7606

ex hoofdstuk 78

Lood en werken van lood, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

7801

Ruw lood:

 

 

Geraffineerd lood

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

 

Overige

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Resten en afval bedoeld bij post 7802 mogen evenwel niet worden gebruikt

Hoofdstuk 80

Tin en werken van tin

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

ex hoofdstuk 82

Gereedschap; messenmakerswerk, lepels en vorken, van onedel metaal; delen van deze artikelen van onedel metaal; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8206

Stellen, bestaande uit gereedschap van twee of meer van de posten 8202 tot en met 8205 , opgemaakt voor de verkoop in het klein

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen bedoeld bij de posten 8202 tot en met 8205 Gereedschap bedoeld bij de posten 8202 tot en met 8205 kan evenwel in het stel worden opgenomen tot een totale waarde van 15 % van de prijs af fabriek van het stel

8211

Messen (andere dan die bedoeld bij post 8208 ), ook indien getand, zaksnoeimessen daaronder begrepen, alsmede lemmeten daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Wel mogen lemmeten en handvatten van onedel metaal worden gebruikt

8214

Ander messenmakerswerk (bijvoorbeeld tondeuses, hakmessen en dergelijke slagers- en keukenmessen, briefopeners); gereedschap (nagelvijltjes daaronder begrepen) voor manicure of voor pedicure, ook indien in stellen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Wel mogen handvatten van onedel metaal worden gebruikt

8215

Lepels, vorken, pollepels, schuimspanen, taartscheppen, vismessen en botermesjes, suikertangen en dergelijke artikelen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Wel mogen handvatten van onedel metaal worden gebruikt

ex hoofdstuk 83

Allerlei werken van onedele metalen; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 8302

Andere garnituren, beslag en dergelijke artikelen, voor gebouwen, en automatische deursluiters en deurdrangers

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Andere materialen bedoeld bij post 8302 mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 20 % van de prijs af fabriek van het product

ex 8306

Beeldjes en andere versieringsvoorwerpen, van onedel metaal

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Andere materialen bedoeld bij post 8306 mogen evenwel worden gebruikt tot een totale waarde van 30 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 84

Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, alsmede delen daarvan; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8401

Kernreactoren; niet-bestraalde splijtstofelementen (patronen) voor kernreactoren; machines en apparaten voor isotopenscheiding

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8407

Zuigermotoren met vonkontsteking, wankelmotoren daaronder begrepen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8408

Zuigermotoren met zelfontsteking (diesel- en semi-dieselmotoren)

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8427

Vorkheftrucks; andere transportwagentjes met hef- of hanteerinrichting

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8482

Kogellagers, rollagers, naaldlagers en dergelijke lagers

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 85

Elektrische machines, apparaten, uitrustingsstukken, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, toestellen voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen; met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8501 , 8502

Elektrische motoren en generatoren; elektrische generatoraggregaten en roterende omvormers

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8503

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8513

Draagbare elektrische lampen, bestemd om met eigen energiebron te werken (bij voorbeeld met elementen of batterijen, met accumulatoren of met ingebouwde dynamo), andere dan die bedoeld bij post 8512

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8519

Toestellen voor het opnemen en het weergeven van geluid

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8522

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8521

Video-opname- en videoweergaveapparaten, ook indien met ingebouwde videotuner

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8522

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8523

Dragers, geprepareerd voor het opnemen van geluid of voor dergelijke doeleinden, doch waarop niet is opgenomen, andere dan de goederen bedoeld bij hoofdstuk 37

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8525

Zendtoestellen voor radio-omroep of televisie, ook indien met ingebouwd ontvangtoestel of toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid; televisiecamera's; digitale fototoestellen en videocamera-opnametoestellen

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8529

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8526

Radartoestellen, toestellen voor radionavigatie en toestellen voor radioafstandsbediening

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8529

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8527

Ontvangtoestellen voor radio-omroep, ook indien in dezelfde kast gecombineerd met een toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid of met een uurwerk

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8529

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8528

Monitors en projectietoestellen, niet uitgerust met ontvangtoestel voor televisie; ontvangtoestellen voor televisie, ook indien met ingebouwd ontvangtoestel voor radio-omroep of toestel voor het opnemen of weergeven van geluid of van beelden

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8529

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8535 t/m 8537

Toestellen voor het inschakelen, uitschakelen, omschakelen, aansluiten of verdelen van of voor het beveiligen tegen elektrische stroom; verbindingsstukken voor optische vezels, optischevezelbundels of optischevezelkabels; borden, panelen, kasten en dergelijke, voor elektrische bediening of voor het verdelen van elektrische stroom

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product en van post 8538

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8540 11 en 8540 12

Kathodestraalbuizen voor ontvangtoestellen voor televisie, buizen voor videomonitors daaronder begrepen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8542 31 tot en met 8542 33 en 8542 39

Monolithische geïntegreerde schakelingen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

of

Diffusie, waarbij geïntegreerde schakelingen worden gevormd op een halfgeleidersubstraat door de selectieve inbrenging van een geschikt doteringsmateriaal, al dan niet geassembleerd en/of getest in een niet-partij

8544

Draad, kabels (coaxiale kabels daaronder begrepen) en andere geleiders van elektriciteit, geïsoleerd (ook indien gevernist of gelakt — zogenaamd emaildraad — of anodisch geoxideerd), ook indien voorzien van verbindingsstukken; optischevezelkabel bestaande uit individueel omhulde vezels, ook indien elektrische geleiders bevattend of voorzien van verbindingsstukken

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8545

Koolelektroden, koolborstels, koolspitsen voor lampen, koolstaven voor elementen of batterijen en andere artikelen van grafiet of andere koolstof, ook indien verbonden met metaal, voor elektrisch gebruik

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8546

Isolatoren voor elektriciteit, ongeacht de stof waaruit zij zijn vervaardigd

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8547

Isolerende werkstukken, geheel van isolerend materiaal dan wel voorzien van daarin bij het gieten, persen, enz. aangebrachte eenvoudige metalen verbindingsstukken (bijvoorbeeld nippels met schroefdraad), voor elektrische machines, toestellen of installaties, andere dan de isolatoren bedoeld bij post 8546 ; isolatiebuizen voor elektrisch gebruik, met inbegrip van de verbindingsstukken daarvoor, van onedel metaal, inwendig geïsoleerd

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8548

resten en afval, van elektrische elementen, van elektrische batterijen en van elektrische accumulatoren; gebruikte elektrische elementen, gebruikte elektrische batterijen en gebruikte elektrische accumulatoren; elektrische delen van machines, van apparaten of van toestellen, niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van hoofdstuk 85

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

Hoofdstuk 86

Rollend en ander materieel voor spoor- en tramwegen, alsmede delen daarvan; vast materieel voor spoor- en tramwegen, alsmede elementen en delen daarvan; mechanische (incl. elektromechanische) signaal- en waarschuwingstoestellen voor het verkeer:

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 87

Automobielen, tractors, rijwielen, motorrijwielen en andere voertuigen voor vervoer over land, alsmede delen en toebehoren daarvan; met uitzondering van:

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

8711

Motorrijwielen en rijwielen met hulpmotor, ook indien met zijspan; zijspanwagens

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 90

Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en -toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; delen en toebehoren daarvan, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

9002

Lenzen, prisma's, spiegels en andere optische elementen, ongeacht de stof waarvan zij zijn vervaardigd, gemonteerd, voor instrumenten, apparaten en toestellen, andere dan die van niet-optisch bewerkt glas

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

9033

Delen en toebehoren (niet genoemd of niet begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk) van machines, apparaten, toestellen, instrumenten of artikelen bedoeld bij hoofdstuk 90

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

Hoofdstuk 91

Uurwerken

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

Hoofdstuk 94

Meubelen; artikelen voor bedden en dergelijke artikelen, verlichtingstoestellen; verlichtingstoestellen, elders genoemd noch elders onder begrepen; lichtreclames, verlichte aanwijzingsborden en dergelijke artikelen; geprefabriceerde bouwwerken

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 95

Speelgoed, spellen, artikelen voor ontspanning en sportartikelen; delen en toebehoren daarvan, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

ex 9506

Golfstokken en delen daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Ruw gevormde blokken voor het maken van koppen van golfstokken mogen evenwel worden gebruikt

ex hoofdstuk 96

Diverse werken, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product

of

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

9601 en 9602

Ivoor, been, schildpad, hoorn, geweien, koraal, paarlemoer en andere stoffen van dierlijke herkomst geschikt om te worden gesneden, bewerkt; werken van deze stoffen (gevormde werken daaronder begrepen).

