ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 144

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
1 juni 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2016/859 van de Raad van 4 maart 2016 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie en haar lidstaten, en de voorlopige toepassing van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

1

 

 

Protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

3

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/860 van de Commissie van 4 februari 2016 tot nadere omschrijving van de omstandigheden waarin uitsluiting van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden noodzakelijk is krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

11

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/861 van de Commissie van 18 februari 2016 tot correctie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor niet-deltarisico van opties in het kader van de standaardbenadering voor marktrisico en tot correctie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 van de Commissie houdende aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met betrekking tot kwalitatieve en passende kwantitatieve criteria tot vaststelling van de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling materieel beïnvloeden ( 1 )

21

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/862 van de Commissie van 31 mei 2016 tot weigering van een vergunning voor een gezondheidsclaim voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen gaat ( 1 )

24

 

*

Verordening (EU) 2016/863 van de Commissie van 31 mei 2016 tot wijziging van de bijlagen VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft huidcorrosie/-irritatie, ernstig oogletsel/oogirritatie en acute toxiciteit ( 1 )

27

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/864 van de Commissie van 31 mei 2016 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof triasulfuron overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

32

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/865 van de Commissie van 31 mei 2016 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China door de invoer van enigszins gewijzigd bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie

35

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/866 van de Commissie van 31 mei 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

42

 

*

Verordening (EU) 2016/867 van de Europese Centrale Bank van 18 mei 2016 betreffende de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens en kredietrisicogegevens (ECB/2016/13)

44

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2016/868 van de Europese Centrale Bank van 18 mei 2016 tot wijziging van Besluit ECB/2014/6 betreffende de organisatie van voorbereidende maatregelen voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens door het Europees Stelsel van centrale banken (ECB/2016/14)

99

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/1


BESLUIT (EU) 2016/859 VAN DE RAAD

van 4 maart 2016

betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie en haar lidstaten, en de voorlopige toepassing van een protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 217, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien de Akte van toetreding van de Republiek Kroatië, en met name artikel 6, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds (1) („de overeenkomst”), is op 17 juni 2002 in Luxemburg ondertekend en op 1 april 2006 in werking getreden.

(2)

De Republiek Kroatië is op 1 juli 2013 toegetreden tot de Europese Unie.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Akte van toetreding van de Republiek Kroatië dient de toetreding van de Republiek Kroatië tot de overeenkomst te worden geregeld door middel van een protocol bij de overeenkomst tussen de Raad, handelend namens de Unie en met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en de Republiek Libanon.

(4)

Op 14 september 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met de Republiek Libanon. De onderhandelingen zijn succesvol afgesloten met de parafering van het aan dit besluit gehechte protocol.

(5)

Artikel 7 van het protocol voorziet in voorlopige toepassing in afwachting van de inwerkingtreding.

(6)

Het protocol moet worden ondertekend en op voorlopige basis worden toegepast, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De ondertekening, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, wordt goedgekeurd, onder voorbehoud van de sluiting van het protocol.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om namens de Unie het protocol te ondertekenen.

Artikel 3

Het protocol wordt, in afwachting van de voltooiing van de voor de formele sluiting ervan vereiste procedures, voorlopig toegepast, overeenkomstig artikel 7.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 4 maart 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

S.A.M. DIJKSMA


(1)  PB L 143 van 30.5.2006, blz. 2.


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/3


PROTOCOL

bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK KROATIË,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

HONGARIJE,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Europese Unie” genoemd,

enerzijds, en

DE REPUBLIEK LIBANON, hierna „Libanon” genoemd,

anderzijds,

voor de toepassing van dit protocol hierna gezamenlijk „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, is op 17 juni 2002 in Luxemburg ondertekend en op 1 april 2006 in werking getreden.

(2)

Het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie is op 9 december 2011 in Brussel ondertekend en op 1 juli 2013 in werking getreden.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Akte van toetreding van de Republiek Kroatië, dient de toetreding van Kroatië tot de overeenkomst te worden geregeld door middel van een protocol bij de overeenkomst.

(4)

Het in artikel 22, lid 2, van de overeenkomst bedoelde overleg heeft plaatsgevonden teneinde rekening te kunnen houden met de wederzijdse belangen van de Europese Unie en Libanon,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

De Republiek Kroatië wordt partij bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, en dient, op dezelfde wijze als de andere lidstaten van de Unie, de teksten van de overeenkomst, alsmede de gemeenschappelijke verklaringen en verklaringen goed te keuren en er nota van te nemen.

HOOFDSTUK I

WIJZIGINGEN IN DE TEKST VAN DE OVEREENKOMST WAARONDER DE BIJLAGEN EN PROTOCOLLEN

Artikel 2

Oorsprongsregels

Protocol 4 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Aan artikel 18, lid 4, wordt het volgende toegevoegd: „Izdano naknadno”.

2.

Bijlage V wordt vervangen door:

„1.   

BIJLAGE V

TEKST VAN DE FACTUURVERKLARING

Bij het opstellen van de factuurverklaring, waarvan de tekst hieronder is weergegeven, dient rekening te worden gehouden met de voetnoten. De tekst van de voetnoten behoeft echter niet te worden overgenomen.

Bulgaarse versie

Износителят на продуктите, обхванати от този документ (митническо разрешение № … (1) декларира, че освен където е отбелязано друго, тези продукти са с … преференциален произход (2).

Spaanse versie

El exportador de los productos incluidos en el presente documento [autorización aduanera no (1)] declara que, salvo indicación expresa en sentido contrario, estos productos gozan de un origen preferencial … (2).

Tsjechische versie

Vývozce výrobků uvedených v tomto dokumentu (číslo povolení … (1)) prohlašuje, že kromě zřetelně označených mají tyto výrobky preferenční původ v … (2).

Deense versie

Eksportøren af varer, der er omfattet af nærværende dokument, (toldmyndighedernes tilladelse nr. … (1)), erklærer, at varerne, medmindre andet tydeligt er angivet, har præferenceoprindelse i … (2).

Duitse versie

Der Ausführer (Ermächtigter Ausführer; Bewilligungs-Nr. … (1)) der Waren, auf die sich dieses Handelspapier bezieht, erklärt, dass diese Waren, soweit nicht anders angegeben, präferenzbegünstigte … (2) Ursprungswaren sind.

Estse versie

Käesoleva dokumendiga hõlmatud toodete eksportija (tolliameti kinnitus nr … (1)) deklareerib, et need tooted on … (2) sooduspäritoluga, välja arvatud juhul, kui on selgelt näidatud teisiti.

Griekse versie

Ο εξαγωγέας των προϊόντων που καλύπτονται από το παρόν έγγραφο [άδεια τελωνείου υπ' αριθ. … (1)] δηλώνει ότι, εκτός εάν δηλώνεται σαφώς άλλως, τα προϊόντα αυτά είναι προτιμησιακής καταγωγής … (2).

Engelse versie

The exporter of the products covered by this document (customs authorisation No … (1)) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of … (2) preferential origin.

Franse versie

L'exportateur des produits couverts par le présent document [autorisation douanière no (1)] déclare que, sauf indication claire du contraire, ces produits ont l'origine préférentielle … (2).

Kroatische versie

Izvoznik proizvoda obuhvaćenih ovom ispravom (carinsko ovlaštenje br. … (1)) izjavljuje da su, osim ako je drukčije izričito navedeno, ovi proizvodi … (2) preferencijalnog podrijetla.

Italiaanse versie

L'esportatore delle merci contemplate nel presente documento [autorizzazione doganale n. … (1)] dichiarache, salvo indicazione contraria, le merci sono di origine preferenziale … (2).

Letse versie

To produktu eksportētājs, kuri ietverti šajā dokumentā (muitas atļauja Nr. … (1)), deklarē, ka, izņemot tur, kur ir citādi skaidri noteikts, šiem produktiem ir p preferenciāla izcelsme … (2).

Litouwse versie

Šiame dokumente išvardintų produktų eksportuotojas (muitinės liudijimo Nr. … (1)) deklaruoja, kad, jeigu kitaip nenurodyta, tai yra … (2) preferencinės kilmės produktai.

Hongaarse versie

A jelen okmányban szereplő áruk exportőre (vámfelhatalmazási szám: … (1)) kijelentem, hogy egyértelmű eltérő jelzés hiányában az áruk preferenciális … (2) származásúak.

Maltese versie

L-esportatur tal-prodotti koperti b'dan id-dokument (awtorizzazzjoni tad-dwana Nru … (1)) jiddikjara li, ħlief fejn indikat b'mod ċar li mhux hekk, dawn il-prodotti huma ta' oriġini preferenzjali … (2).

Nederlandse versie

De exporteur van de goederen waarop dit document van toepassing is (douanevergunning nr. … (1)), verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze goederen van preferentiële … oorsprong zijn (2).

Poolse versie

Eksporter produktów objętych tym dokumentem (upoważnienie władz celnych nr … (1)) deklaruje, że z wyjątkiem gdzie jest to wyraźnie określone, produkty te mają … (2) preferencyjne pochodzenie.

Portugese versie

O exportador dos produtos abrangidos pelo presente documento [autorização aduaneira n.o (1)], declara que, salvo declaração expressa em contrário, estes produtos são de origem preferencial … (2).

Roemeense versie

Exportatorul produselor ce fac obiectul acestui document [autorizația vamală nr. … (1)] declară că, exceptând cazul în care în mod expres este indicat altfel, aceste produse sunt de origine preferențială … (2).

Sloveense versie

Izvoznik blaga, zajetega s tem dokumentom (pooblastilo carinskih organov št. … (1)) izjavlja, da, razen če ni drugače jasno navedeno, ima to blago preferencialno … (2) poreklo.

Slowaakse versie

Vývozca výrobkov uvedených v tomto dokumente [číslo povolenia … (1)] vyhlasuje, že okrem zreteľne označených, majú tieto výrobky preferenčný pôvod v … (2).

Finse versie

Tässä asiakirjassa mainittujen tuotteiden viejä (tullin lupa N:o … (1)) ilmoittaa, että nämä tuotteet ovat, ellei toisin ole selvästi merkitty, etuuskohteluun oikeutettuja … (2) alkuperätuotteita.

Zweedse versie

Exportören av de varor som omfattas av detta dokument (tullmyndighetens tillstånd nr … (1)) försäkrar att dessa varor, om inte annat tydligt markerats, har förmånsberättigande … ursprung (2).

Arabische versie

Image

 (3)

(Plaats en datum)

 (4)

(Handtekening van de exporteur, gevolgd door de naam van de ondertekenaar in duidelijk leesbare letters)

HOOFDSTUK II

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 3

Goederen in doorvoer

De bepalingen van de overeenkomst kunnen worden toegepast op goederen die van Libanon naar Kroatië of van Kroatië naar Libanon worden uitgevoerd, wanneer die goederen voldoen aan de bepalingen van protocol 4 bij de overeenkomst en op de datum van de toetreding van Kroatië ofwel onderweg zijn of in tijdelijke opslag zijn in een douane-entrepot of in een vrije zone in Libanon of Kroatië.

In dergelijke gevallen mag preferentiële behandeling worden verleend, mits binnen vier maanden na de datum van de toetreding van Kroatië bij de douaneautoriteiten van het land van invoer een bewijs van oorsprong wordt ingediend dat achteraf is afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN EN ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 4

Libanon verbindt zich ertoe naar aanleiding van deze uitbreiding van de Unie geen claim, verzoek of beroep in te dienen, noch concessies te wijzigen of in te trekken uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de GATT 1994.

Artikel 5

Tijdig na de parafering van dit protocol zal de Unie de Kroatische taalversie van de overeenkomst aan haar lidstaten en Libanon doen toekomen. Onder voorbehoud van de inwerkingtreding van dit protocol wordt de in de eerste zin van dit artikel bedoelde tekst authentiek op dezelfde voorwaarden als de teksten van de overeenkomst in de Arabische, Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal.

Artikel 6

Dit protocol maakt integrerend deel uit van de overeenkomst.

Artikel 7

Dit protocol wordt door de Unie, door de Raad van de Europese Unie namens de lidstaten en door Libanon volgens hun eigen procedures goedgekeurd. De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de daartoe vereiste procedures. De akten van goedkeuring worden nedergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop alle partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de daartoe vereiste procedures.

Dit protocol is in afwachting van zijn inwerkingtreding voorlopig van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Artikel 8

Dit protocol is opgesteld in tweevoud in deBulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Arabische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit protocol hebben ondertekend.

Съставено в Брюксел на двадесет и осми април през две хиляди и шестнадесета година.

Hecho en Bruselas, el veintiocho de abril de dos mil dieciséis.

V Bruselu dne dvacátého osmého dubna dva tisíce šestnáct.

Udfærdiget i Bruxelles den otteogtyvende april to tusind og seksten.

Geschehen zu Brüssel am achtundzwanzigsten April zweitausendsechzehn.

Kahe tuhande kuueteistkümnenda aasta aprillikuu kahekümne kaheksandal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις είκοσι οκτώ Απριλίου δύο χιλιάδες δεκαέξι.

Done at Brussels on the twenty eighth day of April in the year two thousand and sixteen.

Fait à Bruxelles, le vingt huit avril deux mille seize.

Sastavljeno u Bruxellesu dvadeset osmog travnja godine dvije tisuće šesnaeste.

Fatto a Bruxelles, addì ventotto aprile duemilasedici.

Briselē, divi tūkstoši sešpadsmitā gada divdesmit astotajā aprīlī.

Priimta du tūkstančiai šešioliktų metų balandžio dvidešimt aštuntą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenhatodik év április havának huszonnyolcadik napján.

Magħmul fi Brussell, fit-tmienja u għoxrin jum ta’ April fis-sena elfejn u sittax.

Gedaan te Brussel, achtentwintig april tweeduizend zestien.

Sporządzono w Brukseli dnia dwudziestego ósmego kwietnia roku dwa tysiące szesnastego.

Feito em Bruxelas, em vinte e oito de abril de dois mil e dezasseis.

Întocmit la Bruxelles la douăzeci și opt aprilie două mii șaisprezece.

V Bruseli dvadsiateho ôsmeho apríla dvetisícšestnásť.

V Bruslju, dne osemindvajsetega aprila leta dva tisoč šestnajst.

Tehty Brysselissä kahdentenakymmenentenäkahdeksantena päivänä huhtikuuta vuonna kaksituhattakuusitoista.

Som skedde i Bryssel den tjugoåttonde april år tjugohundrasexton.

Image

За държавите-членки

Por los Estados miembros

Za členské státy

For medlemsstaterne

Für die Mitgliedstaaten

Liikmesriikide nimel

Για τα κράτη μέλη

For the Member States

Pour les États membres

Za države članice

Per gli Stati membri

Dalībvalstu vārdā –

Valstybių narių vardu

A tagállamok részéről

Għall-Istati Membri

Voor de lidstaten

W imieniu Państw Członkowskich

Pelos Estados-Membros

Pentru statele membre

Za členské štáty

Za države članice

Jäsenvaltioiden puolesta

För medlemsstaterna

Image

Image

За Европейския съюз

Рог la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

Image

За Ливанската република

Por la República Libanesa

Za Libanonskou republiku

For Den Libanesiske Republik

Für die Libanesische Republik

Liibanoni Vabariigi nimel

Για τη Δημοκρατία του Λιβάνου

For the Lebanese Republic

Pour la République libanaise

Za Libanonsku Republiku

Per la Repubblica libanese

Libānas Republikas vārdā –

Libano Respublikos vardu

A Libanoni Köztársaság részéről

Għar-Repubblika Libaniża

Voor de Republiek Libanon

W imieniu Republiki Libańskiej

Pela República Libanesa

Pentru Republica Libaneză

Za Libanonskú republiku

Za Libanonsko republiko

Libanonin tasavallan puolesta

För Republiken Libanon

Image

Image


(1)  Indien de factuurverklaring wordt opgesteld door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22 van het protocol, moet het nummer van de vergunning van die exporteur hier worden vermeld. Indien de factuurverklaring niet door een toegelaten exporteur wordt opgesteld, wordt het gedeelte tussen haakjes weggelaten of wordt niets ingevuld.

(2)  Aanduiding van de oorsprong van de producten. Indien de factuurverklaring geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla in de zin van artikel 38 van het protocol, moet de exporteur dit door middel van de letters ”CM” duidelijk aangeven op het document waarop de verklaring wordt opgesteld.

(3)  Deze vermeldingen kunnen achterwege blijven indien de gegevens op het document zelf zijn aangegeven.

(4)  Zie artikel 22, lid 5, van het protocol. Indien de exporteur niet behoeft te ondertekenen, dan behoeft ook diens naam niet te worden vermeld.”


VERORDENINGEN

1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/11


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/860 VAN DE COMMISSIE

van 4 februari 2016

tot nadere omschrijving van de omstandigheden waarin uitsluiting van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden noodzakelijk is krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen

DE EUROPESE COMMISSIE

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 44, lid 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van afwikkeling is het cruciaal dat de afwikkelingsautoriteiten voldoende worden begeleid om te waarborgen dat het instrument van bail-in over de hele Unie op juiste en samenhangende wijze wordt toegepast. Het beginsel dat het instrument van bail-in mag worden toegepast op alle passiva, tenzij zij uitdrukkelijk zijn uitgesloten krachtens artikel 44, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU, is overkoepelend. Daarom mogen geen passiva geacht worden altijd van bail-in te zijn uitgesloten, tenzij zij behoren tot de lijst van passiva die uitdrukkelijk zijn uitgesloten krachtens die bepaling. De afwikkelingsautoriteit moet zich reeds tijdens de afwikkelingsplanning en de beoordeling van de afwikkelbaarheid immers richten op een beperking van uitsluitingen van bail-in met het oog op de naleving van het beginsel dat de aandeelhouders en schuldeisers de kosten van de afwikkeling opvangen.

(2)

Een algemeen beginsel inzake afwikkeling is dat de aandeelhouders en schuldeisers bij afwikkeling verliezen moeten opvangen volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures. Daarnaast moeten schuldeisers van dezelfde categorie op billijke wijze worden behandeld. Tegen deze achtergrond is er behoefte aan een duidelijke afbakening van de discretionaire bevoegdheid van de afwikkelingsautoriteiten om bepaalde passiva geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van bail-in en de verliezen over te dragen aan andere schuldeisers of, indien nodig, aan de afwikkelingsfondsen. Daarom moeten de omstandigheden die het mogelijk maken dat de schuldeisers worden uitgesloten van bail-in zorgvuldig worden uiteengezet en moet elke afwijking van het beginsel van gelijke behandeling van schuldeisers van dezelfde rang (het zogenoemde pari-passubeginsel) evenredig, door het algemeen belang gerechtvaardigd en niet-discriminerend zijn.

(3)

Het is belangrijk om de afwikkelingsautoriteiten een kader te verstrekken bij de uitoefening van hun bevoegdheden om passiva of een categorie van passiva uit te sluiten van bail-in, onder de uitzonderlijke omstandigheden die vermeld staan in artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU om meer duidelijkheid te scheppen bij een bepaald afwikkelingsscenario. De afwikkelingsautoriteiten moeten echter over enige flexibiliteit beschikken om per geval te beoordelen of uitsluitingen strikt noodzakelijk en evenredig zijn.

(4)

Het besluit om gebruik te maken van het instrument van bail-in (of andere afwikkelingsinstrumenten) moet worden genomen om de in artikel 31, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken. In dezelfde lijn moeten deze afwikkelingsdoelstellingen ook de basis vormen voor de besluiten betreffende het gebruik van het instrument, met inbegrip van het besluit om passiva of een categorie van passiva in een bepaald geval uit te sluiten van de toepassing van bail-in.

(5)

In overeenstemming met deze beginselen moet de capaciteit om bepaalde passiva geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU worden beperkt tot hetgeen minimaal noodzakelijk is om de doelstellingen die de uitsluiting rechtvaardigen te bereiken. Hiertoe moet de voorkeur zo veel mogelijk uitgaan naar de optie om passiva gedeeltelijk uit te sluiten door de omvang van de afschrijving ervan te beperken indien dit toereikend is om de doelstelling te verwezenlijken, en niet naar de gehele uitsluiting van bail-in.

(6)

Het uitzonderlijke gebruik van de bevoegdheid om passiva of een categorie van passiva geheel of gedeeltelijk uit te sluiten, mag geen gevolgen hebben voor de verantwoordelijkheden van de afwikkelingsautoriteiten inzake de waarborging dat instellingen en groepen afwikkelbaar zijn en dat zij beschikken over voldoende middelen om te voldoen aan de minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities — MREL) teneinde bij afwikkeling verliezen op te vangen en herkapitalisatie te waarborgen in overeenstemming met het afwikkelingsplan. Overeenkomstig artikel 45, lid 6, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU moeten de relevante afwikkelingsautoriteiten immers rekening houden met waarschijnlijke uitsluitingen wanneer zij ervoor zorgen dat de instelling voldoende capaciteit heeft om het verlies op te vangen en herkapitalisatie te bewerkstelligen. Aangezien de uitsluiting van bepaalde passiva van bail-in het niveau van deze beschikbare capaciteit bij afwikkeling aanzienlijk kan verminderen, moet de waarschijnlijke noodzaak van dergelijke uitsluitingen door de afwikkelingsautoriteit worden beoordeeld bij het vastleggen van de MREL in overeenstemming met artikel 45, lid 6, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU.

(7)

Gezien het uitzonderlijke karakter van de mogelijkheid die de afwikkelingsautoriteit heeft om passiva of een categorie van passiva uit te sluiten van bail-in overeenkomstig artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU, moet de beoordeling van de afwikkelingsautoriteit op goede gronden berusten. Wanneer dergelijke uitsluitingen het gebruik van het afwikkelingsfonds impliceren, moet de afwikkelingsautoriteit een gefundeerde toelichting geven bij de uitzonderlijke omstandigheden die tot de uitsluiting hebben geleid. Deze toelichting is essentieel voor de Commissie om haar mandaat te kunnen uitvoeren krachtens artikel 44, lid 12, van Richtlijn 2014/59/EU op basis waarvan de Commissie binnen 24 uur na kennisgeving door de afwikkelingsautoriteit van het besluit om bepaalde passiva uit te sluiten, moet besluiten om de voorgestelde uitsluiting te verbieden of om te eisen dat daaraan wijzigingen worden aangebracht. De toelichting die de afwikkelingsautoriteit aan de Commissie verstrekt, moet evenredig zijn en er moet worden gelet op de geschiktheid als gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van het geval.

(8)

In het geval van afwikkeling moet op passiva die worden meegeteld voor de minimumvereiste, in beginsel, steeds het instrument van bail-in worden toegepast in de mate dat dit noodzakelijk is voor het opvangen van de verliezen en de herkapitalisatie van de instelling, voor zover de afwikkelingsautoriteiten op het ogenblik van de afwikkelingsplanning inderdaad voorzien dat deze passiva op een geloofwaardige en haalbare wijze bijdragen aan het opvangen van verliezen en herkapitalisatie. In de uitzonderlijke gevallen waarin de afwikkelingsautoriteit moet gebruikmaken van een uitsluiting krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU waarmee geen rekening is gehouden in de afwikkelingsplanning en wanneer dergelijke uitsluitingen het gebruik van het afwikkelingsfonds zouden impliceren, moet de afwikkelingsautoriteit toelichten welke uitzonderlijke omstandigheden de uitsluiting rechtvaardigen en de redenen opgeven waarom de afwikkelingsautoriteit op het ogenblik van de afwikkelingsplanning deze uitzonderlijke omstandigheden niet kon voorzien. Het vereiste om deze factoren toe te lichten, moet op evenredige en passende wijze worden toegepast met inachtneming van de noodzaak van tijdige afwikkelingsmaatregelen.

(9)

De mogelijkheid om passiva uit te sluiten van bail-in krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU moet worden uitgeoefend met volledige inachtneming van de algemene beginselen van het recht van de Unie en mag met name geen gevolgen hebben voor de waarborgen die andere schuldeisers beschermen, namelijk het beginsel dat geen enkele schuldeiser grotere verliezen mag lijden dan hij zou hebben geleden mocht de instelling volgens een normale insolventieprocedure zijn geliquideerd (beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn). Bij het maken van uitsluitingen krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU en bij het opstellen van het afwikkelingsplan moeten de afwikkelingsautoriteiten eraan denken dat zij deze waarborgen evenals het risico inzake compensatie van schuldeisers in verband met de schending van deze waarborgen in acht moeten nemen. Het feit dat rechtbanken het besluit van de afwikkelingsautoriteit om passiva uit te sluiten, kunnen toetsen, mag evenwel niet de enige reden voor verdere uitsluiting zijn. Een en ander mag geen afbreuk doen aan het feit dat naar behoren aandacht wordt geschonken aan eerdere gerechtelijke uitspraken over afwikkelingsmaatregelen indien deze relevant zijn voor het specifieke geval.

(10)

De algemene capaciteit van de afwikkelingsautoriteit om uitsluitingen te maken, wordt beperkt door het feit dat verliezen die niet volledig worden opgevangen door schuldeisers wegens uitsluitingen, enkel door de afwikkelingsfinancieringsregeling kunnen worden gedekt wanneer aandeelhouders en schuldeisers een bedrag hebben bijgedragen dat ten minste gelijk is aan 8 % van de totale passiva van de instelling, met inbegrip van het eigen vermogen.

(11)

Uitsluitingen moeten per geval worden bekeken door relevante overwegingen te analyseren in het kader van elk van de mogelijke redenen van uitsluiting krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU, niet door de specifieke aard van de betrokken instellingen afzonderlijk te bekijken. Deze aanpak moet zorgen voor een samenhangende benadering van uitzonderlijke omstandigheden en moet onnodige concurrentieverstoringen voorkomen. Indien relevant, moet rekening worden gehouden met de kenmerken van een instelling (zoals omvang, verwevenheid of complexiteit) om te beoordelen of is voldaan aan de omstandigheden die rechtvaardigen dat passiva van bail-in worden uitgesloten. Deze kenmerken op zich rechtvaardigen echter niet automatisch dat de passiva van een instelling van bail-in worden uitgesloten.

(12)

Een aantal algemene factoren, zoals de marktvoorwaarden, omstandigheden van falen of het niveau van door de instelling gemaakte verliezen, kan van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat uitzonderlijke omstandigheden, zoals omschreven in artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU ontstaan. Dergelijke algemene factoren mogen evenwel geen verdere onafhankelijke redenen voor uitsluiting vormen naast die welke zijn vermeld in artikel 44, lid 3, onder a) tot en met d), van Richtlijn 2014/59/EU.

(13)

Wanneer de afwikkelingsautoriteit nagaat of er voldaan is aan een of meer omstandigheden die uitsluitingen van bail-in rechtvaardigen, moet zij er rekening mee houden na hoeveel tijd het op handen zijnde falen van een instelling niet langer op ordelijke wijze kan worden afgehandeld. Wanneer de afwikkelingsplannen en MREL voor elke instelling zijn vastgelegd en obstakels voor de afwikkeling zijn aangepakt, wordt verwacht dat de instelling beschikt over de nodige capaciteit om de verliezen op te vangen en herkapitalisatie te bewerkstelligen. Het afwikkelingsschema moet immers het afwikkelingsplan, met inbegrip van de afwikkelingsstrategie, volgen tenzij de afwikkelingsautoriteit, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat de afwikkelingsdoelstellingen op doeltreffendere wijze kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen te nemen waarin het afwikkelingsplan niet voorziet.

(14)

Tijdens de periode waarin de afwikkelingsplannen en MREL nog niet zijn aangenomen en er weinig tijd is geweest om te beslissen over de gedetailleerde tenuitvoerlegging van de afwikkelingsstrategie door de afwikkelingsautoriteit, is de kans groter dat er gevallen zullen zijn waarin het instrument van bail-in binnen een redelijke termijn niet op alle in aanmerking komende passiva kan worden toegepast. De bepaling van wat „een redelijke termijn” is, moet samenhangen met de vereiste snelheid en zekerheid om de bail-in tegen een bepaalde datum af te ronden teneinde het bedrijf op doeltreffende wijze te stabiliseren. Indien het niet haalbaar is om tegen die datum alle taken uit te voeren die nodig zijn om de bail-in op bepaalde passiva toe te passen, wordt de bail-in niet mogelijk geacht „binnen een redelijke termijn”. Op basis van de criteria om te bepalen wat een „redelijke termijn” is, moet worden besloten wanneer „moeilijk” neerkomt op „onmogelijk”.

(15)

In principe komen passiva die vallen onder het recht van een derde land voor bail-in, in aanmerking voor zover zij niet zijn uitgesloten krachtens artikel 44, lid 2. Het mechanisme waarin is voorzien krachtens artikel 55 strekt ertoe de waarschijnlijkheid te verhogen dat op die passiva bail-in kan worden toegepast binnen een redelijke termijn. Even belangrijk is dat artikel 67 van Richtlijn 2014/59/EU bepaalt dat afwikkelingsautoriteiten de discretionaire bevoegdheid hebben om te vereisen dat de bewindvoerder, curator of andere persoon die zeggenschap over de instelling in afwikkeling uitoefent, alle noodzakelijke stappen neemt om ervoor te zorgen dat de afschrijving of omzetting van passiva die onder het recht van een derde land vallen, van kracht wordt. Aangezien echter dergelijke passiva niet onder het EU-recht vallen, blijft een risico bestaan dat in uitzonderlijke gevallen, ondanks het feit dat de afwikkelingsautoriteit zich tot het uiterste inspant en onder meer ook discretionaire bevoegdheid krachtens artikel 67 uitoefent, binnen een redelijke termijn problemen met de vatbaarheid voor bail-in van dergelijke passiva worden ondervonden.

