ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 3

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
6 januari 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2016/4 van de Commissie van 5 januari 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot essentiële eisen inzake milieubescherming ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) 2016/5 van de Commissie van 5 januari 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft de tenuitvoerlegging van essentiële milieubeschermingseisen ( 1 )

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 van de Commissie van 5 januari 2016 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 ( 1 )

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument ( 1 )

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/8 van de Commissie van 5 januari 2016 tot vaststelling van de technische kenmerken voor de speciale module 2017 over arbeid als zelfstandige ( 1 )

35

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/9 van de Commissie van 5 januari 2016 betreffende het gezamenlijk indienen en het uitwisselen van gegevens overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) ( 1 )

41

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/10 van de Commissie van 5 januari 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

46

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2016/11 van de Commissie van 5 januari 2016 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2002/57/EG van de Raad betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen ( 1 )

48

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/1


VERORDENING (EU) 2016/4 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot essentiële eisen inzake milieubescherming

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 6, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008 bepaalt dat producten, onderdelen en uitrustingsstukken moeten voldoen aan de milieubeschermingseisen die zijn opgenomen in de boekdelen I en II van bijlage 16 bij het Verdrag voor de internationale burgerluchtvaart (hierna „het Verdrag van Chicago” genoemd) zoals van toepassing op 17 november 2011, met uitzondering van de aanhangsels.

(2)

De boekdelen I en II van bijlage 16 bij het Verdrag van Chigaco zijn in 2014 gewijzigd door de invoering van nieuwe geluidsnormen.

(3)

Verordening (EG) nr. 216/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn gebaseerd op het advies dat het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft opgesteld overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder b), en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008 wordt vervangen door:

„1.   Producten, onderdelen en uitrustingsstukken voldoen aan de milieubeschermingseisen van wijziging 11-B van boekdeel I en wijziging 8 van boekdeel II van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago, zoals toepasselijk op 1 januari 2015, met uitzondering van de aanhangsels van bijlage 16.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 79 van 13.3.2008, blz. 1.


6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/3


VERORDENING (EU) 2016/5 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 748/2012 wat betreft de tenuitvoerlegging van essentiële milieubeschermingseisen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 6, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008 bepaalt dat producten, onderdelen en uitrustingsstukken moeten voldoen aan de milieubeschermingseisen van bijlage 16 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (hierna „het Verdrag van Chicago” genoemd) zoals van toepassing op 17 november 2011 wat betreft de boekdelen I en II, met uitzondering van de aanhangsels. Deze eisen zijn in Unierecht omgezet bij Verordening (EU) nr. 748/2012 (2).

(2)

De boekdelen I en II van bijlage 16 bij het Verdrag van Chicago zijn in 2014 gewijzigd door de invoering van nieuwe geluidsnormen.

(3)

Verordening (EU) nr. 748/2012 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn gebaseerd op het advies dat het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft opgesteld overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder b), en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012, komt punt 21.A.18, onder a), als volgt te luiden:

„a)

De toepasselijke geluidseisen voor het afgeven van een typecertificaat voor een luchtvaartuig zijn vastgelegd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1 van bijlage 16, boekdeel I, deel II, van het Verdrag van Chicago en:

1.

voor subsonische straalvliegtuigen, in boekdeel I, deel II, hoofdstukken 2, 3, 4 en 14, naar gelang van toepassing;

2.

voor propellervliegtuigen, in boekdeel I, deel II, hoofdstukken 3, 4, 5, 6, 10 en 14, naar gelang van toepassing;

3.

voor helikopters, in boekdeel I, deel II, hoofdstukken 8 en 11, naar gelang van toepassing;

4.

voor supersonische vliegtuigen, in boekdeel I, deel II, hoofdstuk 12, naar gelang van toepassing. alsmede

5.

voor kantelrotorvliegtuigen, in boekdeel I, deel II, hoofdstuk 13, naar gelang van toepassing.”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 79 van 13.3.2008, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).


6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/6 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 53, lid 1, onder b), ii),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 53 van Verordening (EG) nr. 178/2002 voorziet in de mogelijkheid passende EU-noodmaatregelen vast te stellen voor uit een derde land ingevoerde levensmiddelen en diervoeders om de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu te beschermen, wanneer het risico niet op afdoende wijze kan worden beheerst met de door de afzonderlijke lidstaten getroffen maatregelen.

(2)

Na het ongeval in de kerncentrale van Fukushima op 11 maart 2011 werd de Commissie ervan in kennis gesteld dat de radionuclidegehalten in bepaalde levensmiddelen van oorsprong uit Japan de in Japan geldende actiedrempels voor levensmiddelen overschreden. Een dergelijke besmetting kan een bedreiging voor de gezondheid van mens en dier in de Unie vormen en daarom werd Uitvoeringsverordening (EU) nr. 297/2011 (2) vastgesteld. Die verordening werd vervangen door Uitvoeringsverordening (EU) nr. 961/2011 (3), die vervolgens werd vervangen door Uitvoeringsverordening (EU) nr. 284/2012 (4). Deze laatste werd vervangen door Uitvoeringsverordening (EU) nr. 996/2012 (5), die vervolgens werd vervangen door Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 van de Commissie (6).

(3)

Aangezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 bepaalt dat de in die verordening vervatte maatregelen moeten worden herzien vóór 31 maart 2015 en om rekening te houden met de verdere ontwikkeling van de situatie en de gegevens voor 2014 over de aanwezigheid van radioactiviteit in diervoeders en levensmiddelen, is het aangewezen om Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 in te trekken en een nieuwe verordening vast te stellen.

(4)

De bestaande maatregelen zijn herzien op basis van de meer dan 81 000 gegevens over de aanwezigheid van radioactiviteit in andere diervoeders en levensmiddelen dan rundvlees en van de meer dan 237 000 gegevens over de aanwezigheid van radioactiviteit in rundvlees die door de Japanse autoriteiten werden verstrekt in verband met het vierde groeiseizoen na het ongeval.

(5)

Alcoholhoudende dranken die zijn ingedeeld onder de GN-codes 2203 tot en met 2208 zijn niet langer uitdrukkelijk van het toepassingsgebied uitgesloten, aangezien de eisen wat betreft bemonstering, analyse en verklaring van toepassing zijn op een specifieke lijst diervoeders en levensmiddelen.

(6)

Uit de door de Japanse autoriteiten verstrekte gegevens blijkt dat het niet langer noodzakelijk is om met het oog op de vaststelling van radioactiviteit vóór uitvoer naar de Unie de bemonstering en analyse te eisen van diervoeders en levensmiddelen die van oorsprong zijn uit de prefecturen Aomori en Saitama.

(7)

In het kader van de huidige herziening wordt de eis van bemonstering en analyse vóór uitvoer naar de Unie opgeheven voor diervoeders en levensmiddelen van oorsprong uit de prefectuur Fukushima waarbij gedurende twee opeenvolgende jaren (2013 en 2014) geen gevallen van niet-naleving zijn geconstateerd door de Japanse autoriteiten. Voor de overige diervoeders en levensmiddelen van oorsprong uit die prefectuur is het aangewezen de bestaande eis van bemonstering en analyse vóór uitvoer naar de Unie te handhaven.

(8)

Om de toepassing van deze verordening te vergemakkelijken, moeten de bepalingen van deze verordening zodanig worden geformuleerd dat prefecturen waarvan dezelfde levensmiddelen en diervoeders vóór uitvoer naar de Unie moeten worden bemonsterd en geanalyseerd, worden gegroepeerd.

(9)

Wat de prefecturen Gunma, Ibaraki, Tochigi, Miyagi, Iwate en Chiba betreft, is momenteel bepaald dat paddenstoelen, visserijproducten, rijst, sojabonen, boekweit en bepaalde eetbare wilde planten en de verwerkte en afgeleide producten daarvan vóór uitvoer naar de Unie moeten worden bemonsterd en geanalyseerd. Dezelfde eisen gelden voor samengestelde levensmiddelen die voor meer dan 50 % uit een of meer van die producten bestaan. De gegevens over de aanwezigheid van radioactiviteit voor het vierde groeiseizoen wijzen erop dat voor verschillende van die diervoeders en levensmiddelen niet langer hoeft te worden geëist dat zij vóór uitvoer naar de Unie worden bemonsterd en geanalyseerd.

(10)

Wat de prefecturen Akita, Yamagata en Nagano betreft, is momenteel bepaald dat paddenstoelen, bepaalde eetbare wilde planten en de verwerkte en afgeleide producten daarvan vóór uitvoer naar de Unie moeten worden bemonsterd en geanalyseerd. De gegevens over de aanwezigheid van radioactiviteit voor het vierde groeiseizoen wijzen erop dat voor een van de eetbare wilde planten niet langer hoeft te worden geëist dat deze vóór uitvoer naar de Unie wordt bemonsterd en geanalyseerd. Aangezien er gevallen van niet-naleving zijn geconstateerd bij een eetbare wilde plant, is het anderzijds passend om bemonstering en analyse van die eetbare wilde plant van oorsprong uit die prefecturen te eisen.

(11)

De gegevens over de aanwezigheid van radioactiviteit voor het vierde groeiseizoen wijzen erop dat de eis dat paddenstoelen van oorsprong uit de prefecturen Shizuoka, Yamanashi en Niigata vóór uitvoer naar de Unie worden bemonsterd en geanalyseerd, moet worden gehandhaafd. Aangezien er gevallen van niet-naleving zijn geconstateerd bij een eetbare wilde plant, is het passend om bemonstering en analyse van die eetbare wilde plant van oorsprong uit die prefecturen te eisen.

(12)

Uit de controles bij invoer blijkt dat de speciale voorwaarden waarin de EU-wetgeving voorziet, door de Japanse autoriteiten correct worden toegepast en dat niet-naleving al meer dan drie jaar niet is geconstateerd. Daarom is het passend de lage frequentie van de controles bij invoer te behouden en niet langer te eisen dat de lidstaten de Commissie om de drie maanden via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF) in kennis stellen van alle verkregen analyseresultaten.

(13)

De in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 vermelde overgangsmaatregelen waarin de Japanse wetgeving voorziet, zijn niet langer relevant voor de levensmiddelen en diervoeders die momenteel worden ingevoerd vanuit Japan en moeten daarom niet langer in deze verordening worden vermeld.

