ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 21

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
28 januari 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Informatie over de datum van inwerkingtreding van het Protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, inzake een Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Tunesië over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Tunesië aan EU-programma's

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van colleges van toezichthouders ( 1 )

2

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het nader bepalen van het operationeel functioneren van de colleges van toezichthouders overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

21

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

45

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/101 van de Commissie van 26 oktober 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen betreffende prudente waardering op grond van artikel 105, lid 14 ( 1 )

54

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/102 van de Commissie van 19 januari 2016 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Eichsfelder Feldgieker/Eichsfelder Feldkieker (BGA))

66

 

*

Verordening (EU) 2016/103 van de Commissie van 27 januari 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS)

67

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/104 van de Commissie van 27 januari 2016 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor minder gangbare herkauwers gehouden voor mestdoeleinden en melkproductie (vergunninghouder Prosol SpA) ( 1 )

71

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/105 van de Commissie van 27 januari 2016 tot goedkeuring van bifenyl-2-ol als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 4, 6 en 13 ( 1 )

74

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/106 van de Commissie van 27 januari 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

79

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/107 van de Commissie van 27 januari 2016 tot niet-goedkeuring van cybutrine als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21 ( 1 )

81

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/108 van de Commissie van 27 januari 2016 tot niet-goedkeuring van 2-butanon, peroxide als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1 en 2 ( 1 )

83

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/109 van de Commissie van 27 januari 2016 tot niet-goedkeuring van PHMB (1600; 1.8) als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 6 en 9 ( 1 )

84

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/110 van de Commissie van 27 januari 2016 tot niet-goedkeuring van triclosan als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 1 ( 1 )

86

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Richtlijn 2009/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen op twee- of driewielige motorvoertuigen ( PB L 222 van 25.8.2009 )

88

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/1


Informatie over de datum van inwerkingtreding van het Protocol bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, inzake een Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Tunesië over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Tunesië aan EU-programma's

De Europese Unie en de regering van de Republiek Tunesië hebben elkaar respectievelijk op 26 oktober 2015 en 11 januari 2016 kennis gegeven van de voltooiing van de voor de inwerkingtreding van bovengenoemd Protocol noodzakelijke procedures. (1)

Het Protocol, dat op 17 maart 2015 in Brussel is ondertekend, zal derhalve overeenkomstig artikel 10, lid 2, daarvan, op 1 februari 2016 in werking treden.


(1)  PB L 96 van 11.4.2015, blz. 3.


VERORDENINGEN

28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/2


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/98 VAN DE COMMISSIE

van 16 oktober 2015

tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de algemene voorwaarden voor het functioneren van colleges van toezichthouders

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 51, lid 4, en artikel 116, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het in kaart brengen van een groep instellingen — waarbij de groepsentiteiten in de Unie of een derde land worden geïdentificeerd en waarbij voor elke groepsentiteit een beschrijving wordt gegeven van het karakter en de locatie ervan, de autoriteiten die bij het toezicht erop betrokken zijn, de toepasselijke prudentiële vrijstellingen, het belang van de entiteit voor de groep en voor het land waar zij een vergunning heeft verkregen of gevestigd is, alsook de criteria op grond waarvan dit belang wordt bepaald — wordt van cruciaal belang geacht voor het bepalen van de leden en mogelijke waarnemers van een college van toezichthouders. In dit verband is informatie over het belang van een bijkantoor voor de groep en voor de lidstaat waar het is gevestigd, essentieel om te kunnen uitmaken of de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat aan activiteiten van het college deel dienen te nemen. Ook informatie over de aard van de groepsentiteiten (gaat het om instellingen, bijkantoren of andere entiteiten uit de financiële sector) en over het land waar zij een vergunning hebben verkregen of zijn gevestigd (gaat het om een lidstaat of een derde land), is van belang voor het bepalen van de leden en mogelijke waarnemers van het college.

(2)

Informatie over het belang van een groepsentiteit voor de groep en voor de lidstaat waar zij een vergunning heeft verkregen of is gevestigd, is essentieel voor het bepalen van de mate van betrokkenheid van de bevoegde autoriteit van die lidstaat bij de activiteiten van het college, en met name bij de uitvoering van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder.

(3)

Ter bevordering van de efficiëntie van de colleges van toezichthouders moeten de in artikel 115 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen alle werkzaamheden van het college bestrijken. De schriftelijk vastgelegde regelingen dienen ook betrekking te hebben op regelingen tussen sommige leden van het college die zich met specifieke activiteiten daarvan bezighouden, zoals de activiteiten die via specifieke substructuren van het college worden verricht. De schriftelijk vastgelegde regelingen dienen ook operationele aspecten van de werkzaamheden van het college te omvatten, daar deze aspecten van cruciaal belang zijn voor de werking van het college, zowel in normale bedrijfsomstandigheden als in noodsituaties. Daar het essentieel is om de samenwerking binnen het college te verzekeren voorafgaand aan en ten behoeve van de verschaffing van input over kwesties betreffende groepsafwikkeling, dienen in de schriftelijk vastgelegde regelingen de processen voor het coördineren van de relevante input te worden omschreven, alsook de verantwoordelijkheden en rol van de consoliderende toezichthouder in het communiceren van deze input aan het afwikkelingscollege via de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau zoals omschreven in artikel 2, lid 1, punt 44, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (2). De schriftelijk vastgelegde regelingen dienen volledig, samenhangend en uitputtend te zijn en de bevoegde autoriteiten tevens een adequaat en passend uitgangspunt te verschaffen voor het vervullen van hun relevante taken binnen veeleer dan buiten het college.

(4)

Colleges zijn een essentieel hulpmiddel voor het uitwisselen van informatie en het anticiperen op en aanpakken van noodsituaties, alsook voor het in staat stellen van de consoliderende toezichthouder om een effectief toezicht op geconsolideerde basis uit te oefenen. Om de consistentie te garanderen en de EBA in staat te stellen haar taken te vervullen zoals deze in Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) en in artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU zijn omschreven, is het passend dat de EBA als lid aan alle colleges deelneemt.

(5)

Om alle werkzaamheden van het college te kunnen uitvoeren, dienen de consoliderende toezichthouder en de andere leden van het college te beschikken over een overzicht van de activiteiten die door alle groepsentiteiten worden verricht, met inbegrip van de entiteiten die financiële activiteiten uitoefenen zonder als instellingen te worden aangemerkt en de entiteiten die buiten de Unie actief zijn. De interactie tussen de consoliderende toezichthouder, de leden van het college, de toezichthoudende autoriteiten en de overheidsinstanties of -organen van derde landen welke voor het toezicht op een entiteit van een groep verantwoordelijk zijn of daarbij betrokken zijn, waaronder de autoriteiten die voor het prudentiële toezicht op de groepsentiteiten uit de financiële sector verantwoordelijk zijn of de bevoegde autoriteiten die voor het toezicht op markten voor financiële instrumenten, het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, of de bescherming van consumenten verantwoordelijk zijn, dient te worden bevorderd door deze toezichthoudende autoriteiten en overheidsinstanties of -organen van derde landen, in voorkomend geval, in de gelegenheid te stellen als waarnemers aan de werkzaamheden van het college deel te nemen.

(6)

Leden van het college dienen te overleggen en afspraken te maken over de reikwijdte en mate van betrokkenheid van eventuele waarnemers bij het college. Het kader voor de deelname van waarnemers aan het college dient duidelijk in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen te worden omschreven en aan de waarnemers te worden medegedeeld.

(7)

Leden van het college van toezichthouders dienen samen te werken door hun toezichtmaatregelen zoveel mogelijk te coördineren en dienen ernaar te streven om door nauw samen te werken hun taken beter te kunnen uitvoeren en dubbel werk te voorkomen, zoals het richten van dubbele informatieverzoeken aan de onder toezicht staande groepsentiteiten. In dit verband dienen afspraken over de toewijzing van taken en de delegatie van verantwoordelijkheden regelmatig door de leden van het college te worden getoetst, en ten minste wanneer zij het programma voor toezichtonderzoek door het college opstellen.

(8)

De consoliderende toezichthouder moet toegang hebben tot alle informatie die voor de uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden noodzakelijk is en dient als coördinator op te treden voor de verzameling en verspreiding van informatie die van een lid of waarnemer van het college of van een groepsentiteit is ontvangen, dan wel van input die door het afwikkelingscollege, en met name door de betrokken afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, is verschaft. Hetzelfde geldt ook voor de leden van het college. Met name moet de consoliderende toezichthouder bij het vaststellen van de relevantie van bepaalde informatie voor een ander lid van het college, zoals onder meer de bevoegde autoriteit in een lidstaat van ontvangst waar een significant bijkantoor is gevestigd, vermijden dat leden van het college ten onrechte van de ontvangst van informatie worden uitgesloten.

(9)

Leden van het college die aan de uitvoering van de in artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken deelnemen, dienen ertoe te worden aangespoord om informatie uit te wisselen over de beoordeling van de belangrijkste elementen van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder zoals omschreven in artikel 97 van genoemde richtlijn, waarbij tegelijkertijd moet worden erkend dat in de diverse lidstaten op verschillende wijze uitvoering kan worden gegeven aan het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder, al naargelang de manier waarop deze Unievoorschriften in nationale wetgeving zijn omgezet en ook rekening houdend met de door de EBA krachtens artikel 107, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU uitgevaardigde richtsnoeren.

(10)

Met het oog op de facilitering van de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en de coördinatie van beslissingen voor de aanpak van kwesties in verband met de inachtneming door een instelling van de voorschriften betreffende benaderingen waarvoor de bevoegde autoriteiten eerst toestemming moeten geven voordat deze voor de berekening van de eigenvermogensvereisten kunnen worden gevolgd (gebruik van interne modellen voor kredietrisico, marktrisico, tegenpartijrisico en operationeel risico), dienen de voorwaarden voor de samenwerking tussen de consoliderende toezichthouder en de relevante bevoegde autoriteiten bij de uitwisseling van informatie over de resultaten van deze interne benaderingen en de voorwaarden voor het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over maatregelen voor de aanpak van vastgestelde inefficiënties, nader te worden bepaald.

(11)

Ter vergemakkelijking van de detectie van vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico's en kwetsbaarheden voor de groep en de daartoe behorende entiteiten, alsook voor het stelsel waarin zij opereren, worden de leden van het college geacht consistente en vergelijkbare kwantitatieve informatie over de groep en de daartoe behorende entiteiten uit te wisselen. Deze informatie dient betrekking te hebben op hoofdaspecten van de informatie die door de bevoegde autoriteiten wordt verzameld overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie (4), waarin is bepaald welke eenvormige formats, frequenties, rapportagedata, definities en IT-oplossingen de instellingen moeten hanteren voor de rapportage voor toezichtdoeleinden. De informatie moet worden uitgewisseld terwijl de bevoegde autoriteiten bezig zijn met het opstellen van het verslag met de risicobeoordeling van de groep en met het komen tot gezamenlijke besluiten over het kapitaal en de liquiditeit overeenkomstig artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU. Elk college moet uitmaken welke informatie precies voor deze doeleinden moet worden uitgewisseld.

(12)

Bij de opstelling van het programma voor toezichtonderzoek door het college moeten de leden van het college rekening houden met het verslag met de risicobeoordeling van de groep en met de uitkomst van het gezamenlijke besluit over het kapitaal en de liquiditeit, zodat de prioriteiten van de gezamenlijke werkzaamheden beter kunnen worden onderkend. De opstelling van het programma voor toezichtonderzoek door het college dient derhalve te worden aangevat zodra de risicobeoordeling en de opstelling van het gezamenlijke besluit voor de groep zijn afgerond. Bij de definitieve vaststelling van het programma dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met de taken die zij hebben toegezegd op nationaal niveau te zullen uitvoeren, met de middelen die voor het vervullen van deze taken zijn toegewezen, en met de tijdschema's die voor de volbrenging ervan gelden.

(13)

Leden van het college moeten hun activiteiten ter voorbereiding op en in noodsituaties coördineren. Noodsituaties zijn bijvoorbeeld ongunstige ontwikkelingen die de ordelijke werking en de integriteit van de financiële markten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie of een deel daarvan ernstig in gevaar kunnen brengen, dan wel andere situaties die de financiële en economische situatie van een bankgroep of een dochteronderneming daarvan aantasten of uitdrukkelijk kunnen aantasten. De planning en coördinatie van de werkzaamheden van de bevoegde autoriteiten ter voorbereiding op en in noodsituaties moeten derhalve onder meer maar niet uitsluitend de werkzaamheden omvatten die in de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU zijn beschreven. Met name de werkzaamheden waarmee wordt beoogd de opstelling van groepsherstelplannen te coördineren en gecoördineerde input aan afwikkelingsautoriteiten te verschaffen, moeten als activiteiten ter voorbereiding op en in noodsituaties worden beschouwd.

(14)

Wanneer aan een noodsituatie het hoofd moet worden geboden, dienen de leden van het college, onder de coördinatie van de consoliderende toezichthouder, tot een gecoördineerde toezichtbeoordeling van de situatie te komen, overeenstemming over een gecoördineerde toezichtreactie te bereiken, en de implementatie van hun reactie te monitoren om erop toe te zien dat de noodsituatie correct wordt beoordeeld en aangepakt. Zij dienen er eveneens voor te zorgen dat alle externe communicatie op een gecoördineerde wijze plaatsvindt en betrekking heeft op elementen die de leden van het college van tevoren hebben afgesproken.

(15)

De bepalingen van deze verordening houden nauw met elkaar verband, daar ze betrekking hebben op de algemene voorwaarden voor het functioneren van de colleges van toezichthouders. Om de samenhang te garanderen tussen deze bepalingen, die op hetzelfde moment in werking moeten treden, en om de personen voor wie deze verplichtingen gelden, een volledig beeld van en een compacte toegang tot deze bepalingen te bieden, is het wenselijk alle bij artikel 51, lid 4, en artikel 116, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU vereiste technische reguleringsnormen in één enkele verordening samen te brengen.

(16)

Daar de overgrote meerderheid van de colleges van toezichthouders in de EU overeenkomstig artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU wordt opgericht, lijkt het passender eerst de voor colleges geldende voorwaarden van artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU vast te stellen voordat de voor colleges geldende voorwaarden van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU worden gespecificeerd, omdat de eerstgenoemde voorwaarden veeleer voor algemene en de laatstgenoemde veeleer voor speciale gevallen lijken te gelden.

(17)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit, EBA) aan de Commissie heeft voorgelegd.

(18)

De EBA heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 opgerichte Stakeholdergroep bankwezen om advies verzocht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden de algemene voorwaarden vastgesteld voor het functioneren van het college van toezichthouders (hierna „het college” genoemd) dat overeenkomstig artikel 116 en artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU wordt opgericht.

HOOFDSTUK 2

VOORWAARDEN VOOR HET FUNCTIONEREN VAN COLLEGES OPGERICHT OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 116 VAN RICHTLIJN 2013/36/EU

AFDELING 1

Oprichting en werking van colleges

Artikel 2

In kaart brengen van een groep instellingen

1.   Met het oog op het bepalen van de leden en mogelijke waarnemers van het college van toezichthouders brengt de consoliderende toezichthouder een groep instellingen in kaart in overeenstemming met artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 van de Commissie (5).

2.   Het in kaart brengen van een groep instellingen resulteert in de identificatie van de volgende groepsentiteiten:

a)

instellingen waaraan vergunning is verleend en bijkantoren die zijn gevestigd in een lidstaat;

b)

entiteiten uit de financiële sector waaraan in een lidstaat vergunning is verleend;

c)

instellingen die een vergunning hebben verkregen en bijkantoren die zijn gevestigd in een derde land.

3.   Bij het in kaart brengen van elke instelling waaraan vergunning is verleend en elk bijkantoor dat is gevestigd in een lidstaat, wordt de volgende informatie vermeld:

a)

de lidstaat waar de instelling een vergunning heeft verkregen of het bijkantoor is gevestigd;

b)

de bevoegde autoriteit die voor het toezicht op de instelling verantwoordelijk is, of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst waar het bijkantoor is gevestigd, alsook andere autoriteiten uit de financiële sector van die lidstaat, zoals bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op markten voor financiële instrumenten, het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, of de bescherming van consumenten;

c)

voor een instelling, met inbegrip voor een dochteronderneming van een EU-moederonderneming die in dezelfde lidstaat is gevestigd, alsook voor deze EU-moederonderneming, informatie met betrekking tot de vraag of de instelling individueel aan prudentieel toezicht onderworpen is, dan wel of haar overeenkomstig de artikelen 7, 8 of 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) op individuele basis ontheffing is verleend van de toepassing van de vereisten van de delen twee tot en met acht van genoemde verordening;

d)

voor een instelling, informatie met betrekking tot het belang van de instelling voor de lidstaat waar haar vergunning is verleend en de relevante criteria die door de bevoegde autoriteiten zijn gebruikt om dit belang te bepalen, alsook informatie over het belang van die instelling voor de groep, mits het totale bedrag aan activa en posten buiten de balanstelling van die instelling meer dan 1 % van de totale activa en posten buiten de balanstelling van de groep op geconsolideerde basis bedraagt;

e)

voor een bijkantoor, informatie met betrekking tot het belang van het bijkantoor voor de lidstaat waar het is gevestigd, en met name of dit bijkantoor overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU als significant is aangemerkt, dan wel onderwerp vormt van een verzoek om als significant te worden aangemerkt, alsook informatie over het belang van dat bijkantoor voor de groep, mits het totale bedrag aan activa en posten buiten de balanstelling van dat bijkantoor meer dan 1 % van de totale activa en posten buiten de balanstelling van de groep op geconsolideerde basis bedraagt.

4.   Bij het in kaart brengen van elke entiteit uit de financiële sector, elke instelling of elk bijkantoor als bedoeld in lid 2, onder b) en c), wordt de volgende informatie vermeld:

a)

de lidstaat waar aan de entiteit uit de financiële sector vergunning is verleend, dan wel het derde land waar de instelling een vergunning heeft verkregen of het bijkantoor is gevestigd;

b)

de autoriteit die verantwoordelijk is voor of betrokken is bij het toezicht op die entiteit uit de financiële sector, die instelling of dat bijkantoor;

c)

informatie over het belang van de entiteit uit de financiële sector, van de instelling of van het bijkantoor voor de groep, mits het totale bedrag aan activa en posten buiten de balanstelling van die entiteit uit de financiële sector, die instelling of dat bijkantoor meer dan 1 % van de totale activa en posten buiten de balanstelling van de groep op geconsolideerde basis bedraagt.

Artikel 3

Aanwijzing van de leden en waarnemers van een college

1.   De consoliderende toezichthouder nodigt de volgende autoriteiten uit om lid te worden van het college:

a)

de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de instellingen die dochterondernemingen zijn van een EU-moederonderneming, van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren als bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU zijn gevestigd;

b)

de tot het ESCB behorende centrale banken van de lidstaten die krachtens hun nationale wetgeving bij het prudentieel toezicht op de onder a) bedoelde rechtspersonen betrokken zijn, maar die geen bevoegde autoriteiten zijn;

c)

de EBA.

2.   De consoliderende toezichthouder kan de bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst waar niet-significante bijkantoren zijn gevestigd, uitnodigen om als waarnemers aan het college deel te nemen in overeenstemming met het proces vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

3.   De consoliderende toezichthouder kan de toezichthoudende autoriteiten van derde landen waar instellingen een vergunning hebben verkregen of bijkantoren zijn gevestigd, uitnodigen om als waarnemers aan het college deel te nemen in overeenstemming met het proces vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

4.   De consoliderende toezichthouder kan de volgende autoriteiten uitnodigen om als waarnemers aan het college deel te nemen in overeenstemming met het proces vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder d), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99:

a)

de centrale banken van het ESCB die volgens het nationale recht niet bevoegd zijn om toezicht uit te oefenen op een instelling waaraan vergunning is verleend of een bijkantoor dat is gevestigd in een lidstaat;

b)

de overheidsinstanties of -organen in een lidstaat die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij het toezicht op een groepsentiteit, met inbegrip van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het prudentieel toezicht op de entiteiten uit de financiële sector van de groep of de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op markten voor financiële instrumenten, het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, of de bescherming van consumenten.

5.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college preciseren de regelingen betreffende de deelname van de waarnemers aan het college in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen als bedoeld in artikel 5, onder c). De consoliderende toezichthouder stelt de waarnemers van deze regelingen in kennis.

Artikel 4

Communicatie over de oprichting en samenstelling van een college

De consoliderende toezichthouder stelt de EU-moederonderneming van de groep in kennis van de oprichting van een college en van de identiteit van de leden en waarnemers daarvan, alsook van eventuele veranderingen in de samenstelling van het college.

Artikel 5

Vaststelling van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen

De in artikel 115 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen bevatten ten minste het volgende:

a)

informatie over de algehele structuur van de groep die alle groepsentiteiten omvat;

b)

de identiteit van de leden en waarnemers van het college;

c)

een beschrijving van de voorwaarden voor de deelname van waarnemers aan het college zoals bedoeld in artikel 3, lid 5, van deze verordening, met vermelding van hun betrokkenheid bij de verschillende besprekingen en processen van het college en van hun rechten en plichten wat de uitwisseling van informatie betreft;

d)

een beschrijving van de regelingen voor het uitwisselen van informatie, met vermelding van de reikwijdte, frequentie en communicatiekanalen;

e)

een beschrijving van de regelingen voor de behandeling van vertrouwelijke informatie;

f)

een beschrijving van de regelingen voor de toewijzing van taken en de delegatie van verantwoordelijkheden, indien van toepassing;

g)

een beschrijving van eventuele substructuren van het college;

h)

een beschrijving van het kader voor de planning en coördinatie van toezichtactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden;

i)

een beschrijving van het kader voor de planning en coördinatie van toezichtactiviteiten ter voorbereiding op en in noodsituaties, met inbegrip van noodplannen, communicatiehulpmiddelen en procedures;

j)

een beschrijving van het beleid van de consoliderende toezichthouder en de leden van het college op het gebied van de communicatie met de EU-moederonderneming en de groepsentiteiten;

k)

overeengekomen procedures en termijnen die voor de verspreiding van vergaderdocumenten in acht moeten worden genomen;

l)

elke andere overeenkomst tussen de leden van het college, met inbegrip van overeengekomen indicatoren voor de detectie van vroegtijdige waarschuwingssignalen, mogelijke risico's en kwetsbaarheden;

m)

een beschrijving van het kader voor het verschaffen van gecoördineerde input aan het afwikkelingscollege, en met name voor het verschaffen van gecoördineerde input zonder restricties ten behoeve van het in de artikelen 12, 13, 16, 18, 91 en 92 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde raadplegingsproces;

n)

een beschrijving van de rol van de geconsolideerde toezichthouder, in het bijzonder met betrekking tot de coördinatie van het verschaffen van de onder m) bedoelde input via de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau aan het betrokken afwikkelingscollege;

o)

bepalingen die voorzien in regelingen waarbij een lid of waarnemer zijn deelname aan het college kan beëindigen.