(16)

Een praktische belemmering voor de bail-in van bepaalde passiva kan het feit omvatten dat de omvang van de passiva niet is bepaald of moeilijk te bepalen is op het ogenblik dat de afwikkelingsautoriteit het instrument van bail-in toepast. Dit kan het geval zijn voor door zekerheid gedekte passiva met een waarde die hoger is dan die van de betrokken zekerheid of passiva die afhangen van onzekere gebeurtenissen in de toekomst, zoals buitenbalansposten of niet-opgenomen verbintenissen. Dergelijke obstakels kunnen uit de weg worden geruimd door een passende waardering, zoals annulering van de vordering en bepaling van de waarde door raming, met behulp van een relevante waarderingsmethode, of toepassing van een waarderingscorrectie met een „virtueel” percentage.

(17)

Hoewel bail-in in sommige gevallen ook moeilijk kan zijn bij derivaten, legt artikel 49 van Richtlijn 2014/59/EU duidelijk vast hoe de bail-in van derivaten moet gebeuren, namelijk na het sluiten van de positie. Het feit dat het moeilijk kan zijn om het gesaldeerde bedrag na het sluiten van de positie op korte termijn te bepalen, mag niet leiden tot automatische uitsluiting omdat dit ook kan worden opgelost met behulp van relevante waarderingsmethoden zoals vastgelegd door de Commissie krachtens artikel 49, lid 5, van Richtlijn 2014/59/EU, in het bijzonder tijdens de voorlopige waardering. In dit verband moeten instellingen aantonen dat zij de nodige informatie kunnen verstrekken om een waardering uit te voeren met het oog op afwikkeling. De afwikkelingsautoriteiten moeten zich er met name van vergewissen dat instellingen in staat zijn om de vereiste up-to-date informatie te verstrekken binnen het krachtens de afwikkelingsstrategie vereiste tijdsbestek, met name ter staving van een geloofwaardige waardering vóór en tijdens de afwikkeling krachtens artikel 36 van Richtlijn 2014/59/EU. Daarnaast vermelden de richtsnoeren dat de afwikkelingsautoriteiten moeten overwegen om te eisen dat instellingen activa afstoten die de haalbaarheid van de waardering sterk in het gedrang brengen.

(18)

Artikel 2 van Richtlijn 2014/59/EU definieert de begrippen „kritieke functies” en „kernbedrijfsonderdelen”. De Commissie is gemachtigd om een gedelegeerde handeling vast te stellen tot nadere omschrijving van de omstandigheden waarin bepaalde activiteiten, diensten en bedrijfsactiviteiten onder de definitie van kritieke functies of kernbedrijfsonderdelen kunnen vallen. In dat verband is de winstgevendheid van een bedrijfsonderdeel op zich niet voldoende als reden om passiva die verband houden met dat bedrijfsonderdeel uit te sluiten van bail-in. Uitsluiting kan evenwel gerechtvaardigd zijn wanneer het behoud van een kernbedrijfsonderdeel cruciaal is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, met inbegrip van het behoud van kritieke functies indien deze worden bevorderd door de continuïteit van de kernactiviteiten, -diensten en -transacties.

(19)

De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva die nodig zijn voor het risicomanagement (hedging) in het kader van kritieke functies enkel uitsluiten indien het risicomanagement (hedging) erkend is voor prudentiële doeleinden en essentieel is voor het behoud van activiteiten die verband houden met kritieke functies zodat bij afwikkeling van de hedge de continuïteit van de kritieke functie ernstig in gevaar zou worden gebracht.

(20)

Ook mogen de afwikkelingsautoriteiten passiva die nodig zijn voor het risicomanagement (hedging) in het kader van kritieke functies enkel uitsluiten indien de instelling bij afwikkeling van de risicomanagementmaatregel deze onmogelijk tegen redelijke voorwaarden kan vervangen binnen de termijn die vereist is voor het behoud van de kritieke functie, bijv. ten gevolge van spreads of onzekerheid op het gebied van de waardering.

(21)

Besmetting voorkomen om ingrijpende nadelige gevolgen voor het financiële stelsel te vermijden, is een bijkomende afwikkelingsdoelstelling die een uitsluiting van de toepassing van het instrument van bail-in kan rechtvaardigen. In elk geval mag uitsluiting op deze gronden uitsluitend plaatsvinden indien dit strikt noodzakelijk en evenredig is, maar ook indien de besmetting zo ernstig is dat deze wijdverbreid zou zijn en de werking van de financiële markten zo ernstig zou verstoren dat de economie van een lidstaat of van de Unie ernstig zou worden ontwricht.

(22)

Een zeker risico op besmetting kan inherent zijn aan de toepassing van het instrument van bail-in. De wetgevende beslissing om het instrument van bail-in in Richtlijn 2014/59/EU vast te leggen als een kerninstrument voor afwikkeling, samen met het beginsel dat de schuldeisers en aandeelhouders de verliezen moeten dragen, betekent dat het inherente risico op besmetting dat de bail-in kan inhouden niet automatisch mag worden beschouwd als een reden om passiva uit te sluiten. De afwikkelingsautoriteiten moeten deze redenen dan ook zorgvuldig beoordelen en de uitsluiting van passiva van de toepassing van bail-in verklaren op grond van de grotere waarschijnlijkheid dat een wijdverbreide besmetting ontstaat, zoals beschreven in artikel 44, lid 3, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU, dan bij niet-uitgesloten passiva. Hiertoe moeten zij hun beoordeling baseren op passende methoden, met inbegrip van een kwantitatieve analyse om het risico op en de ernst van de wijdverbreide besmetting en ernstige ontwrichting van de economie van een lidstaat of van de Unie te bepalen.

(23)

De noodzaak om passiva van bail-in uit te sluiten wegens het risico op wijdverbreide besmetting kan worden beïnvloed door de marktomstandigheden op het ogenblik van de bail-in, met name wanneer het falen van het bedrijf plaatsvindt wanneer het financiële stelsel sterk onder druk staat of te kampen heeft met een gebrek aan vertrouwen. Het risico dat de toepassing van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden significante directe of indirecte nadelige gevolgen kan hebben voor de financiële stabiliteit en het marktvertrouwen moet worden aangepakt in de beoordeling van de afwikkelbaarheid, zoals vereist in deel C, punt 26, van de bijlage bij Richtlijn 2014/59/EU. Wanneer de afwikkelingsautoriteit op basis van het risico op wijdverbreide besmetting passiva uitsluit van de toepassing van bail-in krachtens artikel 44, lid 3, van die richtlijn, moet zij toelichten waarom de obstakels voor de bail-in niet uit de weg geruimd zijn tijdens de afwikkelingsplanning indien deze uitsluitingen neerkomen op een belemmering voor de afwikkelbaarheid. De afwikkelingsautoriteit moet tevens beoordelen of het besmettingseffect voortvloeit uit of significant wordt verergerd door de toepassing van het instrument van bail-in op de betreffende passiva, dan wel of het in feite voortkomt uit het falen van de instelling op en uit zichzelf.

(24)

Het risico op wijdverbreide besmetting kan direct zijn, ingeval directe verliezen door tegenpartijen van de instelling in afwikkeling leiden tot wanbetalingen of ernstige solvabiliteitsproblemen voor deze tegenpartijen en vervolgens ook weer voor hun tegenpartijen. De mogelijkheid dat een of meer financiële instellingen falen of in moeilijkheden komen als rechtstreeks gevolg van de bail-in mag er niet automatisch toe leiden dat passiva van de bail-in worden uitgesloten. Besluiten over uitsluitingen moeten worden genomen in verhouding tot de systeemrisico's die kunnen ontstaan door directe besmetting.

(25)

Het risico op wijdverbreide besmetting kan tevens indirect zijn, bijv. door het verlies van vertrouwen van bepaalde marktdeelnemers, zoals deposanten, of door de gevolgen voor de activaprijzen. Indirecte besmetting kan met name voortkomen uit het verlies van vertrouwen in de (retail- en wholesale)financieringsmarkten — inkrimping van het aanbod, hogere marginvereisten in het algemeen of alleen voor instellingen met vergelijkbare kenmerken als de falende instelling, of verkoop van activa tegen afbraakprijzen door instellingen met liquiditeitstekorten.

(26)

Bij de bail-in van bepaalde passiva zou er waarde vernietigd kunnen worden indien deze passiva deel uitmaken van een succesvol bedrijfsonderdeel dat anders aanzienlijke waarde zou toevoegen aan de bank, zoals bij een verkoop aan een overnemer uit de particuliere sector. Als de afwikkelingsautoriteit passiva of een categorie van passiva wil uitsluiten van bail-in, moet de behouden waarde toereikend zijn om de situatie van niet-uitgesloten schuldeisers (potentieel) te verbeteren ten opzichte van hun situatie wanneer de passiva in kwestie niet van de bail-in zouden zijn uitgesloten. De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva dan ook uitsluiten van een bail-in overeenkomstig artikel 44, lid 3, onder d), van Richtlijn 2014/59/EU indien het voordeel van uitsluiting voor andere schuldeisers zwaarder weegt dan hun bijdrage aan het opvangen van verliezen en het bewerkstelligen van herkapitalisatie indien de uitsluiting niet plaatsvindt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de behouden waarde duidelijk kan worden vastgesteld aan de hand van een gelijktijdige stijging van de vergoeding betaald door een overnemer uit de particuliere sector.

(27)

In het kader van de beoordeling van de mogelijke voordelen op het gebied van waardebehoud die een uitsluiting van bail-in met zich meebrengt, kennen artikel 36, lid 16, en artikel 49, lid 5, van Richtlijn 2014/59/EU de Commissie de bevoegdheid toe om technische reguleringsnormen vast te stellen voor de waardering met het oog op afwikkeling c.q. de waardering van derivaten. Afhankelijk van de toepasselijke methode kunnen uit het sluiten van de positie van derivaten bijkomende verliezen voortkomen en kan het potentieel van bail-in van de bijbehorende passiva worden overschreden, wat leidt tot verdere verliezen die op hun beurt de bail-inlast voor andere schuldeisers van de instelling in afwikkeling kunnen verzwaren. Bijkomende verliezen kunnen voortvloeien uit vervangingskosten die door de tegenpartij worden opgelopen of kosten die de instelling in afwikkeling moet betalen voor het herstellen van openstaande hedges die niet zijn opgenomen in de going-concernwaarde van derivaten. In dergelijke omstandigheden moet de afwikkelingsautoriteit beoordelen of die waardevermindering inhoudt dat de door niet-uitgesloten schuldeisers gedragen verliezen hoger zouden zijn dan indien de passiva in kwestie van bail-in waren uitgesloten. Louter speculatieve verwachtingen van een mogelijke waardeverhoging mogen geen reden tot uitsluiting zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze verordening stelt regels vast voor de nadere omschrijving van de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU waarin de afwikkelingsautoriteit bepaalde passiva geheel of gedeeltelijk mag uitsluiten van de toepassing van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden wanneer het instrument van bail-in wordt toegepast.

2.   De bepalingen van deze verordening moeten worden toegepast door een afwikkelingsautoriteit die is aangewezen door een lidstaat in overeenstemming met artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU en door de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad binnen de reikwijdte van zijn taken en bevoegdheden krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad (2).

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op de in artikel 1, lid 1, onder a) tot en met e), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde instellingen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die in artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU zijn opgenomen. Voor de toepassing van deze verordening wordt tevens verstaan onder:

1)   „directe besmetting”: een situatie waarin de directe verliezen van tegenpartijen van de instelling in afwikkeling die voortkomen uit de afschrijving van de passiva van de instelling, leiden tot wanbetaling of waarschijnlijke wanbetaling voor die tegenpartijen in de toekomst;

2)   „indirecte besmetting”: een situatie waarin de afschrijving of omzetting van passiva van de instelling bij marktdeelnemers een negatieve reactie uitlokt die leidt tot een ernstige verstoring van het financiële stelsel met mogelijk nadelige gevolgen voor de reële economie.

Artikel 4

Gemeenschappelijke bepalingen

1.   De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva of een categorie van passiva enkel uitsluiten van bail-in indien deze zijn opgenomen in de opsomming van passiva vermeld in artikel 44, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU.

2.   Een besluit van de afwikkelingsautoriteit om passiva of een categorie van passiva uit te sluiten van de toepassing van het instrument van bail-in krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU is gebaseerd op een analyse per geval van de instelling in afwikkeling en is niet automatisch.

3.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit uitsluitingen krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU in overweging neemt en voordat zij passiva of een categorie van passiva geheel van bail-in uitsluit, overweegt de afwikkelingsautoriteit eerst de optie om de betrokken passiva gedeeltelijk uit te sluiten door de omvang van hun afschrijving zo veel mogelijk te beperken.

4.   In haar besluit om passiva al dan niet uit te sluiten overeenkomstig artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU beoordeelt de afwikkelingsautoriteit of aan de daarin vervatte voorwaarden is voldaan op het ogenblik van de toepassing van het instrument van bail-in op de instelling. Deze beoordeling laat de verplichting van de afwikkelingsautoriteit onverlet om het in artikel 87 van Richtlijn 2014/59/EU vermelde afwikkelingsplan te volgen.

5.   Het besluit om passiva of een categorie van passiva uit te sluiten van de toepassing van bail-in krachtens artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU is gebaseerd op minstens één van de afwikkelingsdoelstellingen die beschreven staan in artikel 31, lid 2, van die richtlijn.

6.   Het besluit om passiva of een categorie van passiva geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de toepassing van het instrument van bail-in overeenkomstig artikel 44, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU, hetgeen het gebruik van het afwikkelingsfonds inhoudt, is naar behoren gerechtvaardigd, gelet op de geschiktheid voor de omstandigheden van het specifieke geval.

7.   Indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat passiva of een categorie van passiva op geloofwaardige en haalbare wijze zouden bijdragen aan het opvangen van verliezen en aan de herkapitalisatie en dat deze passiva niet zouden voldoen aan de vereisten voor uitsluiting overeenkomstig artikel 44, lid 3, licht die afwikkelingsautoriteit elk van de volgende punten toe als zij dan besluit om passiva of een categorie van passiva geheel of gedeeltelijk uit te sluiten overeenkomstig artikel 44, lid 3, wat de overdracht van verliezen naar het afwikkelingsfonds met zich mee zou brengen:

a)

de uitzonderlijke omstandigheden die verschillen van de omstandigheden op het ogenblik van de afwikkelingsplanning met als gevolg dat die passiva moeten worden uitgesloten van bail-in op het ogenblik dat de afwikkelingsmaatregel wordt getroffen;

b)

de redenen waarom de noodzaak van de uitsluiting, en met name de uitzonderlijke omstandigheden die tot die uitsluiting hebben geleid, niet konden worden voorzien tijdens de afwikkelingsplanning;

c)

indien in het afwikkelingsplan was voorzien in de noodzaak van uitsluiting, de wijze waarop de afwikkelingsautoriteit deze noodzaak heeft aangepakt om te voorkomen dat zij een belemmering voor afwikkelbaarheid zou vormen.

8.   Bij het besluit om passiva of een categorie van passiva al dan niet geheel of gedeeltelijk uit te sluiten overeenkomstig artikel 44, lid 3, onder a), van Richtlijn 2014/59/EU, licht, indien de uitsluiting de overdracht van verliezen naar het afwikkelingsfonds zou omvatten, de afwikkelingsautoriteit tevens toe:

a)

hoe/of aan de in de artikelen 5 en 6 van deze verordening vastgelegde vereisten is voldaan, en

b)

waarom de noodzaak van uitsluiting niet kon worden aangepakt met behulp van een passende waarderingsmethode overeenkomstig artikel 36 van Richtlijn 2014/59/EU.

9.   Bij het besluit om passiva of een categorie van passiva al dan niet geheel of gedeeltelijk uit te sluiten om de continuïteit van kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen te behouden overeenkomstig artikel 44, lid 3, onder b), van Richtlijn 2014/59/EU, licht, indien de uitsluiting de overdracht van verliezen naar het afwikkelingsfonds zou omvatten, de afwikkelingsautoriteit tevens toe:

a)

hoe/of aan de in artikel 7 van deze verordening vastgelegde vereisten is voldaan;

b)

waarom de uit te sluiten passiva relevanter zijn voor de continuïteit van de duidelijk omschreven kritieke functies of kernbedrijfsonderdelen dan de passiva die niet zijn uitgesloten.

10.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit passiva of een categorie van passiva geheel of gedeeltelijk uitsluit om wijdverbreide besmetting te voorkomen overeenkomstig artikel 44, lid 3, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU, licht, indien de uitsluiting de overdracht van verliezen naar het afwikkelingsfonds zou omvaten, de afwikkelingsautoriteit tevens toe:

a)

hoe/of aan de in artikel 8 van deze verordening vastgelegde vereisten is voldaan;

b)

de redenen waarom er meer kans bestaat dat de uitgesloten passiva een wijdverbreide besmetting veroorzaken zoals beschreven in artikel 44, lid 3, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU dan de passiva die niet uitgesloten zijn.

11.   Wanneer de afwikkelingsautoriteit passiva of een categorie van passiva geheel of gedeeltelijk uitsluit overeenkomstig artikel 44, lid 3, onder d), van Richtlijn 2014/59/EU, licht, indien de uitsluiting de overdracht van verliezen naar het afwikkelingsfonds zou omvatten, de afwikkelingsautoriteit tevens toe hoe/of aan de in artikel 9 van deze verordening vastgelegde vereisten is voldaan.

Artikel 5

Uitsluiting op basis van de onmogelijkheid tot bail-in krachtens artikel 44, lid 3, onder a), van Richtlijn 2014/59/EU

1.   De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva of een categorie van passiva enkel uitsluiten van de toepassing van het instrument van bail-in, indien deze toepassing door de hiermee samenhangende obstakels niet binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden, ondanks het feit dat de afwikkelingsautoriteit hiertoe alles in het werk heeft gesteld.

2.   Met betrekking tot lid 1 voldoen de afwikkelingsautoriteiten in het bijzonder aan de volgende vereisten voordat zij een besluit nemen over de daar bedoelde uitsluiting:

a)

de verplichting van de afwikkelingsautoriteit om in het afwikkelingsplan te voorzien in een beschrijving van de procedures ter waarborging van de beschikbaarheid binnen een passend tijdsbestek van de voor de waardering vereiste informatie overeenkomstig de artikelen 36 en 49 van Richtlijn 2014/59/EU;

b)

de verplichting van de afwikkelingsautoriteit om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de instelling aan te pakken, met inbegrip van de omstandigheden die leiden tot een mogelijke uitsluiting die kon worden voorzien in de afwikkelingsplanningsprocedure wanneer deze mogelijke uitsluitingen neerkomen op belemmeringen voor de afwikkelbaarheid.

Artikel 6

Redelijke termijn

1.   Wanneer de afwikkelingsautoriteiten voornemens zijn passiva of een categorie van passiva uit te sluiten van bail-in krachtens artikel 44, lid 3, onder a), van Richtlijn 2014/59/EU en teneinde vast te leggen wat „een redelijke termijn” inhoudt, bepalen de afwikkelingsautoriteiten het volgende:

a)

wanneer het afschrijvingsbedrag uiterlijk moet worden bepaald;

b)

tegen wanneer alle taken die nodig zijn voor de bail-in van die passiva moeten zijn uitgevoerd om te voldoen aan de afwikkelingsdoelstellingen, rekening houdend met de situatie op het ogenblik van de afwikkelingsmaatregel.

2.   Bij de vaststelling van de in lid 1 vermelde vereisten beoordelen de afwikkelingsautoriteiten het volgende:

a)

de noodzaak van publicatie van een besluit van bail-in en vaststelling van het bail-inbedrag en de definitieve toewijzing ervan aan de diverse categorieën van schuldeisers;

b)

de gevolgen die het uitstel van een dergelijk besluit heeft voor het marktvertrouwen, mogelijke marktreacties, zoals de uitstroom van liquiditeit, en de doeltreffendheid van de afwikkelingsmaatregelen, rekening houdend met de volgende twee punten:

i)

of de problemen en het risico op falen van de instelling al dan niet bekend zijn bij de marktdeelnemers;

ii)

de zichtbaarheid van de gevolgen van de problemen of het mogelijk falen van de instelling voor de marktdeelnemers;

c)

de openingstijden van markten voor zover zij van invloed kunnen zijn op de continuïteit van kritieke functies en besmettingsgevolgen;

d)

de referentiedatum(s) waarop aan de kapitaalvereisten moet zijn voldaan;

e)

de datums waarop betalingen van de instelling verschuldigd zijn en de looptijd van de betrokken passiva.

Artikel 7

Uitsluiting op basis van het behoud van bepaalde kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen krachtens artikel 44, lid 3, onder b), van Richtlijn 2014/59/EU

1.   De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva of een categorie van passiva uitsluiten omdat het noodzakelijk en evenredig is om bepaalde kritieke functies te behouden, wanneer zij van oordeel zijn dat passiva of categorieën van passiva verband houden met een kritieke functie en er met het oog op de continuïteit daarvan op die passiva of categorieën van passiva geen bail-in moet worden toegepast, indien aan beide volgende elementen is voldaan:

a)

de bail-in van de passiva of categorie van passiva zou de functie ondermijnen door de beschikbaarheid van financiering of door de afhankelijkheid van tegenpartijen, zoals hedgingtegenpartijen, van infrastructuur of van dienstverleners van de instelling die mogelijk worden verhinderd of niet bereid zijn om na een bail-in transacties met de instelling verder te zetten;

b)

de kritieke functie in kwestie is een dienst die de instelling aan derden verleent en die afhangt van de ononderbroken prestatie van de passiva.

2.   De afwikkelingsautoriteiten mogen enkel passiva uitsluiten die zijn vereist met het oog op risicomanagement (hedging) in het kader van kritieke functies waarbij aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

a)

het risicomanagement (hedging) is erkend voor prudentiële doeleinden en is cruciaal voor het behoud van activiteiten die verband houden met kritieke functies;

b)

het zou voor de instelling onmogelijk zijn om tegen redelijke voorwaarden een afgewikkelde risicomanagementmaatregel te vervangen binnen de termijn die vereist is voor het behoud van de kritieke functie.

3.   De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva uitsluiten met het oog op behoud van een financieringsrelatie waarbij aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

a)

de afwikkelingsautoriteit is van oordeel dat de financiering cruciaal is voor het behoud van een kritieke functie;

b)

met het oog op artikel 6 van deze verordening is het voor de instelling onmogelijk om de financiering te vervangen binnen de termijn die vereist is voor het behoud van de kritieke functie.

4.   De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva of een categorie van passiva niet enkel uitsluiten op basis van een van de volgende elementen:

a)

de looptijd;

b)

de verwachting van een stijging van de financieringskosten die de continuïteit van de kritieke functie niet in gevaar brengt;

c)

de verwachting van een toekomstige mogelijke winst.

5.   De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva of een categorie van passiva uitsluiten omdat het noodzakelijk en evenredig is om een kernbedrijfsonderdeel te behouden, indien de uitsluiting van die passiva cruciaal is voor het behoud van de capaciteit van de instelling in afwikkeling om de kernactiviteiten, -diensten en -transacties verder te zetten en om de in artikel 31, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 2014/59/EU vermelde afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.

Artikel 8

Uitsluiting op basis van de voorkoming van wijdverbreide besmetting krachtens artikel 44, lid 3, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU

1.   Wanneer uitsluitingen worden overwogen op grond van het risico op directe besmetting overeenkomstig artikel 44, lid 3, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU, beoordelen de afwikkelingsautoriteiten zo veel mogelijk de verwevenheid van de instelling in afwikkeling met de tegenpartijen.

De in de eerste alinea bedoelde beoordeling omvat al het volgende:

a)

beschouwing van blootstellingen aan relevante tegenpartijen met betrekking tot het risico dat bail-in van dergelijke blootstellingen kan leiden tot een kettingreactie van falingen;

b)

de systeemrelevantie van tegenpartijen met een risico op falen, met name ten aanzien van andere financiële marktdeelnemers en verstrekkers van financiële marktinfrastructuren.

2.   Wanneer uitsluitingen op basis van het risico op indirecte besmetting overeenkomstig artikel 44, lid 3, onder c), van Richtlijn 2014/59/EU worden overwogen, beoordeelt de afwikkelingsautoriteit zo veel mogelijk de noodzaak en evenredigheid van de uitsluiting op basis van meerdere objectieve relevante indicatoren. De volgende indicatoren zijn mogelijk relevant voor het geval:

a)

het aantal, de omvang en verwevenheid van instellingen met vergelijkbare kenmerken als de instelling in afwikkeling, in zover dit kan leiden tot een wijdverbreid gebrek aan vertrouwen in de banksector of het ruimere financiële stelsel;

b)

het aantal natuurlijke personen dat rechtstreeks of onrechtstreeks wordt getroffen door de bail-in, de zichtbaarheid en verslaggeving in de pers van de afwikkelingsmaatregel, in zover dit een aanzienlijk risico inhoudt op het ondermijnen van het algemene vertrouwen in de banksector of het ruimere financiële stelsel;

c)

het aantal, de omvang en verwevenheid van tegenpartijen die worden getroffen door de bail-in, met inbegrip van marktdeelnemers uit de niet-banksector en het belang van kritieke functies die door deze tegenpartijen worden uitgeoefend;

d)

de capaciteit van de tegenpartijen om een beroep te doen op alternatieve dienstverleners voor functies die gezien de specifieke situatie zijn beoordeeld als vervangbaar;

e)

de vraag of een aanzienlijk aantal tegenpartijen financiering of transacties met andere partijen zou stopzetten na de bail-in, dan wel de vraag of de markten niet langer correct zouden functioneren als gevolg van de bail-in van dergelijke marktdeelnemers, met name wanneer er sprake is van algemeen verlies van marktvertrouwen of paniek;

f)

de wijdverbreide terugtrekking van kortetermijnfinanciering of deposito's met aanzienlijke bedragen;

g)

het aantal, de omvang of het belang van instellingen die het risico lopen om aan de voorwaarden voor vroegtijdige interventie te voldoen of aan de voorwaarden inzake falen voldoen of waarschijnlijk zullen falen overeenkomstig artikel 32, lid 4, van Richtlijn 2014/59/EU;

h)

het risico op een significante onderbreking van kritieke functies of een forse prijsstijging voor de verstrekking van deze functies (zoals blijkt uit veranderingen van de marktvoorwaarden voor dergelijke functies of hun beschikbaarheid), of de verwachting van tegenpartijen en andere marktdeelnemers;

i)

wijdverbreide forse dalingen van de aandelenkoersen van instellingen of van de prijzen van activa die door instellingen worden aangehouden, met name wanneer zij een effect kunnen hebben op de kapitaalsituatie van instellingen;

j)

algemene en wijdverbreide aanzienlijke vermindering van voor instellingen beschikbare financiering op korte of middellange termijn;

k)

sterke achteruitgang van de werking van de interbancaire financieringsmarkt, zoals blijkt uit een forse stijging van marginvereisten en de afname van voor instellingen beschikbare zekerheden;

l)

wijdverbreide en forse prijsstijgingen voor verzekeringen tegen kredietverzuim of lagere kredietratings voor instellingen of andere marktdeelnemers die relevant zijn voor de financiële situatie van instellingen.

Artikel 9

Uitsluiting op basis van de voorkoming van een waardedaling krachtens artikel 44, lid 3, onder d), van Richtlijn 2014/59/EU

1.   De afwikkelingsautoriteiten mogen passiva of een categorie van passiva uitsluiten van bail-in indien deze uitsluiting een waardevernietiging voorkomt zodat de houders van de niet-uitgesloten passiva beter af zijn dan in het geval van bail-in van deze passiva.

2.   Om te beoordelen of aan de in lid 1 vermelde voorwaarde is voldaan, moeten de afwikkelingsautoriteiten voor alle schuldeisers de gevolgen vergelijken en evalueren die voortvloeien uit een mogelijke bail-in en niet-bail-in, in overeenstemming met artikel 36, lid 16, en artikel 49, lid 5, van Richtlijn 2014/59/EU.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 februari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190.

(2)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/21


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/861 VAN DE COMMISSIE

van 18 februari 2016

tot correctie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor niet-deltarisico van opties in het kader van de standaardbenadering voor marktrisico en tot correctie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 van de Commissie houdende aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met betrekking tot kwalitatieve en passende kwantitatieve criteria tot vaststelling van de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling materieel beïnvloeden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 94, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (2), en met name artikel 329, lid 3, derde alinea, artikel 352, lid 6, derde alinea, en artikel 358, lid 4, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 329, lid 3, artikel 352, lid 6, derde alinea en artikel 358, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepalen dat de Europese Bankautoriteit (EBA) een reeks methoden ontwikkelt om in de eigenvermogensvereisten van instellingen naast het deltarisico andere risico's tot uitdrukking te brengen op een wijze die evenredig is met de omvang en complexiteit van de activiteiten van instellingen op het gebied van opties en warrants. De EBA heeft dienovereenkomstig in dit verband ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkeld die de Commissie heeft bevestigd en vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 van de Commissie (3).

(2)

Volgens het bij Richtlijn 2013/36/EU ingestelde kader voor prudentieel toezicht moeten alle instellingen alle medewerkers vaststellen wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden. In overeenstemming met artikel 94, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU heeft de EBA in dit verband ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkeld die de Commissie heeft bevestigd en vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 van de Commissie (4).

(3)

In Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 komen een aantal fouten voor die gecorrigeerd moeten worden.

(4)

Op grond van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 mag de vereenvoudigde benadering alleen beschikbaar zijn voor instellingen die uitsluitend opties en warrants kopen, maar mogen zij niet verplicht worden om die benadering te gebruiken. Het is derhalve passend de verwoording van artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 te corrigeren, op grond waarvan die instellingen de vereenvoudigde benadering moeten gebruiken en andere instellingen die benadering eveneens mogen gebruiken.

(5)

Artikel 4, lid 1, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 moet in die zin worden gewijzigd dat alle medewerkers bedoeld worden wier totale beloning hen in dezelfde beloningsschaal als de directie plaatst en dat met medewerkers die risico's nemen bedoeld wordt „medewerkers die materiële risico's nemen”, dat wil zeggen medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling materieel beïnvloeden.

(6)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die door de EBA aan de Commissie zijn voorgelegd.