(14)

Het is aangewezen een herziening van de bepalingen van deze verordening te verrichten zodra de resultaten van de bemonstering en analyse met het oog op de vaststelling van radioactiviteit in diervoeders en levensmiddelen van het vijfde groeiseizoen (2015) na het ongeval beschikbaar zijn, namelijk tegen 30 juni 2016. De criteria voor de herziening worden bepaald op het moment van de herziening.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op diervoeders en levensmiddelen in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad (7) (hierna „de producten” genoemd), van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan, met uitzondering van:

a)

producten die vóór 11 maart 2011 zijn geoogst en/of verwerkt;

b)

persoonlijke zendingen van diervoeders en levensmiddelen van dierlijke oorsprong die onder artikel 2 van Verordening (EG) nr. 206/2009 van de Commissie (8) vallen;

c)

persoonlijke zendingen van andere diervoeders en levensmiddelen dan die van dierlijke oorsprong die niet-commercieel zijn en bestemd zijn voor een natuurlijk persoon, uitsluitend voor persoonlijke consumptie of gebruik. Bij twijfel ligt de bewijslast bij de ontvanger van de zending.

Artikel 2

Definitie

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „zending” verstaan:

voor producten waarvoor overeenkomstig artikel 5 een bemonstering en analyse is vereist, een hoeveelheid diervoeders of levensmiddelen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen van dezelfde klasse of omschrijving, onder hetzelfde document of dezelfde documenten vallen, met hetzelfde vervoermiddel worden vervoerd en uit dezelfde prefectuur in Japan afkomstig zijn;

voor de andere producten die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, een hoeveelheid diervoeders of levensmiddelen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, onder hetzelfde document of dezelfde documenten vallen, met hetzelfde vervoermiddel worden vervoerd en uit een of meer prefecturen in Japan afkomstig zijn, binnen de beperkingen die zijn vastgesteld bij in artikel 5 vermelde verklaring.

Artikel 3

Invoer in de Unie

Producten mogen slechts in de Unie worden ingevoerd indien zij in overeenstemming zijn met deze verordening.

Artikel 4

Maximale niveaus van cesium-134 en cesium-137

Producten dienen te voldoen aan het maximale niveau voor het totaal van cesium-134 en cesium-137 als vastgesteld in bijlage I.

Artikel 5

Verklaring voor bepaalde producten

1.   Elke zending van paddenstoelen, vis en visserijproducten met uitzondering van jakobsschelpen, rijst, sojabonen, (Japanse) kaki, Japans hoefblad (fuki), Aralia spp., bamboescheuten, adelaarsvaren, Japanse koningsvaren, struisvaren en koshiabura of een afgeleid product daarvan of een samengesteld diervoeder of levensmiddel dat voor meer dan 50 % uit een of meer van dergelijke producten bestaat, van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan, gaat vergezeld van een geldige verklaring, opgesteld en ondertekend overeenkomstig artikel 6.

2.   De in lid 1 bedoelde verklaring bevestigt dat de producten in overeenstemming zijn met de geldende wetgeving in Japan.

3.   De in lid 1 bedoelde verklaring bevestigt voorts dat:

a)

het betrokken product vóór 11 maart 2011 is geoogst en/of verwerkt, of

b)

het product niet van oorsprong is uit en niet is verzonden vanuit een van de in bijlage II (9) vermelde prefecturen waarvoor de bemonstering en analyse van dit product is vereist, of

c)

het product is verzonden vanuit maar niet van oorsprong is uit een van de in bijlage II vermelde prefecturen waarvoor de bemonstering en analyse van dit product is vereist en tijdens de doorvoer niet aan radioactiviteit werd blootgesteld, of

d)

het product van oorsprong is uit een van de in bijlage II opgenomen prefecturen waarvoor de bemonstering en analyse van dit product is vereist en vergezeld gaat van een analyserapport met de resultaten van de bemonstering en analyse, of

e)

wanneer de oorsprong van het product of van de ingrediënten ervan voor meer dan 50 % onbekend is, het product vergezeld gaat van een analyserapport met de resultaten van de bemonstering en analyse.

4.   Vis en visserijproducten die in de kustwateren van de prefecturen Fukushima, Gunma, Ibaraki, Tochigi, Miyagi, Chiba of Iwate zijn gevangen of geoogst, gaan vergezeld van een verklaring zoals bedoeld in lid 1 en van een analyserapport met de resultaten van de bemonstering en analyse, ongeacht waar deze producten aan land zijn gebracht.

Artikel 6

Opstelling en ondertekening van de verklaring

1.   De in artikel 5 bedoelde verklaring wordt opgesteld volgens het model in bijlage III.

2.   Voor de in de artikel 5, lid 3, onder a), b) en c), bedoelde producten wordt de verklaring ondertekend door een gemachtigd vertegenwoordiger van de bevoegde Japanse autoriteit of onder het gezag en toezicht van de bevoegde Japanse autoriteit door een gemachtigde vertegenwoordiger van een door de bevoegde Japanse autoriteit gemachtigde instantie.

3.   Voor de in artikel 5, lid 3, onder d) en e), en in artikel 5, lid 4, bedoelde producten wordt de verklaring ondertekend door een daartoe gemachtigde vertegenwoordiger van de bevoegde Japanse autoriteit en gaat zij vergezeld van een analyseverslag dat de resultaten van de bemonstering en de analyse bevat.

Artikel 7

Identificatie

Elke zending van in artikel 5, lid 1, bedoelde producten wordt gekenmerkt met een code die wordt vermeld in de in artikel 5 bedoelde verklaring, in het in artikel 6, lid 3, bedoelde analyserapport, in het in artikel 9, lid 2, bedoelde gemeenschappelijk document van binnenkomst of gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst, en in het gezondheidscertificaat die de zending vergezellen.

Artikel 8

Grensinspectieposten en aangewezen punt van binnenkomst

1.   Zendingen van de in artikel 5, lid 1, bedoelde producten worden in de Unie binnengebracht via een aangewezen punt van binnenkomst in de zin van artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie (10) (hierna het „aangewezen punt van binnenkomst” genoemd).

2.   Lid 1 is niet van toepassing op zendingen van in artikel 5, lid 1, bedoelde producten die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 97/78/EG van de Raad (11) vallen. Die zendingen worden in de Unie binnengebracht via een grensinspectiepost in de zin van artikel 2, lid 2, onder g), van die richtlijn.

Artikel 9

Voorafgaande kennisgeving

1.   Diervoeder- en levensmiddelenbedrijven of hun vertegenwoordigers doen voorafgaandelijk kennisgeving van de aankomst van elke zending van de in artikel 5, lid 1, bedoelde producten.

2.   Met het oog op voorafgaande kennisgeving vullen levensmiddelen- en diervoederbedrijven of hun vertegenwoordigers:

a)

voor producten van niet-dierlijke oorsprong: deel I in van het gemeenschappelijk document van binnenkomst (GDB), als bedoeld in artikel 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 669/2009, rekening houdend met de in bijlage II bij die verordening vastgestelde richtsnoeren voor het gebruik van het GDB; voor de toepassing van deze verordening kan vak I.13 van het GDB meer dan één goederencode bevatten.

b)

voor vis en visserijproducten: het in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie (12) opgenomen gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst (GDB) in.

Het desbetreffende document moet ten minste twee werkdagen voor de fysieke aankomst van de zending naar de bevoegde autoriteit op het aangewezen punt van binnenkomst of de grensinspectiepost worden gezonden.

Artikel 10

Officiële controles

1.   De bevoegde autoriteiten op de grensinspectiepost of het aangewezen punt van binnenkomst verrichten de volgende controles op de in artikel 5, lid 1, bedoelde producten:

a)

documentencontroles op alle zendingen;

b)

steekproefsgewijze identiteits- en fysieke controles, met inbegrip van een laboratoriumanalyse, op de aanwezigheid van cesium-134 en cesium-137. De analyseresultaten moeten binnen ten hoogste vijf werkdagen beschikbaar zijn.

2.   Indien uit de resultaten van de laboratoriumanalyse blijkt dat de garanties die in de in artikel 5 bedoelde verklaring worden gegeven, onjuist zijn, wordt de verklaring als ongeldig beschouwd en is de zending van diervoeders en levensmiddelen niet in overeenstemming met deze verordening.

Artikel 11

Kosten

Alle kosten in verband met de in artikel 10 bedoelde officiële controles en eventuele maatregelen in het geval van niet-naleving komen ten laste van de exploitanten van de diervoeder- of levensmiddelenbedrijven.

Artikel 12

In het vrije verkeer brengen

1.   Het in het vrije verkeer brengen van elke zending van in artikel 5, lid 1, bedoelde producten is afhankelijk van de overlegging (fysiek of met elektronische middelen) door de exploitant van het diervoeder- of levensmiddelenbedrijf of zijn vertegenwoordiger aan de douaneautoriteiten van een GDB dat door de bevoegde autoriteit naar behoren is ingevuld zodra alle officiële controles zijn uitgevoerd. De douaneautoriteiten staan het in het vrije verkeer brengen van de zending pas toe als in vak II.14 van het GDB is vermeld dat de bevoegde autoriteit een positief besluit heeft genomen en in vak II.21 van het GDB een handtekening is geplaatst.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op zendingen van in artikel 5, lid 1, bedoelde producten die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 97/78/EG vallen. Het in het vrije verkeer brengen van die zendingen is afhankelijk van Verordening (EG) nr. 136/2004.

Artikel 13

Niet-conforme producten

Producten die niet in overeenstemming zijn met deze verordening worden niet in de handel gebracht. Deze producten worden veilig verwijderd of naar Japan teruggestuurd.

Artikel 14

Herziening

Deze verordening wordt herzien vóór 30 juni 2016.

Artikel 15

Intrekking

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 wordt ingetrokken.

Artikel 16

Overgangsmaatregel

In afwijking van artikel 3 mogen producten onder de volgende voorwaarden in de Unie worden ingevoerd:

a)

zij voldoen aan Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014, en

b)

zij hebben Japan vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening verlaten of zij hebben Japan na de inwerkingtreding van deze verordening maar vóór 1 februari 2016 verlaten en zij gaan vergezeld van een verklaring overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 die werd afgegeven vóór de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 297/2011 van de Commissie van 25 maart 2011 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima (PB L 80 van 26.3.2011, blz. 5).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 961/2011 van de Commissie van 27 september 2011 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 297/2011 (PB L 252 van 28.9.2011, blz. 10).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 284/2012 van de Commissie van 29 maart 2012 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 961/2011 (PB L 92 van 30.3.2012, blz. 16).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 996/2012 van de Commissie van 26 oktober 2012 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 284/2012 (PB L 299 van 27.10.2012, blz. 31).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 322/2014 van de Commissie van 28 maart 2014 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima (PB L 95 van 29.3.2014, blz. 1).

(7)  Verordening (Euratom) nr. 3954/87 van de Raad van 22 december 1987 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar (PB L 371 van 30.12.1987, blz. 11).