Plantaardige of minerale stoffen geschikt om te worden gesneden, bewerkt, alsmede werken van deze stoffen; gevormde of gesneden werken van was, van paraffine, van stearine, van natuurlijke gommen of harsen, van modelleerpasta, alsmede gevormde of gesneden werken, elders genoemd noch elders onder begrepen; bewerkte, niet-geharde gelatine, andere dan die bedoeld bij post 3503 , alsmede werken van niet-geharde gelatine

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post

9603

Bezems en borstels, ook indien zij delen van machines, van toestellen of van voertuigen zijn, met de hand bediende mechanische vegers zonder motor, penselen, kwasten en plumeaus; gerede knotten voor borstelwerk; verfkussens en verfrollen, wissers van rubber of van andere soepele stoffen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

9605

Reisassortimenten voor de lichaamsverzorging van personen, voor het schoonmaken van schoeisel of van kleding en reisnaaigarnituren

Elk onderdeel van het stel of het assortiment moet voldoen aan de regel die ervoor zou gelden indien het niet in het stel of assortiment was opgenomen. Niet van oorsprong zijnde artikelen mogen evenwel in het stel of het assortiment worden opgenomen tot een totale waarde van 15 % van de prijs af fabriek van het stel of het assortiment

9606

Knopen en drukknopen; knoopvormen en andere delen van knopen of van drukknopen; knopen in voorwerpsvorm

Vervaardiging:

uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product; en

waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

9608

Kogelpennen; vilt- en merkstiften en andere pennen met poreuze punt; vulpennen en andere pennen; vulpennen; vulpotloden; penhouders, potloodhouders en dergelijke artikelen; delen (puntbeschermers en klemmen daaronder begrepen) van deze artikelen, andere dan die bedoeld bij post 9609

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product. Wel mogen pennen en penpunten van dezelfde post als het product worden gebruikt

9612

Inktlinten voor schrijfmachines en dergelijke inktlinten, geïnkt of op andere wijze geprepareerd voor het maken van afdrukken, ook indien op spoelen of in cassettes; stempelkussens, ook indien geïnkt, met of zonder doos

Vervaardiging:

uit materialen van een willekeurige post, met uitzondering van die van het product; en

waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 70 % van de prijs af fabriek van het product

9613 20

Zakaanstekers werkend met gas, navulbaar

Vervaardiging waarbij de totale waarde van de gebruikte materialen van post 9613 niet hoger is dan 30 % van de prijs af fabriek van het product

9614

Pijpen (pijpenkoppen daaronder begrepen), sigaren- en sigarettenpijpjes, alsmede delen daarvan

Vervaardiging uit materialen van een willekeurige post


(1)  Besluit nr. 1/2006 van de associatieraad EU-Jordanië van 15 juni 2006 tot wijziging van Protocol nr. 3 van de Europees-mediterrane Overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (PB L 209 van 31.7.2006, blz. 30).

(2)  Zie de aantekeningen 7.1 en 7.3 voor de bijzondere voorwaarden in verband met „specifieke behandelingen”.

(3)  Zie aantekening 7.2 voor de bijzondere voorwaarden in verband met „specifieke behandelingen”.

(4)  Als een „groep” wordt beschouwd ieder deel van de omschrijving van de post, van de rest gescheiden door een puntkomma.

(5)  Voor producten die enerzijds bestaan uit materialen van de posten 3901 tot en met 3906 en anderzijds uit materialen van de posten 3907 tot en met 3911, geldt deze beperking alleen voor de groep materialen met het hoogste gewichtspercentage in het product.

(6)  De volgende folie wordt als zeer transparant beschouwd: folie waarvan het doorzichtigheidsverlies, gemeten met een nefolometer van Gardner volgens ASTM-D 1003-16 (troebelingsfactor), minder dan 2 % bedraagt.

(7)  Zie aantekening 5 voor de bijzondere voorwaarden voor producten die uit een mengsel van textielstoffen zijn vervaardigd.

(8)  Zie aantekening 6.

(9)  Zie aantekening 6 voor brei- en haakwerk aan het stuk, niet elastisch of gegummeerd, verkregen door aaneennaaien of aaneenzetten van stukken brei- of haakwerk (gesneden of direct in vorm gebreid).

(10)  SEMII Semiconductor Equipment and Materials Institute Incorporated.


2.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 208/42


BESLUIT (EU) 2016/1316 VAN DE RAAD

van 26 juli 2016

tot wijziging van Besluit 2009/908/EU, tot vaststelling van de voorschriften tot toepassing van het besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en betreffende het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag van de Europese Unie,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 2009/881/EU van de Europese Raad van 1 december 2009 betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad (1), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft bij Besluit 2009/908/EU (2) de volgorde vastgesteld voor de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad door de lidstaten van de Europese Unie van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2020, en heeft daarin de indeling van deze volgorde van voorzitterschappen in groepen van drie lidstaten vastgelegd.

(2)

De Europese Unie is op 1 juli 2013 met een nieuwe lidstaat, Kroatië, uitgebreid.

(3)

Hoewel nog geen kennisgeving uit hoofde van artikel 50 VEU van zijn regering is ontvangen, heeft een lidstaat publiekelijk bekendgemaakt dat hij zich uit de Unie zal terugtrekken. De volgorde van de voorzitterschappen van de Raad dient te worden gewijzigd teneinde daarmee rekening te houden, onverminderd de rechten en verplichtingen van die lidstaat.

(4)

De Raad dient de volgorde voor de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad voor de nabije toekomst vast te stellen. Die volgorde dient te worden bepaald overeenkomstig de criteria die zijn vastgesteld in de Verdragen en in Besluit 2009/881/EU van de Europese Raad. Besluit 2009/908/EU dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2009/908/EU van de Raad van 1 december 2009 tot vaststelling van de voorschriften tot toepassing van het besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en betreffende het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

De volgorde waarin de lidstaten met ingang van 1 juli 2017 tot en met 31 december 2030 het voorzitterschap van de Raad uitoefenen, alsmede de indeling van deze volgorde van voorzitterschappen in groepen van drie lidstaten, staan in bijlage I bij dit besluit.”.

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

De Raad neemt vóór 31 december 2029 een besluit over de volgorde waarin de lidstaten vanaf 1 januari 2031 het voorzitterschap zullen uitoefenen.”.

3)

De tekst van bijlage I bij Besluit 2009/908/EU wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2017.

Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 26 juli 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LAJČÁK


(1)  PB L 315 van 2.12.2009, blz. 50.

(2)  Besluit 2009/908/EU van de Raad van 1 december 2009 tot vaststelling van de voorschriften tot toepassing van het besluit van de Europese Raad betreffende de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en betreffende het voorzitterschap van de voorbereidende instanties van de Raad (PB L 322 van 9.12.2009, blz. 28).|


BIJLAGE

„BIJLAGE I

Ontwerptabel van de voorzitterschappen van de Raad  (*)

Nederland (**)

januari-juni

2016

Slowakije (**)

juli-december

2016

Malta (**)

januari-juni

2017

Estland

juli-december

2017

Bulgarije

januari-juni

2018

Oostenrijk

juli-december

2018

Roemenië

januari-juni

2019

Finland

juli-december

2019

Kroatië

januari-juni

2020

Duitsland

juli-december

2020

Portugal

januari-juni

2021

Slovenië

juli-december

2021

Frankrijk

januari-juni

2022

Tsjechië

juli-december

2022

Zweden

januari-juni

2023

Spanje

juli-december

2023

België

januari-juni

2024

Hongarije

juli-december

2024

Polen

januari-juni

2025

Denemarken

juli-december

2025

Cyprus

januari-juni

2026

Ierland

juli-december

2026

Litouwen

januari-juni

2027

Griekenland

juli-december

2027

Italië

januari-juni

2028

Letland

juli-december

2028

Luxemburg

januari-juni

2029

Nederland

juli-december

2029

Slowakije

januari-juni

2030

Malta

juli-december

2030


(*)  Onverminderd de rechten en verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk als lidstaat.

(**)  Het huidige voorzitterschapstrio is ter informatie in deze bijlage ingevoegd.”


2.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 208/45


BESLUIT (EU) 2016/1317 VAN DE RAAD

van 28 juli 2016

tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk België

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Belgische regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangende leden van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van het mandaat op grond waarvan de heer Hicham IMANE (Député wallon) was voorgedragen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:

de heer Hicham IMANE, Conseiller communal de la Ville de Charleroi (wijziging mandaat).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 28 juli 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LAJČÁK


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).


AANBEVELINGEN

2.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 208/46


AANBEVELING (EU) 2016/1318 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2016

betreffende richtsnoeren voor de bevordering van bijna-energieneutrale gebouwen en beste praktijken om te waarborgen dat in 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen zijn

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Gebouwen spelen een centrale rol in het EU-beleid inzake energie-efficiëntie, aangezien zij voor bijna 40 % (1) van het eindenergieverbruik verantwoordelijk zijn.

(2)

Op het belang van de bouwsector met het oog op verbeteringen betreffende de energie-efficiëntie is gewezen in de mededeling van de Commissie inzake energie-efficiëntie en de bijdrage daarvan aan de energiezekerheid en het kader voor het klimaat- en energiebeleid voor de periode tot 2030 (2) en in de mededeling van de Commissie inzake een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering (3).

(3)

Volledige tenuitvoerlegging en strikte handhaving van de bestaande energiewetgeving wordt gezien als eerste prioriteit om de energie-unie tot stand te brengen.

(4)

De richtlijn inzake de energieprestatie van gebouwen is het voornaamste rechtsinstrument waarmee de energie-efficiëntie in gebouwen wordt aangepakt met het oog op het bereiken van de doelstellingen voor 2020 betreffende energie-efficiëntie.

(5)

In artikel 9 van die richtlijn is als specifieke doelstelling vastgesteld dat alle nieuwe gebouwen uiterlijk eind 2020 dicht bij nul liggende of zeer lage energiebehoeften moeten hebben. De dicht bij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die is vereist, dient in zeer aanzienlijke mate te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen.