(7)

De EBA heeft open publieksraadplegingen gehouden over de oorspronkelijke ontwerpen van technische reguleringsnormen die deze verordening corrigeert, de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en het advies van de in overeenstemming met artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen ingewonnen (5).

(8)

Om ervoor te zorgen dat de technische reguleringsnormen zo spoedig mogelijk correct kunnen worden toegepast, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Correctie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014

Artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 wordt vervangen door het volgende:

„Artikel 2

Alleen instellingen die uitsluitend opties en warrants kopen, mogen de vereenvoudigde benadering gebruiken.”.

Artikel 2

Correctie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014

In artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 wordt punt c) vervangen door het volgende:

„c)

aan de medewerker is in het voorgaande boekjaar een totale beloning toegekend die gelijk is aan of meer bedraagt dan de laagste totale beloning die in dat boekjaar is toegekend aan een directielid of aan een medewerker die voldoet aan één van de criteria in artikel 3, onder 1), 5), 6), 8), 11), 12), 13) of 14).”.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 februari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.

(2)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 528/2014 van de Commissie van 12 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor niet-deltarisico van opties in het kader van de standaardbenadering voor marktrisico (PB L 148 van 20.5.2014, blz. 29)

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 604/2014 van de Commissie van 4 maart 2014 houdende aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen met betrekking tot kwalitatieve en passende kwantitatieve criteria tot vaststelling van de categorieën van medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van een instelling materieel beïnvloeden (PB L 167 van 6.6.2014, blz. 30)

(5)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/862 VAN DE COMMISSIE

van 31 mei 2016

tot weigering van een vergunning voor een gezondheidsclaim voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen gaat

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (1), en met name artikel 18, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1924/2006 zijn gezondheidsclaims voor levensmiddelen verboden, tenzij de Commissie daarvoor overeenkomstig die verordening een vergunning heeft verleend en zij zijn opgenomen in een lijst van toegestane claims.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1924/2006 wordt eveneens bepaald dat aanvragen voor vergunningen voor gezondheidsclaims door exploitanten van levensmiddelenbedrijven bij de bevoegde nationale autoriteit van een lidstaat kunnen worden ingediend. De bevoegde nationale autoriteit moet geldige aanvragen doorsturen naar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, hierna de „EFSA” genoemd, voor een wetenschappelijke beoordeling en naar de Commissie en de lidstaten ter informatie.

(3)

De Commissie moet bij haar besluit over de verlening van een vergunning voor gezondheidsclaims rekening houden met het advies van de EFSA. In sommige gevallen kan de wetenschappelijke risicobeoordeling alleen niet alle gegevens verschaffen waarop een risicomanagementbeslissing moet worden gebaseerd, en daarom moeten ook andere ter zake dienende factoren in aanmerking worden genomen.

(4)

Ingevolge een aanvraag van Oy Karl Fazer AB, die werd ingediend overeenkomstig artikel 13, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1924/2006, moest de EFSA een advies uitbrengen over een gezondheidsclaim met betrekking tot vezelrijk zuurdesembrood van rogge en een vermindering van de postprandiale glucoserespons (vraag nr. EFSA-Q-2014-00012 (2)). De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: „De consumptie van vezelrijk zuurdesembrood van rogge draagt bij tot een vermindering van de glucose- en insulinerespons na de maaltijd”. Op verzoek van de EFSA heeft de aanvrager verduidelijkt dat het geclaimde effect van vezelrijk zuurdesembrood van rogge vergeleken moet worden met dat van glucose.

(5)

Op 8 oktober 2014 hebben de Commissie en de lidstaten het wetenschappelijk advies van de EFSA ontvangen, waarin op grond van de verstrekte gegevens werd geconcludeerd dat een oorzakelijk verband was vastgesteld tussen de consumptie van bijna alle levensmiddelen en een vermindering van de bloedglucoserespons in vergelijking met glucose.

(6)

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, en artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 moeten gezondheidsclaims worden gebaseerd op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs. De verlening van een vergunning kan rechtmatig worden geweigerd als de gezondheidsclaims niet voldoen aan andere algemene en specifieke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006, zelfs in geval van een gunstige wetenschappelijke beoordeling door de EFSA. De EFSA heeft in haar wetenschappelijke advies opgemerkt dat bij testen met verschillende koolhydraathoudende levensmiddelen met vergelijkbare koolhydraatgehalten bijna elk koolhydraathoudend levensmiddel leidt tot een vermindering van de glucoserespons na de maaltijd in vergelijking met de bloedglucoserespons na consumptie van glucose. Voorts zij opgemerkt dat levensmiddelen met weinig of geen beschikbare koolhydraten ook zouden bijdragen tot een vermindering van de postprandiale bloedglucoserespons in vergelijking met glucose.

(7)

In Verordening (EG) nr. 1924/2006 wordt een definitie gegeven van het begrip „claim” als elke boodschap of aanduiding waarmee gesteld, de indruk gewekt of geïmpliceerd wordt dat een levensmiddel bepaalde eigenschappen heeft. Een claim inzake vezelrijk zuurdesembrood van rogge en postprandiale glucoseresponsen zou de indruk wekken dat vezelrijk zuurdesembrood van rogge bepaalde eigenschappen heeft die een rol spelen bij de vermindering van de postprandiale glucoserespons in vergelijking met glucose, terwijl eigenlijk bijna alle levensmiddelen hetzelfde effect hebben. Artikel 3, tweede alinea, onder a), van Verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalt dat gezondheidsclaims niet misleidend mogen zijn. Een claim die de indruk wekt dat een bepaald levensmiddel gunstige eigenschappen bezit terwijl eigenlijk bijna alle levensmiddelen deze eigenschappen bezitten, zou misleidend zijn.

(8)

In het licht van het bovenstaande voldoet de claim betreffende de consumptie van vezelrijk zuurdesembrood van rogge en de vermindering van de postprandiale glucoserespons niet aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006 en mag deze derhalve niet worden opgenomen in de lijst van toegestane gezondheidsclaims.

(9)

Bij het nemen van de in deze verordening vastgestelde maatregelen is rekening gehouden met de opmerkingen van de aanvrager die de Commissie krachtens artikel 16, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 heeft ontvangen.

(10)

De lidstaten zijn geraadpleegd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening opgenomen gezondheidsclaim wordt niet in de lijst van toegestane claims van de Unie zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1924/2006 opgenomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 mei 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.

(2)  EFSA Journal 2014; 12(10):3837.


BIJLAGE

Afgewezen gezondheidsclaim

Aanvraag — Toepasselijke bepalingen van Verordening (EG) nr. 1924/2006

Nutriënt, stof, levensmiddel of levensmiddelencategorie

Claim

Referentie EFSA-advies

Gezondheidsclaim overeenkomstig artikel 13, lid 5, die is gebaseerd op nieuw wetenschappelijk bewijs en/of die een verzoek om bescherming van door eigendomsrechten beschermde gegevens inhoudt

Vezelrijk zuurdesembrood van rogge

De vermindering van de postprandiale glucoserespons in vergelijking met glucose

Q-2014-00012


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/27


VERORDENING (EU) 2016/863 VAN DE COMMISSIE

van 31 mei 2016

tot wijziging van de bijlagen VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft huidcorrosie/-irritatie, ernstig oogletsel/oogirritatie en acute toxiciteit

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG (1) van de Commissie, en met name artikel 13, lid 2, en artikel 131,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 moeten de testmethoden die worden gebruikt om informatie te verkrijgen over de intrinsieke eigenschappen van stoffen die onder die verordening vallen regelmatig worden herzien en verbeterd om het aantal proeven op gewervelde dieren en het aantal betrokken dieren te verminderen. Voor zover passende en gevalideerde testmethoden beschikbaar worden, moeten Verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie (2) en de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 in voorkomend geval worden gewijzigd, om dierproven te vervangen, in aantal te verminderen of te verfijnen. Er dient rekening te worden gehouden met de in Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) vastgelegde beginselen van vervanging, vermindering en verfijning.

(2)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 bevat voorschriften voor de registratie van stoffen die in de Unie zijn vervaardigd of ingevoerd voor gebruik als zodanig of in mengsels of voorwerpen. De registrant moet in voorkomend geval de in Verordening (EG) nr. 1907/2006 voorgeschreven informatie verstrekken, om te voldoen aan de registratievereisten.

(3)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1907/2006, zijn in-vivostudies nodig voor het verkrijgen van informatie over huidirritatie en oogirritatie (punten 8.1 en 8.2 respectievelijk van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006).

(4)

In de afgelopen jaren is aanzienlijke wetenschappelijke vooruitgang geboekt op het gebied van de ontwikkeling van alternatieve testmethoden voor huidcorrosie/-irritatie en ernstig oogletsel/oogirritatie. Via de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is er internationale overeenstemming bereikt over testrichtsnoeren voor alternatieve testmethoden, die in Verordening (EG) nr. 440/2008 zijn opgenomen.

(5)

Voor huidcorrosie/-irritatie is het meestal mogelijk om uitsluitend op basis van in-vitrostudies afdoende informatie te vinden om de stof in te delen en de risico's ervan te beoordelen. Een conclusie kan worden getrokken op basis van één enkele in-vitrotest, als het resultaat van de test een onmiddellijk, betrouwbaar besluit over het al dan niet indelen mogelijk maakt, of op basis van een combinatie van twee in-vitrotests, één voor huidirritatie en één voor huidcorrosie. In-vivostudies zullen in uitzonderlijke gevallen nog steeds nodig zijn voor stoffen waarvan 10 ton of meer wordt geproduceerd of ingevoerd, bijvoorbeeld als de onderzochte stof buiten het toepassingsbereik van de in-vitrotestmethoden valt of als een uitgebreide reeks in-vitrotests geen doorslaggevende resultaten oplevert.

(6)

Voor ernstig oogletsel/oogirritatie bestaat een reeks in-vitrotests waaruit in veel gevallen afdoende informatie verkregen kan worden om de betroffen stof in te delen en de risico's ervan te kunnen beoordelen. Een conclusie over de kans dat de stof dergelijke gevolgen op het oog kan hebben, kan worden getrokken op basis van één enkele test, als het resultaat van de test een onmiddellijk, betrouwbaar besluit over het al dan niet indelen mogelijk maakt, of op basis van een combinatie van twee of meer tests. In-vivostudies zullen in sommige gevallen nog steeds nodig zijn voor stoffen waarvan 10 ton of meer wordt geproduceerd of ingevoerd, bijvoorbeeld als de onderzochte stof buiten het toepassingsbereik van de testmethoden valt of als een uitgebreide reeks in-vitrotests geen doorslaggevende resultaten oplevert.

(7)

De punten 8.1 en 8.2 van bijlage VIII moeten daarom worden gewijzigd door de in-vitrostudies als standaardinformatievereiste te stellen, en vast te stellen onder welke omstandigheden een in-vivostudie voor huidirritatie/-corrosie en ernstig oogletsel/oogirritatie nog altijd vereist is. Toereikende informatie uit bestaande in-vivostudies voor huid- of oogirritatie mag echter nog altijd worden gebruikt om te voldoen aan de informatievereisten voor de verschillende hoeveelheidsklassen.

(8)

Bovendien moeten de standaardinformatievereisten en de aanpassingsregels van de punten 8.1 en 8.2 van bijlage VII en de aanpassingsregels van de punten 8.1 en 8.2 van bijlage VIII worden herzien ter verwijdering van redundantie met regels van de bijlagen VI en XI en in de inleidende delen van de bijlagen VII en VIII wat betreft de herziening van beschikbare gegevens, het afzien van tests voor een toxicologisch eindpunt als de beschikbare informatie aangeeft dat de stof voldoet aan de criteria voor indeling bij dat toxicologische eindpunt, of ter verduidelijking van de beoogde bedoeling van het afzien van studies voor stoffen die onder bepaalde omstandigheden ontvlambaar zijn. Daar waar verwezen wordt naar de indeling van stoffen moeten de aanpassingsregels worden bijgewerkt zodat de terminologie overeenstemt met die van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(9)

Voor acute toxiciteit is, naast een test via de orale weg (punt 8.5.1 van bijlage VII), in punt 8.5 van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 een standaardinformatievereiste voorzien voor andere stoffen dan gassen langs tenminste één aanvullende route (inademing of via de huid) afhankelijk van de waarschijnlijke route van menselijke blootstelling. Uit recente wetenschappelijke analyses van de beschikbare gegevens uit in-vivostudies naar acute toxiciteit blijkt dat stoffen die langs orale weg niet toxisch zijn hoogstwaarschijnlijk ook via de huid niet toxisch zijn. Het via de huid testen van die stoffen levert dus geen essentiële informatie op voor de veiligheidsbeoordeling. Punt 8.5 van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet dus worden gewijzigd om de mogelijkheid te bieden af te zien van tests via de huid voor dergelijke stoffen.

(10)

Verder moet ECHA in samenwerking met de lidstaten en belanghebbende partijen richtsnoeren ontwikkelen over de toepassing van de testmethoden en de door deze verordening geboden mogelijkheden om af te zien van de standaardinformatievereisten van Verordening (EG) nr. 1907/2006. Daarbij dient ECHA ten volle rekening te houden met de werkzaamheden die door de OESO en andere relevante groepen wetenschappers en deskundigen zijn verricht.

(11)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 mei 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie van 30 mei 2008 houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB L 142 van 31.5.2008, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33).

(4)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.


BIJLAGE

De bijlage VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage VII, punten 8.1 en 8.2, worden vervangen door:

„8.1.

Huidcorrosie/-irritatie

8.1.

Het onderzoek of de onderzoeken behoeft of behoeven niet te worden uitgevoerd indien:

de stof een sterk zuur (pH ≤ 2,0) of een sterke base (pH ≥ 11,5) is en de beschikbare informatie erop wijst dat de stof zou moeten worden ingedeeld voor huidcorrosie (categorie 1), of

de stof bij kamertemperatuur spontaan ontvlambaar is in lucht of in contact met water of vocht, of

de stof is ingedeeld als acuut toxisch via de huid (categorie 1), of

het acute toxiciteitsonderzoek bij blootstelling via de huid tot aan de limietdosis (2 000 mg/kg lichaamsgewicht) geen aanwijzingen voor huidirritatie oplevert.

Als de resultaten van één van de twee in verband met de punten 8.1.1 of 8.1.2 uitgevoerde onderzoeken het al mogelijk maken een definitief besluit te nemen over de indeling van de stof, of de mogelijkheid van huidirritatie uit te sluiten, is het niet nodig het tweede onderzoek uit te voeren.

8.1.1.

Huidcorrosie, in vitro

 

8.1.2.

Huidirritatie, in vitro

 

8.2.

Ernstig oogletsel/oogirritatie

8.2.

Het onderzoek of de onderzoeken behoeft of behoeven niet te worden uitgevoerd indien:

de stof is ingedeeld voor huidcorrosie, en dus ook voor ernstig oogletsel (categorie 1), of

de stof is ingedeeld voor huidirritatie, en de beschikbare informatie erop wijst dat de stof ook voor oogirritatie zou moeten worden ingedeeld (categorie 2), of

de stof een sterk zuur (pH ≤ 2,0) of een sterke base (pH ≥ 11,5) is en de beschikbare informatie erop wijst dat het als ernstig oogletsel veroorzakend zou moeten worden ingedeeld (categorie 1), of

de stof bij kamertemperatuur spontaan ontvlambaar is in lucht of in contact met water of vocht.

8.2.1.

Ernstig oogletsel/oogirritatie, in vitro

8.2.1.

Als de resultaten van een eerste in-vitro-onderzoek het niet mogelijk maken een definitief besluit te nemen over de indeling van een stof, of de mogelijkheid van oogirritatie uit te sluiten, dienen één of meer andere in-vitro-onderzoeken voor dit eindpunt te worden overwogen.”

2)

Bijlage VIII, punten 8.1 en 8.2, worden vervangen door:

„8.1.

Huidcorrosie/-irritatie

8.1.

Een in-vivo-onderzoek voor huidcorrosie/-irritatie wordt alleen overwogen als de in verband met de punten 8.1.1 en 8.1.2 van bijlage VII uitgevoerde in-vitro-onderzoeken niet van toepassing zijn, of de resultaten van die onderzoeken niet afdoende zijn voor indeling en risicobeoordeling.

Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd indien:

de stof een sterk zuur (pH ≤ 2,0) of een sterke base (pH ≥ 11,5) is, of

de stof bij kamertemperatuur spontaan ontvlambaar is in lucht of in contact met water of vocht, of

de stof is ingedeeld als acuut toxisch via de huid (categorie 1), of

het acute toxiciteitsonderzoek bij blootstelling via de huid tot aan de limietdosis (2 000 mg/kg lichaamsgewicht) geen aanwijzingen voor huidirritatie oplevert.

8.2.

Ernstig oogletsel/oogirritatie

8.2.

Een in-vivo-onderzoek voor oogcorrosie/-irritatie wordt alleen overwogen als de in verband met punt 8.2.1 van bijlage VII uitgevoerde in-vitrostudie(s) niet van toepassing is (zijn), of de resultaten van die studie(s) niet afdoende zijn voor indeling en risicobeoordeling.

Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd indien:

de stof is ingedeeld voor huidcorrosie, of

de stof een sterk zuur (pH ≤ 2,0) of een sterke base (pH ≥ 11,5) is, of

de stof bij kamertemperatuur spontaan ontvlambaar is in lucht of in contact met water of vocht.”

3)

Bijlage VIII, punt 8.5, wordt vervangen door:

„8.5.

Acute toxiciteit

8.5.

In het algemeen behoeft er geen onderzoek te worden uitgevoerd indien:

de stof is ingedeeld voor huidcorrosie.

Voor andere stoffen dan gassen moet naast de orale route (bijlage VII, punt 8.5.1) de in de punten 8.5.2 en 8.5.3 vermelde informatie voor minstens één andere route worden vermeld. De keuze van die route zal afhangen van de aard van de stof en de te verwachten menselijke blootstellingsroute. Indien er slechts één blootstellingsroute is, behoeft alleen informatie voor die route te worden verstrekt.

8.5.2.

Bij inademing

8.5.2.

Een test met inademing is geschikt indien, rekening houdend met de dampspanning van de stof en/of de mogelijke blootstelling aan aerosolen, deeltjes of druppels met inhaleerbare afmetingen, de blootstelling van de mens via inademing te verwachten valt.

8.5.3.

Via de huid

8.5.3.

Onderzoek via de huid is geschikt indien:

1.

inademing van de stof onwaarschijnlijk is, en

2.

huidcontact tijdens de vervaardiging en/of gebruik van de stof te verwachten is, en

3.

de fysisch-chemische en toxicologische eigenschappen wijzen op een mogelijke significante absorptie via de huid.

Onderzoek via de huid behoeft niet te worden uitgevoerd indien:

de stof niet voldoet aan de criteria voor indeling als acuut toxisch of STOT SE (specifieke doelorgaantoxiciteit eenmalige blootstelling) langs orale weg, en

er bij in-vivo-onderzoek met blootstelling via de huid geen systemische effecten (bv. huidirritatie, sensibilisering van de huid) zijn waargenomen of, bij het ontbreken van in-vivo-onderzoek langs orale weg, er op basis van methoden zonder proeven (bv. read-across, QSAR-studies) geen systemische effecten na blootstelling via de huid worden verwacht.”


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/32


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/864 VAN DE COMMISSIE

van 31 mei 2016

tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof triasulfuron overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 20, lid 1, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2000/66/EG van de Commissie (2) is triasulfuron als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3).

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De goedkeuring van de werkzame stof triasulfuron, zoals vermeld in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, vervalt op 30 juni 2016.

(4)

Er is een aanvraag ingediend voor verlenging van de opneming van triasulfuron in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG; deze aanvraag is in overeenstemming met artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie (5) en is binnen de in dat artikel vermelde termijn ingediend.

(5)

De aanvrager heeft de vereiste aanvullende dossiers overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1141/2010 ingediend. De lidstaat-rapporteur heeft vastgesteld dat de aanvraag als volledig kan worden beschouwd.

(6)

De lidstaat-rapporteur heeft in overleg met de lidstaat-corapporteur een beoordelingsverslag over de verlenging opgesteld en dit op 14 oktober 2013 bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie ingediend.

(7)

De EFSA heeft het beoordelingsverslag over de verlenging voor opmerkingen aan de aanvrager en de lidstaten toegezonden en de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. De EFSA heeft het aanvullende beknopte dossier tevens toegankelijk gemaakt voor het publiek.

(8)

Op 8 januari 2015 heeft de EFSA aan de Commissie haar conclusie (6) meegedeeld met betrekking tot de vraag of triasulfuron naar verwachting zal voldoen aan de goedkeuringscriteria zoals vermeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. De EFSA heeft geconcludeerd dat het wegens een onvolledige beoordeling van de genotoxiciteit van triasulfuron en de bij de vervaardiging van triasulfuron gevormde onzuiverheid CGA 150829 niet mogelijk is gebleken de gezondheidsgebaseerde toxicologische referentiewaarden vast te stellen. Bijgevolg kon de beoordeling van het risico voor consumenten, toedieners, werknemers en omstanders niet worden uitgevoerd. De EFSA heeft verder geconcludeerd dat er in specifieke geografische en klimatologische omstandigheden een groot risico bestaat dat de beoordeelde representatieve gebruiksdoeleinden leiden tot blootstelling van het grondwater aan triasulfuron zelf of aan zijn bodemmetaboliet CGA 150829 boven de parametrische grenswaarde voor drinkwater van 0,1 μg/l. Voorts werd een groot risico voor waterplanten vastgesteld.

(9)

De Commissie heeft de aanvrager verzocht zijn opmerkingen in te dienen over de conclusie van de EFSA en, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1141/2010, over het ontwerpevaluatieverslag. De aanvrager heeft zijn opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht.

(10)

Ondanks de argumenten van de aanvrager blijven de in overweging 8 vermelde problemen echter bestaan.

(11)

Er is dan ook niet aangetoond dat er mag worden verwacht dat er voor een of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat triasulfuron bevat, aan de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bepaalde goedkeuringscriteria is voldaan. De goedkeuring van de werkzame stof triasulfuron mag daarom niet worden verlengd.

(12)

De lidstaten moet voldoende tijd worden gegund om de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die triasulfuron bevatten, in te trekken.

(13)

Indien de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een respijtperiode toekennen voor gewasbeschermingsmiddelen die triasulfuron bevatten, moet deze periode uiterlijk op 30 september 2017 aflopen.

(14)

Deze verordening laat de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor triasulfuron in te dienen overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, onverlet.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Niet-verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof

De goedkeuring van de werkzame stof triasulfuron wordt niet verlengd.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

De lidstaten trekken alle toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof triasulfuron bevatten uiterlijk op 30 september 2016 in.

Artikel 3

Respijtperioden

Door de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 toegekende respijtperioden zijn zo kort mogelijk en lopen uiterlijk op 30 september 2017 af.

Artikel 4

Wijzigingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

In deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de vermelding over triasulfuron in rij 9 geschrapt.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 mei 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2000/66/EG van de Commissie van 23 oktober 2000 houdende opneming van een werkzame stof (triasulfuron) in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 276 van 28.10.2000, blz. 35).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot vaststelling van de procedure voor de verlenging van de opneming van een tweede groep werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot opstelling van de lijst van die stoffen (PB L 322 van 8.12.2010, blz. 10).

(6)  EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), 2015. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance triasulfuron. EFSA Journal 2015; 13(1):3958, 78 blz., doi:10.2903/j.efsa.2015.3958.


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/35


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/865 VAN DE COMMISSIE

van 31 mei 2016

tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China door de invoer van enigszins gewijzigd bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna „de basisverordening” genoemd), en met name artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5,

Na kennisgeving aan de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   VERZOEK

(1)

De Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) heeft een verzoek ontvangen op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China (hierna „de VRC” genoemd) door de invoer van enigszins gewijzigd bepaald bladaluminium van oorsprong uit de VRC, en om deze invoer aan registratie te onderwerpen.

(2)

Het verzoek werd ingediend op 18 april 2015. De indiener van het verzoek heeft erom verzocht anoniem te blijven en dit in het verzoek naar behoren gemotiveerd. De Commissie is van mening dat er voldoende gronden zijn om vertrouwelijkheid ten aanzien van de identiteit van de indiener van het verzoek toe te kennen.

B.   PRODUCT

(3)

Het product waar het bij de mogelijke ontwijking om gaat, is bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910) en van oorsprong uit de VRC (hierna „het betrokken product” genoemd). Dit is het product waarop de thans geldende maatregelen van toepassing zijn.

(4)

De producten die met het oog op mogelijk ontwijking worden onderzocht, hebben dezelfde essentiële kenmerken als het betrokken product dat in de vorige overweging is gedefinieerd. Die producten kunnen evenwel zijn gegloeid of niet, en worden ook bij invoer aangeboden als:

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,007 mm en minder dan 0,008 mm, ongeacht de breedte van de rollen, of

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, op rollen met een breedte van meer dan 650 mm, of

bladaluminium met een dikte van meer dan 0,018 mm en minder dan 0,021 mm, ongeacht de breedte van de rollen, of

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,021 mm en niet meer dan 0,045 mm, indien aangeboden met ten minste twee lagen, ongeacht de breedte van de rollen.

(5)

De eerste drie hierboven beschreven producten zijn momenteel ingedeeld onder dezelfde GN-code als het betrokken product, maar onder andere Taric-codes (7607111930, 7607111940 en 7607111950).

(6)

Het laatste product is ingedeeld onder een andere GN-code dan het betrokken product (nl. GN-code ex 7607 11 90) en onder Taric-codes 7607119045 en 7607119080.

(7)

Alle hierboven beschreven producten zijn eveneens van oorsprong uit de VRC (hierna de „onderzochte producten” genoemd).

C.   BESTAANDE MAATREGELEN

(8)

De thans geldende maatregelen die mogelijk worden ontweken, zijn antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 van de Commissie (2) (hierna „de bestaande maatregelen” genoemd).

D.   MOTIVERING

(9)

Het verzoek bevat voldoende voorlopig bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de antidumpingmaatregelen ten aanzien van het betrokken product worden ontweken door middel van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het antidumpingrecht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat.

(10)

Het ingediende voorlopige bewijsmateriaal is als volgt.

(11)

Op basis van Chinese uitvoerstatistieken en invoerstatistieken van Eurostat heeft de indiener van het verzoek de ontwikkeling van de invoer, gedurende een periode die begon in 2008 en eindigde in 2015, van elk van de enigszins gewijzigde onderzochte producten bepaald. Door de ontwikkeling van de invoer van het betrokken product te vergelijken met de ontwikkeling van de invoer van de enigszins gewijzigde onderzochte producten, heeft de indiener van het verzoek een sterke groei van de invoer van het enigszins gewijzigde onderzochte product aangetoond, alsook een parallelle afname van de invoer van het betrokken product. De indiener van het verzoek heeft met name aangetoond dat de invoervolumes voor de enigszins gewijzigde onderzochte producten vergelijkbaar waren met het invoervolume van het betrokken product voordat bij Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad (3) antidumpingmaatregelen waren ingesteld. De indiener van het verzoek heeft derhalve aangetoond dat het handelspatroon was veranderd.

(12)

Daarnaast heeft de indiener van het verzoek voor elk van de ontwijkingspraktijken gedetailleerd bewijsmateriaal overgelegd betreffende het wijdverspreide bestaan van dergelijke praktijken en het gebrek aan voldoende redenen of economische rechtvaardiging daarvoor, behalve de instelling van het antidumpingrecht.

(13)

Op basis van de beschikbare informatie heeft de indiener van het verzoek aangetoond dat de uitvoerprijzen van de enigszins gewijzigde onderzochte producten van oorsprong uit de VRC onder elk van de ontwijkingspraktijken aanzienlijke prijsonderbieding en prijsbederf betekenen ten opzichte van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Bijgevolg ondermijnt de invoer van het enigszins gewijzigd onderzochte product van oorsprong uit de VRC de corrigerende werking van de antidumpingmaatregelen, wat zowel de prijzen als de hoeveelheden betreft.

(14)

Tot slot heeft de indiener van het verzoek, op basis van de gegevens waarover hij redelijkerwijs beschikt, dumpingmarges berekend waaruit blijkt dat de enigszins gewijzigde onderzochte producten onder elk van de ontwijkingspraktijken tegen dumpingprijzen op de markt van de Unie worden ingevoerd.

E.   PROCEDURE

(15)

Gezien het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat er voldoende bewijsmateriaal is om overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening een onderzoek te openen en overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening de invoer van de onderzochte producten te laten registreren.

a)   Vragenlijsten

(16)

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig denkt te hebben, zal de Commissie een vragenlijst toezenden aan de haar bekende producenten-exporteurs en verenigingen van producenten-exporteurs in de VRC, aan de haar bekende importeurs en verenigingen van importeurs in de Unie en aan de autoriteiten van de VRC. Zo nodig kunnen ook inlichtingen worden ingewonnen bij de bedrijfstak van de Unie.

(17)

In ieder geval moeten alle belanghebbenden zo spoedig mogelijk, maar binnen de in artikel 3 van deze verordening vermelde termijn, contact opnemen met de Commissie en binnen de in artikel 3, lid 1, van deze verordening vermelde termijn een vragenlijst aanvragen, aangezien de in artikel 3, lid 2, van deze verordening vermelde termijn voor alle belanghebbenden geldt.

(18)

De autoriteiten van de VRC zullen van de opening van het onderzoek in kennis worden gesteld.

b)   Schriftelijk en mondeling verstrekken van informatie

(19)

Alle belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en bewijsmateriaal te verstrekken. Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen die hierom schriftelijk verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.

c)   Vrijstelling van registratie bij invoer of van maatregelen

(20)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening kan de invoer van de onderzochte producten van registratie of maatregelen worden vrijgesteld indien de invoer geen ontwijking inhoudt.