(8)  Verordening (EG) nr. 206/2009 van de Commissie van 5 maart 2009 betreffende het binnenbrengen in de Gemeenschap van persoonlijke zendingen producten van dierlijke oorsprong en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 136/2004 (PB L 77 van 24.3.2009, blz. 1).

(9)  De lijst van producten in bijlage II laat de vereisten onverlet van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong en tot wijziging van Beschikking 2006/504/EG (PB L 194 van 25.7.2009, blz. 11).

(11)  Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9).

(12)  Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie van 22 januari 2004 tot vaststelling van procedures voor de veterinaire controles in de grensinspectieposten van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van producten uit derde landen (PB L 21 van 28.1.2004, blz. 11).


BIJLAGE I

Maximale niveaus voor levensmiddelen  (1) (Bq/kg) zoals vastgesteld in de Japanse wetgeving

 

Levensmiddelen voor zuigelingen en peuters

Melk en dranken op basis van melk

Mineraalwater en soortgelijke dranken en thee bereid uit ongefermenteerde bladeren

Andere levensmiddelen

Totaal cesium-134 en cesium-137

50 (2)

50 (2)

10 (2)

100 (2)


Maximale niveaus voor diervoeders  (3) (Bq/kg) zoals vastgesteld in de Japanse wetgeving

 

Diervoeders bestemd voor runderen en paarden

Diervoeders bestemd voor varkens

Diervoeders bestemd voor pluimvee

Diervoeders bestemd voor vissen (5)

Totaal cesium-134 en cesium-137

100 (4)

80 (4)

160 (4)

40 (4)


(1)  Voor gedroogde producten die bestemd zijn voor consumptie in gereconstitueerde staat, geldt het maximale niveau voor het gereconstitueerde gebruiksklare product.

Voor gedroogde paddenstoelen geldt een reconstitutiefactor 5.

Voor thee geldt het maximale niveau voor het uit ongefermenteerde theebladeren bereide aftreksel. De verwerkingsfactor voor gedroogde thee is 50; bijgevolg biedt een maximaal niveau van 500 Bq/kg voor gedroogde theebladeren de garantie dat het niveau in de bereide thee het maximale niveau van 10 Bq/kg niet overschrijdt.

(2)  Om te zorgen voor consistentie met de huidige in Japan toegepaste maximale niveaus, vervangen deze waarden voorlopig de in Verordening (Euratom) nr. 3954/87 vastgestelde niveaus.

(3)  Maximaal niveau voor diervoeder met een vochtgehalte van 12 %.

(4)  Om te zorgen voor consistentie met de huidige in Japan toegepaste maximale niveaus, vervangen deze waarden voorlopig de niveaus die zijn vastgesteld bij Verordening (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie van 29 maart 1990 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar (PB L 83 van 30.3.1990, blz. 78).

(5)  Met uitzondering van voer voor siervissen.


BIJLAGE II

Diervoeders en levensmiddelen waarvoor een bemonstering en analyse op de aanwezigheid van cesium-134 en cesium-137 vóór uitvoer naar de Unie is vereist

a)

producten van oorsprong uit de prefectuur Fukushima:

paddenstoelen en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 51, 0709 59, 0710 80 61, 0710 80 69, 0711 51 00, 0711 59, 0712 31, 0712 32, 0712 33, 0712 39, 2003 10, 2003 90 en 2005 99 80,

vis en visserijproducten van de GN-codes 0302, 0303, 0304, 0305, 0306, 0307, 0308, 1504 10, 1504 20, 1604 en 1605 met uitzondering van jakobsschelpen van de GN-codes 0307 21, 0307 29 en 1605 52 00,

rijst en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 1006, 1102 90 50, 1103 19 50, 1103 20 50, 1104 19 91, 1104 19 99, 1104 29 17, 1104 29 30, 1104 29 59, 1104 29 89, 1104 30 90, 1901, 1904 10 30, 1904 20 95, 1904 90 10 en 1905 90,

sojabonen en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 1201 90, 1208 10 en 1507,

Japans hoefblad (fuki) (Petasites japonicus) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

Aralia spp. en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

bamboescheuten (Phyllostachys pubescens) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90, 0712 90, 2004 90 en 2005 91,

adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

koshiabura (scheut van Eleutherococcus sciadophylloides) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

Japanse koningsvaren (Osmunda japonica) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

struisvaren (Matteuccia struthiopteris) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

(Japanse) kaki (Diospyros sp.) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0810 70 00, 0810 90, 0811 90, 0812 90 en 0813 50;

b)

Producten van oorsprong uit de prefecturen Gunma, Ibaraki, Tochigi, Miyagi, Chiba of Iwate:

paddenstoelen en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 51, 0709 59, 0710 80 61, 0710 80 69, 0711 51 00, 0711 59, 0712 31, 0712 32, 0712 33, 0712 39, 2003 10, 2003 90 en 2005 99 80,

vis en visserijproducten van de GN-codes 0302, 0303, 0304, 0305, 0306, 0307, 0308, 1504 10, 1504 20, 1604 en 1605 met uitzondering van jakobsschelpen van de GN-codes 0307 21, 0307 29 en 1605 52 00,

Aralia spp. en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

bamboescheuten (Phyllostachys pubescens) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90, 0712 90, 2004 90 en 2005 91,

adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

Japanse koningsvaren (Osmunda japonica) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

koshiabura (scheut van Eleutherococcus sciadophylloides) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

struisvaren (Matteuccia struthiopteris) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90;

c)

Producten van oorsprong uit de prefecturen Akita, Yamagata of Nagano:

paddenstoelen en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 51, 0709 59, 0710 80 61, 0710 80 69, 0711 51 00, 0711 59, 0712 31, 0712 32, 0712 33, 0712 39, 2003 10, 2003 90 en 2005 99 80,

Aralia spp. en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

bamboescheuten (Phyllostachys pubescens) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90, 0712 90, 2004 90 en 2005 91,

Japanse koningsvaren (Osmunda japonica) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90,

koshiabura (scheut van Eleutherococcus sciadophylloides) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90;

d)

Producten van oorsprong uit de prefecturen Yamanashi, Shizuoka of Niigata:

paddenstoelen en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 51, 0709 59, 0710 80 61, 0710 80 69, 0711 51 00, 0711 59, 0712 31, 0712 32, 0712 33, 0712 39, 2003 10, 2003 90 en 2005 99 80,

koshiabura (scheut van Eleutherococcus sciadophylloides) en afgeleide producten daarvan van de GN-codes 0709 99, 0710 80, 0711 90 en 0712 90;

e)

Samengestelde producten die voor meer dan 50 % uit een of meer van de in deze bijlage onder a) tot en met d), bedoelde producten bestaan.


BIJLAGE III

Verklaring inzake de invoer in de Unie van

…(product en land van oorsprong)

Codenummer van de chargeNummer verklaring

Ingevolge Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 van de Commissie tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan in verband met het ongeval in de kerncentrale van Fukushima, VERKLAART

(de in artikel 6, lid 2 of 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 bedoelde gemachtigde vertegenwoordiger):

dat de … …(producten als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6) van deze zending bestaande uit: … …(beschrijving van zending, product, aantal en soort verpakkingen, bruto- of nettogewicht) ingeladen te …(plaats van inlading) op …(datum van inlading) door …(gegevens van de vervoerder) met bestemming …(plaats en land van bestemming) afkomstig van bedrijf … …(naam en adres van het bedrijf)

in overeenstemming is met de geldende wetgeving in Japan met betrekking tot de maximale niveaus voor het totaal van cesium-134 en cesium-137;

dat de zending de volgende producten bevat:

paddenstoelen, vis en visserijproducten, rijst, sojabonen, (Japanse) kaki, Japans hoefblad (fuki), Aralia spp., bamboescheuten, adelaarsvaren, Japanse koningsvaren, struisvaren of koshiabura, of een afgeleid product daarvan of een samengesteld diervoeder of levensmiddel dat voor meer dan 50 % uit een of meer van dergelijke producten bestaat, die zijn geoogst en/of verwerkt vóór 11 maart 2011;

paddenstoelen, vis en visserijproducten, rijst, sojabonen, (Japanse) kaki, Japans hoefblad (fuki), Aralia spp., bamboescheuten, adelaarsvaren, Japanse koningsvaren, struisvaren of koshiabura, of een afgeleid product daarvan, of een samengesteld diervoeder of levensmiddel dat voor meer dan 50 % uit een of meer van dergelijke producten bestaat, die niet van oorsprong zijn uit en niet verzonden zijn vanuit een van de in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 opgenomen prefecturen waarvoor een bemonstering en analyse van dit product is vereist;

paddenstoelen, vis en visserijproducten, rijst, sojabonen, (Japanse) kaki, Japans hoefblad (fuki), Aralia spp., bamboescheuten, adelaarsvaren, Japanse koningsvaren, struisvaren of koshiabura, of een afgeleid product daarvan, of een samengesteld diervoeder of levensmiddel dat voor meer dan 50 % uit een of meer van dergelijke producten bestaat, die verzonden zijn maar niet van oorsprong zijn uit een van de in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 opgenomen prefecturen waarvoor een bemonstering en analyse van dit product is vereist en die tijdens de doorvoer niet aan radioactiviteit werden blootgesteld;

paddenstoelen, vis en visserijproducten, rijst, sojabonen, (Japanse) kaki, Japans hoefblad (fuki), Aralia spp., bamboescheuten, adelaarsvaren, Japanse koningsvaren, struisvaren of koshiabura, of een afgeleid product daarvan, of een samengesteld diervoeder of levensmiddel dat voor meer dan 50 % uit een of meer van dergelijke producten bestaat, die van oorsprong zijn uit een van de in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 opgenomen prefecturen waarvoor een bemonstering en analyse van dit product is vereist en die zijn bemonsterd op …(datum), en aan laboratoriumanalysen zijn onderworpen op …(datum) in …(naam van het laboratorium) om het niveau van de radionucliden cesium-134 en cesium-137 te bepalen. Het analyserapport is bijgevoegd;

paddenstoelen, vis en visserijproducten, rijst, sojabonen, (Japanse) kaki, Japans hoefblad (fuki), Aralia spp., bamboescheuten, adelaarsvaren, Japanse koningsvaren, struisvaren of koshiabura, van onbekende oorsprong, of een afgeleid product daarvan, of een samengesteld diervoeder of levensmiddel dat voor meer dan 50 % dergelijke producten bevat als ingrediënt(en) van onbekende oorsprong, die zijn bemonsterd op …(datum) en aan laboratoriumanalysen zijn onderworpen op …(datum) in …(naam van het laboratorium), om het niveau van de radionucliden cesium-134 en cesium-137 te bepalen. Het analyserapport is bijgevoegd.