Artikel 6

Deelname aan vergaderingen en activiteiten van het college

1.   Wanneer de consoliderende toezichthouder overeenkomstig artikel 116, lid 7, van Richtlijn 2013/36/EU beslist welke autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college mogen deelnemen, houdt hij rekening met het volgende:

a)

de te bespreken onderwerpen en het doel van de vergadering of activiteit, en met name de relevantie daarvan voor elke groepsentiteit;

b)

het belang van de groepsentiteit voor de lidstaat waar zij een vergunning heeft verkregen of waar zij is gevestigd, en het belang ervan voor de groep.

2.   In het licht van de te bespreken onderwerpen en nagestreefde doelstellingen zorgen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college ervoor dat de meest geschikte vertegenwoordigers aan de vergaderingen of activiteiten van het college deelnemen. Die vertegenwoordigers zijn als leden van het college bevoegd om hun autoriteiten zoveel mogelijk te committeren aan de beslissingen die tijdens de vergaderingen of activiteiten zijn gepland.

3.   De consoliderende toezichthouder kan op grond van de onderwerpen en doelstellingen van de vergadering of activiteit van het college vertegenwoordigers van groepsentiteiten uitnodigen daaraan deel te nemen.

Artikel 7

Toewijzing van taken en delegatie van verantwoordelijkheden

1.   Bij het opstellen van het programma voor toezichtonderzoek door het college overeenkomstig artikel 16 en het indien nodig bijwerken daarvan, houden de consoliderende toezichthouder en de leden van het college rekening met de mogelijkheid om een overeenkomst te sluiten over de toewijzing van taken en delegatie van verantwoordelijkheden op vrijwillige basis conform artikel 116, lid 1, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU, met name indien wordt verwacht dat een dergelijke toewijzing of delegatie tot een efficiënter en doeltreffender toezicht leidt, in het bijzonder door het voorkomen van onnodige dubbele toezichtvereisten, onder meer wat informatieverzoeken betreft.

2.   Van de sluiting van een overeenkomst over de toewijzing van taken of de delegatie van verantwoordelijkheden wordt kennis gegeven door de consoliderende toezichthouder aan de EU-moederonderneming en door de bevoegde autoriteit die haar bevoegdheden delegeert, aan de betrokken instelling.

Artikel 8

Uitwisseling van informatie tussen leden van het college en een groep instellingen

1.   De consoliderende toezichthouder is verantwoordelijk voor het communiceren met en het richten van informatieverzoeken aan de EU-moederonderneming. De leden van het college zijn verantwoordelijk voor het communiceren met en het richten van informatieverzoeken aan de instellingen en bijkantoren die onder hun toezicht staan.

2.   Als een lid van het college bij uitzondering voornemens is te communiceren met of een informatieverzoek te richten aan de EU-moederonderneming, stelt hij de consoliderende toezichthouder daarvan van tevoren in kennis.

3.   Als de consoliderende toezichthouder bij uitzondering voornemens is te communiceren met of een informatieverzoek te richten aan een instelling die of een bijkantoor dat niet onder zijn toezicht staat, stelt hij het lid van het college dat voor het toezicht op deze instelling of dit bijkantoor verantwoordelijk is, daarvan van tevoren in kennis.

AFDELING 2

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden

Artikel 9

Algemene voorwaarden voor de uitwisseling van informatie tussen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is voor de facilitering van de uitvoering van de in de artikelen 112 en 113 van Richtlijn 2013/36/EU genoemde taken, onverminderd de geheimhoudingsvereisten die zijn neergelegd in titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van genoemde richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (7).

2.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college wisselen ook alle informatie uit die noodzakelijk is om de uitoefening van de in artikel 8 van Richtlijn 2014/59/EU genoemde taken te faciliteren.

3.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college wisselen de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie uit, ongeacht of deze is ontvangen van een groepsentiteit, een bevoegde of toezichthoudende autoriteit of een andere bron, en in overeenstemming met artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99. Deze informatie is voldoende adequaat, nauwkeurig en actueel.

Artikel 10

Uitwisseling van informatie voor de uitvoering van risicobeoordelingen van de groep en voor het komen tot gezamenlijke besluiten

1.   Voor de doeleinden van de in artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten wisselen de consoliderende toezichthouder en de in lid 1 van genoemd artikel bedoelde betrokken leden van het college zowel op individueel als op geconsolideerd niveau alle informatie uit die nodig is om tot een dergelijk gezamenlijk besluit te komen.

2.   De consoliderende toezichthouder en de in lid 1 bedoelde betrokken leden van het college wisselen met name informatie uit over de resultaten van de overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU gevolgde procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder. Deze informatie geeft ten minste een indicatie van de uitkomst van de beoordeling van de volgende elementen:

a)

een analyse van het bedrijfsmodel, met inbegrip van een beoordeling van de levensvatbaarheid van het huidige bedrijfsmodel en de duurzaamheid van de strategie van het bedrijf voor de toekomst;

b)

interne governanceregelingen en controlemechanismen voor de gehele instelling;

c)

individuele risico's voor het kapitaal van de instelling, met inbegrip van de volgende elementen:

i)

inherente individuele risico's;

ii)

risicomanagement en -controles;

d)

beoordeling van de kapitaaltoereikendheid, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 104, lid 1, onder a) van Richtlijn 2013/36/EU voorgestelde eigenvermogensvereisten;

e)

risico's voor de liquiditeit en financiering van de instelling, met inbegrip van de volgende elementen:

i)

liquiditeitsrisico en financieringsrisico;

ii)

beheer van het liquiditeits- en financieringsrisico;

f)

beoordeling van de liquiditeitstoereikendheid, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 105 van Richtlijn 2013/36/EU voorgestelde kwantitatieve en kwalitatieve liquiditeitsmaatregelen;

g)

andere toezichtmaatregelen of vroegtijdige interventiemaatregelen die zijn genomen of gepland om de inefficiënties aan te pakken die bij de procedure voor toetsing en evaluatie zijn vastgesteld.

h)

resultaten van de overeenkomstig artikel 100 van Richtlijn 2013/36/EU uitgevoerde stresstests voor toezichtdoeleinden;

i)

bevindingen van inspecties ter plaatse en van controles op afstand welke van belang zijn voor de beoordeling van het risicoprofiel van de groep of van enigerlei entiteiten daarvan.

Artikel 11

Uitwisseling van informatie met betrekking tot de doorlopende toetsing van de toelating om gebruik te maken van interne benaderingen en niet-wezenlijke uitbreidingen van of wijzigingen in interne modellen

1.   Teneinde de samenhang en coördinatie te garanderen van de in artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde doorlopende toetsing van de toelating om interne benaderingen te hanteren, wisselen de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college, die toezicht houden op instellingen die overeenkomstig artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 4 of 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013 toelating hebben gekregen om interne benaderingen te hanteren, alle informatie over de uitkomst van deze doorlopende toetsing en alle andere relevante informatie uit.

2.   Indien de consoliderende toezichthouder of een in lid 1 bedoeld betrokken lid van het college overeenkomstig artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU heeft vastgesteld dat een instelling waaraan in een lidstaat vergunning is verleend, met inbegrip van een EU-moederonderneming, niet langer aan alle vereisten voor het hanteren van een interne benadering voldoet of dat er van tekortkomingen sprake is, wisselen zij onmiddellijk de volgende informatie uit, voor zover van toepassing, om het bereiken te faciliteren van een gezamenlijke overeenkomst als bedoeld in artikel 8 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99:

a)

een beoordeling van het effect van de vastgestelde tekortkomingen en kwesties van niet-naleving, en het belang daarvan;

b)

een beoordeling van het plan om opnieuw aan de vereisten te voldoen en om de vastgestelde tekortkomingen aan te pakken, zoals dat is gepresenteerd door de EU-moederonderneming of een instelling waaraan in een lidstaat vergunning is verleend, met inbegrip van informatie over het tijdschema voor de implementatie van het plan;

c)

informatie over het voornemen van de consoliderende toezichthouder of van een betrokken lid van het college om de toestemming in te trekken of de toepassing van het model te beperken tot de gebieden waarop aan de vereisten wordt voldaan, de gebieden waarop binnen een passende termijn aan de vereisten kan worden voldaan of de gebieden waarop de vastgestelde tekortkomingen geen invloed hebben;

d)

informatie over de aanvullende eigenvermogensvereisten die eventueel overeenkomstig artikel 104, lid 2, onder d), van Richtlijn 2013/36/EU als toezichtmaatregel worden opgelegd om kwesties van niet-naleving of vastgestelde tekortkomingen te verhelpen.

3.   De consoliderende toezichthouder en de in lid 1 bedoelde betrokken leden van het college wisselen ook informatie uit over uitbreidingen van en wijzigingen in deze interne modellen die geen wezenlijke modeluitbreidingen of -wijzigingen zijn als bedoeld in artikel 13 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie (8).

4.   De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie wordt besproken en in aanmerking genomen om de risicobeoordeling van de groep te ontwikkelen en om overeenkomstig artikel 113, lid 1, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU tot een gezamenlijk besluit te komen.

Artikel 12

Uitwisseling van informatie over vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico's en kwetsbaarheden

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college die deelnemen aan de opstelling van het in artikel 113, lid 2, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde verslag met de risicobeoordeling van de groep of aan het in artikel 113, lid 2, onder b), van genoemde richtlijn bedoelde verslag met de liquiditeitsrisicobeoordeling van de groep om overeenkomstig genoemd artikel tot gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten te komen, wisselen kwantitatieve informatie uit met de bedoeling vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico's en kwetsbaarheden te detecteren en input te leveren voor het verslag met de risicobeoordeling van de groep en het verslag met de liquiditeitsrisicobeoordeling van de groep.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt opgesteld op basis van de informatie die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 door de bevoegde autoriteiten is verzameld, teneinde de consistentie en vergelijkbaarheid van de gebruikte gegevens te garanderen. De informatie bestrijkt ten minste alle groepsentiteiten die een vergunning hebben verkregen of zijn gevestigd in een lidstaat en heeft ten minste betrekking op de volgende gebieden:

a)

kapitaal,

b)

liquiditeit,

c)

kwaliteit van de activa,

d)

financiering,

e)

winstgevendheid,

f)

concentratierisico.

3.   De consoliderende toezichthouder en de in lid 1 bedoelde leden van het college overwegen tevens om informatie uit te wisselen over de macro-economische omgeving waarin de groep instellingen en de groepsentiteiten opereren.

Artikel 13

Uitwisseling van informatie met betrekking tot niet-naleving en sancties

1.   De leden van het college delen de consoliderende toezichthouder alle informatie mee over situaties waarin zij hebben vastgesteld dat een instelling die of een bijkantoor dat onder hun toezicht staat, niet heeft voldaan aan het nationale of het Unierecht of aan vereisten betreffende het prudentieel toezicht of het gedragstoezicht op instellingen, met inbegrip van de vereisten die in Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU zijn vastgelegd, alsook alle informatie over overeenkomstig de artikelen 64 tot en met 67 van Richtlijn 2013/36/EU opgelegde administratieve sancties of andere administratieve maatregelen, wanneer deze informatie invloed heeft of waarschijnlijk zal hebben op het risicoprofiel van de groep of van één van de groepsentiteiten. De leden van het college bespreken met de consoliderende toezichthouder de mogelijke gevolgen van deze kwesties van niet-naleving en sancties voor de groepsentiteiten of voor de groep als geheel.

2.   De consoliderende toezichthouder besluit de in lid 1 omschreven informatie mede te delen aan de leden van het college waarvoor deze informatie relevant wordt geacht overeenkomstig artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

Artikel 14

Uitwisseling van informatie voor de beoordeling van het groepsherstelplan

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college wisselen alle informatie uit die nodig is voor degenen die deelnemen aan het proces om tot een gezamenlijk besluit te komen over de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU genoemde elementen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 verstrekt de consoliderende toezichthouder de leden van het college het groepsherstelplan volgens de procedure van artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

3.   De consoliderende toezichthouder zorgt ervoor dat alle leden van het college naar behoren worden geïnformeerd over de uitkomst van het in lid 1 bedoelde proces.

4.   De consoliderende toezichthouder informeert de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau over het te volgen tijdschema voor de toetsing en beoordeling van het groepsherstelplan en stelt een datum vast waarop de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar eventuele aanbevelingen moet indienen overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Richtlijn 2014/59/EU.

Artikel 15

Uitwisseling van informatie over overeenkomsten voor financiële steun binnen de groep

De consoliderende toezichthouder zorgt ervoor dat alle leden van het college naar behoren worden geïnformeerd over de belangrijkste voorwaarden voor de toelating van overeenkomsten voor financiële steun binnen de groep die zijn verleend overeenkomstig het in artikel 20 van Richtlijn 2014/59/EU omschreven proces om tot een gezamenlijk besluit te komen.

Artikel 16

Opstelling en bijwerking van het programma voor toezichtonderzoek door het college

1.   Met het oog op de opstelling van het programma voor toezichtonderzoek door het college overeenkomstig artikel 116, lid 1, onder c), van Richtlijn 2013/36/EU stellen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college vast welke toezichtactiviteiten moeten worden ondernomen.

2.   Het programma voor toezichtonderzoek door het college bevat ten minste:

a)

de gezamenlijke werkgebieden die zijn vastgesteld op basis van de risicobeoordeling en de liquiditeitsrisicobeoordeling van de groep en de overeenkomstig artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU genomen gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten, dan wel als gevolg van andere door het college ondernomen activiteiten, zoals onder meer inspanningen om aan een efficiënt toezicht bij te dragen en om overeenkomstig artikel 116, lid 1, onder d), van genoemde richtlijn te voorkomen dat taken onnodig tweemaal worden verricht;

b)

de respectieve programma's voor toezichtonderzoek door de consoliderende toezichthouder en de leden van het college voor de moederonderneming en voor alle instellingen waaraan vergunning is verleend en bijkantoren die zijn gevestigd in een lidstaat;

c)

de focusgebieden van de werkzaamheden van het college en de geplande toezichtactiviteiten daarvan, met inbegrip van geplande inspecties ter plaatse overeenkomstig artikel 99, lid 1, onder c), van Richtlijn 2013/36/EU;

d)

de leden van het college die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de geplande toezichtactiviteiten;

e)

het verwachte tijdschema, zowel qua timing als qua duur, voor elke geplande toezichtactiviteit.

3.   Het programma voor toezichtonderzoek door het college wordt opgesteld en bijgewerkt overeenkomstig artikel 11 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

AFDELING 3

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten ter voorbereiding op en in noodsituaties

Artikel 17

Vaststelling van een kader voor noodsituaties voor het college

1.   Overeenkomstig artikel 112, lid 1, onder c), van Richtlijn 2013/36/EU stellen de consoliderende toezichthouder en de leden van het college voor het college een kader vast om op mogelijke noodsituaties te anticiperen, (hierna het „kader voor noodsituaties voor het college” genoemd), waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken en de structuur van de groep instellingen.

2.   Het kader voor noodsituaties voor het college omvat ten minste het volgende:

a)

de collegespecifieke procedures die van toepassing zijn indien er zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet;

b)

het minimum aan gegevens dat wordt uitgewisseld indien er zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet.

3.   Het in lid 2, onder b), bedoelde minimum aan gegevens omvat het volgende:

a)

een beschrijving van de situatie die zich heeft voorgedaan, met vermelding van de onderliggende oorzaak van de noodsituatie, en de verwachte gevolgen van de noodsituatie voor de groepsentiteiten en de groep als geheel, voor de marktliquiditeit en voor de stabiliteit van het financiële stelsel;

b)

een uiteenzetting van de maatregelen en stappen die de consoliderende toezichthouder, enigerlei leden van het college of de groepsentiteiten zelf hebben ondernomen of gepland;

c)

de recentste beschikbare kwantitatieve informatie betreffende de liquiditeits- en kapitaalpositie van de groepsentiteiten die op individuele en geconsolideerde basis door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen.

Artikel 18

Algemene voorwaarden voor de uitwisseling van informatie in een noodsituatie

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is voor de facilitering van de uitvoering van de in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken, onverminderd de geheimhoudingsvereisten van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van genoemde richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG.

2.   Zodra de consoliderende toezichthouder door een lid of waarnemer van het college op een noodsituatie wordt gewezen of zelf een noodsituatie vaststelt, deelt hij de in artikel 17, lid 2, onder b), bedoelde informatie volgens de in artikel 17, lid 2, onder a), bedoelde procedures mede aan de leden van het college die toezicht houden op groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, alsook aan de EBA.

3.   Al naargelang de aard, ernst, potentiële systeemeffecten of andere gevolgen en de kans op besmetting van de noodsituatie kunnen de leden van het college die toezicht houden op groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, en de consoliderende toezichthouder ervoor kiezen om aanvullende informatie uit te wisselen.

4.   De consoliderende toezichthouder overweegt of de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie relevant is voor de uitvoering van de taken van het afwikkelingscollege. Als dat het geval is, deelt de consoliderende toezichthouder deze informatie mede aan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau zoals omschreven in artikel 2, lid 1, punt 44, van Richtlijn 2014/59/EU.

5.   In voorkomend geval wordt de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie onmiddellijk bijgewerkt wanneer er nieuwe gegevens beschikbaar zijn.

6.   Als de in dit artikel bedoelde uitwisseling of mededeling van informatie mondeling plaatsvindt, laten de betrokken bevoegde autoriteiten deze mondelinge uitwisseling of mededeling binnen een redelijke termijn volgen door een schriftelijke communicatie.

Artikel 19

Coördinatie van de beoordeling van een noodsituatie door de toezichthouders

1.   Indien er zich een noodsituatie voordoet, coördineert de consoliderende toezichthouder de beoordeling van de noodsituatie (hierna de „gecoördineerde beoordeling door de toezichthouders” genoemd) in samenwerking met de leden van het college die toezicht houden op groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen.

2.   De gecoördineerde beoordeling van de noodsituatie door de toezichthouders, die wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 14 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99, heeft ten minste betrekking op de volgende elementen:

a)

de aard en ernst van de noodsituatie;

b)

de gevolgen of potentiële gevolgen van de noodsituatie voor de groep en voor enigerlei groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen;

c)

het risico op grensoverschrijdende besmetting.

3.   Bij de beoordeling van lid 2, onder c), houdt de consoliderende toezichthouder rekening met de mogelijke systeemeffecten in lidstaten waar aan groepsentiteiten vergunning is verleend of significante bijkantoren zijn gevestigd.

Artikel 20

Coördinatie van de toezichtreactie op een noodsituatie

1.   Indien er zich een noodsituatie voordoet, coördineert de consoliderende toezichthouder de ontwikkeling van een toezichtreactie op de noodsituatie (hierna de „gecoördineerde toezichtreactie” genoemd) in samenwerking met de leden van het college die toezicht houden op groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen.

2.   De in artikel 19 bedoelde gecoördineerde beoordeling door de toezichthouders dient als uitgangspunt voor de gecoördineerde toezichtreactie, in het kader waarvan de vereiste toezichtmaatregelen, de reikwijdte daarvan en het tijdschema voor de implementatie daarvan worden vastgesteld.

3.   De gecoördineerde toezichtreactie wordt ontwikkeld door de consoliderende toezichthouder en de leden van het college die toezicht houden op groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen.

Artikel 21

Monitoring van de implementatie van de gecoördineerde toezichtreactie op een noodsituatie

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college die toezicht houden op groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, monitoren en wisselen informatie uit over de implementatie van de in artikel 20 bedoelde gecoördineerde toezichtreactie.

2.   De uit te wisselen informatie omvat ten minste een beschrijving van de laatste ontwikkelingen op het gebied van de implementatie van de overeengekomen maatregelen binnen de vastgestelde termijn, zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, alsook informatie over een eventueel noodzakelijke actualisering of aanpassing van deze maatregelen.

Artikel 22

Coördinatie van externe communicatie in een noodsituatie

1.   Binnen het kader van het toepasselijke Unierecht en nationale recht coördineren de consoliderende toezichthouder en de leden van het college die toezicht houden op groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, hun externe communicatie zoveel mogelijk.

2.   Met het oog op de coördinatie van de externe communicatie bereiken de consoliderende toezichthouder en de leden van het college overeenstemming over de volgende elementen:

a)

de toewijzing van verantwoordelijkheden voor het coördineren van de externe communicatie in de verschillende stadia van de noodsituatie;

b)

de mate waarin informatie openbaar moet worden gemaakt, rekening houdend met de noodzaak om het marktvertrouwen niet te schaden en met enigerlei andere openbaarmakingsverplichtingen ingeval financiële instrumenten die zijn uitgegeven door groepsentiteiten die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, publiek worden verhandeld op een of meer gereglementeerde markten in de Unie;

c)

de coördinatie van openbare verklaringen, met inbegrip van verklaringen die door slechts één lid van het college worden afgelegd, met name indien deze waarschijnlijk gevolgen zullen hebben voor groepsentiteiten die onder toezicht staan van andere leden van het college;

d)

de toewijzing van verantwoordelijkheden en het bepalen van de passende tijdstippen om contact op te nemen met groepsentiteiten;

e)

de toewijzing van verantwoordelijkheden en de te ondernemen stappen met het oog op de externe communicatie van de gecoördineerde maatregelen die zijn genomen om de noodsituatie aan te pakken;

f)

een beschrijving van de mogelijke coördinatie met een andere groep of een ander college dat betrokken kan zijn bij een noodsituatie waardoor de groep wordt getroffen, zoals een crisismanagementgroep of een afwikkelingscollege.

HOOFDSTUK 3

VOORWAARDEN VOOR HET FUNCTIONEREN VAN COLLEGES OPGERICHT OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51, LID 3, VAN RICHTLIJN 2013/36/EU

AFDELING 1

Oprichting en werking van colleges

Artikel 23

Aanwijzing van de leden en waarnemers van een college

1.   Na het in kaart brengen van een instelling met bijkantoren in ander lidstaten overeenkomstig artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99, nodigen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de volgende autoriteiten uit om lid te worden van het college:

a)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd;

b)

de tot het ESCB behorende centrale banken van de lidstaten die krachtens hun nationale wetgeving bij het prudentieel toezicht op de onder a) bedoelde significante bijkantoren betrokken zijn, maar die geen bevoegde autoriteiten zijn;

c)

de EBA.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen de bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst waar niet-significante bijkantoren zijn gevestigd, uitnodigen om als waarnemers aan het college deel te nemen in overeenstemming met het proces vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen de toezichthoudende autoriteiten van derde landen waar bijkantoren van de betrokken instelling zijn gevestigd, uitnodigen om als waarnemers aan het college deel te nemen in overeenstemming met het proces vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

4.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen de volgende autoriteiten uitnodigen om als waarnemers aan het college deel te nemen in overeenstemming met het proces vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder d), van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99:

a)

de centrale banken van het ESCB die volgens het nationale recht niet bevoegd zijn om toezicht uit te oefenen op een instelling of een bijkantoor daarvan dat is gevestigd in een lidstaat;

b)

de overheidsinstanties of -organen in een lidstaat die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij het toezicht op de instelling of bijkantoren daarvan, met inbegrip van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op markten voor financiële instrumenten, het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, of de bescherming van consumenten.