(21)

Aangezien de mogelijke ontwijking buiten de Unie plaatsvindt, kan overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening vrijstelling worden verleend aan producenten van het onderzochte product in de VRC die kunnen aantonen dat zij niet verbonden (4) zijn met de producenten waarop de bestaande maatregelen van toepassing zijn (5), en die niet betrokken blijken te zijn bij ontwijkingspraktijken zoals beschreven in artikel 13, leden 1 en 2, van de basisverordening. Producenten die een vrijstelling wensen te krijgen, moeten binnen de in artikel 3, lid 3, van deze verordening vermelde termijn een voldoende met bewijsmateriaal gestaafd verzoek daartoe indienen.

F.   REGISTRATIE

(22)

Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening moet de invoer van de onderzochte producten worden geregistreerd zodat, indien bij het onderzoek blijkt dat er van ontwijking sprake is, een passend bedrag aan antidumpingrechten kan worden geheven vanaf de datum waarop de registratie van de invoer verplicht werd.

G.   TERMIJNEN

(23)

Met het oog op een behoorlijk bestuur moeten termijnen worden vastgesteld waarbinnen:

belanghebbenden zich bij de Commissie kenbaar kunnen maken, hun standpunt schriftelijk kunnen uiteenzetten en hun antwoorden op de vragenlijst en alle andere gegevens die zij voor het onderzoek nuttig achten, kunnen indienen;

producenten in de VRC om vrijstelling van de registratie bij invoer of van de maatregelen kunnen verzoeken;

belanghebbenden schriftelijk kunnen verzoeken door de Commissie te worden gehoord.

(24)

De aandacht wordt erop gevestigd dat de meeste in de basisverordening vermelde procedurele rechten slechts kunnen worden uitgeoefend indien de betrokkene zich binnen de in artikel 3 van deze verordening vastgelegde termijnen kenbaar maakt.

H.   NIET-MEDEWERKING

(25)

Indien een belanghebbende geen toegang verleent tot de vereiste gegevens, deze niet binnen de vastgestelde termijn verstrekt, dan wel het onderzoek ernstig belemmert, kunnen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening conclusies worden getrokken aan de hand van de beschikbare gegevens, zowel in positieve als in negatieve zin.

(26)

Indien blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, worden deze buiten beschouwing gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt.

(27)

Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent en de conclusies daarom overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd, kunnen de resultaten voor hem minder gunstig zijn dan wanneer hij wel medewerking had verleend.

(28)

Indien de belanghebbende zijn antwoord niet door middel van systemen voor automatische gegevensverwerking verstrekt, wordt dit niet als niet-medewerking beschouwd, mits deze belanghebbende aantoont dat verstrekking van het antwoord in de gevraagde vorm voor hem een onredelijke extra belasting zou betekenen of onredelijke extra kosten zou meebrengen. De belanghebbende moet onmiddellijk contact opnemen met de Commissie.

I.   TIJDSCHEMA VOOR HET ONDERZOEK

(29)

Het onderzoek zal overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening binnen negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden afgesloten.

J.   VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS

(30)

Persoonsgegevens die in het kader van dit onderzoek worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (6).

K.   RAADADVISEUR-AUDITEUR

(31)

Belanghebbenden kunnen erom vragen dat de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures wordt ingeschakeld. De raadadviseur-auditeur fungeert als tussenpersoon tussen de belanghebbenden en de onderzoeksdiensten van de Commissie. Hij behandelt verzoeken om toegang tot het dossier, geschillen over de vertrouwelijkheid van documenten, verzoeken om termijnverlenging en verzoeken van derden om te worden gehoord. De raadadviseur-auditeur kan een hoorzitting met een individuele belanghebbende beleggen en als bemiddelaar optreden om te garanderen dat de belanghebbenden hun recht van verweer ten volle kunnen uitoefenen.

(32)

Een verzoek om door de raadadviseur-auditeur te worden gehoord, moet schriftelijk worden ingediend en met redenen worden omkleed. De raadadviseur-auditeur kan ook een hoorzitting voor belanghebbenden beleggen waar uiteenlopende standpunten en tegenargumenten naar voren kunnen worden gebracht.

(33)

Belanghebbenden die contact willen opnemen, vinden de nodige gegevens en nadere informatie op de webpagina's van de raadadviseur-auditeur op de website van DG Handel (http://ec.europa.eu/trade/trade-policy-and-you/contacts/hearing-officer/),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op grond van artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 wordt een onderzoek geopend om vast te stellen of bij de invoer in de Unie van:

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,007 mm en minder dan 0,008 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen, met een gewicht van meer dan 10 kg, ongeacht de breedte, al dan niet gegloeid, of

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en minder dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen, met een gewicht van meer dan 10 kg en met een breedte van meer dan 650 mm, al dan niet gegloeid, of

bladaluminium met een dikte van meer dan 0,018 mm en minder dan 0,021 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen, met een gewicht van meer dan 10 kg, ongeacht de breedte, al dan niet gegloeid, of

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,021 mm enniet meer dan 0,045 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen, met een gewicht van meer dan 10 kg, ongeacht de breedte, al dan niet gegloeid, indien aangeboden met ten minste twee lagen,

van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7607 11 19 (Taric-codes 7607111930, 7607111940 en 7607111950) en ex 7607 11 90 (Taric-codes 7607119045 en 7607119080) de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 ingestelde maatregelen worden ontweken.

Artikel 2

De douaneautoriteiten nemen overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 de nodige maatregelen om de invoer in de Unie van de in artikel 1 van de onderhavige verordening omschreven goederen te registreren.

De registratie wordt negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening beëindigd.

De Commissie kan de douaneautoriteiten bij verordening opdragen de registratie van de invoer in de Unie te beëindigen voor producten die zijn vervaardigd door producenten die een vrijstelling van registratie hebben aangevraagd en van wie is vastgesteld dat zij aan de voorwaarden voor een vrijstelling voldoen.

Artikel 3

1.   Vragenlijsten moeten binnen 15 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie worden aangevraagd.

2.   Belanghebbenden die wensen dat bij het onderzoek met hun opmerkingen rekening wordt gehouden, moeten, tenzij anders bepaald, binnen 37 dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening contact met de Commissie opnemen, hun standpunt schriftelijk uiteenzetten en de Commissie de antwoorden op de vragenlijst en eventuele andere gegevens doen toekomen.

3.   Producenten in de Volksrepubliek China die vrijstelling van de registratie bij invoer of van de maatregelen wensen te krijgen, moeten daartoe binnen dezelfde termijn van 37 dagen een voldoende met bewijsmateriaal gestaafd verzoek indienen.

4.   Binnen dezelfde termijn van 37 dagen kunnen belanghebbenden ook vragen om door de Commissie te worden gehoord.

5.   Informatie die aan de Commissie wordt verstrekt in het kader van handelsbeschermingsonderzoeken, moet vrij zijn van auteursrechten. Alvorens aan de Commissie informatie en/of gegevens te verstrekken die onderworpen zijn aan het auteursrecht van derden, moeten belanghebbenden de houder van het auteursrecht specifiek verzoeken de Commissie uitdrukkelijk toestemming te verlenen om a) voor deze handelsbeschermingsprocedure gebruik te maken van de informatie en gegevens, en b) de informatie en/of gegevens te verstrekken aan belanghebbenden in dit onderzoek, in een vorm die hun de mogelijkheid biedt hun recht van verweer uit te oefenen.

6.   Alle schriftelijke opmerkingen (met inbegrip van de in deze verordening gevraagde informatie), ingevulde vragenlijsten en correspondentie die door de belanghebbenden worden verstrekt waarvoor om een vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, moeten zijn voorzien van de vermelding „Limited (7).

7.   Belanghebbenden die informatie met de vermelding „Limited” verstrekken, moeten hiervan krachtens artikel 19, lid 2, van de basisverordening een niet-vertrouwelijke samenvatting indienen, voorzien van de vermelding „For inspection by interested parties”. Deze samenvatting moet gedetailleerd genoeg zijn om een redelijk inzicht te verschaffen in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen. Als een belanghebbende die vertrouwelijke inlichtingen verstrekt, geen niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan indient met de vereiste vorm en inhoud, kan deze informatie buiten beschouwing worden gelaten.

8.   Belanghebbenden wordt verzocht alle opmerkingen en verzoeken met inbegrip van gescande volmachten en certificaten per e-mail in te dienen, met uitzondering van uitgebreide antwoorden die persoonlijk of per aangetekend schrijven op een cd-rom of dvd worden ingediend. Door e-mail te gebruiken, stemmen belanghebbenden in met de geldende voorschriften inzake elektronisch ingediende opmerkingen, die zijn vervat in het document „CORRESPONDENCE WITH THE EUROPEAN COMMISSION IN TRADE DEFENCE CASES” (Correspondentie met de Europese Commissie in handelsbeschermingszaken) op de website van het directoraat-generaal Handel: http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2014/june/tradoc_152578.pdf. Belanghebbenden moeten hun naam, adres, telefoonnummer en een geldig e-mailadres vermelden en ervoor zorgen dat het verstrekte e-mailadres een actief, officieel en zakelijk e-mailadres is dat iedere dag wordt gecontroleerd. Zodra contactgegevens zijn verstrekt, verloopt de communicatie van de Commissie met belanghebbenden uitsluitend per e-mail, behalve indien zij er uitdrukkelijk om verzoeken alle documenten van de Commissie via een ander communicatiemiddel te ontvangen, of het document wegens de aard ervan per aangetekend schrijven moet worden verzonden. Voor nadere voorschriften en informatie over de correspondentie met de Commissie, met inbegrip van de beginselen die van toepassing zijn op per e-mail verzonden opmerkingen, moeten belanghebbenden de genoemde instructies over communicatie met belanghebbenden raadplegen.

Correspondentieadres van de Commissie:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer CHAR 04/039

1040 Brussel

BELGIË

E-mail: TRADE-AC-ALU-FOIL@ec.europa.eu

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 mei 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 van de Commissie van 17 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit Brazilië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 63).

(3)  Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (PB L 262 van 6.10.2009, blz. 1).

(4)  Overeenkomstig artikel 127 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558), worden twee personen geacht te zijn verbonden indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: a) zij zijn functionaris of directeur in de onderneming van de andere persoon; b) zij worden door de wettelijke bepalingen erkend als in zaken verbonden; c) zij zijn werkgever en werknemer; d) een derde partij bezit, heeft zeggenschap over, of houdt direct of indirect 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden; e) een van hen heeft direct of indirect zeggenschap over de ander; f) een derde persoon heeft direct of indirect zeggenschap over beiden; g) beiden hebben direct of indirect zeggenschap over een derde persoon, of h) zij behoren tot dezelfde familie. Overeenkomstig artikel 5, punt 4, van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1) wordt verstaan onder „persoon”: een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend.

(5)  Indien producenten evenwel in bovenbedoelde zin verbonden zijn met ondernemingen die onderworpen zijn aan de maatregelen die van kracht zijn ten aanzien van de invoer van oorsprong uit de VRC, kan hun toch vrijstelling worden verleend als er geen bewijs is dat die verbondenheid tot stand is gekomen of gebruikt werd om de oorspronkelijke maatregelen te ontwijken.

(6)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(7)  Een „Limited”-document wordt als vertrouwelijk in de zin van artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51) en artikel 6 van de WTO-overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VI van de GATT 1994 (antidumpingovereenkomst) beschouwd. Het is ook een beschermd document krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/42


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/866 VAN DE COMMISSIE

van 31 mei 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 mei 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

428,2

MA

98,3

TR

62,1

ZZ

196,2

0707 00 05

TR

99,6

ZZ

99,6

0709 93 10

TR

159,6

ZZ

159,6

0805 50 10

AR

174,2

TR

143,1

ZA

190,8

ZZ

169,4

0808 10 80

AR

111,7

BR

106,4

CL

134,0

CN

90,2

NZ

141,8

PE

106,8

US

192,9

ZA

115,7

ZZ

124,9

0809 29 00

TR

614,6

US

870,3

ZZ

742,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/44


VERORDENING (EU) 2016/867 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 mei 2016

betreffende de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens en kredietrisicogegevens (ECB/2016/13)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name op artikel 127, leden 2 en 5,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 5.1 en artikel 34.1,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), met name artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Gezien het Advies van de Europese Commissie (2),

Overwegende:

(1)

Gedetailleerde kredietgegevens en kredietrisicogegevens (hierna: „kredietgegevens”) omvatten gedetailleerde en specifieke informatie inzake instrumenten die een kredietrisico vormen voor deposito-instellingen, financiële instellingen met uitzondering van deposito-instellingen of vehikels voor activabeheer, die alle op significante schaal krediet verstrekken. Die gedetailleerde informatie is noodzakelijk voor uitvoering van de taken van het Eurosysteem, het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) en het Europees Comité voor systeemrisico's, waaronder monetairbeleidsanalyse en monetairbeleidstransacties, risicobeheer, toezicht op financiële stabiliteit, macroprudentieel beleid en onderzoek. Binnen het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (hierna: „GTM”) zijn deze gegevens ook relevant voor doeleinden van bankentoezicht.

(2)

Artikel 5.1. van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna: de „ESCB-statuten”) vereisen dat de Europese Centrale Bank (hierna: „ECB”), bijgestaan door de nationale centrale banken (hierna: „NCB's”), hetzij bij de bevoegde nationale autoriteiten, hetzij rechtstreeks bij de economische subjecten de voor de vervulling van de ESCB-taken benodigde statistische gegevens verzamelt. De ECB is ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2533/98 gehouden om uit de referentiegroep van informatieplichtigen de feitelijke populatie van informatieplichtigen te bepalen en is gerechtigd om bepaalde categorieën informatieplichtigen geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van hun rapportageverplichtingen.

(3)

Kredietgegevens verbeteren bestaande en te ontwikkelen ESCB-statistieken aanzienlijk, aangezien die gegevens in tegenstelling tot thans benutte gegevensbronnen belangrijke opsplitsingen en details verschaffen, zoals informatie inzake de structuur en risicopatronen van door de financiële sector verstrekt krediet. Kredietgegevens zullen bijvoorbeeld de kwaliteit van de volgende statistieken aanzienlijk verhogen: a) aan de omvang van ondernemingen gerelateerde leningen, een belangrijk kenmerk tot vaststelling en monitoring van de kredietverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen; b) naar tegenpartijsector uitgesplitste kredietlijnen; c) naar economische activiteit uitgesplitste aan niet-financiële vennootschappen verstrekte leningen; d) leningen op onderpand van onroerend goed, en e) grensoverschrijdende leningen en daarmee verband houdend inkomen als onderdeel van de betalingsbalansstatistieken van de eurogebiedlidstaten.

(4)

De beschikbaarheid van kredietgegevens maakt de thans inzake effectenemissiesstatistieken en effectenaanhoudingsstatistieken verzamelde micro-informatie bruikbaarder en verbetert de monitoring en versterkt de financiële integratie en stabiliteit in de Unie. Kredietgegevens betreffende buiten het eurogebied ingezeten bijkantoren waarvan het hoofdkantoor ingezeten is in een rapporterende lidstaat, zijn tenslotte relevant voor de uitvoering van ESCB-taken, met name voor monetairbeleidsanalyse en financiëlestabiliteitstaken. Bovendien kunnen de gegevens relevant zijn voor taken van macroprudentieel toezicht, zoals financiëlestabiliteitsanalyses, risicobeoordelingen en stresstesting. Luidens artikel 8, lid 1, onder d), en artikel 8, lid 4 bis, van Verordening (EG) nr. 2533/98 mogen uit hoofde van artikel 5 van de ESCB-statuten verzamelde statistische gegevens voor doeleinden van prudentieel toezicht gebruikt worden.

(5)

Een uitgebreide reeks van geharmoniseerde analytische kredietgegevens moet gaandeweg de rapportagelast verminderen door een verhoogde stabiliteit van de rapportagevereisten. Dat is relevant omdat de verwerking van wijzigingen in de sterk geautomatiseerde gegevensverwerkingssystemen van de informatieplichtigen zeer duur kan zijn. De geharmoniseerde reeks kredietgegevens zal daarnaast meer details bevatten, waardoor minder tot de informatieplichtigen gerichte aanvullende verzoeken noodzakelijk zijn.

(6)

Besluit ECB/2014/6 (3) stelt de procedure vast voor de ontwikkeling van een langetermijnkader voor de verzameling van op geharmoniseerde ECB-rapportagevereisten gebaseerde gedetailleerde kredietgegevens. Het besluit beoogt de invoering te verzekeren van: a) nationale gedetailleerde kredietgegevensreeksen die alle Eurosysteem-NCB's overeenkomstig gemeenschappelijke minimumnormen hanteren, en b) een gemeenschappelijke analytische database voor kredietgegevens (hierna: „AnaCredit”) die Eurosysteemleden delen en die invoergegevens bevat van alle eurogebiedlidstaten.

(7)

Aanbeveling ECB/2014/7 (4) moedigt de NCB's van de eurogebiedlidstaten die hun aansluiting bij het langetermijnkader voorbereiden, aan de bepalingen van Besluit ECB/2014/6 toe te passen. AnaCredit moet op vrijwillige basis beschikbaar zijn voor niet-eurogebiedlidstaten, met name de GTM-deelnemers onder hen, om de geografische en gegevenswerkingssfeer te verbreden, en voor meer harmonisatie in de Unie.

(8)

Enerzijds beogen de voorbereidende maatregelen uit hoofde van Besluit ECB/2014/6 „een kerngroep van geharmoniseerde gedetailleerde kredietgegevensreeksen vast te stellen die de NCB's op lange termijn aan de ECB moeten verstrekken”; anderzijds bleken uit de kosten-batenanalyse-uitkomst zeer sterke gebruikersbehoeften aan niet alleen een „kerngroep van gegevensreeksen”, maar ook aan een uitgebreide lijst data-attributen en -normen die de instrumenten kenmerken die voor de populatie van informatieplichtigen het kredietrisico genereren. Daarnaast moet de daaruit voortvloeiende harmonisatie de gegevensvergelijkbaarheid tussen landen en instellingen verhogen, waardoor een hogere gegevenskwaliteit voor analyse verzekerd wordt.

(9)

In combinatie met andere statistische kaders die gedetailleerde informatie verzamelen, beoogt AnaCredit de kredietrisico's voor informatieplichtigen analytisch in kaart te brengen, ongeacht het financiële instrument, het risicotype of boekhoudkundige indeling. Dienaangaande beogen de voorschriften van deze verordening te verzekeren dat informatieplichtigen een gemeenschappelijke reeks geharmoniseerde informatie aan de NCB's rapporteren.

(10)

AnaCredit moet in fasen opgebouwd worden, aangezien de significante heterogeniteit van de huidige kredietgegevens tussen deelnemende landen slechts geleidelijk aan geharmoniseerd kan worden. Deze stapsgewijze benadering houdt tevens rekening met de tijd die informatieplichtigen nodig hebben om te voldoen aan de verschillende gegevensvereisten. Globaal gezien moeten de reikwijdte en de inhoud van de tijdens de verschillende fasen te verzamelen gegevens zo vroeg mogelijk vastgesteld worden, zodat alle informatieplichtigen zich kunnen voorbereiden op het gebruik van een geharmoniseerde reeks concepten en definities. Derhalve neemt de Raad van bestuur haar besluit voor iedere opeenvolgende fase minstens twee jaar vóór de implementatie daarvan. Om de kosten en de werkdruk voor informatieplichtigen te minimaliseren, zal de informatieverstrekking inzake verstrekte leningen voor huisvesting op basis van steekproeftechnieken in een volgende fase nagegaan worden.

(11)

Terwijl het harmoniseren van rapportageverplichtingen en implementatiepraktijken een van de belangrijkste langetermijndoelstellingen van AnaCredit is, vereist de heterogeniteit van de huidige gegevensverzamelingspraktijken dat de bevoegdheid van de NCB's op bepaalde terreinen wordt gehandhaafd, bijvoorbeeld met betrekking tot besluitvorming van de NCB's met betrekking tot vrijstellingen voor kleine ingezeten informatieplichtigen. Dergelijke bevoegdheidsterreinen van NCB's moeten opnieuw beoordeeld worden teneinde vast te stellen of verdere harmonisatie tussen deelnemende landen bereikt kan worden.

(12)

Aangaande de werkingssfeer moet de eerste rapportagefase uit hoofde van Anacredit door kredietinstellingen aan juridische entiteiten verstrekte kredieten omvatten. Deposito-instellingen met uitzondering van kredietinstellingen, vehikels voor activabeheer, die alle krediet verstrekken, alsook buitenlandse bijkantoren van deze entiteiten mogen in de daaropvolgende fase worden opgenomen in de feitelijke populatie van informatieplichtigen. Aangaande instrumenten kan het bereik van gedetailleerde rapportage worden uitgebreid met derivaten, transitorische posten, buitenbalansposten (zoals financiële garanties) en krediet verleend aan andere personen dan rechtspersonen, waaronder eenmanszaken. In de eerste fase dienen geen persoonsgegevens zoals gedefinieerd in toepasselijke gegevensbeschermingsregels ingezameld te worden, waaronder voor kredieten met meerdere debiteuren waarbij natuurlijke personen zijn betrokken als debiteuren, of indien natuurlijke personen zijn geaffilieerd met aan Anacredit gerapporteerde instrumenten. Indien de reikwijdte van de rapportage zodanig wordt uitgebreid dat dergelijke persoonsgegevens in opvolgende fasen worden gerapporteerd, dient de bescherming van de rechten van natuurlijke personen met betrekking tot de verzameling en verwerking van hun persoonsgegevens verzekerd te worden. Bovendien kunnen opeenvolgende fasen rapportagevereisten op geconsolideerde basis incorporeren. Uitbreidingen van de rapportagepopulatie dienen rekening houden met het recht van de NCB's om kleine informatieplichtigen ontheffingen te verlenen en moeten minstens twee jaar vóór de invoering ervan vastgesteld worden opdat informatieplichtigen en NCB's voldoende tijd voor implementatie hebben.

(13)

In de voorbereiding op nieuwe fasen moet een uitbreiding van de populatie van informatieplichtigen, alsook de invoering van aanvullende rapportagevereisten geschieden op basis van een door het ESCB-Comité statistieken (hierna: het „STC”) opgestelde analyse, rekening houdend met de gebruikersbehoeften, de geraamde kosten voor de informatieplichtigen en NCB's, marktontwikkelingen en de in de eerste fase gewonnen ervaring.

(14)

De rapportageverplichtingen betreffende kredietgegevens moeten mede op basis van het proportionaliteitsbeginsel vastgesteld worden om een onevenredige rapportagelast voor met name kleine informatieplichtigen met een beperkt totaalkredietrisico te vermijden. Om dezelfde reden moeten NCB's het recht hebben om kleine informatieplichtigen ontheffingen te verlenen.

(15)

Om efficiënte rapportage en adequate interoperabiliteit met bestaande of nieuwe rapportagekaders te verzekeren, moet aan NCB's toegestaan worden om voor doeleinden van hun nationale wetgeving de aan de ECB te verstrekken informatie te verzamelen als deel van een breder nationaal rapportagekader en de rapportage van kredietgegevens uit te breiden op een wijze die de werkingssfeer van deze verordening te boven gaat, zulks overeenkomstig het relevante nationale recht.

(16)

Om bij te dragen aan AnaCredit moeten NCB's gebruik kunnen maken van hun eigen databases, van informatieplichtigen en enige andere bronnen ontvangen informatie, waaronder relevante referentiegegevensbronnen. NCB's moet het vrijstaan voor het toezicht op informatieplichtigen met nationale instituten voor de statistiek (hierna: „NSI's”), of nationale bevoegde autoriteiten (hierna: „NBA's”), of enige andere nationale autoriteit samenwerkingsregelingen aan te gaan, mits de verstrekte gegevens voldoen aan de in deze verordening vastgelegde kwaliteitsnormen. Gezien de thans vigerende uiteenlopende nationale regelingen en teneinde de rapportagelast uit hoofde van deze verordening te minimaliseren, wordt efficiënte en doelmatige samenwerking met NSI's, NBA's en andere nationale autoriteiten aangemoedigd.

(17)

De structuur van het kader voor de verzameling van kredietgegevens moet de interoperabiliteit met de centrale kredietregisters en andere door overheidsinstellingen ingevoerde relevante kredietgegevensreeksen, waaronder databases betreffende effectenstatistieken alsook het „ESCB Register of Institutions and Affiliates Dataset”, verzekeren.

(18)

Het moet NCB's vrij staan de multi-purpose gedeelde analytische gedetailleerde kredietgegevensreeks te benutten om feedbackloops in te voeren met informatieplichtigen of om bestaande feedbackloops en andere informatiediensten van centrale kredietregisters naar informatieplichtigen te verbreden. Deze feedbackloops zullen de ESCB-bijdrage aan de stabiliteit van het financiële stelsel vergroten overeenkomstig het wettelijke ESCB-mandaat overeenkomstig artikel 127, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze feedbackloops verschaffen informatieplichtigen een bredere basis voor hun kredietwaardigheidsbeoordelingen, met name aangaande grensoverschrijdende debiteuren, en maken de harmonisatie mogelijk van definities en data-attributen via hun leningspraktijken. Deze zullen het kredietrisicobeheer van kredietinstellingen en andere kredietverstrekkers verbeteren. In het bijzonder zullen deze ertoe bijdragen dat kredietinstellingen niet onterecht vertrouwen op externe ratings voor de beoordeling van kredietwaardigheid. Een feedbackloop moet beste praktijken respecteren, alsook aangaande minimumkwaliteitsnormen voor gegevens verzekeren. De vastlegging van de subreeks van analytische kredietgegevens die NCB's met elkaar kunnen delen ten behoeve van de feedbackloops, moet het specifieke vertrouwelijkheidsniveau van de betrokken data-attributen en de corresponderende vereisten voor vertrouwelijksheidsbescherming in aanmerking nemen, alsook de voor de implementatie benodigde tijd. Nadere details met betrekking tot de reikwijdte en implementatie van de feedbackloops kunnen in een afzonderlijke rechtshandeling worden vastgelegd en NCB's mogen memoranda van overeenstemming overeenkomen op basis van de toepasselijke juridische kaders met betrekking tot hun respectieve samenwerking in de feedbackloops. Enerzijds delen NCB's met een centraal kredietregister bilateraal (5) reeds gedetailleerde grensoverschrijdende kredietgegevens en kredietrisicogegevens, anderzijds hebben andere NCB's om juridische redenen tijd nodig voor de implementatie van de grensoverschrijdende informatiedeling om die gegevens door te geven aan de aan hen rapporterende financiële instellingen. De structuur en de implementatie van feedbackloops moeten rekening houden met nationale wettelijke bepalingen inzake de verwerking van vertrouwelijke statistische gegevens.

(19)

Voor de toepassing van deze verordening moeten de beschermings- en gebruiksnormen voor vertrouwelijke statistische gegevens, zoals vastgelegd in artikel 8 tot en met 8 quater van Verordening (EG) nr. 2533/98, van toepassing zijn.

(20)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad bepaalt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de in ECB-verordeningen of -besluiten vastgelegde of opgelegde statistische rapportagevereisten. Deze sanctiebevoegdheid staat los van het recht van de NCB's tot oplegging van sancties aan informatieplichtigen die niet voldoen aan statistische vereisten of andere rapportagevereisten die op basis van het toepasselijke nationale juridische kader op hen van toepassing zijn.

(21)

Het is noodzakelijk een procedure op te zetten om doelmatig technische wijzigingen in de bijlagen bij deze verordening door te voeren, mits dergelijke wijzigingen het onderliggende conceptuele kader niet veranderen en geen effect hebben op de rapportagelast van de informatieplichtigen in de lidstaten. Deze procedure moet rekening houden met het standpunt van het Comité statistieken van het ESCB.

(22)

Artikel 5 van de ESCB-statuten, in samenhang met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, stipuleert een verplichting om op nationaal niveau alle maatregelen te nemen en te implementeren die de niet-eurogebiedlidstaten dienstig achten: a) voor het verzamelen van statistische gegevens die nodig zijn om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van de ECB, en b) voor tijdige voorbereidingen op het gebied van statistieken zodat dergelijke lidstaten eurogebiedlidstaten kunnen worden.