Gedaan te …op …

Stempel en handtekening van de in artikel 6, lid 2 of 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/6 bedoelde gemachtigde vertegenwoordiger


6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/7 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (1) en met name artikel 59, lid 2, en gezien Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (2) en met name artikel 80, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een van de belangrijkste doelstellingen van de Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU is het verlichten van de administratieve lasten van aanbestedende diensten, aanbestedende entiteiten en ondernemers, waaronder niet in de laatste plaats de kleine en middelgrote ondernemingen. In dat kader is het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) van groot belang. Het standaardformulier voor het UEA dient dan ook zodanig te worden opgesteld dat het niet meer nodig is om een groot aantal certificaten of andere documenten in verband met uitsluitings- en selectiecriteria over te leggen. Daartoe dient het standaardformulier ook de relevante informatie te bevatten over de entiteiten op de draagkracht waarvan de ondernemer een beroep doet, zodat die informatie samen met en onder dezelfde voorwaarden als de informatie betreffende de hoofdondernemer kan worden gecontroleerd.

(2)

Het UEA moet ook beschikbaar zijn voor gebruik door aanbestedende entiteiten waarop Richtlijn 2014/25/EU van toepassing is en die de uitsluitings- en selectiecriteria waarin Richtlijn 2014/24/EU voorziet, op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden moeten toepassen als de aanbestedende instanties.

(3)

Teneinde de administratieve lasten voor de aanbestedende diensten en entiteiten te vermijden en mogelijk tegenstrijdige aanwijzingen in de verschillende aanbestedingsstukken te voorkomen, moet door de aanbestedende instanties en entiteiten vooraf in de oproep tot mededinging of door middel van verwijzingen daarin naar andere delen van de aanbestedingsstukken, welke de ondernemers in ieder geval met het oog op hun deelneming en mogelijke indiening van inschrijvingen zorgvuldig moeten onderzoeken, duidelijk worden aangegeven welke gegevens de ondernemers in de UEA moeten verstrekken.

(4)

Het UEA dient de taken van de ondernemers en aanbestedende diensten en entiteiten ook verder te vereenvoudigen: één Europees standaardformulier kan de verschillende, uiteenlopende nationale eigen verklaringen vervangen. De problemen in verband met de precieze formulering van officiële verklaringen en verklaringen van instemming alsook taalproblemen zouden hierdoor moeten afnemen, aangezien het standaardformulier in alle officiële talen beschikbaar zal zijn. Zo dient het UEA grensoverschrijdende deelname aan aanbestedingsprocedures te bevorderen.

(5)

Gegevensverwerking en -uitwisseling in verband met het UEA dient in overeenstemming te zijn met de nationale voorschriften waarmee uitvoering wordt gegeven aan Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), en met name de nationale voorschriften inzake de verwerking van gegevens betreffende overtredingen, strafrechtelijke veroordelingen of veiligheidsmaatregelen krachtens artikel 8, lid 5, van voornoemde richtlijn.

(6)

Er zij aan herinnerd dat de Commissie de resultaten evalueert van het gebruik van het UEA, daarbij rekening houdend met de technische ontwikkeling van databanken in de lidstaten en het verslag dat het Europees Parlement en de Raad daarover uiterlijk op 18 april 2017 zullen opstellen. Daarbij kan de Commissie ook rekening houden met eventuele suggesties ter verbetering van de doelmatigheid van het UEA met het oog op de vergroting van de mogelijkheden voor grensoverschrijdende deelneming aan overheidsopdrachten, niet in de laatste plaats voor kmo's, of eventuele vereenvoudigingen binnen het kader van Richtlijn 2014/24/EU; ook kan de Commissie aandacht schenken aan eventuele kwesties in verband met de praktijk waarbij systematisch van alle deelnemers in een bepaalde aanbestedingsprocedure certificaten of andere vormen van bewijsstukken worden verlangd of de praktijk waarbij op discriminerende wijze wordt bepaald van welke ondernemers dergelijke documentatie wordt verlangd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Met ingang van het moment waarop de nationale maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2014/24/EU van kracht worden, en uiterlijk met ingang van 18 april 2016 wordt het in bijlage 2 bij deze verordening opgenomen standaardformulier gebruikt voor het opstellen van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument als bedoeld in artikel 59 van Richtlijn 2014/24/EU. De instructies voor het gebruik van het UEA zijn vermeld in bijlage 1 bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.

(2)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.

(3)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).


BIJLAGE 1

Gebruiksaanwijzing

Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) is een eigen verklaring waarmee ondernemers voorlopig bewijs overleggen ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven certificaten. Zoals bepaald in artikel 59 van Richtlijn 2014/24/EU is het een formele verklaring van de ondernemer dat hij zich niet bevindt in een van de situaties waardoor ondernemers kunnen of moeten worden uitgesloten en dat hij voldoet aan de toepasselijke selectiecriteria en, indien van toepassing, aan de objectieve regels en criteria als vastgesteld met het oog op de beperking van het aantal in andere opzichten gekwalificeerde gegadigden dat wordt uitgenodigd tot deelneming. Het is de bedoeling dat het UEA de administratieve lasten zal beperken die voortvloeien uit het voorschrift om een aanzienlijk aantal certificaten of andere documenten die betrekking hebben op de uitsluitings- en selectiecriteria over te leggen.

Om het invullen van het UEA voor ondernemers te vereenvoudigen, kunnen lidstaten richtsnoeren aanreiken inzake het gebruik van het UEA, bijvoorbeeld door uit te leggen welke bepalingen van nationaal recht relevant zijn met betrekking tot deel III, afdeling A (1), door toe te lichten dat officiële lijsten van erkende ondernemingen of gelijkwaardige certificaten in een bepaalde lidstaat niet vastgesteld of afgegeven worden, of door aan te geven welke referenties en informatie moeten worden verstrekt teneinde de aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten in staat te stellen een bepaald certificaat elektronisch op te zoeken.

Wanneer de aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten de aanbestedingsstukken voor een bepaalde aanbestedingsprocedure voorbereiden, moeten zij in de oproep tot mededinging, in de in die oproep bedoelde aanbestedingsstukken of in de uitnodiging tot bevestiging van belangstelling aangeven welke informatie zij van de ondernemers zullen vragen, en daarbij ook expliciet verklaren of de in de delen II en III bedoelde informatie (2) al dan niet moet worden verstrekt met betrekking tot onderaannemers op wier draagkracht de ondernemer geen beroep doet (3). Zij kunnen het de ondernemer ook gemakkelijker maken door deze informatie direct op te nemen in een elektronische versie van het UEA, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de UEA-dienst (https://webgate.acceptance.ec.europa.eu/growth/tools-databases/ecertis2/resources/espd/index.html (4)) die de diensten van de Commissie gratis beschikbaar zullen stellen aan aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten, ondernemers, aanbieders van elektronische diensten en andere belanghebbenden.

Inschrijvingen in het kader van openbare procedures, verzoeken om deelname aan niet-openbare procedures, mededingingsprocedures met onderhandeling, concurrentiegerichte dialogen en innovatiepartnerschappen moeten vergezeld gaan van het UEA. Door dit in te vullen, geven ondernemers de vereiste informatie op (5). Behalve voor bepaalde opdrachten die zijn gebaseerd op raamovereenkomsten, dient de inschrijver aan wie de aanbestedende dienst van plan is de opdracht te gunnen, geactualiseerde certificaten en ondersteunende documenten over te leggen.

Lidstaten kunnen zelf bepalen of het aan de aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten overlaten om te bepalen of het UEA ook wordt gebruikt als een onderdeel van aanbestedingsprocedures die niet of niet volledig onder de gedetailleerde procedureregels van de Richtlijnen 2014/24/EU of 2014/25/EU vallen, bijvoorbeeld waar het gaat om aanbestedingen die onder de van toepassing zijnde drempels blijven of aanbestedingen waarvoor de bijzondere regels gelden die van toepassing zijn op maatschappelijke en andere specifieke diensten (de „lichte regeling”) (6). Zo ook kunnen lidstaten zelf bepalen of het aan de aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten overlaten om te bepalen of het UEA ook moet worden gebruikt bij de plaatsing van concessieovereenkomsten, ongeacht of daarop de bepalingen van Richtlijn 2014/23/EU van toepassing zijn (7).

De aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit kan inschrijvers op ieder moment van de procedure verzoeken de vereiste certificaten en ondersteunende documenten geheel of gedeeltelijk in te dienen wanneer dit noodzakelijk is om het goede verloop van de procedure te waarborgen.

Ondernemers kunnen van de aanbestedingsprocedure worden uitgesloten of volgens nationaal recht worden vervolgd, indien zij zich in ernstige mate schuldig hebben gemaakt aan valse verklaringen bij het invullen van het UEA of, in het algemeen, bij het verstrekken van de informatie die nodig is om te controleren of er geen gronden voor uitsluiting zijn dan wel of aan de selectiecriteria wordt voldaan, of indien zij die informatie hebben achtergehouden, of niet in staat zijn de ondersteunende documenten over te leggen.

Ondernemers kunnen de informatie die is verstrekt in een reeds in een vorige aanbestedingsprocedure gebruikt UEA opnieuw gebruiken, mits de informatie nog steeds correct is en relevant blijft. De eenvoudigste manier om dat te doen is door de informatie in het nieuwe UEA op te nemen door middel van de passende functionaliteiten die de bovengenoemde elektronische UEA-dienst daartoe aanbiedt. Uiteraard is het ook mogelijk om informatie opnieuw te gebruiken door middel van andere vormen van copy-paste van informatie, bijvoorbeeld informatie die is opgeslagen op de IT-apparatuur van de ondernemer (PC, tablet, server …).

Overeenkomstig artikel 59, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU, wordt het UEA uitsluitend in elektronische vorm verstrekt; hiervan mag echter tot uiterlijk 18 april 2018 worden afgeweken (8). Dit betekent dat tot uiterlijk 18 april 2018 zowel de volledig elektronische versie als de papieren versie van het UEA mag worden gebruikt. De hiervoor genoemde UEA-dienst stelt ondernemers in staat om hun UEA in alle gevallen elektronisch in te vullen, en aldus optimaal gebruik te maken van de geboden faciliteiten (niet in de laatste plaats de mogelijkheid informatie opnieuw te gebruiken). Ten behoeve van aanbestedingsprocedures waarin het gebruik van elektronische communicatiemiddelen is uitgesteld (hetgeen ook mogelijk is tot uiterlijk 18 april 2018) kunnen ondernemers met behulp van de UEA-dienst hun elektronisch ingevulde UEA printen en dit papieren document vervolgens via niet-elektronische communicatiemiddelen indienen bij de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit (9).