5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college preciseren de regelingen betreffende de deelname van de waarnemers aan het college in de in artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde schriftelijk vastgelegde regelingen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de waarnemers van deze regelingen in kennis.

Artikel 24

Communicatie over de oprichting en samenstelling van een college

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de instelling in kennis van de oprichting van een college en van de identiteit van de leden en waarnemers daarvan, alsook van eventuele veranderingen in de samenstelling van het college.

Artikel 25

Vaststelling van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen

De oprichting en werking van colleges voor significante bijkantoren die overeenkomstig artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU zijn ingesteld, vinden plaats op basis van schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen die overeenkomstig artikel 5 van deze verordening worden vastgesteld.

Artikel 26

Deelname aan vergaderingen en activiteiten van het college

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU beslissen welke autoriteiten aan een vergadering of activiteit van het college mogen deelnemen, houden zij rekening met het volgende:

a)

de te bespreken onderwerpen en het doel van de vergadering of activiteit, en met name de relevantie daarvan voor elk bijkantoor;

b)

het belang van het bijkantoor voor de lidstaat waar het is gevestigd, en het belang ervan voor de instelling.

2.   In het licht van de te bespreken onderwerpen en nagestreefde doelstellingen zorgen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college ervoor dat de meest geschikte vertegenwoordigers aan de vergaderingen of activiteiten van het college deelnemen. Die vertegenwoordigers zijn als leden van het college bevoegd om hun autoriteiten zoveel mogelijk te committeren aan de beslissingen die tijdens de vergaderingen of activiteiten zijn gepland.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen op grond van de onderwerpen en doelstellingen van de vergadering of activiteit van het college vertegenwoordigers van de instelling uitnodigen daaraan deel te nemen.

Artikel 27

Communicatievoorwaarden

1.   De communicatie met de instelling en haar bijkantoren wordt georganiseerd in overeenstemming met de toezichthoudende verantwoordelijkheden die bij titel V, hoofdstuk 4, en titel VII, van Richtlijn 2013/36/EU aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college zijn verleend.

2.   De vergaderingen en activiteiten van het college worden georganiseerd overeenkomstig artikel 18 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

AFDELING 2

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden

Artikel 28

Algemene voorwaarden voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is om de samenwerking op grond van artikel 50 en artikel 51, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU te faciliteren.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college wisselen ook alle informatie uit die noodzakelijk is om de in de artikelen 6, 7 en 8 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde samenwerking te faciliteren.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college wisselen de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie uit, ongeacht of deze is ontvangen van de instelling, een bevoegde of toezichthoudende autoriteit of een andere bron. Deze informatie is voldoende adequaat, nauwkeurig en actueel.

Artikel 29

Uitwisseling van informatie betreffende de uitkomst van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder

De informatie die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst aan de leden van het college wordt medegedeeld, bevat de in de artikelen 4, 5, 7 tot en met 13 en 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie (9) bedoelde en genoemde informatie die resulteert uit het overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU uitgevoerde proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder.

Artikel 30

Uitwisseling van informatie voor de beoordeling van het herstelplan

1.   Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU raadplegen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd over het herstelplan, voor zover dit relevant is voor die bijkantoren.

2.   Voor de toepassing van lid 1 verstrekken de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van lidstaten van ontvangst waar significante bijkantoren zijn gevestigd het herstelplan voor de instelling overeenkomstig artikel 19 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zorgen ervoor dat alle leden van het college naar behoren worden geïnformeerd over de uitkomst van het in lid 1 bedoelde proces.

Artikel 31

Opstelling en bijwerking van het programma voor toezichtonderzoek door het college

1.   Met het oog op de opstelling van het in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde programma voor toezichtonderzoek door het college, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college vast welke toezichtactiviteiten moeten worden ondernomen.

2.   Het programma voor toezichtonderzoek door het college bevat ten minste:

a)

de gezamenlijke werkgebieden die zijn vastgesteld op basis van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU, dan wel op basis van andere door het college ondernomen activiteiten;

b)

de focusgebieden van de werkzaamheden van het college en de geplande toezichtactiviteiten daarvan, met inbegrip van geplande controles en inspecties ter plaatse bij de significante bijkantoren overeenkomstig artikel 52, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU;

c)

de leden van het college die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de geplande toezichtactiviteiten;

d)

het verwachte tijdschema, zowel qua timing als qua duur, voor elke geplande toezichtactiviteit.

3.   Bij het opstellen van het programma voor toezichtonderzoek door het college en het indien nodig bijwerken daarvan houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college rekening met de mogelijkheid om overeenkomsten te sluiten over de toewijzing van taken en delegatie van verantwoordelijkheden op vrijwillige basis, met name indien wordt verwacht dat een dergelijke toewijzing of delegatie tot een efficiënter en doeltreffender toezicht leidt, in het bijzonder door het voorkomen van onnodige dubbele toezichtvereisten, onder meer wat informatieverzoeken betreft.

4.   Van de sluiting van een overeenkomst over de toewijzing van taken of de delegatie van verantwoordelijkheden wordt kennis gegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst aan de betrokken instelling en door de bevoegde autoriteit die haar bevoegdheden delegeert, aan het betrokken bijkantoor.

5.   Het programma voor toezichtonderzoek door het college wordt opgesteld en bijgewerkt overeenkomstig artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99.

AFDELING 3

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten ter voorbereiding op en in noodsituaties en slotbepalingen

Artikel 32

Vaststelling van een kader voor noodsituaties voor het college

1.   Overeenkomstig artikel 112, lid 1, onder c), van Richtlijn 2013/36/EU stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college voor het college een kader vast om op mogelijke noodsituaties te anticiperen (hierna „het kader voor noodsituaties voor het college” genoemd).

2.   Het kader voor noodsituaties voor het college omvat ten minste het volgende:

a)

de collegespecifieke procedures die van toepassing zijn indien er zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet;

b)

het minimum aan gegevens dat wordt uitgewisseld indien er zich een in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde noodsituatie voordoet.

3.   Het in lid 2, onder b), bedoelde minimum aan gegevens omvat het volgende:

a)

een beschrijving van de situatie die zich heeft voorgedaan, met vermelding van de onderliggende oorzaak van de noodsituatie, en de verwachte gevolgen van de noodsituatie voor de instelling, voor de marktliquiditeit en voor de stabiliteit van het financiële stelsel;

b)

een uiteenzetting van de maatregelen en stappen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, enigerlei leden van het college of de instelling zelf hebben ondernomen of gepland;

c)

de recentste beschikbare kwantitatieve informatie betreffende de liquiditeits- en kapitaalpositie van de instelling.

Artikel 33

Algemene voorwaarden voor de uitwisseling van informatie in een noodsituatie

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college wisselen alle informatie uit die noodzakelijk is voor de facilitering van de uitvoering van de in artikel 114, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde taken, onverminderd de geheimhoudingsvereisten van titel VII, hoofdstuk 1, afdeling II, van genoemde richtlijn en, in voorkomend geval, de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG.

2.   Zodra de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst door een lid of waarnemer van het college op een noodsituatie worden gewezen of zelf een noodsituatie vaststellen, delen zij de in artikel 32, lid 2, onder b), bedoelde informatie volgens de in artikel 32, lid 2, onder a), bedoelde procedures mede aan de leden van het college die toezicht houden op bijkantoren die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, alsook aan de EBA.

3.   Al naargelang de aard, ernst, potentiële systeemeffecten of andere gevolgen en de kans op besmetting van de noodsituatie kunnen de leden van het college die toezicht houden op bijkantoren die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst ervoor kiezen om aanvullende informatie uit te wisselen.

4.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overwegen of de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie relevant is voor de uitvoering van de taken van het afwikkelingscollege. Als dat het geval is, delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst deze informatie mede aan de afwikkelingsautoriteit als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU.

5.   In voorkomend geval wordt de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie onmiddellijk bijgewerkt wanneer er nieuwe gegevens beschikbaar zijn.

6.   Als de in dit artikel bedoelde uitwisseling of mededeling van informatie mondeling plaatsvindt, laten de betrokken bevoegde autoriteiten deze mondelinge uitwisseling of mededeling binnen een redelijke termijn volgen door een schriftelijke communicatie.

Artikel 34

Coördinatie van de beoordeling van een noodsituatie door de toezichthouders

1.   Indien er zich een noodsituatie voordoet, coördineren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 112, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU de beoordeling van de noodsituatie (hierna de „gecoördineerde beoordeling door de toezichthouders” genoemd) in samenwerking met de leden van het college.

2.   De gecoördineerde beoordeling van de noodsituatie door de toezichthouders, die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst wordt uitgevoerd, heeft ten minste betrekking op de volgende elementen:

a)

de aard en ernst van de noodsituatie;

b)

de gevolgen of potentiële gevolgen van de noodsituatie voor de instelling en voor enigerlei bijkantoren die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen;

c)

het risico op grensoverschrijdende besmetting.

3.   Bij de beoordeling van lid 2, onder c), houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst rekening met de mogelijke systeemeffecten in lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd.

Artikel 35

Coördinatie van de toezichtreactie op een noodsituatie

1.   Indien er zich een noodsituatie voordoet, coördineren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 112, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU de ontwikkeling van een toezichtreactie op de noodsituatie (hierna de „gecoördineerde toezichtreactie” genoemd) in samenwerking met de leden van het college.

2.   De in artikel 34 bedoelde gecoördineerde beoordeling door de toezichthouders dient als uitgangspunt voor de gecoördineerde toezichtreactie, in het kader waarvan de vereiste toezichtmaatregelen, de reikwijdte daarvan en het tijdschema voor de implementatie daarvan worden vastgesteld.

Artikel 36

Monitoring van de implementatie van de gecoördineerde toezichtreactie op een noodsituatie

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college die toezicht houden op bijkantoren die door de noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, monitoren en wisselen informatie uit over de implementatie van de in artikel 35 bedoelde gecoördineerde toezichtreactie.

2.   De uit te wisselen informatie omvat ten minste een beschrijving van de laatste ontwikkelingen op het gebied van de implementatie van de overeengekomen maatregelen binnen de vastgestelde termijn, zoals bedoeld in artikel 35, lid 2, alsook informatie over een eventueel noodzakelijke actualisering of aanpassing van deze maatregelen.

Artikel 37

Coördinatie van externe communicatie in een noodsituatie

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op bijkantoren die door een noodsituatie worden getroffen of waarschijnlijk zullen worden getroffen, coördineren hun externe communicatie zoveel mogelijk, rekening houdend met de in artikel 22, lid 2, genoemde elementen, alsook met wettelijke verplichtingen en uit hoofde van het nationale recht geldende beperkingen.

Artikel 38

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.

(2)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(3)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/99 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het nader bepalen van het operationeel functioneren van de colleges van toezichthouders overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 21 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 45 van dit Publicatieblad).

(9)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie van 12 maart 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de informatie die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van ontvangst aan elkaar verstrekken (PB L 148 van 20.5.2014, blz. 6).


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/99 VAN DE COMMISSIE

van 16 oktober 2015

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het nader bepalen van het operationeel functioneren van de colleges van toezichthouders overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 51, lid 5, en artikel 116, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het proces van totstandbrenging en bijwerking van de mapping van groepsentiteiten binnen de Unie en derde landen dient te worden geleid door de consoliderende toezichthouder, die ervoor dient te zorgen dat potentiële leden van het college de mogelijkheid krijgen om opmerkingen te maken en bijdragen te leveren aan deze opgave om te verzekeren dat alle groepsentiteiten efficiënt worden geïdentificeerd en dat de mapping nauwkeurige en bijgewerkte informatie bevat over de entiteiten, met inbegrip van bijkantoren van de groep. Om de mapping te faciliteren, om ervoor te zorgen dat alle benodigde informatie wordt verzameld en wordt weerspiegeld in deze mapping van de groep instellingen en om de nalevingskosten voor zowel de consoliderende toezichthouder of de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst als andere leden van het college te verminderen, moet de mapping worden uitgevoerd aan de hand van een gemeenschappelijk model.

(2)

Als de consoliderende toezichthouder voornemens is bevoegde autoriteiten van lidstaten van herkomst waarin niet-significante bijkantoren zijn gevestigd, toezichthoudende autoriteiten van derde landen en andere relevante autoriteiten uit te nodigen om als waarnemer aan het college deel te nemen, dan dient deze ervoor te zorgen dat de leden van het college vooraf over dit voornemen worden ingelicht en dat hun voldoende tijd beschikbaar wordt gesteld om dit voorstel te beoordelen en het te aanvaarden of er bezwaar tegen te maken. Om te waarborgen dat het proces op geschikte wijze wordt beheerd, dient de consoliderende toezichthouder eerst de autoriteiten uit te nodigen die in aanmerking komen voor lidmaatschap van het college, en pas daarna over te gaan tot het uitnodigen van potentiële waarnemers van het college.

(3)

Voordat een potentiële waarnemer van het college een uitnodiging van de consoliderende toezichthouder kan aanvaarden, dient de potentiële waarnemer in kennis te worden gesteld van de deelnemingsvoorwaarden zoals overeengekomen door de consoliderende toezichthouder en de leden van het college. De consoliderende toezichthouder dient te worden verplicht de deelnemingsvoorwaarden voor de waarnemer toe te voegen aan de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen van het college.

(4)

Het proces van tot stand brengen en wijzigen van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen dient te worden geleid door de consoliderende toezichthouder, die ervoor dient te zorgen dat de leden van het college de mogelijkheid krijgen om opmerkingen te maken en bijdragen te leveren aan de voorgestelde regelingen, waaronder de deelnemingsvoorwaarden voor de waarnemer. Om ervoor te zorgen dat de door de toezichtcolleges gesloten regelingen zowel consequent zijn in structuur en behandelde bepalingen als een gepaste mate van flexibiliteit toelaten betreffende de toevoeging van collegespecifieke regelingen en overeenkomsten, dienen ze te worden opgesteld aan de hand van een gemeenschappelijk model.

(5)

Bij het organiseren van overleg met leden van het college over verschillende operationele aspecten van de werkzaamheden van het college dient de consoliderende toezichthouder de uiterste termijnen voor de indiening van opmerkingen en standpunten duidelijk mee te delen aan de leden van het college.

(6)

Rekening houdend met de verschillende toezichthoudende taken die de consoliderende toezichthouder en andere leden van het college moeten uitoefenen en met de complexiteit van deze taken, dient het verwachte aantal vergaderingen van het college te worden vastgesteld op minimaal een per jaar.

(7)

Gezien het feit dat toezichtcolleges volgens verschillende substructuren kunnen worden georganiseerd, is het essentieel om ervoor te zorgen dat alle leden van het college tijdig en gepast worden geïnformeerd over de besprekingen en beslissingen die onder specifieke substructuren worden genomen.

(8)

Om de vertrouwelijkheid te vrijwaren van de informatie die wordt uitgewisseld tussen de consoliderende toezichthouder of de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college, wordt het de colleges van toezichthouders aangeraden om beveiligde communicatiemiddelen te gebruiken.

(9)

De efficiënte en doeltreffende werking van de toezichtcolleges vereist dat leden van het college alle nodige informatie uitwisselen, zodat zij deze kunnen beoordelen en maatregelen kunnen treffen om de belangen van depositohouders en beleggers in hun lidstaten evenals de financiële stabiliteit binnen de Unie te beschermen. Derhalve dient de consoliderende toezichthouder, indien hij informatie als niet relevant voor een collegelid beschouwd, zijn beslissing te rechtvaardigen nadat hij het lid in kwestie heeft geraadpleegd en heeft voorzien van alle nodige elementen om de relevantie te beoordelen.

(10)

Wanneer er tekortkomingen worden aangetoond bij de doorlopende toetsing van de toestemming om interne modellen te hanteren, overeenkomstig artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU, is het van essentieel belang dat de consoliderende toezichthouder en de leden van het college dat toezicht houdt op de groepsentiteiten waar deze tekortkomingen vóórkomen samenwerken om de materialiteit van deze gebreken te beoordelen en te beslissen over passende maatregelen. Iedere beslissing over het opleggen van een kapitaalopslagfactor of het intrekken van een goedgekeurd model dient door de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college gezamenlijk te worden genomen.

(11)

Om de identificatie van vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico's of zwakke plekken te faciliteren voor de verschaffing van informatie voor het risicobeoordelingsrapport voor de groep en het liquiditeitsrisicobeoordelingsrapport, is het belangrijk dat de consoliderende toezichthouder en andere leden van het college vooraf overeenstemming bereiken over een reeks indicatoren die ten minste één keer per jaar dienen te worden uitgewisseld. Om voor consistentie en vergelijkbaarheid te zorgen dienen deze indicatoren te worden berekend op basis van gegevens van de toezichthouder die de bevoegde autoriteiten verzamelen overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie (2).

(12)

Het proces van totstandbrenging en bijwerking van het kader voor noodsituaties voor het college dient te worden geleid door de consoliderende toezichthouder of door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die ervoor dienen te zorgen dat leden van het college de mogelijkheid krijgen om opmerkingen te maken en bijdragen te leveren aan het voorgestelde kader.

(13)

In een noodsituatie dient ervoor te worden gezorgd dat efficiënte en doeltreffende samenwerking plaatsvindt tussen de consoliderende toezichthouder en alle leden van het college verantwoordelijk voor het toezicht op groepsentiteiten die door de noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden en dat de beoordeling van de noodsituatie, de toezichtrespons op de noodsituatie en de monitoring en bijwerking van deze toezichtrespons gecoördineerd worden uitgevoerd met een passende mate van betrokkenheid van de consoliderende toezichthouder en alle leden van het college verantwoordelijk voor het toezicht op groepsentiteiten die door de noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden. Daarenboven dienen alle leden van het college door de consoliderende toezichthouder op de hoogte te worden gehouden van de belangrijkste elementen van de genomen beslissingen of uitgewisselde informatie voor het behandelen van de noodsituatie.

(14)

De bepalingen in deze verordening staan nauw in verband met elkaar, daar ze betrekking hebben op het operationeel functioneren van de colleges van toezichthouders. Om voor samenhang tussen deze bepalingen te zorgen, die op hetzelfde moment in werking moeten treden, en om de personen voor wie deze verplichtingen gelden een volledig beeld van en in compacte vorm toegang tot deze bepalingen te bieden, is het wenselijk alle bij Richtlijn 2013/36/EU, artikel 51, lid 5, en artikel 116, lid 5, vereiste technische uitvoeringsnormen in een enkele verordening op te nemen.

(15)

Daar de overgrote meerderheid van de colleges van toezicht in de hele EU worden gevormd overeenkomstig artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU, lijkt het passend om eerst het operationeel functioneren van de colleges overeenkomstig artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU vast te stellen en vervolgens dat van de colleges overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU, waarbij het eerste geval als het algemene geval geldt en het tweede als een specifiek geval.

(16)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit — EBA) aan de Commissie heeft voorgelegd.

(17)

De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de potentiële daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en het advies ingewonnen van de Stakeholdergroep Bankwezen die is opgericht overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening wordt het operationeel functioneren vastgesteld van het college van toezichthouders („college”) dat is gevormd overeenkomstig artikel 116 en artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU.

HOOFDSTUK 2

OPERATIONEEL FUNCTIONEREN VAN COLLEGES DIE ZIJN GEVORMD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 116 VAN RICHTLIJN 2013/36/EU

AFDELING 1

Oprichting en functioneren van colleges

Artikel 2

Totstandbrenging en bijwerking van de mapping van een groep instellingen

1.   De consoliderende toezichthouder dient het ontwerp van de mapping, opgesteld overeenkomstig artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie (4) in bij de autoriteiten die in aanmerking komen om lid te worden van het college krachtens artikel 3, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 (hierna „potentiële leden van het college” genoemd), en verzoekt hen hun standpunten voor te leggen en een uiterste termijn voor de indiening hiervan aan te geven.

2.   Voor het afronden van de mapping en onverminderd de toepassing van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU neemt de consoliderende toezichthouder alle opmerkingen en voorbehouden die worden gemaakt door een mogelijk lid van het college in overweging.

3.   Na voltooiing van de mapping van de groep doet de consoliderende toezichthouder deze toekomen aan ieder mogelijk lid van het college.

4.   De consoliderende toezichthouder werkt de mapping minstens een keer per jaar, of vaker indien er aanzienlijke veranderingen in de structuur van een groep plaatsvinden, bij volgens de procedure omschreven in de leden 1 tot en met 3.

5.   De consoliderende toezichthouder gebruikt het model uit bijlage I voor de totstandbrenging en bijwerking van de mapping van een groep instellingen.

Artikel 3

Oprichting van een college

1.   Om een college op te richten onderneemt de consoliderende toezichthouder de volgende stappen:

a)

de consoliderende toezichthouder zendt de uitnodigingen aan de autoriteiten waarvan sprake in artikel 3, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98;

b)

de consoliderende toezichthouder stelt de leden van het college die de uitnodiging waarvan sprake in lid 3 van dit artikel hebben aanvaard, op de hoogte van zijn voornemen om een uitnodiging te zenden aan de bevoegde autoriteiten van niet-significante bijkantoren om als waarnemer aan het college deel te nemen overeenkomstig artikel 3, lid 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

c)

de consoliderende toezichthouder stelt de leden van het college die de uitnodiging waarvan sprake in lid 3 van dit artikel hebben aanvaard, op de hoogte van zijn voornemen om een uitnodiging te zenden aan een toezichthoudende autoriteit van een derde land om als waarnemer aan het college deel te nemen overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

d)

de consoliderende toezichthouder stelt de leden van het college die de uitnodiging waarvan sprake in lid 3 van dit artikel hebben aanvaard, op de hoogte van zijn voornemen om een uitnodiging te zenden aan een autoriteit waarvan sprake in artikel 3, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 om als een waarnemer deel te nemen aan het college.

Voor de toepassing van punten b), c) en d) van de eerste alinea gaat de kennisgeving vergezeld van het voorstel van de consoliderende toezichthouder betreffende de voorwaarden voor de deelname van waarnemers, welke dienen te worden bijgesloten bij de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen overeenkomstig artikel 5, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

Daarenboven gaat de kennisgeving voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea vergezeld van het advies van de consoliderende toezichthouder over de gelijkwaardigheidstoetsing van de vereisten betreffende vertrouwelijkheid en geheimhoudingsverplichting die gelden voor de toezichthoudende autoriteit van een derde land.

In de kennisgeving waarvan sprake in de tweede alinea wordt een toereikende termijn vastgesteld waarbinnen niet akkoord gaande leden van het college een schriftelijk, geheel met redenen omkleed bezwaar kunnen indienen tegen ieder aspect van het voorstel of advies van de consoliderende toezichthouder.