(23)

De toepassing van deze verordening laat de verzameling van kredietgegevens uit hoofde van het juridische GTM-kader onverlet,

HEEFT DEZE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

In deze verordening wordt bedoeld met:

1)   „rapporterende lidstaat”: een eurogebiedlidstaat; niet-eurogebiedlidstaten kunnen besluiten een rapporterende lidstaat te worden door de bepalingen van deze verordening in hun nationale wetgeving op te nemen dan wel overeenkomstig hun nationale wetgeving anderszins relevante rapportagevereisten op te leggen; dat kan met name lidstaten betreffen die die deelnemen aan het GTM door middel van nauwe samenwerking overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (6);

2)   „ingezetene”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2533/98;

3)   „institutionele eenheid”: heeft dezelfde betekenis als bedoeld in punten 2.12 en 2.13 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7);

4)   „buitenlands bijkantoor”: een institutionele eenheid die een juridisch afhankelijk onderdeel is van een in een ander land dan het land van vestiging van het buitenlandse bijkantoor ingezeten juridische entiteit waarbij de rechtspersoonlijkheid van de juridische entiteit strookt met het concept van één enkel bijkantoor, zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2533/98;

5)   „juridische entiteit”: een entiteit die krachtens het daarop toepasselijke nationale recht rechten en verplichtingen kan verwerven;

6)   „identificatiecode voor juridische entiteiten” (legal entity identifier) (hierna: „LEI”)): een aan een juridische entiteit toegewezen alfanumerieke referentiecode overeenkomstig de ISO-17442-norm (8);

7)   „nationale identificatiecode”: een gebruikelijke identificatiecode voor de ondubbelzinnige identificatie van een tegenpartij binnen haar land van ingezetenschap;

8)   „informatieplichtige”: hetzij een juridische entiteit, hetzij een buitenlands bijkantoor dat ingezeten is in een rapporterende lidstaat en waarop de ECB-rapportagevereisten krachtens deze verordening van toepassing zijn;

9)   „gecontroleerde tegenpartij”: een institutionele eenheid waarvan de activiteit als crediteur of beheerder de door de informatieplichtige wordt gerapporteerd. De gecontroleerde tegenpartij is hetzij:

a)

de institutionele eenheid die ingezetene in hetzelfde land is als de informatieplichtige waar het onderdeel van uitmaakt, of

b)

een buitenlands bijkantoor van een informatieplichtige dat ingezeten is in een rapporterende lidstaat, of

c)

een buitenlands bijkantoor van een informatieplichtige dat niet ingezeten is in een rapporterende lidstaat;

10)   „tegenpartij”: een institutionele eenheid die partij is bij een instrument of geaffilieerd is met een partij bij een instrument;

11)   „crediteur”: de tegenpartij die het kredietrisico draagt van een instrument, met uitzondering van een protectiegever;

12)   „debiteur”: de tegenpartij die onvoorwaardelijk verplicht is aflossingen te doen die voortvloeien uit het instrument;

13)   „protectiegever”: de tegenpartij die bescherming biedt tegen een contractueel overeengekomen negatieve kredietgebeurtenis en die het kredietrisico draagt van de negatieve kredietgebeurtenis;

14)   „beheerder”: de tegenpartij die verantwoordelijk is voor het administratieve en financiële beheer van een instrument;

15)   „nationale centrale bank(en)” of NCB('s): de nationale centrale banken van lidstaten van de Europese Unie;

16)   „desbetreffende NCB”: de NCB van de rapporterende lidstaat waarin de informatieplichtige ingezeten is;

17)   „centraal kredietregister” (hierna: „CKR”): een kredietregister dat een NCB beheert en dat rapporten ontvangt van en bijstand verleent aan kredietverstrekkers in de financiële sector middels krediet- en kredietrisico-informatieverstrekking;

18)   „kredietinstelling”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, onder 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9);

19)   „instelling”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, punt 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

20)   „activum”: heeft dezelfde betekenis als bedoeld in punt 7.15 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013;

21)   „kredietrisico”: het risico dat een tegenpartij niet in staat is contractueel verplichte betalingen te doen;

22)   „contract”: een juridisch bindende overeenkomst tussen twee of meer partijen op basis waarvan een of meer instrumenten worden gecreëerd;

23)   „instrument”: een post die is gespecificeerd in de data-attributen „type instrument”, zoals vastgelegd in bijlage IV;

24)   „protectie”: een verzekering of dekking tegen een negatieve kredietgebeurtenis middels enige in de data-attribuut „type protectie”, zoals bepaald in bijlage IV;

25)   „toegezegd leningenbedrag”: de som van de data-attributen „uitstaand nominaal bedrag” en „bedrag buiten de balans” opgenomen in bijlage IV;

26)   „individueel”: verwijst naar één institutionele eenheid, waaronder institutionele eenheden die deel uitmaken van een juridische entiteit.

Artikel 2

Implementatiefases en eerste rapportage

1.   De multipurpose gedeelde analytische kredietgegevensreeks uit hoofde van deze verordening wordt fasegewijs ingevoerd. De eerste fase begint op 1 september 2018. De eerste maandelijkse en driemaandelijkse transmissie in deze fase en krachtens deze verordening beginnen met gegevens voor 30 september 2018.

2.   Om de juiste identificatie van tegenpartijen te verzekeren, sturen NCB's de ECB zes maanden voor de eerste verzending zoals vermeld in lid 1 een eerste reeks van tegenpartijreferentiegegevens, zulks overeenkomstig template 1 van bijlage I.

3.   Met het oog op de noodzakelijke organisatorische en technische voorbereidingen voor de transmissie van de in lid 2 bedoelde tegenpartijreferentiegegevens, kunnen NCB's van informatieplichtigen volledige of partiële tegenpartijreferentiegegevens verlangen, alsook kredietgegevens vanaf zondag 31 december 2017.

Artikel 3

Feitelijke populatie van informatieplichtigen

1.   De feitelijke populatie van informatieplichtigen bestaat uit ingezeten kredietinstellingen en ingezeten buitenlandse bijkantoren van kredietinstellingen, ongeacht of zij al dan niet krachtens Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (10) onder toezicht staande instellingen zijn.

2.   Informatieplichtigen rapporteren kredietgegevens op individuele basis overeenkomstig artikelen 4 en 6.

3.   Informatieplichtigen rapporteren aan de betreffende NCB.

Artikel 4

Statistische rapportagevereisten

1.   Informatieplichtigen rapporteren kredietgegevens met betrekking tot de gecontroleerde tegenpartij overeenkomstig artikel 6 voor de instrumenten die voldoen aan de in artikel 5 bedoelde voorwaarden:

a)

indien het instrument op enige rapportagereferentiedatum binnen de referentieperiode:

i)

een kredietrisico vormt voor de gecontroleerde tegenpartij, of

ii)

een activum van de gecontroleerde tegenpartij is, of

iii)

wordt verantwoord krachtens de betrokken standaard voor financiële verslaggeving die de juridische entiteit van de gecontroleerde tegenpartij gebruikt en in het verleden een kredietrisico vormde voor de gecontroleerde tegenpartij, of

iv)

wordt beheerd door de in een rapporterende lidstaat ingezeten gecontroleerde tegenpartij, en

i.

was toegekend aan andere institutionele eenheden van dezelfde juridische entiteit waar de gecontroleerde tegenpartij deel van uitmaakt, of

ii.

wordt aangehouden door een juridische entiteit die geen kredietinstelling is die in een rapporterende lidstaat ingezeten is anders dan de gecontroleerde tegenpartij, en

b)

waar ten minste één debiteur een juridische entiteit of onderdeel van een juridische entiteit is zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 5.

2.   Met betrekking tot enige specifieke rapportagereferentiedatum geldt dat de referentieperiode de periode is die aanvangt op de laatste rapportagereferentiedatum van het kwartaal voorafgaat aan de rapportagereferentiedatum en eindigt op die specifieke rapportagereferentiedatum.

Artikel 5

Rapportagedrempel

1.   Kredietgegevens worden voor de in artikel 4 vermelde instrumenten gerapporteerd indien het toegezegde leningenbedrag van de debiteur gelijk is aan of hoger is dan 25 000 EUR op enige rapportagereferentiedatum binnen de referentieperiode.

2.   Het in lid 1 vermelde toegezegde leningenbedrag van de debiteur wordt berekend als de som van het toegezegde leningenbedrag voor alle instrumenten van de debiteur met betrekking tot de gecontroleerde tegenpartij op basis van de reikwijdte van artikel 4 en de daarin gedefinieerde instrumenten.

Artikel 6

Statistische rapportagevereisten op individuele basis

1.   Informatieplichtigen rapporteren kredietgegevens op individuele basis overeenkomstig de templates in bijlage I.

2.   Informatieplichtigen die rechtspersonen zijn, rapporteren ten aanzien van alle gecontroleerde tegenpartijen die deel uitmaken van de rechtspersoon. Informatieplichtigen die buitenlandse bijkantoren zijn, rapporteren met betrekking tot hun eigen activiteit.

3.   Behoudens coördinatie tussen de betrokken NCB's, indien zowel een juridische entiteit als haar buitenlands bijkantoor ingezeten zijn in rapporterende lidstaten, en teneinde dubbele rapportage te vermijden:

a)

mag de desbetreffende NCB van de juridische entiteit besluiten de data-attributen van template 1 van bijlage I niet, of slechts deels, te verzamelen bij de juridische entiteit, indien die instrumenten worden aangehouden of beheerd door het buitenlandse bijkantoor;

b)

mag de desbetreffende NCB van het buitenlandse bijkantoor besluiten de data-attributen van template 2 van bijlage I niet, of slechts deels, te verzamelen bij het buitenlandse bijkantoor.

4.   De desbetreffende NCB mag besluiten geen informatie te verzamelen met betrekking tot buitenlandse bijkantoren die niet ingezeten zijn in een rapporterende lidstaat en onderdeel uitmaken van een juridische entiteit die de informatieplichtige is.

Artikel 7

Specifieke statistische rapportagevereisten

De statistische rapportagevereisten zoals vastgelegd in artikel 6, zullen gereduceerd worden met betrekking tot de kredietgegevens om te voldoen aan de specifieke criteria zoals uiteengezet in bijlage II.

Artikel 8

Algemene vereisten voor aangescherpte rapportage

1.   Informatieplichtigen en hun buitenlandse bijkantoren die niet ingezeten zijn in een rapporterende lidstaat, zetten de vereiste organisatorische structuur en passende interne controlemechanismen op om te verzekeren dat de uit hoofde van deze verordening overeenkomstig artikel 6 op individuele basis te rapporteren gegevens op juiste wijze verwerkt en doorgestuurd worden.

2.   Buitenlandse bijkantoren die niet in een rapporterende lidstaat ingezeten zijn, zijn geen informatieplichtigen uit hoofde van deze verordening. Informatieplichtigen verzekeren dat die buitenlandse bijkantoren regelingen, processen en mechanismen toepassen om de juiste implementatie van de rapportagevereisten op individuele basis te verzekeren.

3.   De statistische rapportagevereisten uit hoofde van deze verordening laten enige bestaande en toekomstige rapportagevereisten met betrekking tot kredietgegevens overeenkomstig nationale wetgeving of andere rapportagekaders onverlet.

4.   NCB's kunnen de aan de ECB te verstrekken informatie verzamelen als deel van een breder nationaal rapportagekader dat voldoet aan betreffende Unie- of nationale wetgeving. Deze bredere nationale rapportagekaders kunnen informatie omvatten die andere dan statistische doeleinden dient, bijvoorbeeld toezichtdoeleinden.

5.   NCB's mogen kredietgegevens uit andere bronnen verkrijgen.

6.   De minimumvereisten voor harmonisatie, volledigheid, mate van gedetailleerdheid en tegenpartijenidentificatie van kredietgegevens zijn vastgelegd in bijlage I.

Artikel 9

Tegenpartijenidentificatie

1.   Voor rapportage uit hoofde van deze verordening identificeren informatieplichtigen en NCB's tegenpartijen middels:

a)

een LEI, indien die identificatiecode is toegewezen, of

b)

indien geen LEI is toegewezen, een nationale identificatiecode, zoals nader uiteengezet in bijlage IV.

2.   NCB's mogen informatie aangaande de identificatie van de in bijlage III omschreven tegenpartijen verkrijgen middels directe rapportage door de informatieplichtigen of middels memoranda van overeenstemming of soortgelijke regelingen met NSI's, NBA's of andere nationale autoriteiten. Voor de juiste identificatie van tegenpartijen stellen NCB's de unieke identificatiecodes vast op basis van de in bijlage III uiteengezette informatie.

Artikel 10

Toegang tot en het gebruik van kredietgegevens

1.   De ECB en NCB's gebruiken uit hoofde van deze verordening gerapporteerde kredietgegevens, zoals in Verordening (EG) nr. 2533/98 is vastgelegd en voor de daarin vastgelegde doeleinden. Die gegevens kunnen met name gebruikt worden om de in artikel 11 bedoelde feedbackloop op te zetten en te onderhouden.

2.   Deze verordening laat bestaand of toekomstig gebruik van kredietgegevens, waaronder grensoverschrijdende uitwisselingen, onverlet, welk gebruik is toegestaan of vereist uit hoofde van Unie- of nationale wetgeving of memoranda van overeenstemming.

Artikel 11

Feedbackloop naar informatieplichtigen

1.   NCB's mogen kredietgegevens, waaronder door een andere NCB verzamelde gegevens, aan informatieplichtigen verstrekken door feedbackloops in te richten of uit te breiden, dan wel andere informatiediensten, van CCR's naar informatieplichtigen. Zij mogen een subreeks verstrekken van uit hoofde van deze verordening verzamelde kredietgegevens en wel overeenkomstig beste praktijken en voor zover de betreffende toepasselijke juridische vertrouwelijkheidsregeling. Informatieplichtigen mogen de gegevens uitsluitend voor kredietrisicobeheer gebruiken en voor de verbetering van de voor hun beschikbare kredietinformatiekwaliteit met betrekking tot bestaande of geplande instrumenten. Zij delen de gegevens niet met derden, tenzij het delen van gegevens met dienstverleners strikt noodzakelijk is voor deze doeleinden en de gebruikte gegevens slechts worden gebruikt met betrekking tot de informatieplichtige en de informatieplichtige een passende gegevensbescherming verzekert op basis van een contractuele afspraak waarin uitsluiting van ieder ander gebruik van de gegevens wordt geregeld, evenals het anonimiseren van de gegevens waar mogelijk en de vernietiging van de gegevens zodra het doel waarvoor ze zijn gedeeld, is bereikt. Enige andere gegevenstransmissie door de dienstverlener en enig delen van gegevens met commerciële aanbieders van kredietgegevens is verboden.

2.   NCB's bepalen de reikwijdte van de te verstrekken gegevens, de datatoegangverleningsprocedure en enige aanvullende gegevensgebruikbeperkingen, rekening houdend met het nationale juridische kader en enige andere beperking die voortvloeit uit de vertrouwelijke aard van de informatie.

3.   Dit artikel stipuleert voor informatieplichtigen geen recht op een feedbackloop, noch een ontvangstrecht van specifieke informatie uit hoofde van een feedbackloop, dan wel andere informatiediensten, van CCR's naar informatieplichtigen.

4.   De NCB's kunnen een informatieplichtige de toegang tot specifieke kredietgegevens uit een feedbackloop op tijdelijke basis weigeren, indien de informatieplichtige niet heeft voldaan aan zijn statistische rapportageverplichtingen krachtens deze verordening, met name aangaande datakwaliteit en nauwkeurigheid, alsmede in gevallen waarin een informatieplichtige niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen zoals uiteengezet in lid 1.

5.   NCB's kunnen andere NCB's de toegang ontzeggen tot de gedetailleerde kredietgegevens die zij verzamelen ten behoeve van een feedbackloop. NCB's kunnen wederkerigheid verlangen aangaande de verstrekking van gedetailleerde kredietgegevens van iedere NCB die gegevens opvraagt bij een andere NCB ten behoeve van een feedbackloop. Informatie met betrekking tot een institutionele eenheid of een informatieplichtige die is gevestigd in een lidstaat mag altijd worden gebruikt voor feedbackloops door de betrokken NCB of de informatieplichtige, ongeacht waar de institutionele eenheid ingezeten is.

Artikel 12

Toegang door juridische entiteiten

1.   Juridische entiteiten of onderdelen daarvan ten aanzien waarvan kredietgegevens gerapporteerd werden, hebben recht op toegang tot die gegevens bij de betreffende NCB. Voorts kunnen juridische entiteiten de informatieplichtigen verzoeken onjuiste met hen verband houdende gegevens te corrigeren.

2.   NCB's kunnen juridische entiteiten of onderdelen daarvan de toegang ontzeggen tot de ten aanzien van hen gerapporteerde kredietgegevens, maar slechts in de mate waarin:

a)

dergelijke toegang de legitieme vertrouwelijkheidsbelangen van de informatieplichtige zou schenden, bijvoorbeeld ten aanzien van interne kredietrisicobeoordelingen, of van derden, in het bijzonder de juridische entiteiten waarover kredietgegevens zijn gerapporteerd, of

b)

de gegevens niet zijn gebruikt voor het opzetten of versterken van een feedbackloop volgens artikel 11 en die niet zijn vereist om toegang te verlenen tot zulke gegevens op basis van ieder ander Unierecht of nationaal recht.

Artikel 13

Tijdigheid

1.   Informatieplichtigen rapporteren kredietgegevens zoals geregistreerd op de volgende rapportagereferentiedata:

a)

voor maandelijkse verzendingen, op de laatste dag van elke maand;

b)

voor kwartaalverzendingen, op de laatste dag van maart, juni, september en december.

2.   De NCB's besluiten zelf wanneer en hoe vaak zij de gegevens van de informatieplichtigen moeten ontvangen om aan hun inleveringtermijnen ten overstaan van de ECB te kunnen voldoen, en informeren de informatieplichtigen dienovereenkomstig.

3.   De NCB's informeren de informatieplichtigen omtrent de rapportageverplichtingen ten minste 18 maanden voor de referentiedatum voor eerste rapportage waarvoor dergelijke informatieplichtigen gegevens moeten rapporteren krachtens deze verordening, zonder afbreuk te doen aan enige andere rapportagevereisten op basis van nationaal recht of andere rapportagekaders.

4.   Voor een in een rapporterende lidstaat ingezeten gecontroleerde tegenpartij verzenden NCB's maandelijkse kredietgegevens aan de ECB aan het einde van de 30e werkdag volgende op het einde van de maand waarop de gegevens betrekking hebben.

5.   Voor in een rapporterende lidstaat ingezeten gecontroleerde tegenpartij verzenden NCB's maandelijkse kredietgegevens aan de ECB aan het einde van de 15e werkdag volgende op indieningsdata, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie (11).

6.   Voor een gecontroleerde tegenpartij die een niet in een rapporterende lidstaat ingezeten buitenlands bijkantoor is, verzenden NCB's maandelijkse kredietgegevens aan de ECB aan het einde van de 35e werkdag volgende op het einde van de maand waarop de gegevens betrekking hebben.

7.   Voor een gecontroleerde tegenpartij die een niet in een rapporterende lidstaat ingezeten buitenlands bijkantoor is, verzenden NCB's kwartaalkredietgegevens aan de ECB aan het einde van de 20e werkdag volgende op indieningsdata, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

8.   Samen met de eerste transmissie van kredietgegevens verzenden NCB's aan de ECB tegenpartijreferentiegegevens voor alle tegenpartijen overeenkomstig deel 1 van template 1 van bijlage I. Indien een verandering zich voordoet, updaten NCB's de bestanden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens die relevant is voor de referentiedatum voor eerste rapportage waarop of waarvoor de verandering van kracht werd. Tenzij de NCB's informatieplichtigen informeren dat zij geactualiseerde tegenpartijreferentiegegevens uit andere bronnen hebben verkregen, dienen informatieplichtigen dergelijke gegevens te actualiseren door de NCB's te informeren omtrent enige wijziging op het tijdstip dat de betreffende NCB daarom vraagt, maar niet later dan de datum waarop kredietgegevens worden gerapporteerd aan de betreffende NCB voor de referentiedatum voor eerste rapportage volgend op de datum waarop de wijziging van kracht werd.

Artikel 14

Minimale gemeenschappelijke normen en nationale rapportageprocedures

1.   Informatieplichtigen voldoen aan de statistische rapportagevereisten die op hen van toepassing zijn, zulks in overeenstemming met de minimale gemeenschappelijke normen voor de transmissie, nauwkeurigheid, accurate tegenpartijenidentificatie en conceptuele naleving en herzieningen, als vastgelegd in bijlage V.

2.   NCB's stellen door informatieplichtigen te volgen rapportageprocedures vast en implementeren deze overeenkomstig deze verordening en hun nationale juridische kaders voor zover deze niet conflicteren met de bepalingen van deze verordening. De NCB's verzekeren dat deze rapportageprocedures: a) de vereiste statistische gegevens opleveren en b) verificatie toestaan van de naleving van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage V.

3.   De NCB's kunnen uit andere bronnen verkregen informatie gebruiken, in lijn met artikel 8, lid 5, voor hun verzending van kredietgegevens naar de ECB voor zover de informatie voldoet aan de normen voor kwaliteit en tijdigheid die krachtens deze verordening van toepassing zijn op bij informatieplichtigen ingezamelde gegevens. In het bijzonder moeten de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage V nageleefd worden.

Artikel 15

Fusies, splitsingen en reorganisaties

1.   In geval van een fusie, een splitsing of reorganisatie die van invloed kan zijn op de naleving van statistische verplichtingen, stelt de betreffende informatieplichtige, zodra het voornemen tot het uitvoeren van de fusie, splitsing of reorganisatie openbaar geworden is, en tijdig voor de effectuering ervan, de betreffende NCB in kennis van de voorgenomen procedures ter nakoming van de in deze verordening neergelegde statistische rapportagevereisten.

2.   Ongeacht die in het voorgaande lid vastgelegde verplichtingen, kan de desbetreffende NCB de overnemende instelling machtigen middels tijdelijke procedures te voldoen aan de statistische rapportageverplichtingen. De ontheffing van reguliere rapportageprocedures duurt hoogstens zes maanden met ingang van de datum waarop de fusie, splitsing of reorganisatie plaatsvond. Deze ontheffing laat de verplichting voor de overnemende instelling haar rapportageverplichtingen overeenkomstig deze verordening na te komen, onverlet.

Artikel 16

Ontheffingen en verminderde rapportagefrequentie

1.   Ter verzekering van in deze verordening vastgelegde proportionele rapportageverplichtingen mag de betrokken NCB ontheffingen verlenen aan kleine informatieplichtigen, mits de gecombineerde bijdrage van alle informatieplichtigen aan wie een ontheffing is verleend, aan het totaalbedrag aan uitstaande leningen dat is gerapporteerd krachtens Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank (ECB/2013/33) (12) door alle in de rapporterende lidstaat ingezeten informatieplichtigen, ten hoogste 2 % bedraagt. De ontheffingen kunnen alle in deze verordening vastgestelde rapportageverplichtingen bestrijken, of een deel daarvan.

2.   Ter ondersteuning van de implementatie van de rapportagevereisten kan de betrokken NCB kleine informatieplichtigen toestaan kredietgegevens te rapporteren met betrekking tot rapportagereferentiedata voor 1 januari 2021 op kwartaalbasis in plaats van maandelijkse basis, mits de gecombineerde bijdrage van alle op kwartaalbasis rapporterende informatieplichtigen aan het totaalbedrag aan uitstaande leningen dat is gerapporteerd krachtens Verordening (EU) nr. 1071/2013 door alle in de rapporterende lidstaat ingezeten informatieplichtigen, ten hoogste 4 % bedraagt, zonder afbreuk te doen aan hun rapportage van kredietgegegevens op basis van ieder ander juridisch kader.

3.   NCB's kunnen ontheffingen verlenen aan informatieplichtigen in de mate waarin NCB's gegevens verkrijgen uit andere bronnen die voldoen aan de krachtens artikel 14, lid 3, vereiste kwaliteit en tijdigheid.

4.   NCB's informeren de volgende informatieplichtigen omtrent hun rapportageverplichtingen overeenkomstig artikel 13, lid 3:

a)

informatieplichtigen die een ontheffing hebben verkregen krachtens lid 1;

b)

informatieplichtigen die gegevens mogen rapporteren op basis van een verminderde rapportagefrequentie krachtens lid 2;

c)

informatieplichtigen die niet langer voldoen aan de voorwaarden voor een ontheffing of verminderde rapportagefrequentie krachtens lid 1 of 2.

Artikel 17

Verificatie en gedwongen verzameling en minimumkwaliteitsnormen

De NCB's verifiëren de informatie die zij ontvangen van de informatieplichtigen en voeren voor zover noodzakelijk een gedwongen verzameling van data uit die de informatieplichtigen krachtens deze verordening moeten verstrekken, zulks ongeacht het ECB-recht deze rechten zelf uit te oefenen. De NCB's oefenen dit recht met name uit wanneer een informatieplichtige niet voldoet aan de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, zoals gespecificeerd in bijlage V.

Artikel 18

Sancties

De ECB kan sancties opleggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de rapportageverplichtingen van deze verordening, zulks overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98. Informatieplichtigen wordt geen sanctie opgelegd voor zover zij aantonen dat zij de vereiste informatie niet mogen rapporteren uit hoofde van nationale wetgeving van een land waar het bijkantoor waarover zij informatie moeten rapporteren ingezeten is. De bevoegdheid van de ECB tot oplegging van sancties inzake niet-naleving van de rapportageverplichtingen van deze verordening staat los van het recht van een NCB tot oplegging van sancties krachtens het nationale recht van de NCB inzake niet-naleving van statistische vereisten of andere rapportagevereisten die op basis van het respectieve nationale juridische kader op informatieplichtigen van toepassing zijn in overeenstemming met artikel 8, lid 3.

Artikel 19

Overgangsbepaling

De NCB's mogen de eerste verzending naar de ECB van kredietgegevens met betrekking tot rapportagereferentiedata voor 1 februari 2019 uitstellen, mits zij dergelijke gegevens uiterlijk op 31 maart 2019 naar de ECB verzenden.

Artikel 20

Vereenvoudigde wijzigingsprocedure

Met inachtneming van de standpunten van het STC van het ESCB kan de directie technische wijzigingen in de bijlagen bij deze verordening doorvoeren, mits dergelijke wijzigingen het onderliggende conceptuele kader niet veranderen en geen effect hebben op de rapportagelast van informatieplichtigen. De directie stelt de Raad van bestuur onverwijld in kennis van dergelijke wijzigingen.

Artikel 21

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De verordening is met ingang van 31 december 2017 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 18 mei 2016.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)  Advies van de Commissie van 7 augustus 2015 over de ontwerpverordening van de Europese Centrale Bank betreffende het verzamelen van gedetailleerde kredietgegevens en gegevens betreffende kredietrisico (PB C 261 van 8.8.2015, blz. 1).

(3)  Besluit ECB/2014/6 van 24 februari 2014 betreffende de organisatie van voorbereidende maatregelen voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens door het Europees Stelsel van centrale banken (PB L 104 van 8.4.2014, blz. 72).

(4)  Aanbeveling van de Europese Centrale Bank van 24 februari 2014 betreffende de organisatie van voorbereidende maatregelen voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens door het Europees Stelsel van centrale banken (ECB/2014/7) (PB C 103 van 8.4.2014, blz. 1).

(5)  Memorandum van Overeenstemming betreffende de uitwisseling van informatie tussen nationale centrale kredietregisters voor het doorgeven van dergelijke informatie aan rapporterende instellingen. Beschikbaar op de ECB-website: www.ecb.europa.eu

(6)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

(7)  Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

(8)  Beschikbaar op de website van de International Organization for Standardization (ISO): www.iso.org

(9)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(11)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 1).


BIJLAGE I

Te rapporteren gegevens en templates

1.   De uit hoofde van deze verordening te rapporteren gegevens betreffen meerdere onderling verbonden elementen: crediteuren, debiteuren, instrumenten, protectie enz. Bijvoorbeeld, een debiteur kunnen meerdere leningen verstrekt worden of één protectie kan tot zekerheid van meerdere instrumenten strekken. In deze bijlage wordt een gegevensreeks voor de rapportage van specifieke informatie voor elk van deze elementen uiteengezet.

2.   De informatie voor iedere gegevensreeks betreft één element, bijv. een instrument of een combinatie van meerdere elementen, bijv. „instrument-protectie”, waardoor het te verstrekken gedetailleerdheidsniveau voor iedere gegevensreeks vastgelegd wordt. De gegevensreeksen worden in twee templates georganiseerd.

3.   De rapportagevereisten voor de data-attributen van elk template zijn vastgelegd in de bijlagen II en III.

4.   De data-attributen van elke template zijn vastgelegd in bijlage IV.

5.   Bedragen worden gerapporteerd in euro-eenheden. Posten in vreemde valuta worden geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen, d.w.z. de middenkoers op de rapportagereferentiedatum.

Template 1

1.   Tegenpartijreferentiegegevens

1.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor de tegenpartijreferentiegegevens is de tegenpartij. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige, en b) identificatiecode-tegenpartij.

1.2.

Elke identificatiecode-tegenpartij moet uniek zijn voor elke door dezelfde informatieplichtige gerapporteerde tegenpartij en iedere tegenpartij moet altijd geïdentificeerd worden door de informatieplichtige met gebruikmaking van diens unieke identificatiecode-tegenpartij. Deze identificatiecode mag nimmer opnieuw gebruikt worden door dezelfde informatieplichtige om een andere tegenpartij te identificeren. De NCB's mogen van informatieplichtigen verlangen dat zij identificatiecodes-tegenpartij gebruiken zoals voorgeschreven door de betrokken NCB.

1.3.

De te registreren tegenpartijen zijn alle institutionele eenheden die juridische entiteiten zijn of deel uitmaken van juridische entiteiten en verbonden zijn aan instrumenten die op basis van artikelen 4 en 5 worden gerapporteerd of bescherming verschaffen tot zekerheid van dergelijke instrumenten. De te registreren tegenpartijen zijn meer in het bijzonder: a) crediteuren; b) debiteuren; c) protectiegevers; d) initiatoren; e) beheerders; f) hoofdkantoorondernemingen; g) directe moederondernemingen en h) uiteindelijke moederondernemingen. Een afzonderlijke entiteit kan de tegenpartij zijn met betrekking tot meerdere instrumenten of een andere rol hebben dan een tegenpartij bij hetzelfde instrument. Elke tegenpartij moet evenwel maar één keer geregistreerd worden.

1.4.

Bijlage III vermeldt de voor elk type tegenpartij vereiste informatie.

1.5.

De tegenpartijgegevens beschrijven de tegenpartijkenmerken.

1.6.

Indien natuurlijke personen zijn verbonden met aan AnaCredit gerapporteerde instrumenten, dient geen opgave van de natuurlijke personen te worden gedaan.

1.7.

De bestanden worden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens gerapporteerd die relevant zijn voor de rapportagereferentiedatum waarop de tegenpartij een in AnaCredit geregistreerd contract afsloot. Indien een verandering zich voordoet, worden bestanden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens voor de rapportagereferentiedatum waarop die verandering van kracht werd, bijgewerkt.

2.   Instrumentgegevens

2.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor de instrumentgegevens is het instrument. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij; c) identificatiecode-contract en d) identificatiecode-instrument.

2.2.

Elke identificatiecode-contract moet uniek zijn voor elk contract dat een kredietrisico genereert voor dezelfde gecontroleerde tegenpartij. Deze identificatiecode mag niet opnieuw gebruikt worden om een ander contract met dezelfde gecontroleerde tegenpartij te identificeren. Elke identificatiecode-instrument moet uniek zijn voor elk contract, d.w.z. aan alle in één contract ingebedde instrumenten moet een andere instrumentidentificatiecode toegekend worden, die op geen tijdstip opnieuw gebruikt mag worden om een ander instrument binnen het contract te identificeren.