Zoals hiervoor opgemerkt, bestaat het UEA uit een formele verklaring van de ondernemer dat de betrokken gronden tot uitsluiting niet van toepassing zijn, dat aan de relevante selectiecriteria wordt voldaan en dat de ondernemer de relevante informatie zal verstrekken die door de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit wordt gevraagd.

Wanneer aanbestedingen in percelen zijn verdeeld en de selectiecriteria (10) van perceel tot perceel verschillen, moet voor elk perceel (of elke groep percelen waarvoor dezelfde selectiecriteria gelden) een UEA worden ingevuld.

Voorts vermeldt het UEA welke overheidsinstantie of derde verantwoordelijk is voor het vaststellen van de ondersteunende documenten (11) en bevat het een formele verklaring dat de ondernemer die ondersteunende stukken op verzoek onverwijld kan verstrekken.

Aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten kunnen ervoor kiezen of er door de lidstaten toe worden verplicht (12) de vereiste informatie over de selectiecriteria te beperken tot de vraag of de ondernemer al dan niet aan alle voorgeschreven selectiecriteria voldoet. Hoewel vervolgens om aanvullende informatie en/of stukken kan worden verzocht, moet worden vermeden dat de ondernemers buitensporige administratieve lasten worden opgelegd door alle deelnemers in een bepaalde aanbestedingsprocedure systematisch om certificaten of andere soorten bewijsstukken te verzoeken of door praktijken waarbij op discriminerende wijze wordt vastgesteld van welke ondernemers dergelijke stukken worden verlangd.

De verplichting voor de aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten om de betrokken documentatie rechtstreeks te verkrijgen door in elke lidstaat een gratis toegankelijke nationale databank te raadplegen, geldt ook wanneer de informatie inzake de selectiecriteria waarom aanvankelijk is verzocht, beperkt is tot een ja-of-neenantwoord. Wanneer dergelijke elektronische documentatie is vereist, zullen ondernemers derhalve de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit de informatie die nodig is om de betrokken documentatie te verkrijgen, verstrekken wanneer de selectiecriteria worden gecontroleerd, in plaats van dit rechtstreeks in het UEA te doen.

Wanneer de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit elektronisch toegang heeft tot een uittreksel uit het desbetreffende register, bijvoorbeeld het strafregister, kan de ondernemer vermelden waar de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit deze gegevens kan terugvinden (bv. de naam van de databank, een internetadres of de aanduiding van het bestand of het register). Door deze gegevens te vermelden, stemt de ondernemer ermee in dat de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit de relevante stukken opzoekt, met inachtneming van de nationale regels tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG  (13) betreffende de verwerking van persoonsgegevens, en met name de stukken inzake bijzondere categorieën gegevens, zoals die over overtredingen, strafrechtelijke veroordelingen of veiligheidsmaatregelen.

Overeenkomstig artikel 64 van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad kunnen ondernemers die ingeschreven zijn op een officiële lijst van erkende ondernemingen of over een relevante certificering door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen beschikken, met betrekking tot de in de delen III tot en met V vereiste gegevens bij de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit het door de bevoegde autoriteit afgegeven bewijs van inschrijving of het door de bevoegde certificeringsinstelling afgegeven certificaat indienen.

Een ondernemer die zelfstandig deelneemt en zich niet beroept op de draagkracht van andere entiteiten om aan de selectiecriteria te voldoen, moet één UEA invullen.

Een ondernemer die zelfstandig deelneemt, maar zich beroept op de draagkracht van één of meer andere entiteiten, moet ervoor zorgen dat de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit zijn eigen UEA samen met een afzonderlijk UEA met de relevante informatie (14) voor elk van de entiteiten waarop hij steunt, ontvangt.

Ten slotte moet, als combinaties van ondernemers — waaronder tijdelijke samenwerkingsverbanden — samen deelnemen aan een aanbestedingsprocedure, voor elk van de deelnemende ondernemers een afzonderlijk UEA worden ingediend met daarin de in de delen II tot en met V gevraagde gegevens.

In alle gevallen waarin meer dan één persoon lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een ondernemer of daarin vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft, moeten wellicht alle betrokkenen hetzelfde UEA ondertekenen, al naar gelang de nationale regels, waaronder de regels inzake gegevensbescherming.

Met betrekking tot de ondertekening van het UEA zij erop gewezen dat een handtekening op het UEA wellicht niet nodig is wanneer het UEA wordt ingediend als onderdeel van een reeks stukken waarvan de authenticiteit en integriteit gewaarborgd zijn door de voorgeschreven ondertekening van het transmissiemiddel (15).

Voor aanbestedingsprocedures waarvoor in het Publicatieblad van de Europese Unie een oproep tot mededinging is bekendgemaakt, worden de in deel I gevraagde gegevens automatisch opgezocht, mits voor het aanmaken en invullen van het UEA gebruik is gemaakt van de hiervoor genoemde elektronische UEA-dienst.
Wanneer er geen oproep tot mededinging is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie , moet de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit de gegevens invullen op basis waarvan de aanbestedingsprocedure ondubbelzinnig kan worden vastgesteld. Alle overige gegevens in alle afdelingen van het UEA moeten door de ondernemer worden ingevuld.

Het UEA bestaat uit de volgende delen en afdelingen:

Deel I. Gegevens over de aanbestedingsprocedure en de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit

Deel II. Gegevens over de ondernemer

Deel III. Uitsluitingscriteria:

A: Gronden die verband houden met strafrechtelijke veroordelingen (krachtens artikel 57, lid 1, van Richtlijn 2014/24/EU is de toepassing van deze gronden verplicht. De toepassing daarvan is voor de aanbestedende diensten ook verplicht op grond van artikel 80, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 2014/25/EU, terwijl andere aanbestedende entiteiten dan aanbestedende diensten ertoe kunnen besluiten om deze uitsluitingsgronden toe te passen).

B: Gronden die verband houden met de betaling van belastingen of sociale premies (krachtens artikel 57, lid 2, van Richtlijn 2014/24/EU is de toepassing van deze gronden verplicht in geval van een onherroepelijke en bindende beslissing. Onder dezelfde voorwaarden is de toepassing daarvan voor de aanbestedende diensten ook verplicht op grond van artikel 80, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 2014/25/EU, terwijl andere aanbestedende entiteiten dan aanbestedende diensten ertoe kunnen besluiten om deze uitsluitingsgronden toe te passen. Overigens kan uitsluiting op grond van de nationale wetgeving van bepaalde lidstaten ook verplicht zijn als de beslissing niet onherroepelijk en bindend is.

C: Gronden met betrekking tot insolventie, belangenconflicten of beroepsfouten (zie artikel 57, lid 4, van Richtlijn 2014/24/EU) (gevallen waarin ondernemers uitgesloten kunnen worden; aanbestedende diensten kunnen door hun lidstaten worden verplicht om deze uitsluitingsgronden toe te passen. Op grond van artikel 80, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU kunnen alle aanbestedende entiteiten, ongeacht of het om aanbestedende diensten gaat, besluiten om deze uitsluitingsgronden toe te passen of door hun lidstaat gevraagd worden dit te doen).

D: Andere uitsluitingsgronden waarin de nationale wetgeving van de lidstaat van de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit kan voorzien.

Deel IV. Selectiecriteria  (16):

α: Globale indicatie van alle selectiecriteria

A: Geschiktheid

B: Economische en financiële draagkracht

C: Technische en beroepsbekwaamheid.

D: Kwaliteitsborgingsregelingen en normen inzake milieubeheer  (17)  (18)

Deel V. Beperking van het aantal gekwalificeerde gegadigden  (19)

Afdeling VI. Slotopmerkingen


(1)  Er kan bijvoorbeeld worden uitgelegd dat ondernemers die op grond van de artikelen x, y en z van het nationale wetboek van strafrecht zijn veroordeeld, dit moeten vermelden wanneer zij gegevens invullen over veroordelingen wegens deelname aan een criminele organisatie of het witwassen van geld ….

(2)  Informatie inzake uitsluitingsgronden.

(3)  Overeenkomstig artikel 71, lid 5, derde alinea, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 88, lid 5, van Richtlijn 2014/25/EU.

(4)  Dit is de link naar de voorlopige versie waaraan nog wordt gewerkt. Wanneer de volledige definitieve versie beschikbaar is, zal de betreffende link worden ingevoegd of anderszins worden aangeboden.

(5)  De situatie is ingewikkelder met betrekking tot onderhandelingsprocedures zonder voorafgaande bekendmaking, waarin artikel 32 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 50 van Richtlijn 2014/25/EU voorzien, aangezien deze bepalingen op zeer verschillende situaties van toepassing zijn.

Het verlangen van een UEA zou een onnodige administratieve last vormen of anderszins niet passend zijn 1) wanneer er maar een, van te voren vaststaande deelnemer mogelijk is (geldt voor beide richtlijnen, respectievelijk artikel 32, lid 2, onder b), lid 3, onder b), lid 3, onder d), en lid 5 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 50, onder c), e), f) en i), van Richtlijn 2014/25/EU en 2) vanwege de betrokken spoed (respectievelijk artikel 32, lid 2, onder c), van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 50, onder d) en h), van Richtlijn 2014/25/EU of vanwege de bijzondere kenmerken van de transactie inzake op een grondstoffenmarkt genoteerde en aangekochte producten (artikel 32, lid 3, onder c), van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 50, onder g), van Richtlijn 2014/25/EU.

Anderzijds zou het UEA ten volle zijn functie vervullen en moeten worden verlangd in de overige gevallen, die worden gekenmerkt door de mogelijke deelneming van meer dan een deelnemer en de afwezigheid van spoed of bijzondere kenmerken in verband met de transactie; dat is het geval met betrekking tot artikel 32, lid 2, onder a), lid 3, onder a), en lid 4, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 50, onder a), b) en j), van Richtlijn 2014/25/EU.

(6)  De artikelen 74 tot en met 77 en de artikelen 91 tot en met artikel 94 van respectievelijk Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU.

(7)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten, PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1.

(8)  Overeenkomstig artikel 90, lid 3, van Richtlijn 2014/24/EU.

(9)  Zij zullen ook een pdf-bestand van hun UEA kunnen maken en dit bestand elektronisch als bijlage kunnen verzenden. Om vervolgens de informatie opnieuw te kunnen gebruiken, moeten de ondernemers het ingevulde UEA in een passend elektronisch formaat opslaan (bijvoorbeeld.xml).