(6)

Met de nationale wetgeving ter omzetting van de eisen van artikel 9, lid 1, moet worden gewaarborgd dat uiterlijk op 31 december 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutraal zijn. Dezelfde doelstelling betreffende bijna-energieneutrale gebouwen is van toepassing op nieuwe gebouwen waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest die eigenaar zijn van deze gebouwen, maar de uiterste termijn is in dat geval 31 december 2018. Hiermee zou voor economische actoren een nationaal juridisch kader moeten ontstaan dat transparant is wat betreft de eisen inzake de energieprestatie van nieuwe gebouwen vanaf eind 2020.

(7)

Naast eisen voor nieuwe gebouwen stipuleert de richtlijn dat de lidstaten ondersteunende beleidsmaatregelen moeten vaststellen om de renovatie van de bestaande gebouwenvoorraad tot bijna-energieneutrale niveaus te stimuleren.

(8)

De Commissie heeft een verslag aan het Europees Parlement en de Raad uitgebracht over de vooruitgang van de lidstaten op weg naar bijna-energieneutrale gebouwen (4). In het kader van de rapportageverplichtingen van de lidstaten hebben deze verdere informatie over dit onderwerp verstrekt.

(9)

De vooruitgang van de lidstaten is geleidelijk verbeterd, maar een versnelling is nodig. Hoewel op nationaal niveau meer maatregelen zijn genomen ter ondersteuning van de toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen, moeten de lidstaten meer inspanningen leveren om te waarborgen dat alle nieuwe gebouwen binnen de termijnen van de richtlijnen bijna-energieneutrale gebouwen zijn.

(10)

De richtlijn inzake de energieprestatie van gebouwen wordt momenteel herzien. Een van de pijlers van de huidige richtlijn wordt gevormd door beginselen betreffende bijna-energieneutrale gebouwen, die vanaf 2020 de norm voor nieuwe gebouwen zullen worden. Bij de herziening zal worden beoordeeld of met het oog op 2030 aanvullende maatregelen nodig zijn. Nieuw beleid en nieuwe benaderingen moeten op een stevig fundament worden ontwikkeld. Het is van cruciaal belang dat de eisen betreffende bijna-energieneutrale gebouwen voor 2020 volledig ten uitvoer worden gelegd.

(11)

Dit wordt tevens ondersteund door artikel 9, lid 4, van de richtlijn, waarin is bepaald dat de Commissie wat betreft bijna-energieneutrale gebouwen aanbevelingen aan de lidstaten kan doen.

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.

De lidstaten nemen de in de bijlage bij deze aanbeveling opgenomen richtsnoeren in acht. Inachtneming van deze richtsnoeren zal ertoe bijdragen dat uiterlijk op 31 december 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen zijn en zal de lidstaten helpen bij de ontwikkeling van nationale plannen om het aantal bijna-energieneutrale gebouwen te vermeerderen.

2.

De aanbeveling wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2016.

Voor de Commissie

Miguel ARIAS CAÑETE

Lid van de Commissie


(1)  Zie „Energy, transport and environment indicators, 2012 edition”, Europese Commissie. Ten behoeve van deze raming is het eindenergieverbruik van de huishoud- en de dienstensector gecombineerd. Dit omvat bijvoorbeeld het elektriciteitsverbruik van apparaten, maar niet het energieverbruik van industriële gebouwen.

(2)  SWD(2014) 255 final.

(3)  Pakket energie-unie, COM(2015) 80 final.

(4)  COM(2013) 483 final/2.


BIJLAGE

1.   INLEIDING

Doordat in de nationale bouwvoorschriften efficiëntie-eisen zijn opgenomen, gebruiken nieuwe gebouwen momenteel slechts de helft van de energie die typische gebouwen uit de jaren tachtig van de vorige eeuw gebruikten.

Op grond van de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen (hierna „REPG” of de „richtlijn” genoemd) moeten de lidstaten minimumeisen vaststellen voor de energieprestatie van nieuwbouw en van bestaande gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan. Behalve deze minimumeisen bevat de REPG een duidelijke eis op grond waarvan alle nieuwe gebouwen uiterlijk aan het einde van het decennium dicht bij nul liggende of zeer lage energiebehoeften moeten hebben en als bijna-energieneutrale gebouwen (hierna „BENG's” genoemd) kunnen worden gekwalificeerd. De bestaande gebouwenvoorraad is echter oud en inefficiënt, en het tempo van de renovatie ervan is laag. Overeenkomstig de REPG moet ervoor worden gezorgd dat de voorraad aan bestaande gebouwen geleidelijk aan vergelijkbare normen voldoet.

Volledige tenuitvoerlegging en strikte handhaving van de bestaande energiewetgeving wordt gezien als eerste prioriteit om de energie-unie tot stand te brengen (1). Waarborgen dat alle nieuwe gebouwen uiterlijk op 31 december 2020 bijna-energieneutrale gebouwen zijn (twee jaar eerder voor openbare gebouwen) en ondersteunen van de transformatie van bestaande gebouwenvoorraden in de richting van BENG-normen zijn in het huidige juridische kader twee cruciale eisen.

2.   ACHTERGROND: DE BEPALINGEN INZAKE BENG VAN DE REPG

2.1.   Het concept BENG

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de REPG is een BENG een „gebouw met een zeer hoge energieprestatie, zoals vastgesteld volgens bijlage I. De dicht bij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die is vereist, dient in zeer aanzienlijke mate te worden geleverd uit hernieuwbare bronnen, en dient energie die ter plaatse of dicht bij uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd te bevatten”.

In het eerste deel van de definitie wordt de energieprestatie aangemerkt als element dat bepaalt of een gebouw een „BENG” is. Deze energieprestatie moet overeenkomstig bijlage I van de REPG zeer hoog zijn. Het tweede deel van de definitie reikt richtsnoeren aan om deze zeer hoge prestatie tot stand te brengen door de vereiste lage hoeveelheid energie in zeer aanzienlijke mate uit hernieuwbare bronnen te halen.

In het concept BENG wordt rekening gehouden met het feit dat maatregelen betreffende hernieuwbare energie en efficiëntie met elkaar verbonden zijn. Wanneer hernieuwbare energie ter plaatse op gebouwen wordt geïnstalleerd, neemt de netto geleverde energie af. In veel gevallen zal ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energie niet volstaan om de energiebehoefte dicht bij nul te brengen indien er geen verdere maatregelen inzake energie-efficiëntie worden genomen of de primaire-energiefactoren voor hernieuwbare energiebronnen elders niet significant afnemen. Strengere en verdergaande eisen voor uiterst efficiënte BENG's zullen daarom ook leiden tot een toegenomen gebruik van ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen met aanpassing van primaire-energiefactoren voor energiedragers elders als gevolg, rekening houdend met het aandeel aan hernieuwbare energie ervan.

In de REPG is weliswaar de kaderdefinitie van BENG's vastgesteld, maar de gedetailleerde toepassing ervan in de praktijk (bijvoorbeeld wat een „zeer hoge energieprestatie” daadwerkelijk is en wat de aanbevolen aanzienlijke bijdrage van „energie uit hernieuwbare bronnen” zou zijn) is de verantwoordelijkheid van de lidstaten wanneer zij artikel 9 van de richtlijn in hun nationale rechtsstelsels omzetten.

2.1.1.   Wat is de energieprestatie van een „bijna-energieneutraal” gebouw?

De energieprestatie wordt gedefinieerd (2) als „de hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van het gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting”. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 van de Commissie (3) en de begeleidende richtsnoeren (4) zijn een nuttige leidraad voor de manier waarop de energieprestatie van een gebouw wordt berekend (5).

Overeenkomstig punt 3 van bijlage I bij de verordening begint de berekening van de energieprestatie met de berekening van de behoeften aan eindenergie (6) voor verwarming en koeling en eindigt deze met de berekening van de netto primaire energie. De „richting” van de berekening verloopt van de behoeften van het gebouw naar de bron (dat wil zeggen naar de primaire energie).

Volgens de REPG kunnen de lidstaten hun eigen nationale primaire-energiefactoren gebruiken om de geleverde eindenergie om te zetten in primaire energie en de energieprestatie van gebouwen te berekenen.

Bij de berekening van de primaire energie moeten voor elke energiedrager (bijvoorbeeld elektriciteit, stookolie, biomassa, stadsverwarming en -koeling) specifieke primaire-energiefactoren worden gebruikt. In de begeleidende richtsnoeren bij de gedelegeerde verordening wordt geadviseerd om dezelfde primaire-energiefactor van 2,5 te gebruiken voor geleverde en voor geëxporteerde elektriciteit.

Door ter plaatse geproduceerde energie (die ter plaatse wordt gebruikt of wordt geëxporteerd) nemen de primaire-energiebehoeften in verband met geleverde energie af.

De uiteindelijke doelstelling van de berekening van de energieprestatie is om het jaarlijkse totale energieverbruik, uitgedrukt in netto primaire energie, te bepalen, hetgeen overeenkomt met het energieverbruik voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting. Zodoende wordt jaarlijks de balans opgemaakt, hetgeen overeenstemt met het huidige REPG-kader. Uit studies blijkt echter dat kortere termijnen voor het berekenen van de energiebalansen voordelen kunnen opleveren (bijvoorbeeld met het oog op dagelijkse en seizoensgebonden effecten) (7).