2.   Wanneer alle leden van het college overeenstemming hebben bereikt over het voorstel, hetgeen de consoliderende toezichthouder zal concluderen indien er binnen de termijn geen bezwaar is geuit, zendt de consoliderende toezichthouder aan de autoriteiten waarvan sprake in lid 1, onder b), c) of d), de uitnodiging om waarnemer van het college te worden. De uitnodiging gaat vergezeld van de deelnemingsvoorwaarden voor waarnemers zoals overeengekomen door de leden van het college en wordt bijgesloten bij de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen.

3.   Autoriteiten die een uitnodiging ontvangen om lid of waarnemer te worden zullen deze status verkrijgen zodra ze de uitnodiging aanvaarden. De autoriteiten die een uitnodiging ontvangen om waarnemer te worden, aanvaarden ook de deelnemingsvoorwaarden voor waarnemers zoals hun hiervan kennis is gegeven door de consoliderende toezichthouder.

4.   De autoriteiten waarvan sprake in lid 1, onder b), c) en d), kunnen verzoeken om waarnemers van het college te worden. Het desbetreffende verzoek wordt aan de consoliderende toezichthouder gericht. Indien de consoliderende toezichthouder besluit deze autoriteiten uit te nodigen om als waarnemer deel te nemen aan het college, past deze de procedures waarvan sprake in lid 1, onder b), c) en d), als van toepassing.

Artikel 4

Opstellen en bijwerken van lijsten van contactpersonen

1.   De consoliderende toezichthouder houdt bij de communicatie met leden en waarnemers van het college volledige contactgegevens, ook contactgegevens voor buiten de werktijden die gebruikt kunnen worden in noodsituaties, bij en deelt deze middels het model in bijlage II. De lijst van contactpersonen en de lijst van contactpersonen voor noodsituaties wordt als bijlage opgenomen in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen waarvan sprake in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

2.   De leden van het college verschaffen de consoliderende toezichthouder hun contactgegevens en informeren de consoliderende toezichthouder onverwijld over iedere verandering van die gegevens.

3.   Iedere bijgewerkte versie van de lijst van contactpersonen en de lijst van contactpersonen voor noodsituaties wordt door de consoliderende toezichthouder aan de leden van het college meegedeeld.

Artikel 5

Totstandbrenging en wijziging van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen

1.   De consoliderende toezichthouder stelt zijn voorstel voor de totstandbrenging van schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen op overeenkomstig artikel 115 van Richtlijn 2013/36/EU en artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

2.   De consoliderende toezichthouder stelt de leden van het college in kennis van zijn voorstel en verzoekt hen hun standpunten in te dienen binnen een door hem aangegeven uiterste termijn.

3.   Voor het afronden van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen houdt de consoliderende toezichthouder rekening met alle standpunten en voorbehouden van de leden van het college en licht hij, indien deze niet in de regelingen zijn opgenomen, dit toe.

4.   Wanneer de consoliderende toezichthouder de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen heeft afgerond, doet hij deze aan de leden van het college toekomen.

5.   Indien de consoliderende toezichthouder en de leden van het college dit nodig achten, wordt de tenuitvoerlegging van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen getoetst door middel van simulatieoefeningen of op een andere wijze, naargelang het geval.

6.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college overwegen of het nodig is om de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen te wijzigen indien er een verandering plaatsvindt in een van de elementen daarvan ingevolge artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

De schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen worden gewijzigd om iedere verandering in het lidmaatschap van het college te weerspiegelen.

Elementen van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen die refereren aan het kader voor het college ter voorbereiding op en in noodsituaties, worden door de consoliderende toezichthouder en de leden van het college geëvalueerd op een in deze regelingen te bepalen periodieke basis.

7.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college wijzigen de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen volgens de procedure omschreven in de leden 1 tot en met 4.

8.   De consoliderende toezichthouder gebruikt het model in bijlage II om schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen tot stand te brengen en te wijzigen.

Artikel 6

Operationele aspecten van vergaderingen en activiteiten van het college

1.   Er vindt minimaal één keer per jaar een fysieke vergadering van het college plaats. De consoliderende toezichthouder kan echter, met instemming van alle leden van het college en rekening houdend met de specifieke aspecten van de groep, een ander aantal fysieke vergaderingen bepalen.

2.   De consoliderende toezichthouder stelt de doelstellingen van de vergaderingen van het college duidelijk vast. De consoliderende toezichthouder zorgt ervoor dat deze doelstellingen worden weerspiegeld in de agenda van de vergaderingen en nodigt alle leden van het college uit voorstellen te doen voor bijkomende agendapunten. De consoliderende toezichthouder houdt rekening met alle voorstellen voor agendapunten die door de leden van het college zijn gedaan en motiveert, indien hierom wordt verzocht, waarom deze in voorkomend geval niet zijn opgenomen.

3.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college die betrokken zijn bij een specifieke activiteit of vergadering van het college wisselen documenten en bijdragen aan werkdocumenten ruim van tevoren uit, zodat alle deelnemers aan een collegevergadering actief kunnen bijdragen aan de besprekingen.

AFDELING 2

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden

Artikel 7

Algemeen kader voor de uitwisseling van informatie tussen de consoliderende toezichthouder, de leden van het college en waarnemers

1.   Informatie waarvan sprake in artikel 9, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 wordt door de consoliderende toezichthouder, wanneer hij deze informatie van een lid van het college ontvangt, doorgezonden:

a)

aan de andere leden van het college;

b)

aan de waarnemers naarmate de consoliderende toezichthouder dit passend acht en in overeenstemming met de voorwaarden van hun deelname aan het college.

2.   Als de consoliderende toezichthouder van oordeel is dat de informatie waavan sprake in lid 1 niet relevant is voor een bepaald collegelid, raadpleegt hij eerst dat lid en verstrekt hij het essentiële punten van de informatie om dat lid in staat te stellen de feitelijke relevantie ervan te bepalen.

3.   Indien het college in verschillende substructuren is georganiseerd, houdt de consoliderende toezichthouder alle leden van het college volledig en tijdig op de hoogte van de in verschillende substructuren van het college ondernomen actie of genomen maatregelen.

4.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college bereiken overeenstemming over de manier waarop informatie wordt uitgewisseld en vermelden deze afspraak in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen overeenkomstig artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

Artikel 8

Doorlopende toetsing van de toestemming om interne benaderingen te hanteren

1.   Indien geen van de instellingen waaraan vergunning is verleend in een lidstaat, inclusief de EU-moederinstelling, nog voldoet aan de vereisten voor de toepassing van een interne benadering overeenkomstig artikel 143, lid 1, artikel 151, lid 4 of lid 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013 of indien tekortkomingen zijn geconstateerd overeenkomstig artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU door een betrokken collegelid in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98, werken de consoliderende toezichthouder en dit collegelid in nauw overleg samen om overeenstemming te bereiken over het intrekken van de toestemming om de benadering te gebruiken, over het opleggen van kapitaalopslagfactoren of over het beperken van het gebruik van het interne model waarvan sprake in artikel 11, lid 2, onder c) en d), van die gedelegeerde verordening.

2.   De beslissing over het intrekken van een goedgekeurd model wordt gezamenlijk genomen door de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college die toezicht houden op entiteiten die het goedgekeurde model gebruiken en die te maken hebben met de overeenkomstig lid 1 vastgestelde inefficiënties. De samenwerking tussen de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college dient te verlopen volgens het proces waarin wordt voorzien door de bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie (5).

3.   Het besluit dat resulteert in de oplegging van kapitaalopslagfactoren wordt genomen middels de procedure voor het nemen van gezamenlijke besluiten over kapitaal overeenkomstig artikel 113, lid 1, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU.

4.   De consoliderende toezichthouder informeert alle andere leden van het college over de krachtens lid 1 genomen beslissingen, indien hij van oordeel is dat deze informatie waarschijnlijk effect zal hebben op de andere activiteiten van het college of dat deze essentieel is voor de uitoefening van taken van andere leden van het college.

Artikel 9

Kennisgeving van niet-wezenlijke uitbreidingen of veranderingen in interne modellen.

1.   Voor niet-wezenlijke modeluitbreidingen of -veranderingen die van invloed zijn op een instelling die een vergunning heeft verkregen in een lidstaat, ook de EU-moederinstelling, informeert de consoliderende toezichthouder alle betrokken leden van het college in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 onverwijld over die uitbreidingen of veranderingen.

2.   Een betrokken lid van het college in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 informeert de consoliderende toezichthouder over iedere niet-wezenlijke uitbreiding of verandering die van invloed is op een instelling die onder de toezichtsbevoegdheid van het betreffende collegelid staat.

3.   Indien een betrokken lid van het college in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 punten van zorg heeft met betrekking tot de aanmerking als niet-wezenlijk van een uitbreiding of verandering, deelt hij deze punten mee aan de consoliderende toezichthouder, die deze informatie verspreidt onder de andere betrokken leden van het college in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

Indien de consoliderende toezichthouder punten van zorg heeft met betrekking tot de aanmerking als niet-wezenlijk van een uitbreiding of verandering, deelt hij deze mee aan alle betrokken leden van het college in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

De consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 bespreken deze punten van zorg in detail teneinde tot een gezamenlijk standpunt te komen over de wezenlijkheid van de uitbreiding of verandering.

4.   Indien de consoliderende toezichthouder en de betrokken leden van het college in de zin van artikel 11, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van oordeel zijn dat uitbreidingen of veranderingen van een intern model door de instelling in kwestie ten onrechte als niet-wezenlijk zijn aangemerkt, stellen zij die instelling onverwijld hiervan op de hoogte.

Artikel 10

Uitwisseling van informatie over vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico's en zwakke plekken

1.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college die deelnemen aan het opstellen van een risicobeoordelingsrapport over de groep waarvan sprake in artikel 113, lid 2, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU of een liquiditeitsrisicobeoordelingsrapport over de groep waarvan sprake in artikel 113, lid 2, onder b), van die richtlijn ten behoeve van het nemen van gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig dit artikel, bereiken overeenstemming over indicatoren voor het vaststellen van vroegtijdige waarschuwingssignalen, potentiële risico's en zwakke plekken waarvan sprake in artikel 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

Deze indicatoren worden berekend op basis van de informatie die door bevoegde autoriteiten bij instellingen onder toezicht wordt ingewonnen overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014.

De overeengekomen indicatoren worden uiteengezet in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen overeenkomstig artikel 5, lid l, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

2.   Ieder lid van het college waarvan sprake in lid 1 deelt aan de consoliderende toezichthouder de waarden mee van de overeengekomen indicatoren voor de instellingen onder zijn toezichtsbevoegdheid, als van toepassing.

3.   De consoliderende toezichthouder verspreidt de waarden waarvan sprake in lid 2 en de waarden van de overeengekomen indicatoren voor de EU-moederinstelling en op geconsolideerd niveau onder de leden van het college waarvan sprake in lid 1.

4.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college waarvan sprake in lid 1 wisselen de waarden van de overeengekomen indicatoren ten minste één keer per jaar uit of vaker indien overeengekomen door deze bevoegde autoriteiten.

Artikel 11

Totstandbrenging en bijwerking van het programma voor onderzoek door de toezichthouder

1.   Wanneer de gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig artikel 113 van Richtlijn 2013/36/EU zijn genomen, leveren de leden van het college de consoliderende toezichthouder hun bijdrage aan het tot stand brengen van het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college waarvan sprake in artikel 116, lid 1, onder c), van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

2.   Na ontvangst van de bijdragen van de leden van het college stelt de consoliderende toezichthouder een ontwerp op voor het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college.

3.   De consoliderende toezichthouder doet dit ontwerp voor het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college toekomen aan de leden van het college en verzoekt hen hun standpunt over de gezamenlijke werkgebieden te verstrekken binnen een door hem aangeven uiterste termijn.

4.   Voor het afronden van het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college houdt de consoliderende toezichthouder rekening met alle standpunten en voorbehouden van de leden van het college en licht hij, indien deze niet in de regelingen zijn opgenomen, dit toe.

5.   Na voltooiing van het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college deelt de consoliderende toezichthouder dit aan de leden van het college mee.

6.   Het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college wordt ten minste één keer per jaar bijgewerkt, of vaker indien de noodzaak hiertoe blijkt uit het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU, of als gevolg van gezamenlijke besluiten over instellingsspecifieke prudentiële vereisten overeenkomstig artikel 113 van die Richtlijn.

7.   De consoliderende toezichthouder werkt het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college bij volgens de procedure omschreven in de leden 1 tot en met 5.

AFDELING 3

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties

Artikel 12

Vaststelling en bijwerking van het kader voor noodsituaties voor het college

1.   De consoliderende toezichthouder stelt zijn voorstel voor de vaststelling van een kader voor noodsituaties voor het college op overeenkomstig artikel 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

2.   De consoliderende toezichthouder legt zijn voorstel voor aan de leden van het college en verzoekt hen hun standpunten in te dienen binnen een door hem aangegeven uiterste termijn.

3.   De consoliderende toezichthouder houdt rekening met alle standpunten en voorbehouden van de leden van het college en licht, indien deze niet in de regelingen zijn opgenomen, dit toe.

4.   De consoliderende toezichthouder doet de definitieve versie van het kader voor noodsituaties voor het college aan de leden van het college toekomen.

5.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college overwegen ten minste één keer per jaar of een bijwerking van het kader voor noodsituaties voor het college nodig is.

6.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college werken het kader voor noodsituaties voor het college bij volgens de procedure vervat in de leden 1 tot en met 4.

Artikel 13

Uitwisseling van informatie in een noodsituatie

1.   Indien de consoliderende toezichthouder kennis krijgt van een noodsituatie waardoor een instelling of bijkantoor van de groep die een vergunning heeft verkregen of gevestigd is in een lidstaat getroffen wordt of waarschijnlijk getroffen zal worden, waarschuwt hij onverwijld de EBA en het collegelid dat toezicht houdt op deze instelling of dit bijkantoor.

2.   Indien een lid van het college kennis krijgt van een noodsituatie waardoor een instelling of bijkantoor van de groep die een vergunning heeft verkregen of gevestigd is in een lidstaat getroffen wordt of waarschijnlijk getroffen zal worden, waarschuwt hij de consoliderende toezichthouder onverwijld.

3.   De consoliderende toezichthouder zorgt ervoor dat alle andere leden van het college op toereikende wijze worden geïnformeerd over de belangrijkste elementen van het volgende:

a)

de gecoördineerde toezichtbeoordeling van de noodsituatie waarvan sprake in artikel 14;

b)

de gecoördineerde toezichtrespons waarvan sprake in artikel 15, met inbegrip van de ondernomen of geplande actie en de monitoring daarvan als bedoeld in artikel 16;

c)

de vroegtijdige interventiemaatregelen die zijn genomen overeenkomstig de artikelen 27, 28 en 29 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (6), als van toepassing, rekening houdend met de noodzaak tot coördinatie van deze maatregelen overeenkomstig artikel 30 van die richtlijn, of met de bepaling van de afwikkelingsvoorwaarden overeenkomstig artikel 32 van die richtlijn.

4.   Indien de efficiëntie van de gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie waarvan sprake in artikel 15 waarschijnlijk gebaat zal zijn bij de betrokkenheid van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, afwikkelingsautoriteiten van dochterondernemingen of afwikkelingsautoriteiten van rechtsgebieden waarin zich significante bijkantoren, centrale banken, bevoegde ministeries en depositogarantiestelsels bevinden, overweegt de consoliderende toezichthouder deze autoriteiten bij deze toezichtrespons te betrekken.

5.   Indien een noodsituatie beperkt blijft tot een specifieke entiteit van de groep, behandelt het lid van het college verantwoordelijk voor het toezicht op die betreffende groepsentiteit de situatie in samenwerking met de consoliderende toezichthouder.

Artikel 14

Coördinatie van de toezichtbeoordeling van een noodsituatie

1.   Voor de toepassing van artikel 19 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 coördineert de consoliderende toezichthouder de opstelling van een ontwerp van de gecoördineerde toezichtbeoordeling van de noodsituatie op basis van zijn eigen beoordeling en die van de leden van het college die toezicht houden op de groepsentiteiten die door de noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden.

2.   Het ontwerp van de gecoördineerde toezichtbeoordeling van de noodsituatie heeft betrekking op de groepsentiteiten die door de noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden. Met de opvattingen en beoordelingen van de leden van het college verantwoordelijk voor het toezicht op die groepsentiteiten wordt op toereikende wijze rekening gehouden door de consoliderende toezichthouder.

3.   Indien een noodsituatie beperkt blijft tot een specifieke entiteit van de groep, voert het lid van het college verantwoordelijk voor het toezicht op die groepsentiteit de toezichtbeoordeling uit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder.

Artikel 15

Coördinatie van de toezichtrespons op een noodsituatie

1.   Voor de toepassing van artikel 20 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 wordt de ontwikkeling van een gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie met het oog op de groep en de groepsentiteiten die door de noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden, door de consoliderende toezichthouder geleid. Met de opvattingen en beoordelingen van de leden van het college verantwoordelijk voor het toezicht op die groepsentiteiten wordt op toereikende wijze rekening gehouden door de consoliderende toezichthouder.

2.   Indien de noodsituatie beperkt blijft tot een specifieke entiteit van de groep, voert het lid van het college verantwoordelijk voor het toezicht op die groepsentiteit de ontwikkeling van de gecoördineerde toezichtrespons op de noodsituatie uit in samenwerking met de consoliderende toezichthouder.

3.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college voeren de taken waarvan sprake in de leden 1 en 2 onverwijld uit.

4.   De ontwikkeling van de gecoördineerde toezichtbeoordeling van een noodsituatie waarvan sprake in artikel 14 en de ontwikkeling van de gecoördineerde toezichtrespons op deze noodsituatie kunnen parallel aan elkaar worden uitgevoerd.

Artikel 16

Monitoring en bijwerking van de gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie

1.   Voor de toepassing van artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 worden de monitoring van de tenuitvoerlegging van de overeengekomen maatregelen vervat in de gecoördineerde toezichtrespons waarvan sprake in artikel 15 gecoördineerd door de consoliderende toezichthouder.

2.   De leden van het college verantwoordelijk voor het toezicht op groepsentiteiten die door een noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden, informeren de consoliderende toezichthouder over het verloop van de noodsituatie en over de tenuitvoerlegging van de overeengekomen maatregelen met betrekking tot hun groepsentiteiten, als van toepassing.

3.   Alle bijwerkingen met betrekking tot de monitoring van de gecoördineerde toezichtrespons worden door de consoliderende toezichthouder verstrekt aan de leden van het college, met inbegrip van de EBA, en hebben betrekking op de groep en de groepsentiteiten die door een noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden.

4.   De consoliderende toezichthouder en de leden van het college verantwoordelijk voor het toezicht op de groepsentiteiten die door een noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden, overwegen of het nodig is om de gecoördineerde toezichtrespons bij te werken, waarbij zij rekening houden met de informatie die zij aan elkaar verstrekken tijdens de monitoring van de tenuitvoerlegging.

5.   De vereisten vervat in de leden 1 tot en met 4 gelden onverwijld.

HOOFDSTUK 3

OPERATIONEEL FUNCTIONEREN VAN COLLEGES DIE ZIJN GEVORMD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51, LID 3, VAN RICHTLIJN 2013/36/EU

AFDELING 1

Oprichting en functioneren van colleges

Artikel 17

Opstelling en bijwerking van de mapping van een instelling, oprichting van een college, opstelling en bijwerking van lijsten van contactpersonen en totstandbrenging en wijziging van de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen

Voor colleges die overeenkomstig artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU zijn gevormd, belasten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zich ermee de mapping van een instelling op te stellen en bij te werken, een college op te richten, lijsten van contactpersonen op te stellen en bij te werken en de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen tot stand te brengen en te wijzigen overeenkomstig artikel 2 tot en met 5 voor zover van toepassing.

Artikel 18

Operationele aspecten van vergaderingen en activiteiten van het college

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen een regelmatige samenwerking in met leden van het college in de vorm van vergaderingen of andere activiteiten.

2.   De organisatie van vergaderingen en activiteiten van het college en de doelstellingen daarvan worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst meegedeeld aan de leden van het college, met inbegrip van de EBA.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de doelstellingen van de vergaderingen van het college duidelijk vast. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zorgen ervoor dat deze doelstellingen worden weerspiegeld in de agendapunten van de vergaderingen en nodigen alle leden van het college uit om voorstellen te doen voor bijkomende agendapunten. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst houden rekening met alle voorstellen voor agendapunten die door de leden van het college zijn gedaan en motiveren, indien hierom wordt verzocht, waarom deze in voorkomend geval niet zijn opgenomen.

4.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college die betrokken zijn bij een bepaalde activiteit of vergadering van het college verspreiden documenten en bijdragen aan werkdocumenten ruim van te voren, zodat alle deelnemers aan het college actief kunnen bijdragen aan de besprekingen.

AFDELING 2

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten in normale bedrijfsomstandigheden

Artikel 19

Het algemene kader voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, leden van het college en waarnemers

1.   Voor de toepassing van artikel 28, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 doen de leden van het college de informatie toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen de informatie waarvan sprake in lid 1 toekomen:

a)

aan de leden van het college;

b)

aan de waarnemers naarmate de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dit passend achten en in overeenstemming met de voorwaarden van hun deelname aan het college.

3.   Als de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van oordeel zijn dat de informatie waarvan sprake in lid 1 niet relevant is voor een bepaald collegelid, plegen zij vooraf overleg met dat lid en verstrekken zij het de essentiële punten van de informatie om dat lid in staat te stellen de feitelijke relevantie ervan te bepalen.

4.   Wanneer het college in verschillende substructuren is georganiseerd, houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst alle leden van het college volledig en tijdig op de hoogte van de in verschillende substructuren van het college ondernomen actie of genomen maatregelen.

5.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college bereiken overeenstemming over de manier waarop informatie wordt uitgewisseld en vermelden deze afspraak in de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen overeenkomstig artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

Artikel 20

Totstandbrenging en bijwerking van het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college

1.   Voor het opstellen van een programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college waarvan sprake in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU overeenkomstig artikel 31 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 leveren de leden van het college de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hun bijdrage.

2.   Na ontvangst van de bijdragen van de leden van het college stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een ontwerp op voor het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen dit ontwerp voor het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college aan de leden van het college toekomen en nodigen dezen uit binnen een passende termijn hun standpunten over gezamenlijke werkgebieden voor te leggen.

4.   Voor de voltooiing van het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst rekening met alle standpunten en voorbehouden van de leden van het college en lichten zij, indien deze niet in de regelingen zijn opgenomen, dit toe.

5.   Na voltooiing van het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college doen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dit aan de leden van het college toekomen.

6.   Het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college wordt ten minste één keer per jaar bijgewerkt, of vaker indien uit het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU blijkt dat dit noodzakelijk is.

7.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst werken het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college bij volgens de procedure omschreven in de leden 1 tot en met 5.