(10)  Dit kan het geval zijn bij de vereiste minimumomzet, die in dergelijke gevallen moet worden bepaald aan de hand van de geschatte maximumwaarde van de afzonderlijke percelen.

(11)  Tenzij de aanbestedende diensten of aanbestedende entiteiten hebben aangegeven dat algemene informatie („ja”/„neen”) over het voldoen aan de vereisten in eerste instantie voldoende is. Zie hieronder voor meer toelichting bij deze optie.

(12)  Dergelijke vereisten kunnen algemeen zijn of worden beperkt tot bepaalde situaties, en bijvoorbeeld alleen gelden in het kader van openbare procedures of, in geval van procedures met twee fasen, wanneer alle gegadigden die aan de minimumeisen voldoen, worden uitgenodigd tot deelneming.

(13)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(14)  Zie deel II, afdeling C.

(15)  Bijvoorbeeld: wanneer de aanbesteding en het begeleidend UEA in het kader van een openbare procedure worden ingediend via een e-mail die op de voorgeschreven wijze elektronisch is ondertekend, kan een aanvullende ondertekening van het UEA overbodig zijn. Het gebruik van een elektronische handtekening op het UEA kan ook overbodig zijn wanneer het UEA geïntegreerd is in een platform voor elektronische aanbesteding en voor het gebruik van dat platform een elektronische authenticatie is vereist.

(16)  Op grond van artikel 80, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU kunnen aanbestedende entiteiten, ongeacht of het om aanbestedende diensten gaat, besluiten de in artikel 58 van Richtlijn 2014/24/EU bedoelde gunningscriteria toe te passen (deel IV, afdelingen A, B en C).

(17)  Richtlijn 2014/25/EU voorziet niet expliciet in het gebruik van het UEA door aanbestedende diensten met betrekking tot de vereisten in verband met kwaliteitsborgingsregelingen en normen inzake milieubeheer (deel IV, afdeling D), maar dit gebruik moet niettemin op praktische gronden worden toegestaan aangezien artikel 62 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 81 van Richtlijn 2014/25/EU in wezen gelijk zijn.

(18)  Op grond van de artikelen 77, lid 2, en 78, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU moeten aanbestedende diensten deelnemers selecteren op grond van objectieve regels en criteria. Zoals hierboven vermeld, kan het bij deze criteria in sommige gevallen om de in Richtlijn 2014/24/EU genoemde criteria of om in wezen identieke bepalingen gaan (zie voetnoot 16). De objectieve regels en criteria kunnen echter ook specifiek voor een bepaalde aanbestedende entiteit of een specifieke aanbestedingsprocedure gelden. Dergelijke gevallen kunnen echter niet in een standaardformulier worden geregeld.

(19)  Richtlijn 2014/25/EU voorziet niet expliciet in het gebruik van het UEA door aanbestedende diensten met betrekking tot de beperking van het aantal gekwalificeerde gegadigden (deel V), maar dit gebruik moet niettemin op praktische gronden worden toegestaan, aangezien zowel artikel 65 van Richtlijn 2014/24/EU als artikel 78, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU voorschrijft dat een dergelijke beperking van aantallen wordt uitgevoerd op grond van objectieve en niet-discriminerende criteria.


BIJLAGE 2

STANDAARDFORMULIER VOOR HET UNIFORM EUROPEES AANBESTEDINGSDOCUMENT (UEA)

Deel I: Gegevens over de aanbestedingsprocedure en de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit

Image

Deel II: Gegevens met betrekking tot de ondernemer

Image

Image

Image

Deel III: Uitsluitingsgronden

Image

Image

Image

Image

Deel IV: Selectiecriteria

Image

Image

Image

Image

Deel V: Beperking van het aantal gekwalificeerde gegadigden

Image

Deel VI: Slotopmerkingen

Image


6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/35


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/8 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

tot vaststelling van de technische kenmerken voor de speciale module 2017 over arbeid als zelfstandige

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad van 9 maart 1998 betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap (1), en met name artikel 7 bis, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op het toezicht op de voortgang naar de gemeenschappelijke doelstellingen van de strategie Europa 2020 moeten de lidstaten de Commissie een uitvoerige reeks gegevens over arbeid als zelfstandige verstrekken, die onderlinge vergelijkingen tussen de lidstaten mogelijk maakt.

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 318/2013 van de Commissie (2) is een speciale module over arbeid als zelfstandige vastgesteld.

(3)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1397/2014 van de Commissie (3) stelt een omschrijving vast van de gebieden van gespecialiseerde informatie („gespecialiseerde submodules”) die moeten worden opgenomen in de speciale module 2017 over arbeid als zelfstandige.

(4)

De Commissie moet de technische kenmerken, de filters, de codes en de termijn voor de indiening van gegevens voor de speciale submodule over arbeid als zelfstandige vaststellen.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De technische kenmerken van de speciale module 2017 over arbeid als zelfstandige, de filters, de codes die moeten worden gebruikt, en de termijn waarbinnen de resultaten aan de Commissie moeten worden toegezonden, zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 77 van 14.3.1998, blz. 3.

(2)  Verordening (EU) nr. 318/2013 van de Commissie van 8 april 2013 tot vaststelling van het programma van speciale modules voor de jaren 2016-2018 bij de steekproefenquête naar de arbeidskrachten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad (PB L 99 van 9.4.2013, blz. 11).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1397/2014 van de Commissie van 22 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 318/2013 tot vaststelling van het programma van speciale modules voor de jaren 2016-2018 bij de steekproefenquête naar de arbeidskrachten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 42).


BIJLAGE

Deze bijlage bevat de technische kenmerken, de filters en de codes die moeten worden gebruikt in de speciale module over arbeid als zelfstandige die gepland is voor 2017. Ook worden de termijnen voor de indiening van de gegevens bij de Commissie vastgesteld.

Termijn voor de indiening van de resultaten bij de Commissie:31 maart 2018.

Filters en codes die moeten worden gebruikt voor de indiening van de gegevens: zoals vastgesteld in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 377/2008 van de Commissie (1).

Kolommen gereserveerd voor optionele wegingscoëfficiënten, te gebruiken bij substeekproeven of non-respons: de kolommen 222-225 bevatten gehele getallen en de kolommen 226-227 bevatten decimalen.

1.   Submodule „Economisch afhankelijke zelfstandige arbeid”

Naam/kolom

Code

Omschrijving

Filter

MAINCLNT

 

Economische afhankelijkheid

STAPRO = 1,2

211

 

Aantal en belang van de klanten in de afgelopen twaalf maanden

 

 

1

Geen enkele klant in de afgelopen twaalf maanden

 

2

Slechts één klant in de afgelopen twaalf maanden

3

2-9 klanten in de afgelopen twaalf maanden, waarvan één hoofdklant

4

2-9 klanten in de afgelopen twaalf maanden, maar geen ervan was hoofdklant

5

Meer dan 9 klanten in de afgelopen twaalf maanden, waarvan één hoofdklant

6

Meer dan 9 klanten in de afgelopen twaalf maanden, maar geen ervan was hoofdklant

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

WORKORG

 

Organisatorische afhankelijkheid

STAPRO = 1,2 AND MAINCLNT ≠ 1

212

 

Invloed op de vaststelling van de arbeidsuren

 

 

1

De respondent stelt de arbeidsuren vast

 

2

De klant van de respondent stelt de arbeidsuren vast

3

Een andere partij stelt de arbeidsuren vast

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

2.   Submodule „Arbeidsomstandigheden van zelfstandigen”

Naam/kolom

Code

Omschrijving

Betreft

REASSE

 

Hoofdreden om zelfstandig te worden

STAPRO = 1,2

213

 

Hoofdreden om zelfstandig te worden toen respondent begon te werken als zelfstandige in zijn huidige werkkring

 

 

1

Kon geen baan in loondienst vinden

 

2

De voormalige werkgever verzocht respondent om zelfstandig te worden

3

Het is de gebruikelijke praktijk in het vakgebied van de respondent

4

Er deed zich een geschikte gelegenheid voor

5

Zette het familiebedrijf voort

6

Wenste niet of was niet van plan om zelfstandig te worden, maar ging werken als zelfstandige om een andere reden dan bovenvermeld

7

Wilde zelfstandig worden wegens de flexibele werktijden

8

Wilde zelfstandig worden om andere reden

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

SEDIFFIC

 

Hoofdprobleem als zelfstandige

STAPRO = 1,2

214

 

Eigen perceptie van hoofdprobleem bij het werken als zelfstandige gedurende de afgelopen twaalf maanden

 

 

0

Onvoldoende invloed op de vaststelling van de prijs van de eigen werkzaamheden

 

1

Onvoldoende toegang tot financiering voor het bedrijf

2

Betalingen gebeuren te laat of blijven uit

3

Administratieve lasten onevenredig hoog

4

Onvoldoende inkomen bij ziekte

5

Perioden van financiële problemen

6

Perioden zonder klanten, opdrachten of projecten

7

Ander probleem

8

Geen problemen

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

REASNOEM

 

Hoofdreden om geen personeel te hebben

STAPRO = 2

215

 

Eigen perceptie van hoofdreden om geen personeel te hebben

 

 

0

Respondent wil in de eerste plaats zichzelf tewerkstellen

 

1

Er is niet genoeg werk

2

Geschikt personeel moeilijk te vinden

3

Wettelijke voorschriften zijn is te ingewikkeld

4

Hoge sociale premies

5

Niet mogelijk in het vakgebied van respondent

6

Respondent werkt liever met onderaannemers of partners

7

De klanten willen dat de respondent het werk verricht

8

Andere reden

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

BPARTNER

 

Samenwerking met zakenpartners

STAPRO = 1,2

216

 

Samenwerking met een mede-eigenaar en/of in een netwerk van andere zelfstandigen

 

 

1

Werkt samen met een mede-eigenaar

 

2

Werkt samen met andere zelfstandige in een netwerk

3

Beide

4

Geen van beide

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

PLANEMPL

 

Voornemen met personeel of onderaannemers te werken

STAPRO = 1,2

217

 

Is van plan om in de komende twaalf maanden met personeel of onderaannemers te werken

 

 

1

Is van plan om alleen vast personeel aan te werven

 

2

Is van plan om alleen tijdelijk personeel aan te werven

3

Is van plan om zowel vast als tijdelijk personeel aan te werven

4

Is van plan alleen met onderaannemers te werken

5

Plans to hire subcontractors and employ employees

6

Niet van plan bediende of subcontractant aan te werven

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

3.   Submodule „Zelfstandigen en werknemers”

Naam/kolom

Code

Omschrijving

Betreft

JBSATISF

 