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, moet in de minimumeisen rekening worden gehouden met de algemene gesteldheid van het binnenklimaat om eventuele negatieve effecten zoals onvoldoende ventilatie te voorkomen. Om verslechtering van de luchtkwaliteit binnenshuis, het comfort en de gezondheidssituatie in de Europese gebouwenvoorraad te voorkomen (8), moeten bij de stapsgewijze aanscherping van de minimumeisen inzake energieprestatie als gevolg van de implementatie van BENG's in heel Europa passende strategieën met betrekking tot het binnenklimaat worden toegepast.

Ook blijkt uit studies (9) dat nieuwe en gerenoveerde gebouwen de geplande energieprestatie vaak niet behalen. Er moeten mechanismen worden vastgesteld waarmee wordt gewaarborgd dat de berekening van de energieprestatie aansluit op het daadwerkelijke energieverbruik.

2.1.2.   Verband tussen kostenoptimale niveaus en BENG-niveaus

Bij de REPG is een benchmarkingsysteem (beginsel van „kostenoptimaliteit”) vastgesteld dat de lidstaten kunnen gebruiken als leidraad bij het vaststellen van eisen inzake energieprestatie in nationale of regionale bouwvoorschriften en bij de regelmatige beoordeling van die eisen. In de REPG is bepaald dat het minimale ambitieniveau voor de renovatie van gebouwen en voor nieuwe gebouwen wordt bepaald aan de hand van de kostenoptimaliteit (10).

Op grond van de eisen inzake kostenoptimale niveaus van artikel 5 van de richtlijn moeten de nationale minimumeisen inzake energieprestatie om de vijf jaar worden beoordeeld en moeten deze eisen worden aangescherpt indien deze beduidend minder ambitieus zijn dan de nationale kostenoptimale niveaus.

De methodologie betreffende kostenoptimale niveaus stelt de lidstaten in staat het bereik van de BENG-voorschriften voor 2020 te definiëren. Hiertoe moeten zij verschillende maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie zowel individueel als gecombineerd beoordelen en vergelijken als onderdeel van op referentiegebouwen toe te passen pakketten maatregelen.

Zodoende kunnen de lidstaten teneinde het BENG-niveau te definiëren en eraan te voldoen verschillende combinaties van maatregelen inzake isolatie of andere maatregelen inzake energie-efficiëntie toepassen dan wel gebruikmaken van uiterst efficiënte technische bouwsystemen en ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen (11). In het kader van de berekening van kostenoptimale niveaus moeten de lidstaten onderzoeken welke bijdrage elke van deze drie typen maatregelen levert.

De lidstaten moeten per energiedrager primaire-energiefactoren definiëren. Deze primaire-energiefactoren kunnen gebaseerd zijn op nationale of regionale gemiddelde waarden of op specifieke waarden. Bij deze factoren dient rekening te worden gehouden met het aandeel aan hernieuwbare energie van de aan het gebouw geleverde energie, met inbegrip van energie uit nabij gelegen bronnen, om ervoor te zorgen dat ter plaatse en elders geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen op voet van gelijkheid worden behandeld.

Er dient rekening mee te worden gehouden dat het concept van bijna-energieneutrale gebouwen voor het merendeel van de nieuwe gebouwen met ingang van januari 2021 (voor nieuwe openbare gebouwen met ingang van januari 2019) van toepassing is. Tegen die tijd zijn de kosten voor technologie waarschijnlijk lager, aangezien de markten dan rijper en de volumes groter zijn. De BENG-niveaus zullen daarom waarschijnlijk overeenkomen met de kostenoptimale niveaus voor 2020.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat een combinatie van de bestaande technologieën op het gebied van energiebesparing, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie kan volstaan om een passende doelstelling voor bijna-energieneutrale gebouwen te verwezenlijken (12). Er is op technologisch vlak geen kloof geconstateerd die tegen 2021 zou moeten worden gedicht. Uit een analyse van de op grond van artikel 5 van de REPG vereiste verslagen inzake kostenoptimale niveaus blijkt dat een soepele overgang tussen kostenoptimaliteit en BENG haalbaar is (13).

Elke cyclus van vijf jaar betreffende kostenoptimaliteit biedt de mogelijkheid om energie-efficiëntieverbeteringen in nationale bouwvoorschriften te verankeren naarmate nieuwe technologieën hun waarde bewijzen, en een kans om de voorschriften inzake de prestaties van gebouwen te wijzigen teneinde de kloof ten opzichte van kostenoptimale niveaus te overbruggen. Dankzij het beginsel van de kostenoptimaliteit kan het ambitieniveau van de BENG-voorschriften voor nieuwe gebouwen na 2020 voortdurend worden verhoogd in het kader van de regelmatige herziening van nationale bouwvoorschriften voor nieuwe en bestaande gebouwen.

2.1.3.   Welke bijdrage leveren hernieuwbare energiebronnen?

De integratie van hernieuwbare energiebronnen in de nationale BENG-implementatie is een bijzonder belangrijke doelstelling geweest. Op grond van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) (hierna de „richtlijn hernieuwbare energiebronnen” genoemd) zijn de lidstaten verplicht om in het kader van hun bouwvoorschriften en -regels passende maatregelen in te voeren om het aandeel van alle soorten energie uit hernieuwbare energiebronnen in de bouwsector te vergroten (15).

Dergelijke maatregelen en de BENG-voorschriften van de REPG vullen elkaar aan. Het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, met name van ter plaatse geïnstalleerde bronnen, wordt door de bepalingen van de REPG automatisch gestimuleerd, aangezien de ter plaatse geproduceerde energie ervoor zorgt dat het aandeel van primaire energie in de geleverde energie afneemt. Zodoende maken ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen altijd deel uit van de berekening van de energieprestatie van gebouwen.

In sommige lidstaten is een aandeel van hernieuwbare energie aan de gebruikte primaire energie of een minimumbijdrage van hernieuwbare energie in kWh/m2 per jaar verplicht; andere lidstaten maken gebruik van een indirecte verplichting, zoals een laag gebruik van niet-hernieuwbare primaire energie, waaraan alleen kan worden voldaan als hernieuwbare energie deel uitmaakt van het gebouwconcept (16). Door deze flexibiliteit is aanpassing aan nationale en lokale omstandigheden mogelijk (type gebouw, klimaat, kosten voor vergelijkbare technologieën op het gebied van hernieuwbare energie en toegankelijkheid, waarborgen van een optimale combinatie met maatregelen aan de vraagzijde, bebouwingsdichtheid enz.) De hernieuwbare-energiesystemen die het vaakst in BENG's worden toegepast, zijn ter plaatse geïnstalleerde zonnewarmte- en PV-systemen. Andere hernieuwbare energiebronnen die in deze gebouwen worden gebruikt, zijn geothermische energie (van warmtepompen die de bodem als warmtebron gebruiken) en biomassa.

Technologieën op het gebied van hernieuwbare energie zoals zonnewarmte- en PV-systemen zijn bijvoorbeeld kosteneffectiever in een mediterraan klimaat (dat wordt gekenmerkt door meer zonnestraling) dan in andere klimaten. Dergelijke technologieën kunnen daardoor een grotere relatieve bijdrage aan strengere eisen inzake energieprestatie leveren.

Wat betreft elders geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van nabij geïnstalleerde bronnen zoals stadsverwarming- en koeling (17), zal het aandeel van hernieuwbare energie in de energiedragermix (bijvoorbeeld in de elektriciteitsnetmix wanneer elektriciteit de energiedrager is) via primaire-energiefactoren van invloed zijn op de energieprestatie van gebouwen. De lidstaten maken gebruik van deze flexibiliteit, aangezien zich in het algemeen zeer verschillende primaire-energiefactoren voor verschillende energiedragers voordoen. Dit geldt in het bijzonder voor de meeste hernieuwbare energiebronnen en technologieën (18).

2.2.   Wat moet onder nationale toegepaste definities van BENG vallen?

De meerderheid van de lidstaten (19) gebruikt reeds een primaire-energieverbruiksindicator in kWh/m2 per jaar overeenkomstig bijlage I. Bovendien gebruiken de lidstaten vaak andere parameters, zoals de U-waarden van bouwschilelementen, netto- en eindenergie voor verwarming en koeling en CO2-emissies.

Ongeveer 60 % van de lidstaten heeft de gedetailleerde toepassing van de BENG-definitie vastgesteld in een juridisch document (bijvoorbeeld bouwvoorschriften en energiedecreten).

De gedetailleerde, door de lidstaten in de praktijk te hanteren definitie van bijna-energieneutrale gebouwen moet een numerieke indicator van het primaire energieverbruik omvatten, uitgedrukt in kWh/m2 per jaar (20). Deze gedetailleerde toepassing moet worden opgenomen in de nationale omzettingsmaatregelen of in het nationale plan ter verhoging van het aantal BENG's.

2.3.   Nieuwe gebouwen: tijdschema voor BENG-doelstellingen

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de REPG moeten de lidstaten:

„… erop toezien dat:

a)

uiterlijk op 31 december 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen zijn, en

b)

na 31 december 2018 nieuwe gebouwen waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest die eigenaar zijn van deze gebouwen, bijna-energieneutrale gebouwen zijn.”.