2.3.

Het instrument gegevens registreert elk instrument dat bestaat uit hoofde van een contract tussen de gecontroleerde tegenpartij en de tegenpartijen, waaronder alle instrumenten tussen institutionele eenheden binnen dezelfde juridische entiteit.

2.4.

Het instrument gegevens beschrijft de kenmerken van het instrument die zelden veranderen.

2.5.

De bestanden worden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens gerapporteerd die relevant zijn voor de referentiedatum waarop het instrument in AnaCredit geregistreerd werd. Indien een verandering zich voordoet, worden bestanden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens voor de rapportagereferentiedatum waarop of waarvoor die verandering van kracht werd, bijgewerkt.

3.   Financiële gegevens

3.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor de financiële gegevens is het instrument. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij; c) identificatiecode-contract en d) identificatiecode-instrument.

3.2.

De financiële gegevens beschrijven de financiële ontwikkeling van het instrument.

3.3.

Enig opgenomen bedrag van een instrument wordt geregistreerd in het data-attribuut „uitstaand nominaal bedrag”. Enig niet-opgenomen bedrag van een instrument wordt geregistreerd in het data-attribuut „bedrag buiten de balans”.

3.4.

De bestanden worden maandelijks gerapporteerd.

4.   Gegevens tegenpartij-instrument

4.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor tegenpartij-instrumentgegevens is de „tegenpartij-instrument”-combinatie en de volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartijj; c) identificatiecode-tegenpartij; d) identificatiecode-contract; e) identificatiecode-instrument en f) rol tegenpartij.

4.2.

De tegenpartij-instrumentgegevens beschrijven de rol van alle tegenpartijen in ieder instrument.

4.3.

Indien natuurlijke personen zijn verbonden met aan AnaCredit gerapporteerde instrumenten, dient geen opgave van de natuurlijke personen te worden gedaan.

4.4.

De bestanden worden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens gerapporteerd die relevant zijn voor de referentiedatum waarop of waarvoor het instrument in AnaCredit geregistreerd werd. Indien een verandering zich voordoet worden de bestanden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens die relevant is voor de rapportagereferentiedatum waarop of waarvoor die verandering van kracht werd, bijgewerkt.

5.   Gegevens hoofdelijke aansprakelijkheden

5.1.

Het gedetailleerdheidsniveau gegevens hoofdelijke aansprakelijkheden is de „tegenpartij-instrument”-combinatie. Elk bestand wordt eenduidig geïdentificeerd middels de volgende data-attributencombinatie: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij; c) identificatiecode-tegenpartij; d) identificatiecode-contract en e) identificatiecode-instrument.

5.2.

Deze gegevens registreren het bedrag inzake hoofdelijke aansprakelijkheid van het instrument dat correspondeert met iedere debiteur die hoofdelijk aansprakelijk is jegens een individueel instrument.

5.3.

Indien natuurlijke personen zijn verbonden met aan AnaCredit gerapporteerde instrumenten, dient geen opgave van de natuurlijke personen te worden gedaan.

5.4.

De bestanden worden maandelijks gerapporteerd.

Gegevensreeks

Data-attribuut

1.

Tegenpartijreferentiegegevens

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-tegenpartij

Identificatiecode-juridische entiteiten (LEI)

Nationale identificatiecode

Identificatiecode-hoofdkantooronderneming

Identificatiecode-directe moederonderneming

Identificatiecode-uiteindelijke moederonderneming

Naam

Adres: straat

Adres: stad/gemeente/dorp

Adres: district/administratieve indeling

Adres: postcode

Adres: land

Rechtsvorm

Institutionele sector

Economische activiteit

Status van juridische procedures

Datum van aanspanning van juridische procedures

Bedrijfsgrootte

Datum bedrijfsgrootte

Aantal werknemers

Balanstotaal

Jaaromzet

Standaard voor financiële verslaggeving

2.

Instrumentgegevens

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-contract

Identificatiecode-instrument

Type instrument

Afschrijvingstype

Valuta

Fiduciair instrument

Aanvangsdatum

Einddatum alleen-rente-periode

Plafondtarief

Bodemtarief

Renteherzieningsfrequentie

Renteverschil/-marge

Rentevoettype

Wettelijke eindvervaldatum

Toegezegd leningenbedrag bij aanvang

Betalingsfrequentie

Projectfinancieringslening

Doel

Beroep

Referentietarief

Afwikkelingsdatum

Achtergestelde schulden

Identificatiecode-syndicaatcontracten

Terugbetalingsrecht

Wijziging in reële waarde vanwege gewijzigd kredietrisico voor aankoop

3.

Financiële gegevens

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-contract

Identificatiecode-instrument

Rentevoet

Volgende renteherzieningsdatum

Wanbetalingsstatus van het instrument

Datum wanbetalingsstatus van het instrument

Overgeboekt bedrag

Achterstallige betalingen voor het instrument

Datum achterstallige betalingen voor het instrument

Type securitisatie

Uitstaand nominaal bedrag

Opgebouwde rente

Bedrag buiten de balanstelling

4.

Tegenpartij-instrument gegevens

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-tegenpartij

Identificatiecode-contract

Identificatiecode-instrument

Rol tegenpartij

5.

Gegevens hoofdelijke aansprakelijkheden

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-tegenpartij

Identificatiecode-contract

Identificatiecode-instrument

Bedrag hoofdelijke aansprakelijkheden

Template 2

6.   Boekhoudkundige gegevens

6.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor boekhoudkundige gegevens is het instrument. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij; c) identificatiecode-contract en d) identificatiecode-instrument.

6.2.

Deze gegevens beschrijven de ontwikkeling van het instrument in overeenstemming met de betreffende standaarden voor financiële verslaggeving van de juridische entiteit van de gecontroleerde tegenpartij. Indien de informatieplichtige is onderworpen aan Verordening (EU) 2015/534 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/13) (1), worden de gegevens vastgelegd in overeenstemming met de standaard voor financiële verslaggeving — International Financial Reporting Standards (IFRS) of nationale algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen (GAAP) — die wordt toegepast teneinde te voldoen aan de vereisten krachtens Verordening (EU) 2015/534 (ECB/2015/13) door de juridische entiteit van de gecontroleerde tegenpartij.

6.3.

De bestanden worden op kwartaalbasis gerapporteerd.

7.   Gegevens genoten protectie

7.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor gegevens genoten protectie is de genoten protectie. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij en c) identificatiecode-protectie.

7.2.

Informatieplichtigen rapporteren genoten protectie als zekerheid voor aflossing van enige in de instrumentgegevens gerapporteerd instrument, ongeacht of zij in aanmerking komen voor kredietrisicolimitering overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

7.3.

Deze gegevens beschrijven de genoten protectie.

7.4.

De bestanden worden uiterlijk met de maandelijkse transmissie van kredietgegevens gerapporteerd die relevant zijn voor de rapportagereferentiedatum waarop of waarvoor de protectie werd genoten als zekerheid voor de aflossing van enig in AnaCredit gerapporteerd instrument. Indien een verandering zich voordoet, worden bestanden uiterlijk met de driemaandelijkse transmissie van kredietgegevens die relevant zijn voor de rapportagereferentiedatum waarop of waarvoor die verandering van kracht werd, bijgewerkt.

8.   Gegevens instrument-genoten protectie

8.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor gegevens instrument-genoten protectie is de instrument-genoten protectie combinatie. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij; c) identificatiecode-contract; d) identificatiecode-instrument en e) identificatiecode-protectie.

8.2.

Deze gegevens beschrijven alle genoten protectie in verband met het instrument waarvoor de protectie als zekerheid dient.

8.3.

De bestanden worden maandelijks gerapporteerd.

9.   Tegenpartijrisicogegevens

9.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor de tegenpartijrisicogegevens is de tegenpartij. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij en c) identificatiecode-tegenpartij.

9.2.

Middels de gegevens kan het tegenpartijkredietrisico beoordeeld worden.

9.3.

Deze informatie is alleen vereist voor debiteuren en protectiegevers.

9.4.

Indien natuurlijke personen zijn verbonden met aan AnaCredit gerapporteerde instrumenten, dient geen opgave van de natuurlijke personen te worden gedaan.

9.5.

De bestanden worden maandelijks gerapporteerd.

9.6.

De betrokken NCB mag besluiten de tegenpartijrisicogegevens op kwartaalbasis te verzamelen.

10.   Tegenpartijwanbetalingsgegevens

10.1.

Het gedetailleerdheidsniveau voor de tegenpartijwanbetalingsgegevens is de tegenpartij. De volgende data-attributencombinatie stelt elk bestand eenduidig vast: a) identificatiecode-informatieplichtige; b) identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij en c) identificatiecode-tegenpartij.

10.2.

Middels deze gegevens kan de wanbetaling van tegenpartijen onverwijld vastgesteld worden.

10.3.

Deze informatie is alleen vereist voor debiteuren en protectiegevers.

10.4.

Indien natuurlijke personen zijn verbonden met aan AnaCredit gerapporteerde instrumenten, dient geen opgave van de natuurlijke personen te worden gedaan.

10.5.

De bestanden worden maandelijks gerapporteerd.

Gegevens

Data-attribuut

6.

Boekhoudkundige gegevens

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-contract

Identificatiecode-instrument

Boekhoudkundige indeling van instrumenten

Registratie op de balans

Gecumuleerde afschrijvingen

Gecumuleerde waardevermindering

Type bijzondere waardevermindering

Vaststellingsmethode bijzondere waardevermindering

Bronnen van bezwaring

Gecumuleerde wijzigingen in reële waarde vanwege kredietrisico

Inbaarheidsstatus van het instrument

Datum wanbetalingsstatus van het instrument

Met buitenbalansblootstellingen verband houdende voorzieningen

Respijt- en heronderhandelingsstatus

Datum van de respijt- en heronderhandelingsstatus

Gecumuleerde terugvorderingen sedert wanbetaling

Prudentiële portefeuille

Boekwaarde

7.

Gegevens genoten protectie

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-protectie

Identificatiecode-protectiegever

Type protectie

Protectiewaarde

Type protectiewaarde

Protectiewaarderingsbenadering

Locatie onroerendgoedonderpand

Gegevens protectiewaarde

Protectievervaldatum

Oorspronkelijke protectiewaarde

Datum oorspronkelijke protectiewaarde

8.

Gegevens instrument-genoten protectie

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-contract

Identificatiecode-instrument

Identificatiecode-protectie

Toegekende waarde protectie

Voorrangsrechten van derden tegen de protectie

9.

Tegenpartijrisicogegevens

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-tegenpartij

Kans op wanbetaling

10.

Tegenpartijwanbetalingsgegevens

Identificatiecode-informatieplichtige

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Identificatiecode-tegenpartij

Tegenpartijwanbetalingsstatus

Datum tegenpartijwanbetalingsstatus


(1)  Verordening (EU) 2015/534 van de Europese Centrale Bank van 17 maart 2015 betreffende rapportage van financiële toezichtinformatie (ECB/2015/13) (PB L 86 van 31.3.2015, blz. 13).


BIJLAGE II

Specifieke statistische rapportagevereisten

Overeenkomstig artikel 7 moeten de in artikel 6 vastgelegde rapportagevereisten gereduceerd worden indien specifieke voorwaarden van toepassing zijn. De volgende vier gevallen beschrijven de specifieke voorwaarden waarvoor de volledige gegevensreeks niet verlangd wordt.

1.   Gecontroleerde niet in een rapporterende lidstaat ingezeten tegenpartijen

Instrumenten waarvoor de gecontroleerde tegenpartij een buitenlands niet in een rapporterende lidstaat ingezeten bijkantoor is.

2.   Gecontroleerde tegenpartijen die niet zijn onderworpen aan kapitaalvereisten

Instrumenten waarvoor de gecontroleerde tegenpartij:

a)

geen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 575/2013 onder toezicht staande instelling is, of

b)

een niet onder toezicht van Verordening (EU) nr. 575/2013 staand buitenlands bijkantoor of entiteit is.

3.   Aan de verplichtingen van volledig uit de balans verwijderde instrumenten wordt voldaan

Instrumenten:

a)

die uit de balans verwijderd zijn, en

b)

aan de instrumentverplichtingen wordt voldaan.

4.   Voor 1 september 2018 afgegeven instrumenten

Instrumenten waarvan de aanvangsdatum voor 1 september 2018 ligt.

Tabel 1 specificeert de rapportagevereisten voor elk data-attribuut in elk van de hierboven vermelde vier gevallen, zulks middels de volgende classificaties:

a)   N: afhankelijk van individuele regelingen kunnen de desbetreffende NCB's besluiten deze informatie niet bij individuele informatieplichtigen te verzamelen;

b)   X: de niet te rapporteren informatie.

Indien geen indeling wordt verschaft, moet de informatie gerapporteerd worden.

Indien gegevens door meer dan een beschrijving in tabel 1 gedekt worden, is het minst bezwarende rapportagevereiste van toepassing.

Tabel 1

Specifieke statistische rapportagevereisten

 

1.

Gecontroleerde niet in een rapporterende lidstaat ingezeten tegenpartijen

2.

Gecontroleerde tegenpartijen die niet zijn onderworpen aan kapitaalvereisten

3.

Aan de verplichtingen van volledig uit de balans verwijderde instrumenten wordt voldaan

4.

Voor 1 september 2018 afgegeven instrumenten

Projectfinancieringslening

N

 

 

 

Aanvangsdatum

N

 

 

 

Rentevoettype

N

 

 

 

Renteherzieningsfrequentie

N

 

 

 

Einddatum alleen-rente-periode

N

 

 

N

Referentietarief

N

 

 

 

Renteverschil/-marge

N

 

 

 

Plafondtarief

N

 

N

 

Bodemtarief

N

 

N

 

Afschrijvingstype

N

 

 

N

Betalingsfrequentie

N

 

 

N

Wijziging in reële waarde vanwege gewijzigd kredietrisico voor aankoop

 

N

N

 

Volgende renteherzieningsdatum

N

 

 

 

Wanbetalingsstatus van het instrument

 

N

 

 

Datum wanbetalingsstatus van het instrument

 

N

 

 

Opgebouwde rente

N

 

 

 

Boekhoudkundige indeling van instrumenten

 

 

X

 

Bronnen van bezwaring

 

N

X

 

Gecumuleerde afschrijvingen

 

 

X

 

Gecumuleerde waardevermindering

 

 

X

 

Type bijzondere waardevermindering

 

 

X

 

Vaststellingsmethode bijzondere waardevermindering

 

 

X

 

Gecumuleerde wijzigingen in reële waarde vanwege kredietrisico

 

 

X

 

Inbaarheidsstatus van het instrument

 

N

 

 

Datum wanbetalingsstatus van het instrument

 

N

 

 

Met buitenbalansblootstellingen verband houdende voorzieningen

 

 

X

 

Datum van de respijt- en heronderhandelingsstatus

 

 

 

N

Prudentiële portefeuille

 

X

X

 

Boekwaarde

 

 

X

 

Oorspronkelijke protectiewaarde

 

 

 

N

Datum oorspronkelijke protectiewaarde

 

 

 

N

Kans op wanbetaling

 

N

N

 

Tegenpartijwanbetalingsstatus

 

N

N

 

Datum tegenpartijwanbetalingsstatus

 

N

N

 


BIJLAGE III

Tegenpartijreferentiegegevens

De tabellen 2 en 3 specificeren de rapportagevereisten voor elk data-attribuut in de tegenpartijreferentiegegevens, zoals bedoeld in template 1 van bijlage I.

Tabel 2 specificeert de vereisten voor in een rapporterende lidstaat ingezeten tegenpartijen, terwijl tabel 3 de vereisten specificeert voor niet in een rapporterende lidstaat ingezeten tegenpartijen.

De volgende classificatie van vereisten wordt gehanteerd:

a)   N: afhankelijk van individuele regelingen kunnen de desbetreffende NCB's besluiten deze informatie niet bij individuele informatieplichtigen te verzamelen;

b)   X: de niet te rapporteren informatie.

Indien geen indeling wordt verschaft, moet de informatie gerapporteerd worden.

Indien gegevens door meer dan een beschrijving in tabel 3 gedekt worden, is het meest bezwarende rapportagevereiste van toepassing.

Tabel 2

Specifieke rapportagevereisten inzake tegenpartijreferentiegegevens voor in een rapporterende lidstaat ingezeten tegenpartijen

 

1.

Informatieplichtige

2.

Gecontroleerde tegenpartij

3.

Crediteur

4.

Debiteur — alle vóór 1 september 2018 afgegeven instrumenten

5.

Debiteur — ten minste één op of na 1 september 2018 afgegeven instrument

6.

Protectiegever

7.

Hoofdkantooronderneming

8.

Directe moederonderneming

9.

Uiteindelijke moederonderneming

10.

Initiator

11.

Beheerder

Tegenpartijreferentiegegevens

Identificatiecode-tegenpartij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Identificatiecode-juridische entiteiten (LEI)

 

 

N

N

N

N

N

N

N

N

N

Nationale identificatiecode

N

N

N

 

 

N

N

N

N

N

N

Identificatiecode-hoofdkantooronderneming

X

X

X

N

 

N

X

X

X

X

X

Identificatiecode-directe moederonderneming

X

X

X

N

 

N

X

X

X

X

X

Identificatiecode-uiteindelijke moederonderneming

X

X

X

N

 

N

X

X

X

X

X

Naam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Adres: straat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Adres: stad/gemeente/dorp

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Adres: district/administratieve indeling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Adres: postcode

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Adres: land

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Rechtsvorm

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Institutionele sector

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Economische activiteit

X

X

 

 

 

N

 

 

N

N

N

Status van juridische procedures

X

X

X

N

 

N

N

N

N

N

N

Datum van aanspanning van juridische procedures

X

X

X

N

 

N

N

N

N

N

N

Bedrijfsgrootte

X

X

X

N

 

N

N

N

N

N

N

Datum bedrijfsgrootte

X

X

X

N

 

N

N

N

N

N

N

Aantal werknemers

X

X

X

N

 

N

N

N

N

N

X

Balanstotaal

X

X

X

N

 

N

N

N

N

N

X

Jaaromzet

X

X

X

N

 

N

N

N

N

N

X

Standaard voor financiële verslaggeving

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X


Tabel 3

Specifieke rapportagevereisten inzake tegenpartijreferentiegegevens voor niet in een rapporterende lidstaat ingezeten tegenpartijen

 

1.

Informatieplichtige

2.

Gecontroleerde tegenpartij

3.

Crediteur

4.

Debiteur — alle vóór 1 september 2018 afgegeven instrumenten

5.

Debiteur — ten minste één op of na 1 september 2018 afgegeven instrument

6.

Protectiegever

7.

Hoofdkantooronderneming

8.

Directe moederonderneming

9.

Uiteindelijke moederonderneming van de debiteur

10.

Initiator

11.

Beheerder

Tegenpartijreferentiegegevens

Identificatiecode-tegenpartij

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Identificatiecode-juridische entiteiten (LEI)

NA

 

N

N

N

N

N

N

N

N

N

Nationale identificatiecode

NA

N

N

N

N

N

N

N

N

N

N

Identificatiecode-hoofdkantooronderneming

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Identificatiecode-directe moederonderneming

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Identificatiecode-uiteindelijke moederonderneming

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Naam

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Adres: straat

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Adres: stad/gemeente/dorp

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Adres: district/administratieve indeling

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Adres: postcode

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Adres: land

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Rechtsvorm

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Institutionele sector

NA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

Economische activiteit

NA

X

N

N

N

N

N

N

N

N

N

Status van juridische procedures

NA

X

X

X

N

N

X

X

X

X

X

Datum van aanspanning van juridische procedures

NA

X

X

X

N

N

X

X

X

X

X

Bedrijfsgrootte

NA

X

X

X

N

N

X

X

X

X

X

Datum bedrijfsgrootte

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Aantal werknemers

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Balanstotaal

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Jaaromzet

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Standaard voor financiële verslaggeving

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X


BIJLAGE IV

Data-attributen, definities en waarden

Deze tabel omvat gedetailleerde standaardbeschrijvingen en definities van de in bijlage I tot en met III gespecificeerde data-attributen. De tabel verschaft ook de voor de data-attributen te rapporteren waarden, waaronder waardebeschrijvingen.

NCB's zijn verantwoordelijk voor het converteren van de data-attributen en waarden in op nationaal niveau toepasselijke equivalente gegevensattributen en waarden.

Term

Type term

Definitie

Identificatiecode-tegenpartij

Data-attribuut

Een identificatiecode die de informatieplichtige toepast om elke tegenpartij eenduidig te identificeren. Elke tegenpartij heeft een afzonderlijke identificatiecode-tegenpartij. Deze waarde blijft onveranderd en kan niet gebruikt worden als identificatiecode-tegenpartij voor een andere tegenpartij.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-informatieplichtige

Data-attribuut

Identificatiecode-tegenpartij voor de informatieplichtige.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-gecontroleerde tegenpartij

Data-attribuut

Identificatiecode-tegenpartij voor de gecontroleerde tegenpartij.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-contract

Data-attribuut

Een identificatiecode die de informatieplichtige toepast om elk contract eenduidig te identificeren. Elke contract heeft een afzonderlijk identificatiecode-contract. Deze waarde verandert niet en kan niet gebruikt worden als identificatiecode-contract voor een ander contract.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-instrument

Data-attribuut

Een identificatiecode die de informatieplichtige toepast om elk instrument uit hoofde van een afzonderlijk contract eenduidig te identificeren. Elk instrument heeft een afzonderlijke identificatiecode-instrument. Deze waarde verandert niet en kan niet gebruikt worden als identificatiecode-instrument voor enig ander instrument uit hoofde van hetzelfde contract.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-protectie

Data-attribuut

Een identificatiecode die de informatieplichtige toepast om elke als zekerheid voor het instrument gestelde protectie eenduidig te identificeren. Elke protectie heeft een afzonderlijke identificatiecode-protectie. Deze waarde verandert niet en kan niet worden gebruikt als identificatiecode-protectie voor een andere protectie.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-protectiegever

Data-attribuut

Identificatiecode-tegenpartij voor de protectiegever.

Indien de protectiegever geen juridische entiteit is, hoeft de identificatiecode-protectiegever niet gerapporteerd te worden.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Tegenpartijreferentiegegevens

Identificatiecode-juridische entiteiten (LEI)

Data-attribuut

Een identificatiecode-juridische entiteiten van de tegenpartij die is toegewezen overeenkomstig de 17442-standaard van de International Organization for Standardization (ISO).

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Nationale identificatiecode

Data-attribuut

Een algemeen gebruikte identificatiecode die de eenduidige vaststelling mogelijk maakt van een tegenpartij of de juridische entiteit waarvan de tegenpartij deel uitmaakt binnen haar land van ingezetenschap.

Met betrekking tot een tegenpartij die een buitenlands bijkantoor is, verwijst de nationale identificatiecode naar het buitenlandse bijkantoor.

Met betrekking tot een tegenpartij die geen buitenlands bijkantoor is, verwijst de nationale identificatiecode naar de juridische entiteit waarvan de tegenpartij deel uitmaakt.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-hoofdkantooronderneming

Data-attribuut

Identificatiecode-tegenpartij voor de juridische entiteit waarvan het buitenlandse bijkantoor een juridisch afhankelijk onderdeel is.

Deze informatie hoeft alleen gerapporteerd te worden voor tegenpartijen die buitenlandse bijkantoren zijn.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-directe moederonderneming

Data-attribuut

Identificatiecode-tegenpartij voor de juridische entiteit die de directe moederonderneming is van de tegenpartij. Indien de tegenpartij geen moederonderneming heeft, wordt de identificatiecode-tegenpartij voor de tegenpartij zelf gerapporteerd.

Moederonderneming heeft dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, punt 15, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Identificatiecode-uiteindelijke moederonderneming

Data-attribuut

Identificatiecode-tegenpartij voor de juridische entiteit die de uiteindelijke moederonderneming is van de tegenpartij. Deze uiteindelijke moederonderneming heeft geen moedermaatschappij. Indien de tegenpartij geen moederonderneming heeft, wordt de identificatiecode-tegenpartij voor de tegenpartij zelf gerapporteerd.

Moederonderneming heeft dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, punt 15, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Naam

Data-attribuut

Volledige naam van de tegenpartij.

Reeks van tekens

Waarde

Een eindige reeks van tekens.

Adres: straat

Data-attribuut

Adres tegenpartij, inclusief huisnummer.

Reeks van tekens

Waarde

Een eindige reeks van tekens.

Adres: stad/gemeente/dorp

Data-attribuut

Stad/gemeente/dorp van tegenpartij.

Reeks van tekens

Waarde

Een eindige reeks van tekens.

Adres: postcode

Data-attribuut

Postcode van tegenpartij.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Adres: district/administratieve indeling

Data-attribuut

District of gelijkaardige administratieve indeling van tegenpartijen die ingezeten zijn in landen van de Europese Unie.

Reeks van tekens

Waarde

NUTS 3-regio's

Adres: land

Data-attribuut

Land tegenpartij.

ISO 3166-1 alpha-2 codes

Waarde

ISO 3166-1 alpha-2 code van het land.

Rechtsvorm

Data-attribuut

Type ondernemingsentiteit zoals bedoeld in het nationale rechtsstelsel.

Reeks van tekens

Waarde

Een eindige reeks van tekens.

Institutionele sector

Data-attribuut

Institutionele sectoren overeenkomstig Verordening (EU) nr. 549/2013, Verordening (EU) nr. 575/2013 en Verordening (EU) nr. 1075/2013 van de Europese Centrale Bank (ECB/2013/40) (1).

Niet-financiële vennootschappen

Waarde

Niet-financiële vennootschappen: zoals bedoeld in punten 2.45 tot en met 2.50 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Centrale bank

Waarde

Centrale bank: zoals bedoeld in punten 2.72 tot en met 2.74 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Kredietinstellingen

Waarde

Kredietinstellingen: zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, onder 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Deposito-instellingen met uitzondering van kredietinstellingen

Waarde

Deposito-instellingen m.u.v. kredietinstellingen: zoals bedoeld in artikel 1, onder a), punt 2, onder a), ii) van Verordening (EU) nr. 1071/2013(ECB/2013/33).

Geldmarktfondsen (GMF's)

Waarde

GMF's: zoals bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33).

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's

Waarde

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's: zoals bedoeld in punten 2.82 tot en met 2.85 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten

Waarde

Lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten: zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2 van Verordening (EU) nr. 1075/2013 (ECB/2013/40).

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen en lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten

Waarde

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen, zoals bedoeld in punten 2.86 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013, en met uitzondering van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten, zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2 van Verordening (EU) nr. 1075/2013 (ECB/2013/40).

Financiële hulpbedrijven

Waarde

Financiële hulpbedrijven: zoals bedoeld in punt 2.63 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

Waarde

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband: zoals bedoeld in punten 2.98 en 2.99 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Verzekeringsinstellingen

Waarde

Verzekeringsinstellingen: zoals bedoeld in punten 2.100 tot en met 2.104 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Pensioenfondsen

Waarde

Pensioenfondsen: zoals bedoeld in punten 2.105 tot en met 2.110 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Centrale overheid

Waarde

Centrale overheid: zoals bedoeld in punt 2.114 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Deelstaatoverheid

Waarde

Deelstaatoverheid: zoals bedoeld in punt 2.115 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Lagere overheid

Waarde

Lagere overheid: zoals bedoeld in punt 2.116 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Socialezekerheidsfondsen

Waarde

Socialezekerheidsfondsen: zoals bedoeld in punt 2.117 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens

Waarde

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens: zoals bedoeld in punten 2.129 tot en met 2.130 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Economische activiteit

Data-attribuut

Classificatie van tegenpartijen naargelang van hun economische activiteiten, in overeenstemming met de NACE rev. 2 statistische classificatie zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2).

NACE-code

Waarde

Een niveau-twee, -drie of -vier NACE-code overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1893/2006.

Status van juridische procedures

Data-attribuut

Categorieën die de juridische status van een tegenpartij beschrijven in verband met de solvabiliteit daarvan, zulks gebaseerd op het nationale juridische kader.

De NCB moet deze waarden in het nationale rechtskader omzetten. Te zijner tijd moet elke NCB een referentietabel opstellen om de interpretatie en vergelijking van deze waarden tussen landen te faciliteren.

Geen juridische acties ondernomen

Waarde

Juridische acties zijn niet ondernomen aangaande de solvabiliteit of schuldenlast van een tegenpartij.

Op basis van surséance van betaling, curatele of gelijkaardige maatregelen

Waarde

Een procedure met betrokkenheid van een rechterlijke of gelijkaardige instantie die beoogt een herfinancieringsovereenkomst te bereiken tussen crediteuren, met uitzondering van faillissements- of insolventieprocedures.

Faillissement/insolventie

Waarde

Collectieve en bindende faillissements- of insolventieprocedures onder justitieel toezicht, die volledige of gedeeltelijk verlies van de beschikkingsbevoegdheid van een tegenpartij en de aanstelling van een curator met zich meebrengen.

Overige juridische maatregelen

Waarde

Andere dan de reeds genoemde juridische maatregelen, inclusief bilaterale juridische maatregelen tussen de informatieplichtige en de tegenpartij.

Datum van aanspanning van juridische procedures

Data-attribuut

De datum waarop de juridische procedures, zoals gerapporteerd onder het attribuut „status van juridische procedures”, werden aangespannen. Deze datum is de meest recente relevant aan de rapportagedatum voorafgaande datum en wordt alleen gerapporteerd indien het data-attribuut „status van juridische procedures” een andere waarde heeft dan „geen juridische procedures aangespannen”.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Bedrijfsgrootte

Data-attribuut

Indeling van ondernemingen op basis van omvang, zulks overeenkomstig de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (3).