Tevredenheid met het werk

WSTATOR = 1,2

218

 

De mate van tevredenheid met het werk in de eerste werkkring

 

 

1

In hoge mate tevreden

 

2

In zekere mate tevreden

3

In geringe mate tevreden

4

Volstrekt niet tevreden

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

AUTONOMIE

 

Arbeidsautonomie

WSTATOR = 1,2

219

 

De mate van invloed op de inhoud en de volgorde van de taken in de eerste werkkring

 

 

1

Heeft invloed op de inhoud en de volgorde van de taken

 

2

Heeft invloed op de inhoud, maar niet op de volgorde van de taken

3

Heeft invloed op de volgorde, maar niet op de inhoud van de taken

4

Heeft geen invloed op de inhoud of op de volgorde van de taken

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

PREFSTAP

 

Beroepsstatus van voorkeur voor de eerste werkkring

WSTATOR = 1,2

220

 

Voorkeur voor werk in loondienst indien nu zelfstandig, of voorkeur voor werk als zelfstandige indien nu in loondienst

 

 

1

Wil beroepsstatus niet veranderen

 

2

Werkt als zelfstandige maar wil werken in loondienst

3

Werkt in loondienst of als meewerkend gezinslid maar wil zelfstandig worden

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet

OBSTACSE

 

Hoofdreden om niet als zelfstandige te werken in de eerste werkkring

PREFSTAP = 3

221

 

Hoofdreden waarom de huidige werknemers of meewerkende gezinsleden die zelfstandig zouden willen zijn, niet zijn overgegaan naar de beroepsstatus van hun voorkeur

 

 

1

Financiële onzekerheid

 

2

Moeilijkheden bij het verkrijgen van financiering voor het bedrijfsleven

3

Te veel stress, verantwoordelijkheden, of risico

4

Minder dekking van sociale bescherming

5

Andere reden

9

Niet van toepassing (niet in filter inbegrepen)

Blanco

Geen antwoord/Weet niet


(1)  Verordening (EG) nr. 377/2008 van de Commissie van 25 april 2008 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap, wat de codering voor de indiening van de gegevens vanaf 2009, het gebruik van een substeekproef voor de verzameling van gegevens over structurele variabelen en de vaststelling van de referentiekwartalen betreft (PB L 114 van 26.4.2008, blz. 57).


6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/41


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/9 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

betreffende het gezamenlijk indienen en het uitwisselen van gegevens overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 132,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op de registratie van stoffen bevatten de titels II en III van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bepalingen op grond waarvan producenten en importeurs gegevens moeten uitwisselen en gezamenlijk informatie bij het Agentschap moeten indienen.

(2)

Uit de ervaringen die de autoriteiten met de in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor geleidelijk geïntegreerde stoffen vastgestelde registratietermijnen (2010 en 2013) hebben opgedaan, en uit de informatie die rechtstreeks en tijdens de REACH-registratieworkshop op 10 en 11 december 2013 in Brussel van de stakeholders is verkregen, blijkt dat niet ten volle van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende het uitwisselen en gezamenlijk indienen van gegevens is gebruikgemaakt, zodat de toepassing van de betreffende bepalingen niet aan de verwachtingen heeft voldaan. Dit is vooral nadelig geweest voor kleine en middelgrote ondernemingen.

(3)

Om het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 vastgestelde systeem van gegevensuitwisseling doeltreffend te doen functioneren, is het zaak goede managementpraktijken te bevorderen en een efficiënte werking van de overeenkomsten inzake de uitwisseling van dergelijke gegevens te waarborgen. Daarom moeten voorschriften worden vastgesteld voor een doeltreffende toepassing van die verordening met betrekking tot het uitwisselen van gegevens.

(4)

De kosten voor het uitwisselen en gezamenlijk indienen van gegevens overeenkomstig artikel 11, lid 1, artikel 19, lid 1, artikel 27, lid 3, en artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 moeten billijk, transparant en op niet-discriminerende wijze worden vastgesteld.

(5)

Verduidelijkt moet worden dat overeenkomstig artikel 27, lid 3, en artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 administratieve kosten en kosten als gevolg van informatievereisten alleen moeten worden gedeeld, wanneer deze kosten betrekking hebben op de informatie die een partij met het oog op registratie krachtens die verordening moet indienen. Kosten als gevolg van informatievereisten omvatten onder meer alle noodzakelijke kosten voor het uitvoeren van een bestaande studie of een nieuwe studie, ongeacht of ze verband houden met het opstellen van de nodige specificaties, het contracteren van een laboratorium of de monitoring van de prestaties van het laboratorium. Ook de kosten om aan een REACH-informatievereiste te voldoen die geen teststudies impliceert, moeten worden meegerekend.

(6)

Om ervoor te zorgen dat gegevens transparant en doeltreffend worden uitgewisseld moeten alle overeenkomsten om gegevens in het kader van Verordening (EG) nr. 1907/2006 uit te wisselen zo worden gestructureerd dat alle relevante kosten duidelijk beschreven en identificeerbaar zijn. Als de partijen bij op de datum van inwerkingtreding van deze verordening reeds bestaande overeenkomsten inzake gegevensuitwisseling echter tevreden zijn met het functioneren van die overeenkomsten, moet het mogelijk zijn af te zien van de verplichting alle kosten te specificeren wanneer alle partijen daarmee instemmen.

(7)

Om ervoor te zorgen dat de kosten voor het uitwisselen van gegevens gerechtvaardigd zijn en adequaat tussen de partijen bij een overeenkomst inzake gegevensuitwisseling worden verdeeld, moeten die partijen een jaaroverzicht van de kosten en vergoedingen bijhouden. Overeenkomstig artikel 27, lid 3, en artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 moeten de partijen bij bestaande overeenkomsten inzake gegevensuitwisseling alles in het werk stellen om de kosten vóór de inwerkingtreding van deze verordening te staven.

(8)

Om de consistentie met artikel 25, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 te waarborgen en ervoor te zorgen dat de kosten van onderzoek in het kader van een overeenkomst inzake gegevensuitwisseling met documenten worden gestaafd, moeten die jaaroverzichten minstens 12 jaar worden bewaard te rekenen vanaf het indienen van het onderzoek in het kader van een registratie uit hoofde van die verordening.

(9)

In alle overeenkomsten inzake gegevensuitwisseling moet een model worden opgenomen voor het delen van alle relevante kosten. Alle modellen voor het delen van de kosten moeten voorzien in een terugbetalingsmechanisme, zodat het aandeel van elke registrant in de kosten kan worden aangepast wanneer andere registranten in een later stadium tot die overeenkomst toetreden.

(10)

Om te voorkomen dat de partijen bij al op de datum van inwerkingtreding van deze verordening bestaande overeenkomsten inzake gegevensuitwisseling met onnodige administratieve lasten worden opgezadeld, moeten die partijen het recht hebben van een terugbetalingsmechanisme af te zien als alle partijen bij de overeenkomst daarmee instemmen. Potentiële registranten die tot de bestaande overeenkomst willen toetreden, moeten in dat geval echter het recht hebben te verzoeken om een terugbetalingsmechanisme in de overeenkomst te laten opnemen.

(11)

In het belang van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat — overeenkomstig artikel 50, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 — de kosten in verband met een besluit over de beoordeling van de stof ook van toepassing kunnen zijn op registranten die hun activiteiten krachtens de leden 2 of 3 van artikel 50 van die verordening reeds hebben beëindigd.

(12)

Het beginsel „één stof, één registratie”, dat ten grondslag ligt aan de titels II en III van Verordening (EG) nr. 1907/2006, moet worden versterkt door de rol te beklemtonen die het Agentschap speelt bij het waarborgen dat alle ingediende informatie over dezelfde stof deel uitmaakt van dezelfde registratie uit hoofde van die verordening.

(13)

Wanneer proeven op gewervelde dieren niet nodig zijn voor de registratie van een partij uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006, moet worden verduidelijkt dat die partij geen gegevens met andere registranten van dezelfde stof hoeft uit te wisselen en ervoor kan kiezen de in artikel 10, onder a), bedoelde informatie afzonderlijk in te dienen overeenkomstig artikel 11, lid 3, of artikel 19, lid 2, van die verordening.

(14)

Om de consistentie met het beginsel „één stof, één registratie” te waarborgen moet het Agentschap ervoor zorgen dat de in artikel 10, onder a), bedoelde informatie die krachtens artikel 11, lid 3, of artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 afzonderlijk wordt ingediend, toch deel uitmaakt van de bestaande registratie voor die stof.

(15)

Om de ontwikkeling en het gebruik van alternatieve methoden voor de beoordeling van de gevaren van stoffen te bevorderen en dierproeven tot een minimum te beperken stimuleert deze verordening de uitwisseling van relevant (dierlijk en niet-dierlijk) onderzoek in verband met een stof die structureel vergelijkbaar is met de stof die wordt geregistreerd (groeperen of „read-across”).

(16)

De in deze verordening vervatte bepalingen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt specifieke plichten en verplichtingen vast voor partijen bij overeenkomsten die krachtens Verordening (EG) nr. 1907/2006 het uitwisselen van informatie en het delen van de daaraan verbonden kosten vereisen.

Artikel 2

Transparantie

1.   Als meerdere registranten van dezelfde stof of deelnemers aan een forum voor de uitwisseling van informatie over stoffen (Substance Information Exchange Forum, SIEF) verplicht zijn om krachtens Verordening (EG) nr. 1907/2006 informatie uit te wisselen, stellen ze alles in het werk om een overeenkomst te sluiten over de uitwisseling van de informatie. Deze overeenkomst inzake gegevensuitwisseling, waarbij alleen onder die verordening vallende personen of entiteiten betrokken zijn, is duidelijk en begrijpelijk voor alle partijen en omvat de volgende onderdelen:

a)

een specificatie van de uit te wisselen gegevens, met inbegrip van de kosten voor elk onderdeel van de gegevens, een beschrijving met de informatievereisten van Verordening (EG) nr. 1907/2006 waarmee elke kostenpost correspondeert, en een rechtvaardiging van de wijze waarop de uit te wisselen gegevens aan de informatievereiste voldoen;

b)

een specificatie en een rechtvaardiging van alle kosten voor het ontwikkelen en beheren van de overeenkomst inzake gegevensuitwisseling en voor het gezamenlijk indienen van informatie tussen registranten van dezelfde stof uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (hierna „de administratieve kosten” genoemd), die voor die overeenkomst inzake gegevensuitwisseling van toepassing is;

c)

een model voor het delen van de kosten dat ook een terugbetalingsmechanisme omvat.