Nationale wetgeving ter omzetting van de eisen van artikel 9, lid 1, moet bepalingen, maatregelen of beleid omvatten waarmee wordt gewaarborgd dat uiterlijk 31 december 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen zijn. Voor nieuwe gebouwen waarin overheidsinstanties zijn gehuisvest die eigenaar zijn van deze gebouwen geldt hetzelfde, maar met 31 december 2018 als termijn.

Ter voorbereiding van de tenuitvoerlegging van artikel 9, lid 1, moesten de nationale plannen betreffende de verhoging van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen onder meer tussentijdse doelstellingen omvatten voor de verbetering van de energieprestatie van gebouwen tegen 2015. Deze doelstellingen konden betrekking hebben op het minimumpercentage van de nieuwe gebouwen die tegen die datum bijna-energieneutrale gebouwen waren.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat op 31 december 2020 is voldaan aan de bepalingen van artikel 9, lid 1, onder a), en op 31 december 2018 aan de bepalingen van artikel 9, lid 1, onder b). Hoewel deze data in de toekomst liggen, was de termijn voor de omzetting van artikel 9 vastgesteld op 9 januari 2013 (21). Uiterlijk op die datum moesten alle BENG-bepalingen van artikel 9 in nationale omzettingsmaatregelen in aanmerking zijn genomen. Een dergelijke langdurige aanloop is noodzakelijk, aangezien de planning, het verkrijgen van een vergunning en het bouwen van een gebouw veel tijd in beslag nemen.

Dat deze doelstellingen in nationale wetgeving zijn opgenomen, zorgt voor transparantie wat betreft de politieke doelstellingen en verschaft de economische actoren en andere belanghebbenden duidelijkheid over de toekomstige eisen inzake de energieprestatie van nieuwe gebouwen.

Daarnaast moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 9, lid 1, op toezien dat uiterlijk op de desbetreffende data „alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen” zijn. Burgers die in 2021 nieuwe gebouwen of appartementen kopen, kunnen derhalve verwachten dat de markt zich overeenkomstig deze doelstellingen heeft ontwikkeld en dat de desbetreffende gebouwen BENG's zijn.

Uit ervaring die in de bouwsector is opgedaan, blijkt dat er onzekerheid kan bestaan wat betreft de einddatum van de bouw of voltooiing van een gebouw en dat zich vertraging kan voordoen. De lidstaten dienen rekening te houden met de geldigheidsduur van bouwvergunningen, de duur van de bouw en de voltooiing van bouwwerkzaamheden alsmede de doelstellingen van artikel 9, lid 1, van de REPG, om te voorkomen dat de verplichting om ervoor te zorgen dat in januari 2021 „alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen zijn” niet wordt gehaald.

2.4.   Beleid en maatregelen voor de bevordering van BENG's

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, moeten de lidstaten nationale plannen opstellen om te zorgen voor een toename van het aantal BENG's. In artikel 9, lid 3, is bepaald welke elementen de nationale plannen minimaal moeten omvatten:

„De nationale plannen omvatten onder meer de volgende elementen:

a)

de gedetailleerde door de lidstaten in de praktijk te hanteren definitie van bijna-energieneutrale gebouwen, waarin hun nationale, regionale of lokale omstandigheden in aanmerking worden genomen, en met inbegrip van een numerieke indicator van het primaire energieverbruik, uitgedrukt in kWh/m2 per jaar…;

b)

tussentijdse streefcijfers voor het verbeteren van de energieprestatie van nieuwe gebouwen tegen 2015…;

c)

informatie over het beleid en de financiële of andere maatregelen […], met inbegrip van nadere gegevens over […] energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, in het kader van artikel 13, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG en de artikelen 6 en 7 van de onderhavige richtlijn.”.

2.5.   Ondersteuning van de transformatie van bestaande gebouwen op weg naar BENG's

De REPG omvat ook BENG-verplichtingen met betrekking tot bestaande gebouwen zonder streefdata of verplichting om minimumeisen inzake energieprestatie vast te stellen. Op grond van artikel 9, lid 2, van de REPG moeten de lidstaten „in het verlengde van de door de publieke sector vervulde voortrekkersrol … beleid ontwikkelen en … maatregelen vaststellen, zoals het bepalen van streefcijfers, om de transformatie van gebouwen die worden gerenoveerd tot bijna-energieneutrale gebouwen te stimuleren en … de Commissie daarvan in kennis stellen in hun … nationale plannen”.

Een van de elementen van de ondersteuning van de transformatie van bestaande gebouwenvoorraden op weg naar BENG's overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de REPG dient te worden gevormd door de verhoging van het aandeel van gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (zie artikel 9, lid 3, onder c)). Op grond van artikel 13, lid 6, van de richtlijn hernieuwbare energie moeten de lidstaten het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen voor verwarmings- en koelingssystemen in hun bouwvoorschriften en -regels bevorderen.

Het doel van artikel 9, lid 2, is derhalve de mate van renovatie te verhogen door nationaal ondersteunende beleidsmaatregelen vast te stellen, zodat bestaande gebouwen tot een hoger, BENG-compatibel niveau worden gerenoveerd. De verplichting van artikel 9, lid 2, van de REPG wordt aangevuld door nationale langetermijnstrategieën inzake gebouwen overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (22) (EED), hetgeen moet leiden tot hogere renovatiepercentages doordat financiering wordt vrijgemaakt en de renovatie van gebouwen wordt gestimuleerd. In deze langetermijnstrategieën inzake renovatie worden de bovengenoemde elementen van de richtlijn energie-efficiëntie (het renovatiepercentage) en van de REPG (mate van renovatie) verenigd.

In de kaderdefinitie van BENG's in de REPG wordt geen onderscheid gemaakt tussen nieuwe en bestaande gebouwen. Een dergelijk onderscheid zou consumenten immers kunnen misleiden, hetgeen ook het geval zou zijn bij afzonderlijke rangindelingen betreffende de energieprestatiecertificering voor nieuwe en bestaande gebouwen.

„Renovatie die tot een BENG leidt” betekent derhalve een zodanige renovatie dat aan de eisen inzake de energieprestatie op BENG-niveau wordt voldaan. Verschillende tijdschema's en regelingen inzake financiële ondersteuning voor bestaande gebouwen behoren tot de mogelijkheden, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de langere periode die noodzakelijk is om te bereiken dat BENG-niveaus in het geval van bestaande gebouwen kostenoptimaal zijn.

3.   VOORUITGANG VAN DE LIDSTATEN OP WEG NAAR BENG'S

3.1.   Toegepaste nationale definities van BENG's

De numerieke indicatoren van de verschillende lidstaten kunnen niet met elkaar worden vergeleken, omdat er verschillende berekeningsmethoden voor de energieprestatie zijn gebruikt (23). Sommige lidstaten hebben het bereik van de numerieke indicator uitgebreid, doordat zij er niet-verplichte soorten energiegebruik aan hebben toegevoegd, bijvoorbeeld het energiegebruik van toestellen. Er is geconstateerd dat de toevoeging van verlichting en toestellen tot betere oplossingen kan leiden, met name wat betreft het elektriciteitsgebruik (24).

Rekening houdend met bovenstaand voorbehoud, blijkt uit de beschikbare gegevens (25) dat bij de vaststelling van een numerieke indicator de eisen sterk uiteenlopen, van 0 kWh/m2 per jaar tot 270 kWh/m2 per jaar) (met inbegrip van energiegebruik van toestellen), en dat deze voornamelijk worden gegeven als primair energieverbruik in kWh/m2 per jaar. De hogere waarden hebben hoofdzakelijk betrekking op ziekenhuizen of andere gespecialiseerde niet-residentiële gebouwen.

Voor woongebouwen streven de meeste lidstaten naar een primair energieverbruik van ten hoogste 50 kWh/m2 per jaar. Het maximale primaire energieverbruik varieert van 20 kWh/m2 per jaar in Denemarken tot 33 kWh/m2 per jaar in Kroatië (kustgebied) en 95 kWh/m2 per jaar in Letland. Verschillende landen (België (Brussels gewest), Estland, Frankrijk, Ierland, Slowakije, het Verenigd Koninkrijk, Bulgarije, Denemarken, Kroatië (continentaal gebied), Malta en Slovenië) streven naar 45 of 50 kWh/m2 per jaar (26).

Wat het aandeel hernieuwbare energie betreft, is de rapportage eveneens divers: slechts enkele landen stellen een specifiek minimumpercentage vast en de meerderheid doet kwalitatieve uitspraken.

Geen enkele lidstaat heeft een wettelijke regeling gemeld voor het niet toepassen van de BENG-voorschriften voor specifieke en gerechtvaardigde gevallen waar de kosten-batenanalyse over de economische levensduur van het betrokken gebouw negatief is, zoals is toegestaan krachtens artikel 9, lid 6, van de REPG.

3.2.   Beleid en maatregelen voor de bevordering van BENG's

Uit een beoordeling van de stand van zaken in oktober 2014 (27) blijkt dat de lidstaten melding hebben gemaakt van een groot aantal beleidsinitiatieven en maatregelen ter ondersteuning van de BENG-doelstellingen in hun nationale plannen en nationale actieplan voor energie-efficiëntie, hoewel het vaak niet duidelijk is in welke mate deze maatregelen specifiek op BENG's zijn gericht. Vergeleken met de in het verslag over de vooruitgang van de Commissie van 2013 (28) beschreven situatie, is het aantal door de lidstaten ter kennis gegeven beleidsinitiatieven en maatregelen toegenomen.