AFDELING 3

Planning en coördinatie van toezichtactiviteiten bij de voorbereiding op en in noodsituaties en slotbepalingen

Artikel 21

Vaststelling en bijwerking van het kader voor noodsituaties voor het college

1.   Voor het vaststellen van het kader voor noodsituatie voor het college stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een voorstel op overeenkomstig artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen hun voorstel toekomen aan de leden van het college en nodigen dezen uit binnen een passende termijn hun standpunten voor te leggen.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst houden rekening met alle standpunten en voorbehouden van de leden van het college en lichten, indien deze niet worden opgenomen, dit toe.

4.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst deelt de definitieve versie van het kader voor noodsituaties voor het college aan de leden van het college mee.

5.   De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van herkomst en de leden van het college overwegen ten minste één keer per jaar of een bijwerking van het kader voor noodsituaties voor het college nodig is.

6.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de leden van het college werken het kader voor noodsituaties voor het college bij volgens de procedure vervat in de leden 1 tot en met 4.

Artikel 22

Uitwisseling van informatie in een noodsituatie

1.   Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kennis krijgen van een noodsituatie waardoor de instelling getroffen wordt of waarschijnlijk getroffen zal worden, waarschuwen zij onverwijld de EBA en de leden van het college.

2.   Indien een lid van het college kennis krijgt van een noodsituatie waardoor een bijkantoor in zijn rechtsgebied getroffen wordt of waarschijnlijk getroffen zal worden, waarschuwt hij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst onverwijld.

Artikel 23

Coördinatie van de toezichtbeoordeling van een noodsituatie

Voor de toepassing van artikel 34 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 verspreiden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de toezichtbeoordeling van de noodsituatie onder de leden van het college die toezicht houden op bijkantoren die door de noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden.

Artikel 24

Coördinatie en monitoring van de toezichtrespons op een noodsituatie

1.   Voor de toepassing van artikel 35 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 ontwikkelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een gecoördineerde toezichtrespons op een noodsituatie. Met de standpunten van leden van het college die toezicht houden op bijkantoren die door een noodsituatie getroffen worden of waarschijnlijk getroffen zullen worden, wordt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst op toereikende wijze rekening gehouden.

2.   In voorkomend geval wordt de monitoring van de tenuitvoerlegging van de in de toezichtrespons vervatte maatregelen gecoördineerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

3.   De leden van het college stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst op de hoogte van het verloop van de noodsituatie en de tenuitvoerlegging van overeengekomen maatregelen met betrekking tot de bijkantoren in hun rechtsgebied.

4.   Alle actualiseringen met betrekking tot de monitoring van de toezichtrespons worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verstrekt aan de leden van het college, met inbegrip van de EBA.

5.   De ontwikkeling van de toezichtbeoordeling van een noodsituatie waarvan sprake in artikel 23 en de ontwikkeling van de toezichtrespons op deze situatie kunnen parallel aan elkaar worden uitgevoerd.

Artikel 25

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is bindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen voor het bepalen van de algemene voorwaarden voor de werking van colleges van toezichthouders (zie bladzijde 2 van dit Publicatieblad).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/100 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 45 van dit Publicatieblad).

(6)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).


BIJLAGE I

Mappingmodel

EU-moederinstelling/Financiële EU-moederholding/Gemengde financiële EU-moederholding/EU-instelling

 

Totaalbedrag van de activa en de posten buiten de balanstelling (in miljoen euro)

 

Wordt deze aangemerkt als mondiaal systeemrelevante instelling (MSI) of andere systeemrelevante instelling (ASI)?

 

Is ontheffing verleend ingevolge artikel 7 of 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (ontheffingen van kapitaalvereisten)? (J/N)

 

Is ontheffing verleend ingevolge artikel 8 of 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (ontheffingen van liquiditeitsvereisten)? (J/N)

 


Instellingen waaraan een vergunning is verleend in een lidstaat/Entiteiten uit de financiële sector waaraan een vergunning is verleend in een lidstaat

Is de instelling/entiteit uit de financiële sector belangrijk voor de groep?

(J/N)

Is de instelling/entiteit uit de financiële sector belangrijk voor de lidstaat waarin zij een vergunning heeft verkregen?

(J/N)

Totaalbedrag van de activa en posten buiten de balanstelling van de instelling/entiteit uit de financiële sector (in miljoen euro)

In voorkomend geval, de criteria gebruikt voor het vaststellen van het belang voor de lidstaat

In voorkomend geval, de criteria gebruikt voor het vaststellen van het belang voor de groep

Is ontheffing verleend ingevolge artikel 7 of artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013

(ontheffingen van kapitaalvereisten)?

(J/N)

Bevoegde autoriteit/Andere autoriteit

Lidstaat

Instelling/Entiteit uit de financiële sector

Legal Identifier Code, indien een dergelijke code bestaat (pre-Legal Entity Identifiers of Global Legal Entity Identifier System)

Wordt de instelling/entiteit uit de financiële sector aangemerkt als ASI?

Directe moedermaatschappij van de instelling/entiteit uit de financiële sector

Legal Identifier Code, indien een dergelijke code bestaat (pre-Legal Entity Identifiers of Global Legal Entity Identifier System)

Wordt de directe moedermaatschappij aangemerkt als ASI?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afwikkelingscollege:

Leden en waarnemers (landen):

Leden en waarnemers (autoriteiten):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Crisismanagementgroep (CMG):

Leden (landen):

Leden (autoriteiten):

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Naam van de consoliderende toezichthouder of de bevoegde instantie van de lidstaat van herkomst:

 

Adres van de consoliderende toezichthouder of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst:

 

Contactpersoon (naam, e-mailadres, telefoonnummer) van de consoliderende toezichthouder of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst:

 

 

Is ontheffing verleend ingevolge artikel 8 of artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (ontheffingen van liquiditeitsvereisten)? (J/N)

Is de betrokken autoriteit een lid of een waarnemer van het college? Indien ja en onderdeel van een specifieke collegesubstructuur, graag vermelden.

In een lidstaat gevestigde bijkantoren

Is het bijkantoor belangrijk voor de groep?

(J/N)

In voorkomend geval, de criteria gebruikt voor het vaststellen van het belang

Is het bijkantoor belangrijk voor de lidstaat, overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU?

(J/N)

Is de betrokken autoriteit een lid of waarnemer van het college? Indien ja en onderdeel van een specifieke collegesubstructuur, graag vermelden.

Bevoegde autoriteit/Andere autoriteit

Lidstaat

Bijkantoor

Instelling waaronder het bijkantoor is gevestigd

Legal Identifier Code van de instelling waaronder het bijkantoor is gevestigd, indien een dergelijke code bestaat (pre-Legal Entity Identifiers of Global Legal Entity Identifier System)

Wordt de instelling waaronder het bijkantoor is gevestigd, aangemerkt als ASI? (J/N)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Instellingen die een vergunning hebben gekregen en bijkantoren die gevestigd zijn in een derde land

Is de instelling/het bijkantoor belangrijk voor de groep?

(J/N)

In voorkomend geval, de criteria gebruikt voor het vaststellen van het belang

Zijn de vereisten betreffende vertrouwelijkheid en geheimhoudingsverplichting die gelden voor de toezichthoudende autoriteit van het derde land als gelijkwaardig beoordeeld door alle leden van het college?

(J/N)

Is de toezichthoudende autoriteit van het derde land waarnemer van het college? Indien ja en onderdeel van een specifieke collegesubstructuur, graag vermelden.

Toezichthoudende autoriteit derde land

Derde land

Instelling/Bijkantoor

Legal Identifier Code van de instelling, indien een dergelijke code bestaat (pre-Legal Entity Identifiers of Global Legal Entity Identifier System)

Directe moedermaatschappij van de instelling

Legal Identifier Code van de directe moedermaatschappij, indien een dergelijke code bestaat (pre-Legal Entity Identifiers of Global Legal Entity Identifier System)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Is er een andere niet-Europese collegestructuur? (J/N) (indien ja, de naam van het college en ontvangende toezichthouder vermelden).

Leden (landen):

Leden (autoriteiten):

 

 

 

Naam van het college:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


BIJLAGE II

Model voor de schriftelijk vastgelegde coördinatie- en samenwerkingsregelingen van het toezichtcollege, vastgesteld voor de

<XY>Groep/<A>Instelling

Image Image Image Image Image Image Image

28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/45


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/100 VAN DE COMMISSIE

van 16 oktober 2015

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het gezamenlijke besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen ingevolge Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 20, lid 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de beoordeling van de volledigheid van de aanvraag voor bepaalde prudentiële toestemmingen moeten de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen over het al dan niet verlenen van de toestemmingen als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor tijdige en doelmatige wederzijdse samenwerking zorgen en een gemeenschappelijke visie ontwikkelen met betrekking tot de ontvangst van een volledige aanvraag of met betrekking tot de elementen van de aanvraag die als onvolledig worden beschouwd.

(2)

De consoliderende toezichthouder moet de aanvrager en de betrokken bevoegde autoriteiten de datum van ontvangst van de volledige aanvraag bevestigen om met betrekking tot de precieze aanvangsdatum van de termijn van zes maanden om tot het gezamenlijk besluit te komen voor duidelijkheid te zorgen en de risico's van mogelijke geschillen met betrekking tot dit aanvangspunt te minimaliseren.

(3)

De beoordeling van de volledigheid van de aanvraag moet worden verricht op basis van de aangelegenheden die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen bij het nemen van een besluit of de gevraagde toestemming wordt verleend. Het verband tussen de beoordeling die door de bevoegde autoriteiten moet worden verricht en de informatie waarvan verwacht wordt dat zij in de ingediende aanvragen wordt opgenomen, is essentieel om de kwaliteit van de aanvragen te verbeteren en zorgt voor consistentie onder de colleges van toezichthouders van zowel de inhoud van de aanvragen als de beoordeling van de volledigheid.

(4)

Om voor de consequente toepassing van het proces om tot een gezamenlijk besluit te komen, te zorgen, is het belangrijk dat elke stap duidelijk omschreven wordt. Een duidelijk uiteengezet proces vergemakkelijkt tijdige informatie-uitwisseling, zorgt voor evenredige toewijzing en doelmatig beheer van de toezichtsmiddelen, bevordert wederzijds begrip, ontwikkelt de vertrouwensrelaties tussen de toezichthoudende autoriteiten en bevordert doeltreffend toezicht.

(5)

De beoordeling van de volledigheid van de aanvraag mag zich niet uitstrekken tot de beoordeling van de aanvraag die de bevoegde autoriteiten verrichten bij de ontwikkeling van hun advies met betrekking tot de vraag of de toestemming wordt verleend. De aan elke stap van het gezamenlijk besluitvormingsproces bestede tijd moet derhalve evenredig zijn aan de complexiteit en de reikwijdte van die stap, met dien verstande dat de termijn om tot een gemeenschappelijk besluit te komen niet kan worden verlengd of opgeschort.

(6)

De consoliderende toezichthouder moet in staat zijn te beoordelen of en op welke wijze het model waarvoor toestemming wordt gevraagd, de blootstellingen in rechtsgebieden buiten de Unie weergeeft. In die context moet de interactie tussen de bevoegde autoriteiten en de toezichthouders van derde landen worden bevorderd om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen een volledige beoordeling van de prestaties van het model te ontwikkelen.

(7)

Een tijdige en realistische planning van het proces om tot een gezamenlijk besluit te komen, is essentieel. Elke betrokken bevoegde autoriteit moet de consoliderende toezichthouder tijdig en doelmatig haar bijdrage aan het gezamenlijk besluit leveren.

(8)

Om voor eenvormige toepassingsvoorwaarden te zorgen, moeten de stappen die moeten worden gevolgd om de beoordeling te verrichten en tot een gezamenlijk besluit te komen, worden vastgesteld onder erkenning dat sommige taken van het proces parallel en andere opeenvolgend kunnen worden uitgevoerd.

(9)

Om gemakkelijker tot gezamenlijke besluiten te komen, is het belangrijk dat de bij het besluitvormingsproces betrokken bevoegde autoriteiten, met name voordat de gezamenlijke besluiten worden afgerond, met elkaar in dialoog treden.

(10)

Om ervoor te zorgen dat een doeltreffend proces wordt vastgesteld, moet de consoliderende toezichthouder de uiteindelijke verantwoordelijkheid hebben voor het bepalen van de stappen die moeten worden gevolgd om tot een gezamenlijk besluit inzake de goedkeuring van interne modellen te komen.

(11)

Het vaststellen van duidelijke bepalingen voor de inhoud van de gezamenlijke besluiten moet ervoor zorgen dat gezamenlijke besluiten volledig met redenen zijn omkleed en aan doelmatige monitoring van de voorwaarden bijdragen.

(12)

Om het proces te verduidelijken dat moet worden gevolgd nadat het gezamenlijke besluit is bereikt, voor transparantie met betrekking tot de behandeling van het resultaat van het besluit te zorgen en, indien nodig, passende follow-upacties te vergemakkelijken, moeten normen betreffende de mededeling van het gezamenlijk besluit worden vastgesteld.

(13)

Het tijdschema voor het proces om tot een gemeenschappelijk besluit te komen met betrekking tot aanvragen voor toestemmingen die verband houden met materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen en de verdeling van de werkzaamheden tussen de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten, moeten evenredig zijn aan de reikwijdte van die materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen.

(14)

Het gezamenlijk besluitvormingsproces op grond van artikel 20 van Verordening (EU) nr. 575/2013 omvat het te volgen proces indien niet tot een gezamenlijk besluit wordt gekomen. Om voor eenvormige toepassingsvoorwaarden voor dit aspect van het proces te zorgen, en met name voor de formulering van volledig met redenen omklede besluiten te zorgen en de behandeling van door de betrokken bevoegde autoriteiten kenbaar gemaakte standpunten en voorbehouden te verduidelijken, moeten normen met betrekking tot het tijdschema voor het nemen van besluiten bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit en de mededeling ervan worden vastgesteld.

(15)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit — EBA) aan de Europese Commissie heeft voorgelegd.

(16)

De EBA heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening gebaseerd is, de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Bankstakeholdersgroep ingewonnen (2),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening bepaalt het gezamenlijke besluitvormingsproces als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot de aanvragen voor de toestemmingen als bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, leden 4 en 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, en artikel 363 van die verordening met het oog op het bevorderen van gezamenlijke besluiten.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)   „betrokken bevoegde autoriteit”: een bevoegde autoriteit, behalve de consoliderende toezichthouder, die verantwoordelijk is voor het toezicht op dochterondernemingen die deelnemen aan de indiening van een gezamenlijke aanvraag, op een EU-moederinstelling of een financiële EU-moederholding of een gemengde financiële EU-moederholding in een lidstaat en die tot een gezamenlijk besluit moet komen overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot de aanvraag als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder a), van die verordening;

2)   „aanvrager”: een EU-moederinstelling en haar dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding of van een gemengde financiële EU-moederholding die een aanvraag indienen;

3)   „beoordelingsverslag”: een verslag dat de beoordeling van een aanvraag overeenkomstig artikel 6 bevat.

HOOFDSTUK II

GEZAMENLIJK BESLUITVORMINGSPROCES

Artikel 3

Betrokkenheid van toezichthoudende autoriteiten van een derde land bij het beoordelingsproces

1.   De consoliderende toezichthouder kan besluiten toezichthoudende autoriteiten van derde landen die ingevolge artikel 3, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie (3) aan het toezichtscollege deelnemen, te betrekken bij de beoordeling van aanvragen die worden ingediend ingevolge artikel 20, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 indien de aanvrager in dat derde land opereert en voornemens is de betrokken methodologieën op blootstellingen in dat derde land toe te passen. In dat geval komen zowel de consoliderende toezichthouder als die autoriteiten tot overeenstemming over de reikwijdte van de betrokkenheid van de toezichthoudende autoriteiten van het derde land voor de volgende doeleinden:

a)

het leveren aan de consoliderende toezichthouder van hun bijdrage aan het door de consoliderende toezichthouder opgestelde beoordelingsverslag;

b)

het toevoegen als bijlage van de bijdragen als bedoeld in punt a) aan het door de consoliderende toezichthouder opgestelde beoordelingsverslag.

2.   Indien de consoliderende toezichthouder besluit om toezichthoudende autoriteiten van een derde land te betrekken, verstrekt de consoliderende toezichthouder de door een betrokken bevoegde autoriteit opgestelde beoordelingsverslagen aan de toezichthoudende autoriteiten van het derde land niet zonder de uitdrukkelijke toestemming van die betrokken bevoegde autoriteit.

3.   De consoliderende toezichthouder houdt de betrokken bevoegde autoriteiten volledig op de hoogte van de reikwijdte, het niveau en de aard van de betrokkenheid van de toezichthoudende autoriteiten van het derde land bij het beoordelingsproces en de mate waarin het beoordelingsverslag dat door de consoliderende toezichthouder is opgesteld van hun bijdragen heeft gebruikgemaakt.

Artikel 4

Beoordeling van de volledigheid van de aanvraag

1.   Bij ontvangst van een door de aanvrager ingediende aanvraag voor een toestemming als bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, leden 4 en 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zendt de consoliderende toezichthouder de aanvraag onverwijld en in ieder geval binnen tien dagen aan de betrokken bevoegde autoriteiten door.

2.   De consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten beoordelen de volledigheid van de aanvraag binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag door de consoliderende toezichthouder.

3.   Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als zij alle informatie bevat die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om de aanvraag te beoordelen in overeenstemming met de vereisten die zijn vermeld in Verordening (EU) nr. 575/2013, en met name in de artikelen 143, 144, 151, 283, 312 en 363 van die verordening.

4.   De betrokken bevoegde autoriteiten verstrekken hun beoordeling van de volledigheid van de aanvraag aan de consoliderende toezichthouder.

5.   In de in lid 4 bedoelde beoordeling worden de elementen van de aanvraag vermeld die als onvolledig of ontbrekend worden beoordeeld.

6.   Indien een betrokken bevoegde autoriteit haar beoordeling van de volledigheid van de aanvraag niet binnen de in lid 2 bepaalde termijn aan de consoliderende toezichthouder verstrekt, wordt de betrokken bevoegde autoriteit geacht de aanvraag als volledig te beschouwen.

7.   Indien de consoliderende toezichthouder of een van de betrokken bevoegde autoriteiten van mening zijn dat de in de aanvraag verstrekte informatie onvolledig is, stelt de consoliderende toezichthouder de aanvrager in kennis van de elementen van de aanvraag die als onvolledig of ontbrekend worden beschouwd, en biedt hij de aanvrager de mogelijkheid de ontbrekende informatie te verstrekken.

8.   Indien een aanvrager de ontbrekende informatie als bedoeld in lid 7 verstrekt, zendt de consoliderende toezichthouder die informatie onverwijld en in elk geval binnen tien dagen na ontvangst van die informatie aan de betrokken bevoegde autoriteiten door.

9.   De consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten beoordelen, rekening houdend met de bijkomende informatie, binnen zes weken na ontvangst door de consoliderende toezichthouder van die informatie de volledigheid van de aanvraag in overeenstemming met de procedure van de leden 3 tot 6.

10.   Indien een volledige aanvraag eerder als onvolledig is beoordeeld, wordt de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 geacht te beginnen lopen op de datum van ontvangst door de consoliderende toezichthouder van de informatie die de aanvraag heeft vervolledigd.

11.   Wanneer een aanvraag als volledig wordt beoordeeld, stelt de consoliderende toezichthouder de aanvrager en de betrokken bevoegde autoriteiten hiervan in kennis alsook van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag of de datum van ontvangst van de informatie die de aanvraag heeft vervolledigd.

12.   In elk geval kan de consoliderende toezichthouder of een van de betrokken bevoegde autoriteiten de aanvrager verplichten bijkomende informatie te verstrekken om de aanvraag te beoordelen en tot een gezamenlijk besluit over de aanvraag te komen.

Artikel 5

Planning van de stappen van het gezamenlijke besluitvormingsproces

1.   Voor de start van het gezamenlijke besluitvormingsproces komen de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten tot overeenstemming over een tijdschema voor de bij het gezamenlijk besluitvormingsproces te volgen stappen en een werkverdeling. Bij gebrek aan overeenstemming stelt de consoliderende toezichthouder het tijdschema vast nadat hij de door de betrokken bevoegde autoriteiten geformuleerde standpunten en voorbehouden in overweging heeft genomen. Het tijdschema wordt vastgesteld binnen zes weken na ontvangst van een volledige aanvraag. Bij afronding wordt het tijdschema door de consoliderende toezichthouder aan de betrokken bevoegde autoriteiten doorgezonden.

2.   Het tijdschema omvat de datum van ontvangst van de volledige aanvraag ingevolge artikel 4, lid 9, en ten minste de volgende stappen:

a)

overeenstemming over het tijdschema en de werkverdeling tussen de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten;

b)

overeenstemming over de reikwijdte van de betrokkenheid van toezichthoudende autoriteiten van een derde land ingevolge artikel 3;

c)

dialoog tussen de consoliderende toezichthouder, de betrokken bevoegde autoriteiten en de aanvrager over de bijzonderheden van de aanvraag, indien dit door de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten noodzakelijk wordt geacht;

d)

indiening van de beoordelingsverslagen van de betrokken bevoegde autoriteiten bij de consoliderende toezichthouder ingevolge artikel 6, lid 2;

e)

dialoog over de beoordelingsverslagen tussen de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten ingevolge artikel 7, lid 2;

f)

opstelling en indiening van het ontwerp van gezamenlijk besluit door de consoliderende toezichthouder bij de betrokken bevoegde autoriteiten ingevolge artikel 7, leden 3 en 4;

g)

overleg over het ontwerp van gezamenlijk besluit met de aanvrager, indien dat vereist wordt door de wetgeving van een lidstaat;

h)

dialoog tussen de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten over het ontwerp van gezamenlijke besluit ingevolge artikel 7, lid 4;

i)

indiening van het ontwerp van gezamenlijk besluit door de consoliderende toezichthouder bij de betrokken bevoegde autoriteiten om tot instemming en het gezamenlijk besluit te komen ingevolge artikel 8;

j)

mededeling van het gezamenlijke besluit aan de aanvrager ingevolge artikel 9.

3.   Het tijdschema voldoet aan alle volgende vereisten:

a)

het is evenredig aan de reikwijdte van de aanvraag;

b)

de reikwijdte en de complexiteit van elke taak die door de betrokken bevoegde autoriteiten en de consoliderende toezichthouder wordt verricht, alsook de complexiteit van de instellingen van de groep waarop het gezamenlijke besluit van toepassing zal zijn, komen erin tot uitdrukking;

c)

het houdt, voor zover mogelijk, rekening met de andere activiteiten die door de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten worden ondernomen op grond van het programma voor onderzoek door de toezichthouder van het college als bedoeld in artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98.

4.   In de werkverdeling komen tot uitdrukking:

a)

de reikwijdte en complexiteit van de aanvraag;

b)

de materialiteit van de reikwijdte van de aanvraag voor elke instelling;

c)

het soort en de locatie van de blootstellingen of risico's waarop de aanvraag betrekking heeft;

d)

de mate waarin blootstellingen of aangegane risico's in een bepaald rechtsgebied bijdragen aan de materialiteit van wijzigingen of uitbreidingen van modellen bij beoordeling op geconsolideerd niveau;

e)

het vermogen van de consoliderende toezichthouder en elke betrokken bevoegde autoriteit om de noodzakelijke taken te verrichten om een beoordeling uit te voeren en een volledig met redenen omkleed advies te geven.

Voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea worden, indien de geografische locatie van blootstellingen of risico's verschillend is van de locatie waar de blootstellingen of risico's worden beheerd, gecrediteerd of verhandeld, in het kader van de werkverdeling voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de blootstellingen of risico's zijn gelegen en voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin deze blootstellingen of risico's worden beheerd, gecrediteerd of verhandeld, afzonderlijke verantwoordelijkheden vastgesteld.

5.   De consoliderende toezichthouder deelt aan de aanvrager een indicatieve datum voor de dialoog als bedoeld in lid 2, onder c), en een benaderende datum voor de mededeling als bedoeld in lid 2, onder i), mee.

6.   Indien het noodzakelijk is het tijdschema of de werkverdeling te actualiseren, doet de consoliderende toezichthouder dit in overleg met de betrokken bevoegde autoriteiten.

Artikel 6

Opstelling van beoordelingsverslagen

1.   De betrokken bevoegde autoriteiten en de consoliderende toezichthouder beoordelen de aanvraag op basis van de werkverdeling als vastgesteld in overeenstemming met artikel 5, lid 1. Die beoordelingen nemen de vorm aan van beoordelingsverslagen.

2.   Elke betrokken bevoegde autoriteit verstrekt haar beoordelingsverslag aan de consoliderende toezichthouder tegen de datum als bepaald in het tijdschema ingevolge artikel 5, lid 2, onder d).

3.   Elk beoordelingsverslag omvat ten minste:

a)

een advies over het al of niet verlenen van de gevraagde toestemming op basis van de vereisten in artikel 143, lid 1, artikel 151, leden 4 en 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013, samen met de motivering van het advies;

b)

eventuele voorwaarden waaraan een dergelijke toestemming moet worden onderworpen, inclusief de overeenkomstige motivering, en een tijdschema voor de vervulling ervan;

c)

de beoordelingen in verband met de aangelegenheden die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen in overeenstemming met de vereisten als vermeld in Verordening (EU) nr. 575/2013 welke betrekking hebben op de toestemmingen als bedoeld in de artikelen 143, 144, 151, 283, 312 of 363 van die verordening;

d)

eventuele aanbevelingen in verband met het verhelpen van tekortkomingen die bij de beoordeling van de aanvraag en het bereiken van een gezamenlijk besluit over de aanvraag zijn gebleken.

Artikel 7

Opstelling van het ontwerp van gezamenlijk besluit

1.   Een beoordelingsverslag als bedoeld in artikel 6 wordt door de consoliderende toezichthouder aan een betrokken bevoegde autoriteit meegedeeld indien die bijdrage van belang is voor de beoordeling door de betrokken bevoegde autoriteit.

2.   De consoliderende toezichthouder voert met de betrokken bevoegde autoriteiten een dialoog, waarvan sprake in het tijdschema ingevolge artikel 5, lid 2, onder e), op basis van de beoordelingsverslagen die door de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten met het oog op de opstelling van een ontwerp van gezamenlijk besluit zijn opgesteld.

3.   De consoliderende toezichthouder stelt een volledig met redenen omkleed ontwerp van gezamenlijk besluit op. Het ontwerp van gezamenlijk besluit bevat elk van de volgende elementen:

a)

de naam van de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij het ontwerp van gezamenlijk besluit;

b)

de naam van de groep van instellingen en een lijst van alle instellingen binnen de groep waarop het ontwerp van gezamenlijk besluit betrekking heeft en van toepassing is, samen met informatie over de reikwijdte van het ontwerp van gezamenlijk besluit;

c)

de verwijzingen naar de toepasselijke uniale en nationale wetgeving inzake de opstelling, afronding en toepassing van het ontwerp van gezamenlijk besluit;

d)

de datum van het ontwerp van gezamenlijk besluit en van een toepasselijke actualisering daarvan in geval van materiële uitbreidingen of wijzigingen als bedoeld in artikel 13;

e)

een advies over het verlenen van de gevraagde toestemming op basis van de beoordelingsverslagen als bedoeld in artikel 6;

f)

indien het advies als bedoeld in punt e) is de gevraagde toestemming te verlenen, de datum vanaf welke die toestemming wordt verleend;

g)

een korte beschrijving van de resultaten van de beoordelingen voor elke instelling binnen de groep;

h)

aanbevelingen in verband met het verhelpen van tekortkomingen die bij de beoordeling van de aanvraag en het bereiken van een gezamenlijk besluit over de aanvraag zijn gebleken;

i)

in voorkomend geval, voorwaarden waaraan door de aanvrager moet worden voldaan, met inbegrip van de desbetreffende motivering, alvorens gebruik te maken van de toestemming als bedoeld in artikel 143, lid 1, artikel 151, leden 4 en 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

j)

de referentiedatum waarop de punten g), h) en i) betrekking hebben;

k)

in voorkomend geval, het tijdschema voor het vervullen van de voorwaarden als bedoeld in punt i) of voor het behandelen van de aanbevelingen als bedoeld in punt h);

l)

in voorkomend geval, het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van het ontwerp van gezamenlijk besluit in overeenkomstige nationale toestemmingen.

4.   In voorkomend geval verstrekt de consoliderende toezichthouder het ontwerp van gezamenlijk besluit aan de betrokken bevoegde autoriteiten ten behoeve van de dialoog als bedoeld in artikel 5, lid 2, onder h).

Artikel 8

Het bereiken van het gezamenlijk besluit

1.   De consoliderende toezichthouder herziet, naarmate dit noodzakelijk is, het ontwerp van gezamenlijk besluit om de conclusies van de dialoog als bedoeld in artikel 7, lid 4, tot uitdrukking te brengen en stelt een definitief ontwerp van gezamenlijk besluit op.

2.   De consoliderende toezichthouder zendt het definitieve ontwerp van gezamenlijk besluit onverwijld en binnen de termijn als bepaald in het tijdschema ingevolge artikel 5, lid 2, onder i), aan de betrokken bevoegde autoriteiten en stelt een termijn vast waarbinnen zij hun schriftelijke instemming moeten verstrekken, die langs elektronische weg kan worden gezonden.

3.   De betrokken bevoegde autoriteiten die het definitieve ontwerp van gezamenlijk besluit ontvangen en het er niet oneens mee zijn, verlenen de consoliderende toezichthouder binnen de gestelde termijn hun schriftelijke instemming.

4.   Een gezamenlijk besluit wordt slechts geacht te zijn bereikt wanneer alle betrokken bevoegde autoriteiten hun schriftelijke instemming hebben verleend.

5.   Het gezamenlijke besluit bestaat uit het gezamenlijk besluit en de schriftelijke instemmingen die daarbij gevoegd zijn. Het gezamenlijk besluit wordt door de consoliderende toezichthouder aan alle betrokken bevoegde autoriteiten verstrekt.

Artikel 9

Mededeling van het gezamenlijk besluit

1.   De consoliderende toezichthouder deelt in voorkomend geval binnen de termijn als bepaald in het tijdschema ingevolge artikel 5, lid 2, onder j), het in artikel 8, lid 5, bedoelde gezamenlijk besluit aan de aanvrager mee in overeenstemming met artikel 20, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, samen met informatie over de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk besluit in overeenkomstige nationale toestemmingen.

2.   De consoliderende toezichthouder bevestigt de betrokken bevoegde autoriteiten dat hij het gezamenlijk besluit aan de aanvrager heeft meegedeeld.

3.   De consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten bespreken in voorkomend geval met de instellingen die in hun rechtsgebied zijn gevestigd en aan het gezamenlijke besluit zijn onderworpen, het gezamenlijk besluit om de bijzonderheden van het besluit en de toepassing ervan toe te lichten.

HOOFDSTUK III

GEBREK AAN OVEREENSTEMMING EN BESLUITVORMING BIJ ONTSTENTENIS VAN EEN GEZAMENLIJK BESLUIT

Artikel 10

Besluitvormingsproces bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit

1.   Indien binnen de termijn waarvan sprake in artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 geen overeenstemming wordt bereikt, raadpleegt de consoliderende toezichthouder op verzoek van een van de betrokken bevoegde autoriteiten de Europese Bankautoriteit (EBA). De consoliderende toezichthouder kan de EBA op eigen initiatief raadplegen.

2.   Indien binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 geen gezamenlijk besluit wordt bereikt, wordt het besluit van de consoliderende toezichthouder als bedoeld in artikel 20, lid 4, eerste alinea, van die verordening schriftelijk bevestigd en wordt het genomen tegen de laatste van de volgende datums:

a)

één maand na het verstrijken van de termijn waarvan sprake in artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 indien geen van de betrokken bevoegde autoriteiten de zaak aan de EBA heeft voorgelegd in overeenstemming met artikel 20, lid 4, vierde alinea, van die verordening;

b)

één maand na de verstrekking van een advies door de EBA ingevolge lid 1 van dit artikel, indien de consoliderende toezichthouder de EBA heeft geraadpleegd binnen de termijn als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

één maand na een besluit dat de EBA neemt in overeenstemming met artikel 20, lid 4, vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.   Indien de EBA is geraadpleegd ingevolge lid 1, omvat het besluit van de consoliderende toezichthouder, waarvan sprake in lid 2, een toelichting bij afwijkingen van het advies van de EBA.

Artikel 11

Opstelling van de besluiten die worden genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit

In voorkomend geval bevat het besluit dat door de consoliderende toezichthouder bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit wordt genomen, alle elementen die worden opgesomd in artikel 7, lid 3.

Artikel 12

Mededeling van de besluiten die worden genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit

De consoliderende toezichthouder deelt zijn besluit onverwijld aan de aanvrager en aan de betrokken bevoegde autoriteiten mee in overeenstemming met artikel 20, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

HOOFDSTUK IV

ACTUALISERING VAN BESLUITEN IN GEVAL VAN MATERIËLE MODELUITBREIDINGEN OF -WIJZIGINGEN EN INWERKINGTREDING

Artikel 13

Materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen

1.   Indien een aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen in overeenstemming met artikel 143, lid 3, artikel 151, leden 4 en 9, artikel 283, artikel 312, lid 2, of artikel 363 van Verordening (EU) nr. 575/2013, werken de consoliderende toezichthouder en de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de instellingen waarop deze materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen van invloed zijn, in volledig overleg samen om een besluit te nemen over het al dan niet verlenen van de toestemming gevraagd in overeenstemming met artikel 20 van Verordening (EU) nr. 575/2013, ingevolge het proces als vastgesteld in de artikelen 3 tot 9 van deze verordening.

2.   Het tijdschema voor het gezamenlijk besluitvormingsproces voor het verlenen van de toestemming met betrekking tot materiële uitbreidingen en wijzigingen vervult de volgende vereisten:

a)

het is evenredig aan de reikwijdte van de materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen;

b)

het is evenredig aan de taken en de verdeling van de werkzaamheden tussen de consoliderende toezichthouder en de betrokken bevoegde autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de instellingen waarop deze materiële modeluitbreidingen of -wijzigingen van invloed zijn.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wordt, indien een aanvraag betrekking heeft op een materiële modeluitbreiding of -wijziging die van invloed is op in slechts één lidstaat gevestigde instellingen, de voor alle onderdelen van het proces op grond van de artikelen 3 tot 9 aan de consoliderende toezichthouder toegewezen tijd tot een minimum beperkt.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/98 van de Commissie van 16 oktober 2015 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen voor het bepalen van de algemene voorwaarden voor de werking van het college van toezichthouders (zie bladzijde 2 van dit Publicatieblad).


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/54


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/101 VAN DE COMMISSIE

van 26 oktober 2015

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen betreffende prudente waardering op grond van artikel 105, lid 14

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 105, lid 14, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreft de normen voor prudente waardering die van toepassing zijn op alle posities in de handelsportefeuille. Artikel 34 van genoemde verordening bepaalt echter dat instellingen de vereisten van artikel 105 moeten toepassen op al hun tegen reële waarde gewaardeerde activa. De combinatie van de bovengenoemde artikelen houdt in dat alle tegen reële waarde gewaardeerde posities, ongeacht of deze al dan niet in de handelsportefeuille zijn opgenomen, aan de vereisten voor prudente waardering zijn onderworpen, waarbij de term „posities” uitsluitend naar financiële instrumenten en grondstoffen verwijst.

(2)

Wanneer de toepassing van prudente waardering leidt tot een lagere absolute boekwaarde voor activa of een hogere absolute boekwaarde voor passiva dan die welke in de rekeningen is opgevoerd, moet een aanvullende waardeaanpassing (AWA) worden berekend als de absolute waarde van het verschil tussen beide, aangezien de prudente waarde altijd gelijk aan of lager dan de reële waarde van de activa moet zijn en gelijk aan of hoger dan de reële waarde van de passiva.

(3)

Voor waarderingsposities waarvan een wijziging in de boekhoudkundige waardering slechts gedeeltelijk of in het geheel niet op het tier 1-kernkapitaal van invloed is, moeten AWA's alleen worden toegepast op dat deel van de wijziging in de boekhoudkundige waardering dat op het tier 1-kernkapitaal van invloed is. Het betreft onder meer posities die aan afdekkingstransacties onderworpen zijn, voor verkoop beschikbare posities voor zover de wijzigingen in de waardering ervan aan een prudentiële filter onderworpen zijn, en exact overeenkomende, compenserende posities.

(4)

AWA's worden uitsluitend bepaald om, waar nodig, aanpassingen aan het tier 1-kernkapitaal te berekenen. AWA's zijn niet van invloed op de vaststelling van de eigenvermogensvereisten overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 (tenzij de afwijking voor kleine handelsportefeuilleactiviteiten krachtens artikel 94 van die verordening van toepassing is).

(5)

Om een consistent kader te verschaffen aan de hand waarvan instellingen AWA's kunnen berekenen, moet worden voorzien in, enerzijds, een heldere definitie van het beoogde zekerheidsniveau en van de elementen van waarderingsonzekerheid waarmee bij het bepalen van een prudente waarde rekening moet worden gehouden, en, anderzijds, welomschreven methoden voor het bereiken van het vereiste zekerheidsniveau, waarbij van actuele marktomstandigheden wordt uitgegaan.

(6)

AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen, afwikkelingskosten en het modelrisico moeten worden berekend aan de hand van waarderingsblootstellingen die op financiële instrumenten of portefeuilles van financiële instrumenten zijn gebaseerd. Daartoe mogen financiële instrumenten tot portefeuilles worden samengevoegd wanneer, wat AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen en afwikkelingskosten betreft, de instrumenten op basis van dezelfde risicofactor worden gewaardeerd of wanneer, wat AWA's in verband met het modelrisico betreft, de instrumenten op basis van hetzelfde prijsmodel worden gewaardeerd.

(7)

Bepaalde AWA's met betrekking tot waarderingsonzekerheid zijn niet additief. Om die reden moet worden toegestaan dat binnen bepaalde categorieën AWA's een aggregatiebenadering wordt gevolgd waarbij met diversificatievoordelen rekening kan worden gehouden voor de elementen van de AWA die geen verband houden met verwachte uitstapkosten die niet in de reële waarde zijn inbegrepen. Met het oog op de aggregatie van AWA's moet het ook mogelijk worden gemaakt diversificatievoordelen te genieten over het verschil tussen de verwachte waarde en de prudente waarde, om te voorkomen dat banken met een reële waarde die al prudenter is dan de verwachte waarde, minder diversificatievoordeel genieten dan banken die de verwachte waarde als de reële waarde gebruiken.

(8)

Aangezien bij instellingen met kleine reëlewaardeportefeuilles de waarderingsonzekerheid doorgaans beperkt is, moeten zij een eenvoudiger methode voor het ramen van AWA's kunnen hanteren dan instellingen met grotere reëlewaardeportefeuilles. Om te bepalen of een eenvoudiger benadering kan worden toegepast, moet de omvang van de reëlewaardeportefeuilles worden beoordeeld op elk niveau waarop kapitaalvereisten worden berekend.

(9)

De instellingen moeten passende documentatie bijhouden en over geschikte systemen en controlemechanismen beschikken, zodat de bevoegde autoriteiten kunnen beoordelen of deze instellingen de vereisten voor het bepalen van het geaggregeerde niveau van de vereiste AWA's correct hebben toegepast.

(10)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd.

(11)

De Europese Bankautoriteit heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen om advies verzocht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Methode voor het berekenen van aanvullende waardeaanpassingen (AWA's)

Instellingen berekenen de totale aanvullende waardeaanpassingen (AWA's) die nodig zijn om de reële waarden aan de prudente waarde aan te passen. Zij berekenen die AWA's per kwartaal aan de hand van de in hoofdstuk 3 beschreven methode, tenzij zij voldoen aan de criteria voor toepassing van de in hoofdstuk 2 beschreven methode.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„waarderingspositie”: een financieel instrument dat, dan wel een grondstof of een portefeuille van financiële instrumenten of grondstoffen die in zowel de handelsportefeuille als de niet-handelsportefeuille wordt aangehouden en tegen reële waarde wordt gewaardeerd;

b)

„waarderingsinput”: een waarneembare of niet-waarneembare marktparameter, dan wel een matrix van parameters die de reële waarde van een waarderingspositie beïnvloedt;

c)

„waarderingsblootstelling” het bedrag van een waarderingspositie dat gevoelig is voor de veranderingen in een waarderingsinput.

Artikel 3

Bronnen van marktgegevens

1.   Wanneer instellingen AWA's op basis van marktgegevens berekenen, nemen zij, indien zulks relevant is, dezelfde reeks marktgegevens in aanmerking als die welke bij de in artikel 105, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde onafhankelijke prijsverificatie worden gebruikt, met toepassing van de in dit artikel beschreven aanpassingen.

2.   Instellingen nemen een volledig scala aan beschikbare en betrouwbare marktgegevensbronnen in aanmerking om een prudente waarde vast te stellen, met inbegrip van de volgende elementen, indien deze relevant zijn:

a)

beurskoersen op een liquide markt;

b)

transacties in exact hetzelfde of een zeer sterk vergelijkbaar instrument, afkomstig van hetzij de eigen gegevens van de instelling, hetzij transacties op de gehele markt, voor zover deze beschikbaar zijn;

c)

handelsnoteringen van effectenmakelaars en andere marktdeelnemers;

d)

via een consensus tot stand gekomen dienstgegevens;

e)

indicatieve noteringen van effectenmakelaars;

f)

waarderingen van zekerheden van tegenpartijen.

3.   Ingeval voor de toepassing van de artikelen 9, 10 en 11 een op deskundigenopinies gebaseerde benadering wordt gevolgd, worden alternatieve methoden en informatiebronnen in overweging genomen, met inbegrip van elk van de volgende, indien relevant:

a)

het gebruik van vervangende gegevens die gebaseerd zijn op vergelijkbare instrumenten waarvoor voldoende gegevens beschikbaar zijn;

b)

de toepassing van prudente verschuivingen op waarderingsinputs;

c)

de vaststelling van natuurlijke grenzen aan de waarde van een instrument.

HOOFDSTUK II

VEREENVOUDIGDE BENADERING VOOR HET BEPALEN VAN AWA's

Artikel 4

Voorwaarden voor het gebruik van de vereenvoudigde benadering

1.   Instellingen mogen de in dit hoofdstuk beschreven vereenvoudigde benadering alleen toepassen als de som van de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en passiva, zoals vermeld in de jaarrekening van de instelling conform het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving, minder dan 15 miljard EUR bedraagt.

2.   Tegen reële waarde gewaardeerde activa en passiva die exact overeenkomen en elkaar compenseren, worden uitgesloten van de in lid 1 bedoelde berekening. Voor tegen reële waarde gewaardeerde activa en passiva waarvan een wijziging in de boekhoudkundige waardering slechts gedeeltelijk of in het geheel niet op het tier 1-kernkapitaal van invloed is, geldt dat de waarden ervan uitsluitend worden opgenomen in verhouding tot het effect van de desbetreffende waarderingswijziging op het tier 1-kernkapitaal.

3.   Het in lid 1 bedoelde drempelbedrag is van toepassing op individuele en geconsolideerde basis. Wanneer het drempelbedrag op geconsolideerde basis wordt overschreden, wordt de kernbenadering toegepast op alle in de consolidatie opgenomen entiteiten.

4.   Wanneer instellingen die de vereenvoudigde benadering toepassen gedurende twee opeenvolgende kwartalen niet aan de in lid 1 vermelde voorwaarde voldoen, stellen zij de relevante bevoegde autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en komen zij een plan overeen om binnen de volgende twee kwartalen de in hoofdstuk 3 bedoelde benadering toe te passen.

Artikel 5

Vaststelling van AWA's volgens de vereenvoudigde benadering

In het kader van de vereenvoudigde benadering berekenen instellingen AWA's als 0,1 % van de som van de absolute waarde van tegen reële waarde gewaardeerde activa en passiva die bij de in artikel 4 beschreven berekening van het drempelbedrag in aanmerking zijn genomen.

Artikel 6

Vaststelling van de volgens de vereenvoudigde benadering berekende totale AWA's

Voor instellingen die de vereenvoudigde benadering toepassen, zijn de totale AWA's in de zin van artikel 1 de AWA's die het resultaat zijn van de in artikel 5 beschreven berekening.

HOOFDSTUK III

KERNBENADERING VOOR HET BEPALEN VAN AWA's

Artikel 7

Overzicht van de kernbenadering

1.   In het kader van de kernbenadering berekenen instellingen AWA's in de volgende twee stappen:

a)

zij berekenen overeenkomstig lid 2 van dit artikel AWA's voor elk van de in artikel 105, leden 10 en 11, van Verordening (EU) nr. 575/2013 categorieën beschreven („AWA's op categorieniveau”);

b)

zij berekenen de totale AWA's in de zin van artikel 1 door de bedragen die voor elk van de AWA's op categorieniveau met behulp van de onder a) bedoelde berekening zijn verkregen, bij elkaar op te tellen.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), berekenen instellingen AWA's op categorieniveau op een van de volgende manieren:

a)

overeenkomstig de artikelen 9 tot en met 17;

b)

wanneer de toepassing van de artikelen 9 tot en met 17 voor bepaalde posities niet mogelijk is: overeenkomstig een „fall-back”-methode, waarbij zij de gerelateerde financiële instrumenten bepalen en een AWA berekenen als de som van de volgende elementen:

i)

100 % van de niet-gerealiseerde nettowinst op de gerelateerde financiële instrumenten;

ii)

10 % van de notionele waarde van de gerelateerde financiële instrumenten ingeval het derivaten betreft;

iii)

25 % van de absolute waarde van het verschil tussen de reële waarde en de niet-gerealiseerde winst, zoals bepaald overeenkomstig punt i), van de gerelateerde financiële instrumenten ingeval het geen derivaten betreft.