2.   Als op de datum van inwerkingtreding van deze verordening al een overeenkomst inzake gegevensuitwisseling bestaat, kunnen de partijen bij die overeenkomst met eenparigheid van stemmen afzien van hun verplichting om de in lid 1, onder a) en b), beschreven gegevens te specificeren.

Een potentiële registrant van een stof waarvoor eerdere registranten al een overeenkomst inzake gegevensuitwisseling hebben gesloten, die verzoekt om een onderzoek of een reeks onderzoeken overeenkomstig de artikelen 27 en 30 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 te delen, is niet gebonden door een bestaande ontheffing van een verplichting — tenzij hij een ondertekend document bij de eerdere registranten indient waarin hij zich bij de ontheffing van de verplichting aansluit — en heeft het recht een verzoek om de in lid 1, onder a) en b), beschreven specificatie in te dienen.

Als een dergelijk verzoek wordt ingediend, is het aan de eerdere registranten om:

a)

alle in de in lid 1, onder a) en b), beschreven relevante kosten te specificeren vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

b)

de kosten van eventueel onderzoek dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening werd afgerond, te staven met bewijsstukken waarom overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 is verzocht;

c)

alles in het werk te stellen om alle andere in lid 1, onder a) en b), beschreven relevante kosten te specificeren — met inbegrip van de administratieve kosten en de niet onder b) vallende onderzoekskosten — van vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

De specificatie van de kosten wordt onverwijld aan de potentiële registrant verstrekt.

3.   Wanneer registranten van dezelfde stof informatie hebben uitgewisseld en gezamenlijk ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006, staven zij eventuele verdere kosten met betrekking tot hun overeenkomst inzake gegevensuitwisseling jaarlijks met bewijsstukken.

Deze jaarlijkse overzichten bevatten de in lid 1 vermelde onderdelen en — met het oog op het terugbetalingsmechanisme — een overzicht van alle van nieuwe registranten ontvangen vergoedingen.

Bij gebrek aan gedetailleerde bewijsstukken van de kosten of vergoedingen vóór de inwerkingtreding van deze verordening stellen de partijen bij een overeenkomst alles in het werk om bewijsstukken te verzamelen of een zo nauwkeurig mogelijke schatting te maken van die kosten en vergoedingen voor elk jaar vanaf het begin van die overeenkomst.

Deze jaarlijkse overzichten worden minstens 12 jaar — te rekenen vanaf de laatste indiening van een onderzoek — door de registranten bewaard en kosteloos, binnen een redelijke termijn en met volledige inachtneming van de vereisten inzake de toepasselijke registratietermijnen ter beschikking gesteld op verzoek van een partij bij de betreffende overeenkomst inzake gegevensuitwisseling.

Artikel 3

Eén stof, één registratie

1.   Onverminderd artikel 11, lid 3, en artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 zorgt het Agentschap ervoor dat alle registranten van dezelfde stof deel uitmaken van dezelfde registratie uit hoofde van die verordening.

2.   Wanneer het Agentschap overeenkomstig artikel 27, lid 6, en artikel 30, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 aan een potentiële registrant van een reeds geregistreerde stof toestemming verleent te verwijzen naar verlangde informatie, zorgt het Agentschap ervoor dat een eventuele latere indiening van informatie door die potentiële registrant deel uitmaakt van de bestaande gezamenlijke indiening voor die stof.

3.   Wanneer een potentiële registrant aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 26 of 29 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 heeft voldaan en zich ervan heeft vergewist dat hij geen proeven op gewervelde dieren hoeft te delen met het oog op zijn registratie, kan hij ertoe besluiten artikel 11, lid 3, of artikel 19, lid 2, in te roepen om alle of een deel van de in artikel 10, onder a), van die verordening bedoelde informatie afzonderlijk in te dienen.

In dergelijke gevallen stelt de potentiële registrant alle eerdere registranten van die stof in kennis van zijn besluit. Hij brengt ook het Agentschap op de hoogte, dat er overeenkomstig lid 1 voor zorgt dat deze afzonderlijke indiening uit hoofde van artikel 11, lid 3, of artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 deel blijft uitmaken van de bestaande registratie voor die stof.

Artikel 4

Billijkheid en non-discriminatie

1.   Overeenkomstig artikel 27, lid 3, en artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 delen registranten alleen in de kosten van de informatie die zij bij het Agentschap moeten indienen om aan hun registratie-eisen te voldoen. Deze voorwaarde geldt ook voor administratieve kosten.

2.   Het in artikel 2, lid 1, onder c), bedoelde model voor het delen van de kosten geldt voor alle registranten van die stof, met inbegrip van mogelijke toekomstige registranten die in een later stadium tot de overeenkomst inzake gegevensuitwisseling toetreden.

Het model voor het delen van de kosten bevat voor alle registranten van een bepaalde stof bepalingen voor het delen van alle kosten die voortvloeien uit een mogelijk besluit over de beoordeling van de stof.

Ook met de volgende factoren wordt rekening gehouden bij het vaststellen van een bepaald model voor het delen van de kosten: het aantal potentiële registranten die zich naar verwachting voor die stof willen registreren; en de mogelijkheid van andere toekomstige extra informatievereisten voor die stof, dan die als gevolg van een mogelijk besluit over de beoordeling van de stof.

Als een model voor het delen van de kosten voorziet in de mogelijkheid de kosten te dekken van andere toekomstige extra informatievereisten voor die stof, dan die als gevolg van een mogelijk besluit over de beoordeling van de stof, wordt deze mogelijkheid gerechtvaardigd en gescheiden van de andere kosten vermeld in de overeenkomst inzake gegevensuitwisseling.

Het verzamelen van informatie om de gelijkheid van stoffen vast te stellen komt niet in aanmerking voor een kostendeling tussen eerdere registranten en potentiële registranten.

3.   Overeenkomstig de artikelen 27 en 30 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 dragen alle partijen bij een overeenkomst inzake gegevensuitwisseling een gelijk deel van de kosten voor hun deelname, als ze niet tot een overeenkomst kunnen komen over een model voor het delen van de kosten. Een deel van die kosten wordt echter terugbetaald als ware een terugbetalingsmechanisme overeengekomen overeenkomstig de eerste alinea van lid 4.

4.   Het in artikel 2, lid 1, onder c), bedoelde terugbetalingsmechanisme wordt in elk model voor het delen van de kosten opgenomen en omvat een methode op basis waarvan elke deelnemer zijn deel van de kosten proportioneel krijgt terugbetaald, als een potentiële registrant in de toekomst tot die overeenkomst toetreedt.

Het terugbetalingsmechanisme houdt ook rekening met de volgende factoren: de mogelijkheid van andere toekomstige extra registratievereisten voor die stof, dan die als gevolg van een mogelijk besluit over de beoordeling van de stof; en de economische levensvatbaarheid van bepaalde terugbetalingen, wanneer de terugbetalingskosten hoger zijn dan het terug te betalen bedrag.

5.   Als op de datum van inwerkingtreding van deze verordening al een overeenkomst inzake gegevensuitwisseling bestaat, kunnen de partijen bij die overeenkomst met eenparigheid van stemmen afzien van hun verplichting om een terugbetalingsmechanisme in hun model voor het delen van de kosten op te nemen.

Een potentiële registrant die voornemens is tot een overeenkomst inzake gegevensuitwisseling toe te treden, is niet gebonden door een bestaande ontheffing van een verplichting — tenzij hij een ondertekend document bij de eerdere registranten indient waarin hij zich bij de ontheffing van de verplichting aansluit — en heeft het recht om overeenkomstig deze verordening een terugbetalingsmechanisme in het model voor het delen van de kosten te laten opnemen.

6.   Alle registranten die hun activiteiten overeenkomstig lid 2 of lid 3 van artikel 50 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 hebben beëindigd, kunnen toch nog uit hoofde van artikel 50, lid 4, van die verordening worden verplicht de kosten te delen die voortvloeien uit een besluit over de beoordeling van de stof.

Artikel 5

Geschillenbeslechting

1.   Bij het beslechten van een geschil over het uitwisselen van informatie overeenkomstig artikel 27, lid 5, en artikel 30, lid 3, van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 houdt het Agentschap rekening met de naleving door de partijen van de verplichtingen uit hoofde van de artikelen 2, 3 en 4 van deze verordening.

2.   Deze verordening laat de volledige toepassing van de mededingingsregels van de Unie onverlet.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.


6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/46


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/10 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

236,2

MA

77,5

TR

111,7

ZZ

141,8

0707 00 05

MA

88,9

TR

156,8

ZZ

122,9

0709 93 10

MA

43,8

TR

144,8

ZZ

94,3

0805 10 20

EG

53,0

MA

64,8

TR

70,6

ZA

74,1

ZZ

65,6

0805 20 10

IL

171,2

MA

67,7

ZZ

119,5

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

118,6

MA

86,7

TR

66,6

ZZ

90,6

0805 50 10

TR

96,5

ZZ

96,5

0808 10 80

CL

83,4

US

150,1

ZZ

116,8

0808 30 90

TR

130,5

ZZ

130,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

6.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 3/48


UITVOERINGSRICHTLIJN (EU) 2016/11 VAN DE COMMISSIE

van 5 januari 2016

tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2002/57/EG van de Raad betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (1), en met name artikel 24,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage II, deel I, punt 2, onder b), bij Richtlijn 2002/57/EG is de minimale raszuiverheid van het zaaizaad van hybriden van koolzaad vastgesteld.

(2)

De huidige zuiverheidsnorm van 90 % die van toepassing is op de hybriderassen van zowel zomer- als winterkoolzaad is niet langer een afspiegeling van de specifieke technische kenmerken en de beperkingen van de productie van zaaizaad van zomerkoolzaad.

(3)

De voorwaarden voor de productie van zaad als vastgesteld in Richtlijn 2002/57/EG zijn gebaseerd op de internationaal aanvaarde normen van de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde „Seed Schemes”.

(4)

De raszuiverheidsnorm voor het zaaizaad van zomerkoolzaad moet worden aangepast aan de door de OESO vastgestelde norm.

(5)

Bijlage II bij Richtlijn 2002/57/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2002/57/EG

In bijlage II, deel I, bij Richtlijn 2002/57/EG wordt punt 2, onder b), vervangen door:

„b)

De minimale raszuiverheid van het zaaizaad moet als volgt zijn:

basiszaad, vrouwelijke kruisingspartner: 99,0 %;

basiszaad, mannelijke kruisingspartner: 99,9 %;

gecertificeerd zaad van winterkoolzaadrassen: 90,0 %;

gecertificeerd zaad van zomerkoolzaadrassen: 85,0 %.”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2016 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast en maken deze bekend teneinde aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2017.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 5 januari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74.