In meer dan twee derde van de lidstaten worden beleidsinitiatieven en maatregelen op het gebied van voorlichting en educatie alsmede de versterking van bouwvoorschriften en energieprestatiecertificaten toegepast. Verder worden BENG's bevorderd door middel van financieringsinstrumenten en ondersteunende maatregelen, waaronder stimuleringsbeleid, leningen met verlaagde rentetarieven, belastingvrijstellingen, energiebonussen voor particulieren, subsidieregelingen voor de installatie van hernieuwbare energie, richtsnoeren en financiering voor kwetsbare bevolkingsgroepen en gesubsidieerde hypotheekrentetarieven voor energie-efficiënte woningen.

De meeste beleidsinitiatieven en maatregelen waarvan de lidstaten melding hebben gemaakt, zijn ook van toepassing op openbare gebouwen. Het toepassingsgebied van de maatregelen voor openbare gebouwen verschilt aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat, variërend van alleen de gebouwen van de centrale overheid tot alle openbare gebouwen of alle voor publieke doeleinden gebruikte gebouwen. In sommige lidstaten gelden tevens specifieke maatregelen voor openbare gebouwen. Dit zijn voornamelijk monitoringcampagnes („NRClick” is bijvoorbeeld een systeem voor de energieboekhouding waarmee de verschillende gemeenten in België kunnen worden vergeleken) en demonstratieprojecten (in Duitsland bijvoorbeeld het energieneutrale gebouw van het Federale Milieu-agentschap (Umweltbundesamt)).

In 2015 is een EU-breed overzicht van de status van de nationale plannen voor BENG uitgebracht (29). In deze recente analyse wordt bevestigd dat aanhoudend vooruitgang wordt geboekt, zowel wat betreft de kwantiteit als de kwaliteit van de nationale maatregelen ter bevordering van BENG's, met inbegrip van de gedetailleerde toepassing van de definitie, de tussentijdse doelstellingen voor 2015 en de beleidsinitiatieven op financieel en ander gebied. In het verslag wordt gewezen op verschillende voorbeeldige of toonaangevende beleidskaders.

Sommige lidstaten hebben de voordelen van de implementatie van BENG's geraamd. Er zullen nieuwe voltijdsbanen worden gecreëerd: 649 tot 1 180 in Bulgarije, 4 100 tot 6 200 in Polen en 1 390 tot 2 203 in Roemenië. Bulgarije verwacht aanvullende investeringen voor een bedrag van 38 tot 69 miljoen EUR, Polen verwacht 240 tot 365 miljoen EUR en Roemenië 82 tot 130 miljoen EUR. De voorziene minimumeisen inzake primaire energie liggen bij 70 kWh/m2 per jaar (Bulgarije en Polen) en 100 kWh/m2 per jaar (Roemenië) in 2015, maar zullen worden teruggebracht tot respectievelijk 30 kWh/m2 per jaar en 50 kWh/m2 per jaar in 2020. Het percentage hernieuwbare energie zal toenemen van 20 % in 2015 tot 40 % in 2020. De CO2-emissies zullen worden teruggebracht van 8-10 kg CO2/m2 per jaar naar 3-7 kg CO2/m2 per jaar in 2020.

Uit recente studies is gebleken dat energiereducties van ten minste 80 % in nieuwe BENG-constructies in Europa economisch haalbaar zijn, hoewel de mix van de daartoe vereiste maatregelen in hoge mate van het klimaat afhankelijk is. Uit de resultaten blijkt dat een brede aanpak ten aanzien van efficiëntie in combinatie met maatregelen op het gebied van hernieuwbare energie in de hele EU haalbaar is en dat de desbetreffende kosten uiteenlopen (30).

4.   AANBEVELINGEN

4.1.   Toepassing van de definitie van BENG's in de praktijk: wanneer is de ambitie om een BENG-niveau voor de energieprestatie te bereiken te beperkt?

In dit deel worden aanbevelingen gedaan betreffende de algemene beginselen en factoren waarmee de lidstaten rekening moeten houden bij de ontwikkeling van de op nationaal niveau toe te passen BENG-definitie die in overeenstemming is met de REPG.

Er kan geen ambitieniveau betreffende BENG's voor de hele EU worden vastgesteld. Er is flexibiliteit nodig, zodat rekening kan worden gehouden met de impact van klimaatomstandigheden op verwarmings- en koelingsbehoeften en op de kosteneffectiviteit van pakketten maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen.

De begrippen „bijna energieneutraal” en „zeer lage hoeveelheid energie” die in de REPG zijn vastgesteld, geven evenwel een indicatie wat betreft de mate waarin de lidstaten over speelruimte beschikken en de grenzen daarvan. In BENG-definities dient te worden gestreefd naar een nagenoeg evenwichtige energiebalans.

Het BENG-niveau voor nieuwe gebouwen mag niet lager liggen (minder streng zijn) dan het kostenoptimale niveau voor 2021 dat overeenkomstig artikel 5 van de richtlijn wordt berekend. Het kostenoptimale niveau is het minimale ambitieniveau voor de BENG-prestatie. Het BENG-niveau betreffende de energieprestaties van nieuwe gebouwen wordt bepaald aan de hand van de beste technologie die op dat moment beschikbaar en op de markt gangbaar is, van financiële aspecten en van juridische en politieke overwegingen op nationaal niveau.

De vaststelling van numerieke benchmarks voor BENG-indicatoren betreffende primair-energieverbruik op EU-niveau is het nuttigst wanneer de met deze benchmarks te vergelijken waarden zijn bepaald door middel van transparante berekeningsmethoden. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan normen (31) waarmee een transparante vergelijking van nationale en regionale berekeningsmethoden mogelijk wordt.

Rekening houdende met de bovengenoemde overwegingen, hebben de benchmarks die worden verstrekt gewoonlijk betrekking op energiebehoeften. Een van de redenen daarvoor is het feit dat energiebehoeften het uitgangspunt zijn voor de berekening van primaire energie en een zeer lage energiebehoefte voor verwarming en koeling zodoende van essentieel belang is voor bijna-primaire-energieneutrale gebouwen. Zeer lage energiebehoeften zijn tevens een eerste vereiste om een aanzienlijk aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen te bereiken en een bijna-primaire-energieneutrale situatie tot stand te brengen.

Uitgaande van projecties voor 2020 inzake prijzen en technologieën liggen de benchmarks voor de energieprestatie van BENG's in de volgende bereiken voor de verschillende klimaatzones van de EU (32):

 

Middellandse Zeegebied;

kantoren: 20-30 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 80-90 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 60 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen;

nieuw eengezinshuis: 0-15 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 50-65 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 50 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen;

 

Oceanisch gebied:

kantoren: 40-55 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 85-100 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 45 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen;

nieuw eengezinshuis: 15-30 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 50-65 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 35 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen; en

 

Continentaal gebied:

kantoren: 40-55 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 85-100 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 45 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen;

nieuw eengezinshuis: 20-40 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 50-70 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 30 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen;

 

Noord-Europa:

kantoren: 55-70 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 85-100 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 30 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen;

nieuw eengezinshuis: 40-65 kWh/m2 per jaar netto primaire energie met gewoonlijk 65-90 kWh/m2 per jaar primair-energiegebruik, waarvan 25 kWh/m2 per jaar aan ter plaatse geïnstalleerde hernieuwbare energiebronnen.

De lidstaten wordt aangeraden in het kader van een geïntegreerd ontwerpconcept gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen om tegemoet te komen aan de eisen die wat betreft lage hoeveelheden energie aan gebouwen worden gesteld (33).

Sommige lidstaten hebben besloten om het BENG-niveau te koppelen aan een van de hoogste energieprestatieklassen (bijvoorbeeld klasse A++) zoals gespecificeerd in het energieprestatiecertificaat. Wanneer hierbij ook gebruik wordt gemaakt van een duidelijke energieprestatie-indicator, wordt deze aanpak aanbevolen om investeerders van duidelijke informatie te voorzien en een marktverschuiving naar BENG's teweeg te brengen.

4.2.   Voldoen aan de verplichting om ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen uiterlijk eind 2020 BENG's zijn

Om nieuwe gebouwen zodanig voor te bereiden dat aan de BENG-doelstellingen wordt voldaan, moeten bestaande praktijken wellicht worden aangepast. De minimumeisen inzake energieprestatie en de eisen inzake bijna-energieneutraliteit zouden met het oog op de termijnen van artikel 9, lid 1, moeten worden beoordeeld.

Bovendien moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij over adequate sanctiemechanismen beschikken die worden toegepast indien nieuwe constructies niet aan de energieprestatie-eisen voldoen. Hiertoe kunnen gedifferentieerde sancties behoren die gelden voor nieuwe gebouwen nadat de BENG-termijnen zijn verstreken.

De lidstaten wordt aangeraden deze elementen zo spoedig mogelijk te beoordelen teneinde te waarborgen dat de BENG-doelstellingen worden bereikt. Bovendien wordt aanbevolen dat de lidstaten vaststellen welk mechanisme wordt gebruikt om te controleren of aan de BENG-doelstellingen wordt voldaan. Met behulp van dit mechanisme dient tevens te worden gecontroleerd of de tussentijdse doelstellingen voor 2015 in overeenstemming met artikel 9, lid 1, zijn behaald en of eventuele aanvullende mijlpalen op nationaal niveau tot 2020 worden behaald. Hierdoor worden de huidige BENG-routekaarten versterkt en wordt de komende jaren bijgedragen tot de controlemechanismen.