Voor de toepassing van punt b), onder i), van de eerste alinea, wordt onder „niet-gerealiseerde winst” het volgende verstaan: de verandering, indien deze positief is, in reële waarde sinds de handelsintroductie, zoals vastgesteld op basis van het „first-in-first-out”-beginsel.

Artikel 8

Algemene bepalingen voor de berekeningen van AWA's volgens de kernbenadering

1.   Voor tegen reële waarde gewaardeerde activa en passiva waarvan een wijziging in de boekhoudkundige waardering slechts gedeeltelijk of in het geheel niet op het tier 1-kernkapitaal van invloed is, geldt dat AWA's uitsluitend worden berekend op grond van het deel van de waarderingswijziging dat op het tier 1-kernkapitaal van invloed is.

2.   Met betrekking tot de AWA's op categorieniveau die in de artikelen 14 tot en met 17 worden beschreven, streven instellingen naar een zekerheidsniveau ten aanzien van de prudente waarde dat gelijkwaardig is aan het zekerheidsniveau van de artikelen 9 tot en met 13.

3.   AWA's zijn de extra waarderingsaanpassingen die nodig zijn om de vastgestelde prudente waarde te bereiken, naast enigerlei aanpassingen die op de reële waarde van de instelling worden toegepast en waarvan kan worden vastgesteld dat zij op dezelfde bron van waarderingsonzekerheid betrekking hebben als de AWA. Wanneer van een aanpassing die op de berekening van de reële waarde van de instelling is toegepast, niet kan worden vastgesteld dat zij betrekking heeft op een specifieke AWA-categorie op het niveau waarop de desbetreffende AWA's worden berekend, wordt deze aanpassing niet in aanmerking genomen bij de berekening van AWA's.

4.   AWA's zijn te allen tijde positief, ook op het niveau van de waarderingsblootstelling en op categorieniveau, zowel voor als na aggregatie.

Artikel 9

Berekening van AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen

1.   AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen worden berekend op het niveau van de waarderingsblootstelling („afzonderlijke AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen”).

2.   Een AWA in verband met onzekerheid van de marktprijzen wordt uitsluitend geacht een waarde van nul te hebben als aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

de instelling beschikt over solide bewijs van een handelsprijs voor een waarderingsblootstelling of er kan een prijs worden afgeleid uit betrouwbare gegevens op basis van een liquide vraag-en aanbodmarkt als beschreven in artikel 338, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

de in artikel 3, lid 2, genoemde marktgegevensbronnen wijzen niet op een materiële waarderingsonzekerheid.

3.   Wanneer niet kan worden aangetoond dat een waarderingsblootstelling een AWA-waarde van nul heeft, maken instellingen bij het vaststellen van de AWA in verband met onzekerheid van de marktprijzen gebruik van de in artikel 3 genoemde gegevensbronnen. In dat geval wordt de AWA in verband met onzekerheid van de marktprijzen berekend zoals uiteengezet in de leden 4 en 5.

4.   Instellingen berekenen AWA's van waarderingsblootstellingen met betrekking tot elke in het desbetreffende waarderingsmodel gebruikte waarderingsinput.

a)

De mate van detail waarmee deze AWA's worden vastgesteld, is als volgt:

i)

bij uitsplitsing: alle waarderingsinputs die nodig zijn om een uitstapprijs te berekenen voor de waarderingspositie;

ii)

de prijs van het instrument.

b)

Elk van de in punt a), onder i), bedoelde waarderingsinputs wordt afzonderlijk behandeld. Wanneer een waarderingsinput uit een matrix van parameters bestaat, worden AWA's berekend op basis van de waarderingsblootstellingen met betrekking tot elke parameter binnen die matrix. Wanneer een waarderingsinput niet naar verhandelbare instrumenten verwijst, relateren instellingen de waarderingsinput en de daarmee verband houdende waarderingsblootstelling aan een reeks op de markt verhandelbare instrumenten. instellingen kunnen het aantal parameters van de waarderingsinput voor de berekening van AWA's beperken met behulp van elke geschikte methode, mits met het beperkte aantal parameters aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de totale waarde van de beperkte waarderingsblootstelling is gelijk aan de totale waarde van de oorspronkelijke waarderingsblootstelling;

ii)

de beperkte reeks parameters kan worden gerelateerd aan een reeks op de markt verhandelbare instrumenten;

iii)

de op grond van historische gegevens van de meest recente 100 handelsdagen bepaalde verhouding van de hierna gedefinieerde variantiemaatstaf 2 tot de hierna gedefinieerde variantiemaatstaf 1, is lager dan 0,1.

c)

Voor de toepassing van dit lid wordt verstaan onder „variantiemaatstaf 1”: winst- en verliesvariantie van de waarderingsblootstelling op basis van de niet-beperkte waarderingsinput, en onder „variantiemaatstaf 2”: winst- en verliesvariantie van de waarderingsblootstelling op basis van de niet-beperkte waarderingsinput minus de waarderingsblootstelling op basis van de beperkte waarderingsinput. Wanneer bij de berekening van AWA's een beperkt aantal parameters wordt gebruikt, wordt de vaststelling dat aan de onder b) vermelde criteria wordt voldaan, afhankelijk gesteld van de beoordeling door een onafhankelijke controlefunctie van de verrekeningsmethode en van een interne validering die ten minste eenmaal per jaar plaatsvinden.

5.   AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen worden als volgt vastgesteld:

a)

wanneer voldoende gegevens beschikbaar zijn om een reeks aannemelijke waarden voor een waarderingsinput te construeren:

i)

voor een waarderingsinput waarbij de reeks aannemelijke waarden op prijzen op de verkoopmarkt is gebaseerd, bepalen instellingen op welk punt binnen de reeks zij met 90 % zekerheid de waarderingsblootstelling zouden kunnen afwikkelen tegen die prijs of een betere;

ii)

voor een waarderingsinput waarbij de reeks aannemelijke waarden op middenkoersen is gebaseerd, bepalen instellingen op welk punt binnen de reeks zij bij de afwikkeling van de waarderingsblootstelling met 90 % zekerheid een middenwaarde kunnen bereiken die gelijk is aan die koers of beter is;

b)

wanneer onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een reeks aannemelijke waarden voor een waarderingsinput te construeren, volgen instellingen een op deskundigenopinies en op beschikbare kwalitatieve en kwantitatieve informatie gebaseerde benadering om voor de prudente waarde van de waarderingsinput een zekerheidsniveau te bereiken dat gelijkwaardig is aan het onder a) beoogde zekerheidsniveau. instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de waarderingsblootstellingen waarbij deze benadering is toegepast en van de methode die voor het bepalen van de AWA is gebruikt;

c)

instellingen berekenen de AWA in verband met onzekerheid van de marktprijzen aan de hand van een van de volgende benaderingen:

i)

zij passen het verschil tussen, enerzijds, de waarderingsinputwaarden die overeenkomstig ofwel punt a), ofwel punt b) zijn berekend, en, anderzijds, de waarderingsinputwaarden die voor het berekenen van de reële waarde zijn gebruikt, toe op de waarderingsblootstelling van elke waarderingspositie;

ii)

zij combineren de waarderingsinputwaarden die overeenkomstig ofwel punt a), ofwel punt b) zijn berekend en herwaarderen waarderingsposities op basis van die waarden. Vervolgens nemen zij het verschil tussen de geherwaardeerde posities en de tegen reële waarde gewaardeerde posities.

6.   Instellingen berekenen de totale AWA op categorieniveau in verband met onzekerheid van de marktprijzen door de in de bijlage vastgelegde formules voor ofwel methode 1, ofwel methode 2 op de afzonderlijke AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen toe te passen.

Artikel 10

Berekening van AWA's in verband met afwikkelingskosten

1.   AWA's in verband met afwikkelingskosten worden berekend op het niveau van de waarderingsblootstelling („afzonderlijke AWA's in verband met afwikkelingskosten”).

2.   Wanneer een instelling voor een waarderingsblootstelling een AWA in verband met onzekerheid van de marktprijzen heeft berekend op basis van een uitstapprijs, kan de AWA in verband met afwikkelingskosten worden vastgesteld op een waarde van nul.

3.   Wanneer een instelling gebruikmaakt van de in artikel 105, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde afwijking, kan de AWA in verband met afwikkelingskosten worden vastgesteld op een waarde van nul, op voorwaarde dat de instelling het bewijs levert dat er met 90 % zekerheid van voldoende liquiditeit sprake is om de gerelateerde waarderingsblootstellingen tegen de middenkoers af te wikkelen.

4.   Wanneer niet kan worden aangetoond dat een waarderingsblootstelling een AWA in verband met afwikkelingskosten met een waarde van nul heeft, maken instellingen gebruik van de in artikel 3 genoemde gegevensbronnen. In dat geval wordt de AWA in verband met afwikkelingskosten berekend zoals uiteengezet in de leden 5 en 6 van dit artikel.

5.   Instellingen berekenen AWA's in verband met afwikkelingskosten over waarderingsblootstellingen met betrekking tot elke in het desbetreffende waarderingsmodel gebruikte waarderingsinput.

a)

De mate van detail waarmee deze AWA's in verband met afwikkelingskosten worden vastgesteld, is als volgt:

i)

bij uitsplitsing: alle waarderingsinputs die nodig zijn om een uitstapprijs te berekenen voor de waarderingspositie;

ii)

de prijs van het instrument.

b)

Elk van de in punt a), onder i), bedoelde waarderingsinputs wordt afzonderlijk behandeld. Wanneer een waarderingsinput uit een matrix van parameters bestaat, bepalen instellingen AWA's in verband met afwikkelingskosten op basis van de waarderingsblootstellingen met betrekking tot elke parameter binnen die matrix. Wanneer een waarderingsinput niet naar verhandelbare instrumenten verwijst, relateren instellingen de waarderingsinput en de daarmee verband houdende waarderingsblootstelling uitdrukkelijk aan een reeks op de markt verhandelbare instrumenten. instellingen kunnen het aantal parameters van de waarderingsinput voor de berekening van AWA's beperken met behulp van elke geschikte methode, mits met het beperkte aantal parameters aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de totale waarde van de beperkte waarderingsblootstelling is gelijk aan de totale waarde van de oorspronkelijke waarderingsblootstelling;

ii)

de beperkte reeks parameters kan worden gerelateerd aan een reeks op de markt verhandelbare instrumenten;

iii)

de op grond van historische gegevens van de meest recente 100 handelsdagen bepaalde verhouding van variantiemaatstaf 2 tot variantiemaatstaf 1 is lager dan 0,1.

Voor de toepassing van dit lid wordt verstaan onder „variantiemaatstaf 1”: winst- en verliesvariantie van de waarderingsblootstelling op basis van de niet-beperkte waarderingsinput, en onder „variantiemaatstaf 2”: winst- en verliesvariantie van de waarderingsblootstelling op basis van de niet-beperkte waarderingsinput minus de waarderingsblootstelling op basis van de beperkte waarderingsinput.

c)

Wanneer bij de berekening van AWA's een beperkt aantal parameters wordt gebruikt, wordt de vaststelling dat aan de onder b) vermelde criteria wordt voldaan afhankelijk gesteld van de beoordeling door een onafhankelijke controlefunctie en van een interne validering die ten minste eenmaal per jaar plaatsvinden.

6.   AWA's in verband met afwikkelingskosten worden als volgt vastgesteld:

a)

wanneer voldoende gegevens beschikbaar zijn om een reeks aannemelijke spreads tussen bied- en laatprijzen voor een waarderingsinput te construeren, bepalen instellingen op welk punt binnen de reeks de spread die zij bij de afwikkeling van de waarderingsblootstelling zouden kunnen bereiken, met 90 % zekerheid gelijk zou zijn aan die prijs of een betere;

b)

wanneer onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een reeks aannemelijke spreads tussen bied- en laatprijzen voor een waarderingsinput te construeren, volgen instellingen een op deskundigenopinies en op beschikbare kwalitatieve en kwantitatieve informatie gebaseerde benadering om een zekerheidsniveau voor de prudente waarde te bereiken dat gelijkwaardig is aan het beoogde zekerheidsniveau wanneer een reeks aannemelijke waarden beschikbaar is. instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de waarderingsblootstellingen waarbij deze aanpak is gehanteerd en van de methode die is gebruikt om de AWA te bepalen;

c)

instellingen berekenen de AWA in verband met afwikkelingskosten door 50 % van de geraamde spread tussen bied- en laatprijzen die overeenkomstig ofwel punt a), ofwel punt b) is berekend toe te passen op de waarderingsblootstellingen die gerelateerd zijn aan de in lid 5 beschreven waarderingsinputs.

7.   Instellingen berekenen de totale AWA op categorieniveau in verband met afwikkelingskosten door de in de bijlage vastgelegde formules voor ofwel methode 1, ofwel methode 2 op de afzonderlijke AWA's in verband met afwikkelingskosten toe te passen.

Artikel 11

Berekening van AWA's in verband met het modelrisico

1.   Instellingen berekenen voor elk waarderingsmodel een AWA in verband met het modelrisico („afzonderlijke AWA in verband met het modelrisico”) door rekening te houden met het waarderingsmodelrisico dat voortvloeit uit het feit dat er mogelijk sprake is van een breed scala aan verschillende modellen of modelkalibraties die door marktdeelnemers worden gebruikt, en uit het feit dat er geen vaste uitstapprijs bestaat voor het specifieke product dat wordt gewaardeerd. instellingen nemen geen waarderingsmodelrisico in aanmerking dat voortvloeit uit kalibraties van parameters die van de markt zijn afgeleid. Deze worden in aanmerking genomen overeenkomstig artikel 9.

2.   De AWA in verband met het modelrisico wordt berekend aan de hand van een van de in de leden 3 en 4 beschreven benaderingen.

3.   Waar mogelijk berekenen instellingen de AWA in verband met het modelrisico door een reeks aannemelijke waarderingen vast te stellen op basis van alternatieve geschikte model- en kalibratiebenaderingen. In dat geval bepalen instellingen op welk punt binnen de resulterende reeks waarderingen zij de waarderingsblootstelling met een zekerheid van 90 % tegen die prijs of een betere prijs zouden kunnen afwikkelen.

4.   Wanneer instellingen niet in staat zijn de in lid 3 beschreven benadering te volgen, maken zij gebruik van een op deskundigenopinies gebaseerde benadering om de AWA in verband met het modelrisico te ramen.

5.   Bij een op deskundigenopinies gebaseerde benadering wordt met alle volgende factoren rekening gehouden:

a)

de complexiteit van de producten die relevant zijn voor het model;

b)

de diversiteit van mogelijke wiskundige benaderingen en modelparameters, waarbij deze modelparameters niet aan marktvariabelen gerelateerd zijn;

c)

de mate waarin de markt voor de desbetreffende producten een eenrichtingsmarkt is;

d)

de aanwezigheid van ondekbare risico's in de desbetreffende producten;

e)

de mate waarin het model in staat is het gedrag van de uitbetaling van de producten in de portefeuille te beschrijven.

Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de modellen waarbij een dergelijke benadering is gevolgd, en van de methode die is gebruikt om de AWA te bepalen.

6.   Wanneer instellingen de in lid 4 beschreven methode toepassen, wordt het prudente karakter van de methode jaarlijks bevestigd door de volgende elementen met elkaar te vergelijken:

a)

de AWA's die zijn berekend aan de hand van de in lid 4 beschreven methode, als deze is toegepast op een materiële steekproef van de waarderingsmodellen waarvoor de instelling de in lid 3 beschreven methode hanteert, en

b)

de AWA's die het resultaat zijn van de in lid 3 beschreven methode voor dezelfde steekproef van waarderingsmodellen.

7.   Instellingen berekenen de totale AWA op categorieniveau in verband met het modelrisico door de in de bijlage vastgelegde formules voor ofwel methode 1, ofwel methode 2 toe te passen op de afzonderlijke AWA's in verband met het modelrisico.

Artikel 12

Berekening van de AWA in verband met niet-benutte kredietspreidingswinsten

1.   Instellingen berekenen de AWA in verband met niet-benutte kredietspreidingswinsten op zodanige wijze dat de waarderingsonzekerheid wordt weergegeven in de aanpassing die volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving noodzakelijk is om de actuele waarde op te nemen van verwachte verliezen als gevolg van wanbetaling door de tegenpartij ten aanzien van posities in derivaten.

2.   Instellingen nemen het op de onzekerheid van de marktprijzen betrekking hebbende element van de AWA op in de AWA-categorie voor onzekerheid van de marktprijzen. Het op de onzekerheid in verband met afwikkelingskosten betrekking hebbende element van de AWA wordt opgenomen in de AWA-categorie voor afwikkelingskosten. Het op het modelrisico betrekking hebbende element van de AWA wordt opgenomen in de AWA-categorie voor het modelrisico.

Artikel 13

Berekening van de AWA in verband met beleggings- en financieringskosten

1.   Instellingen berekenen de AWA in verband met beleggings- en financieringskosten op zodanige wijze dat de waarderingsonzekerheid wordt weergegeven in de financieringskosten die worden gebruikt bij het vaststellen van de uitstapprijs overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving.

2.   Instellingen nemen het op de onzekerheid van de marktprijzen betrekking hebbende element van de AWA op in de AWA-categorie voor onzekerheid van de marktprijzen. Het op de onzekerheid in verband met afwikkelingskosten betrekking hebbende element van de AWA wordt opgenomen in de AWA-categorie voor afwikkelingskosten. Het op het modelrisico betrekking hebbende element van de AWA wordt opgenomen in de AWA-categorie voor het modelrisico.

Artikel 14

Berekening van de AWA in verband met geconcentreerde posities

1.   Voor geconcentreerde waarderingsposities berekenen instellingen een AWA in verband met geconcentreerde posities („afzonderlijke AWA's in verband met geconcentreerde posities”) aan de hand van een benadering die op de volgende drie stappen is gebaseerd:

a)

zij bepalen de geconcentreerde waarderingsposities;

b)

voor elke vastgestelde geconcentreerde waarderingspositie waarvoor geen marktprijs beschikbaar is die op de omvang van de waarderingspositie van toepassing is, bepalen zij een prudente afwikkelingsperiode;

c)

wanneer de prudente afwikkelingsperiode meer dan tien dagen bedraagt, berekenen zij een AWA, rekening houdend met de volatiliteit van de waarderingsinput, de volatiliteit van de spread tussen bied- en laatprijzen en het effect van de hypothetische uitstapstrategie op de marktprijzen.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt bij het bepalen van geconcentreerde waarderingsposities rekening gehouden met alle volgende factoren:

a)

de omvang van alle waarderingsposities in verhouding tot de liquiditeit van de desbetreffende markt;

b)

het vermogen van de instelling om op die markt te handelen;

c)

de gemiddelde dagelijkse marktomzet en het gebruikelijke dagelijkse handelsvolume van de instelling.

Instellingen stellen de methode vast voor het bepalen van de geconcentreerde waarderingsposities waarvoor een AWA in verband met geconcentreerde posities wordt berekend, en documenteren deze methode.

3.   Instellingen berekenen de totale AWA op categorieniveau in verband met geconcentreerde posities als de som van de afzonderlijke AWA's in verband met geconcentreerde posities.

Artikel 15

Berekening van de AWA in verband met toekomstige administratiekosten

1.   Wanneer een instelling voor een waarderingsblootstelling AWA's in verband met onzekerheid van de marktprijzen en afwikkelingskosten berekent die een volledige afwikkeling van de blootstelling impliceren, mag de instelling de AWA in verband met toekomstige administratiekosten vaststellen op een waarde van nul.

2.   Wanneer niet kan worden aangetoond dat de AWA van een waarderingsblootstelling overeenkomstig lid 1 een waarde van nul heeft, berekenen instellingen de AWA in verband met toekomstige administratiekosten („afzonderlijke AWA in verband met toekomstige administratiekosten”) met inachtneming van de administratiekosten en toekomstige afdekkingskosten voor de verwachte levensduur van de waarderingsblootstellingen waarvoor geen rechtstreekse uitstapprijs op de AWA in verband met de afwikkelingskosten wordt toegepast, gedisconteerd aan de hand van een percentage dat het risicovrije percentage benadert.

3.   Voor de toepassing van lid 2 omvatten toekomstige administratiekosten alle extra personeels- en vaste kosten die waarschijnlijk zullen worden gemaakt bij het beheer van de portefeuille. Naarmate de portefeuille kleiner wordt, mag echter worden aangenomen dat ook deze kosten afnemen.

4.   Instellingen berekenen de totale AWA op categorieniveau in verband met toekomstige administratiekosten als de som van de afzonderlijke AWA's in verband met toekomstige administratiekosten.

Artikel 16

Berekening van de AWA in verband met vervroegde beëindiging

Instellingen berekenen een AWA in verband met vervroegde beëindiging met inachtneming van de mogelijke verliezen die uit niet-contractuele vervroegde beëindigingen van klanttransacties voortvloeien. Bij de berekening van de AWA in verband met vervroegde beëindiging wordt rekening gehouden met het percentage klanttransacties die in het verleden vervroegd zijn beëindigd, en met de verliezen die in dergelijke gevallen zijn geleden.

Artikel 17

Berekening van AWA's in verband met operationele risico's

1.   Instellingen ramen een AWA in verband met operationele risico's door te beoordelen welke verliezen zich kunnen voordoen als gevolg van aan waarderingsprocedures verbonden operationele risico's. Deze raming omvat een beoordeling van waarderingsposities waarvan tijdens de verificatie van de balans is vastgesteld dat er risico aan verbonden is, ook wanneer dit risico het gevolg is van rechtsgeschillen.

2.   Wanneer een instelling de geavanceerde meetbenadering voor het operationeel risico toepast die wordt beschreven in deel drie, titel III, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, mag zij een AWA in verband met operationele risico's met een waarde van nul vermelden, op voorwaarde evenwel dat zij het bewijs levert dat bij de berekening volgens de geavanceerde meetbenadering ten volle rekening is gehouden met het overeenkomstig lid 1 bepaalde operationele risico dat aan waarderingsprocedures verbonden is.

3.   In andere gevallen dan die welke in lid 2 worden bedoeld, berekent de instelling een AWA in verband met operationele risico's die 10 % bedraagt van de som van de samengevoegde AWA's op categorieniveau in verband met onzekerheid van de marktprijzen en afwikkelingskosten.

HOOFDSTUK IV

DOCUMENTATIE, SYSTEMEN EN CONTROLEMECHANISMEN

Artikel 18

Vereisten inzake documentatie

1.   Instellingen leggen de methode voor de prudente waardering naar behoren in documentatie vast. Deze documentatie bevat onder meer de interne gedragslijnen met betrekking tot alle volgende aspecten:

a)

de reeks methoden voor het kwantificeren van AWA's voor elke waarderingspositie;

b)

de rangorde van methoden voor elke categorie activa, elk product of elke waarderingspositie;

c)

de rangorde van marktgegevensbronnen die in het kader van de AWA-methode worden gebruikt;

d)

de kenmerken waaraan marktgegevens moeten voldoen om voor elke categorie activa, elk product of elke waarderingspositie een AWA met een waarde van nul te rechtvaardigen;

e)

de methode die wordt toegepast wanneer voor het vaststellen van een AWA een op deskundigenopinies gebaseerde benadering wordt gevolgd;

f)

de methode om te bepalen of voor een waarderingspositie een AWA in verband met geconcentreerde posities is vereist;

g)

de veronderstelde uitstaphorizon ten behoeve van de berekening van AWA's in verband met geconcentreerde posities, ingeval zulks relevant is;

h)

de tegen reële waarde gewaardeerde activa en passiva waarvan een wijziging in de boekhoudkundige waardering slechts gedeeltelijk of in het geheel niet op het tier 1-kernkapitaal van invloed is overeenkomstig artikel 4, lid 2, en artikel 8, lid 1.