Grote onderneming

Waarde

Onderneming die geen micro-, kleine of middelgrote onderneming (kmo) is, zulks overeenkomstig de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG.

Middelgrote onderneming

Waarde

Onderneming die een kmo is, maar geen kleine of micro-onderneming, zulks overeenkomstig de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG.

Kleine onderneming

Waarde

Een kleine onderneming, zulks overeenkomstig de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG.

Micro-onderneming

Waarde

Een micro-onderneming, zulks overeenkomstig de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG.

Datum bedrijfsgrootte

Data-attribuut

De datum waarop de waarde in de „bedrijfsomvang” betrekking heeft. Dit is de datum van de laatste gegevens die zijn gebruikt om de onderneming te classificeren of de classificatie daarvan te controleren.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Aantal werknemers

Data-attribuut

Aantal werknemers van de tegenpartij, zulks overeenkomstig artikel 5 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG.

Numeriek

Waarde

Niet-negatief getal.

Balanstotaal

Data-attribuut

Boekwaarde van de totale activa van de tegenpartij, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 549/2013.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Jaaromzet

Data-attribuut

Jaarlijks verkoopvolume minus alle kortingen en omzetbelasting van de tegenpartij, zulks overeenkomstig Aanbeveling 2003/361/EG. Equivalent aan het concept „totale jaaromzet” in artikel 153, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Standaard voor financiële verslaggeving

Data-attribuut

Standaard voor financiële verslaggeving die de juridische entiteit van de gecontroleerde tegenpartij toepast. Indien de informatieplichtige onderworpen is aan Verordening (EU) 2015/534 (ECB/2015/13), worden de gegevens vastgelegd in overeenstemming met de standaard voor financiële verslaggeving — International Financial Reporting Standards (IFRS) of nationale algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen (GAAP) — die wordt toegepast teneinde te voldoen aan de vereisten krachtens Verordening (EU) 2015/534 (ECB/2015/13) door de juridische entiteit van de gecontroleerde tegenpartij.

IFRS

Waarde

IFRS zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (4).

Nationale GAAP consistent met IFRS

Waarde

Uit hoofde van Richtlijn 86/635/EEG (5) van de Raad ontwikkelde nationale kaders voor jaarrekeningen die IFRS-criteria toepassen op de instrumenten.

Nationale GAAP inconsistent met IFRS

Waarde

Uit hoofde van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad ontwikkelde nationale kaders voor jaarrekeningen die geen IFRS-criteria toepassen op de instrumenten.

Tegenpartijrisicogegevens

Kans op wanbetaling

Data-attribuut

Kans op wanbetaling van de tegenpartij gedurende één jaar, vastgesteld overeenkomstig artikelen 160, 163, 179 en 180 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Numeriek

Waarde

Een cijfer van 0 tot 1.

Tegenpartijwanbetalingsgegevens

Tegenpartijwanbetalingsstatus

Data-attribuut

Vaststelling van de tegenpartijwanbetalingsstatus. Categorieën beschrijven mogelijke redenen voor wanbetaling van de tegenpartij, zulks overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Geen wanbetaling

Waarde

Geen wanbetaling van de tegenpartij overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Wanbetaling vanwege onwaarschijnlijkheid van betaling

Waarde

Wanbetaling van de tegenpartij vanwege onwaarschijnlijkheid van betaling overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Wanbetaling vanwege meer dan 90/180 dagen achterstalligheid

Waarde

Wanbetaling van tegenpartij omdat enige schuldachterstalligheid meer dan 90/180 dagen bedraagt, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Wanbetaling vanwege onwaarschijnlijke betaling en meer dan 90/180 dagen achterstalligheid

Waarde

Wanbetaling van tegenpartij omdat het zowel onwaarschijnlijk is dat de tegenpartij zal betalen, alsook dat enige schuldachterstalligheid meer dan 90/180 dagen bedraagt, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Datum tegenpartijwanbetalingsstatus

Data-attribuut

De datum waarop de in de data-attribuut gerapporteerde „wanbetalingsstatus van de tegenpartij” geacht wordt te zijn ingetreden.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Instrumentgegevens

Type instrument

Data-attribuut

Indeling van het instrument naar het type van tussen de partijen overeengekomen contractuele voorwaarden.

Deposito's m.u.v. repo's met wederinkoop

Waarde

Deposito's: zoals bedoeld in punt 5.79 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013, m.u.v. repo's met wederinkoop.

Overdispositie

Waarde

Overdispositie zoals bedoeld in punt 2, punt 1, onder c), van de tabel in deel 2 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33).

Schuld op kredietkaarten

Waarde

Middels kaarten met vertraagde debetfunctie verstrekt krediet, d.w.z. kaarten die faciliteitskrediet verstrekken, of middels kredietkaarten, d.w.z. kaarten die faciliteitskrediet en verruimd krediet verstrekken.

Doorlopend krediet, met uitzondering van overdispositie en schuld op kredietkaarten.

Waarde

Krediet heeft de volgende kenmerken:

i)

zonder voorafgaande kennisgeving aan de crediteur kan de debiteur gelden gebruiken of opnemen tot een vooraf goedgekeurde kredietlimiet;

ii)

het beschikbare kredietbedrag kan stijgen en dalen al naargelang aflossing en opname van middelen;

iii)

het krediet kan meermaals benut worden;

iv)

het is geen schuld op kredietkaarten noch overdispositie.

Kredietlijnen met uitzondering van doorlopend krediet

Waarde

Krediet heeft de volgende kenmerken:

i)

zonder voorafgaande kennisgeving aan de crediteur kan de debiteur gelden gebruiken of opnemen tot een vooraf goedgekeurde kredietlimiet;

ii)

het krediet kan meermaals benut worden;

iii)

is geen doorlopend krediet, geen schuld op kredietkaarten noch overdispositie.

Repo-overeenkomsten met wederverkoopverplichting

Waarde

Repo-overeenkomsten met wederverkoopverplichting zoals bedoeld in deel 2.14 van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Handelskrediet

Waarde

Handelsvorderingen: zoals bedoeld in punt 5.41, onder c), van deel 2 van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Financiële leases

Waarde

Financiële leases: zoals bedoeld in punten 5.134 tot en met 5.135 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Overige leningen.

Waarde

Overige leningen die niet zijn opgenomen in een van de hierboven opgesomde categorieën.

Lening heeft dezelfde betekenis als bedoeld in punten 5.112, 5.113 en 5.114 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Projectfinancieringslening

Data-attribuut

Projectfinancieringidentificatie.

Projectfinancieringslening

Waarde

Te gebruiken indien het instrument een projectfinancieringslening is overeenkomstig bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Niet-projectfinancieringslening

Waarde

Het instrument is geen projectfinancieringslening overeenkomstig bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Valuta

Data-attribuut

Valutadenominatie van instrumenten, in overeenstemming met de ISO 4217-standaard.

ISO 4217-standaard

Waarde

ISO 4217-standaardcode voor de valuta.

Aanvangsdatum

Data-attribuut

De datum waarop de huidige contractuele relatie is ontstaan, d.w.z. de datum waarop voor alle partijen de contractuele overeenkomst verbindend werd.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Afwikkelingsdatum

Data-attribuut

De datum waarop de in het contract vastgelegde voorwaarden voor de eerste keer uitgevoerd worden of uitgevoerd kunnen worden, d.w.z. de datum waarop de financiële instrumenten voor de eerste keer worden uitgewisseld of gecreëerd.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Wettelijke eindvervaldatum

Data-attribuut

De contractuele vervaldatum van het instrument, rekening houdend met overeenkomsten die de initiële overeenkomsten wijzigen.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Regres

Data-attribuut

Indeling van instrumenten op basis van het recht van de crediteur beslag te leggen op activa, m.u.v. enige toegezegde protectie tot zekerheid voor het instrument.

Regres

Waarde

Instrument ten aanzien waarvan de crediteur beslag kan leggen op de activa van de debiteur m.u.v. enige protectie die strekt tot zekerheid voor het instrument, of, in geval van handelsvorderingen, het recht de schuld te innen van de entiteit die de vorderingen verkocht aan de crediteur.

Geen regres

Waarde

Instrument zonder regres zoals hierboven bedoeld.

Rentevoettype

Data-attribuut

Indeling van kredietblootstellingen op basis van het basistarief voor de vaststelling van de rentevoet voor iedere betalingsperiode.

Vast

Waarde

Schema dat de rentevoeten vastlegt voor de duur van de blootstelling en alleen constante tarieven omvat — een numeriek constant tarief dat bekend is bij de aanvang van de blootstelling — welk tarief voor de gehele duur van de blootstelling van toepassing is. Het schema mag slechts één constante rentevoet omvatten die wordt toegepast in verschillende perioden voor de duur van de blootstelling (bijv. lening met een constante rentevoet gedurende de initiële periode met een vaste rentevoet, waarvoor een andere rentevoet in de plaats komt die ook constant is en die bekend was bij de aanvang van de blootstelling).

Variabel

Waarde

Schema dat de rentevoeten vastlegt voor de duur van de blootstelling en alleen tarieven omvat die zijn gebaseerd op de ontwikkeling van een andere variabele (de referentievariabele) waarbij de rentevoet voor de gehele duur van de blootstelling van toepassing is.

Gemengd

Waarde

Overige rentevoettypen die niet zijn opgenomen in een van de hierboven opgesomde categorieën.

Renteherzieningsfrequentie

Data-attribuut

Frequentie waarmee de rentevoet wordt herzien na de initiële periode met een vaste rentevoet, indien van toepassing.

Niet-beleenbaar

Waarde

Instrument dat geen overeenkomst tot wijziging van de rentevoet omvat.

Overnight

Waarde

Instrument met een contractuele regeling om de rentevoet dagelijks te wijzigen.

Maandelijks

Waarde

Instrument met een contractuele regeling om de rentevoet maandelijks te wijzigen.

Driemaandelijks

Waarde

Instrument met een contractuele regeling om de rentevoet driemaandelijks te wijzigen.

Halfjaarlijks

Waarde

Instrument met een contractuele regeling om de rentevoet halfjaarlijks te wijzigen.

Jaarlijks

Waarde

Instrument met een contractuele regeling om de rentevoet jaarlijks te wijzigen.

Ter beoordeling van crediteur

Waarde

Instrument met een contractuele regeling waarbij de crediteur het recht heeft om de renteherzieningsdatum vast te stellen.

Andere frequentie

Waarde

Instrument met een contractuele regeling om de rentevoet met een andere frequentie te wijzigen dan voor enige hierboven vermelde categorie.

Einddatum alleen-rente-periode

Data-attribuut

De datum waarop de alleen-rente-periode eindigt. Alleen-rente is een instrument waarin voor een contractueel overeengekomen periode alleen rente op de uitstaande hoofdsom wordt betaald, waarbij de uitstaande hoofdsom niet verandert.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Referentietarief

Data-attribuut

Referentierente voor de berekening van de reële rentevoet.

Referentietariefcode

Waarde

De referentietariefcode is een combinatie van de referentietariefwaarde en de looptijdwaarde.

De volgende referentietariefwaarden moeten gebruikt worden:

Euribor, USD LIBOR, GBP LIBOR, EUR LIBOR, JPY LIBOR, CHF LIBOR, MIBOR, overige enkelvoudige referentietarieven, overige meervoudige referentietarieven.

De volgende looptijdwaarden moeten worden gebruikt:

overnight, een week, twee weken, drie weken, een maand, twee maanden, drie maanden, vier maanden, vijf maanden, zes maanden, zeven maanden, acht maanden, negen maanden, tien maanden, elf maanden, twaalf maanden.

De referentietariefcode wordt als volgt samengesteld: de referentietariefwaarde wordt gecombineerd met de looptijdwaarde.

Renteverschil/-marge

Data-attribuut

Verschil of marge (uitgedrukt als een percentage) dat of die wordt toegevoegd aan het referentietarief dat wordt gebruikt voor de berekening van de rentevoet in basispunten.

Numeriek

Waarde

Rentevoet uitgedrukt als een percentage.

Plafondtarief

Data-attribuut

Maximumwaarde voor de in rekening gebrachte rentevoet.

Numeriek

Waarde

Rentevoet uitgedrukt als een percentage.

Bodemtarief

Data-attribuut

Minimumwaarde voor de in rekening gebrachte rentevoet.

Numeriek

Waarde

Rentevoet uitgedrukt als een percentage.

Doel

Data-attribuut

Classificatie van instrumenten al naargelang het type.

Aankopen in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed

Waarde

Financiering van niet-zakelijk onroerend goed. Niet-zakelijk onroerend goed wordt gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 75, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Aankopen in de vorm van zakelijk onroerend goed

Waarde

Financiering van onroerend goed anders dan niet-zakelijk onroerend goed.

Margeleningen

Waarde

Instrumenten waarin een kredietinstelling krediet verleent in verband met de aan- of verkoop, het aanhouden of het verhandelen van effecten. Margeleningsinstrumenten omvatten geen andere leningen waarvoor onderpand verstrekt is in de vorm van effecten.

Schuldfinanciering

Waarde

Financiering van uitstaande of vervallende schuld. Dit omvat herfinanciering van schulden.

Invoer

Waarde

Financiering van goederen en diensten (aankopen, ruilhandel en/of giften) van niet-ingezetenen naar ingezetenen.

Uitvoer

Waarde

Financiering van goederen en diensten (verkopen, ruilhandel en/of giften) van niet-ingezetenen naar ingezetenen.

Bouwinvestering

Waarde

Financiering van de bouw van panden, infrastructuur en industriële faciliteiten.

Bedrijfskapitaalfaciliteit

Waarde

Financiering van cashflowbeheer van een organisatie.

Overige doeleinden

Waarde

Overige doeleinden die niet zijn opgenomen in een van de hierboven opgesomde categorieën.

Afschrijvingstype

Data-attribuut

Aflossingstype van het instrument, waaronder de hoofdsom en de rente.

Frans

Waarde

Aflossing waarin het totale bedrag — hoofdsom plus rente — terugbetaald bij iedere termijn hetzelfde is.

Duits

Waarde

Afschrijving waarvan de eerste termijn alleen rente is en de resterende termijnen constant zijn, inclusief kapitaalafschrijving en rente.

Vasteaflossingsschema

Waarde

Aflossingen waarin de bij iedere termijn betaalde hoofdsom dezelfde is.

Aflossing ineens

Waarde

Aflossing met terugbetaling van de volledige hoofdsom bij de laatste termijn.

Overig

Waarde

 

Betalingsfrequentie

Data-attribuut

Frequentie van verschuldigde betalingen, hetzij hoofdsom, hetzij rente, d.w.z. aantal maanden tussen betalingen.

Maandelijks

Waarde

Maandelijks

Driemaandelijks

Waarde

Driemaandelijks

Halfjaarlijks

Waarde

Halfjaarlijks

Jaarlijks

Waarde

Jaarlijks.

Aflossing ineens

Waarde

Aflossing met terugbetaling van de volledige hoofdsom bij de laatste termijn, ongeacht de frequentie van de rentebetalingen.

Nulcoupon

Waarde

Aflossing met terugbetaling van de volledige hoofdsom en rente bij de laatste termijn.

Overig

Waarde

Overige betalingsfrequenties die niet zijn opgenomen in een van de hierboven opgesomde categorieën.

Identificatiecode-syndicaatcontract

Data-attribuut

„Identificatiecode-contract” toegepast door de hoofdbemiddelaar bij het syndicaatcontract. Elk syndicaatcontract heeft één „identificatiecode-syndicaatcontract”. Deze waarde blijft onveranderd en de hoofdbemiddelaar kan deze niet als identificatiecode-contract voor andere contracten gebruiken. Alle crediteuren die partij zijn bij het syndicaatcontract, moeten dezelfde „identificatiecode-syndicaatcontract” gebruiken.

Alfanumeriek

Waarde

Een code samengesteld uit alfabetische en numerieke symbolen.

Achtergestelde schulden

Data-attribuut

Identificatie van achtergestelde schuld. Achtergestelde schuldinstrumenten geven een ondergeschikte vordering op de uitgevende instelling die alleen kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status (bijv. deposito's/leningen) zijn voldaan.

Achtergestelde schulden

Waarde

Het instrument is een achtergestelde schuld zoals bedoeld in de tabel van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33).

Niet-achtergestelde schuld

Waarde

Het instrument is niet-achtergesteld.

Terugbetalingsrecht

Data-attribuut

Indeling van kredietblootstellingen naar het recht van de crediteur om terugbetaling van de blootstelling te kunnen eisen.

Direct opvraagbaar of op korte termijn

Waarde

Instrumenten die op verzoek van de crediteur onmiddellijk opeisbaar of op korte termijn opvraagbaar zijn.

Overig

Waarde

Instrumenten waarop andere opeisbaarheidsrechten van toepassing zijn dan onmiddellijke opeisbaarheid of opvraagbaarheid op korte termijn.

Fiduciair instrument

Data-attribuut

Identificatie van instrumenten waarbij de gecontroleerde tegenpartij in eigen naam optreedt, maar voor rekeningen van een derde die tevens het risico draagt.

Fiduciair instrument

Waarde

Te gebruiken indien het instrument fiduciair geplaatst wordt.

Niet-fiduciair instrument

Waarde

Te gebruiken indien het instrument niet fiduciair geplaatst wordt.

Toegezegde leningenbedrag bij aanvang

Data-attribuut

Maximumblootstelling van de gecontroleerde tegenpartij op de aanvangsdatum van het instrument ongeacht enige aangehouden protectie of andere kredietverbeteringen. Totaalbedrag toegezegde leningen bij aanvang wordt tijdens het goedkeuringsproces vastgesteld en beoogt om voor het betreffende instrument het kredietrisicobedrag van de gecontroleerde tegenpartij ten aanzien van een tegenpartij te beperken.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Wijziging in reële waarde vanwege gewijzigd kredietrisico voor aankoop

Data-attribuut

Het verschil tussen het nominale uitstaande bedrag en de aankoopprijs van het instrument op de aankoopdatum. Dit bedrag moet gerapporteerd worden voor instrumenten die vanwege versterkt kredietrisico worden aangekocht voor een lager bedrag dan het uitstaande bedrag.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Financiële gegevens

Rentevoet

Data-attribuut

Overeengekomen rente uitgedrukt in procenten per jaar of nauwkeurig omschreven rentevoet, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1072/2013 van de Europese Centrale Bank (ECB/2013/34) (6).

Numeriek

Waarde

Rentevoet uitgedrukt als een percentage.

Volgende renteherzieningsdatum

Data-attribuut

De datum van de volgende rentevoetherziening, zoals bedoeld in deel 3 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33). Indien op het instrument geen toekomstige renteherziening van toepassing is, wordt de wettelijke eindvervaldatum gerapporteerd.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Overgeboekt bedrag

Data-attribuut

Overgeboekt bedrag van de economische eigendom van het financieel activum.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Wanbetalingsstatus van het instrument

Data-attribuut

Identificatie van wanbetalingsstatus van het instrument. Categorieën beschrijven de situaties waarin voor een instrument sprake kan zijn van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Geen wanbetaling

Waarde

Geen wanbetaling van het instrument overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Wanbetaling vanwege onwaarschijnlijkheid van betaling

Waarde

Wanbetaling van instrumenten omdat het onwaarschijnlijk is dat de debiteur zal betalen, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Wanbetaling vanwege meer dan 90/180 dagen achterstalligheid

Waarde

Wanbetaling van instrumenten omdat de schuldachterstalligheid meer dan 90/180 dagen bedraagt, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Wanbetaling vanwege onwaarschijnlijke betaling en meer dan 90/180 dagen achterstalligheid

Waarde

Wanbetaling van instrument omdat het zowel onwaarschijnlijk geacht wordt dat de debiteur zal betalen, alsook dat de schuldachterstalligheid meer dan 90/180 dagen bedraagt, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Achterstallige betalingen voor het instrument

Data-attribuut

Totaalbedrag hoofdsom, rente en toeslag dat op de rapportagedatum uitstaat dat contractueel verschuldigd is en niet werd betaald (achterstallig). Dit bedrag moet steeds gerapporteerd worden. 0 moet gerapporteerd worden indien het instrument op de rapportagedatum niet achterstallig was.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Datum achterstallige betalingen voor het instrument

Data-attribuut

Datum waarop het instrument achterstallig werd overeenkomstig deel 2.48 van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014. Dit is de meest recente aan de rapportagereferentiedatum voorafgaande datum en moet gerapporteerd worden indien het instrument op de rapportagereferentiedatum achterstallig is.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Datum wanbetalingsstatus van het instrument

Data-attribuut

De datum waarop de in de data-attribuut gerapporteerde „wanbetalingsstatus van het instrument” geacht wordt te zijn ingetreden.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Type securitisatie

Data-attribuut

Identificatie van het type securitisatie overeenkomstig artikel 242, leden 10 en 11 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Traditionele securitisatie

Waarde

Instrument dat werd gesecuritiseerd in een traditionele securitisatie.

Synthetische securitisatie

Waarde

Instrument dat werd gesecuritiseerd in een synthetische securitisatie.

Niet-gesecuritiseerd

Waarde

Instrument dat noch in een traditionele, noch in een synthetische securitisatie gesecuritiseerd werd.

Uitstaand nominaal bedrag

Data-attribuut

Hoofdsom uitstaande aan het einde van de rapportagereferentiedatum, inclusief onbetaalde achterstalligheidsrente maar exclusief opgebouwde rente. Het uitstaand nominaal bedrag moet gerapporteerd worden minus de afschrijvingen en waardeverminderingen zoals vastgesteld door de relevante boekhoudpraktijken.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Bedrag buiten de balanstelling

Data-attribuut

Totaalbedrag van buitenbalansblootstellingen Dit omvat enige toegezegde kredietverstrekking voordat omrekeningsfactoren en kredietrisicolimiteringstechnieken worden overwogen. Dit bedrag is de beste weergave van de maximumblootstelling van de instelling aan kredietrisico ongeacht enige aangehouden protectie of andere kredietverbeteringen.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Opgebouwde rente

Data-attribuut

Het bedrag aan opgebouwde rente op leningen op de rapportagereferentiedatum zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33). Overeenkomstig het algemene beginsel van de periodetoerekening van opbrengsten en kosten, dient lopende rente op instrumenten op de balans te worden opgenomen naarmate die gevormd wordt (d.w.z. op basis van periodieke toerekening) en niet wanneer de rente feitelijk betaald wordt (d.w.z. op kasbasis).

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Boekhoudkundige gegevens

Boekhoudkundige indeling van instrumenten

Data-attribuut

Boekhoudkundig portfolio waarin het instrument wordt vastgelegd in overeenstemming met de standaard voor financiële verslaggeving — IFRS of GAAP — krachtens Verordening (EU) 2015/534 (ECB/2015/13) zoals toegepast door de juridische entiteit van de gecontroleerde tegenpartij.

IFRS boekhoudkundige portfolio's

Tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito's

Waarde

Tegoeden bij centrale banken en overige direct opvraagbare deposito's overeenkomstig IFRS.

Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa

Waarde

Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa overeenkomstig IFRS.

Financiële activa in de niet-handelsportefeuille verplicht gewaardeerd tegen reële waarde via de winst- of verliesrekening

Waarde

Financiële activa in de niet-handelsportefeuille verplicht gewaardeerd tegen reële waarde via de winst- of verliesrekening overeenkomstig IFRS.

Via de winst- of verliesrekening tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa

Waarde

Via de winst- of verliesrekening tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa en als dusdanig gewaardeerd bij de eerste opname of daarna overeenkomstig IFRS, met uitzondering van de als financiële voor handelsdoeleinden aangehouden activa.

Financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde via niet-gerealiseerde resultaten

Waarde

Financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde via niet-gerealiseerde resultaten op grond van het bedrijfsmodel en cashflowkenmerken overeenkomstig IFRS.

Financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs

Waarde

Financiële activa die tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerd worden overeenkomstig IFRS.

Nationale GAAP boekhoudkundige portfolio's

Kasmiddelen en cashsaldi van centrale banken

Waarde

Kasmiddelen en cashsaldi van centrale banken overeenkomstig nationale GAAP.

Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa

Waarde

Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa overeenkomstig nationale GAAP.

Financiële activa in de niet-handelsportefeuille verplicht gewaardeerd tegen reële waarde via de winst- of verliesrekening

Waarde

Financiële activa in de niet-handelsportefeuille verplicht gewaardeerd tegen reële waarde via de winst- of verliesrekening overeenkomstig nationale GAAP.

Financiële activa in de handelsportefeuille

Waarde

Voor handelsdoeleinden aangehouden financiële activa overeenkomstig nationale GAAP.

Via de winst- of verliesrekening tegen reële waarde gewaardeerde financiële activa

Waarde

Financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde via de winst- of verliesrekening overeenkomstig nationale GAAP.

Voor verkoop beschikbare financiële activa

Waarde

Voor verkoop beschikbare financiële activa overeenkomstig nationale GAAP.

Niet-afgeleide financiële activa in de niet-handelsportefeuille via de winst- of verliesrekening tegen reële waarde gewaardeerd

Waarde

Niet-afgeleide financiële activa in de niet-handelsportefeuille via de winst- of verliesrekening tegen reële waarde gewaardeerd overeenkomstig nationale GAAP.

Niet-afgeleide financiële activa in de niet-handelsportefeuille gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in het aandelenvermogen

Waarde

Niet-afgeleide financiële activa in de niet-handelsportefeuille gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in het aandelenvermogen overeenkomstig nationale GAAP.

Leningen en kortlopende vorderingen

Waarde

Leningen en kortlopende vorderingen overeenkomstig nationale GAAP.

Tot het einde van de looptijd aangehouden deelnemingen

Waarde

Tot het einde van de looptijd aangehouden deelnemingen overeenkomstig nationale GAAP.

Op basis van een kostprijsmethode gewaardeerde schuldinstrumenten in de niet-handelsportefeuille

Waarde

Op basis van een kostprijsmethode gewaardeerde schuldinstrumenten in de niet-handelsportefeuille overeenkomstig nationale GAAP.

Overige niet-afgeleide financiële activa in de niet-handelsportefeuille

Waarde

Overige niet-afgeleide financiële activa in de niet-handelsportefeuille overeenkomstig nationale GAAP.

Registratie op de balans

Data-attribuut

Registratie op de balans van het financieel activum.

Geheel in de balanstelling opgenomen

Waarde

Instrument geheel in de balanstelling opgenomen overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

In de balanstelling opgenomen naargelang de betrokkenheid van de instelling

Waarde

Instrument in de balanstelling opgenomen naargelang de betrokkenheid van de instelling overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Geheel uit de balanstelling verwijderd

Waarde

Instrument geheel uit de balanstelling verwijderd overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Bronnen van bezwaring

Data-attribuut

Een activum wordt behandeld als bezwaard indien er een pandrecht op rust of indien op dat activum een regeling van toepassing is ter waarborging, zekerheidsstelling of kredietverbetering van een instrument waaruit het niet vrijelijk kan worden teruggetrokken.

Centralebankfinanciering

Waarde

Centralebankfinanciering (alle types, waaronder repo's), overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de Europese Bankautoriteit (EBA) inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Op de beurs verhandelde derivaten

Waarde

Op de beurs verhandelde derivaten overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

OTC-derivaten

Waarde

OTC-derivaten overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Deposito's — repo's met wederinkoop, m.u.v. deposito's — repo's met wederinkoop aan centrale banken

Waarde

Repo's met uitzondering van repo's aan centrale banken overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Deposito s met uitzondering van repo's

Waarde

Deposito's met uitzondering van repo's overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Uitgegeven schuldbewijzen — gedekte obligaties

Waarde

Gedekte obligaties uitgegeven overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Uitgegeven schuldbewijzen — effecten op onderpand van activa

Waarde

Effecten op onderpand van activa uitgegeven overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Uitgegeven schuldbewijzen m.u.v. gedekte obligaties en ABS

Waarde

Uitgegeven schuldbewijzen m.u.v. gedekte obligaties en ABS overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Overige bronnen van bezwaring

Waarde

Overige bronnen van bezwaring overeenkomstig technische uitvoeringsnormen van de EBA inzake activabezwaringrapportage zoals bedoeld in artikel 99, lid 5, en artikel 100 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Geen bezwaring

Waarde

Instrument dat niet verpand is, noch is op dat instrument een regeling van toepassing ter waarborging, zekerheidsstelling of kredietverbetering van een instrument waaruit het niet vrijelijk kan worden teruggetrokken

Gecumuleerde afschrijvingen

Data-attribuut

Cumulatieve bedrag van hoofdsom en achterstalligheidsrente van schuldinstrumenten die de instelling niet langer in de balanstelling opneemt, omdat zij oninbaar geacht worden, ongeacht de portfolio waarvan zij deel uitmaken. Afschrijvingen kunnen veroorzaakt worden door zowel verlagingen van de boekwaarde van rechtstreeks in de winst- en verliesrekening opgenomen financiële activa, alsook van verlagingen van de bedragen van de voorzieningen voor kredietverliezen welke worden verrekend met de boekwaarde van financiële activa.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Gecumuleerde waardevermindering

Data-attribuut

Het bedrag van voorzieningen voor verliezen ter dekking van of toegerekend aan het instrument op de rapportagereferentiedatum. Dit data-attribuut is van toepassing op instrumenten die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan krachtens de toepasselijke toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving.