4.3.   Beleid en maatregelen voor de bevordering van BENG's

De meeste lidstaten hebben uiteenlopende beleidsmaatregelen genomen om het aantal BENG's te verhogen (Oostenrijk, België, Bulgarije, Kroatië, Cyprus, Tsjechië, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Portugal, Zweden, Slovenië en het Verenigd Koninkrijk hebben bijvoorbeeld gekozen voor voorlichting en verstrekking van informatie, onderwijs en opleiding alsmede versterking van bouwvoorschriften en energieprestatiecertificaten). De beleidsmaatregelen lijken soms echter eerder algemeen en niet gericht op „alle gebouwen”. Op welke manier de maatregelen BENG's ondersteunen en in de praktijk bijdragen tot het bereiken van de BENG-doelstelling in een land is niet altijd duidelijk. Het wordt daarom aanbevolen het verband tussen het beleid, maatregelen en BENG's te versterken.

Om de verstrekking van deze informatie te vergemakkelijken, heeft de Commissie een model aan de lidstaten ter beschikking gesteld. Het gebruik ervan is niet verplicht, maar het wordt wel aanbevolen om ervoor te zorgen dat de BENG-plannen gemakkelijker kunnen worden vergeleken en geanalyseerd (34).

4.4.   Ondersteuning van de transformatie van bestaande gebouwen op weg naar BENG's

De beste praktijken betreffende de transformatie van de bestaande gebouwenvoorraad zijn zeer uiteenlopend: voorlichting op het vlak van technologie (35), stimuleringsregelingen, financieringsinstrumenten, belastingregelingen, economische instrumenten zoals regelingen voor verplichte energiebesparing, marktinstrumenten zoals publiek-private partnerschappen ter stimulering van de renovatie van gebouwen en centrale oplossingsloketten die advies over energie-efficiënte renovatie geven (36).

In sommige lidstaten wordt financiële ondersteuning voor de renovatie van gebouwen gekoppeld aan het bereiken van hoge, met het BENG-niveau gelijkwaardige energieklassen. Deze aanpak verdient aanbeveling met het oog op het stimuleren van de transformatie van nationale gebouwenvoorraden op weg naar BENG-niveaus.

De afgelopen tien jaar hebben de meeste lidstaten op de bestaande gebouwenvoorraad gerichte maatregelen genomen. Daarnaast zijn onlangs nieuwe toekomstgerichte perspectieven verankerd in de nationale renovatiestrategieën die overeenkomstig artikel 4 van de richtlijn energie-efficiëntie zijn ontwikkeld. De lidstaten dienen een consistente mix van beleidsinstrumenten (beleidspakketten) te ontwikkelen die slechts ten dele afhankelijk is van overheidsgeld.

Met name voor de renovatie van de gebouwenvoorraad zijn betrouwbare gegevens nodig om de effecten van het beleid te controleren, met inbegrip van de daadwerkelijke energieprestatie en het binnenklimaat. In sommige landen met beperkte mogelijkheden op het gebied van hernieuwbare energie wat betreft zonne-energie (bijvoorbeeld in Noord-Europa) is beleid nodig waarmee alternatieve maatregelen worden ondersteund (bijvoorbeeld op het vlak van biomassa). Ook de vaststelling van routekaarten en indicatoren is een nuttig instrument om aan specifieke behoeften tegemoet te komen en de uitvoering te controleren. De lidstaten wordt aanbevolen de vastgestelde maatregelen verder te versterken en deze te evalueren teneinde kosteneffectieve vergaande en op BENG gerichte renovaties te stimuleren.

5.   SAMENVATTING VAN DE AANBEVELINGEN

1.

Een van de pijlers van de huidige richtlijn wordt gevormd door beginselen betreffende BENG's, die vanaf 2020 de norm voor nieuwe gebouwen zullen worden. De lidstaten wordt aanbevolen grotere inspanningen te doen teneinde de bepalingen van de REPG volledig ten uitvoer te leggen en te handhaven en te waarborgen dat alle nieuwe gebouwen binnen de in de richtlijn vastgestelde termijnen BENG's zijn.

2.

De lidstaten wordt aanbevolen bij de nationale definities van BENG's uit te gaan van een hoog genoeg ambitieniveau — dat niet lager dan het geraamde kostenoptimale niveau van minimumeisen ligt — en hernieuwbare energiebronnen op te nemen in een geïntegreerd ontwerpconcept teneinde te voldoen aan de eisen die wat betreft lage hoeveelheden energie aan bijna-energieneutrale gebouwen worden gesteld. De aanbevolen benchmarks zijn opgenomen in deel 4.1. Er dient voor een passend binnenklimaat te worden gezorgd om verslechtering van de binnenluchtkwaliteit, het comfort en de gezondheidssituatie in de Europese gebouwenvoorraad te voorkomen.

3.

De lidstaten dienen zo spoedig mogelijk na te gaan of zij bestaande praktijken moeten aanpassen om ervoor te zorgen dat nieuwe gebouwen vanaf eind 2020 BENG's zijn. Tevens wordt aanbevolen dat de lidstaten vaststellen welk mechanisme zal worden gebruikt om de naleving van de BENG-doelstellingen te controleren en dat zij de mogelijkheid overwegen gedifferentieerde sancties vast te stellen die gelden voor nieuwe gebouwen nadat de BENG-termijnen zijn verstreken.

4.

Wat betreft het beleid en de maatregelen betreffende de stimulering van BENG's dient duidelijker te worden aangegeven in hoeverre deze bijdragen tot het bereiken van de BENG-doelstellingen. Het wordt aanbevolen het verband tussen het beleid, maatregelen en BENG's te versterken. Om de verstrekking van deze informatie te vergemakkelijken, heeft de Commissie een model aan de lidstaten ter beschikking gesteld. Het gebruik ervan is niet verplicht, maar het wordt wel aanbevolen om ervoor te zorgen dat de plannen gemakkelijker kunnen worden vergeleken en geanalyseerd.

5.

De Commissie beveelt aan dat de lidstaten de ontwikkeling van ondersteunende, specifiek op de renovatie van bestaande gebouwenvoorraden op weg naar BENG-niveaus gerichte beleidsmaatregelen bespoedigen. De lidstaten dienen een consistente mix van beleidsinstrumenten (beleidspakketten) te ontwikkelen om de investeerders in efficiënte gebouwen, met inbegrip van vergaande en op BENG gerichte renovaties, te voorzien van de vereiste stabiliteit op de lange termijn. Verzameling van betrouwbare gegevens wordt aanbevolen om de effecten van het beleid te controleren teneinde aan specifieke behoeften tegemoet te komen en de uitvoering van de renovatie van de gebouwenvoorraad te controleren.


(1)  COM(2015) 80 final.

(2)  Artikel 2, lid 4.

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 van de Commissie van 16 januari 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen (PB L 81 van 21.3.2012, blz. 18).

(4)  Richtsnoeren betreffende het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie (PB C 115 van 19.4.2012, blz. 1).

(5)  Zie de tabel op bladzijde 10 van de richtsnoeren.

(6)  „Energiebehoefte”, „geleverde energie” en „netto primaire energie” dienen te worden begrepen in de zin van de definities van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 en de begeleidende richtsnoeren.

(7)  Zie bijvoorbeeld „Analysis of load match and grid interaction indicators in net zero energy buildings with simulated and monitored data”, Applied Energy, 31 december 2014, blz. 119-131.

(8)  Verslag van het JRC: „Promoting healthy and energy efficient buildings in the European Union”, 2016.

(9)  Zie bijvoorbeeld „Predicted vs. actual energy performance of non-domestic buildings: Using post-occupancy evaluation data to reduce the performance gap”, Anna Carolina Menezes, Andrew Cripps, Dino Bouchlaghem en Richard Buswell (2012), Applied Energy, deel 97, blz. 355-364, http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0306261911007811

(10)  Dat wil zeggen: het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde levensduur van het gebouw de laagste kosten meebrengt.

(11)  Onder „energie uit hernieuwbare bronnen” valt energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas.

(12)  „Towards nearly zero-energy buildings — Definition on common principles under the EPBD” (http://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/nzeb_full_report.pdf), uitgevoerd door Ecofys in opdracht van de Europese Commissie, DG Energie.

(13)  Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de vooruitgang van de lidstaten bij het bereiken van kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie

(14)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(15)  Zie artikel 13, lid 4, van de richtlijn hernieuwbare energiebronnen.

(16)  Boek EPBD Concerted Action III, 2016.

(17)  Stadsverwarmings- en koelingssystemen in de EU hebben een markttoepassingsniveau van ongeveer 10-13 % van de verwarmings-/koelingsvoorziening.

(18)  Zie voetnoot 12.

(19)  23 lidstaten en een van de Belgische gewesten.

(20)  Overeenkomstig artikel 9, lid 3, onder a).

(21)  Artikel 28, lid 1, tweede alinea.

(22)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(23)  De normalisatiewerkzaamheden en projecten zoals het GE2O-project (http://www.geoclusters.eu/) die momenteel worden uitgevoerd, hebben tot doel deze beperking weg te werken, waarbij rekening wordt gehouden met natuurlijke verschillen, bijvoorbeeld door het klimaat.