2.   Instellingen houden ook documentatie bij op basis waarvan de berekening van AWA's op het niveau van waarderingsblootstelling kan worden geanalyseerd. Tevens wordt aan het hoger management informatie over de AWA-berekeningsprocedure verstrekt teneinde inzicht te bieden in het niveau van waarderingsonzekerheid wat de portefeuille van tegen reële waarde gewaardeerde posities van de instelling betreft.

3.   De in lid 1 bedoelde documentatie wordt ten minste eenmaal per jaar beoordeeld en goedgekeurd door het hoger management.

Artikel 19

Vereisten inzake systemen en controlemechanismen

1.   AWA's worden eerst toegestaan en vervolgens gemonitord door een onafhankelijke controle-eenheid.

2.   Instellingen beschikken over doeltreffende controlemechanismen voor het beheer van alle tegen reële waarde gewaardeerde posities, alsook over voldoende middelen om die controlemechanismen ten uitvoer te leggen en gedegen waarderingsprocedures te waarborgen, zelfs in moeilijke tijden. Dit omvat al het volgende:

a)

een ten minste eenmaal per jaar uitgevoerde beoordeling van het functioneren van het waarderingsmodel;

b)

aftekening door het management van alle belangrijke wijzigingen in het waarderingsbeleid;

c)

een heldere uiteenzetting van de risicobereidheid van de instelling wat betreft de blootstelling aan posities met een onzekere waardering die op het niveau van de instelling als geheel wordt gemonitord;

d)

risiconemende en controle-eenheden die in het waarderingsproces onafhankelijk van elkaar opereren;

e)

een alomvattende interne controleprocedure voor waarderingsprocedures en -controles.

3.   Instellingen zien toe op een doeltreffende en consequente toepassing van controlemechanismen op de waarderingsprocedure van tegen reële waarde gewaardeerde posities. Deze controlemechanismen worden regelmatig getoetst in het kader van interne audits. De controlemechanismen omvatten al het volgende:

a)

een nauwkeurig inventarisatie van alle producten van de instelling, waarbij elke waarderingspositie aan een unieke productdefinitie wordt gerelateerd;

b)

waarderingsmethoden voor elk product in de inventaris, waarbij wordt gekeken naar de keuze en kalibratie van het model, aanpassingen in de reële waarde, AWA's, methoden voor onafhankelijke prijsverificatie die op het product van toepassing zijn, en de meting van waarderingsonzekerheid;

c)

waarderingsprocedures die waarborgen dat, voor elk product, zowel de risiconemende afdeling als de desbetreffende controleafdeling de onder b) beschreven methoden op productniveau goedkeuren, en bevestigen dat deze de feitelijke praktijk weergeven voor elke waarderingspositie die aan het product wordt gerelateerd;

d)

op basis van waargenomen marktgegevens vastgestelde drempelwaarden aan de hand waarvan wordt bepaald wanneer waarderingsmodellen niet langer solide genoeg zijn;

e)

een formele procedure voor onafhankelijke prijsverificatie op basis van prijzen die onafhankelijk zijn van de desbetreffende handelsafdeling;

f)

een nieuwe procedure voor de goedkeuring van producten, die refereert aan de productinventaris en waarbij alle interne stakeholders zijn betrokken die een rol spelen bij de risicometing, het risicobeheer, de financiële verslaglegging, en de toewijzing en verificatie van waarderingen van financiële instrumenten;

g)

een procedure voor de beoordeling van nieuwe handelsovereenkomsten om te waarborgen dat prijsgegevens van nieuwe transacties worden gebruikt om te beoordelen of waarderingen van vergelijkbare waarderingsblootstellingen nog voldoende prudent zijn.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


BIJLAGE

Te gebruiken formules voor het aggregeren van AWA's overeenkomstig artikel 9, lid 6, artikel 10, lid 7, en artikel 11, lid 7

Methode 1

APWA

=

(RW – PW) – 50 % · (RW – PW)

= 50 % · (RW – PW)

AWA

=

Σ APWA

Methode 2

APWA

=

max {0, (RW – PW) – 50 % · (VW – PW)}

= max {0, RW – 50 % · (VW + PW)}

AWA

=

Σ APWA

waarbij

RW

=

de reële waarde op het niveau van de waarderingsblootstelling na eventuele boekhoudkundige aanpassingen in de reële waarde van de instelling waarvan kan worden vastgesteld dat deze betrekking heeft op dezelfde bron van waarderingsonzekerheid als de desbetreffende AWA,

PW

=

de prudente waarde op het niveau van de waarderingsblootstelling zoals bepaald in overeenstemming met deze verordening,

VW

=

de verwachte waarde op het niveau van de waarderingsblootstelling, gekozen uit een reeks mogelijke waarden,

APWA

=

de AWA op het niveau van de waarderingsblootstelling na correctie voor aggregatie,

AWA

=

de totale AWA op categorieniveau na correctie voor aggregatie.


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/66


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/102 VAN DE COMMISSIE

van 19 januari 2016

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Eichsfelder Feldgieker/Eichsfelder Feldkieker (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Duitsland ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding „Eichsfelder Feldgieker”/„Eichsfelder Feldkieker”, die bij Verordening (EG) nr. 452/2013 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de benaming „Eichsfelder Feldgieker”/„Eichsfelder Feldkieker” (BGA) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 452/2013 van de Commissie van 7 mei 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Eichsfelder Feldgieker/Eichsfelder Feldkieker (BGA)) (PB L 133 van 17.5.2013, blz. 5).

(3)  PB C 281 van 26.8.2015, blz. 12.


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/67


VERORDENING (EU) 2016/103 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) en houdende wijziging van de verordeningen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (1), en met name artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2099/2002 is het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) opgericht.

(2)

De rol van het COSS bestaat erin de taken te centraliseren van de comités die zijn opgericht in het kader van de wetgeving van de Unie op het gebied van maritieme veiligheid, voorkoming van verontreiniging door schepen en bescherming van de levens- en arbeidsomstandigheden aan boord van schepen.

(3)

Bij alle nieuwe wetgeving van de Unie die op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen wordt vastgesteld, moet worden voorzien in de inschakeling van het COSS.

(4)

Sinds de laatste wijziging van Verordening (EG) nr. 2099/2002 is in diverse nieuwe wetteksten van de Unie op het gebied van maritieme veiligheid en de voorkoming van verontreiniging door schepen bepaald dat de Commissie moet worden bijgestaan door het COSS, met name in artikel 28 van Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), artikel 6 van Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), artikel 12 van Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4), artikel 10 van Verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5), artikel 31 van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), artikel 19 van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (7), artikel 10 van Richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad (8), artikel 11 van Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) en artikel 38 van Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad (10).

(5)

Voorts voorzien ook artikel 4 quinquies, lid 2, van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad (11), artikel 10 van Verordening (EU) nr. 530/2012 van het Europees Parlement en de Raad (12) en artikel 19, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 788/2014 van de Commissie (13) in de inschakeling van het COSS.

(6)

Na de vaststelling van Verordening (EG) nr. 2099/2002 zijn de volgende wetteksten van de Unie, als bedoeld in artikel 2, lid 2, van die verordening, ingetrokken: Verordening (EEG) nr. 613/91 van de Raad (14), Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (15), Verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad (16), Richtlijn 98/18/EG van de Raad (17), Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad (18), Richtlijn 2002/6/EG van het Europees Parlement en de Raad (19) en Verordening (EG) nr. 417/2002 van het Europees Parlement en de Raad (20).

(7)

De volgende wetteksten van de Unie, als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2099/2002, zijn herschikt: Richtlijn 94/57/EG van de Raad (21), die herschikt is in Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad (22) en Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad (23), terwijl Richtlijn 95/21/EG van de Raad (24) is herschikt in Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad (25).

(8)

Verordening (EG) nr. 2099/2002 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2099/2002 wordt vervangen door:

„2.   „communautaire maritieme wetgeving”: de volgende wetteksten:

a)

Verordening (EG) nr. 2978/94 van de Raad van 21 november 1994 betreffende de tenuitvoerlegging van IMO-resolutie A.747(18) inzake de toepassing van tonnagemeting op de ballastruimten in tankers met gescheiden-ballasttanks (26),

b)

Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (27),

c)

Richtlijn 97/70/EG van de Raad van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt (28),

d)

Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (29),

e)

Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG (30), met het oog op de toepassing van artikel 4 quinquies, lid 2, van die richtlijn,

f)

Richtlijn 1999/35/EG van de Raad van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (31),

g)

Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (32),

h)

Richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor veilig laden en lossen van bulkschepen (33),

i)

Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (34),

j)

Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (35),

k)

Richtlijn 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen (36),

l)

Verordening (EG) nr. 789/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de overdracht van vracht- en passagiersschepen tussen registers binnen de Gemeenschap en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 613/91 van de Raad (37),

m)

Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten (38),

n)

Verordening (EG) nr. 336/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 inzake de implementatie van de Internationale Veiligheidsmanagementcode in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad (39),

o)

Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (40),

p)

Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (41),

q)

Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (42),

r)

Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (43),

s)

Richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen (44),

t)

Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (45),

u)

Verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen (46),

v)

Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (47),

w)

Verordening (EU) nr. 530/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (48),

x)

Verordening (EU) nr. 788/2014 van de Commissie van 18 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor het opleggen van geldboeten en dwangsommen en de intrekking van de erkenning van de met inspectie en controle van schepen belaste organisaties krachtens de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad (49),

y)

Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (50).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33).

(3)  Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 47).

(4)  Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 11).

(5)  Verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 24).

(6)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

(7)  Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 114).

(8)  Richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 132).

(9)  Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 163 van 25.6.2009, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 146).

(11)  Richtlijn 1999/32/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG (PB L 121 van 11.5.1999, blz. 13).

(12)  Verordening (EU) nr. 530/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (PB L 172 van 30.6.2012, blz. 3).

(13)  Verordening (EU) nr. 788/2014 van de Commissie van 18 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor het opleggen van geldboeten en dwangsommen en de intrekking van de erkenning van de met inspectie en controle van schepen belaste organisaties krachtens de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 214 van 19.7.2014, blz. 12).

(14)  Verordening (EEG) nr. 613/91 van de Raad van 4 maart 1991 betreffende overdracht van schepen tussen nationale registers binnen de Gemeenschap (PB L 68 van 15.3.1991, blz. 1).

(15)  Richtlijn 93/75/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen (PB L 247 van 5.10.1993, blz. 19).

(16)  Verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad van 8 december 1995 betreffende een veiligheidsbeleid voor ro-ro-passagiersschepen (PB L 320 van 30.12.1995, blz. 14).

(17)  Richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PB L 144 van 15.5.1998, blz. 1).

(18)  Richtlijn 2001/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PB L 136 van 18.5.2001, blz. 17).

(19)  Richtlijn 2002/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 februari 2002 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten van de Gemeenschap (PB L 67 van 9.3.2002, blz. 31).

(20)  Verordening (EG) nr. 417/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 18 februari 2002 betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2978/94 van de Raad (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 1).

(21)  Richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 319 van 12.12.1994, blz. 20).

(22)  Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 47).

(23)  Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 11).

(24)  Richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 inzake havenstaatcontrole (PB L 157 van 7.7.1995, blz. 1).

(25)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/71


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/104 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor minder gangbare herkauwers gehouden voor mestdoeleinden en melkproductie (vergunninghouder Prosol SpA)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor een preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 ingediend. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(3)

Die aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor een preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor minder gangbare herkauwers gehouden voor mestdoeleinden en melkproductie, in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

Het toevoegingsmiddel is bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 170/2011 van de Commissie (2) reeds toegestaan voor gebruik bij biggen, bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1119/2010 van de Commissie (3) voor gebruik bij melkkoeien en paarden, bij Uitvoeringsverordening (EG) nr. 896/2009 van de Commissie (4) voor gebruik bij zeugen en bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1059/2013 van de Commissie (5) voor gebruik bij mestrunderen.

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 9 juli 2015 (6) geconcludeerd dat het preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden wordt geacht geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu te hebben. Volgens haar kunnen de conclusies inzake de werkzaamheid die in eerdere adviezen waren opgesteld voor de voor mestdoeleinden en melkproductie gehouden gangbare soorten, worden geëxtrapoleerd tot minder gangbare herkauwers die worden gehouden voor mestdoeleinden en melkproductie. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd, dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van het preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Verordening (EU) nr. 170/2011 van de Commissie van 23 februari 2011 tot verlening van een vergunning voor Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor biggen (gespeend) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1200/2005 (vergunninghouder Prosol SpA) (PB L 49 van 24.2.2011, blz. 8).

(3)  Verordening (EU) nr. 1119/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot verlening van een vergunning voor Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor melkkoeien en paarden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1520/2007 (vergunninghouder Prosol SpA) (PB L 317 van 3.12.2010, blz. 9).

(4)  Verordening (EG) nr. 896/2009 van de Commissie van 25 september 2009 tot verlening van een vergunning voor een nieuwe toepassing van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor zeugen (vergunninghouder Prosol SpA) (PB L 256 van 29.9.2009, blz. 6).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1059/2013 van de Commissie van 29 oktober 2013 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestrunderen en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 492/2006 (vergunninghouder Prosol SpA) (PB L 289 van 31.10.2013, blz. 30).

(6)  EFSA Journal 2015;13(7):4199.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren.

4b1710

Prosol SpA

Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885 met minimaal:

1 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel

Vaste vorm

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Saccharomyces cerevisiae MUCL 39885

Analysemethode  (1)

Telling: gietplaatmethode onder gebruikmaking van chlooramfenicolglucosegistextractagar (EN 15789:2009)

Identificatie: polymerasekettingreactiemethode (PCR)

Minder gangbare herkauwers gehouden voor mestdoeleinden

4 × 109

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor de veiligheid: gebruik van bril en handschoenen tijdens hantering.

17 februari 2026

Minder gangbare herkauwers gehouden voor melkproductie

2 × 109


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium van de Europese Unie voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/74


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/105 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot goedkeuring van bifenyl-2-ol als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 4, 6 en 13

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Bifenyl-2-ol is in die lijst opgenomen.

(2)

Bifenyl-2-ol is beoordeeld voor gebruik in productsoort 1 (menselijke hygiëne), productsoort 2 (desinfecteermiddelen en algiciden die niet rechtstreeks op mens of dier worden gebruikt), productsoort 4 (voeding en diervoeders), productsoort 6 (conserveermiddelen voor producten tijdens opslag) en productsoort 13 (vloeibare conserveringsmiddelen voor bewerking en versnijden), zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Spanje is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft op 2 juni 2014 de beoordelingsrapporten en zijn aanbevelingen ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b) van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 5 februari 2015 en 15 juni 2015 de adviezen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Volgens die adviezen kan van biociden die voor de productsoorten 1, 2, 4, 6 en 13 worden gebruikt en bifenyl-2-ol bevatten, worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 19, lid 1, onder b), van Richtlijn (EU) nr. 528/2012 voldoen, mits bepaalde voorwaarden voor het gebruik ervan in acht worden genomen.

(6)

Bijgevolg moet bifenyl-2-ol worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 4, 6 en 13, mits aan bepaalde specificaties en voorwaarden wordt voldaan.

(7)

Voor het gebruik in productsoort 4 betrof de beoordeling niet de opneming van bifenyl-2-ol bevattende biociden in materialen en voorwerpen die bestemd zijn om rechtstreeks of onrechtstreeks met levensmiddelen in contact te komen in de zin van artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3). Voor dergelijke materialen kan het nodig zijn specifieke grenswaarden voor de migratie in levensmiddelen vast te stellen zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, onder e), van die verordening. De goedkeuring mag daarom geen betrekking hebben op zulk gebruik, tenzij de Commissie dergelijke grenswaarden heeft vastgesteld of krachtens die verordening is vastgesteld dat dergelijke grenswaarden niet nodig zijn.

(8)

Er moet een redelijke termijn verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd, opdat de betrokken partijen de nodige voorbereidende maatregelen kunnen nemen om aan de nieuwe eisen te voldoen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bifenyl-2-ol wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 4, 6 en 13, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Bijzondere voorwaarden

Bifenyl-2-ol

IUPAC-naam:

orthofenylfenol

EG-nummer: 201-993-5

CAS-nr.: 90-43-7

995 g/kg

1 juli 2017

30 juni 2027

1

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

2

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij het gebruik van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

4

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Voor industriële of beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij het gebruik van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

2)

Met het oog op de risico's die zijn vastgesteld in verband met oppervlaktewater, sediment en bodem, worden biociden niet toegelaten voor het desinfecteren op grote schaal, tenzij kan worden aangetoond dat de risico's tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

3)

Voor producten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, moet worden nagegaan of nieuwe, dan wel gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL's) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (3) en moeten de nodige risicobeperkende maatregelen worden genomen om te garanderen dat de geldende MRL's niet worden overschreden.

4)

Producten mogen niet worden opgenomen in materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen in de zin van artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4), tenzij de Commissie grenswaarden betreffende de migratie van bifenyl-2-ol in levensmiddelen heeft vastgesteld of krachtens die verordening is vastgesteld dat dergelijke grenswaarden niet nodig zijn.

6

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Voor industriële of beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij het gebruik van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

2)

Met het oog op de risico's die zijn vastgesteld in verband met het aquatische milieu, worden biociden niet toegelaten voor conservering van was- en reinigingsvloeistoffen en andere detergentia voor beroepsmatig gebruik, tenzij kan worden aangetoond dat de risico's tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

13

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

Voor industriële of beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij het gebruik van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.

(2)  Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11).

(3)  Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4).


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/79


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/106 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

236,2

MA

71,0

TN

116,3

TR

102,2

ZZ

131,4

0707 00 05

MA

86,8

TR

161,0

ZZ

123,9

0709 93 10

MA

50,4

TR

146,2

ZZ

98,3

0805 10 20

EG

50,4

MA

62,1

TN

49,3

TR

65,0

ZZ

56,7

0805 20 10

IL

147,6

MA

83,5

ZZ

115,6

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

129,5

JM

154,6

MA

65,6

TR

82,3

ZZ

108,0

0805 50 10

TR

100,8

ZZ

100,8

0808 10 80

CL

86,9

US

122,2

ZZ

104,6

0808 30 90

CN

94,8

TR

82,0

ZA

84,4

ZZ

87,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/81


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/107 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot niet-goedkeuring van cybutrine als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 (2) van de Commissie is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Cybutrine is in die lijst opgenomen.

(2)

Cybutrine is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 21 (aangroeiwerende middelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, wat overeenstemt met productsoort 21, zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Nederland is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (4) op 7 april 2011 het beoordelingsrapport en zijn aanbevelingen bij de Commissie ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 17 juni 2015 het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Uit dat advies blijkt dat van biociden die voor productsoort 21 worden gebruikt en cybutrine bevatten, niet kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bij de beoordeling van de risico's voor het milieu vertoonden de beoordeelde scenario's onaanvaardbare risico's.

(6)

Bijgevolg mag cybutrine niet worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor productsoort 21.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Cybutrine (EG-nr. 248-872-3, CAS-nr. 28159-98-0) wordt niet goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/83


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/108 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot niet-goedkeuring van 2-butanon, peroxide als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1 en 2

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 (2) van de Commissie is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. 2-butanon, peroxide is opgenomen in die lijst.

(2)

Het Europees Agentschap voor chemische stoffen heeft overeenkomstig artikel 12, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 de Commissie ervan in kennis gesteld dat alle deelnemers zich uit het beoordelingsprogramma van 2-butanon, peroxide voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1 en 2 hebben teruggetrokken.

(3)

2 butanon, peroxide mag bijgevolg niet worden goedgekeurd als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1 en 2.

(4)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

2-butanon, peroxide (EG-nr. 215-661-2, CAS-nr. 1338-23-4) wordt niet goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1 en 2.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/84


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/109 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot niet-goedkeuring van PHMB (1600; 1.8) als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 6 en 9

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. PHMB (1600; 1.8) is in die lijst opgenomen.

(2)

PHMB (1600; 1.8) is beoordeeld voor gebruik in productsoort 1, menselijke hygiëne, productsoort 6, conserveermiddelen voor producten tijdens opslag, en productsoort 9, conserveringsmiddelen voor vezels, leer, rubber en gepolymeriseerde materialen, zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Frankrijk is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft respectievelijk op 5 september 2013, 8 oktober 2013 en 14 februari 2014 de beoordelingsrapporten en zijn aanbevelingen ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 16 en 17 juni 2015 de adviezen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Uit die adviezen blijkt dat van biociden die voor productsoorten 1, 6 en 9 worden gebruikt en PHMB (1600; 1.8) bevatten, niet kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 19, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 528/2012 voldoen. Bij de beoordeling van de risico's voor de menselijke gezondheid en bij de beoordeling van de risico's voor het milieu hebben de beoordeelde scenario's onaanvaardbare risico's voor die productsoorten aangetoond.

(6)

Bijgevolg mag PHMB (1600; 1.8) niet worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 6 en 9.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

PHMB (1600; 1.8) (EG-nr.: n.v.t., CAS-nr. 27083-27-8 en 32289-58-0) wordt niet goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 6 en 9.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).


28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/86


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/110 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2016

tot niet-goedkeuring van triclosan als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 1

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Triclosan is in die lijst opgenomen.

(2)

Triclosan is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 1 (biociden voor menselijke hygiëne), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, wat overeenstemt met productsoort 1, zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Denemarken is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft op 8 april 2013 het beoordelingsrapport en zijn aanbevelingen ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 17 juni 2015 het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Uit dat advies blijkt dat van biociden die voor productsoort 1 worden gebruikt en triclosan bevatten, niet kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bij de beoordeling van de risico's voor het milieu vertoonden de beoordeelde scenario's onaanvaardbare risico's.

(6)

Bijgevolg mag triclosan niet worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor productsoort 1.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Triclosan (EG-nr. 222-182-2, CAS-nr. 3380-34-5) wordt niet goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 1.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).


Rectificaties

28.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 21/88


Rectificatie van Richtlijn 2009/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen op twee- of driewielige motorvoertuigen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 222 van 25 augustus 2009 )

Bladzijde 66, bijlage V, punt 6.12.1:

in plaats van:

„6.12.1.

Aantal: één van de klasse I A (1).”,

lezen:

„6.12.1.

Aantal: twee van de klasse I A (1).”.