Krachtens IFRS betreft de gecumuleerde bijzondere waardevermindering de volgende bedragen:

i)

voorziening voor verlies ten belope van een bedrag dat gelijk is aan twaalf maanden verwachte kredietverliezen;

ii)

voorziening voor verlies ten belope van een bedrag dat gelijk is aan voor de hele looptijd verwachte kredietverliezen;

Krachtens GAAP betreft de gecumuleerde bijzondere waardevermindering de volgende bedragen:

i)

voorziening voor verlies ten belope van een bedrag dat gelijk is aan de algemene voorzieningen;

ii)

voorziening voor verlies ten belope van een bedrag dat gelijk is aan de specifieke voorzieningen.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Type bijzondere waardevermindering

Data-attribuut

Type bijzondere waardevermindering

Fase 1 (IFRS)

Waarde

Toe te passen indien op het instrument geen bijzondere waardevermindering van toepassing was en een voorziening voor verliezen ten belope van twaalf maanden verwachte kredietverliezen wordt tegengeboekt tegen het instrument krachtens het IFRS. Alleen voor instrumenten waarop krachtens IFRS 9 een bijzondere waardevermindering van toepassing is

Fase 2 (IFRS)

Waarde

Toe te passen indien op het instrument geen bijzondere waardevermindering van toepassing was en een voorziening voor verliezen ten belope van voor de hele looptijd verwachte kredietverliezen wordt tegengeboekt tegen het instrument krachtens het IFRS. Alleen voor instrumenten waarop krachtens IFRS 9 een bijzondere waardevermindering van toepassing is

Fase 3 (IFRS)

Waarde

Te gebruiken indien het instrument verminderde kredietwaarde heeft krachtens IFRS 9.

Algemene voorzieningen (GAAP)

Waarde

Toe te passen indien op het instrument een bijzondere waardevermindering van toepassing is overeenkomstig een toegepaste standaard voor financiële verslaggeving, met uitzondering van IFRS 9, en geen specifieke voorzieningen tegen het instrument worden tegengeboekt (geen bijzondere waardevermindering).

Specifieke voorzieningen (GAAP)

Waarde

Toe te passen indien op het instrument een bijzondere waardevermindering van toepassing is overeenkomstig een toegepaste standaard voor financiële verslaggeving, met uitzondering van IFRS 9, en specifieke voorzieningen worden tegengeboekt, ongeacht of het afzonderlijk of collectief vastgestelde voorzieningen betreft (bijzondere waardevermindering).

Geen bijzondere waardevermindering

Waarde

Toe te passen indien op het instrument geen bijzondere waardevermindering van toepassing is overeenkomstig een toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving.

Vaststellingsmethode bijzondere waardevermindering

Data-attribuut

De methode waarmee de bijzondere waardevermindering wordt vastgesteld, indien op het instrument overeenkomstig toegepaste standaards voor financiële verslaggeving bijzondere waardevermindering van toepassing is. Er wordt onderscheiden tussen collectieve en individuele methoden.

Individueel vastgesteld

Waarde

Toe te passen indien op het instrument bijzondere waardevermindering van toepassing is overeenkomstig een toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving en het instrument individueel op bijzondere waardevermindering beoordeeld wordt.

Collectief vastgesteld

Waarde

Toe te passen indien op het instrument bijzondere waardevermindering van toepassing is overeenkomstig een toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving en het instrument collectief op bijzondere waardevermindering beoordeeld wordt door groepering met instrumenten die gelijkaardige kredietrisicokenmerken hebben.

Geen bijzondere waardevermindering

Waarde

Toe te passen indien op het instrument geen bijzondere waardevermindering van toepassing is overeenkomstig een toepasselijke standaard voor financiële verslaggeving.

Gecumuleerde wijzigingen in reële waarde vanwege kredietrisico

Data-attribuut

Gecumuleerde wijzigingen van de reële waarde vanwege kredietrisico overeenkomstig deel 2.46 van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Inbaarheidsstatus van het instrument

Data-attribuut

Het instrument moet op de rapportagereferentiedatum in een van de volgende categorieën ingedeeld worden:

Niet-renderend

Waarde

Niet-renderende instrumenten overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Renderend

Waarde

Renderende instrumenten overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Datum inbaarheidsstatus van het instrument

Data-attribuut

De datum waarop de in de data-attribuut gerapporteerde inbaarheidsstatus „inbaarheidsstatus van het instrument” geacht wordt te zijn vastgesteld of gewijzigd.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Met buitenbalansblootstellingen verband houdende voorzieningen

Data-attribuut

Het bedrag van voorzieningen voor buitenbalansbedragen.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Respijt- en heronderhandelingsstatus

Data-attribuut

Vaststelling van respijt- en heronderhandelde instrumenten.

Respijt: instrument met een gewijzigde rentevoet die lager is dan marktvoorwaarden

Waarde

Respijtmaatregelen zijn van toepassing op instrumenten met gewijzigde voorwaarden waaronder een gewijzigde rentevoet die lager is dan marktvoorwaarden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1072/2013 (ECB/2013/34).

Respijt: instrumenten met andere gewijzigde voorwaarden

Waarde

Respijtmaatregelen zijn van toepassing op instrumenten met gewijzigde voorwaarden m.u.v. een gewijzigde rentevoet die lager is dan marktvoorwaarden overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Respijt: geheel of gedeeltelijk geherfinancierde schuld

Waarde

Respijtmaatregelen zijn van toepassing op geherfinancierde schuld overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Heronderhandeld instrument zonder respijtmaatregelen

Waarde

Een instrument met gewijzigde financiële voorwaarden en waarop geen respijtmaatregelen van toepassing zijn overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Geen respijt noch heronderhandeld

Waarde

Respijtmaatregelen noch heronderhandeling zijn van toepassing overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Gecumuleerde terugvorderingen sedert wanbetaling

Data-attribuut

Het totale sedert de datum van wanbetaling teruggevorderde bedrag.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Datum van de respijt- en heronderhandelingsstatus

Data-attribuut

De datum waarop de in het data-attribuut „status van respijt en heronderhandeling” gerapporteerde respijt- of heronderhandelingsstatus geacht wordt te zijn ingetreden.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Prudentiële portefeuille

Data-attribuut

Indeling van blootstellingen in de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 86, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Handelsportefeuille

Waarde

Instrumenten in de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 86, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Niet-handelsportefeuille

Waarde

Instrumenten niet in de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 86, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Boekwaarde

Data-attribuut

De boekwaarde overeenkomstig bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Gegevens tegenpartij-instrument

Rol tegenpartij

Data-attribuut

Rol van de tegenpartijen in een instrument.

Crediteur

Waarde

Tegenpartij die het kredietrisico draagt van een instrument, met uitzondering van een protectiegever.

Debiteur

Waarde

Tegenpartij die het kredietrisico genereert van een instrument, met uitzondering van een protectiegever.

Beheerder

Waarde

Tegenpartij die verantwoordelijk is voor het administratieve en financiële beheer van een instrument.

Initiator

Waarde

Tegenpartij bij een securitisatietransactie, zoals bedoeld in artikel 1, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1075/2013 (ECB/2013/40).

Gegevens hoofdelijke aansprakelijkheden

Bedrag hoofdelijke aansprakelijkheden

Data-attribuut

Uitstaand nominaal bedrag waarvoor iedere debiteur aansprakelijk is met betrekking tot een enkel instrument waarvoor twee of meer debiteuren bestaan.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Gegevens genoten protectie

Protectievervaldatum

Data-attribuut

De contractuele protectievervaldatum die de eerst mogelijke datum is waarop de protectie kan aflopen of beëindigd kan worden, rekening houdend met overeenkomsten die de initiële contracten wijzigen.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Type protectie

Data-attribuut

Type ontvangen protectie, ongeacht of het voor kredietrisicolimitering in aanmerking komt.

Goud

Waarde

Goud overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Chartaal geld en deposito's

Waarde

Chartaal geld en deposito's: zoals bedoeld in punt 5.74 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Effecten

Waarde

Effecten: zoals bedoeld in punt 5.89 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Leningen

Waarde

Leningen: zoals bedoeld in punt 5.112 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013.

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

Waarde

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen: zoals bedoeld in punt 5.139 van bijlage A bij Verordening (EU) nr. 549/2013

Kredietderivaten

Waarde

Kredietderivaten, zijnde:

kredietderivaten die voldoen aan de definitie van financiële garanties: zoals bedoeld in bijlage V, deel 2, punt 58, onder b), van Verordening (EU) nr. 680/2014;

kredietderivaten niet zijnde financiële garanties: zoals bedoeld in bijlage V, deel 2, punt 67, onder d), van Verordening (EU) nr. 680/2014.

Kredietderivaten omvatten de beleenbare kredietderivaten zoals bedoeld in artikel 204 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Financiële garanties m.u.v. kredietderivaten

Waarde

Financiële garanties m.u.v. kredietderivaten overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Handelskrediet

Waarde

Handelsvorderingen: zoals bedoeld in bijlage V, deel 2, punt 5.41, onder c, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Verpande levensverzekeringsovereenkomsten

Waarde

Aan kredietverstrekkende instellingen in pand gegeven levensverzekeringspolissen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed

Waarde

Niet-zakelijk onroerend goed: zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 75, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Kantoorgebouwen of andere zakelijke panden

Waarde

Kantoorgebouwen of andere zakelijke panden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013.

Zekerheden in de vorm van zakelijk onroerend goed

Waarde

Onroerend goed m.u.v. niet-zakelijk onroerend goed, kantoorgebouwen of andere zakelijke panden.

Overige fysieke zekerheden

Waarde

Overige fysieke zekerheden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 en niet opgenomen in eerdere waarden.

Overige protectie

Waarde

 

Protectiewaarde

Data-attribuut

Het protectiewaardebedrag zoals volgens de waarderingsbenadering is vastgesteld voor het relevante „type protectiewaarde”.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Type protectiewaarde

Data-attribuut

Vaststelling van het type waarde zoals bedoeld in het data-attribuut „protectiewaarde”.

Nominale som

Waarde

De contractueel overeengekomen nominale som of nominale waarde die wordt gebruikt voor de berekening van betalingen ingeval de protectie toegepast wordt.

Reële waarde

Waarde

De te ontvangen prijs ingeval van verkoop van een activum of die wordt betaald om een passivum in een geordende transactie over te dragen tussen twee marktpartijen op de waarderingsdatum.

Te gebruiken indien de protectie geen onroerend goed is.

Marktwaarde

Waarde

De huidige „marktwaarde” van onroerend goed zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 76, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Te gebruiken indien de protectie onroerend goed betreft wanneer de marktwaarde wordt gerapporteerd in het data-attribuut „protectiewaarde”.

Op lange termijn gerichte duurzame waarde

Waarde

De „hypotheekwaarde” van onroerend goed zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 74, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Te gebruiken indien de protectie onroerend goed betreft wanneer de „hypotheekwaarde” wordt gerapporteerd in het data-attribuut „protectiewaarde”.

Overige protectiewaarde

Waarde

Overige protectiewaarde die niet is opgenomen in een van de hierboven opgesomde categorieën.

Locatie onroerendgoedonderpand

Data-attribuut

Regio of land waar het onderpand gelegen is.

ISO 3166-1 alpha-2 codes

Waarde

ISO 3166-1 alpha-2 codes van het land waarin het onderpand gelegen is, voor niet in een rapporterende lidstaat gelegen onderpand.

NUTS 3-regio

Waarde

NUTS 3-regio's waarin het onderpand gelegen is, voor niet in een rapporterende lidstaat gelegen onderpand.

Gegevens protectiewaarde

Data-attribuut

De datum waarop de meest recente aan de rapportagereferentiedatum voorafgaande protectie-evaluatie of -waardering werd uitgevoerd.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Protectiewaarderingsbenadering

Data-attribuut

Type protectiewaardering; ter vaststelling van de protectiewaarde gebruikte methode.

Mark-to-market

Waarde

Waarderingsmethode volgens welke de protectiewaarde is gebaseerd op aan actieve markten niet-aangepaste genoteerde prijzen voor identieke of soortgelijke activa of passiva;

Schatting door tegenpartij

Waarde

Waarderingsmethode volgens welke de protectiegever de waardering uitvoert.

Waardering door crediteur

Waarde

Waarderingsmethode volgens welke de crediteur de waardering uitvoert: waardering door een externe of bedrijfstaxateur die over de nodige kwalificaties, bekwaamheid en ervaring beschikt om een waardering uit te voeren en die niet onafhankelijk is in het kredietacceptatieproces.

Waardering door een derde

Waarde

Waarderingsmethode volgens welke de waardering wordt uitgevoerd door een taxateur die onafhankelijk is in het kredietacceptatieproces.

Ander type waardering

Waarde

Ander niet in de overige categorieën opgenomen type waardering.

Oorspronkelijke protectiewaarde

Data-attribuut

De reële protectiewaarde op de datum waarop deze oorspronkelijk werd ontvangen als een kredietprotectie.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Datum oorspronkelijke protectiewaarde

Data-attribuut

De oorspronkelijke protectiewaarderingsdatum, d.w.z. de datum waarop de meest recente protectie-evaluatie of -waardering werd uitgevoerd voorafgaande aan de initiële ontvangst ervan als een kredietprotectie.

Datum

Waarde

Omschreven als dd/mm/jjjj.

Gegevens instrument — genoten protectie

Toegekende waarde protectie

Data-attribuut

Het maximumprotectiewaardebedrag dat kan worden beschouwd als instrumentkredietprotectie. Het bedrag van de bestaande voorrangsrechten van derden of gecontroleerde tegenpartijen ten opzichte van de protectie moet worden uitgesloten van de toegekende protectiewaarde. Ten aanzien van protectie die beleenbaar is krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013, moet deze waarde worden gerapporteerd overeenkomstig deel 2 van bijlage V bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de rapportagereferentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).

Voorrangsrechten van derden tegen de protectie

Data-attribuut

Het maximumbedrag van enige bestaande hoger in rang zijnde pandrechten ten opzichte van derden, m.u.v. de gecontroleerde tegenpartij, tegen de protectie.

Numeriek

Waarde

Bedrag in euro. Posten in vreemde valuta worden op de referentiedatum geconverteerd in euro tegen de respectieve ECB-euroreferentiewisselkoersen (i.e. de middenkoers).


(1)  Verordening (EU) nr. 1075/2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (ECB/2013/40) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 107).

(2)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

(3)  Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG) (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(4)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(5)  Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 1072/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen gehanteerde rentetarieven (ECB/2013/34) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 51).


BIJLAGE V

Door de feitelijke populatie van informatieplichtigen toe te passen minimumnormen

Informatieplichtigen nemen de volgende minimumnormen in acht om aan de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank (ECB) te voldoen.

1.

Gemeenschappelijke normen voor transmissie:

a)

de rapportage vindt tijdig plaats en binnen de termijn die door de desbetreffende nationale centrale bank (NCB) is vastgesteld;

b)

vorm en formaat van de statistische rapporten voldoen aan de technische rapportagevereisten die hiervoor door de desbetreffende NCB zijn vastgesteld;

c)

de informatieplichtige verstrekt elke betrokken NCB details inzake één of meerdere contactpersonen;

d)

de datatransmissie aan de desbetreffende NCB gebeurt met inachtneming van de daarvoor vastgestelde technische specificaties.

2.

Minimumnormen voor nauwkeurigheid:

a)

statistische informatie is juist: aan alle lineaire verbanden wordt voldaan, bijv. opgetelde subtotalen zijn gelijk aan de totalen, en de gegevens van de verschillende perioden zijn consistent;

b)

informatieplichtigen zijn in staat informatie te verschaffen over de ontwikkelingen waarop de verstrekte gegevens duiden;

c)

statistische gegevens zijn volledig en bevatten geen voortdurende en structurele leemtes; rapportageleemtes hebben overgangskarakter en worden aan de NCB gerapporteerd (en door de NCB gerapporteerd aan de ECB), de betrokken NCB wordt een verklaring gegeven en die overgangsleemten, waar van toepassing, worden zo snel mogelijk verholpen;

d)

informatieplichtigen houden zich aan de afmetingen, het afrondingsbeleid en decimalen die door de betreffende NCB voor de technische transmissie van de gegevens zijn vastgesteld.

3.

Minimumnormen voor conceptuele naleving:

a)

statistische gegevens worden gepresenteerd met inachtneming van de definities en classificaties zoals vervat in deze verordening;

b)

in geval van afwijking van deze definities en classificaties, maken informatieplichtigen onverwijld verschillen tussen de gebruikte maatstaf en de maatstaf in deze verordening ongedaan;

c)

informatieplichtigen verklaren een eventuele breuk in de verstrekte gegevens ten opzichte van de cijfers van voorgaande perioden.

4.

Minimumnormen voor herzieningen:

De informatieplichtigen volgen het door de ECB en de betrokken NCB vastgestelde herzieningenbeleid en herzieningsprocedures. Herzieningen die afwijken van regelmatige herzieningen worden van een toelichting voorzien.


BESLUITEN

1.6.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/99


BESLUIT (EU) 2016/868 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 mei 2016

tot wijziging van Besluit ECB/2014/6 betreffende de organisatie van voorbereidende maatregelen voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens door het Europees Stelsel van centrale banken (ECB/2016/14)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 5 en artikel 46.2,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), met name artikel 8, lid 5,

Gezien de inbreng van de Algemene Raad van de ECB,

Overwegende:

(1)

Besluit ECB/2014/6 (2) stelt de voorbereidende maatregelen vast die het Europees Stelsel van centrale banken (hierna: „ESCB”) moet nemen om de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens door het Europees Stelsel van centrale banken voor te bereiden.

(2)

Sedert de vaststelling van Besluit ECB/2014/6 is er aangaande de invoering van een langetermijnkader voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens op basis van geharmoniseerde statistische rapportagevereisten aanzienlijke vooruitgang geboekt.

(3)

Gezien het aantal geplande statistische rapportagevereisten en hun complexiteit moet het in Besluit ECB/2014/6 vastgelegde implementatietijdschema verlengd worden zodat het ESCB voldoende tijd heeft voor een gedegen voorbereiding voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens. Aangezien veel tijd zal verstrijken voordat de eigenlijke rapportage begint, moet het in artikel 1 van Besluit ECB/2014/6 vastgestelde tijdschema voor de voltooiing van de voorbereidende fase vervangen worden door een tijdschema dat waarborgt dat de voorbereidende fase eindigt wanneer de rapportage uit hoofde van het langetermijnkader voor het verzamelen van gedetailleerde kredietgegevens begint.

(4)

Het herziene tijdschema zal ook van toepassing zijn op nationale centrale banken (hierna: „NCB's”) van de niet-eurogebiedlidstaten wanneer die NCB's samenwerken met het Europees Stelsel van centrale banken op basis van Aanbeveling ECB/2014/7 (3).

(5)

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Besluit ECB/2014/6 rapporteert het Comité statistieken (hierna: „STC”) jaarlijks aan de Raad van bestuur over de vooruitgang die de ECB en de individuele NCB's hebben geboekt met hun implementatie van de voorbereidende maatregelen. Dit jaarlijkse verslag moet door het STC bij alle NCB's verzamelde informatie omvatten, waaronder informatie inzake de geboekte vooruitgang van NCB's met een ontheffing krachtens artikel 3, lid 3, van besluit ECB/2014/6. De in artikel 3, lid 3, van Besluit ECB/2014/6 bedoelde afzonderlijke verslagen worden niet langer noodzakelijk geacht.

(6)

Besluit ECB/2014/6l moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Besluit ECB/2014/6 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 wordt de tweede zin als volgt vervangen:

„Dit langetermijnkader omvat uiterlijk aan het begin van de eerste werkelijke verzending van gedetailleerde kredietgegevens van de NCB's aan de ECB, zulks overeenkomstig Verordening (EU) 2016/867 van de Europese Centrale Bank (ECB/2016/13) (*), a) door alle Eurosysteem-NCB's beheerde nationale databases voor gedetailleerde kredietgegevens en b) een gemeenschappelijke database voor gedetailleerde kredietgegevens gedeeld tussen de Eurosysteemleden, met gedetailleerde kredietgegevens voor alle lidstaten die de euro als munt hebben.

(*)  Verordening (EU) 2016/867 van de Europese Centrale Bank van 18 mei 2016 betreffende de verzameling van gedetailleerde krediet- en kredietrisicogegevens (ECB/2016/13) (PB L 144 van 1.6.2016, blz. 44).”."

2)

Artikel 3, lid 2 wordt als volgt vervangen:

„2.   Rekening houdend met advies van andere relevante ESCB-comités, indien toepasselijk, bereidt het STC besluiten voor die noodzakelijk zijn voor de implementatie van de in lid 1 bedoelde voorbereidende maatregelen en dient deze ter goedkeuring in bij de Raad van bestuur. Het STC rapporteert jaarlijks aan de Raad van bestuur inzake de door de ECB en de onderscheiden NCB's geboekte vooruitgang, waaronder NCB's met een ontheffing uit hoofde van artikel 3, lid 3.”.

3)

Artikel 3, lid 3, wordt als volgt vervangen:

„3.   Aangaande NCB's die gedurende de voorbereidende fase voor de ontwikkeling of het verkrijgen van toegang tot uitgebreide databases voor gedetailleerde kredietgegevens een langere inwerkperiode nodig hebben, kan de Raad van bestuur gedurende de voorbereidende fase individuele tijdelijke ontheffing verlenen van de verplichting om bepaalde in lid 1 bedoelde voorbereidende maatregelen toe te passen. De periode van elke afzonderlijke ontheffing wordt strikt beperkt tot de minimumtijd die de betrokken NCB nodig heeft om tijdens de voorbereidende fase te voldoen aan de door deze ontheffing bestreken voorbereidende maatregelen, en wordt hoe dan ook zodanig vastgesteld dat ten overstaan van alle Eurosysteem-NCB's alle in artikel 1 bedoelde doelstellingen verwezenlijkt kunnen worden. Enig toegangsrecht tot vertrouwelijke statistische informatie, die werd afgeleid uit aan de ECB als deel van een specifieke voorbereidende maatregel verzonden gedetailleerde kredietgegevens, wordt aangaande NCB's met een tijdelijke ontheffing ten aanzien van deze maatregel opgeschort. De Raad van bestuur kan besluiten om onderscheiden NCB's met een ontheffing uit hoofde van dit lid passende nadere beperkingen op te leggen.”.

4)

Artikel 4, lid 1 wordt als volgt vervangen:

„1.   Teneinde op lange termijn de te verzamelen gedetailleerde kredietgegevens af te stemmen op de statistische behoeften van toekomstige ESCB-gebruikers, organiseert het STC gedurende de voorbereidingsfase de jaarlijkse verzending, die elk jaar eind maart plaats vindt, van de NCB's naar de ECB van direct beschikbare gedetailleerde kredietgegevens, welke gegevens betrekking hebben op 30 juni en 31 december van het voorafgaande jaar, met voldoende geanonimiseerde en geaggregeerde informatie inzake de kredietnemers om te verzekeren dat individuele kredietnemers niet geïdentificeerd kunnen worden. De eerste verzending vindt eind maart 2014 plaats, met als referentie 30 juni en 31 december 2013, en is gebaseerd op het referentierapportagekader in de bijlage. Verdere ad-hocverzendingen organiseert het STC op vrijwillige basis en op basis van het rapportagekader dat rekening houdt met direct beschikbare gedetailleerde kredietgegevens en hun kenmerken, en verzekert dat de verzamelde gegevens evenredig zijn aan de status van het ten tijde van de verzending voltooide voorbereidende werk. Gegevens van kredietnemers die niet tot institutionele sector van niet-financiële vennootschappen behoren, mogen gedurende de voorbereidingsfase geaggregeerd gerapporteerd worden, mits de NCB de betrokken methodologische informatie levert.”.

5)

De bijlage bij Besluit ECB/2014/6 wordt overeenkomstig de bijlage bij dit besluit gewijzigd.

Artikel 2

Inwerkingstreding

Dit besluit treedt op de dag van notificatie aan de geadresseerden in werking.

Artikel 3

Geadresseerden

Dit besluit is gericht tot de NCB's van de eurogebiedlidstaten.

Gedaan te Frankfurt am Main,18 mei 2016.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)  Besluit ECB/2014/6 van 24 februari 2014 betreffende de organisatie van voorbereidende maatregelen voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens door het Europees Stelsel van centrale banken (PB L 104 van 8.4.2014, blz. 72).

(3)  Aanbeveling ECB/2014/7 van 24 februari 2014 betreffende de organisatie van voorbereidende maatregelen voor de verzameling van gedetailleerde kredietgegevens door het Europees Stelsel van centrale banken (PB C 103 van 8.4.2014, blz. 1).


BIJLAGE

De tabel in de bijlage bij Besluit ECB/2014/6 wordt door de volgende tabel vervangen:

„Type

Eigenschappen

Overzicht

Anonimiseringsniveau

Kredietgevereigenschappen

Identificatiecode van de kredietgever

Identificatie van de kredietgevers overeenkomstig de codificatie die het „Register of Institutions and Assets Database (RIAD)” van het ESCB gebruikt (*).

Niet-geanonimiseerd

Kredietnemereigenschappen

Identificatiecode van de kredietnemer

Alfanumerieke identificatiecode van kredietnemers opdat de individuele kredietnemers niet geïdentificeerd kunnen worden

Geanonimiseerd

Land van ingezetenschap

Land van ingezetenschap van de kredietnemer, overeenkomstig de ISO 3166-standaard (**).

Institutionele sector

Institutionele sector (of subsector) van de kredietnemer, overeenkomstig de ESA 2010-classificatie. De volgende (sub-)sectoren zijn vereist:

niet-financiële vennootschappen (S.11)

de centrale bank (S.121)

deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122)

geldmarktfondsen (S.123)

beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen (S.124)

overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125)

financiële hulpbedrijven (S.126)

financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127)

verzekeringsinstellingen (S.128)

pensioenfondsen (S.129)

overheid (S.13)

huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.14 + S.15)

Sector van economische activiteit

Classificatie van (financiële en niet-financiële) kredietnemers volgens hun economische activiteiten, overeenkomstig de NACE rev. 2 statistische classificatie (***). NACE-codes worden met twee detailniveaus (naar „afdeling”) gerapporteerd.

Omvang

Classificatie van kredietnemers naargelang van hun omvang: micro, klein, middelgroot en groot.

Kredietgegevensvariabelen

Leningidentificatiecode

Alfanumerieke leningidentificatiecode, zoals toegepast door kredietinstellingen op nationaal niveau.

Valuta

Valutadenominatie van lening, overeenkomstig de ISO 4217-standaard (**).

Leningtype

Classificatie van leningen volgens type:

op aanvraag en korte termijn (lopende rekening)

schuld op kredietkaarten

handelskrediet

financiële leasings

repo-overeenkomsten met wederinkoopverplichting

overige termijnleningen

Type zekerheid

Type zekerheid als onderpand van de verstrekte lening; zekerheden in de vorm van onroerend goed, overige zekerheden (inclusief effecten en goud), geen zekerheid.

Oorspronkelijke looptijd

Looptijd van de verstrekte lening sinds aanvang of op een tijdstip bij latere oversluiting; korter dan of gelijk aan één jaar, langer dan één jaar.

Restlooptijd

Looptijd die verwijst naar het afgesproken tijdstip van de aflossing van de lening: korter dan of gelijk aan één jaar, langer dan één jaar.

Oninbare status

Leningen waarvoor de kredietnemer zijn betalingsverplichtingen niet nakomt.

Syndicaatsleningen

Een lening waarin verscheidene instellingen als kredietverlener deelnemen.

Achtergestelde schulden

Achtergestelde schuldinstrumenten verschaffen een achtergestelde vordering op de uitgevende instelling die pas geïnd kan worden nadat alle vorderingen met een hogere status (bijv. deposito's/leningen) zijn voldaan, waardoor zij sommige kenmerken krijgen van aandelen en overige deelnemingen.

Kredietgegevensmetingen

Opgenomen krediet

Totale uitstaande bedrag van een lening (hoofdsom, zonder aftrek van afwaarderingen), gerapporteerd met kredietrisicoaanpassingen, behoudens kredietverliezen die zijn geboekt als afschrijvingen.

Kredietlijnen

Bedrag toegekend maar niet opgenomen krediet.

Achterstallige betalingen

Betalingen (bedragen) op een lening die sinds meer dan 90 dagen achterstallig zijn.

Waarde van de zekerheid

Waarde van de zekerheid op het rapportagetijdstip.

Specifieke kredietrisicoaanpassingen

Specifieke voorziening voor verliezen op leningen voor kredietrisico's overeenkomstig de toepasselijke boekhoudregels. Die meting moet alleen voor oninbare leningen gerapporteerd worden.

Risicogewogen activa

Bedragen van risicogewogen posten overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (****) of latere rechtshandelingen

Wanbetalingsrisico (uitsluitend voor kredietinstellingen die een interneratingmethode toepassen)

Wanbetalingsrisico van een tegenpartij over een periode van één jaar overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG of latere rechtshandelingen. Bij kredietnemersgewijze rapportage wordt een volumegewogen gemiddelde gerapporteerd.

Verlies bij wanbetaling (uitsluitend voor kredietinstellingen die een interneratingmethode toepassen)

De verhouding tussen het verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling door een tegenpartij en het uitstaande bedrag bij wanbetaling overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG of latere rechtshandelingen. Bij kredietnemersgewijze rapportage wordt een volumegewogen gemiddelde gerapporteerd.

Rentevoet

De ratio, als een jaarpercentage van het bedrag dat de debiteur over een bepaalde periode aan de crediteur verschuldigd is op het bedrag van de hoofdsom van de lening, het deposito of het schuldbewijs in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 63/2002 van de Europese Centrale Bank (*****) of latere rechtshandelingen. Bij kredietnemersgewijze rapportage wordt een volumegewogen gemiddelde gerapporteerd.


(*)  Voor monetaire fnanciële instellingen, zie de lijst van monetaire financiële instellingen (MFI's) bekendgemaakt op de ECB-website: www.ecb.europa.eu

(**)  Zoals gepubliceerd door de International Organization for Standardization (ISO) op haar website: www.iso.org

(***)  Zoals gepubliceerd door de Europese Commissie (Eurostat) op haar website: www.ec.europa.eu/eurostat

(****)  Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1).

(*****)  Verordening (EG) nr. 63/2002 van de Europese Centrale Bank van 20 december 2001 met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen ten aanzien van huishoudens en niet-financiële vennootschappen gehanteerde rentetarieven op deposito's en leningen (ECB/2001/18) (PB L 10 van 12.1.2002, blz. 24).”.