(24)  „Modelling of optimal paths to reach NZEB for new constructions in Europe”, presentatie van Delia D'Agostino op de WSED-conferentie in februari 2016 (http://www.wsed.at/en/programme/young-researchers-conference-energy-efficiency-biomass/).

(25)  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52013DC0483R(01)&from=NL. Dit verslag bevat informatie uit alle lidstaten, met uitzondering van Griekenland en Spanje, die op 18 september 2014 nog geen nationaal plan of geconsolideerd model hadden verstrekt. Een recentere overzichtstabel van de nationale definities van BENG is hier beschikbaar: http://ec.europa.eu/energy/en/topics/energy-efficiency/buildings/nearly-zero-energy-buildings

(26)  Zie informatie in het samenvattende verslag van het GCO betreffende nationale plannen voor BENG's, 2016, het informatieblad van BPIE van januari 2015 (http://bpie.eu/uploads/lib/document/attachment/128/BPIE_factsheet_nZEB_definitions_across_Europe.pdf) en bijgewerkte informatie die de Commissie in oktober 2014 heeft gepubliceerd (https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/Updated%20progress%20report%20NZEB.pdf).

(27)  https://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/Updated%20progress%20report%20NZEB.pdf

(28)  http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52013DC0483R(01)&from=NL

(29)  Samenvattend verslag van het JRC betreffende nationale plannen voor BENG's van 2016, beschikbaar op: http://iet.jrc.ec.europa.eu/energyefficiency/publications/all

(30)  Zie voetnoot 24.

(31)  Door de Commissie aan CEN verstrekt mandaat M/480 betreffende de uitwerking van REPG-normen.

(32)  In de studie „Towards nearly zero-energy buildings — Definition on common principles under the EPBD” (http://ec.europa.eu/energy/sites/ener/files/documents/nzeb_full_report.pdf), uitgevoerd door Ecofys in opdracht van de Europese Commissie, DG Energie, zijn de zones als volgt ingedeeld: het Middellandse Zeegebied is zone 1:

Catania (verder: Athene, Larnaca, Luga, Sevilla, Palermo);

het oceanische gebied is zone 4: Parijs (verder: Amsterdam, Berlijn, Brussel, Kopenhagen, Dublin, Londen, Macon, Nancy, Praag, Warschau);

het continentale gebied is zone 3: Boedapest (verder: Bratislava, Ljubjana, Milaan, Wenen);

het Noord-Europese gebied is zone 5: Stockholm (Helsinki, Riga, Stockholm, Gdansk, Tovarene).

(33)  De geïntegreerde energieprestatie van een gebouw komt overeen met de hoeveelheid netto primaire energie die nodig is om te voldoen aan de verschillende behoeften waarmee het normale gebruik gepaard gaat en moet de verwarmingsenergiebehoefte, de koelingsenergiebehoefte, de huishoudelijke warmwaterbehoefte en de ingebouwde verlichting omvatten. Als gevolg daarvan wordt bij de geïntegreerde prestatie niet alleen rekening gehouden met de kwaliteit van de isolatie van het gebouw, maar ook met verwarmings- en koelingsinstallaties, energie voor ventilatie, verlichtingsinstallaties, positie en oriëntatie van het gebouw, warmteterugwinning, actieve zonnetoetreding en andere hernieuwbare energiebronnen.

(34)  De door de lidstaten ingevulde modellen zijn beschikbaar op http://ec.europa.eu/energy/en/topics/energy-efficiency/buildings/nearly-zero-energy-buildings

(35)  In het kader van het Horizon 2020-programma ondersteunt de EU de ontwikkeling van technologie, met name door middel van het publiek-private partnerschap betreffende energie-efficiënte gebouwen: https://ec.europa.eu/research/industrial_technologies/energy-efficient-buildings_en.html

(36)  Zie voetnoot 22.


2.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 208/58


AANBEVELING (EU) 2016/1319 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2016

tot wijziging van Aanbeveling 2006/576/EG wat betreft deoxynivalenol, zearalenon en ochratoxine A in voeder voor gezelschapsdieren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aanbeveling 2006/576/EG van de Commissie (1) bevat richtwaarden voor deoxynivalenol, zearalenon, ochratoxine A, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine in voedermiddelen en mengvoeders.

(2)

Het huidige richtsnoergehalte voor deoxynivalenol in voeder voor honden is 5 mg/kg. Rekening houdend met de onlangs ontvangen informatie over de toxiciteit van deoxynivalenol in voeder voor honden en het advies van de EFSA over deoxynivalenol in diervoeders (2), blijkt dat het huidige richtsnoergehalte de gezondheid van honden niet in voldoende mate waarborgt en het derhalve passend is het richtsnoergehalte van deoxynivalenol in voeder voor honden te verlagen.

(3)

Rekening houdend met de onlangs ontvangen informatie over de toxiciteit van zearalenon in voer voor katten en honden, is het passend om, in afwachting van een geactualiseerde risicobeoordeling door de EFSA over de mogelijke risico's voor de diergezondheid als gevolg van de aanwezigheid van zearalenon in diervoeders, een richtsnoergehalte voor zearalenon in voeder voor katten en honden vast te stellen om zo de gezondheid van katten en honden te waarborgen.

(4)

Rekening houdend met de onlangs ontvangen informatie over de toxiciteit van ochratoxine A in voer voor katten en honden en het advies van de EFSA over ochratoxine A in diervoeders (3), is het passend een richtsnoergehalte voor ochratoxine A in voer voor katten en honden vast te stellen om zo de gezondheid van katten en honden te waarborgen.

(5)

Om de leesbaarheid van de bepalingen in de aanbeveling te bewaren, is het passend de bijlage bij de aanbeveling te vervangen door een nieuwe bijlage.

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

De bijlage bij Aanbeveling 2006/576/EG wordt vervangen door de bijlage bij deze aanbeveling.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2016.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  Aanbeveling 2006/576/EG van de Commissie van 17 augustus 2006 betreffende de aanwezigheid van deoxynivalenol, zearalenon, ochratoxine A, T-2- en HT-2-toxine en fumonisinen in producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren (PB L 229 van 23.8.2006, blz. 7).

(2)  Opinion of the Scientific Panel on Contaminants in the Food Chain on a request from the Commission related to Deoxynivalenol (DON) as undesirable substance in animal feed http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/73

(3)  Opinion of the Scientific Panel on Contaminants in the Food Chain on a request from the Commission related to Deoxynivalenol (DON) as undesirable substance in animal feed http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/101


BIJLAGE

RICHTWAARDEN

Mycotoxine

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Richtwaarde in mg/kg (ppm) voor een diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Deoxynivalenol

Voedermiddelen (*)

 

granen en graanproducten (**) met uitzondering van maïsbijproducten

8

maïsbijproducten

12

Mengvoeders met uitzondering van:

5

mengvoeder voor varkens

0,9

mengvoeder voor kalveren (< 4 maanden), lammeren, geitenlammeren en honden

2

Zearalenon

Voedermiddelen (*)

 

granen en graanproducten (**) met uitzondering van maïsbijproducten

2

maïsbijproducten

3

Mengvoeders voor:

 

biggen en gelten (jonge zeugen), puppy's, kittens, honden en katten voor reproductiedoeleinden

0,1

volwassen honden en katten voor andere doeleinden dan reproductie

0,2

zeugen en mestvarkens

0,25

kalveren, melkkoeien, schapen (ook lammeren) en geiten (ook geitenlammeren)

0,5

Ochratoxine A

Voedermiddelen (*)

 

granen en graanproducten (**)

0,25

Mengvoeders voor:

 

varkens

0,05

pluimvee

0,1

katten en honden

0,01

Fumonisine B1 en B2

Voedermiddelen (*)

 

maïs en maïsproducten (***)

60

Mengvoeders voor:

 

varkens, paarden (Equidae), konijnen en gezelschapsdieren

5

vissen

10

pluimvee, kalveren (< 4 maanden), lammeren en geitenlammeren

20

volwassen herkauwers (> 4 maanden) en nertsen

50

T-2- en HT-2-toxine

Mengvoeder voor katten

0,05


(*)  Er moet in het bijzonder op worden gelet dat, bij granen en graanproducten die rechtstreeks aan de dieren worden vervoederd, het dagrantsoen niet tot een hogere blootstelling van het dier aan deze mycotoxinen leidt dan de overeenkomstige blootstellingsniveaus wanneer in een dagrantsoen alleen volledige dierenvoeders worden gebruikt.

(**)  De term „granen en graanproducten” omvat niet alleen de voedermiddelen die worden genoemd in rubriek 1 „Granen en daarvan afgeleide producten” van de lijst van voedermiddelen in deel C van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 68/2013 van de Commissie van 16 januari 2013 betreffende de catalogus van voedermiddelen (PB L 29 van 30.1.2013, blz. 1), maar ook andere van granen afgeleide voedermiddelen, met name voedergewassen en ruwvoedergewassen van granen.

(***)  De term „maïs en maïsproducten” omvat niet alleen de voedermiddelen die worden genoemd in rubriek 1 „Granen en daarvan afgeleide producten” van de lijst van voedermiddelen in deel C van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 68/2013, maar ook andere van maïs afgeleide voedermiddelen, met name voedergewassen en ruwvoedergewassen van maïs.